Aan een klok kun je het vakmanschap van de klokkenmaker herkennen. Zo "vertellen de hemelen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen" (Psalm 19 vers 2). "Aanziet de vogelen des hemels", en: "Aanmerkt de leliën des velds", zegt de Heere Jezus in Mattheüs 6 vers 26 en 28.
Hoeveel mensen zijn er niet die blind zijn voor dit prachtige natuurgebeuren; zij erkennen "Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid" niet (Romeinen 1 vers 20).
De ongelovigen hebben steeds weer geprobeerd de inhoud van deze duidelijke verzen door hun evolutieleer te vervangen. Maar wij hoeven nooit bang te zijn dat menselijke overleggingen of geologische ontdekkingen deze Goddelijke verklaringen aan het wankelen brengen. Laten we eraan denken dat noch wetenschap noch verstand ons op dit gebied inzicht kunnen geven en ons iets kunnen verklaren. Het is het Woord dat ons onderwijst, en het geloof waardoor wij deze dingen begrijpen (zie Hebreeën 11 vers 3).
Waar duisternis heerste (Genesis 1 vers 2), liet God het licht schijnen. Uit een woest en ledig landschap heeft Hij een bewoonbare aarde gemaakt waarop alles volgens Zijn wetten en regels verloopt (denk maar aan de seizoenen). Maar de aarde was nog leeg. En God, "die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft ... Hij heeft ze niet geschapen, dat zij leeg zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou" (Jesaja 45 vers 18). Als kroon op het scheppingswerk heeft God de mens naar Zijn beeld gemaakt. Dat betekent: als Zijn 'plaatsvervanger' om over de aarde te heersen.
"... omdat de HEERE, in zes dagen, de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag gerust en Zich verkwikt heeft" (Exodus 31 vers 17). De HEERE verheugt zich in de vreugde die Hij voor Zijn schepselen heeft toebereid.
In de schepping bewonderen wij de macht van God Die miljarden sterren hun plaats geeft in het heelal, Die aan de zee grenzen heeft gesteld en Die het geweld van de bliksem en de wind in Zijn hand heeft. Ja, God is zo machtig om uit een handvol stof de mens te formeren (Psalm 8 vers 4 en 5).
Maar we bewonderen ook de wijsheid van God Die seizoenen heeft gegeven, Die zorgt dat de natuur in evenwicht is, Die zorgt voor de hele plantenwereld en Die het instinct aan de dieren heeft gegeven (Psalm 104 vers 24).
Laten we ook zien op de goedertierenheid van God. Hij heeft de hemelen, de aarde, het water en de grote lichten gemaakt. "Want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" (Psalm 136).
Met de tederheid van een moeder die alles klaar maakt voor het kind dat geboren moet worden, zo heeft God de mens in volmaakte omstandigheden geplaatst. De mens mocht wonen in het paradijs om ononderbroken te genieten van de rust van zijn Schepper. God heeft "de adem des levens" (vers 7) in zijn neus geblazen en daarmee heeft Hij hem (in tegenstelling tot de dieren) tot een levende en onsterfelijke ziel gemaakt die verantwoording verschuldigd is aan God.
God heeft de mens in het middelpunt van Zijn schepping geplaatst, opdat hij haar als een 'zaakwaarnemer' zou onderhouden. Slechts één ding was de mens verboden: te eten "van de boom der kennis des goeds en des kwaads". Daarmee stelde God de gehoorzaamheid van de mens die hij als verantwoordelijk schepsel verschuldigd was, op de proef. De mens is, in tegenstelling tot een dier, niet aan driften en onbedwingbare neigingen onderworpen. Als vrij mens wordt er gehoorzaamheid aan zijn Schepper van hem verwacht.
De eerste opdracht die Adam kreeg, was om alle levende wezens een naam te geven. Deze levende wezens staan ten dienste van de mens, maar hun 'intelligentie' is nooit hoger dan ze voor hun eigen behoefte nodig hebben.
Het alleen-zijn is niets voor een mens. Hij heeft iemand nodig om van gedachten te wisselen, om gezamenlijk te genieten van wat God geeft, en Hem daar samen voor te prijzen. De liefde van God begrijpt deze behoefte van de mens en God voldoet aan zijn verlangen door hem een levensgezellin te geven. Iemand die hem kan helpen en dezelfde behoeften en gevoelens kent als hij.
Hierin zien we een beeld van de verborgenheid van Christus en de gemeente, de bruid van Christus. Hij is dood geweest en mag haar uit de hand van God ontvangen, om haar te onderhouden en te verzorgen (Efeze 5 vanaf vers 29). "Deze verborgenheid is groot", zegt de apostel: "Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn gebeente."
Het geluk van de mens in de hof van Eden is van korte duur. In de gedaante van een slang sluipt de duivel in de hof en wint het vertrouwen van de vrouw, terwijl hij twijfel in haar hart zaait ten opzichte van God. 'God heeft jullie niet lief', fluistert hij, 'want anders zou God jullie niet dat grote voorrecht onthouden'. â "Gij zult de dood niet sterven ... gij zult als God wezen" (vers 4 en 5). Zó zaait de aartsleugenaar hoogmoed en afgunst in het hart van de mens. Wat een tegenstelling met wat we lezen in Filippi 2 vers 6!
"Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde" (Jakobus 1 vers 14 en 15). Helaas werd de mens bedrogen: "Kennende het goed en het kwaad", heeft hem geen kracht gegeven het goede te doen noch het kwade na te laten. De enige uitwerking was: "Zij werden gewaar, dat zij naakt waren."
Van nature bevindt de mens zich in die situatie en hij schaamt zich daarvoor. De schorten van vijgenbladeren laten de vergeefse pogingen van de mens zien, zijn zedelijke toestand te verbergen. Want "... alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem, met Wie wij te doen hebben" (Hebreeën 4 vers 13).
"Waar zijt gij?" (vers 9).
"Hebt gij van die boom gegeten?" (vers 11).
'Wat is dit, dat gij gedaan hebt?" (vers 13).
Deze ernstige vragen laten geen ruimte voor uitvluchten en verontschuldigingen.
God erkent de verantwoordelijkheid van elke schuldige en spreekt Zijn drievoudig oordeel uit.
De slang hoort: Het Zaad van de vrouw (dat is Christus) "zal u de kop vermorzelen." Met andere woorden: zijn macht zal te niet gedaan worden. Direct nadat de zonde hier op aarde zijn intrede heeft gedaan, heeft God Zijn Heilmiddel bekendgemaakt, "Die wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld" (1 Petrus 1 vers 20).
De vrouw moet de moeiten van haar zwangerschap dragen en het lot van de man is dat hij hard en met inspanning moet werken. Totdat het uiteindelijke oordeel volgt: "Want de bezoldiging het loon] van de zonde is de dood" (Romeinen 5 vers 12 en 6 vers 23).
Het geloof in de aangekondigde Verlosser stelt Adam in staat dit oordeel tegemoet te treden en zijn vrouw 'Eva' te noemen, dat betekent 'leven'.
God beantwoordt dit geloof door de schorten die ze zelf gemaakt hadden, te vervangen door rokken van dierenvellen. Dit leert ons een heel belangrijke waarheid: de enige gerechtigheid waarmee de mens zich kan bekleden, is de gerechtigheid waarmee Godzelf hem bekleedt. Zoals de rokken gemaakt zijn van het vel van een dier dat daarvoor geslacht werd, zo is de gerechtigheid waarmee een zondaar door God bekleed wordt, de gerechtigheid van Christus, het geslachte Lam.
Wat een troost dat God de mens pas uit de hof wegstuurt, nadat Hij hem dit beeld, deze gedachte aan genade en heil getoond heeft!
Sinds het ontstaan van de mensheid zien we twee geslachten, twee groepen mensen.
Kaïn, de eerste mens die op de aarde is geboren, is de stamvader van allen die met zichzelf ingenomen zijn. Tevreden met zichzelf en zijn eigen werken, zonder het bewustzijn van zonde en de gevolgen daarvan, verschijnt hij voor God met de vruchten van zijn eigen werk. Vruchten van een vervloekte aardbodem. Hoe kan hij God daarmee eren?
Abel, de tweede mens, is de 'voorganger' van hen die hun weg in geloof gaan. Hij opent als het ware de erelijst van personen die we zien in Hebreeën 11 (vers 4). Zijn offer is `beter' dan Kaïns offer, omdat het geofferd is naar Gods gedachten.
In Genesis 3 zagen we de zonde van de mensen tegenover God. Nu zien we de zonde van de mens tegen zijn naaste. Kaïn doodt zijn broer.
In het Woord dat de gedachten en harten van de mens beproeft, zien we waarom hij zo handelde: uit afgunst. "En om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en die van zijn broeder rechtvaardig" (1 Johannes 3 vers 12).
Toen de Heere Jezus hier op aarde kwam, werd Hij door de joden om dezelfde reden gedood. Zijn volmaaktheid bracht hun eigen boze werken aan het licht. Zij hebben het bloed van de Rechtvaardige vergoten en hun straf is dezelfde als die van Kaïn: ze zijn over de hele wereld verstrooid en worden vervolgd.
Kaïn weigert te accepteren dat hij door God tot een zwervend en dolend bestaan is veroordeeld. Hij wil het prettiger, gemakkelijker hebben en bouwt voor zich en zijn familie een stad. En ze zoeken zelf voor zich een 'baan' uit die ze fijn vinden. Maar ... de sociale welvaart kan de menselijke natuur niet verbeteren.
De nakomelingen van Kaïn lijken op hun stamvader. De gewelddadigheid van de eerste moordenaar in de wereldgeschiedenis vinden we terug bij Lamech, zijn afstammeling.
Hier wordt ons een beeld geschetst van de tegenwoordige wereld die de Heere Jezus, de ware Abel, gedood heeft. Alles gaat gewoon door alsof er niets gebeurd is, alsof het kruis niet bestaan heeft. Men heeft zich hier op aarde gevestigd om zo gerieflijk mogelijk te leven. Niets ontbreekt: wetenschap, kunst, industrie, ja, zelfs religie is aanwezig. Maar ... dit alles zonder de Heere Jezus!
Gelijktijdig met de heerschappij van Kaïn zien we aan het einde van het hoofdstuk, heel bescheiden, een ander geslacht ten tonele verschijnen. Seth neemt de plaats van Abel in en "toen begon men de naam des HEEREN aan te roepen."
Het leven van een ten dode opgeschreven geslacht plant zich als het ware voort in de lijn van het geloof. Het laat ons zien hoe Christus, de tweede Mens, een familie verworven heeft die Zijn Naam draagt en in de vreze des HEEREN leeft.
Twee verschillende families zijn er genoemd. Bij welke hoort u?
Na het 'faillissement' van het geslacht van Kaïn is het net alsof God de draad van de geschiedenis van de mensheid weer bij het begin oppakt (vers 1 en 2).
Hier vinden we een lijst van namen die door de eeuwen heen de zogenaamde 'rode draad van het geloof' vormen, tot op de Messias, 'het Zaad van de vrouw', zoals aangekondigd na de val van de mens in de zonde.
We zien in deze familie geen grote dingen gebeuren zoals bij Kaïn. Het leven van een 'man Gods' laat hier op aarde vrijwel geen zichtbare sporen achter. De vooruitgang in de wereld is niet van hem afhankelijk en we zullen hem niet terugvinden in geschiedenisboeken. Hij wordt geboren, leeft, krijgt kinderen en sterft.
Ja, de dood is aanwezig als gevolg van de zonde. En het leven van al deze aartsvaders die genoemd worden, eindigt met de woorden: "en hij stierf.
Satan, de leugenaar, had gezegd: "Gij zult de dood niet sterven" (Genesis 3 vers 4), maar God zei: "... totdat gij tot de aarde weerkeert" (Genesis 3 vers 19). Die woorden van God vinden we hier in hoofdstuk 5 bevestigd.
Toch hebben Adam en zijn eerste nakomelingen een geweldig hoge leeftijd bereikt. Op die manier heeft God ervoor gezorgd dat, voordat de Schriften er waren, de waarheid mondeling doorgegeven kon worden, en wel door zo weinig mogelijk tussenpersonen (amper zeven tussen Adam en Mozes).
In dit hoofdstuk lezen we van één uitzondering op de wet van de dood: Henoch.
Hij leeft vijfenzestig jaar, dan wandelt hij driehonderd jaar met God, waarna God hem wegneemt. Er worden ons verder geen details genoemd, noch over zijn wandel met God noch over zijn wegneming, de laatste stap van zijn wandel. Maar wat een geweldige samenvatting van zijn leven!
Weten wij wat het betekent met God te wandelen, al zou het maar één dag van een bepaald jaar zijn?
Dankzij zijn geloofsleven vinden we Henochs naam terug in de lijst van geloofsgetuigen in Hebreeën 11 (vers 5 en 6). Zijn naam betekent: 'ingewijd' of 'onderwezen'. En zoals die getuigen ziet hij, door God onderwezen, de toekomstige dingen.
Door het geloof ziet hij de HEERE als de toekomstige Heerser "gekomen met Zijn vele duizenden heiligen" (Judas vers 14). Dit gezicht, dit toekomstbeeld, houdt hem gescheiden van hen die dan geoordeeld zullen worden.
Zoals Henoch zullen spoedig à lle levende gelovigen van de aarde worden weggenomen, zonder te sterven. Door de Heere Jezus Die de Zijnen komt halen (1 Thessalonika 4 vers 17).
Kent iedere lezer(es) deze geweldige waarheid? Wat een geweldige toekomst voor hen die bereid zijn, maar het is tegelijk heel ernstig voor hen die de Heere niet kennen!
Laten we opmerken dat God Zijn oordeel niet over de wereld laat gaan, voordat Hij geweldige beloften heeft gegeven; Noach betekent: 'troost' en 'rust'.
De mensen hebben zich op aarde vermenigvuldigd, maar met hen heeft ook het kwaad zich vermeerderd en wel op tweeërlei wijze: verdorvenheid en wrevel (misdadigheid) (vers 11).
Is de mensheid in onze dagen beter? Integendeel! De Schrift â die veel betrouwbaarder is dan onze eigen waarnemingen â zegt: "Boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan" (2 Timotheüs 3 vers 13).
Nu, maar ook toen, kan de bewondering en verering van helden en grote mannen (vers 4) hand in hand gaan met de grootste verdorvenheid, of het nu gaat om staatsmannen of winnaars van Olympische spelen. Maar God ziet het hart van de mens aan en kijkt niet naar het uiterlijk (1 Samuël 16 vers 7).
In vers 5 luidt Gods diagnose van het hartonderzoek dat "al het gedichtsel van de gedachten zijns harten te allen dage alleen boos was". Prediker bevestigt dit met de woorden in hoofdstuk 9 vers 3: "... dat ook het hart der mensenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart" (vergelijk ook Jeremia 17 vers 9).
"Toen berouwde het de HEERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had" (vers 6). Natuurlijk maakt God geen fouten, maar de boosheid van de mens dwingt Hem ertoe Zijn maatregelen te nemen. Precies zoals ouders soms van plan zijn iets moois aan hun kinderen te geven, maar dit niet doen vanwege hun ongehoorzaamheid.
God besluit Zijn schepsel, de mens, van de aardbodem te verdelgen. Behalve Noach, de enige die met God zijn weg ging en genade vond in Gods ogen.
Het is alleen genade (vers 8) dat Noach gespaard blijft, hoewel hij "een rechtvaardig, oprecht man" (vers 9) genoemd wordt.
Voor God is nu het ogenblik aangebroken om hem Zijn plannen te vertellen en hem aanwijzingen te geven. Het is gemakkelijk om iemand die met je op dezelfde weg wandelt, in te lichten.
Noach beantwoordt de mededelingen van de HEERS met geloof. "Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin" (Hebreeën 11 vers 7).
Hij heeft niets anders dan Gods Woord dat hem vertelt van het komende oordeel. Maar dat is genoeg voor hem. Hij bouwt de ark en daarmee veroordeelt hij de wereld om zich heen. Elke hamerslag vertelt zijn tijdgenoten van het komende oordeel. En zo lang als de bouw van de ark duurt, geldt de "lankmoedigheid Gods" (1 Petrus 3 vers 20).
Maar hoeveel mensen maken daar gebruik van? Niemand, behalve het gezin van deze aartsvader. Onverschilligheid en spot zijn het antwoord op de ernstige, welgemeende waarschuwingen van deze "prediker der gerechtigheid".
Vandaag de dag zijn er ook talloze spotters die niet in de wederkomst van de Heere Jezus, noch in het komende oordeel geloven (2 Petrus 2 vers 5 en 3 vers 3 tot en met 6). Wat de Bijbel over de zondvloed vertelt, negeren ze bewust en zeggen dat het een legende is.
Noach is niet alleen gehoorzaam geweest door de ark te bouwen, maar ook door haar precies te maken zoals God hem gezegd had (Genesis 6 vers 22).
Ook nu gehoorzaamt hij volledig door op het juiste tijdstip naar binnen te gaan (vers 5). In gehoorzaamheid aan God ligt onze zekerheid en veiligheid. Noach, deze vrome man, ondervindt letterlijk de woorden uit Psalm 32 vers 6.
Vers 16 herinnert ons aan een andere deur, de genade-deur, die nu nog openstaat. Maar ... hoe lang nog? In Mattheus 25 vers 10 staat: "... en de deur werd gesloten".
Beste lezer(es), aan welke kant van de deur staat u? Bent u binnen bij de Heere Jezus en de Zijnen? Of buiten, bij allen die tevergeefs aankloppen en het antwoord van de Heere te horen krijgen: "Ik ken u niet, van waar gij zijt" (Lukas 13 vers 27)?
Laten we eraan denken dat het God Zelf is Die de deur achter Noach en zijn gezin en alle dieren sluit. Ook al zou Noach het willen, hij kan voor niemand de deur meer open doen.
Nadat God een reddingsmiddel heeft gegeven, de Zijnen in veiligheid heeft gebracht en de deur heeft gesloten, kan Hij de sluizen van de hemel openen.
Uit profetisch oogpunt gezien, stellen Noach en zijn gezin het gelovig overblijfsel van Israël voor. Het overblijfsel zal na de opname van de gemeente (Henoch) ongedeerd door de grote verdrukking gaan en in het duizendjarig rijk op de gereinigde aarde ingevoerd worden.
De lankmoedigheid van God is ten einde. De zondvloed van Zijn oordeel gaat over de aarde.
Dit heeft niemand voorzien. Er waren geen vóórtekenen, behalve dan het bouwen van de ark. Alles scheen prima in orde te zijn. De mensen gingen gewoon hun gang. Men at, dronk en trouwde.
De mensen "bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam", zegt de Heere in Mattheüs 24 vers 37 tot en met 39.
Eenzelfde oordeel zullen allen ondergaan die niet luisteren naar de boodschap van genade die nu nog klinkt. Deze geschiedenis uit het Woord van God is een indrukwekkende waarschuwing uit de mond van de Heere Jezus om zich met God te verzoenen, om met God in het reine te komen. Nu wordt elk mens nog opgeroepen om plaats te nemen in de ark. Dat betekent: in Christus bescherming te zoeken voor de toorn van God.
Laten wij, als we die veilige plaats in Christus gevonden hebben, nooit vergeten dat Hij in onze plaats de verschrikkelijke golven van Gods toom heeft ondergaan.
"Al Uw baren en Uw golven zijn over Mij heengegaan" (Psalm 42 vers 8).
Te midden van deze catastrofe, zoals er nog nooit geweest is, genieten Noach en zijn gezin een volmaakte vrede. Of het water nu stijgt of zinkt, de ark zal nooit schipbreuk lijden. Evenmin de gelovige die in Christus blijft.
Zonder een motor of roer heeft God Zelf met vaste hand de ark gestuurd, totdat ze op de berg Ararat strandde.
Wij denken misschien: nu kan Noach wel direct naar buiten gaan. Maar nee, hij wacht nog een hele tijd. Want op het bevel van God is hij naar binnen gegaan en pas nadat God het gezegd heeft, zal hij naar buiten gaan.
De duif die nergens een plek vindt om te rusten, en weer in de ark terugkeert, is een beeld van de Heilige Geest Die geen plaats heeft in de veroordeelde wereld. Maar toen de Heere Jezus kwam, kon de Geest "gelijk een duif' op Hem rusten (Mattheus 3 vers 16).
Zo vergaat het de gelovige die de Heilige Geest bezit, ook nu. Hij vindt op aarde niets waarmee hij zich kan voeden, niets waarmee hij zijn hart kan bevredigen.
De ongelovige daarentegen voelt zich hier wel op zijn plaats. Hiervan is de raaf een beeld, de onreine vogel die zich voedt met bedorven vlees (Leviticus 11 vers 15).
Uiteindelijk verlaat Noach op Gods bevel de ark. Wat doet hij dan het eerst? Hij offert een brandoffer. God heeft de eerste rechten op de van vuiligheid gereinigde aarde. "En de HEERS rook die liefelijke reuk" van het offer.
Hebben wij in ons leven ook geen kleine en grote bevrijdingen meegemaakt? Laten we dan nooit vergeten daarvoor te danken! Natuurlijk in de eerste plaats voor een "zo grote zaligheid" die ons ten deel gevallen is in de Heer Jezus (Hebreeën 2 vers 3).
De aarde is van de gevolgen van de zonde gereinigd. Maar de bron van het kwaad is er nog steeds: het hart van de mens dat niet door het water van de zondvloed schoon gewassen kon worden.
God zegent de aartsvader en zijn gezin en vertrouwt hun het beheer over de aarde toe. Hoe zullen de nakomelingen van Noach op deze goedheid van God antwoorden? Precies zoals Kaïn in hoofdstuk 4: door bloedvergieten!
God heeft voorzegd dat er weer gewelddadigheid zou komen. Ja, zelfs het bloed van de Zoon van God zou vergoten worden. Alleen dà t bloed kan het hart van de mens rein wassen.
De aarde is overgeleverd aan de mens die haar met ijzeren hand bestuurt. Onder de vloek van God zucht de schepping en is in barensnood (Romeinen 8 vers 22).
Als teken van het verbond geeft God de regenboog in de wolken. Ook wij mogen, als wij die boog zien, denken aan Gods genade en Zijn belofte in vers 15.
In geestelijk opzicht vergaat het de christen net zo. Hij heeft het voorrecht in alle buien en stormen van dit leven zijn geloofsoog te mogen richten op God Die trouw blijft aan Zijn beloften.
Dat Christus gezeten is "aan de rechterhand Gods" (Hebreeën 9 vers 12 en 10 vers 12), spreekt nog veel meer tot het hart van de gelovige dan de regenboog. Want het herinnert een kind van God er altijd aan dat het oordeel dat vele malen erger zal zijn dan de zondvloed, aan hem voorbij zal gaan.
Hoe groot de ervaringen van de macht en liefde van God ook mogen zijn, ze hebben niet de kracht om de mens beter te maken (hoofdstuk 8 vers 21).
Noach laat zien dat hij niet in staat is zichzelf te beheersen, ook al is hij benoemd tot beheerder van de aarde.
Cham bespot zijn vader (Spreuken 30 vers 17) en lacht over de zonde, zoals de wereld nu ook nog doet. Hiermee brengt hij de vloek over zijn nageslacht, de Kanaänieten. We zullen zien dat meerdere naties die van Cham afstammen en in dit hoofdstuk genoemd worden, inderdaad vijanden van Gods volk werden: Babel, Egypte, NÃnevé, de Filistijnen en de Kanaänieten (hun land is aan het volk Israël gegeven).
Sem en Jafeth hebben hun vader geëerd en daarom zal het hen hier op aarde welgaan (Efeze 6 vers 2 en 3).
In hoofdstuk 10 zien we het ontstaan van de volkeren hier op aarde (zie ook Deuteronomium 32 vers 8). Om het ware karakter van iets te kennen en te kunnen beoordelen, moet men teruggaan naar de oorsprong.
Babel of Babylon en Assur of Assyrië hebben hun oorsprong in het rijk van Nimrod. De naam van deze man betekent 'opstandeling' wat overeenkomt met zijn daden.
Bij Nimrod zien we hoe de mens een begin maakt met het vernietigen van de aarde door angst en lijden te zaaien. Want alleen tot zijn eigen vermaak en om zijn macht te tonen, doodt hij de dieren die God hem "tot spijs" heeft gegeven (hoofdstuk 9 vers 3).
Hier lezen we over de oprichting van Babel (of Babylon). Door de hele Schrift heen zien we dat Babel een beeld is van de wereld met al haar lusten en hoogmoed. Ook herkennen we in Babel al de behoefte aan eenheid. Dit vinden we later ook terug in het religieuze Babylon, de valse kerk, in Openbaring 17 en 18. De mens wil het tegen God opnemen, door z'n krachten te bundelen en voor eigen eer te strijden. "Laat ons een naam voor ons maken."
Maar bij een andere gelegenheid zien we Gods antwoord op deze uitdaging van de mens: "Die in de hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten" (Psalm 2 vers 4, zie ook Jesaja 8 vers 9).
De HEERE verwart de spraak van de inwoners van Babel en verstrooit hen (vers 7 en 8).
Wat een tegenstelling met het Nieuwe Testament waar we "de gemeente van de levende God" voorgesteld zien (zie bijvoorbeeld 1 Timotheüs 3 vers 15 en Mattheüs 16 vers 18), waarvan Christus het Fundament is en die door de Heilige Geest gevormd en door Christus gebouwd wordt!
Op de pinksterdag werden aan de apostelen talen gegeven om, in genade, van "de grote werken Gods" te vertellen aan alle toenmalig verstrooide volken (Handelingen 2 vers 9 tot en met 11).
En in Openbaring 5 bestaat de menigte van verlosten rondom de troon van het Lam uit dezulken die komen "uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie."
In de verzen 10 tot en met 26 zien we de geslachtslijn van Sem, die we terugvinden in het geslachtsregister van de Heere Jezus (Lukas 3 vers 36).
In de tijd na de zondvloed is de afgodendienst heel erg toegenomen (Jozua 24 vers 2). God laat het boze op zijn beloop, maar roept één man om hem voor Zich af te zonderen.
"Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, ... en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou" (Hebreeën 11 vers 8). Abram maakt zich blindelings op om te gaan, maar de God van de heerlijkheid neemt hem bij de hand (Handelingen 7 vers 2). Het bevel van God dat gepaard gaat met een zevenvoudige belofte (vers 2 en 3), is genoeg voor hem om op pad gaan.
Van nature staat gehoorzaamheid ons tegen, ook al weten wij de reden waarom er iets van ons verlangd wordt. Om te gehoorzamen, terwijl je het niet begrijpt, uit te gaan zonder te weten waar naartoe ... dà t vraagt geloof ! Dat wil zeggen: volledig vertrouwen op Hem Die die opdracht heeft gegeven!
In de Heilige Schrift is Abram een voorbeeld van het geloof. Het geloof wordt gekenmerkt door het opgeven van zichtbare dingen en het zich richten op een onzichtbaar doel (2 Korinthe 4 vers 18).
In tegenstelling tot hen die hier op aarde voor zichzelf steden bouwen (Kaïn, de inwoners van Babel, enzovoorts), richt Abram zijn blik naar de hemelse stad "welker Kunstenaar en Bouwmeester God is" (Hebreeën 11 vers 10).
Deze verwachting maakt hem tot een vreemdeling hier op aarde. Voortaan bezit hij alleen maar zijn tent en altaar: het tweevoudige getuigenis waardoor hij laat zien dat hij een pelgrim is. Dit was door de eeuwen heen het kenmerk van alle geloofsmannen.
Abram is met zijn neef Lot naar het land Kanaän getrokken. Plotseling komt daar echter een hongersnood, zodat de aartsvader naar Egypte reist, maar ... zonder dat God hem dat gezegd heeft! De gevolgen van zijn gebrek aan afhankelijkheid blijven niet uit: hij verloochent zijn vrouw en door zijn leugen komt hij in een moeilijk parket.
Door deze verdrietige bladzijde uit zijn geschiedenis leren wij waartoe een godvrezend persoon in staat is, als hij de plaats verlaat die God hem heeft aangewezen. Hij kan zover komen dat hij zijn verbinding met de Heere verloochent.
Ook Petrus heeft diezelfde nare ervaring moeten opdoen. Hij zocht het gezelschap van de vijanden van de Heere Jezus op waardoor hij de moed verloor toe te geven dat hij bij de Heere hoorde (Mattheus 26 vers 69 en verder).
En wij, die verlost zijn door de Heere Jezus, schamen wij ons er soms ook niet voor dat we bij Hem horen (2 Timotheüs 2 vers 12 en 13)?
De tweeslachtige houding van de man Gods is voor hemzelf verwoestend. Maar heeft de wereld er dan tenminste nog baat bij? Nee, integendeel! De aanwezigheid van Sarai in het paleis van farao brengt alleen maar plagen voor hem en zijn volk met zich mee.
Nadat de wereld hem een "ga heen!" toeroept (wat heel anders klinkt dan Gods bevel in vers 1), keert Abram terug naar zijn uitgangspunt in Kanaän Daar vindt hij het altaar terug, dat wil zeggen: het contact met God dat hij tijdens zijn verblijf in Egypte heeft moeten missen.
De tijd die Abram in Egypte doorbracht, was verloren tijd. En de rijkdommen die hij zich daar verworven heeft, brengen hem alleen maar zorgen. Zij zijn de oorzaak van de scheiding tussen hem en Lot.
In aanwezigheid van de bewoners van Kanaän speelt zich een strijd tussen 'broeders' af (vers 7). Wat een triest getuigenis! Vergelijk 1 Korinthe 6 vers 6 en Johannes 13 vers 35.
Abram laat de keus van de plaats waar hij naartoe wil trekken, over aan Lot. Dat toont ons een geest van zachtmoedigheid en zelfverloochening! Laat het een voorbeeld voor ons zijn als wij denken voor onze rechten te moeten opkomen.
Lot kiest wat hem het beste bevalt, waarheen zijn wereldsgezinde hart hem trekt ("de ganse vlakte der Jordaan" was "als Egypteland" â vers 10). Abram laat het echter aan God over een plaats voor hem uit te zoeken (Psalm 47 vers 5). God stelt hen die op Hem vertrouwen, nooit teleur. "Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen" (Psalm 22 vers 5).
Inderdaad krijgt Abram nu de bevestiging van de belofte dat God hem het beloofde land zal geven. God zegt tegen hem: "Hef uw ogen op" (vers 14), en vervolgens: "Maak u op, wandel door dit land" (vers 17).
Voor ons is Kanaän een beeld van de hemelse gewesten. God nodigt ons uit er niet alleen naar te kijken, maar er ook 'door te wandelen'. Hoe kunnen we de hemelse plaatsen meten 'in zijn lengte en in zijn breedte'? Alleen door het heerlijke Woord van God te onderzoeken en erover na te denken!
In tegenstelling tot Abram, de man van het geloof, is Lot een beeld van een gelovige die op zichtbare dingen vertrouwt. Lange tijd is hij met zijn oom meegegaan en heeft hij hem in alles nagedaan. Veel jonge mensen doen dat ook; zij leunen als het ware op het geloof van hun ouders.
Maar als hij op de proef gesteld wordt, wordt bij Lot zichtbaar wat er in zijn hart leeft. Eerst komt hij steeds dichter in de buurt van Sodom (hoofdstuk 13 vers 12), maar nu woont hij in de stad (vers 12).
Als men zich bewust op glibberige wegen begeeft, is men niet in staat te stoppen. Omdat hij zich op deze verkeerde plaats bevindt, raakt hij in een oorlog verwikkeld waar hij part noch deel aan heeft. Hij wordt dan ook, samen met de inwoners van Sodom, gevangengenomen.
De omgang met mensen die de Heere niet vrezen, brengt een kind van God in gevaar zijn vrijheid te verliezen. Bovendien zal zulk gezelschap altijd moeilijkheden en smart voor de ziel betekenen. In 2 Petrus 2 vers 8 lezen we over de dagelijks kwellingen van Lots ziel. Zo zal het elke wereldsgezinde gelovige vergaan.
Lot leidt eigenlijk een dubbel leven. Door uiterlijke, maar ook door innerlijke moeilijkheden kan men zich alleen maar diep ongelukkig voelen.
Abram bevindt zich daarentegen op de berg (dat wil zeggen: dicht bij de Heere) en weet niets van deze problemen af. Hij is onbekend met een wereld waarin zich vreselijke en goddeloze dingen afspelen.
Hoe is dat bij ons? Op wie lijken wij, op Lot of op Abraham?
Tot nu toe heeft Abram zich niet gemengd in deze oorlog. Hij past er wel voor op deel te nemen aan een oorlog die hem niets aangaat (Spreuken 26 vers 17). Maar zodra hij hoort dat zijn neef gevangengenomen is, houdt niets hem meer tegen om hulp te bieden.
Om neutraal te blijven, had hij zijn zwakheid tegenover die zegevierende koningen kunnen aanvoeren. Of hij had kunnen zeggen dat het Lots eigen schuld was. Maar dat doet hij niet. En zijn liefde tot zijn 'broeder', zijn geloof en zijn volharding, bezorgen hem de overwinning en de bevrijding van de gevangenen.
Nu verschijnt er nog een vijand ten tonele. Een gevaarlijker vijand dan de vier koningen, hoewel hij al overwonnen is. Het is de koning van Sodom.
Hij komt bij Abram om hem met zijn geschenken van zich afhankelijk te maken. Maar God waakt over Abram. En om Zijn dienstknecht kracht te geven, komt er een geheimzinnige bezoeker: Melchizédek.
Hij is koning en priester tegelijk, een beeld van de Heere Jezus (Hebreeën 7 vers 1 tot en met 10). Gevoed en gezegend door Melchizédek wijst Abram het aanbod van de koning van Sodom resoluut van de hand.
Een hart dat gevoed is door Christus, kan dat wat satan aanbiedt, resoluut afslaan.
Lot heeft echter niets geleerd van deze Goddelijke les; hij keert terug om weer in Sodom te gaan wonen waar hij nog een verdrietige ervaring zal opdoen.
Abram heeft niets verloren door het aanbod van de koning van Sodom af te wijzen. Integendeel! De HEERE verschijnt hem en zegt: "Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot."
God zegt niet wat Hij hem zal geven, maar wat Hij voor hem zal zijn. De Gever te bezitten, is meer dan de gaven te ontvangen.
Het geloof van Abram grijpt de belofte van God: "Zo zal uw zaad zijn!" aan. Hij twijfelt niet; hij gaf aan God de eer, "ten volle verzekerd zijnde, dat Hij ook machtig was, hetgeen beloofd was te doen" (Romeinen 4 vers 20 en 21).
God geloven (dus niet alleen aan of in Hem geloven) is genoeg om gerechtvaardigd te worden (vers 6). Dit belangrijke vers wordt in het Nieuwe Testament drie maal aangehaald, namelijk in Romeinen 4 vers 3; Galaten 3 vers 6 en Jakobus 2 vers 23.
Nadat de HEERE Zich zo met Abram verbonden heeft, wordt dit met een offer bezegeld (vers 9 en 10). De dood van Christus is het enige Middel waardoor God Zijn beloften kan vervullen.
Roofvogels proberen stukken van het offerdier weg te pikken. Dat is een beeld van satan die ons iets van de veelzijdige betekenis van het sterven van de Heere Jezus wil ontnemen. Maar zoals bij Abram, moet ook ons geloof werkzaam zijn, zodat satan van ons vlucht.
Aan het slot van dit hoofdstuk zien we dat de man van het geloof nu een veel beter zicht gekregen heeft op het erfdeel dat hem beloofd is. Dat is altijd het gevolg van een beproefd geloof. Het brengt ons dichter bij de Heere en we zien meer van Zijn plannen en gedachten.
Na de prachtige bewijzen van het geloof van Abram vinden we nu weer een falen in het leven van deze aartsvader.
In zekere zin wil hij God helpen om Zijn belofte waar te maken. In plaats van geduldig op zijn beloofde zoon te wachten, luistert hij naar zijn vrouw Sarai. En het dienstmeisje Hagar dat ze waarschijnlijk meegenomen hebben uit Egypte, wordt de moeder van Ismaël.
Nadat Hagar de oorzaak is geworden van onenigheid in het huis van deze man Gods, vlucht zij bij haar meesteres weg. Maar de HEERE bekommert Zich om haar. Hij komt haar tegen op de weg die zijzelf heeft gekozen, en wordt voor haar de "God des aanziens" (vers 13).
In de Engel des HEEREN mogen we de Heere Jezus herkennen.
Beste lezer(es), hebt u deze beslissende ontmoeting in uw leven gehad? Heeft God Zich als de Levende aan u getoond? In Christus heeft Hij Zich aan ons geopenbaard (Johannes 8 vers 19 en 2 Korinthe 4 vers 6). Bij deze Verlosser vinden wij het levende water van de genade in overvloed, waarvan de put Lachai-Rói ons spreekt (Johannes 4 vers 14).
Laten we letten op de woorden die de Engel tegen Hagar zegt: "Keer weer tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen" (vers 9).
Nederigheid en het bekennen van onze zonden zijn de eerste stappen die de Heere van ons verlangt, wanneer Hij Zich aan onze ziel heeft geopenbaard.
Opnieuw verschijnt de HEERE aan Abram en herhaalt de belofte dat zijn nageslacht ontelbaar zou zijn. Ook geeft Hij hem nu een andere naam: Abraham.
Een naamsverandering is in de Bijbel altijd een teken van een nieuwe verhouding ten opzichte van hem die de naam geeft.
Nu is onze aartsvader niet alleen meer de man van het geloof, maar ook de "vader van allen, die geloven" (Romeinen 4 vers 11). Doordat God hem de naam 'vader van menigte van volken' geeft, toont Hij Zijn belangstelling en liefde voor deze menigte van gelovigen. Een menigte waarvan Abraham de 'voorganger' is en waartoe hopelijk elke lezer(es) gerekend mag worden.
In de geslachtslijn van koningen die uit Abraham zullen voortkomen, ziet God al de 'Zoon Davids' Die Hij tot Koning van Israël èn van de wereld heeft voorbestemd. Het Nieuwe Testament begint met het geslachtsregister van de Heere Jezus, de "Zoon van David, zoon van Abraham".
Tegelijk met een nieuwe naam geeft God nòg een teken aan Abraham: de besnijdenis die in zekere zin een beeld is van de huidige doop. Zowel de afzondering voor God, alsook een "niet in het vlees betrouwen" wordt erin tot uitdrukking gebracht (Filippi 3 vers 3).
Aan het einde van het hoofdstuk vinden we Sarai die ook een nieuwe naam heeft gekregen: Sara. De geboorte van Izaäk wordt aangekondigd en tot slot voert Abraham in gehoorzaamheid de opdracht van de HEERE uit.
God eert Abraham door hem Zijn "liefhebber" of "vriend" te noemen (2 Kronieken 20 vers 7; Jesaja 41 vers 8 en Jakobus 2 vers 23). En omdat hij Zijn vriend is, bezoekt de HEERE hem en deelt hem Zijn plannen met hem (vers 9 tot en met 15) en de wereld (vers 20 en 21; zie ook Johannes 15 vers 15) mee.
De aartsvader treedt de HEERE vol vertrouwen en vrijmoedig, maar ook met diep ontzag, tegemoet. Uit de blijmoedigheid en ijver waarmee hij zijn hemelse gasten ontvangt, blijkt de gezindheid van zijn hart. Hij kent zijn God. Hij heeft de goedertierenheid van de Heere geproefd (1 Petrus 2 vers 3).
In het Nieuwe Testament vinden we verscheidene personen die het voorrecht hadden de Heere Jezus in hun huis te mogen opnemen: Levi, Martha, Zacheüs en nog vele anderen (Lukas 5 vers 29; 10 vers 38 en 19 vers 6). Uit de Schrift kunnen wij leren onder welke voorwaarden wij datzelfde voorrecht kunnen genieten: gehoorzaamheid aan het Woord van de Heere is de sleutel die ons hart voor Hem opent (Johannes 14 vers 23).
Abraham is voor ons niet alleen een voorbeeld in het hebben van gemeenschap, maar ook in het bewijzen van gastvrijheid. Van een christen wordt gevraagd dit zonder mopperen te doen (1 Petrus 4 vers 9).
Wat een geweldige boodschap mogen Abraham en Sara horen: de erfgenaam waar ze zo naar verlangd hebben, komt! Sara twijfelt en lacht.
Voor ons is deze gebeurtenis een prachtige bevestiging van de woorden: "Zou iets voor de HEERE te wonderlijk zijn?" (vers 14).
"De verborgenheid des HEEREN is voor hen, die Hem vrezen" (Psalm 25 vers 14; zie ook Amos 3 vers 7).
Abraham is één van hen die de HEERE vrezen. "Ik heb hem gekend" , kan de HEERE zeggen. En: "Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?"
Het begrijpen van Gods gedachten is onlosmakelijk verbonden met een trouwe wandel.
God kent de enige uitwerking van Zijn mededelingen aan de man Gods. Het zal bij hem dezelfde gevoelens in het hart oproepen als bij de HEERE Zelf. Gevoelens van liefde en erbarmen om hen die Hem liefhebben, te redden van het vreselijke oordeel.
Beste gelovige vriend(in), uit het Woord van God weten we van het komende oordeel over de wereld. Kennen wij diezelfde gevoelens ook als we denken aan allen die voor eeuwig verloren zullen zijn?
Ieder van ons kent wel onbekeerde mensen in de familie, onder vrienden of collega's. Wat kunnen we voor hen doen? Natuurlijk kunnen we hen waarschuwen, maar we kunnen ook voorbede voor hen doen.
Abraham doet dat ook met volharding voor Sodom waar zijn 'broeder' Lot woont.
1 Timotheüs 2 vers 1 roept ons op om voorbiddingen te doen "voor alle mensen", voorbiddingen bij Hem Die wij mogen kennen als "God, onze Zaligmaker, Die wil, dat alle mensen zalig worden."
Wat een contrast voor de engelen tussen het bezoek bij Abraham en nu, op diezelfde dag, bij Lot!
We zien hun aarzeling om op de nadrukkelijke uitnodiging van Lot in te gaan (vers 2). Hoe zouden ze gemeenschap kunnen hebben met deze gelovige die zich op een verkeerde plaats bevindt?
Ze komen dan ook alleen maar bij hem binnen om hem te beschermen en te bevrijden. Lot heeft zichzelf overigens nooit op zijn gemak gevoeld in deze verdorven stad.
We zouden dat niet weten als het Nieuwe Testament ons dat niet meedeelde. God Die de harten kent, vond het nodig dat wij zouden weten dat Lot een rechtvaardige was en zich niet heeft ingelaten met de boze praktijken. Nee, hij heeft "dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld" (2 Petrus 2 vers 7 en 8).
De mannen van Sodom schamen zich er niet voor om 's nachts hun eigen verdorven toestand te openbaren (vergelijk Jesaja 3 vers 9).
De HEERE Die gezegd heeft: "... en zo niet, Ik zal het weten" (hoofdstuk 18 vers 21), heeft geen verdere bewijzen nodig. Deze mannen getuigen tegen zichzelf.
Zelfs zijn schoonzonen nemen Lot niet serieus. Als een gelovige een tijd lang met de wereld heeft meegedaan, maken zijn woorden over het naderende oordeel geen indruk meer. Dan wordt er niet meer naar hem geluisterd.
De bevrijding van Lot is de verhoring van het gebed van Abraham waarvan we in het vorige hoofdstuk lazen.
Abraham meende dat, opdat zijn broeder gered zou worden, Sodom gespaard moest blijven. Maar God antwoordt niet altijd op een wijze zoals wij verwachten. Toch antwoordt Hij!
Helaas is het hart van Lot zo verknocht aan alles wat hij moet achterlaten, dat hij treuzelt. De beide engelen zien zich daarom gedwongen Lot met zijn vrouw en dochters met harde hand naar buiten te brengen.
Hoe is dat bij ons die mogen weten uit genade verlost te zijn? Als wij vandaag de aarde zouden moeten verlaten om naar de hemel te gaan, zouden we dan met blijdschap gaan? Of zouden we het jammer vinden, omdat we geen afstand kunnen nemen van veel dingen waar we hier ons hart op hebben gezet?
Sodom en Gomorra worden tot as. Wat een ernstige les voor alle mensen die zonder God leven (2 Petrus 2 vers 6 en Judas vers 7)!
Ook de vrouw van Lot wordt in de Schrift genoemd als een
waarschuwing voor ons; om ons erop te wijzen wat het kost,
als we verbindingen aangaan met een veroordeelde wereld.
Naar buiten toe leek het alsof deze vrouw bij het volk van God hoorde, maar het tegendeel was waar. In haar hart was alleen plaats voor de wereld en ze is met haar omgekomen. Ja, "gedenkt aan de vrouw van Lot", zegt de Heere (Lukas 17 vers 32).
Voor de tweede keer verloochent Abraham zijn vrouw en verdient daarmee een bestraffing door de wereld (zie hoofdstuk 12). Het is vaak nodig dat God bepaalde lessen herhaalt, totdat de wortel van het kwaad door ons wordt herkend en veroordeeld.
Dit keer is het 'maar' een halve leugen van Abraham (vers 12 en 13). Het is een ernstige les voor ons om te zien dat een zo bevoorrecht mens als Abraham die in innige gemeenschap met God leefde, toch zijn verbinding met God vergeet en geen goed getuige is.
We horen zijn verdrietige woorden tegen de koning Abimélech: "... toen God mij uit het huis van mijn vader deed dwalen" (vers 13). Wat een droevige uitspraak voor een gelovige! Is dat alles wat hij te zeggen heeft over de roepstem van de "God der heerlijkheid", over een hemelse stad?
Ach, hoe vaak lijken wij niet op hem! Als een christen veel omgang heeft met mensen uit de wereld, neemt hij hun spraakgebruik over.
Maar zelfs tijdens de zo nodige lessen van de HEERE, waakt Hij in alle zachtmoedigheid over hen. "Toen ... liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende: Tast Mijn gezalfden niet aan" (Psalm 105 vers 14 en 15).
De HEERE zorgt ervoor dat de waardigheid van Abraham als Zijn 'vertegenwoordiger' â de profeet die in Zijn Naam spreekt (vers 7), en de voorbidder wiens gebeden verhoord worden (vers 17) â overeind blijft staan.
De belofte van God wordt vervuld. Op de bestemde tijd wordt Izaäk die een beeld is van Christus als Zoon en Erfgenaam (Hebreeën 1 vers 2), geboren.
Na het ongelovig lachen van Abraham (hoofdstuk 17 vers 17) en Sara (hoofdstuk 18 vers 12) weerklinkt er nu een blijde en dankbare lach van Sara. Vandaar de naam 'Izaäk' (vers 3 en 6).
Maar nu klinkt een spottende lach van Ismaël (vers 9). Ismaël is een beeld van de vleselijke mens die niets van Gods raadsbesluiten die hun vervulling vinden in Christus, kan begrijpen. Hij, de zoon van een dienstmeisje, is een afbeelding van de mens die leeft onder het juk van de wet. Een mens die geen aanspraak kan maken op de beloften, noch op het erfdeel.
Het handelen van Sara lijkt hard. Het leek in Abrahams ogen "zeer kwaad", maar God geeft Zijn toestemming.
God wil hiermee aantonen dat alleen Zijn Christus de Erfgenaam is en dat niemand daar op grond van goede werken deelgenoot van kan worden. In de Brief aan de Galaten zien we dat de gelovigen "kinderen van de belofte" zijn. Nadat zij het zoonschap hebben ontvangen, zijn ze geen slaven meer, maar zonen. En daarom medeërfgenamen van Christus (Galaten 4 vers 28 en vers 6 tot 7; zie ook Romeinen 8 vers 17).
Toch ondervinden ook Hagar en haar zoon genade. Als het water in de fles (een beeld van de menselijke hulpbronnen) op is, ervaart zij opnieuw (evenalsinhoofdstuk16uitkomstt van 'de Levende'. De 1-MERE luistert zelfs naar de "stem van de jongen" .
In hoofdstuk 20 waren de betrekkingen tussen Abraham en Abimélech zeer gespannen. De aartsvader moest toen een strenge terechtwijzing van de koning van Gerar in zijn zak steken.
Maar nu knopen ze op een heel ander vlak weer betrekkingen aan. Hierin mogen wij een beeld van de toekomst zien. Dan zal Israël boven alle volken verheven zijn en zal men tegen haar zeggen: "Wij zullen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is" (Zacharia 8 vers 23).
Abimélech zegt ook tegen Abraham: "God is met u in alles, wat gij doet" (vers 22). Hij wil een vriendschapsverbond met de man Gods sluiten.
Nu is het Abraham die Abimélech met gezag, vanwege zijn verbinding met "de eeuwige God" (vers 33), ter verantwoording kan roepen. Hij laat hem zien welke waarde de waterput "die Abimélechs knechten met geweld genomen hadden", voor hem heeft.
Is dat voor ons geen beeld van het Woord van God, het levende water dat elke dag onze zielen kan verkwikken?
Laten wij een ieder die omgang met ons wil hebben, direct wijzen op de grote waarde die Gods Woord voor ons heeft. Als men merkt dat wij uit die Bron putten, zal hij of zij die verlangt naar de waarheid, naar vrede en vreugde, het ook zoeken in dit kostbare Boek.
Wij weten dat deze geschiedenis ons oog richt op het kruis van Golgotha.
Deze zoon, deze enige, die de vader liefheeft, is een zwak beeld van de Heere Jezus. Hij moest als Brandoffer geofferd worden.
In het eeuwig raadsbesluit van God werd die plaats "van verre" gezien. Op de berg Moria zou David later offers brengen en zou de tempel gebouwd worden (2 Kronieken 3 vers 1). Deze offerplaats is tegelijk een plaats van aanbidding (vers 5). Er zijn veel redenen om zowel de Vader als de Zoon te aanbidden.
"Zo gingen zij beiden tezamen", wil zeggen dat Beiden dezelfde gedachte hadden om het grote heilswerk te volbrengen!
De gehoorzaamheid van Izaäk herinnert ons aan de gehoorzaamheid van de Heere Jezus in Gethsémané: "... doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt" (Markus 14 vers 36).
Maar in tegenstelling tot Izaäk die eenvoudig deed wat zijn vader vroeg, wilde de Heere Jezus Zelf gaan: "Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God!" (Hebreeën 10 vers 9).
En Izaäk heeft eerst niet geweten wat zijn vader van plan was, maar "Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit ..." (Johannes 18 vers 4).
En tenslotte hield de stem van de Engel des HEEREN de hand van Abraham tegen, maar dat gold niet voor de Heere Jezus. Op Golgotha klonk geen stem om het zwaard van de gerechtigheid dat de Zoon van God moest treffen, af te wenden (Zacharia 13 vers 7).
God heeft Zichzelf van een Lam ten brandoffer voorzien. Toen de Heere Jezus te midden van Zijn volk aan de oever van de Jordaan kwam, riep Johannes de Doper: "Zie, het Lam Gods!" (Johannes 1 vers 29).
Hij is het 'Antwoord' op alle zonden die beleden zijn. De grote verborgenheid waarvan we in dit hoofdstuk een voorafschaduwing mogen zien, is nu in Hem geopenbaard.
De geweldige belofte: "De HEERE zal het voorzien!" geldt ook vandaag nog voor ieder die gebukt gaat onder de zondenlast.
Izaäk is, figuurlijk gesproken, opgestaan (Hebreeën 11 vers 19). Christus is letterlijk opgestaan. Dat heeft grote gevolgen voor Hem en ons.
Voor Hem betekent dit dat Hij de bruid, de gemeente, zal ontvangen. Vandaar dat ook de naam van Rebecca, de bruid, genoemd wordt in vers 23.
Voor ons betekent Zijn opstanding het ontvangen van de hemelse zegeningen waarvan vers 17 en 18 een beeld zijn.
Abrahams geloof is op de proef gesteld, maar hij heeft niet gewankeld. Het geloof van Abraham blijkt uit zijn daad (Jakobus 2 vers 21). God kende zijn hart en wist van zijn geloof, maar het moest openlijk getoond worden.
En wij die gezegd hebben: 'Ik geloof in de Heere Jezus', zullen dit vroeg of laat óók moeten tonen. De beproevingen van christenen hebben vaak tot doel dat hun oprecht geloof openbaar wordt.
Hoewel het land Kanaän aan Abraham beloofd is, mocht hij er toch alleen maar een graf bezitten.
Door de aankoop van de akker met de spelonk Machpéla om Sara te begraven, laat Abraham zien dat hij de opstanding verwacht. Daarom wil hij zich verzekeren van alle rechten op dit stuk grond waar haar lichaam dat zal worden opgewekt, moet rusten.
Het "volle geld" dat hij hiervoor betaalt, herinnert ons aan het volbrachte werk van Christus. Hij heeft aan het kruis alle rechten verworven. Hij heeft de dood overwonnen. Dit geeft de zekerheid dat alle gestorven gelovigen zullen opstaan, en wel heel spoedig.
Net zo min als Abraham in hoofdstuk 14 de koning van Sodom iets verschuldigd wilde blijven, wil hij dat nu ook aan Efron niet. Hij wil absoluut de volle prijs betalen, zonder af te dingen.
Door zijn handelen, zijn oprechtheid en stiptheid, kan iemand in de omgang met de mensen van de wereld laten zien dat hij een ware christen is.
In het Nieuwe Testament wordt de gelovige opgeroepen: "Weest niemand iets schuldig" (Romeinen 13 vers 8), maar ook om "eerbaar te wandelen bij hen die buiten zijn" (1 Thessalonika 4 vers 12). Bovendien moeten we "zorg dragen voor hetgeen eerzaam is, niet alleen voor de Heere, maar ook voor de mensen" (2 Korinthe 8 vers 21).
De dood van Sara herinnert ons eraan dat Israël (het volk dat ontstaan is uit de ware Izaäk), na de opstanding van de HEERE (hoofdstuk 22) terzijde gesteld is.
Om zeker te zijn van "het zaad der belofte" heeft Abraham, "de vader van menigte der volken", een groot plan, namelijk om zijn zoon een bruid te geven. De uitvoering van dit plan wordt ons nu uitgebreid beschreven. Abraham en Izaäk maken deel uit van dit plan, maar ... ook een derde persoon. Deze derde is de oudste knecht van Abrahams huis. Hij die de zaken waarneemt, als Abraham afwezig is.
Hierin zien we een treffend beeld van de Heilige Geest. Hij is naar de aarde gestuurd om hen die de gemeente, de bruid van Christus, vormen, bijeen te brengen. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest werkten samen in de schepping. Ook nu zien we deze Drie-eenheid werkzaam in de uitverkiezing en roeping van de verlosten die verbonden zijn met de opgestane Christus.
De bruid wordt uit een ver land gehaald. Onder hen "die eertijds verre" waren, heeft God, met eerbied gesproken, 'metgezellen' uitgezocht en geroepen voor Zijn Zoon (Efeze 2 vers 13).
Wat zien we in deze knecht van Abraham een afhankelijkheid! In het huis van zijn heer heeft die knecht de HEERE leren kennen. En nu heeft hij als het ware persoonlijk met de HEERE te doen. Hij bidt tot God (vers 12; zie ook Psalm 5 vers 3).
Laten ook wij niet vergeten, vóórdat we ergens aan beginnen, er met de Heere over te praten!
De knecht heeft zijn gebed tot de HEERE nog niet eens beëindigd of Rebecca staat al voor hem, met een kruik. In Jesaja 65 vers 24 lezen we een prachtige belofte die hierop van toepassing is: "... eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen".
De knecht is voor ons een voorbeeld van afhankelijkheid, maar Rebecca van toewijding en behulpzaamheid. Ze doet meer dan haar gevraagd wordt. Ze drenkt de kamelen, ze haast zich (vers 18 en 20).
We zien hier iets dat wij bij onze dagelijkse bezigheden kunnen navolgen. Water putten betekent: anderen verkwikking schenken. Er zijn ontelbaar veel gelegenheden om anderen die wij ontmoeten, te laten delen in de zegeningen die wij zelf in het Woord van God gevonden hebben.
En zoals de knecht heel goed let op het handelen van Rebecca, zo mogen wij weten dat er Eén is Die ons ziet bij ons doen en laten.
Aan de manier waarop dit meisje het eenvoudige werk doet, ziet de knecht dat zij voor Izaäk een toegewijde, krachtdadige en deugdzame vrouw zal zijn, zoals ook beschreven wordt in Spreuken 31.
Voordat de knecht nu verder iets doet, "neigde die man zijn hoofd, en aanbad de HEERE" (vers 26).
De HEERS heeft de knecht van Abraham â om het zo maar te zeggen â bij de hand genomen en in het huis van de familie van zijn heer gebracht. Van Abraham moest de knecht zweren geen vrouw uit "de dochters der Kanaänieten" te nemen (vers 3).
Jongelui, jullie die de Heere Jezus als Heiland mogen kennen, misschien hebben jullie nu nog geen trouwplannen, misschien ook wel. Het is nooit te vroeg om na te gaan wat Gods Woord ook hierover zegt en dat in jullie op te nemen: "Gaat niet met ongelovigen onder één juk. Want ... waaraan kan een gelovige met een ongelovige deel hebben?" (2 Korinthe 6 vers 14 en 15).
Een kind van God mag alleen trouwen met iemand uit de familie van God.
Zij die hier vroeger niet naar geluisterd hebben, moeten de gevolgen dragen. Ze waren niet alleen ongehoorzaam aan het Woord van God, maar hun handelen is ook tot een bron van verdriet en problemen geworden voor hun hele verdere leven.
Wat een getuigenis legt de knecht af van Abraham, zijn heer, op wie hij trots is (vers 34 tot en met 36)! Hij is groot, hij is rijk en heeft een zoon die alle bezittingen zal erven.
Zo maakt de Heilige Geest het hart van de gelovige bekend met de Vader en de Zoon. En zo mogen ook wij, verlosten, vol bewondering over Hen praten.
Met de woorden waarmee de knecht zijn heer beschrijft, en doordat hij iets van de rijkdommen van zijn heer laat zien, heeft hij het hart van Rebecca geraakt. Daardoor is ze vastbesloten en wil met hem meegaan (vers 58).
Hoe is dat bij jullie, jongelui? Je hebt misschien veel over de Heere gehoord en thuis mocht je wellicht iets proeven van Zijn genade. Heb je je nu ook in je hart voorgenomen Hem te volgen? Vandaag wordt jou de vraag gesteld: "Zult gij met deze man trekken?" Nul, en niet morgen of over een paar dagen, vraagt de Heilige Geest het antwoord van je hart.
Voor Rebecca begint de lange reis door de woestijn. Op het woord van de knecht heeft ze alles achtergelaten en nu leidt hij haar.
Zo gaat ook de bruid van Christus, de gemeente, hier op aarde haar weg. Een aarde die voor haar een woestijn is met allerlei moeiten. Maar de Heilige Geest richt ons hart op de Geliefde Die we nog niet gezien hebben, maar Die ons tegemoet zal komen. We zingen in een lied:
Haast komt U ons halen, dan maakt U ons vrij,
dus slaat nu ons harte gelukkig en blij.
Uw heilige bruid ziet reeds vooruit.
Maar hoe zal de Heere Jezus Zelf uitzien naar dat ogenblik!
Rebecca trouwt met Izaäk en hij heeft haar lief. Maar Christus heeft Zijn bruid nu al lief, al vóórdat ze bij Hem is! Zijn hart ziet met nog veel meer verlangen uit naar ons, dan wij naar Hem.
Het einde van het leven van Abraham is een veelomvattende profetie over wat later zal gebeuren.
Hoofdstuk 21 - de geboorte van de zoon; hoofdstuk 22 - het kruis en opstanding van de ware Izaäk; hoofdstuk 23 - Israël wordt terzijde gesteld (dood van Sara); hoofdstuk 24 - de roeping van de gemeente en haar verbinding met Christus in heerlijkheid; hoofdstuk 25 - het duizendjarig rijk, wanneer alle volken op aarde, voorgesteld door de kinderen van Ketûra, in verbinding met Izaäk gezegend zullen worden.
Abraham geeft al zijn bezittingen aan Izaäk. Izaäk is een beeld van Christus als de Erfgenaam van alle dingen. "De HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon ... Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting" (Psalm 2 vers 7 en 8).
In geloof richt Abraham zijn gedachten op deze geweldige toekomst. Via Izaäk ziet hij Hem in Wie alle beloften hun vervulling zullen vinden. "Abraham ... heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest" (Johannes 8 vers 56).
Hij is in het geloof gestorven en heeft de beloften niet ontvangen, maar heeft ze van verre gezien, geloofd en omhelsd (Hebreeën 11 vers 13).
Daarom behoort Abraham bij die mannen voor wie God Zich niet hoeft te schamen, hun God genoemd te worden. Hij noemt Zichzelf "de God van Abraham".
Kan Hij Zich ook uw God noemen?
Evenals bij Abraham en Sara wordt ook het geloof van Izaäk en Rebecca op de proef gesteld door de onvruchtbaarheid.
Dat is voor Izaäk een reden om voortdurend te bidden en ... de HEERE laat Zich verbidden (vers 21; vergelijk ook 1 Kronieken 5 vers 20).
Er wordt een tweeling geboren. Zowel uiterlijk als in hun hart zijn het twee heel verschillende kinderen. Dit wordt duidelijk gemaakt door wat zich hier tussen hen afspeelt.
Ondanks zijn achterbakse manier van handelen blijkt toch dat Jakob de ereplaats in de familie vanwege het erfdeel heel belangrijk vindt en in verbinding daarmee ook de beloften die God aan Abraham en zijn nageslacht gedaan heeft.
Voor Ezau heeft dit alles totaal geen waarde. Hij maakt er als het ware een handeltje van. Hij eet, drinkt, staat op en gaat weg, zonder zich ervan bewust te zijn dat hij op dit moment een enorm verlies geleden heeft.
Zijn manier van handelen is niet alleen dwaas â zijn hele toekomst geeft hij op voor een beetje eten â, het is een belediging van God. Want eigenlijk zegt hij hiermee: 'Uw kostbare gaven zijn mij niet zo veel waard als deze linzensoep, want ik heb honger.'
Het eerstgeboorterecht is voor jullie, jongelui, een beeld van het voorrecht dat jullie in een christelijk gezin mogen opgroeien. Geve God dat niet één van jullie over zo'n grote zegen minachtend denkt!
Izaäk heeft uit de verdrietige ervaringen van zijn vader (in hoofdstuk 12 en 20) geen les geleerd.
Beproefd door een hongersnood, verblijft ook hij in Gerar. Uit angst verloochent hij zijn vrouw en misleidt Abimélech. De geschiedenis herhaalt zich. En wij kennen de gevolgen: gebrek aan moed om onze verhouding tot Christus te bekennen, angst voor smaad, een vals getuigenis tegenover de wereld. Daarop volgt straf.
Maar direct hierna vinden we een prachtige bladzijde uit de geschiedenis van deze aartsvader. Om niet van honger om te komen, zaait en oogst hij voor zichzelf en zijn gezin. God zegent zijn werk.
Zijn welvaart maakt de Filistijnen jaloers (vers 14). Ze proberen, precies als in de dagen van Abraham, hem het zo noodzakelijke water te ontnemen (hoofdstuk 21 vers 25).
Het water komt uit oude putten, een beeld van het Woord van God, de Bron van verkwikking. Generaties vóór ons hebben zich in dat Woord verheugd en ook wij mogen eruit putten.
De boosaardige Filistijnen die de putten dichtgooien, doen ons denken aan onze vijand: satan die onze harten probeert te vullen met dingen van de wereld. Hij probeert ons het levende Woord dat onmisbaar is om geestelijk te groeien, te ontnemen.
Izaäk graaft de waterputten van Abraham die de Filistijnen dichtgegooid hebben, één voor één weer op.
Laten wij de Heere ook om zoveel energie en uithoudings-vermogen vragen, zodat we ons de waarheden eigen maken die onze voorouders in Zijn Woord ontdekt en waarnaar ze geleefd hebben. Dat wij ze â door ieder persoonlijk te 'graven' in de Bijbel â toch in bezit nemen!
Op elke aanval van de vijand om hem de vrucht op zijn werk te ontnemen, antwoordt Izaäk door op een andere plek te gaan graven, zonder zich te laten ontmoedigen. Ook twist hij niet, wat een mooie illustratie is van 2 Timotheüs 2 vers 24.
Zijn bescheidenheid en inschikkelijkheid wordt door anderen opgemerkt (Filippi 4 vers 5). Hij verdraagt alles en scheldt niet terug, maar geeft het over "aan Hem, Die rechtvaardig oordeelt" (1 Petrus 2 vers 23). Op deze wijze legt hij getuigenis af van zijn geloof. Het erfdeel is van hem; zou hij het zich dan nog met geweld moeten toeëigenen? De HEERE heeft "al deze landen" aan zijn nageslacht beloofd (vers 4). Op Hem vertrouwt Izaäk, dat hij ze op de juiste tijd uit Zijn handen zal ontvangen.
De verzen 34 en 35 laten ons zien hoe Ezau opnieuw Gods wil minacht door vrouwen uit de Kanaänieten te kiezen. Een volk waarvan de HEERE Ezau's familie uitdrukkelijk gescheiden had. Hierdoor doet hij Izaäk en Rebecca veel verdriet.
De Heere geve, dat onze jonge lezers naar hun ouders zullen luisteren. Dat ze zullen leren van hun ervaringen, zodat ze later geen bron van verdriet en zorgen voor hen zullen zijn.
Dit hoofdstuk beschrijft een heel verdrietige geschiedenis. In dit gezin dat toch de HEERS mag kennen, komen op tragische wijze begeerte, bedrog en leugen openbaar.
Izaäk is blind geworden â ook in geestelijk opzicht. Zijn onderscheidingsvermogen is in zoverre verdwenen dat lekker eten hem meer interesseert dan de zedelijke toestand van zijn zonen. Zonder zich om de gedachten van God te bekommeren, wil hij de zoon die hij voortrekt, zegenen.
Rebecca geeft op haar beurt Jakob de raad zijn broer als het ware te bestelen en zijn vader te bedriegen.
We zouden kunnen denken dat in dit gezin alleen Ezau nog eerlijk is. Maar God kent zijn wereldse gezindheid. En door deze onrechtvaardigheid wordt toch Gods wil vervuld.
Jakob bereikt zijn doel. Met de hulp van zijn moeder ontvangt hij de zegen die zo belangrijk voor hem is.
Moest hij zó met bedrog en leugen handelen? Zou hij die zegen niet gekregen hebben als hij op God vertrouwd had? Natuurlijk! God Die al vóór zijn geboorte gezegd had: "... de meerdere zal de mindere dienen" (hoofdstuk 25 vers 23), komt niet terug op Zijn woorden en laat geen vergissing toe.
Jakob had zich veel moeilijkheden en verloren tijd kunnen besparen. De weg van de Heere is niet moeilijk. Maar vaak brengen wij onszelf in de problemen, omdat we menen zelf iets te moeten regelen.
In Hebreeën 12 vers 16 en 17 worden we herinnerd aan de geschiedenis uit Genesis 25.
De wereldsgezinde Ezau brandt van verlangen om de zegen te krijgen, maar hij wordt ondanks zijn tranen afgewezen. Het waren geen tranen van berouw, maar hij vond het erg dat hij de zegen moest missen. Vóór die tijd had hij de zegen veracht; nu is het te laat.
Hoeveel mensen leven er niet op aarde die voor een klein beetje tijdelijk vermaak hun kostbare ziel verkopen. Hun God is de buik en hun gedachten zijn alleen maar op het aardse gericht (Filippi 3 vers 19). Ze horen bij de wereld en hun deel is in dit leven (Psalm 17 vers 14). Er staat hun een verschrikkelijk 'wakker worden' te wachten als ze later hun dwaasheid inzien. Op die verschrikkelijke plaats waar het geween en het tandenknarsen is (Mattheus 13 vers 42), zullen alle vergoten tranen â evenals bij Ezau â tevergeefs zijn. De zegen die ze door eigen schuld verloren hebben, zullen ze nooit meer ontvangen.
Voor Jakob beginnen nu de moeilijkheden. De haat van zijn broer, ontstaan door wraakgedachten en jaloezie, dwingen Jakob ertoe van de zijnen weg te gaan.
Hij zal zijn moeder niet meer terugzien, hoewel zijzelf nog denkt dat het om een tijdelijke scheiding gaat (vers 44). Daarmee draagt ook Rebecca zelf de gevolgen van haar bedrog.
In de Schrift neemt de geschiedenis van Jakob veel plaats in. Hierdoor kunnen wij het langdurige en geduldige werk van de genade van God met de Zijnen bewonderen.
Jakob verlaat het huis van zijn vader, maar God toont hem Zijn eigen huis (Beth-El betekent: huis van God). Wij hoeven niet te wachten tot we het huis van onze ouders verlaten hebben, om de Heere Jezus te ontmoeten. Maar deze ontmoeting moet vroeg of laat plaatsvinden. En de God van onze ouders moet ook onze God worden.
Wat een merkwaardige droom heeft Jakob! Wat betekent de ladder waarop engelen naar boven en beneden klimmen? Het spreekt ons van de betrekkingen tussen hemel en aarde. We denken aan Hem Die dat contact tot stand gebracht heeft door Zelf naar beneden te komen en later weer op te varen in de heerlijkheid (Johannes 3 vers 13 en Efeze 4 vers 10).
De genade van God toont aan de arme, vermoeide zondaar de poort van de hemel (vers 17) en geeft hem heerlijke beloften.
"Hoe vreselijk is deze plaats!", roept Jakob als hij 's morgens wakker wordt. Met een slecht geweten voel je je niet op je gemak, ook al heb je met een genadig God te doen (zie ook Lukas 5 vers 8).
Dan zien we een merkwaardige manier van handelen bij Jakob. Hij maakt als het ware een afspraak met God. Hij stelt de uitdrukkelijke beloften van God als een voorwaarde die God vervullen moet. En als een soort tegenprestatie zal hij de HEERE dienen.
Veel mensen doen net als Jakob. Ze aarzelen om de beloften van God zendermeer in geloof aan te nemen. Ze menen door eigen inspanningen een goede indruk te kunnen maken op God.
"Ik ben met u, en Ik zal u behoeden ... Ik zal u niet verlaten," heeft de HEERE 's nachts in Beth-El tegen Jakob gezegd (hoofdstuk 28 vers 15).
Wat een geweldige troost is het te mogen weten dat het oog van God altijd gericht is op de Zijnen, ook al vergeten zij vaak op Hem te zien (Psalm 32 vers 8)!
Jakob wordt door de leiding van de HEERE in het huis van zijn familie, zijn oom Laban, gebracht.
Weer lezen we van een ontmoeting bij een bron, misschien wel dezelfde als in hoofdstuk 24. Maar nu horen we geen gebed uit de mond van de reiziger om God te vragen zijn ontmoeting voorspoedig te maken, noch een dankgebed voor het succes van zijn reis. Evenmin zien we dat het meisje de vermoeide wandelaar iets te drinken geeft. Wat een verschil, ook in Labans huis!
Jakob vertelt "al deze dingen", maar de Naam van de HEERE horen we hem niet noemen. Evenmin vertelt hij dat alleen de HEERE zijn familie gezegend heeft (vergelijk dit eens met hoofdstuk 24 vers 35). Ook over zijn ontmoeting in Beth-El horen we hem niet praten.
Hoe is dat bij ons? Over welk onderwerp wordt er gewoonlijk door ons gepraat als we familie of bekenden ontmoeten? Staat de Heere dan in het middelpunt?
Als we het tot een gewoonte gemaakt hebben dat onze harten zich met Hem bezighouden, kunnen we ook van Hem vertellen. 'Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over.'
De geschiedenis van Jakob is een geschiedenis van tuchtiging. Dat wil zeggen dat hij de leerschool van God (evenals al de Zijnen) moest doorlopen. Een soms harde leerschool. Dat bevestigt Hebreeën 12 vers 11 en onze eigen ervaring.
Alle tuchtiging is op het moment dat ze plaatsvindt, niet een bron van vreugde, maar van droefheid. Maar het doel van God is dat wij "Zijn heiligheid zouden deelachtig worden" (Hebreeën 12 vers 10).
Het 'schooljaar' dat Jakob nu binnengaat, zal twintig jaar duren. Voor hem is het bijna een slavenbestaan. Wat leert God hem door deze lessen? God laat het toe dat het hem nu net zo vergaat als hijzelf met anderen heeft gedaan. Jakob (zijn naam betekent 'bedrieger' of 'hielenlichter') wordt nu zelf bedrogen en uitgebuit.
Hij, de jongere, heeft zijn vader misleid door zich voor zijn oudere broer uit te geven. Nu heeft hijzelf te maken met een vader die hem bedriegt door zijn oudste dochter voor de jongste te laten doorgaan.
Hoe vaak gebeurt het niet dat wij onze eigen verkeerde daden pas inzien als ons hetzelfde wordt aangedaan door anderen (vergelijk Richteren 1 vers 7).
Het enige waarover we ons kunnen verblijden in dit hoofdstuk, is de opofferende liefde van Jakob voor Rachel! Dan gaan onze gedachten uit naar Hem Die, om ons tot Zijn eigendom te maken, de volmaakte Dienstknecht is geworden.
In dit Schriftgedeelte wordt ons het gezin van Jakob voorgesteld. Dit is een belangrijke bladzijde uit het Oude Testament, want hier vinden we de twaalf zonen van Jakob, die in Handelingen 7 vers 8 aartsvaders worden genoemd.
Aan hen hebben de twaalf stammen van Israël hun naam te danken. In hen zullen de beloften die Abraham en Izaäk, maar ook Jakob te Beth-El, ontvangen hebben, vervuld worden. Van Levi stammen de priesters af, van Juda de koningen en uiteindelijk de Messias Zelf.
Dit gezin volgt de levensstijl van het gezinshoofd: berekening, rivaliteit en dubieuze middelen. Maar ondanks dat houdt God Zijn ogen op hen gericht en wil Hij hen zegenen.
Ook vandaag zijn de gezinnen van de gelovigen iets kostbaars voor het hart van God. Hij wil zowel de ouders als ieder kind afzonderlijk zegenen. Hij kent ons bij naam en wil ons vanaf onze eerste stappen op onze levensweg geschikt maken voor de dienst die Hij voor ons bepaald heeft. Wat is de heerlijke roeping van elke gelovige nu? Is het niet om koningen en priesters te zijn voor zijn God en Vader (Openbaring 1 vers 6)?
De geboorte van Jozef, een beeld van de Heere Jezus, kondigt een nieuw tijdperk aan voor het gezin van Jakob: het einde van de onderdrukking en de terugkeer in het land van de belofte (vers 25).
In geestelijk opzicht is het altijd zo dat we pas ècht van onze bevrijding en hemelse zegeningen kunnen genieten als Christus de plaats in onze harten en huizen mag innemen die Hem toekomt.
De arme Jakob wordt onrustig, speculeert en behandelt Laban met list en bedrog. Hij probeert door eigen inzicht en inspanning rijk te worden.
Wat is het verdrietig om een gelovige te zien strijden met iemand van de wereld om het bezit van aardse goederen. Izaäk had zijn zoon Jakob een heel ander voorbeeld gegeven (hoofdstuk 26 vers 15 tot en met 22)!
In 1 Timotheüs 6 vers 6 tot en met 10 stelt de apostel tegenover het verlangen naar rijkdom de godsvrucht die met tevredenheid een grote winst is. Hier zien we dubbele winst.
De ware rijkdommen waarnaar we moeten streven, zijn:
Ten eerste de godsvrucht. Dat wil zeggen: de betrekkingen tot God waarvan de altaren spreken. Jakob had in zijn ballingschap geen altaar, geen bewuste verbinding met God.
Ten tweede de tevredenheid. Dit hebben de aartsvaders waar gemaakt door in tenten te leven, zoals Jakob zelf ook (hoofdstuk 25 vers 27). De apostel Paulus had zelf geleerd tevreden te zijn met de omstandigheden waarin hij zich bevond ( Filippi 4 vers 11).
Wat is het toch moeilijk om altijd tevreden te zijn! Maar kunnen we voor onze omgeving niet juist een goede getuige zijn door te laten zien dat we tevreden zijn met wat God ons geeft? Hij heeft ons zelfs niet minder dan Zijn eigen Zoon gegeven (Romeinen 8 vers 32)!
Afgezien van alle teleurstellende dingen die we bij Jakob zien, moeten we toch respect hebben voor zijn geduld. Zonder te klagen accepteert hij alle moeiten, ontberingen en onrechtvaardigheid die Laban hem aandoet.
De herinnering aan het land dat de HEERE aan Abraham en zijn nageslacht gegeven had, houdt hem staande. Hij heeft niet vergeten dat God hem in Beth-El beloofd heeft hem in dat land terug te zullen brengen. Deze hoop is blijven leven in zijn hart en het moment komt waarop ze in vervulling gaat.
Hebben wij als gelovigen, als vreemdelingen hier op aarde, niet ook een belofte van de Heere gekregen? De belofte van een hemels vaderland waarin Hij ons heel spoedig zal invoeren? Deze hoop moet ook ons geduld geven en de nodige moed om de moeilijkheden, ja, zelfs onrechtvaardige behandelingen, te verdragen.
Hoewel Jakob gehoorzaam is aan de opdracht van de HEERE (vers 3), blijft hij â jammer genoeg â toch trouw aan zijn bedrieglijk karakter.
Hij bedriegt Laban door, zonder dat deze het weet, te vluchten. Maar is dit tegelijkertijd niet een gebrek aan vertrouwen in God?
Hij Die Jakob de opdracht heeft gegeven om op weg te gaan, staat het Laban niet toe hem hiervan te weerhouden (hoofdstuk 31 vers 24).
Laban kon niet anders dan zich buigen en, zoals al eerder, erkennen: "Van de HEERE is deze zaak voortgekomen" (hoofdstuk 24 vers 50).
Laban merkt de vlucht van Jakob op, gaat hem achterna en haalt hem in.
Als een sluw en huichelachtig mens van de wereld spreekt hij vleiende woorden, terwijl zijn hart vol afgunst is. Hij doet net alsof hij erg gehecht is aan zijn dochters en kleinkinderen, maar in werkelijkheid heeft hij zich altijd alleen laten leiden door eigenbelang (vers 15). Hij doet alsof hij de HEERE vreest (vers 29 en 53), terwijl hij ijverig naar zijn afgodsbeeld zoekt.
Het is verdrietig om te zien dat Rachel waarde hecht aan zo'n beeld. We kunnen er zeker van zijn dat Rebecca deze dingen destijds met vreugde heeft achtergelaten, toen ze met de knecht van Abraham meeging.
Deze terafim is voor ons een beeld van de dingen van de wereld, van de dingen waarvan wij geen afstand kunnen nemen en waarvan we denken ze mee te kunnen nemen op onze weg naar het hemels vaderland. Misschien kunnen we ze een tijd lang, diep in ons hart, voor de ogen van anderen verborgen houden.
Geve God Die alles weet en ziet, dat wij alles wat in ons leven de plaats van de Heere Jezus zou kunnen innemen, opmerken en wegdoen. Want dát zijn voor ons afgoden!
Tenslotte gaan Jakob en Laban uit elkaar. De 'hoop' van stenen (vers 52) vormt de grens tussen hen. Er is geen gemeenschappelijke bodem voor de gelovige en de mens van de wereld. Zelfs al zouden ze tot dezelfde familie behoren!
Uit Hebreeën 1 vers 14 weten we dat de dienst van de engelen voor de gelovigen is. Vaak vindt die dienst plaats zonder dat we het weten.
Toen Jakob uit Kanaän wegtrok, heeft God hem in zekere zin willen laten zien wie Hij wilde gebruiken om 'in den vreemde' voor hem te zorgen (hoofdstuk 28 vers 12). Nu, bij zijn terugreis, heten de engelen van Mahanáïm de aartsvader welkom in het land van de belofte.
Jakob is niet in staat zich te verheugen in de goedheid van de HEERE, hoewel daardoor toch zijn enige wens in vervulling is gegaan (hoofdstuk 28 vers 20 en 21).
Zijn hart is niet vrij van mensenvrees. Ook al zit Laban niet meer achter hem, Ezau is nog wel vóór hem. En hij beeft als hij eraan denkt dat hij hem zal ontmoeten.
Hij bidt wel (vers 9 tot en met 12), maar tegelijkertijd bedenkt hijzelf ook allerlei voorzorgsmaatregelen. Het is net alsof hij God niet in staat acht hem te bevrijden. Lijken wij hierin ook niet vaak op hem?
Laten we er ook op letten hoe onderdanig Jakob is (vers 18 en 20), terwijl hij toch door de zegen van zijn vader heer over zijn broer is geworden.
Zou het niet veel beter geweest zijn wanneer Jakob zich in vertrouwen op de HEERE aan het hoofd van de stoet had geplaatst? En zo zijn beledigde broer om vergeving had gevraagd, in plaats van zo'n 'toneel op te voeren' en zelf allerlei voorzorgsmaatregelen te nemen?
In de geschiedenis van Jakob wordt ons nu een tweede belangrijke nacht genoemd.
In de strijd met de engel zien we eigenlijk een samenvatting van zijn leven dat hij tot nu toe heeft geleid. Altijd heeft hij geprobeerd door eigen inspanningen de zegen te verkrijgen, waardoor hij zich tegenover God stelde. Nu moet hij ervaren dat men zijn eigen wil niet kán doorzetten, dat men daardoor niet kán overwinnen. Slecht één beweging van God (vers 25) en het is voorbij.
Nu wordt Jakob gedwongen zijn zelfvertrouwen op te geven. Hij leert één van de belangrijkste beginselen in het leven van een gelovige: "Als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Korinthe 12 vers 10).
Op dit moment roept hij als het ware zegevierend uit: "Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent" (vers 26 en Hosea 12 vers 5). Dát is de overwinning van het gebed!
Hij krijgt die zegen in de vorm van een nieuwe naam: Israël. Deze naam is in de raadsbesluiten van God, in de Schrift en in de geschiedenis van grote betekenis. Deze naam spreekt ons van Christus, de Overwinnaar, de Vorst, de ware Israël van God.
Beste christen, God wil overwinnaars van ons maken. Als Hij ons tegenkomt op een weg die we zelf gekozen hebben, en onze vleselijke kracht wegneemt, dan is dat om ons Zijn kracht te geven.
Jakob zou zich altijd aan Pniël herinneren vanwege zijn ontwrichte zenuw. Hij was wel "hinkende aan zijn heup" , maar zijn ziel was bevrijd (Romeinen 7 vers 24 en 25)!
Nadat de HEERS de naam van Abram in Abraham veranderd had, verdween de oude naam definitief.
Bij Jakob was dat niet zo. Tot aan het einde van zijn leven werd zijn oude naam gebruikt en pas lang na Pniël werd meer en meer gebruik gemaakt van zijn nieuwe naam Israël. Dat betekent dat de oude Jakob, de hielenlichter, zich steeds weer liet gelden.
Toch mogen we steeds opnieuw Gods genade opmerken bij hem en zijn gezin. God heeft op zijn gebed (hoofdstuk 32 vers 11) geantwoord en het hart van Ezau bewerkt (vers 4).
Uit vers 8 blijkt duidelijk dat het alleen Gods werk is, er is niets van Jakob bij. Ezau had namelijk helemaal niet begrepen waartoe al die geschenken die Jakob zo zorgvuldig voor hem had klaargemaakt, moesten dienen.
Toch zien we dat Jakob weer bang wordt.
Hij had Ezau die hem wilde beschermen, toch kunnen vertellen dat hij vertrouwde op de almacht van God en op Zijn bescherming? Maar hij verschuilt zich achter een leugen en zegt dat hij naar Seïr wil. In werkelijkheid reist hij echter naar Sukkoth.
En wat nog erger is, is dat hij daar voor zichzelf een huis bouwt (vers 17) en een veld koopt (vers 19). Daardoor verloochent hij een vreemdeling hier op aarde te zijn.
De gevolgen blijven dan ook niet uit.
Na de schandelijke daden die in zijn gezin zijn gebeurd, is Jakob verdrietig en ontmoedigd (hoofdstuk 34 vers 30). God wil echter niet dat hij in zo'n toestand blijft en richt Zich tot hem: "Maak u op, trek op naar Beth-El, en woon aldaar; en maak daar een altaar." â Beth-El, huis van God. Daar is de HEERS aanwezig!
Diezelfde stem roept de christen op om elke eerste dag van de week alle dagelijkse beslommeringen te vergeten en te gaan naar de plaats waar de Heere in het midden is, om Hem te aanbidden in geest en waarheid.
Maar Jakob voelt wel dat er eerst iets in orde gemaakt moet worden, voordat hij kan gehoorzamen.
In zijn tenten worden dingen verborgen die niet passen in de heilige tegenwoordigheid van God. Ook al zijn het maar terafim van Laban die in de tent van Rachel zijn. Ook al heeft hij deze 'vreemde goden' lange tijd toegelaten, op het moment dat God verschijnt, moeten ze onvoorwaardelijk verwijderd worden. Daarna kan Jakob pas naar Beth-El trekken.
Die plaats vindt hij nu niet meer 'vreselijk' (hoofdstuk 28 vers 17). Daar bouwt hij een altaar, denkt met een dankbaar hart terug aan de ontvangen zegeningen en ontvangt van God de bevestiging van al Zijn beloften.
Nadat de aanbidder alles heeft veroordeeld en weggedaan wat niet in overeenstemming is met zijn verheven dienst, wordt hij in de tegenwoordigheid van God gezegend. Gezegend met talrijke zegeningen van onmetelijk grote waarde!
Nu begint er een nieuwe periode in het leven van Jakob. Terwijl hij onderweg is, wordt Benjamin geboren en direct daarna sterft Rachel.
Ook op de levensweg van een christen wisselen vreugde en verdriet elkaar af. Hij kan evenals Jakob gedenktekens oprichten (vers 14 en 20).
De beide namen van het kind spreken ons van de Heere Jezus.
Benoni , 'zoon van mijn smarten', is de Naam van Hem over Wie Israël zal rouwklagen, "als met de rouwklacht over een enige zoon" (Zacharia 12 vers 10). De Naam van een Verachte hier op aarde, "een Man van smarten", vertrouwd met lijden (Jesaja 53 vers 3).
Maar Hij is ook de ware Benjamin, 'zoon van mijn rechterhand'. God heeft tegen Hem gezegd: "Zit aan Mijn rechterhand" (Psalm 110 vers 1; een tekst die ook meerdere keren in het Nieuwe Testament wordt aangehaald).
Beide namen zijn niet van elkaar te scheiden, ze behoren één en dezelfde persoon toe. Dit herinnert ons eraan dat het lijden en de heerlijkheid van de Heere Jezus niet van elkaar te scheiden zijn (1 Petrus 1 vers 11).
Ook een andere naam in dit Schriftgedeelte doet ons denken aan de Heere Jezus: Bethlehem (vers 19). Daar is de Heiland geboren.
Daar is het graf van Rachel. Het is een plaats van tranen die aan het begin van het Evangelie naar Mattheüs (hoofdstuk 2 vers 18) genoemd wordt. Maar ook de plaats waar de grootste blijdschap van alle tijden aangekondigd zou worden (Lukas 2 vers 10 en 11).
Na de geboorte van Benjamin is het gezin van Jakob voltallig. Maar ook het gezin van Ezau breidt zich uit. Een familie met veel vorsten en koningen (vers 29 tot en met 43).
Veel jonge mensen willen later graag een goede baan, een hoge functie. Maar is het niet veel beter om de Heere te gehoorzamen en hen die Hem toebehoren, te dienen, dan de baas te zijn over veel personeel? De Heere Jezus spreekt hierover met Zijn discipelen: "Gij weet, dat zij die geacht worden Oversten te zijn der volken, heerschappij voeren over hen ... doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn" (Markus 10 vers 42 en 43).
Onder de machtige personen die in dit hoofdstuk genoemd worden, is er één die hete waterbronnen vindt in de woestijn (vers 24; in sommige Bijbelvertalingen wordt het woord in dit vers met 'muildieren' vertaald). Deze bronnen zijn een beeld van alle teleurstellingen en ontgoochelingen van de wereld die onze dorst niet kunnen lessen.
Iemand anders, Amalek, wordt de grimmigste van alle vijanden van Israël. Hij duikt telkens weer op in de geschiedenis van dit volk.
Aan het einde van vers 8 worden we eraan herinnerd: "Ezau is Edom". De naam van Jakob, 'hielenlichter', werd veranderd in Israël: 'vorst van God'. De naam Ezau daarentegen werd veranderd in Edom, dat betekent: 'het rode' (vergelijk hoofdstuk 25 vers 30). Wat een ironie! Deze man en zijn nakomelingen waren van geslacht tot geslacht veroordeeld tot het dragen van de naam van het eten waarvoor hij de zegen had ingeruild.
Vandaag beginnen we met de mooie geschiedenis van het leven van Jozef. In de Heilige Schrift vinden we geen persoon die op volmaaktere wijze een beeld is van de Heere Jezus.
Jozef is het voorwerp van de bijzondere liefde van zijn vader, maar tegelijkertijd ook het slachtoffer van de haat en nijd van zijn broers, de zonen van Israël (vergelijk Johannes 3 vers 19). Jozef getuigt tegen hen door van hun boze werken te vertellen (vers 2). Maar hij betuigt ook voor hen van zijn toekomstige verhoging waarin ze niet willen geloven.
Christus is het Middelpunt van de profetieën met betrekking tot de aarde (vers 7) en de hemel (vers 9). Hij, de trouwe en ware Getuige, getuigt tegen deze wereld van haar boze werken (Johannes 7 vers 7), maar betuigt ook voor de wereld van Zijn toekomstige heerlijkheid Mattheüs 26 vers 64).
Jakob geeft Jozef een veelkleurige rok, waarmee hij aantoont dat hij hem liefheeft. Dit herinnert ons eraan dat de Vader openlijk bekendgemaakt heeft dat Hij een welbehagen heeft in Zijn Zoon, de Heere Jezus (Mattheüs 3 vers 17 en Handelingen 2 vers 22).
Jozef is voor ons een voorbeeld van gehoorzaamheid. "Hier ben ik" (vers 13), zegt hij als zijn vader hem roept om naar zijn broers te gaan, hoewel hij door hen werd gehaat.
In de Heere Jezus hebben we een nog veel groter Voorbeeld! Hij stelt Zichzelf in volkomen gehoorzaamheid ter beschikking als Zijn Vader Hem naar de aarde wil zenden: "Zie, Ik kom ... Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen" (Psalm 40 vers 8 en 9).
De lange weg die Jozef moet afleggen om zijn broers te zoeken, wijst op de weg die de Heere Jezus, de Zoon van God, moest gaan om het verlorene te zoeken en te behouden.
Het was een weg waarop Hij Zichzelf vernederde: Hij was God en is Mens geworden. Hij vernederde Zich zelfs tot de dood, ja, tot de dood van het kruis (Filippi 2 vers 7 en 8).
Dan volgt de misdaad van Jozefs broers, waarvan alle details onze ogen richten op het kruis. Ze beramen een aanslag; ze willen hem die kwam om hen te dienen, doden (Psalm 109 vers 5). â "Zij scholen samen tegen de ziel van de rechtvaardige, en zij veroordelen onschuldig bloed" (Psalm 94 vers 21).
Vervolgens gooien ze hem in een kuil, een beeld van de dood. Deze hele lijdensweg heeft onze Verlosser in werkelijkheid moeten gaan.
Uiteindelijk verkopen ze Jozef voor twintig zilverlingen, als slaaf, aan vreemdelingen.
Hij Die vele malen groter is dan Jozef, werd voor dertig zilverlingen verkocht. "Een heerlijke prijs, die Ik waard geacht ben geweest van hen!" (Zacharia 11 vers 13). Daarna werd Hij door de joden overgeleverd aan Pilatus.
Jozef moet wel de wanhoop nabij geweest zijn! Hoeveel groter moet het lijden geweest zijn van Hem van Wie Jozef maar een heel zwak beeld is, Die al die smarten moest ondergaan. Ja, Die zelfs door de dood ging, uit liefde voor u en mij!
Hoofdstuk 38 wordt als het ware in de geschiedenis van Jozef tussengeschoven. Door het voorbeeld van Juda worden we erop gewezen dat een ieder tot erge zonden verleid kan worden. Maar met name voor hem die de Heere Jezus afwijst (zoals Juda die het voorstel deed om Jozef te verkopen), geldt dat de zonde aan de deur ligt.
Als we met een oprecht hart de Heere Jezus wensen te volgen, mogen we rekenen op Gods genade die ons voor struikelen wil bewaren.
Juda verliet het door God uitgekozen volk en sloot vriendschap met een Kanaäniet, waarna hij huwde met een Kanaänietische vrouw. Verbindingen met de wereld zijn altijd catastrofaal voor leden van Gods volk.
Hoeveel droevige voorbeelden zijn er in het verleden en het heden van vriendschappen tussen gelovigen en mensen van de wereld, waarvan huwelijken met ongelovigen het gevolg waren (vergelijk 2 Korinthe 6 vers 14 tot 7 vers 1)!
Juda moet in zijn kinderen ervaren hoe bitter de gevolgen van verkeerde wegen zijn.
Hij had zijn vader zijn dierbaarste zoon, Jozef, ontnomen. Twee van zijn drie zonen worden door de HEERS gedood vanwege hun boosheid. Hij bedroog zijn schoondochter door haar zijn zoon Sela niet te geven, en wordt nu zelf door haar bedrogen. Dit laatste was niet gebeurd als hijzelf in reinheid gewandeld had. Het loon van de zonde is bitter.
Het hart van de mens wordt daarin zichtbaar dat Juda zijn schoondochter tot de verbrandingsdood veroordeelde voor iets waarin hijzelf gefaald had. Het is goed eerst onszelf te oordelen en daarna de ander.
Wat een contrast met het vorige hoofdstuk. Hier zien we een jonge man die de HEERS vreest en zich daarom rein wil bewaren van wereldse invloeden. God zegent hem in zijn werk, wat anderen opvalt. Daardoor geeft God aan dat Hij een welgevallen heeft aan zijn vroomheid.
Als Jozef verzocht wordt, weigert hij (vers 8), luistert niet (vers 10) en vlucht (vers 12). Vergelijk hiermee Richteren 16 vers 16 en 17.
Beste jonge vriend of vriendin, je zult vroeg of laat het ouderlijk huis verlaten, bijvoorbeeld voor studie of werk. Dan moet je in een vijandige, gevaarlijke omgeving leven en zult gegarandeerd ook aanvechtingen van satan krijgen. Laat Jozef die ook ver van huis was, dan een voorbeeld voor je zijn.
"Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden?" vraagt de psalmist. â "Als hij dat houdt naar Uw Woord", antwoordt hij direct. Hij heeft zich voorbereid op de dag van de verzoeking: "Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou" (Psalm 119 vers 9 en 11).
Opnieuw wordt Jozef onrechtvaardig behandeld. Op grond van een vals getuigenis wordt hij gevangengenomen en opgesloten. In Psalm 105 vers 18 lezen we hoe hij dit heeft ervaren: "Men drukte zijn voeten in de stok; zijn persoon kwam in de ijzers."
Ook dit lijden wijst op het lijden van de Heere Jezus. Ze sloegen de handen aan Hem (Markus 14 vers 46) en hebben valse getuigen opgeroepen (Mattheus 26 vers 59 en 60). "Hij is met de misdadigers gerekend" (Markus 15 vers 28), Hij Die "niets onbehoorlijks gedaan heeft" (Lukas 23 vers 41).
Het is indrukwekkend te zien dat Jozef zich, hoewel hij onschuldig is, niet beter acht dan de andere gevangenen. Hij wordt niet opstandig, maar blijft dienen! Dat leidt onze gedachten alleen maar naar de volmaakte Mens, naar Hem Die ons opzocht in onze uitzichtloze situatie en ons in liefde wilde dienen. "Hij is het land doorgegaan, goeddoende, en allen genezende", zegt Petrus in Handelingen 10 vers 38. En hij zegt erbij: "... want God was met Hem".
Dat is ook voor Jozef een troost en het geheim waardoor alles hem zo goed lukt, zowel bij Potifar als in de gevangenis (hoofdstuk 39 vers 3, 21 en 23). O, dat ook wij dezelfde, geweldige ervaring mogen hebben!
De beide dienaars van de koning van Egypte, de schenker en de bakker, zijn voor ons een beeld van de hele mensheid. "Er is geen onderscheid. Want zij hebben allen gezondigd", zegt de Schrift (Romeinen 3 vers 23). Ieder heeft tegen God gezondigd en daardoor Zijn toom en oordeel verdiend. Maar ... dan komt het verschil. De één neemt de blijde boodschap van het heil in Christus aan. De ander doet dat niet en houdt de verschrikkelijke tweede dood voor ogen. Vandaag kan men nog door het evangelie van een verloren zondaar veranderen in een verloste in Christus.
De beide misdadigers aan het kruis laten nog duidelijker deze beide groepen van mensen zien. De één bekommert zich nergens om en sterft in zijn zonden. De ander krijgt als antwoord op zijn gebed: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn" (Lukas 23 vers 43).
Zoals Jozef in dit gedeelte de boodschapper is van onbeperkte genade, zo heeft de Heere Jezus als eerste het heil en de boodschap van vrede verkondigd (Efeze 2 vers 17).
Gisteren hadden we het gebed van de ene boosdoener aan het kruis voor onze aandacht: "Heere, gedenk mij" (Lukas 23 vers 42). In Genesis 40 vers 14 vraagt Jozef, vlak voordat de schenker vrijkomt: "Gedenk mij bij uzelf' .
Wat is het dan verdrietig om aan het einde van datzelfde hoofdstuk te lezen: "Doch de overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem" (vers 23).
Nu naar onszelf, de verlosten van de Heere, die mogen genieten van zo'n groot heil. Zijn wij ook niet vaak ondankbaar door Hem te vergeten Die ons gered heeft? Hoewel we alles aan de Heere te danken hebben, verzuimen we vaak anderen die Hem nog niet kennen, van Hem te vertellen.
Omdat de Heere wist dat onze harten zo vergeetachtig zijn, heeft Hij ons het brood en de drinkbeker gegeven: "Doet dat tot Mijn gedachtenis" (Lukas 22 vers 19).
Na de droom van farao moet de schenker er ineens aan denken wat hem is overkomen. Wat zal het hem moeite gekost hebben om te zeggen: "Ik gedenk heden aan mijn zonden" (vers 9). Maar hij kon niet van Jozef vertellen, zonder te zeggen waar en waarom hij hem ontmoet had.
Om van de Heere Jezus, onze Heiland, te kunnen getuigen, moeten ook wij niet bang zijn om toe te geven in welke ellendige, zondige toestand wij ons bevonden, maar waarvan Hij ons bevrijd heeft.
Zoals deze farao onrustig werd van zijn droom, zo worden de mensen vandaag de dag ook gekweld door angst. Ze voelen heel goed aan dat ze ten prooi zullen vallen aan onvoorziene catastrofes. Ze leven in grote onzekerheid. De toekomst maakt hen onrustig. Toch bevat de Bijbel alles wat de mens over de toekomst kan weten. Maar de profetieën worden niet begrepen door hen die de Heilige Geest niet bezitten.
Tevergeefs vraagt farao de geleerde mannen uit zijn rijk om raad. Alle menselijke wijsheid valt bij God in het niet. Dan verschijnt Jozef. De deuren van de gevangenis worden voor hem geopend en hij komt met de wijsheid die van boven is, om farao het antwoord te brengen dat hem tot heil is. Jozef laat niet na erop te wijzen dat het antwoord van God komt en niet van hemzelf (zie ook Daniël 2 vers 28).
Een christen die zijn Bijbel kent, weet meer over de toekomst van de wereld dan de meest pientere politicus. Door middel van de Heilige Geest heeft God ons "het verstand" gegeven (Johannes 16 vers 13; 1 Johannes 2 vers 20 en 5 vers 20).
Onze tijd kunnen we vergelijken met de zeven vette jaren van welvaart. Hierop zal voor de wereld een tijd van honger volgen, zoals de profeten aangekondigd hebben: "... niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN" (Amos 8 vers 11 en vervolg).
De tijd van het heil zal dan voorbij zijn. Lezer(es), bent u nu bereid?
In Jozefs geschiedenis is een groot keerpunt gekomen. Na het lijden komt de heerlijkheid (Lukas 24 vers 26). De verdrukte die in de put gegooid werd, die slaaf was in een vreemd land en gevangen in de gevangenis, wordt nu de heer van het land (hoofdstuk 42 vers 30), de redder van de wereld, voor wie alle knie zich zal buigen (vers 43).
Al deze titels spreken van Hem Die vernederd en veracht was, maar spoedig door allen geëerd zal worden tot in eeuwigheid. Jezus, de Nazaréner, is door God hoog verheven en met heerlijkheid en eer gekroond (Hebreeën 2 vers 7).
Als hoogste waardering ontvangt Jozef een bruid uit de volkeren. Zij is een beeld van de gemeente (vergelijk Efeze 1 vers 20 tot en met 23).
De namen van Jozefs zonen herinneren aan de moeiten van zijn ziel. Voortaan zullen die moeiten echter vergeten zijn (Manasse; vers 51), om een veelheid van vruchten te genieten (Efraïm; vers 52). Vergelijk Jesaja 53 vers 11.
'In Psalm 105 vers 16 tot en met 21 vinden we een samenvatting van deze prachtige geschiedenis. God had al besloten dat de hongersnood op de aarde zou komen. Maar voor het zover was, heeft Hij Jozef, een beeld van Christus, al voorbereid op de rol die hij daarin zou spelen, zijn rol als redder en onderhouder van het leven van de wereld èn van het gezin van Israël. Hiervoor heeft God hem door al de droefheid die hij moest ondergaan, geschikt gemaakt.
Daarom kunnen ook wij vol bewondering uitroepen: "Zouden wij wel een man vinden als deze?" (vers 38).
Wat de HEERS voorzegd heeft, komt precies zo uit. Zo is het ook met de woorden van Jozef die God Zelf gesproken heeft. Na de zeven jaren van overvloed komt de hongersnood.
God probeert met alle mogelijke middelen de aandacht van de mensen op Zichzelf te vestigen. Daarom volgen hier op aarde oorlog en vrede, gebrek en overvloed elkaar op. Maar ook in het leven van ieder mens persoonlijk wisselen vreugde en verdriet elkaar af.
Helaas vergeten de mensen vaak de Heere te danken voor de vreugde die Hij geeft. Evenmin gaan ze naar Hem om hulp in een tijd van beproeving.
Farao zei: "Gaat tot Jozef" (vers 55). Zo brengt de Heilige Geest de mens ertoe tot de Redder te gaan. Tot Hem Die gezegd heeft: "Komt herwaarts tot Mij!" (Mattheus 11 vers 28).
Ja, laten we tot Hem gaan. Alleen Hij geeft in overvloed wat onze ziel aan voeding nodig heeft. Laten wij ook de tijden van overvloed, bijvoorbeeld de samenkomsten, ten volle benutten door onze harten en gedachten helemaal te vullen met Hem. Dan kunnen we in tijden van nood, op momenten dat we eenzaam en moedeloos zijn, putten uit 'onze voorraad', om zo weer kracht en vreugde in de Heere te ontvangen.
Laten we vooral het einde van vers 55 niet vergeten: "... doet wat hij u zegt" (zie ook Johannes 2 vers 5)!
Terwijl deze gebeurtenissen zich in Egypte afspelen, lezen we niets over het gezin van Jakob. Het wordt terzijde gelaten. Het is net alsof God daarmee zegt: 'Nadat jullie die misdaad begaan hebben en Jozef niet meer bij jullie is, heb Ik niets meer om van jullie te vertellen'.
Zo is het ook met de verdrietige geschiedenis van de mens. En speciaal met de geschiedenis van Israël, nadat zij de Redder verworpen hebben. God heeft niets meer van dit volk te vertellen. Maar toch heeft Hij in Zijn eindeloos geduld Zijn betrouwbare beloften niet vergeten! Hij wacht alleen op het juiste moment om weer een verbinding met Hem tot stand te brengen.
De hongersnood is hiervoor het geschikte tijdstip. Soms laat God â ook bij de Zijnen â beproevingen, zoals ziekte of verliezen, toe. Dat heeft dan vaak tot doel dat men de Heere Jezus weer de plaats geeft in het leven die Hem toekomt.
Laten we niet denken dat de tijd die voorbij gaat, ook maar de kleinste zonde kan wegnemen. De Heere ziet ze allemaal, ook al zijn wij ze soms vergeten. Vroeg of laat zullen we daarom met Hem te maken krijgen.
De misdadige broers durven, als ze voor Jozef staan, nog te zeggen: "Wij zijn vroom" (vers 11). Dat zeggen ze tegen een Jozef die, als hij zijn naam bekend zou maken, hen van het tegendeel zou kunnen overtuigen. O, als Jozef dat zou doen, hoe zouden ze zich dan voelen?
Hoeveel mensen zijn er ook vandaag de dag die zichzelf geweldig vinden, terwijl ze schuldig staan tegenover de Heere Jezus Die ze verworpen hebben!
Het is niet zo dat Jozef wraak wil nemen op zijn broers door hen zo hard te behandelen. Dat begrijpen we wel. Maar hij kent uit ervaring de boosheid van hun hart en wil hen tot échte schuldbelijdenis brengen.
Om dat te bereiken, is hij streng, maar tegelijkertijd ook welwillend. Hij maakt hen bang, maar bemoedigt hen ook. Hij beschuldigt hen, maar biedt hen ook een maaltijd aan. Alles met opzet, maar met grote wijsheid.
Hiermee kunnen we het handelen van onze Heere vergelijken, als Hij ons geweten en ons hart wakker wil schudden. Soms is het nodig dat Hij 'hard' met ons praat.
De beschuldigingen zijn onterecht. De broers zijn geen spionnen. Toch voelen ze aan dat God hierdoor tegen hen spreekt om hen te herinneren aan de zonde die ze gemeenschappelijk begaan hebben, door hun broer onrechtvaardig te behandelen.
Het kan gebeuren dat ook wij onrechtvaardig behandeld worden. Laten we, in plaats van ons daaraan te ergeren of onszelf te willen rechtvaardigen, ons dan afvragen wat God ons daardoor wil zeggen.
Ook voor Jakob zal alles ten goede keren, hoewel hij in vers 36 zegt: "Al deze dingen zijn tegen mij". Hij moet leren dat als God voor hem is, er niemand tegen hem kan zijn. En dat "alle dingen medewerken ten goede" voor hen die God liefhebben (Romeinen 8 vers 28 en 31). In werkelijkheid geeft God hem op deze manier Jozef terug.
De broers van Jozef zijn heel bang. Dat is een bewijs dat het geweten hen aanklaagt. Ze moeten naar Jozef terugkeren om verantwoording af te leggen vanwege het geld dat ze in de zakken gevonden hebben.
Laten ook wij niet ver bij de Heere vandaan blijven als ons geweten ons drukt. Laten we direct tot Hem gaan en alles belijden. Vers 8 laat ons de weg zien die elke zondaar moet gaan: het besluit nemen (ons opmaken) en dan ons besluit uitvoeren (reizen), Opdat wij leven (vergelijk hiermee Lukas 15 vers 18 tot 20).
De mannen kunnen hun vader toch zo ver krijgen dat hij Benjamin mee laat gaan. Uiteindelijk gaan ze op pad met een geschenk: "het loffelijkste van dit land" (vers 11). Heeft Jozef die volle voorraadschuren heeft, dan iets nodig?
De mens verbeeldt zich altijd dat hij God iets moet brengen. Maar van Gods kant is alles gratis. Hij kan niets aannemen, ook niet het beste van de mens. Balsem, honing, specerijen, mirre, terpentijnnoten en amandelen â 't is allemaal heerlijk. Maar zij die geen koren hebben, kunnen er niet door gevoed worden.
Wat onze harten nodig hebben, is het hemelse Koren, Voedsel van boven. DM alleen kan onze hongerige zielen verzadigen.
De wereld kan ons allerlei lekkernijen geven, maar alleen de Heere Jezus, de ware Jozef, kan ons koren uit het hemelse land geven, door onze harten met Zichzelf te vullen.
Wat hebben de broers van Jozef er een moeite mee hun eigen geld opzij te leggen! Ze willen zelf hun koren betalen, zodat het geen genade meer is. Ondertussen moeten ze aannemen dat hun schuld al betaald is. Ongetwijfeld was de boekhouding van de zaakwaarnemer van Jozef in orde. Hij zegt immers: "Uw geld is tot mij gekomen" (vers 23). De grote Jozef heeft persoonlijk voor z'n broers betaald.
Zo heeft Christus alle kosten voor onze vrede gedragen. Onze schuld is helemaal betaald en alleen Hij weet hoe hoog die schuld was. Maar zo lang het kwaad niet beleden en veroordeeld is, kan men niet genieten van de vreugde van de gemeenschap met Hem.
Samen een maaltijd houden, is een beeld van gemeenschap. Het spreekt van een ongestoorde verstandhouding. Allen die aan de maaltijd deelnemen, spreken met elkaar.
Geldt niet hetzelfde voor de tafel van de Heere waaraan alle heiligen denken aan Zijn lijden?
Maar door de zonde is er als het ware een slagboom tussen hen gekomen; Jozef en zijn broers eten apart (vers 32).
Als we deze hoofdstukken lezen, valt het op hoe vaak Jozef huilt (hoofdstuk 42 vers 24; 43 vers 30; 45 vers 2,14 en 15; 46 vers 29; 50 vers 1 en 17). Dit is heel wonderlijk; noch in de put noch in de gevangenis heeft hij gehuild! Nee, wanneer hij weent, zijn het altijd tranen van liefde. Dat doet ons denken aan de tranen van de Heere Jezus (Johannes 11 vers 35 en Lukas 19 vers 41).
Het net om Jozefs broers wordt steeds strakker gespannen.
Onvoorziene omstandigheden â die geleid worden door een trouwe hand â dwingen hen terug te keren en te verschijnen voor hem die alles weet.
Nu is hun geweten geraakt. "Wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen?" (vers 16). Wat hebben ze in hun binnenste een lange weg afgelegd en wat zijn ze veranderd sinds ze beweerden vroom te zijn (hoofdstuk 42 vers 11)! Nu zijn ze dicht bij hun bevrijding!
Zoals de hele geschiedenis van Jozef, heeft ook dit gedeelte een profetische betekenis. Israël, dat vanwege zijn verwerping van Christus voorlopig terzijde is gesteld, zal ertoe gebracht worden een belijdenis af te leggen. Dan zullen ze in de Nazaréner Die ze veracht en gekruisigd hebben, Hem zien Die God zowel tot Heere als tot Christus gemaakt heeft (Handelingen 2 vers 36). Hij is de Messias, de Zoon des mensen, Die heersen zal over alle dingen in de hemel en op aarde (Hebreeën 2 vers 8).
Maar om het geweten zo ver te brengen, moet Israël â met name de stammen Juda en Benjamin â eerst door een tijd van zware beproevingen gaan: de "grote verdrukking" (Openbaring 7 vers 14).
De grote nood van de broers van Jozef vóórdat ze hun schuld belijden, doet ons denken aan de angst die het joodse volk zal doormaken vóórdat het de Messias zal erkennen en eren.
Het doel van Jozef is om zijn broers in gedachten meer dan twintig jaar terug te brengen, tot bij de put waarin ze hem geworpen hadden. Daar bleven ze onbewogen voor zijn leed. Hij wil hen wijzen op het grote verdriet dat ze hun vader aangedaan hadden, toen ze hem op een gruwelijke manier van Jozefs 'dood' vertelden. Jozef wil weten of ze nu het lijden van hun jongere broer en het verdriet van hun vader begrijpen.
Nu is het hem eindelijk gelukt hun harten te raken! Hoe aangrijpend vertelt Juda van hun oude vader en van hun jongste broer, "een jongeling des ouderdoms" (vers 20).
Wat kunnen wij hieruit belangrijke lessen leren! We leren zo dat we ons moeten verplaatsen in andermans situatie om hun vreugde en verdriet te leren begrijpen.
Ja, wat nog meer is, in onze harten na te denken over de gedachten van liefde die de Vader had tot Zijn Zoon. Te denken aan de grote smart die Hij ondervond, toen Zijn Geliefde in de handen van boze mensen werd overgegeven. En tenslotte iets van het lijden van de Zoon te doorgronden, toen Hij voor een rechtvaardig God het volle gewicht van onze zonden heeft gedragen en de Vader Zijn roepstem moest horen, zonder dat Hij kon antwoorden. Iets te ervaren van die onmetelijk grote zielenood van Hem, toen Hij door Zijn God werd verlaten.
Is het niet intriest dat wij tegenover al deze dingen die de Geest ons laat zien, vaak zo gevoelloos zijn?
Op dit moment heeft Jozef heel lang gewacht. Wat heeft hij een geduld moeten hebben! Zou hij zich te vroeg bekend hebben gemaakt aan zijn broers, dan waren ze gedwongen geweest hem te eren, zoals de garven in zijn droom. Maar dan zouden hun harten koud en bang geweest zijn.
Nu merken de broers dat de heerser van Egypte die al deze heerlijkheid toebehoort, niemand minder is dan hij die zij gehaat en verworpen hebben. Hij is niet alleen levend, maar hem is ook alles onderworpen (Hebreeën 2 vers 8). Juist door hun misdadig optreden zijn de dromen uitgekomen.
Wat zullen ze zich in hun hart geschaamd hebben, toen ze zagen hoe genadig Jozef hen behandelde. Hij nam geen wraak en deed hen zelfs geen verwijten. Hij had alleen maar hun welzijn op het oog!
En is zijn eigen hart niet vervuld van vreugde? Net zoals bij de herder die dat éne verloren schaap gevonden heeft?
Nu krijgen de broers een prachtige mededeling, een blijde opdracht. Ze moeten naar hun vader gaan en hem vertellen van de heerlijkheid van hem die hen vergeven heeft.
Dat is ook onze opdracht. Wij, verlosten, mogen aan anderen, in de eerste plaats onze naasten, gaan vertellen wat wij in de Heere Jezus gevonden hebben. Maar ook in de samenkomsten mogen we de Vader, in aanbidding, vertellen over de heerlijkheid van Zijn Zoon (vers 13).
Kwaad met goed vergelden, dat doet Jozef met zijn broers.
Dat leert de Heere Jezus ook ons (Mattheus 5 vers 44) en
het is het beste middel om het hart van de ander te winnen.
De broers dachten van het beste dat ze hadden, te brengen (hoofdstuk 43 vers 11): een beetje balsem, een beetje honing ... Maar nu zien ze dat dit helemaal geen waarde heeft. Farao zelf belooft hun het beste van het land en zegt zelfs: "Uw oog spare uw huisraad niet" (vers 20).
Het zijn in de tegenwoordigheid van de Heere en het genieten van Zijn heerlijkheden liggen nog voor ons. Alles wat we ter wille van Hem aan aardse dingen loslaten, is niets in vergelijking daarmee (Markus 10 vers 29 en 30).
We hebben een bewijs dat de Heere Jezus leeft, dat Hij verheerlijkt is en ons in de hemel verwacht: Hij heeft de Heilige Geest gegeven als onderpand van onze erfenis (Efeze 1 vers 14).
Laten we opmerken dat Jozef zijn broers niet alleen land geeft om in te wonen, maar ook alles wat ze nodig hebben op de reis daarnaar toe:
â wagens: de Heere Jezus draagt onze last;
voedsel: Zijn Woord staat ons ter beschikking; en
kleding: Christus kan en moet in ons gezien worden (Galaten 3 vers 27).
Tenslotte horen we nog een vermaning van hem die zijn broers zo goed kent: "Twist niet met elkaar op de weg" (vers 24).
Hebben wij die vermaning minder hard nodig dan zij?
Nog meer dan met zijn heerlijkheid en rijkdom hebben we ons beziggehouden met Jozefs liefde tot zijn broers en zijn grote vergevingsgezindheid. Is dit voor hen onder ons die met broers en zussen in één gezin leven, geen aanleiding om een les te leren in liefde en het verlenen van bijstand?
Jozefs liefde tot zijn vader, zijn respect, zijn behulpzaamheid, zijn haast om z'n vader te ontmoeten en zijn ijver hem ter beschikking te staan, dat alles is ook een voorbeeld voor ons. Hebben wij onze ouders ook zo lief en hebben we ook zo'n respect voor hen?
Het gezin van Israël gaat op pad en trekt naar Ber-Séba, de bron van de eed! Daar bevestigt de trouwe God Zijn beloften aan Jakob. Hij zegt: "Vrees niet om af te trekken naar Egypte!" (vers 3; zie ook Jesaja 41 vers 14).
Wat een verandering merken we bij Jakob op. Eens liet hij zich leiden door eigen wil, nu is hij bang om ook maar één stap zonder God te doen! Daarom bemoedigt God hem door te beloven met hem mee te gaan. Hoe is dat bij ons? Kan de Heere Jezus altijd met ons meegaan, waar wij ook gaan of staan?
Dan zien we de aangrijpende ontmoeting tussen de vader en zijn geliefde zoon, de zoon die met toewijding alles voor de zijnen heeft voorbereid.
"Ik ga heen om u plaats te bereiden," heeft de Heere Jezus beloofd, "opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben" (Johannes 14 vers 2 en 3).
De grote Jozef had zich kunnen schamen voor dit gezin van eenvoudige schaapherders die kwamen bedelen om koren vanwege hun honger. Vreemdelingen, verdacht van spionage en diefstal. Als we dat verwacht hadden, kennen we Jozef nog niet. Hij erkent hen juist als zijn broers. Dat is voor farao voldoende om de heerlijkheid van de redder van Egypte ook voor hen te laten gelden.
Ook hierin zien we een beeld van de Heere Jezus. Hij schaamt Zich niet ons broeders te noemen (Hebreeën 2 vers 11). Door Hem zijn wij aangenaam gemaakt voor God, wij die door God begenadigd zijn in de Geliefde (Efeze 1 vers 6).
Jozef stelt zijn vader voor aan farao. Wat een prachtige, aangrijpende gebeurtenis! Een grijsaard, leunend op zijn stok, zegent de machtige monarch. Naar Goddelijke maatstaven is de man Gods de meerdere van hen beiden (vergelijk Hebreeën 7 vers 7).
Hoe hoger hun positie, des te terughoudender en gereserveerder reageren de mensen vaak. Maar de heerlijkheid van Jozef heeft totaal geen invloed op zijn liefelijke zorg voor de zijnen en hun gezinnen. De gaven die hij hen geeft, zijn voor groot en klein (vers 12).
Dat is een prachtig voorbeeld van onze betrekking tot Christus. Vooral ook van de uitwerking die deze verbinding nu al heeft. Hier beneden op aarde zijn wij al van "het beste van het land" (vers 11) verzekerd! Ons geloof kan soms wankelen, maar Zijn trouw en genade wankelen nooit!
Het in vervulling gaan van farao's droom was onlosmakelijk verbonden met de persoon van Jozef. Eerst overvloed, daarna hongersnood, waardoor men hem erkent als onderhouder van het leven en redder van de wereld.
Christus is het Middelpunt van de profetieën. Spoedig zal Hij de allesomvattende heerschappij aanvaarden. Alle geslachten zullen voor Hem neervallen (Psalm 22 vers 28).
De gelovigen wachten echter niet op dat moment om Hem toe te behoren en te eren. De Heere Jezus volbrengt nu al een werk in hen.
Hij begint ermee hen die een verlangen in hun ziel hebben,
te verzadigen. Dan, zoals Jozef bij de Egyptenaren, handelt
Hij zó dat alles stap voor stap aan God wordt onderworpen.
Het geheim van een totale bevrijding ligt in het erkennen van Zijn rechten op onze tijd, op ons bezit, op onze lichamen, op ons hart. De Heere stelt Zich niet tevreden met wat voor offer van ons dan ook. Op grond van de rechten die Hij op ons verworven heeft, wil Hij ons helemaal voor Zichzelf.
Hij heeft ons voor een hoge prijs voor God gekocht (1 Korinthe 6 vers 19 en 20). Wij behoren niet meer onszelf toe, maar zijn de gelukkige knechten van God en van de Heere Jezus, met alle gevolgen van dien: voortaan zijn we helemaal van Hem afhankelijk. Niet alleen om door Hem verzorgd te worden, maar ook om in ons leven vrucht te dragen tot verheerlijking van Hem.
Het lange leven van Jakob loopt ten einde. Tegenover farao bekende hij dat zijn dagen "weinig en kwaad" zijn geweest (hoofdstuk 47 vers 9).
Hij heeft moeilijke ervaringen moeten opdoen en heeft door eigen schuld veel jaren verloren. Zijn loopbaan heeft niet zo'n hoogte bereikt als die van Abraham of Izaäk.
Waarom weten we niets van de laatste ogenblikken van deze beide aartsvaders, terwijl Jakobs levenseinde uitvoerig beschreven wordt? Is het niet juist daarom, dat de triomf van zijn levenseinde ons Gods genade in het leven van deze man laat zien, zodat God hierdoor verheerlijkt wordt?
Het is de bekroning van Zijn geduldige opvoeding. En wij mogen de vruchten hiervan bewonderen.
Jakob overziet zijn levensweg en denkt aan de verschillende etappes: Luz of Bethel, waar God zich aan hem bekendmaakte; Efratha de dood van Rachel ...
Laten ook wij de weg die we afgelegd hebben, overdenken. Het terugkijken in het verleden zal ons de barmhartigheid laten zien van Hem Die ons met Zijn liefde geleid, verdragen, vermaant en vertroost heeft.
We zien Jakob in aanbidding "aan het hoofd van het bed" (vers 31). Of, zoals Hebreeën 11 vers 21 ons zegt: "leunende op het opperste van zijn staf'.
O, dat dat ook ons antwoord mag zijn op de liefde van de Heere Jezus â zonder dat wij daarmee wachten tot onze laatste levensdag.
"Door het geloof heeft Jakob, stervende, ieder van de zonen van Jozef gezegend" (Hebreeën 11 vers 21). Als hij de jongste de zegen van de oudste geeft (en omgekeerd), gaan onze gedachten terug naar de droevige geschiedenis in hoofdstuk 27. Nu is hij blind, zoals Izaäk toen. Maar hij weet de gedachten van God te onderscheiden.
Het is al eerder gezegd: Jakobs wandel is nooit zó goed geweest, als nadat hij moest hinken. En hij heeft nooit zó duidelijk 'gezien', als nadat hij blind geworden is.
Hij beroept zich op "die God, Die mij gevoed heeft ... tot op deze dag" (vers 15). Uit eigen ervaring kende hij het werk en de moeiten van een herder (hoofdstuk 31 vers 38 tot en met 40). Nu neemt hijzelf de plaats van het schaap in en bewondert de geduldige zorg die de Herder voor hem had.
Evenals Jakob heeft ook David zijn les geleerd bij de schapen. Later werd hij geroepen het volk Israël te weiden (2 Samuël 7 vers 8). Toch is hij het die in Psalm 23 geschreven heeft: "De HEERE is mijn Herder".
Ieder van ons kent de kostbare Naam van de Heere Jezus Die van Zichzelf zegt: "Ik ben de goede Herder" (Johannes 10 vers 11 en 14). Die Naam is Hij waard, want Hij heeft Zijn leven gegeven voor Zijn geliefde schapen. En nu zorgt Hij voor hen en leidt hen, zoals God voor Jakob gezorgd heeft, terwijl Jakob zich daarvan gedurende zijn leven niet bewust was!
Maar ... kan ieder van ons werkelijk net als Jakob en David zeggen: 'Hij is mijn Herder'?
Hier hebben we weer een hoofdstuk met een profetische betekenis. In de laatste woorden van Jakob aan zijn zonen zien we als het ware de hele geschiedenis van het volk Israël uitgestippeld en samengevat.
Ten tijde van de richteren en de koningen is het volk, zoals bij Ruben, ontaard; het heeft God verlaten en de afgoden gediend.
Daarna openbaarde zich geweld, zoals bij Simeon en Levi: het volk verwierp de profeten en de Messias Zelf. Daardoor bewerkten ze zelf dat ze onder de volkeren verstrooid zouden worden.
In Juda zien we een beeld van Christus. Tot die stam behoorde Hij vanwege Zijn geboorte. Hem behoort de scepter en de heerschappij over het volk toe.
Vervolgens zien we Israël weer verstrooid door het oordeel van God, handel drijvende, maar toch onder het knechtschap van de volken. Dat is de tegenwoordige tijd, voorgesteld in de personen van Zebulon en Issaschar.
Wat Dan betreft: hij stelt de antichrist voor, een jood die in de nabije toekomst door het volk als de Messias gezien zal worden. "Een slang aan de weg", dat is het verschrikkelijke beeld van de satanische macht die dan onbeperkt zijn gang kan gaan.
Met het oog op dit verschrikkelijke uitzicht zal het gelovig overblijfsel alleen nog kunnen rekenen op de bevrijding van boven: "Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!" (vers 18).
Als de gemeente is opgenomen, zal "de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal", aanbreken (Openbaring 3 vers 10). Een gelovig overblijfsel uit Israël zal door deze grote verdrukking gaan. Dat kunnen we opmaken uit de woorden van Jakob aan Gad.
Benjamin spreekt ons van de Koning Die na de vernietiging van Zijn vijanden zal aantreden.
Terwijl Aser en Nafthali een beeld zijn van het volk dat uiteindelijk, na de oprichting van het rijk, gezegend zal worden.
Hoewel wij, als kinderen van God, weten dat we op dat moment niet meer op aarde zijn, interesseren deze dingen ons toch. We verheugen ons bij de gedachte dat de ware Jozef Die gehaat en verworpen werd, dan de grootste macht zal hebben en tot zegen zal zijn voor het hele aardrijk.
Jozef is "een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over de muur" (vers 22). De zegen gaat over de grenzen van Israël heen en zal zich verspreiden over de volken die geen deel hadden aan de beloften.
Zo is de Heere Jezus, "de Afgezonderde van zijn broeders" (vers 26), geweest. Eens "beschoten" en "gehaat" (vers 23), heeft God Hem nu "uitermate verhoogd, en Hem de Naam gegeven, welke boven alle naam is" (Filippi 2 vers 9).
Is deze Naam die zich van elke andere naam onderscheidt âde Naam Jezus: Heiland-God â, nu voor uw hart al groot en kostbaar?
Het Boek Genesis bevat alle grote gebeurtenissen die in een gezin voorkomen: geboorten, huwelijken, verliezen van echtgenoten, moeders en vaders. Ook zien we het geloof werkzaam tijdens het dóórmaken van al deze gebeurtenissen.
Het slot van Jakobs leven is prachtig. Het goede land Gosen waarin hij de laatste zeventien jaar van zijn leven woonde, heeft hem niet het land Kanaän, noch de beloften die God hem gaf in Ber-Séba (hoofdstuk 46 vers 4), doen vergeten. Door zijn uitdrukkelijke opdrachten in verband met zijn begrafenis laat hij zijn zonen zien dat hij grote waarde hecht aan het land en de beloften. Hij wil begraven worden in de spelonk van Machpéla waar ook de andere familieleden die in geloof gestorven waren, wachten op de opstandingsdag. Vroeger is de prijs voor deze akker betaald, zodat ze zeker zijn van het recht op deze plaats.
De begrafenis van deze aartsvader gaat gepaard met grote plechtigheden. Over het algemeen zien we in het Oude Testament dat de begrafenis van iemand overeenkomt met zijn trouw. In de begrafenis van Jójada en van koning HizkÃa (2 Kronieken 24 vers 16 en 32 vers 33) vinden we iets terug van hun godsvrucht.
Als vandaag de dag een gelovige de aarde verlaat, is er geen reden om er een grote ceremonie van te maken. Voor een kind van God heeft de dood zijn verschrikkelijke macht verloren. Zijn sterven wordt ontslapen genoemd. Het is voor hem de toegangspoort tot de heerlijkheid. Ook al heeft de dood zijn prikkel verloren, laten we nooit vergeten wat dat diens Overwinnaar heeft gekost!
Er staat Jozef na de dood van zijn vader nog een smart te wachten: zijn broers twijfelen aan zijn liefde. Ze denken dat hij zich nu, na het sterven van hun vader, zal wreken.
Met welk een zachtmoedigheid stelt hij hen dan gerust! Hij legt hun Gods gedachten uit en bevestigt zijn belofte dat hij voor hen en hun kinderen zal zorgen!
Veel christenen lijken op de broers van Jozef. Ze kunnen maar niet geloven dat hun alles vergeven is. Vergaat het ons soms ook niet zo dat we twijfelen aan de liefde van de Heere, hoewel Hij ons er zoveel bewijzen van gegeven heeft?
Zijn hart is heel gevoelig voor dit gebrek aan vertrouwen. Het is net alsof Hij dan zegt: "Ben Ik zo lange tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend?" (Johannes 14 vers 9).
Nu we aan het einde van het Boek Genesis zijn aangekomen, kunnen we vaststellen dat daarin bijna alle geheimen van God worden getoond. Maar voor het Boek ten einde gaat, horen we nog een keer het "gewis" van het geloof (vers 24).
"God zal u gewis bezoeken" â dat zijn de laatste woorden van Jozef aan zijn broers. Dat is ook het enige van al zijn daden, dat ons in Hebreeën 11 vers 22 genoemd wordt.
Terwijl zij nog te midden van de overvloed en welvaart van Egypte zijn, vestigt hij hun oog op de uittocht van de kinderen van Israël en het overbrengen van zijn gebeente naar het land Kanaän.
Laten wij het geloof van Jozef navolgen!
In de tijd die tussen het Boek Genesis en het Boek Exodus ligt, zijn de omstandigheden in Egypte wezenlijk veranderd.
Het kenmerkende voor de huidige farao en zijn volk is dat zij Jozef niet gekend hebben (vers 8; Handelingen 7 vers 18). Men heeft hem die Egypte gered en een heel volk in leven gehouden heeft, volkomen vergeten!
Zo gaat het ook in onze tijd waarin satan vorst is. De Heere Jezus, de Redder, heeft geen plaats in de gedachten en harten van de mensen, hoewel men moet "dienen met hardheid". Dit gaat hand in hand met de onwetendheid betreffende God en Zijn Zoon.
Sommigen zuchten hier wel onder, maar de meesten zijn zich er helemaal niet van bewust. De slavernij waarin satan de mensen gevangen houdt, wordt ons hier op vreselijke wijze door de dienst die de kinderen van Israël moeten volbrengen, voorgesteld (vers 13).
Maar hét grote onderwerp van het Boek Exodus is de verlossing â de bevrijding van Gods volk uit die vreselijke macht.
De slechte farao geeft opdracht tot het doden van alle Israëlitische jongetjes die geboren worden (vergelijk dit met Mattheus 2 vers 16). Maar God maakt gebruik van godvruchtige vrouwen die wel Hem, maar niet de farao vrezen, om deze plannen te verijdelen.
Hoe kostbaar voor het hart van God zijn alle bewijzen van trouw te midden van omstandigheden waarin satan regeert!
God wilde in Zijn genade de Zijnen niet in de slavernij laten. Hij gaf hun in de persoon van Mozes â een beeld van Christus â een redder. Meerdere malen vinden we in de Schrift verwijzingen naar deze man.
Het kistje dat de moeder van Mozes klaarmaakte, spreekt van de zorg van gelovige ouders om hun kinderen voor de verderfelijke invloeden van de wereld te beschermen. Maar deze voorzorgsmaatregelen zijn niet genoeg. Het moet gepaard gaan met geloof, want het kistje moet losgelaten worden in het water.
God beantwoordt dit geloof met een wonderbaarlijke uitredding! Achter de schermen bestuurt Hij alles. Hij maakt zelfs gebruik van de tranen van een klein kind en tenslotte moet een bevel van de koning er slechts toe dienen dat er in zijn eigen huis een bevrijder voor Israël wordt opgeleid.
Mozes die intussen volwassen is geworden, toont evenals zijn ouders een buitengewoon geloof. In Hebreeën 11 vers 24 tot 27 lezen we dat hij een prachtige toekomst afslaat. Hij overziet, hij kiest â en wat is het geheim van zijn besluit? Hij ziet op de beloning.
Wat een voorbeeld voor ons om na te volgen als wij vroeg of laat een keuze moeten maken: óf de wereld met haar eer en genoegen óf "de smaad van Christus"!
Mozes treedt naar voren om zijn volk te bevrijden. Ook uit zijn misstap kunnen wij iets leren. Ook al is de liefde nog zo groot, we kunnen Christus niet in eigen kracht dienen (vers 12; vergelijk dit met Johannes 18 vers 10).
Mozes heeft afstand gedaan van zijn titel en zijn rijkdommen om zijn broeders in de verdrukking op te zoeken. Maar hij wordt door hen miskend en verworpen, en moet vluchten voor de farao naar een vreemd land. Daar trouwt hij en wordt herder, nadat hij zich eerst geopenbaard heeft als degene die redt en dorst lest (vers 17).
Deze karaktertrekken herinneren ons aan de Heere Jezus, de Zoon van God, Die de heerlijkheid verliet en het volk Israël bezocht om het te redden. Maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Johannes 1 vers 11). Daarom is Hij, de grote Herder van de schapen en de Bruidegom van de gemeente, nu afwezig. Hij heeft Zijn Bruid in genade gekocht en zij deelt nu met Hem in Zijn verwerping.
Veertig jaren zijn voor Mozes voorbij gegaan. Nu openbaart God Zich aan hem in "dat grote gezicht". Voor Hagar had Hij een bron uitgezocht, voor Jakob een ladder en voor Mozes dit geheimzinnige braambos. Kunt u ook zeggen hoe en waar God u ontmoet heeft?
God wilde aan Mozes Zijn genade voor Zijn geliefde volk kenbaar maken. Israël was te midden van de vuuroven van Egypte, zoals dit braambos, beproefd, maar niet verteerd.
Zo is het nu met de verlosten van de Heere. Het vuur van de beproeving heeft nooit een ander doel dan het ongeoordeelde kwaad in ons te verwijderen. Alleen in Christus heeft dit vuur van Gods beproevende heiligheid, dat Hij volledig moest ondergaan, niets gevonden wat verteerd had moeten worden (Psalm 17 vers 3).
Tijdens de jarenlange onderdrukking in de "ijzeroven" van Egypte (Deuteronomium 4 vers 20) is God niet onverschillig gebleven tegenover het lijden van Zijn volk.
Hij denkt aan Zijn beloften aan Abraham (Genesis 15 vers 13 en 14), Izaäk (Genesis 26 vers 3) en Jakob (Genesis 46 vers 4).
Nu is het moment gekomen waarop Hij Zich door middel van Mozes aan de Zijnen bekend zal maken als de God van hun vaderen. Maar ook als de God Die hen in liefde gedenkt en wil redden.
Kunnen nu allen die zuchten onder de last van hun zonden, Hem ook zó leren kennen? Zeker! God is ten aanzien van de ellendige toestand en het verderf van Zijn schepselen niet gevoelloos. Evenmin als toen, toen Hij de nood van het volk Israël zag en hun geschrei hoorde.
Maar Hij nam er geen genoegen mee alleen kennis te nemen van hun smarten (vers 7), Hij zei ook: "Daarom ben Ik neergekomen, dat Ik het verlosse ..." (vers 8).
In Christus Jezus is God neergekomen. Door Hem heeft Hij ons gered. Is het daarbij gebleven? Nee, Hij heeft ons bovendien tot Zijn volk gemaakt, bracht ons in een innige verbinding met Zichzelf en maakte ons rijk (vers 22).
God openbaart Zijn Naam aan Mozes. Hij is de "IK ZAL ZIJN", Die de eeuwigheid met Zijn aanwezigheid vervult. Hij leeft. Hij blijft altijd Dezelfde. Alles is van Hem afhankelijk (zie Jesaja 43 vers 11, 13 en 25).
Aan het hof van farao was Mozes onderwezen in al de wijsheid van de Egyptenaren. Maar de eeuwige IK ZAL ZIJN heeft hij daar niet leren kennen.
De jaren in het koninklijk paleis konden hem niet tot een geschikt werktuig maken om het volk te redden. In het doden van de Egyptenaar zien we juist het tegendeel. Na veertig jaar in de school van farao geweest te zijn, was er nog veertig jaar in de school van God nodig, in de eenzaamheid van Midian, met als gevolg dat Mozes niet meer op zichzelf rekent.
Terwijl hij "machtig in woorden en in werken" was (Handelingen 7 vers 22), zegt hij nu geen gave tot spreken te hebben. Ja, nu twijfelt hij er zelfs aan of hij wel de geschikte man is. Natuurlijk is het goed dat hij al zijn zelfvertrouwen verloren heeft, maar hij mist nu nog het vertrouwen in God. Hij moet leren dat wanneer de Heere iemand roept voor een bepaalde taak, Hij ook de hulpmiddelen zal geven om die taak te volbrengen.
Het veranderen van de staf in een slang leert ons dat, wanneer satan op een gegeven moment de vrije hand wordt gelaten door God, God toch alles onder controle heeft. Hij kan hem op elk moment weer een halt toeroepen. Christus heeft op het kruis getriomfeerd over de boze machten (Kolosse 2 vers 15).
De hand die hij in eigen boezem (een beeld van het hart als de bron van alle kwaad) steekt en eerst melaats en daarna genezen te voorschijn komt, spreekt ons van de macht van God om alle vuilheid van de zonde weg te doen.
Eens was Mozes op pad gegaan zonder dat God hem zond. Nu God hem wèl wil sturen, bedenkt hij allerlei uitvluchten om maar geen gehoor te hoeven geven aan deze oproep: zijn onvermogen (hoofdstuk 3 vers 11), zijn onwetendheid (hoofdstuk 3 vers 13), zijn gebrek aan gezag (hoofdstuk 4 vers 1), zijn onbekwaamheid om te spreken (vers 10), zijn ongeschiktheid om de opdracht uit te voeren en daarom de wens maar een ander te sturen (vers 13), het mislukken de eerste keer (hoofdstuk 5 vers 23), het onbegrip dat zijn broeders toonden (hoofdstuk 6 vers 11). Bedenken ook wij vaak niet zulke uitvluchten om maar niet te hoeven gehoorzamen??
De verzen 24 tot en met 26 laten ons zien dat een dienstknecht van de Heere eerst orde op zaken moet stellen in zijn eigen huis, voordat hij openlijk een dienst kan uitoefenen. Tot nu toe heeft Mozes, waarschijnlijk onder invloed van zijn vrouw, zijn zoon nog niet besneden (een beeld van de veroordeling van het vlees). Maar het betrof een opdracht van God waaraan gehoorzaamd moest worden (Genesis 17 vers 10 tot en met 14), te meer nu het om het gezin van Zijn dienstknecht ging! Deze pijnlijke handeling moet eerst voltrokken worden!
In de verzen 27 en 28 lezen we waar broeders elkaar moeten ontmoeten: "aan de berg Gods". En wat is het onderwerp van hun gesprek? Het Woord van de Heere en Zijn wonderen!
Aan het begin van dit hoofdstuk zei Mozes: "Zie, zij zullen mij niet geloven". Maar de HEERE heeft de harten bewerkt. De Israëlieten geloven Mozes wel (vers 31; vergelijk dit met 2 Kronieken 29 vers 36). Al voor hun bevrijding aanbidden ze de HEERE!
Egypte is een duidelijk beeld van de wereld, anders gezegd: van de mensen die zonder God leven, die geen rekening houden met Hem.
Wanneer men Gods gezag afwijst, is men onderworpen aan een heerser â satan â die "de overste dezer wereld" genoemd wordt (Johannes 16 vers 11). Hij is een harde, veeleisende heerser van wie de wrede farao een duidelijk voorbeeld is.
Zodra het geweten wakker geschud wordt en men verlangt naar bevrijding (zoals Israël in dit hoofdstuk), probeert satan zo iemand tot andere gedachten te brengen en te binden door extra werk (vers 9). Hij schept verwarring door de mens constant bezig te laten zijn, zodat men geen tijd heeft voor zulke gedachten. Men wordt door hem verhinderd bezig te zijn met het verlangen van de ziel.
Ja, wij weten ook goed uit eigen ervaring wat het betekent "dienstknechten van de zonde" te zijn (Romeinen 6 vers 17), te zuchten onder het juk van satan en "menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende" te zijn (Titus 3 vers 3), niet bij machte ons in eigen kracht daaruit te bevrijden.
Is er nog iemand die dit leest, die zich in deze verschrikkelijke omstandigheden bevindt? Het Woord van God spreekt over een nu al bestaande bevrijding. Christus, vele malen groter dan Mozes, heeft niet alleen over deze bevrijding gesproken, maar heeft die ook Zelf volbracht. Hij heeft onze zielen verlost uit die vreselijke gebondenheid aan de duivel en de zonde.
De farao geeft niets. Integendeel, hij eist steeds meer. Het heeft geen nut om tot hem te schreeuwen (vers 15 tot en met 18). Satan kent geen medelijden met zijn slaven, hij verheugt zich over hun ellende.
Ach, misschien hebben we zelf aan den lijve ondervonden dat de zonde een tiran is die nooit zijn wapens neerlegt. De éne begeerte is nog maar net bevredigd, of de andere dringt zich in nog ergere mate aan ons op. Alleen Christus kan een hart volkomen en voor altijd rust geven.
Soms laat God het toe dat de bevrijding wat op zich laat wachten, opdat de mens eindelijk bereid is â door het voelen van het zware juk van de vijand en het leren inzien van zijn eigen verdorven toestand â te erkennen dat alleen de Heere Jezus hem daarvan kan bevrijden.
God beantwoordt de moedeloosheid van Zijn dienstknecht met geen enkel verwijt (hoofdstuk 5 vers 24). Integendeel, het is voor Hem een aanleiding om een nieuwe openbaring van Zichzelf te geven.
"HEERE" is de Naam die Hij aanneemt in verbinding met Israël. Voor de aartsvaders was Hij "God, de Almachtige" aan Wie hemel en aarde toebehoort. Nu God iets nieuws wil doen, neemt Hij ook een nieuwe Naam aan; de HEERE is de Onveranderlijke Die trouw blijft aan het verbond met Zijn volk.
Voor ons, gelovigen die leven in de tijd van de genade, heeft Hij een nog veel kostbaarder Naam: "Vader". Die Naam heeft de Heere Jezus ons bekendgemaakt (Johannes 17 vers 26).
In de prachtige verzen 5 tot en met 7 heeft God het hele heilsplan voor Israël dat overeenkomt met Zijn nieuwe Naam 'HEERE', aan Mozes uitgelegd. Er kan geen misverstand over dit heilsplan bestaan, want het wordt als het ware ondertekend met: "Ik, de HEERE" (vers 7).
"Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil," bevestigt God in Jesaja 43 vers 25. Wat is het dan verdrietig om op te merken dat Israël "vanwege de benauwdheid des geestes" niet luistert. Dit is de eerste openbaring van het ongeloof van het volk en helaas blijft het niet bij deze éne keer. We zullen zien dat er nog een lange rij zal volgen (vergelijk Psalm 106).
Mozes is op zijn beurt ook weer moedeloos en onrustig. Zijn geloof heeft er moeite mee zich de Namen en beloften van God toe te eigenen.
Dan richt God zijn blik op de Zijnen. Ook al leven ze verspreid onder vreemden, Zijn oog herkent hen en Hij heeft er een welgevallen in aan hun namen te denken. "De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn" (2 Timotheüs 2 vers 19). Laten we ook denken aan de tekst die de gelovigen van alle tijden bemoedigd heeft: "De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep" (Psalm 34 vers 16; 1 Petrus 3 vers 12).
We lezen hier meerdere namen van leden die behoren tot het geslacht van Levi. Zij zullen later een belangrijke rol, zowel in goede als in slechte zin, spelen in de geschiedenis van Israël: Korach en zijn zonen, de vier zonen van Aäron, PÃnehas, enzovoort.
In Psalm 90 â het gebed van Mozes, de man Gods â noemt hij voor een mens de leeftijd van tachtig jaar als de grens van het leven van hen die "zeer sterk" zijn (Psalm 90 vers 10). En juist zijn openlijke dienst begint op deze leeftijd (vers 7)!
Als God een dienstknecht roept, begint Hij om diens eigen, natuurlijke kracht te verwijderen en hem nieuwe kracht van Hemzelf te schenken.
God heeft Zijn gedachten van tevoren meegedeeld aan Mozes en Aäron. Wat de Egyptenaren als plagen zouden ervaren (hoofdstuk 9 vers 14), noemt God tegenover Zijn volk "tekenen" (vers 3) om hen geestelijke lessen te leren.
Ook vandaag onderwijst God de gelovigen over de toestand van de wereld, satan en zijn arme slachtoffers. Gods Woord maakt ons de grote oordelen die over de berouwloze mensen zullen komen, bekend. Maar het zegt ons ook hoe Hij Zijn verlosten uit de wereld zal overbrengen in het hemels vaderland (vers 4). En omdat wij, gelovige vrienden, hierover geïnformeerd zijn, "hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid" (2 Petrus 3 vers 11)!
In tegenwoordigheid van farao en zijn knechten worden dan de tekenen die aangekondigd zijn in hoofdstuk 4, door Mozes en Aäron uitgevoerd. Ze spreken van de overwinning op satan (de slang) en over de zonde (melaatsheid), waarin wij een korte samenvatting van het evangelie mogen zien.
Als de Egyptenaren niet zouden luisteren naar de beide eerste wonderen, zou er een derde, veel erger wonder volgen. God had tegen Mozes gezegd dat het water dan in bloed zou veranderen.
Water spreekt van wat verkwikking en leven geeft, terwijl vergoten bloed aan de dood doet denken. Het Woord van God is aan de mensen gegeven om hen leven te schenken. Wordt het echter niet aangenomen en geloofd, dan wordt datzelfde Woord hen tot een oordeel en tot de dood (zie Johannes 12 vers 48).
Vandaag spreekt het Woord van genade, maar ook van oordeel voor hen die het niet aanvaarden. Ieder zal op één of andere wijze met dit Woord te doen krijgen; óf nu ten leven óf later ten dode!
Wat God gezegd heeft, wordt vervuld voor de ogen van de Egyptenaren. De Nijl, de levensader van het land, die ze als een god vereerden, wordt voor hen een voorwerp van walging en afschuw. Het bloed vult de rivier helemaal, alsmede de kanalen en de vijvers, maar ook alle vaten.
Alle bronnen waaruit de wereld drinkt, zijn verpest en levensgevaarlijk (vers 18). Laten we op onze hoede zijn en er niet uit drinken!
Nog een keer doen de wijzen van Egypte hetzelfde met hun toverkunsten. Door de macht van satan bootsen zij na wat de dood teweegbrengt. Maar alleen met het gevolg dat de ellende van het volk nog groter wordt. Ze hadden hun macht veel beter kunnen tonen door het bloed in water te veranderen. Maar daartoe waren ze niet in staat.
Op bevel van God strekt Aäron zijn hand uit en komen er kikvorsen die zich over het hele land verspreiden. Mozes 'redetwist' niet meer met God over Zijn verordeningen. Nu vertrouwt hij volledig op Hem Die hem gestuurd heeft.
Tegenover farao stelt hij zich nederig op met de woorden: "Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik ... vurig bidden?" (vers 9).
"Vermeerder ons het geloof," vroegen de discipelen aan de Heere Jezus (Lukas 17 vers 5). En dat mag ook ons gebed zijn.
Na de kikkers komen er luizen over Egypte. Drie keer konden de wijzen Aäron nabootsen, maar nu lukt het hun niet meer. Hun onkunde wordt openbaar.
In 2 Timotheüs 3 vers 8 lezen we hun namen: Jannes en Jambres. Zij zijn een beeld van naamchristenen die een schijn van godsvrucht hebben, maar geen oprecht geloof bezitten.
Om christen te zijn, is het niet genoeg om ware kinderen van God na te doen. Men kan samenkomsten bezoeken, in de Bijbel lezen, veel goede werken doen ... en toch geen christen zijn.
Niets is gemakkelijker dan de schijn op te houden dat men bij de Heere hoort, en daardoor anderen â misschien ook zichzelf â voor de gek te houden.
Beste vriend, hebt u het ware, echte geloof, of doet u maar alsof? Het is beslissend voor uw eeuwig lot.
De vierde plaag is het ongedierte. Het komt in de huizen in heel Egypteland, behalve in Gosen.
Deze giftige vliegen doen ons denken aan kwaadsprekerij, afgunst en alle menselijke irritaties, die de huiselijke en gemeenschappelijke betrekkingen tussen mensen van de wereld vergiftigen. Maar, men zou die niet mogen vinden bij kinderen van God!
Farao is nu bereid bepaalde toezeggingen te doen. "Gaat heen, en offert uw God in dit land" (vers 25).
Maar dat is onmogelijk. De HEERE had bevolen dat ze drie dagreizen de woestijn in moesten trekken om daar te offeren aan de HEERE (hoofdstuk 3 vers 18).
Drie dagen is de tijdsperiode tussen de kruisdood en de opstanding van de Heere Jezus. De vijand wil ons van deze waarheden die herinneren aan de overwinning op hem, beroven.
Een godsdienst zonder het gedenken van kruis en opstanding, hindert hem helemaal niet. De wereld bewondert het leven van de Heere Jezus, zoals men alle rechtschapen mensen vereert. Het kruis echter en de tegenwoordigheid van een levende Christus in de hemel, de grondslag van onze godsdienst, wordt door de wereld veroordeeld en brengt een volledige scheiding tussen ons en haar (Galaten 6 vers 14).
Nu komt er een "zeer zware pestilentie" over het vee. God spaart echter de kudden van Israël. De lammeren en andere dieren zijn nodig voor het Pascha en voor andere offers.
Vervolgens komen "zweren, uitbrekende met blaartjes" over mens en dier. Het hart van farao wordt echter niet geraakt, hoewel God dit keer al Zijn plagen â let op de uitdrukking â "in zijn hart" zendt (vers 14).
Hoe kan zo'n hardnekkigheid van farao verklaard worden? Satan wist dat eens uit dit volk de Messias geboren zou worden. Hij Die veel groter is dan Mozes, zou de mensen van satans juk bevrijden en hem overwinnen. Daarom probeert hij Israël zo lang mogelijk in slavernij te houden. Maar deze koppigheid dient er alleen maar toe dat Gods macht heel duidelijk openbaar zal worden en dat Zijn Naam bekend zal worden over het hele aardrijk (vers 16, ook aangehaald in Romeinen 9 vers 17).
Ondanks het zien van de macht van God in het laten opkomen, maar ook van Zijn barmhartigheid in het weer laten verdwijnen van de kikvorsen, de luizen, het ongedierte, de veepest en de zweren, verhardt de hoogmoedige farao zijn hart. Hij weigert berouw te hebben en het verkeerde te belijden.
Hoeveel mensen zijn er vandaag de dag die zich verharden tegenover het grootste wonder van genade, namelijk dat de Zoon van God stierf voor het heil van verloren mensen!
Als zevende plaag wordt een "zeer zware hagel" aangekondigd. Nu lezen we voor de eerste maal over Egyptenaren die het woord van de HEERE vreesden. Zij brachten hun vee in veiligheid. Met alle rampen die God toelaat, wil Hij de mensen herinneren aan Zijn alomtegenwoordigheid en almacht.
Tegenwoordig is men trots op de vooruitgang van de wetenschap waardoor men alles onder controle denkt te hebben. Maar om de mens eraan te laten denken Wie de Heere van het heelal is, laat God onvoorspelbare natuurrampen over de mensheid komen: aardbevingen, epidemieën, insecten-plagen, enzovoort. Hierdoor wordt het schepsel zich bewust van zijn eigen onmacht en wordt zijn hoogmoed gebroken.
Door al deze middelen probeert God de gedachten van de mens op Hem te richten. En inderdaad worden de mensen door deze waarschuwingen tot nadenken gebracht en gaan ze zich bezighouden met hun eeuwig lot. Hoevelen hebben in hun grote angst bescherming en geborgenheid gevonden bij de Heere Jezus! Niet alleen voor de stormen hier op aarde, maar ook voor het eeuwig oordeel!
God weegt de mate en de tijd van de beproeving zorgvuldig af. Ze mag niet over de grenzen die Hij stelt, heengaan. "Het vlas nu, en de gerst werd geslagen ... de tarwe en de spelt werden niet geslagen" (vers 31 en 32).
Wat de Zijnen aangaat, zij genieten een wonderbare bescherming tijdens dit slechte weer (vers 26).
"Ik heb mij ditmaal bezondigd", bekende farao (hoofdstuk 9 vers 27).
Was dit oprecht berouw? Nee, want zodra de hagel ophield, "zo bezondigde hij zich verder" (vers 34) en verhardde zijn eigenzinnig hart. Van nu af aan is het de HEERE die "zijn hart verzwaart", dat wil zeggen: onvermurwbaar maakt (vers 1). Hoe ernstig!
God spreekt eenmaal, tweemaal (Job 33 vers 14), soms ook vaker, maar op een zekere dag is het te laat. Hoe vaak heeft God al tot u gesproken?
Nu bedreigen sprinkhanen het verwoeste land. Eens heeft Jozef dit land gered, maar farao richt het te gronde. Zo trekt ook satan de wereld met zich mee in het verderf.
Opnieuw wordt Mozes een voorstel gedaan. Alleen de mannen mogen wegtrekken om het feest te vieren. De kinderen moeten in het land blijven.
Zo probeert satan door natuurlijke neigingen en familiebanden de zielen ervan af te houden de HEERE te dienen. Laten we nog eens het mooie antwoord van Mozes dat van zo'n grote betekenis is, lezen in vers 9. Geen enkel lid van de familie van het geloof, hoe klein ook, mag overgegeven worden aan de macht van de vijand.
Beste jonge vrienden, denk niet dat het christelijk geloof alleen iets is voor jullie ouders. Het christelijke huis of gezin vormt één geheel en daarom moeten jullie je aan de principes en gewoonten daarvan houden en afstand nemen van sommige dingen, ook al zien jullie het nut er nu misschien nog niet van in.
Alles wat na de hagel nog overgebleven is, wordt opgevreten door de sprinkhanen. Een vreselijke plaag!
Opnieuw zegt farao: "Ik heb gezondigd", maar blijkbaar alleen om van de sprinkhanen verlost te worden. God laat echter niet met Zich spotten. Farao heeft de tijd van genade en vergeving voorbij laten gaan (Jeremia 46 vers 17) en "de HEERE verstokte Farao's hart" (vers 20).
Dan komt er drie dagen lang "dikke duisternis". Dat was voor de Egyptenaren een heel angstaanjagend verschijnsel, want zij vereerden de zon als hun god, de god Ra. De bron van licht, warmte en leven, blijkt nu voor de Schepper van hemel en aarde geheel krachteloos te zijn.
"Maar bij al de kinderen Israëls was het licht in hun woningen" (vers 23). "... opdat een ieder, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve," zegt de Heere Jezus (Johannes 12 vers 46). En: "Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben" (Johannes 8 vers 12).
Te midden van een wereld die vol duisternis is vanwege de zonde, kan de gelovige de aanwezigheid van licht genieten en openbaren, want de Heere Jezus heeft woning bij hem gemaakt (Johannes 14 vers 23).
Daarom is voor een gelovige alles duidelijk zichtbaar: de toestand van de wereld, haar toekomst en de toestand van zijn eigen hart. Hij weet waar hij zijn voeten neer kan zetten, en wat hij doet, kan door anderen opgemerkt worden (Lukas 11 vers 36).
Inmiddels hebben negen plagen het land Egypte getroffen. Er is nog een tiende, vele malen erger dan de vorige plagen. We zullen de betekenis hiervan nog zien.
Voordat het zover is, doet farao nog een voorstel: "Gaat heen, dient de HEERE! alleen uw schapen en uw runderen zullen vast blijven" (vers 24). Op deze manier wilde hij het volk verhinderen om slachtoffers en offergaven aan hun God te brengen.
Hierin herkennen we het werk van satan om ons Hem Die het volmaakte Offer was, 'af te nemen'. Hij is erop uit ons te ontnemen wat wij in Christus gevonden hebben. En wel speciaal als wij Hém aan Zijn tafel mogen voorstellen aan de Vader.
Helaas gelukt dit satan ook vaak! Dat is een groot verlies voor ons, maar vooral God mist het kostbare offer dat Hij van Zijn verlosten verwacht.
Het antwoord van Mozes herinnert ons eraan dat God niet alleen een recht op onszelf verworven heeft, maar ook op alles wat we bezitten.
In Mozes ontbrandt de "hitte des toorns" (vers 8). Hoewel hij "zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen" was (Numeri 12 vers 3), zien we deze man Gods toch meerdere keren in toom (Exodus 16 vers 20; 32 vers 19; Leviticus 10 vers 16; Numeri 16 vers 15; 31 vers 14). Maar daarbij ging het hem steeds om de eer van God en het welzijn van het volk.
Als wij soms toornig zijn, is dat dan om dezelfde reden?
Met de bepalingen voor het Pascha zijn we aangekomen bij één van de belangrijkere hoofdstukken van het Oude Testament.
De beloofde verlossing zal nu komen, maar tegelijkertijd breekt voor Egypte het vreselijkste oordeel aan. De zonde verdient de dood; en allen hebben gezondigd, de Israëlieten evengoed als de Egyptenaren. Maar voor hen die tot het volk van God behoren, zal een lam als plaatsvervanger sterven.
Dit is een aangrijpend beeld waarbij we diep onder de indruk komen van de Heere Jezus als "een onstraffelijk en onbevlekt Lam; Die wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld" (1 Petrus 1 vers 19 en 20), maar op Gods tijd geslacht. 'Het Pascha eten' betekent: zich dit Offer toeëigenen.
Het lam moest aan het vuur gebraden worden: Christus heeft het vuur van Gods oordeel ondergaan.
We denken aan Zijn lijden in het bewustzijn dat het om ónze zonden was. Daarvan spreekt de bittere saus.
Het paaslam werd door het hele gezin gegeten. De ouders, de kinderen, ieder in huis kreeg er een deel van.
Hebt u ook al persoonlijk van het Pascha, van Christus, gegeten (1 Korinthe 5 vers 7)? Hebt u de verzoeningsdood van Christus in geloof voor uzelf aanvaard?
De dag van onze bekering mogen wij niet vergeten. De datum van onze wedergeboorte waardoor men een kind van God wordt, het begin van een nieuw, het wèrkelijke leven, is onuitwisbaar (vers 2).
Het zuurdeeg, een beeld van het kwaad, moest met de grootste zorgvuldigheid uit de huizen verwijderd worden (vergelijk dit met 1 Korinthe 5 vers 7 en 8). Men kan het werk van Christus niet aangrijpen en ten volle genieten, als men niet elke zonde waarvan men weet, heeft beleden en opgegeven.
Verder heeft God Mozes geboden dat de Israëliet een bundeltje hysop in het bloed van het geslachte lammetje moest dopen om daarmee de deurposten van zijn huis te bestrijken (vers 22). De huisvader die dit deed, moest twee dingen geloven: ten eerste dat God het aangekondigde oordeel zou voltrekken, en ten tweede dat er kracht in het bloed was om hem en de zijnen hiervoor te bewaren.
Wij mogen evenals de kinderen van Israël vragen: "Wat hebt gij daar voor een dienst?" (vers 26). Is dit niet een beeld van het kostbare bloed van Christus dat ons beveiligt tegen het oordeel?
"Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan", had de HEERE gezegd (vers 13). Hij zag het, terwijl de Israëliet binnen in huis het niet zag.
Ons heil hangt niet af van de waarde die wij aan het bloed van Christus toekennen, ook niet van ons gevoel. Alleen hoe God het bloed ziet, is van belang.
Voor Hem is dit bloed zó uitermate kostbaar en werkzaam dat het elke zonde kan wegnemen. Daarom mogen wij met een volledig vertrouwen rusten in het volkomen werk dat Christus heeft volbracht en dat door God is aangenomen (1 Johannes 1 vers 7).
Terwijl de Israëlieten in hun huizen onder de bescherming van het bloed het Pascha eten, heerst er buiten in de nacht grote angst en ontsteltenis.
De verderver gaat rond en slaat alle eerstgeborenen waardoor er "een groot geschrei in Egypte" was. Dit is de tiende en laatste plaag, een beeld van het veel ergere oordeel dat in de Schrift de tweede dood genoemd wordt. Dit oordeel zal voor ieder zijn die zich niet onder de bescherming van het bloed van het Lam van God heeft gesteld.
Er was in Egypte geen onderscheid tussen de gevangene in de gevangenis en farao zelf (vers 29). Zo zal er ook geen onderscheid zijn wanneer alle doden, "klein en groot", voor de grote witte troon zullen verschijnen (Openbaring 20 vers 11 en 12).
Voor de kinderen van Israël is nu het moment van vertrek gekomen.
Ze hebben het Pascha met haast gegeten, de lendenen opgeschort, de schoenen aan de voeten en de staf in de hand (vers 11). Daarmee brachten zij tot uitdrukking dat zij vreemdelingen zijn, een afgezonderd volk dat klaar staat om te vertrekken. Zijn wij dat ook?
Aan onze ijver voor God, aan het feit dat we de aardse dingen niet van waarde achten, aan onze nuchterheid en bezonnenheid, kortom, aan onze hele houding moet te zien zijn dat we verlost zijn door het bloed van het Lam. En dat we elk moment bereid zijn op te breken om naar ons hemels vaderland te gaan, moet ook te zien zijn.
God laat alles beginnen met de dag van de verlossing (hoofdstuk 12 vers 2; 1 Koningen 6 vers 1). Hij maakt het Pascha tot een blijvende inzetting.
De bedoeling van de vijand met betrekking tot het Lam is: "... dat zijn naam niet meer gedacht worde" (Jeremia 11 vers 19). Maar God voor Wie het werk van Zijn Zoon zo'n grote waarde heeft, waakt erover dat de herinnering daaraan levend blijft.
"Deze nacht zal men de HEERE op het vlijtigst houden," (vers 42) zegt Hij. En even later: "Gedenkt aan deze zelfde dag" (hoofdstuk 13 vers 3). Toen de Heere Jezus het avondmaal instelde, vroeg Hij de Zijnen: "Doet dat tot Mijn gedachtenis" (1 Korinthe 11 vers 24 en 25). Hebt u al aan deze wens van de Heere gehoor gegeven?
In het dertiende hoofdstuk spreekt de HEERE over Zijn recht op hen die Hij zojuist verlost heeft. Sommige gelovigen, vooral kinderen van gelovige ouders, nemen er genoegen mee dat ze gered zijn, en denken er niet aan dat zij nu geheel hun Redder toebehoren.
Maar de stem die gezegd heeft: "Wanneer Ik het bloed zie, zal ik U voorbijgaan" (hoofdstuk 12 vers 13), zegt nu: "Heilig Mij alle eerstgeborenen ... dat is het Mijne" (hoofdstuk 13 vers 2).
Het feest van de ongezuurde broden is nauw verbonden met het Pascha Deze beide feesten tonen elk kind van God twee waarheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: volledige veiligheid onder de bescherming van het bloed en een leven in heiligheid (zie ook Titus 2 vers 14).
"Gij zult uw zoon te kennen geven te dien dage ...", wordt de Israëlieten in vers 8 ingeprent. In vers 14 wordt echter aangenomen dat de kinderen zelf hun vaders zullen vragen. Het is erg verheugend als kinderen hun ouders vragen waarom ze een andere weg gaan dan de wereld. O, laten ze toch niet aarzelen dit te doen!
Het negentiende vers laat ons de vervulling van de verplichtingen tegenover Jozef zien (Genesis 50 vers 25). De beenderen van de aartsvader begeleiden het volk op hun reis door de woestijn. Dat is een beeld van Christus in de kracht van Zijn dood, zoals Hij met ons is bij onze wandel door de wereld die een woestijn is (2 Korinthe 4 vers 10).
Het volk Israël begint nu aan zijn reis. Later denkt God aan deze dagen waarin Hij hen bij de hand nam "om hen uit Egypteland uit te voeren" (Jeremia 31 vers 32).
Ze moeten een grote omweg maken (vers 17 en 18), opdat ze tijd hebben de belangrijke lessen van God te leren. Dat geldt voor hen, maar ook voor ons.
God heeft niet alleen hun weg bepaald, maar wil hen ook persoonlijk begeleiden. Overdag in de wolkkolom en 's nachts in de vuurkolom. Wat een genade!
Hij is er áltijd om hen te leiden en te beschermen. Zo heeft ook de Heere Jezus de Zijnen beloofd: "Ik ben met u al de dagen" (Mattheüs 28 vers 20).
De Israëlieten zullen wel gedacht hebben dat ze definitief van hun vijanden, de Egyptenaren, verlost waren. Maar daar zijn ze al weer.
Het is een ontnuchtering voor de Egyptenaren als het tot hen doordringt dat de Israëlieten weg zijn. Dat geeft hun de kracht de achtervolging van Gods volk in te zetten.
Het lijkt erop dat het volk in de val zit. Vóór zich de Rode Zee, achter zich farao met zijn wagens en ruiters! Wat een angst, wat een noodkreet!
Maar het volk moet leren dat er voor God geen onoverwinbare moeilijkheden zijn. Integendeel, hoe groter de beproeving, des te meer kan Hij Zijn macht openbaren.
Dat is voor ons ook een belangrijke les! Hoe gedragen wij ons als we plotseling beproefd worden of in moeilijkheden komen waaruit wijzelf geen uitweg zien? Vaak zijn we dan bang en opgewonden.
Maar wat zegt Mozes tegen de Israëlieten? Hij begint met een bemoediging: "Vreest niet". Daarna belooft hij hun de bevrijding: "De HEERE zal voor u strijden".
Tenslotte geeft hij hun aanwijzingen die ze gemakkelijk kunnen opvolgen, maar waar we toch vaak zoveel moeite mee hebben: "staat ... ziet ... en gij zult stil zijn" (vers 13 en 14).
Stil zijn betekent twee dingen: niets doen en de geest bewaren voor elke drang tot activiteit. Het volk heeft met deze strijd niets te maken; het speelt zich af tussen de HEERE en de Egyptenaren. Zou Hij Die Zijn volk bewaard heeft voor de verderfengel, nu niet in staat zijn om het uit de hand van mensen te bevrijden?
Het volk heeft geconstateerd dat het niet in staat is zichzelf te bevrijden. De situatie is hopeloos. Nú kan God handelen.
Hij geeft de opdracht "dat zij voorttrekken". Maar hoe dan? De zee is immers vóór hen en toch zegt de HEERE: 'Voorwaarts!'? Het geloof echter gehoorzaamt en vertrouwt op God.
De Engel van God stelt Zich met de wolkkolom tussen het volk Israël en het leger van de Egyptenaren op. Waarvoor moet het volk dan nog vrezen? Zo mogen ook wij eraan denken dat God altijd een beschermende muur stelt tussen ons en onze moeilijkheden. Dag en nacht zorgt Hij voor ons en wendt de gevaren af waarvan wij soms helemaal het bestaan niet weten.
De verschillende fasen van de bevrijding vinden we in drie verzen van Psalm 136:
"Hem, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" (vers 13);
â "En voerde Israël door het midden van haar; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" (vers 14);
"Hij heeft Farao met zijn heer gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" (vers 15).
De dood heeft geen macht meer over de gelovigen. Nee, hij is zelfs hun bondgenoot, hun wapen, hun bescherming geworden. Door Zijn dood heeft Christus hem tenietgedaan "die het geweld des doods had, dat is, de duivel, en verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, gedurende heel hun leven aan de dienstbaarheid onderworpen waren" (Hebreeën 2 vers 14 en 15).
Waarvan is voor ons, de verlosten van de Heere, de doortocht door de Rode Zee een beeld? â De dood van Christus en onze bevrijding.
Terwijl het Pascha ons wijst op de bescherming voor Gods oordeel (want God is tegen de zonde), wijst de Rode Zee ons op de bevrijding uit de macht van satan. God laat hierdoor zien Wie Hij voor de zondaar is. De dood is overwonnen. Voor het volk van God geldt voortaan dat het "uit deze tegenwoordige boze wereld" getrokken is (Galaten 1:4); het is met Christus opgewekt en bevindt zich nu aan de andere zijde van de dood.
Maar de Heere Jezus redt niet alleen, Hij is ook Degene Die te midden van de gemeente de lofzang aanheft (Psalm 22 vers 23; Hebreeën 2 vers 12).
"Toen zong Mozes en de kinderen Israëls de HEERE dit lied" (vers 1). Het is het eerste lied in de Schrift. Hoe zou het volk ook onder het juk van de Egyptenaren hebben kunnen zingen? Vergelijk Psalm 137 vers 4.
Maar nu vervult vreugde het hart van alle verlosten. Onder de leiding van Christus, de ware Mozes, hebben ze het voorrecht Hem te loven Die hen van de machtige invloed van de dood en de vijand bevrijd heeft.
Jesaja 51 vers 10 zegt ons: "Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren van de grote afgrond, droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?"
Gedurende de hele geschiedenis van Israël â en voor ons tot
in alle eeuwigheid! â zal Zijn heerlijkheid geroemd worden.
Tot en met vers 16 prijzen de kinderen van Israël met hun lied de HEERE voor wat Hij voor Zijn volk gedaan heeft.
De verzen 17 en 18 vertellen ons wat Hij nog gaat doen. Het geloof ziet nu al de vruchten van de overwinning: God heeft voor Zich 1) een erfenis, 2) een woning, 3) een heiligdom en 4) een koninkrijk toebereid.
Petrus toont ons in zijn eerste Brief de 'nieuwe vorm' van deze zegeningen, zoals ze gelden voor de ware christen (zie 1 Petrus 1 vers 4; 2 vers 5 en 9).
Nadat het volk verlost is, begint eigenlijk pas de reis naar het beloofde land. Ook de weg van de christen begint bij zijn bekering en zijn doel is de heerlijkheid. Daar tussenin liggen de ervaringen van de woestijn.
Mara is een eerste belangrijke les. Zoals het water bitter was, zo laat de Heere op onze weg moeilijkheden en teleurstellingen toe. Zodra wij echter geleerd hebben dat de Heere deze nare dingen voor ons gebruikt om te laten "medewerken ten goede" (Romeinen 8 vers 28), wordt het anders.
Als we ze tegemoet treden in de kracht van het kruis, verdwijnt de bittere smaak â zonder dat de nare dingen zelf veranderen! â en kunnen we er juist blijdschap en troost in vinden. Zie bijvoorbeeld Romeinen 5 vers 3 en verder; 2 Korinthe 12 vers 9.
Dan pas zijn we in staat Elim, de plaats van rust en verfrissing, ten volle te waarderen. Deze plaats is een beeld van de samenkomst van gelovigen waar God "de zegen" geeft (Psalm 133 vers 3).
Murmureren of morren bij de Rode Zee (hoofdstuk 14 vers 11 en 12), bij Mara (hoofdstuk 15 vers 24), nu weer in de woestijn Sin (hoofdstuk 16 vers 2 en 3) en binnenkort in Rafidîm (hoofdstuk 17 vers 3)! â Is dat niet een getrouwe weergave van ons eigen hart dat zo snel de woorden: "Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" vergeet?
Nog maar een paar dagen geleden zong dit volk van harte het lied van de bevrijding. Nu moppert het tegen Mozes en Aäron. In werkelijkheid is hun murmureren tegen God gericht (vers 8).
Beste gelovige vriend(in), laten we eraan denken dat als we met andere mensen of omstandigheden waarin we ons bevinden, ontevreden zijn, we dan eigenlijk in opstand komen tegen God.
Zijn onze zorgen over de dagelijkse dingen van het leven eigenlijk geen belediging van Hem Die gezegd heeft: "Weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult ... elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad" (Mattheüs 6 vers 25 en 34; zie ook Psalm 23 vers 1)?
De Heere Jezus wist Zelf wat het betekent in de woestijn honger en dorst te lijden. Maar Hij wees in volledige gehoorzaamheid de influisteringen van de verzoeker af en verwachtte vol vertrouwen het antwoord op Zijn behoeften van God.
Wat een geduld had de HEERE met Zijn volk! In plaats van het te tuchtigen, begon Hij Zijn heerlijkheid te tonen (vers 7 en 10) en nam Hij het op Zich het volk te zullen verzadigen.
"Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn", zeggen de mensen tegen de Heere Jezus. Maar Hij antwoordt hun dat Hijzelf het "ware Brood uit de hemel" is (Johannes 6 vers 31 tot en met 33 en 35).
Christus is voedsel voor de gelovigen. Hij geeft niet alleen nieuw leven, maar Hij voedt dat leven ook. Daarvan vinden we in dit hoofdstuk enkele, heel belangrijke lessen:
Hoewel het hele volk samengekomen was, ging het om de behoefte van ieder persoonlijk (vers 18). We kunnen in die mate van de Heere Jezus genieten waarin wij het zelf wensen. En ... ons verlangen kan nooit te groot zijn! Vergelijk Psalm 81 vers 11.
Er was manna voor de behoefte van één dag, dus niet voor de volgende dag. Zo moet Christus van dag tot dag ons voedsel en onze kracht zijn. Als ik bijvoorbeeld vandaag in het bijzonder geduld nodig heb, zal ik dat vinden door mij bezig te houden met de volkomen lankmoedigheid van de Heere Jezus.
Tenslotte moesten de Israëlieten hun portie manna vroeg in de morgen opzoeken, vóórdat het gesmolten was door de hitte van de dag. Wij moeten ons ook 's morgens vroeg al voeden met het Woord van God, vóórdat de bezigheden overdag ons daartoe geen gelegenheid meer geven.
We laten geen dag voorbij gaan zonder onze lichamen te voorzien van het nodige voedsel. Zo moeten wij ook onze ziel nooit hèt voedsel onthouden waardoor ze in leven blijft en groeit: Christus, het Brood van het leven.
"Neem een kruik, en doe een gomer vol Man daarin" (vers 33). Dat was het deel voor God. Het verborgen manna â de van de hemel neergedaalde, Mens geworden, opgestane en met een verheerlijkt lichaam weer naar de hemel opgevaren Christus â dát is de vreugde van God die Hij deelt met hen die overwinnen (Openbaring 2 vers 17).
Na de honger is het de dorst waardoor het volk gaat murmureren. De genade van God gebruikt dit echter om ons een nieuwe kostbare verborgenheid te openbaren.
De uitleg hiervan vinden we in 1 Korinthe 10 vers 4: "Zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus" (vergelijk dit met Johannes 7 vers 37 tot en met 39).
Om echter water (het leven van de Geest) te kunnen geven, moest de rots geslagen worden. Zo werd Christus aan het kruis door de hand van Godzelf geslagen. Maar laten we niet vergeten dat het om de zonde van het volk was! Hun morren en weerbarstigheid was de aanleiding tot het slaan van de rots! "Om de overtreding van Mijn volk is de plaag op Hem geweest" (Jesaja 53 vers 8).
Terwijl het manna een beeld is van Christus Die van de hemel neerdaalde, zo spreekt de geslagen rots van Zijn kruisiging.
We mogen in het levende water een beeld van de Heilige Geest zien: de levenskracht die de gestorven en opgestane Heiland aan iedereen schenkt die in Hem gelooft. De Geest is de Goddelijke Persoon Die in ons woont.
Gesterkt en verfrist door de HEERE is het volk nu toebereid voor een nieuwe ervaring, voor de strijd met Amalek.
Alleen als de gelovigen "krachtig zijn in de Heere, en in de sterkte Zijner macht", kunnen ze de vijand weerstaan (Efeze 6 vers 10 tot en met 13).
Bij de Rode Zee had God voor de Zijnen gestreden, terwijl zij alleen maar stil moesten zijn (hoofdstuk 14 vers 14). Aan het kruis heeft de Heere Jezus de overwinning alleen behaald, want wij zelf konden ons heil niet behalen.
Toch begint er direct na onze bekering een strijd (Galaten 5 vers 17). Als een groot leger komen onze oude fouten weer opzetten, plagen ons en strijden tegen ons (1 Petrus 2 vers 11).
Kunnen we nu niet meer op de Heere rekenen? Natuurlijk wel! Maar aan het kruis streed Hij in onze plaats, voor ons. Nu strijdt Hij, de ware Jozua, met ons.
Inderdaad wordt de overwinning op de berg behaald. Christus, tegelijkertijd de ware Mozes èn de ware Aäron, is voortaan in de hemel om Zich voor de Zijnen in te zetten; en Zijn armen worden nooit moe (Romeinen 8 vers 34 en 37; Hebreeën 7 vers 25).
De afloop van het gevecht hangt niet af van de kracht van de strijdende partijen, maar van hun geloof in Hem en Zijn verlossingswerk èn van de gebeden van de Heere Jezus.
Deze geschiedenis leert ons te strijden als Jozua en te bidden als Mozes (Psalm 144 vers 1 en 2).
Hier ontmoeten we opnieuw Jethro, de schoonvader van Mozes. Hij is een beeld van de volkeren op aarde, in de toekomst. Hoe zij zich samen met het volk Israël zullen verheugen in de redding van Israël en samen God de eer zullen geven.
Ook valt ons op dat Zippora met haar zonen â een beeld van de gemeente, zoals we zagen in hoofdstuk 2 â geen deel zal hebben aan de beproevingen en bevrijding van Israël. De gemeente zal van de aarde opgenomen zijn als de verdrukkingen over het joodse volk zullen komen en het later hersteld zal worden.
De naam Gersom doet ons denken aan Christus Die, evenals Mozes, als Vreemdeling op aarde was. Dat is ook de positie van de gemeente.
Maar in deze moeilijke positie is haar de hulp van God beloofd. Dat is ook de betekenis van de naam Eliézer.
In vers 8 vertelt Mozes alles wat God voor de Zijnen gedaan heeft. Is dat geen mooi voorbeeld voor ons?
Laten wij ons toch niet schamen anderen te vertellen van onze verlossing. Laten we daarmee bij onze familieleden die nog onwetend zijn, beginnen.
De gevolgen van dit getuigenis zien we in vers 9 tot 12: Jethro erkent de grootheid van de HEERE, verheerlijkt Hem en offert brandâ en slachtoffers. Tenslotte eet hij samen met de oversten van het verloste volk, wat een beeld is van praktische gemeenschap.
Jethro brengt Mozes ertoe een deel van zijn dienst aan anderen over te dragen. Dit lijkt een wijze raad, maar het verloochent de kracht van de Geest van God!
Dit is één van de oorzaken waardoor men in de christenheid zo ver gekomen is om een geestelijke stand in te stellen. Bepaalde mensen worden door anderen tot waardigheidsbekleders, tot tussenpersonen tussen God en de eenvoudige 'gelovigen', benoemd.
Het Woord van God erkent echter in de gemeente maar één Hoofd. Hij is toereikend voor alle aangelegenheden van de Zijnen (Efeze 4 vers 5). En de Heere Jezus is er niet alleen voor onze grote en moeilijke problemen. Niets van wat ons bezighoudt, is voor Hem te klein of te onbetekenend. Daarom hoeven we nooit bang te zijn om met al onze noden direct tot Hem te gaan (vergelijk 1 Petrus 5 vers 7).
De profetische betekenis van Exodus 18 wijst ons erop dat Christus de heerschappij over het rijk niet alleen zal uitoefenen (Mattheüs 19 vers 28). Wanneer Hij gekomen is "met Zijn vele duizenden heiligen" (Judas vers 14), zal er een heerschappij zijn, wel met verschillende verantwoordelijkheden, maar tot verheerlijking van God.
Terwijl het volk z'n weg door de woestijn vervolgt, keert Jethro naar zijn land terug (vers 27). Een leven in geloof, in de positie van een vreemdeling, een pelgrim, heeft niets aantrekkelijks voor hem. Ach, hoeveel christenen lijken op hem!
Na de woestijnen Sur (hoofdstuk 15 vers 22) en Sin (hoofdstuk 16 vers 1) doortrokken te hebben, komt het volk nu in de woestijn Sinaï.
Op vleugels van arenden gedragen, het symbool van kracht (vers 4), is het volk aangekomen op de plaats waar de HEERE Zijn openbaringen en de wijze waarop het volk Hem kan dienen (hoofdstuk 10 vers 26), bekend zal maken.
Zoals we gezien hebben, was er in Egypte geen dienst voor de HEERE mogelijk. Maar na de verlossing en de afzondering van het volk voor God, verwacht Hij nu een dienst van lof.
"pij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn", zegt Hij in vers 6. Petrus zegt ons dat wij een "heilig priesterdom zijn, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus". En ook dat we een "koninklijk priesterdom zijn, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden van Hem, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht" (1 Petrus 2 vers 5 en 9).
Met hoofdstuk 19 begint een nieuw gedeelte van dit Bijbelboek. Tot hiertoe hebben we de genade van de HEERE gezien die Hij Zijn volk heeft bewezen. Maar van nu af aan zullen we zien wat Hij daarvoor van het volk verwacht. In de eerste plaats gééft God, vóórdat Hij iets terug verwacht.
Maar ondanks Mara en Meriba kent dit volk zichzelf niet. Het volk antwoordt met een dwaze belofte die God helemaal niet van hen verlangt: "Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen" (vers 8)! En er is maar weinig tijd voor nodig om te laten zien dat ze deze belofte niet na kunnen komen.
Als een kind meent iets onmogelijke te kunnen doen, bijvoorbeeld een zak van 50 kilogram optillen, dan zal zijn vader zeggen: 'Probeer het maar!' Pas nadat het kind zelf ervaren heeft dat z'n vader gelijk had, zal hij erop vertrouwen dat zijn vader de zaak goed zal aanpakken.
Deze les moest het volk Israël bij Sinaï leren. Als het volk al meende alles te kunnen volbrengen wat de HEERE vroeg, dan zou het nu Zijn heilige eisen horen.
Hebreeën 12 vers 18 tot en met 29 zinspeelt op deze geschiedenis. Dit Schriftgedeelte toont ons de tegenstelling tussen "de tastbare berg" en "de berg Sion", dat is de genade waartoe wij toegang hebben.
Nu is Mozes niet meer de middelaar op de berg, maar de Heere Jezus Die voor ons in de hemel is.
"Daarom", zo zegt de schrijver van deze Brief, "alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, waardoor wij welbehagelijk God mogen dienen met eerbied en godvruchtigheid".
Deze godvruchtigheid, dit ontzag voor de Heere wordt bij ons niet bewerkt door strenge geboden of ondoordachte beloften van onszelf. Ook niet, zoals hier, door de openbaring van de macht van God in alle majesteit. Integendeel, het is het antwoord van ons hart op Zijn ondoorgrondelijke, aan ons bewezen genade (Psalm 130 vers 4).
Hier lezen we dat de HEERE de wet geeft aan Zijn volk. De wet brengt de slechtheid van de mens aan het licht, van de mens die steeds weer geneigd is alles te doen wat hier verboden wordt. Dat de mens zulke geboden nodig heeft, bewijst zijn totaal verdorven natuur (zie 1 Timotheüs 1 vers 8 tot 10).
De eerste vier geboden hebben betrekking op de verhouding tussen de mens en God. Hij alleen is God. God is heilig, maar ook vol goedheid, want Hij heeft de Zijnen rust gegeven.
Behalve aan God is men volgens het vijfde gebod eer verschuldigd aan de ouders.
Vervolgens behandelen vier geboden de betrekkingen tot de naaste, in het maatschappelijke leven.
Het laatste gebod is voor onszelf; het onderzoekt ons hart en legt onze begeerten waar we met niemand over praten, bloot.
Inderdaad is de samenvatting van de hele wet weer te geven in dit ene woord: liefde.
"Die de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld", zegt Paulus tegen de Romeinen. "Want dit: Gij zult geen overspel doen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis geven, gij zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" (Romeinen 13 vers 8 en 9; vergelijk met Mattheüs 22 vers 34 tot en met 40).
In Hebreeën 12 vers 19 wordt teruggegrepen op de verzen 18 tot en met 21 van Exodus 20 om het verschil in positie tussen de Israëliet onder de wet en de gelovige die leeft onder de genade, aan te geven. Hem wordt niet meer geboden iets te doen, maar tegeloven in de Heere Jezus Die alles gedaan heeft.
Het slot van Exodus 20 toont ons niet iemand die werken doet, maar laat ons zijn positie van aanbidder zien. Het is duidelijk dat de Sinaï niet de plaats is waar God en de zondaar elkaar kunnen ontmoeten (vers 24). Vers 25 leert ons dat menselijke werken en geboden geen plaats hebben in een dienst die welgevallig is voor de HEERE.
En in vers 26 lezen we tenslotte dat niemand zich verheffen moet boven het altaar en dat geringschatten, want dan wordt ons vlees (onze oude natuur) openbaar.
In het beeld van de Hebreeuwse knecht herkennen we de Heere Jezus als gehoorzame Mens. Hij alleen heeft de wet vervuld. Deze volmaakte Knecht had vrijuit kunnen gaan en weer terug kunnen keren naar de hemel, zonder door de dood te gaan. Maar dan was Hij alleen gebleven.
Christus wilde echter in Zijn oneindige liefde een bruid bij Zich hebben. Daarom heeft Hij de prijs betaald die daarvoor nodig was. Zijn bloed is het losgeld en Zijn wonden zijn de tekenen die ons tot in alle eeuwigheid Zijn vrijwillige vernedering tonen. Hij Die "de gestalte van een dienstknecht" aannam (Filippi 2 vers 7), zal in de heerlijkheid nog steeds de Zijnen dienen. Daarin heeft Hij een welgevallen (Lukas 12 vers 37).
Als we deze verzen vergelijken met Mattheüs 5 vanaf vers 17, zien we dat de trouwe Knecht van God niet alleen gekomen is om de wet te vervullen, maar ook om iets in te voeren wat nog veel groter is.
Gebood de wet: "Gij zult niet doden", de Heere Jezus zegt dat iemand die zijn broeder een dwaas noemt, al "het helse vuur" heeft verdiend.
De Heere Jezus wil ons elke dag meer laten inzien hoe boos ons eigen hart is. Maar we moeten ook Zijn hart leren kennen waarin veel meer was dan de woorden van de wet: "Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand haten" (Mattheüs 5 vers 43 en 44).
Waar zouden wij zijn als het onbarmhartige gebod: "Oog voor oog, tand voor tand" op ons toegepast was? God zou de mensheid die schuldig is aan de kruisdood van Zijn Zoon, van de aarde moeten verdelgen.
In plaats daarvan zien we de Heere Jezus juist aan het kruis op volkomen wijze Zelf volbrengen wat Hij ons in deze verzen leert: "Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen" (Lukas 23 vers 34).
In Exodus 21 vers 32 wordt de prijs van een knecht vastgesteld. Op dezelfde prijs werd de waarde van de Zoon van God geschat (Mattheüs 26 vers 15).
Vanaf hoofdstuk 21 tot aan het einde van hoofdstuk 23 lezen we over geboden die de wet aanvullen.
God ziet in Zijn volkomen wijsheid vooruit wat er allemaal kan gebeuren, en gaat in op de meest gewone dingen van het leven van de Zijnen. Van het geld lenen aan een arme tot het terugvinden van een os, enzovoort. Hij neemt de verdediging van de zwakkeren op Zich en stelt hen onder Zijn speciale bescherming.
Ook wij christenen hebben in het onuitputtelijke Woord van God naast de fundamentele waarheden over de Persoon van onze Redder en ons heil, ook aanwijzingen voor het dagelijkse leven.
Maar in tegenstelling tot het volk Israël bezitten wij de Heilige Geest Die in elke gelovige woont en hem onderwijst over de wil van God voor elke situatie in de praktijk van het dagelijkse leven. Hij opent het verstand en laat zien wat men moet doen en laten.
Toch is de Bijbel iets heel anders dan een verzameling van regeltjes en een optelling van alles wat niet en wat wel mag. De Bijbel toont ons een God van liefde, een Vader Wiens voorbeeld wij mogen navolgen.
"Ik ben genadig", zegt Hij aan het einde van vers 27. â"Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is", zo onderwijst de Heere Jezus later de discipelen (Lukas 6 vers 36).
"De onschuldige en rechtvaardige zult gij niet doden", moet de HEERE tegen Zijn volk zeggen (vers 7). Een gebod dat niet zonder aanleiding gegeven is, want "de Heilige en Rechtvaardige" werd immers door hen gedood (Handelingen 3 vers 14 en 15).
Ook de vreemdeling was onderwerp van Gods geboden. Hij mocht niet onderdrukt of mishandeld worden (vers 9 en hoofdstuk 22 vers 21; zie ook Jeremia 22 vers 3). Leviticus 19 vers 34 gaat nog veel verder: "Gij zult hem liefhebben als uzelf." In het Nieuwe Testament zegt de Heere Jezus dat wie de vreemdeling aanneemt, Hemzélf heeft aangenomen (Mattheüs 25 vers 35 en 40). Was Hij immers niet de 'hemelse Vreemdeling' Die gekomen is om de mensen op te zoeken? Maar hoe werd Zijn hart, vol van zachtmoedigheid en meeleven, verwond door de ondankbaarheid van hen voor wie Hij in liefde gekomen was! Ja, wij worden opgeroepen om ons voor te stellen hoe "het gemoed van de vreemdeling" is (vers 9). Natuurlijk bovenal, hoe de ware Vreemdeling, onze Heiland, Zich voelde.
Denk eraan, zegt God erbij, dat je ook zelf een vreemdeling was. Zich verplaatsen in de omstandigheden van een ander is het geheim van liefde voor de ander.
In de verzen 10 tot en met 13 laat God ons zien welke zorg Hij heeft voor Zijn schepping: voor de dieren, de planten, maar ook de aardbodem. Laten ook wij zorg dragen voor alles wat onze hemelse Vader toebehoort!
Tenslotte willen we, wat de dienst voor God betreft, het einde van vers 15 onderstrepen: "Men zal niet ledig voor Mijn aangezicht verschijnen" (zie hierbij Deuteronomium 26 vers 2).
God geeft niet alleen geboden aan Zijn volk. Hij omringt Zijn volk ook met zorg.
Hij geeft het volk een Leider, Zijn engel, Die voor hen uit zal gaan, hen de weg zal wijzen en hen zal aanvoeren in de strijd. Maar God onderwijst het volk ook over het einddoel van hun pelgrimsreis: het land waarvan de grenzen al vastgesteld zijn (vers 31).
Diezelfde zorg besteedt God nu ook aan Zijn christelijk volk, op hun weg hier beneden. Hij heeft hen een Leidsman gegeven voor die weg: de Heilige Geest.
De waarschuwing aan het volk Israël: "Hoedt u voor Zijn aangezicht, en weest Zijn stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet" (vers 21), doet ons denken aan woorden uit het Nieuwe Testament. In Efeze 4 vers 30 lezen we de vermaning: "Bedroeft de Heilige Geest Gods niet".
God wil in Zijn genade dat ook vandaag de Zijnen het einddoel van hun reis weten: het prachtige erfdeel dat Zijn liefde voor hen bereid heeft in de hemel, met Christus.
Wij zijn echter vaak niet gewillig om van Zijn zorg te leren en die aan te nemen. Vooral Gods zorg dat Zijn volk streng afgezonderd van de andere volken moet wonen, geeft ons moeite. Maar God wil deze scheiding niet om Zijn volk iets te onthouden. Nee, in Zijn liefde wil Hij hen voor een valstrik bewaren (vers 33)!
Het eerste verbond wordt plechtig met bloed bezegeld (vers 8, zie ook Hebreeën 9 vers 18 en verder).
Dan toont de HEERE enkele stralen van Zijn heerlijkheid aan de oudsten van Israël: "En onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestalte des hemels in Zijn klaarheid" (vers 10; vergelijk dit met Ezechiël 1 vers 26). "Onder Zijn voeten" â bij deze woorden denken we aan de glorierijke weg van de Zoon van God, zoals die ons in de Evangeliën voorgesteld wordt: de weg "des hemels in Zijn klaarheid".
Christus is niet alleen uit de hemel neergekomen en weer opgevaren in de hemel, Hij was ononderbroken "de Zoon des mensen, Die in de hemel is" (Johannes 3 vers 13). In de wandel van Christus hier op aarde kan de heerlijkheid van God in Zijn volmaakte heiligheid worden bewonderd (Psalm 68 vers 25). "Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien", zegt de Heere Jezus tegen Zijn discipelen (Johannes 14 vers 9).
In vers 11 vinden we een verwijzing naar de heilige vrijheid en gemeenschap die de verlosten van de Heere nu al mogen genieten. Op grond van het volbrachte werk van de Heere Jezus en Zijn tegenwoordigheid aan de rechterhand van God, bevinden ze zich in zekere zin nu al in de heerlijkheid.
Onze gedachten gaan ook nog naar Mozes op een andere berg: de berg van de verheerlijking. Daar was hij met Elia en de drie discipelen getuige van de heerlijkheid van de Heere Jezus (Lukas 9 vers 28 tot en met 36).
De instructies voor de eredienst beginnen in dit hoofdstuk.
De tabernakel is "het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen" (Hebreeën 8 vers 5). Hierin vinden we, tot in de details, een beeld van de voorwaarden waarop â ten eerste â de Heilige God in het midden van de Zijnen kan wonen, en â ten tweede â hoe wij die zondaars waren, tot deze heilige God kunnen naderen. Het gaat om de fundamentele waarheden van ons heil en hun plaats in de Goddelijke orde.
Als wij een huis beschrijven, beginnen we niet met de inrichting van het huis. Maar hier staat de ark van het verbond op de eerste plaats, omdat het Christus als het Middelpunt van al Gods raadsbesluiten voorstelt. Gemaakt van oersterk sittimhout of acaciahout. Het is hout van een boom uit "dorre aarde", een beeld van de mensheid van Christus (Jesaja 53 vers 2); overtrokken met "louter goud", dat is het symbool van de Goddelijkheid van Christus.
Het verzoendeksel van louter goud dat de ark bedekte, spreekt van een genadig God. Hij is bevredigd door het bloed dat op het deksel gesprengd werd (Romeinen 3 vers 25) en kan hier de zondaar ontmoeten (vers 22).
De "cherubijnen der heerlijkheid" van wie de gezichten naar het deksel gericht zijn (Hebreeën 9 vers 5), vertellen ons dat het hier om diepe, Goddelijke verborgenheden gaat, "in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien" (1 Petrus 1 vers 12).
De ark van het verbond spreekt ons van Christus door Wie de rechten van God op volkomen wijze staande worden gehouden. Daarentegen spreekt de tafel ons van Christus Die de Zijnen constant in de tegenwoordigheid van God draagt.
Het bouwmateriaal van de tafel is hetzelfde als van de ark van het verbond (sittimhout, met louter goud overtrokken). Maar bovendien is er rondom de tafel een krans en een lijst wat ons wijst op de heerlijkheid en de bescherming van God. De tafel dient in de eerste plaats om er de twaalf toonbroden op te leggen (Leviticus 24 vers 5 en 6), een beeld van het hele volk van God. Vervolgens ligt het gereedschap waarover we lezen in vers 29, erop. Dit gereedschap wijst op de ondersteuning van Christus in onze taak voor Hem (Markus 16 vers 20).
Zo bevindt zich het hele volk in beeld in het heiligdom, gedragen door Christus en door Hem staande gehouden in het licht van God. Dat brengt ons bij de gouden kandelaar, een beeld van Hem Die hier op aarde "het licht der wereld" was (Johannes 8 vers 12). De kandelaar droeg de zeven lampen van goud. Dat stelt het getuigenis naar Gods gedachten voor, zoals het vandaag van de gemeente uitgaat (Openbaring 1 vers 12 en 20). Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om in de nacht van deze wereld licht uit te stralen in de kracht van de Heilige Geest (de olie). Voor de tijd dat de Heere Jezus hier niet meer op aarde zou zijn, zei Hij tegen de Zijnen: "Gij zijt het licht der wereld" (Mattheüs 5 vers 14).
Om de lampen goed te laten schijnen, zijn snuiters nodig (vers 38). Dat is een heenwijzing naar de steeds voortdurende zorg van onze grote Hogepriester.
Na deze drie voorwerpen, de ark, de tafel en de kandelaar, volgt de beschrijving van de tabernakel. Deze is samengesteld uit drie wanden van planken. Daar overheen liggen vier dekkleden op elkaar, elk weer bestaande uit verschillende kleden.
Het eerste dekkleed, de tabernakel genaamd (vers 1), lag onderaan en vormde het plafond. Ze was geweven met verschillende kleuren draden die we ook terugvinden in de voorhang (vers 31) en bij de kleding van de hogepriester (hoofdstuk 28 vers 5). Elke kleur geeft een bepaalde zijde van de heerlijkheid van Christus weer. Getweernd linnen spreekt ons van Zijn volkomen mensheid. Hemelsblauw (of blauw purper) geeft Zijn hemels karakter aan. Purper wijst op Zijn allesomvattende heerlijkheid. En scharlaken is een beeld van Zijn koningschap over Israël.
De hemelsblauwe strikjes en de gouden haakjes die de kleden bij elkaar hielden, doen ons denken aan de hemelse en Goddelijke banden waardoor de verlosten met elkaar verbonden zijn.
Het tweede dekkleed, gemaakt van geitenhaar, werd "een tent over de tabernakel" (vers 7) genoemd.
Het derde dekkleed was van roodgeverfde ramsvellen en het vierde van dassenvellen (vers 14). Dit stelt ons respectievelijk afzondering, wijding (hoofdstuk 29 vers 27) en waakzaamheid voor.
Al deze deugden zag God in het leven van de Heere Jezus hier op aarde. En het is Zijn wens dat ze ook zichtbaar zijn in het leven van de Zijnen.
De drie wanden van de tabernakel bestonden uit brede planken van sittimhout (of acaciahout), overtrokken met goud en staande op zilveren voeten. De planken zijn een beeld van de gelovigen die zeker mogen zijn van hun verlossing waarvan het zilver ons spreekt. Ze zijn bekleed met Goddelijke gerechtigheid (goud), zodat dit Goddelijke karakter nu geopenbaard kan worden.
Om de planken bij elkaar te houden en te beschermen voor de woestijnwind, waren richels nodig. Dat ziet op alles wat kinderen van God met elkaar verbindt, bijvoorbeeld de banden van liefde tussen broeders en zusters. Wat is het van grote betekenis voor een jonge gelovige een vriend, een broeder te hebben, met wie hij over al zijn moeilijkheden kan praten en met wie hij samen op de knieën kan gaan! Maar bovenal is het "één Geest" Die alle gelovigen met elkaar verbindt, zodat zij "bekwaam samengevoegd en samen vastgemaakt" zijn en zo in staat zijn "alle wind der leer" en alle aanvechtingen van de vijand te weerstaan (Efeze 4 vers 1 tot 16; zie ook 1 Korinthe 10 vers 12).
Laten we tenslotte nog even stilstaan bij de hoekplanken. Hun kenmerk was: "Zij zullen van beneden als tweelingen-samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het oppereinde ervan samengevoegd zijn" (vers 24; zie ook Johannes 17 vers 21 en 1 Korinthe 1 vers 10).
Een gemeenschappelijke aanhankelijkheid van de Heere, te weten samen in Hem verbonden te zijn, verstevigt ook de gemeenschapsbanden van de gelovigen onderling.
Van binnenuit de tabernakel naar buiten gezien â dat is de weg van God tot de zondaar â, bestond de tabernakel in de eerste plaats uit het ontoegankelijke heilige der heiligen waar alleen de ark van de getuigenis stond (vers 33); daarna kwam het heilige.
Dit gedeelte was door een voorhang gescheiden van het heilige der heiligen. De betekenis van deze voorhang vinden we in Hebreeën 10 vers 20: "Zijn vlees". De mensheid van de Heere Jezus wordt ons getoond in de eenheid en volkomenheid van het gebruikte materiaal. De cherubs herinneren aan hen die de toegang tot de boom van het leven versperden (Genesis 3 vers 24). Maar bij het sterven van de Heere Jezus is de voorhang in de tempel gescheurd, waardoor God voor de mens de weg opende tot Zijn tegenwoordigheid.
Vóór de voorhang stonden de tafel en de kandelaar (vers 35), maar ook het gouden reukaltaar (hoofdstuk 30 vers 6). De tabernakel zelf was door een kunstig geborduurd kleed afgesloten. Maar een kleed zonder cherubs, want de priesters mochten vrij naar binnen gaan om hun dienst uit te oefenen.
Voor de tent stond tenslotte het koperen altaar waarvan we de beschrijving vinden in hoofdstuk 27 vers 1 tot en met 8. Het was groot, vierkant en spreekt van het kruis van Christus en Zijn werk. Het altaar was gemaakt van sittimhout â Christus werd Mens om te kunnen lijden en sterven â en was met koper overtrokken. Dat koper is een beeld van de Heere Jezus Die het vuur van het oordeel van God over de zonde heeft verdragen.
Rondom de tabernakel was de voorhof; een groot, omheind plein, waar alle Israëlieten met hun offerdieren vrije toegang hadden (Psalm 96 vers 8).
Rondom dit plein waren kleden van getweernd linnen, "behangsels", vastgemaakt aan pilaren met voeten van koper. Deze reine behangsels van getweernd linnen zijn een beeld van de onberispelijke mensheid van Christus. En ze spreken ook tot ons van een rein getuigenis dat de verlosten mogen afleggen aan een onwetende en vijandige wereld.
Dat getuigen is verbonden met lijden vanwege de gerechtigheid; vandaar dat de pilaren rustten op een voet van koper. Ook het brandofferaltaar was met koper overtrokken, wat ziet op het lijden van Christus voor ons. Hierin heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten (1 Petrus 2 vers 21).
Van ver kon men de glans van de omheining door de felle zon zien; dan wist men: Dáár is God! Moge de Heere ons genade schenken, opdat wij gemeenschappelijk voor de wereld een onberispelijk getuigenis afleggen van Hem!
Het einde van dit hoofdstuk herinnert aan de bron en de kracht van zo'n getuigenis: de Heilige Geest. Opdat de zeven lampen van de kandelaar altijd hun licht zouden geven, moesten ze voorzien worden van reine, gestoten olie. Dat is een beeld van de nooit eindigende oefening van de gelovigen om de Geest van God die plaats te geven die Hem toekomt.
Aäron is een beeld van Christus in Zijn karakter als de grote Hogepriester. Aäron was de voorspraak van het volk bij de HEERE, zoals de Heere Jezus nu de Voorspraak is bij de Vader voor hen die Hem toebehoren (zie 1 Johannes 2 vers 1).
De kleren van de hogepriester wijzen heen naar alles wat met de dienst van de Heere Jezus verbonden is; een dienst die Hij nu doet in de hemel voor de Zijnen.
O, dat de Heilige Geest ons verstand en inzicht mag geven om de betekenissen van de verschillende kledingstukken te begrijpen! Ze zijn niet alleen een illustratie van de heerlijke eigenschappen van onze grote Hogepriester, maar ook van waarheden waarmee wij nauw verbonden zijn.
De efod, een bovenkleed zonder mouwen, was het belangrijkste en meest karakteristieke kledingstuk. Evenals de voorhang was deze geweven en bewerkt met verschillende kleuren draad waarvan we de betekenis al kennen.
Twee schouderbanden waarmee het voorâ en achterpand met elkaar verbonden waren, maakten het geheel compleet.
Op elke schouderband zat een sardónixsteen, die beide gevat waren "in gouden kastjes". In die stenen stonden de namen van de twaalf stammen van Israël onuitwisbaar gegraveerd. Daarin zien we een prachtig beeld van hoe de Heere Jezus de Zijnen draagt en voor ze zorgt. Hij kent ze bij name en ze zijn geen moment uit Zijn gedachten (vergelijk ook Lukas 15 vers 5). Bovendien vormen zij een deel van Zijn heerlijkheid en van Zijn sieraad (vers 2).
De borstlap hing over het voorpand van de efod en was eraan vastgemaakt. Het was een soort harnas met daarop twaalf kostbare stenen, naar het getal van de stammen van Israël. Hierdoor droeg Aäron ze als het ware steeds op zijn hart (vers 30). Wat een aangrijpend beeld van de plaats die wij als gelovigen bij de Heere innemen! Wij rusten op Zijn krachtige schouders, maar ook aan Zijn hart. We zijn voortdurend het voorwerp van Zijn liefde (zie Johannes 13 vers 23).
Onder het woord "gedurig" in dit hoofdstuk zouden we een streep moeten zetten (vers 29, 30 en 38). Zoals de stenen aan de borstlap niet verloren kunnen gaan (zo vast zitten ze!), zo is er ook niets wat de verlosten van de Heere kan scheiden. Er is niets dat hen van Zijn kracht kan beroven, en niets dat hen kan scheiden van Zijn liefde (Romeinen 8 vers 35).
Hoewel elke steen verschilde van de andere, waren ze toch allemaal even kostbaar. Elke steen weerkaatste op zijn eigen manier het licht van de kandelaar. Zo mag iedere gelovige, hoe verschillend ook van een ander, op zijn manier iets van de kenmerken van de Heere Jezus uitstralen.
Elke gelovige afzonderlijk is kostbaar voor het hart van Hem Die allen draagt. Soms bestaat het gevaar dat wij op andere gelovigen kritiek hebben. Laten we er dan aan denken dat ook zij geliefd zijn door de Heere.
Uiteindelijk moeten alle edelstenen â dat wil zeggen: alle gelovigen â geslepen en gepolijst worden, opdat zij het licht van het heiligdom goed kunnen weerspiegelen. Dat slijpen en polijsten is het moeizame werk van de Heilige Geest.
Het geheel blauwe bovenkleed (de mantel) dat Aäron onder de efod droeg, herinnert aan het hemelse karakter van onze grote Hogepriester. Terwijl Hijzelf "hoger dan de hemelen geworden" is (Hebreeën 7 vers 26), heeft Hij Zich hier op aarde een getuigenis toebereid: het samenwonen van broeders, hierin ondersteund door Zijn priesterschap in de hemel, waarmee zij â om het zo te zeggen â "de zoom van zijn klederen" vormen (Psalm 133 vers 1 en 2).
Bij de "schelletjes" denken we eraan dat men in het leven van een gelovige iets moet horen. Het klingelen was een teken dat de priester leefde en zich bewoog. Laten wij in onze omgeving zien dat Christus leeft?
De "granaatappelen" spreken van de vrucht die te zien moet zijn in het leven van de gelovigen, als zij werkelijk verbonden zijn met het 'bovenkleed' van de hemelse Mens (vergelijk Johannes 15 vers 5).
Laten we er ook op letten dat het aantal schelletjes gelijk is aan het aantal granaatappelen. Dat betekent dat woord en daad in het leven van elk kind van God met elkaar in overeenstemming moeten zijn.
Als wij ons in deze dienst van getuigen te zwak en onvolkomen voelen, dan mogen we weten dat we een Helper hebben: de Heere Jezus, Die voor God volmaakt heilig is, met op Zijn voorhoofd "een plaat van louter goud" waarop staat: "DE HEILIGHEID DES HEEREN". Als we hier over nadenken, zullen we ons niet meer met onze zwakheden, maar met Zijn volmaaktheid bezighouden.
Het slot van het hoofdstuk beschrijft ons de kleding van de
zonen van Aäron (zie ook de belofte uit Psalm 132 vers 16).
Als er alleen gesproken wordt over Aäron, dan is hij een type van de Heere Jezus. Aäron wordt dan ook alleen maar gezalfd met olie, het bloed is voor hem niet nodig (vers 7).
Als we Aäron samen met zijn zonen voorgesteld zien, dan is hij een beeld van Christus en de Zijnen. Op grond van hun verbinding met Christus, de grote Hogepriester in de hemel, zijn de gelovigen met Hem vereend om God lofoffers te brengen. Maar voordat Aäron en zijn zonen de dienst konden uitoefenen, moesten ze aan bepaalde voorwaarden hebben voldaan. Er moesten offers voor hen bereid worden en zijzelf moesten naar de ingang van de tent der samenkomst komen om daar met water gewassen te worden. Let erop: ze konden dat niet zelf doen! Daarna kregen ze de nieuwe kleren aan, zoals ze ons in hoofdstuk 28 beschreven zijn.
Dezelfde voorwaarden zijn in geestelijk opzicht ook vandaag nodig voor welke christelijke taak dan ook. Men moet met het kostbare Offer waardoor onze zonden verzoend zijn, tot God komen. Vervolgens is het "bad des waters door het Woord" nodig (Efeze 5 vers 26; vergelijk Hebreeën 10 vers 22 en Titus 3 vers 5). En tenslotte horen bij onze gereinigde lichamen ook reine kleren. In Zacharia 3 vers 3 tot en met 5 zien we een hogepriester, Jozua, die door de HEERE bekleed werd met wisselklederen (feestklederen), nadat zijn vuile kleren uitgetrokken waren.
Ons gedrag naar buiten toe moet rein en in overeenstemming met onze innerlijke reiniging zijn. Dit is alleen maar mogelijk als wij de Heere Jezus Christus hebben aangedaan (Romeinen 13 vers 14).
De plechtige handelingen gaan door. De zonen van Aäron waren niet gereinigd om nu maar te doen wat ze zelf wilden. Nee, ze waren geheiligd en tot de dienst van de Heere gewijd.
Terwijl in Israël alleen de familie van Aäron de priesterdienst mocht uitoefenen, zijn nu allen die tot het volk van God behoren, geroepen deze verheven dienst te verrichten. Beste vrienden, als God jullie in Zijn grote liefde gered heeft, is dat om Hem voortaan volledig toegewijd te zijn.
Het bloed "op het rechter oorlapje", "op de duim van hun rechterhand" en "op de grote teen van hun rechtervoet", houdt ook voor ons een belangrijke les in. Deze onderdelen van het lichaam, die ons spreken van gehoorzaamheid, handel en wandel, zijn voor God geheiligd. Waartoe? Opdat ze Hem ter beschikking staan, in de kracht van de Heilige Geest (de olie).
Het is opvallend dat in sommige Bijbelvertalingen voor het woord '(in)wijden' ook wel de uitdrukking "hun hand vullen" wordt gebruikt (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 28 vers 41). Dit werpt een heel ander licht op deze handeling. Het gaat er dan niet om dat men zichzelf als een offer aan de Heere geeft (kunnen we Hem trouwens iets geven wat Hem al toebehoort?), maar het is precies het tegenovergestelde. Wij moeten eerst onze handen, onze harten, door God laten vullen, voordat wij het beweegoffer kunnen bewegen (vers 24; 1 Kronieken 29 vers 14). Dat wil zeggen, aan God vertellen Wie de Heere Jezus voor ons is en wat wij in Hem hebben gevonden.
De "ram der vulling" (of van de inwijding) moest geofferd en dan door de priesters gegeten worden. Zo moet ook de verloste, als hij zijn God wil dienen, zich voeden met Hem Die God volkomen toegewijd was, zelfs tot in de dood. De apostel vermaant ons: "Wandelt in de liefde, gelijk ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer Gode tot een welriekende reuk" (Efeze 5 vers 2).
De priesters moesten het vlees van deze ram "bij de deur van de tent der samenkomst" eten, dat betekent: vóórdat zij in het heiligdom dienden.
Op elk van deze zeven dagen moest opnieuw een offer gebracht worden. Dit herinnert ons eraan dat er voor onze harten dagelijks nieuwe oefeningen zijn en dat telkens opnieuw onze genegenheid voor de Heere moet blijken.
Het slot van dit hoofdstuk spreekt over de offers die "gedurig" gebracht moesten worden (Numeri 28 vers 3 tot 10). Voor ons wil dat zeggen dat wij onophoudelijk tot God mogen spreken over het werk van de Heere Jezus op het kruis en daarin roemen.
Nadat God de tent, het altaar en de priesterlijke familie geheiligd had, kon Hij in het midden van de Zijnen wonen, zoals het met Zijn heerlijkheid in heiligheid overeenkomt (vers 44 en 45).
Ook de apostel Paulus brengt het wonen van God door de Heilige Geest in de gelovigen in verbinding met die heiligheid. Dat God in ons woont, moet gekenmerkt zijn door heiligheid (1 Korinthe 3 vers 16 en 17 en 6 vers 19).
Nadat het werk waardoor het de priester was toegestaan tot God te naderen, volbracht was, kon er sprake zijn van een ander altaar. Een altaar, overtrokken met goud, waarop Aäron en zijn zonen welriekend reukwerk moesten offeren.
Het eerste altaar wijst ons op Christus en de waarde van Zijn bloed. Het tweede altaar ziet ook op Hem, maar dit spreekt van Zijn werk als Voorspraak. Het gouden en het koperen altaar zijn niet van elkaar te scheiden. De Heere Jezus werd eerst het Offer en toen de Priester. Nadat Hij op het kruis Zijn reinigend bloed heeft vergoten, kan Hij nu voor de Zijnen levend verschijnen in de hemelse gewesten.
Op het gouden altaar werd geen offerdier gebracht, want Christus hoeft niet meer te lijden en te sterven. Het werk is volbracht en voortaan is Hij hèt Onderwerp in de hemel, 'het welriekend reukwerk' voor de dienst van God. Door Hem mag de verloste naderen om de Vader reukwerk van aanbidding en gebed te brengen (Psalm 141 vers 2). Echte eredienst bestaat daarin dat men tot God spreekt over de volmaaktheden van Zijn Zoon.
De verzen 11 tot en met 16 spreken over losgeld. Dat was iets heel persoonlijks. Toch was de prijs voor de rijke even hoog als voor de arme, want God maakt geen verschil in zondaren (Romeinen 2 vers 11). Maar God biedt ook ieder hetzelfde redmiddel aan, en wel "om niet".
Voor het uitoefenen van de dienst van de Heere ontbrak nog één voorwerp: het koperen wasvat. Het moest in de voorhof, tussen het altaar en de tent, opgesteld worden. Dus als het ware in het looppad dat de priester moest volgen om zijn dienst te doen. In dat wasvat moest hij zijn handen en voeten wassen. Dit is een beeld van zelfoordeel, bewerkt door het Woord. Het reinigt de aanbidder van het vuil dat hij op zijn weg door de wereld oploopt (Johannes 13 vers 10).
Na het water, dat reinigt van onreinheid (de negatieve kant), komt de "olie der heilige zalving". Dit is een beeld van de Heilige Geest; de olie geeft de dienst een heilig karakter (de positieve kant). De verschillende bestanddelen waaruit de olie gemaakt werd, geven elk een verschillende zijde van de genade en de heerlijkheid van Christus weer.
Het was verboden de heilige olie op het vlees van een mens uit te gieten. Dit betekent voor ons dat de gaven van de Geest nooit mogen dienen tot verheerlijking van een mens. Men mocht ook zelf geen olie namaken, dat wil zeggen, de openbaringen van de Heilige Geest nabootsen.
In Psalm 133 vers 2 zien we dat deze kostbare olie uitgegoten wordt op het hoofd van Aäron en naar beneden stroomt op zijn baard en de zoom van zijn kleren. Wat een prachtig beeld van de verlosten die door de Heilige Geest mogen genieten van de kostbaarheden van hun verheerlijkt Hoofd en die deelhebben aan diezelfde zalving!
Maar omgekeerd steeg de geur van het heilig reukwerk steeds op tot God. Zo wordt Hem de volmaaktheid van Zijn Geliefde, tot in het kleinste detail, voorgesteld.
Laten we goed letten op de volgorde waarin verschillende uitdrukkingen in dit hoofdstuk staan: "Ik heb met name geroepen", "Ik heb hem vervuld met de Geest", "Ik heb hem bijgevoegd", en: "In het hart ... heb Ik wijsheid gegeven". Alles wat betrekking heeft op de dienst, wordt van boven, door God Zelf, voorgeschreven en geleid. Zelfs Mozes was niet bevoegd om de arbeiders uit te kiezen.
In het Boek Handelingen zien we dat de Heilige Geest Barnabas en Saulus afzonderde voor het werk waartoe God hen had geroepen (Handelingen 13 vers 2). Daarom betaamt het de arbeider ook niet om zelf uit te maken wat hij wil doen. God is het Die hem roept en hem de nodige wijsheid geeft.
God heeft aan ieder verstand gegeven, maar waartoe gebruiken wij het? Om veel te leren, zodat we het in de maatschappij ver zullen schoppen? De Heere Jezus wil dat wij onze capaciteiten onder de leiding van de Heilige Geest gebruiken voor de dienst voor Hem.
God geeft met de dienst ook de nodige rust aan Zijn dienstknechten. In het Evangelie naar Markus lezen we dat de Heere Jezus de Zijnen bij Zich roept en hen uitzendt. Maar ook dat Hij ze later, als ze teruggekeerd zijn, apart neemt om een weinig uit te rusten (Markus 6 vers 7 en 31).
In Exodus 31 lezen we dat de sabbat een tijd van rust is. "De sabbat is gemaakt om de mens", zegt de Heere Jezus in Markus 2 vers 27. Laten we God danken voor de rust die Hij ons toestaat!
Wat zou het fijn geweest zijn als we van de beschrijving van de tabernakel in hoofdstuk 31 direct over hadden kunnen gaan naar de bouw waarover we vanaf hoofdstuk 35 lezen. Maar helaas vinden we daartussen een donkere episode uit de geschiedenis van het arme volk. Terwijl God op de berg de wet aan Mozes gaf, overtrad het volk in de vlakte al de eerste beide geboden. Terwijl de HEERE nog bezig was om Mozes aanwijzingen te geven voor de dienst van de Heere, bedreef Israël al afgodendienst.
Wat is de verdorvenheid en ondankbaarheid van de mens toch groot! Wat vergeet hij gauw Gods wonderdaden (Psalm 78 vers 11 en 106 vers 19 tot en met 23)! De afgodendienst is niet alleen een zonde van Israël of de heidenen. Paulus waarschuwt de christenen er ook voor (1 Korinthe 10 vers 7 en 14). Een afgod is alles wat in ons hart de plaats inneemt die alleen de Heere Jezus toekomt.
Het kan:
een afbeelding van een god van de wereld zijn (zoals het gouden kalf; de Egyptenaren vereerden de stier Apis);
â in een bepaalde vorm gegoten worden (dat wil zeggen dat onderlinge gesprekken bepaald worden door menselijke ideeën en niet geleid zijn door de Geest);
met de griffel ontworpen en gevormd zijn (dat wil zeggen dat het de vrucht is van onze eigen inspanning; Jesaja 44 vers 10 en 12).
Dit kan allemaal gebeuren als we de komst van onze Middelaar, Christus, uit het oog verloren hebben, Hij Die nu nog in de hemel is, zoals Mozes toen op de berg was.
"Uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven", zo sprak de HEERE tot Mozes (vers 7). Maar Mozes zegt: "Uw volk, dat Gij met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt" (vers 11).
In Johannes 17 vers 9, waar de Heere Jezus voor de Zijnen bidt, zegt Hij ook: "Zij zijn Uwe". Verder zei Mozes dat de HEERE Zijn volk toch niet kon vernietigen?!
Mozes is een heel goede advocaat. Vroeger had hij gezegd, "geen man wel ter tale" te zijn en dat hij "zwaar van mond" was (hoofdstuk 4 vers 10). Maar nu is zijn hart erg begaan met het lot van Israël en hij kan, geleid door de Heilige Geest, vanuit het diepst van zijn hart met de juiste woorden opkomen voor het volk.
Toch had alle ijver van Mozes God niet kunnen verhinderen om Israël te vernietigen, als de wet waardoor het volk vervloekt werd, nu al aan het volk gegeven werd. Eén van beiden moest verdwijnen: óf de wet, óf het schuldige volk.
In Zijn genade stond God het toe dat de wet werd 'ingetrokken'. Mozes verbrak, in overeenstemming met Gods gedachten, de twee stenen tafelen onderaan de berg.
Toen de Heere Jezus op de schuldige aarde kwam, was dat niet om de wet te ontbinden. Integendeel zelfs, Hij heeft de wet ten volle vervuld, vóórdat Hij op het kruis de vloek van de wet onderging (Mattheüs 5 vers 17 en 18; Galaten 3 vers 13).
Terecht werd Mozes toornig. Eerst nam hij het voor het volk op bij de HEERE en nu komt hij voor de HEERE op bij het volk.
Hij beschuldigt Aäron die excuses bedenkt in plaats van zich te verootmoedigen. Dan moeten de zonen van Levi een verschrikkelijke opdracht uitvoeren. Maar dit toont ons dat de eer van God steeds voorrang heeft boven familieâ of vriendschapsbanden. De zonen van Levi zijn trouw. Het blijkt dat dat door God gewaardeerd wordt, want later wordt hun de dienst in de tabernakel toevertrouwd (Deuteronomium 33 vers 9 en 10). God zal ons niet gebruiken voor Zijn dienst als Hij onze trouw niet eerst op de proef heeft gesteld.
Aan het einde van dit hoofdstuk zien we Mozes weer als voorspraak voor zijn volk. Hij stelt zich als het ware op tussen God en het volk. Hij doet niet als Aäron, maar erkent openlijk de feiten. Hij hoopt dat er verzoening voor het volk gedaan kan worden. Hij biedt zichzelf zelfs aan om gestraft te worden in plaats van het volk.
Hierdoor lijkt Mozes op de apostel Paulus die wenste "verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, die mijn verwanten zijn naar het vlees" (Romeinen 9 vers 3).
Zo'n offer is echter niet mogelijk. De Schrift zegt: "Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn losprijs niet kunnen geven" (Psalm 49 vers 8). Ja, "een ieder van ons zal voor zichzelf aan God rekenschap geven" (Romeinen 14 vers 12).
Alleen Christus kon verzoening doen voor de zondaar, omdat Hij zonder zonde was.
Gedreven door heilige toorn heeft Mozes het gouden kalf vernietigd en het volk getuchtigd. Dan deelt hij het volk mee dat de HEERE niet verder met hen mee zal gaan.
Daarna doet hij iets onverwachts; hij stelt de tent op buiten het leger (het tentenkamp), ja, zelfs ver daar vandaan. Houdt hij niet meer van het volk? Integendeel! Hij had immers zoeven nog getoond hoe lief hij het had, door God te vragen hemzelf in plaats van het volk uit Zijn boek te delgen!
Nee, hij heeft heel andere redenen om buiten het leger te gaan wonen. Vanwege de zonde die het volk bedreven had, kon de wolk niet meer neerdalen op het tentenkamp. Daarom, om die kostbare wolkkolom, een beeld van Christus, te 'herwinnen', verliet Mozes â en anderen met hem â het tentenkamp van het volk Israël.
Hebreeën 13 vers 13 zinspeelt op deze geschiedenis. Daar worden we vermaand: "Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats".
Beste jonge vrienden, denk eraan dat veel verlosten aan deze oproep gehoor hebben gegeven. Zij moe(s)ten zich daarom afzonderen van allerlei religieuze vormen en kerkelijke systemen in de christenheid, om daarna in alle eenvoudigheid alleen de tegenwoordigheid van de Heere Jezus te zoeken (Mattheüs 18 vers 20).
Let op Jozua! Hoewel hij een jongeman was, wist hij dat hij alleen écht gelukkig kon zijn door de nabijheid van de Heere niet te verlaten. Dat is een beeld van constante gemeenschap en vreugde die ons deel zijn als wij daar zijn waar de Heere beloofd heeft ook te zullen zijn.
Buiten de legerplaats kon God van aangezicht tot aangezicht tot Mozes spreken (vers 11). En waarover spraken zij? Steeds weer over het arme volk.
Mozes is hier een beeld van Iemand Die veel groter is: de Zoon van God. Hij sprak tot de Vader over hen die God Hem uit de wereld gegeven had (zie Johannes 17).
"Laat mij nu Uw weg weten", bidt de man Gods (vers 13). En hij smeekt dat het aangezicht van de HEERE mee zal gaan met het volk.
Deze twee vragen herinneren ons aan de gebeden van de psalmist: "Maak mij bekend de weg, die ik te gaan heb", en: "Uw goede Geest geleide mij in een effen land" (Psalm 143 vers 8 en 10). Ja, 'U moet Zelf met ons meegaan', smeekt de trouwe voorbidder, 'wij kunnen niet zonder U!'
God verhoort dit smeken. Ons geloof kan nooit te veel van Hem verwachten! Wij verheugen Zijn hart als we grote dingen van Hem verlangen!
Tenslotte heeft Mozes nog een derde verzoek, een vermetele vraag! "Toon mij nu Uw heerlijkheid!" Mozes kon en mocht alleen de "achterste delen zien" (anders gezegd: hij zou de voetsporen van Zijn liefde zien).
Dan denken we aan de vraag van de Heere Jezus aan de Vader dat de Zijnen daar mogen zijn waar Hij is, opdat zij Zijn heerlijkheid mogen aanschouwen (Johannes 17 vers 24). Dát is Zijn grootste wens.
Is dat ook ons verlangen?
Toen Mozes God vroeg hem Zijn heerlijkheid te tonen, verwachtte hij misschien wel een opvallende verschijning, zoals we dat lezen in hoofdstuk 24 vers 10. Maar God toont hem een ander kostbaar iets: "de heerlijkheid van Zijn genade" (Efeze 1 vers 6). Hij openbaart Zich aan Zijn knecht als de barmhartige en genadige God (vers 6).
Genade is verbonden met de Naam HEERE HEERE, die Mozes hier hoort roepen. Het is alsof God wil zeggen: De Naam die Ik draag, verplicht Mij genadig te zijn. Maar laten we letten op twee voorwaarden waardoor het mogelijk is ons te verheugen in die genade!
"Wees bereid tegen de morgenstond" (vers 2), waarschuwt de HEERE Mozes en ook ons. O, de Heere geve ook ons elke morgen de bereidheid in ons hart om die genade te genieten (vergelijk Psalm 63 vers 1 tot en met 4).
De man Gods moet in de kloof van de steenrots staan. De rots is een beeld van Christus Die in onze plaats geslagen werd, maar nu tegen de Zijnen zegt: "Blijft in Mij" (Johannes 15 vers 4).
Toch mag de genade van God ons niet Zijn regering laten vergeten. In vers 7 zien we wel dat Hij de ongerechtigheid vergeeft (dat is genade), maar tegelijkertijd ook dat Hij de schuldige niet voor onschuldig houdt (dat is Zijn onveranderlijke regering).
In hoofdstuk 33 vers 3 heeft God gezegd: "Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk". Maar juist dat was de reden waarom Mozes de tegenwoordigheid van God verlangde (hoofdstuk 34 vers 9).
Voor de tweede keer is Mozes veertig dagen bij de HEERE op de berg. Op grond van wat er gebeurd is, noemt God Zich "een naijverig God" (vers 14).
Hij wil het enige Voorwerp van aanbidding van het volk zijn. Niet dat de afgoden Hem enige schade zouden kunnen toebrengen. Want welke rivaliteit zou er kunnen bestaan tussen de Schepper en de goden van goud, steen en hout, het werk van mensenhanden?
Maar Hij is de "IJveraar", omdat Hij weet dat het geluk van
de Zijnen alleen in Hem gevonden wordt, door Hem lief te
hebben. In afgoden zal de mens altijd teleurgesteld worden.
Hij is ook de "IJveraar", omdat hun zwakke liefde zo'n grote waarde heeft voor Zijn hart. De eerste Brief van Johannes die het meest over de liefde van God schrijft, besluit met de vermaning: "Kinderkens, bewaart uzelf van de afgoden!"
De bewoners van het land zullen jullie tot een valstrik worden, waarschuwt God. Want Hij kent die strik, maar ook onze neiging om ten val te komen (vers 12).
Daarom voegt Hij eraan toe dat zij zich niet moesten laten uitnodigen (vers 15). Laten we de moed hebben om uitnodigingen van kameraden of collega's uit de wereld af te slaan. Of â nog beter zelfs! â laten we ons zo gedragen dat niemand er belang bij heeft of er zelfs maar aan denkt, ons uit te nodigen (1 Koningen 1 vers 9 en 10)!
In verband met Zijn rechten herhaalt de HEERE hier nog eens enkele verordeningen uit de hoofdstukken 21 tot en met 23.
Het is onmogelijk met God in verbinding te staan en de openbaringen van Zijn genade te genieten, zonder dat dit ook uiterlijk zichtbaar wordt.
Het gezicht van Mozes straalde, hoewel hij dat zelf niet wist. Zo moet elk kind van God door zijn blij gezicht aan z'n omgeving laten zien welk geluk hij bezit. Ja, laat het zo zijn dat de wereld iets van de weerspiegeling van de liefde van de Heere Jezus aan ons zal zien!
Paulus legde aan de Korinthiërs uit waarom Mozes zijn gezicht bedekte. Vóór de komst van de Heere Jezus hier op aarde kon de zondige mens zelfs de weerspiegeling van de Goddelijke heerlijkheid niet verdragen. Die moest bedekt blijven.
Deze bedekking is "door Christus te niet gedaan". Want sinds de Heere Jezus gekomen is, is God in de volle heerlijkheid van Zijn genade te zien in Christus. Zo mogen wij in geloof, met ongedekt aangezicht, de Heere Jezus zien en worden we, in geestelijk opzicht, stap voor stap veranderd tot Zijn heerlijk beeld (2 Korinthe 3 vers 14 en 18).
Een ander voorrecht van Mozes was: "met Hem te spreken". Deze uitdrukking vinden we drie maal in dit korte Schriftgedeelte. Wat een eer voor deze man Gods en wat een bewijs van vertrouwen!
Bestaat er niet een nauw verband tussen het spreken met de HEERE en een stralend gezicht? God geve ons dat zowel het een als het ander bij ons gevonden mag worden!
Nu zal de tabernakel gebouwd worden. Bij deze aangelegenheid worden de verschillende bestanddelen die daarvoor nodig zijn, voor de tweede keer opgenoemd. In zekere zin om ons eraan te herinneren dat het één ding is, iets te weten, maar dat het dóen een tweede zaak is.
Vóórdat er met het werk wordt begonnen, is er nog sprake van de sabbat (vers 1 tot en met 3). Voordat we welke dienst dan ook kunnen doen, moeten we in de tegenwoordigheid van de Heere geweest zijn, moeten we in alle rust bij de Heere gezeten hebben om doordrongen te worden van onze afhankelijkheid.
Aan de voeten van de Heere Jezus leerde Maria hoe zij Hem kon dienen (Lukas 10 vers 39). Daardoor wist zij op het juiste moment met haar zalfolie te komen (vergelijk Exodus 35 vers 8) en die uit te gieten over de voeten van haar Meester (Johannes 12 vers 3).
Laten we letten op de vele verschillende dingen die de Israëlieten moesten brengen. Van goud en kostbare stenen tot en met nagelen, pinnen en zelen (touwen), om stevigheid aan het bouwwerk te geven (de waarheid staande te houden).
In deze lange lijst kon ieder wel iets vinden wat hij bij kon dragen aan de bouw van de tabernakel. Ook wij allen die de Heere kennen, kunnen door een dienst iets bijdragen tot opbouwing van de gemeente.
Een in alle stilte gedane dienst van barmhartigheid in blijmoedigheid (Romeinen 12 vers 8), dagelijkse gebeden voor het getuigenis â een ieder is hiertoe in staat. En daarin vindt de Heere een welgevallen.
De Israëlieten konden alleen datgene brengen wat ze niet voor die tijd al gegeven hadden voor het gouden kalf (zie hoofdstuk 32 vers 3). Ook wij kunnen alleen dat ter beschikking stellen voor de dienst van de Heere wat wij niet eerst voor de wereld gebruikt hebben. Laten we daarom oppassen dat we de tijd van onze jeugd niet verspillen!
Wie kwamen er om te geven? Ieder "wiens hart hem bewoog, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte". Dát is het belangrijkste. Liefde tot de Heere, tot de gemeente en tot de naaste, zijn de belangrijkste voorwaarden voor de uitoefening van een dienst en om onze gaven te brengen. Wat niet uit liefde gedaan wordt, wordt over het algemeen niet goed gedaan.
Bepaald werk, zoals bijvoorbeeld spinnen, kon thuis in gezinsverband gebeuren. Laten we niet denken dat als we een werk voor de Heere willen doen, dit altijd als evangelist of zendeling in het buitenland moet zijn!
Laten we ook op de dienst van de vrouwen letten. Al waren misschien niet allen "wijs van hart" (vers 25 en 26), toch konden ze allemaal, evengoed als de mannen, "vrijwillig" (vers 29) vanuit een bewogen hart (vers 26) iets voor het heiligdom doen of geven (vergelijk Titus 2 vers 5).
De één werkte de Heere het in het hart om te onderwijzen (vers 34). Moge Hij het anderen op het hart binden te luisteren! Zo kan er door ieder een "redelijke godsdienst" gedaan worden.
In het Evangelie naar Markus vinden we een korte gelijkenis waarin we de heer des huizes zien als een beeld van de Heere Jezus. Nadat hij elk van zijn knechten zijn werk had opgedragen, ging hij op reis (Markus 13 vers 34 tot en met 36). Welk werk wordt ons verder niet meegedeeld, behalve het werk dat de deurwachter te doen heeft. Maar de Heere heeft aan ieder afzonderlijk een opdracht gegeven, die overeenkomt met zijn of haar leeftijd en capaciteiten. In een andere gelijkenis, die van de talenten, zien we dat de heer van zijn knechten rekenschap vraagt als hij terugkomt. Sommigen zullen een beloning krijgen, terwijl anderen beschaamd zullen staan (Mattheüs 25 vers 14 tot en met 30).
Zal ieder van ons gedaan hebben wat de Heere van hem of haar verwachtte?
In het Schriftgedeelte voor vandaag lezen we dat vele offergaven te laat kwamen. Het tijdstip om een bepaald werk te doen of een gave te brengen, was voorbij. Misschien waren er die hard gewerkt hadden, maar niet op het juiste moment. Ze hadden niet direct gereageerd door aan het werk te gaan.
Als we iets niet direct doen, heeft het op een later tijdstip, als we er wel aan beginnen, vaak geen zin meer. Het is dan te laat; de gelegenheid is voorbij. Dit is een heel belangrijke les voor ons!
Aan het einde van vers 13 staat: "... dat het een tabernakel werd". Het werd één geheel. "Eén lichaam is het", lezen we in Efeze 4 vers 4. Zó ziet God de gemeente als één geheel, ondanks alle scheuringen in kerken en kringen in de christenheid.
Nadat al het materiaal bij elkaar gebracht was, konden de aangewezen arbeiders met de bouw van de tabernakel beginnen. Hierin zullen we voorbeelden en lessen voor onszelf ontdekken.
In de eerste plaats worden de vier bedekkingen, de tentkleden, genoemd. Als de priester in het heiligdom was, kon hij de eerste en mooiste bedekking daarbinnen in het licht van de kandelaar zien. Zo kunnen de verschillende heerlijkheden van de Heere Jezus alleen in het licht van de Heilige Geest en in de tegenwoordigheid van God gezien en geëerd worden.
De buitenkant van de tabernakel, de vierde bedekking van dassenvellen, had daarentegen niets aantrekkelijks voor het oog. Hoe anders was en is dat bij vele tempels uit de oudheid en bij vele religieuze gebouwen vandaag de dag! Deze vierde bedekking herinnert ons aan Hem Die "geen gedaante noch heerlijkheid" had en Die nooit iets deed om eer van mensen te ontvangen (Jesaja 53 vers 2 en Johannes 5 vers 41).
O, dat God ons moge bewaren voor contact met de wereld en haar gezindheid! Dat we niet verlangen naar haar vergankelijke pracht en praal. En dat we niet de wens hebben meer te willen zijn dan onze Heere hier op aarde geweest is.
De planken die vaststaan op zilveren voeten, zijn een beeld van de verlosten. We worden daarbij herinnerd aan de woorden van de apostel: "Staat alzo in de Heere, geliefden!" (Filippi 4 vers 1).
De prachtige voorhang die het heilige scheidde van het heilige der heiligen, werd gedragen door vier pilaren. De mensheid van Christus, zoals we die zien in de vier Evangeliën, is voor ons een onuitputtelijk onderwerp van bewondering en aanbidding. Hij is de Messias van Israël (Mattheüs), de gehoorzame Dienstknecht (Markus), de Zoon des Mensen (Lukas) en de Zoon van God Die van de hemel neerdaalde (Johannes).
Elke draad van hemelsblauw, purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, toont ons iets van de volmaakte karaktertrekken van Zijn mensheid. Iedere draad was nauw verbonden met de andere; het leven van de Heere Jezus vormt één heerlijk geheel!
Dit leven â hoe heerlijk ook! â kon ons echter niet tot God brengen. Het toonde ons in tegendeel juist hoe diep onze ellende was. Daarom was Zijn dood nodig. Als zichtbaar teken scheurde God de voorhang van de tempel van boven tot beneden op hetzelfde moment dat de Heere Jezus Zijn leven gaf op het kruis. Zo werd voor de aanbidder "een verse en levende weg" tot God gebaand (Hebreeën 10 vers 20).
Dan worden de ark en de tafel voor de toonbroden gemaakt. De handbomen waarmee zij door de woestijn werden gedragen, herinneren ons aan de weg die de Heere Jezus hier op aarde ging.
Ze waren overtrokken met goud, waarbij wij denken aan Jesaja 52 vers 7: "Hoe lieflijk zijn ... de voeten van hem, die het goede boodschapt".
Nu volgt de gouden kandelaar van dicht (gedreven) werk. De schacht, armen, schaaltjes, knoppen en bloemen "waren uit hem".
God verheugt Zich in het herhalen van de kleinste details van alle schoonheid en volmaaktheid (het getal zeven) die van de kandelaar uitstraalt. Het is een beeld van Christus Die niet één van Zijn heerlijkheden voor ons wil verbergen.
Maar laten we niet vergeten dat de kandelaar gemaakt is van gedreven goud en dat hij brandt (z'n licht laat schijnen) op gestoten olijfolie (hoofdstuk 27 vers 20). Deze twee dingen wijzen ons op het lijden van Hem Die als het ware Licht in de duisternis is gekomen en niet aangenomen werd. Verworpen door de wereld straalt Hij nu in het heiligdom, waar de Zijnen Hem in geloof mogen aanschouwen.
Het gouden reukaltaar dat ook in het heiligdom voor de voorhang stond, is een beeld van de Heere Jezus als Middelpunt van de dienst voor God. In Zijn Naam mogen we tot God naderen om te aanbidden, maar ook om voorbede te doen. Het reukwerk dat op het reukofferaltaar geofferd werd, was "het werk van de apotheker, gemengd, rein, heilig" (zoals we zagen in hoofdstuk 30 vers 34 tot en met 38).
De verschillende welriekende specerijen waarvan het gemaakt werd, spreken van de volmaaktheden van de Zoon van God en van de waarde hiervan voor de Vader. Wij mogen de Vader deze volmaaktheden 'aanbieden', dat wil zeggen: de Vader vertellen hoe volmaakt Zijn Zoon is, en wat wij in Hem gevonden hebben.
Ook de heilige zalfolie werd volgens de voorschriften van hoofdstuk 30 toebereid.
Het koperen altaar herinnert ons eraan hoe God ons in onze zondige toestand tegemoet trad op het kruis. Veel gelovigen worden echter verontrust over de zonden die ze ná hun bekering gedaan hebben. Kunnen die hen van hun heil beroven?
Nee, God zij geloofd en geprezen! De Heere Jezus heeft tegen Petrus gezegd: "Die gewassen is," â en dat is bij de gelovige eens en voor altijd gebeurd â "heeft niet van node, dan de voeten te wassen." (Johannes 13 vers 10).
Het wassen van de voeten, na het lopen over de weg, en de handen vóór de dienst, gebeurde in het koperen wasvat. Dit was gemaakt van hetzelfde materiaal als het altaar. Dat wil zeggen dat de verzoening van de zonden die we ná onze bekering gedaan hebben, Hem evenveel gekost heeft, als de verzoening van de zonden die we vóór onze bekering bedreven hebben. Maar wij kunnen (en moeten) onze zonden wel aan God belijden, aan Hem Die trouw en rechtvaardig is om ze op grond van het werk van Christus te vergeven (1 Johannes 1 vers 9).
De verzen 9 tot en met 20 vertellen ons over de inrichting van de voorhof. Daarbij willen we speciaal wijzen op de afmetingen van de poort (vers 18): twintig ellen = ongeveer tien meter.
Dit is een treffend beeld van de deur van de genade, die wijd openstaat voor de arme zondaar. Het evangelie biedt ruimschoots de gelegenheid aan ieder die toevlucht wil nemen tot het kruis (het koperen altaar)!
Zijn allen die dit lezen, al door deze deur naar binnen gegaan?
God laat door de hand van de Levieten een nauwkeurige lijst opstellen van alles wat voor Zijn woning gedaan en gegeven werd. Hij vergeet niets, van de gewoonste paal tot en met het kleinste haakje, want Hij weet wat het de gever gekost heeft.
Toen de Heere Jezus bij de schatkist van de tempel zat en zag wat de mensen daarin wierpen, lette Hij speciaal op de twee kleine penningen van de weduwe. Deze waren voor Hem van grote waarde! Want deze penningen, die "haar ganse leeftocht" waren, gaven aan dat zij van alles afstand had gedaan (Markus 12 vers 41 tot en met 44).
Het wasvat waarover we gisteren lazen, spreekt ons van eenzelfde opoffering. Het was gemaakt van de spiegels van de vrouwen die Mozes gevolgd waren tot "voor de deur van de tent der samenkomst" (vers 8).
De tegenwoordigheid van God en de interesse voor Zijn woning had het hart van deze vrouwen bewogen. Daarom zagen ze niet alleen af van een voorwerp van ijdelheid, maar waren ze ook niet langer alleen met zichzelf bezig (Mattheüs 16 vers 24 en 25). Ook dat is waardevol voor God en Hij haalt het aan in Zijn Woord.
Uit "het zilver van de getelden" werden de voeten van de pilaren en planken gemaakt. Zo is alles gegrondvest op de wonderbare verlossing waarvan het zilver een beeld is (zie Numeri 3 vers 48). Daarop mag iedere verloste zich persoonlijk beroepen en steunen om staande te blijven.
Bij de beschrijving van de heilige kleding van Aäron vinden we één detail in vers 3 dat we niet terugvinden in hoofdstuk 28: tussen de draden van de efod moesten gouddraden geweven worden.
De Goddelijke heerlijkheid van onze grote Hogepriester straalt door de trekken van Zijn heilig mens zijn heen. Aanschouw Hem in de Evangeliën! Hij slaapt en even later brengt Hij de wind en de golven tot zwijgen. Hij weent bij het graf in Bethanië, maar dan wekt Hij Lazarus op. Hij betaalt de tempelbelasting, maar met geld uit de bek van een door Hem geschapen vis.
Bij elke stap en gelegenheid zien we het goud van Zijn Goddelijke heerlijkheid stralen. Zowel in de gewone dagelijkse dingen van Zijn leven, maar ook in Hem als "de Man van smarten".
Deze karaktertrek die onlosmakelijk verbonden is met de heerlijkheden van de Heere Jezus, wordt door de gouden ketentjes, kastjes en ringen, die alle onderdelen van de kleding aan elkaar verbonden, benadrukt. Men kan niet zomaar één stuk wegnemen. Dat wil zeggen dat ook niet aan één van de waarheden betreffende de heerlijke Persoon van onze Heere getwijfeld kan worden, zonder iets van Zijn heerlijkheid 'weg te nemen'.
Helaas moeten we in de geschiedenis van de christenheid constateren dat er mannen geweest zijn die er niet voor terugdeinsden dit te doen.
God geve ons een geestelijk begrip en een aanbiddende vreze in het hart om alle heerlijkheden en volmaaktheden waarmee de Heere Jezus bekleed is, te erkennen!
In de hoofdstukken 39 en 40 komt één uitdrukking steeds weer terug: "Zoals de HEERE aan Mozes geboden had". Er werd niets aan de fantasie van hen die het werk uitvoerden, overgelaten.
Zo is het nu ook met de christelijke eredienst. De Bijbel onderwijst ons over alles wat we moeten weten, om God op de door Hem gewenste wijze te aanbidden.
Zou het niet van ongehoorzaamheid en aanmatiging getuigen, als wij iets aan Zijn onderwijs willen toevoegen of het willen vervangen door iets wat ons beter lijkt? Met welk recht willen wij beslissen over datgene wat God toekomt?
Laten we op de christelijke religies letten, op haar geestelijken, haar organisaties, haar imponerende ceremoniën! Deze dingen heeft God niet "geboden"! En om die reden kan de gelovige die Gods Woord kent, zich daarmee niet verbinden.
In tegenstelling tot alle geboden in het Oude Testament (waarvan we een deel vinden in het Bijbelboek waar we ons nu mee bezighouden), is de dienst van de "ware aanbidder" voor de Vader een dienst "in geest en waarheid" (Johannes 4 vers 23 en 24).
De uiterlijke vormen van een religie naar het vlees en alle ceremoniën zijn terzijde gesteld en vervangen door de werking van de Heilige Geest. Daarom hebben we in onze diensten geen afbeeldingen van iets nodig, maar richten we ons oog en hart op de eeuwige dingen.
Mozes wordt opgeroepen om op de eerste dag van de eerste maand de tabernakel met alles wat daarin hoort, op te richten. Het is een beeld van de nieuwe betrekking van God tot Zijn volk. Alles was nieuw gemaakt en God Zelf had voor alles gezorgd.
Nu is het alleen nog nodig de priesters voor te stellen: "Gij zult ook Aäron en zijn zonen doen naderen" (vers 12 en 14).
Daarbij gaan onze gedachten uit naar hem die een grote
avondmaaltijd aanrichtte en zijn knecht liet uitroepen:
"Komt, want alle dingen zijn nu gereed" (Lukas 14 vers 17).
Het heiligdom was klaargemaakt voor de aanbidder. Maar ... ook de aanbidder moest gereed (geschikt) zijn voor het heiligdom. Daarom: "Gij zult hen met water wassen ... en zult hun de rokken aantrekken. En gij zult hen zalven". Gereinigd, gerechtvaardigd en volmaakt â zo mogen ook wij het heiligdom betreden.
Nu begon de dienst voor de priester, maar ... in de juiste volgorde! Het koperen altaar, het wasvat, het ingaan in het heiligdom, het welriekend offer op het gouden reukaltaar.
Zouden wij achter kunnen blijven wanneer God tegen ons zegt dat we tot Hem mogen naderen? Wanneer onze grote Hogepriester, de ware Aäron, Zijn zonen invoert in het hemels heiligdom met de woorden: "Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft" (Hebreeën 2 vers 13)?
Tot in het kleinste detail werd het heiligdom met de voorwerpen voor de dienst voorbereid en elk voorwerp op zijn eigen plaats gesteld. "Alzo voleindigde Mozes het werk" (vers 33).
Mozes doet ons denken aan Hem Die tot de Vader kon zeggen: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen" (Johannes 17 vers 4). Maar de trouw van Mozes in het hele huis van God, waaraan Hebreeën 3 vers 2 ons herinnert, verbleekt bij de trouw van de Zoon "Die getrouw is aan Hem, Die Hem gesteld heeft".
Hij heeft de Vader geopenbaard, Zijn 'broeders' geheiligd en 'de ware tabernakel' opgericht waarvan Hij de Hogepriester is geworden. Hij heeft een nieuw verbond, zonder zichtbare of materiële dingen, ingesteld, op grond waarvan wij nu God kennen en tot Hem naderen en Hem dienen.
Het overdenken van het wonderbare huis van God, waarmee het Boek Exodus wordt afgesloten, heeft ons het werk van Christus, met alle heerlijke gevolgen vanuit verschillende gezichtspunten bezien, aanschouwelijk gemaakt. Het eerste gevolg van dat werk is dat God uit de heerlijkheid neerdaalt om bij Zijn volk te wonen (vers 34 en 35). Zo is op grond van het volbrachte werk van Christus, God de Heilige Geest op de pinksterdag naar de aarde gekomen om te wonen in de gemeente.
Volgens Efeze 2 vers 22 is zij "een woonstede Gods in de Geest". Sindsdien is Hij daar, ondanks het verval, als Goddelijke Gids aanwezig en leidt Hij het volk van God, zoals de wolk op de tabernakel het volk Israël leidde.
Voor hen die de Goddelijke 'sleutel' tot dit derde Boek van Mozes niet bezitten, is het een gesloten Boek. Deze 'sleutel' is Christus, want in dit Boek worden de vele zijden van Zijn offer belicht en zien we Hem als Hogepriester.
De gelovige kent één Offer dat "eenmaal" gebracht werd, maar volkomen toereikend is (Hebreeën 10 vers 10). Om de verschillende zijden van het offer van Christus te beschrijven, toont de Geest van God ons een veelvoud van elkaar aanvullende beelden.
Het brandoffer wordt het eerst genoemd, omdat het Gods aandeel in het werk van Christus voorstelt. Het wordt in het Nieuwe Testament in verschillende tekstplaatsen aangehaald (bijvoorbeeld in Johannes 10 vers 17, Efeze 5 vers 2 en Filippi 2 vers 8).
Laten ook wij, wanneer we ons met het kruis bezighouden, in de eerste plaats denken aan de welgevalligheid die God vond in de Persoon en in het werk van Zijn heilige Zoon. Daarna mogen we ook aan het heil dat ons ten deel is gevallen, denken.
Er konden drie soorten offerdieren gebracht worden. We zien dat er enkele verschillen bestaan in de manier van offeren. Alleen het offer van vee werd bijvoorbeeld in stukken verdeeld en op het altaar geschikt. Toch ging het in alle gevallen om "een liefelijke reuk voor de HEERE".
Het Offer onderging op het kruis het vuur van het oordeel. De uitwerking hiervan was dat de voortreffelijkheid van Hem Die "Zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd heeft" (Hebreeën 9 vers 14), in alle details naar voren kwam.
Terwijl het brandoffer van de liefelijke reuk van Christus in Zijn dood spreekt, wijst het spijsoffer op de volmaaktheid van Zijn leven als Mens op aarde. Daarom vinden we bij dit offer ook geen offerdier of bloed. Nee, het bestond uit meelbloem, olie, wierook en zout.
De fijngemalen tarwekorrel duidt op de Mensheid van de Heere.
Het lichaam van de Heere werd door de Heilige Geest gevormd (wat voor ons een grote verborgenheid is) en Hij werd met de Geest gedoopt: met olie gemengd en gezalfd.
Toen Hij zowel op zichtbare als op verborgen wijze door lijden werd beproefd (= door de hitte van de ketel, de pan of de oven), steeg voor de Vader een liefelijke reuk omhoog.
De gelovige spreekt in zijn aanbidding tot God over dit volmaakte leven van de Heere Jezus, maar hij voedt zich daar ook mee. Laten we het leven van deze wonderbare Mens toch onderzoeken in de Evangeliën! Zijn afhankelijkheid, geduld, vertrouwen, zachtmoedigheid, wijsheid, goedheid en overgave! Dit alles veranderde zelfs in Zijn diepste lijden niet. Het zijn wonderbare onderwerpen waar het met wierook bestrooide spijsoffer ons aan herinnert. Het was "een heiligheid der heiligheden" (vers 3 en 10).
Er mocht geen zuurdeeg (een beeld van de zonde), noch honing (een beeld van menselijke genegenheden) aan het spijsoffer toegevoegd worden. Het moest echter wel zout bevatten. Zout spreekt ons van afzondering voor God en het bewaren voor bederf. Dat was het kenmerk van het leven van de Heere Jezus; en het mag ook in ons leven niet ontbreken (Markus 9 vers 50; Kolosse 4 vers 6).
Ook het dankoffer (of: vredeoffer) spreekt van het werk van Christus, maar nu vanuit het gezichtspunt van gemeenschap, vreugde en vrede, die wij door Zijn offer mogen genieten.
De Heere Jezus is niet alleen gekomen om de Vader in Zijn leven (het spijsoffer) en in Zijn dood (het brandoffer) te verheerlijken en onze zonden weg te doen (het zondoffer waarover we lezen in hoofdstuk 4), maar ook om ons in een nieuwe verbinding, in gemeenschap met God te brengen.
Onze geliefde Heiland heeft Zich er als het ware niet tevreden mee gesteld, ons alleen maar te bevrijden van het eeuwig oordeel. Nee, Hij wil ons ook nu al gelukkig maken!
Evenals bij de andere offers was het vet bestemd voor de HEERE en werd het op het altaar verbrand. Vet is een beeld van innerlijke kracht, van de wil die het hart regeert. In de Heere Jezus was deze kracht volkomen aan God toegewijd. Zijn wil was het, uitsluitend te doen wat de Vader welgevallig was (Johannes 6 vers 38 en 8 vers 29).
Zo'n offer kon niets anders dan een liefelijke reuk voor God zijn (vers 5 en 16).
Wat een voorrecht voor ons die de Heere Jezus mogen kennen, dezelfde "spijs" als de Vader te hebben (vers 11 en 16) en uitgenodigd te zijn aan Zijn tafel om Zijn vreugde en Zijn gedachten over Zijn geliefde Zoon met Hem te delen!
"Opdat ... onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus", zegt de apostel (1 Johannes 1 vers 3).
Het zondoffer is, met het schuldoffer, het laatste in de reeks van de heilige offers. Het eerste offer was het brandoffer: Gods zijde in het werk van Christus. Het laatste houdt zich bezig met de behoeften van de zondaar.
Het is duidelijk dat voor ons de omgekeerde volgorde geldt. Wij moeten eerst met Hem te doen hebben Die aan het kruis leed en stierf om onze zonden weg te doen, vóórdat wij de vrede en vreugde van het dankoffer kunnen genieten, vóórdat we begrijpen wat de Heere Jezus in Zijn leven en sterven voor God betekende.
Het bloed werd de tent der samenkomst binnengebracht, als bewijs voor God van het volbrachte werk. Voor de zondaar was dit het teken dat het offer aangenomen was. Het vet werd op het altaar verbrand, een teken dat God bevredigd is door de gehoorzaamheid van het offer, van Christus.
Tenslotte moest de rest van het offerdier dat voor de zonde geslacht was, buiten het leger gewoon verbrand (vernietigd) worden, terwijl het vlees van het brandoffer op het altaar tot een liefelijke reuk verbrand en het vlees van het dankoffer gegeten werd door degene die het offer bracht.
De Heere Jezus heeft vanwege onze zonden die Hij op Zich nam, "buiten de poort geleden" (Hebreeën 13 vers 12), ver verwijderd van de tegenwoordigheid van God Die heilig is.
Bij het verbranden van het vet en het reukwerk vinden we de uitdrukking: "tot een liefelijke reuk voor de HEERE". In het Schriftgedeelte voor vandaag staat alleen maar "verbranden". Daarbij mogen we denken aan de vuurgloed van het oordeel die ons volmaakte Offer heeft verteerd.
Veel mensen denken dat zij vanwege de fouten (de zonden) die zij onbewust gemaakt hebben, eigenlijk niet schuldig staan voor God. Zij gaan ervan uit dat God hen hun onwetendheid niet kan toerekenen, dat Hij met hun 'goede wil' rekening moet houden. Dit is een noodlottige misvatting!
Als God voor de onopzettelijk begane zonden in een offer moest voorzien, is dat een bewijs dat zelfs de onwetende zondaar schuldig staat voor Hem.
Onze Nederlandse wetgeving is overigens net zo streng. Onwetendheid beschermt niet voor straf. Zelfs een ongewilde overtreding van het wetboek maakt mij strafbaar.
Zonde blijft in het heilig oog van God zonde. Daar doet mijn onverschilligheid of mijn mening niets vanaf. Maar als elke zonde dan veroordeling met zich mee brengt, mag ik ook weten dat er voor elke zonde een offer is. Niets minder dan het geweldige werk aan het kruis was nodig om die enorme beledigingen van God, veroorzaakt door mijn bewuste én onbewuste zonden, te niet te doen. Of het nu om zonden gaat die ik me nog kan herinneren, of om zonden die ik al lang vergeten ben.
Door het leggen van de hand op het offerdier ging de zonde van hem die het offer bracht, over op het dier. Hij gaf daarmee aan, schuldig te staan en zelf de dood verdiend te hebben, als niet het offerdier zijn plaats in zou nemen.
Dat dier moest nu de zonde dragen en in zijn plaats sterven. Dat is wat de Heere Jezus, onze volmaakte Plaatsvervanger, voor ons heeft gedaan.
De gezalfde priester moest voor zijn zonde een var offeren (vers 3) en een overste een geitenbok (vers 22 en 23), terwijl iemand uit het volk een geit of een lam moest brengen (een wijfje; vers 28 en 32).
Zij die tot een voorbeeld moeten zijn voor anderen, hebben een grotere verantwoordelijkheid. Dit komt tot uitdrukking in het offerdier. Maar voor God "hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods" (Romeinen 3 vers 23).
Of men nu hoog op de sociale ladder staat of helemaal onderaan, of men geëerd of veracht wordt, of men tot criminelen of tot eerbare burgers behoort, voor alle mensen bestaat er slechts één classificatie: ze zijn verloren zondaren.
Gelukkig heeft God in Zijn ondoorgrondelijk erbarmen een nieuwe categorie geschapen: verloste zondaren. Allen heeft Hij besloten onder ongeloof en ongehoorzaamheid om aan allen genade te kunnen bewijzen (Romeinen 11 vers 32).
Let eens op de uitdrukking in vers 23 en 28: "Of men zijn zonde ... aan hem zal bekend gemaakt hebben". Dat is een beenwijzing naar de moeilijke dienst van de voetwassing. Deze bestaat daarin dat men een andere gelovige helpt zijn fouten in te zien en te veroordelen (Johannes 13 vers 14).
"En het zal hem vergeven worden", lezen we telkens aan het einde van een gedeelte. Dat is het antwoord van God dat Hij op grond van het volbrachte werk van Zijn geliefde Zoon geeft aan de zondaar die berouw heeft.
De verzen 1 tot en met 4 geven ons enkele voorbeelden van zonden die door een offer weggedaan moeten worden. Het gaat om daden die wij misschien helemaal niet zo erg zouden vinden. Toch is het Woord van God, de toetssteen van ons geweten, ook wat deze dingen betreft heel duidelijk.
Het Woord veroordeelt hem die nalaat iets te zeggen, die iets onreins heeft aangeraakt, of die een onbezonnen woord heeft uitgesproken.
Men kan zich dus schuldig maken door te zwijgen (vers 1), of juist door het tegenovergestelde, door te veel te praten (vers 4).
In beide gevallen is er eerst belijdenis (vers 5) nodig en moet men de toevlucht nemen tot een offer (vers 6). Dat is ook de weg die 1 Johannes 1 vers 9 voorschrijft aan de gelovige die gezondigd heeft.
Er is alleen dit grote verschil, dat er nu niet opnieuw geofferd hoeft te worden. God ziet het bloed van Jezus Christus al, zodat onze belijdenis voldoende is. God is dan "getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid".
De verzen 7 tot en met 13 laten ons zien dat er verschil bestaat tussen de mensen. De één bezit meer dan de ander en kan daarom ook meer offeren. De één kon een lam brengen, de ander maar twee tortelduiven. En de derde slechts een handje vol meelbloem.
We kunnen niet allemaal op gelijke wijze het werk van Christus op zijn waarde schatten. Wat belangrijk is, is de volmaakte waarde die Zijn offer voor God heeft.
Ook de Israëliet die nog zo punctueel was, moest steeds bang zijn per vergissing een zonde te begaan en die te vergeten. Hij had nog maar nauwelijks een duur offer gebracht, of hij moest vanwege zijn ontrouw al weer een ander dier offeren.
Helaas zijn er nu, ondanks de vele beloften in het Woord van God, nog steeds christenen die in dezelfde vrees leven. Ze menen dat hun heil afhankelijk is van hun eigen â ongetwijfeld oprechte â inspanningen. En ze denken door goede werken en boetedoeningen God tevreden te moeten stellen. Maar ze weten nooit zeker of het wel voldoet.
Dit is heel triest, want door deze handelwijze miskennen ze de volheid van de Goddelijke genade! Wat mogen wij ons toch gelukkig prijzen, wanneer we van deze angst bevrijd zijn en weten dat de Heere Jezus alles voor ons gedaan heeft!
Het Schriftgedeelte voor vandaag maakt onderscheid tussen zonden tegen God (vers 16 en 17) en zonden tegen de naaste (hoofdstuk 6 vers 2 en 3). Vaak worden we van de eerste niet zo onrustig en angstig als van de tweede soort. Dat zou juist omgekeerd het geval moeten zijn!
Overigens moest niet alleen het onrecht tegen de naaste weer goed gemaakt worden, maar moest men ook een offer aan de HEERE brengen (vers 6; zie ook Psalm 51 vers 6).
Toch was het ook niet voldoende, de zaak alleen met God in het reine te brengen. Op de dag waarop het schuldoffer gebracht werd, moest de offeraar het ook met de naaste in orde maken (vers 5b). Dat had Zacheüs op die bewuste dag, waarop de Heere Jezus in zijn huis kwam, heel goed begrepen (Lukas 19 vers 8).
Het is heel opvallend en bewonderenswaardig dat de vier grote offers verwijzen naar de vier gezichtspunten waaruit de Evangeliën ons het werk van Christus voorstellen.
In het Johannesevangelie is de Heere Jezus het heilige brandoffer; Hij Die geliefd werd door de Vader, omdat Hijzelf Zijn leven aflegde (Johannes 10 vers 17 en 18).
Lukas laat ons het leven van de volmaakte Mens bewonderen, waarvan het spijsoffer spreekt.
Markus stelt de Dienstknecht van God voor; daarvan is het dank- of vredeoffer een beeld.
En Mattheüs wijst ons op Hem Die Zijn volk verlossen zal van hun zonden (Mattheus 1 vers 21). Dit spreekt dus van het zondoffer.
Deze vier offers vinden we nog eens vermeld in de hoofdstukken 6 en 7 van Leviticus. Het gaat dan om de wetten, dat wil zeggen, om de manier waarop de priester deze offers moest brengen.
Het brandoffer was een "gedurig" offer (vers 13), het spijsoffer "een eeuwige inzetting" (vers 18). Gisteren zagen we de vrees van de Israëliet, omdat hij er nooit zeker van was of hij door het 'voortdurend' offer volmaakt geworden was.
Hoofdstuk 10 van de Brief aan de Hebreeën laat ons zien dat ook de priester nooit tot rust kwam. Hij "stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtoffers dikwijls offerende", maar dan zien we in het volgende vers de Heere Jezus voorgesteld Die "een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende", Zich voor eeuwig gezet heeft "aan de rechterhand Gods" (Hebreeën 10 vers 1, 11 en 12).
De Romeinenbrief vertelt ons dat God Zich met twee dingen moest bezighouden: het probleem van de zonden (tot en met hoofdstuk 5 vers 11) en van de zonde (vanaf hoofdstuk 5 vers 12 tot en met hoofdstuk 8).
God moest zowel de boom als de vruchten vervloeken, dat wil zeggen: zowel de zonde die onze natuur is, alsook de vruchten die we voortbrengen.
God eiste zowel een schuldoffer (voor de begane daad), als een zondoffer (voor de oorsprong van de daad). Maar God laat ook zien dat het werk van Christus aan beide eisen voldoet.
De wet van het dankoffer toont de voorwaarden waarop een gelovige gemeenschap met de Heere Jezus en andere gelovigen kan hebben. Het gaat om een dankoffer (vers 12; 1 Korinthe 10 vers 16) dat vrijwillig en met blijdschap gebracht werd (vers 16). Daarbij moest elk contact met onreinheid vermeden worden (vers 21).
De zondoffers werden gebracht, omdat men niet rein was, terwijl alleen de Israëlieten die rein waren, aan het dankoffer mochten deelnemen (vers 19).
Wie het vlees van het zondoffer aanraakte, werd heilig (hoofdstuk 6 vers 27), maar omgekeerd, verontreinigde elke onreinheid het dankoffer!
Wij letten bij onze voedingsmiddelen altijd goed op de hygiëne. Laten we er nog veel meer op toezien dat geen enkele onreinheid de gemeenschap met God en als gelovigen onderling, waarvan dit offer een beeld is, kan verstoren!
Het dankoffer, een beeld van de gemeenschap van de verlosten met God en met elkaar, was het enige offer waarvan ieder zijn deel kreeg.
Het vet en het bloed waren voor God, wat ons herinnert aan Zijn rechten op onze toewijding en ons leven.
Aäron en zijn zonen kregen de beweegborst en de hefschouder (vers 34), een beeld van de genegenheden en de kracht van de verlosten, die voor Christus en de Zijnen zijn. Daarin vond de aanbidder ook zelf zijn spijze.
Laten we erop letten dat het voedsel van het dankoffer door de priester werd aangereikt. De geestelijke energie die een gelovige voor de dienst van de Heere nodig heeft, vloeit voort uit de gemeenschap die hij met de Heere heeft.
De beide Brieven aan de Korinthiërs bevestigen dit. De eerste Brief gaat namelijk over de gemeenschap en de tweede over de dienst.
Onze dienst zal alleen nuttig en gezegend zijn in de mate waarin we ons met het volmaakte dankoffer voeden, en waarin we het voorbeeld van de Heere Jezus navolgen door onszelf, onze lichamen te stellen "tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande" (Romeinen 12 vers 1).
In datzelfde hoofdstuk zien we ook dat dit het geheim is om tot het inzicht te komen "welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God is" (vers 2). Het is ook het geheim om die wil met vreugde te vervullen (vers 3 tot en met 8).
Nadat we in de eerste zeven hoofdstukken van Leviticus de offers overdacht hebben, zijn we nu toegekomen aan de overdenking van het priesterschap.
Als er voor de zondaar een offer nodig was, dan was er voor de gelovige een priester nodig. Door diens bemiddeling kon de gelovige deze dienst waartoe hij de opdracht had, uitoefenen.
In Christus bezitten wij zowel het Offer als de Priester. Hijzelf was het volmaakte Offer om ons in verbinding met God te brengen. En nu doet Hij het werk van Hogepriester waardoor deze verbinding met God in stand blijft. Vóórdat Hij Priester kon worden, moest Hij tot het Offer gemaakt worden.
In Exodus 29 vinden we de aanwijzingen die God aan Mozes gaf, om Aäron en zijn zonen tot priesters te wijden. Nu is het ogenblik aangebroken waarop deze plechtigheid ten uitvoer gebracht zal worden. De hele vergadering van de kinderen van Israël werd verzameld "aan de deur van de tent der samenkomst" (vers 3) om deze wijding bij te wonen. Allen zagen Aäron bekleed met zijn prachtige kleding.
O, hoeveel heerlijker is het wat de Hebreeënbrief, 'de Brief van een geopende hemel', ons met de ogen van het geloof laat zien! Deze Brief roept ons op: "Aanmerkt de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Christus Jezus", bekleed met alle heerlijkheden van Zijn priesterschap (Hebreeën 3 vers 1).
Als we in dit hoofdstuk Aäron en zijn zonen weer samen zien, gaan onze gedachten uit naar Hem Die Zich er niet voor schaamt Zich aan ons te verbinden en ons Zijn broeders te noemen (Hebreeën 2 vers 11).
Moge God ons ervoor bewaren dat we ons tegenover de wereld schamen voor onze verbinding met Hem (2 Timotheüs 2 vers 12 en 13)!
In deze hoofdstukken is vaak sprake van beweegoffers. Als een voorwerp heen en weer bewogen wordt, kan men het goed van alle kanten bekijken.
Als wij de Heere Jezus, het volmaakte offer, zo voor God brengen, mogen wij tot God spreken over de verschillende kostbaarheden en heerlijkheden van Zijn Persoon en Zijn werk.
Ook de borst van de ram van het vuloffer, het speciale deel voor Mozes, werd voor de HEERE bewogen. Daarin mogen we een beeld zien van alle zijden van de genegenheid van Christus. Zij waren de bron en de kracht van Zijn toewijding aan God. "... dat Ik de Vader liefheb, en alzo doe, gelijk Mij de Vader geboden heeft" (Johannes 14 vers 31).
Als die genegenheid ook bij ons wordt gevonden, zal dat in ons leven dezelfde uitwerking hebben. Alleen de liefde roept ware aanhankelijkheid op. Dan zijn we ons ten diepste bewust dat de Heere Jezus alle rechten op ons hart heeft en dat Hij onze volledige toewijding waard is.
De Hebreeënbrief stelt ons de grote Hogepriester voor Die ons betaamde, "heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaren" (Hebreeën 7 vers 26).
Wat een tegenstelling tot Aäron die "uit de mensen genomen" was. Van hem wordt in dezelfde Brief vermeld dat hij niet alleen voor de zonden van het volk, maar "ook voor zichzelf' moest offeren (Hebreeën 5 vers 1 tot en met 3).
Dát zien wij hem hier doen. Vóórdat hij zich met de zonden van het volk kon bezighouden, moest het probleem van zijn eigen zonden met God in orde gebracht worden.
Dat is een algemeen beginsel. De Heere Jezus wijst in Zijn zogenaamde 'bergrede' op het belang daarvan. Om de splinter uit het oog van onze broeder te kunnen verwijderen, moeten we eerst de balk uit ons eigen oog weggedaan hebben (Mattheüs 7 vers 3 tot en met 5).
Aan het einde van Leviticus 9 zien we wat het gevolg is van de verzoening en de oplossing van het zondeprobleem: de zegen van Hem Die het bewerkt heeft, komt over het volk. De heerlijkheid van God kan zich openbaren en het volk mag openlijk blijk geven van vreugde.
Ook vandaag zijn dat voor het volk van God de gelukkige gevolgen van het kruis van Christus. God geve ons dat wij dit meer leren bewonderen en op gelijke wijze daarop antwoorden!
Het negende hoofdstuk herinnerde ons eraan dat de priester, "uit de mensen genomen", kon zondigen. Helaas hoeven we niet ver te gaan om deze waarheid bevestigd te zien.
Elke keer opnieuw, wanneer God de mensen in een nieuwe verbinding brengt met Hem, bewijst de mens zijn onbekwaamheid om deze verbinding in stand te houden.
Tot nu toe was alles gedaan, "zoals de HEERE geboden had" (deze uitdrukking lezen we veertien keer in de hoofdstukken 8 en 9!). Maar nu doen de oudste zonen van Aäron, Nadab en AbÃhu, iets wat "Hij hun niet geboden had" (vers 1).
Nog maar nauwelijks tot priesters gewijd, brengen ze al "vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN", vuur dat niet van het altaar genomen was. Het oordeel, dat hen dadelijk treft, laat ons zien hoe ernstig de gevolgen zijn wanneer wij onze eigen wil doen, in plaats van de aanwijzingen in het Woord van God op te volgen. Vergelijk hiermee 2 Samuël 6 vers 1 tot 11 waar we lezen dat Uzza moest sterven, omdat de ark van God op een nieuwe wagen was gezet en hij zijn hand uitstak om haar tegen te houden, toen de runderen struikelden.
De gedachten van het vlees en dat wat het verstand beïnvloedt (sterke drank), kunnen op geen enkele wijze in een dienst voor de Heere geduld worden. Wie openlijk de waarheden die hem bekend zijn, minacht, brengt het oordeel van God over zich.
Daartegenover staat wat we aan het einde van dit hoofdstuk lezen, dat de Heere ten opzichte van de onwetende, de dwalende, erg geduldig en welwillend is. Dat geldt ook voor hen die zich buigen onder Zijn tuchtiging.
Zoals de Heere Jezus ons meedeelt in Markus 7 vers 15, wordt de mens niet verontreinigd door hetgeen de mens ingaat, maar door hetgeen van hem uitgaat. Daarom heeft het onderscheid tussen reine en onreine dieren voor de christen alleen nog maar een geestelijke betekenis.
In ons hoofdstuk vinden we vier groepen dieren: viervoetige dieren, vissen, vogels en kruipende dieren.
Om rein te zijn, moest de eerste groep dieren aan twee voorwaarden voldoen. Ze moesten herkauwen en gespleten hoeven hebben. De reinheid van de gelovige hangt af van de wijze waarop hij zich voedt, en hoe hij wandelt.
Ook de reine vissen hadden twee kenmerken. Ze hadden vinnen en schubben. Hoe zouden ze zich zonder vinnen naar een bepaald doel kunnen begeven of stroomopwaarts kunnen zwemmen? En zonder schubben heeft hun lichaam geen bescherming. Zo is de weerstand tegen de verleidingen en het plezier van de wereld voor de gelovige het beschermmiddel om rein te blijven.
De onreine vogels behoorden tot de groep van aas- en alleseters. Wanneer wij onze ziel voeden met wat uit het vlees voortkomt, wanneer we zonder onderscheid allerlei lectuur of alles wat ons verder onder ogen komt, opnemen, dan zullen we beslist verontreinigd worden.
Tenslotte worden nog de kruipende dieren (het kruipend gevogelte) en hun verwanten genoemd. Deze zijn een beeld van de macht van de boze, "een verfoeisel"! Romeinen 12 vers 9 zegt: "Hebt een afkeer van het boze".
Als we het kruipend gedierte wat beter in ogenschouw nemen, ontdekken we bij hen bepaalde zedelijke gevaren waarvoor wij moeten oppassen.
De mol en de muis brengen schade toe aan jonge plantjes en maken de zo noodzakelijke worteltjes kapot. De familie van de hagedissen doet ons denken aan de mensen die zo graag op allerlei manieren met zichzelf pronken en te koop lopen. In sommige Bijbelvertalingen wordt ook nog de kameleon genoemd. Daarbij moeten we denken aan hen die zich gemakkelijk aan hun omgeving aanpassen; christen zijn met de christenen, maar ook meedoen met hen die in de wereld leven!
De verzen 32 tot en met 40 laten zien hoe de beste en nuttigste dingen bedorven kunnen worden door wat van het kruipend gedierte komt, van de satan, de 'oude slang'.
Moge de Heere ons leren te waken over onze geest en ons ertoe brengen dat we gebruik maken van de onveranderlijke voorraden die Hij voor ons bereid heeft: een fontein, een put, die beelden zijn van het Woord van God dat altijd rein blijft.
De godvrezende Israëliet zorgde er zorgvuldig voor, zich door geen enkel voedsel te verontreinigen (Handelingen 10 vers 14). Laten wij ook zo'n gevoelig geweten hebben, zodat we kunnen onderscheiden wat in geestelijk opzicht rein en onrein is, zodat we onderscheid kunnen maken tussen goede voeding voor onze ziel en voeding waardoor zij vergiftigd wordt.
De Heere geve ons een eenvoudig oog en een hart dat overvloeit van Zijn liefde!
Het is alsof de Heere toont dat de Goddelijke hulpbronnen al aanwezig waren, vóórdat de zonde zich openbaarde. Het Boek Leviticus richt ons oog en hart namelijk eerst op de offers, dan op het priesterschap en daarná pas op de zonde.
Hoofdstuk 11 heeft ons geleerd dat we ervoor moeten waken, niet door onreinheid van buitenaf besmet te worden. Het boze is echter niet alleen om ons heen, maar ook in ons. De vijand is altijd present.
Hoofdstuk 12 maakt ons ervan bewust dat de zonde in ons aartsvijand nummer één is. "Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen" (Psalm 51 vers 7). De zondige natuur van Adam is op al zijn nakomelingen overgegaan. Een pasgeboren kind is van nature een zondaar, al vóórdat hijzelf een zondige daad heeft begaan! Dat kind heeft evenals een volwassene het offer van Christus nodig.
De hoofdstukken 13 en 14 spreken over melaatsheid. In de Schrift is dat altijd een beeld van de zonde in het karakter van haar onreinheid.
Melaatsheid is een erg besmettelijke ziekte die zich steeds verder uitbreidt. Vreselijk om aan te zien! Men verliest uiteindelijk het gevoel. Zij is niet te genezen.
In het oog van God zijn dat allemaal kenmerken van de zonde. Het komt naar voren in woord en daad en helaas, zoals we weten, ook bij gelovigen! Om maar enkele voorbeelden te noemen: de kwaadsprekerij van Mirjam (Numeri 12 vers 10), de begeerte en de leugen van Géhazi (2 Koningen 5 vers 27) en de geestelijke hoogmoed van Uzzia (2 Kronieken 26 vers 20).
Twee symptomen moesten bij de patiënt zichtbaar zijn, voordat de diagnose gesteld kon worden dat iemand melaats was (zie vers 3).
Het witte haar doet ons denken aan het geestelijk verval waarvan de oorsprong gevonden kan worden in een verminderde gemeenschap met de Heere.
Een "wit gezwel in het vel" geeft aan dat het niet om iets oppervlakkigs gaat; de zonde zit veel dieper.
Dan valt iets heel merkwaardigs op. Terwijl één vlek voldoende was om de melaatsheid vast te stellen en iemand onrein te verklaren, kon iemand op hetzelfde moment dat hij helemaal overdekt was met melaatsheid, rein verklaard worden (vers 12 en 13)! Lang heeft de melaatse alle moeite gedaan om de aangetaste plekken te verbergen, maar nu kan hij het niet meer geheim houden. Pas als de mens gedwongen wordt, toe te geven dat hij helemaal onrein is, dan kan God hem op grond van het werk van Christus rein verklaren. "Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde" (Psalm 32 vers 5).
Als er echter ook maar weer iets zichtbaar werd van het rauwe vlees, was zo iemand opnieuw onrein. Dat is een beeld van de vergeefse moeite van de oude natuur die steeds opnieuw probeert zichzelf te verbeteren.
In Lukas 5 vers 12 tot 14 lezen we over een man "vol melaatsheid", die bij de Heere Jezus komt en direct genezen wordt. Zo zal elke zondaar die zijn eigen verloren en ellendige toestand inziet en zijn toevlucht neemt tot de liefde van de Heere Jezus, direct gereinigd worden.
Bepaalde vlekken en ziekten op de huid konden iemand op een dwaalspoor brengen. Daarom moest de patiënt zeven dagen opgesloten worden en daarna opnieuw onderzocht worden, zodat met zekerheid was vast te stellen of het om melaatsheid ging of niet.
Laten we nooit te vlug zijn met ons oordeel! Laten we onszelf er meer in oefenen steeds het goede bij de ander te zien, in plaats van hem onmiddellijk te verdenken van verkeerde beweegredenen en motieven! "De liefde ... denkt geen kwaad" (1 Korinthe 13 vers 5).
Laten we er ook aan denken dat niet de patiënt zijn mening moest geven, maar dat de priester de situatie waarin de patiënt zich bevond, moest beoordelen. Hoe de mens over zijn eigen toestand dacht, was onbelangrijk. Ook al voelde hijzelf niets en dacht hij dat hij helemaal gezond was, toch kon hij ernstig ziek zijn.
Hoeveel mensen zijn er die er geen woord over willen horen dat ze door de ziekte van de zonde zijn overvallen! Ze hebben hun eigen toestand nog nooit in het licht van het Woord van God gezien. Ze hebben zich nog nooit voor de priester gesteld die alleen de schuld van de mens kon vaststellen en iemand voor ongeneeslijk ziek kon verklaren.
"Laat gij dan af van de mens ..., want waarin is hij te achten?" (Jesaja 2 vers 22). Maar de Priester Die onze toestand vaststelt, is tegelijk onze Geneesheer Die Zich in genade bezighoudt met onze zielen en volledig herstel geeft (Lukas 5 vers 31 en 32).
De positie van een melaatse in Israël was vreselijk. Hij werd uit het leger (het tentenkamp) verdreven en had geen hoop meer op terugkeer. Gescheiden van de zijnen, moest hij zelfs zijn ellendige situatie van verre aankondigen: "Onrein, onrein"!
Buiten de gemeenschap gesloten, is hij een beeld van wie wij waren: "vervreemd van het burgerschap Israëls ... geen hoop hebbende". Maar de apostel vervolgt: "Maar nu ... nabij geworden door het bloed van Christus" (Efeze 2 vers 12 en 13).
Dat brengt ons bij het werk van de reiniging, zoals dat beschreven wordt in hoofdstuk 14 van Leviticus.
In de Evangeliën vinden we meerdere melaatsen die de Heere om erbarming smeekten. Hij legde vol medelijden Zijn handen op hen om hen te genezen, zonder Zelf besmet te worden. Hij kon het niet alleen, maar wilde hen ook in Zijn liefde volmaakt reinigen (Mattheüs 8 vers 1 tot en met 4; lees ook Lukas 17 vers 11 tot en met 19). Deze Heiland kan en wil ook vandaag ieder die belijdt onrein te zijn, reinigen van alle zonden.
Melaatsheid aan een kledingstuk is een beeld van het kwaad dat zich ongemerkt in onze gewoonten en in ons getuigenis kan binnendringen.
De Heere geve ons waakzaamheid om het te ontdekken, maar ook moed het te "verbranden", dat betekent: het bij het kleinste begin al te veroordelen en weg te doen.
De dag van de reiniging is gekomen voor de melaatse. Hij wordt naar de priester gebracht. Let eens op de bescheiden, maar toch onontbeerlijke rol van de vriend die de zieke naar degene brengt die hem gezond kan verklaren. Het is kostbaar zich door God te laten gebruiken om zondaren tot de Heere Jezus te leiden. Dat is een dienst die ook een jonge gelovige al kan doen (Johannes 1 vers 42 en 46).
Als de priester echter in de tabernakel of in de legerplaats was gebleven, had de melaatse hem niet kunnen ontmoeten. Hij mocht daar immers niet komen! Daarom ging de priester buiten het leger (vers 3).
Zo heeft ook de Heere Jezus de heerlijkheid verlaten om de zondaar te ontmoeten. Wij konden geen enkele stap naar Hem toe doen, maar Hij heeft die lange weg afgelegd om bij ons te komen. Zou de verloren zoon, vies en in lompen gekleed, het huis van de vader zomaar binnen kunnen gaan? Nee, daarom ging de vader naar buiten en liet hem het beste kleed aantrekken, toen hij nog buiten was.
Dan lezen we allerlei details van de reiniging.
De beide vogels spreken ons van het Goddelijke 'geneesmiddel' dat van toepassing is op de zonde van elk mens. De eerste vogel werd geslacht; een beeld van de dood van de Heere Jezus.
De tweede vogel vloog met het bloed van de geslachte vogel aan zijn veren omhoog naar de hemel, om dit als het ware aan een bevredigde God te laten zien. Dit is een treffend beeld van de opstanding van de Heere Jezus!
"Hij zal rein zijn", zo eindigen de verzen 9 en 20. Ook nu telt niet de mening van de genezen melaatse. Gód verklaart de geredde zondaar voor rein en heilig.
Deze verklaring van God moet voldoende zijn voor hem, ook al heeft hij niet een speciaal gevoel of een bijzondere ervaring opgedaan. "Gij zijt afgewassen ... geheiligd ... gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus" (1 Korinthe 6 vers 11).
Behalve de beide vogels die spreken van het werk van God voor ons, waren er nog twee dingen nodig die spreken van het werk van God in ons.
Ten eerste water; de reinigende kracht van het Woord van God. En ten tweede een scheermes; de melaatse schoor zijn haar, zijn baard en wenkbrauwen. Alles wat herinnerde aan de kracht van de mens, werd verwijderd. Dit werk van de Heilige Geest noemen we de bevrijding. Onder Zijn leiding kunnen we wat uit onze oude natuur voortkomt, herkennen en veroordelen.
Het bloed van het offer werd op het oor, de hand en de voet van de genezene gedaan. Dit gebeurde ook op de dag waarop de priester gewijd werd (Exodus 29 vers 20).
Vervolgens herhaalde men deze handeling bij de priester met olie. De melaatse werd eveneens met olie gezalfd (vers 18).
Dat was iets buitengewoons, want in Israël ontvingen alleen koningen en priesters deze heilige zalving. Voor ons is dit een beeld van het werk van de Heilige Geest in de harten van de verlosten (1 Johannes 2 vers 20).
Melaatsheid aan het huis spreekt van de zonde in een plaatselijke gemeente of zelfs in de hele belijdende christenheid.
Laten we eens nauwkeurig bezien wat over de gemeente te Efeze in Openbaring 2 gezegd wordt. Dan ontdekken we, of beter gezegd: De Heere, de grote Priester over Zijn huis, Die ogen heeft als een vuurvlam, ontdekt daar al een kleine verdachte vlek: het verlaten van de eerste liefde. Al het overige â werken, arbeid, lijdzaamheid â lijkt goed te zijn.
Maar laten we goed beseffen dat dit kleine begin in Pérgamus tot echte melaatsheid is geworden. Daar waren sommige stenen in het huis die met "de lering van Bileam" en andere die met "de lering der Nikolaïeten" besmet waren.
Het kwaad ontwikkelt zich steeds verder en werkt als zuurdeeg door naar ThyatÃre, via Sardis tot aan Laodicéa, dat een afbeelding is van de uiteindelijke toestand van de verantwoordelijke christelijke kerk hier op aarde. Tot haar moet de Heere Jezus zeggen: "Ik zal u uit Mijn mond spuwen" (Openbaring 3 vers 16). Het 'grote huis' van de belijdende christenheid zal verworpen en afgebroken worden.
In hoofdstuk 15 lezen we weer over de verontreinigingen. Het beeld van de vloed laat ons alles zien wat in het dagelijkse leven uit onze afschuwwekkende, natuurlijke hart kan voortkomen, waarmee we onszelf en onze omgeving vergiftigen.
Gelukkig bestaat er een middel om ons daarvan te reinigen; de priesterdienst die de Heere Jezus ten gunste van ons uitoefent (vers 15 en 30).
In dit gedeelte lezen we dat Aäron aanwijzingen krijgt voor een speciale gelegenheid, namelijk voor de grote verzoendag (zie ook hoofdstuk 23 vers 27 tot en met 32).
Hebreeën 9 (vers 7, 12 en 25) zinspeelt op deze gebeurtenis. Eenmaal per jaar bracht de hogepriester, nadat hij eerst een offer voor zichzelf gebracht had, een offer voor alle zonden van het volk die in de loop van dat jaar bedreven waren.
Vervolgens droeg hij het bloed van dit offer binnen de voorhang om het te sprengen op het verzoendeksel. De verklaring hiervan vinden we in hoofdstuk 17 vers 11: "om over uw zielen verzoening te doen". Daarom kon God Zijn volk genade bewijzen.
Natuurlijk had dit bloed van een bok niet de kracht om ook maar één enkele van al die zonden die het volk het hele jaar door bedreven had, weg te nemen. Maar het sprak toen al tot God van het kostbare bloed van Zijn Lam.
We hadden misschien verwacht dat Aäron in zijn kostbare kleding voor God moest verschijnen, maar dat was niet het geval. Hij moest al zijn heerlijkheid voor de heerlijkheid van de HEERE afleggen en kon alleen verschijnen in zijn kleding van linnen. Linnen is een symbool van praktische gerechtigheid (vers 4 en Openbaring 19 vers 8).
De liefelijke reuk van het reukwerk begeleidde Aäron binnen de voorhang. Zo is ook Christus het heiligdom binnengegaan; de welriekende reuk van al Zijn volmaakte heerlijkheid was voor God.
De priester ging, gehuld in een wolk van reukwerk, binnen de voorhang, terwijl het volk buiten vol vrees wachtte.
Zou de HEERE het offer aannemen? Als er iets niet in orde zou zijn, zou Aäron dan niet, evenals zijn beide zonen, moeten omkomen? Wat een geweldige opluchting was het moment waarop Aäron, na de dienst volbracht te hebben, weer naar buiten kwam!
Profetisch zal dat in vervulling gaan als Christus in heerlijkheid voor Israël zal komen, als Hij "ten anderen male gezien zal worden door hen, die Hem verwachten tot zaligheid" (Hebreeën 9 vers 28).
Het enige wat er nu nog te doen is, is zich met de levende bok bezig te houden.
De eerste bok waarop "het lot voor de HEERE" (vers 9) gevallen was, was geofferd en had de zonden voor het oog van God weggedaan.
De tweede, de weggaande bok, nam de zonde van het geweten van het volk weg. Daarom werden alle zonden beleden en op zijn kop gelegd, waarna hij ze wegdroeg naar een woest land (lees Psalm 103 vers 12 en Hebreeën 8 vers 12, citaat uit Jeremia 31 vers 34).
De eerste bok had God genoegdoening gegeven, zodat alle mensen verzoend kunnen worden. De tweede bok daarentegen spreekt van plaatsvervanging, van een Offer dat de zonden van velen droeg (Hebreeën 9 vers 28), namelijk van hen die hun zonden beleden (vers 21) en in geloof het offer voor zich aanvaard hebben. Het offer van Christus spreekt tot ons van dit tweezijdige karakter.
Laten we erop letten met welke nauwgezetheid en zorgvuldigheid de priester en zijn helpers de noodzakelijke verplichtingen moesten vervullen, opdat de zonden weggedaan konden worden. Toch gold deze dienst en dit offer slechts voor één jaar.
In werkelijkheid was het hart van de mens, de eigenlijke bron van de zonden, niet eens zo lang gereinigd. Dit verdorven hart kan niet anders dan het hele nieuwe jaar weer kwaad voortbrengen.
Steeds opnieuw moesten er weer offers gebracht worden en het priesterambt ging over van vader op zoon, omdat de priesters "door de dood verhinderd werden altijd te blijven" (Hebreeën 7 vers 23 tot en met 25).
Hoeveel groter is toch het werk van Christus in zijn waarde en draagwijdte! Hij moest Zichzelf offeren! De Heere Jezus was helemaal alleen in het wegnemen van de zonde van de wereld, in het opruimen van alle gevolgen van de zonde, maar ook in het reinigen van het verdorven hart van de mens. Niemand was in staat ook maar iets aan dit werk bij te dragen.
Wat deed het volk tijdens die grote priesterdienst? Het kon en mocht niets anders doen dan zich verootmoedigen (vers 31). Het volk mocht rusten in en vertrouwen op het voor hen gebrachte offer en dat is ook alles wat wij te doen hebben: rusten in en vertrouwen op het volmaakte en volkomen toereikende offer van de Heere Jezus.
God heeft Zich alle rechten op het bloed voorbehouden (dit lezen we al in hoofdstuk 7 vers 26 en 27). En nu was het bloed door het offer dat eenmaal per jaar gebracht moest worden, steeds voor Zijn aangezicht in het heiligdom (hoofdstuk 16).
Dit bloed dat nodig was om de verbinding tussen het volk en God in stand te houden, spreekt voortdurend tot het hart van God over het werk van Zijn geliefde Zoon.
Talrijke teksten uit de Heilige Schrift spreken tot ons over de eigenschappen van het kostbare bloed van Christus: "Om over uw zielen verzoening te doen" (vers 11). Het "reinigt ons van alle zonde" (1 Johannes 1 vers 7). De kleinste zonde die wij begaan hebben, kan slechts door dit bloed uitgewist worden. Door dit bloed zijn wij gekocht uit alle naties (Openbaring 5 vers 9), verlost (1 Petrus 1 vers 18 en 19), gewassen (Openbaring 1 vers 5), gerechtvaardigd (Romeinen 5 vers 9), verzoend (Kolosse 1 vers 20), geheiligd (Hebreeën 13 vers 12) en nabij gebracht (Efeze 2 vers 13). Het heeft ons een weg gebaand tot in het heiligdom (Hebreeën 10 vers 19) en ons uiteindelijk de overwinning geschonken (Openbaring 12 vers 11).
Kostbaar bloed van Christus!
De kracht en werking ervan is een steen des aanstoots voor allen die er niet in geloof voor zichzelf een beroep op doen. Maar voor de verlosten is het een eeuwige oorzaak om Hem lof en aanbidding te brengen.
"Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, ... Hem ... zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen" (Openbaring 1 vers 5 en 6)
De voorschriften die in deze hoofdstukken gegeven worden, hebben betrekking op de praktische heiligheid van het volk van God.
Het gaat om de barmhartigheid (hoofdstuk 19 vers 10), de eerbaarheid en waarheid (vers 11 en 12), de rechtvaardigheid (vers 13 tot en met 15), de welwillendheid en de liefde (vers 16 tot en met 18).
Het is voor ons verootmoedigend dat we dezelfde waarschuwingen terugvinden in de Brieven aan de Efeziërs en de Kolossers, Brieven die aan gelovigen zijn gericht! Dat bewijst dat de oude natuur van een kind van God mi helemaal niet beter is dan van de Israëlieten in vroeger dagen.
"Gij zult niet doen naar de werken van Egypteland", zo begint hoofdstuk 18 in vers 3, vóórdat de verontreinigingen van het vlees die voor God een gruwel zijn, worden opgesomd.
Paulus schrijft aan de Efeziërs: "Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heere, dat gij niet meer wandelt, zoals de andere heidenen ... die, ongevoelig geworden zijnde, zichzelf hebben overgegeven tot ontuchtigheid" (Efeze 4 vers 17 en 19; vergelijk ook de verzen 25 en 28 met Leviticus 19 vers 11).
"En wandelt in de liefde", zo besluit de apostel in Efeze 5 vers 2; en dat is ook de samenvatting in Leviticus 19 vers 18: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf'.
De Heere Jezus heeft dit vers aangehaald en het met een voorbeeld volmaakt uitgelegd. Daarom noemt Jakobus dit ook "de koninklijke wet ... naar de Schrift" (Lukas 10 vers 25 tot en met 37; Jakobus 2 vers 8).
Dit deel van het derde Boek van Mozes, de hoofdstukken 19 en 20, begint en eindigt met dezelfde duidelijke vermaning, namelijk dat Israël het heilige volk van een heilig God zou moeten zijn.
En bijna elk gebod in dit hoofdstuk wordt als het ware onderstreept door: "Ik ben de HEERE, uw God". Des te meer zouden vandaag zij die leden zijn van de familie van God, de heiligheid van hun "heilige Vader" moeten openbaren (Johannes 17 vers 11).
Petrus haalt het tweede vers van hoofdstuk 19 aan en zegt erbij: "Maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelf heilig" (1 Petrus 1 vers 15 en 16). Hier staat niet alleen: "... want Ik ben heilig", maar dat wij heilig dienen te zijn "gelijk Hij". Daarmee wordt ons een heel duidelijke maatstaf gegeven!
Vers 32 van hoofdstuk 19 laat ons zien dat we achting moeten hebben voor de ouderen. Een jonge christen zou daarin nooit te kort mogen schieten. Ons christenâzijn moet in ons hele doen en laten te zien zijn. Niet alleen in het nalaten van zonden die God in Zijn Woord noemt, maar ook in de duizenden kleine dingen van het leven waarin wij de liefde en de praktische gerechtigheid moeten beoefenen (vers 34 tot en met 36).
Laten we nooit vergeten dat "de goede Naam" van Christus over ons is aangeroepen (Jakobus 2 vers 7)! Door je gedrag kun je tot eer, maar ook tot oneer van deze Naam leven!
Zoals vroeger zij die tot de familie van Aäron behoorden, in de positie waren om de priesterdienst te vervullen, zo zijn ook nu de verlosten van de Heere gemaakt tot aanbidders.
Als het echter ging om de uitoefening van zijn dienst, kon de priester ongeschikt zijn. Het aanraken van een dode, een huwelijk dat niet in overeenstemming is met Gods gedachten, of een ongeneeslijke, lichamelijke handicap, beroofde een zoon van Aäron van het voorrecht het heilige ambt uit te oefenen.
Hij had nog wel het recht zich, evenals zijn broeders, met de spijs van God te voeden (vers 22), maar hij kende niet de vreugde van het dienen van God.
Helaas bevinden veel gelovigen zich in een soortgelijke situatie! Zij die blind (zoals 2 Petrus 1 vers 9 dat bedoelt) of verlamd zijn (volgens Hebreeën 12 vers 12), kunnen, hoewel ze de positie en het voorrecht van kinderen van God behouden, hun dienst als aanbidders niet uitoefenen zoals ze dat zouden moeten doen.
Dat betekent niet alleen een groot verlies voor henzelf, maar vooral voor de Heere.
Ook al houdt onze Hogepriester rekening met onze fouten en zwakheden (hoofdstuk 21, wat ook Hebreeën 4 vers 15 bevestigt), toch kan Hij geen enkele gemeenschap hebben met alles wat, in het beeld van hoofdstuk 22, als openlijke zonde wordt aangemerkt, zoals melaatsheid en een vloed (vers 4).
De verontreiniging bij een gelovige berooft hem van het genot van "heilige dingen".
Hoofdstuk 21 vers 1 tot en met 22 vers 16 laat ons zien dat God waakt over de instandhouding van een vlekkeloos priesterschap. Vanaf vers 17 lezen we hoe de kwaliteit van het offer moest zijn.
Is het niet triest dat God uitdrukkelijk moet vermelden: 'Jullie mogen Mij geen ziek of gebrekkig dier offeren'?
Ondanks deze aanwijzingen die eigenlijk niet nodig zouden moeten zijn, weten we uit het Boek Maleáchi dat het volk in die tijd toch zulke offers bracht!
Deze wijze van handelen was in tweeërlei opzicht zonde: Ten eerste was het een minachting van de HEERE. Wat men de koning niet waagde te brengen (Maleáchi 1 vers 8), wat onverkoopbaar was, dat vond men goed genoeg voor God! Ten tweede was het zonde, omdat al deze offers die een heenwijzing waren naar het volmaakte offer van Christus, zonder gebrek moesten zijn.
En wij, beste gelovige vrienden, wat geven wij aan God van onze tijd, onze kracht, onze capaciteiten, ons geld? Het beste? Of alleen dat wat we sowieso over hebben, waarvan we toch niet weten wat we ermee moeten doen?
In tegenstelling tot de noodzakelijk verplichte offers voor de zonde, gaat het hier om het vrijwillige dankoffer. Dus een offer dat men uit eigen beweging kon brengen. Ook wij worden nergens toe gedwongen. God eist niets. Maar hoe meer onze harten gegrepen zijn door de liefde van de Heere Jezus, des te meer eisen zullen wij onszelf stellen aan datgene wat wij Hem teruggeven.
Dit hoofdstuk vormt als het ware de kalender voor de jaarlijks terugkerende "hoogtijden des HEEREN". Dat waren er zeven; de sabbat, de wekelijkse rustdag waarvan in eerste instantie sprake is, wordt daarbij niet meegeteld.
Deze feesten ontvouwen in hun volgorde de geschiedenis van het volk Israël sinds het kruis, in overeenstemming met de raadsbesluiten van God over dit volk. Maar ook zien we in de feesten Gods raadsbesluiten met betrekking tot de gemeente (zij het in bedekte vorm) en tenslotte ook met betrekking tot Zijn eigen Zoon.
Alles begon met het Pascha (vers 5), want het uitgangspunt van alle zegeningen voor Israël, de gemeente, ja, voor het geluk van ieder mens, is het kruis.
Direct daarop volgt het feest van de ongezuurde broden (vers 6 tot 8). Dat herinnert ons aan de Heere Jezus tijdens Zijn leven op aarde, Die geen zonde gekend heeft. Zijn afzondering van het kwaad zou in het doen en laten van de gemeente, alsook in het leven van elke verloste, te vinden moeten zijn. "Zuivert dan de oude zuurdesem uit ... gelijk gij ongezuurd zijt", zo vermaant Paulus de Korinthiërs (1 Korinthe 5 vers 7).
Dan volgt het feest van de garf van de eerstelingen (vers 9 tot 14). Deze garf die voor de HEERE bewogen werd, is opnieuw een beeld van Christus, en wel in Zijn glorierijke opstanding als de Eerstgeborene uit de doden, voorgesteld aan God in al Zijn heerlijkheid en "aangenaam" voor ons (vers 11).
Er zaten vijftig dagen tussen het feest van de eerstelingsgarve en het feest der weken (of Pinksteren) waarover we lezen in het gedeelte van vandaag.
De beide feesten vonden plaats op "de andere dag na de sabbat", dat wil zeggen, op de eerste dag van de week. Wij weten dat de Heere Jezus ná Zijn opstanding en vóórdat Hij naar de hemel terugkeerde, meerdere keren aan Zijn discipelen is verschenen om hen te troosten, te bemoedigen en hen uit te zenden om het evangelie te verkondigen.
Dan, in het tweede hoofdstuk van het Boek Handelingen, zien we de Heilige Geest op de pinksterdag neerdalen om in de gemeente te wonen. De beide broden waarover we lezen in vers 17, zijn een beeld van de uit joden en heidenen gevormde gemeente. Zij die daarvan deel uitmaken, zijn nog op aarde. Daarom waren het broden met zuurdesem, een beeld van de zonde.
Dat zijn dus de 'eerstelingen' van het volbrachte werk aan
het kruis, die aan God worden aangeboden door de priester.
Toen de Heere Jezus over Zichzelf sprak als de tarwekorrel die in de aarde zou vallen en sterven, kon Hij eraan toevoegen: "... maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort" (Johannes 12 vers 24).
De eerstelingsgarve was het onderpand van een rijke oogst (vers 22). Christus, de opgestane Mens, zal in de heerlijkheid niet alleen zijn. Hij zal met gejuich ingaan en zijn schoven (garven) dragen (zie Psalm 126 vers 6).
Geschiedkundig bezien spreekt dit gedeelte van de tijdsperiode van de gemeente die op de pinksterdag is ontstaan. Terwijl Israël terzijde gezet is, vergadert de Heere Jezus nu "de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot één" (Johannes 11 vers 52). Maar de dag zal komen waarop Hij het hele volk Israël weer bijeen zal vergaderen.
Ná de opname van de gemeente zal de "gedenkdag des geklanks" (vers 23 tot 25; zie ook Numeri 29 vers 1) het volk Israël samenroepen en in hun land verenigen.
De bedoeling van deze dag des geklanks is, de grote droefheid van het zesde feest, de grote verzoendag (waarvan we de beschrijving al hebben gehad in hoofdstuk 16), te bewerken (vers 26 tot 32). Israël zal straks met grote angst in het hart wachten op het moment dat Hij Die nu nog met de Zijnen in het heiligdom is, tot hun redding zal verschijnen.
Dan volgt het feest van de loofhutten, waarvan we hier een gedetailleerde beschrijving vinden (vers 34 tot 43). Het is een beeld van de heerschappij van gerechtigheid en vrede hier op aarde, het duizendjarig rijk.
Laten we opmerken hoe vaak in dit hoofdstuk staat: "geen dienstwerk zult gij doen". In alle wonderbare raadsbesluiten van de genade van God die zich uitstrekken vanaf het kruis tot in de heerlijkheid, heeft Hij Zichzelf het recht voorbehouden iets te doen. De mens kan met al zijn inspanningen niets bewerken. Het is het werk van God Wiens doen majesteit en heerlijkheid is.
Er waren dus voor de Israëlieten in de loop van het jaar speciale gelegenheden om samen te komen en feest te vieren.
Zij deden een dienst op bepaalde, regelmatig terugkerende tijden, terwijl de dienst voor hen nooit ophield. De lampen moesten gedurig toegericht zijn (vers 3).
Wat een gelukzalige gedachte dat het licht van Christus, de 'Goddelijke Lamp', ononderbroken schijnt in een wonderbare glans voor God. Dit blijft waar, ook als wij ons nog zo bezighouden met de dingen van het leven dat wij niet aan de hemel denken en onze gemeenschap met de Heere verstoord is!
En waar schijnt het licht van de lamp op? Precies, op de twaalf broden die op de tafel liggen, een beeld van het voltallige volk van God dat in het heiligdom in volmaakte harmonie verenigd is!
De gebeurtenis van de lasteraar en zijn bestraffing laat ons zien dat er zelfs te midden van het volk dat zó bevoorrecht is, verval optreedt. En welke verschrikkelijke straf heeft dat tot gevolg!
De Naam die boven alle naam is, werd ook gelasterd, toen de Zoon van God Die naar de aarde was neergedaald, gesmaad, verworpen en gekruisigd werd.
In de nabij toekomst zal Hij opnieuw gelasterd worden, als "de mens der zonde", de antichrist, zichzelf zal verheffen boven alles wat God genoemd wordt. Maar de Heere Jezus zal hem door de verschijning van Zijn komst vernietigen (2 Thessalonika 2 vers 3 en 8).
God Die de sabbat aan de mensen gaf, denkt ook aan Zijn schepping.
Om de zeven jaar moest het werk op het veld onderbroken worden om het land tot rust te laten komen. En na zevenmaal zeven jaar weerklonk de bazuin die het vijftigste jaar, het "jubeljaar", het herstel van alle dingen, aankondigde.
Er werden geen zaken gedaan of grond verhandeld, zonder aan dit dichterbij komende jubeljaar te denken, want daar moest steeds rekening mee gehouden worden.
Herinnert het signaal van deze bazuin waarop alle Israëlieten, vooral de onderdrukten, wachtten, ons niet aan de laatste bazuin waarmee de Heere van de hemel zal neerdalen om hen die Hem toebehoren, bijeen te vergaren (1 Korinthe 15 vers 52)?
Ja, de Heere komt! Laten we het niet vergeten! Laten we elke dag leven in die verwachting!
Laten we geen grote waarde hechten aan de dingen van de aarde, want ze zijn vergankelijk. Het zijn allemaal onzekere dingen die we maar voor een korte tijd mogen bezitten en genieten!
Nee, laten we ons oog richten op wat men niet ziet, op wat eeuwig is (2 Korinthe 4 vers 18). Laten we de gelukzalige hoop die ons wacht, toch steeds voor ogen hebben, opdat onze beslissingen, onze plannen, de dingen waarvan we mogen genieten, maar ook onze beproevingen, allemaal het stempel 'tijdelijk' dragen!
"Het land is het Mijne", spreekt de HEERE tot het volk, "daar gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt" (vers 23). Zoals een heer des huizes de zorg voor zijn gasten heeft, zo verplicht God Zich om voor het onderhoud van de Zijnen te zorgen. Hij geeft hun op wonderbare wijze elk zesde jaar een drievoudige oogst, zodat ze in staat zijn het sabbatsjaar te houden.
Op aarde mogen wij, christenen, ons nog minder dan de Israëlieten 'eigenaren' van iets noemen. O, als wij ons er meer van bewust waren dat wij niets bezitten, maar dat alles van de Heere is, zou er dan niet veel minder begeerte in onze harten en minder onderlinge twist zijn?
De ware rijkdommen die we de onze mogen noemen (Mattheüs 6 vers 19 tot en met 21), bezitten we in de hemel en niet op aarde.
In dit hoofdstuk ontvouwt God Zijn wonderbare genade door ons te laten zien hoe Hij de Zijnen bevrijdt, hoe Hij Zich bezighoudt met hun rust en vreugde. Maar ook, dat Hij erop toeziet dat zij niet het slachtoffer worden van de hardheid van hun broeders of van hun eigen zorgeloosheid.
God wil ons leren barmhartig te zijn ten opzichte van anderen, omdat we ook zelf barmhartigheid verkregen hebben (vers 35 tot en met 38). Dat stelt ons in staat de Heere te bewijzen dat we Zijn genade waarderen, en dat we wat Hij voor ons gedaan heeft, niet vergeten hebben (Mattheüs 18 vers 32 en 33).
Wanneer de bazuin van de bevrijding weerklonk, kreeg de slaaf zijn vrijheid, de arme zijn bezit terug. Families werden weer samengevoegd en alles ging terug naar de rechtmatige eigenaar.
Dit herstel van de oorspronkelijke situatie bracht algemene vreugde met zich mee. Dat is een beeld van de toekomstige blijdschap die Israël en de hele wereld zullen leren kennen, als de satan gebonden en de schepping van de slavernij vrijgemaakt zullen zijn.
Tot nu toe zucht de schepping en is "in barensnood", maar dan zal zij onder de heerschappij van Christus "de vrijheid der heerlijkheid van de kinderen Gods" genieten (Romeinen 8 vers 21 en 22).
Wanneer een arme Israëliet zich aan een vreemdeling had verkocht, kon hij gelost worden (vers 47); zo zal ook het volk Israël zijn erfdeel dat het door eigen schuld verloren heeft, definitief terug ontvangen. En wel uit de handen van Hem Die het gekocht heeft: Christus, de ware Boaz (zie Ruth 4).
Als God met betrekking tot Zijn schepping het laatste woord zal hebben, mogen we er zeker van zijn dat Hij ook allen die Hem toebehoren, volkomen vrij zal maken.
Ook al heeft een broeder in Christus zich laten beroven van het genot van zijn erfdeel en is hij in geestelijk opzicht arm geworden, dan getroost de Heere Zich toch de moeite hem in genade te herstellen. Het verleden zal de Heere vergeten (ongeacht de oorzaak waardoor de broeder arm geworden is); en Hij zal hem opnieuw van de hemelse rijkdommen laten genieten.
We vinden in Gods Woord twee Goddelijke grondbeginselen die altijd samengaan: de onbeperkte genade (die geopenbaard werd in hoofdstuk 25) en de regering van God (die we vinden in hoofdstuk 26).
Als God aan de ene kant geeft, zonder verder voorwaarden te stellen, laat Hij aan de andere kant iemand oogsten wat hij zelf gezaaid heeft.
De HEERE heeft de moeite gedaan om Zijn volk op de gezegende ofwel ernstige gevolgen te wijzen die voortkomen uit wat zijzelf zullen doen, goed of kwaad. En omdat God steeds het goede als uitgangspunt neemt, begint Hij niet met dreigementen, maar met bemoedigende beloften.
Hij stelt Israël de zegeningen voor die zullen volgen op een wandel in gehoorzaamheid. Zeker, het zijn aardse zegeningen, in tegenstelling tot die van de christen die gezegend is "met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus" (Efeze 1 vers 3).
Maar één van die beloften van de Heere die bijzonder kostbaar is, geldt zowel voor het aardse als voor het hemelse volk van God. Dat is de belofte uit vers 12, die Paulus in 2 Korinthe 6 vers 16 aanhaalt: "Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn".
Dat brengt zowel voor de christen als voor de Israëliet dezelfde verantwoordelijkheid met zich mee: volledige afzondering van afgodendienst (vers 1; vergelijk dit met 2 Korinthe 6 vers 14 tot 18).
Opnieuw heeft de HEERE Zijn volk ernstig gewaarschuwd voor de afgodendienst (vers 1).
Uit de woorden van de profeet Amos (hoofdstuk 5 vers 25 tot en met 27), die later ook door Stefanus aangehaald worden (Handelingen 7 vers 42 en 43), moeten we helaas constateren dat Israël in de woestijn al de afgoden diende. Toen hadden ze voor zichzelf al beelden gemaakt, in het bijzonder van de afschuwelijke Molech (Leviticus 20 vers 1 tot en met 5).
Dat is de reden waarom de waarschuwingen aan het schuldige volk, die steeds in ernst toenemen, later in vervulling gaan.
Wat is het menselijk hart toch hard!
Om dat te verbreken, moet God steeds zwaardere maatregelen nemen. Helaas komt het voor dat Hij met ons op dezelfde wijze moet handelen!
Hij begint in zachtheid tot ons te spreken. Als we dan niet luisteren, wordt Zijn stem steeds indringender. Spreuken 29 vers 1 zegt ons: "Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan is".
Laten we daarom leren de stem van de Heere onmiddellijk te verstaan, en laten we niet weigeren Zijn terechtwijzing aan te nemen (Psalm 141 vers 5).
Omdat Hij ons liefheeft, tuchtigt Hij ons nooit meer dan nodig is om ons lessen te leren. Maar omdat Hij ook trouw is, stopt Hij niet eerder met Zijn volhardend werk, totdat onze gedachten en ons hart opnieuw helemaal aan Hem zijn toegewijd.
Gods rechten moeten altijd en overal gerespecteerd worden. Als het volk de in hoofdstuk 25 voorgeschreven sabbatsjaren niet in acht neemt, zal God het daartoe dwingen door het met geweld uit het land, Zijn land, te verjagen.
Israël is â om zo te zeggen â de verplichting van de pacht tegenover de 'Eigenaar' niet nagekomen. Dat was één van de redenen van de wegvoering van het volk naar Babel (zie 2 Kronieken 36 vers 20 en 21).
De gevolgen van de ongerechtigheid van het volk zullen vreselijk zijn. God is strenger ten opzichte van Zijn volk dan tegenover andere volken, omdat Israëls verantwoordelijkheid immers veel groter is. Dit volk werden Goddelijke uitspraken toevertrouwd. Het stond in verbinding met de ware God Wiens Naam om hun afwijking gelasterd werd (vergelijk Romeinen 3 vers 2 en 2 vers 24).
Als God al hogere voorwaarden stelt aan Israël dan aan de heidense volkeren, zou Hij van ons die het volledige Woord van God in handen hebben en misschien ook een christelijke opvoeding hebben gehad, dan niet veel meer mogen verwachten?
"Wie men veel toevertrouwd heeft, van die zal men overvloediger eisen" (Lukas 12 vers 48).
Laten we er ook op letten dat de "ongerechtigheid belijden" (vers 40) en aan "de straf een welgevallen hebben" (vers 41), noodzakelijke voorwaarden zijn voor een herstel.
In dit hoofdstuk gaat het over de geloften die de Israëlieten konden afleggen, en over de aanwijzingen hoe de priester die op hun waarde moest schatten.
In Exodus 30 werden we opmerkzaam gemaakt op het feit dat de prijs van de (ver)lossing voor ieder gelijk was. Hier is daarentegen verschil in waarde. Het gaat hier dan ook niet meer om de verlossing, maar om capaciteiten, om mogelijkheden die ieder individueel bezit.
Hoewel alle kinderen van God voor dezelfde prijs â het kostbare bloed van Christus â gekocht zijn, hebben ze toch lang niet allemaal dezelfde geestelijke capaciteiten, dezelfde geschiktheid voor de dienst.
De priester moest de waarde van elke gave van ieder afzonderlijk inschatten: "Naar uw schatting, priester! zo zal het zijn" (vers 12).
Wij zijn snel geneigd kritiek te hebben op het doen en laten van andere gelovigen. Laten we er dan aan denken dat de Heere alles beoordeelt (1 Korinthe 4 vers 4 en 5)!
Personen, huizen, dieren â alles kon men de HEERE heiligen (dat wil zeggen: toewijden). Ongetwijfeld kunnen wij de Heere niets kostbaarders aanbieden dan onszelf.
De Macedóniërs over wie de apostel spreekt, hadden dat gedaan. Zij "gaven zichzelf eerst aan de Heere". Hun hele dienst, het in grote blijdschap en gewillig iets aan de Heere geven, kwam voort uit deze eerste overgave ( 2 Korinthe 8 vers 2 tot en met 5).
Laten we het aan de Heere overlaten om hetgeen anderen doen, op z'n waarde te schatten. Maar laten we voor onszelf ook geen waardering zoeken bij anderen! Laten we van mensen, die de Heere slechts dertig zilverlingen waard achtten (Zacharia 11 vers 12 en 13)!, niets verwachten. Laten we er juist veel meer moeite voor doen, onszelf "Gode beproefd voor te stellen" (2 Timotheüs 2 vers 15).
Hiermee besluiten we de overdenking van het derde Boek van Mozes. We mochten ons bezighouden met de priester en zijn diensten. Soms was het wat moeilijk te begrijpen, maar ons oog werd gericht op de Heere Jezus, onze grote Hogepriester. We mochten Zijn middelaarschap op elk gebied van het leven van de Zijnen zien. Tot ons heil is Hij met Zijn eigen bloed in het heiligdom ingegaan, nadat Hij een eeuwige verlossing had verworven. Wat onze weg betreft, waakt Hij erover dat elke vorm van melaatsheid verwijderd wordt. En wat tenslotte de dienst aangaat, zo zagen wij in dit hoofdstuk dat Hij het uiteindelijk is Die alles naar Zijn maatstaven waardeert en beoordeelt.
Helaas zijn er christenen die wel het heil aannemen, maar er verder de voorkeur aan geven hun eigen weg te gaan. 'De Heere moet Zich maar niet met hen bemoeien', zo is hun opvatting. Zulke gelovigen moeten soms verdrietige ervaringen opdoen, zoals we zagen in hoofdstuk 26, opdat hun genegenheid voor de Heere weer opgewekt mag worden.
Moge de Heere toch in ons allemaal een volledig vertrouwen in Zijn Persoon en Zijn werk bewerken!
Het onderwijs in het Boek Leviticus betrof de dienst aan God en de gemeenschap. Het Boek Numeri neemt de draad van de geschiedenis van het volk op de weg door de woestijn weer op, maar belicht tegelijk ook andere zijden van het christelijke leven: de wandel en de dienst.
Allereerst roept God op tot een volkstelling van de stammen van Israël: de krijgslieden, Levieten en priesters. Een ieder moest zijn afkomst bewijzen (vers 18).
Ook voor een ieder van ons is het in eerste instantie belangrijk te weten een kind van God te zijn. En iedereen moet ook bereid zijn dit voor anderen te belijden (Romeinen 10 vers 9).
Maar, let op! Ieder van wie de ouders behoorden tot één van de twaalf stammen, was een Israëliet, maar om christen te zijn, is het niet voldoende om te weten dat je ouders dat ook zijn. Ja, je ouders hoeven dat zelfs helemaal niet te zijn!
Een christen word je alleen als je berouw hebt voor God over je zonden en ze belijdt en door persoonlijk geloof in de Heere Jezus. Pas dan ben je een lid van de hemelse familie waarvan God de 'administratie' bijhoudt. Beter gezegd: Dan sta je geschreven in Zijn boek des levens!
Als u vandaag tot de Heere Jezus gaat, wordt ook uw naam in dat boek geschreven. Dan kunt u met zekerheid, vol blijdschap, ook uw afstamming aantonen.
Want alle mensen die "Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden" (Johannes 1 vers 12).
In veel landen moeten de jongens tegenwoordig nog op ongeveer twintigjarige leeftijd in militaire dienst. Als iemand goedgekeurd is, moet hij de wapens dragen en heeft hij bepaalde verplichtingen ten opzichte van zijn vaderland.
Met ingang van de dag waarop hij z'n diensttijd begint, beslist hij niet meer zelf over zijn leven, maar moet hij zich schikken naar gemeenschappelijke regels. Hij leert respect te tonen voor zijn meerderen. Hij leert waarvoor discipline nodig is. Hij leert allerlei plichten en wordt onderwezen in de militaire zaken.
Heeft deze 'roeping voor het vaandel' ook geen betekenis voor alle jonge christenen?
Zonder twijfel is de pasgeborene in Christus niet direct na zijn bekering in staat "ten strijde" te trekken. De familie van God bestaat uit kinderen, jongelingen en vaders (1 Johannes 2 vers 13 tot 27).
Zoals kinderen in een gezin verschillende fases van ontwikkeling doormaken, zo hebben ook kinderen van God â hoewel allen hetzelfde leven en dezelfde voorrechten bezitten âverschillende capaciteiten en verantwoordelijkheden. Toch zou er bij allen groei te constateren moeten zijn (vergelijk Lukas 2 vers 40 en 52). Dan zal er een moment moeten komen waarop uit het kind, in geestelijk opzicht, een sterke jongeling is gegroeid die ervaring in het overwinnen van de boze heeft opgedaan (1 Johannes 2 vers 14). De jongeling zal een volwassene worden, zoals Hebreeën 5 vers 14 ons zegt.
Is dat bij ons het geval? Of zijn wij sinds onze bekering nog niet gegroeid?
Alle getelde Israëlieten over wie in dit hoofdstuk lezen, waren een jaar eerder door de Rode Zee getrokken.
Ze waren allemaal "in Mozes gedoopt ... in de wolk en in de zee". Ze hadden allemaal deel aan dezelfde voorrechten van het volk van God; aan het manna en aan het water uit de rots (1 Korinthe 10 vers 1 tot 4).
Hoevelen van de meer dan zeshonderdduizend getelden (vers 46) zouden het beloofde land bereiken? Slechts twee, in wie God een welgevallen gevonden had, omdat ze geloofden (vergelijk 1 Korinthe 10 vers 5 en Hebreeën 11 vers 6).
Alleen de Heere weet hoeveel er vandaag de dag van allen die christen genoemd worden, Hem werkelijk toebehoren (2 Timotheüs 2 vers 19). Niet de doop, maar alleen het geloof in Jezus Christus maakt ons tot een lid van de familie van God.
De zonen van Levi werden niet geteld onder hen die ten strijde moesten trekken (vers 47). Kracht en geweld komen in de dienst voor de Heere niet te pas.
Laten we eraan denken dat de gelovige vandaag zowel tot de strijd als tot de dienst wordt opgeroepen!
Zoals een Timotheüs moet de gelovige in staat zijn "de goede strijd des geloofs" te strijden (1 Timotheüs 6 vers 12). Maar hij moet tegelijkertijd ook, evenals de jonge Archippus, op "de bediening" letten die hij van de Heere heeft ontvangen (Kolosse 4 vers 17).
Van de gelovigen wordt niet verwacht dat ze alleen, op eigen houtje, door de woestijn trekken. Om hen ervan bewust te doen zijn dat ze één volk, één familie zijn, verzamelt de Heere hen rondom Zichzelf.
Laten we ons eens een voorstelling maken van het tentenkamp (het leger) van de Israëlieten.
De HEERE is het Middelpunt; daar bevindt zich de ark in de tabernakel waarop de wolk van Zijn heerlijkheid rust. Rondom de tabernakel heeft ieder z'n eigen plaats. Ten eerste de Levieten, dan de twaalf stammen in groepen van drie, met een eigen banier en gelegerd in de richting van de vier windstreken.
God is geen God van verwarring (1 Korinthe 14 vers 33). In Zijn onbeperkte wijsheid heeft Hij "de leden [van het lichaam van Christus] gezet, een ieder ervan ... gelijk Hij gewild heeft" (1 Korinthe 12 vers 18). Hij bepaalt de plaats waar Hij de Zijnen wil hebben. Geve God dat wij die plaats ook innemen!
Veel christenen hebben voor zichzelf banieren naar hun eigen mening en goeddunken opgericht. De naam van een bepaalde persoon of het systeem rond een bepaalde leer is voor hen dan zoiets als een banier waar ze zich omheen scharen: iets speciaals waardoor men zich onderscheidt van anderen. God erkent echter deze benamingen, deze door mensen opgerichte banieren, niet. Hij erkent alleen het éne Middelpunt dat Hij Zelf gegeven heeft: Jezus Christus, de ware Tabernakel, Die de verstrooide kinderen van God rondom Zich wil verzamelen, Wiens banier de liefde is en Die Zelf de banier boven tienduizend draagt (Hooglied 2 vers 4 en 5 vers 10).
De HEERE zonderde de zonen van Levi af om hen tot dienaars in het heiligdom te maken. Hun trouw aan God was op de proef gesteld, toen het volk een gouden kalf had gemaakt (Exodus 32 vers 26 tot en met 29; Maleáchi 2 vers 4 tot en met 6), en zij waren daarin betrouwbaar gevonden. Daarom werden ze nu afgezonderd om Aäron en de hele vergadering te dienen (vers 6 tot en met 9).
Dit is een beeld van het voorrecht van elke gelovige: "En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering". Daartoe is oplettendheid en waakzaamheid in de dienst voor de Heere nodig.
Deze eigenschappen kenmerken in het bijzonder het werk van de wachter die dag en nacht op zijn post staat (Jesaja 21 vers 7 en 8).
De Heere geve ons, dat wij bij hen horen die voor en over het volk van God kunnen waken! Laten we opmerken dat in hoofdstuk 4 vers 3 de dienst van de Levieten in één woord weergegeven wordt: "strijd". Dit betekent eigenlijk 'krijgsplicht' of 'moeite'.
In vers 13 herinnert God het volk eraan, wanneer en hoe Hij de Levieten tot Zijn eigendom gemaakt had. De nacht waarin het Pascha gevierd werd â voor ons het kruis â, was het tijdstip van afzondering (vergelijk 2 Korinthe 5 vers 15).
Bovendien waren deze dienstknechten aan Aäron en zijn zonen gegeven (vers 9). Zegt onze grote Hogepriester tegen Zijn Vader niet hetzelfde van de Zijnen? Het zijn zij "die Gij Mij gegeven hebt" (Johannes 17 vers 9 en verder).
Zoals geen enkele Israëliet het recht had om de plek voor zijn tent zelf te bepalen, zo kon ook geen enkele Leviet zelf bepalen welke dienst hij wilde doen.
Wat wij moeten doen, hoeft niet datgene te zijn wat óns interesseert, waarvoor wij denken geschikt te zijn, of waarvan wij denken dat het op dat moment gedaan moet worden. Het gaat erom dat we de wil van de Heere doen!
"Er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere", lezen we in 1 Korinthe 12 vers 5. Hij is de ware "Overste van de oversten" Die boven alles staat (vers 32). Hij alleen is in staat om de dienst van ieder afzonderlijk, ten bate van het geheel, te bepalen.
Stel je eens voor wat er zou gebeuren als er bij de spoorwegen een wisselwachter op eigen houtje van werk zou veranderen! Of dat de overwegwachter plotseling z'n overweg in de steek zou laten! Dat zou toch rampzalig zijn?!
Welk werk de Levieten ook moesten doen, in ieder geval legerde elk van de drie families zich vlak bij de tabernakel (vers 23, 29 en 35).
Daarbij moeten we denken aan de arbeiders in de tijd van David: "zij zijn daar gebleven bij de koning in zijn werk" (1 Kronieken 4 vers 23).
Wie het dichtst bij Christus is, zal het beste kunnen dienen, want zonder Zijn nabijheid kunnen we Hem niet dienen.
Anders dan bij de overige stammen van Israël, werden de Levieten "van een maand oud en daarboven" geteld. Denk eens aan de kleine Samuël, aan Jeremia (hoofdstuk 1 vers 5), aan Johannes de Doper (Lukas 1 vers 15) en aan Paulus (Galaten 1 vers 15)! De afzondering tot een bepaalde dienst voor de Heere gaat altijd aan het tijdstip waarop de Heere roept, vooraf.
Zodra de jonge Jesaja hoorde: "uw zonde is verzoend", antwoordde hij spontaan op de roep van de Heere: "Zie, hier ben ik, zend mij heen" (Jesaja 6 vers 7 en 8).
Toen Paulus een ontmoeting met de Heere had op de weg naar Damascus, hoorde hij uit de mond van de Heere dat Hij hem tot een "dienaar en getuige" had uitverkoren (Handelingen 26 vers 16).
Geen enkele verloste behoort zichzelf toe. Als hij zich, evenals de Thessalonikers, door genade van de afgoden tot God heeft bekeerd, heeft hij de opdracht om "de levende en waarachtige God te dienen" (1 Thessalonika 1 vers 9).
Diezelfde les leren we ook aan het einde van ons hoofdstuk. De Levieten namen de plaats van de eerstgeborenen van Israël in. Dus van hen die door de genade van Gods kracht, door middel van het bloed van het lam, gespaard waren gebleven voor de dood, toen de verderfengel in Egypte rondtrok.. Anders gezegd: Elke verloste wordt een knecht van Hem Die hem aan de dood en aan de macht van de wereld en haar overste ontrukt heeft.
Behoren wij â als we denken aan de rijkdom van ontvangen voorrechten â niet tot de 'eerstgeborenen' in Gods familie? De Heere geve ons, dat wij ons meer bewust zijn van Zijn rechten op ons leven (vergelijk 2 Kronieken 29 vers 11)!
De plichten van de Kehathieten, de Gersonieten en de Merárieten waren verschillend; toch stonden ze allemaal in verbinding met de tabernakel. Zij moesten haar voor elke tocht door de woestijn afbreken, transporteren en weer opbouwen.
Er is "verscheidenheid der bedieningen" (1 Korinthe 12 vers 5), maar ze staan allemaal in verbinding met de Heere Jezus. Iedere gelovige heeft daadwerkelijk dezelfde opdracht om op zijn weg door de wereld Christus te openbaren en Zijn verschillende heerlijkheden tentoon te spreiden. De knechten van de Heere dragen de verantwoordelijkheid om, in woord en werk, de christelijke leer ongeschonden en in ere te houden.
De meeste voorwerpen waren op de reis door de woestijn onder een onopvallend kleed van dassenvellen bedekt. Dit herinnert ons eraan dat de gelovigen hun 'schat' â Christus â "in aarden vaten" bezitten (2 Korinthe 4 vers 7).
Een uitzondering hierop vormde de ark waarover nog een kleed van hemelsblauw purper werd gelegd. Dat is een symbool van het hemelse karakter van onze Heere hier op aarde.
De kandelaar werd op een draagboom gelegd, zodat iedereen hem kon zien. Dat spreekt ons van een duidelijk getuigenis voor de wereld van Hem Die het licht is.
Het gouden altaar onder een kleed van rood purper (vers 13) herinnert de verlosten tijdens hun wandel door de wereld steeds aan het lijden van Christus en "de heerlijkheid daarna".
Men kan de opdrachten die de drie Levitische families moesten vervullen, vergelijken met de drie hoofdzaken van de diensten die in de gemeente uitgeoefend worden: de dienst van profeten, van herders en van leraars (vergelijk Efeze 4 vers 11 en 1 Korinthe 14).
De éne familie stelt Christus voor met betrekking tot de behoeften tijdens de woestijnreis (de Kehathieten: profeten). De andere waakt over de gordijnen, bedekkingen en de behangsels, met andere woorden, over het praktische getuigenis van de gemeente (de Gersonieten: herders). En de derde familie is tenslotte verantwoordelijk voor de eigenlijke bouw, de grondbeginselen van de waarheid (de Merárieten: leraars).
Om de bouw te voltooien, was samenwerking tussen alle drie families noodzakelijk. Een Kehathiet mocht de ark dragen, terwijl een Meráriet misschien alleen maar een paar touwen vast mocht maken. Voor de Heere is noch de belangrijkheid, noch de schijnbare waarde van een bepaald werk doorslaggevend. Voor Hem telt alleen de trouw (1 Korinthe 4 vers 2). De knechten in Mattheüs 25 (vers 20 tot en met 23) konden met twee en met vijf talenten trouw zijn en daarom over veel gezet worden.
Laten we ervoor oppassen, de dienst van een ander gering te achten, of omgekeerd, er jaloers op te zijn! Wie zijn wij dat wij "de huisknecht van een ander" oordelen? (Romeinen 14 vers 4). Het komt alleen de ware Aäron toe, "een ieder over zijn dienst en aan zijn last te stellen" (vers 19). Dat was een geweldige zekerheid voor de Leviet! Geleid door de priester, wist hij wat hij moest doen en hoe hij dat moest doen.
Bij de eerste telling van de Levieten in hoofdstuk 3 ging het om allen van het mannelijk geslacht, "van een maand oud en daarboven" (vers 15). Bij de tweede telling in dit hoofdstuk gaat het om de mannen tussen de dertig en vijftig jaar (vers 35).
De Heere verwacht van ons dat we Hem de beste tijd van ons leven geven. Daarbij gaat het niet zozeer om de leeftijd, maar om de geestelijke rijpheid, dat is de vrucht van opgedane ervaringen. Een jonge christen die "in het minste" getrouw geweest is, zal door de Heere bij Zijn komst veel toevertrouwd kunnen worden (Lukas 16 vers 10).
Er werden 8580 Levieten in de juiste leeftijd geteld om de dienst te doen. Met het oog op de grootte en het gewicht van de tabernakel werd niemand te zwaar belast. De één kon de ander aflossen.
Waarom moet de Heere dan verdrietig vaststellen dat er voor Zijn oogst te weinig arbeiders zijn (Mattheüs 9 vers 37)? Omdat er helaas velen zijn die "hun hals niet bogen onder de dienst van hun Heere" (Nehemia 3 vers 5). Een heel triest feit dat tot het hart van ieder van ons persoonlijk zou moeten spreken!
De telling van de Levieten was afgelopen en iedereen kreeg een opdracht, "naar zijn dienst, en naar zijn last" (vers 49). De woorden 'dienst' en 'last' herinneren ons eraan dat niemand de Heere en de Zijnen kan dienen zonder in geestelijk opzicht de grootte van de verantwoordelijkheid en de last van de zorgen te voelen (2 Korinthe 11 vers 28).
Het tentenkamp van Israël moest van elke ongerechtigheid gereinigd blijven. En wel om een heel belangrijke reden: de HEERE woonde daar (vers 3).
Dezelfde reden voert de apostel aan als hij elk kind van God oproept zich rein te bewaren, want zijn lichaam is een tempel van de Heilige Geest (1 Korinthe 6 vers 19). De Israëliet die besmet was met melaatsheid (de zonde) of de vloed (de onbekwaamheid om de uitwerking van het vlees aan banden te leggen), moest tot aan zijn genezing uit de legerplaats verwijderd worden.
Vanaf vers 11 vinden we de wetten voor de proeven van de ijverzucht (jaloersheid). Daardoor wordt een ieder van ons erop gewezen, zichzelf steeds weer zorgvuldig op de proef te stellen. Is Christus alleen het Voorwerp van onze genegenheden, van ons hart?
Als we de wereld liefkrijgen, kent Gods Woord daarvoor maar één vreselijk woord: overspel! Ook al lijkt bij ons uiterlijk alles in orde, toch zijn we dan vijanden van God en verloochenen we onze Heere (Jakobus 4 vers 4; 1 Korinthe 10 vers 22).
Wij moeten ons dan "voor het aangezicht des HEEREN" stellen, zoals de verdachte vrouw voor de priester gebracht werd. Dan moeten we het Woord van God ("heilig water") laten doordringen in ons geweten, om daardoor onze diepste, verborgen gevoelens aan het licht te laten brengen.
"Doorgrond mij, o God!" â bad de psalmist â "en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg" (Psalm 139 vers 23 en 24).
Naast de Leviet kon elke Israëliet, zowel man als vrouw, uit een andere stam zich aan de HEERE wijden door "de gelofte van een Nazireeër" af te leggen. Maar in tegenstelling tot de wijding van de Leviet was deze wijding persoonlijk en vrijwillig. Men hoefde die gelofte niet te doen! Maar had men het eenmaal gedaan, dan was het gedaan met de vrijheid! Dan was zowel het privéleven als het openbare leven van zo iemand aan strenge regels onderworpen. Iets dergelijks vinden wij ook bij een soldaat. Iemand die vrijwillig in dienst gaat, heeft dezelfde verplichtingen als de dienstplichtige.
De Nazireeër moest aan drie voorwaarden voldoen:
hij mocht geen gebruik maken van de vrucht van de wijnstok, een beeld van de vreugden van de wereld;
hij moest zijn haar laten groeien, zichzelf verloochenen, (dat laatste zou eigenlijk elke volgeling van Christus moeten kenmerken!);
hij moest elk contact met de dood, het loon en het bewijs van de zonde, vermijden.
In principe draagt elk kind van God dit drievoudige karakter. Elke gelovige is gestorven voor (a) de wereld, (b) z'n eigen ik en (c) de zonde . Dat wil zeggen: Hij zou daar niets meer mee te maken moeten hebben; voor die dingen moet hij zich als het ware dood houden. Om de kracht te hebben, deze moeilijke en tegen de menselijke natuur ingaande positie te verwerkelijken, moet de afzondering voor de Heere voortkomen uit een blij en vastbesloten hart.
De verzen 9 tot en met 12 laten zien hoe snel we door gebrek aan waakzaamheid het karakter van een Nazireeër kunnen verliezen. En wat is het dan moeilijk om dat weer terug te krijgen!
De Schrift maakt melding van enkele Nazireeërs: Simson, Samuël, Amásia (2 Kronieken 17 vers 16), Johannes de Doper. Maar de Nazireeër in de ware zin van het woord was de Heere Jezus.
Al van vóór Zijn geboorte afgezonderd voor God en al op twaalfjarige leeftijd met de dingen van Zijn Vader bezig, was Zijn toewijding aan God, tot en met Zijn dood aan het kruis, volmaakt. Wel in de wereld gekomen, maar niet van de wereld zijnde, had Hij geen deel aan haar feesten en vreugden (Johannes 7 vers 8; 17 vers 14). Nooit hebben familiebanden Zijn dienst kunnen beïnvloeden (Lukas 8 vers 20 en 21). Hij bleef steeds in afhankelijkheid van Zijn Vader (Johannes 5 vers 19). Niets kon Hem verontreinigen (1 Petrus 2 vers 22).
Wat is de Heere voor ons toch een voorbeeld van volledige overgave gedurende Zijn hele weg hier op aarde! En aan het einde van die moeilijke weg wachtte Hem een heilige vreugde die Hij met allen wil delen die hier Zijn smaadheid droegen (vers 20 b; Hebreeën 12 vers 2; Mattheüs 26 vers 29 en 25 vers 21).
Aan het einde van de dagen van zijn wijding bracht de Nazireeër alle offers. Wie hier samen met de volmaakte Nazireeër Diens plaats heeft ingenomen, zal inderdaad ook bekend worden gemaakt met de verschillende zijden van Zijn werk op het kruis.
De verzen 22 tot en met 27 bekronen als het ware dit hoofdstuk. Het is net alsof ons daardoor duidelijk wordt gemaakt dat de weg van afzondering voor de Heere de meest zekere weg is om gezegend te worden.
Dit lange hoofdstuk is gewijd aan de offeranden van de twaalf stamhoofden, de oversten van Israël.
De zes overdekte wagens en twaalf runderen waren voor de Levieten bestemd. Zij spreken ons van de praktische hulp die we aan dienstknechten van de Heere mogen geven, om hun dienst te verlichten: gastvrijheid, reismogelijkheden en allerlei andere dingen waardoor hun taak vergemakkelijkt wordt. Deze offers werden aan de Levieten "een ieder naar zijn dienst" gegeven (vers 5). Dit herinnert ons eraan dat de Heere de Zijnen altijd van de middelen voorziet die zij nodig hebben om de opdracht uit te voeren die Hij hun heeft toevertrouwd.
Dan komen de offers "ter inwijding van het altaar". De broeders te dienen en hen alleen in materieel opzicht te helpen, is niet voldoende. De tot de rand toe gevulde schotels en schalen met hun inhoud spreken van de dienst van ware aanbidders. Zij brengen alle volmaaktheden en de welriekende reuk van Christus voor God. Ook de verschillende offers behoren daartoe en laten ons aan de veelvuldige zijden van het werk op het kruis denken.
Waarom schenkt God toch zoveel aandacht aan deze offers? Ze hadden immers ook veel korter beschreven kunnen worden? Hij wil ons daarmee duidelijk maken dat Mies wat ieder persoonlijk brengt, voor Hem van grote waarde is, en dat Hij niets vergeet van wat wij voor Hem gedaan hebben. Laten we daarom niet bang zijn in herhaling te vervallen, maar er juist aan denken dat de Vader nooit moe wordt van het luisteren naar onze opsomming van de heerlijkheden van Zijn Geliefde!
Vers 89 verraadt ons het geheim van "Mozes, de man Gods" (Psalm 90 vers 1). Het is het gebed.
We zien hoe hij zich, neergebukt onder de last van de verantwoordelijkheid en gekweld door het constante gemopper van het volk, alleen terugtrekt in de donkerheid en stilte van het heiligdom om daar te spreken met God. God hoorde zijn stem en sprak tot hem. Daarbij mogen we denken aan de Heere Jezus, hoe Hij Zich â ver vóór het aanbreken van de dag of 's avonds ná alle dagelijks bezigheden âalleen terugtrok in de eenzaamheid om te bidden (Markus 1 vers 35 en 6 vers 46).
Waarom is er aan het begin van hoofdstuk 8 â dus tussen de offeranden van hoofdstuk 7 en de inwijding van de Levieten in de volgende verzen â weer sprake van de kandelaar? Moet dat ons er niet op wijzen dat het Goddelijke licht zowel de gave alsook de persoon die het brengt, belicht en beoordeelt? Het gaat niet alleen om de dienst, maar ook om degene die de dienst doet!
God weet wat onze toewijding aan Hem waard is, want daarvan spreekt de gang van zaken bij deze inwijding. We zien dat de Levieten door Aäron als een beweegoffer gebracht worden om zo het Goddelijke licht als het ware van alle kanten op hen te laten schijnen. Op die manier bleef er niets in de schaduw verborgen. Al zat er ook maar één heel klein vlekje op hun klèding, het zou direct zichtbaar zijn.
Daarom is het voor ons ook zo belangrijk om altijd voor het aangezicht van God te staan om Hem te kunnen dienen (zie bijvoorbeeld 1 Koningen 17 vers 1).
Voordat de Levieten als een beweegoffer gebracht werden, moesten voor henzelf offers gebracht worden om hen te reinigen. Ze lieten het scheermes over hun hele vlees gaan en wasten hun kleren (vers 7).
Deze handelingen zijn we ook al tegengekomen bij de inwijding van de priesters en bij de reiniging van de melaatse. Het is geen beeld van de bekering, maar van het werk van de Heilige Geest, door het Woord van God, om de gelovigen rein te bewaren.
Het scheermes spreekt van zelfoordeel dat wij moeten uitoefenen over alles wat uit het vlees kan voortkomen. Vooral een dienstknecht van de Heere kan gauw hoogmoedig worden als het scheermes niet toepast wordt om hem nederig te houden.
Zoals wij het niet fijn vinden om vieze kleren aan te trekken als wij ons gewassen hebben, hebben wij om de Heere te kunnen dienen, niet alleen een goed geweten nodig, maar moet ook onze houding naar buiten toe geen aanstoot geven.
"Daarna" pas kon de Leviet zijn dienst doen (vers 22). Dat is een heel belangrijke les! Wat voor werk je ook gaat doen, je hebt altijd een periode nodig om het te leren en je erop voor te bereiden. Dat is voor een dienst voor de Heere nog veel meer noodzakelijk!
Laten we de Heere het werk dat Hij in genade aan ons wil volbrengen, eerst laten voleindigen, voordat wij overhaast aan een werk voor Hem beginnen.
Sinds de dag van de uittocht uit Egypte was er een jaar voorbijgegaan. En de HEERE geeft Mozes nu aanwijzingen hoe deze dag herdacht moet worden.
De christenheid herdenkt jaarlijks de geboorte en het sterven van de Heiland, maar velen denken daar dan tot het volgende jaar niet meer aan. De verlosten van de Heere hebben het voorrecht om elke eerste dag van de week gemeenschappelijk aan Zijn lijden en sterven te denken, door deel te nemen aan het gedachtenismaal dat Hij Zelf heeft ingesteld.
God gaf in Zijn genade aan allen in Israël die onrein of op reis waren, een uitweg. De Heere kent de omstandigheden van de Zijnen en komt hen in Zijn erbarmen tegemoet, hoewel Hij niets verandert aan Zijn eigen maatstaf.
Als iemand verhinderd was het Pascha normaal in de eerste maand te vieren, mocht het feest ook in de tweede maand gevierd worden, maar ook dan naar alle inzettingen voor het Pascha (vers 12).
Zoals hier het belijden van onreinheid nodig was (vers 7), roept het Woord de gelovige op zichzelf te beproeven en te oordelen, vóórdat hij aan het avondmaal deelneemt (1 Korinthe 11 vers 28).
Er is geen sprake van dwang, zodat we bang zouden moeten zijn voor straf als we niet deelnemen, zoals toen bij het Pascha (vers 13). Maar heeft daarom het verlangen van de Heere minder invloed op het hart van Zijn verloste? Zou het niet heel ernstig zijn als wij, met de uitvlucht dat het geen plicht is, weg zouden blijven, hoewel de Heere gezegd heeft: "Drinkt allen daaruit" (Mattheüs 26 vers 27)?
De Israëlieten hadden niets te vertellen over de verschillende etappes van hun woestijnreis. Ieder opbreken, elke rustpauze gebeurde "naar de mond des HEEREN".
Verhief de wolk zich, dan moesten ze opbreken, ook al waren ze nog maar nauwelijks gearriveerd en beviel die plek hen juist zo goed. Bleef de wolk daarentegen op de tabernakel rusten, dan moest men het tentenkamp opbouwen en mocht men niet verder trekken.
Kon men dan geen enkele dag zonder deze Goddelijke leiding? Absoluut niet! Die leiding was zowel voor een lange tijd als voor een enkele dag nodig. Zowel voor het rusten als voor het opbreken, zowel voor de nacht als voor de dag. Het is een wonderbaar beeld van de totale afhankelijkheid die de verlosten van de Heere zouden moeten hebben en die Hij ons Zelf op volmaakte wijze heeft voorgeleefd!
Zodra de wil van de HEERE bekend geworden was, weerklonken de zilveren trompetten van de priesters als teken voor de verschillende bewegingen van het volk. Ze weerklonken om te vergaderen (vers 3 en 4), om op te trekken (vers 5 en 6), om te strijden (vers 9), maar ook op gedenken feestdagen (vers 10).
Deze trompetten spreken tot ons van het getuigenis van God, zowel in het samenkomen van de heiligen alsook in hun wandel, in hun strijden en in hun dienst voor God. Laten wij ons te midden van een vijandige wereld niet schamen "voor het getuigenis van onze Heere" (2 Timotheüs 1 vers 8).
Toen de wolk zich verhief, weerklonken de trompetten, verzamelde het volk zich, braken de Levieten de tabernakel af en nam iedereen zijn plaats in de marscolonne in. Vervolgens bliezen de trompetten "een gebroken klank", waarna de stammen zich, in overeenstemming met de aanwijzingen van God, naar hun banieren, in beweging zetten.
Vandaag wachten de christenen op het signaal voor de grote 'aftocht'. De Heere zal "met de bazuin Gods" terugkomen om Zijn gemeente op te halen (1 Thessalonika 4 vers 16). De Zijnen denken nu echter ook steeds aan hen die hier dan op aarde zullen achterblijven. Daarom richten zij zich, samen met de Geest, tot de wereld met de oproep: "Die dorst heeft, kome!" (Openbaring 22 vers 17).
Zo lijkt Mozes ook tegen Hobab te spreken: 'Kom en geniet samen met ons van al het goede dat God aan de Zijnen beloofd heeft' (zie vers 29). Maar waarom vraagt hij hem dan in vers 31 om hulp bij het leiden van het volk door de woestijn? Laten we maar niet te streng over hem oordelen! Hoe vaak vertrouwen wij zelf niet meer op de raad van anderen, in plaats van ons te laten leiden door de Heere?!
Als om ons eraan te herinneren Wie de leden van Gods volk leidt, laat vers 33 ons zien dat de ark van het verbond voorop ging. Dan is het volk immers verzekerd van "een rustplaats"!
De weg van drie dagen die Christus voor ons door de dood is gegaan, opent voor het volk een nieuwe weg op hun tocht naar de hemelse rust.
In hun ondankbaarheid beklaagt het volk zich en de HEERE tuchtigt het. Maar die les was niet voldoende. De lust die in het tiende gebod van de wet wordt veroordeeld, ontbrandt in de harten van "het vermengde volk" dat samen met de Israëlieten uit Egypte was vertrokken (Exodus 12 vers 38).
'Waar is het voedsel dat wij "om niet" aten in Egypte?' Het arme volk is de tichelstenen en het stro helemaal vergeten, en vooral hoe hoog de prijs was die ze de onderdrukker moesten betalen voor het weinige dat hij hen gaf! De voedingsmiddelen uit Egypte, look, ajuinen, knoflook enzovoorts, hebben een sterke smaak. Ze wekken de eetlust, maar zijn niet voedzaam, ja, soms zelfs onverteerbaar.
Waarmee voeden de mensen van de wereld hun geest? Met tijdschriften, romannetjes, video's enzovoorts, die wel aantrekkingskracht hebben voor het vlees, maar nutteloos zijn voor de ziel, ja, zelfs schadelijk!
Israël denkt nu terug aan dat voedsel, omdat het manna voor hen z'n kostelijke smaak als van "honingkoeken" (Exodus 16 vers 31) verloren heeft! Voor hen smaakt het alleen nog naar "vochtigheid der olie" (vers 8). En later zeggen ze zelfs openlijk: "Onze ziel walgt van dit zeer lichte brood" (Numeri 21 vers 5).
Beste vrienden, als wij ons aangetrokken voelen door het 'voedsel' van de wereld, moeten we onszelf de vraag stellen: 'Komt dat niet, omdat het Woord van God voor mij z'n smaak verloren heeft?'
"Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren", heeft de Heere Jezus beloofd (Johannes 6 vers 35).
Mozes is ontmoedigd! Dezelfde Mozes die aan het einde van het vorige hoofdstuk nog triomferend over "de tien duizenden der duizenden van Israël" had gesproken, doet nu God het verwijt dat Hij "de last van dit ganse volk" alleen op zijn schouders gelegd had.
Natuurlijk kon Mozes "alleen" dit volk niet dragen, maar hij was immers ook niet alleen! De HEERE Zelf droeg Israël "op vleugelen der arenden" (Exodus 19 vers 4) en op Vaderarmen (Deuteronomium 1 vers 31).
Psalm 106 herinnert ons aan deze verdrietige episode: "Doch zij vergaten weldra Zijn werken ... zij werden bevangen met lust in de woestijn ... Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid" (vers 13 tot en met 15).
Als wij erop staan iets te ontvangen wat God eigenlijk niet goed voor ons acht, kan het gebeuren dat Hij er uiteindelijk in toestemt. Maar dan wel met de erge gevolgen, zoals ons die voor Israël worden beschreven in de verzen 19, 20 en 33.
Die magerheid kan tot vermagering leiden en uiteindelijk tot vergaand verderf! En is een wegkwijnen van onze ziel niet vele malen erger dan een lichamelijke ziekte?
Moge God ons bewaren voor "de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel" (1 Petrus 2 vers 11), en ons leren tevreden te zijn met wat Hij ons geeft ... of ons juist niet geeft!
Op zijn eigen verzoek wordt Mozes door zeventig oudsten van een deel van zijn verantwoordelijkheid ontheven. Al in Exodus 4 zagen we dat Aäron aan Mozes tot "mond" werd gegeven. Wat is het toch een verdrietige en verootmoedigende gedachte dat de Heere vaak genoodzaakt is om een deel van ons werk door anderen te laten volbrengen, omdat wij te weinig geloof hebben!
De oudsten worden samengebracht bij de tent der samenkomst waar de Geest op hen komt. Dan horen we dat twee van hen, Eldad en Medad, in het leger, het tentenkamp, achtergebleven waren en daar profeteerden.
Jozua wilde dit verhinderen (vergelijk Lukas 9 vers 49 en 50). Maar voor Mozes was het een goed bericht. Ook Paulus verheugde zich er zonder verdere bijgedachten over dat het evangelie werd verkondigd, zelfs al was het dan "door nijd en twist" (Filippi 1 vers 15 tot en met 18).
God toont ons de weg van afzondering "buiten de legerplaats" van christelijke systemen. Maar laten we ervoor oppassen, andere gelovigen â die misschien wel trouwer en vastbeslotener zijn dan wij! â in een geest van aanmatiging te veroordelen, omdat zij deze afzondering (nog) niet begrepen hebben.
Alles wat we bezitten of mochten leren zien, hebben we slechts te danken aan de genade van God!
Denkt u zich eens in wat er al gauw van die hoeveelheid kwakkels in de brandende woestijnzon is terechtgekomen! Galaten 6 vers 8 waarschuwt daarom: "Die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien".
De tong is een "onbedwingbaar kwaad, vol van dodelijk venijn", zegt Jakobus 3 vers 8.
Opnieuw moeten we haar verwoestende uitwerking vaststellen; nu niet in de vorm van klagen en mopperen zoals bij "het vermengde volk" (hoofdstuk 11), maar in afgunstige kritiek en kwaadsprekerij.
De hoogstaande familieleden van de leider van het volk, Aäron, de hogepriester, en Mirjam, de profetes, verontreinigen zich hiermee. Hun boosaardige woorden waren misschien wel in het geheim "in het oor gesproken" (Lukas 12 vers 3), maar ... "de HEERE hoorde het!" (vers 2b; zie ook hoofdstuk 11 vers 1).
Laten we nooit vergeten dat ook onze vertrouwelijkste mededelingen door een 'Toehoorder' in de hemel gehoord worden!
Mozes zwijgt. Steeds wanneer de rechten van de HEERE in het geding zijn, ontbrandt hij terecht in toorn. Maar nu hij zelf wordt aangevallen, verdedigt hij zich niet. Zijn grote zachtmoedigheid komt tot uitdrukking in zijn zwijgen. Daarom neemt God de verdediging van Zijn knecht op Zich.
Hij laat de drie betrokkenen bij de tent der samenkomst komen en dan de beide schuldigen naar voren treden. Aan de zwaarte van de tuchtiging kunnen we de grootte van de begane zonde afmeten. Mirjam wordt melaats.
Nu doet Mozes voor het eerst zijn mond open en doet voorspraak voor zijn ongelukkige zuster die daarop wordt genezen.
De Heere beware ons voor "nijdigheid, en alle kwaadsprekerijen" (1 Petrus 2 vers 1).
Het volk komt in de buurt van het land van de belofte. Mozes zendt twaalf verspieders uit om het land te verkennen en later te vertellen hoe het met de bewoners en de vruchten van dat land staat.
Er waren veertig dagen nodig om deze opdracht uit te voeren. De verspieders komen bij Hebron, de plaats die we al kennen uit de geschiedenis van Abraham; daar kocht hij de spelonk van Machpéla als begraafplaats.
De verspieders brengen zo'n grote druiventros mee dat twee mannen hem moeten dragen.
Voor ons is de hemel het land van de belofte. Evenals het volk Israël bevinden wij ons in de woestijn, een beeld van de wereld. We hebben het erfdeel waar God ons wil brengen, nog niet gezien. Maar Eén kent het en kan ons daarover vertellen. Het is de Heilige Geest Die ons de hemelse dingen meedeelt.
Zoals de druiventros van Eskol een tastbaar bewijs van de rijkdom van het land was, zo geeft de Geest ons een voorsmaak van de hemelse vreugden. Hij maakt ons met de dingen van God bekend (1 Korinthe 2 vers 12). Hij neemt uit dat wat van Christus is, om het ons te vertellen (Johannes 16 vers 14).
Hoewel wij nog in een wereld zijn die het morele karakter van een woestijn draagt, kunnen we ons toch al bezighouden met Hem "Die gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt" (1 Petrus 1 vers 8).
Twaalf verspieders waren erop uitgegaan, voor elke stam één. Toen ze op weg gingen, was er geen verschil tussen hen te zien. Maar de veertig dagen durende reis heeft deze mannen op de proef gesteld (in de Bijbel is veertig het getal van de beproeving).
Bij hun terugkeer maakt ieder openbaar wat in zijn hart leeft. En wat is het resultaat? Tien zitten vol ongeloof. Slechts twee, Jozua en Kaleb, vertrouwen God.
Het geloof kent God en beoordeelt de dingen vanuit Zijn gezichtspunt, terwijl ongeloof menselijke maatstaven aanlegt en zich door zichtbare hindernissen laat ophouden.
De reuzen, de kinderen van Enak, waren geen verbeelding, evenmin als de hoge muren van de steden dat waren. Maar de fout van de mannen was dat zij op hun eigen geringheid zagen en dat zij zich ermee bezighielden hoe de vijanden over hen dachten (vers 33). Ze hadden op de HEERE moeten zien!
Jozua en Kaleb schamen zich niet om tegenover de anderen van hun geloof te getuigen. Zij hechten grote waarde aan het beloofde erfdeel en dringen er bij hun broeders op aan dit in bezit te nemen.
Is dat niet een voorbeeld voor ons? Behoren wij bij hen die "het land" roemen? Of ontmoedigen wij juist anderen om de Heere Jezus na te volgen?
Het niet eens zijn met de anderen is altijd moeilijk, soms zelfs gevaarlijk. Jozua en Kaleb werden bijna gestenigd (vers 10), maar God stond aan hun kant!
De HEERE zegt dat dit volk Hem getergd heeft (vers 11 en 23). Doordat zij "het gewenste land" te versmaadden (vers 31 en Psalm 106 vers 24), richtten hun verachting en ondankbaarheid zich in werkelijkheid tegen Godzelf.
Hoe moeten we vandaag de dag het gedrag van veel mensen betitelen die een gave, niets minder dan de hemel (!), en de Gever, God Zelf (!), minachten?
Zoals eens bij het gouden kalf, komt Mozes ook nu op voor het volk. Evenmin als toen, laat hij zich ook nu niet 'verleiden' door Gods aanbod, hem tot de leider van een nieuw volk te maken (vers 12 en Exodus 32 vers 10).
Met onweerlegbare bewijzen herinnert hij God eraan dat de grootheid van Zijn Naam bij de volkeren op het spel staat. Vervolgens brengt hij in vers 18 naar voren wat hijzelf van God geleerd heeft, door Zijn eigen woorden te herhalen (Exodus 34 vers 6 en 7). Hij herinnert God er als het ware aan dat Hij "lankmoedig en groot van weldadigheid" is.
Hij wijst de HEERE er nadrukkelijk op dat dit dé gelegenheid is om de ongerechtigheid en de overtreding te vergeven. Als er geen misdaden zijn, heeft vergeving ook geen grond van bestaan.
Mijn en uw zonden hebben God de gelegenheid gegeven om Zijn genade te openbaren. Als kinderen van God mogen we deze God van vergeving kennen. Hij is onze Vader. En bij Hem hebben wij een Voorspraak, vol van liefde: Jezus Christus, onze Heiland (1 Johannes 2 vers 1).
Wat een troost om te midden van deze verdrietige omstandigheden een Jozua en een Kaleb te zien! Met hen was "een andere geest" geweest (vers 24). Daarvoor zullen ze hun loon niet mislopen en als enigen van een hele generatie in het beloofde land mogen ingaan.
Vóórdat het zover is, moeten ze delen in het lot van het hele volk: veertig jaar lang rondtrekken door het zand van de woestijn. Maar tijdens deze lange tocht werden ze steeds weer herinnerd en bemoedigd door de gedachte aan het land Kanaän, het land dat ze eens al waren binnengegaan en waarvan ze de vruchten al hadden genoten.
Mozes brengt de onaangename boodschap over. Hoe reageert het volk hierop?
Toen Kaleb hen opriep om vrijmoedig het land in bezit te nemen, wilden ze terugkeren naar Egypte of in de woestijn sterven (hoofdstuk 13 vers 30; 14 vers 2). Nu echter Gods oordeel hen laat terugkeren naar de Schelfzee en God hen de dood in de woestijn aankondigt, willen ze zich aan de straf onttrekken en antwoorden: "Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken" (vers 40).
Het hart van de mens is nooit in overeenstemming met God. Vooral niet wanneer het erom gaat begane fouten te belijden, zich onder de tucht van God te buigen en ootmoedig de gevolgen van de zonden te dragen.
Hoewel Mozes tegen hen zegt: "Trekt niet op", blijven ze hardnekkig bij hun besluit en lijden vervolgens een bittere nederlaag.
Na de schokkende gebeurtenissen in hoofdstuk 14 zou men kunnen denken dat het volk door z'n ongeloof en opstand alle rechten op het land Kanaän had verloren. Daarom spreekt God onmiddellijk daarna over het land van de belofte (vers 2). Daardoor laat Hij zien dat niets Hem ervan zal weerhouden om Zijn raadsbesluiten van genade uit te voeren.
God vermeldt hier in hoofdstuk 15 ook verschillende offers: het brandoffer (vers 3), het spijsoffer (vers 4), het drankoffer (vers 5), het dankoffer (vers 8) en het zondoffer (vers 24); zij herinneren ons er in zekere zin aan â het éne meer, het andere minder â dat er ook voor de ergste overtredingen peilmiddelen zijn. Beter gezegd: één enkel middel, het veelzijdige offer van Zijn geliefde Zoon.
Van Hem stijgt â hoe verdrietig de toestand van het volk ook mag zijn â "een liefelijke reuk voor de HEERE" omhoog. Deze uitdrukking wordt hier vijf keer gebruikt. In dit beeld wordt ons het werk van Christus met zijn veelvoudige zijden voorgesteld.
De inzetting was voor de vreemdeling en de geboren Israëliet gelijk; het was de vreemdeling toegestaan dezelfde offers en het drankoffer te brengen. Dit is een heenwijzing naar de boven Israël uitstijgende genade van het evangelie dat in de hele schepping gepredikt zou worden (Kolosse 1 vers 23).
De verzen 17 tot en met 21 gaan over de gaven van de eerstelingen; zij herinneren ons eraan dat de Heere Jezus altijd de eerste rechten heeft op alles wat wij bezitten.
Het Woord van God dat de beweegredenen van het hart onderscheidt, maakt zorgvuldig verschil tussen zonden "bij dwaling" (dus begaan uit onwetendheid of onbezonnenheid) en zonden die "met opgeheven hand" worden bedreven (dus met opzet, zonder rekening te houden met de wil van God, hoewel men die kent; vers 24, 25 en 30).
Voor deze laatste vorm van zonde was geen vergeving mogelijk, zoals blijkt uit de bestraffing van de man die de sabbat had geschonden (vers 32 tot en met 36).
"Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen", vraagt de psalmist. Maar in het bewustzijn van zijn eigen zwakheid voegt hij eraan toe: "Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen" (Psalm 19 vers 13 en 14).
In verbinding met het kwaad had de Israëliet bovendien nog een middel ter voorkoming: de door een hemelsblauwe draad aan zijn kleding bevestigde snoertjes.
Deze herinnerden hem aan zijn verbinding met de HEERE; dit teken was steeds een waarschuwing voor hem om zijn kleed niet te verontreinigen.
Voor ons, gelovigen, is dat een mooi beeld van ons hemelse karakter dat we nooit mogen vergeten! Dan worden we op onze weg bewaard voor de zonde en zullen we ook ons hart en onze ogen niet navolgen (vers 39).
"Zoekt de dingen, die boven zijn ... Bedenkt de dingen, die boven zijn", zo vermaant ons Kolosse 3 vers 1 en 2!
Aan de ongelukkige geschiedenis van het volk in de woestijn wordt nog een donkere bladzijde toegevoegd.
In de Brief van Judas, vers 11, wordt dit "de tegenspreking van Korach" genoemd. Dit bericht laat ons zien waartoe een zonde "met opgeheven hand" (hoofdstuk 15 vers 30) kan leiden: tot openlijke opstand tegen God.
Korach was een Leviet uit de familie van Kehath (vers 1). Niet tevreden met zijn eervolle dienst, wilde hij nu het priesterambt vervullen dat God aan Aäron en zijn familie had toevertrouwd.
"De dienst van de tabernakel des HEEREN te bedienen, en te staan voor het aangezicht van de vergadering, om hen te dienen" (vers 9), dà t was Korach en zijn afdeling niet genoeg. Ze verlangden naar meer, naar iets hogers.
Helaas stellen zich ook vandaag sommige christenen niet tevreden met de dienst die de Heere hen heeft toevertrouwd. Ze willen graag meer aanzien en verheffen zich boven anderen. Wat een tegenstelling tot Hem Die niet is "gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen" (Markus 10 vers 45)!
Dathan en Abiram wagen het zelfs een uitdrukking die van toepassing was op het land Kanaän, te gebruiken voor Egypte: "een land, vloeiende van melk en honing". En voor hen is Mozes als "heerser" ondraaglijk (vers 13).
Deze beide mannen belichamen de burgerlijke opstand, terwijl Korach een beeld is van het religieuze verval.
Korach nam, om zo te zeggen, het voortouw en verhief zich (vers 1). Maar er staat geschreven: "Een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden" (Lukas 14 vers 11).
Het Boek Spreuken, maar ook de geschiedenis van de mensheid, bevestigen dit grondbeginsel: "hoogheid van geest is vóór de val" (Spreuken 16 vers 18).
Voor de oproerlingen liet deze val niet lang op zich wachten. Wat een vreselijke gebeurtenis! De aarde opende zich onder hun voeten en ze werden levend, met al hun bezittingen, verslonden.
Mozes had uit voorzorg gewaarschuwd: "Wijkt toch af van de tenten van deze goddeloze mannen" (vers 26), wat de zonen van Korach blijkbaar gedaan hebben. Zij hebben partij gekozen voor God in plaats van voor hun vader die zij als een wetteloze man zagen. Want inderdaad lezen wij in Numeri 26 vers 11: "De kinderen van Korach stierven niet".
Later ontmoeten we hen als zangers en samenstellers van Psalmen. Psalm 84 vat hun geschiedenis in het kort samen met de woorden: "Ik koos liever aan de dorpel in het huis mijns Gods te wezen," â de Korachieten waren ook poortwachters van de tempel! â "dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid" (vers 11).
Ook wij zijn kinderen van een schuldig geslacht, maar als we in de Zoon van God, zijn we aan een nog veel erger oordeel ontkomen.
Wat is de genade van God toch onnoemelijk groot!
Korach en zijn mannen hadden niet alleen "tegen Mozes en tegen Aäron" (vers 3) en "tegen de HEERE" (vers 11) gezondigd, maar ook "tegen hun [eigen] zielen" (vers 38). Zo zal het alle ongelovigen vergaan: Ze zullen tot in alle eeuwigheid het slachtoffer van zichzelf en hun eigen dwaasheid zijn.
Zojuist heeft een plotseling oordeel de aanvoerders getroffen en God zorgt ervoor dat dit niet vergeten wordt. In zekere zin blijft dit altijd zichtbaar aan het altaar (vers 38).
Ondanks dat komt het volk de volgende morgen samen en klaagt de beide leiders aan. Eerst was er maar één aanvoerder in opstand: Korach. Even later spanden Dathan en Abiram met hem samen. Uiteindelijk hadden 250 mannen zich met hen verbonden. Maar nu ... verheft zich "de ganse vergadering" (vers 41).
Wat is het menselijk hart toch gemakkelijk te beïnvloeden! We hebben al gezien dat tien verspieders genoeg waren om het hele volk mee te slepen (hoofdstuk 13). Daarom waarschuwt Galaten 6 vers 7 ons: "Dwaalt niet [of, zoals dit ook vertaald kan worden: Laat u niet misleiden]; God laat Zich niet bespotten; want wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien".
De plaag begint. En evenals in vers 4 valt Mozes ook nu op zijn aangezicht, samen met Aäron. Aäron twijfelt geen enkel moment. Hij die door de anderen met afgunst werd behandeld, die beledigd en onterecht aangeklaagd werd, doet "verzoening over het volk" met vuur van het altaar en daarop reukwerk in het enige wierookvat dat door God aangenomen wordt. Ook dit is een prachtig beeld van Christus, de grote Voorspraak!
Doordat God de 250 oproerlingen had gedood, had Hij laten zien wie Hij voorbestemd had om de priesterdienst uit te oefenen. Alleen Aäron met zijn wierookvat werd door Hem aangenomen. En nu bevestigt een nieuwe test die niet van de dood, maar juist van het leven spreekt, deze Goddelijke keuze.
Van de twaalf staven van de oversten van Israël is er maar één, die van Aäron, die het bewijs levert over buitengewone levenskracht te beschikken. In één enkele nacht brengt die staf knoppen, bloesem en vrucht voort!
Dat is een wonderbaar beeld van de opstanding van Christus waardoor God aan allen het bewijs geleverd heeft ("verzekering daarvan doende aan allen") van de heerlijkheid van de Heere Jezus en van de volkomen toereikendheid van Zijn werk (Handelingen 17 vers 31).
Veel bedriegers hebben beweerd een Goddelijke opdracht te hebben gekregen. Maar ze zijn allen gestorven en er is nooit iemand weer opgestaan. De enige Mens Die "naar de kracht van het onvergankelijke leven" (Hebreeën 7 vers 16) door de dood is gegaan, is Christus Die nu in de hemel Zijn heilig priesterdom uitoefent ten behoeve van de Zijnen.
Ook de vruchten die elk van de Zijnen kan voortbrengen, zijn een zichtbaar bewijs van een levende, zij het dan ook verborgen, Verlosser.
De staf van Aäron krijgt vervolgens een plaats in de ark (vers 10; Hebreeën 9 vers 4) om ons op onze weg door de woestijn er als het ware aan te herinneren dat de Bron van leven alleen in Christus is te vinden.
God had door het uitlopen van de staf het eervolle ambt van de familie van Aäron bevestigd. Dat is de reden waarom hoofdstuk 18 nogmaals terugkomt op het priesterdom, door de voorrechten daarvan op te noemen.
Ten eerste moesten de zonen van Levi zich bij de priesters voegen (de betekenis van de naam Levi is: 'bijvoegen'). Zij werden als een geschenk voor de HEERE aan hen gegeven (vers 6). Dat is een beeld van de dienst van het Woord dat de aanbidder onderwijst.
Het tweede was de dienst op zich (vers 7). Het is op geen enkele wijze een verdienste van hem die de dienst uitoefent, want elke dienst wordt bewerkt door de genade van God. Laten we eraan denken dat wij "onnutte dienstknechten" zijn (Lukas 17 vers 10).
Als de Heere het goed acht ons te gebruiken, gebeurt dat niet, omdat Hij ons nodig zou hebben, maar omdat Hij ons de vreugde wil geven iets voor Hem te mogen doen.
In vers 8 tot en met 18 vinden we een opsomming van de verschillende gaven, de "heilige dingen", die de kinderen van Israël brachten. Deze offergaven zijn ook weer beelden van Christus. Wij mogen van Hem genieten en ons met Hem voeden.
De uitdrukkingen "al het beste" en "de eerstelingen" herinneren ons aan het voornemen van God en de wens van de apostel dat "Hij [Christus] in allen de Eerste zou zijn" (Kolosse 1 vers 18).
Aan alle gaven die de HEERE aan Aäron en zijn familie gaf (vers 1 tot en met 19), voegt Hij nu de kostbaarste toe: Hij geeft Zichzelf ten erfdeel aan de Zijnen.
"Ik ben uw deel en uw erfenis", zegt de HEERE in vers 20. "De HEERE is het deel van mijn erve, en van mijn beker" â"God ... mijn Deel in eeuwigheid", zo spreken David en Asaf (Psalm 16 vers 5 en 73 vers 26).
De hoogste Gave die God ons gegeven heeft, is Zijn eigen Zoon. En als Christus ons deel is, wat kunnen we dan nog meer wensen op aarde? Laten we het met de Levieten verwerkelijken dat we hier op aarde geen ander erfdeel, geen andere waardevolle goederen bezitten! Daarentegen bezitten we in de hemel alles, want daar hebben we de Heere Jezus Zelf.
Van de Israëliet werd verwacht dat hij een tiende van zijn inkomsten voor de dienst in het heiligdom gaf (Leviticus 27 vers 30). Deze tienden voorzagen in de behoeften van de Levieten die noch een dorsvloer noch een perskuip (vers 30), maar ook geen erfdeel bezaten dat vrucht opleverde. Toch waren zij niet van het voorrecht om van hun goederen een deel af te staan, beroofd. Ook zij gaven op hun beurt weer de tienden van alles wat zij ontvingen.
We kunnen hoofdstuk 18 met een mooie tekst uit het Nieuwe Testament samenvatten: "... zij zijn alle uwe. Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods" (1 Korinthe 3 vers 22 en 23).
Het offer van de rode vaars neemt een bijzondere plaats in in het Boek van de woestijn, omdat het in beeld alleen voor de behoeften van de woestijn is bestemd.
Zoals de andere offers, is ook dit offer in bepaalde opzichten een beeld van de Persoon en het werk van Christus. Deze "rode volkomen vaars, in welke geen gebrek is, op welke geen juk gekomen is", herinnert aan de Heere Jezus, het ware vlekkeloze Offerlam, Die in tegenstelling tot ons nooit het juk van de zonde gekend heeft.
Nadat het offer buiten de legerplaats geslacht was, werd het bloed voor de tent van de samenkomst gesprengd. Daarna werd het volledig verbrand.
Het vet werd niet aan de HEERE gegeven en ook de priester kreeg geen deel om te eten.
De as daarentegen werd verzameld, ter bereiding van een grote voorraad reinigingswater, volkomen toereikend voor de afwassing van alle zonden van alle Israëlieten gedurende de lange woestijnreis.
Dit offer was â in beeldspraak â niet voor de behoeften van onbekeerden, maar voor de gelovigen die gefaald hadden. Zo is het eenmaal volbrachte werk van de Heere Jezus volkomen toereikend om de Zijnen die aan de verontreinigingen van de woestijn blootstaan, van hun zonden te reinigen en in gemeenschap met God te bewaren.
De Heilige Geest past door het Woord (het water) de herinnering aan het lijden van Christus (de as) toe op het hart en geweten van de gelovige, als hij gefaald heeft.
De kracht van het water dat de as van de rode vaars bevatte, kwam tegemoet aan de veelvuldige situaties waardoor men zich gedurende de woestijnreis kon verontreinigen.
Het aanraken van een dode, of alleen maar van gebeente, spreekt van het in contact komen met het verderf en het geweld van de wereld.
Het vlees kan zich openbaren in het gezin ("in die tent"; vers 14). Dan is het zaak op de kinderen (het "open gereedschap") te passen die zo gemakkelijk te beïnvloeden zijn (vers 15; Lukas 17 vers 2).
Het vlees kan zich ook buiten, bij het werk ("in het open veld"; vers 16) openbaren. Een klein bedrog, lasterpraat en een ongepaste grap of geklets (Efeze 5 vers 4). Dat alles kan "gebeente" zijn. Dus openbaringen van het vlees waar wij eigenlijk helemaal niet zoveel aandacht aan schenken.
'Is dat nou zo erg?' â Laten we eraan denken dat we hierdoor verontreinigd worden! Zij die de Heere Jezus niet kennen, vinden deze dingen ongevaarlijk. Maar allen die Hem liefhebben, dienen dit heel ernstig op te nemen, want zij moeten er dan aan denken dat Hij ook voor de allerkleinste zonde moest lijden en sterven om verzoening te doen.
We zouden er steeds aan moeten denken wat deze langdurige vorm van reiniging voor ons betekent.
Zelfoordeel in het licht van Gods Woord en het opnieuw in praktijk brengen van de krachtige uitwerking van het werk van Christus in ons leven, vormen de reiniging zoals God het wil!
Geen water! Men begint weer te mopperen. Het hele volk stelt zich op tegen Mozes en Aäron, evenals bij Meriba (Exodus 17). Heeft het dan, ondanks de talrijke bewijzen van de liefde van God, sinds het begin van de reis geen enkele vooruitgang geboekt?
"Waarom ...? En waarom ...?" (vers 4 en 5). Geen water? En toch is de rots er altijd! De HEERE moet zelfs Mozes daaraan herinneren. Al die 'waaroms' kunnen echter geen water uit de rots laten stromen. Men moet tegen die rots spreken.
Is dat niet een prachtig beeld van het gebed? God zou ons alles wat we nodig hebben, kunnen geven, zonder te wachten totdat wij het gemis zouden voelen. Maar Hij wil zo graag dat wij Hem erom vragen, zodat wij ons steeds bewust zijn van onze afhankelijkheid van Hem.
Mozes moet nu een verdrietige ervaring opdoen. In plaats van te spreken, slaat hij in zijn ongeduld en in alle heftigheid op de rots.
Dit lijkt misschien een onschuldige handeling, maar in werkelijkheid heeft het, vanwege zijn betekenis, ernstige gevolgen. Zoals de rots bij de Horeb slechts één keer en niet opnieuw geslagen mocht worden, zo troffen Christus op het kruis eens en voor altijd de slagen van het Goddelijke gericht. Hij hoeft nóóit meer te lijden en te sterven. Zijn werk is voldoende om de Zijnen gedurende de lange woestijnreis in overvloed te voorzien van levend water.
Maar ... op voorwaarde dat wij tot Hem spreken! Doen wij dat?
Op de landkaart is te zien dat de beste route om in de vlakte van de Jordaan te komen en daarbij de Dode Zee te vermijden, door Seïr, het land Edom, loopt.
Israël denkt terug aan de familiebanden met dit volk (Ezau, de stamvader van Edom, was immers de broer van Jakob) en vraagt daarom Edom toestemming om door het land te mogen trekken. Edom weigert dit echter en komt zelfs met dreigementen. Wat een hardheid!
De moeite die zijn broedervolk nu tijdens de tocht moet doorstaan (vers 14), laat hem koud. Egoïsme en de vrees voor pottenkijkers overheersen elk ander gevoel bij hem.
Edom met zijn koning is een beeld van de wereld met haar overste. Zij willen de kinderen van God verhinderen de hemel, hun vaderland, te bereiken.
Het is goed erop te letten op welke manier Israël om toestemming vraagt. Ze hebben iets geleerd van hun vroegere omstandigheden en van wat God voor hen gedaan had.
Ze verzekeren de koning van Edom dan ook heel nadrukkelijk dat ze niets nodig hebben; ze willen het land alleen maar "te voet doortrekken", zonder ook maar aan iemand iets schuldig te zijn. Noch de akkers, noch de wijngaarden (voor ons de dagelijkse bezigheden en de vreugden van de wereld), noch de bronnen van Edom â ze hebben de rots immers teruggevonden! â hebben ook maar enige aantrekkingskracht voor een volk op weg naar het vaderland.
Zoals de HEERE in vers 12 aangekondigd had, sterft Aäron voor het binnengaan in het land Kanaän. In zijn zoon Eleázer wordt een opvolger voor hem gevonden.
Veertig jaar nadat het volk de nederlaag geleden heeft bij Horma (hoofdstuk 14 vers 45), behaalt het nu op dezelfde plaats de overwinning.
Maar helaas is men direct daarna weer ontmoedigd: "Hier is geen brood, ook geen water" (vers 5). Er is geen gebrek aan manna, maar men wil het niet meer eten! De rots is wel geslagen, maar men vergeet ertegen te praten!
Zo vergaat het ons ook, als we het Woord van God en het gebed verwaarlozen! Als we het bewustzijn van deze hulpmiddelen verliezen, worden we ontmoedigd, beginnen we te klagen en zijn we overgeleverd aan de aanvallen van satan.
Een beet van de slangen brengt Israël zover dat ze hun zonden inzien en belijden.
Opnieuw komt Mozes dan voor het volk op en de HEERE geeft een tegenmiddel: de slang op een stang (vers 8). Eén enkele blik daarop bracht genezing.
De Heere Jezus verklaart in Zijn gesprek met Nicodémus de geestelijke betekenis van deze gebeurtenis in de woestijn. De koperen slang die door Mozes verhoogd werd, wijst op Hemzelf. Hij, Christus, is de op het kruis verhoogde Zoon des mensen Die voor ons tot zonde gemaakt is (2 Korinthe 5 vers 21). Hij werd ééngemaakt met het kwaad en daarvoor geoordeeld. Zó groot was de liefde van God voor de wereld (Johannes 3 vers 14 tot en met 16)!
Hebt u de blik van het geloof al gericht op de aan het kruis verhoogde Heiland? Hebt u al eeuwig leven?
Op het bevel van de HEERE verzamelde Mozes het volk rondom de put Beër. Vorsten en edelen hebben die gegraven en het water borrelt uit de diepe bron naar boven, tot verfrissing van allen. Dat is een treffend beeld van de schatten uit het Woord van God die knechten van God tot zegen voor ons aan het licht hebben gebracht.
Vorsten in vruchtdragend werk zijn zij die arbeiden en voorstanders in de Heere zijn (1 Thessalonika 5 vers 12), terwijl de "edelen van het volk" doen denken aan de Beréërs die edeler waren dan de Thessalonikers (Handelingen 17 vers 11), omdat zij zich dagelijks met het onderzoek van de Schriften bezighielden.
Soms bewondert men adellijke figuren of is men zelfs jaloers op hen. Nu, hier hebben we een soort adel tot voorbeeld die de Bijbel erkent en aan ons doorgeeft. Want elk kind van God wordt opgeroepen de Schriften te onderzoeken.
De geestelijke verfrissing aan de bron heeft het hart van het volk verkwikt en verblijd.
"Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge!" (Jakobus 5 vers 13). En Israël zong.
Sinds de Rode Zee, veertig jaar geleden, lezen we niet meer van hen dat ze zongen (afgezien van het onheilige zingen en dansen om het gouden kalf). Eindelijk heeft het mopperen plaatsgemaakt voor de lofzang.
Met die blijdschap heeft Israël ook de kracht gevonden (Nehemia 8 vers 11). Deze kracht ontplooit zich in de strijd tegen Sihon en Og en brengt prachtige overwinningen met zich mee.
We verlaten nu voor een aantal dagen het volk Israël om te zien wat er zich intussen bij hun vijanden afspeelt.
Vol angst en beven hebben Moab en zijn koning Balak het volk Israël uit de woestijn zien komen. Ze zeggen dat het land als het ware door hen bedekt wordt en dat zij zich tegenover hen legeren. Ze zijn bang voor hun oogst én verachten dit volk.
Moab zegt dat ze misschien alles "oplikken wat rondom ons is, gelijk de os het groen des velds oplikt". Maar Moab kan gerust zijn! Als het manna, het 'Brood des levens', gewaardeerd wordt door het volk, verlangt het helemaal niet naar wat de wereld biedt.
Om Israël te kunnen overwinnen, meent Balak de toevlucht te moeten nemen tot bovennatuurlijke middelen. Hij roept de hulp in van de profeet BÃleam van wie hij al veel gehoord had. BÃleam is in de Heilige Schrift de belichaming van een voor loon werkende en tegensprekende geestelijkheid (Deuteronomium 23 vers 4 en Judas vers 11).
BÃleam wordt tussen zijn begeerte, z'n verlangen naar de rijkdom en de eer van de boden van Balak, én het besef niet te kunnen handelen tegen de wil van de almachtige God, heen en weer geslingerd.
God had hem opgezocht en hem heel duidelijk te kennen gegeven: "Gij zult met hen niet trekken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend" (vers 12). De ontrouwe man hoopt de HEERE echter van Zijn verklaring af te kunnen brengen, maar vergeet dat God Zijn plannen nooit verandert (hoofdstuk 23 vers 19). Als de tweede afvaardiging bij hem komt, krijgt hij toestemming om daarheen te gaan waarnaar zijn hebzuchtig hart verlangt.
BÃleam heeft zijn ezelin gezadeld en is met frisse moed vertrokken. Misschien heeft hij het loon voor zijn ongerechtigheid al wel uitgerekend. Maar voor God is het een weg die van Hem "afwijkt" (vers 32), dat wil zeggen, een weg die naar het verderf leidt.
BÃleam doet alsof hij gehoorzaam is aan God, maar in werkelijkheid wordt hij "door zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt" (Jakobus 1 vers 14). De HEERE wil hem dit duidelijk maken en spreekt op bovennatuurlijke wijze door zijn ezelin tot hem. Tevergeefse moeite! Vervolgens vertoont de Engel Zichzelf aan hem en waarschuwt hem (zie 2 Petrus 2 vers 15 en 16). Maar BÃleam, dommer en blinder dan zijn ezelin, blijft halsstarrig en uiteindelijk laat God hem gaan.
Gebeurt het soms ook niet bij ons dat God als het ware midden op onze zelfgekozen weg gaat staan om ons tot stilstand te brengen? Hij bouwt hindernissen op, waardoor Hij tot ons wil spreken, als we maar willen luisteren. Als dat zich voordoet, moeten we ons altijd direct afvragen of God het wel eens is met onze eigen plannen.
Het Nieuwe Testament spreekt eerst over "de weg van Bileam" (2 Petrus 2 vers 15), dan over zijn "verleiding" (Judas vers 11) en tenslotte over zijn "lering" (Openbaring 2 vers 14). Zo zien we dat de eigenzinnigheid steeds verder gaat.
Balak en BÃleam ontmoeten elkaar om hun boze plan uit te voeren. Deze beide bondgenoten zijn een beeld van de boze koning, "het beest" genaamd, en "de valse profeet", de antichrist, die in de eindtijd door satan tegen Israël en tegen God opgehitst zullen worden.
BÃleam die al toestemming had om te gaan waarheen hijzelf wilde, zou nu God nog graag zover gebracht hebben dat hij ook mocht zeggen wat hijzelf wilde. Maar tegen zijn wil en tot grote ergernis van Balak veranderen zijn vier uitspraken juist in heerlijke zegeningen.
Dat is ook het eindresultaat van alle aanklachten van satan tegen de verlosten van de Heere (Openbaring 12 vers 10). Zoals ook de geschiedenis van Job ons leert, keert God zulke aanvallen ten goede voor de Zijnen.
Laten we erop letten dat zich dit allemaal afspeelt op de berg. Het volk beneden in de vlakte weet er niets van; dat volk kent noch de plannen van de vijand, noch de manier waarop God die verijdelt.
"Dat volk zal alleen wonen" (vers 9); dát is het eerste kenmerk van Israël. Een afgezonderd volk voor God. Zo is het met de ware 'kerk', de gemeente, maar ook met elke gelovige persoonlijk. De christen is in moreel opzicht van een veroordeelde wereld gescheiden. Dus afgezonderd voor de Heere.
BÃleam zegt aan het einde van zijn uitspraak: "Mijn uiterste zij gelijk het zijne" (vers 10). Hij doelde daarmee op zijn sterven. Maar om 'de dood der oprechten' te kunnen sterven, moet je ook als een oprechte geleefd hebben!
BÃleam is echter, zoals vele anderen met hem, een dubbelhartig man die twee heren probeert te dienen. Hij belijdt God te vrezen en brengt het volmaakte getal aan offers, maar tegelijkertijd volgt hij het verlangen, de begeerte van zijn hart.
"Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt?" (Romeinen 8 vers 33 en 34).
Het is net alsof de HEERE de aanklager uitlacht, door hem vanaf de berg zelf te laten verkondigen: "Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël".
Als we dit vers 21 lezen, denken we misschien: Hoe kan God nu iets verklaren wat door de feiten juist tegengesproken wordt? Heeft Hij dan het mopperen, de begeerte, de afgodendienst en de opstand vergeten?
Het antwoord vinden we in vers 23: "Te dezer tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israël, wat God gewerkt heeft".
Terwijl het volk in de woestijn de éne misstap na de andere beging, voleindigde de HEERE aan hen het werk dat zo nodig was om hen geschikt te maken voor de intocht in het beloofde land.
Hij heeft voorzieningen getroffen voor alle zonden van de Zijnen, door hen de offers, de priesterdienst en de koperen slang te geven. Allemaal voorafschaduwingen van het werk van de Heere Jezus.
Als God zó spreekt, betekent dat niet dat Hij toegeeflijk is ten opzichte van het kwaad. Maar als Hij Zijn volk beziet, ziet Hij in hen Zijn eigen werk. Hij ziet voortdurend het werk van Zijn Zoon. Hij zou niet trouw en rechtvaardig tegenover deze volmaakte Redder zijn, als Hij hen die door Zijn bloed gewassen zijn, toch nog schuldig zou verklaren vanwege ook maar de kleinste zonde (1 Johannes 1 vers 9).
Bij de verkondiging van zijn derde profetie doet BÃleam afstand van de vroeger bedreven toverij (vers 1). Zoals een mens die helemaal overgegeven is aan het spiritisme, dus die gewoonlijk een werktuig van demonen is, zo wordt hij gedwongen de profetieën die Godzelf in zijn mond legt, uit te spreken.
Vers 5 constateert niet alleen dat er geen ongerechtigheid in Jakob is (genade), maar toont ook de bewonderenswaardige schoonheid van de tenten van Israël (de heerlijkheid). En te midden van deze tenten stond de tent van de HEERE, de woning van Zijn heerlijkheid, zodat het hele tentenkamp deel had aan die heerlijkheid.
De gemeente is nu nog in de woestijn, maar God ziet haar al in de heerlijke verbinding met Zijn geliefde Zoon. Zij is de bruid van Christus en in Zijn ogen bekleed met de volmaaktheden van de Goddelijke Bruidegom.
God roept ons, de gemeente, maar ook elke broeder en zuster persoonlijk, op om de dingen vanaf "de hoogte der steenrotsen" te bezien (hoofdstuk 23 vers 9). Dus zoals Hij hen vanuit de hemel ziet. Als we dat doen, zullen we een heel ander zicht op hen krijgen.
We zullen dan de schoonheid van het kleed van de gerechtigheid zien schitteren waarmee de Heere de Zijnen bekleed heeft. We zullen in hen een weerspiegeling zien van de heerlijkheid van de Heere Jezus Zelf. En mochten we daarbij onverhoopt toch dingen zien waar we moeite mee hebben, dan geeft ons dat juist de gelegenheid om de grootte van de Goddelijke vergeving meer te bewonderen.
De laatste profetie van de profeet BÃleam begint eigenlijk met een uitspraak over hemzelf. Wat heeft die man toch een grote verantwoordelijkheid! Hij hoort het Woord van God, bezit de wetenschap van de Allerhoogste, ziet het gezicht van de Almachtige! Ondanks deze geweldige voorrechten valt hij diep.
Sommige zogenaamde christenen zullen zeggen: "Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd?" (Mattheüs 7 vers 22). Maar zij zullen hetzelfde lot ondergaan als BÃleam, omdat hun kennis van Bijbelse waarheden geen uitwerking had op hun eigen geweten.
Geopende ogen te hebben om de Heere Jezus te zien, "maar nu niet" en "niet nabij" (vers 17) â wat een verschrikkelijke toekomst! Datzelfde lot trof ook de rijke man in Lukas 16 die vanuit de plaats van pijniging het geluk van de verlosten zag. "Alle oog zal Hem zien" (Openbaring 1 vers 7), maar niet allemaal in dezelfde omstandigheden!
Wanneer en hoe zult u, zal jij de Heere zien?
Er onthult zich voor BÃleam een compleet profetisch panorama. Een heldere 'Ster' belicht het: Christus, de Koning der heerlijkheid.
Zijn verschijnen is verbonden met het oordeel over de buurlanden van Israël, ten eerste over Moab zelf.
De Heere Jezus is de blinkende Morgenster Die het aanbreken van de dag aankondigt (Openbaring 2 vers 28; 22 vers 16). Voor de wereld is Hij nog onzichtbaar, maar in de harten van de verlosten is Hij al opgegaan (2 Petrus 1 vers 19).
Om goed te kunnen begrijpen wat er zich nu afspeelt, moeten we vooruitgrijpen naar hoofdstuk 31 vers 16.
In het hart van BÃleam die de kans op het loon waar hij zó naar verlangd had, zag verdwijnen, kwam een duivelse gedachte op. Hij had zelf verkondigd dat God in Israël geen ongerechtigheid en geen boosheid had gevonden (hoofdstuk 23 vers 21).
Dat zal niet zo blijven, dacht hij bij zichzelf. Laten we dit volk tot zonde verleiden; dan zal de HEERE wel gedwongen zijn het te vervloeken. Moest Israël geen afgezonderd volk zijn (hoofdstuk 23 vers 9)? Laten we toch proberen hen zover te krijgen dat ze zich vermengen met andere volkeren!
En BÃleam leerde Balak "de kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij afgodenoffer zouden eten en hoereren" (Openbaring 2 vers 14). Het resultaat van deze duistere praktijken was die verdrietige en verootmoedigende zaak met Baäl-Peor.
O, de uitnodigingen van de wereld zijn veel gevaarlijker dan hun verwensingen! Het volk trapt in de door Moab en zijn bondgenoot Midian opgestelde val. De ijver van een PÃnehas is nodig om de toorn van de HEERE af te wenden en de plaag te laten ophouden.
De houding van PÃnehas wordt direct beloond. Daaruit kunnen we leren dat het de Heere welgevallig is, als een jongeman of een jong meisje, te midden van een algemeen zedelijk verval, toch zijn of haar weg in reinheid gaat en er moedig voor uit durft te komen dat hij of zij bij de Heere hoort.
Er is veertig jaar verstreken sinds de eerste volkstelling in hoofdstuk 1. Nu laat de HEERE nog een keer "de som van de gehele vergadering van de kinderen Israëls" vaststellen.
Bij het vergelijken van de beide tellingen, aan het begin én aan het einde van de woestijnreis, komen de trieste en onveranderlijke gevolgen van begane zonden aan het licht. Van de stam Simeon die in de kwestie met Baäl-Peor veel meer schuld op zich had geladen dan de andere stammen (hoofdstuk 25 vers 14), is nog minder dan de helft overgebleven! Dat heeft tot gevolg dat deze stam ook een aanmerkelijk kleiner erfdeel in het land Kanaän ontvangt, want de HEERE had Mozes bevolen: "... aan hen, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken" (vers 54).
Deze waarheid moet tot het hart van ieder van ons persoonlijk spreken. Een nalatige wandel van een christen heeft verlies voor de eeuwigheid tot gevolg en kan hem zelfs zijn "kroon" kosten (Openbaring 3 vers 11).
Van Ruben tot Nafthali gebeurt de telling in dezelfde volgorde als toen; naar de banieren van de stam (hoofdstuk 2).
Dat het totale aantal bijna even groot is als eerst (vers 51; hoofdstuk 1 vers 46), getuigt van de grote macht en genade van God. Deze God heeft het geweldige leger van meer dan 600.000 mannen â vrouwen en kinderen niet meegeteld âgedurende veertig jaar in de woestijn van al het nodige voorzien.
Van God kan nooit te veel gevraagd worden met betrekking tot de behoeften van de Zijnen. En Hij zal voor ons allemaal, tot en met de laatste dag van ons bestaan hier op aarde, blijven zorgen!
Zoals we gisteren hebben gezien, werden alleen de mannen geteld. Maar nu wordt onze aandacht toch gevestigd op een paar vrouwen. Een aantal teksten (en later een heel hoofdstuk, het laatste hoofdstuk van het Boek Numeri) worden aan hen gewijd.
Wat was er dan zo opvallend aan die vijf dochters van Zeláfead? Waarom wordt er zoveel over hen gesproken? Zij waagden het, voor Mozes, Eleázer, de oversten en de hele vergadering te gaan staan om aanspraak te maken op een erfdeel.
Was dat dan niet brutaal? Was dat eigenlijk niet een vorm van mopperen, zoals we al zo vaak zagen bij het volk? Absoluut niet!
Het mopperen van het volk had altijd te maken met heimwee naar de dingen van Egypte. Maar deze vrouwen verlangden juist naar iets wat nog vóór hen lag, namelijk het land van de belofte. Daarom krijgen ze ook uitdrukkelijk de goedkeuring van God.
"Mozes bracht hun rechtszaak voor het aangezicht des HEEREN" en Hij antwoordde daarop met de volgende verklaring: "De dochters van Zeláfead spreken recht"!
Wat zijn deze vrouwen tot voorbeeld voor allen onder ons die gelovige ouders gehad hebben! Laten we ons toch steeds afvragen wat het erfdeel van onze vaders inhoudt! Heeft dat waar onze voorouders zó erg naar verlangden, ook voor onze harten dezelfde aantrekkingskracht en dezelfde waarde?
De HEERE spreekt nu met Zijn knecht Mozes over het einde van diens loopbaan. Hij krijgt geen toestemming om het volk in het land van de belofte te brengen, vanwege zijn daad bij de wateren van MerÃba.
Het eerste waar deze man Gods dan aan denkt, is dat het volk zonder leider zou komen te staan. Hij denkt niet aan zichzelf, maar komt opnieuw op voor het volk en vraagt de HEERE er toch voor te zorgen dat ze niet tot schapen zonder herder zullen worden (vers 17).
Diezelfde gedachte hield ook het hart van de Heere Jezus bezig. In Mattheüs 9 vers 36 zien we Hem "innerlijk met ontferming bewogen" over de volksmenigte, "omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben".
Was Hij, de goede Herder, dan niet bij hen? Bevond Hij Zich niet onder hen? Zeker! Maar Hèm wilden ze niet!
Als antwoord op het gebed van Mozes wijst God Jozua, "een man, in wie de Geest is", als zijn opvolger aan.
Deze Jozua had als jongeling God in "het midden van de tent" leren kennen (Exodus 33 vers 11). Later heeft hij trouw die belangrijke opdracht, het land te verspieden, uitgevoerd. Tenslotte werd Jozua, evenals Mozes, veertig jaar in de school van de woestijn (een lange les van geduld) gevormd en opgeleid. Pas dáárna roept God hem om de voor hem bestemde dienst, het volk in het land te brengen, uit te oefenen.
In de hoofdstukken 28 en 29 vinden we geen beschrijving van de offers in de volgorde van hun betekenis, maar naar de aanleiding waarvoor ze gebracht moeten worden. Laten wij, kinderen van God, toch ook in elke omstandigheid een aanleiding vinden om te danken (1 Thessalonika 5 vers 18)!
In hoofdstuk 29 is sprake van de offers van de zevende maand. Daarbij valt op dat â vanaf vers 12 â het aantal te offeren varren van dag tot dag kleiner wordt. Dat doet ons denken aan verschillende periodes in ons leven waarin, als we niet waakzaam zijn, de Persoon van de Heere Jezus langzamerhand steeds meer aan waarde voor ons hart kan verliezen.
Profetisch gezien zal hoofdstuk 29 in het duizendjarige rijk in vervulling gaan. Zij die dat rijk ingaan, zijn allen oprechte dienaars van Christus. Maar hun kinderen zullen zelf de keus moeten maken. Velen van hen zullen zich dan alleen uit vrees en slechts uiterlijk onderwerpen (Psalm 18 vers 45). Men zal de heerlijkheden van Christus steeds minder op hun waarde weten te schatten. Uiteindelijk zal dat leiden tot de opstand van Gog en Magog (Openbaring 20 vers 7 tot 10).
Laten we ook letten op het verschil in grootte van het brandoffer (dertien varren, veertien lammeren, enzovoorts) en het zondoffer (slechts één bok). Hierdoor zien we dat de nadruk wordt gelegd op het belangrijkste: de volkomen en eeuwigdurende bevrediging die God vindt in Christus. Hij is Zijn offerande, Zijn spijze en een liefelijke reuk voor Hem (hoofdstuk 28 vers 2).
Na de verplichte offers uit hoofdstuk 28 en 29 krijgen we nu de geloften die men vrijwillig aan God kon doen. Als een man een gelofte deed, moest hij die ook inlossen. Men noemde dat: zijn geloften betalen (Psalm 22 vers 26 en 116 vers 14 en 18).
Een vrouw die nog bij haar vader thuis woonde of verbonden was aan haar man, had niet dezelfde verantwoordelijkheid als de man. De vaders of mannen hadden het recht om een gelofte van hun dochter of vrouw krachteloos te verklaren.
Dit hoofdstuk herinnert ons aan de aanmatiging van Israël waarmee zij zichzelf eens onder de wet plaatsten, door te zeggen dat ze alles zouden doen wat God bevolen had.
"Het is beter, dat gij niet belooft", is de raad van de Prediker, "dan dat gij belooft en niet betaalt" (Prediker 5 vers 4). Het is heel belangrijk te weten dat in principe alles waartoe wij hier op aarde besluiten, in de hemel erkend en door de Heere toegestaan kan worden!
Jakobus vermaant ons dan ook, bij het maken van onze plannen daarmee rekening te houden en te zeggen: "Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen" (Jakobus 4 vers 15).
Wat het zweren of een eed doen betreft (vers 3), roept dezelfde schrijver ons op: "Zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch enige andere eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen" (Jakobus 5 vers 12; zie ook Mattheüs 5 vers 33 tot en met 37).
Aangezet door BÃleam, verleidden de dochters van Moab en Midian de Israëlieten tot het aanbidden van hun goden. Nu heeft het uur van de tuchtiging geslagen. De wraak aan de Midianieten ontziet niets. Dit volk wordt bijna helemaal uitgeroeid.
Voor ons spreekt dit van de ijver waarmee wij alles wat ons tot een valstrik zou kunnen worden, moeten 'afhouwen' en 'wegwerpen' (Mattheüs 5 vers 27 tot en met 30). Als we bijvoorbeeld merken dat de omgang met iemand ons in gevaar brengt, moeten we niet aarzelen om dat contact onmiddellijk te verbreken. Laat de ander er maar van denken wat hij wil.
De verzen 25 tot en met 54 laten ons de gelukkige gevolgen zien die we mogen verwachten als we alles wat tot een valstrik voor onze ziel zou kunnen worden, radicaal wegdoen. Daardoor zullen we beslist niet armer worden ("uit ons ontbreekt niet één man"; vers 49). Het zal ons in geestelijk opzicht juist een rijke buit opleveren, terwijl "de ganse vergadering" er voordeel van heeft (vers 27). Bovendien zal God Zelf ook deel hebben aan die buit, in de vorm van lof en dank!
Ook BÃleam werd door het zwaard gedood (vers 8). Hij is niet "de dood der oprechten" gestorven (hoofdstuk 23 vers 10). Hij heeft ook niet lang van het loon waarvoor hij zijn ziel verkocht had, kunnen genieten.
Zó eindigt een verkeerde weg: in het verderf.
"Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade aan zijn ziel?" (Mattheüs 16 vers 26).
Bij de grens van Kanaän aangekomen, stellen de kinderen van Ruben en Gad een verdrietige vraag aan Mozes en de oversten: "Doe ons niet over de Jordaan trekken" (vers 5).
De gedachten van Mozes gaan gelijk onwillekeurig veertig jaar terug naar KadesâBarnéa. Is dit weer hetzelfde ongeloof? De angst voor de reuzen en de versterkte steden? Willen deze beide stammen daarom niet verder?
Nee, het heeft een andere, een onverwachte oorzaak: hun vee! Door hun overwinning op de Midianieten had het volk rijke buit ontvangen (zie hoofdstuk 31). Ook Ruben en Gad hadden daarvan geprofiteerd en bezaten nu "veel vee ... machtig veel".
Om die reden richtten zij hun ogen naar de vette weiden van het land Gilead waar ze nu waren en zich wilden vestigen. Het zich daar vestigen, onder zulke voordelige en gemakkelijke omstandigheden, had voor hen veel meer aantrekkingskracht dan het door God beloofde land.
Vergaat het veel christen nu niet precies zo?
Ongetwijfeld zijn ze gered en behoren ze tot het volk van God. Maar de aangelegenheden van het dagelijks leven interesseren hen veel meer dan de eeuwigheid. Zij hebben een aards christendom en een verdeeld hart. De hemel heeft voor hen op dit ogenblik nog weinig of geen waarde.
Maar betekent dat ook niet dat ze dan maar weinig genegenheid tonen voor Hem Die daar nu al is?
In het voorstel om hun broeders bij de verovering van het land te zullen helpen, tonen Ruben en Gad ijver, moed en zelfs onbaatzuchtigheid. Maar dat alles kan in het oog van God de liefde tot Hem en het land dat Hij hen gegeven heeft, niet vervangen.
De krijgslieden van deze beide stammen zullen het land van de belofte leren kennen. Zij moeten over de Jordaan trekken om hun broeders te helpen. Maar hun vrouwen en kinderen zullen het land niet binnengaan. Door de schuld van de mannen zullen hun nakomelingen niet genieten van de belofte van de HEERE (hoofdstuk 14 vers 31).
Dan denken we aan farao die destijds bij de uittocht uit Egypte probeerde te verhinderen dat de kinderen meegingen (Exodus 10 vers 10). Maar nu zijn het hun eigen ouders die hen verhinderen het land Kanaän in te gaan!
"Laat de kinderkens tot Mij komen", gebiedt de Heere Jezus, "en verhindert ze niet" (Markus 10 vers 14). Helaas kan men ook vandaag een kind op verschillende manieren beletten tot de Heere Jezus te komen!
Zonder twijfel zullen de kudden het in die rijke velden van Gilead goed doen. Maar voor de gezinnen zal het achteruitgang betekenen, wat ook blijkt uit de geschiedenis van deze stammen.
Beste vrienden, wat is voor ons het belangrijkste? Het goed lopen van onze aardse zaken? Of het welzijn van onze ziel? Denk erom, een hart dat gezet is op aardse welvaart en een goede geestelijke toestand van onze ziel gaan nóóit samen!
Aan de grens van het land worden Mozes en de Israëlieten opgeroepen, zich om te keren en achteruit te kijken. Wat hebben ze een lange weg achter de rug, sinds die gedenkwaardige paasnacht!
Behalve gelukkige en zelfs heerlijke etappes â zoals Pi-Hachirôth, de doortocht door de Rode Zee en Elim met zijn bronnen en palmbomen â duiken er ook namen op die herinneren aan verdrietige, smartelijke gebeurtenissen: de woestijn Sin waar het volk mopperde, Rafidîm waar ze ongeduldig werden, Sinaï waar het gouden kalf werd opgericht, Kibroth-Tháäva dat herinnert aan de lusten en die verdrietige geschiedenis met de kwakkels, enzovoorts.
Dat zijn allemaal als het ware beschamende markeringen van hun woestijnreis. Bovendien zijn het ook de namen van de lessen die het volk Israël moest leren. Maar ook wij moeten diezelfde lessen leren, opdat we weten wat er in ons eigen hart leeft!
Het volk had ongetwijfeld graag één of meerdere van deze namen willen uitwissen. Mozes had zelf ook redenen genoeg om Kades met de wateren van MerÃba maar niet meer te noemen. Dat is echter onmogelijk!
Wij kunnen onze fouten in het verleden niet ongedaan maken. Evenmin is het mogelijk om ook maar één uur uit ons leven over te doen.
Wat we echter wel kunnen doen, is terugdenken aan de ervaringen die we op onze weg hebben opgedaan. Daarbij mogen we denken aan het geduld waarmee we gedragen werden, en aan het erbarmen van Hem Die ons alles vergeven heeft!
De sporen van de lange pelgrimsreis zijn door de woestijnwind al lang uitgewist. Maar in het Boek van God is elke stap genoteerd: "En zij verreisden ... en legerden zich ... En zij verreisden ... en legerden zich ...".
In enkele verzen die wij snel kunnen doorlezen, worden veertig jaar, en alle verschillende etappes daarin, samengevat. Veel gebeurtenissen worden alleen maar in dit Schriftgedeelte vermeld. Ook al weten wij daar verder niets van af, toch heeft God elke naam in Zijn heilig Boek opgeschreven. Waarom? Om ons als het ware op het volgende vers te wijzen: "Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?" (Job 31 vers 4).
Ook bij ons heeft de tijd de herinnering aan een groot deel van ons verleden uitgewist. Zouden we immers, zonder ook maar een kleinigheidje te vergeten, altijd kunnen zeggen wat we gisteren gedaan hebben?
De Heere echter telt alle treden! Er ontgaat Hem niets! Ons hele leven is als een film, zonder dat er ook maar iets uit weggeknipt wordt; alles is tot in de details vastgelegd.
Voor de rechterstoel van Christus zal deze film in het felle licht van God voor onze ogen afgedraaid worden (zie 2 Korinthe 5 vers 10). Dat is enerzijds een heel ernstige gedachte! Als dat nu, op dit moment, zou gebeuren, zou niemand van ons dat kunnen verdragen. Maar in de tegenwoordigheid van de Heere Jezus zullen we geen angst meer kennen voor het oordeel.
Maar anderzijds is het een gelukkig makende gedachte. Dan is er alleen maar plaats voor dat onuitsprekelijke gevoel van de grootte van Zijn genade die de bron zal zijn van eeuwige aanbidding.
Nadat de HEERE samen met Israël teruggeblikt heeft, nodigt Hij het volk uit om hun ogen voorwaarts, naar het einddoel van hun lange reis, te richten.
Sommige mensen zijn voortdurend met het verleden bezig. Ze hebben spijt van dit, vinden het jammer dat ze toen en toen niet anders gehandeld hebben, of beroemen zich op dingen die ze juist wèl gedaan hebben.
Waar de gelovige zich mee bezig zou moeten houden, is wat Gòd gedaan heeft. De gelovige kan in zijn hart duizend bewijzen vinden om als een BÃleam erover te spreken "wat God gewerkt heeft". Maar tegelijkertijd mag hij ook vooruitkijken naar zijn vaderland.
De grenzen van het erfdeel werden voor Israël door dezelfde Goddelijke hand getrokken die hen ook gedurende de woestijnreis geleid had.
Voor ons, kinderen van God, is dat het Vaderhuis waarin voor ons plaats bereid is. De Heere laat ons hierover niet in het ongewisse. Als het niet zo was, zou Hij het ons gezegd hebben. In het huis van de Vader, waar Hij naartoe is gegaan, zijn veel woningen (Johannes 14 vers 2).
De HEERE geeft Israël alleen de omtrekken, de grenzen van het land aan. De christen weet nauwelijks meer over zijn hemels vaderland. De Bijbel geeft ons er geen beschrijving van hoe het in de hemel allemaal precies zal zijn. Maar wat we er nu al van weten, is genoeg: het is het huis van de Vader, van ónze Vader. En de Heere Jezus is daar en wij zullen voor altijd bij Hem zijn!
In het land Kanaän, binnen de zojuist beschreven grenzen, zou elke stam zijn eigen bezitting hebben, behalve de kinderen van Levi.
Volgens de profetie van Jakob zouden zij, evenals de kinderen van Simeon, vanwege het slechte gedrag van hun vader onder Israël verstrooid worden (Genesis 49 vers 7). Omdat zij na de zonde met het gouden kalf echter de zijde van de HEERE kozen (Exodus 32 vers 26 en Deuteronomium 33 vers 8 tot 11), veranderde de genade van God deze tuchtiging in zegen.
Achtenveertig steden, over heel Israël verspreid, werden aan de zonen van Levi beloofd. Elke stam moest een deel daarvan, overeenkomstig hun erfdeel, aan hen afstaan. Door hun verstrooiing wordt het de Levieten die als dienstknechten van de HEERE en hun broeders speciaal geroepen waren om de wet te leren, juist mogelijk gemaakt deze dienst in heel Israël uit te oefenen.
Dan is er sprake van de vrijsteden voor de doodslager. De wet eist in zijn onverbiddelijke strengheid bloed voor bloed, of het nu bewust, uit haat, of juist per vergissing vergoten werd. Om aan dit laatste geval tegemoet te komen, had de HEERE gelijktijdig met de wet een belofte gegeven (zie Exodus 21 vers 12 en 13).
Hij stelde Zich er toen als het ware Borg voor dat Hij een toevluchtsoord zou geven. Wie schuldig was aan de dood van een ander, kon daar naartoe vluchten om zijn leven te redden. Een prachtig beeld van hèt 'toevluchtsoord' dat God aan de schuldige zondaar geeft. Dit herinnert ons aan de woorden: "Het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ieder, die gelooft" (Romeinen 10 vers 4).
Profetisch gezien spreekt de vrijstad voor de doodslager van de bescherming van het joodse volk dat zijn Messias gekruisigd heeft, zonder de draagwijdte van deze vreselijke daad te overzien (Lukas 23 vers 34).
Sindsdien en tot aan het einde van de huidige bedeling, dat wil zeggen, zolang Christus Priester is naar de wijze van Aäron, zal het volk door de Goddelijke voorzienigheid van zijn erfdeel worden afgehouden.
In werkelijkheid is de hele mensheid schuldig aan de dood van de Zoon van God. Maar God heeft in Zijn oneindig erbarmen de mensen een toevlucht gegeven voor Zijn toom. Deze toevlucht is niets anders dan het offer zelf: "Jezus, Die ons verlost van de toekomende toorn" (1 Thessalonika 1 vers 10).
In dit hoofdstuk vinden we zowel in het offer als in het toevluchtsoord, de vrijstad, een beeld van de Heere Jezus Zelf. Daarbij ook in de hogepriester wiens dood het moment van terugkeer in het erfdeel heel duidelijk aangeeft (vers 28).
Vers 31 bevestigt dat er voor de doodslager geen ander middel ter verzoening is, ook al is het nog zo groot, dan het middel dat Gòd gegeven heeft.
Noch zilver, noch goud (1 Petrus 1 vers 18), noch werken (Efeze 2 vers 9), kunnen de zondaar de bescherming geven die hij in Christus vindt. "De zaligheid is in geen ander" (Handelingen 4 vers 12).
Nu komen we opnieuw de vijf dochters van Zeláfead tegen over wie we al eerder iets gelezen hebben.
Nu zijn het "de hoofden der vaderen" van de stam Manasse die de schijnbaar onbelangrijke vraag over het erfdeel weer ter sprake brengen bij Mozes en de oversten. Waar gaat het om?
Elke stam zou zijn eigen gebied bezitten. Als echter, zoals in dit geval, een vrouw een deel kreeg en vervolgens trouwde met een man uit een andere stam, zou haar erfdeel overgaan naar de stam van haar man. Dat was niet goed. Mozes brengt deze zaak in opdracht van God in orde: vrouwen die een erfdeel ontvingen, mochten alleen een huwelijk sluiten met een man van dezelfde stam.
Jongemannen, jonge vrouwen, als jullie bij de Heere horen, is dit een voorschrift dat voor jullie bedoeld is! Het huwelijk kan jullie beroven van het genieten van jullie hemels erfdeel! Heeft hij of zij aan wie jij je op zekere dag wilt verbinden, niet hetzelfde deel als je zelf hebt, ga dan voor geen geld die weg! Pas op!
Het is heel opvallend dat dit Boek over de reis door de woestijn met deze verordening over het erfdeel besluit. In werkelijkheid hadden de Israëlieten immers de Jordaan nog niet overgestoken. Dus zou je denken dat ze nog tijd genoeg hadden om over het toekomstige erfdeel na te denken. Maar God denkt daar heel anders over. Hij spreekt nu al tegen ons over ons hemels vaderland en wil graag dat ons hart daar nu al mee bezig is.
Het laatste Boek van Mozes neemt de berichtgeving en het onderwijs uit de voorgaande Boeken voor een deel weer op. Aan het einde van zijn loopbaan aangekomen, schildert de trouwe leider nog eens voor de nieuwe generatie de gebeurtenissen in de woestijn mèt hun lessen voor Israël.
De mannen die eens uit Egypte waren getrokken, zijn allemaal gestorven. Daarom was het nodig het jonge geslacht te waarschuwen en te onderwijzen. Daarom is het ook vandaag voor jonge mensen nog steeds heel goed om het Boek Deuteronomium te lezen.
Het Boek begint met een veelzeggende tegenstelling om er als het ware op te wijzen dat er geen kostbare tijd verloren mag gaan. Volgens vers 2 waren "elf dagreizen" voldoende geweest om het volk van de berg Horeb naar Kanaän te brengen. Men had er echter veertig jaar voor nodig (vers 3)!
Sommigen van ons zullen verdrietig moeten toegeven dat ze vele jaren verloren hebben laten gaan. Het is beslist niet nodig om de jaren van rijpheid of een bepaalde leeftijd af te wachten om door het geloof helemaal te genieten van de zegeningen in de hemelse gewesten. Vanaf het begin van ons leven als christen wil de Heilige Geest ons over de waarheid en de beginselen hiervan onderwijzen.
De verzen 12 tot en met 18 herinneren ons aan de verdrietige neiging van de mens om "op de weg" te twisten (vergelijk Genesis 45 vers 24), en dat de Heere al bij de eerste stappen van Zijn volk door de woestijn genoodzaakt was, maatregelen daartegen te nemen.
Vanaf Horeb, het uitgangspunt van de reis, richt Israël de schreden naar Kanaän, dwars door de "grote en vreselijke woestijn".
De verdrietige geschiedenis bij KadesâBarnéa komt nog eens voor onze aandacht. Nu horen we dat de mannen op verzoek van het volk uitgezonden werden (vers 22) om het land te verspieden, wat ons in Numeri 13 niet meegedeeld werd.
De wortel van dit kwaad lag dus in het gebrek aan vertrouwen op de HEERE. Men dacht Zijn toezeggingen te moeten controleren. Wie zo door aanschouwen en niet door geloof wandelt (vergelijk 2 Korinthe 5 vers 7), is een makkelijke prooi voor de vijand die er als de kippen bij is om onoverwinbare hindernissen voor ons op te bouwen en ons te ontmoedigen (vers 28).
Ten gevolge van hun ongeloof is er een hele generatie omgekomen in de woestijn, op Jozua en Kaleb na. De Brief aan de Hebreeën gebruikt dit ernstige voorbeeld om allen die ook vandaag nog hun harten verharden, als ze het Woord van God horen, te waarschuwen. Dit Woord heeft geen nut als het niet met geloof verbonden is (Hebreeën 4 vers 2).
"Omdat de HEERE ons haat" (vers 27), zo beklaagde zich het erbarmelijke volk. Wat is de verdrietige kant van ongeloof? Het feit dat ongeloof het voor elkaar krijgt om aan de zo overvloedig bewezen liefde van God te twijfelen, aan de liefde van God Die aan het kruis Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft (Romeinen 8 vers 32).
De woestijn was groot en vreselijk. Maar hoe is Israël er doorgetrokken? Op de armen van de HEERE (vers 31)!
Op hun uiting van grootste ondankbaarheid, "omdat de HEERE ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd" (vers 27), antwoordt God door de mond van Mozes "dat de HEERE uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt".
Wat een zachtmoedigheid spreekt uit dit contrast! In Handelingen 13 vers 18 wordt dit beeld aangevuld, doordat daar in sommige Bijbelvertalingen gezegd wordt dat de HEERE het volk "verzorgde" gedurende veertig jaar in de woestijn.
Wat is de liefde van een vader en de zorg van een moeder toch groot! God wil voor de Zijnen alles zijn! Zie ook Psalm 103 vers 13 en Jesaja 66 vers 13. Wat verlangt zo'n liefde daarvoor terug? Alleen het eenvoudige vertrouwen van een klein kind dat zich op armen laat dragen.
Een ander bewijs van de trouw van de HEERE was dat Hij vanaf het begin van de woestijnreis de plaatsen waar het volk zich kon legeren, uitzocht en hen van de éne plaats naar de andere leidde (vers 33). Verspieders uitzenden (vers 22) â betekende dat niet wantrouwen van deze onvermoeibare zorg en zelfs twijfelen aan die zorg?
De vrees van ongeloof wordt gevolgd door lichtzinnigheid en aanmatiging. Een gedrag dat zeer zeker tot een nederlaag en daarmee tot bittere tranen zal leiden (vers 45).
De Heere Jezus, de ware Mozes, wil graag dat we niet alleen terugdenken aan de woestijn als een plaats van talrijke misstappen (hoofdstuk 1), maar dat we ook denken aan Zijn onuitputtelijke goedheid en geduld gedurende die hele tijd. "... veertig jaren is de HEERE, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken" (vers 7).
"Heeft u ook iets ontbroken?" vroeg de Heere Jezus aan Zijn discipelen, vlak voordat Hij hen verliet; en zij zeiden: "Niets" (Lukas 22 vers 35).
De belofte van de Heere: "Ik ben met u al de dagen" (Mattheüs 28 vers 20) houdt voor ons een zekerheid in dat Hij onze behoeften kent en dat Hij daarin vanuit de onuitputtelijke bronnen van Zijn volheid zal voorzien.
"Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren" (vers 7). De Heere kent de grootte van de woestijn en weet ook hoeveel tijd er nodig is om erdoor te trekken. En wat Hij geeft, is toereikend voor deze tocht.
Er komt een ogenblik dat Zijn Goddelijke stem zich zal laten horen: "Gij hebt dit gebergte genoeg omgetrokken" (vers 3).
Al heel spoedig zullen wij, gelovigen, de roepstem uit de hemel horen die een einde maakt aan onze pelgrimsreis. De ons welbekende stem van de Heere Jezus trekt ons dan tot Hem op "in de lucht" (1 Thessalonika 4 vers 16 en 17). Wat een heerlijk vooruitzicht!
Het lange rondtrekken van Israël door de woestijn was de rechtvaardige straf voor hun ongeloof. De duur van de reis had echter nog een andere reden.
Zolang het volk vertrouwde op hun dappere krijgslieden, bestond het gevaar dat ze de verovering van het land zouden toeschrijven aan eigen kracht.
Achtendertig jaar was nodig om dat hele geslacht van krijgslieden te verteren (vers 14).
In Johannes 5 zien we een zieke die door de Heere Jezus aan de vijver van Bethesda werd genezen. Ook deze ongelukkige man leerde pas na achtendertig jaar van alle menselijke hulp af te zien. Hij moest toegeven: "Ik heb geen mens" (vers 7); pas daarna stelde de Heere Jezus hem in staat om te lopen.
De volwassenen waren nu gestorven. En juist de kinderen
van wie het volk had gezegd dat ze tot roof zouden zijn, zouden het land in bezit nemen (vergelijk hoofdstuk 1 vers 39).
Gedragen door de sterke armen van de HEERE, zijn ze sterker dan de krijgslieden. Als de kracht van mensen verdwenen is, als "de hand is weggedaan" (hoofdstuk 32 vers 36), dà n heeft het uur voor God Zelf geslagen. Dà n kan Hij werken!
Hij heeft prachtige overwinningen voor het volk in het vooruitzicht en laat zeggen: "Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon ... begint te erven, en mengt u met hen in de strijd" (vers 24).
Voor al het andere zorgt Hij!
Als we teruggaan naar Genesis 15 vers 16, dan horen we de HEERE daar tegen Abraham spreken over de ongerechtigheid van de volken van Kanaän (zie ook Deuteronomium 9 vers 5). Daar lezen we ook dat die ongerechtigheid "... tot nog toe niet volkomen" was.
Er waren vierhonderd jaar voor nodig om het kwaad tot rijpheid te laten komen. Wat is de lankmoedigheid, het geduld van God toch groot! Verdraagt Hij al niet bijna tweeduizend jaar lang een wereld die Zijn Zoon gekruisigd heeft?
De volkeren aan beide zijden van de Jordaan hebben alles horen vertellen wat de HEERE voor Israël gedaan heeft. Toch hebben ze zich niet bekeerd. Daarom moet het oordeel dat niemand zal ontzien, komen.
Ook de kinderen moeten sterven. Daar wij weten dat een kind dat sterft, voor de hemel bestemd is, mogen we zeggen dat hen een veel erger lot dan de dood bespaard is gebleven. We kunnen immers gerust stellen dat deze kinderen, wanneer ze eenmaal groot geworden zouden zijn, waarschijnlijk de zondige voetstappen van hun ouders gevolgd zouden zijn, tot in het eeuwig verderf.
Deze volkeren waren vijanden van de HEERE; en het volk Israël moest hen om de eer van God vernietigen.
De christen wordt daarentegen nooit opgeroepen om tegen mensen te strijden. Hij moet veel meer de zachtmoedigheid navolgen die het volk Israël openbaart in de verzen 27 tot en met 29.
Zodra de vijand het volk Israël tegemoet trekt, bemoedigt de HEERE Mozes met de woorden: "Vrees hem niet" (vers 2). Daarop behalen ze de overwinning: "Wij sloegen ... wij verbanden ... wij namen in bezit".
De steden die "versterkt tot in de hemel toe" waren (hoofdstuk 1 vers 28), leken voor de ongelovige Israëlieten eens onneembaar. Maar nu kan Mozes zeggen: "Er was geen stad, die voor ons te hoog was" (hoofdstuk 2 vers 36).
En die reuzen dan, waarvoor ze eerst zo bang waren? God herinnert hen daar later aan: "Ik daarentegen heb de Amoriet voor hun aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte van de ceders, en hij was sterk als de eiken" (Amos 2 vers 9).
Og, de koning van Basan, ook zo'n angstaanjagende reus, wordt met zijn hele volk in de handen van de Israëlieten gegeven, zoals het vóór hem al gebeurd was met Sihon. Zó toont God Zijn macht en ontvouwt die ten gunste van de Zijnen.
Deze gedachte mag ons ook bemoedigen als de vijand ons door zijn macht wil verschrikken. "Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld", zo verzekert ons de eerste Johannesbrief, "en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof' (1 Johannes 5 vers 4).
Het geloof triomfeert, omdat het steunt op Hem Die veel machtiger is dan de wereld.
"Hebt goede moed", zo bemoedigt de Heere Jezus ons, "Ik heb de wereld overwonnen" (Johannes 16 vers 33).
Sommige mensen hebben er hun hele leven spijt van dat ze op school niet beter hun best hebben gedaan. Ouders, naar wie men niet altijd wil luisteren, zeggen vaak tegen hun kinderen: 'Denk erom, je werkt aan je eigen toekomst; een middelmatige studie heeft ook een middelmatige loopbaan tot gevolg'.
Geldt dat ook niet voor de christen? Echter wel met dit verschil dat hij zijn hele leven lang in de leerschool van God is. Is hij een trage leerling, heeft hij geen doorzettingsvermogen, dan is hij 'kortzichtig' en de ingang in het eeuwig koninkrijk zal hem niet "rijkelijk toegevoegd" worden. Hij zal veelmeer eeuwig verlies lijden (2 Petrus 1 vers 9 en 11).
De kinderen van Ruben en Gad kunnen ons in dit opzicht tot voorbeeld zijn, een voorbeeld hoe het niet moet! Zij hadden niet het beste deel, hoewel zij als eersten hun erfdeel in bezit namen. Integendeel!
Aan de andere kant van de Jordaan was het "goede land" en het "goede gebergte" (vers 25). Mozes wist dat heel goed. Wat bestond er toch een groot verschil tussen deze trouwe leider en die tweeënhalve stam!
Het hart van Mozes ging juist uit naar die kant van de Jordaan, maar hij mocht daar niet komen. Deze tweeënhalve stam daarentegen hadden Kanaän kunnen binnentrekken, maar verlangden juist iets anders!
En beste lezer(es), waar bevindt zich uw hart? In de hemel, bij de Heere Jezus? Of op de aarde met zijn zichtbare, vergankelijke dingen? Vergelijk Lukas 12 vers 34.
Door slechts één enkele ongehoorzaamheid werd Mozes het voorrecht, in te mogen gaan in het door de HEERE beloofde land, ontnomen. Daarom was juist hij de aangewezen persoon om het volk te vermanen, de geboden van de HEERE te gehoorzamen, "opdat gij" â zo zegt hij â "... inkomt, en erft het land, dat de HEERE, de God van uw vaderen, u geeft" (vers 1).
Het is net alsof hij wil zeggen: 'O, dat het jullie toch niet zo zal vergaan als mij; luister daarom naar de geboden van de HEERE en volg ze op!'
"Dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn" , zegt deze man Gods nadrukkelijk in vers 6. Als we naar de wil van God luisteren, zetten we onze eigen wil opzij. Daarmee geven we ruimte aan de wijsheid van boven die dan in de plaats van onze eigen wijsheid komt (Jakobus 3 vers 17). Het 'Woord van God bewaren' houdt dan als het ware het "bewaart uw ziel" (vers 9) in.
De autoriteit van het Goddelijke Woord wordt door Mozes bevestigd, doordat hij eraan herinnert onder welke omstandigheden en op welke indrukwekkende wijze dit Woord eens aan hen gegeven is.
"Gij zult tot dit woord, dat ik u gebied, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen" (vers 2). Veel mensen â zogenaamde christenen! â voegen aan de Heilige Schrift allerlei overleveringen, bijgeloof en menselijke meningen toe. Anderen, op hun beurt, scheuren er juist bladzijden uit die ze erg onaangenaam vinden of die ze niet (willen) begrijpen. Zowel het een als het ander is strafbaar (Openbaring 22 vers 18 en 19).
Het volk Israël moest zich door zijn wijsheid en verstand onderscheiden van de andere volkeren (hoofdstuk 4 vers 6). Deze wijsheid en dit verstand bestonden daarin dat ze de enige ware God erkenden, naar Hem luisterden en zich aan Hem onderwierpen.
De volkeren rondom Israël baden tot de afgoden. Daarom was "hun onverstandig hart verduisterd geworden; zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden; en hebben de heerlijkheid van de onverderfelijke God veranderd in de gelijkenis van een beeld van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende dieren" (Romeinen 1 vers 21 tot en met 23).
Voor deze verschrikkelijke zonde van afgoderij wordt Israël gewaarschuwd. Deze grove vorm van afgodendienst komt men in de zogenaamde 'christelijke landen' niet veel meer tegen.
Het Nieuwe Testament wijst echter op andere zonden die vormen van afgodendienst zijn, zoals de hebzucht, en waarschuwt dat "geen afgodendienaars ... het Koninkrijk Gods beërven" (Efeze 5 vers 5 en 1 Korinthe 6 vers 9 en 10).
Hoewel God Zijn volk waarschuwt, verzwijgt Hij niet voor hen wat er zal gebeuren: het volk zal afdwalen en heidense goden dienen.
Het Woord van God spreekt nooit vleiend tegen ons en laat er geen misverstand over bestaan waar onze harten van nature toe in staat zijn.
De christenheid die een veel grotere verantwoordelijkheid heeft dan Israël, beantwoordt zeker niet meer aan wat van haar verwacht wordt, dan dit volk. Al ten tijde van de apostelen werd het verval aangekondigd. Maar te midden van de ruïne van de belijdende christenheid heeft God de gelovige een weg getoond die Zijn goedkeuring heeft: de weg van persoonlijke gehoorzaamheid!
Laten we erop letten dat in vers 25 tot en met 28 waar sprake is van verval, het woordje 'gij' steeds in het meervoud staat. Dit geeft aan dat het om het handelen en de verantwoordelijkheid van het geheel gaat. Bij de opwekking in de verzen 29 tot en met 31 staat 'gij' daarentegen steeds in het enkelvoud. Het is ieders eigen verantwoordelijkheid te luisteren naar de persoonlijk aan hem of haar gerichte stem van God!
Precies hetzelfde vinden we terug bij de apostel Paulus in zijn tweede Brief aan Timotheüs, als hij het heeft over de moeilijke tijden van verval. Hij spreekt over wat er terecht gekomen is van de christenheid als geheel, en zegt dan heel persoonlijk: "Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt" (hoofdstuk 3 vers 14).
God getroost Zich veel moeite om dit steeds weer bij ons in gedachtenis te brengen. "Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarover te vermanen, hoewel gij het weet", schrijft Petrus (lees 2 Petrus 1 vers 12 en 13; 3 vers 1 en 2). Laten we ons er niet over verwonderen dat er veel herhalingen in de Bijbel voorkomen! Ook in het Boek Deuteronomium zullen we dat vaak zien. Het begint al bij de wet zelf die in Deuteronomium nog een keer gegeven wordt en waaraan dit Boek tevens zijn naam ontleent (Deuteronomium betekent 'tweede wetgeving').
Het is nu zaak voor Israël de inzettingen en rechten van de HEERE te horen, te leren, er acht op te geven en ze ook te doen (vers 1). Ook voor ieder van ons zijn dit heel belangrijke woorden in verbinding met de Heilige Schrift!
Aan het begin van het hele onderwijs voor Israël staat natuurlijk de wet. Het brengt aan de éne kant de volmaaktheid van Christus Die de wet helemaal vervulde, aan het licht. Aan de andere kant komt de slechtheid van de mensen naar voren die alles doen wat verboden is (vergelijk 1 Timotheüs 1 vers 9).
Dat God gedwongen is te zeggen: "Gij zult niet doodslaan ... gij zult niet stelen", laat zien dat we die neiging om deze boze dingen juist wel te doen, in ons hebben. De wet heeft dan ook vooral een negatief karakter. De wet zegt niet zozeer: 'Gij zult', maar juist: "Gij zult niet".
Ook voor het christelijke leven zijn er onthoudingen en verboden. In 1 Petrus 1 vers 14 en 2 vers 1 wordt het kind van God vermaand, zich niet over te geven aan begeerlijkheden, maar juist "alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle kwaadsprekerijen" af te leggen. Dus alles wat uit het vlees, uit de oude natuur voortkomt, te veroordelen en weg te doen.
Toch is het christendom ook rijk aan positieve geboden. De gelovige is in staat die geboden te vervullen, omdat hij nieuw leven bezit. God mag van ons verwachten dat ons hart vrij is van allerlei begeerten, omdat Hij een Voorwerp heeft gegeven waarmee wij onze harten helemaal kunnen vullen: Christus. De wet zou dit nooit kunnen doen!
De wet was gegeven en de HEERE had er niets meer aan toe te voegen. Nu lag het bij het volk om hierop vrijwillig en blijmoedig te antwoorden. Wat heeft de eerste liefde toch een grote waarde voor God! "Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen", zegt God tegen Zijn knecht (vers 29).
Veel later, in de dagen van Jeremia, zal Hij hen aan deze gelukkige dagen herinneren: "Ik gedenk ... de liefde van uw ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn". Maar met grote droefheid moet Hij eraan toevoegen: "Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal" (Jeremia 2 vers 2 en 32).
Ja, het volk had goed gesproken: "Het is allemaal goed, wat zij gesproken hebben" (vers 28). Maar God is niet tevreden met woorden alleen; Hij zal ons naar onze daden beoordelen. "Neemt dan waar, dat gij doet ..." (vers 32).
Laten we daarom de Heere vragen, zowel het willen als het werken in ons te werken (Filippi 2 vers 13).
De weg waarvan men noch ter rechterâ noch ter linkerhand mocht afwijken (vers 32 en 33), was duidelijk aangegeven. Hoe gauw doen ook wij een stap buiten de weg van gehoorzaamheid, als we door een vreemd voorwerp aangetrokken of door een hindernis afgeschrikt worden!
Laten we toch een voorbeeld nemen aan Josia, de jonge koning, wiens Godsvrucht zo duidelijk naar voren kwam in de dagen van afgodendienst. Hij is de enige van wie gezegd wordt: "Hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechterâ, noch ter linkerhand" (2 Kronieken 34 vers 2).
Gods liefde laat geen verdeelde gevoelens, geen compromissen toe. Zijn liefde vraagt van ons een volledige overgave van hart, ziel, kracht en gedachten. Ja, ons hele wezen moet als het ware door die liefde gegrepen zijn.
Geen enkel moment zou ons leven aan de invloed van die liefde onttrokken mogen worden. Thuis, aan tafel, bij het opstaan en het slapen gaan, buiten, kortom op elk moment van de dag zou onze trouwe Heiland het Onderwerp van onze gedachten en onze gesprekken moeten zijn (Psalm 73 vers 25). Wat schieten we daarin veel tekort!
De schrijvers van de vier Evangeliën stellen ons echter het volmaakte Voorbeeld voor de aandacht: de Heere Jezus. Bij Hem is alles voor God! We horen Hem "het eerste en grote gebod" met groot gezag uitspreken, omdat Hij dat volmaakt heeft vervuld: "Gij zult liefhebben de Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand" (Mattheüs 22 vers 37 en 38).
Het Woord van God was Hem voortdurend op het hart gebonden. Daarom kon Hij de vijand, toen die Hem wilde verleiden in de woestijn, ook met dit betrouwbare Zwaard in Zijn handen tegemoet treden.
Daarom is het voor ons ook zó belangrijk, teksten uit het hoofd te leren! "Dat gij ze leert ...", zegt ons hoofdstuk 5 in vers 1.
De duivel kan niets tegen de Heilige Schrift beginnen. Laten we de Bijbel weten te gebruiken, om hem daarmee te overwinnen.
God verzoeken (vers 16) betekent: Hem uitdagen om te bewijzen wat Hij gezegd heeft. Dat is dus niets anders dan ongeloof. In Massa wilde het volk beproeven of de HEERE werkelijk in hun midden was (Exodus 17 vers 7).
De Heere Jezus had het daarentegen helemaal niet nodig, Zich van de tinne van de tempel af te werpen om zeker te weten dat engelen aangaande Hem bevelen hadden gekregen (Mattheüs 4 vers 5 tot en met 7).
Volgens vers 7 waren de ouders verplicht hun kinderen de woorden van de HEERE te leren. Vers 20 veronderstelt zelfs dat de zonen hun vaders vragen zullen stellen. Zulke vragen waren ook bij drie andere gelegenheden al voorzegd:
In Exodus 12 vers 26 over het Pascha: Wat was het middel tot redding?
In Exodus 13 vers 14 over de daaruit voortvloeiende afzondering: Waarom deze blijvende scheiding van de wereld?
En tenslotte in Jozua 4 vers 6 met betrekking tot de twaalf stenen die uit de Jordaan genomen werden en in Kanaän werden opgesteld: vragen over de hemelse positie van de gelovigen, over de eenheid van de gemeente, het lichaam van Christus.
Stel deze vragen toch steeds opnieuw, jonge gelovigen! Jullie zullen heerlijke antwoorden krijgen!
Israël mocht noch de Kanaänieten noch hun afgoden op welke wijze dan ook ontzien. En dat niet om de oorlogszuchtige of heerszuchtige geest te bevredigen (het algemene kenmerk van een veroveraar), maar omdat ze een heilig, God toegewijd volk waren (vers 6).
We zijn allemaal geneigd alleen diegenen lief te hebben, die ons ook liefhebben of die we sympathiek vinden (Lukas 6 vers 32).
De liefde van God is juist heel anders! Hij had Zijn liefde in Egypte al aan Israël bewezen, aan dit zwakke en ellendige volk dat niet naar God vroeg en dat "het kleinste van alle volken" was (vers 7 en 8). Ook wij hebben die liefde ervaren, toen wij nog krachteloos, goddeloos, zondaars en vijanden waren (Romeinen 5 vers 6, 8 en 10).
De mens heeft iemand lief, als hij in de ander iets kan vinden om lief te hebben. In z'n diepste wezen is dit alleen maar eigenliefde.
Gods beweegredenen om ons lief te hebben, lagen daarentegen uitsluitend in Zijn eigen hart. Daarom strekt deze liefde zich ook zonder onderscheid uit naar alle schepselen. Sindsdien is de liefde die God van de mens verwacht, slechts het terechte antwoord van ons op Zijn liefde. Onze liefde heeft een oorzaak: "Wij hebben Hem lief, omdat hij ons eerst liefgehad heeft" (1 Johannes 4 vers 19).
Onze liefde voor Hem moet voor ons ook nog een consequentie hebben, namelijk gehoorzaamheid (vers 9). Daarop antwoordt het hart van God vervolgens weer met een heel bijzondere genegenheid die we vinden in vers 13.
De belofte van de Heere Jezus in het Nieuwe Testament geeft dit ook weer, als Hij zegt: "Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren; n Mijn Vader zal hem liefhebben" (Johannes 14 vers 23; zie ook 1 Johannes 5 vers 3).
Hebben wij deze ervaring al opgedaan?
En gij zult gedenken ...". Dit is in zekere zin de leidraad van dit Boek. Het hart van de leden van het volk Israël, maar ook ons hart (!), vergeet maar al te gauw God en Zijn bevrijdingen, beloften en geboden (zie Markus 8 vers 17 en verder).
De HEERE had Zijn volk gedragen, zoals "een man zijn zoon draagt" (hoofdstuk 1 vers 31). Hier tuchtigt Hij het, zoals "een man zijn zoon kastijdt" (vers 5). Gedragen en getuchtigd te worden, zijn twee voorrechten van de kinderen van God (Hebreeën 12 vers 5 tot en met 11).
Dit laatste aan te nemen, lijkt ons veel moeilijker dan het eerste. Of niet soms? Maar, welk doel staat God voor ogen met de ervaringen die Hij ons in de woestijn laat opdoen?
We lezen in het Schriftgedeelte voor vandaag driemaal het antwoord: "om u te verootmoedigen" (vers 2, 3 en 16). Als de mens iets bepaalds nodig heeft, is hij veel gewilliger om zich tot zijn Schepper te wenden. En juist dat verwacht God, want de beproeving is nooit het doel, maar slechts het middel, "opdat Hij u ten laatste weldeed" (vers 16).
Wat een tegenstelling is er tussen de woestijn waar Israël doorheen getrokken was (vers 15), en het land waar ze heen gingen. In de woestijn alleen maar dorheid, zonder water, maar dan het goede land, vol waterbeken, fonteinen en diepten!
En wat een tegenstelling is er tussen het voedsel van Egypte (Numeri 11) en de rijke, voedzame vruchten van het land Kanaän! Die gaven kracht, blijdschap, gezondheid en zoetheid. Dit herinnert ons aan de vrucht van de Geest waarvan in Galaten 5 vers 22 wordt opgenoemd waaruit zij bestaat.
Om de macht van de vijanden van Israël te beschrijven, gebruikt Mozes dezelfde uitdrukkingen die de ongelovige verspieders gebruikt hadden en waardoor zij het hart van het volk moedeloos maakten (hoofdstuk 1 vers 28).
Deze macht was een realiteit! Het was ook niet de bedoeling om dit af te zwakken, maar om het vertrouwen op een grotere macht te richten. De HEERE ging voor hen uit om deze macht van de vijand te slaan en te vernietigen.
In tegenstelling tot de gewone, menselijke maatstaven âhoeveelheid en kwaliteit â wordt Gods optreden voor Israël niet bewerkt door de grootte van het volk (hoofdstuk 7 vers 7), noch door z'n goede, natuurlijke begaafdheid (hoofdstuk 9 vers 6): "Weet dan, dat u de HEERE, uw God, niet om uw gerechtigheid, dit goede land geeft".
Evenmin als Israël kan een kind van God zich beroepen op zijn eigen gerechtigheid. Hij heeft ons "zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid" (Titus 3 vers 5 tot en met 7).
En opdat het volk niet op de gedachte zou komen dat de keuze van God aan hun eigen verdiensten te danken zou zijn, herinnert de leider hen aan de verootmoedigende geschiedenis van het gouden kalf.
Ook wij moeten steeds opnieuw bepaald worden bij de trouw van de Heere (hoofdstuk 8), maar daarbij niet vergeten hoe zwak ons eigen hart is (vers 7 en Ezechiël 16 vers 30).
Israël wordt erop gewezen, hun fouten in het verleden niet te vergeten. Maar ze mogen ook nog aan iets anders terugdenken: aan de trouwe middelaar die ten gunste van het volk op de berg geweest is.
Mozes wordt in Psalm 99 vers 6 genoemd bij hen die de Naam van de HEERE aanroepen. Wat smeekte hij God innig voor het volk en voor Aäron, zijn broer!
Dat zijn voor ons ook twee gebedsonderwerpen die een belangrijke plaats behoren in te nemen: de gemeente en onze gezinsleden.
Diezelfde Psalm bevestigt ons in vers 8 de uitwerking van een gebed dat in geloof uitgesproken wordt: "Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God" (zie ook Jakobus 5 vers 16).
Met blijdschap mogen we constateren dat ook Aäron in deze Psalm genoemd wordt. Zijn schuld was hem niet alleen vergeven, hij kon daarna zelfs weer verzoening doen voor het volk (Numeri 16 vers 47).
Als we een les ten koste van onszelf geleerd hebben, zijn we ook in staat om anderen te helpen. Deze ervaring heeft ook Petrus opgedaan. Toen de Heere hem vertelde dat Hij voor hem gebeden had, zei Hij ook: "Als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders" (Lukas 22 vers 32).
Wat is het goed, beste gelovige vrienden, dat wij in Hem een Goddelijke Voorspraak hebben Die Zich bij de Vader voor ons inzet!
De beide eerste stenen tafelen waren nog maar nauwelijks in de handen van Mozes, of ze werden al kapot gebroken. Waarom? Opdat mèt deze tafelen niet tevens het oordeel in de legerplaats die vol afgoderij was, zou komen.
Daarom ook zegt God dat de nieuwe tafelen onmiddellijk in de ark gelegd moeten worden. Dat is een beeld van Christus, als onze Borg tegenover de ongebroken wet. De Heere Jezus was, volgens Zijn eigen woorden, niet gekomen om de wet op te heffen, maar om haar te vervullen. Onze geliefde Verlosser heeft op volmaakte wijze elke tittel en jota van de wet bevestigd. Daarom is Hij de Grootste in het koninkrijk der hemelen (Mattheüs 5 vers 17 tot en met 19).
Zoals dus de gebroken tafelen getuigden van Israëls val en oordeel, zo verkondigden de tafelen die veilig in de ark lagen, dat Christus het einde is van de wet tot rechtvaardigheid voor een ieder die gelooft, eerst voor de jood en ook voor de Griek (zie Romeinen 10:4).
In 2 Korinthe 3 worden de eens in stenen gegraveerde 'tien geboden' vergeleken met "een brief van Christus", geschreven in "vlezen tafelen des harten". Dit laat zich samenvatten in één Naam, die van 'Jezus', die de Heilige Geest inprent in het hart van elke verloste. Maar ... niet om daarin verborgen te blijven! Een brief wordt geschreven om gelezen te worden. Zo moet ook in ons de Naam van Christus door anderen die ons kennen, gelezen kunnen worden. Rondom ons zijn veel mensen die nooit in de Bijbel lezen. Zij worden daartoe echter indirect gedwongen, in die mate waarin zij kunnen zien dat wij de leer van de Bijbel in ons leven in praktijk brengen en wij iets afstralen van de Heere Jezus (vergelijk 1 Petrus 3 vers 1 en 2).
In de verzen 12 en 13 wordt als het ware een mooi programma voor de Israëlieten opgesteld. Ook van u, beste gelovige vriend, eist de Heere niets anders dan godsvrucht, trouw, liefde, onthouding, gehoorzaamheid.
Micha 6 vers 8 stelt dezelfde vraag en eist als antwoord: "recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God". Dit is in ons eigen belang noodzakelijk â "u ten goede" (vers 13) â èn het is het rechtmatige antwoord op de Goddelijke liefde. Het is een gelukkige verbinding met een wisselwerking: De HEERE heeft "lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben" (vers 15), en: "Hem zult gij aanhangen" (vers 20).
De besnijdenis van het hart is noodzakelijk. Het is niet voldoende om door een uiterlijk teken te laten zien dat men een bepaalde religie aanhangt. De kenmerken moeten in het hart aanwezig zijn, dat wil zeggen dat men de werking van het vlees geoordeeld heeft en God toebehoort.
De HEERE is de Onderhouder van alle mensen. Hij zorgt met name ook voor de zwakkeren, voor hen die alleen in het leven staan: de wees, de weduwe, de vreemdeling; allen zijn een bijzonder onderwerp van Zijn zorg. Die "grote, die machtige, en die vreselijke God" (vers 17) Die "grote en vreselijke dingen" gedaan heeft (vers 21), is ook een God vol tederheid, "een Vader der wezen, en een Richter der weduwen" (Psalm 68 vers 6).
"Hij is uw Lof' (vers 21). Niet alleen wat Hij gedaan heeft, maar ook Zijn Persoon Zelf is voor het hart en de lippen van de verlosten steeds het Onderwerp van vreugde en aanbidding!
Het volk van God wordt opgeroepen net zo te doen als een landbouwer. Om rechte voren te krijgen, stelt hij namelijk vóór en achter zich markeringspunten op.
Om hun weg weer recht te maken, moest het volk Israël dan ook eerst achterom kijken en denken aan de uittocht uit Egypte en de moeizame tocht door de woestijn (vers 2 tot en met 7 en Jeremia 2 vers 23). Vervolgens moest het vooruit kijken en door het geloof het rijke land van de belofte bezien (vers 10 tot en met 12).
Onze fouten, onze afdwalingen moeten ons tot waarschuwing zijn en tot ons geweten spreken, terwijl het uitzicht op het voor ons liggende, hemelse erfdeel een aansporing voor onze harten is. Als we ons steeds weer bewust zijn dat ons verleden gekenmerkt wordt door genade, en als we zien op die heerlijke toekomst, dan zal onze weg recht worden.
Wat een tegenstelling tussen het land van de belofte en Egypte, een beeld van de wereld! Zelfs vandaag de dag zijn de Egyptenaars gedwongen om met behulp van aangedreven schepraderen moeizaam water omhoog te pompen in de kanalen (vers 10), terwijl daar tegenover in het land Kanaän de regen uit de hemel overvloedig en gratis water geeft!
Ja, wat een contrast tussen de mensen van de wereld en de verlosten. De eersten proberen door eigen armzalige inspanningen hun geluk te bewerken, terwijl de verlosten zich op de gezegende bodem van genade bevinden waardoor God hen van alles voorziet!
"Legt dan deze Mijn Woorden in uw hart, en in uw ziel" (vers 18).
"Indien ... Mijn woorden in u blijven", dat is eigenlijk het parool dat de Heere Jezus ons heeft nagelaten, toen Hij de aarde verliet. En als dat bij ons zo is, zullen we ook weten wat en hoe we moeten vragen (Johannes 15 vers 7), hoe wij moeten spreken van Hem (Psalm 45 vers 2 en 3 en Mattheüs 12 vers 34) en hoe wij kunnen vluchten voor de zonde (Psalm 119 vers 11).
Dan zullen we elk moment van de dag met deze woorden en met Hem Die ze gesproken heeft, bezig zijn. Onze onderlinge gesprekken, onze daden en onze wandel zullen daardoor gekenmerkt worden. Men zal zelfs het geluk dat wij door die woorden ontvangen, van onze gezichten kunnen aflezen. Thuis, op het werk, bij het komen en bij het gaan zullen we dan "de leer van God, onze Zaligmaker, in alles mogen versieren" (Titus 2 vers 10).
Dan komt de gevolgtrekking van alle vermaningen om gehoorzaam te zijn: "Ziet, Ik stel u heden voor, zegen en vloek" (vers 26).
Voor ieder van ons staan deze beide wegen open. De éne weg is het smalle pad van de gehoorzaamheid aan de Heere. De andere is de brede weg van onze eigen wil.
Maar God heeft op deze tweesprong wegwijzers neergezet. De weg van gehoorzaamheid leidt tot zegen, de weg van eigen wil tot de vloek.
Tot en met het derde hoofdstuk van het Boek Deuteronomium wordt het volk opgeroepen lessen te leren uit het verleden. In de hoofdstukken 4 tot en met 11 legt Mozes de grote verplichting van gehoorzaamheid aan God op het hart van het volk.
Nu zijn we aangekomen bij het derde deel van dit Boek. Israël krijgt nu aanwijzingen voor het moment waarop ze in het land zullen wonen.
De allereerste opdracht betreft het inrichten van een plaats waar men God kon aanbidden.
De Israëlieten moesten beginnen met het reinigen van het land van de Kanaänietische gruwelen en vervolgens de plaats opzoeken â niet uitkiezen (!) â waar de dienst voor God zou worden uitgeoefend.
Het is de christen ook niet toegestaan om zelf te bepalen waar en hoe hij God lof wil brengen. Het is zijn plicht om zich aan de hand van Gods Woord terdege op de hoogte te stellen van de plaats waarvan de Heere beloofd heeft, daar aanwezig te zullen zijn. Als hij die plaats nog niet gevonden heeft, kan hij handelen als die beide discipelen die door de Heere uitgezonden werden om het Pascha voor te bereiden. Zij vroegen Hem: "Waar wilt Gij, dat wij het bereiden?" (Lukas 22 vers 9).
Aan deze, door de HEERE verkozen plaats (vers 14) moest de Israëliet zijn verschillende offers brengen; en daar mocht hij zich met zijn hele huis verheugen (vers 7 en 12). Dat is een beeld van wat wij doen en ontvangen in de tegenwoordigheid van de Heere Jezus, als wij rondom Hem vergaderd zijn (Mattheüs 18 vers 20).
Door de mond van Mozes heeft de HEERE het volk eraan herinnerd dat Hij als eerste aanspraak maakt op de dienst van de Zijnen. En Hij is hen daarvoor niets verschuldigd! Het is Zijn recht als Schepper.
Toch openbaart Hij Zich als een God vol goedheid, zodra ze Hem gebracht hebben wat Hem toekomt, als een God Die voor hun voedsel zorgt en met tederheid ingaat op de omstandigheden van hun dagelijkse leven. Dat geeft de gelovige echter geen volmacht om maar naar eigen goeddunken te handelen!
"Hetzij dan dat gij eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods" (1 Korinthe 10 vers 31).
Het Nieuwe Testament bevestigt dat de christen zich moet onthouden van bloed en van de besmetting door afgoden (Handelingen 15 vers 20). Dit laatste verbod is een onderdeel van de zorg van God voor Zijn volk.
We mogen er zeker van zijn dat de Heere ons niet zomaar iets verbiedt en ons niet zomaar iets onthoudt. Hij wil daardoor verhinderen dat wij ergens in "verstrikt" raken (vers 30).
Juist dit vers leert ons dat de eerste stap op de weg van afgodendienst vaak gedaan wordt uit nieuwsgierigheid. 'Hoe dienden deze volkeren hun goden?'
Interesse tonen voor het kwaad is een teken dat ons geweten nog niet helemaal geraakt is en wij dus onbewapend het gebied van satan betreden.
Een valse profeet die uit het midden van het volk van God opstaat, is uitermate gevaarlijk. Alle apostelen waarschuwen nadrukkelijk voor deze verspreiders van verkeerde leer. Zij "verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen" (Romeinen 16 vers 18; 2 Petrus 2 vers 18; 1 Johannes 2 vers 19; Judas vers 4).
"Gij zult ... niet horen" zegt vers 3 heel nadrukkelijk. In tegenstelling daarmee staat in vers 4: "De HEERE, uw God, zult gij navolgen ... en Zijn stem gehoorzaam zijn".
De veiligheid van de schapen van de goede Herder ligt alleen in het feit dat ze Zijn stem kennen (Johannes 10 vers 4 en 5). Dan is het voor hen ook niet moeilijk om de stem van een vreemde te onderscheiden en voor hem te vluchten.
Een tweede, maar niet minder listig gevaar is dat we onder boze invloed komen. Zo'n invloed is nog veel gevaarlijker als zij uitgaat van iemand die we vertrouwen. "Dwaalt niet (= laat u niet verleiden), kwade samensprekingen (= slechte omgang) verderven goede zeden" (1 Korinthe 15 vers 33) Of, zoals een andere vertaling zegt: "Verkeerde omgang bederft goede zeden". Laten we de moed hebben om dergelijke omgang die ons van de Heere kan aftrekken, te verbreken (Lukas 14 vers 26)!
We zien in het Schriftgedeelte voor vandaag dat het kwaad ook een gemeenschappelijk karakter kan dragen. Een hele stad kan erdoor aangestoken worden (vers 15).
De trouwe gelovige wordt opgeroepen alle religieuze verbindingen waarin hij in het licht van Gods Woord ongerechtigheid waarneemt, op te geven (2 Timotheüs 2 vers 19).
De "kinderen van de HEERE" (vers 1) waren voor God "een heilig volk" (vers 2). Deze positie moest gepaard gaan met een heilige en godvrezende wandel.
In de volgende verzen lezen we hoe men zo'n positie kan handhaven. De Bijbel is onze Toetssteen waardoor we in staat zijn het reine en het onreine van elkaar te onderscheiden.
Reine zoogdieren moesten twee kenmerken hebben: ze moesten gespleten hoeven hebben èn herkauwen! De kameel bijvoorbeeld werd afgewezen, omdat hij wel herkauwde, maar geen gespleten hoef had (wel veel kennis, maar de wandel is daarmee niet in overeenstemming).
En omgekeerd had bijvoorbeeld het varken een prachtige pootafdruk, maar het voedde zich niet op de juiste wijze. De farizeeën behoorden tot deze tweede klasse. Uiterlijk waren ze wel afgezonderd van het kwaad, maar innerlijk werden ze niet door het Woord van God geleid.
Jeremia is een voorbeeld van een mens die beide kenmerken in zich verenigde. "Toen Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten", zegt hij. Dat betekent 'herkauwen'! Hij voegt er echter aan toe: "Ik heb in de raad der bespotters niet gezeten" (Jeremia 15 vers 16 en 17). Dat is een afgezonderde wandel!
Kruipend gevogelte was onrein (vers 19). God staat geen vermenging toe tussen wat van de hemel is (vleugels) en wat van de aarde is (kruipen).
De reine en onbevlekte godsdienst voor God de Vader waarover Jakobus spreekt (hoofdstuk 1 vers 27), omvat twee dingen: "wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking" en "zichzelf onbesmet bewaren van de wereld".
Gisteren hebben we de persoonlijke kant van de zaak overdacht. Vandaag hebben we de andere kant voor onze aandacht: de dienst die door een liefdevol hart wordt uitgeoefend en wordt bewezen aan hen die in nood zijn. Dus aan de wees en de weduwe (vers 29), maar ook aan de Leviet, de vreemdeling en de arme.
"Geeft aalmoes", zei de Heere Jezus, "maakt uzelf buidels, die niet verouderen" (Lukas 12 vers 33).
Ongetwijfeld heeft God niets nodig; Hij kan zonder onze hulp de "armen met brood verzadigen" (Psalm 132 vers 15).
Als Hij ons oproept om onze bezittingen met anderen te delen, dan is dat niet, opdat wij zouden kunnen voorzien in behoeften, maar om ons te leren geven. Hij weet dat onze harten van nature ontzettend zelfzuchtig en met onze eigen behoeften bezig zijn, zonder zich veel te bekommeren om de behoeften van anderen.
God heeft er echter een welgevallen in, de eerste vrucht van het Goddelijke leven in de Zijnen zichtbaar te laten worden: de liefde met haar veelvoudige uitwerkingen.
Ja, Zijn Vaderhart verheugt zich erin, als er bij Zijn kinderen iets te zien is van Zijn geliefde Zoon Die uit liefde voor hen alles heeft opgegeven (2 Korinthe 8 vers 9).
Geven bewerkt blijdschap. Niet alleen bij de ontvanger, maar juist ook bij de gever (Handelingen 20 vers 35).
En God Zelf geniet deze vreugde allereerst. Hij, de "Vader der lichten", van Wie alle goede gaven en elk volmaakt geschenk komt (Jakobus 1 vers 17)!
En opdat de Zijnen in Zijn vreugde zullen kunnen delen, geeft Hij hen gelegenheden om te geven. Maar als hun hart daarbij boos is (vers 10), is dit wel erg met elkaar in tegenspraak! Laten we niet vergeten: "God heeft een blijmoedige gever lief' (2 Korinthe 9 vers 7).
"De arme zal niet ontbreken in het midden van het land" (vers 11). "De armen hebt gij altijd met u", zei de Heere Jezus in Johannes 12 vers 8. Er is dus altijd gelegenheid te genieten van de vreugde van het geven, al was het alleen maar door een woord van meeleven.
Misschien doet die gelegenheid zich voor aan onze poort (Lukas 16 vers 20), maar hebben we er geen oog voor of is ons hart niet bereid tot geven! "Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood aan de armen gegeven" (Spreuken 22 vers 9).
Het voorbeeld van de Hebreeuwse knecht (vers 12), een beeld van Christus, herinnert ons eraan dat alles wat wij uit liefde voor de arme of geringe doen, we eigenlijk voor de Heere Jezus mogen doen!
Van de zeven feesten in Leviticus 23 worden in het hoofdstuk voor vandaag alleen de drie belangrijkste genoemd: het Pascha waarvan we nu veel meer details lezen, het feest der weken (Pinksteren) en tenslotte het loofhuttenfeest.
Bij deze drie belangrijke aangelegenheden werd van de Israëliet verwacht dat hij op zou gaan naar de plaats die de HEERE verkozen had om daar te wonen.
In Lukas 2 vanaf vers 41 lezen we dat Jozef en Maria met het kind Jezus naar Jeruzalem gingen, op het feest van Pascha En Lukas 22 vertelt ons over het laatste Pascha dat voor de Heere toebereid werd. Het was echt een verlangen van Zijn hart. "Ik heb grotelijks begeerd, dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijde" (vers 15), zegt Hij tegen Zijn discipelen.
Deze feesten werden één keer per jaar gevierd. Toch wilde de HEERE graag dat elk van de Zijnen alle dagen van zijn leven aan de uittocht uit Egypte en het slavenbestaan daar dacht (vers 3).
De verloste denkt er niet slechts één keer per jaar of één keer per week, op zondag, aan waar de genade hem vandaan gehaald heeft. Nee, hij moet daar elke dag dankbaar voor zijn! En de herinnering daaraan zal hem bewaren voor elke onbezonnenheid, voor elk lichtvaardig handelen.
Ook al wordt van de christen verwacht dat hij zich ernstig en serieus gedraagt, toch mag hij nu ook al van de vreugde van de hemel genieten. "Daarom zult gij immers vrolijk zijn" (vers 15). "Verblijdt u in de Heere te allen tijd!", schrijft de apostel (Filippi 4 vers 4; zie ook 1 Thessalonika 5 vers 16).
Tot aan het einde van hoofdstuk 18 worden ons verschillende groepen van verantwoordelijke personen voorgesteld. Dat zijn achtereenvolgens: de rechters, de koningen, de priesters, de Levieten en de profeten in Israël.
De rechters en ambtlieden worden als eerste genoemd. Zij moesten het volk met "een gericht der gerechtigheid" richten, dus zonder partijzucht en zonder geschenken aan te nemen (vers 18 en 19; Spreuken 17 vers 23; 18 vers 5 en 24 vers 23).
Jakobus legt in zijn Brief speciale nadruk op de sociale omgang onder de gelovigen. Hij spreekt met name over de verplichtingen ten opzichte van de naaste en de contacten tussen rijk en arm. Hij veroordeelt het handelen ter wille van het aanzien van een bepaald persoon (Jakobus 2 vanaf vers 1), de zelfzucht en hardheid van het hart (vers 15 en 16), gierigheid en onderdrukking (hoofdstuk 5 vanaf vers 1). En opdat wij nooit zullen vergeten hoe ver ongerechtigheid kan gaan, zegt hij nog in datzelfde hoofdstuk: "Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood de Rechtvaardige" (vers 6). Israël heeft niet alleen nagelaten, de gerechtigheid na te jagen (vers 20), maar heeft zelfs "de Rechtvaardige en Oprechte" verworpen en gekruisigd (Job 12 vers 4).
Dat het noodzakelijk is dat er twee of drie getuigen aanwezig zijn bij een aanklacht of het vaststellen van een ander feit, onderstreept onze eigen tekortkomingen, ons eigen falen.
O, wat bestaat er toch een geweldig groot verschil tussen ons en de Christus van God, de "trouwe, en waarachtige Getuige" (Openbaring 3 vers 14; Johannes 8 vers 14).
De rechtspraak van een priester of een rechter was rechtsgeldig en moest erkend worden. Paulus zegt ook: "Er is geen macht [d.w.z. overheid] dan van God ... Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God weerstaat" (Romeinen 13 vers 1 en 2; 1 Petrus 2 vers 13 tot en met 17). Maar hij die autoriteit heeft, is over de uitoefening ervan rekenschap verschuldigd aan God.
Aan de koningen worden verschillende belangrijke vermaningen gegeven. Hij zal
"voor zich de paarden niet vermenigvuldigen" (hoogmoed);
"voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen" (lust, begeerte van het vlees);
"voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen" (begeerte van de ogen);
alleen de Goddelijke wet als leidsman gebruiken; en tenslotte
zich niet verheffen "boven zijn broeders" (het gaat om zijn broeders, niet om onderdanen!).
Salomo, de meest glansrijke koning in de geschiedenis van Israël, overtrad al deze geboden (1 Koningen 10 vers 22 tot en met 28; 11 vers 1 en 4). Wat Josia, één van zijn laatste opvolgers, daarentegen kenmerkt, was de eer die hij bewees aan het teruggevonden wetboek en de praktische uitwerkingen die het Woord op zijn leven had (2 Kronieken 34 vanaf vers 14).
Door een exemplaar van het heilige Boek te bezitten, bij je te hebben en er elke dag van je leven in te lezen, leer je de Heere vrezen en Zijn woorden kennen, "om die te doen" (vers 19).
Dit hoofdstuk stelt ons personen voor de aandacht die een religieuze positie innemen. Vooral de profeten zijn mannen die in opdracht van de HEERE spreken. Wat richten zij ontzettend veel verwarring aan als ze niet trouw zijn! Als zij beweren dat God tot hen gesproken heeft, bestaat het gevaar dat wij datgene wat slechts een leugen is, aannemen als Gods Woord (vergelijk 1 Koningen 22 vers 22).
De verzen 9 tot en met 12 waarschuwen het volk van God voor astrologen, helderzienden, tovenaars, waarzeggers, dodenbezweerders enzovoorts. Dat betekent dus: voor elke vorm van occultisme!
Vandaag hellen heel veel mensen, meer dan ooit, over tot deze kwalijke en verwerpelijke praktijken. Geve God dat wij daar, evenals Hij, een grote afschuw van hebben!
Israël heeft in zijn land achtereenvolgens de tijd van de richters, van de koningen en tenslotte van de profeten gekend. Zowel de één als de ander is maar al te vaak een ontrouwe herder gebleken.
Toen heeft de HEERE Hem, de rechtvaardige Rechter, de Koning der koningen en dé Profeet (Die het volk verwachtte; vers 15) gestuurd om Zijn volk te leiden.
Toen Petrus het evangelie verkondigde aan de joden, baseerde hij zich op deze verzen om hen de Heere Jezus te prediken. Hij is Zelf het Woord. "Die zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal" (vers 15; Handelingen 3 vers 22 en 7 vers 37).
"Een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik!" zegt de HEERE (Jesaja 45 vers 21). Omdat Hij rechtvaardig is, veroordeelt Hij de misdadiger (vers 11 tot en met 13). En omdat Hij een Redder is, beschermt Hij hem die onopzettelijk een moordenaar werd.
Drie steden moeten afgezonderd worden om als toevluchtsoord te dienen. Dat is een beeld van de bescherming die we in Christus vinden voor de rechtvaardige toorn van God. Wat is er voor nodig om daarvan te kunnen genieten? Eenvoudig geloven; dà t is het enige middel dat God tot heil van de zondaar bereid heeft. De hele mensheid is immers schuldig aan het vergieten van het onschuldig bloed van Zijn geliefde Zoon (vers 10 tot en met 13).
Het lijkt erop dat Paulus dit beeld van de vrijstad voor de aandacht heeft, als hij spreekt over Christus winnen en in Hem bevonden te worden, en dat niet uit eigen rechtvaardigheid, maar door het geloof in Christus (Filippi 3 vers 8 en 9; lees ook Hebreeën 6 vers 18).
Niet alleen door geweld kan men zijn naaste schade toebrengen. Dat kan bijvoorbeeld ook door de grenspalen te verzetten (vers 14). Dat wil zeggen: de ellebogen gebruiken om zich ten koste van een ander een betere plaats in de wereld te verschaffen.
De christen wordt erop gewezen, tevreden te zijn met wat voorhanden is (Hebreeën 13 vers 5). Maar ook om nuchter te zijn (1 Petrus 5 vers 8) en niet op z'n strepen te staan, opdat zijn inschikkelijkheid, zijn bescheidenheid aan alle mensen bekend wordt (Lukas 6 vers 29 tot en met 31; Filippi 4 vers 5).
De priesters en de rechters moesten de valse getuigen ontmaskeren en bestraffen (vers 18; Spreuken 19 vers 5 en 9). Toen de Heere Jezus voor het sanhedrin stond, probeerde men Hem door valse getuigenverklaringen ter dood te veroordelen. Daarmee maakte men de maat van de ongerechtigheid vol (Mattheüs 26 vers 59).
Hoofdstuk 20 gaat over oorlogswetten. De opdracht om oorlog te voeren tegen vijanden van God, hebben wij niet. Wel hebben we een geestelijke strijd te voeren, de strijd van het geloof. Wie heeft de opdracht gekregen om Israëls oorlogen voor te bereiden en de soldaten te mobiliseren? Wij zouden zeggen dat dat het werk van de officieren was, maar dat is niet zo. Opnieuw zijn het de priesters en de rechters. Noch de kracht, noch de wapenuitrusting van de soldaten is van doorslaggevend belang. De trouw en de overgave aan de HEERE tellen.
Vanaf vers 5 worden de redenen opgenoemd waarom een man werd ontslagen of terzijdegesteld van de krijgsdienst en dus niet meetrok in de strijd. Dat doet ons denken aan de uitvluchten van hen die uitgenodigd waren voor een grote feestmaaltijd: "Ik heb een akker gekocht ... Ik heb een vrouw getrouwd ..." (Lukas 14 vers 18 tot en met 20).
Laten wij echter luisteren naar de raad van iemand die in de strijd beproefd was en die zelf de goede strijd heeft gestreden: "Niemand, die in de krijg dient, wordt verwikkeld in de handelingen van de leeftocht, opdat hij hem moge behagen, die hem tot de krijg aangenomen heeft". Alleen op deze voorwaarde zal iemand een goede krijgsknecht van Jezus Christus kunnen zijn (2 Timotheüs 2 vers 3 en 4 en 4 vers 7).
De Israëlieten mochten vrede sluiten met de steden die ver verwijderd lagen. In tegenstelling daarmee mochten ze met de steden die dichtbij lagen, geen enkel erbarmen hebben, omdat die het volk zouden verhinderen het land in bezit te nemen.
Wij, christenen, moeten in de aardse dingen ook onderscheid maken tussen dingen die we mogen gebruiken, en dingen waar we onherroepelijk afstand van moeten nemen. Want deze laatste zouden ons het genot van ons hemels erfdeel kunnen ontroven. De beslissing ligt bij ons!
De Israëliet had de opdracht, de vruchtbomen te ontzien en ze niet te gebruiken ten behoeve van de oorlog. Deze waarschuwing heeft een geestelijke betekenis! Soms ziet men dat christenen een blinde en fanatieke ijver aan de dag leggen om alles te veroordelen en te bestrijden wat God misschien wel als een verfrissing of tot voedsel aan de Zijnen heeft gegeven.
De verzen 19 en 20 waarschuwen ons tegelijkertijd ook voor verspilling. Laten we aan het voorbeeld denken dat de Heere Jezus ons Zelf heeft gegeven.
Hij, de Schepper, Die het brood eindeloos kon vermeerderen â en dat zojuist had laten zien â, heeft ervoor gezorgd dat de resten in de korven werden gedaan, "opdat er niets verloren" ging (Johannes 6 vers 12).
In dit gedeelte ontmoeten we de rechters opnieuw, en wel in verband met een heel moeilijk geval!
Israël woont in het land, in zijn steden. Op zekere dag wordt in het veld het stoffelijk overschot van iemand gevonden. Wie heeft de moord begaan? Niemand die het weet, dan de dader zelf. Van bloedwraak kan dus geen sprake zijn!
Toch moet er iemand verantwoordelijk zijn voor deze daad, want al het vergoten bloed moet immers gewroken worden. De oudsten en de rechters gaan vervolgens de afstand meten om te zien welke stad het dichtst bij de plaats van het misdrijf ligt. DÃe stad zal schuldig zijn.
Moet ze dan vernietigd worden? Nee, de genade van God geeft een offer op grond waarvan Hij op rechtvaardige wijze kan vergeven.
Hier hebben we een beeld van het offer en de dood van Christus. De schuldige stad is Jeruzalem "die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn" (Mattheus 23 vers 37). De grootste misdaad die zij begaan heeft, is het kruisigen van de Zoon van God.
O, wonder van genade! Het is juist deze dood die het rechtvaardige middel werd waardoor God kan vergeven!
In de jonge koe vinden we inderdaad ook een beeld van de Heere Jezus. Hij Die nooit het juk van de zonde gekend heeft (vers 3), is afgedaald in het dal van de dood om daar, terwijl Hij Zelf onschuldig is, de schuld van anderen te dragen (vers 4). Dit spreekt tot ons van de eeuwige genade van onze Heiland-God!
De eerstgeborenen in Israël hadden een groot voorrecht (vers 17). Wat moeten wij, als wij kinderen van gelovige ouders zijn, in vergelijking daarmee zeggen van het voorrecht dat we opgevoed zijn naar het Woord van God?
Is het niet erg verdrietig te moeten vaststellen dat ondanks dat grote voorrecht velen toch de weg van de "eigenzinnige en weerspannige zoon" zijn gegaan?
Voor de jonge Israëliet leidde deze weg tot de dood, zonder vergeving. Op het getuigenis van zijn eigen ouders moest hij gestenigd worden.
Deze geschiedenis van de domme, drankverslaafde en liederlijke zoon komen we in Lukas 15 ook tegen, maar dan met een heel andere afloop!
De verloren zoon was niet beter dan de weerspannige zoon uit het Schriftgedeelte van vandaag. Maar de genade vond hem, bewerkte zijn hart en bracht hem tot schuldbelijdenis. Daarom vinden we bij zijn vader ook geen aanklacht, maar geopende armen; geen veroordeling, maar volledige vergeving; en in plaats van de dood, het huis van de vader, het feest en de vreugde!
In de verzen 22 en 23 hebben we een andere vreselijke dood voor onze aandacht. Deze dood moest de geliefde, gehoorzame Zoon voor ons ondergaan!
Galaten 3 vers 13 herinnert eraan: "Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt". Hier zien we het ondoorgrondelijke wonder van het kruis! Daar is Christus tot een vloek geworden, opdat de zegen die aan de gelovige beloofd is, ons deel zou worden!
De HEERE veroordeelt niet alleen het openlijke, grove kwaad (hoofdstuk 21), maar keurt ook elke vorm van zelfzucht af.
Een os of een ezel verliezen, is een teken van gebrek aan waakzaamheid (vergelijk 1 Samuël 9 vers 3). God gebruikt dit beeld echter om mij erop te wijzen dat ik geen recht heb om onverschillig te blijven tegenover het verlies dat mijn naaste geleden heeft. God herinnert mij eraan dat deze mijn broeder is, en Hij roept mij op, zorgvuldig om te gaan met zijn spullen alsof ze van mijzelf waren.
Hoe kon de Israëliet zonder zijn schaap een offer brengen, zonder zijn os gaan werken, zonder zijn ezel tot lastdrager voor de HEERE zijn? Laten wij niet op die gelovigen lijken van wie Paulus vanwege hun gebrek aan behulpzaamheid moest zeggen: "Zij zoeken allen het hunne" (Filippi 2 vers 21; zie ook 1 Korinthe 10 vers 24)!
Vers 5 is van grote betekenis voor onze tijd waarin de vrouw probeert in alles aan de man gelijk te zijn. Dat betekent echter dat we de scheppingsorde van God omverwerpen. Ook al kunnen we de draagwijdte van deze aanwijzingen niet begrijpen, laten we er toch voor oppassen "twistgierig" te zijn (1 Korinthe 11 vers 16).
De verzen 9 tot en met 11 herinneren ons eraan dat God noch in het leven noch in het getuigenis van Zijn kinderen enige wanorde kan goedkeuren. En dat Hij evenmin een vermenging van Goddelijke feiten met de beginselen van de wereld toestaat!
Laten we eens kijken hoe de Heere Jezus de discipelen en de volksmenigte onderwees. Door de wet van Mozes, die de farizeeën letterlijk namen, wilde Hij hen de gedachten van God, Zijn wijsheid en Zijn liefde duidelijk maken.
Dat was bijvoorbeeld het geval bij het aren plukken op de sabbat, toen zij door de korenvelden gingen, maar ook toen men Hem strikvragen stelde over echtscheiding (Mattheüs 12 vanaf vers 1 en 19 vanaf vers 3).
Laten we er bij het lezen van deze hoofdstukken moeite voor doen, die Goddelijke wijsheid en liefde te ontdekken.
Naast absolute rechtvaardigheid, schittert volmaakte goedheid! De rechten van de eigenaar worden gerespecteerd, zonder dat daarbij de plichten van de broederliefde uit het oog worden verloren. Alleen God kan zo'n evenwicht bewerken.
Juist voor de wereld waarin wij leven, is dit van grote betekenis, omdat men gauw geneigd is naar de ene of naar de andere kant over te hellen.
Een kind van God hoeft niet te kiezen tussen verschillende politieke, maatschappelijke of sociale systemen. Voor de gelovige zijn al deze problemen al bij voorbaat opgelost. Hij heeft geen andere leer dan de onderwerping aan de gedachten van zijn Vader.
En deze gedachten zijn niet in kranten of boeken van mensen te vinden, maar alleen in "het levende en eeuwig blijvende Woord van God" (1 Petrus 1 vers 23).
God is licht; God is liefde (1 Johannes 1 vers 5 en 4 vers 8). Op deze tweevoudige wijze openbaart Hij Zich ook in de ogenschijnlijk kleinste geboden.
Licht: Hij veroordeelt de dief, waakt over het optreden van melaatsheid (een beeld van de zonde), eist rechtvaardigheid van de kant van hem die uitleent, alsook van de werkgever, en beoordeelt de mate van verantwoordelijkheid van elke zondaar.
Liefde: Hij houdt Zijn ogen gericht op alle verdrukten: de schuldigen, de armen, de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de knechten. Hun geroep bereikt Zijn oren. Jakobus herinnert de rijken hier ook aan, als zij op het loon van de arbeiders die hun veld gemaaid hebben, willen inhouden (Jakobus 5 vers 4).
De wereld heeft bewondering voor machtige en rijke mensen, maar interesseert zich daarentegen heel weinig voor de zwakken en de kleinen.
Laten wij, als kinderen van God, ervoor oppassen dat we niet diezelfde kant opgaan.
Onze Meester heeft de wereld als een Dienstknecht, als een Vreemdeling, als een Arme doorwandeld. Jezus van Nazareth werd niet geacht. "Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen" (Jesaja 53 vers 3).
"Gij hebt de armen oneer aangedaan", zegt Jakobus in hoofdstuk 2 vers 6. Terwijl Psalm 41 in vers 2 de woorden uitspreekt: "Welgelukzalig is hij, die zich verstandig gedraagt jegens een ellendige".
Voor bepaalde vergrijpen golden lichamelijke straffen die echter met mate voltrokken moesten worden.
Hebreeën 12 vers 9 laat ons zien dat dit een vorm van vaderlijke tucht is om ontzag bij te brengen (zie ook Spreuken 23 vers 13 en 14). God neemt dit slaan met de roede als voorbeeld voor de tuchtiging die Hijzelf uitoefent ten aanzien van Zijn kinderen, want "Hij geselt iedere zoon, die Hij aanneemt" (Hebreeën 12 vers 6).
Maar in Zijn wijsheid, in Zijn kennen van de wreedheid van het menselijk hart, heeft Hij een maat vastgesteld; de schuldige mocht niet meer dan veertig slagen krijgen.
Om er zeker van te zijn dat dit aantal niet overschreden werd, hadden de joden de gewoonte veertig slagen min één te geven. Paulus deelt ons mee dat hij, vanwege de haat jegens het evangelie, deze straf van de joden vijf keer onrechtmatig heeft ontvangen (2 Korinthe 11 vers 24).
Ook een ander vers uit ons Schriftgedeelte (vers 4) roept bij ons de herinnering op aan de moeiten van de apostel (vergelijk 1 Korinthe 9 vers 9).
De aanwijzingen voor de zwagerplicht gebruiken de sadduceeën met betrekking tot de opstanding om een strik voor de Heere Jezus te spannen,. Hij antwoordt hen echter: "Gij dwaalt, niet wetende de Schriften" (Mattheüs 22 vers 29).
Om onszelf te bewaren voor welke vergissing dan ook, is het uitermate belangrijk dat ook wij het Woord van onze God goed kennen en ons altijd daarop baseren!
Bij alle vernederende ervaringen van de woestijn is er nog één waaraan de Israëlieten â maar ook wij â zouden moeten denken: Amalek heeft op lafhartige wijze gebruik gemaakt van de vermoeidheid van het volk, door zich op de zwakken en de achterblijvers te storten. Laten we daar heel goed op letten!
De duivel waagt het niet vaak om die christenen aan te vallen die vol vertrouwen hun weg gaan. Maar de zwakkeren, de achterblijvers, vormen een gemakkelijke prooi voor hem. We weten immers wat er met Petrus gebeurde, toen hij de Heere op een afstand volgde (Lukas 22 vers 54).
Hoofdstuk 26 brengt ons opnieuw in het land. Maar het verleden wordt daarbij niet vergeten.
De Israëliet, gezegend in zijn oogst, kwam op de plaats die de HEERE verkozen had, en moest daar zowel zijn ellendige afkomst als de Goddelijke macht die hem daaruit bevrijd en in het land gebracht had, gedenken.
Vervolgens moest hij, als een bewijs van de goedheid van God, de vruchten uit zijn korf voor Hem neerleggen en Hem met een hart vol vreugde en dankbaarheid aanbidden.
Dat is een prachtig beeld van de aanbidding van de verlosten. Zij mogen denken aan hun heerlijk heil en tot God naderen om "de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden" te brengen (Hebreeën 13 vers 15).
Vol aanbidding mogen ze dan tegen de Heere zeggen: "...allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn Liefste! die heb ik voor U weggelegd" (Hooglied 7 vers 13).
De oproep in Hebreeën 13 vers 15 om God lofoffers van dank te brengen, wordt gevolgd door de vermaning: "En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet".
Ook in het gedeelte dat we vandaag gelezen hebben, volgt het onderwerp van de gaven voor de Levieten en de behoeftigen direct op het aanbieden van de eerstelingen aan de HEERE (vers 1 tot en met 11). De tienden vormden een onderdeel van de godsdienst in Israël. Vers 11 laat ons zien waarom; de Leviet en de vreemdeling moesten zich samen met de Israëliet verheugen.
Ook wij worden opgeroepen, anderen te laten delen in onze goederen. Niet om daar zelf erkenning of eer voor te krijgen, maar opdat hij die iets van ons ontvangt, samen met ons de Heere kan danken voor wat we ontvangen hebben (zie 2 Korinthe 9 vers 12).
In de hemel heeft deze weldadigheid geen reden van bestaan meer, omdat er dan een einde gekomen zal zijn aan alle behoeften. Op aarde verbindt de Geest van God deze dienst echter met de lof en dank om ons in zekere zin in staat te stellen, onze liefde tot de Heere niet alleen met woorden uit te drukken.
Laten we ook de aangrijpende woorden niet vergeten: "Aan zulke offeranden heeft God een welbehagen" (Hebreeën 13 vers 16)! Dat alleen al zou voor ons reden genoeg moeten zijn om te geven!
Er was iets wat Israël "boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid"; en dat was de gehoorzaamheid aan de geboden van God (vers 18 en 19).
De wet moest op grote, met kalk bestreken, dus witte stenen geschreven worden. En vervolgens moesten die stenen op een berg, duidelijk zichtbaar, tot een getuigenis voor heel Israël opgesteld worden.
Niemand zou dan ooit kunnen zeggen dat hij het niet geweten heeft. Wij, die de complete Bijbel bezitten, hebben een nog veel grotere verantwoordelijkheid!
Dit teken tot verheerlijking van de wet doet ons denken aan Psalm 119. Daarin vinden we voor de gelovige in 176 verzen het wonder van het Woord van God getoond en beschreven. Deze Psalm begint met het welgelukzalig verklaren van een ieder die wandelt "in de wet des HEEREN".
In Deuteronomium 11 vers 29 kreeg Mozes de opdracht: "... dan zult gij de zegen uitspreken op de berg Gerizîm, en de vloek op de berg Ebal". Maar helaas horen we in dit hoofdstuk niet van een zegen die over de stammen uitgesproken wordt.
Inderdaad stond het volk onder de wet en "... zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek" (Galaten 3 vers 10).
"Vervloekt ... vervloekt ... vervloekt..." â dat is het oordeel dat Israël twaalf keer moest aanhoren, zoals we lazen in de verzen 15 tot en met 26. Maar hetzelfde gedeelte uit de Galatenbrief zegt ons: "Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons" (Galaten 3 vers 13).
We staan voortaan niet meer onder de wet, maar onder de genade (Romeinen 6 vers 14).
Dit hoofdstuk is de tegenhanger van Leviticus 26. Samen vormen zij een tweevoudig en ernstig getuigenis om Israël de gevolgen van hun gehoorzaamheid èn van hun ongehoorzaamheid voor te stellen.
"Indien gij ... zult gehoorzamen" (vers 1, 2 en 13). Hoe vaak is Israël in dit Boek al niet opgeroepen om te luisteren en te gehoorzamen!
O, dat ieder van ons zijn eigen naam invult in de plaats van Israël en zelf luistert naar de geboden van de Heere!
"Spreek, want Uw knecht hoort", zei eens de jonge Samuël (1 Samuël 3 vers 10).
En profetisch kon Christus Zelf zeggen: "De Heere HEERE ... wekt Mij het oor, dat Ik hoor, gelijk die geleerd worden" (Jesaja 50 vers 4).
Het horen, bewaren en in praktijk brengen van het Woord, is altijd verbonden met de zegen van de Heere (Openbaring 1 vers 3).
Het zal ons altijd en overal verblijden en rijk maken, "in de stad" en "in het veld". Ons gezinsleven en "alles, waaraan gij uw hand slaat", zal daardoor beïnvloed worden (vers 8). We zullen van overwinning tot overwinning gaan (vers 7). En uiteindelijk zal deze overvloed in geestelijke groei merkbaar worden (vers 11).
De oorsprong daarvan zal dan voor allen duidelijk zijn: het komt van de Heere Die wij toebehoren en Wiens Naam verheerlijkt wordt (vers 10).
Vanaf vers 15 tot aan het einde van dit hoofdstuk somt de HEERE alle vervloekingen op die Israël zullen overkomen als zij niet zouden gehoorzamen.
Helaas bevestigen de Schriften, maar ook de geschiedenis van dit volk, dat zij inderdaad slecht geluisterd hebben en dat daarom al deze vervloekingen over hen zijn gekomen.
Wij leven nu onder de genade en hebben daarom een nog veel grotere verantwoordelijkheid. Daarom geldt voor ons: "Ziet toe, dat gij Hem, Die spreekt, niet verwerpt" (Hebreeën 12 vers 25). Want wij zouden daarmee niet alleen de woorden, maar ook de Persoon Die ze uitgesproken heeft, afwijzen!
Als we doof gebleven zijn voor goede woorden, moet Hij noodgedwongen op een andere, veel moeilijkere manier tot ons spreken: door beproevingen. Zolang we volharden in een weg van eigen wil, zal de Heere ons onherroepelijk tegenkomen.
O, laten we toch Zijn wil leren kennen in de wijze waarop Hij ons tuchtigt! De Heere beware ons ervoor dat we allerlei smartelijke ervaringen moeten opdoen, voordat we eindelijk gaan begrijpen dat we zonder Hem nooit gelukkig kunnen zijn!
De verloren zoon uit Lukas 15 laat ons deze les zien die we zodoende kunnen leren, zonder dat we daarbij hetzelfde moeten doormaken door hem te volgen "in een ver gelegen land".
"De smarten van hen, die een andere god begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden" (Psalm 16 vers 4). Dit vers â dat profetisch gezien betrekking heeft op de verering van de antichrist â zouden we wel als titel boven de verzen 15 tot en met 68 van het hoofdstuk voor vandaag kunnen zetten.
Het is Christus Die spreekt in Psalm 16 en Die, in tegenstelling tot Israël, altijd vertrouwde op Zijn God en de HEERE voor Zich stelde. Daarom kon Hij ook op Zijn God 'rekenen' om bewaard te blijven, Zijn lot te ontvangen en niet te wankelen (Psalm 16 vers 1, 5 en 8). Hij is ons Voorbeeld op de weg van geloof.
Maar God ziet Zich genoodzaakt, ons ook de andere kant met de tragische gevolgen te laten zien. De ontzettende voorspelling uit vers 53 is in de geschiedenis van Israël letterlijk in vervulling gegaan (zie 2 Koningen 6 vers 29). Het volk heeft zijn vrijheid sinds de wegvoering naar Babylon praktisch verloren.
"Dient de HEERE met blijdschap!" zo roept Psalm 100 vers 2 ons op. Maar juist Israël heeft Zijn God niet "met vrolijkheid en goedheid des harten" gediend (vers 47) en moest daarom het ijzeren juk van zijn vijanden leren kennen.
Moreel gezien is dat nog steeds zo. Als we weigeren de
Heere te dienen, plaatsen we ons in praktisch opzicht weer
onder de slavernij van satan en zonde (Johannes 8 vers 34).
Moge God ons leren, Hem met blijdschap te dienen door de Heere Jezus na te volgen, Die gezegd heeft: "Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen" (Psalm 40 vers 9).
Heel Israël is bijeengekomen om de woorden van het verbond te horen. De macht en de liefde van de HEERE hebben grote wonderen voor het volk bewerkt. Het volk heeft ze wel gezien (vers 2), maar niet met de ogen van het hart (vers 4; vergelijk Efeze 1 vers 18). De tekenen die ten gunste van hen gedaan zijn, hebben geen morele uitwerking op hun geweten gehad.
Zo was het ook in de dagen waarin de Heere Jezus hier op aarde was. Toen "geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed. Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelf niet" (Johannes 2 vers 23 en 24).
Ook wij lopen elke keer datzelfde gevaar, als we ons alleen maar verstandelijk met de waarheid willen bezighouden.
Vers 4 laat ons zien dat God Israël tot op de huidige dag geen oren gegeven heeft om te horen. Was het dan wel de schuld van het volk dat het niet hoorde? Zeer zeker!
De apostel Paulus zegt dat het volk er zelf verantwoordelijk voor is, dat ze bewust hun oren toegesloten hebben om maar niet te horen, zodat ze zich niet hoefden bekeren (Handelingen 28 vers 27 en 28). "Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods tot de heidenen is gezonden, en dezen zullen horen", voegt hij er ~volgens aan toe.
De Heere geve dat het niet tevergeefs is! O, dat er vandaag niemand onder ons is die zijn hart verhardt, als hij Zijn stem hoort (Hebreeën 3 vers 7 en 15 en 4 vers 7)!
Laten we er goed om denken dat het woordje 'heden' heel vaak voorkomt in de laatste hoofdstukken van het Boek Deuteronomium!
Tot nu toe was er steeds sprake van het volk als geheel. De verzen 18 tot en met 21 richten zich echter tot de enkeling: tot de man of vrouw die zich van de HEERE afwendt.
Alsem is een plant met een bitter, giftig sap, die op braakliggende grond groeit. Als ons hart 'verwilderd en braak ligt', moeten we ons er niet over verwonderen dat daarin wortels van bitterheid opschieten. Deze zullen onze geest vergiftigen door allerlei verbittering, afgunst en tegenzin. Volgens Hebreeën 12 vers 15 bestaat er maar één tegenmiddel: geen gebrek lijden aan de genade van God, maar zich daarin juist verheugen!
Het hoofdstuk besluit met een troostvol vers. Onze geschiedenis, maar ook die van Israël, heeft twee kanten: een zichtbare zijde, die van onze verantwoordelijkheid, en een verborgen zijde, die van de genade, die alleen God volledig kent.
Denk maar aan een borduurwerk. De onderkant bestaat uit allerlei draden en knopen. Van daaruit zal iets moois ontstaan. Maar zolang er nog aan gewerkt wordt, kunnen we er niet wijs uit worden. Alleen de maker weet waarvoor dat alles dient! Als het werk echter klaar is en we draaien het om, zien we een prachtige tekening.
Het "geopenbaarde" komt overeen met de zichtbare 'achterkant' van Gods werk. Beproevingen, mislukkingen, tuchtigingen â dat alles lijkt ons soms zo tegenstrijdig met het plan van God.
Maar spoedig zullen we in het heiligdom de andere kant bewonderen en dan pas Zijn liefde beter kunnen begrijpen!
De genade van God heeft "verborgen dingen" opgeborgen (hoofdstuk 29 vers 29) waarover ons in dit mooie hoofdstuk verteld wordt.
De HEERE zal de Zijnen niet alleen bijeenbrengen en vermenigvuldigen en niet alleen Zijn macht ten gunste van hen openbaren. Nee, Hij wil ook een groot werk van genade in hen doen dat ver uitgaat boven alle uiterlijke groei.
In de toekomst zal God in het hart van Zijn volk werken om gehoorzaamheid en liefde tot Hem op te wekken (Hebreeën 8 vers 10). Al lange tijd roept Hij hen op: "Bekeer u tot Mij ..." (Jeremia 4 vers 1; zie ook Hoséa 14 vers 2 en 3). En kijk, dit lange, geduldige werk zal niet voor niets zijn! "Gij dan zult u bekeren ..." (vers 8).
Hoofdstuk 10 van de Romeinenbrief citeert de verzen 12 tot en met 14 en past ze toe op een ieder die gelooft. Christus, het levende Woord, is neergedaald uit de hemel waarheen geen mens kon opvaren. Hij kwam om het hart van God te openbaren "Die wil, dat alle mensen zalig worden" (1 Timotheüs 2 vers 4).
Beste lezer, zeg nu niet dat dit heil te groots en te wonder
baar is voor u en dat u te slecht bent (vers 11). Ook al bent u
nog zo ver weg, de Heere Jezus is dicht bij u! Stel uw hart
op dit moment, voor Hem open!
En wat ons, christenen, betreft, laten we ons ervan bewust zijn dat het Woord niet in onze mond en in ons hart is om zonder vrucht te blijven! Nee, wij hebben het, "om dat te doen" (vers 14; zie ook Johannes 13 vers 17).
We zijn weer aangekomen bij de splitsing die we ook al in hoofdstuk 11 vers 26 tegenkwamen. Voor Israël zijn er twee wegen, twee mogelijkheden, die trouwens voor ieder mens gelden! De éne voert tot het leven, tot geluk; de andere, hoe aantrekkelijk die aan het begin ook mag lijken, voert onherroepelijk tot de dood, het ongeluk (vers 15 en 19; zie ook Jeremia 21 vers 8).
Beste lezer, de keuze ligt bij u! Niemand kan die beslissing voor u nemen. U moet het zelf doen; en u weet wat u te wachten staat. Luister toch naar die vriendelijke stem die u in het oor fluistert: "Dit is de weg, wandelt daarin" (Jesaja 30 vers 21).
Mozes is hier honderdtwintig jaar. Ook hij moest eens, tachtig jaar geleden, een keuze maken. Hij heeft de eer, de rijkdom en het genot aan het hof van de farao afgewezen en er de voorkeur aan gegeven, "liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden" en te delen in de "smaadheid van Christus" (Hebreeën 11 vers 25 en 26).
Hij weet zeker dat hij zich niet vergist heeft, en kan daarom nu het volk Israël, ja, alle mensen die nog geen keuze gemaakt hebben, vermanen: "Kiest dan het leven!"
De Heere Jezus is de weg, de waarheid en het leven (Johannes 14 vers 6). Het leven kiezen, betekent voor Hèm te kiezen. Dan zal Hij voor ons geluk zorgen.
Kies het Leven, kies voor de Heere Jezus! Doe het vandaag! U weet niet of er nog een 'morgen' voor u komt!
Nadat Mozes eerst heel Israël heeft ingeprent, sterk en moedig te zijn (vers 6), zegt hij het nu ook nog eens tegen Jozua (vers 7). De Bron voor deze moed is in beide gevallen de HEERE Die met hen meegaat.
Mozes heeft de wet opgeschreven. Maar nu moet die ook gelezen worden! Daarom geeft hij nog een laatste aanwijzing, in verband met het regelmatig voorlezen van de Goddelijke geboden.
Het hele volk moet dan bijeen zijn: mannen, vrouwen en kinderen. Met welk doel? "Opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen de HEERE, uw God, en waarnemen te doen alle woorden van deze wet" (vers 12).
Dat moeten ook de redenen zijn waarom wij samenkomen, om het Woord te horen en te overdenken. Ook de kinderen hebben daar een plaats, samen met hun ouders!
Beste jonge mensen, verzuim deze samenkomsten nooit, "gelijk sommigen de gewoonte hebben" (zie Hebreeën 10 vers 25).
Waarom zegt de HEERE: "Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen" (vers 17), terwijl Hij hen eerst beloofd heeft dat juist niet te zullen doen (vers 6)? Omdat het volk dan inmiddels zijn God verlaten en Zijn verbond verbroken zal hebben (vers 16).
Maar uit de mond van de profeet Hoséa horen we nog een laatste belofte: "Ik zal hun afkering genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben" (Hoséa 14 vers 5).
In één zin worden zowel de zegeningen die de HEERE voor Zijn volk heeft bewaard, alsook de ontzettende ontrouw van het volk dat andere goden zal dienen, genoemd (vers 20). Hoewel Jozua over de donkere toekomst die het volk tegemoet gaat, onderwezen wordt, wordt hem ook gezegd, sterk te zijn (vers 23). Hij kan zijn kracht niet putten uit het volk, maar alleen uit de HEERE.
Jonge mensen, jullie zullen bij de christenen die jullie kennen, vast en zeker allerlei tekortkomingen en gebreken ontdekken. Soms geven ouderen jullie echt niet het goede voorbeeld. De samenkomsten die jullie bezoeken, geven jullie misschien maar weinig opbouwing.
Is er niet veel waardoor jullie ontmoedigd worden? Dat kan ook niet anders, als je alleen maar op mensen ziet. Als jullie aandacht echter op de Heere Jezus gericht is, zul je nooit teleurgesteld worden! In Hem bezitten we een onuitputtelijke voorraad van genade en volmaaktheid om ons te helpen in ons onvermogen!
Mozes, Jozua, Paulus en anderen wisten wat er van hun werk hier op aarde zou overblijven.
"Want ik weet, dat gij het na mijn dood voorzeker zult verderven", zegt Mozes (vers 29).
"Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen", deelt Paulus de oudsten van Efeze mee (Handelingen 20 vers 29).
Maar ze wisten ook, in Wie zij geloofd hadden, en op Hem stelden zij hun vertrouwen (2 Timotheüs 1 vers 12).
Zoals de HEERE Mozes geboden had, leerde hij de Israëlieten nu een lied. Hij neemt de hemel en de aarde tot getuigen en prijst het kostbare Woord van God dat "als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppels op het kruid" valt (vers 2).
Mozes erkent de grootheid van God en roemt in wat Hij is: waarheid, rechtvaardig en recht (vers 4). "De Rotssteen" is de Naam van Hem Die de Zijnen verzekert van een toevlucht, een huis, een schaduw en levend water (Psalm 31 vers 3; 71 vers 3; Jesaja 32 vers 2 en vele andere teksten), en Die bovendien voorziet van honing en olie (vers 13).
Vervolgens brengt het lied naar voren wat God doet: een volkomen werk (vers 4). In de verzen 8 tot en met 14 wordt ons dit hele handelen met het volk Israël getoond. God heeft het uitverkoren (vers 8), gevonden, omgeven, behoed (vers 10), gedragen (vers 11), geleid (vers 12) en tenslotte op de hoogten verhoogd (vers 13).
"Wat is er meer te doen ... hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb?" vraagt de HEERE later in verbinding met Zijn wijngaard Israël (Jesaja 5 vers 4).
Wat hebben wij, kinderen van God, dan nog veel meer reden om het uit te roepen: "Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is"!
"Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd ... dezen heeft Hij ook geroepen ... die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt" (Romeinen 8 vers 29 en 30).
Het lied dat Mozes aan de Israëlieten leert, bestaat jammer genoeg niet uit één couplet! Het couplet dat we gisteren samen met het volk 'geleerd' hebben, bezingt â met uitzondering van vers 5 â Gods kant.
Maar nu zien we de kant van de mens. De rijke gaven die de HEERE aan Zijn volk gegeven had en die in vers 14 opgeteld worden, hebben er alleen maar toe gediend dat het volk zichzelf vet maakte (vers 15). In plaats van zich meer vast te klampen aan de "Rotssteen van zijn heil" en Hem het vet van de lammeren en een drankoffer van wijn te brengen (vers 14), heeft het volk Hem verlaten, veracht, geprikkeld en tenslotte vergeten (vers 15, 16 en 18). Wat een ondankbaarheid!
Maar ... lijken wij soms ook niet op dit jammerlijke volk? Ook wij verrijken ons graag met de overvloed die onze hemelse Vader over ons uitstort. Onze aardse zaken stellen we op de voorgrond en we vergeten de Heere de plaats die Hem toekomt in ons leven, te geven.
"De rijken in deze tegenwoordige wereld" worden opgeroepen "dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten" (1 Timotheüs 6 vers 17).
Als de Israëlieten wijs geweest waren, zouden ze aan hun einde gedacht hebben (vers 29).
De Heere geve ons dat we Zijn gaven met wijsheid beheren en dat we eraan denken dat we Hem bij Zijn wederkomst daarvan rekenschap moeten afleggen.
De verzen waarmee het lied van Mozes eindigt, roepen bij ons de herinnering op dat God almachtig is. "Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben" (vers 39). Daarom is het te verwachten dat God ook het laatste woord heeft!
En wat is het slotwoord? De wraak op Zijn vijanden die lang ongestraft gebleven zijn, maar ook vergeving voor Zijn volk waarmee de heidenen (de andere volkeren) zich in het duizendjarig rijk samen zullen verheugen (vers 43).
Mozes besluit zijn onderwijs met een laatste oproep tot gehoorzaamheid: "Zet uw hart op al de woorden ... al de woorden van deze wet ... het is uw leven" (vers 46 en 47; vergelijk Jesaja 55 vers 3; Spreuken 4 vers 13 en 7 vers 2).
Om 'hun leven' te kunnen leven, menen jonge mensen soms dat zij zich aan de raad van hun ouders, maar vooral aan de afhankelijkheid van God moeten onttrekken. Deze verzen en ervaringen leren juist het tegendeel! Zich buigen onder het gezegende juk van de Heere, betekent het werkelijke leven gegrepen te hebben (vergelijk 1 Timotheüs 6 vers 19).
De lessen van Mozes zijn afgelopen. Als een echte middelaar heeft hij voor het volk tot de HEERE èn in opdracht van de HEERE tot het volk gesproken. Nu staat hij op het punt het volk te verlaten.
Hebreeën 13 vers 7 vermaant ons de trouwe voorgangers te gedenken die het Woord van God tot ons gesproken hebben. De voorgangers uit dat vers zijn er niet meer. Maar de schrijver van de Hebreeënbrief voegt eraan toe: "Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in eeuwigheid" (vergelijk dit met vers 39 in ons gedeelte).
De man Gods staat op het punt het volk te verlaten, en laat daarom zijn hart spreken. Nu is het geen tijd meer voor vermaningen; hij neemt afscheid van hen die hij liefheeft, en zijn laatste boodschap is een zegen (zie Lukas 24 vers 50).
Mozes is de waardige vertegenwoordiger van een God Die "de volken" liefheeft en "al Zijn heiligen" in de hand heeft (vers 3). Deze zekerheid wordt door de belofte van de Heere Jezus aangevuld: "Niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders" (Johannes 10 vers 29).
Als we deze zegen van Mozes vergelijken met die van Jakob in Genesis 49, vallen enkele verschillen op die voor ons van grote betekenis zijn.
Volgens de woorden van zijn eigen vader was Levi een werktuig van geweld, een vreselijk mens. God maakte van hem echter de "gunstgenoot" (vers 8) en vertrouwde hem de dienst in het heiligdom toe.
Van Benjamin werd gezegd dat hij "als een wolf verscheuren" zou (Genesis 49 vers 27). Maar door de genade van de HEERE werd hij tot de "beminde des HEEREN". Deze wolf neemt de plaats in van het teruggevonden schaap, want er staat: "Tussen Zijn schouders zal hij wonen" (vers 12; vergelijk Lukas 15 vers 5).
Zo ingrijpend is de verandering die het evangelie bewerkt in hem die het aanneemt! Dat heeft ook Saulus van Tarsus ervaren die tot de stam van Benjamin behoorde! Eens was hij een hartstochtelijk vervolger van de gemeente, maar hij werd een trouwe getuige en dienstknecht van de Heere (zie 1 Timotheüs 1 vers 12 en 13).
Jozef, een beeld van Christus, moet van alles "het uitnemendste" ontvangen. Voor de Heere Jezus bestaat er niets kostbaarders dan het hart van Zijn verlosten.
"De afgezonderde van zijn broeders" (Genesis 49 vers 26) blijft "de afgezonderde van zijn broeders" (vers 16). Op grond van zijn lijden in de put en in de gevangenis en vervolgens door zijn heerlijke positie in Egypte, neemt Jozef terecht deze bijzondere plaats in. Het is de plaats van de Heere Jezus.
Niemand begeleidde Hem op die vreselijke weg naar Golgotha. Hij was alleen, toen Hij aan het kruis hing. Daarom heeft God Hem voor altijd een speciale plaats gegeven: Hij heeft Hem uitermate verhoogd en "Hem een Naam gegeven, Welke boven alle naam is". Hij heeft Hem "gezalfd met vreugdeolie", boven al Zijn "medegenoten" (Filippi 2 vers 9 en Psalm 45 vers 8).
De zegeningen van de stammen zijn een heerlijk beeld van de duizendjarige heerschappij van Christus. In tegenstelling tot de zegeningen die Jakob eens heeft uitgesproken, bevatten zij geen enkele berisping en geen beperkingen.
Hebben we ook opgemerkt dat er in dit tweede rijtje iemand wordt gemist? Dat is Simeon die destijds dezelfde vloek ontving als Levi (Genesis 49 vers 5).
Levi, een voorwerp van genade, is rijk gezegend. Maar waar is Simeon? Een zeer ernstige vraag!
En uw, jouw naam ... staat die in het boek des levens?
Mozes heeft veertig jaar doorgebracht bij de farao van Egypte, daarna veertig jaar bij Jethro (in Gods leerschool) en tenslotte veertig jaar in de woestijn waar hij het volk Israël leidde.
Aan het begin had hij het "grote gezicht" van het braambos gezien (Exodus 3 vers 3). Daarna bleef hij staande door geloof, "als ziende de Onzienlijke" (Hebreeën 11 vers 27). En met ogen die niet zwak geworden zijn, beziet de man Gods nu aan het einde van zijn loopbaan het prachtige panorama van het land Kanaän (vers 7).
Dan komt voor Mozes het ogenblik waarop hij, volgens zijn eigen woorden (Psalm 90 vers 3), op bevel van God "tot verbrijzeling" zal weerkeren.
De HEERE eert Zijn knecht, doordat Hijzelf voor een graf voor hem zorgt (vers 6). Voortaan behoort Mozes tot de geloofsgetuigen die de beloofde heerlijkheid verwachten. En hij mag nu al genieten van de tegenwoordigheid van Hem Die zijn volkomen 'Beloning' is (vergelijk Mattheüs 17 vers 3).
Wat betekent het gemis van het genieten van het land dan nog, bij zo'n grote winst?
Moge ook elk van ons door het overdenken van deze vijf Boeken van Mozes (de Pentateuch) werkelijk winst en geestelijk voordeel hebben gehad en gegroeid zijn in het kennen van de Heere!
Mozes "heeft van Mij geschreven", zegt de Heere Jezus tegen de joden (Johannes 5 vers 46). Ja, is Hij het niet Die we mochten zien in al die beelden in dit zo leerrijke gedeelte van Gods Woord?
Het boek Jozua laat ons, samen met het volk Israël, het land van de belofte binnentreden om het in bezit te nemen. Mozes is vervangen door een nieuwe leider: Jozua.
We hebben hem al als jongeman leren kennen, hoe hij streed (Exodus 17 vers 9) en hoe hij onderwezen werd (Exodus 33 vers 11) als dienstknecht (Numeri 11 vers 28) en als getuige (Numeri 14 vers 6).
Na zijn jarenlange opleiding in de woestijn wordt nu van hem verwacht dat hij een grote verantwoordelijkheid op zich neemt. Op het moment dat dit moet gebeuren, wordt hij door de HEERE (vers 6, 7 en 9), maar ook door zijn broeders (vers 18), nogmaals bemoedigd. De bemoediging door de HEERE luidt: "Dat het boek van deze wet [= voor ons het hele Woord van God] niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht" (vers 8). Daarin ligt het geheim van het, in geestelijk opzicht, gelukken van een opdracht voor Jozua en voor ons!
Het Boek Jozua vormt een illustratie van de waarheden die in de Brief aan de Efeziërs worden ontvouwd. Zoals de Israëlieten moesten strijden voor de verovering van het land Kanaän, zo moeten de christenen een geestelijke strijd voeren om de geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten te kunnen genieten. Ook voor ons (evenals voor Jozua) geldt: "Wordt krachtig in de Heere ... Staat dan" (Efeze 6 vers 10 en 14).
Mozes was een beeld van Christus Die de Zijnen uit de wereld uitleidt. In Jozua mogen we een type zien van de Heilige Geest van de Heere Jezus, Die hen met Zich meeneemt in de hemel (Jozua is de Hebreeuwse naam voor Jezus).
Bij de intocht in het land komt het volk twee grote hindernissen tegen. Ten eerste de Jordaan die de grens van het land vormt. Vervolgens, aan de andere oever, de angstaanjagende vesting Jericho.
Jozua stuurt daar twee verkenners naartoe. Het lijkt erop dat zij alleen maar hun intrek moeten nemen bij Rachab om zo de macht van God in plaats van die van de vijand te leren kennen. Want God was aan het werk in het hart van deze vrouw!
Rachab had gehoord wat God voor Zijn volk gedaan heeft. Ze had in Hem geloofd. En tenslotte handelt zij, want "geloof zonder werken" is "dood". Om ons deze waarheid te leren, haalt Jakobus deze Kanaänitische vrouw (zelfs samen met Abraham!) als voorbeeld voor ons aan (Jakobus 2 vers 23 tot en met 26).
In de ogen van een mens is de daad van deze vrouw een verraad en daarom verwerpelijk en strafbaar. Dat maakt echter het verschil tussen een voor God welgevallig werk van geloof en een door mensen geroemd 'goed werk' nog duidelijker zichtbaar! Wat een gelovige doet, wordt door de wereld haast nooit begrepen en vindt ook geen goedkeuring.
Het geloof van Rachab bezorgt haar een ereplaats in twee veelbetekenende lijsten van personen in het Nieuwe Testament: in het geslachtsregister van de Heere Jezus (Mattheüs 1) en bij de opsomming van de trouwe getuigen in Hebreeën 11. Daar zijn zij en Sara zelfs de enige vrouwen die genoemd worden!
Het feit dat Rachab niet alleen bij de vijand hoort, maar ook nog een weinig eervolle vrouw is, brengt de grootte van de Goddelijke genade nog duidelijker naar voren. Evenals de Kananese vrouw in de dagen van de Heere Jezus krijgt Rachab als het ware een deel van de broodkruimels die van de tafel van de Israëlieten vallen (Mattheüs 15 vers 22 en verder).
Het middel waardoor haar huis beschermd wordt, doet ons denken aan het Pascha en het bloed van het lam aan de deurposten. Om het oordeel dat Jericho zal treffen, te ontvluchten, moeten Rachab en haar familie zich onder de bescherming van het scharlaken koord stellen.
Het is heel opvallend dat dit koord onmiddellijk aan het raam werd vastgemaakt. Daarmee kunnen we van Rachab leren dat wij ons zonder uitstel onder de bescherming van het verlossingsbloed van Christus moeten stellen, als we dat tot op heden nog niet gedaan hebben! Want het oordeel zal net zo zeker over deze wereld komen, als het over Jericho kwam.
Deze vrouw liet zien dat ze er honderd procent zeker van was dat de God van Israël zou overwinnen. Haar hele vertrouwen zette zij op de belofte die Hij haar gegeven had.
De verslaggeving van de twee verspieders is totaal anders dan bij de tien verspieders in Numeri 13 het geval was. "Voorzeker, de HEERE heeft dat ganse land in onze handen gegeven" (vers 24). Let er goed op dat er niet staat dat de HEERE het zal geven!
Vers 24 is de woordelijke vervulling van wat veertig jaar eerder werd uitgedrukt in het lied dat het volk zong aan de Rode Zee (de laatste woorden van Exodus 15 vers 15).
De Rode Zee versperde de Israëlieten de uittocht uit Egypte; de Jordaan belet hun de intocht in het land Kanaän.
De doortocht door deze rivier leert ons de uiterst belangrijke waarheid dat wij met Christus gestorven zijn.
Een kind van God wordt hier beneden al opgeroepen om in geloof de hemel te bezitten en te genieten. Dat mogen we zien in het beeld van de intocht in Kanaän.
Zoals de Israëliet echter, alvorens het land in te gaan, door de Jordaan, de doodsrivier, moest gaan, zo kan een christen ook alleen maar de hemel in bezit nemen en ervan genieten, als hij verwerkelijkt dat hij met Christus gestorven is.
Het kruis waaraan mijn Verlosser Zijn leven heeft gegeven, vernietigt en veroordeelt mijn natuurlijke, verdorven wil. Dat is de oude mens die steeds weer de overhand wil krijgen en toch geen enkel recht heeft om het hemelse land binnen te gaan.
O, wat bereidt hij mij veel smart en ongemak! Al mijn pogingen hem te verbeteren, mislukken!
Hoe kan ik hem dan toch onschadelijk maken, hem doden? Gelukkig mag ik weten dat dat eens en voor altijd gebeurd is op het kruis van Golgotha. Het enige wat ik moet doen, is dat eenvoudig aannemen, evenals de vergeving van mijn zonden!
De Heere Jezus is niet alleen voor mij gekruisigd; ik ben ook met Hem gekruisigd (Galaten 2 vers 20). Dat zijn de wonderen die God voor ons heeft volbracht (vers 5).
De ark wordt als eerste het water ingedragen en opent een doorgang voor het volk. Dat Christus voor ons in de dood gegaan is, opent voor ons een weg waarop wij vroeger niet gegaan zijn (hoofdstuk 3 vers 4), een nieuwe en levende weg (Hebreeën 10 vers 20).
Tot op Christus was nog nooit iemand in de dood gegaan en er voor altijd weer uit gekomen. Christus is deze weg echter gegaan, zodat wij nu met Hem door de dood kunnen gaan, zonder de bitterheid daarvan te ervaren. "Zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd" (Psalm 66 vers 6).
We zien dat de ark op de bodem van de rivier bleef, totdat het hele volk erdoor getrokken was (vers 17). Dat garandeerde het volk een wonderbare zekerheid! De dood kan ons niet verslinden! Christus is daarin in onze plaats getreden.
Laten we er echter aan denken wat dat de Vorst van het leven gekost heeft: Hij moest Zelf Zijn ziel overgeven in de dood. Al die vreselijke golven waarover Jona spreekt, zijn in alle hevigheid over Hem heengegaan (Jona 2 vanaf vers 3). De wateren omringden Hem, tot aan de ziel (Psalm 42 vers 8).
O, welk een geliefde Verlosser! Hij heeft geleden en is in de dood gegaan. En ons is verlossing, het leven en geluk geschonken.
De liefde, sterk als de dood, die Hem in deze waterstromen gebracht heeft om te sterven, kon niet door die wateren uitgeblust worden. En de rivier kon deze liefde niet verdrinken (Hooglied 8 vers 6 en 7).
Op het bevel van de HEERE heeft Jozua twaalf stenen van de bodem van de rivier laten meenemen. Op diezelfde plaats heeft hij ook twaalf stenen laten oprichten die bedekt zullen worden met water (vers 9).
"Wat zijn u deze stenen?" (vers 6). De betekenis hiervan wordt ons in de Romeinenbrief uitgelegd. Ze zijn een beeld van de gelovigen, ééngemaakt met Christus in Zijn dood (op de bodem van de rivier), maar óók in Zijn opstanding (op de oever; zie Romeinen 6 vers 5).
Deze twaalf stenen (twaalf stammen) die samen één gedenkteken vormen, geven ook uitdrukking aan de eenheid van het volk. Het geweldige werk is voor alle verlosten volbracht, ook al zijn sommigen zich dat niet bewust. Het tweede gedenkteken bevestigt dit immers voor altijd!
Het kruis heeft voor mij dus drie grote bevrijdingen bewerkt die uitgebeeld worden in het Pascha, de Rode Zee en de Jordaan.
â Het Pascha leert mij dat ik verlost ben van het oordeel van God.
De Rode Zee laat mij zien dat ik bevrijd ben van de vijanden die van buitenaf op mij afkomen: satan en de wereld.
En de Jordaan maakt mij duidelijk dat ik het recht heb het vlees, de vijand die mij van binnenuit tiranniseert, voor dood te houden.
De beide eerstgenoemde waarheden vinden plaats bij de wedergeboorte en de derde noemt men 'de bevrijding'.
We staan nu aan de oever van de opstanding! En wat zien we daar? We doen twee pijnlijke ontdekkingen.
Ten eerste zijn de vijanden die van buitenaf komen, weer opgedoken. Maar, laat de moed niet zakken! Ze zijn machteloos (vers 1), ze zijn al door Christus aan het kruis overwonnen (Kolosse 2 vers 15).
Maar ten tweede zien we dat de vijand die van binnenuit werkt, het vlees, ook nog steeds aanwezig is. Is die dan niet voor dood verklaard en in de diepte van de Jordaan begraven? Zeker! In het oog van God is dat z'n plaats. Maar het is nodig dat wij onszelf ook voor de zonde dood houden (Romeinen 6 vers 11), dat we haar geen enkele gelegenheid geven zich te openbaren.
De besnijdenis komt overeen met het oordeel dat we bij elke uitwerking van het vlees aan onszelf moeten voltrekken. Als we dat gedaan hebben, zullen we de bezittingen en de vreugden die ons aan deze oever van de hemelse gewesten te wachten staan, gaan ontdekken.
In eerste instantie is daar de opbrengst van het land (het overjarige koren), dat nu het manna vervangt. Dit is een beeld van de verheerlijkte Christus met Wie de verloste zich mag voeden.
Dan komt het Pascha Zelfs bij de muren van Jericho kan dit gevierd worden. Dat bepaalt ons bij de voor ons gestorven Christus.
En tenslotte is daar ook de door de HEERE beloofde Engel (Exodus 23 vers 23). Ook Hij is een beeld van de Heere Jezus Die voor ons in de hemel is en ons aanvoert in onze strijd hier beneden.
De sterke vesting Jericho staat als een vreselijke wachter aan de ingang van het land Kanaän waardoor voor het volk de weg versperd wordt. Een vreselijke hindernis! Wat betekent dat voor ons?
Als een pasbekeerde die nog maar net overgegaan is vanuit de dood in het leven, probeert naar zijn geloof te leven, is satan er als de kippen bij om hem bang te maken. Hij brengt grote moeilijkheden op de weg als men graag wil getuigen tegenover bekenden. Vaak ondervindt men dan spot. Maar er kunnen ook moeilijkheden komen als men een bepaalde gewoonte wil nalaten, een schuld wil belijden of excuses wil aanbieden aan iemand die men onrecht aangedaan heeft. Het kan zelfs nog erger, want in sommige landen wordt men zelfs vervolgd als men belijdt een christen te zijn.
Hoe moeten we nu deze onvermijdelijke reacties van de vijand het hoofd bieden? Het aan de Heere overlaten en Hem alles op Zijn wijze laten besturen!
Hij verlangt van ons een volledig vertrouwen op Hem, een ijver (ze stonden 's morgens vroeg op) en een duidelijk getuigenis (dat uitgebeeld wordt door de zeven bazuinen). Maar er is ook volharding nodig! Zeven dagen lang en op de zevende dag zelfs zeven maal! De volharding (lijdzaamheid) moet een volmaakt werk hebben (Jakobus 1 vers 4). Zeven is in de Bijbel het getal van de volmaaktheid.
Tenslotte is het allerbelangrijkste dat de tegenwoordigheid van de Heere in onze dagelijkse wandel verwerkelijkt en gezien wordt. De ark die voor Israël in de Jordaan had gestaan, gaat nu met het volk mee om hen de overwinning te geven (vers 6).
Dat die bazuinblazers met het volk om de stadsmuren heen liepen, zullen de bewoners van Jericho wel heel belachelijk en onschuldig gevonden hebben. 'Heb je ooit meegemaakt dat men op die manier een stad belegerde?' Wat zal er enorm veel gespot en gelachen zijn. "Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou" (1 Korinthe 1 vers 27).
In tegenstelling tot de machtige, zichtbare middelen waar de mens trots op is, handelt het geloof op een onzichtbare wijze. Als wij het geloof als een mosterdzaadje hebben, zal God, naar de belofte van de Heere, de meest angstaanjagende hindernissen voor ons uit de weg ruimen (Mattheüs 17 vers 20).
We weten ook dat "de wapenen van onze krijg ... niet vleselijk" zijn, "maar krachtig door God, tot neerwerping der sterkten" (2 Korinthe 10 vers 4). Laten we gebruik maken van dit onzichtbare wapen: het gebed!
Als er zulke 'Jericho's' op onze weg komen, laten we dan leren, net als Israël, er met de Heere (de ark) omheen te trekken, door onze stemmen tot God te verheffen. Dan zullen we, als Zijn tijdstip gekomen is, de muren zien vallen, zoals dat hier op de zevende dag ook gebeurde.
Israël heeft een aanwijzing gekregen die iedereen kon horen: de stad zou verbannen, vervloekt zijn. Alleen Rachab bleef met haar familie op grond van haar geloof gespaard.
Na Jericho komen we bij Ai, een kleine en onbeduidende stad. Het leek er echt op dat het heel gemakkelijk zou zijn om met deze stad af te rekenen, zonder daarbij het hele leger te moeten inschakelen; drieduizend man zouden wel genoeg zijn. Maar wat gebeurt er dan?
Tegen alle verwachting in wordt Israël overweldigd. Wat een grote teleurstelling!
Nu is het volk zelf aan de beurt; nu versmelt hun eigen hart, zoals dat een poosje geleden bij de vijand het geval was (hoofdstuk 5 vers 1).
Jozua valt ontmoedigd op zijn aangezicht en klaagt. Maar de HEERE roept hem op te gaan staan, en maakt hem duidelijk dat er in het midden van het volk iets niet in orde is. De ban, of anders gezegd, de zonde verhindert God ten behoeve van de Zijnen te strijden.
Dat is een heel belangrijke les voor ons allemaal! Ons geweten lijkt op de legerplaats van Israël. Als we een schuld verbergen, als we weigeren die voor God en mensen te belijden, zullen we beroofd worden van de gemeenschap met Hem waardoor een christen dan bij voorbaat al verslagen is.
En wat nog veel erger is: het gaat om de grote Naam die wij dragen (vers 9), om de Naam van Christus die door ons falen oneer aangedaan wordt!
"Wat zult Gij clan Uw grote Naam doen?" is een heel verstandig gebed. Wie op die manier bidt, stelt de verheerlijking van God boven de persoonlijke belangen.
Zowel voor het oordeel als voor de strijd, staat Jozua 's morgens vroeg op. De zaak moet onmiddellijk opgelost worden. Als God ons geweten verlicht heeft, moeten we de dingen niet meer op de lange baan schuiven.
Eerst staat het hele volk voor Jozua, dan alleen de stam Juda; zo trekt het net zich steeds nauwer samen om de schuldige. Uiteindelijk wordt hij door de vinger van God aangewezen; het is Achan (vers 18).
Wat kan er erger zijn, dan zó door God ontmaskerd te worden? Bij het laatste Pascha met Zijn discipelen wijst de Heere Jezus de verrader aan door Judas de bete te geven die Hij ingedoopt had (Johannes 13 vers 26).
"Mijn zoon!" zegt Jozua, "geef toch de HEERE, de God van Israël de eer" (vers 19). De eer van God verlangt altijd de hele waarheid.
Daarop vertelt Achan zijn verdrietige geschiedenis. Een verhaal van begeerte waarvan Jakobus ons op de vreselijke gevolgen wijst (hoofdstuk 1 vers 14 en 15). Het begint met het zien van de ogen, dan komt de begeerte van het hart en tenslotte zijn er de handen om te grijpen en te verbergen. "Ik heb ... gezondigd", belijdt Achan, "en heb alzo en alzo gedaan. Want ik zag ... en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze" . De prachtige mantel uit Sinear (Babylon), het zilver en het goud waren goed verstopt in zijn tent waar God alleen het kon zien.
Maar laten we het uiteindelijke gevolg niet vergeten! "En de zonde voleindigd zijnde baart de dood". Wat een vreselijke opdracht: de boze moet uit het midden van de hele vergadering van Israël verwijderd worden (zie ook 1 Korinthe 5 vers 13)!
De ban was de hoofdoorzaak van de nederlaag die het volk geleden had. Maar er was ook nog een andere oorzaak. Blijkbaar had de overwinning op Jericho het volk zelfvertrouwen gegeven. Dat wekt nog meer verbazing, want het betrof daar immers een wonder! Welk deel had Israël gehad in de vernietiging van de machtige vesting?
Ach, hoe vaak lijken wij op dit volk! Als de Heere ons uit een moeilijke situatie bevrijd heeft, voelen ook wij het na een poosje niet meer zo zeer dat we zonder Zijn hulp niets kunnen.
We zouden ons juist veel meer aan Hem moeten toevertrouwen om stand te kunnen houden in volgende beproevingen. Want door zo'n hoge dunk van onszelf komen we vaak ten val!
Toch is het ook zo dat we in ons hart vaak bezorgd zijn als het om heel moeilijke situaties gaat, en dat we daarin juist wel op God vertrouwen. Maar de â in onze eigen ogen â kleine problemen menen we vaak zelf wel op te kunnen lossen. De geschiedenis van Ai laat ons zien dat we de Heere altijd en in elke situatie nodig hebben.
Wat kost het nu veel moeite om de overwinning te behalen. In plaats van de drieduizend man, zoals eerst de bedoeling was, zijn er nu tien keer zoveel mannen nodig om een ingewikkelde oorlogsmanoeuvre uit te voeren.
Herstel is altijd een langdurig en moeizaam gebeuren. In Jericho moest het volk de macht van God ontdekken; in Ai is het voor hen nodig dat ze hun eigen zwakheid leren kennen.
"Wat zult Gij dan Uw grote Naam doen?" had Jozua gevraagd (hoofdstuk 7 vers 9). Nu, nadat de zonde weggedaan is en Israël op Hem vertrouwt, antwoordt God door de overwinning te geven.
De aanvoerder in deze overwinning wiens naam we steeds opnieuw tegenkomen bij deze gebeurtenissen, is Jozua. Ook nu weer is hij een beeld van Christus Die de Zijnen aanvoert in de strijd.
Door zijn spies die hij in opdracht van de HEERE tegen de stad uitstrekt, geeft Jozua aan wie de hele manoeuvre leidt. Daardoor herinnert hij het volk eraan dat het hele plan uit een strategie bestaat die alleen hij kent.
Zo is de Heere Jezus voor ons! Hij weet welke rol elke soldaat afzonderlijk moet vervullen. Hij wijst iedereen z'n eigen plaats aan. En uiteindelijk geeft Hij het sein voor elke beweging.
Als we op Christus zien, zoals de soldaten op de banier van hun leider, zullen we weten wat we moeten doen, en zullen we ook moedig zijn. Dan mogen we ook zeker weten dat we niet alleen staan in deze strijd; we hebben broeders en zusters die eenzelfde strijd voeren.
Het gaat daarbij niet, zoals in de dagen van Jozua, om een openlijke, glorierijke en opzienbarende strijd. Nee, onze overwinningen zullen we over het algemeen juist in de stilte, op onze knieën, behalen. Alleen de Heere zal daarvan Getuige zijn.
Ai wordt ingenomen en verbrand, de bewoners zijn omgebracht, de koning opgehangen en de buit wordt door het volk geplunderd, "naar het woord des HEEREN, dat Hij Jozua geboden had" (vers 27). Nadat ze eerst voor hun eigen wil een hoge prijs betaald hebben, richten Jozua en het volk zich nu helemaal naar de aanwijzingen van God.
In Deuteronomium 21 vers 22 en 23 werd het Israël verboden, het stoffelijk overschot van iemand die opgehangen was, 's nachts te laten hangen. Jozua gehoorzaamt daaraan (vers 29), een bewijs dat hij het land al als in bezit genomen beschouwt.
Laten ook wij ons beijveren, ons doen en laten steeds zo veel mogelijk in overeenstemming met het Woord van God te laten zijn! Wat zou er een kracht van ons getuigenis uitgaan, als wij in alle levensvragen en bij al ons handelen konden antwoorden: 'Zo verlangt de Heere het van ons; dit zegt Hij in Zijn Woord'.
Zie op de Heere Jezus aan het kruis! In het laatste moment van Zijn leven als gehoorzame Mens zegt Hij, "opdat de Schrift zou vervuld worden ...: Mij dorst" (Johannes 19 vers 28).
Ook het gebeuren in de verzen 30 tot en met 35 komt overeen met de aanwijzingen van God (Deuteronomium 11 vers 29 en 27 vanaf vers 11). Mannen, vrouwen en kinderen; het hele volk, vreemdelingen incluis (waarschijnlijk ook Rachab), zijn op de juiste plaats bijeengekomen om te luisteren naar de woorden van de wet. En in het midden van deze bijeenkomst staat de heilige ark, een beeld van Christus. De aanbidding en vreugde worden tot uitdrukking gebracht in de brandâ en dankoffers.
Terwijl het volk van God zijn kracht put uit de afhankelijkheid van de Heere, probeert de wereld sterk te staan door zich met elkaar te verenigen. Hun spreekwoord 'eendracht maakt macht', is de basis voor allerlei vormen van samenwerking, ook op religieus gebied.
Hier zien we ook dat alle vijandige volken samenkomen "om tegen Jozua en tegen Israël krijg te voeren, eendrachtig" (vers 2). Als het erom gaat, de waarheid te bestrijden, vinden mensen die anders in onderlinge vijandschap leven, elkaar altijd. Herodes en Pilatus verzoenden zich met elkaar en werkten samen "met de heidenen en de volken Israëls" tegen de Heere Jezus (Lukas 23 vers 12; Handelingen 4 vers 27).
Terwijl de aandacht van het volk Israël helemaal uitgaat naar het grote aantal Kanaänieten, wordt het met list overrompeld. Als het satan niet lukt met geweld en door middel van macht zijn doel te bereiken, kent hij nog wel andere kneepjes.
Tegemoetkomingen en vleierijen vormen voor ons vaak een valstrik waardoor wij struikelen; vooral als we niet eerst de Heere om raad gevraagd hebben (vers 14).
De wereld wil graag samenwerken met kinderen van God en probeert door vriendelijkheid haar ware bedoelingen te verbergen (Ezra 4 vers 2).
Laten we daarvoor oppassen! Want ten eerste betekent zo'n verbinding ongehoorzaamheid aan de Heere, maar ten tweede is het ook een open deur voor verdere ontrouw (Exodus 34 vers 12, 15 en 16).
Eerder, bij Ai, had het volk gedacht sterk genoeg te zijn. Nu ze tegenover de GÃbeonieten staan, denken ze zelf wijs genoeg te zijn. Ze zien niet in dat het nodig is eerst de HEERE om raad te vragen (vers 14). Het gevolg is dat ze in grote verlegenheid komen wanneer ze de waarheid ontdekken. Voortaan moesten ze deze Kanaänieten naast zich dulden. En later zien we dat ze op verdrietige wijze met de geschiedenis van Israël verbonden zijn (2 Samuël 21).
De GÃbeonieten maken duidelijk waarom ze zo gehandeld hebben. Misschien vragen wij ons wel af wat ze anders hadden moeten doen om niet door de Israëlieten uitgeroeid te worden. Nu, het voorbeeld van Rachab laat ons zien dat het mogelijk was zich onder de bescherming van de God van Israël te stellen. Hoe dan? Door geloof en door het erkennen van het feit dat ze vijanden van Israël zijn. Als dat bij de GÃbeonieten aanwezig was geweest, zou er een uitweg voor hen geweest zijn. Ze wisten van God, zij hadden immers "Zijn gerucht gehoord" (vers 9)!
De mensen van deze wereld lijken op de GÃbeonieten. Ze hopen het oordeel te kunnen ontlopen door zich uiterlijk met het volk van God te verbinden. Ze willen de komende toorn ontvluchten en zekerheid hebben voor de dood waar ze zo bang voor zijn, maar dat alles zonder hun eigen toestand te erkennen en zonder zich onder de genade van God te stellen!
In tegenstelling tot Rachab die de vrouw van Salmon, een vorst van Juda, werd (Mattheüs 1 vers 5), bleven de GÃbeonieten daarom knechten. Ze werden tot "houthouwers en waterputters van de vergadering" gemaakt (vers 27).
Er staan nieuwe vijanden op tegen Israël. Hun aanvoerder is de koning van Jeruzalem, Adóni-Zédek (= heer der gerechtigheid). Wat een verschil bestaat er tussen hem en Melchizédek (= koning der gerechtigheid), de koning van Salem (Genesis 14 vers 18 tot en met 20)!
De laatstgenoemde had Abraham gezegend en daarna God, de Allerhoogste, Die de vijanden had overgegeven in de hand van deze aartsvader, geprezen.
Adóni-Zédek daarentegen plaatst zichzelf voorop bij de vijanden van het volk van Abraham. Hij verzamelt zijn bondgenoten tegen de GÃbeonieten die van hun kant de toevlucht nemen tot hun nieuwe bondgenoot Israël.
DM zijn de kwalijke gevolgen van de ontrouw waarover we in hoofdstuk 9 lazen. Als de HEERE met Zijn volk was, had het dan nog een andere bondgenoot nodig? Dat brengt alleen maar meer gevaren met zich mee!
Ondanks dat geeft God hun toch de overwinning. Israël trekt op vanuit Gilgal, de plaats van de besnijdenis, een beeld van het oordeel over het vlees. De Brief aan de Kolossers maakt ons de betekenis hiervan duidelijk. Als we met Christus gestorven en opgewekt zijn, moeten we ook onze leden doden (Kolosse 2 vers 20 en 3 vers 1 en 5).
Daarom moet het volk eerst terug naar Gilgal; daarin ligt het grote geheim van de overwinning! Om te kunnen triomferen, moet de strijder van het geloof eerst inzien dat hij in zichzelf geen enkele kracht heeft. Dan pas is hij genegen, alleen God te laten handelen. Godzelf strijdt vanuit de hemel voor het volk Israël.
Op het gebed van Jozua laat de HEERE een hele dag de zon en de maan stilstaan. Op die manier laat Hij deze heidense volken zien Wie de God is Die voor Israël strijdt. Maar tegelijkertijd laat Hij de Zijnen zien hoe ver Hij kan gaan in de verhoring van hun gebeden (Markus 9 vers 23).
Is het echter niet een nog veel groter wonder dat God de genadetijd nu al bijna tweeduizend jaar laat duren? In plaats van oordeel en wraak uit te oefenen, zoals in de tijd van Jozua, is Hij nog steeds lankmoedig, daar Hij wil dat allen tot bekering komen (2 Petrus 3 vers 9).
God handelt heel geduldig met de wereld (misschien ook nog met u?) en "doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen" (Mattheüs 5 vers 45). Ieder mens vindt dat heel normaal. Maar laten wij, als er weer een nieuwe dag aanbreekt, veel aan het grote geduld van God denken.
De zon gaat niet onder; de vijanden vluchten voor het licht en zoeken de duisternis op door zich te verstoppen (vers 16; Johannes 3 vers 19 tot en met 21 en Openbaring 6 vers 15 tot en met 17). Maar de overwinning wordt behaald en de vijf koningen worden uit de spelonk gehaald.
"Treedt toe", zegt Jozua tegen zijn aanvoerders, "zet uw voeten op de halzen van deze koningen ... Vreest niet!" (vers 24 en 25). Dat was het teken van de triomf en een heenwijzing naar de nabije toekomst waarin de God van de vrede satan onder onze voeten zal verpletteren en de vijanden tot een voetbank voor de voeten van de Heere Jezus zal stellen (Romeinen 16 vers 20; Psalm 110 vers 1).
De angstaanjagende steden â "groot, en versterkt tot in de hemel toe" (Deuteronomium 1 vers 28) â vallen, de één na de ander. Hun koningen, hun reuzen, al hun inwoners, worden onvermijdelijk door "Jozua ... en gans Israël met hem" verslagen.
Laten we erop letten dat deze uitdrukking telkens terugkeert. Dat herinnert ons aan de onlosmakelijke verbinding tussen Christus en de Zijnen. Dit laat ook duidelijk zien dat ónze vijanden in eerste instantie de vijanden van de Heere zijn! Niemand kan mij aanvallen, zonder het met mijn Meester te doen te krijgen.
Als ik Hem voor mij uit laat gaan, kan ik de overwinnaar zijn. Maar zonder Hem heb ik de strijd bij voorbaat al verloren. Daarom doet de vijand (satan) ook zoveel moeite om de verbinding (de gemeenschap) tussen mij en mijn Heere te verbreken. Ook al vergeten wij hét wel eens, de vijand vergeet nooit dat we zonder (= gescheiden van) de Heere niets kunnen doen (Johannes 15 vers 5).
Wat een lange lijst van overwinningen wordt hier opgesomd! O, dat er in mijn christelijk leven toch ook zo'n lange lijst van overwinningen die ik in de stilte met de Heere behaald heb, mag zijn! Overwinningen voor de waarheid, voor de reinheid of in een of andere beproeving!
Jongelui, juist jullie zijn in een leeftijd waarop veel strijd te verwachten is. Behoren jullie tot die jongelingen van wie de apostel Johannes schrijven kon: "Gij hebt de boze overwonnen" (1 Johannes 2 vers 13)?
Bij GÃbeon werd het bondgenootschap van de koning van het zuiden verslagen. Nu verzamelt het noorden van het land zich rondom Jabin, de koning van Hazor: een talrijk volk om tegen Israël te strijden. "Al deze koningen werden vergaderd" (vers 5).
"De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen tezamen tegen de HEERE, en tegen Zijn Gezalfde", zegt Psalm 2 vers 2, met het oog op de toekomst.
Wat zegt de HEERE tegen Jozua? "Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent deze tijd zal Ik hen al tezamen verslagen geven voor het aangezicht van Israël" (vers 6). Na de overwinning volgt dan ook een vernietiging waarbij niemand gespaard blijft.
We kunnen deze vreselijke oordelen maar moeilijk begrijpen. Of niet soms? Wij zijn immers de volgelingen van een Meester Die ons nadrukkelijk zegt: "Hebt uw vijanden lief; doet wel aan hen, die u haten" (Lukas 6 vers 27).
Wij zijn de kinderen van een God Die ons vermaant: "Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken" (Romeinen 12 vers 20).
Maar we moeten niet vergeten, dat, wanneer er een tijd van genade is (en dat is onze tijd), er ook een tijd van toorn zal komen!
Het oordeel over de Kanaänieten, na eeuwenlang geduld van God, is hier een ernstig voorbeeld van.
De vijanden waartegen Israël gestreden heeft en die door hen overwonnen werden, zijn een beeld van de vijanden die tegen Christus strijden: satan en zijn engelen.
Onze strijd is "tegen de overheden, tegen de machten, ... tegen de geestelijke boosheden in de lucht" (Efeze 6 vers 12). Veel mensen denken dat de duivel en zijn demonen alleen in de hel aanwezig zijn. De Bijbel laat ons echter zien dat zij nu nog in de hemelse gewesten aanwezig zijn en dat de satan de aarde doorkruist om de mensen schade toe te brengen (Job 1 vers 6 en 7).
Het is zeker dat hij de gelovigen niet van hun heil kan beroven (Johannes 10 vers 28). Toch doet hij alle moeite en strijdt tegen ons om ons het genot van de hemelse zegeningen te ontroven. Hij probeert ons â om in de beeldspraak van het beloofde land te blijven â iets te ontnemen van het gebied dat wij door vroegere overwinningen al ingenomen hebben.
Daarom worden we in Efeze 6 niet alleen opgeroepen, te strijden en te overwinnen, maar ook om vast te staan.
Het Woord van God is voor ons het onoverwinnelijke wapen tegen alle aanvallen van de tegenstander. Dit Woord zegt ons dat wij noch door overheden, noch door machten gescheiden kunnen worden van de liefde van God; maar dat wij juist "meer dan overwinnaars" zijn, "door Hem Die ons liefgehad heeft" (Romeinen 8 vers 37 tot en met 39).
Het Boek Jozua bestaat eigenlijk uit twee delen van elk twaalf hoofdstukken. Het eerste deel dat wij vandaag besluiten, geeft een beschrijving van de verovering van Kanaän door het volk Israël. In het tweede deel (hoofdstuk 13 tot en met 24) vinden wij hoofdzakelijk de beschrijving van de verdeling van het land onder de stammen.
"En het land rustte van de strijd" (hoofdstuk 11 vers 23), wordt in hoofdstuk 12 gevolgd door de lange opsomming van de namen van overwonnen koningen.
Twee van hen, Sihon en Og, waren al vóór de doortocht door de Jordaan overwonnen, de andere eenendertig zijn in het land zelf overwonnen.
Het is een bemoediging om op te merken dat God Zelf deze samenvatting maakt. Dat is een bewijs dat Hij geen enkele overwinning die wij met de Heere maken, vergeet. En Hij weet dat elke overwinning met moeiten en ontberingen gepaard gaat. Daarom, strijders voor Christus, laten we moedig verder gaan! Bij elke strijd is een soevereine Scheidsrechter aanwezig Die 'de punten noteert'. Elke vergissing is uitgesloten: "De koning van Hebron, één; de koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één; ...".
De Heere geve ons genade dat ieder van ons op zijn eigen plaats een trouwe strijder is! Heel binnenkort zal het moment aanbreken waarop we de wapens neer kunnen leggen en dan samen met de Heere Jezus van de hemelse rust mogen genieten.
Ja, moge het dan zo zijn dat we het met de apostel kunnen zeggen: "Ik heb de goede strijd gestreden", en dat we de kroon ontvangen die aan elk die overwonnen heeft, beloofd is (2 Timotheüs 4 vers 7; Openbaring 2 en 3).
De HEERE herinnert Jozua eraan dat er nog heel veel over is van het land om in bezit te nemen. De grenzen waren hem al aangewezen (hoofdstuk 1 vers 4) en zijn gemakkelijk te onthouden. In het zuiden: een grote woestijn; in het noorden: een groot gebergte (de Libanon); in het oosten: een grote rivier (de Eufraat); en in het westen: een grote zee (de Middellandse Zee).
Ook het land dat wij door het geloof mogen innemen, heeft zijn grenzen. Die worden gevormd door de wereld, zoals die zich aan ons openbaart:
een dor land, zonder vrucht voor God (de woestijn);
vol hoogmoed en ijdelheid (het gebergte);
volop bezig in het najagen van succes (de rivier);
onrustig, constant in beweging (de zee; Judas vers 13 en Jesaja 57 vers 20).
Laten wij, kinderen van God, ervoor oppassen dat we deze grenzen niet oversteken! Velen vóór ons hebben dat door verleiding of uit nieuwsgierigheid wel gedaan en de meesten van hen zijn nooit teruggekomen!
Er is daarentegen binnen de grenzen "zeer veel land overgebleven, om dat erfelijk te bezitten" (vers 1). De onuitputtelijke schatten van het Woord, de ondoorgrondelijke rijkdommen van Christus wachten er als het ware op om door ons in bezit genomen te worden. Opdat wij â naar het gebed van de apostel â "ten volle konden begrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte, en diepte, en hoogte is, en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat" (Efeze 3 vers 18 en 19).
Gelovige christen, dà t is de oneindige grootte van ons erfdeel in Hem!
De kinderen van Ruben, Gad en de halve stam Manasse hebben als eerste hun erfdeel ontvangen.
Zoals we weten, hebben zij dat erfdeel zelf uitgezocht, zonder te wachten op de toewijzing door God. Dat is een heel belangrijke les voor ons allemaal.
Is het ons niet vaak precies zo vergaan? We konden niet wachten. We hebben ons door de omstandigheden laten leiden (het gebied van Basan en Gilead was uitermate geschikt voor veeteelt en deze stammen hadden grote kudden vee!). We hebben de gemakkelijkste oplossing gekozen of, uit voorzichtigheid, de eerste de beste die zich voordeed. Met een beetje meer geduld zouden we echter een veel beter deel ontvangen hebben: het deel dat God voor ons bedoeld en voor ons bereid had!
Van deze stammen kunnen we ook nog een andere les leren. Doordat zij als eersten kozen wat hen beter leek (zoals Lot bij Abraham in Genesis 13), tonen de Rubenieten en de Gadieten hun egoïsme ten opzichte van hun broeders: 'Ik eerst!'
Inderdaad komen zij het eerst aan bod en krijgen hun erfdeel vóór alle anderen. Maar het is absoluut niet het beste deel, zoals zij verwacht hadden. De eersten zullen de laatsten zijn.
Het beste is altijd dat wat God ons geeft! Ook al moeten we daar soms een poosje op wachten!
De Heere had de mannen die Hij opdracht wilde geven om het land onder de stammen te verdelen, met name genoemd (Numeri 34 vers 16 tot en met 29).
Nu gaan de kinderen van Juda vóór hen staan om het lot van hun erfenis te ontvangen, en Kaleb neemt het woord. Meer dan veertig jaar heeft hij op dit moment gewacht. Gedragen door zijn hoop, is hij met het volk meegetrokken door de woestijn, zonder zich te beklagen over de straf die hij persoonlijk niet verdiend had.
Hij heeft gesteund op de beloften van God en roept die bij Jozua in herinnering. "En nu, geef mij dit gebergte, waarvan de HEERE op die dag gesproken heeft" (vers 12).
Dat is een heerlijk voorbeeld van volharden in geloof'.
Maar we mogen nog iets bewonderen in deze man: "Gelijk mijn kracht toen was", zegt hij, "alzo is nu mijn kracht" (vers 11). Met z'n vijfentachtig jaren was hij nog even sterk als op vijfenveertigjarige leeftijd. Wat was zijn geheim?
Jesaja 40 vers 31 laat ons dat zien: "Die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen ... zij zullen lopen en niet moede worden" .
Door deze Goddelijke kracht neemt Kaleb, wat zijn leeftijd betreft een grijsaard, maar wat zijn kracht betreft een jongeling, Hebron in bezit. En hij verslaat de menselijke kracht van de beruchte Enakiet, de reus voor wie het volk eens zo bang was.
Ja, "welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is ... Zij gaan van kracht tot kracht" (Psalm 84 vers 6 en 8).
Na het toekennen van het lot aan de stam van Juda vinden we hier een ander voorbeeld van gewaagd en moedig geloof. Ook nu weer bij de familie van Kaleb.
Othniël, zijn neef, en Achsa, zijn dochter, waren bij hem in een goede leerschool geweest. Dagelijks hadden ze gedurende die lange woestijnreis naar hem kunnen luisteren, toen hij hen â volgens de aanwijzingen van Mozes in Deuteronomium 6 vers 7 â vertelde van het goede land dat hij bezocht had, en van de wonderlijke vruchten die hij vandaar had meegenomen. Dagelijks konden ze hem gadeslaan: trouw in zijn volhardende wandel en in zijn strijd voor de totale inname van het land.
Zulke woorden en zo'n voorbeeld hebben vrucht gedragen. Othniël en Achsa hebben het land Kanaän, het middelpunt van de gedachten en verlangens van hun oom en vader, stukje bij beetje zelf leren liefhebben. En op dit moment komt hun geloof openbaar.
Het geloof van Othniël neemt Kirjath-Sefer in. Het geloof van Achsa vraagt een extra stuk land van Kanaän.
Wat zal het een vreugde voor Kaleb die zelf eens tegen Jozua gezegd had: "Geef mij dit gebergte" (hoofdstuk 14 vers 12), geweest zijn dat zijn dochter ook zegt: "Geef mij ... geef mij ook ...!" (vers 19; zie ook Mattheüs 11 vers 12).
Door zo'n 'vooropleiding' en met zo'n levensgezellin is Othniël later in staat het ambt van richter in Israël uit te oefenen (Richteren 3 vers 9 tot en met 11).
Het moment waar zo verlangend naar uit werd gezien, waarop Israël zijn erfdeel in bezit kan nemen, is nu aangebroken.
Juda neemt als eerste stam zijn deel in bezit. De steden worden de één na de ander opgenoemd, als het ware om de aandacht te richten op de waarde die elk stukje grond voor de HEERE heeft. O, dat de dingen van God voor ons toch ook een grote waarde mogen hebben, vooral om het in onze gebeden te gedenken!
Helaas vinden wij aan het slot van de vaststelling van de grenzen elke keer een beperking, een 'maar'. De overwinning is niet volledig. Juda kan de Jebusieten niet uitdrijven (vers 63). Tot aan de regering van David zullen zij een sterke positie in Jeruzalem innemen (de burcht Sion; zie 2 Samuël 5 vers 6 en 7).
Evenmin is Efraïm in staat de Kanaänieten uit Gezer te verjagen (hoofdstuk 16 vers 10). Zijn zij die immers schatting moesten betalen aan Israël, dan niet ongevaarlijk? Integendeel zelfs! Zoals Mozes al gezegd had, zullen zij tot een valstrik voor Israël zijn, door het volk te verleiden tot kwaad en afgoderij.
Hoe is het met onze harten, gelovige vrienden? Hebben wij in ons hart ook nog een plaatsje voor bepaalde 'vijanden' die ons ongevaarlijk lijken? Misschien zijn wij al gewend geraakt aan hun tegenwoordigheid; dan zal het ons grote moeite kosten om ze te veroordelen en op te geven.
Geve de Heere ons echter de moed en de kracht dit toch te doen, opdat Hij alleen de heerschappij in onze harten zal hebben (Romeinen 6 vanaf vers 12)!
Manasse ontvangt zijn lot, waarna onmiddellijk de vijf dochters van Zeláfead naar voren komen. Ook zij hebben steeds volhardend gewacht. Nu beroepen zij zich op het bevel van de HEERE aan Mozes en maken aanspraak op het lang verwachte erfdeel.
De helft van hun stam had voor de andere kant van de Jordaan gekozen, maar die gedachte komt bij deze vijf jonge vrouwen niet op. Nee, in Kanaän, te midden van hun broeders, is hun erfdeel!
Dit doet ons eraan denken dat gelovige vrouwen geen deel hebben aan een openlijke dienst, zoals bijvoorbeeld de Woordverkondiging. Maar hun hemelse deel, het genieten van de hemelse zegeningen, is echt niet minder groot dan dat van hun broeders!
Laten we er ook op letten hoe zorgvuldig de HEERE de grenzen voor elke stam aangeeft. De één na de ander ontvangt zijn lot. Eerst worden de grenzen daarvan vastgesteld en vervolgens wordt een opsomming gegeven van de steden die binnen die grenzen liggen. Daartegenover verwacht God van hen dat ze ook bereid zijn, die steden in bezit te nemen.
Maar kijk nu eens naar Efraïm! Zijn gebergte bevalt hem niet (vers 16)! Dat kost hem veel te veel moeite! Hij verlangt een ander lot; niet uit geloof, maar uit traagheid, uit gemakzucht.
Wat lopen ook wij het genot van veel zegeningen mis! Wat missen ook wij, evenals deze stam, veel door eigen schuld, door ons eigen gebrek aan energie! Vooral als het gaat om een gebied waartoe wij altijd de toegang hebben: het gebed (vergelijk Jakobus 4 vers 2).
Zeven stammen hebben nog geen erfdeel ontvangen. Jozua laat nu een lijst opstellen van de grondstukken en verdeelt de verschillende gebieden door het lot te werpen. Natuurlijk bestuurt God het lot naar Zijn wil. Er bestaat geen toeval; een christen zou daarom in die zin ook nooit over pech of geluk moeten spreken!
In Psalm 16 horen wij Iemand (Christus Zelf Die over de toekomst spreekt) verkondigen: "De snoeren zijn Mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is Mij geworden" (vers 6).
Laten we onszelf erin oefenen, steeds meer van de schoonheid en de rijkdom van alles wat God ons in Christus geschonken heeft, te ontdekken. En laten we dankbaar zijn (Kolosse 3 vers 15)!
Jozua die tot de stam van Efraïm behoort, geeft zijn broeders een voorbeeld door zijn erfdeel in het gebergte te kiezen. Hij koos dat wat hen te min was (hoofdstuk 17 vers 16). En de naam van dit erfdeel is van grote betekenis: Timnath-Serah, wat 'extra erfdeel' betekent.
De lange lijst met namen van steden doet ons eraan denken dat wij die 'christenen uit de heidense volkeren' zijn, vroeger "vervreemd van het burgerschap Israëls" waren. "Door het bloed van Christus" zijn wij echter nu "nabij geworden" en "medeburgers der heiligen" (Efeze 2 vers 12, 13 en 19). "Onze wandel [of: ons burgerschap] is in de hemelen" (Filippi 3 vers 20).
En al heel spoedig zullen wij in de hemelse stad wonen!
Aan de andere kant van de Jordaan waren door Mozes al drie vrijsteden voor de doodslager aangewezen (Deuteronomium 4 vers 41 tot en met 43). Nu zijn er ook nog drie in het land zelf: één in het noorden, één in het midden en één in het zuiden.
Elke stad ligt op een gebergte (vers 7). Dat herinnert ons aan de woorden van de Heere Jezus: "Een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn" (Mattheüs 5 vers 14). Ze zijn zichtbaar voor iedereen. Vooral voor hem die er naartoe vlucht om in veiligheid te zijn. Zo doet die stad ons steeds weer denken aan de genade van God.
De eerste stad, Kedes, lag in Galilea, een omgeving die erg kostbaar is voor het hart van iedere gelovige. Daar heeft de Heere Jezus immers dertig jaar geleefd, gediend, zieken genezen, de discipelen en de volksmenigten onderwezen.
Sichem in het gebergte Efraïm wordt vaak vereenzelvigd met Sichar, "een stad van Samaria ... nabij het stuk land, dat Jakob zijn zoon Jozef gaf' (daarom waren de zonen van Jozef bij het erfdeel van Efraïm inbegrepen; hoofdstuk 24 vers 32 en Johannes 4 vanaf vers 5). Deze stad doet ons denken aan de Goddelijke Wandelaar Die daar op een dag, vermoeid van de reis, aan een bron ging zitten.
Tenslotte wordt Hebron een vrijstad voor de doodslager. Daar op de berg is deze stad een toevlucht, het is tot een hoge vesting (zie ook Psalm 9 vers 10).
Hoofdstuk 21 is gewijd aan het lot van de Levieten. Er worden hun achtenveertig steden toegewezen die verdeeld liggen over het erfdeel van de andere stammen.
In tegenstelling tot de Levieten van wie het erfdeel de HEERE Zelf was, zien we hier weer de tweeënhalve stam die zich vastklampt aan aardse goederen.
Ze zijn overladen met schatten die ze de vijand ontnomen hadden. Ze zijn gezegend door Jozua. Het lijkt er voor de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse dus op dat alles goed gaat. Maar nee! Ze zullen een groot verlies lijden door terug te keren over de Jordaan die ze eens op zo'n wonderbare wijze waren overgestoken. Deze keer is de ark er niet bij tijdens hun overtocht. De ark blijft in Kanaän.
Misschien zeggen we: Wat moeten ze anders? Hun gezinnen zijn toch aan de andere kant van de Jordaan?'
Vers 19 van hoofdstuk 22 maakt ons echter duidelijk dat er nog gelegenheid genoeg is om hen in het land Kanaän te laten komen.
Overigens, zegt de Heere Jezus niet: "Die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig" (Mattheüs 10 vers 37)?
Helaas hebben veel jonge christenen die goed begonnen zijn en goed gestreden hebben, zich later van de Heere en het volk van God afgewend. Vaak kwam dat, doordat zij hun leven en gezin naar eigen gedachten inrichtten, zonder rekening te houden met Gods rechten. Horen we dan niet opnieuw die verdrietige vraag van de Heere aan Zijn discipelen: "Wilt gij ook niet weggaan" (Johannes 6 vers 67)?
Beste lezer, als Hij die vraag vandaag aan u stelt, zou u dan hetzelfde antwoorden als Petrus? Zie Johannes 6 vers 68 en 69.
"Deelt de roof van uw vijanden met uw broeders", zegt Jozua heel duidelijk tegen hen die weggaan (vers 8). De Heere roept ons op anderen te laten meedelen in de geestelijke rijkdommen die we in het land van de belofte hebben ontvangen; of het nu om Bijbelse waarheden of om christelijke ervaringen gaat.
Zoals deze mannen hun gezinnen konden vertellen van die gedenkwaardige doortocht door de Jordaan en van die glorierijke overwinningen, zo mag elke jonge gelovige vertellen van de "wonderen" die de Heere voor hem heeft volbracht en die hij in Zijn Woord heeft ontdekt (hoofdstuk 3 vers 5).
Op het moment van scheiding richten de strijders van Ruben, Gad en Manasse aan de oever van de Jordaan "een altaar groot in het aanzien" op (vers 10). Hun broeders van de andere stammen zijn daar onmiddellijk verontrust over. Ja, ze zijn zelfs bereid om in te grijpen.
Wat heeft deze manier van handelen te betekenen? Is het een uitdaging van de HEERE of een verklaring van onafhankelijkheid? Hoe het ook zij, hier hebben we een eerste moeilijkheid die niet ontstaan zou zijn als deze stammen het land Kanaän binnengetrokken en daar gebleven waren.
Het onderzoek wordt geleid door PÃnehas, de priester, die op een ander kritiek moment in de geschiedenis van het volk zijn ijver had getoond. In zijn ijver voor de HEERE (Numeri 25 vers 11) verbindt hij de liefde tot God met de liefde tot zijn broeders. Deze beide gevoelens zijn trouwens onafscheidelijk! Zie 1 Johannes 4 vers 20 en 21.
De kinderen van Ruben, Gad en Manasse maken hun standpunt duidelijk en hun oprechtheid wordt door hun broeders aanvaard.
Waarom dan toch zo'n groot altaar? Daar, aan de Jordaan, stond immers al een gedenkteken. Dat beeldde juist iets heel anders uit: de twaalf stenen waren een symbool van de eenheid van het volk en haar hemelse positie (zie hoofdstuk 4).
Maar die tweeënhalve stam heeft, zoals zoveel christenen, het volle genot van hun voorrechten verloren. In de christenheid zijn al veel 'altaren' van groot aanzien opgericht. Opgesteld naar de gedachten van mensen, laten ze veeleer de versplintering van de gemeente zien, dan dat zij van haar eenheid getuigen.
De terechte verontrusting bij de negenenhalve stam laat ons zien hoe ernstig ook wij de verdeeldheid onder het volk van God moeten nemen. Ook al stelt men grote richtlijnen op, misschien zelfs in overeenstemming met de Schrift, toch kunnen die de verwerkelijking van het genieten van het 'land' nooit vervangen.
De gelovige die deze ervaring opgedaan heeft, is misschien niet altijd in staat dit met veel woorden aan anderen uit te leggen. Maar hij kan hen wel uitnodigen en zeggen: "Komt en ziet" (Johannes 1 vers 40 en 47).
"Indien gij althans gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is", zegt de apostel Petrus, "tot Wie komende ... wordt gij ook zelf ... gebouwd tot een geestelijk huis" (zie 1 Petrus 2 vers 3 tot en met 5).
Nu is het Jozua's beurt zijn loopbaan te beëindigen. "Zo weest zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles, wat geschreven is", zegt hij tegen de leiders van het volk (vers 6).
Dit was het Woord dat de HEERE aan het begin tegen hem
zelf gezegd had (hoofdstuk 1 vers 7) en dat meerdere keren
door Mozes herhaald werd. Het geldt ook nog voor vandaag!
Wat is het belangrijk naar dat Woord te luisteren! Veel mensen vinden het evangelie maar verouderd, niet meer modern. En terwijl men graag z'n eigen oren laat strelen, hoort men veel liever iets nieuws (vergelijk 2 Timotheüs 4 vers 3).
Laten we de Heere danken dat Hij ons dienstknechten gegeven heeft die niet moe worden om steeds opnieuw dezelfde waarheden en vermaningen te herhalen. "Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig", zegt Paulus tegen de Filippïers, "en het is u zeker" (Filippi 3 vers 1). Maar ... laten wij dan ook niet moe worden om naar hen te luisteren!
De naam van afgoden noemen, is een eerste stap op de weg die ertoe leidt dat men bij hen gaat zweren, hen gaat dienen en zich tenslotte voor hen neer gaat buigen (vers 7).
Daarom roept de Efezebrief ons heel duidelijk op de onreine, dwaze en schandelijke dingen van de wereld zelfs niet onder ons te noemen (Efeze 5 vers 3 en 4).
Misschien denken we niet altijd zo na bij wat wij zeggen! O, mochten wij door de mensen om ons heen toch meer als volgelingen van Christus gezien worden! (Mattheüs 26 vers 73 in tegenstelling tot vers 74).
Alle stammen zijn samengekomen in Sichem en Jozua herinnert hen aan al die grote momenten uit de geschiedenis van Israël. Daarbij is het nodig heel ver terug te gaan in het verleden.
Men moest zich niet alleen beroemen op Abraham, zoals Israël zo graag deed (Johannes 8 vers 33 en 39), maar ook terugdenken aan diens vader Terah die andere goden had gediend. In zo'n omgeving was Abraham opgegroeid. Jozua wil hen daarmee duidelijk maken dat de afgoderij niet specifiek iets is voor de hen omringende, primitieve volken. 'Nee, het zit ook in jullie bloed, Israëlieten, in jullie natuur! Jullie zijn niet beter dan de anderen'.
We willen nog een keer de Efezebrief laten spreken. "En u ... daar gij dood waart door de misdaden en de zonden; in welke gij eertijds gewandeld hebt naar de eeuw dezer wereld ... doende de wil des vlezes en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen" (hoofdstuk 2 vers 1 tot en met 3).
Ook wij moesten ons eens tot die jammerlijke mensen rekenen die aan "gene zijde der rivier" de afgoden van de wereld dienden. Maar God heeft ons gevonden!
Als we dan verder lezen in de Efezebrief, mogen we zien en bewonderen wat God "Die rijk is in barmhartigheid", voor de Zijnen gedaan heeft.
Hoe meer we gaan zien in welke ellendige toestand wij ons vroeger bevonden, des te beter krijgen we een begrip van Gods genade die ons daaruit gehaald heeft!
De afscheidswoorden van Jozua aan het volk doen ons denken aan de woorden van Paulus aan de oudsten van de gemeente te Efeze (Handelingen 20 vanaf vers 17).
De trouwe apostel herinnert ook aan de genade en de macht van God waardoor alle heiligen een erfdeel kunnen ontvangen (vers 32). Hij legt de nadruk op de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid en vermaant hen op hun hoede en waakzaam te zijn (vers 28 en 31). Ook stelt hij zichzelf ten voorbeeld: hij heeft de Heere gediend (vers 19) en heeft geen andere wens dan deze dienst die hij van Hem ontvangen heeft, te voleindigen (vers 24).
Dat is ook de conclusie van Jozua. Zijn dienst lijkt beëindigd te zijn. Maar toch verklaart hij nog met een onwankelbaar besluit van zijn hart: "Maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen de HEERE dienen!"
Dit doet ons denken aan een oude zendeling die de Heere dankte dat Hij Zijn oude vermoeide dienstknecht niet met pensioen liet gaan, zoals dat bij een gewone werkgever al lang gebeurd zou zijn.
Jozua spreekt namens zijn gezin. Is dit: "... mij, en mijn huis, wij zullen ... dienen", eigenlijk niet in overeenstemming met de woorden: "Gij zult zalig worden, gij en uw huis" (Handelingen 16 vers 31)? De gelovige en de zijnen zijn gered om te dienen!
En nu, beste vriend, wat moet u nog doen? We zijn aan het einde van een jaar aangekomen. Zult u het nieuwe jaar nog zien?
"Kiest u heden, wie gij dienen zult" (vers 15)! Maak de goede keus!
Na de vermaningen van Jozua en het voorbeeld dat hij zelf geeft, antwoordt het volk Israël onmiddellijk met een belijdenis van hun geloof.
Het volk belooft de HEERE te zullen dienen. Maar goede voornemens alleen zijn niet voldoende. In vers 23 zien we dat de vreemde goden nog steeds aanwezig zijn. Zo lang dat nog het geval is, moet Jozua tegen hen zeggen: "Gij zult de HEERE niet kunnen dienen" (vers 19).
"Niemand kan twee heren dienen", bevestigt ook de Heere Jezus (Mattheüs 6 vers 24).
De goede bedoelingen van Israël duren net zo lang als er goede leiders zijn. Leiders zoals Jozua, Eleázar, PÃnehas ...(zie ook 2 Kronieken 24 vers 2).
Beste vrienden, nog één vraag: Hoe is het bij ons? Volgen wij de Heere met een oprecht, persoonlijk en levend geloof? Of hebben wij er tot dusver genoegen mee genomen, als meelopers achter anderen die ons onderwezen hebben, aan te gaan? Wat doen wij dan als deze personen ons verlaten?
Jozua besluit zijn loopbaan. De trouwe leider is in geloof door de woestijn gegaan. Daarna heeft hij de strijd van het geloof gestreden. In hem mogen we enkele kenmerken zien van de grote Leider, de Overwinnaar van de wereld, de overste Leidsman en Voleinder van het geloof.
Laten we God bidden dat Hij ons zal leren in onze wandel en strijd de ogen steeds gericht te hebben op de Heere Jezus (Hebreeën 12 vers 2).
This document may be found online at the following URL: http://www.stempublishing.com/authors/koechlin/dbd/nl/localStorageYear1.html.
You are welcome to freely access and use this material for personal study or sending to other Bible students, compiling extracts for notes etc, but please do not republish without permission.
With the prayerful desire that the Lord Jesus Christ will use this God-given ministry in this form for His glory and the blessing of many in these last days before His coming. © Les Hodgett
.
God is er altijd geweest. Ook voordat de schepping bestond. En Hij geeft ons als het ware toestemming om bij Zijn scheppingswerk aanwezig te zijn.
Als wij iets willen maken, moeten we eerst zorgen voor het materiaal dat we nodig hebben.
Bij God is dat anders; alleen Zijn spreken was voldoende om uit het niets iets tot stand te brengen.
"En God zeide", en toen ontstonden de hemel, de aarde, het licht, de wolken, de wateren, het droge, het uitspansel (het heelal) met zijn lichten: zon, maan en ontelbare sterren. Maar ook een grote verscheidenheid aan planten en dieren.
Het is een eenvoudige opsomming van een geweldige gebeurtenis. Maar tevens ook het definitieve antwoord op de vragen die de mensen al de eeuwen door gesteld hebben: "Wie heeft de wateren gemeten ... de hemelen de maat genomen ... de bergen gewogen in een waag? Wie heeft deze dingen geschapen?" (Jesaja 40 vers 12 en 26 en Spreuken 30 vers 4).
Ja, Wie heeft die prachtige sneeuwkristallen gevormd, Wie heeft het, in onze ogen eenvoudigste, insect gemaakt? Wie heeft de kleur en geur van de bloemen in onze tuin bepaald?
In Hebreeën 1 vers 2 en 3 vinden we het antwoord: Jezus Christus, de Bewerker van ons heil, is ook de Schepper van al deze wonderen (zie ook Spreuken 8 vers 27 tot en met 31).