Genesis 1:1-19
1In den beginne schiep God den hemel en de aarde.2De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.3En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.4En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis.5En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.6En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!7En God maakte dat uitspansel, en maakte scheiding tussen de wateren, die onder het uitspansel zijn, en tussen de wateren, die boven het uitspansel zijn. En het was alzo.8En God noemde het uitspansel hemel. En het was avond geweest, en het was morgen geweest, de tweede dag.9En God zeide: Dat de wateren van onder de hemel in een plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde! en het was alzo.10En God noemde het droge aarde, en de vergadering der wateren noemde Hij zeeen; en God zag, dat het goed was.11En God zeide: Dat de aarde uitschiete gras, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijn aard, welks zaad daarin zij op de aarde! En het was alzo.12En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijn aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.13Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de derde dag.14En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!15En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo.16God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren.17En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde.18En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was.19Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.

God is er altijd geweest. Ook voordat de schepping bestond. En Hij geeft ons als het ware toestemming om bij Zijn scheppingswerk aanwezig te zijn.

Als wij iets willen maken, moeten we eerst zorgen voor het materiaal dat we nodig hebben.

Bij God is dat anders; alleen Zijn spreken was voldoende om uit het niets iets tot stand te brengen.

"En God zeide", en toen ontstonden de hemel, de aarde, het licht, de wolken, de wateren, het droge, het uitspansel (het heelal) met zijn lichten: zon, maan en ontelbare sterren. Maar ook een grote verscheidenheid aan planten en dieren.

Het is een eenvoudige opsomming van een geweldige gebeurtenis. Maar tevens ook het definitieve antwoord op de vragen die de mensen al de eeuwen door gesteld hebben: "Wie heeft de wateren gemeten ... de hemelen de maat genomen ... de bergen gewogen in een waag? Wie heeft deze dingen geschapen?" (Jesaja 40 vers 12 en 26 en Spreuken 30 vers 4).

Ja, Wie heeft die prachtige sneeuwkristallen gevormd, Wie heeft het, in onze ogen eenvoudigste, insect gemaakt? Wie heeft de kleur en geur van de bloemen in onze tuin bepaald?

In Hebreeën 1 vers 2 en 3 vinden we het antwoord: Jezus Christus, de Bewerker van ons heil, is ook de Schepper van al deze wonderen (zie ook Spreuken 8 vers 27 tot en met 31).

Genesis 1:20-31
20En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!21En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel, welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.22En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeen; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!23Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag.24En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.25En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijn aard, en het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.26En God zeide: Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.27En God schiep den mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.28En God zegende hen, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar, en hebt heerschappij over de vissen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt!29En God zeide: Ziet, Ik heb ulieden al het zaadzaaiende kruid gegeven, dat op de ganse aarde is, en alle geboomte, in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is; het zij u tot spijze!30Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel is, heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.31En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.

Aan een klok kun je het vakmanschap van de klokkenmaker herkennen. Zo "vertellen de hemelen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk Zijner handen" (Psalm 19 vers 2). "Aanziet de vogelen des hemels", en: "Aanmerkt de leliën des velds", zegt de Heere Jezus in Mattheüs 6 vers 26 en 28.

Hoeveel mensen zijn er niet die blind zijn voor dit prachtige natuurgebeuren; zij erkennen "Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid" niet (Romeinen 1 vers 20).

De ongelovigen hebben steeds weer geprobeerd de inhoud van deze duidelijke verzen door hun evolutieleer te vervangen. Maar wij hoeven nooit bang te zijn dat menselijke overleggingen of geologische ontdekkingen deze Goddelijke verklaringen aan het wankelen brengen. Laten we eraan denken dat noch wetenschap noch verstand ons op dit gebied inzicht kunnen geven en ons iets kunnen verklaren. Het is het Woord dat ons onderwijst, en het geloof waardoor wij deze dingen begrijpen (zie Hebreeën 11 vers 3).

Waar duisternis heerste (Genesis 1 vers 2), liet God het licht schijnen. Uit een woest en ledig landschap heeft Hij een bewoonbare aarde gemaakt waarop alles volgens Zijn wetten en regels verloopt (denk maar aan de seizoenen). Maar de aarde was nog leeg. En God, "die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft ... Hij heeft ze niet geschapen, dat zij leeg zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou" (Jesaja 45 vers 18). Als kroon op het scheppingswerk heeft God de mens naar Zijn beeld gemaakt. Dat betekent: als Zijn 'plaatsvervanger' om over de aarde te heersen.

Genesis 2:1-14
1Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde, en al hun heir.2Als nu God op de zevende dag volbracht had Zijn werk, dat Hij gemaakt had, heeft Hij gerust op den zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.3En God heeft den zevende dag gezegend, en die geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken.4Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de HEERE God de aarde en den hemel maakte.5En allen struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de HEERE God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mens geweest, om den aardbodem te bouwen.6Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den ganse aardbodem.7En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.8Ook had de HEERE God een hof geplant in Eden, tegen het oosten, en Hij stelde aldaar den mens, die Hij geformeerd had.9En de HEERE God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze; en den boom des levens in het midden van den hof, en de boom der kennis des goeds en des kwaads.10En een rivier was voortgaande uit Eden, om deze hof te bewateren; en werd van daar verdeeld, en werd tot vier hoofden.11De naam der eerste rivier is Pison; deze is het, die het ganse land van Havila omloopt, waar het goud is.12En het goud van dit land is goed; daar is ook bedolah, en de steen sardonix.13En de naam der tweede rivier is Gihon; deze is het, die het ganse land Cusch omloopt.14En de naam der derde rivier is Hiddekel; deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.

"... omdat de HEERE, in zes dagen, de hemel en de aarde gemaakt, en op de zevende dag gerust en Zich verkwikt heeft" (Exodus 31 vers 17). De HEERE verheugt zich in de vreugde die Hij voor Zijn schepselen heeft toebereid.

In de schepping bewonderen wij de macht van God Die miljarden sterren hun plaats geeft in het heelal, Die aan de zee grenzen heeft gesteld en Die het geweld van de bliksem en de wind in Zijn hand heeft. Ja, God is zo machtig om uit een handvol stof de mens te formeren (Psalm 8 vers 4 en 5).

Maar we bewonderen ook de wijsheid van God Die seizoenen heeft gegeven, Die zorgt dat de natuur in evenwicht is, Die zorgt voor de hele plantenwereld en Die het instinct aan de dieren heeft gegeven (Psalm 104 vers 24).

Laten we ook zien op de goedertierenheid van God. Hij heeft de hemelen, de aarde, het water en de grote lichten gemaakt. "Want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" (Psalm 136).

Met de tederheid van een moeder die alles klaar maakt voor het kind dat geboren moet worden, zo heeft God de mens in volmaakte omstandigheden geplaatst. De mens mocht wonen in het paradijs om ononderbroken te genieten van de rust van zijn Schepper. God heeft "de adem des levens" (vers 7) in zijn neus geblazen en daarmee heeft Hij hem (in tegenstelling tot de dieren) tot een levende en onsterfelijke ziel gemaakt die verantwoording verschuldigd is aan God.

Genesis 2:15-25
15Zo nam de HEERE God den mens, en zette hem in den hof van Eden, om dien te bouwen, en dien te bewaren.16En de HEERE God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten;17Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.18Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.19Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn.20Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor de mens vond hij geen hulpe, die als tegen hem over ware.21Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe met vlees.22En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam.23Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is.24Daarom zal de man zijn vader en zijn moeder verlaten, en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot een vlees zijn.25En zij waren beiden naakt, Adam en zijn vrouw; en zij schaamden zich niet.

God heeft de mens in het middelpunt van Zijn schepping geplaatst, opdat hij haar als een 'zaakwaarnemer' zou onderhouden. Slechts één ding was de mens verboden: te eten "van de boom der kennis des goeds en des kwaads". Daarmee stelde God de gehoorzaamheid van de mens die hij als verantwoordelijk schepsel verschuldigd was, op de proef. De mens is, in tegenstelling tot een dier, niet aan driften en onbedwingbare neigingen onderworpen. Als vrij mens wordt er gehoorzaamheid aan zijn Schepper van hem verwacht.

De eerste opdracht die Adam kreeg, was om alle levende wezens een naam te geven. Deze levende wezens staan ten dienste van de mens, maar hun 'intelligentie' is nooit hoger dan ze voor hun eigen behoefte nodig hebben.

Het alleen-zijn is niets voor een mens. Hij heeft iemand nodig om van gedachten te wisselen, om gezamenlijk te genieten van wat God geeft, en Hem daar samen voor te prijzen. De liefde van God begrijpt deze behoefte van de mens en God voldoet aan zijn verlangen door hem een levensgezellin te geven. Iemand die hem kan helpen en dezelfde behoeften en gevoelens kent als hij.

Hierin zien we een beeld van de verborgenheid van Christus en de gemeente, de bruid van Christus. Hij is dood geweest en mag haar uit de hand van God ontvangen, om haar te onderhouden en te verzorgen (Efeze 5 vanaf vers 29). "Deze verborgenheid is groot", zegt de apostel: "Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn gebeente."

Genesis 3:1-13
1De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?2En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten;3Maar van de vrucht des booms, die in het midden des hofs is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft.4Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;5Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.6En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.7Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar, dat zij naakt waren; en zij hechtten vijgeboombladeren samen, en maakten zich schorten.8En zij hoorden de stem van den HEERE God, wandelende in den hof, aan de wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van den HEERE God, in het midden van het geboomte des hofs.9En de HEERE God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?10En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.11En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?12Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.13En de HEERE God zeide tot de vrouw: Wat is dit, dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: De slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.

Het geluk van de mens in de hof van Eden is van korte duur. In de gedaante van een slang sluipt de duivel in de hof en wint het vertrouwen van de vrouw, terwijl hij twijfel in haar hart zaait ten opzichte van God. 'God heeft jullie niet lief', fluistert hij, 'want anders zou God jullie niet dat grote voorrecht onthouden'. — "Gij zult de dood niet sterven ... gij zult als God wezen" (vers 4 en 5). Zó zaait de aartsleugenaar hoogmoed en afgunst in het hart van de mens. Wat een tegenstelling met wat we lezen in Filippi 2 vers 6!

"Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde" (Jakobus 1 vers 14 en 15). Helaas werd de mens bedrogen: "Kennende het goed en het kwaad", heeft hem geen kracht gegeven het goede te doen noch het kwade na te laten. De enige uitwerking was: "Zij werden gewaar, dat zij naakt waren."

Van nature bevindt de mens zich in die situatie en hij schaamt zich daarvoor. De schorten van vijgenbladeren laten de vergeefse pogingen van de mens zien, zijn zedelijke toestand te verbergen. Want "... alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem, met Wie wij te doen hebben" (Hebreeën 4 vers 13).

"Waar zijt gij?" (vers 9).

"Hebt gij van die boom gegeten?" (vers 11).

'Wat is dit, dat gij gedaan hebt?" (vers 13).

Deze ernstige vragen laten geen ruimte voor uitvluchten en verontschuldigingen.

Genesis 3:14-24
14Toen zeide de HEERE God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zo zijt gij vervloekt boven al het vee, en boven al het gedierte des velds! Op uw buik zult gij gaan, en stof zult gij eten, al de dagen uws levens.15En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.16Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.17En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.18Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten.19In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.20Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Heva, omdat zij een moeder aller levenden is.21En de HEERE God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.22Toen zeide de HEERE God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.23Zo verzond hem de HEERE God uit den hof van Eden, om den aardbodem te bouwen, waaruit hij genomen was.24En Hij dreef de mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.

God erkent de verantwoordelijkheid van elke schuldige en spreekt Zijn drievoudig oordeel uit.

De slang hoort: Het Zaad van de vrouw (dat is Christus) "zal u de kop vermorzelen." Met andere woorden: zijn macht zal te niet gedaan worden. Direct nadat de zonde hier op aarde zijn intrede heeft gedaan, heeft God Zijn Heilmiddel bekendgemaakt, "Die wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld" (1 Petrus 1 vers 20).

De vrouw moet de moeiten van haar zwangerschap dragen en het lot van de man is dat hij hard en met inspanning moet werken. Totdat het uiteindelijke oordeel volgt: "Want de bezoldiging het loon] van de zonde is de dood" (Romeinen 5 vers 12 en 6 vers 23).

Het geloof in de aangekondigde Verlosser stelt Adam in staat dit oordeel tegemoet te treden en zijn vrouw 'Eva' te noemen, dat betekent 'leven'.

God beantwoordt dit geloof door de schorten die ze zelf gemaakt hadden, te vervangen door rokken van dierenvellen. Dit leert ons een heel belangrijke waarheid: de enige gerechtigheid waarmee de mens zich kan bekleden, is de gerechtigheid waarmee Godzelf hem bekleedt. Zoals de rokken gemaakt zijn van het vel van een dier dat daarvoor geslacht werd, zo is de gerechtigheid waarmee een zondaar door God bekleed wordt, de gerechtigheid van Christus, het geslachte Lam.

Wat een troost dat God de mens pas uit de hof wegstuurt, nadat Hij hem dit beeld, deze gedachte aan genade en heil getoond heeft!

Genesis 4:1-16
1En Adam bekende Heva, zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kain, en zeide: Ik heb een man van de HEERE verkregen!2En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kain werd een landbouwer.3En het geschiedde ten einde van enige dagen, dat Kain van de vrucht des lands den HEERE offer bracht.4En Habel bracht ook van de eerstgeborenen zijner schapen, en van hun vet. En de HEERE zag Habel en zijn offer aan;5Maar Kain en zijn offer zag Hij niet aan. Toen ontstak Kain zeer, en zijn aangezicht verviel.6En de HEERE zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken, en waarom is uw aangezicht vervallen?7Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.8En Kain sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kain tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.9En de HEERE zeide tot Kain: Waar is Habel, uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?10En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broeder, dat tot Mij roept van den aardbodem.11En nu zijt gij vervloekt van den aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broeders bloed van uw hand te ontvangen.12Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.13En Kain zeide tot den HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.14Zie, Gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan.15Doch de HEERE zeide tot hem: Daarom, al wie Kain doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kain; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.16En Kain ging uit van het aangezicht des HEEREN; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.

Sinds het ontstaan van de mensheid zien we twee geslachten, twee groepen mensen.

Kaïn, de eerste mens die op de aarde is geboren, is de stamvader van allen die met zichzelf ingenomen zijn. Tevreden met zichzelf en zijn eigen werken, zonder het bewustzijn van zonde en de gevolgen daarvan, verschijnt hij voor God met de vruchten van zijn eigen werk. Vruchten van een vervloekte aardbodem. Hoe kan hij God daarmee eren?

Abel, de tweede mens, is de 'voorganger' van hen die hun weg in geloof gaan. Hij opent als het ware de erelijst van personen die we zien in Hebreeën 11 (vers 4). Zijn offer is `beter' dan Kaïns offer, omdat het geofferd is naar Gods gedachten.

In Genesis 3 zagen we de zonde van de mensen tegenover God. Nu zien we de zonde van de mens tegen zijn naaste. Kaïn doodt zijn broer.

In het Woord dat de gedachten en harten van de mens beproeft, zien we waarom hij zo handelde: uit afgunst. "En om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en die van zijn broeder rechtvaardig" (1 Johannes 3 vers 12).

Toen de Heere Jezus hier op aarde kwam, werd Hij door de joden om dezelfde reden gedood. Zijn volmaaktheid bracht hun eigen boze werken aan het licht. Zij hebben het bloed van de Rechtvaardige vergoten en hun straf is dezelfde als die van Kaïn: ze zijn over de hele wereld verstrooid en worden vervolgd.

Genesis 4:17-26
17En Kain bekende zijn huisvrouw, en zij werd bevrucht en baarde Henoch; en hij bouwde een stad, en noemde den naam dier stad naar den naam zijns zoons, Henoch.18En aan Henoch werd Hirad geboren; en Hirad gewon Mechujael; en Mechujael gewon Methusael; en Methusael gewon Lamech.19En Lamech nam zich twee vrouwen; de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.20En Ada baarde Jabal; deze is geweest een vader dergenen, die tenten bewoonden, en vee hadden.21En de naam zijns broeders was Jubal; deze werd de vader van allen, die harpen en orgelen handelen.22En Zilla baarde ook Tubal-Kain, een leermeester van allen werker in koper en ijzer; en de zuster van Tubal-Kain was Naema.23En Lamech zeide tot zijn vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijn stem, gij vrouwen van Lamech! neemt ter ore mijn rede! Voorwaar, ik sloeg wel een man dood, om mijn wonde, en een jongeling, om mijn buile!24Want Kain zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.25En Adam bekende wederom zijn huisvrouw, en zij baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gezet voor Habel; want Kain heeft hem doodgeslagen.26En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den naam des HEEREN aan te roepen.

Kaïn weigert te accepteren dat hij door God tot een zwervend en dolend bestaan is veroordeeld. Hij wil het prettiger, gemakkelijker hebben en bouwt voor zich en zijn familie een stad. En ze zoeken zelf voor zich een 'baan' uit die ze fijn vinden. Maar ... de sociale welvaart kan de menselijke natuur niet verbeteren.

De nakomelingen van Kaïn lijken op hun stamvader. De gewelddadigheid van de eerste moordenaar in de wereldgeschiedenis vinden we terug bij Lamech, zijn afstammeling.

Hier wordt ons een beeld geschetst van de tegenwoordige wereld die de Heere Jezus, de ware Abel, gedood heeft. Alles gaat gewoon door alsof er niets gebeurd is, alsof het kruis niet bestaan heeft. Men heeft zich hier op aarde gevestigd om zo gerieflijk mogelijk te leven. Niets ontbreekt: wetenschap, kunst, industrie, ja, zelfs religie is aanwezig. Maar ... dit alles zonder de Heere Jezus!

Gelijktijdig met de heerschappij van Kaïn zien we aan het einde van het hoofdstuk, heel bescheiden, een ander geslacht ten tonele verschijnen. Seth neemt de plaats van Abel in en "toen begon men de naam des HEEREN aan te roepen."

Het leven van een ten dode opgeschreven geslacht plant zich als het ware voort in de lijn van het geloof. Het laat ons zien hoe Christus, de tweede Mens, een familie verworven heeft die Zijn Naam draagt en in de vreze des HEEREN leeft.

Twee verschillende families zijn er genoemd. Bij welke hoort u?

Genesis 5:1-20
1Dit is het boek van Adams geslacht. Ten dage als God den mens schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods.2Man en vrouw schiep Hij hen, en zegende ze, en noemde hun naam Mens, ten dage als zij geschapen werden.3En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijn naam Seth.4En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.5Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf.6En Seth leefde honderd en vijf jaren, en hij gewon Enos.7En Seth leefde, nadat hij Enos gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.8Zo waren al de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaren; en hij stierf.9En Enos leefde negentig jaren, en hij gewon Kenan.10En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.11Zo waren al de dagen van Enos negenhonderd en vijf jaren; en hij stierf.12En Kenan leefde zeventig jaren, en hij gewon Mahalal-el.13En Kenan leefde, nadat hij Mahalal-el gewonnen had, achthonderd en veertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.14Zo waren al de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf.15En Mahalal-el leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Jered.16En Mahalal-el leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.17Zo waren al de dagen van Mahalal-el achthonderd vijf en negentig jaren; en hij stierf.18En Jered leefde honderd twee en zestig jaren, en hij gewon Henoch.19En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.20Zo waren al de dagen van Jered negenhonderd twee en zestig jaren; en hij stierf.

Na het 'faillissement' van het geslacht van Kaïn is het net alsof God de draad van de geschiedenis van de mensheid weer bij het begin oppakt (vers 1 en 2).

Hier vinden we een lijst van namen die door de eeuwen heen de zogenaamde 'rode draad van het geloof' vormen, tot op de Messias, 'het Zaad van de vrouw', zoals aangekondigd na de val van de mens in de zonde.

We zien in deze familie geen grote dingen gebeuren zoals bij Kaïn. Het leven van een 'man Gods' laat hier op aarde vrijwel geen zichtbare sporen achter. De vooruitgang in de wereld is niet van hem afhankelijk en we zullen hem niet terugvinden in geschiedenisboeken. Hij wordt geboren, leeft, krijgt kinderen en sterft.

Ja, de dood is aanwezig als gevolg van de zonde. En het leven van al deze aartsvaders die genoemd worden, eindigt met de woorden: "en hij stierf.

Satan, de leugenaar, had gezegd: "Gij zult de dood niet sterven" (Genesis 3 vers 4), maar God zei: "... totdat gij tot de aarde weerkeert" (Genesis 3 vers 19). Die woorden van God vinden we hier in hoofdstuk 5 bevestigd.

Toch hebben Adam en zijn eerste nakomelingen een geweldig hoge leeftijd bereikt. Op die manier heeft God ervoor gezorgd dat, voordat de Schriften er waren, de waarheid mondeling doorgegeven kon worden, en wel door zo weinig mogelijk tussenpersonen (amper zeven tussen Adam en Mozes).

Genesis 5:21-32
21En Henoch leefde vijf en zestig jaren, en hij gewon Methusalach.22En Henoch wandelde met God, nadat hij Methusalach gewonnen had, driehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.23Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijf en zestig jaren.24Henoch dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.25En Methusalach leefde honderd zeven en tachtig jaren, en hij gewon Lamech.26En Methusalach leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd twee en tachtig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.27Zo waren al de dagen van Methusalach negenhonderd negen en zestig jaren; en hij stierf.28En Lamech leefde honderd twee en tachtig jaren, en hij gewon een zoon.29En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de HEERE vervloekt heeft!30En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd vijf en negentig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.31Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zeven en zeventig jaren; en hij stierf.32En Noach was vijfhonderd jaren oud; en Noach gewon Sem, Cham en Jafeth.

In dit hoofdstuk lezen we van één uitzondering op de wet van de dood: Henoch.

Hij leeft vijfenzestig jaar, dan wandelt hij driehonderd jaar met God, waarna God hem wegneemt. Er worden ons verder geen details genoemd, noch over zijn wandel met God noch over zijn wegneming, de laatste stap van zijn wandel. Maar wat een geweldige samenvatting van zijn leven!

Weten wij wat het betekent met God te wandelen, al zou het maar één dag van een bepaald jaar zijn?

Dankzij zijn geloofsleven vinden we Henochs naam terug in de lijst van geloofsgetuigen in Hebreeën 11 (vers 5 en 6). Zijn naam betekent: 'ingewijd' of 'onderwezen'. En zoals die getuigen ziet hij, door God onderwezen, de toekomstige dingen.

Door het geloof ziet hij de HEERE als de toekomstige Heerser "gekomen met Zijn vele duizenden heiligen" (Judas vers 14). Dit gezicht, dit toekomstbeeld, houdt hem gescheiden van hen die dan geoordeeld zullen worden.

Zoals Henoch zullen spoedig àlle levende gelovigen van de aarde worden weggenomen, zonder te sterven. Door de Heere Jezus Die de Zijnen komt halen (1 Thessalonika 4 vers 17).

Kent iedere lezer(es) deze geweldige waarheid? Wat een geweldige toekomst voor hen die bereid zijn, maar het is tegelijk heel ernstig voor hen die de Heere niet kennen!

Laten we opmerken dat God Zijn oordeel niet over de wereld laat gaan, voordat Hij geweldige beloften heeft gegeven; Noach betekent: 'troost' en 'rust'.

Genesis 6:1-12
1En het geschiedde, als de mensen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,2Dat Gods zonen de dochteren der mensen aanzagen, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden.3Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.4In die dagen waren er reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren der mensen ingegaan waren, en zich kinderen gewonnen hadden; deze zijn de geweldigen, die van ouds geweest zijn, mannen van name.5En de HEERE zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.6Toen berouwde het de HEERE, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart.7En de HEERE zeide: Ik zal den mens, die Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.8Maar Noach vond genade in de ogen des HEEREN.9Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.10En Noach gewon drie zonen: Sem, Cham en Jafeth.11Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht; en de aarde was vervuld met wrevel.12Toen zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.

De mensen hebben zich op aarde vermenigvuldigd, maar met hen heeft ook het kwaad zich vermeerderd en wel op tweeërlei wijze: verdorvenheid en wrevel (misdadigheid) (vers 11).

Is de mensheid in onze dagen beter? Integendeel! De Schrift — die veel betrouwbaarder is dan onze eigen waarnemingen — zegt: "Boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan" (2 Timotheüs 3 vers 13).

Nu, maar ook toen, kan de bewondering en verering van helden en grote mannen (vers 4) hand in hand gaan met de grootste verdorvenheid, of het nu gaat om staatsmannen of winnaars van Olympische spelen. Maar God ziet het hart van de mens aan en kijkt niet naar het uiterlijk (1 Samuël 16 vers 7).

In vers 5 luidt Gods diagnose van het hartonderzoek dat "al het gedichtsel van de gedachten zijns harten te allen dage alleen boos was". Prediker bevestigt dit met de woorden in hoofdstuk 9 vers 3: "... dat ook het hart der mensenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart" (vergelijk ook Jeremia 17 vers 9).

"Toen berouwde het de HEERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had" (vers 6). Natuurlijk maakt God geen fouten, maar de boosheid van de mens dwingt Hem ertoe Zijn maatregelen te nemen. Precies zoals ouders soms van plan zijn iets moois aan hun kinderen te geven, maar dit niet doen vanwege hun ongehoorzaamheid.

God besluit Zijn schepsel, de mens, van de aardbodem te verdelgen. Behalve Noach, de enige die met God zijn weg ging en genade vond in Gods ogen.

Genesis 6:13-22
13Daarom zeide God tot Noach: Het einde van alle vlees is voor Mijn aangezicht gekomen; want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, Ik zal hen met de aarde verderven.14Maak u een ark van goferhout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek.15En aldus is het, dat gij haar maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen haar breedte, en dertig ellen haar hoogte.16Gij zult een venster aan de ark maken, en zult haar volmaken tot een elle van boven; en de deur der ark zult gij in haar zijde zetten; gij zult ze met onderste, tweede en derde verdiepingen maken.17Want Ik, zie, Ik breng een watervloed over de aarde, om alle vlees, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven; al wat op de aarde is, zal den geest geven.18Maar met u zal Ik Mijn verbond oprichten; en gij zult in de ark gaan, gij, en uw zonen, en uw huisvrouw, en de vrouwen uwer zonen met u.19En gij zult van al wat leeft, van alle vlees, twee van elk, doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen zij zijn;20Van het gevogelte naar zijn aard, en van het vee naar zijn aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijn aard, twee van elk zullen tot u komen, om die in het leven te behouden.21En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze tot u, opdat zij u en hun tot spijze zij.22En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.

Het is alleen genade (vers 8) dat Noach gespaard blijft, hoewel hij "een rechtvaardig, oprecht man" (vers 9) genoemd wordt.

Voor God is nu het ogenblik aangebroken om hem Zijn plannen te vertellen en hem aanwijzingen te geven. Het is gemakkelijk om iemand die met je op dezelfde weg wandelt, in te lichten.

Noach beantwoordt de mededelingen van de HEERS met geloof. "Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin" (Hebreeën 11 vers 7).

Hij heeft niets anders dan Gods Woord dat hem vertelt van het komende oordeel. Maar dat is genoeg voor hem. Hij bouwt de ark en daarmee veroordeelt hij de wereld om zich heen. Elke hamerslag vertelt zijn tijdgenoten van het komende oordeel. En zo lang als de bouw van de ark duurt, geldt de "lankmoedigheid Gods" (1 Petrus 3 vers 20).

Maar hoeveel mensen maken daar gebruik van? Niemand, behalve het gezin van deze aartsvader. Onverschilligheid en spot zijn het antwoord op de ernstige, welgemeende waarschuwingen van deze "prediker der gerechtigheid".

Vandaag de dag zijn er ook talloze spotters die niet in de wederkomst van de Heere Jezus, noch in het komende oordeel geloven (2 Petrus 2 vers 5 en 3 vers 3 tot en met 6). Wat de Bijbel over de zondvloed vertelt, negeren ze bewust en zeggen dat het een legende is.

Genesis 7:1-16
1Daarna zeide de HEERE tot Noach: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht.2Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje.3Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de ganse aarde.4Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb.5En Noach deed, naar al wat de HEERE hem geboden had.6Noach nu was zeshonderd jaren oud, als de vloed der wateren op de aarde was.7Zo ging Noach, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.8Van het reine vee, en van het vee, dat niet rein was, en van het gevogelte, en al wat op den aardbodem kruipt,9Kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had.10En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.11In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op de zeventiende dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken, en de sluizen des hemels geopend.12En een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.13Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem, en Cham, en Jafeth, Noachs zonen, desgelijks ook Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hem in de ark;14Zij, en al het gedierte naar zijn aard, en al het vee naar zijn aard, en al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, naar zijn aard, en al het gevogelte naar zijn aard, alle vogeltjes van allerlei vleugel.15En van alle vlees, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.16En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vlees, gelijk als hem God bevolen had. En de HEERE sloot achter hem toe.

Noach is niet alleen gehoorzaam geweest door de ark te bouwen, maar ook door haar precies te maken zoals God hem gezegd had (Genesis 6 vers 22).

Ook nu gehoorzaamt hij volledig door op het juiste tijdstip naar binnen te gaan (vers 5). In gehoorzaamheid aan God ligt onze zekerheid en veiligheid. Noach, deze vrome man, ondervindt letterlijk de woorden uit Psalm 32 vers 6.

Vers 16 herinnert ons aan een andere deur, de genade-deur, die nu nog openstaat. Maar ... hoe lang nog? In Mattheus 25 vers 10 staat: "... en de deur werd gesloten".

Beste lezer(es), aan welke kant van de deur staat u? Bent u binnen bij de Heere Jezus en de Zijnen? Of buiten, bij allen die tevergeefs aankloppen en het antwoord van de Heere te horen krijgen: "Ik ken u niet, van waar gij zijt" (Lukas 13 vers 27)?

Laten we eraan denken dat het God Zelf is Die de deur achter Noach en zijn gezin en alle dieren sluit. Ook al zou Noach het willen, hij kan voor niemand de deur meer open doen.

Nadat God een reddingsmiddel heeft gegeven, de Zijnen in veiligheid heeft gebracht en de deur heeft gesloten, kan Hij de sluizen van de hemel openen.

Uit profetisch oogpunt gezien, stellen Noach en zijn gezin het gelovig overblijfsel van Israël voor. Het overblijfsel zal na de opname van de gemeente (Henoch) ongedeerd door de grote verdrukking gaan en in het duizendjarig rijk op de gereinigde aarde ingevoerd worden.

Genesis 7:17-24; Genesis 8:1-5
17En die vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zodat zij oprees boven de aarde.18En de wateren namen de overhand, en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren.19En de wateren namen gans zeer de overhand op de aarde, zodat alle hoge bergen, die onder den ganse hemel zijn, bedekt werden.20Vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt.21En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf den geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens.22Al wat een adem des geestes des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven.23Alzo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mens aan tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels, en zij werden verdelgd van de aarde; doch Noach alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.24En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.
1En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte, en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stil.2Ook werden de fonteinen des afgronds, en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.3Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende, en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.4En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventiende dag der maand, op de bergen van Ararat.5En de wateren waren gaande, en afnemende tot de tiende maand; in de tiende maand, op den eerste der maand, werden de toppen der bergen gezien.

De lankmoedigheid van God is ten einde. De zondvloed van Zijn oordeel gaat over de aarde.

Dit heeft niemand voorzien. Er waren geen vóórtekenen, behalve dan het bouwen van de ark. Alles scheen prima in orde te zijn. De mensen gingen gewoon hun gang. Men at, dronk en trouwde.

De mensen "bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam", zegt de Heere in Mattheüs 24 vers 37 tot en met 39.

Eenzelfde oordeel zullen allen ondergaan die niet luisteren naar de boodschap van genade die nu nog klinkt. Deze geschiedenis uit het Woord van God is een indrukwekkende waarschuwing uit de mond van de Heere Jezus om zich met God te verzoenen, om met God in het reine te komen. Nu wordt elk mens nog opgeroepen om plaats te nemen in de ark. Dat betekent: in Christus bescherming te zoeken voor de toorn van God.

Laten wij, als we die veilige plaats in Christus gevonden hebben, nooit vergeten dat Hij in onze plaats de verschrikkelijke golven van Gods toom heeft ondergaan.

"Al Uw baren en Uw golven zijn over Mij heengegaan" (Psalm 42 vers 8).

Te midden van deze catastrofe, zoals er nog nooit geweest is, genieten Noach en zijn gezin een volmaakte vrede. Of het water nu stijgt of zinkt, de ark zal nooit schipbreuk lijden. Evenmin de gelovige die in Christus blijft.

Genesis 8:6-22
6En het geschiedde, ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, die hij gemaakt had, opendeed.7En hij liet een raaf uit, die dikwijls heen en weder ging, totdat de wateren van boven de aarde verdroogd waren.8Daarna liet hij een duif van zich uit, om te zien, of de wateren gelicht waren van boven den aardbodem.9Maar de duif vond geen rust voor het hol van haar voet; zo keerde zij weder tot hem in de ark; want de wateren waren op de ganse aarde; en hij stak zijn hand uit, en nam haar, en bracht haar tot zich in de ark.10En hij verbeidde nog zeven andere dagen; toen liet hij de duif wederom uit de ark.11En de duif kwam tot hem tegen den avondtijd; en ziet, een afgebroken olijfblad was in haar bek; zo merkte Noach, dat de wateren van boven de aarde gelicht waren.12Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen; en hij liet de duif uit; maar zij keerde niet meer weder tot hem.13En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op den eersten derzelver maand, dat de wateren droogden van boven de aarde; toen deed Noach het deksel der ark af, en zag toe, en ziet, de aardbodem was gedroogd.14En in de tweede maand, op den zeven en twintigsten dag der maand, was de aarde opgedroogd.15Toen sprak God tot Noach, zeggende:16Ga uit de ark, gij, en uw huisvrouw, en uw zonen, en de vrouwen uwer zonen met u.17Al het gedierte, dat met u is, van alle vlees, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, doe met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen op de aarde.18Toen ging Noach uit, en zijn zonen, en zijn huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem.19Al het gedierte, al het kruipende, en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hun geslachten, gingen uit de ark.20En Noach bouwde den HEERE een altaar; en hij nam van al het reine vee, en van al het rein gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar.21En de HEERE rook dien liefelijken reuk, en de HEERE zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des mensen wil; want het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb.22Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden.

Zonder een motor of roer heeft God Zelf met vaste hand de ark gestuurd, totdat ze op de berg Ararat strandde.

Wij denken misschien: nu kan Noach wel direct naar buiten gaan. Maar nee, hij wacht nog een hele tijd. Want op het bevel van God is hij naar binnen gegaan en pas nadat God het gezegd heeft, zal hij naar buiten gaan.

De duif die nergens een plek vindt om te rusten, en weer in de ark terugkeert, is een beeld van de Heilige Geest Die geen plaats heeft in de veroordeelde wereld. Maar toen de Heere Jezus kwam, kon de Geest "gelijk een duif' op Hem rusten (Mattheus 3 vers 16).

Zo vergaat het de gelovige die de Heilige Geest bezit, ook nu. Hij vindt op aarde niets waarmee hij zich kan voeden, niets waarmee hij zijn hart kan bevredigen.

De ongelovige daarentegen voelt zich hier wel op zijn plaats. Hiervan is de raaf een beeld, de onreine vogel die zich voedt met bedorven vlees (Leviticus 11 vers 15).

Uiteindelijk verlaat Noach op Gods bevel de ark. Wat doet hij dan het eerst? Hij offert een brandoffer. God heeft de eerste rechten op de van vuiligheid gereinigde aarde. "En de HEERS rook die liefelijke reuk" van het offer.

Hebben wij in ons leven ook geen kleine en grote bevrijdingen meegemaakt? Laten we dan nooit vergeten daarvoor te danken! Natuurlijk in de eerste plaats voor een "zo grote zaligheid" die ons ten deel gevallen is in de Heer Jezus (Hebreeën 2 vers 3).

Genesis 9:1-19
1En God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde!2En uw vrees, en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle vissen der zee; zij zijn in uw hand overgegeven.3Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.4Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.5En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen.6Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.7Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.8Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:9Maar Ik, ziet, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u;10En met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u; van allen, die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe.11En Ik richt Mijn verbond op met u, dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid; en dat er geen vloed meer zal zijn, om de aarde te verderven.12En God zeide: Dit is het teken des verbonds, dat Ik geef tussen Mij en tussen ulieden, en tussen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten.13Mijn boog heb Ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teken des verbonds tussen Mij en tussen de aarde.14En het zal geschieden, als Ik wolken over de aarde brenge, dat deze boog zal gezien worden in de wolken;15Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond, hetwelk is tussen Mij en tussen u, en tussen alle levende ziel van alle vlees; en de wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vlees te verderven.16Als deze boog in de wolken zal zijn, zo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en tussen alle levende ziel, van alle vlees, dat op de aarde is.17Zo zeide dan God tot Noach: Dit is het teken des verbonds, dat Ik opgericht heb tussen Mij en tussen alle vlees, dat op de aarde is.18En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, en Cham, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaan.19Deze drie waren de zonen van Noach; en van dezen is de ganse aarde overspreid.

De aarde is van de gevolgen van de zonde gereinigd. Maar de bron van het kwaad is er nog steeds: het hart van de mens dat niet door het water van de zondvloed schoon gewassen kon worden.

God zegent de aartsvader en zijn gezin en vertrouwt hun het beheer over de aarde toe. Hoe zullen de nakomelingen van Noach op deze goedheid van God antwoorden? Precies zoals Kaïn in hoofdstuk 4: door bloedvergieten!

God heeft voorzegd dat er weer gewelddadigheid zou komen. Ja, zelfs het bloed van de Zoon van God zou vergoten worden. Alleen dàt bloed kan het hart van de mens rein wassen.

De aarde is overgeleverd aan de mens die haar met ijzeren hand bestuurt. Onder de vloek van God zucht de schepping en is in barensnood (Romeinen 8 vers 22).

Als teken van het verbond geeft God de regenboog in de wolken. Ook wij mogen, als wij die boog zien, denken aan Gods genade en Zijn belofte in vers 15.

In geestelijk opzicht vergaat het de christen net zo. Hij heeft het voorrecht in alle buien en stormen van dit leven zijn geloofsoog te mogen richten op God Die trouw blijft aan Zijn beloften.

Dat Christus gezeten is "aan de rechterhand Gods" (Hebreeën 9 vers 12 en 10 vers 12), spreekt nog veel meer tot het hart van de gelovige dan de regenboog. Want het herinnert een kind van God er altijd aan dat het oordeel dat vele malen erger zal zijn dan de zondvloed, aan hem voorbij zal gaan.

Genesis 9:20-29; Genesis 10:1-20
20En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte een wijngaard.21En hij dronk van dien wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden zijner tent.22En Cham, Kanaans vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijn beiden broederen daar buiten te kennen.23Toen namen Sem en Jafeth een kleed, en zij legden het op hun beider schouderen, en gingen achterwaarts, en bedekten de naaktheid huns vaders; en hun aangezichten waren achterwaarts, gekeerd zodat zij de naaktheid huns vaders niet zagen.24En Noach ontwaakte van zijn wijn; en hij merkte wat zijn kleinste zoon hem gedaan had.25En hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijn broederen!26Voorts zeide hij: Gezegend zij de HEERE, de God van Sem; en Kanaan zij hem een knecht!27God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaan zij hem een knecht!28En Noach leefde na den vloed driehonderd en vijftig jaren.29Zo waren al de dagen van Noach negenhonderd en vijftig jaren; en hij stierf.
1Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen: Sem, Cham, en Jafeth; en hun werden zonen geboren na den vloed.2De zonen van Jafeth zijn: Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Thiras.3En de zonen van Gomer zijn: Askenaz, en Rifath, en Togarma.4En de zonen van Javan zijn: Elisa, en Tarsis; de Chittieten en Dodanieten.5Van dezen zijn verdeeld de eilanden der volken in hun landschappen, elk naar zijn spraak, naar hun huisgezinnen, onder hun volken.6En de zonen van Cham zijn: Cusch en Mitsraim, en Put, en Kanaan.7En de zonen van Cusch zijn: Seba en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha. En de zonen van Raema zijn: Scheba en Dedan.8En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.9Hij was een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des HEEREN.10En het beginsel zijns rijks was Babel, en Erech, en Accad, en Calne in het land Sinear.11Uit ditzelve land is Assur uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve, en Rehoboth, Ir, en Kalach.12En Resen, tussen Nineve en tussen Kalach; deze is die grote stad.13En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,14En de Pathrusieten, en de Casluchieten, van waar de Filistijnen uitgekomen zijn, en de Caftorieten.15En Kanaan gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,16En de Jesubiet, en de Amoriet, en de Girgasiet,17En de Hivviet, en de Arkiet, en de Siniet,18En de Arvadiet, en de Tsemariet, en de Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Kanaanieten verspreid.19En de landpale der Kanaanieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.20Deze zijn zonen van Cham, naar hun huisgezinnen, naar hun spraken, in hun landschappen, in hun volken.

Hoe groot de ervaringen van de macht en liefde van God ook mogen zijn, ze hebben niet de kracht om de mens beter te maken (hoofdstuk 8 vers 21).

Noach laat zien dat hij niet in staat is zichzelf te beheersen, ook al is hij benoemd tot beheerder van de aarde.

Cham bespot zijn vader (Spreuken 30 vers 17) en lacht over de zonde, zoals de wereld nu ook nog doet. Hiermee brengt hij de vloek over zijn nageslacht, de Kanaänieten. We zullen zien dat meerdere naties die van Cham afstammen en in dit hoofdstuk genoemd worden, inderdaad vijanden van Gods volk werden: Babel, Egypte, Nínevé, de Filistijnen en de Kanaänieten (hun land is aan het volk Israël gegeven).

Sem en Jafeth hebben hun vader geëerd en daarom zal het hen hier op aarde welgaan (Efeze 6 vers 2 en 3).

In hoofdstuk 10 zien we het ontstaan van de volkeren hier op aarde (zie ook Deuteronomium 32 vers 8). Om het ware karakter van iets te kennen en te kunnen beoordelen, moet men teruggaan naar de oorsprong.

Babel of Babylon en Assur of Assyrië hebben hun oorsprong in het rijk van Nimrod. De naam van deze man betekent 'opstandeling' wat overeenkomt met zijn daden.

Bij Nimrod zien we hoe de mens een begin maakt met het vernietigen van de aarde door angst en lijden te zaaien. Want alleen tot zijn eigen vermaak en om zijn macht te tonen, doodt hij de dieren die God hem "tot spijs" heeft gegeven (hoofdstuk 9 vers 3).

Genesis 11:1-26
1En de ganse aarde was van enerlei spraak en enerlei woorden.2Maar het geschiedde, als zij tegen het oosten togen, dat zij een laagte vonden in het land Sinear; en zij woonden aldaar.3En zij zeiden een ieder tot zijn naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken, en wel doorbranden! En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.4En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!5Toen kwam de HEERE neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden.6En de HEERE zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?7Kom aan, laat Ons nedervaren, en laat Ons hun spraak aldaar verwarren, opdat iegelijk de spraak zijns naasten niet hore.8Alzo verstrooide hen de HEERE van daar over de ganse aarde; en zij hielden op de stad te bouwen.9Daarom noemde men haar naam Babel; want aldaar verwarde de HEERE de spraak der ganse aarde, en van daar verstrooide hen de HEERE over de ganse aarde.10Deze zijn de geboorten van Sem: Sem was honderd jaren oud, en gewon Arfachsad, twee jaren na den vloed.11En Sem leefde, nadat hij Arfachsad gewonnen had, vijfhonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.12En Arfachsad leefde vijf en dertig jaren, en hij gewon Selah.13En Arfachsad leefde, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij gewon zonen en dochteren.14En Selah leefde dertig jaren, en hij gewon Heber.15En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren.16En Heber leefde vier en dertig jaren, en gewon Peleg.17En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaren; en hij gewon zonen en dochteren.18En Peleg leefde dertig jaren, en hij gewon Rehu.19En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij gewon zonen en dochteren.20En Rehu leefde twee en dertig jaren, en hij gewon Serug.21En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.22En Serug leefde dertig jaren, en gewon Nahor.23En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaren; en hij gewon zonen en dochteren.24En Nahor leefde negen en twintig jaren, en gewon Terah.25En Nahor leefde, nadat hij Terah gewonnen had, honderd en negentien jaren; en hij gewon zonen en dochteren.26En Terah leefde zeventig jaren, en gewon Abram, Nahor en Haran.

Hier lezen we over de oprichting van Babel (of Babylon). Door de hele Schrift heen zien we dat Babel een beeld is van de wereld met al haar lusten en hoogmoed. Ook herkennen we in Babel al de behoefte aan eenheid. Dit vinden we later ook terug in het religieuze Babylon, de valse kerk, in Openbaring 17 en 18. De mens wil het tegen God opnemen, door z'n krachten te bundelen en voor eigen eer te strijden. "Laat ons een naam voor ons maken."

Maar bij een andere gelegenheid zien we Gods antwoord op deze uitdaging van de mens: "Die in de hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten" (Psalm 2 vers 4, zie ook Jesaja 8 vers 9).

De HEERE verwart de spraak van de inwoners van Babel en verstrooit hen (vers 7 en 8).

Wat een tegenstelling met het Nieuwe Testament waar we "de gemeente van de levende God" voorgesteld zien (zie bijvoorbeeld 1 Timotheüs 3 vers 15 en Mattheüs 16 vers 18), waarvan Christus het Fundament is en die door de Heilige Geest gevormd en door Christus gebouwd wordt!

Op de pinksterdag werden aan de apostelen talen gegeven om, in genade, van "de grote werken Gods" te vertellen aan alle toenmalig verstrooide volken (Handelingen 2 vers 9 tot en met 11).

En in Openbaring 5 bestaat de menigte van verlosten rondom de troon van het Lam uit dezulken die komen "uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie."

In de verzen 10 tot en met 26 zien we de geslachtslijn van Sem, die we terugvinden in het geslachtsregister van de Heere Jezus (Lukas 3 vers 36).

Genesis 11:27-32; Genesis 12:1-8
27En deze zijn de geboorten van Terah: Terah gewon Abram, Nahor en Haran; en Haran gewon Lot.28En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terah, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeen.29En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.30En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind.31En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeen, om te gaan naar het land Kanaan; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.32En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.
1De HEERE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.2En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!3En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.4En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.5En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.6En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaanieten waren toen ter tijd in dat land.7Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem aldaar verschenen was.8En hij brak op van daar naar het gebergte, tegen het oosten van Beth-El, en hij sloeg zijn tent op, zijnde Beth-El tegen het westen, en Ai tegen het oosten; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar, en riep den naam des HEEREN aan.

In de tijd na de zondvloed is de afgodendienst heel erg toegenomen (Jozua 24 vers 2). God laat het boze op zijn beloop, maar roept één man om hem voor Zich af te zonderen.

"Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, ... en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou" (Hebreeën 11 vers 8). Abram maakt zich blindelings op om te gaan, maar de God van de heerlijkheid neemt hem bij de hand (Handelingen 7 vers 2). Het bevel van God dat gepaard gaat met een zevenvoudige belofte (vers 2 en 3), is genoeg voor hem om op pad gaan.

Van nature staat gehoorzaamheid ons tegen, ook al weten wij de reden waarom er iets van ons verlangd wordt. Om te gehoorzamen, terwijl je het niet begrijpt, uit te gaan zonder te weten waar naartoe ... dàt vraagt geloof ! Dat wil zeggen: volledig vertrouwen op Hem Die die opdracht heeft gegeven!

In de Heilige Schrift is Abram een voorbeeld van het geloof. Het geloof wordt gekenmerkt door het opgeven van zichtbare dingen en het zich richten op een onzichtbaar doel (2 Korinthe 4 vers 18).

In tegenstelling tot hen die hier op aarde voor zichzelf steden bouwen (Kaïn, de inwoners van Babel, enzovoorts), richt Abram zijn blik naar de hemelse stad "welker Kunstenaar en Bouwmeester God is" (Hebreeën 11 vers 10).

Deze verwachting maakt hem tot een vreemdeling hier op aarde. Voortaan bezit hij alleen maar zijn tent en altaar: het tweevoudige getuigenis waardoor hij laat zien dat hij een pelgrim is. Dit was door de eeuwen heen het kenmerk van alle geloofsmannen.

Genesis 12:9-20; Genesis 13:1-4
9Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het zuiden.10En er was honger in dat land; zo toog Abram af naar Egypte, om daar als een vreemdeling te verkeren, dewijl de honger zwaar was in dat land.11En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht.12En het zal geschieden, als u de Egyptenaars zullen zien, zo zullen zij zeggen: Dat is zijn huisvrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven behouden.13Zeg toch: Gij zijt mijn zuster; opdat het mij wel ga om u, en mijn ziel om uwentwil leve.14En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was.15Ook zagen haar de vorsten van Farao, en prezen haar bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar het huis van Farao.16En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.17Maar de HEERE plaagde Farao met grote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrams huisvrouw.18Toen riep Farao Abram, en zeide: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt? waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven, dat zij uw huisvrouw is?19Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster; zodat ik haar mij tot een vrouw zoude genomen hebben? en nu, zie, daar is uw huisvrouw; neem haar en ga henen!20En Farao gebood zijn mannen vanwege hem, en zij geleidden hem, en zijn huisvrouw, en alles wat hij had.
1Alzo toog Abram op uit Egypte naar het zuiden, hij en zijn huisvrouw, en al wat hij had, en Lot met hem.2En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud.3En hij ging, volgens zijn reizen, van het zuiden tot Beth-El toe, tot aan de plaats, waar zijn tent in het begin geweest was, tussen Beth-El, en tussen Ai;4Tot de plaats des altaars, dat hij in het eerst daar gemaakt had; en Abram heeft aldaar den Naam des HEEREN aangeroepen.

Abram is met zijn neef Lot naar het land Kanaän getrokken. Plotseling komt daar echter een hongersnood, zodat de aartsvader naar Egypte reist, maar ... zonder dat God hem dat gezegd heeft! De gevolgen van zijn gebrek aan afhankelijkheid blijven niet uit: hij verloochent zijn vrouw en door zijn leugen komt hij in een moeilijk parket.

Door deze verdrietige bladzijde uit zijn geschiedenis leren wij waartoe een godvrezend persoon in staat is, als hij de plaats verlaat die God hem heeft aangewezen. Hij kan zover komen dat hij zijn verbinding met de Heere verloochent.

Ook Petrus heeft diezelfde nare ervaring moeten opdoen. Hij zocht het gezelschap van de vijanden van de Heere Jezus op waardoor hij de moed verloor toe te geven dat hij bij de Heere hoorde (Mattheus 26 vers 69 en verder).

En wij, die verlost zijn door de Heere Jezus, schamen wij ons er soms ook niet voor dat we bij Hem horen (2 Timotheüs 2 vers 12 en 13)?

De tweeslachtige houding van de man Gods is voor hemzelf verwoestend. Maar heeft de wereld er dan tenminste nog baat bij? Nee, integendeel! De aanwezigheid van Sarai in het paleis van farao brengt alleen maar plagen voor hem en zijn volk met zich mee.

Nadat de wereld hem een "ga heen!" toeroept (wat heel anders klinkt dan Gods bevel in vers 1), keert Abram terug naar zijn uitgangspunt in Kanaän Daar vindt hij het altaar terug, dat wil zeggen: het contact met God dat hij tijdens zijn verblijf in Egypte heeft moeten missen.

Genesis 13:5-18
5En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten.6En dat land droeg hen niet, om samen te wonen; want hun have was vele, zodat zij samen niet konden wonen.7En er was twist tussen de herders van Abrams vee, en tussen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaanieten en Ferezieten in dat land.8En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.9Is niet het ganse land voor uw aangezicht? Scheid u toch van mij; zo gij de linkerhand kiest, zo zal ik ter rechterhand gaan; en zo gij de rechterhand, zo zal ik ter linkerhand gaan.10En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de HEERE Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des HEEREN, als Egypteland, als gij komt te Zoar.11Zo koos Lot voor zich de ganse vlakte der Jordaan, en Lot trok tegen het oosten; en zij werden gescheiden, de een van den ander.12Abram dan woonde in het land Kanaan; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe.13En de mannen van Sodom waren boos, en grote zondaars tegen den HEERE.14En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts.15Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.16En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.17Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte, want Ik zal het u geven.18En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbossen van Mamre, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.

De tijd die Abram in Egypte doorbracht, was verloren tijd. En de rijkdommen die hij zich daar verworven heeft, brengen hem alleen maar zorgen. Zij zijn de oorzaak van de scheiding tussen hem en Lot.

In aanwezigheid van de bewoners van Kanaän speelt zich een strijd tussen 'broeders' af (vers 7). Wat een triest getuigenis! Vergelijk 1 Korinthe 6 vers 6 en Johannes 13 vers 35.

Abram laat de keus van de plaats waar hij naartoe wil trekken, over aan Lot. Dat toont ons een geest van zachtmoedigheid en zelfverloochening! Laat het een voorbeeld voor ons zijn als wij denken voor onze rechten te moeten opkomen.

Lot kiest wat hem het beste bevalt, waarheen zijn wereldsgezinde hart hem trekt ("de ganse vlakte der Jordaan" was "als Egypteland" — vers 10). Abram laat het echter aan God over een plaats voor hem uit te zoeken (Psalm 47 vers 5). God stelt hen die op Hem vertrouwen, nooit teleur. "Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen" (Psalm 22 vers 5).

Inderdaad krijgt Abram nu de bevestiging van de belofte dat God hem het beloofde land zal geven. God zegt tegen hem: "Hef uw ogen op" (vers 14), en vervolgens: "Maak u op, wandel door dit land" (vers 17).

Voor ons is Kanaän een beeld van de hemelse gewesten. God nodigt ons uit er niet alleen naar te kijken, maar er ook 'door te wandelen'. Hoe kunnen we de hemelse plaatsen meten 'in zijn lengte en in zijn breedte'? Alleen door het heerlijke Woord van God te onderzoeken en erover na te denken!

Genesis 14:1-12
1En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-Laomer, de koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken;2Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar.3Deze allen voegden zich samen in het dal Siddim, dat is de Zoutzee.4Twaalf jaren hadden zij Kedor-Laomer gediend; maar in het dertiende jaar vielen zij af.5Zo kwam Kedor-Laomer in het veertiende jaar, en de koningen, die met hem waren, en sloegen de Refaiten in Asteroth-Karnaim, en de Zuzieten in Ham, en de Emieten in Schave-Kiriathaim;6En de Horieten op hun gebergte Seir, tot aan het effen veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is.7Daarna keerden zij wederom, en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades, en sloegen al het land der Amalekieten, en ook den Amoriet, die te Hazezon-Thamar woonde.8Toen toog de koning van Sodom uit, en de koning van Gomorra, en de koning van Adama, en de koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden tegen hen slagorden in het dal Siddim,9Tegen Kedor-Laomer, den koning van Elam, en Tideal, den koning der volken, en Amrafel, den koning van Sinear, en Arioch, den koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf.10Het dal nu van Siddim was vol lijmputten; en de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.11En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hun spijze, en trokken weg.12Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zijn have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom.

In tegenstelling tot Abram, de man van het geloof, is Lot een beeld van een gelovige die op zichtbare dingen vertrouwt. Lange tijd is hij met zijn oom meegegaan en heeft hij hem in alles nagedaan. Veel jonge mensen doen dat ook; zij leunen als het ware op het geloof van hun ouders.

Maar als hij op de proef gesteld wordt, wordt bij Lot zichtbaar wat er in zijn hart leeft. Eerst komt hij steeds dichter in de buurt van Sodom (hoofdstuk 13 vers 12), maar nu woont hij in de stad (vers 12).

Als men zich bewust op glibberige wegen begeeft, is men niet in staat te stoppen. Omdat hij zich op deze verkeerde plaats bevindt, raakt hij in een oorlog verwikkeld waar hij part noch deel aan heeft. Hij wordt dan ook, samen met de inwoners van Sodom, gevangengenomen.

De omgang met mensen die de Heere niet vrezen, brengt een kind van God in gevaar zijn vrijheid te verliezen. Bovendien zal zulk gezelschap altijd moeilijkheden en smart voor de ziel betekenen. In 2 Petrus 2 vers 8 lezen we over de dagelijks kwellingen van Lots ziel. Zo zal het elke wereldsgezinde gelovige vergaan.

Lot leidt eigenlijk een dubbel leven. Door uiterlijke, maar ook door innerlijke moeilijkheden kan men zich alleen maar diep ongelukkig voelen.

Abram bevindt zich daarentegen op de berg (dat wil zeggen: dicht bij de Heere) en weet niets van deze problemen af. Hij is onbekend met een wereld waarin zich vreselijke en goddeloze dingen afspelen.

Hoe is dat bij ons? Op wie lijken wij, op Lot of op Abraham?

Genesis 14:13-24
13Toen kwam er een, die ontkomen was, en boodschapte het aan Abram, den Hebreer, die woonachtig was aan de eikenbossen van Mamre, den Amoriet, broeder van Eskol, en broeder van Aner, welke Abrams bondgenoten waren.14Als Abram hoorde, dat zijn broeder gevangen was, zo wapende hij zijn onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij jaagde hen na tot Dan toe.15En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijn knechten, en sloeg ze; en hij jaagde hen na tot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damaskus.16En hij bracht alle have weder, en ook Lot zijn broeder en deszelfs have bracht hij weder, als ook de vrouwen, en het volk.17En de koning van Sodom toog uit, hem tegemoet (nadat hij wedergekeerd was van het slaan van Kedor-Laomer, en van de koningen, die met hem waren), tot het dal Schave, dat is, het dal des konings.18En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.19En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!20En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.21En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.22Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den HEERE, den allerhoogste God, Die hemel en aarde bezit;23Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!24Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!

Tot nu toe heeft Abram zich niet gemengd in deze oorlog. Hij past er wel voor op deel te nemen aan een oorlog die hem niets aangaat (Spreuken 26 vers 17). Maar zodra hij hoort dat zijn neef gevangengenomen is, houdt niets hem meer tegen om hulp te bieden.

Om neutraal te blijven, had hij zijn zwakheid tegenover die zegevierende koningen kunnen aanvoeren. Of hij had kunnen zeggen dat het Lots eigen schuld was. Maar dat doet hij niet. En zijn liefde tot zijn 'broeder', zijn geloof en zijn volharding, bezorgen hem de overwinning en de bevrijding van de gevangenen.

Nu verschijnt er nog een vijand ten tonele. Een gevaarlijker vijand dan de vier koningen, hoewel hij al overwonnen is. Het is de koning van Sodom.

Hij komt bij Abram om hem met zijn geschenken van zich afhankelijk te maken. Maar God waakt over Abram. En om Zijn dienstknecht kracht te geven, komt er een geheimzinnige bezoeker: Melchizédek.

Hij is koning en priester tegelijk, een beeld van de Heere Jezus (Hebreeën 7 vers 1 tot en met 10). Gevoed en gezegend door Melchizédek wijst Abram het aanbod van de koning van Sodom resoluut van de hand.

Een hart dat gevoed is door Christus, kan dat wat satan aanbiedt, resoluut afslaan.

Lot heeft echter niets geleerd van deze Goddelijke les; hij keert terug om weer in Sodom te gaan wonen waar hij nog een verdrietige ervaring zal opdoen.

Genesis 15:1-21
1Na deze dingen geschiedde het woord des HEEREN tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.2Toen zeide Abram: Heere, HEERE! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliezer?3Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!4En ziet, het woord des HEEREN was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.5Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!6En hij geloofde in den HEERE; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.7Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de HEERE, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeen, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.8En hij zeide: Heere, HEERE! waarbij zal ik weten, dat ik het erfelijk bezitten zal?9En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarige ram, en een tortelduif, en een jonge duif.10En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet.11En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.12En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.13Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren.14Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have.15En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden.16En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen.17En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.18Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:19Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,20En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten,21En den Amoriet, en den Kanaaniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.

Abram heeft niets verloren door het aanbod van de koning van Sodom af te wijzen. Integendeel! De HEERE verschijnt hem en zegt: "Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot."

God zegt niet wat Hij hem zal geven, maar wat Hij voor hem zal zijn. De Gever te bezitten, is meer dan de gaven te ontvangen.

Het geloof van Abram grijpt de belofte van God: "Zo zal uw zaad zijn!" aan. Hij twijfelt niet; hij gaf aan God de eer, "ten volle verzekerd zijnde, dat Hij ook machtig was, hetgeen beloofd was te doen" (Romeinen 4 vers 20 en 21).

God geloven (dus niet alleen aan of in Hem geloven) is genoeg om gerechtvaardigd te worden (vers 6). Dit belangrijke vers wordt in het Nieuwe Testament drie maal aangehaald, namelijk in Romeinen 4 vers 3; Galaten 3 vers 6 en Jakobus 2 vers 23.

Nadat de HEERE Zich zo met Abram verbonden heeft, wordt dit met een offer bezegeld (vers 9 en 10). De dood van Christus is het enige Middel waardoor God Zijn beloften kan vervullen.

Roofvogels proberen stukken van het offerdier weg te pikken. Dat is een beeld van satan die ons iets van de veelzijdige betekenis van het sterven van de Heere Jezus wil ontnemen. Maar zoals bij Abram, moet ook ons geloof werkzaam zijn, zodat satan van ons vlucht.

Aan het slot van dit hoofdstuk zien we dat de man van het geloof nu een veel beter zicht gekregen heeft op het erfdeel dat hem beloofd is. Dat is altijd het gevolg van een beproefd geloof. Het brengt ons dichter bij de Heere en we zien meer van Zijn plannen en gedachten.

Genesis 16:1-16
1Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.2Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de HEERE heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.3Zo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, haar dienstmaagd, ten einde van tien jaren, welke Abram in het land Kanaan gewoond had, en zij gaf haar aan Abram, haar man, hem tot een vrouw.4En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag, dat zij ontvangen had, zo werd haar vrouw veracht in haar ogen.5Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is op u; ik heb mijn dienstmaagd in uw schoot gegeven; nu zij ziet, dat zij ontvangen heeft, zo ben ik veracht in haar ogen; de HEERE rechte tussen mij en tussen u!6En Abram zeide tot Sarai: Zie uw dienstmaagd is in uw hand; doe haar, wat goed is in uw ogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.7En de Engel des HEEREN vond haar aan een waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur.8En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai!9Toen zeide de Engel des HEEREN tot haar: Keer weder tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen.10Voorts zeide de Engel des HEEREN tot haar: Ik zal uw zaad grotelijks vermenigvuldigen, zodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.11Ook zeide des HEEREN Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en gij zult zijn naam Ismael noemen, omdat de HEERE uw verdrukking aangehoord heeft.12En hij zal een woudezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor het aangezicht van al zijn broederen.13En zij noemde den Naam des HEEREN, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?14Daarom noemde men dien put, den put Lachai-Roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.15En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismael.16En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismael aan Abram baarde.

Na de prachtige bewijzen van het geloof van Abram vinden we nu weer een falen in het leven van deze aartsvader.

In zekere zin wil hij God helpen om Zijn belofte waar te maken. In plaats van geduldig op zijn beloofde zoon te wachten, luistert hij naar zijn vrouw Sarai. En het dienstmeisje Hagar dat ze waarschijnlijk meegenomen hebben uit Egypte, wordt de moeder van Ismaël.

Nadat Hagar de oorzaak is geworden van onenigheid in het huis van deze man Gods, vlucht zij bij haar meesteres weg. Maar de HEERE bekommert Zich om haar. Hij komt haar tegen op de weg die zijzelf heeft gekozen, en wordt voor haar de "God des aanziens" (vers 13).

In de Engel des HEEREN mogen we de Heere Jezus herkennen.

Beste lezer(es), hebt u deze beslissende ontmoeting in uw leven gehad? Heeft God Zich als de Levende aan u getoond? In Christus heeft Hij Zich aan ons geopenbaard (Johannes 8 vers 19 en 2 Korinthe 4 vers 6). Bij deze Verlosser vinden wij het levende water van de genade in overvloed, waarvan de put Lachai-Rói ons spreekt (Johannes 4 vers 14).

Laten we letten op de woorden die de Engel tegen Hagar zegt: "Keer weer tot uw vrouw, en verneder u onder haar handen" (vers 9).

Nederigheid en het bekennen van onze zonden zijn de eerste stappen die de Heere van ons verlangt, wanneer Hij Zich aan onze ziel heeft geopenbaard.

Genesis 17:1-27
1Als nu Abram negen en negentig jaren oud was, zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht, en zijt oprecht!2En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen.3Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:4Mij aangaande, zie, Mijn verbond is met u; en gij zult tot een vader van menigte der volken worden!5En uw naam zal niet meer genoemd worden Abram; maar uw naam zal wezen Abraham; want Ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volken.6En Ik zal u gans zeer vruchtbaar maken, en Ik zal u tot volken stellen, en koningen zullen uit u voortkomen.7En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.8En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaan, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.9Voorts zeide God tot Abraham: Gij nu zult Mijn verbond houden, gij, en uw zaad na u, in hun geslachten.10Dit is Mijn verbond, dat gijlieden houden zult tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u: dat al wat mannelijk is, u besneden worde.11En gij zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn van het verbond tussen Mij en tussen u.12Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene van het huis, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uw zaad;13De ingeborene van uw huis, en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees, tot een eeuwig verbond.14En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids vlees niet zal besneden worden, dezelve ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden; hij heeft Mijn verbond gebroken.15Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam van uw huisvrouw Sarai, niet Sarai noemen; maar haar naam zal zijn Sara.16Want Ik zal haar zegenen, en u ook uit haar een zoon geven; ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal: koningen der volken zullen uit haar worden!17Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren?18En Abraham zeide tot God: Och, dat Ismael mocht leven voor Uw aangezicht!19En God zeide: Voorwaar, Sara, uw huisvrouw, zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam noemen Izak; en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten, tot een eeuwig verbond zijn zade na hem.20En aangaande Ismael heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;21Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal.22En Hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham.23Toen nam Abraham zijn zoon Ismael, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijk als God met hem gesproken had.24En Abraham was oud negen en negentig jaren, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd.25En Ismael, zijn zoon, was dertien jaren oud, als hem het vlees zijner voorhuid besneden werd.26Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismael, zijn zoon.27En alle mannen van zijn huis, de ingeborenen des huizes, en de gekochten met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden.

Opnieuw verschijnt de HEERE aan Abram en herhaalt de belofte dat zijn nageslacht ontelbaar zou zijn. Ook geeft Hij hem nu een andere naam: Abraham.

Een naamsverandering is in de Bijbel altijd een teken van een nieuwe verhouding ten opzichte van hem die de naam geeft.

Nu is onze aartsvader niet alleen meer de man van het geloof, maar ook de "vader van allen, die geloven" (Romeinen 4 vers 11). Doordat God hem de naam 'vader van menigte van volken' geeft, toont Hij Zijn belangstelling en liefde voor deze menigte van gelovigen. Een menigte waarvan Abraham de 'voorganger' is en waartoe hopelijk elke lezer(es) gerekend mag worden.

In de geslachtslijn van koningen die uit Abraham zullen voortkomen, ziet God al de 'Zoon Davids' Die Hij tot Koning van Israël èn van de wereld heeft voorbestemd. Het Nieuwe Testament begint met het geslachtsregister van de Heere Jezus, de "Zoon van David, zoon van Abraham".

Tegelijk met een nieuwe naam geeft God nòg een teken aan Abraham: de besnijdenis die in zekere zin een beeld is van de huidige doop. Zowel de afzondering voor God, alsook een "niet in het vlees betrouwen" wordt erin tot uitdrukking gebracht (Filippi 3 vers 3).

Aan het einde van het hoofdstuk vinden we Sarai die ook een nieuwe naam heeft gekregen: Sara. De geboorte van Izaäk wordt aangekondigd en tot slot voert Abraham in gehoorzaamheid de opdracht van de HEERE uit.

Genesis 18:1-15
1Daarna verscheen hem de HEERE aan de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur der tent zat, toen de dag heet werd.2En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde.3En hij zeide: Heere! heb ik nu genade gevonden in Uw ogen, zo gaat toch niet aan Uw knecht voorbij.4Dat toch een weinig waters gebracht worde, en wast Uw voeten, en leunt onder dezen boom.5En ik zal een bete broods langen, dat Gij Uw hart sterkt; daarna zult Gij voortgaan, daarom omdat Gij tot Uw knecht overgekomen zijt. En zij zeiden: Doe zo als gij gesproken hebt.6En Abraham haastte zich naar de tent tot Sara, en hij zeide: Haast u; kneed drie maten meelbloem, en maak koeken.7En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, en hij gaf het aan den knecht, die haastte, om dat toe te maken.8En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten.9Toen zeiden zij tot hem: Waar is Sara, uw huisvrouw? En hij zeide: Ziet, in de tent.10En Hij zeide: Ik zal voorzeker weder tot u komen, omtrent dezen tijd des levens; en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben! En Sara hoorde het aan de deur der tent, welke achter Hem was.11Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze der vrouwen.12Zo lachte Sara bij zichzelve, zeggende: Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is?13En de HEERE zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zou ik ook waarlijk baren, nu ik oud geworden ben?14Zou iets voor den HEERE te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal Ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal een zoon hebben!15En Sara loochende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En Hij zeide: Neen! maar gij hebt gelachen.

God eert Abraham door hem Zijn "liefhebber" of "vriend" te noemen (2 Kronieken 20 vers 7; Jesaja 41 vers 8 en Jakobus 2 vers 23). En omdat hij Zijn vriend is, bezoekt de HEERE hem en deelt hem Zijn plannen met hem (vers 9 tot en met 15) en de wereld (vers 20 en 21; zie ook Johannes 15 vers 15) mee.

De aartsvader treedt de HEERE vol vertrouwen en vrijmoedig, maar ook met diep ontzag, tegemoet. Uit de blijmoedigheid en ijver waarmee hij zijn hemelse gasten ontvangt, blijkt de gezindheid van zijn hart. Hij kent zijn God. Hij heeft de goedertierenheid van de Heere geproefd (1 Petrus 2 vers 3).

In het Nieuwe Testament vinden we verscheidene personen die het voorrecht hadden de Heere Jezus in hun huis te mogen opnemen: Levi, Martha, Zacheüs en nog vele anderen (Lukas 5 vers 29; 10 vers 38 en 19 vers 6). Uit de Schrift kunnen wij leren onder welke voorwaarden wij datzelfde voorrecht kunnen genieten: gehoorzaamheid aan het Woord van de Heere is de sleutel die ons hart voor Hem opent (Johannes 14 vers 23).

Abraham is voor ons niet alleen een voorbeeld in het hebben van gemeenschap, maar ook in het bewijzen van gastvrijheid. Van een christen wordt gevraagd dit zonder mopperen te doen (1 Petrus 4 vers 9).

Wat een geweldige boodschap mogen Abraham en Sara horen: de erfgenaam waar ze zo naar verlangd hebben, komt! Sara twijfelt en lacht.

Voor ons is deze gebeurtenis een prachtige bevestiging van de woorden: "Zou iets voor de HEERE te wonderlijk zijn?" (vers 14).

Genesis 18:16-33
16Toen stonden die mannen op van daar, en zagen naar Sodom toe; en Abraham ging met hen, om hen te geleiden.17En de HEERE zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?18Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden?19Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des HEEREN houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de HEERE over Abraham brenge, hetgeen Hij over hem gesproken heeft.20Voorts zeide de HEERE: Dewijl het geroep van Sodom en Gomorra groot is, en dewijl haar zonde zeer zwaar is,21Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.22Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des HEEREN.23En Abraham trad toe, en zeide: Zult Gij ook den rechtvaardige met den goddeloze ombrengen?24Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn?25Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?26Toen zeide de HEERE: Zo Ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal Ik de ganse plaats sparen om hunnentwil.27En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben!28Misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken; zult Gij dan om vijf de ganse stad verderven? En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven, zo Ik er vijf en veertig zal vinden.29En hij voer voort nog tot Hem te spreken, en zeide: Misschien zullen aldaar veertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen om der veertigen wil.30Voorts zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik spreke; misschien zullen aldaar dertig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal het niet doen, zo Ik aldaar dertig zal vinden.31En hij zeide: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere; misschien zullen er twintig gevonden worden! En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der twintigen wil.32Nog zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke, dat ik alleenlijk ditmaal spreke: misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zeide: Ik zal haar niet verderven om der tienen wil.33Toen ging de HEERE weg, als Hij geeindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weder naar zijn plaats.

"De verborgenheid des HEEREN is voor hen, die Hem vrezen" (Psalm 25 vers 14; zie ook Amos 3 vers 7).

Abraham is één van hen die de HEERE vrezen. "Ik heb hem gekend" , kan de HEERE zeggen. En: "Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?"

Het begrijpen van Gods gedachten is onlosmakelijk verbonden met een trouwe wandel.

God kent de enige uitwerking van Zijn mededelingen aan de man Gods. Het zal bij hem dezelfde gevoelens in het hart oproepen als bij de HEERE Zelf. Gevoelens van liefde en erbarmen om hen die Hem liefhebben, te redden van het vreselijke oordeel.

Beste gelovige vriend(in), uit het Woord van God weten we van het komende oordeel over de wereld. Kennen wij diezelfde gevoelens ook als we denken aan allen die voor eeuwig verloren zullen zijn?

Ieder van ons kent wel onbekeerde mensen in de familie, onder vrienden of collega's. Wat kunnen we voor hen doen? Natuurlijk kunnen we hen waarschuwen, maar we kunnen ook voorbede voor hen doen.

Abraham doet dat ook met volharding voor Sodom waar zijn 'broeder' Lot woont.

1 Timotheüs 2 vers 1 roept ons op om voorbiddingen te doen "voor alle mensen", voorbiddingen bij Hem Die wij mogen kennen als "God, onze Zaligmaker, Die wil, dat alle mensen zalig worden."

Genesis 19:1-14
1En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond; en Lot zat in de poort te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij op hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde.2En hij zeide: Ziet nu, mijne heren! keert toch in ten huize van uw knecht, en vernacht, en wast uw voeten; en gij zult vroeg opstaan, en gaan uws weegs. En zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.3En hij hield bij hen zeer aan, zodat zij tot hem inkeerden, en kwamen in zijn huis; en hij maakte hun een maaltijd, en bakte ongezuurde koeken, en zij aten.4Eer zij zich te slapen legden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk, van het uiterste einde af.5En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.6Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;7En hij zeide: Mijn broeders! doet toch geen kwaad!8Ziet toch, ik heb twee dochters, die geen man bekend hebben; ik zal haar nu tot u uitbrengen, en doet haar, zoals het goed is in uw ogen; alleenlijk doet dezen mannen niets; want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.9Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken.10Doch die mannen staken hun hand uit, en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en sloten de deur toe.11En zij sloegen de mannen, die aan de deur van het huis waren, met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zodat zij moede werden, om de deur te vinden.12Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? een schoonzoon, of uw zonen, of uw dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng uit deze plaats;13Want wij gaan deze plaats verderven, omdat haar geroep groot geworden is voor het aangezicht des HEEREN, en de HEERE ons uitgezonden heeft, om haar te verderven.14Toen ging Lot uit, en sprak tot zijn schoonzonen, die zijn dochteren nemen zouden, en zeide: Maakt u op, gaat uit deze plaats; want de HEERE gaat deze stad verderven. Maar hij was in de ogen zijner schoonzonen als jokkende.

Wat een contrast voor de engelen tussen het bezoek bij Abraham en nu, op diezelfde dag, bij Lot!

We zien hun aarzeling om op de nadrukkelijke uitnodiging van Lot in te gaan (vers 2). Hoe zouden ze gemeenschap kunnen hebben met deze gelovige die zich op een verkeerde plaats bevindt?

Ze komen dan ook alleen maar bij hem binnen om hem te beschermen en te bevrijden. Lot heeft zichzelf overigens nooit op zijn gemak gevoeld in deze verdorven stad.

We zouden dat niet weten als het Nieuwe Testament ons dat niet meedeelde. God Die de harten kent, vond het nodig dat wij zouden weten dat Lot een rechtvaardige was en zich niet heeft ingelaten met de boze praktijken. Nee, hij heeft "dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld" (2 Petrus 2 vers 7 en 8).

De mannen van Sodom schamen zich er niet voor om 's nachts hun eigen verdorven toestand te openbaren (vergelijk Jesaja 3 vers 9).

De HEERE Die gezegd heeft: "... en zo niet, Ik zal het weten" (hoofdstuk 18 vers 21), heeft geen verdere bewijzen nodig. Deze mannen getuigen tegen zichzelf.

Zelfs zijn schoonzonen nemen Lot niet serieus. Als een gelovige een tijd lang met de wereld heeft meegedaan, maken zijn woorden over het naderende oordeel geen indruk meer. Dan wordt er niet meer naar hem geluisterd.

Genesis 19:15-29
15En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem uw huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt.16Maar hij vertoefde; zo grepen dan die mannen zijn hand, en de hand zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschoning des HEEREN over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem buiten de stad.17En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt.18En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere!19Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!20Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve.21En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt.22Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.23De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.24Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel.25En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.26En zijn huisvrouw zag om van achter hem; en zij werd een zoutpilaar.27En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des HEEREN gestaan had.28En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.29En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.

De bevrijding van Lot is de verhoring van het gebed van Abraham waarvan we in het vorige hoofdstuk lazen.

Abraham meende dat, opdat zijn broeder gered zou worden, Sodom gespaard moest blijven. Maar God antwoordt niet altijd op een wijze zoals wij verwachten. Toch antwoordt Hij!

Helaas is het hart van Lot zo verknocht aan alles wat hij moet achterlaten, dat hij treuzelt. De beide engelen zien zich daarom gedwongen Lot met zijn vrouw en dochters met harde hand naar buiten te brengen.

Hoe is dat bij ons die mogen weten uit genade verlost te zijn? Als wij vandaag de aarde zouden moeten verlaten om naar de hemel te gaan, zouden we dan met blijdschap gaan? Of zouden we het jammer vinden, omdat we geen afstand kunnen nemen van veel dingen waar we hier ons hart op hebben gezet?

Sodom en Gomorra worden tot as. Wat een ernstige les voor alle mensen die zonder God leven (2 Petrus 2 vers 6 en Judas vers 7)!

Ook de vrouw van Lot wordt in de Schrift genoemd als een
waarschuwing voor ons; om ons erop te wijzen wat het kost,
als we verbindingen aangaan met een veroordeelde wereld.

Naar buiten toe leek het alsof deze vrouw bij het volk van God hoorde, maar het tegendeel was waar. In haar hart was alleen plaats voor de wereld en ze is met haar omgekomen. Ja, "gedenkt aan de vrouw van Lot", zegt de Heere (Lukas 17 vers 32).

Genesis 20:1-18
1En Abraham reisde van daar naar het land van het zuiden, en woonde tussen Kades en tussen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.2Als nu Abraham van Sara, zijn huisvrouw, gezegd had: Zij is mijn zuster, zo zond Abimelech, de koning van Gerar, en nam Sara weg.3Maar God kwam tot Abimelech in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Zie, gij zijt dood om der vrouwe wil, die gij weggenomen hebt; want zij is met een man getrouwd.4Doch Abimelech was tot haar niet genaderd; daarom zeide hij: Heere! zult Gij dan ook een rechtvaardig volk doden?5Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.6En God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.7Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!8Toen stond Abimelech des morgens vroeg op, en riep al zijn knechten, en sprak al deze woorden voor hun oren. En die mannen vreesden zeer.9En Abimelech riep Abraham, en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan? en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk een grote zonde gebracht hebt? gij hebt daden met mij gedaan, die niet zouden gedaan worden.10Voorts zeide Abimelech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zaak gedaan hebt?11En Abraham zeide: Want ik dacht: alleen is de vreze Gods in deze plaats niet, zodat zij mij om mijner huisvrouw wil zullen doden.12En ook is zij waarlijk mijn zuster; zij is mijns vaders dochter, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.13En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!14Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weder.15En Abimelech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht; woon, waar het goed is in uw ogen.16En tot Sara zeide hij: Zie, ik heb uw broeder duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel der ogen, allen, die met u zijn, ja, bij allen, en wees geleerd.17En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden.18Want de HEERE had al de baarmoeders van het huis van Abimelech ganselijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.

Voor de tweede keer verloochent Abraham zijn vrouw en verdient daarmee een bestraffing door de wereld (zie hoofdstuk 12). Het is vaak nodig dat God bepaalde lessen herhaalt, totdat de wortel van het kwaad door ons wordt herkend en veroordeeld.

Dit keer is het 'maar' een halve leugen van Abraham (vers 12 en 13). Het is een ernstige les voor ons om te zien dat een zo bevoorrecht mens als Abraham die in innige gemeenschap met God leefde, toch zijn verbinding met God vergeet en geen goed getuige is.

We horen zijn verdrietige woorden tegen de koning Abimélech: "... toen God mij uit het huis van mijn vader deed dwalen" (vers 13). Wat een droevige uitspraak voor een gelovige! Is dat alles wat hij te zeggen heeft over de roepstem van de "God der heerlijkheid", over een hemelse stad?

Ach, hoe vaak lijken wij niet op hem! Als een christen veel omgang heeft met mensen uit de wereld, neemt hij hun spraakgebruik over.

Maar zelfs tijdens de zo nodige lessen van de HEERE, waakt Hij in alle zachtmoedigheid over hen. "Toen ... liet Hij geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende: Tast Mijn gezalfden niet aan" (Psalm 105 vers 14 en 15).

De HEERE zorgt ervoor dat de waardigheid van Abraham als Zijn 'vertegenwoordiger' — de profeet die in Zijn Naam spreekt (vers 7), en de voorbidder wiens gebeden verhoord worden (vers 17) — overeind blijft staan.

Genesis 21:1-21
1En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara gelijk als Hij gesproken had.2En Sara werd bevrucht, en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, ter gezetter tijd, dien hem God gezegd had.3En Abraham noemde den naam zijns zoons, dien hem geboren was, dien hem Sara gebaard had, Izak.4En Abraham besneed zijn zoon Izak, zijnde acht dagen oud, gelijk als hem God geboden had.5En Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd.6En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen.7Voorts zeide zij: Wie zou Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.8En het kind werd groot, en werd gespeend; toen maakte Abraham een groten maaltijd op den dag, als Izak gespeend werd.9En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende.10En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven.11En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon.12Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.13Doch Ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is.14Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en een fles water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haar schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-seba.15Als nu het water van de fles uit was, zo wierp zij het kind onder een van de struiken.16En zij ging en zette zich tegenover, afgaande zo verre, als die met de boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en hief haar stem op, en weende.17En God hoorde de stem van den jongen; en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel, en zeide tot haar: Wat is u, Hagar? Vrees niet; want God heeft naar des jongens stem gehoord, ter plaatse, waar hij is.18Sta op, hef den jongen op, en houd hem vast met uwe hand; want Ik zal hem tot een groot volk stellen.19En God opende haar ogen, dat zij een waterput zag; en zij ging, en vulde de fles met water, en gaf den jongen te drinken.20En God was met den jongen; en hij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter.21En hij woonde in de woestijn Paran; en zijn moeder nam hem een vrouw uit Egypteland.

De belofte van God wordt vervuld. Op de bestemde tijd wordt Izaäk die een beeld is van Christus als Zoon en Erfgenaam (Hebreeën 1 vers 2), geboren.

Na het ongelovig lachen van Abraham (hoofdstuk 17 vers 17) en Sara (hoofdstuk 18 vers 12) weerklinkt er nu een blijde en dankbare lach van Sara. Vandaar de naam 'Izaäk' (vers 3 en 6).

Maar nu klinkt een spottende lach van Ismaël (vers 9). Ismaël is een beeld van de vleselijke mens die niets van Gods raadsbesluiten die hun vervulling vinden in Christus, kan begrijpen. Hij, de zoon van een dienstmeisje, is een afbeelding van de mens die leeft onder het juk van de wet. Een mens die geen aanspraak kan maken op de beloften, noch op het erfdeel.

Het handelen van Sara lijkt hard. Het leek in Abrahams ogen "zeer kwaad", maar God geeft Zijn toestemming.

God wil hiermee aantonen dat alleen Zijn Christus de Erfgenaam is en dat niemand daar op grond van goede werken deelgenoot van kan worden. In de Brief aan de Galaten zien we dat de gelovigen "kinderen van de belofte" zijn. Nadat zij het zoonschap hebben ontvangen, zijn ze geen slaven meer, maar zonen. En daarom medeërfgenamen van Christus (Galaten 4 vers 28 en vers 6 tot 7; zie ook Romeinen 8 vers 17).

Toch ondervinden ook Hagar en haar zoon genade. Als het water in de fles (een beeld van de menselijke hulpbronnen) op is, ervaart zij opnieuw (evenalsinhoofdstuk16uitkomstt van 'de Levende'. De 1-MERE luistert zelfs naar de "stem van de jongen" .

Genesis 21:22-34
22Voorts geschiedde het ter zelfder tijd, dat Abimelech, mitsgaders Pichol, zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles, wat gij doet.23Zo zweer mij nu hier bij God: Zo gij mij, of mijn zoon, of mijn neef liegen zult! naar de weldadigheid, die ik bij u gedaan heb, zult gij doen bij mij, en bij het land, waarin gij als vreemdeling verkeert.24En Abraham zeide: Ik zal zweren.25En Abraham berispte Abimelech ter oorzake van een waterput, die Abimelechs knechten met geweld genomen hadden.26Toen zeide Abimelech: Ik heb niet geweten, wie dit stuk gedaan heeft; en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord, dan heden.27En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.28Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.29Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?30En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.31Daarom noemde men die plaats Ber-seba, omdat die beiden daar gezworen hadden.32Alzo maakten zij een verbond te Ber-seba. Daarna stond Abimelech op, en Pichol, zijn krijgsoverste, en zij keerden wederom naar het land der Filistijnen.33En hij plantte een bos in Ber-seba, en riep aldaar den Naam des HEEREN, des eeuwigen Gods, aan.34En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in het land der Filistijnen.

In hoofdstuk 20 waren de betrekkingen tussen Abraham en Abimélech zeer gespannen. De aartsvader moest toen een strenge terechtwijzing van de koning van Gerar in zijn zak steken.

Maar nu knopen ze op een heel ander vlak weer betrekkingen aan. Hierin mogen wij een beeld van de toekomst zien. Dan zal Israël boven alle volken verheven zijn en zal men tegen haar zeggen: "Wij zullen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is" (Zacharia 8 vers 23).

Abimélech zegt ook tegen Abraham: "God is met u in alles, wat gij doet" (vers 22). Hij wil een vriendschapsverbond met de man Gods sluiten.

Nu is het Abraham die Abimélech met gezag, vanwege zijn verbinding met "de eeuwige God" (vers 33), ter verantwoording kan roepen. Hij laat hem zien welke waarde de waterput "die Abimélechs knechten met geweld genomen hadden", voor hem heeft.

Is dat voor ons geen beeld van het Woord van God, het levende water dat elke dag onze zielen kan verkwikken?

Laten wij een ieder die omgang met ons wil hebben, direct wijzen op de grote waarde die Gods Woord voor ons heeft. Als men merkt dat wij uit die Bron putten, zal hij of zij die verlangt naar de waarheid, naar vrede en vreugde, het ook zoeken in dit kostbare Boek.

Genesis 22:1-12
1En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht; en Hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!2En Hij zeide: Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal.3Toen stond Abraham des morgens vroeg op, en zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn jongeren met zich, en Izak zijn zoon; en hij kloofde hout tot het brandoffer, en maakte zich op, en ging naar de plaats, die God hem gezegd had.4Aan den derden dag, toen hief Abraham zijn ogen op, en zag die plaats van verre.5En Abraham zeide tot zijn jongeren: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen heengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren.6En Abraham nam het hout des brandoffers, en legde het op Izak, zijn zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijn hand, en zij beiden gingen samen.7Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer?8En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen.9En zij kwamen ter plaatse, die hem God gezegd had; en Abraham bouwde aldaar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijn zoon Izak, en legde hem op het altaar boven op het hout.10En Abraham strekte zijn hand uit, en nam het mes om zijn zoon te slachten.11Maar de Engel des HEEREN riep tot hem van den hemel en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie, hier ben ik!12Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden.

Wij weten dat deze geschiedenis ons oog richt op het kruis van Golgotha.

Deze zoon, deze enige, die de vader liefheeft, is een zwak beeld van de Heere Jezus. Hij moest als Brandoffer geofferd worden.

In het eeuwig raadsbesluit van God werd die plaats "van verre" gezien. Op de berg Moria zou David later offers brengen en zou de tempel gebouwd worden (2 Kronieken 3 vers 1). Deze offerplaats is tegelijk een plaats van aanbidding (vers 5). Er zijn veel redenen om zowel de Vader als de Zoon te aanbidden.

"Zo gingen zij beiden tezamen", wil zeggen dat Beiden dezelfde gedachte hadden om het grote heilswerk te volbrengen!

De gehoorzaamheid van Izaäk herinnert ons aan de gehoorzaamheid van de Heere Jezus in Gethsémané: "... doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt" (Markus 14 vers 36).

Maar in tegenstelling tot Izaäk die eenvoudig deed wat zijn vader vroeg, wilde de Heere Jezus Zelf gaan: "Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God!" (Hebreeën 10 vers 9).

En Izaäk heeft eerst niet geweten wat zijn vader van plan was, maar "Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit ..." (Johannes 18 vers 4).

En tenslotte hield de stem van de Engel des HEEREN de hand van Abraham tegen, maar dat gold niet voor de Heere Jezus. Op Golgotha klonk geen stem om het zwaard van de gerechtigheid dat de Zoon van God moest treffen, af te wenden (Zacharia 13 vers 7).

Genesis 22:13-24
13Toen hief Abraham zijn ogen op, en zag om, en ziet, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijn hoornen; en Abraham ging, en nam dien ram, en offerde hem ten brandoffer in zijns zoons plaats.14En Abraham noemde den naam van die plaats: De HEERE zal het voorzien! Waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des HEEREN zal het voorzien worden!15Toen riep de Engel des HEEREN tot Abraham ten tweeden male van den hemel;16En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de HEERE; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;17Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poorten zijner vijanden erfelijk bezitten.18En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.19Toen keerde Abraham weder tot zijn jongeren, en zij maakten zich op, en zij gingen samen naar Ber-seba; en Abraham woonde te Ber-seba.20En het geschiedde na deze dingen, dat men Abraham boodschapte, zeggende: Zie, Milka heeft ook Nahor, uw broeder, zonen gebaard:21Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broeder, en Kemuel, de vader van Aram,22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;23(En Bethuel gewon Rebekka) deze acht baarde Milka aan Nahor, den broeder van Abraham.24En zijn bijwijf, welker naam was Reuma, diezelve baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maacha.

God heeft Zichzelf van een Lam ten brandoffer voorzien. Toen de Heere Jezus te midden van Zijn volk aan de oever van de Jordaan kwam, riep Johannes de Doper: "Zie, het Lam Gods!" (Johannes 1 vers 29).

Hij is het 'Antwoord' op alle zonden die beleden zijn. De grote verborgenheid waarvan we in dit hoofdstuk een voorafschaduwing mogen zien, is nu in Hem geopenbaard.

De geweldige belofte: "De HEERE zal het voorzien!" geldt ook vandaag nog voor ieder die gebukt gaat onder de zondenlast.

Izaäk is, figuurlijk gesproken, opgestaan (Hebreeën 11 vers 19). Christus is letterlijk opgestaan. Dat heeft grote gevolgen voor Hem en ons.

Voor Hem betekent dit dat Hij de bruid, de gemeente, zal ontvangen. Vandaar dat ook de naam van Rebecca, de bruid, genoemd wordt in vers 23.

Voor ons betekent Zijn opstanding het ontvangen van de hemelse zegeningen waarvan vers 17 en 18 een beeld zijn.

Abrahams geloof is op de proef gesteld, maar hij heeft niet gewankeld. Het geloof van Abraham blijkt uit zijn daad (Jakobus 2 vers 21). God kende zijn hart en wist van zijn geloof, maar het moest openlijk getoond worden.

En wij die gezegd hebben: 'Ik geloof in de Heere Jezus', zullen dit vroeg of laat óók moeten tonen. De beproevingen van christenen hebben vaak tot doel dat hun oprecht geloof openbaar wordt.

Genesis 23:1-20
1En het leven van Sara was honderd zeven en twintig jaren; dit waren de jaren des levens van Sara.2En Sara stierf te Kiriath-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaan; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.3Daarna stond Abraham op van het aangezicht van zijner dode, en hij sprak tot de zonen Heths, zeggende:4Ik ben een vreemdeling en inwoner bij u; geef mij een erfbegrafenis bij u, opdat ik mijn dode van voor mijn aangezicht begrave.5En de zonen Heths antwoordden Abraham, zeggende tot hem:6Hoor ons, mijn heer! gij zijt een vorst Gods in het midden van ons; begraaf uw dode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat gij uw dode niet zoudt begraven.7Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor het volk des lands, voor de zonen Heths;8En hij sprak met hen, zeggende: Is het met uw wil, dat ik mijn dode begrave van voor mijn aangezicht; zo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, den zoon van Zohar,9Dat hij mij geve de spelonk van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij dezelve mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u.10Efron nu zat in het midden van de zonen Heths; en Efron de Hethiet antwoordde Abraham, voor de oren van de zonen Heths, van al degenen, die ter poorte zijner stad ingingen, zeggende:11Neen, mijn heer! hoor mij; den akker geef ik u; ook de spelonk, die daarin is, die geef ik u; voor de ogen van de zonen mijns volks geef ik u die; begraaf uw dode.12Toen boog zich Abraham neder voor het aangezicht van het volk des lands;13En hij sprak tot Efron, voor de oren van het volk des lands, zeggende: Trouwens, zijt gij het? lieve, hoor mij; ik zal het geld des akkers geven; neem het van mij, zo zal ik mijn dode aldaar begraven.14En Efron antwoordde Abraham, zeggende tot hem:15Mijn heer! hoor mij; een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tussen mij en tussen u? begraaf slechts uw dode.16En Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken had voor de oren van de zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder den koopman gangbaar.17Alzo werd de akker van Efron, die in Machpela was, dat tegenover Mamre lag, de akker en de spelonk, die daarin was, en al het geboomte, dat op den akker stond, dat rondom in zijn ganse landpale was gevestigd,18Aan Abraham tot een bezitting, voor de ogen van de zonen Heths, bij allen, die tot zijn stadspoort ingingen.19En daarna begroef Abraham zijn huisvrouw Sara in de spelonk des akkers van Machpela, tegenover Mamre, hetwelk is Hebron, in het land Kanaan.20Alzo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham gevestigd tot een erfbegrafenis van de zonen Heths.

Hoewel het land Kanaän aan Abraham beloofd is, mocht hij er toch alleen maar een graf bezitten.

Door de aankoop van de akker met de spelonk Machpéla om Sara te begraven, laat Abraham zien dat hij de opstanding verwacht. Daarom wil hij zich verzekeren van alle rechten op dit stuk grond waar haar lichaam dat zal worden opgewekt, moet rusten.

Het "volle geld" dat hij hiervoor betaalt, herinnert ons aan het volbrachte werk van Christus. Hij heeft aan het kruis alle rechten verworven. Hij heeft de dood overwonnen. Dit geeft de zekerheid dat alle gestorven gelovigen zullen opstaan, en wel heel spoedig.

Net zo min als Abraham in hoofdstuk 14 de koning van Sodom iets verschuldigd wilde blijven, wil hij dat nu ook aan Efron niet. Hij wil absoluut de volle prijs betalen, zonder af te dingen.

Door zijn handelen, zijn oprechtheid en stiptheid, kan iemand in de omgang met de mensen van de wereld laten zien dat hij een ware christen is.

In het Nieuwe Testament wordt de gelovige opgeroepen: "Weest niemand iets schuldig" (Romeinen 13 vers 8), maar ook om "eerbaar te wandelen bij hen die buiten zijn" (1 Thessalonika 4 vers 12). Bovendien moeten we "zorg dragen voor hetgeen eerzaam is, niet alleen voor de Heere, maar ook voor de mensen" (2 Korinthe 8 vers 21).

Genesis 24:1-14
1Abraham nu was oud, en wel bedaagd; en de HEERE had Abraham in alles gezegend.2Zo sprak Abraham tot zijn knecht, den oudste van zijn huis, regerende over alles, wat hij had: Leg toch uw hand onder mijn heup,3Opdat ik u doe zweren bij den HEERE, den God des hemels, en den God der aarde, dat gij voor mijn zoon geen vrouw nemen zult van de dochteren der Kanaanieten, in het midden van welke ik woon;4Maar dat gij naar mijn land, en naar mijn maagschap trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen zult.5En die knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land; zal ik dan uw zoon moeten wederbrengen in het land, waar gij uitgetogen zijt?6En Abraham zeide tot hem: Wacht u, dat gij mijn zoon niet weder daarheen brengt!7De HEERE, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon van daar een vrouw neemt.8Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zo zult gij rein zijn van dezen mijn eed; alleenlijk breng mijn zoon daar niet weder heen.9Toen legde de knecht zijn hand onder de heup van Abraham, zijn heer, en hij zwoer hem over deze zaak.10En die knecht nam tien kemelen van zijns heren kemelen, en toog heen; en al het goed zijns heren was in zijn hand; en hij maakte zich op, en toog heen naar Mesopotamie, naar de stad van Nahor.11En hij deed de kemelen nederknielen buiten de stad, bij een waterput, des avondtijds, ten tijde, als de putsters uitkwamen.12En hij zeide: HEERE! God van mijn heer Abraham! doe haar mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijn heer.13Zie, ik sta bij de waterfontein, en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten;14Zo geschiede, dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uw kruik, dat ik drinke; en zij zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kemelen drenken; diezelve zij, die Gij Uw knecht Izak toegewezen hebt, en dat ik daaraan bekenne, dat Gij weldadigheid bij mijn heer gedaan hebt.

De dood van Sara herinnert ons eraan dat Israël (het volk dat ontstaan is uit de ware Izaäk), na de opstanding van de HEERE (hoofdstuk 22) terzijde gesteld is.

Om zeker te zijn van "het zaad der belofte" heeft Abraham, "de vader van menigte der volken", een groot plan, namelijk om zijn zoon een bruid te geven. De uitvoering van dit plan wordt ons nu uitgebreid beschreven. Abraham en Izaäk maken deel uit van dit plan, maar ... ook een derde persoon. Deze derde is de oudste knecht van Abrahams huis. Hij die de zaken waarneemt, als Abraham afwezig is.

Hierin zien we een treffend beeld van de Heilige Geest. Hij is naar de aarde gestuurd om hen die de gemeente, de bruid van Christus, vormen, bijeen te brengen. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest werkten samen in de schepping. Ook nu zien we deze Drie-eenheid werkzaam in de uitverkiezing en roeping van de verlosten die verbonden zijn met de opgestane Christus.

De bruid wordt uit een ver land gehaald. Onder hen "die eertijds verre" waren, heeft God, met eerbied gesproken, 'metgezellen' uitgezocht en geroepen voor Zijn Zoon (Efeze 2 vers 13).

Wat zien we in deze knecht van Abraham een afhankelijkheid! In het huis van zijn heer heeft die knecht de HEERE leren kennen. En nu heeft hij als het ware persoonlijk met de HEERE te doen. Hij bidt tot God (vers 12; zie ook Psalm 5 vers 3).

Laten ook wij niet vergeten, vóórdat we ergens aan beginnen, er met de Heere over te praten!

Genesis 24:15-31
15En het geschiedde, eer hij geeindigd had te spreken, ziet, zo kwam Rebekka uit, welke aan Bethuel geboren was, de zoon van Milka, de huisvrouw van Nahor, de broeder van Abraham; en zij had haar kruik op haar schouder.16En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, een maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde haar kruik, en ging op.17Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig waters uit uw kruik drinken.18En zij zeide: Drink, mijn heer! en zij haastte zich en liet haar kruik neder op haar hand, en gaf hem te drinken.19Als zij nu voleindigd had van hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uw kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken.20En zij haastte zich, en goot haar kruik uit in de drinkbak, en liep weder naar den put om te putten, en zij putte voor al zijn kemelen.21En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of de HEERE zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet.22En het geschiedde, als de kemelen voleindigd hadden te drinken, dat die man een gouden voorhoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan haar handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds.23Want hij had gezegd: Wiens dochter zijt gij? geef het mij toch te kennen; is er ook ten huize uws vaders plaats voor ons, om te vernachten?24En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter van Bethuel, de zoon van Milka, die zij Nahor gebaard heeft.25Voorts had zij tot hem gezegd: Ook is er stro en veel voeders bij ons, ook plaats om te vernachten.26Toen neigde die man zijn hoofd, en aanbad den HEERE;27En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God van mijn heer Abraham, Die Zijn weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijn heer; aangaande mij, de HEERE heeft mij op dezen weg geleid, ten huize van mijns heren broederen.28En die jonge dochter liep, en gaf ten huize harer moeder te kennen, gelijk deze zaken waren.29En Rebekka had een broeder, wiens naam was Laban; en Laban liep tot die man naar buiten tot de fontein.30En het geschiedde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijner zuster; en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzo heeft die man tot mij gesproken, zo kwam hij tot dien man, en ziet, hij stond bij de kemelen, bij de fontein.31En hij zeide: Kom in, gij, gezegende des HEEREN! waarom zoudt gij buiten staan? want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kemelen.

De knecht heeft zijn gebed tot de HEERE nog niet eens beëindigd of Rebecca staat al voor hem, met een kruik. In Jesaja 65 vers 24 lezen we een prachtige belofte die hierop van toepassing is: "... eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen".

De knecht is voor ons een voorbeeld van afhankelijkheid, maar Rebecca van toewijding en behulpzaamheid. Ze doet meer dan haar gevraagd wordt. Ze drenkt de kamelen, ze haast zich (vers 18 en 20).

We zien hier iets dat wij bij onze dagelijkse bezigheden kunnen navolgen. Water putten betekent: anderen verkwikking schenken. Er zijn ontelbaar veel gelegenheden om anderen die wij ontmoeten, te laten delen in de zegeningen die wij zelf in het Woord van God gevonden hebben.

En zoals de knecht heel goed let op het handelen van Rebecca, zo mogen wij weten dat er Eén is Die ons ziet bij ons doen en laten.

Aan de manier waarop dit meisje het eenvoudige werk doet, ziet de knecht dat zij voor Izaäk een toegewijde, krachtdadige en deugdzame vrouw zal zijn, zoals ook beschreven wordt in Spreuken 31.

Voordat de knecht nu verder iets doet, "neigde die man zijn hoofd, en aanbad de HEERE" (vers 26).

Genesis 24:32-49
32Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemelen, en men gaf den kemelen stro en voeder; en water om zijn voeten te wassen, en de voeten der mannen, die bij hem waren.33Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijn woorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek!34Toen zeide hij: Ik ben een knecht van Abraham;35En de HEERE heeft mijn heer zeer gezegend, zodat hij groot geworden is; en Hij heeft hem gegeven schapen, en runderen, en zilver, en goud, en knechten, en maagden, en kemelen, en ezelen.36En Sara, de huisvrouw van mijn heer, heeft mijn heer een zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven alles, wat hij heeft.37En mijn heer heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult voor mijn zoon geen vrouw nemen van de dochteren der Kanaanieten, in welker land ik wone;38Maar gij zult trekken naar het huis mijns vaders, en naar mijn geslacht, en zult voor mijn zoon een vrouw nemen!39Toen zeide ik tot mijn heer: Misschien zal mij de vrouw niet volgen.40En hij zeide tot mij: De HEERE, voor Wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal Zijn Engel met u zenden, en Hij zal uw weg voorspoedig maken, dat gij voor mijn zoon een vrouw neemt, uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis.41Dan zult gij van mijn eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij haar u niet geven, zo zult gij rein zijn van mijn eed.42En ik kwam heden aan de fontein; en ik zeide: O, HEERE! God van mijn heer Abraham! zo Gij nu mijn weg voorspoedig maken zult, op welke ik ga;43Zie, ik sta bij de waterfontein; zo geschiede, dat de maagd, die uitkomen zal om te putten, en tot welke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig waters te drinken uit uw kruik;44En zij tot mij zal zeggen: Drink gij ook, en ik zal ook uw kemelen putten; dat deze die vrouw zij, die de HEERE aan den zoon van mijn heer heeft toegewezen.45Eer ik geeindigd had te spreken in mijn hart, ziet, zo kwam Rebekka uit, en had haar kruik op haar schouder, en zij kwam af tot de fontein en putte; en ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken!46Zo haastte zij zich en liet haar kruik van zich neder, en zeide: Drink gij, en ik zal ook uw kemelen drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kemelen.47Toen vraagde ik haar, en zeide: Wiens dochter zijt gij? En zij zeide: De dochter van Bethuel, den zoon van Nahor, welken Milka hem gebaard heeft. Zo legde ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan haar handen;48En ik neigde mijn hoofd, en aanbad de HEERE; en ik loofde den HEERE, den God van mijn heer Abraham, Die mij op den rechten weg geleid had, om de dochter des broeders van mijn heer voor zijn zoon te nemen.49Nu dan, zo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijn heer doen zult, geeft het mij te kennen; en zo niet, geeft het mij ook te kennen, opdat ik mij ter rechterhand of ter linkerhand wende.

De HEERS heeft de knecht van Abraham — om het zo maar te zeggen — bij de hand genomen en in het huis van de familie van zijn heer gebracht. Van Abraham moest de knecht zweren geen vrouw uit "de dochters der Kanaänieten" te nemen (vers 3).

Jongelui, jullie die de Heere Jezus als Heiland mogen kennen, misschien hebben jullie nu nog geen trouwplannen, misschien ook wel. Het is nooit te vroeg om na te gaan wat Gods Woord ook hierover zegt en dat in jullie op te nemen: "Gaat niet met ongelovigen onder één juk. Want ... waaraan kan een gelovige met een ongelovige deel hebben?" (2 Korinthe 6 vers 14 en 15).

Een kind van God mag alleen trouwen met iemand uit de familie van God.

Zij die hier vroeger niet naar geluisterd hebben, moeten de gevolgen dragen. Ze waren niet alleen ongehoorzaam aan het Woord van God, maar hun handelen is ook tot een bron van verdriet en problemen geworden voor hun hele verdere leven.

Wat een getuigenis legt de knecht af van Abraham, zijn heer, op wie hij trots is (vers 34 tot en met 36)! Hij is groot, hij is rijk en heeft een zoon die alle bezittingen zal erven.

Zo maakt de Heilige Geest het hart van de gelovige bekend met de Vader en de Zoon. En zo mogen ook wij, verlosten, vol bewondering over Hen praten.

Genesis 24:50-67
50Toen antwoordde Laban en Bethuel, en zeiden: Van den HEERE is deze zaak voortgekomen; wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken.51Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek henen; zij zij de vrouw van den zoon uws heren, gelijk de HEERE gesproken heeft!52En het geschiedde, als Abrahams knecht hun woorden hoorde, zo boog hij zich ter aarde voor den HEERE.53En de knecht langde voort zilveren kleinoden, en gouden kleinoden, en klederen, en hij gaf die aan Rebekka; hij gaf ook aan haar broeder en haar moeder kostelijkheden.54Toen aten en dronken zij, hij en de mannen, die bij hem waren; en zij vernachtten, en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken tot mijn heer!55Toen zeide haar broeder, en haar moeder: Laat de jonge dochter enige dagen, of tien, bij ons blijven; daarna zult gij gaan.56Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de HEERE mijn weg voorspoedig gemaakt heeft! laat mij trekken, dat ik tot mijn heer ga.57Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haar mond vragen.58En zij riepen Rebekka, en zeiden tot haar: Zult gij met deze man trekken? En zij antwoordde: Ik zal trekken.59Toen lieten zij Rebekka, hun zuster, en haar voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijn mannen.60En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters!61En Rebekka maakte zich op met haar jonge dochteren, en zij reden op kemelen, en volgden den man; en die knecht nam Rebekka, en toog heen.62Izak nu kwam, van daar men komt tot den put Lachai-Roi; en hij woonde in het zuiderland.63En Izak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond; en hij hief zijn ogen op en zag toe, en ziet, de kemelen kwamen!64Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van den kemel af.65En zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heer! Toen nam zij den sluier, en bedekte zich.66En de knecht vertelde aan Izak al de zaken, die hij gedaan had.67En Izak bracht haar in de tent van zijn moeder Sara; en hij nam Rebekka, en zij werd hem ter vrouw, en hij had haar lief. Alzo werd Izak getroost na zijner moeders dood.

Met de woorden waarmee de knecht zijn heer beschrijft, en doordat hij iets van de rijkdommen van zijn heer laat zien, heeft hij het hart van Rebecca geraakt. Daardoor is ze vastbesloten en wil met hem meegaan (vers 58).

Hoe is dat bij jullie, jongelui? Je hebt misschien veel over de Heere gehoord en thuis mocht je wellicht iets proeven van Zijn genade. Heb je je nu ook in je hart voorgenomen Hem te volgen? Vandaag wordt jou de vraag gesteld: "Zult gij met deze man trekken?" Nul, en niet morgen of over een paar dagen, vraagt de Heilige Geest het antwoord van je hart.

Voor Rebecca begint de lange reis door de woestijn. Op het woord van de knecht heeft ze alles achtergelaten en nu leidt hij haar.

Zo gaat ook de bruid van Christus, de gemeente, hier op aarde haar weg. Een aarde die voor haar een woestijn is met allerlei moeiten. Maar de Heilige Geest richt ons hart op de Geliefde Die we nog niet gezien hebben, maar Die ons tegemoet zal komen. We zingen in een lied:

Haast komt U ons halen, dan maakt U ons vrij,
dus slaat nu ons harte gelukkig en blij.
Uw heilige bruid ziet reeds vooruit.

Maar hoe zal de Heere Jezus Zelf uitzien naar dat ogenblik!

Rebecca trouwt met Izaäk en hij heeft haar lief. Maar Christus heeft Zijn bruid nu al lief, al vóórdat ze bij Hem is! Zijn hart ziet met nog veel meer verlangen uit naar ons, dan wij naar Hem.

Genesis 25:1-18
1En Abraham voer voort, en nam een vrouw, wier naam was Ketura.2En zij baarde hem Zimran en Joksan, en Medan en Midian, en Jisbak en Suah.3En Joksan gewon Seba en Dedan; en de zonen van Dedan waren de Assurieten, en Letusieten, en Leummieten.4En de zonen van Midian waren Efa en Efer, en Henoch en Abida, en Eldaa. Deze allen waren zonen van Ketura.5Doch Abraham gaf aan Izak al wat hij had.6Maar aan de zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken; en zond hen weg van zijn zoon Izak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten.7Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijf en zeventig jaren.8En Abraham gaf den geest en stierf, in goede ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd tot zijn volken verzameld.9En Izak en Ismael, zijn zonen, begroeven hem, in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamre is;10In den akker, dien Abraham van de zonen Heths gekocht had, daar is Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw.11En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij de put Lachai-Roi.12Dit nu zijn de geboorten van Ismael, den zoon van Abraham, dien Hagar, de Egyptische, dienstmaagd van Sara, Abraham gebaard heeft.13En dit zijn de namen der zonen van Ismael, met hun namen naar hun geboorten. De eerstgeborene van Ismael, Nabajoth; daarna Kedar, en Adbeel, en Mibsam,14En Misma, en Duma, en Massa,15Hadar en Thema, Jetur, Nafis en Kedma.16Deze zijn de zonen van Ismael, en dit zijn hun namen, in hun dorpen en paleizen, twaalf vorsten naar hun volken.17En dit zijn de jaren des levens van Ismael, honderd zeven en dertig jaren; en hij gaf den geest, en stierf, en hij werd verzameld tot zijn volken.18En zij woonden van Havila tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, daar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broederen.

Het einde van het leven van Abraham is een veelomvattende profetie over wat later zal gebeuren.

Hoofdstuk 21 - de geboorte van de zoon; hoofdstuk 22 - het kruis en opstanding van de ware Izaäk; hoofdstuk 23 - Israël wordt terzijde gesteld (dood van Sara); hoofdstuk 24 - de roeping van de gemeente en haar verbinding met Christus in heerlijkheid; hoofdstuk 25 - het duizendjarig rijk, wanneer alle volken op aarde, voorgesteld door de kinderen van Ketûra, in verbinding met Izaäk gezegend zullen worden.

Abraham geeft al zijn bezittingen aan Izaäk. Izaäk is een beeld van Christus als de Erfgenaam van alle dingen. "De HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon ... Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting" (Psalm 2 vers 7 en 8).

In geloof richt Abraham zijn gedachten op deze geweldige toekomst. Via Izaäk ziet hij Hem in Wie alle beloften hun vervulling zullen vinden. "Abraham ... heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest" (Johannes 8 vers 56).

Hij is in het geloof gestorven en heeft de beloften niet ontvangen, maar heeft ze van verre gezien, geloofd en omhelsd (Hebreeën 11 vers 13).

Daarom behoort Abraham bij die mannen voor wie God Zich niet hoeft te schamen, hun God genoemd te worden. Hij noemt Zichzelf "de God van Abraham".

Kan Hij Zich ook uw God noemen?

Genesis 25:19-34
19Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak.20En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Betuel, den Syrier, uit Paddan-Aram, de zuster van Laban, den Syrier, zich ter vrouw nam.21En Izak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd.22En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen.23En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natien zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.24Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.25En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed; daarom noemden zij zijn naam Ezau.26En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau's verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.27Als nu deze jongeren groot werden, werd Ezau een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten.28En Izak had Ezau lief; want het wildbraad was naar zijn mond; maar Rebekka had Jakob lief.29En Jakob had een kooksel gekookt; en Ezau kwam uit het veld, en was moede.30En Ezau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moede; daarom heeft men zijn naam genoemd Edom.31Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uw eerstgeboorte.32En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?33Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag! en hij zwoer hem; en hij verkocht aan Jakob zijn eerstgeboorte.34En Jakob gaf aan Ezau brood, en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging heen; alzo verachtte Ezau de eerstgeboorte.

Evenals bij Abraham en Sara wordt ook het geloof van Izaäk en Rebecca op de proef gesteld door de onvruchtbaarheid.

Dat is voor Izaäk een reden om voortdurend te bidden en ... de HEERE laat Zich verbidden (vers 21; vergelijk ook 1 Kronieken 5 vers 20).

Er wordt een tweeling geboren. Zowel uiterlijk als in hun hart zijn het twee heel verschillende kinderen. Dit wordt duidelijk gemaakt door wat zich hier tussen hen afspeelt.

Ondanks zijn achterbakse manier van handelen blijkt toch dat Jakob de ereplaats in de familie vanwege het erfdeel heel belangrijk vindt en in verbinding daarmee ook de beloften die God aan Abraham en zijn nageslacht gedaan heeft.

Voor Ezau heeft dit alles totaal geen waarde. Hij maakt er als het ware een handeltje van. Hij eet, drinkt, staat op en gaat weg, zonder zich ervan bewust te zijn dat hij op dit moment een enorm verlies geleden heeft.

Zijn manier van handelen is niet alleen dwaas — zijn hele toekomst geeft hij op voor een beetje eten —, het is een belediging van God. Want eigenlijk zegt hij hiermee: 'Uw kostbare gaven zijn mij niet zo veel waard als deze linzensoep, want ik heb honger.'

Het eerstgeboorterecht is voor jullie, jongelui, een beeld van het voorrecht dat jullie in een christelijk gezin mogen opgroeien. Geve God dat niet één van jullie over zo'n grote zegen minachtend denkt!

Genesis 26:1-16
1En er was honger in dat land, behalve den eerste honger, die in de dagen van Abraham geweest was; daarom toog Izak tot Abimelech, de koning der Filistijnen, naar Gerar.2En de HEERE verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte; woon in het land, dat Ik u aanzeggen zal;3Woon als vreemdeling in dat land, en Ik zal met u zijn, en zal u zegenen; want aan u en uw zaad zal Ik al deze landen geven, en Ik zal den eed bevestigen, dien Ik Abraham uw vader gezworen heb.4En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde,5Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.6Alzo woonde Izak te Gerar.7En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zeide hij: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zeide hij, de mannen dezer plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht.8En het geschiedde, als hij een langen tijd daar geweest was, dat Abimelech, de koning der Filistijnen, ten venster uitkeek, en hij zag, dat, ziet, Izak was jokkende met Rebekka zijn huisvrouw.9Toen riep Abimelech Izak, en zeide: Voorwaar, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijn zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwil sterve.10En Abimelech zeide: Wat is dit, dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uw huisvrouw gelegen, zodat gij een schuld over ons zoudt gebracht hebben.11En Abimelech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!12En Izak zaaide in datzelve land, en hij vond in datzelve jaar honderd maten; want de HEERE zegende hem.13En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was.14En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden.15En al de putten, die de knechten van zijn vader, in de dagen van zijn vader Abraham, gegraven hadden, die stopten de Filistijnen, en vulden dezelve met aarde.16Ook zeide Abimelech tot Izak: Trek van ons; want gij zijt veel machtiger geworden, dan wij.

Izaäk heeft uit de verdrietige ervaringen van zijn vader (in hoofdstuk 12 en 20) geen les geleerd.

Beproefd door een hongersnood, verblijft ook hij in Gerar. Uit angst verloochent hij zijn vrouw en misleidt Abimélech. De geschiedenis herhaalt zich. En wij kennen de gevolgen: gebrek aan moed om onze verhouding tot Christus te bekennen, angst voor smaad, een vals getuigenis tegenover de wereld. Daarop volgt straf.

Maar direct hierna vinden we een prachtige bladzijde uit de geschiedenis van deze aartsvader. Om niet van honger om te komen, zaait en oogst hij voor zichzelf en zijn gezin. God zegent zijn werk.

Zijn welvaart maakt de Filistijnen jaloers (vers 14). Ze proberen, precies als in de dagen van Abraham, hem het zo noodzakelijke water te ontnemen (hoofdstuk 21 vers 25).

Het water komt uit oude putten, een beeld van het Woord van God, de Bron van verkwikking. Generaties vóór ons hebben zich in dat Woord verheugd en ook wij mogen eruit putten.

De boosaardige Filistijnen die de putten dichtgooien, doen ons denken aan onze vijand: satan die onze harten probeert te vullen met dingen van de wereld. Hij probeert ons het levende Woord dat onmisbaar is om geestelijk te groeien, te ontnemen.

Genesis 26:17-35
17Toen toog Izak van daar, en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar.18Als nu Izak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde van Abraham, zijn vader, gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde derzelver namen naar de namen, waarmede zijn vader die genoemd had.19De knechten van Izak dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar een put van levend water.20En de herders van Gerar twistten met Izaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe! Daarom noemde hij de naam van die put Esek, omdat zij met hem gekeven hadden.21Toen groeven zij een andere put, en daar twistten zij ook over; daarom noemde hij deszelfs naam Sitna.22En hij brak op van daar, en groef een andere put, en zij twistten over dien niet; daarom noemde hij deszelfs naam Rehoboth, en zeide: Want nu heeft ons de HEERE ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land.23Daarna toog hij van daar op naar Ber-seba.24En de HEERE verscheen hem in denzelven nacht, en zeide: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.25Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den Naam des HEEREN aan. En hij sloeg aldaar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put.26En Abimelech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzat, zijn vriend, en Pichol, zijn krijgsoverste.27En Izak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat, en hebt mij van u weggezonden?28En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de HEERE met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken:29Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt nu de gezegende des HEEREN!30Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken.31En zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de een den ander; daarna liet Izak hen gaan, en zij togen van hem in vrede.32En het geschiedde ten zelfde dage, dat Izaks knechten kwamen, en boodschapten hem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden.33En hij noemde denzelven Seba; daarom is de naam dier stad Ber-seba, tot op dezen dag.34Als nu Ezau veertig jaren oud was, nam hij tot een vrouw Judith, de dochter van Beeri, den Hethiet, en Basmath, de dochter van Elon, den Hethiet.35En deze waren voor Izak en Rebekka een bitterheid des geestes.

Izaäk graaft de waterputten van Abraham die de Filistijnen dichtgegooid hebben, één voor één weer op.

Laten wij de Heere ook om zoveel energie en uithoudings-vermogen vragen, zodat we ons de waarheden eigen maken die onze voorouders in Zijn Woord ontdekt en waarnaar ze geleefd hebben. Dat wij ze — door ieder persoonlijk te 'graven' in de Bijbel — toch in bezit nemen!

Op elke aanval van de vijand om hem de vrucht op zijn werk te ontnemen, antwoordt Izaäk door op een andere plek te gaan graven, zonder zich te laten ontmoedigen. Ook twist hij niet, wat een mooie illustratie is van 2 Timotheüs 2 vers 24.

Zijn bescheidenheid en inschikkelijkheid wordt door anderen opgemerkt (Filippi 4 vers 5). Hij verdraagt alles en scheldt niet terug, maar geeft het over "aan Hem, Die rechtvaardig oordeelt" (1 Petrus 2 vers 23). Op deze wijze legt hij getuigenis af van zijn geloof. Het erfdeel is van hem; zou hij het zich dan nog met geweld moeten toeëigenen? De HEERE heeft "al deze landen" aan zijn nageslacht beloofd (vers 4). Op Hem vertrouwt Izaäk, dat hij ze op de juiste tijd uit Zijn handen zal ontvangen.

De verzen 34 en 35 laten ons zien hoe Ezau opnieuw Gods wil minacht door vrouwen uit de Kanaänieten te kiezen. Een volk waarvan de HEERE Ezau's familie uitdrukkelijk gescheiden had. Hierdoor doet hij Izaäk en Rebecca veel verdriet.

De Heere geve, dat onze jonge lezers naar hun ouders zullen luisteren. Dat ze zullen leren van hun ervaringen, zodat ze later geen bron van verdriet en zorgen voor hen zullen zijn.

Genesis 27:1-29
1En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!2En hij zeide: Zie nu, ik ben oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet.3Nu dan, neem toch uw gereedschap, uw pijlkoker en uw boog, en ga uit in het veld, en jaag mij een wildbraad;4En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, eer ik sterve.5Rebekka nu hoorde toe, als Izak tot zijn zoon Ezau sprak; en Ezau ging in het veld, om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht.6Toen sprak Rebekka tot Jakob, haar zoon, zeggende: Zie, ik heb uw vader tot Ezau, uw broeder, horen spreken, zeggende:7Breng mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht des HEEREN, voor mijn dood.8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.9Ga nu heen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede geitenbokjes; en ik zal die voor uw vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft.10En gij zult ze tot uw vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene voor zijn dood.11Toen zeide Jakob tot Rebekka, zijn moeder: Zie, mijn broeder Ezau is een harig man, en ik ben een glad man.12Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger; zo zoude ik een vloek over mij halen, en niet een zegen.13En zijn moeder zeide tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon! hoor alleen naar mijn stem, en ga, haal ze mij.14Toen ging hij, en hij haalde ze, en bracht ze zijn moeder; en zijn moeder maakte smakelijke spijzen, gelijk als zijn vader gaarne had.15Daarna nam Rebekka de kostelijke klederen van Ezau, haar grootsten zoon, die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob, haar kleinsten zoon, aan.16En de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijn handen, en over de gladdigheid van zijn hals.17En zij gaf de smakelijke spijzen, en het brood, welke zij toegemaakt had, in de hand van Jakob, haar zoon.18En hij kwam tot zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon?19En Jakob zeide tot zijn vader: Ik ben Ezau uw eerstgeborene; ik heb gedaan, gelijk als gij tot mij gesproken hadt; sta toch op, zit, en eet van mijn wildbraad, opdat uw ziel mij zegene.20Toen zeide Izak tot zijn zoon: Hoe is dit, dat gij het zo haast gevonden hebt, mijn zoon? En hij zeide: Omdat de HEERE uw God dat heeft doen ontmoeten voor mijn aangezicht.21En Izak zeide tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon! of gij mijn zoon Ezau zelf zijt, of niet.22Toen kwam Jakob bij, tot zijn vader Izak, die hem betastte; en hij zeide: De stem is Jakobs stem, maar de handen zijn Ezau's handen.23Doch hij kende hem niet, omdat zijn handen harig waren, gelijk zijns broeders Ezau's handen; en hij zegende hem.24En hij zeide: Zijt gij mijn zoon Ezau zelf? En hij zeide: Ik ben het!25Toen zeide hij: Stel het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdat mijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk.26En zijn vader Izak zeide tot hem: Kom toch bij, en kus mij, mijn zoon!27En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk zijner klederen, en zegende hem; en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de HEERE gezegend heeft.28Zo geve u dan God van de dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most.29Volken zullen u dienen, en natien zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!

Dit hoofdstuk beschrijft een heel verdrietige geschiedenis. In dit gezin dat toch de HEERS mag kennen, komen op tragische wijze begeerte, bedrog en leugen openbaar.

Izaäk is blind geworden — ook in geestelijk opzicht. Zijn onderscheidingsvermogen is in zoverre verdwenen dat lekker eten hem meer interesseert dan de zedelijke toestand van zijn zonen. Zonder zich om de gedachten van God te bekommeren, wil hij de zoon die hij voortrekt, zegenen.

Rebecca geeft op haar beurt Jakob de raad zijn broer als het ware te bestelen en zijn vader te bedriegen.

We zouden kunnen denken dat in dit gezin alleen Ezau nog eerlijk is. Maar God kent zijn wereldse gezindheid. En door deze onrechtvaardigheid wordt toch Gods wil vervuld.

Jakob bereikt zijn doel. Met de hulp van zijn moeder ontvangt hij de zegen die zo belangrijk voor hem is.

Moest hij zó met bedrog en leugen handelen? Zou hij die zegen niet gekregen hebben als hij op God vertrouwd had? Natuurlijk! God Die al vóór zijn geboorte gezegd had: "... de meerdere zal de mindere dienen" (hoofdstuk 25 vers 23), komt niet terug op Zijn woorden en laat geen vergissing toe.

Jakob had zich veel moeilijkheden en verloren tijd kunnen besparen. De weg van de Heere is niet moeilijk. Maar vaak brengen wij onszelf in de problemen, omdat we menen zelf iets te moeten regelen.

Genesis 27:30-46
30En het geschiedde, als Izak voleindigd had Jakob te zegenen, zo geschiedde het, toen Jakob maar even van het aangezicht van zijn vader Izak uitgegaan was, dat Ezau, zijn broeder, van zijn jacht kwam.31Hij nu maakte smakelijke spijzen toe, en bracht die tot zijn vader; en hij zeide tot zijn vader: Mijn vader sta op en ete van het wildbraad zijns zoons, opdat uw ziel mij zegene.32En Izak, zijn vader, zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Ezau.33Toen verschrikte Izak met zeer grote verschrikking, gans zeer, en zeide: Wie is hij dan, die het wildbraad gejaagd en tot mij gebracht heeft? en ik heb van alles gegeten, eer gij kwaamt, en heb hem gezegend; ook zal hij gezegend wezen.34Als Ezau de woorden zijns vaders hoorde, zo schreeuwde hij met een groten en bitteren schreeuw, gans zeer; en hij zeide tot zijn vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!35En hij zeide: Uw broeder is gekomen met bedrog, en heeft uw zegen weggenomen.36Toen zeide hij: Is het niet omdat men zijn naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee reizen heeft bedrogen? mijn eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijn zegen genomen! Voorts zeide hij: Hebt gij dan geen zegen voor mij uitbehouden?37Toen antwoordde Izak, en zeide tot Ezau: Zie, ik heb hem tot een heer over u gezet, en al zijn broeders heb ik hem tot knechten gegeven; en ik heb hem met koorn en most ondersteund; wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon?38En Ezau zeide tot zijn vader: Hebt gij maar dezen enen zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en weende.39Toen antwoordde zijn vader Izak en zeide tot hem: Zie, de vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn, en van den dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn.40En op uw zwaard zult gij leven, en zult uw broeder dienen; doch het zal geschieden, als gij heersen zult, dan zult gij zijn juk van uw hals afrukken.41En Ezau haatte Jakob om dien zegen, waarmede zijn vader hem gezegend had; en Ezau zeide in zijn hart: De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijn broeder Jakob doden.42Toen aan Rebekka deze woorden van Ezau, haar grootsten zoon, geboodschapt werden, zo zond zij heen, en ontbood Jakob, haar kleinsten zoon, en zeide tot hem: Zie, uw broeder Ezau troost zich over u, dat hij u doden zal.43Nu dan, mijn zoon! hoor naar mijn stem, en maak u op, vlied gij naar Haran, tot Laban, mijn broeder.44En blijf bij hem enige dagen, totdat de hittige gramschap uws broeders kere;45Totdat de toorn uws broeders van u afkere, en hij vergeten hebbe, hetgeen gij hem gedaan hebt; dan zal ik zenden, en u van daar nemen; waarom zoude ik ook van u beiden beroofd worden op een dag?46En Rebekka zeide tot Izak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths! Indien Jakob een vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn?

In Hebreeën 12 vers 16 en 17 worden we herinnerd aan de geschiedenis uit Genesis 25.

De wereldsgezinde Ezau brandt van verlangen om de zegen te krijgen, maar hij wordt ondanks zijn tranen afgewezen. Het waren geen tranen van berouw, maar hij vond het erg dat hij de zegen moest missen. Vóór die tijd had hij de zegen veracht; nu is het te laat.

Hoeveel mensen leven er niet op aarde die voor een klein beetje tijdelijk vermaak hun kostbare ziel verkopen. Hun God is de buik en hun gedachten zijn alleen maar op het aardse gericht (Filippi 3 vers 19). Ze horen bij de wereld en hun deel is in dit leven (Psalm 17 vers 14). Er staat hun een verschrikkelijk 'wakker worden' te wachten als ze later hun dwaasheid inzien. Op die verschrikkelijke plaats waar het geween en het tandenknarsen is (Mattheus 13 vers 42), zullen alle vergoten tranen — evenals bij Ezau — tevergeefs zijn. De zegen die ze door eigen schuld verloren hebben, zullen ze nooit meer ontvangen.

Voor Jakob beginnen nu de moeilijkheden. De haat van zijn broer, ontstaan door wraakgedachten en jaloezie, dwingen Jakob ertoe van de zijnen weg te gaan.

Hij zal zijn moeder niet meer terugzien, hoewel zijzelf nog denkt dat het om een tijdelijke scheiding gaat (vers 44). Daarmee draagt ook Rebecca zelf de gevolgen van haar bedrog.

In de Schrift neemt de geschiedenis van Jakob veel plaats in. Hierdoor kunnen wij het langdurige en geduldige werk van de genade van God met de Zijnen bewonderen.

Genesis 28:1-22
1En Izak riep Jakob, en zegende hem; en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaan.2Maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuel, den vader uwer moeder, en neem u van daar een vrouw, van de dochteren van Laban, uwer moeders broeder.3En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.4En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.5Alzo zond Izak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, den zoon van Bethuel, den Syrier, den broeder van Rebekka, Jakobs en Ezau's moeder.6Als nu Ezau zag, dat Izak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aram weggezonden had om zich van daar een vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem geen vrouw van de dochteren van Kanaan;7En dat Jakob zijn vader en zijn moeder gehoorzaam geweest was, en naar Paddan-Aram getrokken was;8En dat Ezau zag, dat de dochteren van Kanaan kwaad waren in de ogen van Izak, zijn vader;9Zo ging Ezau tot Ismael, en nam zich tot een vrouw boven zijn vrouwen, Mahalath, de dochter van Ismael, den zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth.10Jakob dan toog uit van Ber-seba, en ging naar Haran.11En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.12En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.13En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izak; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.14En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.15En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.16Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!17En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels!18Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.19En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.20En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;21En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mij tot een God zijn!22En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!

Jakob verlaat het huis van zijn vader, maar God toont hem Zijn eigen huis (Beth-El betekent: huis van God). Wij hoeven niet te wachten tot we het huis van onze ouders verlaten hebben, om de Heere Jezus te ontmoeten. Maar deze ontmoeting moet vroeg of laat plaatsvinden. En de God van onze ouders moet ook onze God worden.

Wat een merkwaardige droom heeft Jakob! Wat betekent de ladder waarop engelen naar boven en beneden klimmen? Het spreekt ons van de betrekkingen tussen hemel en aarde. We denken aan Hem Die dat contact tot stand gebracht heeft door Zelf naar beneden te komen en later weer op te varen in de heerlijkheid (Johannes 3 vers 13 en Efeze 4 vers 10).

De genade van God toont aan de arme, vermoeide zondaar de poort van de hemel (vers 17) en geeft hem heerlijke beloften.

"Hoe vreselijk is deze plaats!", roept Jakob als hij 's morgens wakker wordt. Met een slecht geweten voel je je niet op je gemak, ook al heb je met een genadig God te doen (zie ook Lukas 5 vers 8).

Dan zien we een merkwaardige manier van handelen bij Jakob. Hij maakt als het ware een afspraak met God. Hij stelt de uitdrukkelijke beloften van God als een voorwaarde die God vervullen moet. En als een soort tegenprestatie zal hij de HEERE dienen.

Veel mensen doen net als Jakob. Ze aarzelen om de beloften van God zendermeer in geloof aan te nemen. Ze menen door eigen inspanningen een goede indruk te kunnen maken op God.

Genesis 29:1-14
1Toen hief Jakob zijn voeten op, en ging naar het land der kinderen van het Oosten.2En hij zag toe, en ziet, er was een put in het veld; en ziet, er waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende; want uit dien put drenkten zij de kudden; en er was een grote steen op den mond van dien put.3En derwaarts werden al de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den mond des puts, en drenkten de schapen, en legden den steen weder op den mond van dien put, op zijn plaats.4Toen zeide Jakob tot hen: Mijn broeders! van waar zijt gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.5En hij zeide tot hen: Kent gij Laban, den zoon van Nahor? En zij zeiden: Wij kennen hem.6Voorts zeide hij tot hen: Is het wel met hem? En zij zeiden: Het is wel; en zie, Rachel, zijn dochter, komt met de schapen.7En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.8Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat al de kudden samen zullen vergaderd zijn, en dat men den steen van den mond des puts afwentele, opdat wij de schapen drenken.9Als hij nog met hen sprak, zo kwam Rachel met de schapen, die haar vader toebehoorden; want zij was een herderin.10En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijner moeders broeder, en de schapen van Laban, zijner moeders broeder, dat Jakob toetrad, en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijner moeders broeder.11En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende.12En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij een broeder van haar vader, en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij heen, en gaf het aan haar vader te kennen.13En het geschiedde, als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijner zusters zoon, zo liep hij hem tegemoet, en omhelsde hem, en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis. En hij vertelde Laban al deze dingen.14Toen zeide Laban tot hem: Voorwaar, gij zijt mijn gebeente en mijn vlees! En hij bleef bij hem een volle maand.

"Ik ben met u, en Ik zal u behoeden ... Ik zal u niet verlaten," heeft de HEERE 's nachts in Beth-El tegen Jakob gezegd (hoofdstuk 28 vers 15).

Wat een geweldige troost is het te mogen weten dat het oog van God altijd gericht is op de Zijnen, ook al vergeten zij vaak op Hem te zien (Psalm 32 vers 8)!

Jakob wordt door de leiding van de HEERE in het huis van zijn familie, zijn oom Laban, gebracht.

Weer lezen we van een ontmoeting bij een bron, misschien wel dezelfde als in hoofdstuk 24. Maar nu horen we geen gebed uit de mond van de reiziger om God te vragen zijn ontmoeting voorspoedig te maken, noch een dankgebed voor het succes van zijn reis. Evenmin zien we dat het meisje de vermoeide wandelaar iets te drinken geeft. Wat een verschil, ook in Labans huis!

Jakob vertelt "al deze dingen", maar de Naam van de HEERE horen we hem niet noemen. Evenmin vertelt hij dat alleen de HEERE zijn familie gezegend heeft (vergelijk dit eens met hoofdstuk 24 vers 35). Ook over zijn ontmoeting in Beth-El horen we hem niet praten.

Hoe is dat bij ons? Over welk onderwerp wordt er gewoonlijk door ons gepraat als we familie of bekenden ontmoeten? Staat de Heere dan in het middelpunt?

Als we het tot een gewoonte gemaakt hebben dat onze harten zich met Hem bezighouden, kunnen we ook van Hem vertellen. 'Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over.'

Genesis 29:15-35
15Daarna zeide Laban tot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij derhalve om niet dienen? verklaar mij, wat zal uw loon zijn?16En Laban had twee dochters: de naam der grootste was Lea; en de naam der kleinste was Rachel.17Doch Lea had tedere ogen; maar Rachel was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.18En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen, om Rachel, uw kleinste dochter.19Toen zeide Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een anderen man geve; blijf bij mij.20Alzo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren in zijn ogen als enige dagen, omdat hij haar liefhad.21Toen zeide Jakob tot Laban: Geef mijn huisvrouw, want mijn dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga.22Zo verzamelde Laban al de mannen dier plaats, en maakte een maaltijd.23En het geschiedde des avonds, dat hij zijn dochter Lea nam, en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in.24En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot een dienstmaagd.25En het geschiedde des morgens, en ziet, het was Lea. Daarom zeide hij tot Laban: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt; heb ik niet bij u gediend om Rachel? waarom hebt gij mij dan bedrogen?26En Laban zeide: Men doet alzo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste uitgeve voor de eerstgeborene.27Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.28En Jakob deed alzo; en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw.29En Laban gaf aan zijn dochter Rachel zijn dienstmaagd Bilha, haar tot een dienstmaagd.30En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren.31Toen nu de HEERE zag, dat Lea gehaat was, opende Hij haar baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar.32En Lea werd bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Ruben; want zij zeide: Omdat de HEERE mijn verdrukking heeft aangezien, daarom zal mijn man mij nu liefhebben.33En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Dewijl de HEERE gehoord heeft, dat ik gehaat was, zo heeft Hij mij ook dezen gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon.34En zij werd nog bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam Levi.35En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den HEERE loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.

De geschiedenis van Jakob is een geschiedenis van tuchtiging. Dat wil zeggen dat hij de leerschool van God (evenals al de Zijnen) moest doorlopen. Een soms harde leerschool. Dat bevestigt Hebreeën 12 vers 11 en onze eigen ervaring.

Alle tuchtiging is op het moment dat ze plaatsvindt, niet een bron van vreugde, maar van droefheid. Maar het doel van God is dat wij "Zijn heiligheid zouden deelachtig worden" (Hebreeën 12 vers 10).

Het 'schooljaar' dat Jakob nu binnengaat, zal twintig jaar duren. Voor hem is het bijna een slavenbestaan. Wat leert God hem door deze lessen? God laat het toe dat het hem nu net zo vergaat als hijzelf met anderen heeft gedaan. Jakob (zijn naam betekent 'bedrieger' of 'hielenlichter') wordt nu zelf bedrogen en uitgebuit.

Hij, de jongere, heeft zijn vader misleid door zich voor zijn oudere broer uit te geven. Nu heeft hijzelf te maken met een vader die hem bedriegt door zijn oudste dochter voor de jongste te laten doorgaan.

Hoe vaak gebeurt het niet dat wij onze eigen verkeerde daden pas inzien als ons hetzelfde wordt aangedaan door anderen (vergelijk Richteren 1 vers 7).

Het enige waarover we ons kunnen verblijden in dit hoofdstuk, is de opofferende liefde van Jakob voor Rachel! Dan gaan onze gedachten uit naar Hem Die, om ons tot Zijn eigendom te maken, de volmaakte Dienstknecht is geworden.

Genesis 30:1-24
1Als nu Rachel zag, dat zij Jakob niet baarde, zo benijdde Rachel haar zuster; en zij zeide tot Jakob: Geef mij kinderen! of indien niet, zo ben ik dood.2Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, Die de vrucht des buiks van u geweerd heeft?3En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieen bare, en ik ook uit haar gebouwd worde.4Zo gaf zij hem haar dienstmaagd Bilha tot een vrouw; en Jakob ging tot haar in.5En Bilha werd zwanger, en baarde Jakob een zoon.6Toen zeide Rachel: God heeft mij gericht, en ook mijn stem verhoord, en heeft mij een zoon gegeven; daarom noemde zij zijn naam Dan.7En Bilha, Rachels dienstmaagd, werd wederom bevrucht, en baarde Jakob den tweeden zoon.8Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijn zuster geworsteld; ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijn naam Nafthali.9Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw.10En Zilpa, Lea's dienstmaagd, baarde Jakob een zoon.11Toen zeide Lea: Er komt een hoop! en zij noemde zijn naam Gad.12Daarna baarde Zilpa, Lea's dienstmaagd, Jakob een tweeden zoon.13Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser.14En Ruben ging in de dagen van de tarweoogst, en hij vond Dudaim in het veld, en hij bracht die tot zijn moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lea: Geef mij toch van uws zoons Dudaim.15En zij zeide tot haar: Is het weinig, dat gij mijn man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaim nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaim bij u liggen.16Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet, en zeide: Gij zult tot mij inkomen; want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaim; en hij lag dien nacht bij haar.17En God verhoorde Lea; en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon.18Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijn dienstmaagd aan mijn man gegeven heb; en zij noemde zijn naam Issaschar.19En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon.20En Lea zeide: God heeft mij, mij heeft Hij begiftigd met een goede gift; ditmaal zal mijn man mij bijwonen; want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijn naam Zebulon.21En zij baarde daarna een dochter; en zij noemde haar naam Dina.22God dacht ook aan Rachel; en God verhoorde haar, en opende haar baarmoeder.23En zij werd bevrucht, en baarde een zoon; en zij zeide: God heeft mijn smaadheid weggenomen!24En zij noemde zijn naam Jozef, zeggende: De HEERE voege mij een anderen zoon daartoe.

In dit Schriftgedeelte wordt ons het gezin van Jakob voorgesteld. Dit is een belangrijke bladzijde uit het Oude Testament, want hier vinden we de twaalf zonen van Jakob, die in Handelingen 7 vers 8 aartsvaders worden genoemd.

Aan hen hebben de twaalf stammen van Israël hun naam te danken. In hen zullen de beloften die Abraham en Izaäk, maar ook Jakob te Beth-El, ontvangen hebben, vervuld worden. Van Levi stammen de priesters af, van Juda de koningen en uiteindelijk de Messias Zelf.

Dit gezin volgt de levensstijl van het gezinshoofd: berekening, rivaliteit en dubieuze middelen. Maar ondanks dat houdt God Zijn ogen op hen gericht en wil Hij hen zegenen.

Ook vandaag zijn de gezinnen van de gelovigen iets kostbaars voor het hart van God. Hij wil zowel de ouders als ieder kind afzonderlijk zegenen. Hij kent ons bij naam en wil ons vanaf onze eerste stappen op onze levensweg geschikt maken voor de dienst die Hij voor ons bepaald heeft. Wat is de heerlijke roeping van elke gelovige nu? Is het niet om koningen en priesters te zijn voor zijn God en Vader (Openbaring 1 vers 6)?

De geboorte van Jozef, een beeld van de Heere Jezus, kondigt een nieuw tijdperk aan voor het gezin van Jakob: het einde van de onderdrukking en de terugkeer in het land van de belofte (vers 25).

In geestelijk opzicht is het altijd zo dat we pas ècht van onze bevrijding en hemelse zegeningen kunnen genieten als Christus de plaats in onze harten en huizen mag innemen die Hem toekomt.

Genesis 30:25-43
25En het geschiedde, Als Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijn plaats, en naar mijn land.26Geef mijn vrouwen, en mijn kinderen, om welke ik u gediend heb, dat ik vertrek; want gij weet mijn dienst, die ik u gediend heb.27Toen zeide Laban tot hem: Zo ik nu genade gevonden heb in uw ogen; ik heb waargenomen, dat de HEERE mij om uwentwil gezegend heeft.28Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal.29Toen zeide hij tot hem: Gij weet, hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is.30Want het weinige, dat gij voor mij gehad hebt, dat is tot een menigte uitgebroken; en de HEERE heeft u gezegend bij mijn voet; nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis?31En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; ik zal wederom uw kudden weiden, en bewaren.32Ik zal heden door uw ganse kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn.33Zo zal mijn gerechtigheid op den dag van morgen met mij getuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht; al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.34Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord!35En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen.36En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban.37Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout, en van hazelaar, en van kastanjen; en hij schilde daarin witte strepen, ontblotende het wit, hetwelk aan die roeden was.38En hij legde deze roeden, die hij geschild had, in de goten, en in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit, als zij kwamen om te drinken.39Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte.40Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban.41En het geschiedde, telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zo stelde Jakob de roeden voor de ogen der kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden.42Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen.43En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.

De arme Jakob wordt onrustig, speculeert en behandelt Laban met list en bedrog. Hij probeert door eigen inzicht en inspanning rijk te worden.

Wat is het verdrietig om een gelovige te zien strijden met iemand van de wereld om het bezit van aardse goederen. Izaäk had zijn zoon Jakob een heel ander voorbeeld gegeven (hoofdstuk 26 vers 15 tot en met 22)!

In 1 Timotheüs 6 vers 6 tot en met 10 stelt de apostel tegenover het verlangen naar rijkdom de godsvrucht die met tevredenheid een grote winst is. Hier zien we dubbele winst.

De ware rijkdommen waarnaar we moeten streven, zijn:

Ten eerste de godsvrucht. Dat wil zeggen: de betrekkingen tot God waarvan de altaren spreken. Jakob had in zijn ballingschap geen altaar, geen bewuste verbinding met God.

Ten tweede de tevredenheid. Dit hebben de aartsvaders waar gemaakt door in tenten te leven, zoals Jakob zelf ook (hoofdstuk 25 vers 27). De apostel Paulus had zelf geleerd tevreden te zijn met de omstandigheden waarin hij zich bevond ( Filippi 4 vers 11).

Wat is het toch moeilijk om altijd tevreden te zijn! Maar kunnen we voor onze omgeving niet juist een goede getuige zijn door te laten zien dat we tevreden zijn met wat God ons geeft? Hij heeft ons zelfs niet minder dan Zijn eigen Zoon gegeven (Romeinen 8 vers 32)!

Genesis 31:1-21
1Toen hoorde hij de woorden der zonen van Laban, zeggende: Jakob heeft genomen alles, wat onzes vaders was, en van hetgeen, dat onzes vaders was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt.2Jakob zag ook het aangezicht van Laban aan, en ziet, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren.3En de HEERE zeide tot Jakob: Keer weder tot het land uwer vaderen, en tot uw maagschap, en Ik zal met u zijn.4Toen zond Jakob heen, en riep Rachel en Lea, op het veld tot zijn kudde;5En hij zeide tot haar: Ik zie het aangezicht uws vaders, dat het jegens mij niet is als gisteren en eergisteren; doch de God mijns vaders is bij mij geweest.6En gijlieden weet, dat ik met al mijn macht uw vader gediend heb.7Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; doch God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen.8Wanneer hij aldus zeide: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gespikkelde; en wanneer hij alzo zeide: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gesprenkelde.9Alzo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven.10En het geschiedde ten tijde, als de kudde hittig werd, dat ik mijn ogen ophief, en ik zag in den droom; en ziet, de bokken, die de kudden beklommen, waren gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig.11En de Engel Gods zeide tot mij in de droom: Jakob! En ik zeide: Zie, hier ben ik!12En Hij zeide: Hef toch uw ogen op, en zie! alle bokken, die de kudde beklimmen, zijn gesprenkeld, gespikkeld, en hagelvlakkig; want Ik heb gezien alles, wat Laban u doet.13Ik ben die God van Beth-El, alwaar gij het opgerichte teken gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte beloofd hebt; nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weder in het land uwer maagschap.14Toen antwoordden Rachel en Lea, en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deel of erfenis, in het huis onzes vaders?15Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd.16Want al de rijkdom, welke God onze vader heeft ontrukt, die is onze, en van onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft.17Toen maakte zich Jakob op, en laadde zijn zonen en zijn vrouwen op kemelen.18En hij voerde al zijn vee weg, en al zijn have, die hij gewonnen had, het vee, dat hij bezat, hetwelk hij in Paddan-Aram geworven had, om te komen tot Izak, zijn vader, naar het land Kanaan.19Laban nu was gegaan, om zijn schapen te scheren; zo stal Rachel de terafim, die haar vader had.20En Jakob ontstal zich aan het hart van Laban, den Syrier, overmits hij hem niet te kennen gaf, dat hij vlood.21En hij vlood, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op, en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte Gilead.

Afgezien van alle teleurstellende dingen die we bij Jakob zien, moeten we toch respect hebben voor zijn geduld. Zonder te klagen accepteert hij alle moeiten, ontberingen en onrechtvaardigheid die Laban hem aandoet.

De herinnering aan het land dat de HEERE aan Abraham en zijn nageslacht gegeven had, houdt hem staande. Hij heeft niet vergeten dat God hem in Beth-El beloofd heeft hem in dat land terug te zullen brengen. Deze hoop is blijven leven in zijn hart en het moment komt waarop ze in vervulling gaat.

Hebben wij als gelovigen, als vreemdelingen hier op aarde, niet ook een belofte van de Heere gekregen? De belofte van een hemels vaderland waarin Hij ons heel spoedig zal invoeren? Deze hoop moet ook ons geduld geven en de nodige moed om de moeilijkheden, ja, zelfs onrechtvaardige behandelingen, te verdragen.

Hoewel Jakob gehoorzaam is aan de opdracht van de HEERE (vers 3), blijft hij — jammer genoeg — toch trouw aan zijn bedrieglijk karakter.

Hij bedriegt Laban door, zonder dat deze het weet, te vluchten. Maar is dit tegelijkertijd niet een gebrek aan vertrouwen in God?

Hij Die Jakob de opdracht heeft gegeven om op weg te gaan, staat het Laban niet toe hem hiervan te weerhouden (hoofdstuk 31 vers 24).

Laban kon niet anders dan zich buigen en, zoals al eerder, erkennen: "Van de HEERE is deze zaak voortgekomen" (hoofdstuk 24 vers 50).

Genesis 31:22-55
22En ten derden dage werd aan Laban geboodschapt, dat Jakob gevloden was.23Toen nam hij zijn broeders met zich, en jaagde hem achterna, een weg van zeven dagen, en hij kreeg hem op het gebergte van Gilead.24Doch God kwam tot Laban, den Syrier, in een droom des nachts, en Hij zeide tot hem: Wacht u, dat gij met Jakob spreekt, noch goed, noch kwaad.25En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had zijn tent geslagen op dat gebergte; ook sloeg Laban met zijn broederen de zijne op het gebergte van Gilead.26Toen zeide Laban tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij u aan mijn hart ontstolen hebt, en mijn dochteren ontvoerd hebt, als gevangenen met het zwaard?27Waarom zijt gij heimelijk gevloden, en hebt u aan mij ontstolen? en hebt het mij niet aangezegd, dat ik u geleid had met vreugde, en met gezangen, met trommel en met harp?28Ook hebt gij mij niet toegelaten mijn zonen en mijn dochteren te kussen; nu, gij hebt dwaselijk gehandeld, zo doende.29Het ware in de macht mijner hand aan ulieden kwaad te doen; maar de God van ulieder vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u, van met Jakob te spreken, of goed, of kwaad.30En nu, gij hebt immers willen vertrekken, omdat gij zo zeer begerig waart naar uws vaders huis; waarom hebt gij mijn goden gestolen?31Toen antwoordde Jakob, en zeide tot Laban: Omdat ik vreesde; want ik zeide: Opdat gij niet misschien uw dochteren mij ontweldigdet!32Bij wien gij uw goden vinden zult, laat hem niet leven! Onderken gij voor onze broederen, wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet, dat Rachel dezelve gestolen had.33Toen ging Laban in de tent van Jakob, en in de tent van Lea, en in de tent van de beide dienstmaagden, en hij vond niets; en als hij uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel.34Maar Rachel had de terafim genomen, en zij had die in een kemels zadeltuig gelegd, en zij zat op dezelve. En Laban betastte die ganse tent, en hij vond niets.35En zij zeide tot haar vader: Dat de toorn niet ontsteke in mijns heren ogen, omdat ik voor uw aangezicht niet kan opstaan; want het gaat mij naar der vrouwen wijze; en hij doorzocht; maar hij vond de terafim niet.36Toen ontstak Jakob, en twistte met Laban; en Jakob antwoordde en zeide tot Laban: Wat is mijn overtreding, wat is mijn zonde, dat gij mij zo hittiglijk hebt nagejaagd?37Als gij al mijn huisraad betast hebt, wat hebt gij gevonden van al het huisraad uws huizes! Leg het hier voor mijn broederen en uw broederen, en laat hen richten tussen ons beiden.38Deze twintig jaren ben ik bij u geweest; uw ooien en uw geiten hebben niet misdragen, en de rammen uwer kudde heb ik niet gegeten.39Het verscheurde heb ik tot u niet gebracht; ik heb het geboet; gij hebt het van mijn hand geeist, het ware des daags gestolen, of des nachts gestolen.40Ik ben geweest, dat mij bij dag de hitte verteerde, en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijn ogen week.41Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest; ik heb u veertien jaren gediend om uw beide dochteren, en zes jaren om uw kudde; en gij hebt mijn loon tien malen veranderd.42Ten ware de God van mijn vader, de God van Abraham, en de Vreze van Izak, bij mij geweest was, zekerlijk, gij zoudt mij nu ledig weggezonden hebben! God heeft mijn ellende, en den arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.43Toen antwoordde Laban en zeide tot Jakob: Deze dochters zijn mijn dochters, en deze zonen zijn mijn zonen, en deze kudde is mijn kudde, ja, al wat gij ziet, dat is mijn; en wat zoude ik aan deze mijn dochteren heden doen? of aan haar zonen, die zij gebaard hebben?44Nu dan, kom, laat ons een verbond maken, ik en gij, dat het tot een getuigenis zij tussen mij en tussen u!45Toen nam Jakob een steen, en hij verhoogde die, tot een opgericht teken.46En Jakob zeide tot zijn broederen: Vergadert stenen! En zij namen stenen, en maakten een hoop; en zij aten aldaar op dien hoop.47En Laban noemde hem Jegar-Sahadutha; maar Jakob noemde denzelven Gilead.48Toen zeide Laban: Deze hoop zij heden een getuige tussen mij en tussen u! Daarom noemde men zijn naam Gilead,49En Mizpa; omdat hij zeide: Dat de HEERE opzicht neme tussen mij en tussen u, wanneer wij de een van den ander zullen verborgen zijn!50Zo gij mijn dochteren beledigt, en zo gij vrouwen neemt boven mijn dochteren, niemand is bij ons; zie toe, God zal getuige zijn tussen mij en tussen u!51Laban zeide voorts tot Jakob: Zie, daar is deze zelfde hoop, en zie, daar is dit opgericht teken, hetwelk ik opgeworpen heb tussen mij en tussen u;52Deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgericht teken zij getuige, dat ik tot u voorbij deze hoop niet komen zal, en dat gij tot mij, voorbij deze hoop en dit opgericht teken, niet komen zult ten kwade!53De God van Abraham, en de God van Nahor, de God huns vaders richte tussen ons! En Jakob zwoer bij de Vreze zijn vaders Izaks.54Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broederen, om brood te eten; en zij aten brood, en vernachtten op dat gebergte.55En Laban stond des morgens vroeg op, en kuste zijn zonen, en zijn dochteren, en zegende hen; en Laban trok heen, en keerde weder tot zijn plaats.

Laban merkt de vlucht van Jakob op, gaat hem achterna en haalt hem in.

Als een sluw en huichelachtig mens van de wereld spreekt hij vleiende woorden, terwijl zijn hart vol afgunst is. Hij doet net alsof hij erg gehecht is aan zijn dochters en kleinkinderen, maar in werkelijkheid heeft hij zich altijd alleen laten leiden door eigenbelang (vers 15). Hij doet alsof hij de HEERE vreest (vers 29 en 53), terwijl hij ijverig naar zijn afgodsbeeld zoekt.

Het is verdrietig om te zien dat Rachel waarde hecht aan zo'n beeld. We kunnen er zeker van zijn dat Rebecca deze dingen destijds met vreugde heeft achtergelaten, toen ze met de knecht van Abraham meeging.

Deze terafim is voor ons een beeld van de dingen van de wereld, van de dingen waarvan wij geen afstand kunnen nemen en waarvan we denken ze mee te kunnen nemen op onze weg naar het hemels vaderland. Misschien kunnen we ze een tijd lang, diep in ons hart, voor de ogen van anderen verborgen houden.

Geve God Die alles weet en ziet, dat wij alles wat in ons leven de plaats van de Heere Jezus zou kunnen innemen, opmerken en wegdoen. Want dát zijn voor ons afgoden!

Tenslotte gaan Jakob en Laban uit elkaar. De 'hoop' van stenen (vers 52) vormt de grens tussen hen. Er is geen gemeenschappelijke bodem voor de gelovige en de mens van de wereld. Zelfs al zouden ze tot dezelfde familie behoren!

Genesis 32: 1-21
1Jakob toog ook zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.2En Jakob zeide, met dat hij hen zag: Dit is een heirleger Gods! en hij noemde den naam derzelver plaats Mahanaim.3En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom.4En hij gebood hun, zeggende: Zo zult gij zeggen tot mijn heer, tot Ezau: Zo zegt Jakob, uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;5En ik heb ossen en ezelen, schapen en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijn heer aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uw ogen.6En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.7Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange; en hij verdeelde het volk, dat met hem was, en de schapen, en de runderen, en de kemels, in twee heiren;8Want hij zeide: Indien Ezau op het ene heir komt, en slaat het, zo zal het overgeblevene heir ontkomen.9Voorts zeide Jakob: O, God mijns vaders Abrahams, en God mijns vaders Izaks, o HEERE! Die tot mij gezegd hebt: Keer weder tot uw land, en tot uw maagschap, en Ik zal wel bij u doen!10Ik ben geringer dan al deze weldadigheden, en dan al deze trouw, die Gij aan Uw knecht gedaan hebt; want ik ben met mijn staf over deze Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden!11Ruk mij toch uit mijns broeders hand, uit Ezau's hand; want ik vreze hem, dat hij niet misschien kome, en mij sla, de moeder met de zonen!12Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewisselijk bij u weldoen, en Ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden!13En hij vernachtte aldaar dienzelfden nacht; en hij nam van hetgeen, dat hem in zijn hand kwam, een geschenk voor Ezau zijn broeder;14Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;15Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.16En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.17En hij gebood de eerste, zeggende: Wanneer Ezau, mijn broeder, u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij? en waarheen gaat gij? en wiens zijn deze voor uw aangezicht?18Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons!19En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen, die de kudden nagingen, zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Ezau, als gij hem vinden zult.20En gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons! Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk, dat voor mijn aangezicht gaat, en daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.21Alzo ging dat geschenk heen voor zijn aangezicht; doch hijzelf vernachtte dienzelfden nacht in het leger.

Uit Hebreeën 1 vers 14 weten we dat de dienst van de engelen voor de gelovigen is. Vaak vindt die dienst plaats zonder dat we het weten.

Toen Jakob uit Kanaän wegtrok, heeft God hem in zekere zin willen laten zien wie Hij wilde gebruiken om 'in den vreemde' voor hem te zorgen (hoofdstuk 28 vers 12). Nu, bij zijn terugreis, heten de engelen van Mahanáïm de aartsvader welkom in het land van de belofte.

Jakob is niet in staat zich te verheugen in de goedheid van de HEERE, hoewel daardoor toch zijn enige wens in vervulling is gegaan (hoofdstuk 28 vers 20 en 21).

Zijn hart is niet vrij van mensenvrees. Ook al zit Laban niet meer achter hem, Ezau is nog wel vóór hem. En hij beeft als hij eraan denkt dat hij hem zal ontmoeten.

Hij bidt wel (vers 9 tot en met 12), maar tegelijkertijd bedenkt hijzelf ook allerlei voorzorgsmaatregelen. Het is net alsof hij God niet in staat acht hem te bevrijden. Lijken wij hierin ook niet vaak op hem?

Laten we er ook op letten hoe onderdanig Jakob is (vers 18 en 20), terwijl hij toch door de zegen van zijn vader heer over zijn broer is geworden.

Zou het niet veel beter geweest zijn wanneer Jakob zich in vertrouwen op de HEERE aan het hoofd van de stoet had geplaatst? En zo zijn beledigde broer om vergeving had gevraagd, in plaats van zo'n 'toneel op te voeren' en zelf allerlei voorzorgsmaatregelen te nemen?

Genesis 32:22-32
22En hij stond op in dienzelfden nacht, en hij nam zijn twee vrouwen, en zijn twee dienstmaagden, en zijn elf kinderen, en hij toog over het veer van de Jabbok.23En hij nam ze, en deed hen over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had.24Doch Jakob bleef alleen over; en een man worstelde met hem, totdat de dageraad opging.25En toen Hij zag, dat Hij hem niet overmocht, roerde Hij het gewricht zijner heup aan, zodat het gewricht van Jakobs heup verwrongen werd, als Hij met hem worstelde.26En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.27En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.28Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israel; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht.29En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar.30En Jakob noemde den naam dier plaats Pniel: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.31En de zon rees hem op, als hij door Pniel gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.32Daarom eten de kinderen Israels de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.

In de geschiedenis van Jakob wordt ons nu een tweede belangrijke nacht genoemd.

In de strijd met de engel zien we eigenlijk een samenvatting van zijn leven dat hij tot nu toe heeft geleid. Altijd heeft hij geprobeerd door eigen inspanningen de zegen te verkrijgen, waardoor hij zich tegenover God stelde. Nu moet hij ervaren dat men zijn eigen wil niet kán doorzetten, dat men daardoor niet kán overwinnen. Slecht één beweging van God (vers 25) en het is voorbij.

Nu wordt Jakob gedwongen zijn zelfvertrouwen op te geven. Hij leert één van de belangrijkste beginselen in het leven van een gelovige: "Als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Korinthe 12 vers 10).

Op dit moment roept hij als het ware zegevierend uit: "Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent" (vers 26 en Hosea 12 vers 5). Dát is de overwinning van het gebed!

Hij krijgt die zegen in de vorm van een nieuwe naam: Israël. Deze naam is in de raadsbesluiten van God, in de Schrift en in de geschiedenis van grote betekenis. Deze naam spreekt ons van Christus, de Overwinnaar, de Vorst, de ware Israël van God.

Beste christen, God wil overwinnaars van ons maken. Als Hij ons tegenkomt op een weg die we zelf gekozen hebben, en onze vleselijke kracht wegneemt, dan is dat om ons Zijn kracht te geven.

Jakob zou zich altijd aan Pniël herinneren vanwege zijn ontwrichte zenuw. Hij was wel "hinkende aan zijn heup" , maar zijn ziel was bevrijd (Romeinen 7 vers 24 en 25)!

Genesis 33:1-20
1En Jakob hief zijn ogen op en zag; en ziet, Ezau kwam, en vierhonderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea, en onder Rachel, en onder de twee dienstmaagden.2En hij stelde de dienstmaagden en haar kinderen vooraan; en Lea en haar kinderen meer achterwaarts; maar Rachel en Jozef de achterste.3En hij ging voorbij hun aangezicht heen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zijn broeder kwam.4Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.5Daarna hief hij zijn ogen op, en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze bij u? En hij zeide: De kinderen, die God aan uw knecht genadiglijk verleend heeft.6Toen traden de dienstmaagden toe, zij en haar kinderen, en zij bogen zich neder.7En Lea trad ook toe, met haar kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna trad Jozef toe en Rachel, en zij bogen zich neder.8En hij zeide: Voor wien is u al dit heir, dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade te vinden in de ogen mijns heren!9Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!10Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.11Neem toch mijn zegen, die u tegemoet gebracht is, dewijl het God mij genadiglijk verleend heeft, en dewijl ik alles heb; en hij hield bij hem aan, zodat hij het nam.12En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken; en ik zal voor u trekken.13Maar hij zeide tot hem: Mijn heer weet, dat deze kinderen teder zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; indien men dezelve maar een dag afdrijft, zo zal de gehele kudde sterven.14Mijn heer trekke toch voorbij, voor het aangezicht van zijn knecht; en ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen, naar den gang van het werk, hetwelk voor mijn aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijn heer te Seir kome.15En Ezau zeide: Laat mij toch van dit volk, dat met mij is, u bijstellen. En hij zeide: Waartoe dat? laat mij genade vinden in mijns heren ogen!16Alzo keerde Ezau dien dag wederom zijns weegs naar Seir toe.17Maar Jakob reisde naar Sukkoth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij den naam dier plaats Sukkoth.18En Jakob kwam behouden tot de stad Sichem, welke is in het land Kanaan, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad.19En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijn tent gespannen had, van de hand der zonen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds.20En hij richte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israels is God!

Nadat de HEERS de naam van Abram in Abraham veranderd had, verdween de oude naam definitief.

Bij Jakob was dat niet zo. Tot aan het einde van zijn leven werd zijn oude naam gebruikt en pas lang na Pniël werd meer en meer gebruik gemaakt van zijn nieuwe naam Israël. Dat betekent dat de oude Jakob, de hielenlichter, zich steeds weer liet gelden.

Toch mogen we steeds opnieuw Gods genade opmerken bij hem en zijn gezin. God heeft op zijn gebed (hoofdstuk 32 vers 11) geantwoord en het hart van Ezau bewerkt (vers 4).

Uit vers 8 blijkt duidelijk dat het alleen Gods werk is, er is niets van Jakob bij. Ezau had namelijk helemaal niet begrepen waartoe al die geschenken die Jakob zo zorgvuldig voor hem had klaargemaakt, moesten dienen.

Toch zien we dat Jakob weer bang wordt.

Hij had Ezau die hem wilde beschermen, toch kunnen vertellen dat hij vertrouwde op de almacht van God en op Zijn bescherming? Maar hij verschuilt zich achter een leugen en zegt dat hij naar Seïr wil. In werkelijkheid reist hij echter naar Sukkoth.

En wat nog erger is, is dat hij daar voor zichzelf een huis bouwt (vers 17) en een veld koopt (vers 19). Daardoor verloochent hij een vreemdeling hier op aarde te zijn.

De gevolgen blijven dan ook niet uit.

Genesis 35:1-15
1Daarna zeide God tot Jakob: Maak u op, trek op naar Beth-El, en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, Die u verscheen, toen gij vluchttet voor het aangezicht van uw broeder Ezau.2Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin, en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden, die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uw klederen;3En laat ons ons opmaken, en optrekken naar Beth-El; en ik zal daar een altaar maken dien God, Die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en met mij geweest is op den weg, die ik gewandeld heb.4Toen gaven zij Jakob al die vreemde goden, die in hun hand waren, en de oorsierselen, die aan hun oren waren, en Jakob verborg ze onder den eikeboom, die bij Sichem is.5En zij reisden heen; en Gods verschrikking was over de steden, die rondom hen waren, zodat zij de zonen van Jakob niet achterna jaagden.6Alzo kwam Jakob te Luz, hetwelk is in het land Kanaan (dat is Beth-El), hij en al het volk, dat bij hem was.7En hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-El; want God was hem aldaar geopenbaard geweest, als hij voor zijns broeders aangezicht vlood.8En Debora, de voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-El; onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-Bachuth.9En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was; en Hij zegende hem.10En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israel zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israel.11Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.12En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.13Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.14En Jakob stelde een opgericht teken op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had, een stenen opgericht teken; en hij stortte daarop drankoffer, en goot olie daarover.15En Jakob noemde den naam dier plaats, alwaar God met hem gesproken had, Beth-El.

Na de schandelijke daden die in zijn gezin zijn gebeurd, is Jakob verdrietig en ontmoedigd (hoofdstuk 34 vers 30). God wil echter niet dat hij in zo'n toestand blijft en richt Zich tot hem: "Maak u op, trek op naar Beth-El, en woon aldaar; en maak daar een altaar." — Beth-El, huis van God. Daar is de HEERS aanwezig!

Diezelfde stem roept de christen op om elke eerste dag van de week alle dagelijkse beslommeringen te vergeten en te gaan naar de plaats waar de Heere in het midden is, om Hem te aanbidden in geest en waarheid.

Maar Jakob voelt wel dat er eerst iets in orde gemaakt moet worden, voordat hij kan gehoorzamen.

In zijn tenten worden dingen verborgen die niet passen in de heilige tegenwoordigheid van God. Ook al zijn het maar terafim van Laban die in de tent van Rachel zijn. Ook al heeft hij deze 'vreemde goden' lange tijd toegelaten, op het moment dat God verschijnt, moeten ze onvoorwaardelijk verwijderd worden. Daarna kan Jakob pas naar Beth-El trekken.

Die plaats vindt hij nu niet meer 'vreselijk' (hoofdstuk 28 vers 17). Daar bouwt hij een altaar, denkt met een dankbaar hart terug aan de ontvangen zegeningen en ontvangt van God de bevestiging van al Zijn beloften.

Nadat de aanbidder alles heeft veroordeeld en weggedaan wat niet in overeenstemming is met zijn verheven dienst, wordt hij in de tegenwoordigheid van God gezegend. Gezegend met talrijke zegeningen van onmetelijk grote waarde!

Genesis 35:16-29
16En zij reisden van Beth-El; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.17En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want deze zoon zult gij ook hebben!18En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.19Alzo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, hetwelk is Bethlehem.20En Jakob richtte een gedenkteken op boven haar graf, dit is het gedenkteken van Rachels graf tot op dezen dag.21Toen verreisde Israel, en hij spande zijn tent op gene zijde van Migdal-Eder.22En het geschiedde, als Israel in dat land woonde, dat Ruben heenging, en lag bij Bilha, zijns vaders bijwijf; en Israel hoorde het. En de zonen van Jakob waren twaalf.23De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.24De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.25En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Nafthali.26En de zonen van Zilpa, Lea's dienstmaagd: Gad en Aser. Deze zijn de zonen van Jakob, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.27En Jakob kwam tot Izak, zijn vader, in Mamre, te Kirjath-Arba, hetwelk is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Izak.28En de dagen van Izak waren honderd jaren, en tachtig jaren.29En Izak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijn volken, oud en zat van dagen; en zijn zonen Ezau en Jakob begroeven hem.

Nu begint er een nieuwe periode in het leven van Jakob. Terwijl hij onderweg is, wordt Benjamin geboren en direct daarna sterft Rachel.

Ook op de levensweg van een christen wisselen vreugde en verdriet elkaar af. Hij kan evenals Jakob gedenktekens oprichten (vers 14 en 20).

De beide namen van het kind spreken ons van de Heere Jezus.

Benoni , 'zoon van mijn smarten', is de Naam van Hem over Wie Israël zal rouwklagen, "als met de rouwklacht over een enige zoon" (Zacharia 12 vers 10). De Naam van een Verachte hier op aarde, "een Man van smarten", vertrouwd met lijden (Jesaja 53 vers 3).

Maar Hij is ook de ware Benjamin, 'zoon van mijn rechterhand'. God heeft tegen Hem gezegd: "Zit aan Mijn rechterhand" (Psalm 110 vers 1; een tekst die ook meerdere keren in het Nieuwe Testament wordt aangehaald).

Beide namen zijn niet van elkaar te scheiden, ze behoren één en dezelfde persoon toe. Dit herinnert ons eraan dat het lijden en de heerlijkheid van de Heere Jezus niet van elkaar te scheiden zijn (1 Petrus 1 vers 11).

Ook een andere naam in dit Schriftgedeelte doet ons denken aan de Heere Jezus: Bethlehem (vers 19). Daar is de Heiland geboren.

Daar is het graf van Rachel. Het is een plaats van tranen die aan het begin van het Evangelie naar Mattheüs (hoofdstuk 2 vers 18) genoemd wordt. Maar ook de plaats waar de grootste blijdschap van alle tijden aangekondigd zou worden (Lukas 2 vers 10 en 11).

Genesis 36:1-28
1Dit nu zijn de geboorten van Ezau, welke is Edom.2Ezau nam zijn vrouwen uit de dochteren van Kanaan, Ada, de dochter van Elon, de Hethiet, en Aholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet;3En Basmath, de dochter van Ismael, zuster van Nebajoth.4Ada nu baarde aan Ezau Elifaz, en Basmath baarde Rehuel.5En Aholibama baarde Jehus, en Jaelam, en Korah. Dit zijn de zonen van Ezau, die hem geboren zijn in het land Kanaan.6Ezau nu had genomen zijn vrouwen, en zijn zonen, en zijn dochters, en al de zielen zijns huizes, en zijn vee, en al zijn beesten, en al zijn bezitting, die hij in het land Kanaan geworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht van zijn broeder Jakob.7Want hun have was te veel, om samen te wonen; en het land hunner vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee.8Derhalve woonde Ezau op het gebergte Seir. Ezau is Edom.9Dit nu zijn de geboorten van Ezau, de vader der Edomieten, op het gebergte van Seir.10Dit zijn de namen der zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, Ezau's huisvrouw; Rehuel, de zoon van Basmath, Ezau's huisvrouw.11En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.12En Timna was een bijwijf van Elifaz, den zoon van Ezau, en zij baarde aan Elifaz Amalek; dit zijn de zonen van Ada, Ezau's huisvrouw.13En dit zijn de zonen van Rehuel: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezau's huisvrouw.14En dit zijn geweest de zonen van Aholibama, dochter van Ana, dochter van Zibeon, Ezau's huisvrouw; en zij baarde aan Ezau Jehus, en Jaelam, en Korah.15Dit zijn de vorsten der zonen van Ezau: de zonen van Elifaz, den eerstgeborene van Ezau, waren: de vorst Teman, de vorst Omar, de vorst Zefo, de vorst Kenaz.16De vorst Korah, de vorst Gaetam, de vorst Amalek; dat zijn de vorsten van Elifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada.17En dit zijn de zonen van Rehuel, den zoon van Ezau: de vorst Nahath, de vorst Zera, de vorst Samma, de vorst Mizza; dat zijn de vorsten van Rehuel in het land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw van Ezau.18En dit zijn de zonen van Aholibama, de huisvrouw van Ezau: de vorst Jehus, de vorst Jaelam, de vorst Korah; dat zijn de vorsten van Aholibama, de dochter van Ana, de huisvrouw van Ezau.19Dat zijn de zonen van Ezau, en dat zijn hunlieder vorsten; hij is Edom.20Dit zijn de zonen van Seir, den Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana,21En Dison, en Ezer, en Disan; dat zijn de vorsten der Horieten, zonen van Seir, in het land van Edom.22En de zonen van Lotan waren Hori en Hemam; en Lotans zuster was Timna.23En dit zijn de zonen van Sobal: Alvan en Manahath, en Ebal, en Sefo, en Onam.24En dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana, hij is die Ana, die de muilen in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde.25En dit zijn de zonen van Ana: Dison; en Aholibama was de dochter van Ana.26En dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, en Esban, en Ithran, en Cheran.27Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, en Zaavan, en Akan.28Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran.

Na de geboorte van Benjamin is het gezin van Jakob voltallig. Maar ook het gezin van Ezau breidt zich uit. Een familie met veel vorsten en koningen (vers 29 tot en met 43).

Veel jonge mensen willen later graag een goede baan, een hoge functie. Maar is het niet veel beter om de Heere te gehoorzamen en hen die Hem toebehoren, te dienen, dan de baas te zijn over veel personeel? De Heere Jezus spreekt hierover met Zijn discipelen: "Gij weet, dat zij die geacht worden Oversten te zijn der volken, heerschappij voeren over hen ... doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn" (Markus 10 vers 42 en 43).

Onder de machtige personen die in dit hoofdstuk genoemd worden, is er één die hete waterbronnen vindt in de woestijn (vers 24; in sommige Bijbelvertalingen wordt het woord in dit vers met 'muildieren' vertaald). Deze bronnen zijn een beeld van alle teleurstellingen en ontgoochelingen van de wereld die onze dorst niet kunnen lessen.

Iemand anders, Amalek, wordt de grimmigste van alle vijanden van Israël. Hij duikt telkens weer op in de geschiedenis van dit volk.

Aan het einde van vers 8 worden we eraan herinnerd: "Ezau is Edom". De naam van Jakob, 'hielenlichter', werd veranderd in Israël: 'vorst van God'. De naam Ezau daarentegen werd veranderd in Edom, dat betekent: 'het rode' (vergelijk hoofdstuk 25 vers 30). Wat een ironie! Deze man en zijn nakomelingen waren van geslacht tot geslacht veroordeeld tot het dragen van de naam van het eten waarvoor hij de zegen had ingeruild.

Genesis 37:1-17
1En Jakob woonde in het land der vreemdelingschappen zijns vaders, in het land Kanaan.2Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaren, weidde de kudde met zijn broeders (en hij was een jongeling), met de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht hun kwaad gerucht tot hun vader.3En Israel had Jozef lief, boven al zijn zonen; want hij was hem een zoon des ouderdoms; en hij maakte hem een veelvervigen rok.4Als nu zijn broeders zagen, dat hun vader hem boven al zijn broederen liefhad, haatten zij hem, en konden hem niet vredelijk toespreken.5Ook droomde Jozef een droom, dien hij aan zijn broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer.6En hij zeide tot hen: Hoort toch dezen droom, dien ik gedroomd heb.7En ziet, wij waren schoven bindende in het midden des velds; en ziet, mijn schoof stond op, en bleef ook staande; en ziet, uw schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijn schoof.8Toen zeiden zijn broeders tot hem: Zult gij dan ganselijk over ons regeren: zult gij dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden.9En hij droomde nog een anderen droom, en verhaalde dien aan zijn broederen; en hij zeide: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan en elf sterren bogen zich voor mij neder.10En als hij het aan zijn vader en aan zijn broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is dit voor een droom, dien gij gedroomd hebt; zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor u ter aarde te buigen?11Zijn broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zaak.12En zijn broeders gingen heen, om de kudde van hun vader te weiden bij Sichem.13Zo zeide Israel tot Jozef: Weiden uw broeders niet bij Sichem? Kom, dat ik u tot hen zende. En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!14En hij zeide tot hem: Ga toch heen, zie naar den welstand van uw broederen, en naar den welstand van de kudde, en breng mij een woord wederom. Zo zond hij hem uit het dal Hebron, en hij kwam te Sichem.15En een man vond hem (want ziet, hij was dwalende in het veld); zo vraagde hem deze man, zeggende: Wat zoekt gij?16En hij zeide: Ik zoek mijn broederen; geef mij toch te kennen, waar zij weiden.17Zo zeide die man: Zij zijn van hier gereisd; want ik hoorde hen zeggen: Laat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijn broederen na, en vond hen te Dothan.

Vandaag beginnen we met de mooie geschiedenis van het leven van Jozef. In de Heilige Schrift vinden we geen persoon die op volmaaktere wijze een beeld is van de Heere Jezus.

Jozef is het voorwerp van de bijzondere liefde van zijn vader, maar tegelijkertijd ook het slachtoffer van de haat en nijd van zijn broers, de zonen van Israël (vergelijk Johannes 3 vers 19). Jozef getuigt tegen hen door van hun boze werken te vertellen (vers 2). Maar hij betuigt ook voor hen van zijn toekomstige verhoging waarin ze niet willen geloven.

Christus is het Middelpunt van de profetieën met betrekking tot de aarde (vers 7) en de hemel (vers 9). Hij, de trouwe en ware Getuige, getuigt tegen deze wereld van haar boze werken (Johannes 7 vers 7), maar betuigt ook voor de wereld van Zijn toekomstige heerlijkheid Mattheüs 26 vers 64).

Jakob geeft Jozef een veelkleurige rok, waarmee hij aantoont dat hij hem liefheeft. Dit herinnert ons eraan dat de Vader openlijk bekendgemaakt heeft dat Hij een welbehagen heeft in Zijn Zoon, de Heere Jezus (Mattheüs 3 vers 17 en Handelingen 2 vers 22).

Jozef is voor ons een voorbeeld van gehoorzaamheid. "Hier ben ik" (vers 13), zegt hij als zijn vader hem roept om naar zijn broers te gaan, hoewel hij door hen werd gehaat.

In de Heere Jezus hebben we een nog veel groter Voorbeeld! Hij stelt Zichzelf in volkomen gehoorzaamheid ter beschikking als Zijn Vader Hem naar de aarde wil zenden: "Zie, Ik kom ... Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen" (Psalm 40 vers 8 en 9).

Genesis 37:18-36
18En zij zagen hem van verre; en eer hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listigen raad, om hem te doden.19En zij zeiden de een tot den ander: Ziet, daar komt die meester-dromer aan!20Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat van zijn dromen worden zal.21Ruben hoorde dat, en verloste hem uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan.22Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in dezen kuil die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weder te brengen.23En het geschiedde, als Jozef tot zijn broederen kwam, zo togen zij Jozef zijn rok uit, den veelvervigen rok, dien hij aanhad.24En zij namen hem, en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig; er was geen water in.25Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaelieten kwam uit Gilead; en hun kemelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.26Toen zeide Juda tot zijn broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan, en zijn bloed verbergen?27Komt, en laat ons hem aan deze Ismaelieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees, en zijn broederen hoorden hem.28Als nu de Midianietische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaelieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte.29Als nu Ruben tot den kuil wederkeerde, ziet, zo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijn klederen.30En hij keerde weder tot zijn broederen, en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heengaan?31Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok, en zij doopten den rok in het bloed.32En zij zonden den veelvervigen rok, en deden hem tot hun vader brengen, en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet.33En hij bekende hem, en zeide: Het is mijns zoons rok! een boos dier heeft hem opgegeten! voorzeker is Jozef verscheurd!34Toen scheurde Jakob zijn klederen, en legde een zak om zijn lenden; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.35En al zijn zonen, en al zijn dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader.36En de Midianieten verkochten hem in Egypte, aan Potifar, een hoveling van Farao, overste der trawanten.

De lange weg die Jozef moet afleggen om zijn broers te zoeken, wijst op de weg die de Heere Jezus, de Zoon van God, moest gaan om het verlorene te zoeken en te behouden.

Het was een weg waarop Hij Zichzelf vernederde: Hij was God en is Mens geworden. Hij vernederde Zich zelfs tot de dood, ja, tot de dood van het kruis (Filippi 2 vers 7 en 8).

Dan volgt de misdaad van Jozefs broers, waarvan alle details onze ogen richten op het kruis. Ze beramen een aanslag; ze willen hem die kwam om hen te dienen, doden (Psalm 109 vers 5). — "Zij scholen samen tegen de ziel van de rechtvaardige, en zij veroordelen onschuldig bloed" (Psalm 94 vers 21).

Vervolgens gooien ze hem in een kuil, een beeld van de dood. Deze hele lijdensweg heeft onze Verlosser in werkelijkheid moeten gaan.

Uiteindelijk verkopen ze Jozef voor twintig zilverlingen, als slaaf, aan vreemdelingen.

Hij Die vele malen groter is dan Jozef, werd voor dertig zilverlingen verkocht. "Een heerlijke prijs, die Ik waard geacht ben geweest van hen!" (Zacharia 11 vers 13). Daarna werd Hij door de joden overgeleverd aan Pilatus.

Jozef moet wel de wanhoop nabij geweest zijn! Hoeveel groter moet het lijden geweest zijn van Hem van Wie Jozef maar een heel zwak beeld is, Die al die smarten moest ondergaan. Ja, Die zelfs door de dood ging, uit liefde voor u en mij!

Genesis 38; Genesis 39:1-16
1En het geschiedde ten zelven tijde, dat Juda van zijn broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam, wiens naam was Hira.2En Juda zag aldaar de dochter van een Kanaanietisch man, wiens naam was Sua; en hij nam haar, en ging tot haar in.3En zij werd bevrucht, en baarde een zoon, en hij noemde zijn naam Er.4Daarna werd zij weder bevrucht, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Onan.5En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; doch hij was te Chezib, toen zij hem baarde.6Juda nu nam een vrouw voor Er, zijn eerstgeborene, en haar naam was Thamar.7Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des HEEREN ogen; daarom doodde hem de HEERE.8Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws broeders naam, en verwek uw broeder zaad.9Doch Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijn broeder geen zaad te geven.10En het was kwaad in des HEEREN ogen, wat hij deed; daarom doodde Hij hem ook.11Toen zeide Juda tot Thamar, zijn schoondochter: Blijf weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon Sela groot wordt; want hij zeide: Dat niet misschien ook deze sterve, gelijk zijn broeders! Zo ging Thamar heen, en bleef in haar vaders huis.12Als nu vele dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijn schaapscheerders naar Timna toe, hij en Hira, zijn vriend, de Adullamiet.13En men gaf Thamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna, om zijn schapen te scheren.14Toen legde zij de klederen van haar weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met een sluier, en bewond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is; want zij zag, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet ter vrouw was gegeven.15Als Juda haar zag, zo hield hij haar voor een hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had.16En hij week tot haar naar den weg, en zeide: Kom toch, laat mij tot u ingaan; want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij ingaat?17En hij zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij pand zult geven, totdat gij hem zendt.18Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem.19En zij maakte zich op, en ging heen, en legde haar sluier van zich af, en zij trok aan de klederen van haar weduwschap.20En Juda zond den geitenbok door de hand van zijn vriend, den Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw te nemen; maar hij vond haar niet.21En hij vraagde de lieden van haar plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geen hoer geweest.22En hij keerde weder tot Juda, en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geen hoer geweest.23Toen zeide Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb deze bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden.24En het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Thamar, uw schoondochter, heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeide Juda: Breng ze hervoor, dat zij verbrand worde!25Als zij voorgebracht werd, schikte zij tot haar schoonvader, om te zeggen: Bij den man, wiens deze dingen zijn, ben ik zwanger; en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring, en deze snoeren, en deze staf zijn.26En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.27En het geschiedde ten tijde, als zij baren zou, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.28En het geschiedde, als zij baarde, dat een de hand uitgaf; en de vroedvrouw nam dezelve, en zij bond een scharlaken draad om zijn hand, zeggende: Deze komt het eerst uit.29Maar het geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez.30En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; en men noemde zijn naam Zera.
1Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, een hoveling van Farao, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaelieten, die hem derwaarts afgevoerd hadden.2En de HEERE was met Jozef, zodat hij een voorspoedig man was; en hij was in het huis van zijn heer, den Egyptenaar.3Als nu zijn heer zag, dat de HEERE met hem was, en dat de HEERE al wat hij deed, door zijn hand voorspoedig maakte;4Zo vond Jozef genade in zijn ogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis; en al wat hij had, gaf hij in zijn hand.5En het geschiedde van toen af, dat hij hem over zijn huis, en over al wat het zijne was, gesteld had, dat de HEERE des Egyptenaars huis zegende, om Jozefs wil; ja, de zegen des HEEREN was in alles, wat hij had, in het huis en in het veld.6En hij liet alles, wat hij had, in Jozefs hand, zodat hij met hem van geen ding kennis had, behalve van het brood, dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante, en schoon van aangezicht.7En het geschiedde na deze dingen, dat de huisvrouw zijns heren haar ogen op Jozef wierp; en zij zeide: lig bij mij!8Maar hij weigerde het, en zeide tot de huisvrouw zijns heren: Zie, mijn heer heeft geen kennis met mij, wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijn hand gegeven.9Niemand is groter in dit huis dan ik, en hij heeft voor mij niets onthouden, dan u, daarin dat gij zijn huisvrouw zijt; hoe zoude ik dan dit een zo groot kwaad doen, en zondigen tegen God!10En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;11Zo gebeurde het op zulk een dag, dat hij in het huis kwam, om zijn werk te doen; en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis.12En zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij! En hij liet zijn kleed in haar hand, en vluchtte, en ging uit naar buiten.13En het geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was;14Zo riep zij de lieden van haar huis, en sprak tot hen, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwsen man ingebracht, om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen, om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider stem;15En het geschiedde, als hij hoorde, dat ik mijn stem verhief, en riep, zo verliet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte, en ging uit naar buiten.16En zij legde zijn kleed bij zich, totdat zijn heer in zijn huis kwam.

Hoofdstuk 38 wordt als het ware in de geschiedenis van Jozef tussengeschoven. Door het voorbeeld van Juda worden we erop gewezen dat een ieder tot erge zonden verleid kan worden. Maar met name voor hem die de Heere Jezus afwijst (zoals Juda die het voorstel deed om Jozef te verkopen), geldt dat de zonde aan de deur ligt.

Als we met een oprecht hart de Heere Jezus wensen te volgen, mogen we rekenen op Gods genade die ons voor struikelen wil bewaren.

Juda verliet het door God uitgekozen volk en sloot vriendschap met een Kanaäniet, waarna hij huwde met een Kanaänietische vrouw. Verbindingen met de wereld zijn altijd catastrofaal voor leden van Gods volk.

Hoeveel droevige voorbeelden zijn er in het verleden en het heden van vriendschappen tussen gelovigen en mensen van de wereld, waarvan huwelijken met ongelovigen het gevolg waren (vergelijk 2 Korinthe 6 vers 14 tot 7 vers 1)!

Juda moet in zijn kinderen ervaren hoe bitter de gevolgen van verkeerde wegen zijn.

Hij had zijn vader zijn dierbaarste zoon, Jozef, ontnomen. Twee van zijn drie zonen worden door de HEERS gedood vanwege hun boosheid. Hij bedroog zijn schoondochter door haar zijn zoon Sela niet te geven, en wordt nu zelf door haar bedrogen. Dit laatste was niet gebeurd als hijzelf in reinheid gewandeld had. Het loon van de zonde is bitter.

Het hart van de mens wordt daarin zichtbaar dat Juda zijn schoondochter tot de verbrandingsdood veroordeelde voor iets waarin hijzelf gefaald had. Het is goed eerst onszelf te oordelen en daarna de ander.

Genesis 39:17-23; Genesis 40:1-8
17Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: De Hebreeuwse knecht, dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen, om met mij te spotten.18En het is geschied, als ik mijn stem verhief, en riep, dat hij zijn kleed bij mij liet, en vluchtte naar buiten.19En het geschiedde, als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, die zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze zelfde woorden heeft mij uw knecht gedaan, zo ontstak zijn toorn.20En Jozefs heer nam hem, en leverde hem in het gevangenhuis, ter plaatse, waar des konings gevangenen gevangen waren; alzo was hij daar in het gevangenhuis.21Doch de HEERE was met Jozef, en wende Zijn goedertierenheid tot hem; en gaf hem genade in de ogen van den overste van het gevangenhuis.22En de overste van het gevangenhuis gaf al de gevangenen, die in het gevangenhuis waren, in Jozefs hand; en al wat zij daar deden, deed hij.23De overste van het gevangenhuis zag gans op geen ding, dat in zijn hand was, overmits dat de HEERE met hem was; en wat hij deed, dat deed de HEERE wel gedijen.
1En het geschiedde na deze dingen, dat de schenker des konings van Egypte en de bakker, zondigden tegen hun heer, tegen den koning van Egypte.2Zodat Farao zeer toornig werd op zijn twee hovelingen, op den overste der schenkers, en op den overste der bakkers.3En hij leverde hen in bewaring, ten huize van den overste der trawanten, in het gevangenhuis, ter plaatse, waar Jozef gevangen was.4En de overste der trawanten bestelde Jozef bij hen, dat hij hen diende; en zij waren sommige dagen in bewaring.5Zij droomden nu beiden een droom, elk zijn droom, in een nacht, elk naar de uitlegging zijns drooms, de schenker en de bakker, die des konings van Egypte waren, die gevangen waren in het gevangenhuis.6En Jozef kwam des morgens tot hen, en hij zag hen aan, en ziet, zij waren ontsteld.7Toen vraagde hij de hovelingen van Farao, die bij hem waren in hechtenis van het huis zijns heren, zeggende: Waarom zijn uw aangezichten heden kwalijk gesteld?8En zij zeiden tot hem: Wij hebben een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge. En Jozef zeide tot hen: Zijn de uitleggingen niet van God? Vertelt ze mij toch.

Wat een contrast met het vorige hoofdstuk. Hier zien we een jonge man die de HEERS vreest en zich daarom rein wil bewaren van wereldse invloeden. God zegent hem in zijn werk, wat anderen opvalt. Daardoor geeft God aan dat Hij een welgevallen heeft aan zijn vroomheid.

Als Jozef verzocht wordt, weigert hij (vers 8), luistert niet (vers 10) en vlucht (vers 12). Vergelijk hiermee Richteren 16 vers 16 en 17.

Beste jonge vriend of vriendin, je zult vroeg of laat het ouderlijk huis verlaten, bijvoorbeeld voor studie of werk. Dan moet je in een vijandige, gevaarlijke omgeving leven en zult gegarandeerd ook aanvechtingen van satan krijgen. Laat Jozef die ook ver van huis was, dan een voorbeeld voor je zijn.

"Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden?" vraagt de psalmist. — "Als hij dat houdt naar Uw Woord", antwoordt hij direct. Hij heeft zich voorbereid op de dag van de verzoeking: "Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou" (Psalm 119 vers 9 en 11).

Opnieuw wordt Jozef onrechtvaardig behandeld. Op grond van een vals getuigenis wordt hij gevangengenomen en opgesloten. In Psalm 105 vers 18 lezen we hoe hij dit heeft ervaren: "Men drukte zijn voeten in de stok; zijn persoon kwam in de ijzers."

Ook dit lijden wijst op het lijden van de Heere Jezus. Ze sloegen de handen aan Hem (Markus 14 vers 46) en hebben valse getuigen opgeroepen (Mattheus 26 vers 59 en 60). "Hij is met de misdadigers gerekend" (Markus 15 vers 28), Hij Die "niets onbehoorlijks gedaan heeft" (Lukas 23 vers 41).

Genesis 40:9-23
9Toen vertelde de overste der schenkers Jozef zijn droom, en zeide tot hem: In mijn droom, zie, zo was een wijnstok voor mijn aangezicht;10En aan den wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisel ging op, zijn trossen brachten rijpe druiven voort.11En Farao's beker was in mijn hand; en ik nam die druiven, en drukte ze uit in Farao's beker, en ik gaf den beker op Farao's hand.12Toen zeide Jozef tot hem: Dit is zijn uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen.13Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen, en zal u in uw staat herstellen; en gij zult Farao's beker in zijn hand geven, naar de vorige wijze, toen gij zijn schenker waart.14Doch gedenk mijner bij uzelven, wanneer het u wel gaan zal, en doe toch weldadigheid aan mij, en doe van mij melding bij Farao, en maak, dat ik uit dit huis kome.15Want ik ben diefelijk ontstolen uit het land der Hebreen; en ook heb ik hier niets gedaan, dat zij mij in dezen kuil gezet hebben.16Toen de overste der bakkers zag, dat hij een goede uitlegging gedaan had, zo zeide hij tot Jozef: Ik was ook in mijn droom, en zie, drie getraliede korven waren op mijn hoofd.17En in den opperste korf was van alle spijze van Farao, die bakkerswerk is; en het gevogelte at dezelve uit de korf, van boven mijn hoofd.18Toen antwoordde Jozef, en zeide: Dit is zijn uitlegging: de drie korven zijn drie dagen.19Binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal u aan een hout hangen, en het gevogelte zal uw vlees van boven u eten.20En het geschiedde op den derden dag, den dag van Farao's geboorte, dat hij voor al zijn knechten een maaltijd maakte; en hij verhief het hoofd van den overste der schenkers, en het hoofd van den overste der bakkers, in het midden zijner knechten.21En hij deed den overste der schenkers wederkeren tot zijn schenkambt, zodat hij den beker op Farao's hand gaf.22Maar den overste der bakkers hing hij op; gelijk Jozef hun uitgelegd had.23Doch de overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem.

Het is indrukwekkend te zien dat Jozef zich, hoewel hij onschuldig is, niet beter acht dan de andere gevangenen. Hij wordt niet opstandig, maar blijft dienen! Dat leidt onze gedachten alleen maar naar de volmaakte Mens, naar Hem Die ons opzocht in onze uitzichtloze situatie en ons in liefde wilde dienen. "Hij is het land doorgegaan, goeddoende, en allen genezende", zegt Petrus in Handelingen 10 vers 38. En hij zegt erbij: "... want God was met Hem".

Dat is ook voor Jozef een troost en het geheim waardoor alles hem zo goed lukt, zowel bij Potifar als in de gevangenis (hoofdstuk 39 vers 3, 21 en 23). O, dat ook wij dezelfde, geweldige ervaring mogen hebben!

De beide dienaars van de koning van Egypte, de schenker en de bakker, zijn voor ons een beeld van de hele mensheid. "Er is geen onderscheid. Want zij hebben allen gezondigd", zegt de Schrift (Romeinen 3 vers 23). Ieder heeft tegen God gezondigd en daardoor Zijn toom en oordeel verdiend. Maar ... dan komt het verschil. De één neemt de blijde boodschap van het heil in Christus aan. De ander doet dat niet en houdt de verschrikkelijke tweede dood voor ogen. Vandaag kan men nog door het evangelie van een verloren zondaar veranderen in een verloste in Christus.

De beide misdadigers aan het kruis laten nog duidelijker deze beide groepen van mensen zien. De één bekommert zich nergens om en sterft in zijn zonden. De ander krijgt als antwoord op zijn gebed: "Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn" (Lukas 23 vers 43).

Zoals Jozef in dit gedeelte de boodschapper is van onbeperkte genade, zo heeft de Heere Jezus als eerste het heil en de boodschap van vrede verkondigd (Efeze 2 vers 17).

Genesis 41:1-13
1En het geschiedde ten einde van twee volle jaren, dat Farao droomde, en ziet, hij stond aan de rivier.2En ziet, uit de rivier kwamen op zeven koeien, schoon van aanzien, en vet van vlees, en zij weidden in het gras.3En ziet, zeven andere koeien kwamen na die op uit de rivier, lelijk van aanzien, en dun van vlees; en zij stonden bij de andere koeien aan den oever der rivier.4En die koeien, lelijk van aanzien, en dun van vlees, aten op die zeven koeien, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Farao.5Daarna sliep hij en droomde andermaal; en ziet, zeven aren rezen op, in een halm, vet en goed.6En ziet, zeven dunne en van den oostenwind verzengde aren schoten na dezelve uit.7En de dunne aren verslonden de zeven vette en volle aren. Toen ontwaakte Farao, en ziet, het was een droom.8En het geschiedde in den morgenstond, dat zijn geest verslagen was, en hij zond heen, en riep al de tovenaars van Egypte, en al de wijzen, die daarin waren; en Farao vertelde hun zijn droom; maar er was niemand, die ze aan Farao uitlegde.9Toen sprak de overste der schenkers tot Farao, zeggende: Ik gedenk heden aan mijn zonden.10Farao was zeer vertoornd op zijn dienaars, en leverde mij in bewaring ten huize van den overste der trawanten, mij en den overste der bakkers.11En in een nacht droomden wij een droom, ik en hij; wij droomden elk naar de uitlegging zijns drooms.12En aldaar was bij ons een Hebreeuws jongeling, een knecht van den overste der trawanten; en wij vertelden ze hem, en hij legde ons onze dromen uit; een ieder legde hij ze uit, naar zijn droom.13En gelijk hij ons uitlegde, alzo is het geschied; mij heeft hij hersteld in mijn staat, en hem gehangen.

Gisteren hadden we het gebed van de ene boosdoener aan het kruis voor onze aandacht: "Heere, gedenk mij" (Lukas 23 vers 42). In Genesis 40 vers 14 vraagt Jozef, vlak voordat de schenker vrijkomt: "Gedenk mij bij uzelf' .

Wat is het dan verdrietig om aan het einde van datzelfde hoofdstuk te lezen: "Doch de overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem" (vers 23).

Nu naar onszelf, de verlosten van de Heere, die mogen genieten van zo'n groot heil. Zijn wij ook niet vaak ondankbaar door Hem te vergeten Die ons gered heeft? Hoewel we alles aan de Heere te danken hebben, verzuimen we vaak anderen die Hem nog niet kennen, van Hem te vertellen.

Omdat de Heere wist dat onze harten zo vergeetachtig zijn, heeft Hij ons het brood en de drinkbeker gegeven: "Doet dat tot Mijn gedachtenis" (Lukas 22 vers 19).

Na de droom van farao moet de schenker er ineens aan denken wat hem is overkomen. Wat zal het hem moeite gekost hebben om te zeggen: "Ik gedenk heden aan mijn zonden" (vers 9). Maar hij kon niet van Jozef vertellen, zonder te zeggen waar en waarom hij hem ontmoet had.

Om van de Heere Jezus, onze Heiland, te kunnen getuigen, moeten ook wij niet bang zijn om toe te geven in welke ellendige, zondige toestand wij ons bevonden, maar waarvan Hij ons bevrijd heeft.

Genesis 41:14-36
14Toen zond Farao en riep Jozef en zij deden hem haastelijk uit den kuil komen; en men schoor hem, en men veranderde zijn klederen; en hij kwam tot Farao.15En Farao sprak tot Jozef: Ik heb een droom gedroomd, en er is niemand, die hem uitlegge; maar ik heb van u horen zeggen, als gij een droom hoort, dat gij hem uitlegt.16En Jozef antwoordde Farao, zeggende: Het is buiten mij! God zal Farao's welstand aanzeggen.17Toen sprak Farao tot Jozef: Zie, in mijn droom stond ik aan den oever der rivier;18En zie, uit de rivier kwamen op zeven koeien, vet van vlees en schoon van gedaante, en zij weidden in het gras.19En zie, zeven andere koeien kwamen op na deze, mager en zeer lelijk van gedaante, rank van vlees; ik heb dergelijke van lelijkheid niet gezien in het ganse Egypteland.20En die ranke en lelijke koeien aten die eerste zeven vette koeien op;21Dewelke in haar buik inkwamen; maar men merkte niet, dat ze in haar buik ingekomen waren; want haar aanzien was lelijk, gelijk als in het begin. Toen ontwaakte ik.22Daarna zag ik in mijn droom, en zie zeven aren rezen op in een halm, vol en goed.23En zie, zeven dorre, dunne en van den oostenwind verzengde aren, schoten na dezelve uit;24En de zeven dunne aren verslonden die zeven goede aren. En ik heb het den tovenaars gezegd; maar er was niemand, die het mij verklaarde.25Toen zeide Jozef tot Farao: De droom van Farao is een; hetgeen God is doende, heeft Hij Farao te kennen gegeven.26Die zeven schone koeien zijn zeven jaren; die zeven schone aren zijn ook zeven jaren; de droom is een.27En die zeven ranke en lelijke koeien, die na gene opkwamen, zijn zeven jaren; en die zeven ranke van den oostenwind verzengde aren zullen zeven jaren des hongers wezen.28Dit is het woord, hetwelk ik tot Farao gesproken heb: hetgeen God is doende, heeft Hij Farao vertoond.29Zie, de zeven aankomende jaren, zal er grote overvloed in het ganse land van Egypte zijn.30Maar na dezelve zullen er opstaan zeven jaren des hongers; dan zal in het land van Egypte al die overvloed vergeten worden; en de honger zal het land verteren.31Ook zal de overvloed in het land niet gemerkt worden, vanwege dienzelven honger, die daarna wezen zal; want hij zal zeer zwaar zijn.32En aangaande, dat die droom aan Farao ten tweeden maal is herhaald, is, omdat de zaak van God vastbesloten is, en dat God haast, om dezelve te doen.33Zo zie nu Farao naar een verstandigen en wijzen man, en zette hem over het land van Egypte.34Farao doe zo, en bestelle opzieners over het land; en neme het vijfde deel des lands van Egypte in de zeven jaren des overvloeds.35En dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Farao, tot spijze in de steden, en bewaren het.36Zo zal de spijze zijn tot voorraad voor het land, voor zeven jaren des hongers, die in Egypteland wezen zullen; opdat het land van honger niet verga.

Zoals deze farao onrustig werd van zijn droom, zo worden de mensen vandaag de dag ook gekweld door angst. Ze voelen heel goed aan dat ze ten prooi zullen vallen aan onvoorziene catastrofes. Ze leven in grote onzekerheid. De toekomst maakt hen onrustig. Toch bevat de Bijbel alles wat de mens over de toekomst kan weten. Maar de profetieën worden niet begrepen door hen die de Heilige Geest niet bezitten.

Tevergeefs vraagt farao de geleerde mannen uit zijn rijk om raad. Alle menselijke wijsheid valt bij God in het niet. Dan verschijnt Jozef. De deuren van de gevangenis worden voor hem geopend en hij komt met de wijsheid die van boven is, om farao het antwoord te brengen dat hem tot heil is. Jozef laat niet na erop te wijzen dat het antwoord van God komt en niet van hemzelf (zie ook Daniël 2 vers 28).

Een christen die zijn Bijbel kent, weet meer over de toekomst van de wereld dan de meest pientere politicus. Door middel van de Heilige Geest heeft God ons "het verstand" gegeven (Johannes 16 vers 13; 1 Johannes 2 vers 20 en 5 vers 20).

Onze tijd kunnen we vergelijken met de zeven vette jaren van welvaart. Hierop zal voor de wereld een tijd van honger volgen, zoals de profeten aangekondigd hebben: "... niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN" (Amos 8 vers 11 en vervolg).

De tijd van het heil zal dan voorbij zijn. Lezer(es), bent u nu bereid?

Genesis 41:37-52
37En dit woord was goed in de ogen van Farao, en in de ogen van al zijn knechten.38Zo zeide Farao tot zijn knechten: Zouden wij wel een man vinden als deze, in welken Gods Geest is?39Daarna zeide Farao tot Jozef: Naardien dat God u dit alles heeft verkondigd, zo is er niemand zo verstandig en wijs, als gij.40Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen dezen troon zal ik groter zijn dan gij.41Voorts sprak Farao tot Jozef: Zie, ik heb u over gans Egypteland gesteld.42En Farao nam zijn ring van zijn hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen klederen aantrekken, en legde hem een gouden keten aan zijn hals;43En hij deed hem rijden op den tweeden wagen, dien hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzo stelde hij hem over gans Egypteland.44En Farao zeide tot Jozef: Ik ben Farao! doch zonder u zal niemand zijn hand of zijn voet opheffen in gans Egypteland.45En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paaneah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.46Jozef nu was dertig jaren oud, als hij stond voor het aangezicht van Farao, koning van Egypte; en Jozef ging uit van Farao's aangezicht, en hij toog door gans Egypteland.47En het land bracht voort, in de zeven jaren des overvloeds, bij handvollen.48En hij vergaderde alle spijze der zeven jaren, die in Egypteland was, en deed de spijze in de steden; de spijze van het veld van elke stad, hetwelk rondom haar was, deed hij daarbinnen.49Alzo bracht Jozef zeer veel koren bijeen, als het zand der zee, totdat men ophield te tellen: want daarvan was geen getal.50En Jozef werden twee zonen geboren, eer er een jaar des hongers aankwam, die Asnath, de dochter van Potifera, overste van On, hem baarde.51En Jozef noemde den naam des eerstgeborenen Manasse; want, zeide hij, God heeft mij doen vergeten al mijn moeite, en het ganse huis mijns vaders.52En den naam des tweeden noemde hij Efraim; want, zeide hij, God heeft mij doen wassen in het land mijner verdrukking.

In Jozefs geschiedenis is een groot keerpunt gekomen. Na het lijden komt de heerlijkheid (Lukas 24 vers 26). De verdrukte die in de put gegooid werd, die slaaf was in een vreemd land en gevangen in de gevangenis, wordt nu de heer van het land (hoofdstuk 42 vers 30), de redder van de wereld, voor wie alle knie zich zal buigen (vers 43).

Al deze titels spreken van Hem Die vernederd en veracht was, maar spoedig door allen geëerd zal worden tot in eeuwigheid. Jezus, de Nazaréner, is door God hoog verheven en met heerlijkheid en eer gekroond (Hebreeën 2 vers 7).

Als hoogste waardering ontvangt Jozef een bruid uit de volkeren. Zij is een beeld van de gemeente (vergelijk Efeze 1 vers 20 tot en met 23).

De namen van Jozefs zonen herinneren aan de moeiten van zijn ziel. Voortaan zullen die moeiten echter vergeten zijn (Manasse; vers 51), om een veelheid van vruchten te genieten (Efraïm; vers 52). Vergelijk Jesaja 53 vers 11.

'In Psalm 105 vers 16 tot en met 21 vinden we een samenvatting van deze prachtige geschiedenis. God had al besloten dat de hongersnood op de aarde zou komen. Maar voor het zover was, heeft Hij Jozef, een beeld van Christus, al voorbereid op de rol die hij daarin zou spelen, zijn rol als redder en onderhouder van het leven van de wereld èn van het gezin van Israël. Hiervoor heeft God hem door al de droefheid die hij moest ondergaan, geschikt gemaakt.

Daarom kunnen ook wij vol bewondering uitroepen: "Zouden wij wel een man vinden als deze?" (vers 38).

Genesis 41:53-57; Genesis 42:1-8
53Toen eindigden de zeven jaren des overvloeds, die in Egypte geweest was.54En de zeven jaren des hongers begonnen aan te komen, gelijk als Jozef gezegd had. En er was honger in al de landen; maar in gans Egypteland was brood.55Als nu gans Egypteland hongerde, riep het volk tot Farao om brood; en Farao zeide tot alle Egyptenaren: Gaat tot Jozef, doet wat hij u zegt.56Als dan honger over het ganse land was, zo opende Jozef alles, waarin iets was, en verkocht aan de Egyptenaren; want de honger was sterk in Egypteland.57En alle landen kwamen in Egypte tot Jozef, om te kopen; want de honger was sterk in alle landen.
1Toen Jakob zag, dat er koren in Egypte was, zo zeide Jakob tot zijn zonen: Waarom ziet gij op elkander?2Voorts zeide hij: Ziet, ik heb gehoord, dat er koren in Egypte is; trekt daarhenen af, en koopt ons koren van daar, opdat wij leven en niet sterven.3Toen togen Jozefs tien broederen af, om koren uit Egypte te kopen.4Doch Benjamin, Jozefs broeder, zond Jakob niet met zijn broederen; want hij zeide: Opdat hem niet misschien het verderf ontmoete!5Alzo kwamen Israels zonen om te kopen onder degenen, die daar kwamen; want de honger was in het land Kanaan.6Jozef nu was regent over dat land; hij verkocht aan al het volk des lands; en Jozefs broederen kwamen, en bogen zich voor hem, met de aangezichten ter aarde.7Als Jozef zijn broederen zag, zo kende hij hen; maar hij hield zich vreemd jegens hen, en sprak hard met hen, en zeide tot hen: Van waar komt gij? En zij zeiden: Uit het land Kanaan; om spijze te kopen.8Jozef dan kende zijn broederen; maar zij kenden hem niet.

Wat de HEERS voorzegd heeft, komt precies zo uit. Zo is het ook met de woorden van Jozef die God Zelf gesproken heeft. Na de zeven jaren van overvloed komt de hongersnood.

God probeert met alle mogelijke middelen de aandacht van de mensen op Zichzelf te vestigen. Daarom volgen hier op aarde oorlog en vrede, gebrek en overvloed elkaar op. Maar ook in het leven van ieder mens persoonlijk wisselen vreugde en verdriet elkaar af.

Helaas vergeten de mensen vaak de Heere te danken voor de vreugde die Hij geeft. Evenmin gaan ze naar Hem om hulp in een tijd van beproeving.

Farao zei: "Gaat tot Jozef" (vers 55). Zo brengt de Heilige Geest de mens ertoe tot de Redder te gaan. Tot Hem Die gezegd heeft: "Komt herwaarts tot Mij!" (Mattheus 11 vers 28).

Ja, laten we tot Hem gaan. Alleen Hij geeft in overvloed wat onze ziel aan voeding nodig heeft. Laten wij ook de tijden van overvloed, bijvoorbeeld de samenkomsten, ten volle benutten door onze harten en gedachten helemaal te vullen met Hem. Dan kunnen we in tijden van nood, op momenten dat we eenzaam en moedeloos zijn, putten uit 'onze voorraad', om zo weer kracht en vreugde in de Heere te ontvangen.

Laten we vooral het einde van vers 55 niet vergeten: "... doet wat hij u zegt" (zie ook Johannes 2 vers 5)!

Genesis 42:9-24
9Toen gedacht Jozef aan de dromen, die hij van hen gedroomd had; en hij zeide tot hen: Gij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te bezichtigen, waar het land bloot is.10En zij zeiden tot hem: Neen, mijn heer! maar uw knechten zijn gekomen, om spijze te kopen.11Wij allen zijn eens mans zonen; wij zijn vroom; uw knechten zijn geen verspieders.12En hij zeide tot hen: Neen, maar gij zijt gekomen, om te bezichtigen, waar het land bloot is.13En zij zeiden: Wij, uw knechten, waren twaalf gebroeders, eens mans zonen, in het land Kanaan; en zie, de kleinste is heden bij onzen vader; doch de een is niet meer.14Toen zeide Jozef tot hen: Dat is het, wat ik tot u gesproken heb, zeggende: Gij zijt verspieders!15Hierin zult gij beproefd worden: zo waarlijk als Farao leeft! indien gij van hier zult uitgaan, tenzij dan, wanneer uw kleinste broeder herwaarts zal gekomen zijn!16Zendt een uit u, die uw broeder hale; maar weest gijlieden gevangen, en uw woorden zullen beproefd worden, of de waarheid bij u zij; en indien niet, zo waarlijk als Farao leeft, zo zijt gij verspieders!17En hij zette hen samen drie dagen in bewaring.18En ten derden dage zeide Jozef tot hen: Doet dit, zo zult gij leven; ik vrees God.19Zo gij vroom zijt, zo zij een uwer broederen gebonden in het huis uwer bewaring; en gaat gij heen, brengt het koren voor den honger uwer huizen.20En brengt uw kleinsten broeder tot mij, zo zullen uw woorden waargemaakt worden; en gij zult niet sterven. En zij deden alzo.21Toen zeiden zij de een tot den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons.22En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zeide: Zondigt niet aan dezen jongeling! maar gij hoordet niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht!23En zij wisten niet, dat het Jozef hoorde; want daar was een taalman tussen hen.24Toen wendde hij zich om, van hen af, en weende; daarna keerde hij weder tot hen, en sprak tot hen, en nam Simeon van hen, en bond hem voor hun ogen.

Terwijl deze gebeurtenissen zich in Egypte afspelen, lezen we niets over het gezin van Jakob. Het wordt terzijde gelaten. Het is net alsof God daarmee zegt: 'Nadat jullie die misdaad begaan hebben en Jozef niet meer bij jullie is, heb Ik niets meer om van jullie te vertellen'.

Zo is het ook met de verdrietige geschiedenis van de mens. En speciaal met de geschiedenis van Israël, nadat zij de Redder verworpen hebben. God heeft niets meer van dit volk te vertellen. Maar toch heeft Hij in Zijn eindeloos geduld Zijn betrouwbare beloften niet vergeten! Hij wacht alleen op het juiste moment om weer een verbinding met Hem tot stand te brengen.

De hongersnood is hiervoor het geschikte tijdstip. Soms laat God — ook bij de Zijnen — beproevingen, zoals ziekte of verliezen, toe. Dat heeft dan vaak tot doel dat men de Heere Jezus weer de plaats geeft in het leven die Hem toekomt.

Laten we niet denken dat de tijd die voorbij gaat, ook maar de kleinste zonde kan wegnemen. De Heere ziet ze allemaal, ook al zijn wij ze soms vergeten. Vroeg of laat zullen we daarom met Hem te maken krijgen.

De misdadige broers durven, als ze voor Jozef staan, nog te zeggen: "Wij zijn vroom" (vers 11). Dat zeggen ze tegen een Jozef die, als hij zijn naam bekend zou maken, hen van het tegendeel zou kunnen overtuigen. O, als Jozef dat zou doen, hoe zouden ze zich dan voelen?

Hoeveel mensen zijn er ook vandaag de dag die zichzelf geweldig vinden, terwijl ze schuldig staan tegenover de Heere Jezus Die ze verworpen hebben!

Genesis 42:25-38
25En Jozef gebood, dat men hun zakken met koren vullen zou, en dat men hun geld wederkeerde, een iegelijk in zijn zak, en dat men hun teerkost gave tot den weg; en men deed hun alzo.26En zij laadden hun koren op hun ezels, en togen van daar.27Toen een zijn zak opendeed, om zijn ezel voeder te geven in de herberg, zo zag hij zijn geld; want ziet, het was in den mond van zijn zak.28En hij zeide tot zijn broederen: Mijn geld is wedergekeerd; daartoe ook, ziet, het is in mijn zak! Toen ontging hun het hart, en zij verschrikten, de een tot den ander zeggende: Wat is dit, dat ons God gedaan heeft?29En zij kwamen in het land Kanaan, tot Jakob, hun vader; en zij gaven hem te kennen al hun wedervaren, zeggende:30Die man, de heer van dat land, heeft hard met ons gesproken; en hij heeft ons gehouden voor verspieders des lands.31Maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom; wij zijn geen verspieders.32Wij waren twaalf gebroeders, zonen van onzen vader; de een is niet meer, en de kleinste is heden bij onzen vader in het land Kanaan.33En die man, de heer van dat land, zeide tot ons: Hieraan zal ik bekennen, dat gijlieden vroom zijt; laat een uwer broederen bij mij, en neemt voor den honger uwer huizen, en trekt heen.34En brengt uw kleinsten broeder tot mij; zo zal ik weten, dat gij geen verspieders zijt, maar dat gij vroom zijt; uw broeder zal ik u wedergeven, en gij zult in dit land handelen.35En het geschiedde, als zij hun zakken ledigden, ziet, zo had een iegelijk den bundel zijns gelds in zijn zak; en zij zagen de bundelen huns gelds, zij en hun vader, en zij waren bevreesd.36Toen zeide Jakob, hun vader, tot hen: Gij berooft mij van kinderen! Jozef is er niet, en Simeon is er niet; nu zult gij Benjamin wegnemen! al deze dingen zijn tegen mij!37Toen sprak Ruben tot zijn vader, zeggende: Dood twee mijner zonen, zo ik hem tot u niet wederbreng; geef hem in mijn hand, en ik zal hem weder tot u brengen!38Maar hij zeide: Mijn zoon zal met ulieden niet aftrekken; want zijn broeder is dood, en hij is alleen overgebleven; zo hem een verderf ontmoette op den weg, dien gij zult gaan, zo zoudt gij mijn grauwe haren met droefenis ten grave doen nederdalen.

Het is niet zo dat Jozef wraak wil nemen op zijn broers door hen zo hard te behandelen. Dat begrijpen we wel. Maar hij kent uit ervaring de boosheid van hun hart en wil hen tot échte schuldbelijdenis brengen.

Om dat te bereiken, is hij streng, maar tegelijkertijd ook welwillend. Hij maakt hen bang, maar bemoedigt hen ook. Hij beschuldigt hen, maar biedt hen ook een maaltijd aan. Alles met opzet, maar met grote wijsheid.

Hiermee kunnen we het handelen van onze Heere vergelijken, als Hij ons geweten en ons hart wakker wil schudden. Soms is het nodig dat Hij 'hard' met ons praat.

De beschuldigingen zijn onterecht. De broers zijn geen spionnen. Toch voelen ze aan dat God hierdoor tegen hen spreekt om hen te herinneren aan de zonde die ze gemeenschappelijk begaan hebben, door hun broer onrechtvaardig te behandelen.

Het kan gebeuren dat ook wij onrechtvaardig behandeld worden. Laten we, in plaats van ons daaraan te ergeren of onszelf te willen rechtvaardigen, ons dan afvragen wat God ons daardoor wil zeggen.

Ook voor Jakob zal alles ten goede keren, hoewel hij in vers 36 zegt: "Al deze dingen zijn tegen mij". Hij moet leren dat als God voor hem is, er niemand tegen hem kan zijn. En dat "alle dingen medewerken ten goede" voor hen die God liefhebben (Romeinen 8 vers 28 en 31). In werkelijkheid geeft God hem op deze manier Jozef terug.

Genesis 43:1-15
1De honger nu werd zwaar in dat land;2Zo geschiedde het, als zij den leeftocht, dien zij uit Egypte gebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zeide: Keert wederom, koopt ons een weinig spijze.3Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Die man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broeder met u is.4Indien gij onzen broeder met ons zendt, wij zullen aftrekken, en u spijze kopen;5Maar indien gij hem niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft tot ons gezegd: Gij zult mijn aangezicht niet zien, tenzij dat uw broeder met u is.6En Israel zeide: Waarom hebt gij zo kwalijk aan mij gedaan, dat gij dien man te kennen gaaft, of gij nog een broeder hadt?7En zij zeiden: Die man vraagde zeer nauw naar ons, en naar onze maagschap, zeggende: Leeft uw vader nog; hebt gij nog een broeder? Zo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Brengt uw broeder af?8Toen zeide Juda tot Israel, zijn vader: Zend den jongeling met mij, zo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven, noch wij, noch gij, noch onze kinderkens.9Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult gij hem eisen; indien ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben!10Want hadden wij niet gezuimd, voorwaar, wij waren alreeds tweemaal wedergekomen.11Toen zeide Israel, hun vader, tot hen: Is het nu alzo, zo doet dit; neemt van het loffelijkste dezes lands in uwe vaten, en brengt dien man een geschenk henen af: een weinig balsem, en een weinig honig, specerijen en mirre, terpentijnnoten en amandelen.12En neemt dubbel geld in uw hand; en brengt het geld, hetwelk in den mond uwer zakken wedergekeerd is, weder in uw hand; misschien is het een feil.13Neemt ook uw broeder mede, en maakt u op, keert weder tot dien man.14En God, de Almachtige, geve u barmhartigheid voor het aangezicht van dien man, dat hij uw anderen broeder en Benjamin met u late gaan! En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd!15En die mannen namen dat geschenk, en namen dubbel geld in hun hand, en Benjamin; en zij maakten zich op, en togen af naar Egypte, en zij stonden voor Jozefs aangezicht.

De broers van Jozef zijn heel bang. Dat is een bewijs dat het geweten hen aanklaagt. Ze moeten naar Jozef terugkeren om verantwoording af te leggen vanwege het geld dat ze in de zakken gevonden hebben.

Laten ook wij niet ver bij de Heere vandaan blijven als ons geweten ons drukt. Laten we direct tot Hem gaan en alles belijden. Vers 8 laat ons de weg zien die elke zondaar moet gaan: het besluit nemen (ons opmaken) en dan ons besluit uitvoeren (reizen), Opdat wij leven (vergelijk hiermee Lukas 15 vers 18 tot 20).

De mannen kunnen hun vader toch zo ver krijgen dat hij Benjamin mee laat gaan. Uiteindelijk gaan ze op pad met een geschenk: "het loffelijkste van dit land" (vers 11). Heeft Jozef die volle voorraadschuren heeft, dan iets nodig?

De mens verbeeldt zich altijd dat hij God iets moet brengen. Maar van Gods kant is alles gratis. Hij kan niets aannemen, ook niet het beste van de mens. Balsem, honing, specerijen, mirre, terpentijnnoten en amandelen — 't is allemaal heerlijk. Maar zij die geen koren hebben, kunnen er niet door gevoed worden.

Wat onze harten nodig hebben, is het hemelse Koren, Voedsel van boven. DM alleen kan onze hongerige zielen verzadigen.

De wereld kan ons allerlei lekkernijen geven, maar alleen de Heere Jezus, de ware Jozef, kan ons koren uit het hemelse land geven, door onze harten met Zichzelf te vullen.

Genesis 43:16-34
16Als Jozef Benjamin met hen zag, zo zeide hij tot dengene, die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middag met mij eten.17De man nu deed, gelijk Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen in het huis van Jozef.18Toen vreesden deze mannen, omdat zij in het huis van Jozef gebracht werden, en zeiden: Ter oorzake van het geld, dat in het begin in onze zakken wedergekeerd is, worden wij ingebracht, opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en ons tot slaven neme, met onze ezelen.19Daarom naderden zij tot dien man, die over het huis van Jozef was, en zij spraken tot hem aan de deur van het huis.20En zij zeiden: Och, mijn heer! wij waren in het begin gewisselijk afgekomen, om spijze te kopen.21Het is nu geschied, als wij in de herberg gekomen waren, en wij onze zakken opendeden, zie, zo was ieders mans geld in den mond van zijn zak, ons geld in zijn gewicht; en wij hebben hetzelve wedergebracht in onze hand.22Wij hebben ook ander geld in onze hand afgebracht, om spijze te kopen; wij weten niet, wie ons geld in onze zakken gelegd heeft.23En hij zeide: Vrede zij ulieden, vreest niet! Uw God en de God uws vaders heeft u een schat in uw zakken gegeven; uw geld is tot mij gekomen. En hij bracht Simeon tot hen uit.24Daarna bracht de man deze mannen in het huis van Jozef, en hij gaf water; en zij wiesen hun voeten; hij gaf ook aan hun ezelen voeder.25En zij bereidden het geschenk, totdat Jozef kwam op den middag; want zij hadden gehoord, dat zij aldaar brood eten zouden.26Als nu Jozef te huis gekomen was, zo brachten zij hem het geschenk, hetwelk in hun hand was, in het huis, en zij bogen zich voor hem ter aarde.27En hij vraagde hun naar hun welstand, en zeide: Is het wel met uw vader, den oude, waarvan gij zeidet? Leeft hij nog?28En zij zeiden: Het is wel met uw knecht, onzen vader, hij leeft nog; en zij neigden het hoofd en bogen zich neder.29En hij hief zijn ogen op, en zag Benjamin, zijn broeder, den zoon zijner moeder, en zeide: Is dit uw kleinste broeder, waarvan gij tot mij zeidet? Daarna zeide hij: Mijn zoon! God zij u genadig!30En Jozef haastte zich; want zijn ingewand ontstak jegens zijn broeder, en hij zocht te wenen; en hij ging in een kamer, en weende aldaar.31Daarna wies hij zijn aangezicht en kwam uit; en hij bedwong zichzelven, en zeide: Zet brood op.32En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreen, dewijl zulks den Egyptenaren een gruwel is.33En zij aten voor zijn aangezicht, de eerstgeborene naar zijn eerstgeboorte, en de jongere naar zijn jonkheid; dies verwonderden zich de mannen onder elkander.34En hij langde hun van de gerechten, die voor hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal groter, dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem.

Wat hebben de broers van Jozef er een moeite mee hun eigen geld opzij te leggen! Ze willen zelf hun koren betalen, zodat het geen genade meer is. Ondertussen moeten ze aannemen dat hun schuld al betaald is. Ongetwijfeld was de boekhouding van de zaakwaarnemer van Jozef in orde. Hij zegt immers: "Uw geld is tot mij gekomen" (vers 23). De grote Jozef heeft persoonlijk voor z'n broers betaald.

Zo heeft Christus alle kosten voor onze vrede gedragen. Onze schuld is helemaal betaald en alleen Hij weet hoe hoog die schuld was. Maar zo lang het kwaad niet beleden en veroordeeld is, kan men niet genieten van de vreugde van de gemeenschap met Hem.

Samen een maaltijd houden, is een beeld van gemeenschap. Het spreekt van een ongestoorde verstandhouding. Allen die aan de maaltijd deelnemen, spreken met elkaar.

Geldt niet hetzelfde voor de tafel van de Heere waaraan alle heiligen denken aan Zijn lijden?

Maar door de zonde is er als het ware een slagboom tussen hen gekomen; Jozef en zijn broers eten apart (vers 32).

Als we deze hoofdstukken lezen, valt het op hoe vaak Jozef huilt (hoofdstuk 42 vers 24; 43 vers 30; 45 vers 2,14 en 15; 46 vers 29; 50 vers 1 en 17). Dit is heel wonderlijk; noch in de put noch in de gevangenis heeft hij gehuild! Nee, wanneer hij weent, zijn het altijd tranen van liefde. Dat doet ons denken aan de tranen van de Heere Jezus (Johannes 11 vers 35 en Lukas 19 vers 41).

Genesis 44:1-17
1En hij gebood dengene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken dezer mannen met spijze, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders mans geld in den mond van zijn zak;2En mijn beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van den zak des kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had.3Des morgens, als het licht werd, zo liet men deze mannen trekken, hen en hun ezelen.4Zij zijn ter stad uitgegaan; zij waren niet verre gekomen, als Jozef tot dengene, die over zijn huis was, zeide: Maak u op, en jaag die mannen achterna; en als gij hen zult achterhaald hebben, zo zult gij tot hen zeggen: Waarom hebt gij kwaad voor goed vergolden?5Is het deze niet, waaruit mijn heer drinkt? en waarbij hij iets zekerlijk waarnemen zal? Gij hebt kwalijk gedaan, wat gij gedaan hebt.6En hij achterhaalde hen, en sprak tot hen diezelfde woorden.7En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heer zulke woorden? Het zij verre van uw knechten, dat zij zodanig ding doen zouden.8Zie, het geld, dat wij in den mond onzer zakken vonden, hebben wij tot u uit het land Kanaan wedergebracht; hoe zouden wij dan uit het huis uws heren zilver of goud stelen?9Bij wien van uw knechten hij gevonden zal worden, dat hij sterve; en ook zullen wij mijn heer tot slaven zijn!10En hij zeide: Dit zij nu ook alzo, naar uw woorden! Bij wien hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar gijlieden zult onschuldig zijn.11En zij haastten, en iegelijk zette zijn zak af op de aarde, en iegelijk opende zijn zak.12En hij doorzocht, beginnende met den grootste, en voleindigende met den kleinste; en die beker werd gevonden in den zak van Benjamin.13Toen scheurden zij hun klederen; en ieder man laadde zijn ezel op, en zij keerden weder naar de stad.14En Juda kwam met zijn broederen in het huis van Jozef; want hij was nog zelf aldaar; en zij vielen voor zijn aangezicht neder ter aarde.15En Jozef zeide tot hen: Wat daad is dit, die gij gedaan hebt? Weet gij niet, dat zulk een man als ik dat zekerlijk waarnemen zoude?16Toen zeide Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is.17Maar hij zeide: Het zij verre van mij zulks te doen! de man, in wiens hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; doch trekt gijlieden op in vrede tot uw vader.

Het net om Jozefs broers wordt steeds strakker gespannen.

Onvoorziene omstandigheden — die geleid worden door een trouwe hand — dwingen hen terug te keren en te verschijnen voor hem die alles weet.

Nu is hun geweten geraakt. "Wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen?" (vers 16). Wat hebben ze in hun binnenste een lange weg afgelegd en wat zijn ze veranderd sinds ze beweerden vroom te zijn (hoofdstuk 42 vers 11)! Nu zijn ze dicht bij hun bevrijding!

Zoals de hele geschiedenis van Jozef, heeft ook dit gedeelte een profetische betekenis. Israël, dat vanwege zijn verwerping van Christus voorlopig terzijde is gesteld, zal ertoe gebracht worden een belijdenis af te leggen. Dan zullen ze in de Nazaréner Die ze veracht en gekruisigd hebben, Hem zien Die God zowel tot Heere als tot Christus gemaakt heeft (Handelingen 2 vers 36). Hij is de Messias, de Zoon des mensen, Die heersen zal over alle dingen in de hemel en op aarde (Hebreeën 2 vers 8).

Maar om het geweten zo ver te brengen, moet Israël — met name de stammen Juda en Benjamin — eerst door een tijd van zware beproevingen gaan: de "grote verdrukking" (Openbaring 7 vers 14).

De grote nood van de broers van Jozef vóórdat ze hun schuld belijden, doet ons denken aan de angst die het joodse volk zal doormaken vóórdat het de Messias zal erkennen en eren.

Genesis 44:18-34
18Toen naderde Juda tot hem, en zeide: Och, mijn heer! laat toch uw knecht een woord spreken voor mijns heren oren, en laat uw toorn tegen uw knecht niet ontsteken; want gij zijt even gelijk Farao!19Mijn heer vraagde zijn knechten, zeggende: Hebt gijlieden een vader, of broeder?20Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een ouden vader, en een jongeling des ouderdoms, den kleinsten, wiens broeder dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.21Toen zeidet gij tot uw knechten: Brengt hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem sla.22En wij zeiden tot mijn heer: Die jongeling zal zijn vader niet kunnen verlaten; indien hij zijn vader verlaat, zo zal hij sterven.23Toen zeidet gij tot uw knechten: Indien uw kleinste broeder met u niet afkomt, zo zult gij mijn aangezicht niet meer zien.24En het is geschied, als wij tot uw knecht, mijn vader, opgetrokken zijn, en wij hem de woorden mijns heren verhaald hebben;25En dat onze vader gezegd heeft: Keert weder. koopt ons een weinig spijze;26Zo hebben wij gezegd: Wij zullen niet mogen aftrekken; indien onze kleinste broeder bij ons is, zo zullen wij aftrekken; want wij zullen het aangezicht van dien man niet mogen zien, zo deze onze kleinste broeder niet bij ons is.27Toen zeide uw knecht, mijn vader, tot ons: Gijlieden weet, dat mijn huisvrouw er mij twee gebaard heeft.28En de een is van mij uitgegaan, en ik heb gezegd: Voorwaar, hij is gewisselijk verscheurd geworden! en ik heb hem niet gezien tot nu toe.29Indien gij nu deze ook van mijn aangezicht wegneemt, en hem een verderf ontmoette, zo zoudt gij mijn grauwe haren met jammer ten grave doen nederdalen!30Nu dan, als ik tot uw knecht, mijn vader, kome, en de jongeling is niet bij ons (alzo zijn ziel aan de ziel van deze gebonden is),31Zo zal het geschieden, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen de grauwe haren van uw knecht, onzen vader, met droefenis ten grave doen nederdalen.32Want uw knecht is voor dezen jongeling borg bij mijn vader, zeggende: Zo ik hem tot u niet wederbreng, zo zal ik tegen mijn vader alle dagen gezondigd hebben!33Nu dan, laat toch uw knecht voor dezen jongeling slaaf van mijn heer blijven, en laat den jongeling met zijn broederen optrekken!34Want hoe zoude ik optrekken tot mijn vader, indien de jongeling niet met mij was, opdat ik den jammer niet zie, welke mijn vader overkomen zou.

Het doel van Jozef is om zijn broers in gedachten meer dan twintig jaar terug te brengen, tot bij de put waarin ze hem geworpen hadden. Daar bleven ze onbewogen voor zijn leed. Hij wil hen wijzen op het grote verdriet dat ze hun vader aangedaan hadden, toen ze hem op een gruwelijke manier van Jozefs 'dood' vertelden. Jozef wil weten of ze nu het lijden van hun jongere broer en het verdriet van hun vader begrijpen.

Nu is het hem eindelijk gelukt hun harten te raken! Hoe aangrijpend vertelt Juda van hun oude vader en van hun jongste broer, "een jongeling des ouderdoms" (vers 20).

Wat kunnen wij hieruit belangrijke lessen leren! We leren zo dat we ons moeten verplaatsen in andermans situatie om hun vreugde en verdriet te leren begrijpen.

Ja, wat nog meer is, in onze harten na te denken over de gedachten van liefde die de Vader had tot Zijn Zoon. Te denken aan de grote smart die Hij ondervond, toen Zijn Geliefde in de handen van boze mensen werd overgegeven. En tenslotte iets van het lijden van de Zoon te doorgronden, toen Hij voor een rechtvaardig God het volle gewicht van onze zonden heeft gedragen en de Vader Zijn roepstem moest horen, zonder dat Hij kon antwoorden. Iets te ervaren van die onmetelijk grote zielenood van Hem, toen Hij door Zijn God werd verlaten.

Is het niet intriest dat wij tegenover al deze dingen die de Geest ons laat zien, vaak zo gevoelloos zijn?

Genesis 45:1-15
1Toen kon zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep: Doet alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broederen bekend maakte.2En hij verhief zijn stem met wenen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Farao's huis hoorde.3En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik ben Jozef! leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht.4En Jozef zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt.5Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens.6Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal.7Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing.8Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao's vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van Egypte.9Haast u en trekt op tot mijn vader, en zegt het hem: Alzo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot een heer over gans Egypteland gesteld; kom af tot mij, en vertoef niet.10En gij zult in het land Gosen wonen, en nabij mij wezen, gij en uw zonen, en de zonen uwer zonen, en uw schapen, en uw runderen, en al wat gij hebt.11En ik zal u aldaar onderhouden; want er zullen nog vijf jaren des hongers zijn, opdat gij niet verarmt, gij en uw huis, en alles wat gij hebt!12En ziet, uw ogen zien het, en de ogen van mijn broeder Benjamin, dat mijn mond tot u spreekt.13En boodschapt mijn vader al mijn heerlijkheid in Egypte, en alles wat gij gezien hebt; en haast u, en brengt mijn vader herwaarts af.14En hij viel aan den hals van Benjamin, zijn broeder, en weende; en Benjamin weende aan zijn hals.15En hij kuste al zijn broederen, en hij weende over hen; en daarna spraken zijn broeders met hem.

Op dit moment heeft Jozef heel lang gewacht. Wat heeft hij een geduld moeten hebben! Zou hij zich te vroeg bekend hebben gemaakt aan zijn broers, dan waren ze gedwongen geweest hem te eren, zoals de garven in zijn droom. Maar dan zouden hun harten koud en bang geweest zijn.

Nu merken de broers dat de heerser van Egypte die al deze heerlijkheid toebehoort, niemand minder is dan hij die zij gehaat en verworpen hebben. Hij is niet alleen levend, maar hem is ook alles onderworpen (Hebreeën 2 vers 8). Juist door hun misdadig optreden zijn de dromen uitgekomen.

Wat zullen ze zich in hun hart geschaamd hebben, toen ze zagen hoe genadig Jozef hen behandelde. Hij nam geen wraak en deed hen zelfs geen verwijten. Hij had alleen maar hun welzijn op het oog!

En is zijn eigen hart niet vervuld van vreugde? Net zoals bij de herder die dat éne verloren schaap gevonden heeft?

Nu krijgen de broers een prachtige mededeling, een blijde opdracht. Ze moeten naar hun vader gaan en hem vertellen van de heerlijkheid van hem die hen vergeven heeft.

Dat is ook onze opdracht. Wij, verlosten, mogen aan anderen, in de eerste plaats onze naasten, gaan vertellen wat wij in de Heere Jezus gevonden hebben. Maar ook in de samenkomsten mogen we de Vader, in aanbidding, vertellen over de heerlijkheid van Zijn Zoon (vers 13).

Genesis 45:16-28
16Als dit gerucht in het huis van Farao gehoord werd, dat men zeide: Jozefs broeders zijn gekomen! was het goed in de ogen van Farao, en in de ogen van zijn knechten.17En Farao zeide tot Jozef: Zeg tot uw broederen: Doet dit, laadt uw beesten, en trekt heen, gaat naar het land Kanaan;18En neemt uw vader en uw huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u het beste van Egypteland geven, en gij zult het vette dezes lands eten.19Gij zijt toch gelast: doet dit, neemt u uit Egypteland wagenen voor uw kinderkens, en voor uw vrouwen, en voert uw vader, en komt.20En uw oog verschone uw huisraad niet; want het beste van gans Egypteland, dat zal het uwe zijn.21En de zonen van Israel deden alzo. Zo gaf Jozef hun wagenen, naar Farao's bevel; ook gaf hij hun teerkost op den weg.22Hij gaf hun allen, iedereen, wisselklederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen, en vijf wisselklederen.23En zijn vader desgelijks zond hij tien ezelen, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en spijze voor zijn vader op den weg.24En hij zond zijn broeders heen; en zij vertrokken; en hij zeide tot hen: Verstoort u niet op den weg.25En zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Kanaan tot hun vader Jakob.26Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet.27Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig.28En Israel zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!

Kwaad met goed vergelden, dat doet Jozef met zijn broers.
Dat leert de Heere Jezus ook ons (Mattheus 5 vers 44) en
het is het beste middel om het hart van de ander te winnen.

De broers dachten van het beste dat ze hadden, te brengen (hoofdstuk 43 vers 11): een beetje balsem, een beetje honing ... Maar nu zien ze dat dit helemaal geen waarde heeft. Farao zelf belooft hun het beste van het land en zegt zelfs: "Uw oog spare uw huisraad niet" (vers 20).

Het zijn in de tegenwoordigheid van de Heere en het genieten van Zijn heerlijkheden liggen nog voor ons. Alles wat we ter wille van Hem aan aardse dingen loslaten, is niets in vergelijking daarmee (Markus 10 vers 29 en 30).

We hebben een bewijs dat de Heere Jezus leeft, dat Hij verheerlijkt is en ons in de hemel verwacht: Hij heeft de Heilige Geest gegeven als onderpand van onze erfenis (Efeze 1 vers 14).

Laten we opmerken dat Jozef zijn broers niet alleen land geeft om in te wonen, maar ook alles wat ze nodig hebben op de reis daarnaar toe:

— wagens: de Heere Jezus draagt onze last;

voedsel: Zijn Woord staat ons ter beschikking; en

kleding: Christus kan en moet in ons gezien worden (Galaten 3 vers 27).

Tenslotte horen we nog een vermaning van hem die zijn broers zo goed kent: "Twist niet met elkaar op de weg" (vers 24).

Hebben wij die vermaning minder hard nodig dan zij?

Genesis 46:1-34
1En Israel verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-seba, en hij offerde offeranden aan den God van zijn vader Izak.2En God sprak tot Israel in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie, hier ben ik!3En Hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten.4Ik zal met u aftrekken naar Egypte en Ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijn hand op uw ogen leggen.5Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israel voerden Jakob hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren.6En zij namen hun vee, en hun have, die zij in het land Kanaan geworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hem;7Zijn zonen, en de zonen zijner zonen met hem; zijn dochteren, en zijner zonen dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.8En dit zijn de namen der zonen van Israel, die in Egypte kwamen: Jakob en zijn zonen. De eerstgeborene van Jakob: Ruben.9En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.10En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zoar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische vrouw.11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.12En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.13En de zonen van Issaschar: Tola, en Puwa, en Job, en Simron.14En de zonen van Zebulon: Sered, en Elon, en Jahleel.15Dit zijn de zonen van Lea, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina zijn dochter; al de zielen zijner zonen en zijner dochteren waren drie en dertig.16En de zonen van Gad: Zifjon en Haggi, Schuni en Ezbon, Eri en Arodi, en Areli.17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.18Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijn dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen.19De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.20En Jozef werden geboren in Egypteland, Manasse en Efraim, die hem Asnath, de dochter van Potifera, den overste te On, baarde.21En de zonen van Benjamin: Bela, Becher en Asbel, Gera en Naaman, Echi en Ros, Muppim en Huppim, en Ard.22Dit zijn de zonen van Rachel, die Jakob geboren zijn, al te zamen veertien zielen.23En de zonen van Dan: Chusim.24En de zonen van Nafthali: Jahzeel, en Guni, en Jezer, en Sillem.25Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijn dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve Jakob, zij waren allen zeven zielen.26Al de zielen, die met Jakob in Egypte kwamen, uit zijn heup gesproten, uitgenomen de vrouwen van de zonen van Jakob, waren allen zes en zestig zielen.27En de zonen van Jozef, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van het huis van Jakob, die in Egypte kwamen, waren zeventig.28En hij zond Juda voor zijn aangezicht heen tot Jozef, om voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.29Toen spande Jozef zijn wagen aan, en toog op, zijn vader Israel tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zo viel hij hem aan zijn hals, en weende lang aan zijn hals.30En Israel zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!31Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaan waren, zijn tot mij gekomen.32En die mannen zijn schaapherders; want het zijn mannen, die met vee omgaan; en zij hebben hun schapen, en hun runderen, en al wat zij hebben, medegebracht.33Wanneer het nu geschieden zal, dat Farao ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uw hantering?34Zo zult gij zeggen: Uw knechten zijn mannen, die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is de Egyptenaren een gruwel.

Nog meer dan met zijn heerlijkheid en rijkdom hebben we ons beziggehouden met Jozefs liefde tot zijn broers en zijn grote vergevingsgezindheid. Is dit voor hen onder ons die met broers en zussen in één gezin leven, geen aanleiding om een les te leren in liefde en het verlenen van bijstand?

Jozefs liefde tot zijn vader, zijn respect, zijn behulpzaamheid, zijn haast om z'n vader te ontmoeten en zijn ijver hem ter beschikking te staan, dat alles is ook een voorbeeld voor ons. Hebben wij onze ouders ook zo lief en hebben we ook zo'n respect voor hen?

Het gezin van Israël gaat op pad en trekt naar Ber-Séba, de bron van de eed! Daar bevestigt de trouwe God Zijn beloften aan Jakob. Hij zegt: "Vrees niet om af te trekken naar Egypte!" (vers 3; zie ook Jesaja 41 vers 14).

Wat een verandering merken we bij Jakob op. Eens liet hij zich leiden door eigen wil, nu is hij bang om ook maar één stap zonder God te doen! Daarom bemoedigt God hem door te beloven met hem mee te gaan. Hoe is dat bij ons? Kan de Heere Jezus altijd met ons meegaan, waar wij ook gaan of staan?

Dan zien we de aangrijpende ontmoeting tussen de vader en zijn geliefde zoon, de zoon die met toewijding alles voor de zijnen heeft voorbereid.

"Ik ga heen om u plaats te bereiden," heeft de Heere Jezus beloofd, "opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben" (Johannes 14 vers 2 en 3).

Genesis 47:1-12
1Toen kwam Jozef en boodschapte Farao, en zeide: Mijn vader en mijn broeders, en hun schapen, en hun runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaan, en zie, zij zijn in het land Gosen.2En hij nam een deel zijner broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde hen voor Farao's aangezicht.3Toen zeide Farao tot zijn broederen: Wat is uw hantering? En zij zeiden tot Farao: Uw knechten zijn schaapherders, zo wij als onze vaders.4Voorts zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen, om als vreemdelingen in dit land te wonen; want er is geen weide voor de schapen, die uw knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het land Kanaan; en nu, laat toch uw knechten in het land Gosen wonen!5Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uw broeders zijn tot u gekomen;6Egypteland is voor uw aangezicht; doe uw vader en uw broeders in het beste van het land wonen; laat hen in het land Gosen wonen, en zo gij weet, dat er onder hen kloeke mannen zijn, zo zet hen tot veemeesters over hetgeen ik heb.7En Jozef bracht zijn vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao's aangezicht; en Jakob zegende Farao.8En Farao zeide tot Jakob: Hoe vele zijn de dagen der jaren uws levens!9En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.10En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao's aangezicht.11En Jozef bestelde voor Jakob en zijn broederen woningen, en hij gaf hun een bezitting in Egypteland, in het beste van het land, in het land Rameses, gelijk als Farao geboden had.12En Jozef onderhield zijn vader, en zijn broeders, en het ganse huis zijns vaders, met brood, tot den mond der kinderkens toe.

De grote Jozef had zich kunnen schamen voor dit gezin van eenvoudige schaapherders die kwamen bedelen om koren vanwege hun honger. Vreemdelingen, verdacht van spionage en diefstal. Als we dat verwacht hadden, kennen we Jozef nog niet. Hij erkent hen juist als zijn broers. Dat is voor farao voldoende om de heerlijkheid van de redder van Egypte ook voor hen te laten gelden.

Ook hierin zien we een beeld van de Heere Jezus. Hij schaamt Zich niet ons broeders te noemen (Hebreeën 2 vers 11). Door Hem zijn wij aangenaam gemaakt voor God, wij die door God begenadigd zijn in de Geliefde (Efeze 1 vers 6).

Jozef stelt zijn vader voor aan farao. Wat een prachtige, aangrijpende gebeurtenis! Een grijsaard, leunend op zijn stok, zegent de machtige monarch. Naar Goddelijke maatstaven is de man Gods de meerdere van hen beiden (vergelijk Hebreeën 7 vers 7).

Hoe hoger hun positie, des te terughoudender en gereserveerder reageren de mensen vaak. Maar de heerlijkheid van Jozef heeft totaal geen invloed op zijn liefelijke zorg voor de zijnen en hun gezinnen. De gaven die hij hen geeft, zijn voor groot en klein (vers 12).

Dat is een prachtig voorbeeld van onze betrekking tot Christus. Vooral ook van de uitwerking die deze verbinding nu al heeft. Hier beneden op aarde zijn wij al van "het beste van het land" (vers 11) verzekerd! Ons geloof kan soms wankelen, maar Zijn trouw en genade wankelen nooit!

Genesis 47:13-26
13En er was geen brood in het ganse land; want de honger was zeer zwaar: zodat het land van Egypte en het land Kanaan raasden vanwege dien honger.14Toen verzamelde Jozef al het geld, dat in Egypteland en in het land Kanaan gevonden werd, voor het koren, dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in Farao's huis.15Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaan verdaan was, kwamen al de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood; want waarom zouden wij in uw tegenwoordigheid sterven? want het geld ontbreekt;16En Jozef zeide: Geeft uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt.17Toen brachten zij hun vee tot Jozef; en Jozef gaf hun brood voor paarden en voor het vee der schapen, en voor het vee der runderen, en voor ezels; en hij voedde hen met brood, datzelve jaar, voor al hun vee.18Toen datzelve jaar voleind was, zo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijn heer niet verbergen, alzo het geld verdaan is, en de bezitting der beesten gekomen aan mijn heer, zo is er niets anders overgebleven voor het aangezichts mijns heren, dan ons lichaam en ons land.19Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!20Alzo kocht Jozef het gehele land van Egypte voor Farao; want de Egyptenaars verkochten een ieder zijn akker, dewijl de honger sterk over hen geworden was; zo werd het land Farao's eigen.21En aangaande het volk, dat zette hij over in de steden, van het ene uiterste der palen van Egypte, tot aan het andere uiterste deszelven.22Alleen het land der priesteren kocht hij niet, want de priesters hadden een bescheiden deel van Farao, en zij aten hun bescheiden deel, hetwelk hun Farao gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet.23Toen zeide Jozef tot het volk: Ziet, ik heb heden u en uw land gekocht voor Farao; ziet, daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait.24Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Farao het vijfde deel zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad des velds, en tot uw spijze en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.25En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat ons genade vinden in de ogen mijns heren, en wij zullen Farao's knechten zijn.26Jozef dan stelde ditzelve in tot een wet, tot dezen dag, over het land van Egypte, dat Farao het vijfde deel zou hebben; behalve dat alleen het land der priesteren van Farao niet werd.

Het in vervulling gaan van farao's droom was onlosmakelijk verbonden met de persoon van Jozef. Eerst overvloed, daarna hongersnood, waardoor men hem erkent als onderhouder van het leven en redder van de wereld.

Christus is het Middelpunt van de profetieën. Spoedig zal Hij de allesomvattende heerschappij aanvaarden. Alle geslachten zullen voor Hem neervallen (Psalm 22 vers 28).

De gelovigen wachten echter niet op dat moment om Hem toe te behoren en te eren. De Heere Jezus volbrengt nu al een werk in hen.

Hij begint ermee hen die een verlangen in hun ziel hebben,
te verzadigen. Dan, zoals Jozef bij de Egyptenaren, handelt
Hij zó dat alles stap voor stap aan God wordt onderworpen.

Het geheim van een totale bevrijding ligt in het erkennen van Zijn rechten op onze tijd, op ons bezit, op onze lichamen, op ons hart. De Heere stelt Zich niet tevreden met wat voor offer van ons dan ook. Op grond van de rechten die Hij op ons verworven heeft, wil Hij ons helemaal voor Zichzelf.

Hij heeft ons voor een hoge prijs voor God gekocht (1 Korinthe 6 vers 19 en 20). Wij behoren niet meer onszelf toe, maar zijn de gelukkige knechten van God en van de Heere Jezus, met alle gevolgen van dien: voortaan zijn we helemaal van Hem afhankelijk. Niet alleen om door Hem verzorgd te worden, maar ook om in ons leven vrucht te dragen tot verheerlijking van Hem.

Genesis 47:27-31; Genesis 48:1-7
27Zo woonde Israel in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer.28En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zodat de dagen van Jakob, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaren.29Als nu de dagen van Israel naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte;30Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord!31En hij zeide: Zweer mij! en hij zwoer hem. En Israel boog zich ten hoofde van het bed.
1Het geschiedde nu na deze dingen, dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank! Toen nam hij zijn twee zonen met zich, Manasse en Efraim!2En men boodschapte Jakob, en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u! Zo versterkte zich Israel, en zat op het bed.3Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige, is mij verschenen te Luz, in het land Kanaan, en Hij heeft mij gezegend;4En Hij heeft tot mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen, en u tot een hoop van volken stellen; en Ik zal aan uw zaad na u dit land tot een eeuwige bezitting geven.5Nu dan, uw twee zonen, die u in Egypteland geboren waren, eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne; Efraim en Manasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.6Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn; zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.7Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaan, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.

Het lange leven van Jakob loopt ten einde. Tegenover farao bekende hij dat zijn dagen "weinig en kwaad" zijn geweest (hoofdstuk 47 vers 9).

Hij heeft moeilijke ervaringen moeten opdoen en heeft door eigen schuld veel jaren verloren. Zijn loopbaan heeft niet zo'n hoogte bereikt als die van Abraham of Izaäk.

Waarom weten we niets van de laatste ogenblikken van deze beide aartsvaders, terwijl Jakobs levenseinde uitvoerig beschreven wordt? Is het niet juist daarom, dat de triomf van zijn levenseinde ons Gods genade in het leven van deze man laat zien, zodat God hierdoor verheerlijkt wordt?

Het is de bekroning van Zijn geduldige opvoeding. En wij mogen de vruchten hiervan bewonderen.

Jakob overziet zijn levensweg en denkt aan de verschillende etappes: Luz of Bethel, waar God zich aan hem bekendmaakte; Efratha de dood van Rachel ...

Laten ook wij de weg die we afgelegd hebben, overdenken. Het terugkijken in het verleden zal ons de barmhartigheid laten zien van Hem Die ons met Zijn liefde geleid, verdragen, vermaant en vertroost heeft.

We zien Jakob in aanbidding "aan het hoofd van het bed" (vers 31). Of, zoals Hebreeën 11 vers 21 ons zegt: "leunende op het opperste van zijn staf'.

O, dat dat ook ons antwoord mag zijn op de liefde van de Heere Jezus — zonder dat wij daarmee wachten tot onze laatste levensdag.

Genesis 48:8-22
8En Israel zag de zonen van Jozef, en zeide: Wiens zijn deze?9En Jozef zeide tot zijn vader: Zij zijn mijn zonen, die mij God hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng hen toch tot mij, dat ik hen zegene!10Doch de ogen van Israel waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien; en hij deed hen naderen tot zich; toen kuste hij hen, en omhelsde hen.11En Israel zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien; maar zie, God heeft mij ook uw zaad doen zien!12Toen deed hen Jozef uitgaan van zijn knieen; en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde.13En Jozef nam die beiden, Efraim met zijn rechterhand, tegenover Israels linkerhand, en Manasse met zijn linkerhand, tegenover Israels rechterhand, en hij deed hen naderen tot hem.14Maar Israel strekte zijn rechterhand uit, en legde die op het hoofd van Efraim, hoewel hij de minste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse; hij bestierde zijn handen verstandelijk; want Manasse was de eerstgeborene.15En hij zegende Jozef, en zeide: De God, voor Wiens aangezicht mijn vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben, die God, Die mij gevoed heeft, van dat ik was, tot op dezen dag;16Die Engel, Die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen, Abraham en Izak, en dat zij vermenigvuldigen als vissen in menigte, in het midden des lands!17Toen Jozef zag, dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraim legde, zo was het kwaad in zijn ogen, en hij ondervatte zijns vaders hand, om die van het hoofd van Efraim op het hoofd van Manasse af te brengen.18En Jozef zeide tot zijn vader: Niet alzo, mijn vader! want deze is de eerstgeborene; leg uw rechterhand op zijn hoofd.19Maar zijn vader weigerde het, en zeide: Ik weet het, mijn zoon! ik weet het; hij zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder groter worden dan hij, en zijn zaad zal een volle menigte van volkeren worden.20Alzo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In u zal Israel zegenen, zeggende: God zette u als Efraim en als Manasse! En hij zette Efraim voor Manasse.21Daarna zeide Israel tot Jozef: Zie, ik sterf; maar God zal met ulieden wezen, en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen.22En ik heb u een stuk lands gegeven boven uw broederen; hetwelk ik, met mijn zwaard en met mijn boog, uit de hand der Amorieten genomen heb.

"Door het geloof heeft Jakob, stervende, ieder van de zonen van Jozef gezegend" (Hebreeën 11 vers 21). Als hij de jongste de zegen van de oudste geeft (en omgekeerd), gaan onze gedachten terug naar de droevige geschiedenis in hoofdstuk 27. Nu is hij blind, zoals Izaäk toen. Maar hij weet de gedachten van God te onderscheiden.

Het is al eerder gezegd: Jakobs wandel is nooit zó goed geweest, als nadat hij moest hinken. En hij heeft nooit zó duidelijk 'gezien', als nadat hij blind geworden is.

Hij beroept zich op "die God, Die mij gevoed heeft ... tot op deze dag" (vers 15). Uit eigen ervaring kende hij het werk en de moeiten van een herder (hoofdstuk 31 vers 38 tot en met 40). Nu neemt hijzelf de plaats van het schaap in en bewondert de geduldige zorg die de Herder voor hem had.

Evenals Jakob heeft ook David zijn les geleerd bij de schapen. Later werd hij geroepen het volk Israël te weiden (2 Samuël 7 vers 8). Toch is hij het die in Psalm 23 geschreven heeft: "De HEERE is mijn Herder".

Ieder van ons kent de kostbare Naam van de Heere Jezus Die van Zichzelf zegt: "Ik ben de goede Herder" (Johannes 10 vers 11 en 14). Die Naam is Hij waard, want Hij heeft Zijn leven gegeven voor Zijn geliefde schapen. En nu zorgt Hij voor hen en leidt hen, zoals God voor Jakob gezorgd heeft, terwijl Jakob zich daarvan gedurende zijn leven niet bewust was!

Maar ... kan ieder van ons werkelijk net als Jakob en David zeggen: 'Hij is mijn Herder'?

Genesis 49:1-18
1Daarna riep Jakob zijn zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal.2Komt samen en hoort, gij, zonen van Jakob! en hoort naar Israel, uw vader.3Ruben! gij zijt mijn eerstgeborene, mijn kracht, en het begin mijner macht; de voortreffelijkste in hoogheid, en de voortreffelijkste in sterkte!4Snelle afloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn! want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden; hij heeft mijn bed beklommen!5Simeon en Levi zijn gebroeders! hun handelingen zijn werktuigen van geweld!6Mijn ziel kome niet in hun verborgen raad; mijn eer worde niet verenigd met hun vergadering! want in hun toorn hebben zij de mannen doodgeslagen, en in hun moedwil hebben zij de ossen weggerukt.7Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig; en hun verbolgenheid, want zij is hard! ik zal hen verdelen onder Jakob, en zal hen verstrooien onder Israel.8Juda! gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.9Juda is een leeuwenwelp! gij zijt van de roof opgeklommen, mijn zoon! Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?10De schepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.11Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen zijner ezelin aan den edelste wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn, en zijn mantel in wijndruivenbloed.12Hij is roodachtig van ogen door den wijn, en wit van tanden door de melk.13Zebulon zal aan de haven der zeeen wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijn zijde zal zijn naar Sidon.14Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.15Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder cijns.16Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israels.17Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle.18Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!

Hier hebben we weer een hoofdstuk met een profetische betekenis. In de laatste woorden van Jakob aan zijn zonen zien we als het ware de hele geschiedenis van het volk Israël uitgestippeld en samengevat.

Ten tijde van de richteren en de koningen is het volk, zoals bij Ruben, ontaard; het heeft God verlaten en de afgoden gediend.

Daarna openbaarde zich geweld, zoals bij Simeon en Levi: het volk verwierp de profeten en de Messias Zelf. Daardoor bewerkten ze zelf dat ze onder de volkeren verstrooid zouden worden.

In Juda zien we een beeld van Christus. Tot die stam behoorde Hij vanwege Zijn geboorte. Hem behoort de scepter en de heerschappij over het volk toe.

Vervolgens zien we Israël weer verstrooid door het oordeel van God, handel drijvende, maar toch onder het knechtschap van de volken. Dat is de tegenwoordige tijd, voorgesteld in de personen van Zebulon en Issaschar.

Wat Dan betreft: hij stelt de antichrist voor, een jood die in de nabije toekomst door het volk als de Messias gezien zal worden. "Een slang aan de weg", dat is het verschrikkelijke beeld van de satanische macht die dan onbeperkt zijn gang kan gaan.

Met het oog op dit verschrikkelijke uitzicht zal het gelovig overblijfsel alleen nog kunnen rekenen op de bevrijding van boven: "Op uw zaligheid wacht ik, HEERE!" (vers 18).

Genesis 49:19-33
19Aangaande Gad, een bende zal hem aanvallen; maar hij zal haar aanvallen in het einde.20Van Aser, zijn brood zal vet zijn; en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.21Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.22Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over den muur.23De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat;24Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden, door de handen van de Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israels;25Van uws vaders God, Die u zal helpen, en van den Almachtige, Die u zal zegenen, met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds, die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder!26De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan het einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd van Jozef, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen!27Benjamin zal als een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten, en des avonds zal hij buit uitdelen.28Al deze stammen van Israel zijn twaalf; en dit is het, wat hun vader tot hen sprak, als hij hen zegende; hij zegende hen, een iegelijk naar zijn bijzonderen zegen.29Daarna gebood hij hun, en zeide tot hen: Ik word verzameld tot mijn volk: begraaft mij bij mijn vaders, in de spelonk, die is in den akker van Efron, den Hethiet;30In de spelonk, welke is op den akker van Machpela, die tegenover Mamre is, in het land Kanaan, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron, den Hethiet, tot een erfbegrafenis.31Aldaar hebben zij Abraham begraven, en Sara, zijn huisvrouw; daar hebben zij Izak begraven, en Rebekka, zijn huisvrouw; en daar heb ik Lea begraven.32De akker, en de spelonk, die daarin is, is gekocht van de zonen Heths.33Als Jakob voleind had aan zijn zonen bevelen te geven, zo legde hij zijn voeten samen op het bed, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijn volken.

Als de gemeente is opgenomen, zal "de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal", aanbreken (Openbaring 3 vers 10). Een gelovig overblijfsel uit Israël zal door deze grote verdrukking gaan. Dat kunnen we opmaken uit de woorden van Jakob aan Gad.

Benjamin spreekt ons van de Koning Die na de vernietiging van Zijn vijanden zal aantreden.

Terwijl Aser en Nafthali een beeld zijn van het volk dat uiteindelijk, na de oprichting van het rijk, gezegend zal worden.

Hoewel wij, als kinderen van God, weten dat we op dat moment niet meer op aarde zijn, interesseren deze dingen ons toch. We verheugen ons bij de gedachte dat de ware Jozef Die gehaat en verworpen werd, dan de grootste macht zal hebben en tot zegen zal zijn voor het hele aardrijk.

Jozef is "een vruchtbare tak aan een fontein; elk der takken loopt over de muur" (vers 22). De zegen gaat over de grenzen van Israël heen en zal zich verspreiden over de volken die geen deel hadden aan de beloften.

Zo is de Heere Jezus, "de Afgezonderde van zijn broeders" (vers 26), geweest. Eens "beschoten" en "gehaat" (vers 23), heeft God Hem nu "uitermate verhoogd, en Hem de Naam gegeven, welke boven alle naam is" (Filippi 2 vers 9).

Is deze Naam die zich van elke andere naam onderscheidt —de Naam Jezus: Heiland-God —, nu voor uw hart al groot en kostbaar?

Genesis 50:1-14
1Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem.2En Jozef gebood zijn knechten, den medicijnmeesters, dat zij zijn vader balsemen zouden; en de medicijnmeesters balsemden Israel.3En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzo werden vervuld de dagen dergenen, die gebalsemd werden; en de Egyptenaars beweenden hem zeventig dagen.4Als nu de dagen zijns bewenens over waren, zo sprak Jozef tot het huis van Farao, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen, spreekt toch voor de oren van Farao, zeggende:5Mijn vader heeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf; in mijn graf, dat ik mij in het land Kanaan gegraven heb, daar zult gij mij begraven! Nu dan, laat mij toch optrekken, dat ik mijn vader begrave, dan zal ik wederkomen.6En Farao zeide: Trek op en begraaf uw vader, gelijk als hij u heeft doen zweren.7En Jozef toog op, om zijn vader te begraven; en met hem togen op alle Farao's knechten, de oudsten van zijn huis, en al de oudsten des lands van Egypte;8Daartoe het ganse huis van Jozef, en zijn broeders, en het huis zijns vaders; alleen hun kleine kinderen, en hun schapen, en hun runderen lieten zij in het land Gosen.9En met hem togen op, zo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir.10Toen zij nu aan het plein van het doornbos kwamen, dat aan gene zijde van de Jordaan is, hielden zij daar een grote en zeer zware rouwklage; en hij maakte zijn vader een rouw van zeven dagen.11Als de inwoners des lands, de Kanaanieten, dien rouw zagen op het plein van het doornbos, zo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haar naam Abel-Mizraim, die aan het veer van de Jordaan is.12En zijn zonen deden hem, gelijk als hij hun geboden had;13Want zijn zonen voerden hem in het land Kanaan, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela, welke Abraham met den akker gekocht had tot een erfbegrafenis van Efron, den Hethiet, tegenover Mamre.14Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij en zijn broeders, en allen, die met hem opgetogen waren, om zijn vader te begraven, nadat hij zijn vader begraven had.

Het Boek Genesis bevat alle grote gebeurtenissen die in een gezin voorkomen: geboorten, huwelijken, verliezen van echtgenoten, moeders en vaders. Ook zien we het geloof werkzaam tijdens het dóórmaken van al deze gebeurtenissen.

Het slot van Jakobs leven is prachtig. Het goede land Gosen waarin hij de laatste zeventien jaar van zijn leven woonde, heeft hem niet het land Kanaän, noch de beloften die God hem gaf in Ber-Séba (hoofdstuk 46 vers 4), doen vergeten. Door zijn uitdrukkelijke opdrachten in verband met zijn begrafenis laat hij zijn zonen zien dat hij grote waarde hecht aan het land en de beloften. Hij wil begraven worden in de spelonk van Machpéla waar ook de andere familieleden die in geloof gestorven waren, wachten op de opstandingsdag. Vroeger is de prijs voor deze akker betaald, zodat ze zeker zijn van het recht op deze plaats.

De begrafenis van deze aartsvader gaat gepaard met grote plechtigheden. Over het algemeen zien we in het Oude Testament dat de begrafenis van iemand overeenkomt met zijn trouw. In de begrafenis van Jójada en van koning Hizkía (2 Kronieken 24 vers 16 en 32 vers 33) vinden we iets terug van hun godsvrucht.

Als vandaag de dag een gelovige de aarde verlaat, is er geen reden om er een grote ceremonie van te maken. Voor een kind van God heeft de dood zijn verschrikkelijke macht verloren. Zijn sterven wordt ontslapen genoemd. Het is voor hem de toegangspoort tot de heerlijkheid. Ook al heeft de dood zijn prikkel verloren, laten we nooit vergeten wat dat diens Overwinnaar heeft gekost!

Genesis 50:15-26
15Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader dood was, zo zeiden zij: Misschien zal ons Jozef haten, en hij zal ons gewisselijk vergelden al het kwaad, dat wij hem aangedaan hebben.16Daarom ontboden zij aan Jozef, zeggende: Uw vader heeft bevolen voor zijn dood, zeggende:17Zo zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen, en hun zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan; maar nu vergeef toch de overtreding der dienaren van den God uws vaders! En Jozef weende, als zij tot hem spraken.18Daarna kwamen ook zijn broeders, en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten!19En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?20Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.21Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.22Jozef dan woonde in Egypte, hij en het huis zijns vaders; en Jozef leefde honderd en tien jaren.23En Jozef zag van Efraim kinderen, van het derde gelid; ook werden de zonen van Machir, den zoon van Manasse, op Jozefs knieen geboren.24En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij aan Abraham, Izak en Jakob gezworen heeft.25En Jozef deed de zonen van Israel zweren, zeggende: God zal u gewisselijk bezoeken, zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren!26En Jozef stierf, honderd en tien jaren oud zijnde; en zij balsemden hem, en men legde hem in een kist in Egypte.

Er staat Jozef na de dood van zijn vader nog een smart te wachten: zijn broers twijfelen aan zijn liefde. Ze denken dat hij zich nu, na het sterven van hun vader, zal wreken.

Met welk een zachtmoedigheid stelt hij hen dan gerust! Hij legt hun Gods gedachten uit en bevestigt zijn belofte dat hij voor hen en hun kinderen zal zorgen!

Veel christenen lijken op de broers van Jozef. Ze kunnen maar niet geloven dat hun alles vergeven is. Vergaat het ons soms ook niet zo dat we twijfelen aan de liefde van de Heere, hoewel Hij ons er zoveel bewijzen van gegeven heeft?

Zijn hart is heel gevoelig voor dit gebrek aan vertrouwen. Het is net alsof Hij dan zegt: "Ben Ik zo lange tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend?" (Johannes 14 vers 9).

Nu we aan het einde van het Boek Genesis zijn aangekomen, kunnen we vaststellen dat daarin bijna alle geheimen van God worden getoond. Maar voor het Boek ten einde gaat, horen we nog een keer het "gewis" van het geloof (vers 24).

"God zal u gewis bezoeken" — dat zijn de laatste woorden van Jozef aan zijn broers. Dat is ook het enige van al zijn daden, dat ons in Hebreeën 11 vers 22 genoemd wordt.

Terwijl zij nog te midden van de overvloed en welvaart van Egypte zijn, vestigt hij hun oog op de uittocht van de kinderen van Israël en het overbrengen van zijn gebeente naar het land Kanaän.

Laten wij het geloof van Jozef navolgen!

Exodus 1:1-22
1Dit nu zijn de namen der zonen van Israel, die in Egypte gekomen zijn, met Jakob; zij kwamen er in, elk met zijn huis.2Ruben, Simeon, Levi, en Juda;3Issaschar, Zebulon, en Benjamin;4Dan en Nafthali, Gad en Aser.5Al de zielen nu, die uit Jakobs heup voortgekomen zijn, waren zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte.6Toen nu Jozef gestorven was, en al zijn broeders, en al dat geslacht,7Zo werden de kinderen Israels vruchtbaar en wiesen overvloedig, en zij vermeerderden, en werden gans zeer machtig, zodat het land met hen vervuld werd.8Daarna stond een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had;9Die zeide tot zijn volk: Ziet, het volk der kinderen Israels is veel, ja, machtiger dan wij.10Komt aan, laat ons wijselijk tegen hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en het geschiede, als er enige krijg voorvalt, dat het zich ook niet vervoege tot onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke.11En zij zetten oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hun lasten; want men bouwde voor Farao schatsteden, Pitom en Raamses.12Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde, en hoe meer het wies; zodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israels.13En de Egyptenaars deden de kinderen Israels dienen met hardigheid.14Zodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem en in tichelstenen, en met allen dienst op het veld, met al hun dienst, dien zij hen deden dienen met hardigheid.15Daarenboven sprak de koning van Egypte tot de vroedvrouwen der Hebreinnen, welker ener naam Sifra, en de naam der andere Pua was;16En zeide: Wanneer gij de Hebreinnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven!17Doch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet, gelijk als de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de knechtjes in het leven.18Toen riep de koning van Egypte de vroedvrouwen, en zeide tot haar: Waarom hebt gij deze zaak gedaan, dat gij de knechtjes in het leven behouden hebt?19En de vroedvrouwen zeiden tot Farao: Omdat de Hebreinnen niet zijn gelijk de Egyptische vrouwen; want zij zijn sterk; eer de vroedvrouw tot haar komt, zo hebben zij gebaard.20Daarom deed God aan de vroedvrouwen goed; en dat volk vermeerderde, en het werd zeer machtig.21En het geschiedde, dewijl de vroedvrouwen God vreesden, zo bouwde Hij haar huizen.22Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen, die geboren worden, zult gij in de rivier werpen, maar al de dochteren in het leven behouden.

In de tijd die tussen het Boek Genesis en het Boek Exodus ligt, zijn de omstandigheden in Egypte wezenlijk veranderd.

Het kenmerkende voor de huidige farao en zijn volk is dat zij Jozef niet gekend hebben (vers 8; Handelingen 7 vers 18). Men heeft hem die Egypte gered en een heel volk in leven gehouden heeft, volkomen vergeten!

Zo gaat het ook in onze tijd waarin satan vorst is. De Heere Jezus, de Redder, heeft geen plaats in de gedachten en harten van de mensen, hoewel men moet "dienen met hardheid". Dit gaat hand in hand met de onwetendheid betreffende God en Zijn Zoon.

Sommigen zuchten hier wel onder, maar de meesten zijn zich er helemaal niet van bewust. De slavernij waarin satan de mensen gevangen houdt, wordt ons hier op vreselijke wijze door de dienst die de kinderen van Israël moeten volbrengen, voorgesteld (vers 13).

Maar hét grote onderwerp van het Boek Exodus is de verlossing — de bevrijding van Gods volk uit die vreselijke macht.

De slechte farao geeft opdracht tot het doden van alle Israëlitische jongetjes die geboren worden (vergelijk dit met Mattheus 2 vers 16). Maar God maakt gebruik van godvruchtige vrouwen die wel Hem, maar niet de farao vrezen, om deze plannen te verijdelen.

Hoe kostbaar voor het hart van God zijn alle bewijzen van trouw te midden van omstandigheden waarin satan regeert!

Exodus 2:1-14
1En een man van het huis van Levi ging, en nam een dochter van Levi.2En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon. Toen zij hem zag, dat hij schoon was, zo verborg zij hem drie maanden.3Doch als zij hem niet langer verbergen kon, zo nam zij voor hem een kistje van biezen, en belijmde het met lijm en met pek; en zij legde het knechtje daarin, en legde het in de biezen, aan den oever der rivier.4En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden.5En de dochter van Farao ging af, om zich te wassen in de rivier; en haar jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier; toen zij het kistje in het midden van de biezen zag, zo zond zij haar dienstmaagd heen, en liet het halen.6Toen zij het open deed, zo zag zij dat knechtje; en ziet, het jongsken weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zeide: Dit is een van de knechtjes der Hebreen!7Toen zeide zijn zuster tot Farao's dochter: Zal ik heengaan, en u een voedstervrouw uit de Hebreinnen roepen, die dat knechtje voor u zoge?8En de dochter van Farao zeide tot haar: Ga heen. En de jonge maagd ging, en riep des knechtjes moeder.9Toen zeide Farao's dochter tot haar: Neem dit knechtje heen, en zoog het mij; ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het knechtje en zoogde het.10En toen het knechtje groot geworden was, zo bracht zij het tot Farao's dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijn naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit het water getogen.11En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijn broederen, en bezag hun lasten; en hij zag, dat een Egyptisch man een Hebreeuwsen man uit zijn broederen sloeg.12En hij zag herwaarts en gindswaarts; en toen hij zag, dat er niemand was, zo versloeg hij den Egyptenaar, en verborg hem in het zand.13Des anderen daags ging hij wederom uit, en ziet, twee Hebreeuwse mannen twistten; en hij zeide tot den ongerechte: Waarom slaat gij uw naaste?14Hij dan zeide: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit, om mij te doden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt? Toen vreesde Mozes, en zeide: Voorwaar, deze zaak is bekend geworden!

God wilde in Zijn genade de Zijnen niet in de slavernij laten. Hij gaf hun in de persoon van Mozes — een beeld van Christus — een redder. Meerdere malen vinden we in de Schrift verwijzingen naar deze man.

Het kistje dat de moeder van Mozes klaarmaakte, spreekt van de zorg van gelovige ouders om hun kinderen voor de verderfelijke invloeden van de wereld te beschermen. Maar deze voorzorgsmaatregelen zijn niet genoeg. Het moet gepaard gaan met geloof, want het kistje moet losgelaten worden in het water.

God beantwoordt dit geloof met een wonderbaarlijke uitredding! Achter de schermen bestuurt Hij alles. Hij maakt zelfs gebruik van de tranen van een klein kind en tenslotte moet een bevel van de koning er slechts toe dienen dat er in zijn eigen huis een bevrijder voor Israël wordt opgeleid.

Mozes die intussen volwassen is geworden, toont evenals zijn ouders een buitengewoon geloof. In Hebreeën 11 vers 24 tot 27 lezen we dat hij een prachtige toekomst afslaat. Hij overziet, hij kiest — en wat is het geheim van zijn besluit? Hij ziet op de beloning.

Wat een voorbeeld voor ons om na te volgen als wij vroeg of laat een keuze moeten maken: óf de wereld met haar eer en genoegen óf "de smaad van Christus"!

Mozes treedt naar voren om zijn volk te bevrijden. Ook uit zijn misstap kunnen wij iets leren. Ook al is de liefde nog zo groot, we kunnen Christus niet in eigen kracht dienen (vers 12; vergelijk dit met Johannes 18 vers 10).

Exodus 2:15-25; Exodus 3:1-6
15Als nu Farao deze zaak hoorde, zo zocht hij Mozes te doden; doch Mozes vlood voor Farao's aangezicht, en woonde in het land Midian, en hij zat bij een waterput.16En de priester in Midian had zeven dochters, die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde haars vaders te drenken.17Toen kwamen de herders, en zij dreven haar van daar; doch Mozes stond op, en verloste ze, en drenkte haar kudden.18En toen zij tot haar vader Rehuel kwamen, zo sprak hij: Waarom zijt gij heden zo haast wedergekomen?19Toen zeiden zij: Een Egyptisch man heeft ons verlost uit de hand der herderen; en hij heeft ook overvloedig voor ons geput, en de kudde gedrenkt.20En hij zeide tot zijn dochters: Waar is hij toch, waarom liet gij den man nu gaan? roept hem, dat hij brood ete.21En Mozes bewilligde bij den man te wonen; en hij gaf Mozes zijn dochter Zippora;22Die baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Gersom; want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.23En het geschiedde na vele dezer dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israels zuchtten en schreeuwden over den dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God.24En God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan Zijn verbond met Abraham, met Izak, en met Jakob.25En God zag de kinderen Israels aan, en God kende hen.
1En Mozes hoedde de kudde van Jethro, zijn schoonvader, de priester in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg Gods, aan Horeb.2En de Engel des HEEREN verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos; en hij zag, en ziet, het braambos brandde in het vuur, en het braambos werd niet verteerd.3En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wenden, en bezien dat grote gezicht, waarom het braambos niet verbrandt.4Toen de HEERE zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: Zie, hier ben ik!5En Hij zeide: Nader hier niet toe; trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land.6Hij zeide voorts: Ik ben de God uws vaders, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes verborg zijn aangezicht, want hij vreesde God aan te zien.

Mozes heeft afstand gedaan van zijn titel en zijn rijkdommen om zijn broeders in de verdrukking op te zoeken. Maar hij wordt door hen miskend en verworpen, en moet vluchten voor de farao naar een vreemd land. Daar trouwt hij en wordt herder, nadat hij zich eerst geopenbaard heeft als degene die redt en dorst lest (vers 17).

Deze karaktertrekken herinneren ons aan de Heere Jezus, de Zoon van God, Die de heerlijkheid verliet en het volk Israël bezocht om het te redden. Maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Johannes 1 vers 11). Daarom is Hij, de grote Herder van de schapen en de Bruidegom van de gemeente, nu afwezig. Hij heeft Zijn Bruid in genade gekocht en zij deelt nu met Hem in Zijn verwerping.

Veertig jaren zijn voor Mozes voorbij gegaan. Nu openbaart God Zich aan hem in "dat grote gezicht". Voor Hagar had Hij een bron uitgezocht, voor Jakob een ladder en voor Mozes dit geheimzinnige braambos. Kunt u ook zeggen hoe en waar God u ontmoet heeft?

God wilde aan Mozes Zijn genade voor Zijn geliefde volk kenbaar maken. Israël was te midden van de vuuroven van Egypte, zoals dit braambos, beproefd, maar niet verteerd.

Zo is het nu met de verlosten van de Heere. Het vuur van de beproeving heeft nooit een ander doel dan het ongeoordeelde kwaad in ons te verwijderen. Alleen in Christus heeft dit vuur van Gods beproevende heiligheid, dat Hij volledig moest ondergaan, niets gevonden wat verteerd had moeten worden (Psalm 17 vers 3).

Exodus 3:7-22
7En de HEERE zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend.8Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaats der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten.9En nu, zie, het geschrei der kinderen Israels is tot Mij gekomen; en ook heb Ik gezien de verdrukking, waarmede de Egyptenaars hen verdrukken.10Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat gij Mijn volk (de kinderen Israels) uit Egypte voert.11Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zou gaan; en dat ik de kinderen Israels uit Egypte zou voeren?12Hij dan zeide: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij dit volk uit Egypte geleid hebt, zult gijlieden God dienen op dezen berg.13Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik kom tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: De God uwer vaderen heeft mij tot ulieden gezonden; en zij mij zeggen: Hoe is Zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen?14En God zeide tot Mozes: Ik ZAL ZIJN,, Die Ik ZIJN ZAL! Ook zeide Hij: Alzo zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Ik ZAL ZIJN heeft mij tot ulieden gezonden!15Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: De HEERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.16Ga heen, en verzamel de oudsten van Israel, en zeg tot hen: De HEERE, de God uwer vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb ulieden getrouwelijk bezocht, en hetgeen ulieden in Egypte is aangedaan;17Daarom heb Ik gezegd: Ik zal ulieden uit de verdrukking van Egypte opvoeren, tot het land der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten; tot het land, vloeiende van melk en honig.18En zij zullen uw stem horen; en gij zult gaan, gij en de oudsten van Israel, tot den koning van Egypte, en gijlieden zult tot hem zeggen: De HEERE, de God der Hebreen, is ons ontmoet; zo laat ons nu toch gaan den weg van drie dagen in de woestijn, opdat wij den HEERE, onzen God, offeren!19Doch Ik weet, dat de koning van Egypte ulieden niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand.20Want Ik zal Mijn hand uitstrekken, en Egypte slaan met al Mijn wonderen, die Ik in het midden van hetzelve doen zal; daarna zal hij ulieden laten vertrekken.21En Ik zal dit volk genade geven in de ogen der Egyptenaren; en het zal geschieden, wanneer gijlieden uitgaan zult, zo zult gij niet ledig uitgaan.22Maar elke vrouw zal van haar naburin, en van de waardin haars huizes, eisen zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen; die zult gijlieden op uw zonen, en op uw dochteren leggen, en gij zult Egypte beroven.

Tijdens de jarenlange onderdrukking in de "ijzeroven" van Egypte (Deuteronomium 4 vers 20) is God niet onverschillig gebleven tegenover het lijden van Zijn volk.

Hij denkt aan Zijn beloften aan Abraham (Genesis 15 vers 13 en 14), Izaäk (Genesis 26 vers 3) en Jakob (Genesis 46 vers 4).

Nu is het moment gekomen waarop Hij Zich door middel van Mozes aan de Zijnen bekend zal maken als de God van hun vaderen. Maar ook als de God Die hen in liefde gedenkt en wil redden.

Kunnen nu allen die zuchten onder de last van hun zonden, Hem ook zó leren kennen? Zeker! God is ten aanzien van de ellendige toestand en het verderf van Zijn schepselen niet gevoelloos. Evenmin als toen, toen Hij de nood van het volk Israël zag en hun geschrei hoorde.

Maar Hij nam er geen genoegen mee alleen kennis te nemen van hun smarten (vers 7), Hij zei ook: "Daarom ben Ik neergekomen, dat Ik het verlosse ..." (vers 8).

In Christus Jezus is God neergekomen. Door Hem heeft Hij ons gered. Is het daarbij gebleven? Nee, Hij heeft ons bovendien tot Zijn volk gemaakt, bracht ons in een innige verbinding met Zichzelf en maakte ons rijk (vers 22).

God openbaart Zijn Naam aan Mozes. Hij is de "IK ZAL ZIJN", Die de eeuwigheid met Zijn aanwezigheid vervult. Hij leeft. Hij blijft altijd Dezelfde. Alles is van Hem afhankelijk (zie Jesaja 43 vers 11, 13 en 25).

Exodus 4:1-17
1Toen antwoordde Mozes, en zeide: Maar zie, zij zullen mij niet geloven, noch mijn stem horen; want zij zullen zeggen: De HEERE is u niet verschenen!2En de HEERE zeide tot hem: Wat is er in uw hand? En hij zeide: Een staf.3En Hij zeide: Werp hem ter aarde. En hij wierp hem ter aarde! Toen werd hij tot een slang; en Mozes vlood van haar.4Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit, en vatte haar, en zij werd tot een staf in zijn hand.5Opdat zij geloven, dat u verschenen is de HEERE, de God hunner vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob.6En de HEERE zeide verder tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; daarna trok hij ze uit, en ziet, zijn hand was melaats, wit als sneeuw.7En Hij zeide: Steek uw hand wederom in uw boezem. En hij stak zijn hand wederom in zijn boezem; daarna trok hij ze uit zijn boezem, en ziet, zij was weder als zijn ander vlees.8En het zal geschieden, zo zij u niet geloven, noch naar de stem van het eerste teken horen, zo zullen zij de stem van het laatste teken geloven.9En het zal geschieden, zo zij ook deze twee tekenen niet geloven, noch naar uw stem horen, zo neem van de wateren der rivier, en giet ze op het droge; zo zullen de wateren, die gij uit de rivier zult nemen, diezelve zullen tot bloed worden op het droge.10Toen zeide Mozes tot de HEERE: Och Heere! ik ben geen man wel ter tale, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch van toen af, toen Gij tot Uw knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond, en zwaar van tong.11En de HEERE zeide tot hem: Wie heeft den mens den mond gemaakt, of wie heeft den stomme, of dove, of ziende, of blinde gemaakt? Ben Ik het niet, de HEERE?12En nu ga henen, en Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren, wat gij spreken zult.13Doch hij zeide: Och, Heere! zend toch door de hand desgenen, dien Gij zoudt zenden.14Toen ontstak de toorn des HEEREN over Mozes, en Hij zeide: is niet Aaron, de Leviet, uw broeder? Ik weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn.15Gij dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijn mond leggen; en Ik zal met uw mond, en met zijn mond zijn; en Ik zal ulieden leren, wat gij doen zult.16En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal geschieden, dat hij u tot een mond zal zijn, en gij zult hem tot een god zijn.17Neem dan dezen staf in uw hand, waarmede gij die tekenen doen zult.

Aan het hof van farao was Mozes onderwezen in al de wijsheid van de Egyptenaren. Maar de eeuwige IK ZAL ZIJN heeft hij daar niet leren kennen.

De jaren in het koninklijk paleis konden hem niet tot een geschikt werktuig maken om het volk te redden. In het doden van de Egyptenaar zien we juist het tegendeel. Na veertig jaar in de school van farao geweest te zijn, was er nog veertig jaar in de school van God nodig, in de eenzaamheid van Midian, met als gevolg dat Mozes niet meer op zichzelf rekent.

Terwijl hij "machtig in woorden en in werken" was (Handelingen 7 vers 22), zegt hij nu geen gave tot spreken te hebben. Ja, nu twijfelt hij er zelfs aan of hij wel de geschikte man is. Natuurlijk is het goed dat hij al zijn zelfvertrouwen verloren heeft, maar hij mist nu nog het vertrouwen in God. Hij moet leren dat wanneer de Heere iemand roept voor een bepaalde taak, Hij ook de hulpmiddelen zal geven om die taak te volbrengen.

Het veranderen van de staf in een slang leert ons dat, wanneer satan op een gegeven moment de vrije hand wordt gelaten door God, God toch alles onder controle heeft. Hij kan hem op elk moment weer een halt toeroepen. Christus heeft op het kruis getriomfeerd over de boze machten (Kolosse 2 vers 15).

De hand die hij in eigen boezem (een beeld van het hart als de bron van alle kwaad) steekt en eerst melaats en daarna genezen te voorschijn komt, spreekt ons van de macht van God om alle vuilheid van de zonde weg te doen.

Exodus 4:18-31
18Toen ging Mozes heen, en keerde weder tot Jethro, zijn schoonvader, en zeide tot hem: Laat mij toch gaan, dat ik wederkere tot mijn broederen, die in Egypte zijn, en zie, of zij nog leven. Jethro dan zeide tot Mozes: Ga in vrede!19Ook zeide de HEERE tot Mozes in Midian: Ga heen, keer weder in Egypte, want al de mannen zijn dood, die uw ziel zochten.20Mozes dan nam zijn vrouw, en zijn zonen, en voerde hen op een ezel, en keerde weder in Egypteland; en Mozes nam den staf Gods in zijn hand.21En de HEERE zeide tot Mozes: Terwijl gij heentrekt, om weder in Egypte te keren, zie toe, dat gij al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; doch Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.22Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israel.23En Ik heb tot u gezegd: Laat Mijn zoon trekken, dat hij Mij diene! maar gij hebt geweigerd hem te laten trekken; zie, Ik zal uw zoon, uw eerstgeborene doden!24En het geschiedde op den weg, in de herberg, dat de HEERE hem tegenkwam, en zocht hem te doden.25Toen nam Zippora een stenen mes en besneed de voorhuid haars zoons, en wierp die voor zijn voeten, en zeide: Voorwaar, gij zijt mij een bloedbruidegom!26En Hij liet van hem af. Toen zeide zij: Bloedbruidegom! vanwege de besnijdenis.27De HEERE zeide ook tot Aaron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan den berg Gods, en hij kuste hem.28En Mozes gaf Aaron te kennen al de woorden des HEEREN, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem bevolen had.29Toen ging Mozes en Aaron, en zij verzamelden al de oudsten der kinderen Israels.30En Aaron sprak al de woorden, die de HEERE tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen des volks.31En het volk geloofde, en zij hoorden, dat de HEERE de kinderen Israels bezocht, en dat Hij hun verdrukking zag, en zij neigden hun hoofden, en aanbaden.

Eens was Mozes op pad gegaan zonder dat God hem zond. Nu God hem wèl wil sturen, bedenkt hij allerlei uitvluchten om maar geen gehoor te hoeven geven aan deze oproep: zijn onvermogen (hoofdstuk 3 vers 11), zijn onwetendheid (hoofdstuk 3 vers 13), zijn gebrek aan gezag (hoofdstuk 4 vers 1), zijn onbekwaamheid om te spreken (vers 10), zijn ongeschiktheid om de opdracht uit te voeren en daarom de wens maar een ander te sturen (vers 13), het mislukken de eerste keer (hoofdstuk 5 vers 23), het onbegrip dat zijn broeders toonden (hoofdstuk 6 vers 11). Bedenken ook wij vaak niet zulke uitvluchten om maar niet te hoeven gehoorzamen??

De verzen 24 tot en met 26 laten ons zien dat een dienstknecht van de Heere eerst orde op zaken moet stellen in zijn eigen huis, voordat hij openlijk een dienst kan uitoefenen. Tot nu toe heeft Mozes, waarschijnlijk onder invloed van zijn vrouw, zijn zoon nog niet besneden (een beeld van de veroordeling van het vlees). Maar het betrof een opdracht van God waaraan gehoorzaamd moest worden (Genesis 17 vers 10 tot en met 14), te meer nu het om het gezin van Zijn dienstknecht ging! Deze pijnlijke handeling moet eerst voltrokken worden!

In de verzen 27 en 28 lezen we waar broeders elkaar moeten ontmoeten: "aan de berg Gods". En wat is het onderwerp van hun gesprek? Het Woord van de Heere en Zijn wonderen!

Aan het begin van dit hoofdstuk zei Mozes: "Zie, zij zullen mij niet geloven". Maar de HEERE heeft de harten bewerkt. De Israëlieten geloven Mozes wel (vers 31; vergelijk dit met 2 Kronieken 29 vers 36). Al voor hun bevrijding aanbidden ze de HEERE!

Exodus 5:1-14
1En daarna gingen Mozes en Aaron heen, en zeiden tot Farao: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn!2Maar Farao zeide: Wie is de HEERE, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israel te laten trekken? Ik ken den HEERE niet, en ik zal ook Israel niet laten trekken.3Zij dan zeiden: De God der Hebreen is ons ontmoet; zo laat ons toch heentrekken, den weg van drie dagen in de woestijn, en den HEERE, onzen God, offeren, dat Hij ons niet overkome met pestilentie, of met het zwaard.4Toen zeide de koning van Egypte tot hen: Gij, Mozes en Aaron! waarom trekt gij het volk af van hun werken? Gaat heen tot uw lasten.5Verder zeide Farao: Ziet, het volk des lands is alreeds te veel; en zoudt gijlieden hen doen rusten van hun lasten?6Daarom beval Farao, ten zelfden dage, aan de aandrijvers onder het volk, en deszelfs ambtlieden, zeggende:7Gij zult voortaan aan deze lieden geen stro meer geven, tot het maken der tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen.8En het getal der tichelstenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen; gij zult daarvan niet verminderen; want zij gaan ledig; daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren!9Men verzware den dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden.10Toen gingen de aandrijvers des volks uit, en deszelfs ambtlieden, en spraken tot het volk, zeggende: Zo zegt Farao: Ik zal ulieden geen stro geven.11Gaat gij zelve heen, haalt u stro, waar gij het vindt; doch van uw dienst zal niet verminderd worden.12Toen verstrooide zich het volk in het ganse land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde, voor stro.13En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voleindigt uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was.14En de ambtlieden der kinderen Israels, die Farao's aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zeide: Waarom hebt gijlieden uw gezette werk niet voleindigd, in het maken der tichelstenen, gelijk te voren, alzo ook gisteren en heden?

Egypte is een duidelijk beeld van de wereld, anders gezegd: van de mensen die zonder God leven, die geen rekening houden met Hem.

Wanneer men Gods gezag afwijst, is men onderworpen aan een heerser — satan — die "de overste dezer wereld" genoemd wordt (Johannes 16 vers 11). Hij is een harde, veeleisende heerser van wie de wrede farao een duidelijk voorbeeld is.

Zodra het geweten wakker geschud wordt en men verlangt naar bevrijding (zoals Israël in dit hoofdstuk), probeert satan zo iemand tot andere gedachten te brengen en te binden door extra werk (vers 9). Hij schept verwarring door de mens constant bezig te laten zijn, zodat men geen tijd heeft voor zulke gedachten. Men wordt door hem verhinderd bezig te zijn met het verlangen van de ziel.

Ja, wij weten ook goed uit eigen ervaring wat het betekent "dienstknechten van de zonde" te zijn (Romeinen 6 vers 17), te zuchten onder het juk van satan en "menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende" te zijn (Titus 3 vers 3), niet bij machte ons in eigen kracht daaruit te bevrijden.

Is er nog iemand die dit leest, die zich in deze verschrikkelijke omstandigheden bevindt? Het Woord van God spreekt over een nu al bestaande bevrijding. Christus, vele malen groter dan Mozes, heeft niet alleen over deze bevrijding gesproken, maar heeft die ook Zelf volbracht. Hij heeft onze zielen verlost uit die vreselijke gebondenheid aan de duivel en de zonde.

Exodus 5:15-23; Exodus 6:1-8
15Derhalve gingen de ambtlieden der kinderen Israels, en schreeuwden tot Farao, zeggende: Waarom doet gij uw knechten alzo?16Aan uw knechten wordt geen stro gegeven, en zij zeggen tot ons: Maakt de tichelstenen; en ziet, uw knechten worden geslagen, doch de schuld is uws volks!17Hij dan zeide: Gijlieden gaat ledig, ledig gaat gij; daarom zegt gij: Laat ons gaan, laat ons den HEERE offeren!18Zo gaat nu heen, arbeidt; doch stro zal u niet gegeven worden; evenwel zult gij het getal der tichelstenen leveren.19Toen zagen de ambtlieden der kinderen Israels, dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uw tichelstenen, van het dagwerk op zijn dag.20En zij ontmoetten Mozes en Aaron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen.21En zeiden tot hen: De HEERE zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.22Toen keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Heere! waarom hebt Gij dit volk kwaad gedaan, waarom hebt Gij mij nu gezonden?23Want van toen af, dat ik tot Farao ben ingegaan, om in Uw Naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan; en Gij hebt Uw volk geenszins verlost. [ (Exodus 5:24) Toen zeide de HEERE tot Mozes: Nu zult gij zien, wat Ik aan Farao doen zal; want door een machtige hand zal hij hen laten trekken, ja, door een machtige hand zal hij hen uit zijn land drijven. ]
1Verder sprak God tot Mozes, en zeide tot hem: Ik ben de HEERE,2En Ik ben aan Abraham, Izak, en Jakob verschenen, als God de Almachtige; doch met Mijn Naam HEERE ben Ik hun niet bekend geweest.3En ook heb Ik Mijn verbond met hen opgericht, dat Ik hun geven zou het land Kanaan, het land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn.4En ook heb Ik gehoord het gekerm der kinderen Israels, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en Ik heb aan Mijn verbond gedacht.5Derhalve zeg tot de kinderen Israels: Ik ben de HEERE! en Ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaren, en Ik zal u redden uit hun dienstbaarheid, en zal u verlossen door een uitgestrekten arm, en door grote gerichten;6En Ik zal ulieden tot Mijn volk aannemen, en Ik zal ulieden tot een God zijn; en gijlieden zult bekennen, dat Ik de HEERE uw God ben, Die u uitleide van onder de lasten der Egyptenaren.7En Ik zal ulieden brengen in dat land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik het aan Abraham, Izak, en Jakob geven zou; en Ik zal het ulieden geven tot een erfdeel, Ik, de HEERE!8En Mozes sprak alzo tot de kinderen Israels; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de benauwdheid des geestes, en vanwege de harde dienstbaarheid.

De farao geeft niets. Integendeel, hij eist steeds meer. Het heeft geen nut om tot hem te schreeuwen (vers 15 tot en met 18). Satan kent geen medelijden met zijn slaven, hij verheugt zich over hun ellende.

Ach, misschien hebben we zelf aan den lijve ondervonden dat de zonde een tiran is die nooit zijn wapens neerlegt. De éne begeerte is nog maar net bevredigd, of de andere dringt zich in nog ergere mate aan ons op. Alleen Christus kan een hart volkomen en voor altijd rust geven.

Soms laat God het toe dat de bevrijding wat op zich laat wachten, opdat de mens eindelijk bereid is — door het voelen van het zware juk van de vijand en het leren inzien van zijn eigen verdorven toestand — te erkennen dat alleen de Heere Jezus hem daarvan kan bevrijden.

God beantwoordt de moedeloosheid van Zijn dienstknecht met geen enkel verwijt (hoofdstuk 5 vers 24). Integendeel, het is voor Hem een aanleiding om een nieuwe openbaring van Zichzelf te geven.

"HEERE" is de Naam die Hij aanneemt in verbinding met Israël. Voor de aartsvaders was Hij "God, de Almachtige" aan Wie hemel en aarde toebehoort. Nu God iets nieuws wil doen, neemt Hij ook een nieuwe Naam aan; de HEERE is de Onveranderlijke Die trouw blijft aan het verbond met Zijn volk.

Voor ons, gelovigen die leven in de tijd van de genade, heeft Hij een nog veel kostbaarder Naam: "Vader". Die Naam heeft de Heere Jezus ons bekendgemaakt (Johannes 17 vers 26).

Exodus 6:9-30
9Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:10Ga heen, spreek tot Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken late.11Doch Mozes sprak voor den HEERE, zeggende: Zie, de kinderen Israels hebben naar mij niet gehoord; hoe zou mij dan Farao horen? daartoe ben ik onbesneden van lippen.12Evenwel sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israels, en aan Farao, den koning van Egypte, om de kinderen Israels uit Egypteland te leiden.13Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen: de zonen van Ruben, de eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi; dit zijn de huisgezinnen van Ruben.14En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon.15Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hun geboorten: Gerson, en Kehath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zeven en dertig jaren.16De zonen van Gerson: Libni en Simei, naar hun huisgezinnen.17En de zonen van Kehath: Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel, en de jaren des levens van Kehath waren honderd drie en dertig jaren.18En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten.19En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot huisvrouw, en zij baarde hem Aaron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.20En de zonen van Jizhar: Korah, en Nefeg, en Zichri.21En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.22En Aaron nam zich tot een vrouw Eliseba, dochter van Amminadab, zuster van Nahesson; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.23En de zonen van Korah waren: Assir, en Elkana, en Abiasaf; dat zijn de huisgezinnen der Korachieten.24En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich een van de dochteren van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.25Dit is Aaron en Mozes, tot welke de HEERE zeide: Leidt de kinderen Israels uit Egypteland, naar hun heiren.26Dezen zijn het, die tot Farao, den koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israels uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aaron.27En het geschiedde te dien dage, als de HEERE tot Mozes sprak in Egypteland;28Zo sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Ik ben de HEERE! spreek tot Farao, den koning van Egypte, alles, wat Ik tot u spreek.29Toen zeide Mozes voor het aangezicht des HEEREN: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal dan Farao naar mij horen?30

In de prachtige verzen 5 tot en met 7 heeft God het hele heilsplan voor Israël dat overeenkomt met Zijn nieuwe Naam 'HEERE', aan Mozes uitgelegd. Er kan geen misverstand over dit heilsplan bestaan, want het wordt als het ware ondertekend met: "Ik, de HEERE" (vers 7).

"Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil," bevestigt God in Jesaja 43 vers 25. Wat is het dan verdrietig om op te merken dat Israël "vanwege de benauwdheid des geestes" niet luistert. Dit is de eerste openbaring van het ongeloof van het volk en helaas blijft het niet bij deze éne keer. We zullen zien dat er nog een lange rij zal volgen (vergelijk Psalm 106).

Mozes is op zijn beurt ook weer moedeloos en onrustig. Zijn geloof heeft er moeite mee zich de Namen en beloften van God toe te eigenen.

Dan richt God zijn blik op de Zijnen. Ook al leven ze verspreid onder vreemden, Zijn oog herkent hen en Hij heeft er een welgevallen in aan hun namen te denken. "De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn" (2 Timotheüs 2 vers 19). Laten we ook denken aan de tekst die de gelovigen van alle tijden bemoedigd heeft: "De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep" (Psalm 34 vers 16; 1 Petrus 3 vers 12).

We lezen hier meerdere namen van leden die behoren tot het geslacht van Levi. Zij zullen later een belangrijke rol, zowel in goede als in slechte zin, spelen in de geschiedenis van Israël: Korach en zijn zonen, de vier zonen van Aäron, Pínehas, enzovoort.

Exodus 7:1-13
1Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik heb u tot een god gezet over Farao; en Aaron, uw broeder, zal uw profeet zijn.2Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aaron, uw broeder, zal tot Farao spreken, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken laat.3Doch Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn wonderheden in Egypteland vermenigvuldigen.4Farao nu zal naar ulieden niet horen, en Ik zal Mijn hand aan Egypte leggen, en voeren Mijn heiren, Mijn volk, de kinderen Israels, uit Egypteland, door grote gerichten.5Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn hand over Egypte uitstrekke, en de kinderen Israels uit het midden van hen uitleide.6Toen deed Mozes en Aaron, als hun de HEERE geboden had, alzo deden zij.7En Mozes was tachtig jaar oud, en Aaron was drie en tachtig jaar oud, toen zij tot Farao spraken.8En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:9Wanneer Farao tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteken voor ulieden; zo zult gij tot Aaron zeggen: Neem uw staf, en werp hem voor Farao's aangezicht neder; hij zal tot een draak worden.10Toen ging Mozes en Aaron tot Farao henen in, en deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en Aaron wierp zijn staf neder voor Farao's aangezicht, en voor het aangezicht zijner knechten; en hij werd tot een draak.11Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen.12Want een ieder wierp zijn staf neder, en zij werden tot draken; maar Aarons staf verslond hun staven.13Doch Farao's hart verstokte, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.

In Psalm 90 — het gebed van Mozes, de man Gods — noemt hij voor een mens de leeftijd van tachtig jaar als de grens van het leven van hen die "zeer sterk" zijn (Psalm 90 vers 10). En juist zijn openlijke dienst begint op deze leeftijd (vers 7)!

Als God een dienstknecht roept, begint Hij om diens eigen, natuurlijke kracht te verwijderen en hem nieuwe kracht van Hemzelf te schenken.

God heeft Zijn gedachten van tevoren meegedeeld aan Mozes en Aäron. Wat de Egyptenaren als plagen zouden ervaren (hoofdstuk 9 vers 14), noemt God tegenover Zijn volk "tekenen" (vers 3) om hen geestelijke lessen te leren.

Ook vandaag onderwijst God de gelovigen over de toestand van de wereld, satan en zijn arme slachtoffers. Gods Woord maakt ons de grote oordelen die over de berouwloze mensen zullen komen, bekend. Maar het zegt ons ook hoe Hij Zijn verlosten uit de wereld zal overbrengen in het hemels vaderland (vers 4). En omdat wij, gelovige vrienden, hierover geïnformeerd zijn, "hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid" (2 Petrus 3 vers 11)!

In tegenwoordigheid van farao en zijn knechten worden dan de tekenen die aangekondigd zijn in hoofdstuk 4, door Mozes en Aäron uitgevoerd. Ze spreken van de overwinning op satan (de slang) en over de zonde (melaatsheid), waarin wij een korte samenvatting van het evangelie mogen zien.

Exodus 7:14-25
14Toen zeide de HEERE tot Mozes: Farao's hart is zwaar; hij weigert het volk te laten trekken.15Ga heen tot Farao in den morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe, zo stel u tegen hem over aan den oever der rivier, en den staf, die in een slang is veranderd geweest, zult gij in uw hand nemen.16En gij zult tot hem zeggen: de HEERE, de God der Hebreen, heeft mij tot u gezonden, zeggende: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene in de woestijn; doch zie, gij hebt tot nu toe niet gehoord.17Zo zegt de HEERE: Daaraan zult gij weten, dat Ik de HEERE ben; zie, ik zal met dezen staf, die in mijn hand is, op het water, dat in deze rivier is, slaan, en het zal in bloed veranderd worden.18En de vis in de rivier zal sterven, zodat de rivier zal stinken; en de Egyptenaars zullen vermoeid worden, dat zij het water uit de rivier drinken mogen.19Verder zeide de HEERE tot Mozes: zeg tot Aaron: Neem uw staf, en steek uw hand uit over de wateren der Egyptenaren, over hun stromen, over hun rivieren, en over hun poelen, en over alle vergadering hunner wateren, dat zij bloed worden; en er zij bloed in het ganse Egypteland, beide in houten en in stenen vaten.20Mozes nu en Aaron deden alzo, gelijk de HEERE geboden had; en hij hief den staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water in de rivier werd in bloed veranderd.21En de vis, die in de rivier was, stierf; en de rivier stonk, zodat de Egyptenaars het water uit de rivier niet drinken konden; en er was bloed in het ganse Egypteland.22Doch de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen; zodat Farao's hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, gelijk als de HEERE gesproken had.23En Farao keerde zich om, en ging naar zijn huis; en hij zette zijn hart daar ook niet op.24Doch alle Egyptenaars groeven rondom de rivier, om water te drinken; want zij konden van het water der rivier niet drinken.25Alzo werden zeven dagen vervuld, nadat de HEERE de rivier geslagen had.

Als de Egyptenaren niet zouden luisteren naar de beide eerste wonderen, zou er een derde, veel erger wonder volgen. God had tegen Mozes gezegd dat het water dan in bloed zou veranderen.

Water spreekt van wat verkwikking en leven geeft, terwijl vergoten bloed aan de dood doet denken. Het Woord van God is aan de mensen gegeven om hen leven te schenken. Wordt het echter niet aangenomen en geloofd, dan wordt datzelfde Woord hen tot een oordeel en tot de dood (zie Johannes 12 vers 48).

Vandaag spreekt het Woord van genade, maar ook van oordeel voor hen die het niet aanvaarden. Ieder zal op één of andere wijze met dit Woord te doen krijgen; óf nu ten leven óf later ten dode!

Wat God gezegd heeft, wordt vervuld voor de ogen van de Egyptenaren. De Nijl, de levensader van het land, die ze als een god vereerden, wordt voor hen een voorwerp van walging en afschuw. Het bloed vult de rivier helemaal, alsmede de kanalen en de vijvers, maar ook alle vaten.

Alle bronnen waaruit de wereld drinkt, zijn verpest en levensgevaarlijk (vers 18). Laten we op onze hoede zijn en er niet uit drinken!

Nog een keer doen de wijzen van Egypte hetzelfde met hun toverkunsten. Door de macht van satan bootsen zij na wat de dood teweegbrengt. Maar alleen met het gevolg dat de ellende van het volk nog groter wordt. Ze hadden hun macht veel beter kunnen tonen door het bloed in water te veranderen. Maar daartoe waren ze niet in staat.

Exodus 8:1-19
1Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Farao, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.2En indien gij het weigert te laten trekken, zie, zo zal Ik uw ganse landpale met vorsen slaan;3Dat de rivier van vorsen zal krielen, die zullen opkomen, en in uw huis komen, en in uw slaapkamer, ja, op uw bed; ook in de huizen uwer knechten, en op uw volk, en in uw bakovens, en in uw baktroggen.4En de vorsen zullen opkomen, op u, en op uw volk, en op al uw knechten.5Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aaron: Strek uw hand uit met uw staf, over de stromen, en over de rivieren, en over de poelen; en doe vorsen opkomen over Egypteland.6En Aaron strekte zijn hand uit over de wateren van Egypte, en er kwamen vorsen op en bedekten Egypteland.7Toen deden de tovenaars ook alzo, met hun bezweringen; en zij deden vorsen over Egypteland opkomen.8En Farao riep Mozes en Aaron, en zeide: Bidt vuriglijk tot den HEERE, dat Hij de vorsen van mij en van mijn volk wegneme; zo zal ik het volk trekken laten, dat zij den HEERE offeren.9Doch Mozes zeide tot Farao: Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik voor u, en voor uw knechten, en voor uw volk, vuriglijk bidden, om deze vorsen van u en van uw huizen te verdelgen, dat zij alleen in de rivier overblijven?10Hij dan zeide: Tegen morgen. En hij zeide: Het zij naar uw woord, opdat gij weet, dat er niemand is, gelijk de HEERE, onze God.11Zo zullen de vorsen van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven.12Toen ging Mozes en Aaron uit van Farao; en Mozes riep tot den HEERE, ter oorzake der vorsen, die Hij Farao had opgelegd.13En de HEERE deed naar het woord van Mozes; en de vorsen stierven, uit de huizen, uit de voorzalen, en uit de velden.14En zij vergaderden ze samen bij hopen, en het land stonk.15Toen nu Farao zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk als de HEERE gesproken had.16Verder zeide de HEERE tot Mozes: Zeg tot Aaron: Strek uw staf uit, en sla het stof der aarde, dat het tot luizen worde, in het ganse Egypteland.17En zij deden alzo; want Aaron strekte zijn hand uit met zijn staf, en sloeg het stof der aarde, en er werden vele luizen aan de mensen, en aan het vee; al het stof der aarde werd luizen, in het ganse Egypteland.18De tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten; doch zij konden niet; zo waren de luizen aan de mensen, en aan het vee.19Toen zeiden de tovenaars tot Farao: Dit is Gods vinger! Doch Farao's hart verstijfde, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE gesproken had.

Op bevel van God strekt Aäron zijn hand uit en komen er kikvorsen die zich over het hele land verspreiden. Mozes 'redetwist' niet meer met God over Zijn verordeningen. Nu vertrouwt hij volledig op Hem Die hem gestuurd heeft.

Tegenover farao stelt hij zich nederig op met de woorden: "Heb de eer boven mij! Tegen wanneer zal ik ... vurig bidden?" (vers 9).

"Vermeerder ons het geloof," vroegen de discipelen aan de Heere Jezus (Lukas 17 vers 5). En dat mag ook ons gebed zijn.

Na de kikkers komen er luizen over Egypte. Drie keer konden de wijzen Aäron nabootsen, maar nu lukt het hun niet meer. Hun onkunde wordt openbaar.

In 2 Timotheüs 3 vers 8 lezen we hun namen: Jannes en Jambres. Zij zijn een beeld van naamchristenen die een schijn van godsvrucht hebben, maar geen oprecht geloof bezitten.

Om christen te zijn, is het niet genoeg om ware kinderen van God na te doen. Men kan samenkomsten bezoeken, in de Bijbel lezen, veel goede werken doen ... en toch geen christen zijn.

Niets is gemakkelijker dan de schijn op te houden dat men bij de Heere hoort, en daardoor anderen — misschien ook zichzelf — voor de gek te houden.

Beste vriend, hebt u het ware, echte geloof, of doet u maar alsof? Het is beslissend voor uw eeuwig lot.

Exodus 8:20-32
20Verder zeide de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht; zie, hij zal aan het water uitgaan, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen;21Want zo gij Mijn volk niet laat trekken, zie, zo zal Ik een vermenging van ongedierte zenden op u, en op uw knechten, en op uw volk, en in uw huizen; alzo dat de huizen der Egyptenaren met deze vermenging zullen vervuld worden, en ook het aardrijk, waarop zij zijn.22En Ik zal te dien dage het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat gij weet, dat Ik, de HEERE, in het midden dezes lands ben.23En Ik zal een verlossing zetten tussen Mijn volk en tussen uw volk; tegen morgen zal dit teken geschieden!24En de HEERE deed alzo; en er kwam een zware vermenging van ongedierte in het huis van Farao, en in de huizen van zijn knechten, en over het ganse Egypteland; het land werd verdorven van deze vermenging.25Toen riep Farao Mozes en Aaron, en zeide: Gaat heen, en offert uwen God in dit land.26Mozes dan zeide: Het is niet recht, dat men alzo doe; want wij zouden der Egyptenaren gruwel den HEERE, onzen God, mogen offeren; zie, indien wij der Egyptenaren gruwel voor hun ogen offerden, zouden zij ons niet stenigen?27Laat ons den weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij den HEERE onzen God offeren, gelijk Hij tot ons zeggen zal.28Toen zeide Farao: Ik zal u trekken laten, dat gijlieden den HEERE, uwen God, offert in de woestijn; alleen, dat gijlieden in het gaan geenszins te verre trekt! Bidt vuriglijk voor mij.29Mozes nu zeide: Zie, ik ga van u, en zal tot den HEERE vuriglijk bidden, dat deze vermenging van ongedierte van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk morgen wegwijke! Alleen, dat Farao niet meer bedriegelijk handele, dit volk niet latende gaan, om den HEERE te offeren.30Toen ging Mozes uit van Farao, en bad vuriglijk tot den HEERE.31En de HEERE deed naar het woord van Mozes, en de vermenging van ongedierte week van Farao, van zijn knechten, en van zijn volk; er bleef niet een over.32Doch Farao verzwaarde zijn hart ook op ditmaal, en hij liet het volk niet trekken.

De vierde plaag is het ongedierte. Het komt in de huizen in heel Egypteland, behalve in Gosen.

Deze giftige vliegen doen ons denken aan kwaadsprekerij, afgunst en alle menselijke irritaties, die de huiselijke en gemeenschappelijke betrekkingen tussen mensen van de wereld vergiftigen. Maar, men zou die niet mogen vinden bij kinderen van God!

Farao is nu bereid bepaalde toezeggingen te doen. "Gaat heen, en offert uw God in dit land" (vers 25).

Maar dat is onmogelijk. De HEERE had bevolen dat ze drie dagreizen de woestijn in moesten trekken om daar te offeren aan de HEERE (hoofdstuk 3 vers 18).

Drie dagen is de tijdsperiode tussen de kruisdood en de opstanding van de Heere Jezus. De vijand wil ons van deze waarheden die herinneren aan de overwinning op hem, beroven.

Een godsdienst zonder het gedenken van kruis en opstanding, hindert hem helemaal niet. De wereld bewondert het leven van de Heere Jezus, zoals men alle rechtschapen mensen vereert. Het kruis echter en de tegenwoordigheid van een levende Christus in de hemel, de grondslag van onze godsdienst, wordt door de wereld veroordeeld en brengt een volledige scheiding tussen ons en haar (Galaten 6 vers 14).

Exodus 9:1-16
1Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Farao, en spreek tot hem: Alzo zegt de HEERE, de God der Hebreen: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij diene.2Want zo gij hen weigert te laten trekken, en gij hen nog met geweld ophoudt,3Zie, de hand des HEEREN zal zijn over uw vee, dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kemelen, over de runderen, en over het klein vee, door een zeer zware pestilentie.4En de HEERE zal een afzondering maken tussen het vee der Israelieten, en tussen het vee der Egyptenaren, dat er niets sterve van al wat van de kinderen Israels is.5En de HEERE bestemde een zekeren tijd, zeggende: Morgen zal de HEERE deze zaak in dit land doen.6En de HEERE deed deze zaak des anderen daags; en al het vee der Egyptenaren stierf; maar van het vee der kinderen Israels stierf niet een.7En Farao zond er heen, en ziet, van het vee van Israel was niet tot een toe gestorven. Doch het hart van Farao werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken.8Toen zeide de HEERE tot Mozes en tot Aaron: Neemt gijlieden uw vuisten vol as uit den oven; en Mozes strooie die naar de hemel voor de ogen van Farao.9En zij zal tot klein stof worden over het ganse Egypteland; en zij zal aan de mensen, en aan het vee worden tot zweren, uitbrekende met blaren, in het ganse Egypteland.10En zij namen as uit den oven, en stonden voor Farao's aangezicht; en Mozes strooide die naar den hemel; toen werden er zweren, uitbrekende met blaren, aan de mensen en aan het vee;11Alzo dat de tovenaars voor Mozes niet staan konden, vanwege de zweren; want aan de tovenaars waren zweren, en aan al de Egyptenaren.12Doch de HEERE verstokte Farao's hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had.13Toen zeide de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao's aangezicht, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreen: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.14Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is gelijk Ik, op de ganse aarde.15Want nu heb Ik Mijn hand uitgestrekt, opdat Ik u en uw volk met de pestilentie zou slaan, en dat gij van de aarde zoudt verdelgd worden.16Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht aan u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde.

Nu komt er een "zeer zware pestilentie" over het vee. God spaart echter de kudden van Israël. De lammeren en andere dieren zijn nodig voor het Pascha en voor andere offers.

Vervolgens komen "zweren, uitbrekende met blaartjes" over mens en dier. Het hart van farao wordt echter niet geraakt, hoewel God dit keer al Zijn plagen — let op de uitdrukking — "in zijn hart" zendt (vers 14).

Hoe kan zo'n hardnekkigheid van farao verklaard worden? Satan wist dat eens uit dit volk de Messias geboren zou worden. Hij Die veel groter is dan Mozes, zou de mensen van satans juk bevrijden en hem overwinnen. Daarom probeert hij Israël zo lang mogelijk in slavernij te houden. Maar deze koppigheid dient er alleen maar toe dat Gods macht heel duidelijk openbaar zal worden en dat Zijn Naam bekend zal worden over het hele aardrijk (vers 16, ook aangehaald in Romeinen 9 vers 17).

Ondanks het zien van de macht van God in het laten opkomen, maar ook van Zijn barmhartigheid in het weer laten verdwijnen van de kikvorsen, de luizen, het ongedierte, de veepest en de zweren, verhardt de hoogmoedige farao zijn hart. Hij weigert berouw te hebben en het verkeerde te belijden.

Hoeveel mensen zijn er vandaag de dag die zich verharden tegenover het grootste wonder van genade, namelijk dat de Zoon van God stierf voor het heil van verloren mensen!

Exodus 9:17-35
17Verheft gij uzelven nog tegen Mijn volk, dat gij het niet wilt laten trekken?18Zie, Ik zal morgen omtrent dezen tijd een zeer zware hagel doen regenen, desgelijks in Egypte niet geweest is van dien dag af, dat het gegrond is, tot nu toe.19En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat gij op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven.20Wie onder Farao's knechten des HEEREN woord vreesde, die deed zijn knechten en zijn vee in de huizen vlieden;21Doch die zijn hart niet zette tot des HEEREN woord, die liet zijn knechten en zijn vee op het veld.22Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal hagel zijn in het ganse Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid des velds in Egypteland.23Toen strekte Mozes zijn staf naar den hemel; en de HEERE gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde; en de HEERE liet hagel regenen over Egypteland.24En er was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar; desgelijks is in het ganse Egypteland nooit geweest, sedert het tot een volk geweest is.25En de hagel sloeg, in het ganse Egypteland, alles wat op het veld was, van de mensen af tot de beesten toe; ook sloeg de hagel al het kruid des velds, en verbrak al het geboomte des velds.26Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israels waren, daar was geen hagel.27Toen schikte Farao heen, en hij riep Mozes en Aaron, en zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal verzondigd; de HEERE is rechtvaardig; ik daarentegen en mijn volk zijn goddelozen!28Bidt vuriglijk tot den HEERE (want het is genoeg), dat geen donder Gods noch hagel meer zij; dan zal ik ulieden trekken laten, en gij zult niet langer blijven.29Toen zeide Mozes tot hem: Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn, zo zal ik mijn handen uitbreiden voor den HEERE; de donder zal ophouden, en de hagel zal niet meer zijn; opdat gij weet, dat de aarde des HEEREN is!30Nochtans u en uw knechten aangaande, weet ik, dat gijlieden voor het aangezicht van den HEERE God nog niet vrezen zult.31Het vlas nu, en de gerst werd geslagen; want de gerst was in de aar, en het vlas was in den halm.32Maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen; want zij waren bedekt.33Zo ging Mozes van Farao ter stad uit, en breidde zijn handen tot den HEERE; de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde.34Toen Farao zag, dat de regen en hagel, en de donder ophielden, zo verzondigde hij zich verder, en hij verzwaarde zijn hart, hij en zijn knechten.35Alzo werd Farao's hart verstokt, dat hij de kinderen Israels niet trekken liet, gelijk als de HEERE gesproken had door Mozes.

Als zevende plaag wordt een "zeer zware hagel" aangekondigd. Nu lezen we voor de eerste maal over Egyptenaren die het woord van de HEERE vreesden. Zij brachten hun vee in veiligheid. Met alle rampen die God toelaat, wil Hij de mensen herinneren aan Zijn alomtegenwoordigheid en almacht.

Tegenwoordig is men trots op de vooruitgang van de wetenschap waardoor men alles onder controle denkt te hebben. Maar om de mens eraan te laten denken Wie de Heere van het heelal is, laat God onvoorspelbare natuurrampen over de mensheid komen: aardbevingen, epidemieën, insecten-plagen, enzovoort. Hierdoor wordt het schepsel zich bewust van zijn eigen onmacht en wordt zijn hoogmoed gebroken.

Door al deze middelen probeert God de gedachten van de mens op Hem te richten. En inderdaad worden de mensen door deze waarschuwingen tot nadenken gebracht en gaan ze zich bezighouden met hun eeuwig lot. Hoevelen hebben in hun grote angst bescherming en geborgenheid gevonden bij de Heere Jezus! Niet alleen voor de stormen hier op aarde, maar ook voor het eeuwig oordeel!

God weegt de mate en de tijd van de beproeving zorgvuldig af. Ze mag niet over de grenzen die Hij stelt, heengaan. "Het vlas nu, en de gerst werd geslagen ... de tarwe en de spelt werden niet geslagen" (vers 31 en 32).

Wat de Zijnen aangaat, zij genieten een wonderbare bescherming tijdens dit slechte weer (vers 26).

Exodus 10:1-11
1Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Ga in tot Farao; want Ik heb zijn hart verzwaard, ook het hart zijner knechten, opdat Ik deze Mijn tekenen in het midden van hen zette;2En opdat gij voor de oren uwer kinderen en uwer kindskinderen moogt vertellen, wat Ik in Egypte uitgericht heb, en Mijn tekenen, die Ik onder hen gesteld heb; opdat gijlieden weet, dat Ik de HEERE ben.3Zo gingen Mozes en Aaron tot Farao, en zeiden tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreen: Hoe lang weigert gij u voor Mijn aangezicht te verootmoedigen? Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen.4Want indien gij weigert Mijn volk te laten trekken, zie, zo zal Ik morgen sprinkhanen in uw landpale brengen.5En zij zullen het gezicht des lands bedekken, alzo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van hetgeen ontkomen is, hetgeen ulieden overgebleven was van den hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat ulieden uit het veld voortkomt.6En zij zullen vervullen uw huizen, en de huizen van al uw knechten, en de huizen van alle Egyptenaren; dewelke uw vaders, noch de vaderen uwer vaders gezien hebben, van dien dag af, dat zij op den aardbodem geweest zijn, tot op dezen dag. En hij keerde zich om, en ging uit van Farao.7En de knechten van Farao zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot een strik zijn, laat de mannen trekken, dat zij den HEERE hun God dienen! weet gij nog niet, dat Egypte verloren is?8Toen werden Mozes en Aaron weder tot Farao gebracht, en hij zeide tot hen: Gaat henen, dient den HEERE, uw God! wie en wie zijn zij, die gaan zullen?9En Mozes zeide: Wij zullen gaan met onze jonge en met onze oude lieden; met onze zonen en met onze dochteren, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben een feest des HEEREN.10Toen zeide hij tot hen: De HEERE zij alzo met ulieden, gelijk ik u en uw kleine kinderen zal trekken laten: ziet toe, want er is kwaad voor ulieder aangezicht!11Niet alzo gij, mannen, gaat nu heen, en dient den HEERE; want dat hebt gijlieden verzocht! En men dreef hen uit van Farao's aangezicht.

"Ik heb mij ditmaal bezondigd", bekende farao (hoofdstuk 9 vers 27).

Was dit oprecht berouw? Nee, want zodra de hagel ophield, "zo bezondigde hij zich verder" (vers 34) en verhardde zijn eigenzinnig hart. Van nu af aan is het de HEERE die "zijn hart verzwaart", dat wil zeggen: onvermurwbaar maakt (vers 1). Hoe ernstig!

God spreekt eenmaal, tweemaal (Job 33 vers 14), soms ook vaker, maar op een zekere dag is het te laat. Hoe vaak heeft God al tot u gesproken?

Nu bedreigen sprinkhanen het verwoeste land. Eens heeft Jozef dit land gered, maar farao richt het te gronde. Zo trekt ook satan de wereld met zich mee in het verderf.

Opnieuw wordt Mozes een voorstel gedaan. Alleen de mannen mogen wegtrekken om het feest te vieren. De kinderen moeten in het land blijven.

Zo probeert satan door natuurlijke neigingen en familiebanden de zielen ervan af te houden de HEERE te dienen. Laten we nog eens het mooie antwoord van Mozes dat van zo'n grote betekenis is, lezen in vers 9. Geen enkel lid van de familie van het geloof, hoe klein ook, mag overgegeven worden aan de macht van de vijand.

Beste jonge vrienden, denk niet dat het christelijk geloof alleen iets is voor jullie ouders. Het christelijke huis of gezin vormt één geheel en daarom moeten jullie je aan de principes en gewoonten daarvan houden en afstand nemen van sommige dingen, ook al zien jullie het nut er nu misschien nog niet van in.

Exodus 10:12-23
12Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit over Egypteland, om de sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid des lands opeten, al wat de hagel heeft over gelaten.13Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en de HEERE bracht een oostenwind in dat land, dien gehele dag en dien gansen nacht; het geschiedde des morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht.14En de sprinkhanen kwamen op over het ganse Egypteland, en lieten zich neder aan al de palen der Egyptenaren, zeer zwaar; voor dezen zijn dergelijke sprinkhanen, als deze, nooit geweest, en na dezen zullen er zulke niet wezen;15Want zij bedekten het gezicht des gansen lands, alzo dat het land verduisterd werd; en zij aten al het kruid des lands op, en al de vruchten der bomen, die de hagel had over gelaten; en er bleef niets groens aan de bomen, noch aan de kruiden des velds, in het ganse Egypteland.16Toen haastte Farao, om Mozes en Aaron te roepen, en zeide: Ik heb gezondigd tegen den HEERE, uw God, en tegen ulieden.17En nu vergeeft mij toch mijn zonde alleen ditmaal, en bidt vuriglijk tot den HEERE, uw God, dat Hij slechts dezen dood van mij wegneme.18En hij ging uit van Farao, en bad vuriglijk tot den HEERE.19Toen keerde de HEERE een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op, en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet een sprinkhaan over in al de landpalen van Egypte.20Doch de HEERE verstokte Farao's hart, dat hij de kinderen Israels niet liet trekken.21Toen zeide de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal.22Als Mozes zijn hand uitstrekte naar den hemel, werd er een dikke duisternis in het ganse Egypteland, drie dagen.23Zij zagen de een de ander niet; er stond ook niemand op van zijn plaats, in drie dagen; maar bij al de kinderen Israels was het licht in hun woningen.

Alles wat na de hagel nog overgebleven is, wordt opgevreten door de sprinkhanen. Een vreselijke plaag!

Opnieuw zegt farao: "Ik heb gezondigd", maar blijkbaar alleen om van de sprinkhanen verlost te worden. God laat echter niet met Zich spotten. Farao heeft de tijd van genade en vergeving voorbij laten gaan (Jeremia 46 vers 17) en "de HEERE verstokte Farao's hart" (vers 20).

Dan komt er drie dagen lang "dikke duisternis". Dat was voor de Egyptenaren een heel angstaanjagend verschijnsel, want zij vereerden de zon als hun god, de god Ra. De bron van licht, warmte en leven, blijkt nu voor de Schepper van hemel en aarde geheel krachteloos te zijn.

"Maar bij al de kinderen Israëls was het licht in hun woningen" (vers 23). "... opdat een ieder, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve," zegt de Heere Jezus (Johannes 12 vers 46). En: "Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben" (Johannes 8 vers 12).

Te midden van een wereld die vol duisternis is vanwege de zonde, kan de gelovige de aanwezigheid van licht genieten en openbaren, want de Heere Jezus heeft woning bij hem gemaakt (Johannes 14 vers 23).

Daarom is voor een gelovige alles duidelijk zichtbaar: de toestand van de wereld, haar toekomst en de toestand van zijn eigen hart. Hij weet waar hij zijn voeten neer kan zetten, en wat hij doet, kan door anderen opgemerkt worden (Lukas 11 vers 36).

Exodus 10:24-29; Exodus 11:1-10
24Toen riep Farao Mozes, en zeide: Gaat heen, dient den HEERE! alleen uw schapen en uw runderen zullen vast blijven; ook zullen uw kinderkens met u gaan.25Doch Mozes zeide: Ook zult gij slachtofferen en brandofferen in onze handen geven, die wij den HEERE, onzen God, doen mogen;26En ons vee zal ook met ons gaan, er zal niet een klauw achterblijven; want van hetzelve zullen wij nemen, om den HEERE, onzen God, te dienen; want wij weten niet, waarmede wij den HEERE, onzen God, dienen zullen, totdat wij daar komen.27Doch de HEERE verhardde Farao's hart; en hij wilde hen niet laten trekken.28Maar Farao zeide tot hem: Ga van mij! wacht u, dat gij niet meer mijn aangezicht ziet; want op welken dag gij mijn aangezicht zult zien, zult gij sterven!29Mozes nu zeide: Gij hebt recht gesproken; ik zal niet meer uw aangezicht zien!
1(Want de HEERE had tot Mozes gesproken: Ik zal nog een plaag over Farao, en over Egypte brengen, daarna zal hij ulieden van hier laten trekken; als hij u geheellijk zal laten trekken, zo zal hij u haastelijk van hier uitdrijven.2Spreek nu voor de oren des volks, dat ieder man van zijn naaste, en iedere vrouw van haar naaste zilveren vaten en gouden vaten eise.3En de HEERE gaf het volk genade in de ogen der Egyptenaren; ook was de man Mozes zeer groot in Egypteland voor de ogen van Farao's knechten, en voor de ogen des volks.)4Verder zeide Mozes: Zo heeft de HEERE gezegd: Omtrent middernacht zal Ik uitgaan door het midden van Egypte;5En alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao's eerstgeborene af, die op zijn troon zitten zou, tot den eerstgeborene der dienstmaagd, die achter de molen is, en alle eerstgeborenen van het vee.6En er zal een groot geschrei zijn in het ganse Egypteland, desgelijks nooit geweest is, en desgelijks niet meer wezen zal.7Maar bij alle kinderen Israels zal niet een hond zijn tong verroeren, van de mensen af tot de beesten toe; opdat gijlieden weet, dat de HEERE tussen de Egyptenaren en tussen de Israelieten een afzondering maakt.8Dan zullen al deze uw knechten tot mij afkomen, en zich voor mij neigen, zeggende: Trek uit, gij en al het volk, dat uw voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte des toorns.9De HEERE dan had tot Mozes gesproken: Farao zal naar ulieden niet horen, opdat Mijn wonderen in Egypteland vermenigvuldigd worden.10En Mozes en Aaron hebben al deze wonderen gedaan voor Farao's aangezicht; doch de HEERE verhardde Farao's hart, dat hij de kinderen Israels uit zijn land niet trekken liet.

Inmiddels hebben negen plagen het land Egypte getroffen. Er is nog een tiende, vele malen erger dan de vorige plagen. We zullen de betekenis hiervan nog zien.

Voordat het zover is, doet farao nog een voorstel: "Gaat heen, dient de HEERE! alleen uw schapen en uw runderen zullen vast blijven" (vers 24). Op deze manier wilde hij het volk verhinderen om slachtoffers en offergaven aan hun God te brengen.

Hierin herkennen we het werk van satan om ons Hem Die het volmaakte Offer was, 'af te nemen'. Hij is erop uit ons te ontnemen wat wij in Christus gevonden hebben. En wel speciaal als wij Hém aan Zijn tafel mogen voorstellen aan de Vader.

Helaas gelukt dit satan ook vaak! Dat is een groot verlies voor ons, maar vooral God mist het kostbare offer dat Hij van Zijn verlosten verwacht.

Het antwoord van Mozes herinnert ons eraan dat God niet alleen een recht op onszelf verworven heeft, maar ook op alles wat we bezitten.

In Mozes ontbrandt de "hitte des toorns" (vers 8). Hoewel hij "zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen" was (Numeri 12 vers 3), zien we deze man Gods toch meerdere keren in toom (Exodus 16 vers 20; 32 vers 19; Leviticus 10 vers 16; Numeri 16 vers 15; 31 vers 14). Maar daarbij ging het hem steeds om de eer van God en het welzijn van het volk.

Als wij soms toornig zijn, is dat dan om dezelfde reden?

Exodus 12:1-16
1De HEERE nu had tot Mozes en tot Aaron in Egypteland gesproken, zeggende:2Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn; zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn.3Spreekt tot de ganse vergadering van Israel, zeggende: Aan den tienden dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis.4Maar indien een huis te klein is voor een lam, zo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aan zijn huis, naar het getal der zielen, een iegelijk naar dat hij eten kan; gij zult rekening maken naar het lam.5Gij zult een volkomen lam hebben, een manneken, een jaar oud; van de schapen of van de geitenbokken zult gij het nemen.6En gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer maand; en de ganse gemeente der vergadering van Israel zal het slachten tussen twee avonden.7En zij zullen van het bloed nemen, en strijken het aan beide zijposten, en aan den bovendorpel, aan de huizen, in welke zij het eten zullen.8En zij zullen het vlees eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broden; zij zullen het met bittere saus eten.9Gij zult daarvan niet rauw eten, ook geenszins in water gezoden; maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijn schenkelen en met zijn ingewand.10Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot den morgen; maar hetgeen daarvan overblijft tot den morgen, zult gij met vuur verbranden.11Aldus nu zult gij het eten: uw lenden zullen opgeschort zijn, uw schoenen aan uw voeten, en uw staf in uw hand; en gij zult het met haast eten; het is des HEEREN pascha.12Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan alle goden der Egyptenaren, Ik, de HEERE!13En dat bloed zal ulieden tot een teken zijn aan de huizen, waarin gij zijt; wanneer Ik het bloed zie, zal Ik ulieden voorbij gaan; en er zal geen plaag onder ulieden ten verderve zijn, wanneer Ik Egypteland slaan zal.14En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den HEERE tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uw geslachten tot een eeuwige inzetting.15Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen; want wie het gedesemde eet, van den eersten dag af tot op den zevenden dag, diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit Israel.16En op den eersten dag zal er een heilige verzameling zijn; ook zult gij een heilige verzameling hebben op den zevenden dag; er zal geen werk op denzelven gedaan worden; maar wat van iedere ziel gegeten zal worden, datzelve alleen mag van ulieden toegemaakt worden.

Met de bepalingen voor het Pascha zijn we aangekomen bij één van de belangrijkere hoofdstukken van het Oude Testament.

De beloofde verlossing zal nu komen, maar tegelijkertijd breekt voor Egypte het vreselijkste oordeel aan. De zonde verdient de dood; en allen hebben gezondigd, de Israëlieten evengoed als de Egyptenaren. Maar voor hen die tot het volk van God behoren, zal een lam als plaatsvervanger sterven.

Dit is een aangrijpend beeld waarbij we diep onder de indruk komen van de Heere Jezus als "een onstraffelijk en onbevlekt Lam; Die wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld" (1 Petrus 1 vers 19 en 20), maar op Gods tijd geslacht. 'Het Pascha eten' betekent: zich dit Offer toeëigenen.

Het lam moest aan het vuur gebraden worden: Christus heeft het vuur van Gods oordeel ondergaan.

We denken aan Zijn lijden in het bewustzijn dat het om ónze zonden was. Daarvan spreekt de bittere saus.

Het paaslam werd door het hele gezin gegeten. De ouders, de kinderen, ieder in huis kreeg er een deel van.

Hebt u ook al persoonlijk van het Pascha, van Christus, gegeten (1 Korinthe 5 vers 7)? Hebt u de verzoeningsdood van Christus in geloof voor uzelf aanvaard?

De dag van onze bekering mogen wij niet vergeten. De datum van onze wedergeboorte waardoor men een kind van God wordt, het begin van een nieuw, het wèrkelijke leven, is onuitwisbaar (vers 2).

Exodus 12:17-27
17Zo onderhoudt dan de ongezuurde broden, dewijl Ik even aan denzelfden dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden, onder uw geslachten, tot een eeuwige inzetting.18In de eerste maand, aan den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broden eten, tot den een en twintigsten dag der maand, in den avond.19Dat er zeven dagen lang geen zuurdesem in uw huizen gevonden worde, want al wie het gedesemde eten zal, dezelve ziel zal uit de vergadering van Israel uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands.20Gij zult niets eten, dat gedesemd is; in al uw woningen zult gij ongezuurde broden eten.21Mozes dan riep al de oudsten van Israel, en zeide tot hen: Leest uit, en neemt u lammeren voor uw huisgezinnen, en slacht het pascha.22Neemt dan een bundelken hysop, en doopt het in het bloed, dat in een bekken zal wezen; en strijkt aan den bovendorpel, en aan de beide zijposten van dat bloed, hetwelk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur van zijn huis, tot aan den morgen.23Want de HEERE zal doorgaan, om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer Hij het bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zo zal de HEERE de deur voorbijgaan, en den verderver niet toelaten in uw huizen te komen om te slaan.24Onderhoudt dan deze zaak, tot een inzetting voor u en voor uw kinderen, tot in eeuwigheid.25En het zal geschieden, als gij in dat land komt, dat u de HEERE geven zal, gelijk Hij gesproken heeft, zo zult gij dezen dienst onderhouden.26En het zal geschieden, wanneer uw kinderen tot u zullen zeggen: Wat hebt gij daar voor een dienst?27Zo zult gij zeggen: Dit is den HEERE een paasoffer, Die voor de huizen der kinderen Israels voorbijging in Egypte, toen Hij de Egyptenaren sloeg, en onze huizen bevrijdde! Toen boog zich het volk en neigde zich.

Het zuurdeeg, een beeld van het kwaad, moest met de grootste zorgvuldigheid uit de huizen verwijderd worden (vergelijk dit met 1 Korinthe 5 vers 7 en 8). Men kan het werk van Christus niet aangrijpen en ten volle genieten, als men niet elke zonde waarvan men weet, heeft beleden en opgegeven.

Verder heeft God Mozes geboden dat de Israëliet een bundeltje hysop in het bloed van het geslachte lammetje moest dopen om daarmee de deurposten van zijn huis te bestrijken (vers 22). De huisvader die dit deed, moest twee dingen geloven: ten eerste dat God het aangekondigde oordeel zou voltrekken, en ten tweede dat er kracht in het bloed was om hem en de zijnen hiervoor te bewaren.

Wij mogen evenals de kinderen van Israël vragen: "Wat hebt gij daar voor een dienst?" (vers 26). Is dit niet een beeld van het kostbare bloed van Christus dat ons beveiligt tegen het oordeel?

"Wanneer Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan", had de HEERE gezegd (vers 13). Hij zag het, terwijl de Israëliet binnen in huis het niet zag.

Ons heil hangt niet af van de waarde die wij aan het bloed van Christus toekennen, ook niet van ons gevoel. Alleen hoe God het bloed ziet, is van belang.

Voor Hem is dit bloed zó uitermate kostbaar en werkzaam dat het elke zonde kan wegnemen. Daarom mogen wij met een volledig vertrouwen rusten in het volkomen werk dat Christus heeft volbracht en dat door God is aangenomen (1 Johannes 1 vers 7).

Exodus 12:28-39
28En de kinderen Israels gingen en deden het, gelijk als de HEERE Mozes en Aaron geboden had, alzo deden zij.29En het geschiedde ter middernacht, dat de HEERE al de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene van Farao af, die op zijn troon zitten zou, tot op den eerstgeborene van de gevangene, die in het gevangenhuis was, en alle eerstgeborenen der beesten.30En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was.31Toen riep hij Mozes en Aaron in den nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israel; en gaat heen, dient den HEERE, gelijk gijlieden gesproken hebt.32Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gijlieden gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook.33En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!34En het volk nam zijn deeg op, eer het gedesemd was, hun deegklompen, gebonden in hun klederen, op hun schouderen.35De kinderen Israels nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egyptenaren geeist zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen.36Daartoe had de HEERE het volk genade gegeven in de ogen der Egyptenaren, dat zij hun hun begeerte deden; en zij beroofden de Egyptenaren.37Alzo reisden de kinderen Israels uit van Rameses naar Sukkoth, omtrent zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens.38En veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen, en runderen, gans veel vee.39En zij bakten van het deeg, dat zij uit Egypte gebracht hadden, ongezuurde koeken; want het was niet gedesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zodat zij niet vertoeven konden, noch ook tering voor zich bereiden.

Terwijl de Israëlieten in hun huizen onder de bescherming van het bloed het Pascha eten, heerst er buiten in de nacht grote angst en ontsteltenis.

De verderver gaat rond en slaat alle eerstgeborenen waardoor er "een groot geschrei in Egypte" was. Dit is de tiende en laatste plaag, een beeld van het veel ergere oordeel dat in de Schrift de tweede dood genoemd wordt. Dit oordeel zal voor ieder zijn die zich niet onder de bescherming van het bloed van het Lam van God heeft gesteld.

Er was in Egypte geen onderscheid tussen de gevangene in de gevangenis en farao zelf (vers 29). Zo zal er ook geen onderscheid zijn wanneer alle doden, "klein en groot", voor de grote witte troon zullen verschijnen (Openbaring 20 vers 11 en 12).

Voor de kinderen van Israël is nu het moment van vertrek gekomen.

Ze hebben het Pascha met haast gegeten, de lendenen opgeschort, de schoenen aan de voeten en de staf in de hand (vers 11). Daarmee brachten zij tot uitdrukking dat zij vreemdelingen zijn, een afgezonderd volk dat klaar staat om te vertrekken. Zijn wij dat ook?

Aan onze ijver voor God, aan het feit dat we de aardse dingen niet van waarde achten, aan onze nuchterheid en bezonnenheid, kortom, aan onze hele houding moet te zien zijn dat we verlost zijn door het bloed van het Lam. En dat we elk moment bereid zijn op te breken om naar ons hemels vaderland te gaan, moet ook te zien zijn.

Exodus 12:40-51; Exodus 13:1-10
40De tijd nu der woning, die de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd jaren en dertig jaren.41En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zo is het even op denzelfden dag geschied, dat al de heiren des HEEREN uit Egypteland gegaan zijn.42Dezen nacht zal men den HEERE op het vlijtigst houden, omdat Hij hen uit Egypteland geleid heeft; deze is de nacht des HEEREN, die op het vlijtigst moet gehouden worden, van al de kinderen Israels, onder hun geslachten.43Voorts zeide de HEERE tot Mozes en Aaron: Dit is de inzetting van het pascha: geen zoon eens vreemdelings zal daarvan eten.44Doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten.45Geen uitlander noch huurling zal er van eten.46In een huis zal het gegeten worden; gij zult van het vlees niet buiten uit het huis dragen, en gij zult geen been daaraan breken.47De ganse vergadering van Israel zal het doen.48Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den HEERE het pascha houden zal, dat alles, wat mannelijk is, bij hem besneden worde, en dan kome hij daartoe, om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene des lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten.49Enerlei wet zij voor de ingeborene, en den vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert.50En alle kinderen Israels deden het; gelijk als de HEERE Mozes en Aaron geboden had, alzo deden zij.51En het geschiedde even ten zelfden dage, dat de HEERE de kinderen Israels uit Egypteland leidde, naar hun heiren.
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Heilig Mij alle eerstgeborenen; wat enige baarmoeder opent onder de kinderen Israels, van mensen en van beesten, dat is Mijn.3Verder zeide Mozes tot het volk: Gedenkt aan dezen zelfden dag, op welken gijlieden uit Egypte, uit het diensthuis, gegaan zijt; want de HEERE heeft u door een sterke hand van hier uitgevoerd; daarom zal het gedesemde niet gegeten worden.4Heden gaat gijlieden uit, in de maand Abib.5En het zal geschieden, als u de HEERE zal gebracht hebben in het land der Kanaanieten, en der Hethieten, en der Amorieten, en der Hevieten, en der Jebusieten, hetwelk Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven, een land vloeiende van melk en honig; zo zult gij dezen dienst houden in deze maand.6Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, en aan den zevenden dag zal den HEERE een feest zijn.7Zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden, en het gedesemde zal bij u niet gezien worden, ja, er zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in al uw palen.8En gij zult uw zoon te kennen geven te dienzelven dage, zeggende: Dit is om hetgeen de HEERE mij gedaan heeft, toen ik uit Egypte uittoog.9En het zal u zijn tot een teken op uw hand, en tot een gedachtenis tussen uw ogen, opdat de wet des HEEREN in uw mond zij, omdat u de HEERE door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft.10Daarom onderhoudt deze inzetting ter bestemder tijd, van jaar tot jaar.

God laat alles beginnen met de dag van de verlossing (hoofdstuk 12 vers 2; 1 Koningen 6 vers 1). Hij maakt het Pascha tot een blijvende inzetting.

De bedoeling van de vijand met betrekking tot het Lam is: "... dat zijn naam niet meer gedacht worde" (Jeremia 11 vers 19). Maar God voor Wie het werk van Zijn Zoon zo'n grote waarde heeft, waakt erover dat de herinnering daaraan levend blijft.

"Deze nacht zal men de HEERE op het vlijtigst houden," (vers 42) zegt Hij. En even later: "Gedenkt aan deze zelfde dag" (hoofdstuk 13 vers 3). Toen de Heere Jezus het avondmaal instelde, vroeg Hij de Zijnen: "Doet dat tot Mijn gedachtenis" (1 Korinthe 11 vers 24 en 25). Hebt u al aan deze wens van de Heere gehoor gegeven?

In het dertiende hoofdstuk spreekt de HEERE over Zijn recht op hen die Hij zojuist verlost heeft. Sommige gelovigen, vooral kinderen van gelovige ouders, nemen er genoegen mee dat ze gered zijn, en denken er niet aan dat zij nu geheel hun Redder toebehoren.

Maar de stem die gezegd heeft: "Wanneer Ik het bloed zie, zal ik U voorbijgaan" (hoofdstuk 12 vers 13), zegt nu: "Heilig Mij alle eerstgeborenen ... dat is het Mijne" (hoofdstuk 13 vers 2).

Het feest van de ongezuurde broden is nauw verbonden met het Pascha Deze beide feesten tonen elk kind van God twee waarheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: volledige veiligheid onder de bescherming van het bloed en een leven in heiligheid (zie ook Titus 2 vers 14).

Exodus 13:11-22
11Het zal ook geschieden, wanneer u de HEERE in het land der Kanaanieten zal gebracht hebben, gelijk Hij u en uw vaderen gezworen heeft, en Hij het u zal gegeven hebben;12Zo zult gij tot den HEERE doen overgaan alles, wat de baarmoeder opent; ook alles, wat de baarmoeder opent van de vrucht der beesten, die gij hebben zult; de mannetjes zullen des HEEREN zijn.13Doch al wat de baarmoeder der ezelin opent, zult gij lossen met een lam; wanneer gij het nu niet lost, zo zult gij het den nek breken; maar alle eerstgeborenen des mensen onder uw zonen zult gij lossen.14Wanneer het geschieden zal, dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat? zo zult gij tot hem zeggen: De HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte, uit het diensthuis, uitgevoerd.15Want het geschiedde, toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zo doodde de HEERE alle eerstgeborenen in Egypteland, van des mensen eerstgeborene af, tot den eerstgeborene der beesten; daarom offer ik den HEERE de mannetjes van alles, wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik.16En het zal tot een teken zijn op uw hand, en tot voorhoofdspanselen tussen uw ogen; want de HEERE heeft door een sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd.17En het is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op den weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was; want God zeide: Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naar Egypte.18Maar God leidde het volk om, langs den weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israels nu togen bij vijven uit Egypteland.19En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen Israels bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier!20Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn.21En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht.22Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht des volks.

"Gij zult uw zoon te kennen geven te dien dage ...", wordt de Israëlieten in vers 8 ingeprent. In vers 14 wordt echter aangenomen dat de kinderen zelf hun vaders zullen vragen. Het is erg verheugend als kinderen hun ouders vragen waarom ze een andere weg gaan dan de wereld. O, laten ze toch niet aarzelen dit te doen!

Het negentiende vers laat ons de vervulling van de verplichtingen tegenover Jozef zien (Genesis 50 vers 25). De beenderen van de aartsvader begeleiden het volk op hun reis door de woestijn. Dat is een beeld van Christus in de kracht van Zijn dood, zoals Hij met ons is bij onze wandel door de wereld die een woestijn is (2 Korinthe 4 vers 10).

Het volk Israël begint nu aan zijn reis. Later denkt God aan deze dagen waarin Hij hen bij de hand nam "om hen uit Egypteland uit te voeren" (Jeremia 31 vers 32).

Ze moeten een grote omweg maken (vers 17 en 18), opdat ze tijd hebben de belangrijke lessen van God te leren. Dat geldt voor hen, maar ook voor ons.

God heeft niet alleen hun weg bepaald, maar wil hen ook persoonlijk begeleiden. Overdag in de wolkkolom en 's nachts in de vuurkolom. Wat een genade!

Hij is er áltijd om hen te leiden en te beschermen. Zo heeft ook de Heere Jezus de Zijnen beloofd: "Ik ben met u al de dagen" (Mattheüs 28 vers 20).

Exodus 14:1-14
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, dat zij wederkeren, en zich legeren voor Pi-Hachiroth, tussen Migdol en tussen de zee, voor Baal-Zefon; daar tegenover zult gij u legeren aan de zee.3Farao dan zal zeggen van de kinderen Israels: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten.4En Ik zal Farao's hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben. En zij deden alzo.5Toen nu de koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israel hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden?6En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich.7En hij nam zeshonderd uitgelezene wagens, ja, al de wagens van Egypte, en de hoofdlieden over die allen.8Want de HEERE verstokte het hart van Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels najaagde; doch de kinderen Israels waren door een hoge hand uitgegaan.9En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-Hachiroth, voor Baal-Zefon.10Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israels hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE.11En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte gevoerd hebt?12Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.13Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid.14De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.

De Israëlieten zullen wel gedacht hebben dat ze definitief van hun vijanden, de Egyptenaren, verlost waren. Maar daar zijn ze al weer.

Het is een ontnuchtering voor de Egyptenaren als het tot hen doordringt dat de Israëlieten weg zijn. Dat geeft hun de kracht de achtervolging van Gods volk in te zetten.

Het lijkt erop dat het volk in de val zit. Vóór zich de Rode Zee, achter zich farao met zijn wagens en ruiters! Wat een angst, wat een noodkreet!

Maar het volk moet leren dat er voor God geen onoverwinbare moeilijkheden zijn. Integendeel, hoe groter de beproeving, des te meer kan Hij Zijn macht openbaren.

Dat is voor ons ook een belangrijke les! Hoe gedragen wij ons als we plotseling beproefd worden of in moeilijkheden komen waaruit wijzelf geen uitweg zien? Vaak zijn we dan bang en opgewonden.

Maar wat zegt Mozes tegen de Israëlieten? Hij begint met een bemoediging: "Vreest niet". Daarna belooft hij hun de bevrijding: "De HEERE zal voor u strijden".

Tenslotte geeft hij hun aanwijzingen die ze gemakkelijk kunnen opvolgen, maar waar we toch vaak zoveel moeite mee hebben: "staat ... ziet ... en gij zult stil zijn" (vers 13 en 14).

Stil zijn betekent twee dingen: niets doen en de geest bewaren voor elke drang tot activiteit. Het volk heeft met deze strijd niets te maken; het speelt zich af tussen de HEERE en de Egyptenaren. Zou Hij Die Zijn volk bewaard heeft voor de verderfengel, nu niet in staat zijn om het uit de hand van mensen te bevrijden?

Exodus 14:15-31
15Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrekken.16En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelve, dat de kinderen Israels door het midden der zee gaan op het droge.17En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn heir, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren.18En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren.19En de Engel Gods, Die voor het heir van Israel ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen.20En zij kwamen tussen het leger der Egyptenaren, en tussen het leger van Israel; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte den nacht; zodat de een tot den ander niet naderde den gansen nacht.21Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zee weggaan, door een sterken oostenwind, dien gansen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.22En de kinderen Israels zijn ingegaan in het midden van de zee, op het droge; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand.23En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Farao, zijn wagenen en zijn ruiteren, in het midden van de zee.24En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat de HEERE, in de kolom des vuurs en der wolk, zag op het leger der Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger der Egyptenaren.25En Hij stiet de raderen hunner wagenen weg, en deed ze zwaarlijk voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vlieden van het aangezicht van Israel, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaars.26En de HEERE zeide tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren wederkeren over de Egyptenaars, over hun wagenen en over hun ruiters.27Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weder, tegen het naken van den morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en de HEERE stortte de Egyptenaars in het midden der zee.28Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagenen en de ruiters van het ganse heir van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet een van hen over.29Maar de kinderen Israels gingen op het droge, in het midden der zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand.30Alzo verloste de HEERE Israel aan dien dag uit de hand der Egyptenaren; en Israel zag de Egyptenaren dood aan den oever der zee.31Ook zag Israel de grote hand, die de HEERE aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde den HEERE, en geloofde in den HEERE, en aan Mozes, Zijn knecht.

Het volk heeft geconstateerd dat het niet in staat is zichzelf te bevrijden. De situatie is hopeloos. Nú kan God handelen.

Hij geeft de opdracht "dat zij voorttrekken". Maar hoe dan? De zee is immers vóór hen en toch zegt de HEERE: 'Voorwaarts!'? Het geloof echter gehoorzaamt en vertrouwt op God.

De Engel van God stelt Zich met de wolkkolom tussen het volk Israël en het leger van de Egyptenaren op. Waarvoor moet het volk dan nog vrezen? Zo mogen ook wij eraan denken dat God altijd een beschermende muur stelt tussen ons en onze moeilijkheden. Dag en nacht zorgt Hij voor ons en wendt de gevaren af waarvan wij soms helemaal het bestaan niet weten.

De verschillende fasen van de bevrijding vinden we in drie verzen van Psalm 136:

"Hem, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" (vers 13);

— "En voerde Israël door het midden van haar; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" (vers 14);

"Hij heeft Farao met zijn heer gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" (vers 15).

De dood heeft geen macht meer over de gelovigen. Nee, hij is zelfs hun bondgenoot, hun wapen, hun bescherming geworden. Door Zijn dood heeft Christus hem tenietgedaan "die het geweld des doods had, dat is, de duivel, en verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, gedurende heel hun leven aan de dienstbaarheid onderworpen waren" (Hebreeën 2 vers 14 en 15).

Exodus 15:1-16
1Toen zong Mozes en de kinderen Israels de HEERE dit lied, en spraken, zeggende: Ik zal den HEERE zingen; want Hij is hogelijk verheven! Het paard en zijn ruiter heeft Hij in de zee geworpen.2De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen!3De HEERE is een krijgsman; HEERE is Zijn Naam!4Hij heeft Farao's wagenen en zijn heir in de zee geworpen; en de keure zijner hoofdlieden zijn verdronken in de Schelfzee.5De afgronden hebben hen bedekt; zij zijn in de diepten gezonken als een steen.6O HEERE! Uw rechterhand is verheerlijkt geworden in macht; Uw rechterhand, o HEERE! heeft den vijand verbroken!7En door Uw grote hoogheid hebt Gij, die tegen U opstonden, omgeworpen; Gij hebt Uw brandenden toorn uitgezonden, die hen verteerd heeft als een stoppel.8En door het geblaas van Uw neus zijn de wateren opgehoopt geworden; de stromen hebben overeind gestaan, als een hoop; de afgronden zijn stof geworden in het hart der zee.9De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit delen, mijn ziel zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijn hand zal hen uitroeien.10Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!11O HEERE! wie is als Gij onder de goden? wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreselijk in lofzangen, doende wonder?12Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft hen verslonden!13Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid.14De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen.15Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaan zullen versmelten!16Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, HEERE! henen doorkome; totdat dit volk henen doorkome, dat Gij verworven hebt.

Waarvan is voor ons, de verlosten van de Heere, de doortocht door de Rode Zee een beeld? — De dood van Christus en onze bevrijding.

Terwijl het Pascha ons wijst op de bescherming voor Gods oordeel (want God is tegen de zonde), wijst de Rode Zee ons op de bevrijding uit de macht van satan. God laat hierdoor zien Wie Hij voor de zondaar is. De dood is overwonnen. Voor het volk van God geldt voortaan dat het "uit deze tegenwoordige boze wereld" getrokken is (Galaten 1:4); het is met Christus opgewekt en bevindt zich nu aan de andere zijde van de dood.

Maar de Heere Jezus redt niet alleen, Hij is ook Degene Die te midden van de gemeente de lofzang aanheft (Psalm 22 vers 23; Hebreeën 2 vers 12).

"Toen zong Mozes en de kinderen Israëls de HEERE dit lied" (vers 1). Het is het eerste lied in de Schrift. Hoe zou het volk ook onder het juk van de Egyptenaren hebben kunnen zingen? Vergelijk Psalm 137 vers 4.

Maar nu vervult vreugde het hart van alle verlosten. Onder de leiding van Christus, de ware Mozes, hebben ze het voorrecht Hem te loven Die hen van de machtige invloed van de dood en de vijand bevrijd heeft.

Jesaja 51 vers 10 zegt ons: "Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren van de grote afgrond, droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?"

Gedurende de hele geschiedenis van Israël — en voor ons tot
in alle eeuwigheid! — zal Zijn heerlijkheid geroemd worden.

Exodus 15:17-27
17Die zult Gij inbrengen, en planten hen op den berg Uwer erfenis, ter plaatse, welke Gij, o HEERE! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, hetwelk Uw handen gesticht hebben, o HEERE!18De HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren!19Want Farao's paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de HEERE heeft de wateren der zee over hen doen wederkeren; maar de kinderen Israels zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.20En Mirjam, de profetes, Aarons zuster, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien.21Toen antwoordde Mirjam hunlieden: Zingt den HEERE; want Hij is hogelijk verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort!22Hierna deed Mozes de Israelieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.23Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara.24Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?25Hij dan riep tot den HEERE; en de HEERE wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar verzocht Hij hetzelve,26En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!27Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.

Tot en met vers 16 prijzen de kinderen van Israël met hun lied de HEERE voor wat Hij voor Zijn volk gedaan heeft.

De verzen 17 en 18 vertellen ons wat Hij nog gaat doen. Het geloof ziet nu al de vruchten van de overwinning: God heeft voor Zich 1) een erfenis, 2) een woning, 3) een heiligdom en 4) een koninkrijk toebereid.

Petrus toont ons in zijn eerste Brief de 'nieuwe vorm' van deze zegeningen, zoals ze gelden voor de ware christen (zie 1 Petrus 1 vers 4; 2 vers 5 en 9).

Nadat het volk verlost is, begint eigenlijk pas de reis naar het beloofde land. Ook de weg van de christen begint bij zijn bekering en zijn doel is de heerlijkheid. Daar tussenin liggen de ervaringen van de woestijn.

Mara is een eerste belangrijke les. Zoals het water bitter was, zo laat de Heere op onze weg moeilijkheden en teleurstellingen toe. Zodra wij echter geleerd hebben dat de Heere deze nare dingen voor ons gebruikt om te laten "medewerken ten goede" (Romeinen 8 vers 28), wordt het anders.

Als we ze tegemoet treden in de kracht van het kruis, verdwijnt de bittere smaak — zonder dat de nare dingen zelf veranderen! — en kunnen we er juist blijdschap en troost in vinden. Zie bijvoorbeeld Romeinen 5 vers 3 en verder; 2 Korinthe 12 vers 9.

Dan pas zijn we in staat Elim, de plaats van rust en verfrissing, ten volle te waarderen. Deze plaats is een beeld van de samenkomst van gelovigen waar God "de zegen" geeft (Psalm 133 vers 3).

Exodus 16:1-12
1Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de ganse vergadering der kinderen Israels in de woestijn Sin, welke is tussen Elim en tussen Sinai, aan den vijftienden dag der tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.2En de ganse vergadering der kinderen Israels murmureerde tegen Mozes en tegen Aaron, in de woestijn.3En de kinderen Israels zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door den honger te doden.4Toen zeide de HEERE tot Mozes: Zie, Ik zal voor ulieden brood uit den hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke dagmaat op haar dag; opdat Ik het verzoeke, of het in Mijn wet ga, of niet.5En het zal geschieden op den zesden dag, dat zij bereiden zullen hetgeen zij ingebracht zullen hebben; dat zal dubbel zijn boven hetgeen zij dagelijks zullen verzamelen.6Toen zeiden Mozes en Aaron tot al de kinderen Israels: Aan den avond, dan zult gij weten, dat u de HEERE uit Egypteland uitgeleid heeft;7En morgen, dan zult gij des HEEREN heerlijkheid zien, dewijl Hij uw murmureringen tegen den HEERE gehoord heeft; want wat zijn wij, dat gij tegen ons murmureert?8Voorts zeide Mozes: Als de HEERE ulieden aan den avond vlees te eten zal geven, en aan den morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat de HEERE uw murmureringen gehoord heeft, die gij tegen Hem murmureert; want wat zijn wij? Uw murmureringen zijn niet tegen ons, maar tegen den HEERE.9Daarna zeide Mozes tot Aaron: Zeg tot de ganse vergadering der kinderen Israels: Nadert voor het aangezicht des HEEREN, want Hij heeft uw murmureringen gehoord.10En het geschiedde, als Aaron tot de ganse vergadering der kinderen Israels sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zo ziet, de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de wolk.11Ook heeft de HEERE tot Mozes gesproken, zeggende:12Ik heb de murmureringen der kinderen Israels gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen twee avonden zult gij vlees eten, en aan den morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE uw God ben.

Murmureren of morren bij de Rode Zee (hoofdstuk 14 vers 11 en 12), bij Mara (hoofdstuk 15 vers 24), nu weer in de woestijn Sin (hoofdstuk 16 vers 2 en 3) en binnenkort in Rafidîm (hoofdstuk 17 vers 3)! — Is dat niet een getrouwe weergave van ons eigen hart dat zo snel de woorden: "Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" vergeet?

Nog maar een paar dagen geleden zong dit volk van harte het lied van de bevrijding. Nu moppert het tegen Mozes en Aäron. In werkelijkheid is hun murmureren tegen God gericht (vers 8).

Beste gelovige vriend(in), laten we eraan denken dat als we met andere mensen of omstandigheden waarin we ons bevinden, ontevreden zijn, we dan eigenlijk in opstand komen tegen God.

Zijn onze zorgen over de dagelijkse dingen van het leven eigenlijk geen belediging van Hem Die gezegd heeft: "Weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult ... elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad" (Mattheüs 6 vers 25 en 34; zie ook Psalm 23 vers 1)?

De Heere Jezus wist Zelf wat het betekent in de woestijn honger en dorst te lijden. Maar Hij wees in volledige gehoorzaamheid de influisteringen van de verzoeker af en verwachtte vol vertrouwen het antwoord op Zijn behoeften van God.

Wat een geduld had de HEERE met Zijn volk! In plaats van het te tuchtigen, begon Hij Zijn heerlijkheid te tonen (vers 7 en 10) en nam Hij het op Zich het volk te zullen verzadigen.

Exodus 16:13-31
13En het geschiedde aan den avond, dat er kwakkelen opkwamen, en het leger bedekten; en aan den morgen lag de dauw rondom het leger.14Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde.15Toen het de kinderen Israels zagen, zo zeiden zij, de een tot den ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood, hetwelk de HEERE ulieden te eten gegeven heeft.16Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft: Verzamelt daarvan een ieder naar dat hij eten mag, een gomer voor een hoofd, naar het getal van uw zielen; ieder zal nemen voor degenen, die in zijn tent zijn.17En de kinderen Israels deden alzo, en verzamelden, de een veel en de ander weinig.18Doch als zij het met de gomer maten, zo had hij, die veel verzameld had, niets over, en dien, die weinig verzameld had, ontbrak niet; een iegelijk verzamelde zoveel, als hij eten mocht.19En Mozes zeide tot hen: Niemand late daarvan over tot den morgen.20Doch zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan over tot den morgen. Toen wiesen er wormen in, en het werd stinkende; dies werd Mozes zeer toornig op hen.21Zij nu verzamelden het allen morgen, een iegelijk naar dat hij eten mocht; want als de zon heet werd, zo versmolt het.22En het geschiedde op den zesden dag, dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor een; en al de oversten der vergadering kwamen en verkondigden het aan Mozes.23Hij dan zeide tot hen: Dit is het, dat de HEERE gesproken heeft: Morgen is de rust, de heilige sabbat des HEEREN! wat gij bakken zoudt, bakt dat, en ziedt, wat gij zieden zoudt; en al wat over blijft, legt het op voor u in bewaring tot den morgen.24En zij legden het op tot den morgen, gelijk als Mozes geboden had; en het stonk niet, en er was geen worm in.25Toen zeide Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat des HEEREN; gij zult het heden op het veld niet vinden.26Zes dagen zult gij het verzamelen; doch op den zevenden dag is het sabbat, op denzelven zal het niet zijn.27En het geschiedde aan den zevenden dag, dat sommigen van het volk uitgingen, om te verzamelen; doch zij vonden niet.28Toen zeide de HEERE tot Mozes: Hoe lang weigert gijlieden te houden Mijn geboden en Mijn wetten?29Ziet, omdat de HEERE ulieden den sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u aan den zesden dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijn plaats! dat niemand uit zijn plaats ga op den zevenden dag!30Alzo rustte het volk op den zevenden dag!31En het huis Israels noemde deszelfs naam Man; en het was als korianderzaad, wit, en de smaak daarvan was als honigkoeken.

"Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn", zeggen de mensen tegen de Heere Jezus. Maar Hij antwoordt hun dat Hijzelf het "ware Brood uit de hemel" is (Johannes 6 vers 31 tot en met 33 en 35).

Christus is voedsel voor de gelovigen. Hij geeft niet alleen nieuw leven, maar Hij voedt dat leven ook. Daarvan vinden we in dit hoofdstuk enkele, heel belangrijke lessen:

Hoewel het hele volk samengekomen was, ging het om de behoefte van ieder persoonlijk (vers 18). We kunnen in die mate van de Heere Jezus genieten waarin wij het zelf wensen. En ... ons verlangen kan nooit te groot zijn! Vergelijk Psalm 81 vers 11.

Er was manna voor de behoefte van één dag, dus niet voor de volgende dag. Zo moet Christus van dag tot dag ons voedsel en onze kracht zijn. Als ik bijvoorbeeld vandaag in het bijzonder geduld nodig heb, zal ik dat vinden door mij bezig te houden met de volkomen lankmoedigheid van de Heere Jezus.

Tenslotte moesten de Israëlieten hun portie manna vroeg in de morgen opzoeken, vóórdat het gesmolten was door de hitte van de dag. Wij moeten ons ook 's morgens vroeg al voeden met het Woord van God, vóórdat de bezigheden overdag ons daartoe geen gelegenheid meer geven.

We laten geen dag voorbij gaan zonder onze lichamen te voorzien van het nodige voedsel. Zo moeten wij ook onze ziel nooit hèt voedsel onthouden waardoor ze in leven blijft en groeit: Christus, het Brood van het leven.

Exodus 16:32-36; Exodus 17:1-7
32Voorts zeide Mozes: Dit is het woord, hetwelk de HEERE bevolen heeft: Vul een gomer daarvan tot bewaring voor uw geslachten, opdat zij zien het brood, dat Ik ulieden heb te eten gegeven in deze woestijn, toen Ik u uit Egypteland uitleidde.33Ook zeide Mozes tot Aaron: Neem een kruik, en doe een gomer vol Man daarin; en zet die voor het aangezicht des HEEREN, tot bewaring voor uw geslachten.34Gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had, alzo zette ze Aaron voor de getuigenis tot bewaring.35En de kinderen Israels aten Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de pale van het land Kanaan.36Een gomer nu is het tiende deel van een efa.
1Daarna toog de ganse vergadering van de kinderen Israels, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des HEEREN, en zij legerden zich te Rafidim. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken.2Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?3Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven?4Zo riep Mozes tot den HEERE, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er feilt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen.5Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israel; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen.6Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in Horeb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen der oudsten van Israel.7En hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om de twist der kinderen Israels, en omdat zij den HEERE verzocht hadden, zeggende: Is de HEERE in het midden van ons, of niet?

"Neem een kruik, en doe een gomer vol Man daarin" (vers 33). Dat was het deel voor God. Het verborgen manna — de van de hemel neergedaalde, Mens geworden, opgestane en met een verheerlijkt lichaam weer naar de hemel opgevaren Christus — dát is de vreugde van God die Hij deelt met hen die overwinnen (Openbaring 2 vers 17).

Na de honger is het de dorst waardoor het volk gaat murmureren. De genade van God gebruikt dit echter om ons een nieuwe kostbare verborgenheid te openbaren.

De uitleg hiervan vinden we in 1 Korinthe 10 vers 4: "Zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus" (vergelijk dit met Johannes 7 vers 37 tot en met 39).

Om echter water (het leven van de Geest) te kunnen geven, moest de rots geslagen worden. Zo werd Christus aan het kruis door de hand van Godzelf geslagen. Maar laten we niet vergeten dat het om de zonde van het volk was! Hun morren en weerbarstigheid was de aanleiding tot het slaan van de rots! "Om de overtreding van Mijn volk is de plaag op Hem geweest" (Jesaja 53 vers 8).

Terwijl het manna een beeld is van Christus Die van de hemel neerdaalde, zo spreekt de geslagen rots van Zijn kruisiging.

We mogen in het levende water een beeld van de Heilige Geest zien: de levenskracht die de gestorven en opgestane Heiland aan iedereen schenkt die in Hem gelooft. De Geest is de Goddelijke Persoon Die in ons woont.

Exodus 17:8-16
8Toen kwam Amalek en streed tegen Israel in Rafidim.9Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn.10Jozua nu deed, als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aaron en Hur klommen op de hoogte des heuvels.11En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israel de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste.12Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden dien onder hem, dat hij daarop zat; en Aaron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, en ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging.13Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards.14Toen zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.15En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde deszelfs naam: De HEERE is mijn Banier!16En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!

Gesterkt en verfrist door de HEERE is het volk nu toebereid voor een nieuwe ervaring, voor de strijd met Amalek.

Alleen als de gelovigen "krachtig zijn in de Heere, en in de sterkte Zijner macht", kunnen ze de vijand weerstaan (Efeze 6 vers 10 tot en met 13).

Bij de Rode Zee had God voor de Zijnen gestreden, terwijl zij alleen maar stil moesten zijn (hoofdstuk 14 vers 14). Aan het kruis heeft de Heere Jezus de overwinning alleen behaald, want wij zelf konden ons heil niet behalen.

Toch begint er direct na onze bekering een strijd (Galaten 5 vers 17). Als een groot leger komen onze oude fouten weer opzetten, plagen ons en strijden tegen ons (1 Petrus 2 vers 11).

Kunnen we nu niet meer op de Heere rekenen? Natuurlijk wel! Maar aan het kruis streed Hij in onze plaats, voor ons. Nu strijdt Hij, de ware Jozua, met ons.

Inderdaad wordt de overwinning op de berg behaald. Christus, tegelijkertijd de ware Mozes èn de ware Aäron, is voortaan in de hemel om Zich voor de Zijnen in te zetten; en Zijn armen worden nooit moe (Romeinen 8 vers 34 en 37; Hebreeën 7 vers 25).

De afloop van het gevecht hangt niet af van de kracht van de strijdende partijen, maar van hun geloof in Hem en Zijn verlossingswerk èn van de gebeden van de Heere Jezus.

Deze geschiedenis leert ons te strijden als Jozua en te bidden als Mozes (Psalm 144 vers 1 en 2).

Exodus 18:1-12
1Toen Jethro, priester van Midian, schoonvader van Mozes, hoorde al wat God aan Mozes, en aan Israel, Zijn volk, gedaan had: dat de HEERE Israel uit Egypte uitgevoerd had;2Zo nam Jethro, Mozes' schoonvader, Zippora, Mozes' huisvrouw (nadat hij haar wedergezonden had),3Met haar twee zonen, welker enes naam was Gersom (want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land);4En de naam des anderen was Eliezer, want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Farao's zwaard.5Toen nu Jethro, Mozes' schoonvader, met zijn zonen en zijn huisvrouw, tot Mozes kwam, in de woestijn, aan den berg Gods, waar hij zich gelegerd had,6Zo zeide hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro, kom tot u, met uw huisvrouw, en haar beide zonen met haar.7Toen ging Mozes uit, zijn schoonvader tegemoet, en hij boog zich, en kuste hem; en zij vraagden de een den ander naar den welstand, en zij gingen naar de tent.8En Mozes vertelde zijn schoonvader alles, wat de HEERE aan Farao en aan de Egyptenaren gedaan had, om Israels wil; al de moeite, die hun op dien weg ontmoet was, en dat hen de HEERE verlost had.9Jethro nu verheugde zich over al het goede, hetwelk de HEERE Israel gedaan had; dat Hij het verlost had uit de hand der Egyptenaren.10En Jethro zeide: Gezegend zij de HEERE, Die ulieden verlost heeft uit de hand der Egyptenaren, en uit Farao's hand; Die dit volk van onder de hand der Egyptenaren verlost heeft!11Nu weet ik, dat de HEERE groter is dan alle goden; want in de zaak, waarin zij trotselijk gehandeld hebben, was Hij boven hen.12Toen nam Jethro, de schoonvader van Mozes, Gode brandoffer en slachtofferen; en Aaron kwam, en al de oversten van Israel, om brood te eten met den schoonvader van Mozes, voor het aangezicht Gods.

Hier ontmoeten we opnieuw Jethro, de schoonvader van Mozes. Hij is een beeld van de volkeren op aarde, in de toekomst. Hoe zij zich samen met het volk Israël zullen verheugen in de redding van Israël en samen God de eer zullen geven.

Ook valt ons op dat Zippora met haar zonen — een beeld van de gemeente, zoals we zagen in hoofdstuk 2 — geen deel zal hebben aan de beproevingen en bevrijding van Israël. De gemeente zal van de aarde opgenomen zijn als de verdrukkingen over het joodse volk zullen komen en het later hersteld zal worden.

De naam Gersom doet ons denken aan Christus Die, evenals Mozes, als Vreemdeling op aarde was. Dat is ook de positie van de gemeente.

Maar in deze moeilijke positie is haar de hulp van God beloofd. Dat is ook de betekenis van de naam Eliézer.

In vers 8 vertelt Mozes alles wat God voor de Zijnen gedaan heeft. Is dat geen mooi voorbeeld voor ons?

Laten wij ons toch niet schamen anderen te vertellen van onze verlossing. Laten we daarmee bij onze familieleden die nog onwetend zijn, beginnen.

De gevolgen van dit getuigenis zien we in vers 9 tot 12: Jethro erkent de grootheid van de HEERE, verheerlijkt Hem en offert brand— en slachtoffers. Tenslotte eet hij samen met de oversten van het verloste volk, wat een beeld is van praktische gemeenschap.

Exodus 18:13-27
13Doch het geschiedde des anderen daags, zo zat Mozes om het volk te richten, en het volk stond voor Mozes, van den morgen tot den avond.14Als de schoonvader van Mozes alles zag, wat hij het volk deed, zo zeide hij: Wat ding is dit, dat gij het volk doet? Waarom zit gij zelf alleen, en al het volk staat voor u, van den morgen tot den avond?15Toen zeide Mozes tot zijn schoonvader: Omdat dit volk tot mij komt, om God raad te vragen.16Wanneer zij een zaak hebben, zo komt het tot mij, dat ik richte tussen den man en tussen zijn naaste; en dat ik hun bekend make Gods instellingen en Zijn wetten.17Doch de schoonvader van Mozes zeide tot hem: De zaak is niet goed, die gij doet.18Gij zult geheel vervallen, zo gij, als dit volk, hetwelk bij u is; want deze zaak is te zwaar voor u, gij alleen kunt het niet doen.19Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn; wees gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God;20En verklaar hun de instellingen en de wetten, en maak hun bekend den weg, waarin zij wandelen zullen, en het werk, dat zij doen zullen.21Doch zie gij om, onder al het volk, naar kloeke mannen, God vrezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten der duizenden, oversten der honderden, oversten der vijftigen, oversten der tienen.22Dat zij dit volk te allen tijde richten; doch het geschiede, dat zij alle grote zaken aan u brengen, maar dat zij alle kleine zaken richten; verlicht alzo uzelven, en laat hen met u dragen.23Indien gij deze zaak doet, en God het u gebiedt, zo zult gij kunnen bestaan; zo zal ook al dit volk in vrede aan zijn plaats komen.24Mozes nu hoorde naar de stem van zijn schoonvader, en hij deed alles, wat hij gezegd had.25En Mozes verkoos kloeke mannen, uit gans Israel, en maakte hen tot hoofden over het volk; oversten der duizenden, oversten der honderden, oversten der vijftigen, en oversten der tienen;26Dat zij het volk te allen tijde richtten, de harde zaak tot Mozes brachten, maar zij alle kleine zaak richtten.27Toen liet Mozes zijn schoonvader trekken; en hij ging naar zijn land.

Jethro brengt Mozes ertoe een deel van zijn dienst aan anderen over te dragen. Dit lijkt een wijze raad, maar het verloochent de kracht van de Geest van God!

Dit is één van de oorzaken waardoor men in de christenheid zo ver gekomen is om een geestelijke stand in te stellen. Bepaalde mensen worden door anderen tot waardigheidsbekleders, tot tussenpersonen tussen God en de eenvoudige 'gelovigen', benoemd.

Het Woord van God erkent echter in de gemeente maar één Hoofd. Hij is toereikend voor alle aangelegenheden van de Zijnen (Efeze 4 vers 5). En de Heere Jezus is er niet alleen voor onze grote en moeilijke problemen. Niets van wat ons bezighoudt, is voor Hem te klein of te onbetekenend. Daarom hoeven we nooit bang te zijn om met al onze noden direct tot Hem te gaan (vergelijk 1 Petrus 5 vers 7).

De profetische betekenis van Exodus 18 wijst ons erop dat Christus de heerschappij over het rijk niet alleen zal uitoefenen (Mattheüs 19 vers 28). Wanneer Hij gekomen is "met Zijn vele duizenden heiligen" (Judas vers 14), zal er een heerschappij zijn, wel met verschillende verantwoordelijkheden, maar tot verheerlijking van God.

Terwijl het volk z'n weg door de woestijn vervolgt, keert Jethro naar zijn land terug (vers 27). Een leven in geloof, in de positie van een vreemdeling, een pelgrim, heeft niets aantrekkelijks voor hem. Ach, hoeveel christenen lijken op hem!

Exodus 19:1-15
1In de derde maand, na het uittrekken der kinderen Israels uit Egypteland, ten zelfden dage kwamen zij in de woestijn Sinai.2Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinai, en zij legerden zich in de woestijn; Israel nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.3En Mozes klom op tot God. En de HEERE riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van Jakob spreken, en den kinderen Israels verkondigen:4Gijlieden hebt gezien, wat Ik den Egyptenaren gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht hebt.5Nu dan, indien gij naarstiglijk Mijner stem zult gehoorzamen, en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn;6En gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israels spreken zult.7En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had.8Toen antwoordde al het volk gelijkelijk, en zeide: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen! En Mozes bracht de woorden des volks weder tot den HEERE.9En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, Ik zal tot u komen in een dikke wolk, opdat het volk hore, als Ik met u spreek, en dat zij ook eeuwiglijk aan u geloven. Want Mozes had de HEERE de woorden des volks verkondigd.10Ook zeide de HEERE tot Mozes: Ga tot het volk, en heilig hen heden en morgen, en dat zij hun klederen wassen,11En bereid zijn tegen den derden dag; want op den derden dag zal de HEERE voor de ogen van al het volk afkomen, op den berg Sinai.12En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen, en deszelfs einde aan te roeren; al wie den berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden.13Geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestenigd, of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen.14Toen ging Mozes van den berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wiesen hun klederen.15En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen den derden dag, en nadert niet tot de vrouw.

Na de woestijnen Sur (hoofdstuk 15 vers 22) en Sin (hoofdstuk 16 vers 1) doortrokken te hebben, komt het volk nu in de woestijn Sinaï.

Op vleugels van arenden gedragen, het symbool van kracht (vers 4), is het volk aangekomen op de plaats waar de HEERE Zijn openbaringen en de wijze waarop het volk Hem kan dienen (hoofdstuk 10 vers 26), bekend zal maken.

Zoals we gezien hebben, was er in Egypte geen dienst voor de HEERE mogelijk. Maar na de verlossing en de afzondering van het volk voor God, verwacht Hij nu een dienst van lof.

"pij zult Mij een priesterlijk koninkrijk, en een heilig volk zijn", zegt Hij in vers 6. Petrus zegt ons dat wij een "heilig priesterdom zijn, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus". En ook dat we een "koninklijk priesterdom zijn, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden van Hem, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht" (1 Petrus 2 vers 5 en 9).

Met hoofdstuk 19 begint een nieuw gedeelte van dit Bijbelboek. Tot hiertoe hebben we de genade van de HEERE gezien die Hij Zijn volk heeft bewezen. Maar van nu af aan zullen we zien wat Hij daarvoor van het volk verwacht. In de eerste plaats gééft God, vóórdat Hij iets terug verwacht.

Maar ondanks Mara en Meriba kent dit volk zichzelf niet. Het volk antwoordt met een dwaze belofte die God helemaal niet van hen verlangt: "Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen" (vers 8)! En er is maar weinig tijd voor nodig om te laten zien dat ze deze belofte niet na kunnen komen.

Exodus 19:16-25
16En het geschiedde op den derden dag, toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en een zware wolk, en het geluid ener zeer sterke bazuin, zodat al het volk verschrikte, dat in het leger was.17En Mozes leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan het onderste des bergs.18En de ganse berg Sinai rookte, omdat de HEERE op denzelven nederkwam in vuur; en zijn rook ging op, als de rook van een oven; en de ganse berg beefde zeer.19Toen het geluid der bazuin gaande was, en zeer sterk werd, sprak Mozes; en God antwoordde hem met een stem.20Als de HEERE nedergekomen was op den berg Sinai, op de spits des bergs, zo riep de HEERE Mozes op de spits des bergs; en Mozes klom op.21En de HEERE zeide tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot den HEERE, om te zien, en velen van hen vallen.22Daartoe zullen ook de priesters, die tot den HEERE naderen, zich heiligen, dat de HEERE niet tegen hen uitbreke.23Toen zeide Mozes tot den HEERE: Het volk zal op den berg Sinai niet kunnen klimmen, want Gij hebt ons betuigd, zeggende: Bepaal den berg, en heilig hem.24De HEERE dan zeide tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult gij, en Aaron met u, opklimmen; doch dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot den HEERE, dat Hij tegen hen niet uitbreke.25Toen klom Mozes af tot het volk, en zeide het hun aan.

Als een kind meent iets onmogelijke te kunnen doen, bijvoorbeeld een zak van 50 kilogram optillen, dan zal zijn vader zeggen: 'Probeer het maar!' Pas nadat het kind zelf ervaren heeft dat z'n vader gelijk had, zal hij erop vertrouwen dat zijn vader de zaak goed zal aanpakken.

Deze les moest het volk Israël bij Sinaï leren. Als het volk al meende alles te kunnen volbrengen wat de HEERE vroeg, dan zou het nu Zijn heilige eisen horen.

Hebreeën 12 vers 18 tot en met 29 zinspeelt op deze geschiedenis. Dit Schriftgedeelte toont ons de tegenstelling tussen "de tastbare berg" en "de berg Sion", dat is de genade waartoe wij toegang hebben.

Nu is Mozes niet meer de middelaar op de berg, maar de Heere Jezus Die voor ons in de hemel is.

"Daarom", zo zegt de schrijver van deze Brief, "alzo wij een onbeweeglijk koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden, waardoor wij welbehagelijk God mogen dienen met eerbied en godvruchtigheid".

Deze godvruchtigheid, dit ontzag voor de Heere wordt bij ons niet bewerkt door strenge geboden of ondoordachte beloften van onszelf. Ook niet, zoals hier, door de openbaring van de macht van God in alle majesteit. Integendeel, het is het antwoord van ons hart op Zijn ondoorgrondelijke, aan ons bewezen genade (Psalm 130 vers 4).

Exodus 20:1-17
1Toen sprak God al deze woorden, zeggende:2Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.3Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.4Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is.5Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;6En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.7Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.8Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.9Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;10Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is;11Want in zes dagen heeft de HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en heiligde denzelven.12Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.13Gij zult niet doodslaan.14Gij zult niet echtbreken.15Gij zult niet stelen.16Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.17Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.

Hier lezen we dat de HEERE de wet geeft aan Zijn volk. De wet brengt de slechtheid van de mens aan het licht, van de mens die steeds weer geneigd is alles te doen wat hier verboden wordt. Dat de mens zulke geboden nodig heeft, bewijst zijn totaal verdorven natuur (zie 1 Timotheüs 1 vers 8 tot 10).

De eerste vier geboden hebben betrekking op de verhouding tussen de mens en God. Hij alleen is God. God is heilig, maar ook vol goedheid, want Hij heeft de Zijnen rust gegeven.

Behalve aan God is men volgens het vijfde gebod eer verschuldigd aan de ouders.

Vervolgens behandelen vier geboden de betrekkingen tot de naaste, in het maatschappelijke leven.

Het laatste gebod is voor onszelf; het onderzoekt ons hart en legt onze begeerten waar we met niemand over praten, bloot.

Inderdaad is de samenvatting van de hele wet weer te geven in dit ene woord: liefde.

"Die de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld", zegt Paulus tegen de Romeinen. "Want dit: Gij zult geen overspel doen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis geven, gij zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf" (Romeinen 13 vers 8 en 9; vergelijk met Mattheüs 22 vers 34 tot en met 40).

Exodus 20:18-26; Exodus 21:1-6
18En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rokenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af, en stonden van verre.19En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!20En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u verzocht, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet.21En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.22Toen zeide de HEERE tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: Gij hebt gezien, dat Ik met ulieden van den hemel gesproken heb.23Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken.24Maakt Mij een altaar van aarde, en offert daarop uw brandofferen, en uw dankofferen, uw schapen, en uw runderen; aan alle plaats, waar Ik Mijns Naams gedachtenis stichten zal, zal Ik tot u komen, en zal u zegenen.25Maar indien gij Mij een stenen altaar zult maken, zo zult gij dit niet bouwen van gehouwen steen; zo gij uw houwijzer daarover verheft, zo zult gij het ontheiligen.26Gij zult ook niet met trappen tot Mijn altaar opklimmen, opdat uw schaamte voor hetzelve niet ontdekt worde.
1Dit nu zijn de rechten, die gij hun zult voorstellen.2Als gij een Hebreeuwsen knecht kopen zult, die zal zes jaren dienen; maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet.3Indien hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zo zal hij met zijn lijf uitgaan; indien hij een getrouwd man was, zo zal zijn vrouw met hem uitgaan.4Indien hem zijn heer een vrouw gegeven, en zij hem zonen of dochteren gebaard zal hebben, zo zal de vrouw en haar kinderen haars heren zijn, en hij zal met zijn lijf uitgaan.5Maar indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan;6Zo zal hem zijn heer tot de goden brengen, daarna zal hij hem aan de deur, of aan den post brengen; en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwiglijk dienen.

In Hebreeën 12 vers 19 wordt teruggegrepen op de verzen 18 tot en met 21 van Exodus 20 om het verschil in positie tussen de Israëliet onder de wet en de gelovige die leeft onder de genade, aan te geven. Hem wordt niet meer geboden iets te doen, maar tegeloven in de Heere Jezus Die alles gedaan heeft.

Het slot van Exodus 20 toont ons niet iemand die werken doet, maar laat ons zijn positie van aanbidder zien. Het is duidelijk dat de Sinaï niet de plaats is waar God en de zondaar elkaar kunnen ontmoeten (vers 24). Vers 25 leert ons dat menselijke werken en geboden geen plaats hebben in een dienst die welgevallig is voor de HEERE.

En in vers 26 lezen we tenslotte dat niemand zich verheffen moet boven het altaar en dat geringschatten, want dan wordt ons vlees (onze oude natuur) openbaar.

In het beeld van de Hebreeuwse knecht herkennen we de Heere Jezus als gehoorzame Mens. Hij alleen heeft de wet vervuld. Deze volmaakte Knecht had vrijuit kunnen gaan en weer terug kunnen keren naar de hemel, zonder door de dood te gaan. Maar dan was Hij alleen gebleven.

Christus wilde echter in Zijn oneindige liefde een bruid bij Zich hebben. Daarom heeft Hij de prijs betaald die daarvoor nodig was. Zijn bloed is het losgeld en Zijn wonden zijn de tekenen die ons tot in alle eeuwigheid Zijn vrijwillige vernedering tonen. Hij Die "de gestalte van een dienstknecht" aannam (Filippi 2 vers 7), zal in de heerlijkheid nog steeds de Zijnen dienen. Daarin heeft Hij een welgevallen (Lukas 12 vers 37).

Exodus 21:7-36
7Wanneer nu iemand zijn dochter zal verkocht hebben tot een dienstmaagd, zo zal zij niet uitgaan, gelijk de knechten uitgaan.8Indien zij kwalijk bevalt in de ogen haars heren, dat hij haar niet ondertrouwd heeft, zo zal hij haar doen lossen; aan een vreemd volk haar te verkopen zal hij niet vermogen, dewijl hij trouweloos met haar gehandeld heeft.9Maar indien hij haar aan zijn zoon ondertrouwt, zo zal hij met haar doen naar het recht der dochteren.10Indien hij voor zich een andere neemt, zo zal hij aan deze haar spijs, haar deksel, en haar huwelijksplicht niet onttrekken.11En indien hij haar deze drie dingen niet doet, zo zal zij om niet uitgaan, zonder geld.12Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden.13Doch die hem niet nagesteld heeft, maar God heeft hem zijn hand doen ontmoeten, zo zal Ik u een plaats bestellen, waar hij henen vliede.14Maar indien iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult gij denzelven van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve.15Zo wie zijn vader of zijn moeder slaat, die zal zekerlijk gedood worden.16Verder, zo wie een mens steelt, hetzij dat hij dien verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zekerlijk gedood worden.17Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden.18En wanneer mannen twisten, en de een slaat den ander met een steen, of met een vuist, en hij sterft niet, maar valt te bedde;19Indien hij weder opstaat, en op straat gaat bij zijn stok, zo zal hij, die hem sloeg, onschuldig zijn; alleen zal hij geven hetgeen hij verzuimd heeft, en hij zal hem volkomen laten helen.20Wanneer ook iemand zijn dienstknecht of zijn dienstmaagd met een stok slaat, dat hij onder zijn hand sterft, die zal zekerlijk gewroken worden.21Zo hij nochtans een dag of twee dagen overeind blijft, zo zal hij niet gewroken worden; want hij is zijn geld.22Wanneer nu mannen kijven, en slaan een zwangere vrouw, dat haar de vrucht afgaat, doch geen dodelijk verderf zij, zo zal hij zekerlijk gestraft worden, gelijk als hem de man der vrouw oplegt, en hij zal het geven door de rechters.23Maar indien er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult gij geven ziel voor ziel.24Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.25Brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil.26Wanneer ook iemand het oog van zijn dienstknecht, of het oog van zijn dienstmaagd slaat, en verderft het, hij zal hem vrij laten gaan voor zijn oog.27En indien hij een tand van zijn dienstknecht, of een tand van zijn dienstmaagd uitslaat, zo zal hij hem vrijlaten voor zijn tand.28En wanneer een os een man of een vrouw stoot, dat hij sterft, zal de os zekerlijk gestenigd worden, en zijn vlees zal niet gegeten worden; maar de heer van den os zal onschuldig zijn.29Maar indien de os te voren stotig geweest is, en zijn heer is daarvan overtuigd geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt een man of een vrouw, zo zal die os gestenigd worden, en zijn heer zal ook gedood worden.30Indien hem losgeld opgelegd wordt, zo zal hij tot lossing zijner ziel geven naar alles, wat hem zal opgelegd worden;31Hetzij dat hij een zoon gestoten heeft, of een dochter gestoten heeft, naar dat recht zal hem gedaan worden.32Indien de os een knecht of een dienstmaagd stoot, hij zal zijn heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gestenigd worden.33En wanneer iemand een kuil opent, of wanneer iemand een kuil graaft, en hij dekt hem niet toe, en een os of ezel valt daarin;34De heer des kuils zal het vergelden; hij zal aan deszelfs heer het geld wederkeren; doch dat dode zal zijns wezen.35Wanneer nu iemands os den os van zijn naaste kwetst, dat hij sterft, zo zal men den levenden os verkopen, en het geld daarvan half en half delen, en den dode zal men ook half en half delen.36Of is het kennelijk geweest, dat die os van te voren stotig was, en zijn heer heeft hem niet bewaard, zo zal hij in alle manier os voor os vergelden; doch de dode zal zijns wezen.

Als we deze verzen vergelijken met Mattheüs 5 vanaf vers 17, zien we dat de trouwe Knecht van God niet alleen gekomen is om de wet te vervullen, maar ook om iets in te voeren wat nog veel groter is.

Gebood de wet: "Gij zult niet doden", de Heere Jezus zegt dat iemand die zijn broeder een dwaas noemt, al "het helse vuur" heeft verdiend.

De Heere Jezus wil ons elke dag meer laten inzien hoe boos ons eigen hart is. Maar we moeten ook Zijn hart leren kennen waarin veel meer was dan de woorden van de wet: "Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand haten" (Mattheüs 5 vers 43 en 44).

Waar zouden wij zijn als het onbarmhartige gebod: "Oog voor oog, tand voor tand" op ons toegepast was? God zou de mensheid die schuldig is aan de kruisdood van Zijn Zoon, van de aarde moeten verdelgen.

In plaats daarvan zien we de Heere Jezus juist aan het kruis op volkomen wijze Zelf volbrengen wat Hij ons in deze verzen leert: "Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen" (Lukas 23 vers 34).

In Exodus 21 vers 32 wordt de prijs van een knecht vastgesteld. Op dezelfde prijs werd de waarde van de Zoon van God geschat (Mattheüs 26 vers 15).

Exodus 22:21-31; Exodus 23:1-5
21Gij zult ook den vreemdeling geen overlast doen, noch hem onderdrukken; want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.22Gij zult geen weduwe noch wees beledigen.23Indien gij hen enigszins beledigt, en indien zij enigszins tot Mij roepen, Ik zal hun geroep zekerlijk verhoren;24En Mijn toorn zal ontsteken, en Ik zal ulieden met het zwaard doden; en uw vrouwen zullen weduwen, en uw kinderen zullen wezen worden.25Indien gij Mijn volk, dat bij u arm is, geld leent, zo zult gij tegen hetzelve niet zijn, als een woekeraar; gij zult op hetzelve geen woeker leggen.26Indien gij enigszins uws naasten kleed te pand neemt, zo zult gij het hem wedergeven, eer de zon ondergaat;27Want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijn huid; waarin zou hij liggen? Het zal dan geschieden, wanneer hij tot Mij roept, dat Ik het zal horen; want Ik ben genadig!28De goden zult gij niet vloeken, en de oversten in uw volk zult gij niet lasteren.29Uw volheid en uw tranen zult gij niet uitstellen; den eerstgeborene uwer zonen zult gij Mij geven.30Desgelijks zult gij doen met uw ossen en met uw schapen; zeven dagen zullen zij bij hun moeder zijn, op den achtsten dag zult gij ze Mij geven.31Gij nu zult Mij heilige lieden zijn; daarom zult gij geen vlees eten, dat op het veld verscheurd is, en zult het den hond voorwerpen.
1Gij zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij den goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn.2Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.3Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.4Wanneer gij uw vijands os, of zijn dwalenden ezel, ontmoet, gij zult hem denzelven ganselijk wederbrengen.5Wanneer gij uws haters ezel onder zijn last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manier met hem verlaten.

Vanaf hoofdstuk 21 tot aan het einde van hoofdstuk 23 lezen we over geboden die de wet aanvullen.

God ziet in Zijn volkomen wijsheid vooruit wat er allemaal kan gebeuren, en gaat in op de meest gewone dingen van het leven van de Zijnen. Van het geld lenen aan een arme tot het terugvinden van een os, enzovoort. Hij neemt de verdediging van de zwakkeren op Zich en stelt hen onder Zijn speciale bescherming.

Ook wij christenen hebben in het onuitputtelijke Woord van God naast de fundamentele waarheden over de Persoon van onze Redder en ons heil, ook aanwijzingen voor het dagelijkse leven.

Maar in tegenstelling tot het volk Israël bezitten wij de Heilige Geest Die in elke gelovige woont en hem onderwijst over de wil van God voor elke situatie in de praktijk van het dagelijkse leven. Hij opent het verstand en laat zien wat men moet doen en laten.

Toch is de Bijbel iets heel anders dan een verzameling van regeltjes en een optelling van alles wat niet en wat wel mag. De Bijbel toont ons een God van liefde, een Vader Wiens voorbeeld wij mogen navolgen.

"Ik ben genadig", zegt Hij aan het einde van vers 27. —"Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is", zo onderwijst de Heere Jezus later de discipelen (Lukas 6 vers 36).

Exodus 23:6-19
6Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak.7Zijt verre van valse zaken; en den onschuldige en gerechtige zult gij niet doden; want Ik zal de goddeloze niet rechtvaardigen.8Ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak der rechtvaardigen.9Gij zult ook den vreemdeling niet onderdrukken; want gij kent het gemoed des vreemdelings, dewijl gij vreemdelingen geweest zijt in Egypteland.10Gij zult ook zes jaar uw land bezaaien, en deszelfs inkomst verzamelen;11Maar in het zevende zult gij het rusten en stil liggen laten, dat de armen uws volks mogen eten, en het overige daarvan de beesten des velds eten mogen; alzo zult gij ook doen met uw wijngaard, en met uw olijfbomen.12Zes dagen zult gij uw werken doen; maar op den zevenden dag zult gij rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat de zoon uwer dienstmaagd en de vreemdeling adem scheppe.13In alles, wat Ik tot ulieden gezegd heb, zult gij op uw hoede zijn; en den naam van andere goden zult gij niet gedenken; uit uw mond zal hij niet gehoord worden!14Drie reizen in het jaar zult gij Mij feest houden.15Het feest van de ongezuurde broden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten (gelijk Ik u geboden heb), ter bestemder tijd in de maand Abib, want in dezelve zijt gij uit Egypte getogen; doch men zal niet ledig voor Mijn aangezicht verschijnen.16En het feest des oogstes, der eerste vruchten van uw arbeid, die gij op het veld gezaaid zult hebben. En het feest der inzameling, op den uitgang des jaars, wanneer gij uw arbeid uit het veld zult ingezameld hebben.17Drie malen des jaars zullen al uw mannen voor het aangezicht des Heeren HEEREN verschijnen.18Gij zult het bloed Mijns offers met geen gedesemde broden offeren; ook zal het vette Mijns feestes tot op den morgen niet vernachten.19De eerstelingen der eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des HEEREN uws Gods brengen. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.

"De onschuldige en rechtvaardige zult gij niet doden", moet de HEERE tegen Zijn volk zeggen (vers 7). Een gebod dat niet zonder aanleiding gegeven is, want "de Heilige en Rechtvaardige" werd immers door hen gedood (Handelingen 3 vers 14 en 15).

Ook de vreemdeling was onderwerp van Gods geboden. Hij mocht niet onderdrukt of mishandeld worden (vers 9 en hoofdstuk 22 vers 21; zie ook Jeremia 22 vers 3). Leviticus 19 vers 34 gaat nog veel verder: "Gij zult hem liefhebben als uzelf." In het Nieuwe Testament zegt de Heere Jezus dat wie de vreemdeling aanneemt, Hemzélf heeft aangenomen (Mattheüs 25 vers 35 en 40). Was Hij immers niet de 'hemelse Vreemdeling' Die gekomen is om de mensen op te zoeken? Maar hoe werd Zijn hart, vol van zachtmoedigheid en meeleven, verwond door de ondankbaarheid van hen voor wie Hij in liefde gekomen was! Ja, wij worden opgeroepen om ons voor te stellen hoe "het gemoed van de vreemdeling" is (vers 9). Natuurlijk bovenal, hoe de ware Vreemdeling, onze Heiland, Zich voelde.

Denk eraan, zegt God erbij, dat je ook zelf een vreemdeling was. Zich verplaatsen in de omstandigheden van een ander is het geheim van liefde voor de ander.

In de verzen 10 tot en met 13 laat God ons zien welke zorg Hij heeft voor Zijn schepping: voor de dieren, de planten, maar ook de aardbodem. Laten ook wij zorg dragen voor alles wat onze hemelse Vader toebehoort!

Tenslotte willen we, wat de dienst voor God betreft, het einde van vers 15 onderstrepen: "Men zal niet ledig voor Mijn aangezicht verschijnen" (zie hierbij Deuteronomium 26 vers 2).

Exodus 23:20-33
20Ziet, Ik zende een Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaats, die Ik bereid heb.21Hoedt u voor Zijn aangezicht, en weest Zijner stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet; want Hij zal ulieder overtredingen niet vergeven; want Mijn Naam is in het binnenste van Hem.22Maar zo gij Zijner stem naarstiglijk gehoorzaamt, en doet al wat Ik spreken zal, zo zal Ik uwer vijanden vijand, en uwer wederpartijders wederpartij zijn.23Want Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan, en Hij zal u inbrengen tot de Amorieten, en Hethieten, en Ferezieten, en Kanaanieten, Hevieten, en Jebusieten; en Ik zal hen verdelgen.24Gij zult u voor hun goden niet buigen, noch hen dienen; ook zult gij naar hun werken niet doen; maar gij zult ze geheel afbreken, en hun opgerichte beelden ganselijk vermorzelen.25En gij zult den HEERE uw God dienen, zo zal Hij uw brood en uw water zegenen; en Ik zal de krankheden uit het midden van u weren.26Er zal geen misdrachtige, noch onvruchtbare in uw land zijn; Ik zal het getal uwer dagen vervullen.27Ik zal Mijn schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk, tot hetwelk gij komt, versaagd maken; en Ik zal maken, dat al uw vijanden u den nek toekeren.28Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden; die zullen van voor uw aangezicht uitstoten de Hevieten, de Kanaanieten en de Hethieten.29Ik zal hen in een jaar van uw aangezicht niet uitstoten, opdat het land niet woest worde, en het wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde.30Ik zal hen allengskens van uw aangezicht uitstoten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.31En Ik zal uw landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want Ik zal de inwoners van dat land in uw hand geven, dat gij hen voor uw aangezicht uitstoot.32Gij zult met hen, noch met hun goden, een verbond maken.33Zij zullen in uw land niet wonen, opdat zij u tegen Mij niet doen zondigen; indien gij hun goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn.

God geeft niet alleen geboden aan Zijn volk. Hij omringt Zijn volk ook met zorg.

Hij geeft het volk een Leider, Zijn engel, Die voor hen uit zal gaan, hen de weg zal wijzen en hen zal aanvoeren in de strijd. Maar God onderwijst het volk ook over het einddoel van hun pelgrimsreis: het land waarvan de grenzen al vastgesteld zijn (vers 31).

Diezelfde zorg besteedt God nu ook aan Zijn christelijk volk, op hun weg hier beneden. Hij heeft hen een Leidsman gegeven voor die weg: de Heilige Geest.

De waarschuwing aan het volk Israël: "Hoedt u voor Zijn aangezicht, en weest Zijn stem gehoorzaam, en verbittert Hem niet" (vers 21), doet ons denken aan woorden uit het Nieuwe Testament. In Efeze 4 vers 30 lezen we de vermaning: "Bedroeft de Heilige Geest Gods niet".

God wil in Zijn genade dat ook vandaag de Zijnen het einddoel van hun reis weten: het prachtige erfdeel dat Zijn liefde voor hen bereid heeft in de hemel, met Christus.

Wij zijn echter vaak niet gewillig om van Zijn zorg te leren en die aan te nemen. Vooral Gods zorg dat Zijn volk streng afgezonderd van de andere volken moet wonen, geeft ons moeite. Maar God wil deze scheiding niet om Zijn volk iets te onthouden. Nee, in Zijn liefde wil Hij hen voor een valstrik bewaren (vers 33)!

Exodus 24:1-18
1Daarna zeide Hij tot Mozes: Klim op tot den HEERE, gij en Aaron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israel; en buigt u neder van verre!2En dat Mozes alleen zich nadere tot den HEERE, maar dat zij niet naderen; en het volk klimme ook niet op met hem.3Als Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden des HEEREN, en al de rechten, toen antwoordde al het volk met een stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.4Mozes nu beschreef al de woorden des HEEREN, en hij maakte zich des morgens vroeg op, en hij bouwde een altaar onder aan den berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israel.5En hij zond de jongelingen van de kinderen Israels, die brandofferen offerden, en den HEERE dankofferen offerden, van jonge ossen.6En Mozes nam de helft van het bloed, en zette het in bekkens; en de helft van het bloed sprengde hij op het altaar.7En hij nam het boek des verbonds, en hij las het voor de oren des volks; en zij zeiden: Al wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen.8Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zeide: Ziet, dit is het bloed des verbonds, hetwelk de HEERE met ulieden gemaakt heeft over al die woorden.9Mozes nu en Aaron klommen opwaarts, ook Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israel.10En zij zagen den God van Israel, en onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestaltenis des hemels in Zijn klaarheid.11Doch Hij strekte Zijn hand niet tot de afgezonderden van de kinderen Israels; maar zij aten en dronken, nadat zij God gezien hadden.12Toen zeide de HEERE tot Mozes: Kom tot Mij op den berg, en wees aldaar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen.13Toen maakte zich Mozes op, met Jozua, zijn dienaar; en Mozes klom op den berg Gods.14En hij zeide tot de oudsten: Blijft gij ons hier, totdat wij weder tot u komen; en ziet, Aaron en Hur zijn bij u; wie enige zaken heeft, zal tot dezelve komen.15Toen Mozes op den berg geklommen was, zo heeft een wolk den berg bedekt.16En de heerlijkheid des HEEREN woonde op den berg Sinai, en de wolk bedekte hem zes dagen, en op den zevenden dag riep Hij Mozes uit het midden der wolk.17En het aanzien der heerlijkheid des HEEREN was als een verterend vuur, op het opperste diens bergs, in de ogen der kinderen Israels.18En Mozes ging in het midden der wolk, nadat hij op den berg geklommen was; en Mozes was op dien berg veertig dagen en veertig nachten.

Het eerste verbond wordt plechtig met bloed bezegeld (vers 8, zie ook Hebreeën 9 vers 18 en verder).

Dan toont de HEERE enkele stralen van Zijn heerlijkheid aan de oudsten van Israël: "En onder Zijn voeten als een werk van saffierstenen, en als de gestalte des hemels in Zijn klaarheid" (vers 10; vergelijk dit met Ezechiël 1 vers 26). "Onder Zijn voeten" — bij deze woorden denken we aan de glorierijke weg van de Zoon van God, zoals die ons in de Evangeliën voorgesteld wordt: de weg "des hemels in Zijn klaarheid".

Christus is niet alleen uit de hemel neergekomen en weer opgevaren in de hemel, Hij was ononderbroken "de Zoon des mensen, Die in de hemel is" (Johannes 3 vers 13). In de wandel van Christus hier op aarde kan de heerlijkheid van God in Zijn volmaakte heiligheid worden bewonderd (Psalm 68 vers 25). "Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien", zegt de Heere Jezus tegen Zijn discipelen (Johannes 14 vers 9).

In vers 11 vinden we een verwijzing naar de heilige vrijheid en gemeenschap die de verlosten van de Heere nu al mogen genieten. Op grond van het volbrachte werk van de Heere Jezus en Zijn tegenwoordigheid aan de rechterhand van God, bevinden ze zich in zekere zin nu al in de heerlijkheid.

Onze gedachten gaan ook nog naar Mozes op een andere berg: de berg van de verheerlijking. Daar was hij met Elia en de drie discipelen getuige van de heerlijkheid van de Heere Jezus (Lukas 9 vers 28 tot en met 36).

Exodus 25:1-22
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, dat zij voor Mij een hefoffer nemen. Van alle man, wiens hart zich vrijwillig bewegen zal, zult gij Mijn hefoffer nemen.3Dit nu is het hefoffer, hetwelk gij van hen nemen zult: goud, en zilver, en koper;4Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar.5En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout;6Olie tot den luchter, specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;7Sardonixstenen, en vervullende stenen tot den efod, en tot den borstlap.8En zij zullen Mij een heiligdom maken, dat Ik in het midden van hen wone.9Naar al wat Ik u tot een voorbeeld dezes tabernakels, en een voorbeeld van al deszelfs gereedschap wijzen zal, even alzo zult gijlieden dat maken.10Zo zullen zij een ark van sittimhout maken; twee ellen en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.11En gij zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult gij ze overtrekken; en gij zult op dezelve een gouden krans maken rondom heen.12En giet voor haar vier gouden ringen, en zet die aan haar vier hoeken, alzo dat twee ringen op de ene zijde derzelve zijn, en twee ringen op haar andere zijde.13En maak handbomen van sittimhout, en overtrek ze met goud.14En steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde der ark zijn, dat men de ark daarmede drage.15De draagbomen zullen in de ringen der ark zijn; zij zullen er niet uitgetogen worden.16Daarna zult gij in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal.17Gij zult ook een verzoendeksel maken van louter goud; twee ellen en een halve zal deszelfs lengte zijn, en anderhalve el deszelfs breedte.18Gij zult ook twee cherubim van goud maken; van dicht goud zult gij ze maken, uit de beide einden des verzoendeksels.19En maak u een cherub uit het ene einde aan deze zijde, en den andere cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel zult gijlieden de cherubim maken, uit de beide einden van hetzelve.20En de cherubim zullen hun beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten zullen tegenover elkander zijn; de aangezichten der cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn.21En gij zult het verzoendeksel boven op de ark zetten, nadat gij in de ark de getuigenis, die Ik u geven zal, zult gelegd hebben.22En aldaar zal Ik bij u komen, en Ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tussen de twee cherubim, die op de ark der getuigenis zijn zullen, alles, wat Ik u gebieden zal aan de kinderen Israels.

De instructies voor de eredienst beginnen in dit hoofdstuk.

De tabernakel is "het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen" (Hebreeën 8 vers 5). Hierin vinden we, tot in de details, een beeld van de voorwaarden waarop — ten eerste — de Heilige God in het midden van de Zijnen kan wonen, en — ten tweede — hoe wij die zondaars waren, tot deze heilige God kunnen naderen. Het gaat om de fundamentele waarheden van ons heil en hun plaats in de Goddelijke orde.

Als wij een huis beschrijven, beginnen we niet met de inrichting van het huis. Maar hier staat de ark van het verbond op de eerste plaats, omdat het Christus als het Middelpunt van al Gods raadsbesluiten voorstelt. Gemaakt van oersterk sittimhout of acaciahout. Het is hout van een boom uit "dorre aarde", een beeld van de mensheid van Christus (Jesaja 53 vers 2); overtrokken met "louter goud", dat is het symbool van de Goddelijkheid van Christus.

Het verzoendeksel van louter goud dat de ark bedekte, spreekt van een genadig God. Hij is bevredigd door het bloed dat op het deksel gesprengd werd (Romeinen 3 vers 25) en kan hier de zondaar ontmoeten (vers 22).

De "cherubijnen der heerlijkheid" van wie de gezichten naar het deksel gericht zijn (Hebreeën 9 vers 5), vertellen ons dat het hier om diepe, Goddelijke verborgenheden gaat, "in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien" (1 Petrus 1 vers 12).

Exodus 25:23-40
23Gij zult ook een tafel maken van sittimhout; twee ellen zal haar lengte zijn, en een el haar breedte, en een el en een halve zal haar hoogte zijn.24En gij zult ze met louter goud overtrekken; gij zult ook een gouden krans daaraan maken, rondom heen.25Gij zult ook een lijst rondom daaraan maken, een hand breed; en gij zult een gouden krans rondom derzelver lijst maken.26Ook zult gij vier gouden ringen daaraan maken; en gij zult de ringen zetten aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten zijn zullen.27Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.28Deze handbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult dezelve met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden.29Gij zult ook maken haar schotelen, en haar rookschalen, en haar platelen, en haar kroezen (met welke zij bedekt zal worden); van louter goud zult gij ze maken.30En gij zult op deze tafel altijd het toonbrood voor Mijn aangezicht leggen.31Gij zult ook een kandelaar van louter goud maken. Van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijn schacht, en zijn rietjes; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen zullen uit hem zijn.32En zes rieten zullen uit zijn zijden uitgaan; drie rieten des kandelaars uit zijn ene zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijn andere zijde.33In het ene riet zullen drie schaaltjes zijn, gelijke amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; alzo zullen die zes rieten zijn, die uit den kandelaar gaan.34Maar aan den kandelaar zelven zullen vier schaaltjes zijn, gelijk amandelnoten, met knopen, en met zijn bloemen.35En daar zal een knoop zijn onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven, uitgaande; alzo zal het zijn met zes rieten, die uit den kandelaar uitgaan.36Hun knopen en hun rieten zullen uit hem zijn; het zal altemaal een enig dicht werk van louter goud zijn.37Gij zult hem ook zeven lampen maken, en men zal zijn lampen aansteken, en doen lichten aan zijn zijden.38Zijn snuiters en zijn blusvaten zullen louter goud zijn.39Uit een talent louter goud zal men dat maken, met al dit gereedschap.40Zie dan toe, dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is.

De ark van het verbond spreekt ons van Christus door Wie de rechten van God op volkomen wijze staande worden gehouden. Daarentegen spreekt de tafel ons van Christus Die de Zijnen constant in de tegenwoordigheid van God draagt.

Het bouwmateriaal van de tafel is hetzelfde als van de ark van het verbond (sittimhout, met louter goud overtrokken). Maar bovendien is er rondom de tafel een krans en een lijst wat ons wijst op de heerlijkheid en de bescherming van God. De tafel dient in de eerste plaats om er de twaalf toonbroden op te leggen (Leviticus 24 vers 5 en 6), een beeld van het hele volk van God. Vervolgens ligt het gereedschap waarover we lezen in vers 29, erop. Dit gereedschap wijst op de ondersteuning van Christus in onze taak voor Hem (Markus 16 vers 20).

Zo bevindt zich het hele volk in beeld in het heiligdom, gedragen door Christus en door Hem staande gehouden in het licht van God. Dat brengt ons bij de gouden kandelaar, een beeld van Hem Die hier op aarde "het licht der wereld" was (Johannes 8 vers 12). De kandelaar droeg de zeven lampen van goud. Dat stelt het getuigenis naar Gods gedachten voor, zoals het vandaag van de gemeente uitgaat (Openbaring 1 vers 12 en 20). Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om in de nacht van deze wereld licht uit te stralen in de kracht van de Heilige Geest (de olie). Voor de tijd dat de Heere Jezus hier niet meer op aarde zou zijn, zei Hij tegen de Zijnen: "Gij zijt het licht der wereld" (Mattheüs 5 vers 14).

Om de lampen goed te laten schijnen, zijn snuiters nodig (vers 38). Dat is een heenwijzing naar de steeds voortdurende zorg van onze grote Hogepriester.

Exodus 26:1-14
1Den tabernakel nu zult gij maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubim; van het allerkunstelijkste werk zult gij ze maken.2De lengte van een gordijn zal van acht en twintig ellen zijn, en de breedte ener gordijn van vier ellen; al deze gordijnen zullen een maat hebben.3Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de andere; wederom zullen er vijf gordijnen samengevoegd zijn, de een aan de andere.4En gij zult hemelsblauwe striklisjes maken aan den kant van de ene gordijn, aan het uiterste, in de samenvoeging; alzo zult gij ook doen aan den uitersten kant der gordijn, aan de tweede samenvoegende.5Vijftig striklisjes zult gij aan de ene gordijn maken, en vijftig striklisjes zult gij maken aan het uiterste der gordijn, dat aan de tweede samenvoegende is; deze striklisjes zullen het ene aan het andere samenvatten.6Gij zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, de ene aan de andere, met deze haakjes, opdat het een tabernakel zij.7Ook zult gij gordijnen uit geiten haar maken tot een tent over den tabernakel; van elf gordijnen zult gij die maken.8De lengte ener gordijn zal dertig ellen zijn, en de breedte ener gordijn vier ellen; deze elf gordijnen zullen een maat hebben.9En gij zult vijf dezer gordijnen aan elkander bijzonder voegen, en zes dezer gordijnen bijzonder; en de zesde dezer gordijnen zult gij dubbel maken, recht voorop de tent.10En gij zult vijftig striklisjes maken aan den kant van de ene gordijn, het uiterste in de samenvoeging, en vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, die de tweede samenvoegende is.11Gij zult ook vijftig koperen haakjes maken, en gij zult de haakjes in de striklisjes doen, en gij zult de tent samenvoegen, dat zij een zij.12Het overige nu, dat overschiet aan de gordijnen der tent, de helft der gordijn, die overschiet, zal overhangen, aan de achterste delen des tabernakels.13En een el van deze, en een el van gene zijde van hetgeen, dat overig zijn zal aan de lengte van de gordijnen der tent, zal overhangen aan de zijden des tabernakels, aan deze en aan gene zijde, om dien te bedekken.14Gij zult ook voor de tent een deksel maken van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.

Na deze drie voorwerpen, de ark, de tafel en de kandelaar, volgt de beschrijving van de tabernakel. Deze is samengesteld uit drie wanden van planken. Daar overheen liggen vier dekkleden op elkaar, elk weer bestaande uit verschillende kleden.

Het eerste dekkleed, de tabernakel genaamd (vers 1), lag onderaan en vormde het plafond. Ze was geweven met verschillende kleuren draden die we ook terugvinden in de voorhang (vers 31) en bij de kleding van de hogepriester (hoofdstuk 28 vers 5). Elke kleur geeft een bepaalde zijde van de heerlijkheid van Christus weer. Getweernd linnen spreekt ons van Zijn volkomen mensheid. Hemelsblauw (of blauw purper) geeft Zijn hemels karakter aan. Purper wijst op Zijn allesomvattende heerlijkheid. En scharlaken is een beeld van Zijn koningschap over Israël.

De hemelsblauwe strikjes en de gouden haakjes die de kleden bij elkaar hielden, doen ons denken aan de hemelse en Goddelijke banden waardoor de verlosten met elkaar verbonden zijn.

Het tweede dekkleed, gemaakt van geitenhaar, werd "een tent over de tabernakel" (vers 7) genoemd.

Het derde dekkleed was van roodgeverfde ramsvellen en het vierde van dassenvellen (vers 14). Dit stelt ons respectievelijk afzondering, wijding (hoofdstuk 29 vers 27) en waakzaamheid voor.

Al deze deugden zag God in het leven van de Heere Jezus hier op aarde. En het is Zijn wens dat ze ook zichtbaar zijn in het leven van de Zijnen.

Exodus 26:15-30
15Gij zult ook tot den tabernakel staande berderen maken van sittimhout.16De lengte van een berd zal tien ellen zijn, en een el en een halve el zal de breedte van elk berd zijn.17Twee houvasten zal een berd hebben, als sporten in een ladder gezet, het ene nevens het andere; alzo zult gij het met al de berderen des tabernakels maken.18En de berderen tot den tabernakel zult gij aldus maken; twintig berderen naar de zuidzijde zuidwaarts.19Gij zult ook veertig zilveren voeten maken onder de twintig berderen; twee voeten onder een berd, aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd, aan zijn twee houvasten.20Er zullen ook twintig berderen zijn aan de andere zijde des tabernakels, aan den noorderhoek,21Met hun veertig zilveren voeten; twee voeten onder een berd, en twee voeten onder een ander berd.22Doch aan de zijde des tabernakels tegen het westen zult gij zes berderen maken.23Ook zult gij twee berderen maken tot de hoekberderen des tabernakels, aan de beide zijden.24En zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het oppereinde deszelven samengevoegd zijn, met een ring; alzo zal het met de twee berderen zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn.25Alzo zullen de acht berderen zijn met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten; twee voeten onder een berd, wederom twee voeten onder een berd.26Gij zult ook richelen maken van sittimhout; vijf aan de berderen van de ene zijde des tabernakels;27En vijf richelen aan de berderen van de andere zijde des tabernakels; alsook vijf richelen aan de berderen van de zijde des tabernakels, aan de beide zijden westwaarts.28En de middelste richel zal midden aan de berderen zijn, doorschietende van het ene einde tot het andere einde.29En gij zult de berderen met goud overtrekken, en hun ringen (de plaatsen voor de richelen) zult gij van goud maken; de richelen zult gij ook met goud overtrekken.30Dan zult gij den tabernakel oprichten naar zijn wijze, die u op den berg getoond is.

De drie wanden van de tabernakel bestonden uit brede planken van sittimhout (of acaciahout), overtrokken met goud en staande op zilveren voeten. De planken zijn een beeld van de gelovigen die zeker mogen zijn van hun verlossing waarvan het zilver ons spreekt. Ze zijn bekleed met Goddelijke gerechtigheid (goud), zodat dit Goddelijke karakter nu geopenbaard kan worden.

Om de planken bij elkaar te houden en te beschermen voor de woestijnwind, waren richels nodig. Dat ziet op alles wat kinderen van God met elkaar verbindt, bijvoorbeeld de banden van liefde tussen broeders en zusters. Wat is het van grote betekenis voor een jonge gelovige een vriend, een broeder te hebben, met wie hij over al zijn moeilijkheden kan praten en met wie hij samen op de knieën kan gaan! Maar bovenal is het "één Geest" Die alle gelovigen met elkaar verbindt, zodat zij "bekwaam samengevoegd en samen vastgemaakt" zijn en zo in staat zijn "alle wind der leer" en alle aanvechtingen van de vijand te weerstaan (Efeze 4 vers 1 tot 16; zie ook 1 Korinthe 10 vers 12).

Laten we tenslotte nog even stilstaan bij de hoekplanken. Hun kenmerk was: "Zij zullen van beneden als tweelingen-samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het oppereinde ervan samengevoegd zijn" (vers 24; zie ook Johannes 17 vers 21 en 1 Korinthe 1 vers 10).

Een gemeenschappelijke aanhankelijkheid van de Heere, te weten samen in Hem verbonden te zijn, verstevigt ook de gemeenschapsbanden van de gelovigen onderling.

Exodus 26:31-37; Exodus 27:1-8
31Daarna zult gij een voorhang maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk zal men dien maken, met cherubim.32En gij zult hem hangen aan vier pilaren van sittim hout, met goud overtogen; hun haken zullen van goud zijn; staande op vier zilveren voeten.33En gij zult den voorhang onder de haakjes hangen, en gij zult de ark der getuigenis aldaar binnen den voorhang brengen; en deze voorhang zal ulieden een scheiding maken tussen het heilige, en tussen het heilige der heiligen.34En gij zult het verzoendeksel zetten op de ark der getuigenis, in het heilige der heiligen.35De tafel nu zult gij zetten buiten den voorhang, en den kandelaar tegen de tafel over, aan de ene zijde des tabernakels, zuidwaarts; maar de tafel zult gij zetten aan de noordzijde.36Gij zult ook aan de deur der tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk.37En gij zult tot dit deksel vijf pilaren van sittim hout maken, en die met goud overtrekken; hun haken zullen van goud zijn; en gij zult hun vijf koperen voeten gieten.
1Gij zult ook een altaar maken van sittimhout; vijf ellen zal de lengte zijn, en vijf ellen de breedte (vierkant zal dit altaar zijn), en drie ellen zijn hoogte.2En gij zult zijn hoornen maken op zijn vier hoeken; uit hetzelve zullen zijn hoornen zijn, en gij zult het met koper overtrekken.3Gij zult het ook potten maken, om zijn as te ontvangen, ook zijn schoffelen, en zijn besprengbekkens, en zijn krauwelen, en zijn koolpannen; al zijn gereedschap zult gij van koper maken.4Gij zult het een rooster maken van koperen netwerk; en gij zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijn vier einden.5En gij zult het onder den omloop des altaars van beneden opleggen, alzo dat het net tot het midden des altaars zij.6Gij zult ook handbomen maken tot het altaar, handbomen van sittimhout; en gij zult ze met koper overtrekken.7En de handbomen zullen in de ringen gedaan worden, alzo dat de handbomen zijn aan beide zijden des altaars, als men het draagt.8Gij zult hetzelve hol van planken maken; gelijk als Hij u op den berg gewezen heeft, alzo zullen zij doen.

Van binnenuit de tabernakel naar buiten gezien — dat is de weg van God tot de zondaar —, bestond de tabernakel in de eerste plaats uit het ontoegankelijke heilige der heiligen waar alleen de ark van de getuigenis stond (vers 33); daarna kwam het heilige.

Dit gedeelte was door een voorhang gescheiden van het heilige der heiligen. De betekenis van deze voorhang vinden we in Hebreeën 10 vers 20: "Zijn vlees". De mensheid van de Heere Jezus wordt ons getoond in de eenheid en volkomenheid van het gebruikte materiaal. De cherubs herinneren aan hen die de toegang tot de boom van het leven versperden (Genesis 3 vers 24). Maar bij het sterven van de Heere Jezus is de voorhang in de tempel gescheurd, waardoor God voor de mens de weg opende tot Zijn tegenwoordigheid.

Vóór de voorhang stonden de tafel en de kandelaar (vers 35), maar ook het gouden reukaltaar (hoofdstuk 30 vers 6). De tabernakel zelf was door een kunstig geborduurd kleed afgesloten. Maar een kleed zonder cherubs, want de priesters mochten vrij naar binnen gaan om hun dienst uit te oefenen.

Voor de tent stond tenslotte het koperen altaar waarvan we de beschrijving vinden in hoofdstuk 27 vers 1 tot en met 8. Het was groot, vierkant en spreekt van het kruis van Christus en Zijn werk. Het altaar was gemaakt van sittimhout — Christus werd Mens om te kunnen lijden en sterven — en was met koper overtrokken. Dat koper is een beeld van de Heere Jezus Die het vuur van het oordeel van God over de zonde heeft verdragen.

Exodus 27:9-21
9Gij zult ook den voorhof des tabernakels maken; aan den zuidhoek zuidwaarts, zullen aan den voorhof behangselen zijn van fijn getweernd linnen; de lengte ener zijde zal honderd ellen zijn.10Ook zullen zijn twintig pilaren en derzelver twintig voeten, van koper zijn; de haken dezer pilaren, en hun banden zullen van zilver zijn.11Alzo zullen ook aan den noorderhoek, in de lengte, de behangselen honderd ellen lang zijn; en zijn twintig pilaren, en derzelver twintig voeten, van koper; de haken der pilaren, en derzelver banden zullen van zilver zijn.12En in de breedte des voorhofs, aan den westerhoek, zullen behangselen zijn van vijftig ellen; hun pilaren tien, en derzelver voeten tien.13Van gelijken zal de breedte des voorhofs, aan den oosterhoek oostwaarts, van vijftig ellen zijn.14Alzo dat er vijftien ellen der behangselen op de ene zijde zijn; hun pilaren drie, en hun voeten drie;15En vijftien ellen der behangselen aan de andere zijde; hun pilaren drie, en hun voeten drie.16In de poort nu des voorhofs zal een deksel zijn van twintig ellen, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk; de pilaren vier, en hun voeten vier.17Al de pilaren des voorhofs zullen rondom met zilveren banden bezet zijn; hun haken zullen van zilver zijn, maar hun voeten zullen van koper zijn.18De lengte des voorhofs zal honderd ellen zijn, en de breedte doorgaans vijftig, en de hoogte vijf ellen, van fijn getweernd linnen; maar hun voeten zullen van koper zijn.19Aangaande al het gereedschap des tabernakels, in al deszelfs dienst, ja, al zijn pennen, en al de pennen des voorhofs, zullen van koper zijn.20Gij nu zult de kinderen Israels gebieden, dat zij tot u brengen reine olie van olijven, gestoten tot den luchter, dat men geduriglijk de lampen aansteke.21In de tent der samenkomst, van buiten den voorhang, die voor de getuigenis is, zal ze Aaron en zijn zonen toerichten, van den avond tot den morgen, voor het aangezicht des HEEREN; dit zal een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten, vanwege de kinderen Israels.

Rondom de tabernakel was de voorhof; een groot, omheind plein, waar alle Israëlieten met hun offerdieren vrije toegang hadden (Psalm 96 vers 8).

Rondom dit plein waren kleden van getweernd linnen, "behangsels", vastgemaakt aan pilaren met voeten van koper. Deze reine behangsels van getweernd linnen zijn een beeld van de onberispelijke mensheid van Christus. En ze spreken ook tot ons van een rein getuigenis dat de verlosten mogen afleggen aan een onwetende en vijandige wereld.

Dat getuigen is verbonden met lijden vanwege de gerechtigheid; vandaar dat de pilaren rustten op een voet van koper. Ook het brandofferaltaar was met koper overtrokken, wat ziet op het lijden van Christus voor ons. Hierin heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten (1 Petrus 2 vers 21).

Van ver kon men de glans van de omheining door de felle zon zien; dan wist men: Dáár is God! Moge de Heere ons genade schenken, opdat wij gemeenschappelijk voor de wereld een onberispelijk getuigenis afleggen van Hem!

Het einde van dit hoofdstuk herinnert aan de bron en de kracht van zo'n getuigenis: de Heilige Geest. Opdat de zeven lampen van de kandelaar altijd hun licht zouden geven, moesten ze voorzien worden van reine, gestoten olie. Dat is een beeld van de nooit eindigende oefening van de gelovigen om de Geest van God die plaats te geven die Hem toekomt.

Exodus 28:1-14
1Daarna zult gij uw broeder Aaron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israels, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aaron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aaron.2En gij zult voor uw broeder Aaron heilige klederen maken, tot heerlijkheid en tot sieraad.3Gij zult ook spreken tot allen, die wijs van hart zijn, die Ik met de geest der wijsheid vervuld heb, dat zij voor Aaron klederen maken, om hem te heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene.4Dit nu zijn de klederen, die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en een gordel; zij zullen dan voor uw broeder Aaron heilige klederen maken, en voor zijn zonen, om Mij het priesterambt te bedienen.5Zij zullen ook het goud, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen nemen;6En zullen den efod maken van goud, hemelsblauw, en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstelijkste werk.7Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.8En de kunstelijkste riem zijns efods, die op hem is, zal zijn gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.9En gij zult twee sardonixstenen nemen, en de namen der zonen van Israel daarop graveren.10Zes van hun namen op een steen, en de zes overige namen op den anderen steen, naar hun geboorten;11Naar steensnijderswerk, gelijk men de zegelen graveert, zult gij deze twee stenen graveren, met de namen der zonen van Israel; gij zult ze maken, dat zij omvat zijn in gouden kastjes.12En gij zult de twee stenen aan de schouderbanden des efods zetten, zijnde stenen ter gedachtenis voor de kinderen Israels; en Aaron zal hun namen op zijn beide schouders dragen, ter gedachtenis, voor het aangezicht des HEEREN.13Gij zult ook gouden kastjes maken,14En twee ketentjes van louter goud; gelijk-eindigende zult gij die maken, gedraaid werk; en de gedraaide ketentjes zult gij aan de kastjes hechten.

Aäron is een beeld van Christus in Zijn karakter als de grote Hogepriester. Aäron was de voorspraak van het volk bij de HEERE, zoals de Heere Jezus nu de Voorspraak is bij de Vader voor hen die Hem toebehoren (zie 1 Johannes 2 vers 1).

De kleren van de hogepriester wijzen heen naar alles wat met de dienst van de Heere Jezus verbonden is; een dienst die Hij nu doet in de hemel voor de Zijnen.

O, dat de Heilige Geest ons verstand en inzicht mag geven om de betekenissen van de verschillende kledingstukken te begrijpen! Ze zijn niet alleen een illustratie van de heerlijke eigenschappen van onze grote Hogepriester, maar ook van waarheden waarmee wij nauw verbonden zijn.

De efod, een bovenkleed zonder mouwen, was het belangrijkste en meest karakteristieke kledingstuk. Evenals de voorhang was deze geweven en bewerkt met verschillende kleuren draad waarvan we de betekenis al kennen.

Twee schouderbanden waarmee het voor— en achterpand met elkaar verbonden waren, maakten het geheel compleet.

Op elke schouderband zat een sardónixsteen, die beide gevat waren "in gouden kastjes". In die stenen stonden de namen van de twaalf stammen van Israël onuitwisbaar gegraveerd. Daarin zien we een prachtig beeld van hoe de Heere Jezus de Zijnen draagt en voor ze zorgt. Hij kent ze bij name en ze zijn geen moment uit Zijn gedachten (vergelijk ook Lukas 15 vers 5). Bovendien vormen zij een deel van Zijn heerlijkheid en van Zijn sieraad (vers 2).

Exodus 28:15-30
15Gij zult ook een borstlap des gerichts maken, van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk des efods zult gij hem maken; van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult gij hem maken.16Vierkant zal hij zijn, en verdubbeld; een span zal zijn lengte zijn, en een span zijn breedte.17En gij zult vervullende stenen daarin vullen, vier rijen stenen, een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.18En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier, en een Diamant.19En de derde rij, een Hyacinth, Agaat en Amethyst.20En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; zij zullen met goud ingevat zijn in hun vullingen.21En deze stenen zullen zijn met de twaalf namen der zonen van Israel, met hun namen; zij zullen als zegelen gegraveerd worden, elk met zijn naam; voor de twaalf stammen zullen zij zijn.22Gij zult ook aan den borstlap gelijkeindigende ketentjes van gedraaid werk uit louter goud maken.23Gij zult ook aan den borstlap twee gouden ringen maken; en gij zult de twee ringen aan de twee einden van de borstlap zetten.24Dan zult gij de twee gedraaide gouden ketentjes in de twee ringen doen, aan de einden van den borstlap.25Maar de twee einden der twee gedraaide ketentjes zult gij aan die twee kastjes doen; en gij zult ze zetten aan de schouderbanden van den efod, recht op de voorste zijde van dien.26Gij zult nog twee gouden ringen maken, en zult ze aan de twee einden des borstlaps zetten; inwendig aan zijn rand, die aan de zijde van de efod zijn zal.27Nog zult gij twee gouden ringen maken, die gij zetten zult aan de twee schouderbanden van den efod, beneden aan de voorste zijde, tegenover zijn voege, boven den kunstelijken riem des efods.28En zij zullen den borstlap met zijn ringen aan de ringen van den efod opwaarts binden, met een hemelsblauw snoer, dat hij op den kunstelijken riem van den efod zij; en de borstlap zal van den efod niet afgescheiden worden.29Alzo zal Aaron de namen der zonen van Israel dragen aan den borstlap des gerichts, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, ter gedachtenis voor het aangezicht des HEEREN geduriglijk.30Gij zult ook in den borstlap des gerichts de Urim en de Thummim zetten, dat zij op het hart van Aaron zijn, als hij voor het aangezicht des HEEREN ingaan zal; alzo zal Aaron dat gericht der kinderen Israels geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht des HEEREN.

De borstlap hing over het voorpand van de efod en was eraan vastgemaakt. Het was een soort harnas met daarop twaalf kostbare stenen, naar het getal van de stammen van Israël. Hierdoor droeg Aäron ze als het ware steeds op zijn hart (vers 30). Wat een aangrijpend beeld van de plaats die wij als gelovigen bij de Heere innemen! Wij rusten op Zijn krachtige schouders, maar ook aan Zijn hart. We zijn voortdurend het voorwerp van Zijn liefde (zie Johannes 13 vers 23).

Onder het woord "gedurig" in dit hoofdstuk zouden we een streep moeten zetten (vers 29, 30 en 38). Zoals de stenen aan de borstlap niet verloren kunnen gaan (zo vast zitten ze!), zo is er ook niets wat de verlosten van de Heere kan scheiden. Er is niets dat hen van Zijn kracht kan beroven, en niets dat hen kan scheiden van Zijn liefde (Romeinen 8 vers 35).

Hoewel elke steen verschilde van de andere, waren ze toch allemaal even kostbaar. Elke steen weerkaatste op zijn eigen manier het licht van de kandelaar. Zo mag iedere gelovige, hoe verschillend ook van een ander, op zijn manier iets van de kenmerken van de Heere Jezus uitstralen.

Elke gelovige afzonderlijk is kostbaar voor het hart van Hem Die allen draagt. Soms bestaat het gevaar dat wij op andere gelovigen kritiek hebben. Laten we er dan aan denken dat ook zij geliefd zijn door de Heere.

Uiteindelijk moeten alle edelstenen — dat wil zeggen: alle gelovigen — geslepen en gepolijst worden, opdat zij het licht van het heiligdom goed kunnen weerspiegelen. Dat slijpen en polijsten is het moeizame werk van de Heilige Geest.

Exodus 28:31-43
31Gij zult ook den mantel des efods geheel van hemelsblauw maken.32En het hoofdgat deszelven zal in het midden daarvan zijn; dit gat zal een boord rondom hebben van geweven werk; als het gat eens pantsiers zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd worde.33En aan deszelfs zomen zult gij granaatappelen maken van hemelsblauw, en van purper, en van scharlaken, aan zijn zomen rondom, en gouden schelletjes rondom tussen dezelve.34Dat er een gouden schelletje, daarna een granaatappel zij; wederom een gouden schelletje, en een granaatappel, aan de zomen des mantels rondom.35En Aaron zal denzelven aanhebben, om te dienen; opdat zijn geluid gehoord worde, als hij in het heilige, voor het aangezicht des HEEREN, ingaat, en als hij uitgaat, opdat hij niet sterve.36Verder zult gij een plaat maken van louter goud, en gij zult daarin graveren, gelijk men de zegelen graveert: De HEILIGHEID DES HEEREN!37En gij zult dezelve aanhechten met een hemelsblauw snoer, alzo dat zij aan den hoed zij; aan de voorste zijde des hoeds zal zij zijn.38En zij zal op het voorhoofd van Aaron zijn, opdat Aaron drage de ongerechtigheid der heilige dingen, welke de kinderen Israels zullen geheiligd hebben, in alle gaven hunner geheiligde dingen; en zij zal geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn, om henlieden voor het aangezicht des HEEREN aangenaam te maken.39Gij zult ook een rok vol oogjes maken, van fijn linnen; gij zult ook den hoed van fijn linnen maken; maar den gordel zult gij van geborduurd werk maken.40Voor de zonen van Aaron zult gij ook rokken maken, en gij zult voor hen gordels maken; ook zult gij voor hen mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad.41En gij zult die uw broeder Aaron en ook zijn zonen aantrekken; en gij zult hen zalven, en hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen.42Maak hun ook linnen onderbroeken, om het vlees der schaamte te bedekken; zij zullen zijn van de lenden tot de dijen.43Aaron nu en zijn zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent der samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal een eeuwige inzetting zijn, voor hem, en zijn zaad na hem.

Het geheel blauwe bovenkleed (de mantel) dat Aäron onder de efod droeg, herinnert aan het hemelse karakter van onze grote Hogepriester. Terwijl Hijzelf "hoger dan de hemelen geworden" is (Hebreeën 7 vers 26), heeft Hij Zich hier op aarde een getuigenis toebereid: het samenwonen van broeders, hierin ondersteund door Zijn priesterschap in de hemel, waarmee zij — om het zo te zeggen — "de zoom van zijn klederen" vormen (Psalm 133 vers 1 en 2).

Bij de "schelletjes" denken we eraan dat men in het leven van een gelovige iets moet horen. Het klingelen was een teken dat de priester leefde en zich bewoog. Laten wij in onze omgeving zien dat Christus leeft?

De "granaatappelen" spreken van de vrucht die te zien moet zijn in het leven van de gelovigen, als zij werkelijk verbonden zijn met het 'bovenkleed' van de hemelse Mens (vergelijk Johannes 15 vers 5).

Laten we er ook op letten dat het aantal schelletjes gelijk is aan het aantal granaatappelen. Dat betekent dat woord en daad in het leven van elk kind van God met elkaar in overeenstemming moeten zijn.

Als wij ons in deze dienst van getuigen te zwak en onvolkomen voelen, dan mogen we weten dat we een Helper hebben: de Heere Jezus, Die voor God volmaakt heilig is, met op Zijn voorhoofd "een plaat van louter goud" waarop staat: "DE HEILIGHEID DES HEEREN". Als we hier over nadenken, zullen we ons niet meer met onze zwakheden, maar met Zijn volmaaktheid bezighouden.

Het slot van het hoofdstuk beschrijft ons de kleding van de
zonen van Aäron (zie ook de belofte uit Psalm 132 vers 16).

Exodus 29:1-18
1Dit nu is de zaak, die gij hun doen zult, om hen te heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen: neem een var, het jong eens runds, en twee volkomen rammen;2En ongezuurd brood, en ongezuurde koeken, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken; van tarwemeelbloem zult gij dezelve maken.3En gij zult ze in een korf leggen, en zult ze in den korf toebrengen, met den var en de twee rammen.4Alsdan zult gij Aaron en zijn zonen doen naderen aan de deur van de tent der samenkomst; en gij zult hen met water wassen.5Daarna zult gij de klederen nemen, en Aaron den rok, en den mantel des efods, en den efod, en den borstlap aandoen; en gij zult hem omgorden met den kunstelijken riem des efods.6En gij zult den hoed op zijn hoofd zetten; de kroon der heiligheid zult gij aan den hoed zetten.7En gij zult de zalfolie nemen, en op zijn hoofd gieten; alzo zult gij hem zalven.8Daarna zult gij zijn zonen doen naderen, en zult hen de rokken doen aantrekken.9En gij zult hen met den gordel omgorden, namelijk Aaron en zijn zonen; en gij zult hun de mutsen opbinden, opdat zij het priesterambt hebben tot een eeuwige inzetting. Voorts zult gij de hand van Aaron vullen, en de hand zijner zonen.10En gij zult den var nabij brengen voor de tent der samenkomst; en Aaron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd van den var leggen.11En gij zult den var slachten voor het aangezicht des HEEREN, voor de deur van de tent der samenkomst.12Daarna zult gij van het bloed des vars nemen, en met uw vinger op de hoornen des altaars doen; en al het bloed zult gij uitgieten aan den bodem des altaars.13Gij zult ook al het vet nemen, hetwelk het ingewand bedekt, en het net over de lever, en beide nieren en het vet, dat aan dezelve is, en gij zult ze aansteken op het altaar.14Maar het vlees des vars, en zijn vel, en zijn drek, zult gij met vuur verbranden, buiten het leger; het is een zondoffer.15Daarna zult gij den ene ram nemen, en Aaron en zijn zonen zullen hun handen op het hoofd des rams leggen;16En gij zult den ram slachten, en gij zult zijn bloed nemen, en rondom op het altaar sprengen.17En den ram zult gij in zijn delen delen; en gij zult zijn ingewand en zijn schenkelen wassen, en op zijn delen, en op zijn hoofd leggen.18Alzo zult gij den gehelen ram aansteken op het altaar; het is een brandoffer den HEERE, tot een liefelijken reuk, het is een vuuroffer den HEERE.

Als er alleen gesproken wordt over Aäron, dan is hij een type van de Heere Jezus. Aäron wordt dan ook alleen maar gezalfd met olie, het bloed is voor hem niet nodig (vers 7).

Als we Aäron samen met zijn zonen voorgesteld zien, dan is hij een beeld van Christus en de Zijnen. Op grond van hun verbinding met Christus, de grote Hogepriester in de hemel, zijn de gelovigen met Hem vereend om God lofoffers te brengen. Maar voordat Aäron en zijn zonen de dienst konden uitoefenen, moesten ze aan bepaalde voorwaarden hebben voldaan. Er moesten offers voor hen bereid worden en zijzelf moesten naar de ingang van de tent der samenkomst komen om daar met water gewassen te worden. Let erop: ze konden dat niet zelf doen! Daarna kregen ze de nieuwe kleren aan, zoals ze ons in hoofdstuk 28 beschreven zijn.

Dezelfde voorwaarden zijn in geestelijk opzicht ook vandaag nodig voor welke christelijke taak dan ook. Men moet met het kostbare Offer waardoor onze zonden verzoend zijn, tot God komen. Vervolgens is het "bad des waters door het Woord" nodig (Efeze 5 vers 26; vergelijk Hebreeën 10 vers 22 en Titus 3 vers 5). En tenslotte horen bij onze gereinigde lichamen ook reine kleren. In Zacharia 3 vers 3 tot en met 5 zien we een hogepriester, Jozua, die door de HEERE bekleed werd met wisselklederen (feestklederen), nadat zijn vuile kleren uitgetrokken waren.

Ons gedrag naar buiten toe moet rein en in overeenstemming met onze innerlijke reiniging zijn. Dit is alleen maar mogelijk als wij de Heere Jezus Christus hebben aangedaan (Romeinen 13 vers 14).

Exodus 29:19-30
19Daarna zult gij den anderen ram nemen, en Aaron en zijn zonen zullen hun handen op des rams hoofd leggen;20En gij zult den ram slachten, en van zijn bloed nemen, en doen het op het rechter oorlapje van Aaron, en op het rechteroorlapje van zijn zonen, desgelijks op den duim hunner rechterhand, en op den groten teen huns rechtervoets; en dat bloed zult gij op het altaar sprengen, rondom heen.21Dan zult gij nemen van het bloed, dat op het altaar is, en van de zalfolie, en gij zult op Aaron en op zijn klederen sprengen, en op zijn zonen en op de klederen zijner zonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijn klederen, ook zijn zonen, en de klederen zijner zonen met hem.22Daarna zult gij van den ram nemen het vet mitsgaders den staart, ook het vet, dat het ingewand bedekt, en het net der lever en de beide nieren, met het vet, dat aan dezelve is, en den rechterschouder; want het is een ram der vulofferen;23En een broodbol, en een koek geolied brood, en een vlade, uit den korf der ongezuurde broden, die voor het aangezicht des HEEREN zijn zal;24En leg ze alle op de handen van Aaron, en op de handen zijner zonen, en beweeg ze ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN.25Neem ze daarna van hun hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandoffer, tot een liefelijken reuk voor het aangezicht des HEEREN; het is een vuuroffer den HEERE.26En neem de borst van den ram der vulofferen, die van Aaron is, en beweeg hem ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en het zal u ten dele zijn.27En gij zult de borst des beweegoffers heiligen, en de schouder des hefoffers, die bewogen, en die opgeheven zal zijn van den ram des vuloffers, van hetgeen dat Aarons, en van hetgeen dat zijner zonen is.28En het zal voor Aaron en zijn zonen zijn tot een eeuwige inzetting vanwege de kinderen Israels; want het is een hefoffer; en het hefoffer vanwege de kinderen Israels zal zijn van hun dankofferen; hun hefoffer zal voor den HEERE zijn.29De heilige klederen nu, die van Aaron zullen geweest zijn, zullen van zijn zonen na hem zijn, opdat men hen in dezelve zalve, en dat men hun hand in dezelve vulle.30Zeven dagen zal hij ze aantrekken, die uit zijn zonen in zijn plaats priester zal worden, die in de tent der samenkomst gaan zal, om in het heilige te dienen.

De plechtige handelingen gaan door. De zonen van Aäron waren niet gereinigd om nu maar te doen wat ze zelf wilden. Nee, ze waren geheiligd en tot de dienst van de Heere gewijd.

Terwijl in Israël alleen de familie van Aäron de priesterdienst mocht uitoefenen, zijn nu allen die tot het volk van God behoren, geroepen deze verheven dienst te verrichten. Beste vrienden, als God jullie in Zijn grote liefde gered heeft, is dat om Hem voortaan volledig toegewijd te zijn.

Het bloed "op het rechter oorlapje", "op de duim van hun rechterhand" en "op de grote teen van hun rechtervoet", houdt ook voor ons een belangrijke les in. Deze onderdelen van het lichaam, die ons spreken van gehoorzaamheid, handel en wandel, zijn voor God geheiligd. Waartoe? Opdat ze Hem ter beschikking staan, in de kracht van de Heilige Geest (de olie).

Het is opvallend dat in sommige Bijbelvertalingen voor het woord '(in)wijden' ook wel de uitdrukking "hun hand vullen" wordt gebruikt (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 28 vers 41). Dit werpt een heel ander licht op deze handeling. Het gaat er dan niet om dat men zichzelf als een offer aan de Heere geeft (kunnen we Hem trouwens iets geven wat Hem al toebehoort?), maar het is precies het tegenovergestelde. Wij moeten eerst onze handen, onze harten, door God laten vullen, voordat wij het beweegoffer kunnen bewegen (vers 24; 1 Kronieken 29 vers 14). Dat wil zeggen, aan God vertellen Wie de Heere Jezus voor ons is en wat wij in Hem hebben gevonden.

Exodus 29:31-46
31Gij zult den ram der vulling nemen, en gij zult zijn vlees in de heilige plaats zieden.32Aaron nu en zijn zonen zullen het vlees van dezen ram eten, en het brood, dat in den korf zal zijn, bij de deur van de tent der samenkomst.33En zij zullen die dingen eten, met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hun hand te vullen, en om hen te heiligen; maar een vreemde zal ze niet eten, want ze zijn heilig.34En indien er wat overblijven zal van het vlees der vulofferen, of van dit brood, tot aan den morgen, zo zult gij het overgeblevene met vuur verbranden; het zal niet gegeten worden, want het is heilig.35Gij zult dan aan Aaron en aan zijn zonen alzo doen, naar alles, wat Ik u geboden heb; zeven dagen zult gij hun hand vullen.36Gij zult ook des daags een var des zondoffers bereiden, tot de verzoeningen, en gij zult het altaar ontzondigen, mits doende de verzoening over hetzelve; en gij zult het zalven, om het te heiligen.37Zeven dagen zult gij verzoening doen voor het altaar, en zult het heiligen; alsdan zal dat altaar een heiligheid der heiligheden zijn; al wat het altaar aanroert, zal heilig zijn.38Dit nu is het, wat gij op het altaar bereiden zult: twee lammeren, die eenjarig zijn, des daags, geduriglijk.39Het ene lam zult gij des morgens bereiden; maar het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden.40Met een tiende deel meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin gestoten olie; en tot drankoffer een vierde deel van een hin wijn, tot het ene lam.41Het andere lam nu zult gij bereiden tussen de twee avonden; gij zult daarmede doen gelijk met het morgenspijsoffer, en gelijk met het drankoffer deszelven, tot een liefelijken reuk; het is een vuuroffer den HEERE.42Het zal een geduriglijk brandoffer zijn bij uw geslachten, aan de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; aldaar zal Ik met ulieden komen, dat Ik aldaar met u spreke.43En daar zal Ik komen tot de kinderen Israels; opdat zij geheiligd worden door Mijn heerlijkheid.44En Ik zal de tent der samenkomst heiligen, mitsgaders het altaar; Ik zal ook Aaron en zijn zonen heiligen, opdat zij Mij het priesterambt bedienen.45En Ik zal in het midden der kinderen Israels wonen, en Ik zal hun tot een God zijn.46En zij zullen weten, dat Ik de HEERE hun God ben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik in het midden van hen wonen zou; Ik ben de HEERE, hun God.

De "ram der vulling" (of van de inwijding) moest geofferd en dan door de priesters gegeten worden. Zo moet ook de verloste, als hij zijn God wil dienen, zich voeden met Hem Die God volkomen toegewijd was, zelfs tot in de dood. De apostel vermaant ons: "Wandelt in de liefde, gelijk ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer Gode tot een welriekende reuk" (Efeze 5 vers 2).

De priesters moesten het vlees van deze ram "bij de deur van de tent der samenkomst" eten, dat betekent: vóórdat zij in het heiligdom dienden.

Op elk van deze zeven dagen moest opnieuw een offer gebracht worden. Dit herinnert ons eraan dat er voor onze harten dagelijks nieuwe oefeningen zijn en dat telkens opnieuw onze genegenheid voor de Heere moet blijken.

Het slot van dit hoofdstuk spreekt over de offers die "gedurig" gebracht moesten worden (Numeri 28 vers 3 tot 10). Voor ons wil dat zeggen dat wij onophoudelijk tot God mogen spreken over het werk van de Heere Jezus op het kruis en daarin roemen.

Nadat God de tent, het altaar en de priesterlijke familie geheiligd had, kon Hij in het midden van de Zijnen wonen, zoals het met Zijn heerlijkheid in heiligheid overeenkomt (vers 44 en 45).

Ook de apostel Paulus brengt het wonen van God door de Heilige Geest in de gelovigen in verbinding met die heiligheid. Dat God in ons woont, moet gekenmerkt zijn door heiligheid (1 Korinthe 3 vers 16 en 17 en 6 vers 19).

Exodus 30:1-16
1Gij zult ook een reukaltaar des reukwerks maken; van sittimhout zult gij het maken.2Een el zal zijn lengte zijn, en een el zijn breedte, vierkant zal het zijn, maar twee ellen deszelfs hoogte; uit hetzelve zullen zijn hoornen zijn.3En gij zult het met louter goud overtrekken, zijn dak en deszelfs wanden rondom, als ook zijn hoornen; en gij zult het een gouden krans rondom maken.4Gij zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult gij dezelve maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmede drage.5De draagbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult die met goud overtrekken.6En gij zult het zetten voor den voorhang, die voor de ark der getuigenis zijn zal; voor het verzoendeksel, hetwelk zijn zal boven de getuigenis, waarheen Ik met u samenkomen zal.7En Aaron zal daarop aansteken welriekende specerijen; allen morgen, als hij de lampen wel zal toegericht hebben, zal hij dezelve aansteken.8En als Aaron de lampen aansteken zal, tussen de twee avonden, zal hij dat aansteken; het zal een gedurig reukwerk zijn, voor het aangezicht des HEEREN, bij uw geslachten.9Gij zult geen vreemd reukwerk op hetzelve aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten.10En Aaron zal eens in het jaar over deszelfs hoornen verzoening doen, met het bloed des zondoffers der verzoeningen; eens in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uw geslachten; het is heiligheid der heiligheden den HEERE!11Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:12Als gij de som van de kinderen Israels opnemen zult, naar de getelden onder hen, zo zullen zij een iegelijk de verzoening zijner ziel den HEERE geven, als gij hen tellen zult; opdat onder hen geen plage zij, als gij hen tellen zult.13Dit zullen zij geven, al die tot de getelden overgaat, de helft eens sikkels, naar de sikkel des heiligdoms (deze sikkel is twintig gera); de helft eens sikkels is een hefoffer den HEERE.14Al wie overgaat tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, zal het hefoffer des HEEREN geven.15De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal het niet verminderen van de helft des sikkels, als gij het hefoffer des HEEREN geeft om voor uw zielen verzoening te doen.16Gij dan zult het geld der verzoeningen van de kinderen Israels nemen, en zult het leggen tot den dienst van de tent der samenkomst; en het zal den kinderen Israels ter gedachtenis zijn, voor het aangezicht des HEEREN, om voor uw zielen verzoening te doen.

Nadat het werk waardoor het de priester was toegestaan tot God te naderen, volbracht was, kon er sprake zijn van een ander altaar. Een altaar, overtrokken met goud, waarop Aäron en zijn zonen welriekend reukwerk moesten offeren.

Het eerste altaar wijst ons op Christus en de waarde van Zijn bloed. Het tweede altaar ziet ook op Hem, maar dit spreekt van Zijn werk als Voorspraak. Het gouden en het koperen altaar zijn niet van elkaar te scheiden. De Heere Jezus werd eerst het Offer en toen de Priester. Nadat Hij op het kruis Zijn reinigend bloed heeft vergoten, kan Hij nu voor de Zijnen levend verschijnen in de hemelse gewesten.

Op het gouden altaar werd geen offerdier gebracht, want Christus hoeft niet meer te lijden en te sterven. Het werk is volbracht en voortaan is Hij hèt Onderwerp in de hemel, 'het welriekend reukwerk' voor de dienst van God. Door Hem mag de verloste naderen om de Vader reukwerk van aanbidding en gebed te brengen (Psalm 141 vers 2). Echte eredienst bestaat daarin dat men tot God spreekt over de volmaaktheden van Zijn Zoon.

De verzen 11 tot en met 16 spreken over losgeld. Dat was iets heel persoonlijks. Toch was de prijs voor de rijke even hoog als voor de arme, want God maakt geen verschil in zondaren (Romeinen 2 vers 11). Maar God biedt ook ieder hetzelfde redmiddel aan, en wel "om niet".

Exodus 30:17-38
17En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:18Gij zult ook een koperen wasvat maken, met zijn koperen voet, om te wassen; en gij zult het zetten tussen de tent der samenkomst, en tussen het altaar, en gij zult water daarin doen;19Dat Aaron en zijn zonen zich daaruit wassen, hun handen en voeten.20Wanneer zij in de tent der samenkomst zullen gaan, zo zullen zij zich met water wassen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen, om te dienen, dat zij het vuuroffer den HEERE aansteken;21Zij zullen dan hun handen en voeten wassen, opdat zij niet sterven; en dit zal hun een eeuwige inzetting zijn, voor hem en zijn zaad, bij hun geslachten.22Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:23Gij nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre, vijfhonderd sikkels, en specerijkaneel, half zoveel namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerijkalmus, tweehonderd en vijftig sikkels;24Ook kassie, vijfhonderd, naar den sikkels des heiligdoms, en olie van olijfbomen een hin;25En maak daarvan een olie der heilige zalving, een zalf, heel kunstiglijk gemaakt, naar apothekerswerk; het zal een olie der heilige zalving zijn.26En met dezelve zult gij zalven de tent der samenkomst, en de ark der getuigenis.27En de tafel met al haar gereedschap, en de kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar;28En het altaar des brandoffers, met al zijn gereedschap, en het wasvat met zijn voet.29Gij zult ze alzo heiligen, dat zij heiligheid der heiligheden zijn; al wat ze aanroert, zal heilig zijn.30Gij zult ook Aaron en zijn zonen zalven, en gij zult hen heiligen, om Mij het priesterambt te bedienen.31En gij zult tot de kinderen Israels spreken, zeggende: Dit zal Mij een olie der heilige zalving zijn bij uw geslachten.32Op geens mensen vlees zal men ze gieten; gij zult ook naar haar maaksel geen dergelijke maken; het is heiligheid, zij zal ulieden heiligheid zijn.33De man, die zulk een zalf maken zal als deze, of die daarvan op wat vreemds doet, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.34Verder zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u welriekende specerijen, mirresap, en oniche, en galban, deze welriekende specerijen, en zuiveren wierook; dat elk bijzonder zij.35En gij zult een reukwerk ener zalf daaruit maken, naar het werk des apothekers, gemengd, rein, heilig.36En gij zult van hetzelve heel klein pulver stoten, en gij zult daarvan leggen voor de getuigenis in de tent der samenkomst, waarheen Ik tot u komen zal; het zal ulieden heiligheid der heiligheden zijn.37Doch naar het maaksel dezes reukwerks, hetwelk gij gemaakt zult hebben, zult gijlieden voor uzelven geen maken; het zal u heiligheid zijn voor den HEERE.38De man, die dergelijke maken zal, om daaraan te rieken, die zal uitgeroeid worden uit zijn volken.

Voor het uitoefenen van de dienst van de Heere ontbrak nog één voorwerp: het koperen wasvat. Het moest in de voorhof, tussen het altaar en de tent, opgesteld worden. Dus als het ware in het looppad dat de priester moest volgen om zijn dienst te doen. In dat wasvat moest hij zijn handen en voeten wassen. Dit is een beeld van zelfoordeel, bewerkt door het Woord. Het reinigt de aanbidder van het vuil dat hij op zijn weg door de wereld oploopt (Johannes 13 vers 10).

Na het water, dat reinigt van onreinheid (de negatieve kant), komt de "olie der heilige zalving". Dit is een beeld van de Heilige Geest; de olie geeft de dienst een heilig karakter (de positieve kant). De verschillende bestanddelen waaruit de olie gemaakt werd, geven elk een verschillende zijde van de genade en de heerlijkheid van Christus weer.

Het was verboden de heilige olie op het vlees van een mens uit te gieten. Dit betekent voor ons dat de gaven van de Geest nooit mogen dienen tot verheerlijking van een mens. Men mocht ook zelf geen olie namaken, dat wil zeggen, de openbaringen van de Heilige Geest nabootsen.

In Psalm 133 vers 2 zien we dat deze kostbare olie uitgegoten wordt op het hoofd van Aäron en naar beneden stroomt op zijn baard en de zoom van zijn kleren. Wat een prachtig beeld van de verlosten die door de Heilige Geest mogen genieten van de kostbaarheden van hun verheerlijkt Hoofd en die deelhebben aan diezelfde zalving!

Maar omgekeerd steeg de geur van het heilig reukwerk steeds op tot God. Zo wordt Hem de volmaaktheid van Zijn Geliefde, tot in het kleinste detail, voorgesteld.

Exodus 31:1-18
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleel, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.3En Ik heb hem vervuld met den Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;4Om te bedenken vernuftigen arbeid; te werken in goud, en in zilver, en in koper,5En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding, om te werken in alle handwerk.6En Ik, zie, Ik heb hem bijgevoegd Aholiab, den zoon van Ahisamach, van den stam van Dan; en in het hart van een iegelijk, die wijs van hart is, heb Ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat Ik u geboden heb.7Namelijk de tent der samenkomst, en de ark der getuigenis, en het verzoendeksel, dat daarop zal zijn, en al het gereedschap der tent;8En de tafel, met haar gereedschap; en den louteren kandelaar, met al zijn gereedschap; en het reukaltaar;9Ook des brandoffers altaar, met al zijn gereedschap; en het wasvat met zijn voet;10En de ambtsklederen, en de heilige klederen van den priester Aaron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen;11Ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor het heiligdom; naar alles, wat Ik u geboden heb, zullen zij het maken.12Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:13Gij nu, spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de HEERE ben, Die u heilige.14Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.15Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heiligheid des HEEREN! Wie op de sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.16Dat dan de kinderen Israels de sabbat houden, de sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond.17Hij zal tussen Mij en tussen de kinderen Israels een teken in eeuwigheid zijn; dewijl de HEERE, in zes dagen, den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en Zich verkwikt heeft.18En Hij gaf aan Mozes, als Hij met hem op den berg Sinai te spreken geeindigd had, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Gods.

Laten we goed letten op de volgorde waarin verschillende uitdrukkingen in dit hoofdstuk staan: "Ik heb met name geroepen", "Ik heb hem vervuld met de Geest", "Ik heb hem bijgevoegd", en: "In het hart ... heb Ik wijsheid gegeven". Alles wat betrekking heeft op de dienst, wordt van boven, door God Zelf, voorgeschreven en geleid. Zelfs Mozes was niet bevoegd om de arbeiders uit te kiezen.

In het Boek Handelingen zien we dat de Heilige Geest Barnabas en Saulus afzonderde voor het werk waartoe God hen had geroepen (Handelingen 13 vers 2). Daarom betaamt het de arbeider ook niet om zelf uit te maken wat hij wil doen. God is het Die hem roept en hem de nodige wijsheid geeft.

God heeft aan ieder verstand gegeven, maar waartoe gebruiken wij het? Om veel te leren, zodat we het in de maatschappij ver zullen schoppen? De Heere Jezus wil dat wij onze capaciteiten onder de leiding van de Heilige Geest gebruiken voor de dienst voor Hem.

God geeft met de dienst ook de nodige rust aan Zijn dienstknechten. In het Evangelie naar Markus lezen we dat de Heere Jezus de Zijnen bij Zich roept en hen uitzendt. Maar ook dat Hij ze later, als ze teruggekeerd zijn, apart neemt om een weinig uit te rusten (Markus 6 vers 7 en 31).

In Exodus 31 lezen we dat de sabbat een tijd van rust is. "De sabbat is gemaakt om de mens", zegt de Heere Jezus in Markus 2 vers 27. Laten we God danken voor de rust die Hij ons toestaat!

Exodus 32:1-10
1Toen het volk zag, dat Mozes vertoog van den berg af te komen, zo verzamelde zich het volk tot Aaron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.2Aaron nu zeide tot hen: Rukt af de gouden oorsierselen, die in de oren uwer vrouwen, uwer zonen, en uwer dochteren zijn; en brengt ze tot mij.3Toen rukte het ganse volk de gouden oorsierselen af, die in hun oren waren; en zij brachten ze tot Aaron.4En hij nam ze uit hun hand, en hij bewierp het met een griffie, en hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uw goden, Israel! die u uit Egypteland opgevoerd hebben.5Als Aaron dat zag, zo bouwde hij een altaar voor hetzelve; en Aaron riep uit, en zeide: Morgen zal den HEERE een feest zijn!6En zij stonden des anderen daags vroeg op, en offerden brandoffer, en brachten dankoffer daartoe; en het volk zat neder om te eten en te drinken; daarna stonden zij op, om te spelen.7Toen sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, klim af! want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven.8En zij zijn haast afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt; en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uw goden, Israel, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.9Verder zeide de HEERE tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk!10En nu, laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere; zo zal Ik u tot een groot volk maken.

Wat zou het fijn geweest zijn als we van de beschrijving van de tabernakel in hoofdstuk 31 direct over hadden kunnen gaan naar de bouw waarover we vanaf hoofdstuk 35 lezen. Maar helaas vinden we daartussen een donkere episode uit de geschiedenis van het arme volk. Terwijl God op de berg de wet aan Mozes gaf, overtrad het volk in de vlakte al de eerste beide geboden. Terwijl de HEERE nog bezig was om Mozes aanwijzingen te geven voor de dienst van de Heere, bedreef Israël al afgodendienst.

Wat is de verdorvenheid en ondankbaarheid van de mens toch groot! Wat vergeet hij gauw Gods wonderdaden (Psalm 78 vers 11 en 106 vers 19 tot en met 23)! De afgodendienst is niet alleen een zonde van Israël of de heidenen. Paulus waarschuwt de christenen er ook voor (1 Korinthe 10 vers 7 en 14). Een afgod is alles wat in ons hart de plaats inneemt die alleen de Heere Jezus toekomt.

Het kan:

een afbeelding van een god van de wereld zijn (zoals het gouden kalf; de Egyptenaren vereerden de stier Apis);

— in een bepaalde vorm gegoten worden (dat wil zeggen dat onderlinge gesprekken bepaald worden door menselijke ideeën en niet geleid zijn door de Geest);

met de griffel ontworpen en gevormd zijn (dat wil zeggen dat het de vrucht is van onze eigen inspanning; Jesaja 44 vers 10 en 12).

Dit kan allemaal gebeuren als we de komst van onze Middelaar, Christus, uit het oog verloren hebben, Hij Die nu nog in de hemel is, zoals Mozes toen op de berg was.

Exodus 32:11-20
11Doch Mozes aanbad het aangezicht des HEEREN zijns Gods, en hij zeide: O HEERE! waarom zou Uw toorn ontsteken tegen Uw volk, hetwelk Gij met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt?12Waarom zouden de Egyptenaars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft Hij hen uitgevoerd, opdat Hij hen doodde op de bergen, en opdat Hij hen vernielde van den aardbodem? Keer af van de hittigheid Uws toorns, en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen.13Gedenk aan Abraham, aan Izak en aan Israel, Uw knechten, aan welke Gij bij Uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken: Ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels; en dit gehele land, waarvan Ik gezegd heb, zal Ik aan ulieder zaad geven, dat zij het erfelijk bezitten in eeuwigheid.14Toen berouwde het den HEERE over het kwaad, hetwelk Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen.15En Mozes wendde zich om, en klom van den berg af, met de twee tafelen der getuigenis in zijn hand; deze tafelen waren op haar beide zijden beschreven, zij waren op de ene en op de andere zijde beschreven.16En diezelfde tafelen waren Gods werk; het geschrift was ook Gods geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd.17Toen nu Jozua des volks stem hoorde, als het juichte, zo zeide hij tot Mozes: Er is een krijgsgeschrei in het leger.18Maar hij zeide: Het is geen stem des geroeps van overwinning, het is ook geen stem des geroeps van nederlaag; ik hoor een stem van zingen bij beurte.19En het geschiedde, als hij aan het leger naderde, en het kalf, en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp, en dezelve beneden aan den berg verbrak.20En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water, en deed het den kinderen Israels drinken.

"Uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven", zo sprak de HEERE tot Mozes (vers 7). Maar Mozes zegt: "Uw volk, dat Gij met grote kracht, en met een sterke hand, uit Egypteland uitgevoerd hebt" (vers 11).

In Johannes 17 vers 9, waar de Heere Jezus voor de Zijnen bidt, zegt Hij ook: "Zij zijn Uwe". Verder zei Mozes dat de HEERE Zijn volk toch niet kon vernietigen?!

Mozes is een heel goede advocaat. Vroeger had hij gezegd, "geen man wel ter tale" te zijn en dat hij "zwaar van mond" was (hoofdstuk 4 vers 10). Maar nu is zijn hart erg begaan met het lot van Israël en hij kan, geleid door de Heilige Geest, vanuit het diepst van zijn hart met de juiste woorden opkomen voor het volk.

Toch had alle ijver van Mozes God niet kunnen verhinderen om Israël te vernietigen, als de wet waardoor het volk vervloekt werd, nu al aan het volk gegeven werd. Eén van beiden moest verdwijnen: óf de wet, óf het schuldige volk.

In Zijn genade stond God het toe dat de wet werd 'ingetrokken'. Mozes verbrak, in overeenstemming met Gods gedachten, de twee stenen tafelen onderaan de berg.

Toen de Heere Jezus op de schuldige aarde kwam, was dat niet om de wet te ontbinden. Integendeel zelfs, Hij heeft de wet ten volle vervuld, vóórdat Hij op het kruis de vloek van de wet onderging (Mattheüs 5 vers 17 en 18; Galaten 3 vers 13).

Exodus 32:21-35
21En Mozes zeide tot Aaron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat gij zulk een grote zonde over hetzelve gebracht hebt?22Toen zeide Aaron: De toorn mijns heren ontsteke niet! gij kent dit volk, dat het in den boze ligt.23Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan, want dezen Mozes, dien man, die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet, wat hem geschied zij.24Toen zeide ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af, en geve het mij; en ik wierp het in het vuur, en dit kalf is er uit gekomen.25Als Mozes zag, dat het volk ontbloot was, (want Aaron had het ontbloot tot verkleining onder degenen, die tegen hen hadden mogen opstaan),26Zo bleef Mozes staan in de poort des legers, en zeide: Wie den HEERE toebehoort, kome tot mij! Toen verzamelden zich tot hem al de zonen van Levi.27En hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; gaat door en keert weder, van poort tot poort in het leger, en een iegelijk dode zijn broeder, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste!28En de zonen van Levi deden naar het woord van Mozes; en er vielen van het volk, op dien dag, omtrent drie duizend man.29Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen den HEERE; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broeder; en dit, opdat Hij heden een zegen over ulieden geve!30En het geschiedde des anderen daags, dat Mozes tot het volk zeide: Gijlieden hebt een grote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot den HEERE opklimmen; misschien zal ik een verzoening doen voor uw zonde.31Zo keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben.32Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult! doch zo niet, zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt.33Toen zeide de HEERE tot Mozes: Dien zou Ik uit Mijn boek delgen, die aan Mij zondigt.34Doch ga nu heen, leid dit volk, waarheen Ik u gezegd heb; zie, Mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan! doch ten dage Mijns bezoekens, zo zal Ik hun zonde over hen bezoeken!35Aldus plaagde de HEERE dit volk, omdat zij dat kalf gemaakt hadden, hetwelk Aaron gemaakt had.

Terecht werd Mozes toornig. Eerst nam hij het voor het volk op bij de HEERE en nu komt hij voor de HEERE op bij het volk.

Hij beschuldigt Aäron die excuses bedenkt in plaats van zich te verootmoedigen. Dan moeten de zonen van Levi een verschrikkelijke opdracht uitvoeren. Maar dit toont ons dat de eer van God steeds voorrang heeft boven familie— of vriendschapsbanden. De zonen van Levi zijn trouw. Het blijkt dat dat door God gewaardeerd wordt, want later wordt hun de dienst in de tabernakel toevertrouwd (Deuteronomium 33 vers 9 en 10). God zal ons niet gebruiken voor Zijn dienst als Hij onze trouw niet eerst op de proef heeft gesteld.

Aan het einde van dit hoofdstuk zien we Mozes weer als voorspraak voor zijn volk. Hij stelt zich als het ware op tussen God en het volk. Hij doet niet als Aäron, maar erkent openlijk de feiten. Hij hoopt dat er verzoening voor het volk gedaan kan worden. Hij biedt zichzelf zelfs aan om gestraft te worden in plaats van het volk.

Hierdoor lijkt Mozes op de apostel Paulus die wenste "verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, die mijn verwanten zijn naar het vlees" (Romeinen 9 vers 3).

Zo'n offer is echter niet mogelijk. De Schrift zegt: "Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn losprijs niet kunnen geven" (Psalm 49 vers 8). Ja, "een ieder van ons zal voor zichzelf aan God rekenschap geven" (Romeinen 14 vers 12).

Alleen Christus kon verzoening doen voor de zondaar, omdat Hij zonder zonde was.

Exodus 33:1-11
1Voorts sprak de HEERE tot Mozes: Ga heen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, naar het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven;2En Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden (en Ik zal uitdrijven de Kanaanieten, de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten),3Naar het land, dat van melk en honig is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk; dat Ik u op dezen weg niet vertere.4Toen het volk dit kwade woord hoorde, zo droegen zij leed; en niemand van hen deed zijn versiersel aan zich.5En de HEERE had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal.6De kinderen Israels dan beroofden zichzelven van hun versierselen, verre van den berg Horeb.7En Mozes nam de tent, en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tent der samenkomst. En het geschiedde, dat al wie den HEERE zocht, uitging tot de tent der samenkomst, die buiten het leger was.8En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tent, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij de tent ingegaan was.9En het geschiedde, als Mozes de tent ingegaan was, zo kwam de wolkkolom nederwaarts, en stond in de deur der tent, en Hij sprak met Mozes.10Als het volk de wolkkolom zag staan in de deur der tent, zo stond al het volk op, en zij bogen zich, een ieder in de deur zijner tent.11En de HEERE sprak tot Mozes aangezicht tot aangezicht, gelijk een man met zijn vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger; doch zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der tent.

Gedreven door heilige toorn heeft Mozes het gouden kalf vernietigd en het volk getuchtigd. Dan deelt hij het volk mee dat de HEERE niet verder met hen mee zal gaan.

Daarna doet hij iets onverwachts; hij stelt de tent op buiten het leger (het tentenkamp), ja, zelfs ver daar vandaan. Houdt hij niet meer van het volk? Integendeel! Hij had immers zoeven nog getoond hoe lief hij het had, door God te vragen hemzelf in plaats van het volk uit Zijn boek te delgen!

Nee, hij heeft heel andere redenen om buiten het leger te gaan wonen. Vanwege de zonde die het volk bedreven had, kon de wolk niet meer neerdalen op het tentenkamp. Daarom, om die kostbare wolkkolom, een beeld van Christus, te 'herwinnen', verliet Mozes — en anderen met hem — het tentenkamp van het volk Israël.

Hebreeën 13 vers 13 zinspeelt op deze geschiedenis. Daar worden we vermaand: "Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats".

Beste jonge vrienden, denk eraan dat veel verlosten aan deze oproep gehoor hebben gegeven. Zij moe(s)ten zich daarom afzonderen van allerlei religieuze vormen en kerkelijke systemen in de christenheid, om daarna in alle eenvoudigheid alleen de tegenwoordigheid van de Heere Jezus te zoeken (Mattheüs 18 vers 20).

Let op Jozua! Hoewel hij een jongeman was, wist hij dat hij alleen écht gelukkig kon zijn door de nabijheid van de Heere niet te verlaten. Dat is een beeld van constante gemeenschap en vreugde die ons deel zijn als wij daar zijn waar de Heere beloofd heeft ook te zullen zijn.

Exodus 33:12-23
12En Mozes zeide tot den HEERE: Zie, Gij zegt tot mij: Voer dit volk op! maar Gij laat mij niet weten, wien Gij met mij zult zenden; daar Gij gezegd hebt: Ik ken u bij name! en ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen!13Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is!14Hij dan zeide: Zou Mijn aangezicht moeten medegaan, om u gerust te stellen?15Toen zeide hij tot Hem: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken!16Want waarbij zou nu bekend worden, dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk? Is het niet daarbij, dat Gij met ons gaat? Alzo zullen wij afgezonderd worden, ik en Uw volk, van alle volk, dat op den aardbodem is.17Toen zeide de HEERE tot Mozes: Ook deze zelfde zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken.18Toen zeide hij: Toon mij nu Uw heerlijkheid!19Doch Hij zeide: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den Naam des HEEREN uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontfermen zal.20Hij zeide verder: Gij zoudt Mijn aangezicht niet kunnen zien; want Mij zal geen mens zien, en leven.21De HEERE zeide verder: Zie, er is een plaats bij Mij; daar zult gij u op de steenrots stellen.22En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn.23En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden.

Buiten de legerplaats kon God van aangezicht tot aangezicht tot Mozes spreken (vers 11). En waarover spraken zij? Steeds weer over het arme volk.

Mozes is hier een beeld van Iemand Die veel groter is: de Zoon van God. Hij sprak tot de Vader over hen die God Hem uit de wereld gegeven had (zie Johannes 17).

"Laat mij nu Uw weg weten", bidt de man Gods (vers 13). En hij smeekt dat het aangezicht van de HEERE mee zal gaan met het volk.

Deze twee vragen herinneren ons aan de gebeden van de psalmist: "Maak mij bekend de weg, die ik te gaan heb", en: "Uw goede Geest geleide mij in een effen land" (Psalm 143 vers 8 en 10). Ja, 'U moet Zelf met ons meegaan', smeekt de trouwe voorbidder, 'wij kunnen niet zonder U!'

God verhoort dit smeken. Ons geloof kan nooit te veel van Hem verwachten! Wij verheugen Zijn hart als we grote dingen van Hem verlangen!

Tenslotte heeft Mozes nog een derde verzoek, een vermetele vraag! "Toon mij nu Uw heerlijkheid!" Mozes kon en mocht alleen de "achterste delen zien" (anders gezegd: hij zou de voetsporen van Zijn liefde zien).

Dan denken we aan de vraag van de Heere Jezus aan de Vader dat de Zijnen daar mogen zijn waar Hij is, opdat zij Zijn heerlijkheid mogen aanschouwen (Johannes 17 vers 24). Dát is Zijn grootste wens.

Is dat ook ons verlangen?

Exodus 34:1-11
1Toen zeide de HEERE tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen, gelijk de eerste waren, zo zal Ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden, die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt.2En wees bereid tegen den morgenstond; dat gij in den morgenstond op den berg Sinai klimt, en stel u aldaar voor Mij, op den top des bergs.3En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op den gansen berg; ook het kleine vee, noch runderen zullen tegenover dezen berg niet weiden.4Toen hieuw hij twee stenen tafelen, gelijk de eerste; en Mozes stond des morgens vroeg op, en klom op den berg Sinai, gelijk als hem de HEERE geboden had; en hij nam de twee stenen tafelen in zijn hand.5De HEERE nu kwam nederwaarts in een wolk, en stelde Zich aldaar bij hem; en Hij riep uit den Naam des HEEREN.6Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.7Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in het derde en vierde lid.8Mozes nu haastte zich en neigde het hoofd ter aarde, en hij boog zich.9En hij zeide: Heere! indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo ga nu de Heere in het midden van ons, want dit is een hardnekkig volk; doch vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel!10Toen zeide Hij: Zie, Ik maak een verbond; voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk Ik met u doe.11Onderhoudt gij hetgeen Ik u heden gebiede! zie, Ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.

Toen Mozes God vroeg hem Zijn heerlijkheid te tonen, verwachtte hij misschien wel een opvallende verschijning, zoals we dat lezen in hoofdstuk 24 vers 10. Maar God toont hem een ander kostbaar iets: "de heerlijkheid van Zijn genade" (Efeze 1 vers 6). Hij openbaart Zich aan Zijn knecht als de barmhartige en genadige God (vers 6).

Genade is verbonden met de Naam HEERE HEERE, die Mozes hier hoort roepen. Het is alsof God wil zeggen: De Naam die Ik draag, verplicht Mij genadig te zijn. Maar laten we letten op twee voorwaarden waardoor het mogelijk is ons te verheugen in die genade!

"Wees bereid tegen de morgenstond" (vers 2), waarschuwt de HEERE Mozes en ook ons. O, de Heere geve ook ons elke morgen de bereidheid in ons hart om die genade te genieten (vergelijk Psalm 63 vers 1 tot en met 4).

De man Gods moet in de kloof van de steenrots staan. De rots is een beeld van Christus Die in onze plaats geslagen werd, maar nu tegen de Zijnen zegt: "Blijft in Mij" (Johannes 15 vers 4).

Toch mag de genade van God ons niet Zijn regering laten vergeten. In vers 7 zien we wel dat Hij de ongerechtigheid vergeeft (dat is genade), maar tegelijkertijd ook dat Hij de schuldige niet voor onschuldig houdt (dat is Zijn onveranderlijke regering).

In hoofdstuk 33 vers 3 heeft God gezegd: "Ik zal in het midden van u niet optrekken; want gij zijt een hardnekkig volk". Maar juist dat was de reden waarom Mozes de tegenwoordigheid van God verlangde (hoofdstuk 34 vers 9).

Exodus 34:12-26
12Wacht u, dat gij toch geen verbond maakt met den inwoners des lands, waarin gij komen zult; dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u.13Maar hun altaren zult gijlieden omwerpen, en hun opgerichte beelden zult gij verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen.14(Want gij zult u niet buigen voor een anderen god; want des HEEREN Naam is Ijveraar! een ijverig God is Hij!)15Opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner van dat land; en zij hun goden niet nahoereren, noch hun goden offerande doen, en hij u nodigende, gij van hun offerande etet.16En gij voor uw zonen vrouwen neemt van hun dochteren; en hun dochteren, haar goden nahoererende, maken, dat ook uw zonen haar goden nahoereren.17Gij zult u geen gegoten goden maken.18Het feest der ongezuurde broden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten, gelijk Ik u geboden heb, ter gezetter tijd der maand Abib; want in de maand Abib zijt gij uit Egypte uitgegaan.19Al wat de baarmoeder opent, is Mijn; ja, al uw vee, dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het grote en kleine vee.20Doch den ezel, die de baarmoeder opent, zult gij met een stuk klein vee lossen; maar indien gij hem niet zult lossen, zo zult gij hem den nek breken. Al de eerstgeborenen uwer zonen zult gij lossen, en men zal voor Mijn aangezicht niet ledig verschijnen.21Zes dagen zult gij arbeiden, maar op den zevenden dag zult gij rusten; in den ploegtijd en in den oogst zult gij rusten.22Het feest der weken zult gij ook houden, zijnde het feest der eerstelingen van den tarweoogst, en het feest der inzameling, als het jaar om is.23Al wat mannelijk is onder u zal driemaal in het jaar verschijnen voor het aangezicht des Heeren HEEREN, den God van Israel.24Wanneer Ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven, en uw landpalen verwijden, dan zal niemand uw land begeren, terwijl gij henen opgaan zult, om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods, driemaal in het jaar.25Gij zult het bloed van Mijn slachtoffer niet offeren met gedesemd brood; het slachtoffer van het paasfeest zal ook niet vernachten tot den morgen.26De eerstelingen van de eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des HEEREN uws Gods brengen. Gij zult het bokje in de melk zijner moeder niet koken.

Voor de tweede keer is Mozes veertig dagen bij de HEERE op de berg. Op grond van wat er gebeurd is, noemt God Zich "een naijverig God" (vers 14).

Hij wil het enige Voorwerp van aanbidding van het volk zijn. Niet dat de afgoden Hem enige schade zouden kunnen toebrengen. Want welke rivaliteit zou er kunnen bestaan tussen de Schepper en de goden van goud, steen en hout, het werk van mensenhanden?

Maar Hij is de "IJveraar", omdat Hij weet dat het geluk van
de Zijnen alleen in Hem gevonden wordt, door Hem lief te
hebben. In afgoden zal de mens altijd teleurgesteld worden.

Hij is ook de "IJveraar", omdat hun zwakke liefde zo'n grote waarde heeft voor Zijn hart. De eerste Brief van Johannes die het meest over de liefde van God schrijft, besluit met de vermaning: "Kinderkens, bewaart uzelf van de afgoden!"

De bewoners van het land zullen jullie tot een valstrik worden, waarschuwt God. Want Hij kent die strik, maar ook onze neiging om ten val te komen (vers 12).

Daarom voegt Hij eraan toe dat zij zich niet moesten laten uitnodigen (vers 15). Laten we de moed hebben om uitnodigingen van kameraden of collega's uit de wereld af te slaan. Of — nog beter zelfs! — laten we ons zo gedragen dat niemand er belang bij heeft of er zelfs maar aan denkt, ons uit te nodigen (1 Koningen 1 vers 9 en 10)!

In verband met Zijn rechten herhaalt de HEERE hier nog eens enkele verordeningen uit de hoofdstukken 21 tot en met 23.

Exodus 34:27-35
27Verder zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid dezer woorden heb Ik een verbond met u en met Israel gemaakt.28En hij was aldaar met den HEERE, veertig dagen en veertig nachten; hij at geen brood, en hij dronk geen water; en Hij schreef op de tafelen de woorden des verbonds, de tien woorden.29En het geschiedde, toen Mozes van den berg Sinai afging (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van den berg afging), zo wist Mozes niet, dat het vel zijns aangezichts glinsterde, toen Hij met hem sprak.30Als nu Aaron en al de kinderen Israels Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijns aangezichts; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.31Toen riep Mozes hen; en Aaron, en al de oversten in de vergadering keerden weder tot hem; en Mozes sprak tot hen.32En daarna traden al de kinderen Israels toe; en hij gebood hun al wat de HEERE met hem gesproken had op den berg Sinai.33Alzo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.34Doch als Mozes voor het aangezicht des HEEREN kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de kinderen Israels, wat hem geboden was.35Zo zagen dan de kinderen Israels het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.

Het is onmogelijk met God in verbinding te staan en de openbaringen van Zijn genade te genieten, zonder dat dit ook uiterlijk zichtbaar wordt.

Het gezicht van Mozes straalde, hoewel hij dat zelf niet wist. Zo moet elk kind van God door zijn blij gezicht aan z'n omgeving laten zien welk geluk hij bezit. Ja, laat het zo zijn dat de wereld iets van de weerspiegeling van de liefde van de Heere Jezus aan ons zal zien!

Paulus legde aan de Korinthiërs uit waarom Mozes zijn gezicht bedekte. Vóór de komst van de Heere Jezus hier op aarde kon de zondige mens zelfs de weerspiegeling van de Goddelijke heerlijkheid niet verdragen. Die moest bedekt blijven.

Deze bedekking is "door Christus te niet gedaan". Want sinds de Heere Jezus gekomen is, is God in de volle heerlijkheid van Zijn genade te zien in Christus. Zo mogen wij in geloof, met ongedekt aangezicht, de Heere Jezus zien en worden we, in geestelijk opzicht, stap voor stap veranderd tot Zijn heerlijk beeld (2 Korinthe 3 vers 14 en 18).

Een ander voorrecht van Mozes was: "met Hem te spreken". Deze uitdrukking vinden we drie maal in dit korte Schriftgedeelte. Wat een eer voor deze man Gods en wat een bewijs van vertrouwen!

Bestaat er niet een nauw verband tussen het spreken met de HEERE en een stralend gezicht? God geve ons dat zowel het een als het ander bij ons gevonden mag worden!

Exodus 35:1-19
1Toen deed Mozes de ganse vergadering der kinderen Israels verzamelen, en zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die de HEERE geboden heeft, dat men ze doe.2Zes dagen zal men het werk doen; maar op den zevenden dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der rust den HEERE; al wie daarop werk doet, zal gedood worden.3Gij zult geen vuur aansteken in enige uwer woningen op den sabbatdag.4Verder sprak Mozes tot de ganse vergadering der kinderen Israels, zeggende: Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft, zeggende:5Neemt van hetgeen, dat gijlieden hebt, een hefoffer den HEERE; een ieder, wiens hart vrijwillig is, zal het brengen, ten hefoffer des HEEREN: goud, en zilver, en koper;6Als ook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar;7En roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout;8En olie tot den luchter, en specerijen ter zalfolie, en tot roking welriekende specerijen;9En sardonixstenen, en vervullende stenen, tot den efod en tot den borstlap.10En allen, die wijs van hart zijn onder ulieden, zullen komen, en maken alles, wat de HEERE geboden heeft:11De tabernakel, zijn tent en zijn deksel, zijn haakjes en zijn berderen, zijn richelen, zijn pilaren, en zijn voeten;12De ark en haar handbomen, het verzoendeksel en den voorhang des deksels;13De tafel en haar handbomen, en al haar gereedschap, en de toonbroden;14En den kandelaar tot het licht, en zijn gereedschap, en zijn lampen, en de olie tot het licht;15En het reukaltaar, en zijn handbomen, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen; en het deksel der deur aan de deur des tabernakels;16Het altaar des brandoffers, en den koperen rooster, dien het hebben zal, zijn handbomen, en al zijn gereedschappen; het wasvat en zijn voet.17De behangselen des voorhofs, zijn pilaren en zijn voeten; en het deksel van de poort des voorhofs;18De nagelen des tabernakels, en de pennen des voorhofs, met derzelver zelen;19De ambtsklederen om in het heilige te dienen, de heilige klederen van den priester Aaron, en de klederen zijner zonen, om het priesterambt te bedienen.

Nu zal de tabernakel gebouwd worden. Bij deze aangelegenheid worden de verschillende bestanddelen die daarvoor nodig zijn, voor de tweede keer opgenoemd. In zekere zin om ons eraan te herinneren dat het één ding is, iets te weten, maar dat het dóen een tweede zaak is.

Vóórdat er met het werk wordt begonnen, is er nog sprake van de sabbat (vers 1 tot en met 3). Voordat we welke dienst dan ook kunnen doen, moeten we in de tegenwoordigheid van de Heere geweest zijn, moeten we in alle rust bij de Heere gezeten hebben om doordrongen te worden van onze afhankelijkheid.

Aan de voeten van de Heere Jezus leerde Maria hoe zij Hem kon dienen (Lukas 10 vers 39). Daardoor wist zij op het juiste moment met haar zalfolie te komen (vergelijk Exodus 35 vers 8) en die uit te gieten over de voeten van haar Meester (Johannes 12 vers 3).

Laten we letten op de vele verschillende dingen die de Israëlieten moesten brengen. Van goud en kostbare stenen tot en met nagelen, pinnen en zelen (touwen), om stevigheid aan het bouwwerk te geven (de waarheid staande te houden).

In deze lange lijst kon ieder wel iets vinden wat hij bij kon dragen aan de bouw van de tabernakel. Ook wij allen die de Heere kennen, kunnen door een dienst iets bijdragen tot opbouwing van de gemeente.

Een in alle stilte gedane dienst van barmhartigheid in blijmoedigheid (Romeinen 12 vers 8), dagelijkse gebeden voor het getuigenis — een ieder is hiertoe in staat. En daarin vindt de Heere een welgevallen.

Exodus 35:20-35
20Toen ging de ganse vergadering der kinderen Israels uit van voor het aangezicht van Mozes.21En zij kwamen, alle man, wiens hart hem bewoog, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte, die brachten des HEEREN hefoffer tot het werk van de tent der samenkomst, en tot al haar dienst, en tot de heilige klederen.22Zo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van hart; zij brachten haken, en oorsierselen, en ringen, en spanselen, alle gouden vaten; en alle man, die een gouden beweegoffer den HEERE offerde,23En alle man, bij wien gevonden werd hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten haar, en roodgeverfde ramsvellen, en dassenvellen, die brachten ze.24Allen, die een hefoffer van zilver of koper offerden, die brachten het ten hefoffer des HEEREN; en allen, bij welke sittimhout gevonden werd, brachten het tot alle werk van den dienst.25En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen.26En alle vrouwen, welker hart haar bewoog in wijsheid, die sponnen het geiten haar.27De oversten nu brachten sardonixstenen en vulstenen, tot den efod en tot den borstlap;28En specerijen en olie, tot den luchter en tot de zalfolie, en tot roking welriekende specerijen.29Alle man en vrouw, welker hart hen vrijwillig bewoog te brengen tot al het werk, hetwelk de HEERE geboden had te maken door de hand van Mozes; dat brachten de kinderen Israels tot een vrijwillig offer den HEERE.30Daarna zeide Mozes tot de kinderen Israels: Ziet, de HEERE heeft met name geroepen Bezaleel, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.31En de Geest Gods heeft hem vervuld met wijsheid, met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk;32En om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud, en in zilver, en in koper,33En in kunstige steensnijding, om in te zetten, en in kunstige houtsnijding; om te werken in alle vernuftige handwerk.34Hij heeft hem ook in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Aholiab, den zoon van Ahisamach, van den stam van Dan.35Hij heeft hen vervuld met wijsheid des harten, om te maken alle werk eens werkmeesters, en des allervernuftigsten handwerkers, en des borduurders en hemelsblauw, en in purper, in scharlaken, en in fijn linnen, en des wevers; makende alle werk, en bedenkende vernuftigen arbeid.

De Israëlieten konden alleen datgene brengen wat ze niet voor die tijd al gegeven hadden voor het gouden kalf (zie hoofdstuk 32 vers 3). Ook wij kunnen alleen dat ter beschikking stellen voor de dienst van de Heere wat wij niet eerst voor de wereld gebruikt hebben. Laten we daarom oppassen dat we de tijd van onze jeugd niet verspillen!

Wie kwamen er om te geven? Ieder "wiens hart hem bewoog, en een ieder, wiens geest hem vrijwillig maakte". Dát is het belangrijkste. Liefde tot de Heere, tot de gemeente en tot de naaste, zijn de belangrijkste voorwaarden voor de uitoefening van een dienst en om onze gaven te brengen. Wat niet uit liefde gedaan wordt, wordt over het algemeen niet goed gedaan.

Bepaald werk, zoals bijvoorbeeld spinnen, kon thuis in gezinsverband gebeuren. Laten we niet denken dat als we een werk voor de Heere willen doen, dit altijd als evangelist of zendeling in het buitenland moet zijn!

Laten we ook op de dienst van de vrouwen letten. Al waren misschien niet allen "wijs van hart" (vers 25 en 26), toch konden ze allemaal, evengoed als de mannen, "vrijwillig" (vers 29) vanuit een bewogen hart (vers 26) iets voor het heiligdom doen of geven (vergelijk Titus 2 vers 5).

De één werkte de Heere het in het hart om te onderwijzen (vers 34). Moge Hij het anderen op het hart binden te luisteren! Zo kan er door ieder een "redelijke godsdienst" gedaan worden.

Exodus 36:1-13
1Toen wrocht Bezaleel en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in denwelken de HEERE wijsheid en verstand gegeven had, om te weten, hoe zij maken zouden alle werk ten dienste des heiligdoms naar alles, dat de HEERE geboden had.2Want Mozes had geroepen Bezaleel en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in wiens hart God wijsheid gegeven had, al wiens hart hem bewogen had, dat hij toetrad tot het werk, om dat te maken.3Zij dan namen van voor het aangezicht van Mozes het ganse hefoffer, hetwelk de kinderen Israels gebracht hadden, tot het werk van den dienst des heiligdoms, om dat te maken; doch zij brachten tot hem nog allen morgen vrijwillig offer.4Derhalve kwamen alle wijzen, die al het werk des heiligdoms maakten, ieder man van zijn werk, hetwelk zij maakten;5En zij spraken tot Mozes, zeggende: Het volk brengt te veel, meer dan genoeg is ten dienste des werks, hetwelk de HEERE te maken geboden heeft.6Toen gebood Mozes, dat men een stem zoude laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make geen werk meer ten hefoffer des heiligdoms! Alzo werd het volk teruggehouden van meer te brengen.7Want der stoffe was denzelven genoeg tot het gehele werk, dat te maken was; ja, er was over.8Alzo maakte een ieder wijze van hart, onder degenen, die het werk maakten, den tabernakel van tien gordijnen, van getweernd fijn linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken met cherubim; van het allerkunstelijkste werk maakte hij ze.9De lengte ener gordijn was van acht en twintig ellen, en de breedte ener gordijn van vier ellen; al deze gordijnen hadden een maat.10En hij voegde vijf gordijnen, de ene aan de andere; en hij voegde andere vijf gordijnen, de ene aan de andere.11Daarna maakte hij striklisjes van hemelsblauw aan den kant ener gordijn, aan het uiterste in de samenvoeging; hij deed het ook aan den uitersten kant der tweede samenvoegende gordijn.12Vijftig striklisjes maakte hij aan de ene gordijn, en vijftig striklisjes maakte hij aan het uiterste der gordijn; dat aan de tweede samenvoegende was; deze striklisjes vatten de ene aan de andere.13Hij maakte ook vijftig gouden haakjes, en voegde de gordijnen samen, de ene aan de andere, met deze haakjes, dat het een tabernakel werd.

In het Evangelie naar Markus vinden we een korte gelijkenis waarin we de heer des huizes zien als een beeld van de Heere Jezus. Nadat hij elk van zijn knechten zijn werk had opgedragen, ging hij op reis (Markus 13 vers 34 tot en met 36). Welk werk wordt ons verder niet meegedeeld, behalve het werk dat de deurwachter te doen heeft. Maar de Heere heeft aan ieder afzonderlijk een opdracht gegeven, die overeenkomt met zijn of haar leeftijd en capaciteiten. In een andere gelijkenis, die van de talenten, zien we dat de heer van zijn knechten rekenschap vraagt als hij terugkomt. Sommigen zullen een beloning krijgen, terwijl anderen beschaamd zullen staan (Mattheüs 25 vers 14 tot en met 30).

Zal ieder van ons gedaan hebben wat de Heere van hem of haar verwachtte?

In het Schriftgedeelte voor vandaag lezen we dat vele offergaven te laat kwamen. Het tijdstip om een bepaald werk te doen of een gave te brengen, was voorbij. Misschien waren er die hard gewerkt hadden, maar niet op het juiste moment. Ze hadden niet direct gereageerd door aan het werk te gaan.

Als we iets niet direct doen, heeft het op een later tijdstip, als we er wel aan beginnen, vaak geen zin meer. Het is dan te laat; de gelegenheid is voorbij. Dit is een heel belangrijke les voor ons!

Aan het einde van vers 13 staat: "... dat het een tabernakel werd". Het werd één geheel. "Eén lichaam is het", lezen we in Efeze 4 vers 4. Zó ziet God de gemeente als één geheel, ondanks alle scheuringen in kerken en kringen in de christenheid.

Exodus 36:14-34
14Verder maakte hij gordijnen van geiten haar, tot een tent over den tabernakel; van elf gordijnen maakte hij ze.15De lengte ener gordijn was dertig ellen, en vier ellen de breedte ener gordijn; deze elf gordijnen hadden een maat.16En hij voegde vijf gordijnen samen bijzonder; wederom zes dezer gordijnen bijzonder.17En hij maakte vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, de uiterste in de samenvoeging; hij maakte ook vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn der andere samenvoeging.18Hij maakte ook vijftig koperen haakjes, om de tent samen te voegen, dat zij een ware.19Ook maakte hij voor de tent een deksel van roodgeverfde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.20Hij maakte ook aan den tabernakel berderen van staand sittimhout.21De lengte van een berd was tien ellen, en ene el en ene halve el was de breedte van elk berd.22Twee houvasten had een berd, als sporten in een ladder gezet, het ene nevens het andere; alzo maakte hij het met al de berderen des tabernakels.23Hij maakte ook de berderen tot den tabernakel; twintig berderen naar de zuidzijde zuidwaarts.24En hij maakte veertig zilveren voeten onder de twintig berderen; twee voeten onder een berd, aan zijn twee houvasten, en twee voeten onder een ander berd, aan zijn twee houvasten.25Hij maakte ook twintig berderen aan de andere zijde des tabernakels, aan den noorderhoek.26Met hun veertig zilveren voeten; twee voeten onder een berd, en twee voeten onder een ander berd.27Doch aan de zijde des tabernakels tegen het westen, maakte hij zes berderen.28Ook maakte hij twee berderen tot hoekberderen des tabernakels, aan de beide zijden.29En zij waren van beneden als tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan deszelfs oppereinde samengevoegd met een ring; alzo deed hij met die beide, aan de twee hoeken.30Alzo waren er acht berderen met hun zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder elk berd.31Hij maakte ook richelen van sittimhout; vijf aan de berderen der ene zijde des tabernakels;32En vijf richelen aan de berderen van de andere zijde des tabernakels; alsook vijf richelen aan de berderen des tabernakels, aan de beide zijden westwaarts.33En hij maakte de middelste richel doorschietende in het midden der berderen, van het ene einde tot het andere einde.34En hij overtrok de berderen met goud, en hun ringen (de plaatsen voor de richelen) maakte hij van goud; de richelen overtrok hij ook met goud.

Nadat al het materiaal bij elkaar gebracht was, konden de aangewezen arbeiders met de bouw van de tabernakel beginnen. Hierin zullen we voorbeelden en lessen voor onszelf ontdekken.

In de eerste plaats worden de vier bedekkingen, de tentkleden, genoemd. Als de priester in het heiligdom was, kon hij de eerste en mooiste bedekking daarbinnen in het licht van de kandelaar zien. Zo kunnen de verschillende heerlijkheden van de Heere Jezus alleen in het licht van de Heilige Geest en in de tegenwoordigheid van God gezien en geëerd worden.

De buitenkant van de tabernakel, de vierde bedekking van dassenvellen, had daarentegen niets aantrekkelijks voor het oog. Hoe anders was en is dat bij vele tempels uit de oudheid en bij vele religieuze gebouwen vandaag de dag! Deze vierde bedekking herinnert ons aan Hem Die "geen gedaante noch heerlijkheid" had en Die nooit iets deed om eer van mensen te ontvangen (Jesaja 53 vers 2 en Johannes 5 vers 41).

O, dat God ons moge bewaren voor contact met de wereld en haar gezindheid! Dat we niet verlangen naar haar vergankelijke pracht en praal. En dat we niet de wens hebben meer te willen zijn dan onze Heere hier op aarde geweest is.

De planken die vaststaan op zilveren voeten, zijn een beeld van de verlosten. We worden daarbij herinnerd aan de woorden van de apostel: "Staat alzo in de Heere, geliefden!" (Filippi 4 vers 1).

Exodus 36:35-38; Exodus 37:1-16
35Daarna maakte hij een voorhang van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstelijkste werk maakte hij denzelven, met cherubim.36En hij maakte daartoe vier pilaren van sittim hout, die hij overtrok met goud; hun haken waren van goud, en hij goot hun vier zilveren voeten.37Hij maakte ook aan de deur der tent een deksel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk;38En de vijf pilaren daarvan, en hun haken; en hij overtrok hun hoofden en derzelver banden met goud; en hun vijf voeten waren van koper.
1Alzo maakte Bezaleel de ark van sittimhout; twee ellen en een halve was haar lengte, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.2En hij overtrok ze met louter goud, van binnen en van buiten; en hij maakte ze een gouden krans rondom.3En hij goot voor dezelve vier gouden ringen, aan haar vier hoeken, alzo dat twee ringen op derzelver ene zijde waren, en twee ringen op haar andere zijde.4En hij maakte handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.5En hij stak de handbomen in de ringen, aan de zijden der ark, om de ark te dragen.6Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud; twee ellen en een halve was deszelfs lengte, en anderhalve el deszelfs breedte.7Ook maakte hij twee cherubim van goud; van dicht werk maakte hij ze, uit de beide einden des verzoendeksels.8Een cherub uit het ene einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel maakte hij de cherubim, uit deszelfs beide einden.9En de cherubim waren de beide vleugelen omhoog uitbreidende, bedekkende met hun vleugelen het verzoendeksel; en hun aangezichten waren tegenover elkander; de aangezichten der cherubim waren naar het verzoendeksel.10Hij maakte ook een tafel van sittimhout; twee ellen was haar lengte, en een el haar breedte; en een el en een halve haar hoogte.11En hij overtrok ze met louter goud; en hij maakte een gouden krans daaraan, rondom.12Hij maakte daaraan ook een lijst rondom, een hand breed; en hij maakte een gouden krans rondom derzelver lijst.13Hij goot ook vier gouden ringen daaraan; en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan derzelver vier voeten waren.14Tegenover de lijst waren de ringen tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.15Hij maakte ook de handbomen van sittimhout; en hij overtrok ze met goud, om de tafel te dragen.16En hij maakte het gereedschap, dat op de tafel zijn zoude, haar schotelen, en haar reukschalen, en haar kroezen, en haar platelen (met welke ze bedekt zoude worden), van louter goud.

De prachtige voorhang die het heilige scheidde van het heilige der heiligen, werd gedragen door vier pilaren. De mensheid van Christus, zoals we die zien in de vier Evangeliën, is voor ons een onuitputtelijk onderwerp van bewondering en aanbidding. Hij is de Messias van Israël (Mattheüs), de gehoorzame Dienstknecht (Markus), de Zoon des Mensen (Lukas) en de Zoon van God Die van de hemel neerdaalde (Johannes).

Elke draad van hemelsblauw, purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, toont ons iets van de volmaakte karaktertrekken van Zijn mensheid. Iedere draad was nauw verbonden met de andere; het leven van de Heere Jezus vormt één heerlijk geheel!

Dit leven — hoe heerlijk ook! — kon ons echter niet tot God brengen. Het toonde ons in tegendeel juist hoe diep onze ellende was. Daarom was Zijn dood nodig. Als zichtbaar teken scheurde God de voorhang van de tempel van boven tot beneden op hetzelfde moment dat de Heere Jezus Zijn leven gaf op het kruis. Zo werd voor de aanbidder "een verse en levende weg" tot God gebaand (Hebreeën 10 vers 20).

Dan worden de ark en de tafel voor de toonbroden gemaakt. De handbomen waarmee zij door de woestijn werden gedragen, herinneren ons aan de weg die de Heere Jezus hier op aarde ging.

Ze waren overtrokken met goud, waarbij wij denken aan Jesaja 52 vers 7: "Hoe lieflijk zijn ... de voeten van hem, die het goede boodschapt".

Exodus 37:17-29
17Hij maakte ook een kandelaar van louter goud. Van dicht werk maakte hij deze kandelaar, zijn schacht, en zijn rieten; zijn schaaltjes, zijn knopen, en zijn bloemen waren uit hem.18Zes rieten nu gingen uit zijn zijden; drie rieten des kandelaars uit zijn ene zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijn andere zijde.19In het ene riet waren drie schaaltjes, gelijk amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes, gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem; alzo waren die zes rieten, die uit den kandelaar gingen.20Maar aan den kandelaar zelven waren vier schaaltjes, gelijk amandelnoten, met zijn knopen, en met zijn bloemen.21En daar was een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; alzo was het met de zes rieten, die uit denzelven uitgingen.22Hun knopen en rieten waren uit hem; het was altemaal een enig dicht werk van louter goud.23En hij maakte hem zeven lampen; zijn snuiters en zijn blusvaten waren van louter goud.24Hij maakte denzelven uit een talent louter goud, met al zijn vaten,25En hij maakte het reukaltaar van sittimhout; een el was zijn lengte en een el zijn breedte, vierkant, maar twee ellen zijn hoogte; uit hetzelve waren zijn hoornen.26En hij overtrok het met louter goud, zijn dak, en zijn wanden rondom, alsook zijn hoornen; en hij maakte het een gouden krans rondom.27Hij maakte ook twee gouden ringen daaraan, onder zijn krans, aan zijn twee hoeken, aan zijn beide zijden, tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmede droeg.28En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.29Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk der zuiverste welriekende specerijen, naar apothekerswerk.

Nu volgt de gouden kandelaar van dicht (gedreven) werk. De schacht, armen, schaaltjes, knoppen en bloemen "waren uit hem".

God verheugt Zich in het herhalen van de kleinste details van alle schoonheid en volmaaktheid (het getal zeven) die van de kandelaar uitstraalt. Het is een beeld van Christus Die niet één van Zijn heerlijkheden voor ons wil verbergen.

Maar laten we niet vergeten dat de kandelaar gemaakt is van gedreven goud en dat hij brandt (z'n licht laat schijnen) op gestoten olijfolie (hoofdstuk 27 vers 20). Deze twee dingen wijzen ons op het lijden van Hem Die als het ware Licht in de duisternis is gekomen en niet aangenomen werd. Verworpen door de wereld straalt Hij nu in het heiligdom, waar de Zijnen Hem in geloof mogen aanschouwen.

Het gouden reukaltaar dat ook in het heiligdom voor de voorhang stond, is een beeld van de Heere Jezus als Middelpunt van de dienst voor God. In Zijn Naam mogen we tot God naderen om te aanbidden, maar ook om voorbede te doen. Het reukwerk dat op het reukofferaltaar geofferd werd, was "het werk van de apotheker, gemengd, rein, heilig" (zoals we zagen in hoofdstuk 30 vers 34 tot en met 38).

De verschillende welriekende specerijen waarvan het gemaakt werd, spreken van de volmaaktheden van de Zoon van God en van de waarde hiervan voor de Vader. Wij mogen de Vader deze volmaaktheden 'aanbieden', dat wil zeggen: de Vader vertellen hoe volmaakt Zijn Zoon is, en wat wij in Hem gevonden hebben.

Ook de heilige zalfolie werd volgens de voorschriften van hoofdstuk 30 toebereid.

Exodus 38:1-20
1Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout; vijf ellen was deszelfs lengte, en vijf ellen zijn breedte, vierkant, en drie ellen zijn hoogte.2En hij maakte deszelfs hoornen op zijn vier hoeken; uit hetzelve waren zijn hoornen; en hij overtrok het met koper.3Hij maakte ook al het gereedschap des altaars, de potten, en de schoffelen, en de besprengbekkens, en de krauwelen, en de koolpannen; en al zijn vaten maakte hij van koper.4Ook maakte hij aan het altaar een rooster van koperen netwerk, onder zijn omloop, van beneden tot zijn midden toe.5En hij goot vier ringen aan de vier einden des koperen roosters, tot plaatsen voor de handbomen.6En hij maakte de handbomen van sittimhout, en hij overtrok ze met koper.7En hij deed de handbomen in de ringen, aan de zijden des altaars, dat men het met dezelve droeg; hij maakte hetzelve hol van planken.8Hij maakte ook het koperen wasvat, met zijn koperen voet, van de spiegels der te hoop komende vrouwen, die te hoop kwamen voor de deur van de tent der samenkomst.9Hij maakte ook den voorhof, aan den zuidhoek zuidwaarts; de behangselen tot den voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd ellen.10Hun twintig pilaren en derzelver twintig voeten, waren van koper; de haken dezer pilaren en hun banden waren van zilver.11En aan den noorderhoek honderd ellen, hun twintig pilaren en derzelver twintig voeten waren van koper; de haken der pilaren en derzelver banden waren van zilver.12En aan den westerhoek waren behangselen van vijftig ellen, hun pilaren tien en derzelver voeten tien; de haken der pilaren en hun banden waren van zilver.13En aan den oosterhoek tegen den opgang waren vijftig ellen.14De behangselen aan deze zijde waren vijftien ellen, derzelver pilaren drie en hun voeten drie.15En aan de andere zijde van de deur des voorhofs, van hier en van daar, waren behangselen van vijftien ellen; hun pilaren drie en derzelver voeten drie.16Al de behangselen des voorhofs waren rondom van fijn getweernd linnen.17De voeten nu der pilaren waren van koper, de haken der pilaren, en hun banden waren van zilver, en het overdeksel hunner hoofden was van zilver, en al de pilaren des voorhofs waren met zilver omtogen.18En het deksel van de poort des voorhofs was van geborduurd werk, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; en twintig ellen was de lengte, en de hoogte in de breedte was vijf ellen, tegenover de behangselen des voorhofs.19En hun vier pilaren en derzelver vier voeten waren van koper, hun haken waren van zilver; ook was het overdeksel hunner hoofden en hun banden van zilver.20En al de pennen des tabernakels en des voorhofs rondom waren van koper.

Het koperen altaar herinnert ons eraan hoe God ons in onze zondige toestand tegemoet trad op het kruis. Veel gelovigen worden echter verontrust over de zonden die ze ná hun bekering gedaan hebben. Kunnen die hen van hun heil beroven?

Nee, God zij geloofd en geprezen! De Heere Jezus heeft tegen Petrus gezegd: "Die gewassen is," — en dat is bij de gelovige eens en voor altijd gebeurd — "heeft niet van node, dan de voeten te wassen." (Johannes 13 vers 10).

Het wassen van de voeten, na het lopen over de weg, en de handen vóór de dienst, gebeurde in het koperen wasvat. Dit was gemaakt van hetzelfde materiaal als het altaar. Dat wil zeggen dat de verzoening van de zonden die we ná onze bekering gedaan hebben, Hem evenveel gekost heeft, als de verzoening van de zonden die we vóór onze bekering bedreven hebben. Maar wij kunnen (en moeten) onze zonden wel aan God belijden, aan Hem Die trouw en rechtvaardig is om ze op grond van het werk van Christus te vergeven (1 Johannes 1 vers 9).

De verzen 9 tot en met 20 vertellen ons over de inrichting van de voorhof. Daarbij willen we speciaal wijzen op de afmetingen van de poort (vers 18): twintig ellen = ongeveer tien meter.

Dit is een treffend beeld van de deur van de genade, die wijd openstaat voor de arme zondaar. Het evangelie biedt ruimschoots de gelegenheid aan ieder die toevlucht wil nemen tot het kruis (het koperen altaar)!

Zijn allen die dit lezen, al door deze deur naar binnen gegaan?

Exodus 38:21-31
21Dit zijn de getelde dingen van den tabernakel, van den tabernakel der getuigenis, die geteld zijn naar den mond van Mozes, ten dienste der Levieten, door de hand van Ithamar, de zoon van den priester Aaron.22Bezaleel nu, de zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda, maakte al, dat de HEERE aan Mozes geboden had.23En met hem Aholiab, de zoon van Ahisamach, van den stam van Dan, een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblauw, en in purper, en in scharlaken, en in fijn linnen.24Al het goud, dat tot het werk verarbeid is, in het ganse werk des heiligdoms, te weten, het goud des beweegoffers, was negen en twintig talenten, en zevenhonderd en dertig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.25Het zilver nu van de getelden der vergadering was honderd talenten, en duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.26Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar den sikkel des heiligdoms, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaren oud en daarboven, namelijk zeshonderd drie duizend, vijfhonderd vijftig.27En er waren honderd talenten zilver, om te gieten de voeten des heiligdoms, en de voeten des voorhangs; tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot een voet.28Maar uit de duizend zevenhonderd vijf en zeventig sikkelen maakte hij de haken aan de pilaren, en hij overtrok hun hoofden, en omtoog ze met banden.29Het koper nu des beweegoffers was zeventig talenten, en twee duizend vierhonderd sikkelen.30En hij maakte daarvan de voeten der deur van de tent der samenkomst, en het koperen altaar, en den koperen rooster, dien het had, en al het gereedschap des altaars.31En de voeten des voorhofs rondom, en de voeten van de poort des voorhofs, ook al de pennen des tabernakels, en al de pennen des voorhofs rondom.

God laat door de hand van de Levieten een nauwkeurige lijst opstellen van alles wat voor Zijn woning gedaan en gegeven werd. Hij vergeet niets, van de gewoonste paal tot en met het kleinste haakje, want Hij weet wat het de gever gekost heeft.

Toen de Heere Jezus bij de schatkist van de tempel zat en zag wat de mensen daarin wierpen, lette Hij speciaal op de twee kleine penningen van de weduwe. Deze waren voor Hem van grote waarde! Want deze penningen, die "haar ganse leeftocht" waren, gaven aan dat zij van alles afstand had gedaan (Markus 12 vers 41 tot en met 44).

Het wasvat waarover we gisteren lazen, spreekt ons van eenzelfde opoffering. Het was gemaakt van de spiegels van de vrouwen die Mozes gevolgd waren tot "voor de deur van de tent der samenkomst" (vers 8).

De tegenwoordigheid van God en de interesse voor Zijn woning had het hart van deze vrouwen bewogen. Daarom zagen ze niet alleen af van een voorwerp van ijdelheid, maar waren ze ook niet langer alleen met zichzelf bezig (Mattheüs 16 vers 24 en 25). Ook dat is waardevol voor God en Hij haalt het aan in Zijn Woord.

Uit "het zilver van de getelden" werden de voeten van de pilaren en planken gemaakt. Zo is alles gegrondvest op de wonderbare verlossing waarvan het zilver een beeld is (zie Numeri 3 vers 48). Daarop mag iedere verloste zich persoonlijk beroepen en steunen om staande te blijven.

Exodus 39:1-21
1Zij maakten ook ambtsklederen, om in het heilige te dienen, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken; ook maakten zij de heilige klederen, die voor Aaron waren, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.2Aldus maakte hij den efod, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.3En zij rekten uit de dunne platen van goud, en sneden het tot draden, om te doen in het midden van het hemelsblauw, en in het midden van het purper, en in het midden van het scharlaken, en in het midden van het fijn linnen, van het allerkunstelijkste werk.4Zij maakten samenvoegende schouderbanden daaraan; aan deszelfs beide einden werd hij samengevoegd.5En de kunstelijke riem zijns efods, die daarop was, was gelijk zijn werk, van hetzelfde, van goud, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, gelijk als de HEERE aan Mozes bevolen had.6Zij bereidden ook de sardonixstenen, omvat in gouden kastjes, als zegelgravering gegraveerd, met de namen der zonen van Israel.7En hij zette ze op de schouderbanden des efods, tot stenen der gedachtenis voor de kinderen Israels, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.8Hij maakte ook de borstlap van het allerkunstelijkste werk, gelijk het werk des efods, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.9Hij was vierkant; zij maakten den borstlap dubbel; een span was zijn lengte, en een span was zijn breedte, dubbel zijnde.10En zij vulden daarin vier rijen stenen: een rij van een Sardis, een Topaas en een Karbonkel; dit is de eerste rij.11En de tweede rij van een Smaragd, een Saffier en een Diamant.12En de derde rij van een Hyacinth, Agaat, en Amethyst.13En de vierde rij van een Turkoois, en een Sardonix, en een Jaspis; omvat in gouden kastjes in hun vullingen.14Deze stenen nu, met de namen der zonen van Israel, waren twaalf, met hun namen, met zegelgravering; ieder met zijn naam, naar de twaalf stammen.15Zij maakten ook aan den borstlap gelijk-eindigende ketentjes, van gedraaid werk, uit louter goud.16En zij maakten twee gouden kastjes, en twee gouden ringen; en zij zetten die twee ringen aan de beide einden des borstlaps.17En zij zetten de twee gedraaide gouden ketentjes aan de twee ringen, aan de einden van den borstlap.18Doch de twee andere einden der gedraaide ketenen zetten zij aan de twee kastjes, en zij zetten ze aan de schouderbanden des efods, recht op de voorste zijde van dien.19Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden des borstlaps zetten, inwendig aan zijn boord, die aan de zijde des efods is.20Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetten aan de twee schouderbanden van den efod, beneden, aan deszelfs voorste zijde, tegenover zijn andere voege, boven den kunstelijke riem des efods.21En zij bonden den borstlap met zijn ringen aan de ringen van den efod, met een hemelsblauw snoer, dat hij op den kunstelijke riem van den efod was; opdat de borstlap van den efod niet afgescheiden wierd, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.

Bij de beschrijving van de heilige kleding van Aäron vinden we één detail in vers 3 dat we niet terugvinden in hoofdstuk 28: tussen de draden van de efod moesten gouddraden geweven worden.

De Goddelijke heerlijkheid van onze grote Hogepriester straalt door de trekken van Zijn heilig mens zijn heen. Aanschouw Hem in de Evangeliën! Hij slaapt en even later brengt Hij de wind en de golven tot zwijgen. Hij weent bij het graf in Bethanië, maar dan wekt Hij Lazarus op. Hij betaalt de tempelbelasting, maar met geld uit de bek van een door Hem geschapen vis.

Bij elke stap en gelegenheid zien we het goud van Zijn Goddelijke heerlijkheid stralen. Zowel in de gewone dagelijkse dingen van Zijn leven, maar ook in Hem als "de Man van smarten".

Deze karaktertrek die onlosmakelijk verbonden is met de heerlijkheden van de Heere Jezus, wordt door de gouden ketentjes, kastjes en ringen, die alle onderdelen van de kleding aan elkaar verbonden, benadrukt. Men kan niet zomaar één stuk wegnemen. Dat wil zeggen dat ook niet aan één van de waarheden betreffende de heerlijke Persoon van onze Heere getwijfeld kan worden, zonder iets van Zijn heerlijkheid 'weg te nemen'.

Helaas moeten we in de geschiedenis van de christenheid constateren dat er mannen geweest zijn die er niet voor terugdeinsden dit te doen.

God geve ons een geestelijk begrip en een aanbiddende vreze in het hart om alle heerlijkheden en volmaaktheden waarmee de Heere Jezus bekleed is, te erkennen!

Exodus 39:22-43
22En hij maakte den mantel des efods van geweven werk, geheel van hemelsblauw.23En het gat des mantels was in deszelfs midden, als het gat eens pantsiers; dit gat had een boord rondom, dat het niet gescheurd wierd.24En aan de zomen des mantels maakten zij granaatappelen van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, getweernd.25Zij maakten ook schelletjes van louter goud, en zij stelden de schelletjes tussen de granaatappelen, aan de zomen des mantels rondom, tussen de granaatappelen;26Dat er een schelletje, daarna een granaatappel was; wederom een schelletje, en een granaatappel; aan de zomen des mantels rondom; om te dienen, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.27Zij maakten ook de rokken van fijn linnen, van geweven werk, voor Aaron en voor zijn zonen;28En den hoed van fijn linnen, en de sierlijke mutsen van fijn linnen, en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen;29En den gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.30Zij maakten ook de plaat van de kroon der heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift, met zegelgravering: De HEILIGHEID DES HEEREN.31En zij hechtten een snoer van hemelsblauw daaraan, om aan den hoed van boven te hechten, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.32Aldus werd al het werk des tabernakels, van de tent der samenkomst voleind; en de kinderen Israels hadden het gemaakt naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had; alzo hadden zij het gemaakt.33Daarna brachten zij den tabernakel tot Mozes, de tent, en al haar gereedschap, haar haakjes, haar berderen, haar richelen, en haar pilaren, en haar voeten;34En het deksel van roodgeverfde ramsvellen, en het deksel van dassenvellen, en den voorhang van het deksel;35De ark der getuigenis, en haar handbomen, en het verzoendeksel;36De tafel, met al haar gereedschap, en de toonbroden;37De louteren kandelaar met zijn lampen, de lampen, die men toerichten moest, en al deszelfs gereedschap, en de olie tot het licht;38Verder het gouden altaar, en de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen, en het deksel van de deur der tent.39Het koperen altaar, en den koperen rooster, dien het heeft, deszelfs handbomen, en al zijn gereedschap; het wasvat en zijn voet;40De behangselen des voorhofs, zijn pilaren en zijn voeten, en het deksel van de poort des voorhofs, zijn zelen, en zijn pennen, en al het gereedschap van den dienst des tabernakels, tot de tent der samenkomst;41De ambtsklederen, om in het heiligdom te dienen, de heilige klederen van de priester Aaron, en de klederen van zijn zonen, om het priesterambt te bedienen.42Naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had, alzo hadden de kinderen Israels het ganse werk gemaakt.43Mozes nu bezag het ganse werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, gelijk als de HEERE geboden had; alzo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.

In de hoofdstukken 39 en 40 komt één uitdrukking steeds weer terug: "Zoals de HEERE aan Mozes geboden had". Er werd niets aan de fantasie van hen die het werk uitvoerden, overgelaten.

Zo is het nu ook met de christelijke eredienst. De Bijbel onderwijst ons over alles wat we moeten weten, om God op de door Hem gewenste wijze te aanbidden.

Zou het niet van ongehoorzaamheid en aanmatiging getuigen, als wij iets aan Zijn onderwijs willen toevoegen of het willen vervangen door iets wat ons beter lijkt? Met welk recht willen wij beslissen over datgene wat God toekomt?

Laten we op de christelijke religies letten, op haar geestelijken, haar organisaties, haar imponerende ceremoniën! Deze dingen heeft God niet "geboden"! En om die reden kan de gelovige die Gods Woord kent, zich daarmee niet verbinden.

In tegenstelling tot alle geboden in het Oude Testament (waarvan we een deel vinden in het Bijbelboek waar we ons nu mee bezighouden), is de dienst van de "ware aanbidder" voor de Vader een dienst "in geest en waarheid" (Johannes 4 vers 23 en 24).

De uiterlijke vormen van een religie naar het vlees en alle ceremoniën zijn terzijde gesteld en vervangen door de werking van de Heilige Geest. Daarom hebben we in onze diensten geen afbeeldingen van iets nodig, maar richten we ons oog en hart op de eeuwige dingen.

Exodus 40:1-19
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Op den dag der eerste maand, te weten op den eersten der maand, zult gij den tabernakel, de tent der samenkomst, oprichten.3En gij zult aldaar zetten de ark der getuigenis; en gij zult de ark met de voorhang bedekken.4Daarna zult gij de tafel daarin brengen, en gij zult schikken wat daarop te schikken is; gij zult ook den kandelaar daarin brengen, en zijn lampen aansteken.5En gij zult het gouden altaar ten reukwerk voor de ark der getuigenis zetten, dan zult gij het deksel van de deur des tabernakels ophangen.6Gij zult ook het altaar des brandoffers zetten voor de deur van den tabernakel, van de tent der samenkomst.7En gij zult het wasvat zetten tussen de tent der samenkomst, en tussen het altaar; en gij zult water daar in doen.8Daarna zult gij den voorhof rondom zetten, en gij zult het deksel ophangen aan de poort des voorhofs.9Dan zult gij de zalfolie nemen en zalven den tabernakel, en al wat daarin is; en gij zult dezelven heiligen, met al zijn gereedschap, en het zal een heiligheid zijn.10Gij zult ook het altaar des brandoffers zalven, en al zijn gereedschap; en gij zult het altaar heiligen, en het altaar zal heiligheid der heiligheden zijn.11Dan zult gij het wasvat zalven, en deszelfs voet; en gij zult het heiligen.12Gij zult ook Aaron en zijn zonen doen naderen, tot de deur van de tent der samenkomst; en gij zult hen met water wassen.13En gij zult Aaron de heilige klederen aantrekken; en gij zult hem zalven, en hem heiligen, dat hij Mij het priesterambt bediene.14Gij zult ook zijn zonen doen naderen, en zult hun de rokken aantrekken.15En gij zult hen zalven, gelijk als gij hun vader zult gezalfd hebben, dat zij Mij het priesterambt bedienen. En het zal geschieden, dat hun hun zalving zal zijn tot een eeuwig priesterdom bij hun geslachten.16Mozes nu deed het naar alles, wat hem de HEERE geboden had; alzo deed hij.17En het geschiedde in de eerste maand, in het tweede jaar, op den eersten der maand, dat de tabernakel opgericht werd.18Want Mozes richtte den tabernakel op, en zette zijn voeten, en stelde zijn berderen, en zette zijn richelen daaraan, en hij richtte deszelfs pilaren op.19En hij spreidde de tent uit over den tabernakel, en hij zette het deksel der tent daar bovenop, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.

Mozes wordt opgeroepen om op de eerste dag van de eerste maand de tabernakel met alles wat daarin hoort, op te richten. Het is een beeld van de nieuwe betrekking van God tot Zijn volk. Alles was nieuw gemaakt en God Zelf had voor alles gezorgd.

Nu is het alleen nog nodig de priesters voor te stellen: "Gij zult ook Aäron en zijn zonen doen naderen" (vers 12 en 14).

Daarbij gaan onze gedachten uit naar hem die een grote
avondmaaltijd aanrichtte en zijn knecht liet uitroepen:
"Komt, want alle dingen zijn nu gereed" (Lukas 14 vers 17).

Het heiligdom was klaargemaakt voor de aanbidder. Maar ... ook de aanbidder moest gereed (geschikt) zijn voor het heiligdom. Daarom: "Gij zult hen met water wassen ... en zult hun de rokken aantrekken. En gij zult hen zalven". Gereinigd, gerechtvaardigd en volmaakt — zo mogen ook wij het heiligdom betreden.

Nu begon de dienst voor de priester, maar ... in de juiste volgorde! Het koperen altaar, het wasvat, het ingaan in het heiligdom, het welriekend offer op het gouden reukaltaar.

Zouden wij achter kunnen blijven wanneer God tegen ons zegt dat we tot Hem mogen naderen? Wanneer onze grote Hogepriester, de ware Aäron, Zijn zonen invoert in het hemels heiligdom met de woorden: "Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft" (Hebreeën 2 vers 13)?

Exodus 40:20-38
20Voorts nam hij, en legde de getuigenis in de ark, en deed de handbomen aan de ark, en hij zette het verzoendeksel boven op de ark.21En hij bracht de ark in den tabernakel, en hij hing den voorhang van het deksel op, en bedekte de ark der getuigenis, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.22Hij zette ook de tafel in de tent der samenkomst, aan de zijde des tabernakels tegen het noorden, buiten den voorhang.23En hij schikte daarop het brood in orde, voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.24Hij zette ook den kandelaar in de tent der samenkomst, recht over de tafel, aan de zijde des tabernakels, zuidwaarts.25En hij stak de lampen aan voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.26En hij zette het gouden altaar in de tent der samenkomst, voor den voorhang.27En hij stak daarop aan reukwerk van welriekende specerijen, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.28Hij hing ook het deksel van de deur des tabernakels.29En hij zette het altaar des brandoffers aan de deur des tabernakels, van de tent der samenkomst; en hij offerde daarop brandoffer, en spijsoffer, gelijk de HEERE aan Mozes geboden had.30Hij zette ook het wasvat tussen de tent der samenkomst, en tussen het altaar; en hij deed water daarin om te wassen.31En Mozes en Aaron, en zijn zonen wiesen daaruit hun handen en hun voeten.32Als zij ingingen tot de tent der samenkomst, en als zij tot het altaar naderden, zo wiesen zij zich, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.33Hij richtte ook den voorhof op, rondom den tabernakel en het altaar, en hij hing het deksel van de poort des voorhofs op. Alzo voleindigde Mozes het werk.34Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde den tabernakel.35Zodat Mozes niet kon ingaan in de tent der samenkomst, dewijl de wolk daarop bleef, en de heerlijkheid des HEEREN den tabernakel vervulde.36Als nu de wolk opgeheven werd van boven den tabernakel, zo reisden de kinderen Israels voort in al hun reizen.37Maar als de wolk niet opgeheven werd, zo reisden zij niet tot op den dag, dat zij opgeheven werd.38Want de wolk des HEEREN was op den tabernakel bij dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de ogen van het ganse huis Israels in al hun reizen.

Tot in het kleinste detail werd het heiligdom met de voorwerpen voor de dienst voorbereid en elk voorwerp op zijn eigen plaats gesteld. "Alzo voleindigde Mozes het werk" (vers 33).

Mozes doet ons denken aan Hem Die tot de Vader kon zeggen: "Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen" (Johannes 17 vers 4). Maar de trouw van Mozes in het hele huis van God, waaraan Hebreeën 3 vers 2 ons herinnert, verbleekt bij de trouw van de Zoon "Die getrouw is aan Hem, Die Hem gesteld heeft".

Hij heeft de Vader geopenbaard, Zijn 'broeders' geheiligd en 'de ware tabernakel' opgericht waarvan Hij de Hogepriester is geworden. Hij heeft een nieuw verbond, zonder zichtbare of materiële dingen, ingesteld, op grond waarvan wij nu God kennen en tot Hem naderen en Hem dienen.

Het overdenken van het wonderbare huis van God, waarmee het Boek Exodus wordt afgesloten, heeft ons het werk van Christus, met alle heerlijke gevolgen vanuit verschillende gezichtspunten bezien, aanschouwelijk gemaakt. Het eerste gevolg van dat werk is dat God uit de heerlijkheid neerdaalt om bij Zijn volk te wonen (vers 34 en 35). Zo is op grond van het volbrachte werk van Christus, God de Heilige Geest op de pinksterdag naar de aarde gekomen om te wonen in de gemeente.

Volgens Efeze 2 vers 22 is zij "een woonstede Gods in de Geest". Sindsdien is Hij daar, ondanks het verval, als Goddelijke Gids aanwezig en leidt Hij het volk van God, zoals de wolk op de tabernakel het volk Israël leidde.

Leviticus 1:1-17
1En de HEERE riep Mozes, en sprak tot hem uit de tent der samenkomst, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.3Indien zijn offerande een brandoffer van runderen is, zo zal hij een volkomen mannetje offeren; aan de deur van de tent der samenkomst zal hij dat offeren, naar zijn welgevallen, voor het aangezicht des HEEREN.4En hij zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem te verzoenen.5Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed offeren, en het bloed sprengen rondom dat altaar, hetwelk voor de deur van de tent der samenkomst is.6Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en het in zijn stukken delen.7En de zonen van Aaron, den priester, zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.8Ook zullen de zonen van Aaron, de priesters, de stukken, het hoofd en het smeer, schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.9Doch zijn ingewand, en zijn schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.10En indien zijn offerande is van klein vee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.11En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht des HEEREN; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.12Daarna zal hij het in zijn stukken delen, mitsgaders zijn hoofd en zijn smeer; en de priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is, hetwelk op het altaar is.13Doch het ingewand en de schenkelen zal men met water wassen; en de priester zal dat alles offeren en aansteken op het altaar; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.14En indien zijn offerande voor den HEERE een brandoffer van gevogelte is, zo zal hij zijn offerande van tortelduiven, of van jonge duiven, offeren.15En de priester zal die tot het altaar brengen, en deszelfs hoofd met zijn nagel splijten, en op het altaar aansteken; en zijn bloed zal aan den wand des altaars uitgeduwd worden.16En zijn krop met zijn vederen zal hij wegdoen, en zal het werpen bij het altaar, oostwaarts, aan de plaats der as.17Verder zal hij die met zijn vleugelen klieven, niet afscheiden; en de priester zal die aansteken op het altaar, op het hout, dat op het vuur is; het is een brandoffer, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.

Voor hen die de Goddelijke 'sleutel' tot dit derde Boek van Mozes niet bezitten, is het een gesloten Boek. Deze 'sleutel' is Christus, want in dit Boek worden de vele zijden van Zijn offer belicht en zien we Hem als Hogepriester.

De gelovige kent één Offer dat "eenmaal" gebracht werd, maar volkomen toereikend is (Hebreeën 10 vers 10). Om de verschillende zijden van het offer van Christus te beschrijven, toont de Geest van God ons een veelvoud van elkaar aanvullende beelden.

Het brandoffer wordt het eerst genoemd, omdat het Gods aandeel in het werk van Christus voorstelt. Het wordt in het Nieuwe Testament in verschillende tekstplaatsen aangehaald (bijvoorbeeld in Johannes 10 vers 17, Efeze 5 vers 2 en Filippi 2 vers 8).

Laten ook wij, wanneer we ons met het kruis bezighouden, in de eerste plaats denken aan de welgevalligheid die God vond in de Persoon en in het werk van Zijn heilige Zoon. Daarna mogen we ook aan het heil dat ons ten deel is gevallen, denken.

Er konden drie soorten offerdieren gebracht worden. We zien dat er enkele verschillen bestaan in de manier van offeren. Alleen het offer van vee werd bijvoorbeeld in stukken verdeeld en op het altaar geschikt. Toch ging het in alle gevallen om "een liefelijke reuk voor de HEERE".

Het Offer onderging op het kruis het vuur van het oordeel. De uitwerking hiervan was dat de voortreffelijkheid van Hem Die "Zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd heeft" (Hebreeën 9 vers 14), in alle details naar voren kwam.

Leviticus 2:1-16
1Als nu een ziel een offerande van spijsoffer den HEERE zal offeren, zijn offerande zal van meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten, en wierook daarop leggen.2En hij zal het brengen tot de zonen van Aaron, de priesters, een van welke daarvan zijn hand vol grijpen zal uit deszelfs meelbloem, en uit deszelfs olie, met al deszelfs wierook; en de priester zal deszelfs gedenkoffer aansteken op het altaar; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.3Wat nu overblijft van het spijsoffer, zal voor Aaron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid der heiligheden van de vuurofferen des HEEREN.4En als gij offeren zult een offerande van spijsoffer, een gebak des ovens; het zullen zijn ongezuurde koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken.5En indien uw offerande spijsoffer is, in de pan gekookt, zij zal zijn van ongezuurde meelbloem, met olie gemengd.6Breekt ze in stukken, en giet olie daarop; het is een spijsoffer.7En zo uw offerande een spijsoffer des ketels is, het zal van meelbloem met olie gemaakt worden.8Dan zult gij dat spijsoffer, hetwelk daarvan zal gemaakt worden, den HEERE toebrengen; en men zal het tot den priester doen naderen, die het tot het altaar dragen zal.9En de priester zal van dat spijsoffer deszelfs gedenkoffer opnemen, en op het altaar aansteken, het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.10En wat overblijft van het spijsoffer, zal voor Aaron en zijn zonen zijn; het is een heiligheid der heiligheden van de vuurofferen des HEEREN.11Geen spijsoffer, dat gij den HEERE zult offeren, zal met desem gemaakt worden; want van geen zuurdesem, en van geen honig zult gijlieden den HEERE vuuroffer aansteken.12De offeranden der eerstelingen zult gij den HEERE offeren; maar op het altaar zullen zij niet komen tot een liefelijken reuk.13En alle offerande uws spijsoffers zult gij met zout zouten, en het zout des verbonds van uw God van uw spijsoffer niet laten afblijven; met al uw offerande zult gij zout offeren.14En zo gij den HEERE een spijsoffer der eerste vruchten offert, zult gij het spijsoffer uwer eerste vruchten van groene aren, bij het vuur gedord, dat is, het klein gebroken graan van volle groene aren, offeren.15En gij zult olie daarop doen, en wierook daarop leggen; het is een spijsoffer.16Zo zal de priester deszelfs gedenkoffer aansteken van zijn klein gebroken graan en van zijn olie, met al den wierook; het is een vuuroffer den HEERE.

Terwijl het brandoffer van de liefelijke reuk van Christus in Zijn dood spreekt, wijst het spijsoffer op de volmaaktheid van Zijn leven als Mens op aarde. Daarom vinden we bij dit offer ook geen offerdier of bloed. Nee, het bestond uit meelbloem, olie, wierook en zout.

De fijngemalen tarwekorrel duidt op de Mensheid van de Heere.

Het lichaam van de Heere werd door de Heilige Geest gevormd (wat voor ons een grote verborgenheid is) en Hij werd met de Geest gedoopt: met olie gemengd en gezalfd.

Toen Hij zowel op zichtbare als op verborgen wijze door lijden werd beproefd (= door de hitte van de ketel, de pan of de oven), steeg voor de Vader een liefelijke reuk omhoog.

De gelovige spreekt in zijn aanbidding tot God over dit volmaakte leven van de Heere Jezus, maar hij voedt zich daar ook mee. Laten we het leven van deze wonderbare Mens toch onderzoeken in de Evangeliën! Zijn afhankelijkheid, geduld, vertrouwen, zachtmoedigheid, wijsheid, goedheid en overgave! Dit alles veranderde zelfs in Zijn diepste lijden niet. Het zijn wonderbare onderwerpen waar het met wierook bestrooide spijsoffer ons aan herinnert. Het was "een heiligheid der heiligheden" (vers 3 en 10).

Er mocht geen zuurdeeg (een beeld van de zonde), noch honing (een beeld van menselijke genegenheden) aan het spijsoffer toegevoegd worden. Het moest echter wel zout bevatten. Zout spreekt ons van afzondering voor God en het bewaren voor bederf. Dat was het kenmerk van het leven van de Heere Jezus; en het mag ook in ons leven niet ontbreken (Markus 9 vers 50; Kolosse 4 vers 6).

Leviticus 3:1-17
1En indien zijn offer een dankoffer is; zo hij ze van de runderen offert, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren, voor het aangezicht des HEEREN.2En hij zal zijn hand op het hoofd zijner offerande leggen, en zal ze slachten voor de deur van de tent der samenkomst; en de zonen van Aaron, de priesters, zullen het bloed rondom op het altaar sprengen.3Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer den HEERE offeren, het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, hetwelk aan het ingewand is.4Dan zal hij beide de nieren, en het vet, hetwelk daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.5En de zonen van Aaron zullen dat aansteken op het altaar, op het brandoffer, hetwelk op het hout zal zijn, dat op het vuur is; het is een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.6En indien zijn offerande van klein vee is, den HEERE tot een dankoffer, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren.7Indien hij een lam tot zijn offerande offert, zo zal hij het offeren voor het aangezicht des HEEREN.8En hij zal zijn hand op het hoofd zijner offerande leggen, en hij zal die slachten voor de tent der samenkomst; en de zonen van Aaron zullen het bloed daarvan sprengen op het altaar rondom.9Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer den HEERE offeren; zijn vet, den gehele staart, dien hij dicht aan de ruggegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;10Ook beide de nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever met de nieren, zal hij afnemen.11En de priester zal dat aansteken op het altaar; het is een spijs des vuuroffers den HEERE.12Indien nu zijn offerande een geit is, zo zal hij die offeren voor het aangezicht des HEEREN.13En hij zal zijn hand op haar hoofd leggen, en hij zal hem slachten voor de tent der samenkomst; en de zonen van Aaron zullen haar bloed op het altaar sprengen rondom.14Dan zal hij daarvan zijn offerande offeren, een vuuroffer den HEERE; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;15Mitsgaders de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen.16En de priester zal die aansteken op het altaar; het is een spijs des vuuroffers, tot een liefelijken reuk; alle vet zal des HEEREN zijn.17Dit zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen: geen vet noch bloed zult gij eten.

Ook het dankoffer (of: vredeoffer) spreekt van het werk van Christus, maar nu vanuit het gezichtspunt van gemeenschap, vreugde en vrede, die wij door Zijn offer mogen genieten.

De Heere Jezus is niet alleen gekomen om de Vader in Zijn leven (het spijsoffer) en in Zijn dood (het brandoffer) te verheerlijken en onze zonden weg te doen (het zondoffer waarover we lezen in hoofdstuk 4), maar ook om ons in een nieuwe verbinding, in gemeenschap met God te brengen.

Onze geliefde Heiland heeft Zich er als het ware niet tevreden mee gesteld, ons alleen maar te bevrijden van het eeuwig oordeel. Nee, Hij wil ons ook nu al gelukkig maken!

Evenals bij de andere offers was het vet bestemd voor de HEERE en werd het op het altaar verbrand. Vet is een beeld van innerlijke kracht, van de wil die het hart regeert. In de Heere Jezus was deze kracht volkomen aan God toegewijd. Zijn wil was het, uitsluitend te doen wat de Vader welgevallig was (Johannes 6 vers 38 en 8 vers 29).

Zo'n offer kon niets anders dan een liefelijke reuk voor God zijn (vers 5 en 16).

Wat een voorrecht voor ons die de Heere Jezus mogen kennen, dezelfde "spijs" als de Vader te hebben (vers 11 en 16) en uitgenodigd te zijn aan Zijn tafel om Zijn vreugde en Zijn gedachten over Zijn geliefde Zoon met Hem te delen!

"Opdat ... onze gemeenschap ook zij met de Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus", zegt de apostel (1 Johannes 1 vers 3).

Leviticus 4:1-12
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben, door afdwaling van enige geboden des HEEREN, dat niet zou gedaan worden, en tegen een van die zal gedaan hebben;3Indien de priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben, tot schuld des volks, zo zal hij voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, offeren een var, een volkomen jong rund, den HEERE ten zondoffer.4En hij zal die var brengen tot de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN; en hij zal zijn hand op het hoofd van dien var leggen, en hij zal dien var slachten voor het aangezicht des HEEREN.5Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van den var nemen, en hij zal dat tot de tent der samenkomst brengen.6En de priester zal zijn vinger in dat bloed dopen; en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht des HEEREN, voor den voorhang van het heilige.7Ook zal de priester van dat bloed doen op de hoornen des reukaltaars der welriekende specerijen, voor het aangezicht des HEEREN, dat in de tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed van den var uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is aan de deur van de tent der samenkomst.8Verder, al het vet van den var des zondoffers zal hij daarvan opnemen; het vet bedekkende het ingewand, en al het vet, dat aan het ingewand is;9Daartoe de twee nieren, en het vet, dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, zal hij afnemen;10Gelijk als het van den os des dankoffers opgenomen wordt; en de priester zal die aansteken op het altaar des brandoffers.11Maar de huid van dien var, en al zijn vlees, met zijn hoofd en met zijn schenkelen, en zijn ingewand, en zijn mest;12En dien gehele var zal hij tot buiten het leger uitvoeren, aan een reine plaats, waar men de as uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten as zal hij verbrand worden.

Het zondoffer is, met het schuldoffer, het laatste in de reeks van de heilige offers. Het eerste offer was het brandoffer: Gods zijde in het werk van Christus. Het laatste houdt zich bezig met de behoeften van de zondaar.

Het is duidelijk dat voor ons de omgekeerde volgorde geldt. Wij moeten eerst met Hem te doen hebben Die aan het kruis leed en stierf om onze zonden weg te doen, vóórdat wij de vrede en vreugde van het dankoffer kunnen genieten, vóórdat we begrijpen wat de Heere Jezus in Zijn leven en sterven voor God betekende.

Het bloed werd de tent der samenkomst binnengebracht, als bewijs voor God van het volbrachte werk. Voor de zondaar was dit het teken dat het offer aangenomen was. Het vet werd op het altaar verbrand, een teken dat God bevredigd is door de gehoorzaamheid van het offer, van Christus.

Tenslotte moest de rest van het offerdier dat voor de zonde geslacht was, buiten het leger gewoon verbrand (vernietigd) worden, terwijl het vlees van het brandoffer op het altaar tot een liefelijke reuk verbrand en het vlees van het dankoffer gegeten werd door degene die het offer bracht.

De Heere Jezus heeft vanwege onze zonden die Hij op Zich nam, "buiten de poort geleden" (Hebreeën 13 vers 12), ver verwijderd van de tegenwoordigheid van God Die heilig is.

Bij het verbranden van het vet en het reukwerk vinden we de uitdrukking: "tot een liefelijke reuk voor de HEERE". In het Schriftgedeelte voor vandaag staat alleen maar "verbranden". Daarbij mogen we denken aan de vuurgloed van het oordeel die ons volmaakte Offer heeft verteerd.

Leviticus 4:13-26
13Indien nu de gehele vergadering van Israel afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de ogen der gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen enige van allen geboden des HEEREN, dat niet zoude gedaan worden, en zijn schuldig geworden;14En die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden; zo zal de gemeente een var, een jong rund, ten zondoffer offeren, en dien voor de tent der samenkomst brengen;15En de oudsten der vergadering zullen hun handen op het hoofd van den var leggen, voor het aangezicht des HEEREN; en hij zal den var slachten voor het aangezicht des HEEREN.16Daarna zal die gezalfde priester van het bloed van den var tot de tent der samenkomst brengen.17En de priester zal zijn vinger indopen, nemende van dat bloed; en hij zal zevenmaal sprengen voor het aangezicht des HEEREN, voor den voorhang.18En van dat bloed zal hij doen op de hoornen van het altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN is, dat in de tent der samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten, aan den bodem van het altaar des brandoffers, hetwelk is voor de deur van de tent der samenkomst.19Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen, en op het altaar aansteken.20En hij zal dezen var doen, gelijk als hij den var des zondoffers gedaan heeft, alzo zal hij hem doen; en de priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden.21Daarna zal hij dien var tot buiten het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, gelijk als hij den eersten var verbrand heeft; het is een zondoffer der gemeente.22Als een overste zal gezondigd hebben, en tegen een van de geboden des HEEREN zijns Gods, door afdwaling, gedaan zal hebben, hetwelk niet zou gedaan worden, zodat hij schuldig is;23Of men zijn zonde, die hij daartegen gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offer brengen een geitenbok, een volkomen mannetje.24En hij zal zijn hand op het hoofd van den bok leggen, en zal hem slachten in de plaats, waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht des HEEREN; het is een zondoffer.25Daarna zal de priester van het bloed des zondoffers met zijn vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar des brandoffers doen; dan zal hij zijn bloed aan den bodem van het altaar des brandoffers uitgieten.26Hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken, gelijk het vet des dankoffers; zo zal de priester voor hem verzoening doen van zijn zonden, en het zal hem vergeven worden.

Veel mensen denken dat zij vanwege de fouten (de zonden) die zij onbewust gemaakt hebben, eigenlijk niet schuldig staan voor God. Zij gaan ervan uit dat God hen hun onwetendheid niet kan toerekenen, dat Hij met hun 'goede wil' rekening moet houden. Dit is een noodlottige misvatting!

Als God voor de onopzettelijk begane zonden in een offer moest voorzien, is dat een bewijs dat zelfs de onwetende zondaar schuldig staat voor Hem.

Onze Nederlandse wetgeving is overigens net zo streng. Onwetendheid beschermt niet voor straf. Zelfs een ongewilde overtreding van het wetboek maakt mij strafbaar.

Zonde blijft in het heilig oog van God zonde. Daar doet mijn onverschilligheid of mijn mening niets vanaf. Maar als elke zonde dan veroordeling met zich mee brengt, mag ik ook weten dat er voor elke zonde een offer is. Niets minder dan het geweldige werk aan het kruis was nodig om die enorme beledigingen van God, veroorzaakt door mijn bewuste én onbewuste zonden, te niet te doen. Of het nu om zonden gaat die ik me nog kan herinneren, of om zonden die ik al lang vergeten ben.

Door het leggen van de hand op het offerdier ging de zonde van hem die het offer bracht, over op het dier. Hij gaf daarmee aan, schuldig te staan en zelf de dood verdiend te hebben, als niet het offerdier zijn plaats in zou nemen.

Dat dier moest nu de zonde dragen en in zijn plaats sterven. Dat is wat de Heere Jezus, onze volmaakte Plaatsvervanger, voor ons heeft gedaan.

Leviticus 4:27-35
27En zo enig mens van het volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, dewijl hij iets doet tegen een van de geboden des HEEREN, dat niet gedaan zou worden, zodat hij schuldig is;28Of men zijn zonde, die hij gezondigd heeft, aan hem zal bekend gemaakt hebben; zo zal hij tot zijn offerande brengen een jonge geit, een volkomen wijfje, voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft.29En hij zal zijn hand op het hoofd des zondoffers leggen; en men zal dat zondoffer slachten in de plaats des brandoffers.30Daarna zal de priester van haar bloed met zijn vinger nemen, en doen het op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten.31En al haar vet zal hij afnemen, gelijk als het vet van het dankoffer afgenomen wordt, en de priester zal het aansteken op het altaar, tot een liefelijken reuk den HEERE; en de priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.32Maar zo hij een lam voor zijn offerande ten zondoffer brengt, het zal een volkomen wijfje zijn, dat hij brengt.33En hij zal zijn hand op het hoofd des zondoffers leggen, en hij zal dat slachten tot een zondoffer, in de plaats, waar men het brandoffer slacht.34Daarna zal de priester van het bloed des zondoffers met zijn vinger nemen, en zal het doen op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten.35En al het vet daarvan zal hij afnemen, gelijk als het vet van het lam des dankoffers afgenomen wordt, en de priester zal die aansteken op het altaar, op de vuurofferen des HEEREN; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft, en het zal hem vergeven worden.

De gezalfde priester moest voor zijn zonde een var offeren (vers 3) en een overste een geitenbok (vers 22 en 23), terwijl iemand uit het volk een geit of een lam moest brengen (een wijfje; vers 28 en 32).

Zij die tot een voorbeeld moeten zijn voor anderen, hebben een grotere verantwoordelijkheid. Dit komt tot uitdrukking in het offerdier. Maar voor God "hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods" (Romeinen 3 vers 23).

Of men nu hoog op de sociale ladder staat of helemaal onderaan, of men geëerd of veracht wordt, of men tot criminelen of tot eerbare burgers behoort, voor alle mensen bestaat er slechts één classificatie: ze zijn verloren zondaren.

Gelukkig heeft God in Zijn ondoorgrondelijk erbarmen een nieuwe categorie geschapen: verloste zondaren. Allen heeft Hij besloten onder ongeloof en ongehoorzaamheid om aan allen genade te kunnen bewijzen (Romeinen 11 vers 32).

Let eens op de uitdrukking in vers 23 en 28: "Of men zijn zonde ... aan hem zal bekend gemaakt hebben". Dat is een beenwijzing naar de moeilijke dienst van de voetwassing. Deze bestaat daarin dat men een andere gelovige helpt zijn fouten in te zien en te veroordelen (Johannes 13 vers 14).

"En het zal hem vergeven worden", lezen we telkens aan het einde van een gedeelte. Dat is het antwoord van God dat Hij op grond van het volbrachte werk van Zijn geliefde Zoon geeft aan de zondaar die berouw heeft.

Leviticus 5:1-13
1Als nu een mens zal gezondigd hebben, dat hij gehoord heeft een stem des vloeks, waarvan hij getuige is, hetzij dat hij het gezien of geweten heeft; indien hij het niet te kennen geeft, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.2Of wanneer een mens enig onrein ding zal aangeroerd hebben, hetzij het dode aas van een wild onrein gedierte, of het dode aas van onrein vee, of het dode aas van onrein kruipend gedierte; al is het voor hem verborgen geweest, nochtans is hij onrein en schuldig.3Of als hij zal aangeroerd hebben de onreinigheid van een mens, naar al zijn onreinigheid, waarmede hij onrein wordt; en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zo is hij schuldig.4Of als een mens zal gezworen hebben, onbedacht met zijn lippen uitsprekende, om kwaad te doen, of om goed te doen; naar al wat de mens in den eed onbedacht uitspreekt, en het is voor hem verborgen geweest, en hij zal het gewaar worden, zo is hij aan een van die schuldig.5Het zal dan geschieden, als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal, waarin hij gezondigd heeft;6En tot zijn schuldoffer den HEERE voor zijn zonde, die hij gezondigd heeft, brengen zal een wijfje van klein vee, een lam of een jonge geit, voor de zonde; zo zal de priester voor hem vanwege zijn zonde verzoening doen.7Maar indien zijn hand zoveel niet bereiken kan, als genoeg is tot een stuk klein vee, zo zal hij tot zijn offer voor de schuld, die hij gezondigd heeft, den HEERE brengen twee tortelduiven, of twee jonge duiven, een ten zondoffer, en een ten brandoffer.8En hij zal die tot den priester brengen, welke eerst die zal offeren, die tot het zondoffer is; en zal zijn hoofd met zijn nagel nevens haar nek splijten, maar niet afscheiden.9En van het bloed des zondoffers zal hij aan den wand van het altaar sprengen; maar het overgeblevene van dat bloed zal uitgeduwd worden aan den bodem van het altaar; het is een zondoffer.10En de andere zal hij ten brandoffer maken, naar de wijze; zo zal de priester voor hem, vanwege zijn zonde, die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.11Maar indien zijn hand niet bereiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zo zal hij, die gezondigd heeft, tot zijn offerande brengen het tiende deel van een efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, noch wierook daarop leggen; want het is een zondoffer.12En hij zal dat tot den priester brengen, en de priester zal daarvan zijn hand vol, der gedachtenis deszelven, grijpen, en dat aansteken op het altaar, op de vuurofferen des HEEREN; het is een zondoffer.13Zo zal de priester voor hem verzoening doen over zijn zonde, die hij gezondigd heeft in enige van die stukken, en het zal hem vergeven worden; en het zal des priesters zijn, gelijk het spijsoffer.

De verzen 1 tot en met 4 geven ons enkele voorbeelden van zonden die door een offer weggedaan moeten worden. Het gaat om daden die wij misschien helemaal niet zo erg zouden vinden. Toch is het Woord van God, de toetssteen van ons geweten, ook wat deze dingen betreft heel duidelijk.

Het Woord veroordeelt hem die nalaat iets te zeggen, die iets onreins heeft aangeraakt, of die een onbezonnen woord heeft uitgesproken.

Men kan zich dus schuldig maken door te zwijgen (vers 1), of juist door het tegenovergestelde, door te veel te praten (vers 4).

In beide gevallen is er eerst belijdenis (vers 5) nodig en moet men de toevlucht nemen tot een offer (vers 6). Dat is ook de weg die 1 Johannes 1 vers 9 voorschrijft aan de gelovige die gezondigd heeft.

Er is alleen dit grote verschil, dat er nu niet opnieuw geofferd hoeft te worden. God ziet het bloed van Jezus Christus al, zodat onze belijdenis voldoende is. God is dan "getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonde vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid".

De verzen 7 tot en met 13 laten ons zien dat er verschil bestaat tussen de mensen. De één bezit meer dan de ander en kan daarom ook meer offeren. De één kon een lam brengen, de ander maar twee tortelduiven. En de derde slechts een handje vol meelbloem.

We kunnen niet allemaal op gelijke wijze het werk van Christus op zijn waarde schatten. Wat belangrijk is, is de volmaakte waarde die Zijn offer voor God heeft.

Leviticus 5:14-19; Leviticus 6:1-7
14Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:15Als een mens door overtreding overtreden, en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat onwetende van de heilige dingen des HEEREN, zo zal hij tot zijn schuldoffer den HEERE brengen een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting aan zilveren sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, ten schuldoffer.16Zo zal hij, dat hij zondigende heeft onwetend van de heilige dingen, wedergeven, en zal deszelfs vijfde deel daarenboven toedoen, dat hij den priester geven zal; alzo zal de priester met den ram des schuldoffers voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.17En indien een mens zal gezondigd hebben, en gedaan tegen een van alle geboden des HEEREN, hetwelk niet zou gedaan worden, al is het dat hij het niet geweten heeft, nochtans is hij schuldig, en zal zijn ongerechtigheid dragen.18En hij zal een volkomen ram uit de kudde tot den priester brengen, met uw schatting, ten schuldoffer; en de priester zal voor hem verzoening doen over zijn afdwaling, door welke hij afgedwaald is, die hij niet geweten had; zo zal het hem vergeven worden.19Het is een schuldoffer; hij heeft zich voorzeker schuldig gemaakt aan den HEERE.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Als een mens gezondigd, en tegen den HEERE door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijn naaste zal gelogen hebben van hetgeen hem in bewaring gegeven, of ter hand gesteld was, of van roof, of dat hij met geweld zijn naaste onthoudt;3Of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen, en met valsheid gezworen zal hebben; over iets van alles, dat de mens doet, daarin zondigende.4Het zal dan geschieden, dewijl hij gezondigd heeft, en schuldig geworden is, dat hij wederuitkeren zal den roof, dien hij geroofd, of het onthoudene, dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde, dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene, dat hij gevonden heeft;5Of van al, waarover hij valselijk gezworen heeft, dat hij hetzelve in zijn hoofdsom wedergeve, en nog het vijfde deel daarenboven toedoen zal; wiens dat is, dien zal hij dat geven op den dag zijner schuld.6En hij zal den HEERE zijn schuldoffer brengen tot den priester, een volkomen ram uit de kudde, met uw schatting, ten schuldoffer.7Dan zal de priester voor hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN, en het zal hem vergeven worden; over iets van al, wat hij doet, waar hij schuld aan heeft.

Ook de Israëliet die nog zo punctueel was, moest steeds bang zijn per vergissing een zonde te begaan en die te vergeten. Hij had nog maar nauwelijks een duur offer gebracht, of hij moest vanwege zijn ontrouw al weer een ander dier offeren.

Helaas zijn er nu, ondanks de vele beloften in het Woord van God, nog steeds christenen die in dezelfde vrees leven. Ze menen dat hun heil afhankelijk is van hun eigen — ongetwijfeld oprechte — inspanningen. En ze denken door goede werken en boetedoeningen God tevreden te moeten stellen. Maar ze weten nooit zeker of het wel voldoet.

Dit is heel triest, want door deze handelwijze miskennen ze de volheid van de Goddelijke genade! Wat mogen wij ons toch gelukkig prijzen, wanneer we van deze angst bevrijd zijn en weten dat de Heere Jezus alles voor ons gedaan heeft!

Het Schriftgedeelte voor vandaag maakt onderscheid tussen zonden tegen God (vers 16 en 17) en zonden tegen de naaste (hoofdstuk 6 vers 2 en 3). Vaak worden we van de eerste niet zo onrustig en angstig als van de tweede soort. Dat zou juist omgekeerd het geval moeten zijn!

Overigens moest niet alleen het onrecht tegen de naaste weer goed gemaakt worden, maar moest men ook een offer aan de HEERE brengen (vers 6; zie ook Psalm 51 vers 6).

Toch was het ook niet voldoende, de zaak alleen met God in het reine te brengen. Op de dag waarop het schuldoffer gebracht werd, moest de offeraar het ook met de naaste in orde maken (vers 5b). Dat had Zacheüs op die bewuste dag, waarop de Heere Jezus in zijn huis kwam, heel goed begrepen (Lukas 19 vers 8).

Leviticus 6:8-30
8Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:9Gebied Aaron en zijn zonen, zeggende: Dit is de wet des brandoffers; het is hetgeen, wat door de branding op het altaar den gansen nacht tot aan den morgen opvaart; alwaar het vuur des altaars zal brandende gehouden worden.10En de priester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vlees aantrekken, en zal de as opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verteerd hebben, en zal die bij het altaar leggen.11Daarna zal hij zijn klederen uittrekken, en zal andere klederen aandoen, en zal de as tot buiten het leger uitdragen aan een reine plaats.12Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgeblust worden; maar de priester zal daar elken morgen hout aansteken, en zal daarop het brandoffer schikken, en het vet der dankofferen daarop aansteken.13Het vuur zal geduriglijk op het altaar brandende gehouden worden; het zal niet uitgeblust worden.14Dit is nu de wet des spijsoffers; een der zonen van Aaron zal dat voor het aangezicht des HEEREN offeren, voor aan het altaar.15En hij zal daarvan opnemen zijn hand vol, uit de meelbloem des spijsoffers, en van deszelfs olie, en al den wierook, die op het spijsoffer is; dan zal hij het aansteken op het altaar; het is een liefelijke reuk tot deszelfs gedachtenis voor den HEERE.16En het overblijvende daarvan zullen Aaron en zijn zonen eten; ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaats; in den voorhof van de tent der samenkomst zullen zij dat eten.17Het zal niet gedesemd gebakken worden; het is hun deel, dat Ik gegeven heb van Mijn vuurofferen; het is een heiligheid der heiligheden, gelijk het zondoffer en gelijk het schuldoffer.18Al wat mannelijk is onder de zonen van Aaron zal het eten; het zij een eeuwige inzetting voor uw geslachten van de vuurofferen des HEEREN; al wat die zal aanroeren, zal heilig zijn.19Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:20Dit is de offerande van Aaron en van zijn zonen, die zij den HEERE offeren zullen, ten dage als hij zal gezalfd worden: het tiende deel ener efa meelbloem, een spijsoffer gedurig; de helft daarvan op den morgen, en de helft daarvan op den avond.21Het zal in een pan met olie gemaakt worden; geroost zult gij het brengen; en de gebakken stukken des spijsoffers zult gij offeren, tot een liefelijken reuk den HEERE.22Ook zal de priester, die uit zijn zonen in zijn plaats de gezalfde zal worden, hetzelfde doen; het zij een eeuwige inzetting; het zal voor den HEERE geheel aangestoken worden.23Alzo zal alle spijsoffer des priesters ganselijk zijn; het zal niet gegeten worden.24Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:25Spreek tot Aaron en tot zijn zonen, zeggende: Dit is de wet des zondoffers: in de plaats, waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht des HEEREN geslacht worden; het is een heiligheid der heiligheden.26De priester, die het voor de zonde offert, zal het eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden, in den voorhof van de tent der samenkomst.27Al wat deszelfs vlees zal aanroeren, zal heilig zijn; zo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat, waarop hij gesprengd zal hebben, zult gij in de heilige plaats wassen.28En het aarden vat, waarin het gezoden is, zal gebroken worden; maar zo het in een koperen vat gezoden is, zo zal het geschuurd en in water gespoeld worden.29Al wat mannelijk is onder de priesteren, zal dat eten; het is een heiligheid der heiligheden.30Maar geen zondoffer, van welks bloed in de tent der samenkomst zal gebracht worden, om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden; het zal in het vuur verbrand worden.

Het is heel opvallend en bewonderenswaardig dat de vier grote offers verwijzen naar de vier gezichtspunten waaruit de Evangeliën ons het werk van Christus voorstellen.

In het Johannesevangelie is de Heere Jezus het heilige brandoffer; Hij Die geliefd werd door de Vader, omdat Hijzelf Zijn leven aflegde (Johannes 10 vers 17 en 18).

Lukas laat ons het leven van de volmaakte Mens bewonderen, waarvan het spijsoffer spreekt.

Markus stelt de Dienstknecht van God voor; daarvan is het dank- of vredeoffer een beeld.

En Mattheüs wijst ons op Hem Die Zijn volk verlossen zal van hun zonden (Mattheus 1 vers 21). Dit spreekt dus van het zondoffer.

Deze vier offers vinden we nog eens vermeld in de hoofdstukken 6 en 7 van Leviticus. Het gaat dan om de wetten, dat wil zeggen, om de manier waarop de priester deze offers moest brengen.

Het brandoffer was een "gedurig" offer (vers 13), het spijsoffer "een eeuwige inzetting" (vers 18). Gisteren zagen we de vrees van de Israëliet, omdat hij er nooit zeker van was of hij door het 'voortdurend' offer volmaakt geworden was.

Hoofdstuk 10 van de Brief aan de Hebreeën laat ons zien dat ook de priester nooit tot rust kwam. Hij "stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtoffers dikwijls offerende", maar dan zien we in het volgende vers de Heere Jezus voorgesteld Die "een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende", Zich voor eeuwig gezet heeft "aan de rechterhand Gods" (Hebreeën 10 vers 1, 11 en 12).

Leviticus 7:1-21
1Dit is nu de wet des schuldoffers; het is een heiligheid der heiligheden.2In de plaats, waar zij het brandoffer slachten, zullen zij het schuldoffer slachten; en men zal deszelfs bloed rondom op het altaar sprengen.3En daarvan zal men al zijn vet offeren, den staart, en het vet, dat het ingewand bedekt;4Ook de beide nieren, en het vet, dat daaraan is, dat op de weekdarmen is; en het net over de lever, met de nieren, zal men afnemen.5En de priester zal die aansteken op het altaar, ten vuuroffer den HEERE; het is een schuldoffer.6Al wat mannelijk is onder de priesteren zal dat eten; in de heilige plaats zal het gegeten worden; het is een heiligheid der heiligheden.7Gelijk het zondoffer, alzo zal ook het schuldoffer zijn; enerlei wet zal voor dezelve zijn; het zal des priesters zijn, die daarmede verzoening gedaan zal hebben.8Ook de priester, die iemands brandoffer offert, die priester zal de huid des brandoffers hebben, dat hij geofferd heeft.9Daartoe al het spijsoffer, dat in den oven gebakken wordt, met al wat in den ketel en in den pan bereid wordt, zal des priesters zijn, die dat offert.10Ook alle spijsoffer met olie gemengd, of droog, zal voor alle zonen van Aaron zijn, voor den enen als voor den anderen.11Dit is nu de wet des dankoffers, dat men den HEERE offeren zal.12Indien hij dat tot een lof offer offert, zo zal hij, nevens het lofoffer, ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, offeren; en zullen die koeken met olie gemengd van geroost meelbloem zijn.13Benevens de koeken zal hij tot zijn offerande gedesemd brood offeren, met het lofoffer zijns dankoffers.14En een daarvan uit de ganse offerande zal hij den HEERE ten hefoffer offeren; het zal voor den priester zijn, die het bloed des dankoffers sprengt.15Maar het vlees van het lofoffer zijns dankoffers zal op den dag van deszelfs offerande gegeten worden; daarvan zal men niet tot den morgen overlaten.16En zo het slachtoffer zijner offerande een gelofte, of vrijwillig offer is, dat zal ten dage als hij zijn offer offeren zal, gegeten worden, en het overgeblevene daarvan zal ook des anderen daags gegeten worden.17Wat nog van het vlees des slachtoffers overgebleven is, zal op den derden dag met vuur verbrand worden;18Want zo enigzins van dat vlees zijns dankoffers op den derden dag gegeten wordt, die dat geofferd heeft, zal niet aangenaam zijn; het zal hem niet toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn; en de ziel, die daarvan eet, zal haar ongerechtigheid dragen.19En het vlees, dat iets onreins aangeroerd zal hebben, zal niet gegeten worden; met vuur zal het verbrand worden; maar aangaande het andere vlees, dat vlees zal een ieder, die rein is, mogen eten.20Doch als een ziel het vlees van het dankoffer, hetwelk des HEEREN is, gegeten zal hebben, en haar onreinigheid aan haar is, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.21En wanneer een ziel iets onreins zal aangeroerd hebben, als de onreinigheid des mensen, of het onreine vee, of enig onrein verfoeisel, en zal van het vlees des dankoffers, hetwelk des HEEREN is, gegeten hebben, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.

De Romeinenbrief vertelt ons dat God Zich met twee dingen moest bezighouden: het probleem van de zonden (tot en met hoofdstuk 5 vers 11) en van de zonde (vanaf hoofdstuk 5 vers 12 tot en met hoofdstuk 8).

God moest zowel de boom als de vruchten vervloeken, dat wil zeggen: zowel de zonde die onze natuur is, alsook de vruchten die we voortbrengen.

God eiste zowel een schuldoffer (voor de begane daad), als een zondoffer (voor de oorsprong van de daad). Maar God laat ook zien dat het werk van Christus aan beide eisen voldoet.

De wet van het dankoffer toont de voorwaarden waarop een gelovige gemeenschap met de Heere Jezus en andere gelovigen kan hebben. Het gaat om een dankoffer (vers 12; 1 Korinthe 10 vers 16) dat vrijwillig en met blijdschap gebracht werd (vers 16). Daarbij moest elk contact met onreinheid vermeden worden (vers 21).

De zondoffers werden gebracht, omdat men niet rein was, terwijl alleen de Israëlieten die rein waren, aan het dankoffer mochten deelnemen (vers 19).

Wie het vlees van het zondoffer aanraakte, werd heilig (hoofdstuk 6 vers 27), maar omgekeerd, verontreinigde elke onreinheid het dankoffer!

Wij letten bij onze voedingsmiddelen altijd goed op de hygiëne. Laten we er nog veel meer op toezien dat geen enkele onreinheid de gemeenschap met God en als gelovigen onderling, waarvan dit offer een beeld is, kan verstoren!

Leviticus 7:22-38
22Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:23Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Geen vet van een os, of schaap, of geit, zult gij eten.24Maar het vet van een dood aas, en het vet van het verscheurde, mag tot alle werk gebezigd worden; doch gij zult het ganselijk niet eten.25Want al wie het vet van vee eten zal, van hetwelk men den HEERE een vuuroffer zal geofferd hebben, die ziel, die het gegeten zal hebben, zal uit haar volken uitgeroeid worden.26Ook zult gij in uw woningen geen bloed eten, hetzij van het gevogelte, of van het vee.27Alle ziel, die enig bloed eten zal, die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden.28Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:29Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wie zijn dankoffer den HEERE offert, zal zijn offerande van zijn dankoffer den HEERE toebrengen.30Zijn handen zullen de vuurofferen des HEEREN brengen; het vet aan de borst zal hij met die borst brengen, om die tot een beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN te bewegen.31En de priester zal dat vet op het altaar aansteken; doch de borst zal voor Aaron en zijn zonen zijn.32Gij zult ook den rechterschouder tot een hefoffer den priester geven, uit uw dankofferen.33Wie uit de zonen van Aaron het bloed des dankoffers en het vet offert, dien zal de rechterschouder ten dele zijn.34Want de beweegborst en den hefschouder heb Ik van de kinderen Israels uit hun dankofferen genomen, en heb dezelve aan Aaron, den priester, en aan zijn zonen, tot een eeuwige inzetting gegeven, van de kinderen Israels.35Dit is de zalving van Aaron en de zalving van zijn zonen, van de vuurofferen des HEEREN; ten dage als Hij hen deed naderen, om het priesterdom den HEERE te bedienen;36Hetwelk de HEERE hun van de kinderen Israels te geven geboden heeft, ten dage als Hij hen zalfde; het zij een eeuwige inzetting voor hun geslachten.37Dit is de wet des brandoffers, des spijsoffers, des zondoffers, des schuldoffers, des vuloffers en des dankoffers;38Die de HEERE Mozes op den berg Sinai geboden heeft, ten dage als Hij den kinderen Israels gebood, dat zij hun offeranden den HEERE, in de woestijn van Sinai, zouden offeren.

Het dankoffer, een beeld van de gemeenschap van de verlosten met God en met elkaar, was het enige offer waarvan ieder zijn deel kreeg.

Het vet en het bloed waren voor God, wat ons herinnert aan Zijn rechten op onze toewijding en ons leven.

Aäron en zijn zonen kregen de beweegborst en de hefschouder (vers 34), een beeld van de genegenheden en de kracht van de verlosten, die voor Christus en de Zijnen zijn. Daarin vond de aanbidder ook zelf zijn spijze.

Laten we erop letten dat het voedsel van het dankoffer door de priester werd aangereikt. De geestelijke energie die een gelovige voor de dienst van de Heere nodig heeft, vloeit voort uit de gemeenschap die hij met de Heere heeft.

De beide Brieven aan de Korinthiërs bevestigen dit. De eerste Brief gaat namelijk over de gemeenschap en de tweede over de dienst.

Onze dienst zal alleen nuttig en gezegend zijn in de mate waarin we ons met het volmaakte dankoffer voeden, en waarin we het voorbeeld van de Heere Jezus navolgen door onszelf, onze lichamen te stellen "tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande" (Romeinen 12 vers 1).

In datzelfde hoofdstuk zien we ook dat dit het geheim is om tot het inzicht te komen "welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God is" (vers 2). Het is ook het geheim om die wil met vreugde te vervullen (vers 3 tot en met 8).

Leviticus 8:1-21
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Neem Aaron en zijn zonen met hem, en de klederen, en de zalfolie, daartoe den var des zondoffers, en de twee rammen, en den korf van de ongezuurde broden;3En verzamel de ganse vergadering aan de deur van de tent der samenkomst.4Mozes nu deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; en de vergadering werd verzameld aan de deur van de tent der samenkomst.5Toen zeide Mozes tot de vergadering: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft te doen.6En Mozes deed Aaron en zijn zonen naderen, en wies hen met dat water.7Daar deed hij hem den rok aan, en gordde hem met den gordel, en trok hem den mantel aan; en deed hij hem den efod aan, en gordde dien met de kunstelijken riem des efods, en ombond hem daarmede.8Voorts deed hij hem den borstlap aan, en voegde aan den borstlap de Urim en de Thummim.9En hij zette den hoed op zijn hoofd; en aan den hoed boven zijn aangezicht zette hij de gouden plaat, de kroon der heiligheid, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.10Toen nam Mozes de zalfolie, en zalfde den tabernakel, en al wat daarin was, en heiligde ze.11En hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal; en hij zalfde het altaar, en al zijn gereedschap, mitsgaders het wasvat en zijn voet, om die te heiligen.12Daarna goot hij van de zalfolie op het hoofd van Aaron, en hij zalfde hem, om hem te heiligen.13Ook deed Mozes de zonen van Aaron naderen, en trok hun rokken aan, en gordde hen met een gordel, en bond hun mutsen op, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.14Toen deed hij den var des zondoffers bijkomen; en Aaron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van den var des zondoffers;15En men slachtte hem; en Mozes nam het bloed, en deed het met zijn vinger rondom op de hoornen des altaars, en ontzondigde het altaar; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars, en heiligde het, om voor hetzelve verzoening te doen.16Voorts nam hij al het vet, dat aan het ingewand is, en het net der lever, en de twee nieren en haar vet; en Mozes stak het aan op het altaar.17Maar den var met zijn huid, en zijn vlees, en zijn mest, heeft hij buiten het leger met vuur verbrand, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.18Daarna deed hij den ram des brandoffers bijbrengen; en Aaron en zijn zonen legden hun handen op het hoofd van den ram.19En men slachtte hem; en Mozes sprengde het bloed op het altaar rondom.20Hij deelde ook den ram in zijn delen; en Mozes stak het hoofd aan, en die delen, en het smeer;21Doch het ingewand en de schenkelen wies hij met water; en Mozes stak dien gehelen ram aan op het altaar; het was een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer was het den HEERE, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

Nadat we in de eerste zeven hoofdstukken van Leviticus de offers overdacht hebben, zijn we nu toegekomen aan de overdenking van het priesterschap.

Als er voor de zondaar een offer nodig was, dan was er voor de gelovige een priester nodig. Door diens bemiddeling kon de gelovige deze dienst waartoe hij de opdracht had, uitoefenen.

In Christus bezitten wij zowel het Offer als de Priester. Hijzelf was het volmaakte Offer om ons in verbinding met God te brengen. En nu doet Hij het werk van Hogepriester waardoor deze verbinding met God in stand blijft. Vóórdat Hij Priester kon worden, moest Hij tot het Offer gemaakt worden.

In Exodus 29 vinden we de aanwijzingen die God aan Mozes gaf, om Aäron en zijn zonen tot priesters te wijden. Nu is het ogenblik aangebroken waarop deze plechtigheid ten uitvoer gebracht zal worden. De hele vergadering van de kinderen van Israël werd verzameld "aan de deur van de tent der samenkomst" (vers 3) om deze wijding bij te wonen. Allen zagen Aäron bekleed met zijn prachtige kleding.

O, hoeveel heerlijker is het wat de Hebreeënbrief, 'de Brief van een geopende hemel', ons met de ogen van het geloof laat zien! Deze Brief roept ons op: "Aanmerkt de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis, Christus Jezus", bekleed met alle heerlijkheden van Zijn priesterschap (Hebreeën 3 vers 1).

Leviticus 8:22-36
22Daarna deed hij den anderen ram, den ram des vuloffers, bijbrengen; en Aaron met zijn zonen legden hun handen op het hoofd van den ram.23En men slachtte hem; en Mozes nam van zijn bloed, en deed het op het lapje van Aarons rechteroor, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen van zijn rechtervoet.24Hij deed ook de zonen van Aaron naderen; en Mozes deed van dat bloed op het lapje van hun rechteroor, en op den duim van hun rechterhand, en op den groten teen van hun rechtervoet; daarna sprengde Mozes dat bloed rondom op het altaar.25En hij nam het vet, en den staart, en al het vet, dat aan het ingewand is, en het net der lever, en de beide nieren, en haar vet, daartoe den rechterschouder.26Ook nam hij uit den korf van de ongezuurde broden, die voor het aangezicht des HEEREN was, een ongezuurde koek, en een geolieden broodkoek, en een vlade; en hij legde ze op dat vet, en op den rechterschouder.27En hij gaf dat alles in de handen van Aaron, en in de handen zijner zonen; en bewoog die ten beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN.28Daarna nam Mozes ze uit hun handen, en stak ze aan op het altaar, op het brandoffer; zij waren vulofferen tot een liefelijken reuk; het was een vuuroffer den HEERE.29Voorts nam Mozes de borst, en bewoog ze ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; zij werd Mozes ten dele van den ram des vuloffers, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.30Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed, hetwelk op het altaar was, en sprengde het op Aaron, op zijn klederen, en op zijn zonen, en op de klederen zijner zonen met hem; en hij heiligde Aaron, zijn klederen, en zijn zonen, en de klederen zijner zonen met hem.31En Mozes zeide tot Aaron en tot zijn zonen: Ziedt dat vlees voor de deur van de tent der samenkomst, en eet hetzelve daar, mitsgaders het brood, dat in den korf des vuloffers is; gelijk als ik geboden heb, zeggende: Aaron en zijn zonen zullen dat eten.32Maar het overige van het vlees en van het brood zult gij met vuur verbranden.33Ook zult gij uit de deur van de tent der samenkomst, zeven dagen, niet uitgaan, tot aan den dag, dat vervuld worden de dagen uws vuloffers; want zeven dagen zal men uw handen vullen.34Gelijk men gedaan heeft op dezen dag, heeft de HEERE te doen geboden, om voor u verzoening te doen.35Gij zult dan aan de deur van de tent der samenkomst blijven, dag en nacht, zeven dagen, en zult de wacht des HEEREN waarnemen, opdat gij niet sterft; want alzo is het mij geboden.36Aaron nu en zijn zonen deden al de dingen, die de HEERE door den dienst van Mozes geboden had.

Als we in dit hoofdstuk Aäron en zijn zonen weer samen zien, gaan onze gedachten uit naar Hem Die Zich er niet voor schaamt Zich aan ons te verbinden en ons Zijn broeders te noemen (Hebreeën 2 vers 11).

Moge God ons ervoor bewaren dat we ons tegenover de wereld schamen voor onze verbinding met Hem (2 Timotheüs 2 vers 12 en 13)!

In deze hoofdstukken is vaak sprake van beweegoffers. Als een voorwerp heen en weer bewogen wordt, kan men het goed van alle kanten bekijken.

Als wij de Heere Jezus, het volmaakte offer, zo voor God brengen, mogen wij tot God spreken over de verschillende kostbaarheden en heerlijkheden van Zijn Persoon en Zijn werk.

Ook de borst van de ram van het vuloffer, het speciale deel voor Mozes, werd voor de HEERE bewogen. Daarin mogen we een beeld zien van alle zijden van de genegenheid van Christus. Zij waren de bron en de kracht van Zijn toewijding aan God. "... dat Ik de Vader liefheb, en alzo doe, gelijk Mij de Vader geboden heeft" (Johannes 14 vers 31).

Als die genegenheid ook bij ons wordt gevonden, zal dat in ons leven dezelfde uitwerking hebben. Alleen de liefde roept ware aanhankelijkheid op. Dan zijn we ons ten diepste bewust dat de Heere Jezus alle rechten op ons hart heeft en dat Hij onze volledige toewijding waard is.

Leviticus 9:1-24
1En het geschiedde op den achtsten dag, dat Mozes riep Aaron en zijn zonen, en de oudsten van Israel;2En hij zeide tot Aaron: Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht des HEEREN.3Daarna spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Neemt een geitenbok ten zondoffer, en een kalf, en een lam, eenjarig, volkomen, ten brandoffer;4Ook een os en ram ten dankoffer, om voor het aangezicht des HEEREN te offeren; en spijsoffer met olie gemengd; want heden zal de HEERE u verschijnen.5Toen namen zij hetgeen Mozes geboden had, brengende dat tot voor aan de tent der samenkomst; en de gehele vergadering naderde, en stond voor het aangezicht des HEEREN.6En Mozes zeide: Deze zaak, die de HEERE geboden heeft, zult gij doen; en de heerlijkheid des HEEREN zal u verschijnen.7En Mozes zeide tot Aaron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer toe; en uw brandoffer toe; en doe verzoening voor u en voor het volk; maak daarna de offerande des volks toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als de HEERE geboden heeft.8Toen naderde Aaron tot het altaar, en slachtte het kalf des zondoffers, dat voor hem was.9En de zonen van Aaron brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijn vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen des altaars; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars.10Maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaar aangestoken, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.11Doch het vlees, en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger.12Daarna slachtte hij het brandoffer; en de zonen van Aaron leverden aan hem het bloed; en hij sprengde dat rondom op het altaar.13Ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijn stukken, met het hoofd; en hij stak het aan op het altaar.14En hij wies het ingewand en de schenkelen; en hij stak ze aan op het brandoffer, op het altaar.15Daarna deed hij de offerande des volks toebrengen; en nam den bok des zondoffers, die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het eerste.16Verder deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe naar het recht.17En hij deed het spijsoffer toebrengen, en vulde daarvan zijn hand, en stak het aan op het altaar, behalve het morgenbrandoffer.18Daarna slachtte hij den os, en den ram ten dankoffer, dat voor het volk was; en de zonen van Aaron leverden het bloed aan hem, hetwelk hij rondom op het altaar sprengde;19En het vet van den os, en van den ram, den staart, en wat het ingewand bedekt, en de nieren, en het net der lever;20En zij legden het vet op de borsten; en hij stak dat vet aan op het altaar.21Maar de borsten en den rechterschouder bewoog Aaron ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als Mozes geboden had.22Daarna hief Aaron zijn handen op tot het volk, en zegende hen; en hij kwam af, nadat hij het zondoffer, en brandoffer, en dankoffer gedaan had.23Toen ging Mozes met Aaron in de tent der samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen al het volk.24Want een vuur ging uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde op het altaar het brandoffer, en het vet. Als het ganse volk dit zag, zo juichten zij, en vielen op hun aangezichten.

De Hebreeënbrief stelt ons de grote Hogepriester voor Die ons betaamde, "heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaren" (Hebreeën 7 vers 26).

Wat een tegenstelling tot Aäron die "uit de mensen genomen" was. Van hem wordt in dezelfde Brief vermeld dat hij niet alleen voor de zonden van het volk, maar "ook voor zichzelf' moest offeren (Hebreeën 5 vers 1 tot en met 3).

Dát zien wij hem hier doen. Vóórdat hij zich met de zonden van het volk kon bezighouden, moest het probleem van zijn eigen zonden met God in orde gebracht worden.

Dat is een algemeen beginsel. De Heere Jezus wijst in Zijn zogenaamde 'bergrede' op het belang daarvan. Om de splinter uit het oog van onze broeder te kunnen verwijderen, moeten we eerst de balk uit ons eigen oog weggedaan hebben (Mattheüs 7 vers 3 tot en met 5).

Aan het einde van Leviticus 9 zien we wat het gevolg is van de verzoening en de oplossing van het zondeprobleem: de zegen van Hem Die het bewerkt heeft, komt over het volk. De heerlijkheid van God kan zich openbaren en het volk mag openlijk blijk geven van vreugde.

Ook vandaag zijn dat voor het volk van God de gelukkige gevolgen van het kruis van Christus. God geve ons dat wij dit meer leren bewonderen en op gelijke wijze daarop antwoorden!

Leviticus 10:1-20
1En de zonen van Aaron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en legden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN, hetwelk hij hen niet geboden had.2Toen ging een vuur uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht des HEEREN.3En Mozes zeide tot Aaron: Dat is het, wat de HEERE gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden. Doch Aaron zweeg stil.4En Mozes riep Misael en Elzafan, de zonen van Uzziel, de oom van Aaron, en zeide tot hen: Treedt toe, draagt uw broederen weg, van voor het heiligdom tot buiten het leger.5Toen traden zij toe, en droegen hen, in hun rokken, tot buiten het leger, gelijk als Mozes gesproken had.6En Mozes zeide tot Aaron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn zonen: Gij zult uw hoofden niet ontbloten, noch uw klederen verscheuren, opdat gij niet sterft, en grote toorn over de ganse vergadering kome; maar uw broederen, het ganse huis van Israel, zullen dezen brand, dien de HEERE aan gestoken heeft, bewenen.7Gij zult ook uit de deur van de tent der samenkomst niet uitgaan, opdat gij niet sterft; want de zalfolie des HEEREN is op u. En zij deden naar het woord van Mozes.8En de HEERE sprak tot Aaron, zeggende:9Wijn en sterken drank zult gij niet drinken, gij, noch uw zonen met u, als gij gaan zult in de tent der samenkomst, opdat gij niet sterft; het zij een eeuwige inzetting onder uw geslachten;10En om onderscheid te maken tussen het heilige en tussen het onheilige, en tussen het onreine en tussen het reine;11En om den kinderen Israels te leren al de inzettingen, die de HEERE door den dienst van Mozes tot hen gesproken heeft.12En Mozes sprak tot Aaron, en tot Eleazar, en tot Ithamar, zijn overgebleven zonen: Neemt het spijsoffer, dat van de vuurofferen des HEEREN overgebleven is, en eet hetzelve ongezuurd bij het altaar; want het is een heiligheid der heiligheden.13Daarom zult gij dat eten in de heilige plaats, dewijl het uw bescheiden deel en het bescheiden deel uwer zonen uit des HEEREN vuurofferen is; want alzo is mij geboden.14Ook de beweegborst en den hefschouder zult gij in een reine plaats eten, gij, en uw zonen, en uw dochteren met u; want tot uw bescheiden deel, en uwer zonen bescheiden deel, zijn zij uit de dankofferen der kinderen Israels gegeven.15Den hefschouder en de beweegborst zullen zij nevens de vuurofferen des vets toebrengen, om ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN te bewegen; hetwelk, voor u en uw zonen met u, tot een eeuwige inzetting zijn zal, gelijk als de HEERE geboden heeft.16En Mozes zocht zeer naarstiglijk den bok des zondoffers; en ziet, hij was verbrand. Dies was hij op Eleazar en op Ithamar, de overgebleven zonen van Aaron, zeer toornig, zeggende:17Waarom hebt gij dat zondoffer niet gegeten in de heilige plaats? Want het is een heiligheid der heiligheden, en Hij heeft u dat gegeven, opdat gij de ongerechtigheid der vergadering zoudt dragen, om over die verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN.18Ziet, deszelfs bloed is niet binnen in het heiligdom gedragen; gij moest dat ganselijk gegeten hebben in het heiligdom, gelijk als ik geboden heb.19Toen sprak Aaron tot Mozes: Zie, heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezicht des HEEREN geofferd, en zulke dingen zijn mij wedervaren; en had ik heden het zondoffer gegeten, zou dat goed geweest zijn in de ogen des HEEREN?20Als Mozes dit hoorde, zo was het goed in zijn ogen.

Het negende hoofdstuk herinnerde ons eraan dat de priester, "uit de mensen genomen", kon zondigen. Helaas hoeven we niet ver te gaan om deze waarheid bevestigd te zien.

Elke keer opnieuw, wanneer God de mensen in een nieuwe verbinding brengt met Hem, bewijst de mens zijn onbekwaamheid om deze verbinding in stand te houden.

Tot nu toe was alles gedaan, "zoals de HEERE geboden had" (deze uitdrukking lezen we veertien keer in de hoofdstukken 8 en 9!). Maar nu doen de oudste zonen van Aäron, Nadab en Abíhu, iets wat "Hij hun niet geboden had" (vers 1).

Nog maar nauwelijks tot priesters gewijd, brengen ze al "vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN", vuur dat niet van het altaar genomen was. Het oordeel, dat hen dadelijk treft, laat ons zien hoe ernstig de gevolgen zijn wanneer wij onze eigen wil doen, in plaats van de aanwijzingen in het Woord van God op te volgen. Vergelijk hiermee 2 Samuël 6 vers 1 tot 11 waar we lezen dat Uzza moest sterven, omdat de ark van God op een nieuwe wagen was gezet en hij zijn hand uitstak om haar tegen te houden, toen de runderen struikelden.

De gedachten van het vlees en dat wat het verstand beïnvloedt (sterke drank), kunnen op geen enkele wijze in een dienst voor de Heere geduld worden. Wie openlijk de waarheden die hem bekend zijn, minacht, brengt het oordeel van God over zich.

Daartegenover staat wat we aan het einde van dit hoofdstuk lezen, dat de Heere ten opzichte van de onwetende, de dwalende, erg geduldig en welwillend is. Dat geldt ook voor hen die zich buigen onder Zijn tuchtiging.

Leviticus 11:1-28
1En de HEERE sprak tot Mozes, en tot Aaron, zeggende tot hen:2Spreekt tot de kinderen Israels, zeggende: Dit is het gedierte, dat gij eten zult uit alle beesten, die op de aarde zijn.3Al wat onder de beesten de klauw verdeelt, en de kloof der klauwen in tweeen klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.4Deze nochtans zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of de klauwen alleen verdelen: de kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;5En het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; dat zal u onrein zijn;6En den haas, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn.7Ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeen, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.8Van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas niet aanroeren, zij zullen u onrein zijn.9Dit zult gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeen en in de rivieren, vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;10Maar al wat in de zeeen en in de rivieren, van alle gewemel der wateren, en van alle levende ziel, die in de wateren is, geen vinnen of schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.11Ja, een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij verfoeien.12Al wat in de wateren geen vinnen en schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.13En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend,14En de gier, en de kraai, naar haar aard;15Elke rave naar haar aard;16En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;17En de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit,18En de kauw, en de roerdomp, en de pelikaan,19En de ooievaar, de reiger naar zijn aard, en de hop, en de vledermuis.20Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.21Dit nochtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, hetwelk boven aan zijn voeten schenkelen heeft, om daarmede op de aarde te springen;22Van die zult gij deze eten: de sprinkhaan naar zijn aard, en de solham naar zijn aard, en den hargol naar zijn aard, en den hagab naar zijn aard.23En alle kruipend gevogelte, dat vier voeten heeft, zal u een verfoeisel zijn.24En aan deze zult gij verontreinigd worden; zo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.25Zo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.26Alle beest, dat den klauw verdeelt, doch de klove niet in tweeen klieft, en niet herkauwt, zal u onrein zijn; zo wie hetzelve aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn.27En al wat op zijn poten gaat onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onrein zijn; al wie hun dood aas aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.28Ook die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; zij zullen u onrein zijn.

Zoals de Heere Jezus ons meedeelt in Markus 7 vers 15, wordt de mens niet verontreinigd door hetgeen de mens ingaat, maar door hetgeen van hem uitgaat. Daarom heeft het onderscheid tussen reine en onreine dieren voor de christen alleen nog maar een geestelijke betekenis.

In ons hoofdstuk vinden we vier groepen dieren: viervoetige dieren, vissen, vogels en kruipende dieren.

Om rein te zijn, moest de eerste groep dieren aan twee voorwaarden voldoen. Ze moesten herkauwen en gespleten hoeven hebben. De reinheid van de gelovige hangt af van de wijze waarop hij zich voedt, en hoe hij wandelt.

Ook de reine vissen hadden twee kenmerken. Ze hadden vinnen en schubben. Hoe zouden ze zich zonder vinnen naar een bepaald doel kunnen begeven of stroomopwaarts kunnen zwemmen? En zonder schubben heeft hun lichaam geen bescherming. Zo is de weerstand tegen de verleidingen en het plezier van de wereld voor de gelovige het beschermmiddel om rein te blijven.

De onreine vogels behoorden tot de groep van aas- en alleseters. Wanneer wij onze ziel voeden met wat uit het vlees voortkomt, wanneer we zonder onderscheid allerlei lectuur of alles wat ons verder onder ogen komt, opnemen, dan zullen we beslist verontreinigd worden.

Tenslotte worden nog de kruipende dieren (het kruipend gevogelte) en hun verwanten genoemd. Deze zijn een beeld van de macht van de boze, "een verfoeisel"! Romeinen 12 vers 9 zegt: "Hebt een afkeer van het boze".

Leviticus 11:29-47
29Verder zal u dit onder het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad, naar haar aard;30En de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;31Die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zo wie die zal aangeroerd hebben, als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond.32Daartoe al hetgeen, waarop iets van dezelve vallen zal, als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij van alle houten vat, of kleed, of vel, of zak, of alle vat, waarmede werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal het rein zijn.33En alle aarden vat, waarin iets van dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin is, zal onrein zijn, en gij zult dat breken.34Van alle spijze, die men eet, waarop het water zal gekomen zijn, die zal onrein zijn; en alle drank, die men drinkt, zal in alle vat onrein zijn.35En waarop iets van hun dood aas zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn.36Doch een fontein, of put van vergadering der wateren, zal rein zijn; maar wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn.37En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn op enig zaaibaar zaad, dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn.38Maar als water op het zaad gedaan zal worden, en van hun dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn.39En wanneer van de dieren, die u tot spijze zijn, iets zal gestorven zijn, wie deszelfs dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.40Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond.41Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, zal een verfoeisel zijn; het zal niet gegeten worden.42Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijn vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel.43Maakt uw zielen niet verfoeilijk aan enig kruipend gedierte, dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden.44Want Ik ben de HEERE, uw God; daarom zult gij u heiligen, en heilig zijn, dewijl Ik heilig ben; en gij zult uw ziel niet verontreinigen aan enig kruipend gedierte, dat zich op de aarde roert.45Want Ik ben de HEERE, Die u uit Egypteland doe optrekken, opdat Ik u tot een God zij, en opdat gij heilig zijt, dewijl Ik heilig ben.46Dit is de wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziel, die zich roert in de wateren, en van alle ziel, die kruipt op de aarde;47Om te onderscheiden tussen het onreine en tussen het reine, en tussen het gedierte, dat men eten, en tussen het gedierte, dat men niet eten zal.

Als we het kruipend gedierte wat beter in ogenschouw nemen, ontdekken we bij hen bepaalde zedelijke gevaren waarvoor wij moeten oppassen.

De mol en de muis brengen schade toe aan jonge plantjes en maken de zo noodzakelijke worteltjes kapot. De familie van de hagedissen doet ons denken aan de mensen die zo graag op allerlei manieren met zichzelf pronken en te koop lopen. In sommige Bijbelvertalingen wordt ook nog de kameleon genoemd. Daarbij moeten we denken aan hen die zich gemakkelijk aan hun omgeving aanpassen; christen zijn met de christenen, maar ook meedoen met hen die in de wereld leven!

De verzen 32 tot en met 40 laten zien hoe de beste en nuttigste dingen bedorven kunnen worden door wat van het kruipend gedierte komt, van de satan, de 'oude slang'.

Moge de Heere ons leren te waken over onze geest en ons ertoe brengen dat we gebruik maken van de onveranderlijke voorraden die Hij voor ons bereid heeft: een fontein, een put, die beelden zijn van het Woord van God dat altijd rein blijft.

De godvrezende Israëliet zorgde er zorgvuldig voor, zich door geen enkel voedsel te verontreinigen (Handelingen 10 vers 14). Laten wij ook zo'n gevoelig geweten hebben, zodat we kunnen onderscheiden wat in geestelijk opzicht rein en onrein is, zodat we onderscheid kunnen maken tussen goede voeding voor onze ziel en voeding waardoor zij vergiftigd wordt.

De Heere geve ons een eenvoudig oog en een hart dat overvloeit van Zijn liefde!

Leviticus 12:1-8; Leviticus 13:1-8
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen der afzondering harer krankheid zal zij onrein zijn.3En op den achtsten dag zal het vlees zijner voorhuid besneden worden.4Daarna zal zij drie en dertig dagen blijven in het bloed harer reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren, en tot het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen harer reiniging vervuld zijn.5Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zo zal zij twee weken onrein zijn, volgens haar afzondering; daarna zal zij zes en zestig dagen blijven in het bloed harer reiniging.6En als de dagen harer reiniging voor den zoon, of voor de dochter, vervuld zullen zijn, zo zal zij een eenjarig lam ten brandoffer, en een jonge duif, of tortelduif, ten zondoffer brengen, voor de deur van de tent der samenkomst, tot den priester.7Die zal dat offeren voor het aangezicht des HEEREN, en zal voor haar verzoening doen, zo zal zij rein zijn van den vloed haars bloeds. Dit is de wet dergene, die een knechtje of meisje gebaard heeft.8Maar indien haar hand niet genoeg voor een lam vindt, zo zal zij twee tortelduiven, of twee jonge duiven nemen, een ten brandoffer, en een ten zondoffer; en de priester zal voor haar verzoening doen; zo zal zij rein zijn.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:2Een mens, als in het vel zijns vleses een gezwel, of gezweer, of witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleses tot een plaag der melaatsheid zou worden, hij zal dan tot den priester Aaron, of tot een uit zijn zonen, de priesteren, gebracht worden.3En de priester zal de plaag in het vel des vleses bezien; zo het haar in die plaag in wit veranderd is, en het aanzien der plaag dieper is dan het vel zijns vleses, het is de plaag der melaatsheid; als de priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren.4Maar zo de blaar in het vel zijn vleses wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, en het haar niet in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten.5Daarna zal de priester op den zevenden dag hem bezien; indien, ziet, de plaag, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem zeven andere dagen opsluiten.6En de priester zal hem andermaal op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de plaag ingetrokken, en de plaag in het vel niet uitgespreid is, zo zal de priester hem rein verklaren; het was een verzwering; en hij zal zijn klederen wassen, zo is hij rein.7Maar zo de verzwering in het vel ganselijk uitgespreid is, nadat hij aan den priester tot zijn reiniging zal vertoond zijn, zo zal hij andermaal aan den priester vertoond worden.8Indien de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in het vel uitgespreid is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.

Het is alsof de Heere toont dat de Goddelijke hulpbronnen al aanwezig waren, vóórdat de zonde zich openbaarde. Het Boek Leviticus richt ons oog en hart namelijk eerst op de offers, dan op het priesterschap en daarná pas op de zonde.

Hoofdstuk 11 heeft ons geleerd dat we ervoor moeten waken, niet door onreinheid van buitenaf besmet te worden. Het boze is echter niet alleen om ons heen, maar ook in ons. De vijand is altijd present.

Hoofdstuk 12 maakt ons ervan bewust dat de zonde in ons aartsvijand nummer één is. "Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen" (Psalm 51 vers 7). De zondige natuur van Adam is op al zijn nakomelingen overgegaan. Een pasgeboren kind is van nature een zondaar, al vóórdat hijzelf een zondige daad heeft begaan! Dat kind heeft evenals een volwassene het offer van Christus nodig.

De hoofdstukken 13 en 14 spreken over melaatsheid. In de Schrift is dat altijd een beeld van de zonde in het karakter van haar onreinheid.

Melaatsheid is een erg besmettelijke ziekte die zich steeds verder uitbreidt. Vreselijk om aan te zien! Men verliest uiteindelijk het gevoel. Zij is niet te genezen.

In het oog van God zijn dat allemaal kenmerken van de zonde. Het komt naar voren in woord en daad en helaas, zoals we weten, ook bij gelovigen! Om maar enkele voorbeelden te noemen: de kwaadsprekerij van Mirjam (Numeri 12 vers 10), de begeerte en de leugen van Géhazi (2 Koningen 5 vers 27) en de geestelijke hoogmoed van Uzzia (2 Kronieken 26 vers 20).

Leviticus 13:9-28
9Wanneer de plaag der melaatsheid in een mens zal zijn, zo zal hij tot den priester gebracht worden.10Indien de priester merken zal, dat, ziet, een wit gezwel in het vel is, hetwelk het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid van levend vlees in dat gezwel is;11Dat is een verouderde melaatsheid in het vel zijns vleses; daarom zal hem de priester onrein verklaren; hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein.12En zo de melaatsheid in het vel ganselijk uitbot, en de melaatsheid het gehele vel desgenen, die de plaag heeft, van zijn hoofd tot zijn voeten, bedekt heeft, naar al het gezicht van de ogen des priesters;13En de priester merken zal, dat, ziet, de melaatsheid zijn gehele vlees bedekt heeft, zo zal hij hem, die de plaag heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd; hij is rein.14Maar ten welken dage levend vlees daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn.15Als dan de priester dat levende vlees gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vlees is onrein; het is melaatsheid.16Of als dat levende vlees verkeert, en in wit veranderd zal worden, zo zal hij tot den priester komen.17Als de priester hem bezien zal hebben, dat, ziet, de plaag in wit veranderd is, zo zal de priester hem, die de plaag heeft, rein verklaren; hij is rein.18Het vlees ook, als in deszelfs vel een zweer zal geweest zijn, zo het genezen is;19En in de plaats van die zweer een wit gezwel, of een witte roodachtige blaar worden zal, zo zal het aan den priester vertoond worden.20Indien de priester merken zal, dat, ziet, haar aanzien lager is dan het vel, en derzelver haar in wit veranderd is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid, zij is door de zweer uitgebot.21Wanneer nu de priester die bezien zal hebben, dat, ziet, geen wit haar daaraan is, en die niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.22Zo zij daarna gans in het vel uitgespreid zal zijn, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag.23Maar indien de blaar in haar plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, het is de roof van die zweer, zo zal de priester hem rein verklaren;24Of wanneer in het vel des vleses een vurige brand zal geweest zijn, en het gezonde van dien brand een witte roodachtige of witte blaar is;25En de priester die gezien zal hebben, dat, ziet, het haar op de blaar in wit veranderd is, en haar aanzien dieper is dan het vel; het is melaatsheid, door den brand is zij uitgebot; daarom zal hem de priester onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.26Maar indien de priester die merken zal, dat, ziet, op de blaar geen wit haar is, en zij niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zo zal de priester hem zeven dagen opsluiten.27Daarna zal de priester hem op den zevenden dag bezien; indien zij gans uitgespreid is in het vel, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is de plaag der melaatsheid.28Maar indien de blaar in haar plaats staande zal blijven, noch in het vel uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn, het is een gezwel van den brand; daarom zal de priester hem rein verklaren, want het is de roof van den brand.

Twee symptomen moesten bij de patiënt zichtbaar zijn, voordat de diagnose gesteld kon worden dat iemand melaats was (zie vers 3).

Het witte haar doet ons denken aan het geestelijk verval waarvan de oorsprong gevonden kan worden in een verminderde gemeenschap met de Heere.

Een "wit gezwel in het vel" geeft aan dat het niet om iets oppervlakkigs gaat; de zonde zit veel dieper.

Dan valt iets heel merkwaardigs op. Terwijl één vlek voldoende was om de melaatsheid vast te stellen en iemand onrein te verklaren, kon iemand op hetzelfde moment dat hij helemaal overdekt was met melaatsheid, rein verklaard worden (vers 12 en 13)! Lang heeft de melaatse alle moeite gedaan om de aangetaste plekken te verbergen, maar nu kan hij het niet meer geheim houden. Pas als de mens gedwongen wordt, toe te geven dat hij helemaal onrein is, dan kan God hem op grond van het werk van Christus rein verklaren. "Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor de HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde" (Psalm 32 vers 5).

Als er echter ook maar weer iets zichtbaar werd van het rauwe vlees, was zo iemand opnieuw onrein. Dat is een beeld van de vergeefse moeite van de oude natuur die steeds opnieuw probeert zichzelf te verbeteren.

In Lukas 5 vers 12 tot 14 lezen we over een man "vol melaatsheid", die bij de Heere Jezus komt en direct genezen wordt. Zo zal elke zondaar die zijn eigen verloren en ellendige toestand inziet en zijn toevlucht neemt tot de liefde van de Heere Jezus, direct gereinigd worden.

Leviticus 13:29-44
29Verder, als in een man of vrouw een plaag zal zijn in het hoofd, of in den baard;30En de priester die plaag zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien dieper is dan het vel, en geelachtig dun haar daarop is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is schurftheid, het is melaatsheid van het hoofd of van den baard.31Maar als de priester de plaag der schurftheid zal bezien hebben, dat, ziet, haar aanzien niet dieper is dan het vel, en geen zwart haar daarop is, zo zal de priester hem, die de plaag der schurftheid heeft, zeven dagen doen opsluiten.32Daarna zal de priester die plaag op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de schurftheid niet uitgespreid, en daarop geen geelachtig haar is, noch het aanzien der schurftheid dieper dan het vel is;33Zo zal hij zich scheren laten; maar de schurftheid zal hij niet scheren; en de priester zal hem, die de schurftheid heeft, andermaal zeven dagen doen opsluiten.34Daarna zal de priester die schurftheid op den zevenden dag bezien; indien, ziet, de schurftheid in het vel niet uitgespreid is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, zo zal de priester hem rein verklaren; en hij zal zijn klederen wassen, en rein zijn.35Maar indien de schurftheid in het vel gans uitgespreid is, na zijn reiniging;36En de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, de schurftheid in het vel uitgespreid is, de priester zal naar het geelachtig haar niet zoeken; hij is onrein.37Maar indien die schurftheid, naar dat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gewassen is, die schurftheid is genezen, hij is rein; daarom zal de priester hem rein verklaren.38Verder als een man, of vrouw, aan het vel van hun vlees blaren zullen hebben, witte blaren;39En de priester zal gemerkt hebben, dat, ziet, ingetrokken witte blaren in het vel van hun vlees zijn; het is een witte puist in het vel uitgebot, hij is rein.40En als een man zijn hoofdhaar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein.41En zo van de zijde zijns aangezichts het haar van zijn hoofd zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein.42Maar zo in de kaalheid, of in de blesse, een witte roodachtige plaag is, dat is melaatsheid, uitbottende in zijn kaalheid, of in zijn blesse.43Als de priester hem zal bezien hebben, dat, ziet, het gezwel van die plaag in zijn kaalheid, of blesse, wit roodachtig is, gelijk het aanzien der melaatsheid van het vel des vleses;44Die man is melaats, hij is onrein; de priester zal hem ganselijk onrein verklaren, zijn plaag is op zijn hoofd.

Bepaalde vlekken en ziekten op de huid konden iemand op een dwaalspoor brengen. Daarom moest de patiënt zeven dagen opgesloten worden en daarna opnieuw onderzocht worden, zodat met zekerheid was vast te stellen of het om melaatsheid ging of niet.

Laten we nooit te vlug zijn met ons oordeel! Laten we onszelf er meer in oefenen steeds het goede bij de ander te zien, in plaats van hem onmiddellijk te verdenken van verkeerde beweegredenen en motieven! "De liefde ... denkt geen kwaad" (1 Korinthe 13 vers 5).

Laten we er ook aan denken dat niet de patiënt zijn mening moest geven, maar dat de priester de situatie waarin de patiënt zich bevond, moest beoordelen. Hoe de mens over zijn eigen toestand dacht, was onbelangrijk. Ook al voelde hijzelf niets en dacht hij dat hij helemaal gezond was, toch kon hij ernstig ziek zijn.

Hoeveel mensen zijn er die er geen woord over willen horen dat ze door de ziekte van de zonde zijn overvallen! Ze hebben hun eigen toestand nog nooit in het licht van het Woord van God gezien. Ze hebben zich nog nooit voor de priester gesteld die alleen de schuld van de mens kon vaststellen en iemand voor ongeneeslijk ziek kon verklaren.

"Laat gij dan af van de mens ..., want waarin is hij te achten?" (Jesaja 2 vers 22). Maar de Priester Die onze toestand vaststelt, is tegelijk onze Geneesheer Die Zich in genade bezighoudt met onze zielen en volledig herstel geeft (Lukas 5 vers 31 en 32).

Leviticus 13:45-59
45Voorts zullen de klederen des melaatsen, in wien die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewimpelen; daartoe zal hij roepen: Onrein, onrein!46Al de dagen, in welke deze plaag aan hem zal zijn, zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alleen wonen; buiten het leger zal zijn woning wezen.47Verder als aan een kleed de plaag der melaatsheid zal zijn, aan een wollen kleed, of aan een linnen kleed,48Of aan den scheerdraad, of aan den inslag van linnen, of van wol, of aan vel, of aan enig vellenwerk;49En die plaag aan het kleed, of aan het vel, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig, groenachtig of roodachtig is; het is de plaag der melaatsheid; daarom zal zij den priester vertoond worden.50En de priester zal de plaag bezien; en hij zal hetgeen de plaag heeft, zeven dagen doen opsluiten.51Daarna zal hij op den zevenden dag de plaag bezien; zo de plaag uitgespreid is aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan het vel, tot wat werk dat vel zou mogen gemaakt zijn, die plaag is een knagende melaatsheid, het is onrein.52Daarom zal hij dat kleed, of die werpte, of dien inslag van wol, of van linnen, of alle vellentuig, waarin die plaag zal zijn, verbranden; want het is een knagende melaatsheid; het zal met vuur verbrand worden.53Doch indien de priester zal zien, dat, ziet, de plaag aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig niet uitgespreid is;54Zo zal de priester gebieden, dat men hetgeen, waaraan die plaag is, wasse, en hij zal dat andermaal zeven dagen doen opsluiten.55Als de priester, nadat het gewassen is, de plaag zal bezien hebben, dat, ziet, de plaag haar gedaante niet veranderd heeft, en de plaag niet uitgespreid is, het is onrein, gij zult het met vuur verbranden; het is een ingraving aan zijn achterste of aan zijn voorste zijde.56Indien nu de priester merken zal, dat, ziet, die plaag, nadat zij zal gewassen zijn, ingetrokken is; dan zal hij ze van het kleed, of van het vel, of van den scheerdraad, of van den inslag afscheuren.57Maar zo zij nog aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan enig vellentuig, gezien wordt, het is uitbottende melaatsheid; gij zult hetgeen, waaraan de plaag is, met vuur verbranden.58Maar het kleed, of de werpte, of de inslag, of alle vellentuig, dat gij gewassen zult hebben, als de plaag daarvan geweken zal zijn, dat zal andermaal gewassen worden, en het zal rein zijn.59Dit is de wet van de plaag der melaatsheid, van een wollen of linnen kleed, of een werpte, of een inslag, of alle vellentuig, om dat rein te verklaren, of onrein te verklaren.

De positie van een melaatse in Israël was vreselijk. Hij werd uit het leger (het tentenkamp) verdreven en had geen hoop meer op terugkeer. Gescheiden van de zijnen, moest hij zelfs zijn ellendige situatie van verre aankondigen: "Onrein, onrein"!

Buiten de gemeenschap gesloten, is hij een beeld van wie wij waren: "vervreemd van het burgerschap Israëls ... geen hoop hebbende". Maar de apostel vervolgt: "Maar nu ... nabij geworden door het bloed van Christus" (Efeze 2 vers 12 en 13).

Dat brengt ons bij het werk van de reiniging, zoals dat beschreven wordt in hoofdstuk 14 van Leviticus.

In de Evangeliën vinden we meerdere melaatsen die de Heere om erbarming smeekten. Hij legde vol medelijden Zijn handen op hen om hen te genezen, zonder Zelf besmet te worden. Hij kon het niet alleen, maar wilde hen ook in Zijn liefde volmaakt reinigen (Mattheüs 8 vers 1 tot en met 4; lees ook Lukas 17 vers 11 tot en met 19). Deze Heiland kan en wil ook vandaag ieder die belijdt onrein te zijn, reinigen van alle zonden.

Melaatsheid aan een kledingstuk is een beeld van het kwaad dat zich ongemerkt in onze gewoonten en in ons getuigenis kan binnendringen.

De Heere geve ons waakzaamheid om het te ontdekken, maar ook moed het te "verbranden", dat betekent: het bij het kleinste begin al te veroordelen en weg te doen.

Leviticus 14:1-13
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Dit zal de wet des melaatsen zijn, ten dage zijner reiniging: dat hij tot den priester zal gebracht worden.3En de priester zal buiten het leger gaan; als de priester merken zal, dat, ziet, die plaag der melaatsheid van den melaatse genezen is;4Zo zal de priester gebieden, dat men voor hem, die te reinigen zal zijn, twee levende reine vogelen neme, mitsgaders cederenhout, en scharlaken, en hysop.5De priester zal ook gebieden, dat men den ene vogel slachte, in een aarden vat, over levend water.6Dien levenden vogel zal hij nemen, en het cederhout, en het scharlaken, en den hysop; en zal die, en den levenden vogel dopen in het bloed des vogels, die boven het levende water geslacht is.7En hij zal over hem, die van de melaatsheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en den levenden vogel in het open veld vliegen laten.8Die nu te reinigen is, zal zijn klederen wassen, en al zijn haar afscheren, en zich in het water afwassen, zo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen, maar zal buiten zijn tent zeven dagen blijven.9En op den zevenden dag zal het geschieden, dat hij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijn baard, en de wenkbrauwen zijner ogen; ja, al zijn haar zal hij afscheren, en al zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden, zo zal hij rein zijn.10En op den achtsten dag zal hij twee volkomen lammeren, en een eenjarig volkomen schaap nemen, mitsgaders drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.11De priester nu, die de reiniging doet, zal den man, die te reinigen is, en die dingen, stellen voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst.12En de priester zal dat ene lam nemen, en hetzelve offeren tot een schuldoffer met den log olie; en zal die ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen.13Daarna zal hij dat lam slachten in de plaats, waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in de heilige plaats; want het schuldoffer, gelijk het zondoffer, is voor den priester; het is een heiligheid der heiligheden.

De dag van de reiniging is gekomen voor de melaatse. Hij wordt naar de priester gebracht. Let eens op de bescheiden, maar toch onontbeerlijke rol van de vriend die de zieke naar degene brengt die hem gezond kan verklaren. Het is kostbaar zich door God te laten gebruiken om zondaren tot de Heere Jezus te leiden. Dat is een dienst die ook een jonge gelovige al kan doen (Johannes 1 vers 42 en 46).

Als de priester echter in de tabernakel of in de legerplaats was gebleven, had de melaatse hem niet kunnen ontmoeten. Hij mocht daar immers niet komen! Daarom ging de priester buiten het leger (vers 3).

Zo heeft ook de Heere Jezus de heerlijkheid verlaten om de zondaar te ontmoeten. Wij konden geen enkele stap naar Hem toe doen, maar Hij heeft die lange weg afgelegd om bij ons te komen. Zou de verloren zoon, vies en in lompen gekleed, het huis van de vader zomaar binnen kunnen gaan? Nee, daarom ging de vader naar buiten en liet hem het beste kleed aantrekken, toen hij nog buiten was.

Dan lezen we allerlei details van de reiniging.

De beide vogels spreken ons van het Goddelijke 'geneesmiddel' dat van toepassing is op de zonde van elk mens. De eerste vogel werd geslacht; een beeld van de dood van de Heere Jezus.

De tweede vogel vloog met het bloed van de geslachte vogel aan zijn veren omhoog naar de hemel, om dit als het ware aan een bevredigde God te laten zien. Dit is een treffend beeld van de opstanding van de Heere Jezus!

Leviticus 14:14-32
14En de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, hetwelk de priester doen zal op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets.15De priester zal ook uit den log der olie nemen, en zal ze op des priesters linkerhand gieten.16Dan zal de priester zijn rechtervinger indopen, nemende van die olie, die in zijn linkerhand is, en zal met zijn vinger van die olie zevenmaal sprengen, voor het aangezicht des HEEREN.17En van het overige van die olie, die in zijn hand zal zijn, zal de priester doen op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets, boven op het bloed des schuldoffers.18Dat nog overgebleven zal zijn van die olie, die in de hand des priesters geweest is, zal hij doen op het hoofd desgenen, die te reinigen is; zo zal de priester over hem verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.19De priester zal ook het zondoffer bereiden, en voor hem, die van zijn onreinigheid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het brandoffer slachten.20En de priester zal dat brandoffer en dat spijsoffer op het altaar offeren; zo zal de priester de verzoening voor hem doen, en hij zal rein zijn.21Maar indien hij arm is, en zijn hand dat niet bereikt, zo zal hij een lam ten schuldoffer, ter beweging nemen, om voor hem verzoening te doen; daartoe een tiende meelbloem, met olie gemengd, ten spijsoffer, en een log olie;22Mitsgaders twee tortelduiven, of twee jonge duiven, die zijn hand bereiken zal, welker ene ten zondoffer, en een ten brandoffer zijn zal.23En hij zal die, op den achtsten dag zijner reiniging, tot den priester brengen, aan de deur van de tent der samenkomst, voor het aangezicht des HEEREN.24En de priester zal het lam des schuldoffers, en den log der olie nemen; en de priester zal die ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen.25Daarna zal hij het lam des schuldoffers slachten, en de priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, en doen op het rechteroorlapje desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groten teen zijns rechtervoets.26Ook zal de priester van die olie op des priesters linkerhand gieten.27Daarna zal de priester met zijn rechtervinger van die olie, die op zijn linkerhand is, sprengen, zevenmaal, voor het aangezicht des HEEREN.28En de priester zal van de olie, die op zijn hand is, doen aan het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en aan den duim zijner rechterhand, en aan den groten teen zijns rechtervoets, op de plaats van het bloed des schuldoffers.29En het overgeblevene van de olie, die in de hand des priesters is, zal hij doen op het hoofd desgenen, die te reinigen is, om de verzoening voor hem te doen, voor het aangezicht des HEEREN.30Daarna zal hij de ene van de tortelduiven, of van de jonge duiven bereiden, van hetgeen zijn hand bereikt zal hebben.31Van hetgeen zijn hand bereikt zal hebben, zal het een ten zondoffer, en het een ten brandoffer zijn, boven het spijsoffer; zo zal de priester voor hem, die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht des HEEREN.32Dit is de wet desgenen, in wien de plaag der melaatsheid zal zijn, wiens hand in zijn reiniging dat niet bereikt zal hebben.

"Hij zal rein zijn", zo eindigen de verzen 9 en 20. Ook nu telt niet de mening van de genezen melaatse. Gód verklaart de geredde zondaar voor rein en heilig.

Deze verklaring van God moet voldoende zijn voor hem, ook al heeft hij niet een speciaal gevoel of een bijzondere ervaring opgedaan. "Gij zijt afgewassen ... geheiligd ... gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus" (1 Korinthe 6 vers 11).

Behalve de beide vogels die spreken van het werk van God voor ons, waren er nog twee dingen nodig die spreken van het werk van God in ons.

Ten eerste water; de reinigende kracht van het Woord van God. En ten tweede een scheermes; de melaatse schoor zijn haar, zijn baard en wenkbrauwen. Alles wat herinnerde aan de kracht van de mens, werd verwijderd. Dit werk van de Heilige Geest noemen we de bevrijding. Onder Zijn leiding kunnen we wat uit onze oude natuur voortkomt, herkennen en veroordelen.

Het bloed van het offer werd op het oor, de hand en de voet van de genezene gedaan. Dit gebeurde ook op de dag waarop de priester gewijd werd (Exodus 29 vers 20).

Vervolgens herhaalde men deze handeling bij de priester met olie. De melaatse werd eveneens met olie gezalfd (vers 18).

Dat was iets buitengewoons, want in Israël ontvingen alleen koningen en priesters deze heilige zalving. Voor ons is dit een beeld van het werk van de Heilige Geest in de harten van de verlosten (1 Johannes 2 vers 20).

Leviticus 14:33-57
33Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:34Als gij zult gekomen zijn in het land van Kanaan, hetwelk Ik u tot bezitting geven zal, en Ik de plaag der melaatsheid aan een huis van dat land uwer bezitting zal gegeven hebben;35Zo zal hij, van wien dat huis is, komen, en den priester te kennen geven, zeggende: Het schijnt mij, alsof er een plaag in het huis ware.36En de priester zal gebieden, dat zij dat huis ruimen, aleer de priester komt, om die plaag te bezien, opdat niet al wat in dat huis is, onrein worde; en daarna zal de priester komen, om dat huis te bezien.37Als hij die plaag bezien zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis zijn groenachtige of roodachtige kuiltjes, en hun aanzien lager is dan die want;38De priester zal uit dat huis uitgaan, aan de deur van het huis, en hij zal dat huis zeven dagen doen toesluiten.39Daarna zal de priester op den zevenden dag wederkeren; indien hij merken zal, dat, ziet, die plaag aan de wanden van dat huis uitgespreid is;40Zo zal de priester gebieden, dat zij de stenen, in welke die plaag is, uitbreken, en dezelve tot buiten de stad werpen, aan een onreine plaats;41En dat huis zal hij rondom van binnen doen schrabben, en zij zullen het stof, dat zij afgeschrabd hebben, tot buiten de stad aan een onreine plaats uitstorten.42Daarna zullen zij andere stenen nemen, en in de plaats van gene stenen brengen; en men zal ander leem nemen, en dat huis bestrijken.43Maar indien die plaag wederkeert, en in dat huis uitbot, nadat men de stenen uitgebroken heeft, en na het afschrabben van het huis, en nadat het zal bestreken zijn;44Zo zal de priester komen; als hij nu zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis uitgespreid is, het is een knagende melaatsheid in dat huis, het is onrein.45Daarom zal men dat huis, zijn stenen, en zijn hout even afbreken, mitsgaders al het leem van het huis, en men zal het tot buiten de stad uitvoeren, aan een onreine plaats.46En die in dat huis gaat te enigen dage, als men hetzelve zal toegesloten hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.47Die ook in dat huis te slapen ligt, zal zijn klederen wassen; insgelijks, die in dat huis eet, zal zijn klederen wassen.48Maar als de priester zal weder ingegaan zijn, en zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis niet uitgespreid is, nadat het huis zal bestreken zijn; zo zal de priester dat huis rein verklaren, dewijl die plaag genezen is.49Daarna zal hij, om dat huis te ontzondigen, twee vogeltjes nemen, mitsgaders cederenhout, en scharlaken, en hysop.50En hij zal den enen vogel slachten in een aarden vat, over levend water.51Dan zal hij dat cederenhout, en dien hysop, en het scharlaken, en den levenden vogel nemen, en zal die in het bloed des geslachten vogels en in het levende water dopen; en hij zal dat huis zevenmaal besprengen.52Zo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed des vogels, en met dat levend water, en met den levenden vogel, en met dat cederenhout, en met den hysop, en met het scharlaken.53Den levenden vogel nu zal hij tot buiten de stad, in het open veld, laten vliegen; zo zal hij over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn.54Dit is de wet voor alle plage der melaatsheid, en voor schurftheid;55En voor melaatsheid der klederen, en der huizen;56Mitsgaders voor gezwel, en voor gezweer, en voor blaren;57Om te leren, op welken dag iets onrein, en op welken dag iets rein is. Dit is de wet der melaatsheid.

Melaatsheid aan het huis spreekt van de zonde in een plaatselijke gemeente of zelfs in de hele belijdende christenheid.

Laten we eens nauwkeurig bezien wat over de gemeente te Efeze in Openbaring 2 gezegd wordt. Dan ontdekken we, of beter gezegd: De Heere, de grote Priester over Zijn huis, Die ogen heeft als een vuurvlam, ontdekt daar al een kleine verdachte vlek: het verlaten van de eerste liefde. Al het overige — werken, arbeid, lijdzaamheid — lijkt goed te zijn.

Maar laten we goed beseffen dat dit kleine begin in Pérgamus tot echte melaatsheid is geworden. Daar waren sommige stenen in het huis die met "de lering van Bileam" en andere die met "de lering der Nikolaïeten" besmet waren.

Het kwaad ontwikkelt zich steeds verder en werkt als zuurdeeg door naar Thyatíre, via Sardis tot aan Laodicéa, dat een afbeelding is van de uiteindelijke toestand van de verantwoordelijke christelijke kerk hier op aarde. Tot haar moet de Heere Jezus zeggen: "Ik zal u uit Mijn mond spuwen" (Openbaring 3 vers 16). Het 'grote huis' van de belijdende christenheid zal verworpen en afgebroken worden.

In hoofdstuk 15 lezen we weer over de verontreinigingen. Het beeld van de vloed laat ons alles zien wat in het dagelijkse leven uit onze afschuwwekkende, natuurlijke hart kan voortkomen, waarmee we onszelf en onze omgeving vergiftigen.

Gelukkig bestaat er een middel om ons daarvan te reinigen; de priesterdienst die de Heere Jezus ten gunste van ons uitoefent (vers 15 en 30).

Leviticus 16:1-14
1En de HEERE sprak tot Mozes, nadat de twee zonen van Aaron gestorven waren, als zij genaderd waren voor het aangezicht des HEEREN, en gestorven waren;2De HEERE dan zeide tot Mozes: Spreek tot uw broeder Aaron, dat hij niet te allen tijde ga in het heilige, binnen den voorhang, voor het verzoendeksel, dat op de ark is, opdat hij niet sterve; want Ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel.3Hiermede zal Aaron in het heilige gaan: met een var, een jong rund ten zondoffer, en een ram ten brandoffer.4Hij zal den heiligen linnen rok aandoen, en een linnen onderbroek zal aan zijn vlees zijn, en met een linnen gordel zal hij zich gorden, en met een linnen hoed bedekken; dit zijn heilige klederen; daarom zal hij zijn vlees met water baden, als hij ze zal aandoen.5En aan de vergadering der kinderen Israels zal hij nemen twee geitenbokken ten zondoffer, en een ram ten brandoffer.6Daarna zal Aaron den var des zondoffers, die voor hem zal zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen.7Hij zal ook beide bokken nemen, en hij zal die stellen voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst.8En Aaron zal de loten over die twee bokken werpen: een lot voor den HEERE, en een lot voor den weggaanden bok.9Dan zal Aaron den bok, op denwelken het lot voor den HEERE zal gekomen zijn, toebrengen, en zal hem ten zondoffer maken.10Maar de bok, op denwelken het lot zal gekomen zijn, om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aangezicht des HEEREN gesteld worden, om door hem verzoening te doen; opdat men hem als een weggaanden bok naar de woestijn uitlate.11Aaron dan zal den var des zondoffers, die voor hemzelven zal zijn, toebrengen, en voor zichzelven en voor zijn huis verzoening doen, en zal den var des zondoffers, die voor hemzelven zal zijn, slachten.12Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht des HEEREN, en zijn handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestoten; en hij zal het binnen den voorhang dragen.13En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen, voor het aangezicht des HEEREN, opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel, hetwelk is op de getuigenis, bedekke, en dat hij niet sterve.14En hij zal van het bloed van den var nemen, en zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen; en voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprengen.

In dit gedeelte lezen we dat Aäron aanwijzingen krijgt voor een speciale gelegenheid, namelijk voor de grote verzoendag (zie ook hoofdstuk 23 vers 27 tot en met 32).

Hebreeën 9 (vers 7, 12 en 25) zinspeelt op deze gebeurtenis. Eenmaal per jaar bracht de hogepriester, nadat hij eerst een offer voor zichzelf gebracht had, een offer voor alle zonden van het volk die in de loop van dat jaar bedreven waren.

Vervolgens droeg hij het bloed van dit offer binnen de voorhang om het te sprengen op het verzoendeksel. De verklaring hiervan vinden we in hoofdstuk 17 vers 11: "om over uw zielen verzoening te doen". Daarom kon God Zijn volk genade bewijzen.

Natuurlijk had dit bloed van een bok niet de kracht om ook maar één enkele van al die zonden die het volk het hele jaar door bedreven had, weg te nemen. Maar het sprak toen al tot God van het kostbare bloed van Zijn Lam.

We hadden misschien verwacht dat Aäron in zijn kostbare kleding voor God moest verschijnen, maar dat was niet het geval. Hij moest al zijn heerlijkheid voor de heerlijkheid van de HEERE afleggen en kon alleen verschijnen in zijn kleding van linnen. Linnen is een symbool van praktische gerechtigheid (vers 4 en Openbaring 19 vers 8).

De liefelijke reuk van het reukwerk begeleidde Aäron binnen de voorhang. Zo is ook Christus het heiligdom binnengegaan; de welriekende reuk van al Zijn volmaakte heerlijkheid was voor God.

Leviticus 16:15-22
15Daarna zal hij den bok des zondoffers, die voor het volk zal zijn, slachten, en zal zijn bloed tot binnen in den voorhang dragen, en zal met zijn bloed doen, gelijk als hij met het bloed van den var gedaan heeft, en zal dat sprengen op het verzoendeksel, en voor het verzoendeksel.16Zo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinigheden der kinderen Israels, en vanwege hun overtredingen, naar al hun zonden, verzoening doen; en alzo zal hij doen aan de tent der samenkomst, welke met hen woont in het midden hunner onreinigheden.17En geen mens zal in de tent der samenkomst zijn, als hij zal ingaan, om in het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen; alzo zal hij verzoening doen, voor zichzelven, en voor zijn huis, en voor de gehele gemeente van Israel.18Daarna zal hij tot het altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN is, uitkomen, en verzoening voor hetzelve doen; en hij zal van het bloed van den var, en van het bloed van den bok nemen, en doen het rondom op de hoornen des altaars.19En hij zal daarop van dat bloed met zijn vinger zevenmaal sprengen, en hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinigheden der kinderen Israels.20Als hij nu zal geeindigd hebben van het heilige, en de tent der samenkomst, en het altaar te verzoenen, zo zal hij dien levenden bok toebrengen.21En Aaron zal beide zijn handen op het hoofd van den levenden bok leggen, en zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israels, en al hun overtredingen, naar al hun zonden, belijden; en hij zal die op het hoofd des boks leggen, en zal hem door de hand eens mans, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten.22Alzo zal die bok op zich al hun ongerechtigheden in een afgezonderd land wegdragen; en hij zal dien bok in de woestijn uitlaten.

De priester ging, gehuld in een wolk van reukwerk, binnen de voorhang, terwijl het volk buiten vol vrees wachtte.

Zou de HEERE het offer aannemen? Als er iets niet in orde zou zijn, zou Aäron dan niet, evenals zijn beide zonen, moeten omkomen? Wat een geweldige opluchting was het moment waarop Aäron, na de dienst volbracht te hebben, weer naar buiten kwam!

Profetisch zal dat in vervulling gaan als Christus in heerlijkheid voor Israël zal komen, als Hij "ten anderen male gezien zal worden door hen, die Hem verwachten tot zaligheid" (Hebreeën 9 vers 28).

Het enige wat er nu nog te doen is, is zich met de levende bok bezig te houden.

De eerste bok waarop "het lot voor de HEERE" (vers 9) gevallen was, was geofferd en had de zonden voor het oog van God weggedaan.

De tweede, de weggaande bok, nam de zonde van het geweten van het volk weg. Daarom werden alle zonden beleden en op zijn kop gelegd, waarna hij ze wegdroeg naar een woest land (lees Psalm 103 vers 12 en Hebreeën 8 vers 12, citaat uit Jeremia 31 vers 34).

De eerste bok had God genoegdoening gegeven, zodat alle mensen verzoend kunnen worden. De tweede bok daarentegen spreekt van plaatsvervanging, van een Offer dat de zonden van velen droeg (Hebreeën 9 vers 28), namelijk van hen die hun zonden beleden (vers 21) en in geloof het offer voor zich aanvaard hebben. Het offer van Christus spreekt tot ons van dit tweezijdige karakter.

Leviticus 16:23-34
23Daarna zal Aaron komen in de tent der samenkomst, en zal de linnen klederen uitdoen, die hij aangedaan had, als hij in het heilige ging, en hij zal ze daar laten.24En hij zal zijn vlees in de heilige plaats met water baden, en zijn klederen aandoen; dan zal hij uitgaan, en zijn brandoffer, en het brandoffer des volks bereiden, en voor zich en voor het volk verzoening doen.25Ook zal hij het vet des zondoffers op het altaar aansteken.26En die den bok, welke een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen.27Maar den var des zondoffers, en den bok des zondoffers, welker bloed ingebracht is, om verzoening te doen in het heilige, zal men tot buiten het leger uitvoeren; doch hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.28Die nu dezelve verbrandt, zal zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden; en daarna zal hij in het leger komen.29En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn: gij zult in de zevende maand, op den tienden der maand, uw zielen verootmoedigen, en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.30Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij voor het aangezicht des HEEREN gereinigd worden.31Dat zal u een sabbat der rust zijn, opdat gij uw zielen verootmoedigt; het is een eeuwige inzetting.32En de priester, dien men gezalfd, en wiens hand men gevuld zal hebben, om voor zijn vader het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen, als hij de linnen klederen, de heilige klederen, zal aangetrokken hebben.33Zo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de tent der samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; desgelijks voor de priesteren, en voor al het volk der gemeente zal hij verzoening doen.34En dit zal u tot een eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israels van al hun zonden, eenmaal des jaars, verzoening te doen. En men deed, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

Laten we erop letten met welke nauwgezetheid en zorgvuldigheid de priester en zijn helpers de noodzakelijke verplichtingen moesten vervullen, opdat de zonden weggedaan konden worden. Toch gold deze dienst en dit offer slechts voor één jaar.

In werkelijkheid was het hart van de mens, de eigenlijke bron van de zonden, niet eens zo lang gereinigd. Dit verdorven hart kan niet anders dan het hele nieuwe jaar weer kwaad voortbrengen.

Steeds opnieuw moesten er weer offers gebracht worden en het priesterambt ging over van vader op zoon, omdat de priesters "door de dood verhinderd werden altijd te blijven" (Hebreeën 7 vers 23 tot en met 25).

Hoeveel groter is toch het werk van Christus in zijn waarde en draagwijdte! Hij moest Zichzelf offeren! De Heere Jezus was helemaal alleen in het wegnemen van de zonde van de wereld, in het opruimen van alle gevolgen van de zonde, maar ook in het reinigen van het verdorven hart van de mens. Niemand was in staat ook maar iets aan dit werk bij te dragen.

Wat deed het volk tijdens die grote priesterdienst? Het kon en mocht niets anders doen dan zich verootmoedigen (vers 31). Het volk mocht rusten in en vertrouwen op het voor hen gebrachte offer en dat is ook alles wat wij te doen hebben: rusten in en vertrouwen op het volmaakte en volkomen toereikende offer van de Heere Jezus.

Leviticus 17:1-16
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot Aaron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de HEERE geboden heeft, zeggende:3Een ieder van het huis Israels, die een os, of lam, of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger;4En dezelve aan de deur van de tent der samenkomst niet brengen zal, om een offerande den HEERE voor den tabernakel des HEEREN te offeren; het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten; daarom zal dezelve man uit het midden zijns volks uitgeroeid worden;5Opdat, wanneer de kinderen Israels hun slachtofferen brengen, welke zij op het veld slachten, dat zij die den HEERE toebrengen, aan de deur van de tent der samenkomst tot den priester, en dezelve tot dankofferen den HEERE slachten.6En de priester zal het bloed op het altaar des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst, sprengen; en hij zal het vet aansteken, tot een liefelijken reuk den HEERE.7En zij zullen ook niet meer hun slachtofferen den duivelen, welke zij nahoereren, offeren; dat zal hun een eeuwige inzetting zijn voor hun geslachten.8Zeg dan tot hen: Een ieder van het huis Israels, en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die een brandoffer of slachtoffer zal offeren,9En dat tot de deur van de tent der samenkomst niet zal brengen, om hetzelve den HEERE te bereiden; diezelve man zal uit zijn volken uitgeroeid worden.10En een ieder uit het huis Israels, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeren, die enig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziel, die dat bloed zal gegeten hebben, zal Ik Mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien.11Want de ziel van het vlees is in het bloed; daarom heb Ik het u op het altaar gegeven, om over uw zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziel verzoening zal doen.12Daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd: Geen ziel van u zal bloed eten; noch de vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten.13Een ieder ook van de kinderen Israels en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van hen verkeren, die enig wild gedierte, of gevogelte, dat gegeten wordt, in de jacht gevangen zal hebben; die zal deszelfs bloed vergieten, en zal dat met stof bedekken.14Want het is de ziel van alle vlees; zijn bloed is voor zijn ziel; daarom heb Ik tot de kinderen Israels gezegd: Gij zult geens vleses bloed eten; want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; zo wie dat eet, zal uitgeroeid worden.15En alle ziel onder de inboorlingen of onder de vreemdelingen, die een dood aas of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal hij rein zijn.16Maar indien hij die niet wast, en zijn vlees niet baadt, zo zal hij zijn ongerechtigheid dragen.

God heeft Zich alle rechten op het bloed voorbehouden (dit lezen we al in hoofdstuk 7 vers 26 en 27). En nu was het bloed door het offer dat eenmaal per jaar gebracht moest worden, steeds voor Zijn aangezicht in het heiligdom (hoofdstuk 16).

Dit bloed dat nodig was om de verbinding tussen het volk en God in stand te houden, spreekt voortdurend tot het hart van God over het werk van Zijn geliefde Zoon.

Talrijke teksten uit de Heilige Schrift spreken tot ons over de eigenschappen van het kostbare bloed van Christus: "Om over uw zielen verzoening te doen" (vers 11). Het "reinigt ons van alle zonde" (1 Johannes 1 vers 7). De kleinste zonde die wij begaan hebben, kan slechts door dit bloed uitgewist worden. Door dit bloed zijn wij gekocht uit alle naties (Openbaring 5 vers 9), verlost (1 Petrus 1 vers 18 en 19), gewassen (Openbaring 1 vers 5), gerechtvaardigd (Romeinen 5 vers 9), verzoend (Kolosse 1 vers 20), geheiligd (Hebreeën 13 vers 12) en nabij gebracht (Efeze 2 vers 13). Het heeft ons een weg gebaand tot in het heiligdom (Hebreeën 10 vers 19) en ons uiteindelijk de overwinning geschonken (Openbaring 12 vers 11).

Kostbaar bloed van Christus!

De kracht en werking ervan is een steen des aanstoots voor allen die er niet in geloof voor zichzelf een beroep op doen. Maar voor de verlosten is het een eeuwige oorzaak om Hem lof en aanbidding te brengen.

"Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, ... Hem ... zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen" (Openbaring 1 vers 5 en 6)

Leviticus 18:1-5; Leviticus 19:1-19
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Ik ben de HEERE, uw God!3Gij zult niet doen naar de werken des Egyptischen lands, waarin gij gewoond hebt; en naar de werken des lands Kanaan, waarheen Ik u brenge, zult gij niet doen, en zult in hun inzettingen niet wandelen.4Mijn rechten zult gij doen, en Mijn inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen; Ik ben de HEERE, uw God!5Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de ganse vergadering der kinderen Israels, en zeg tot hen: Gij zult heilig zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig!3Want ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen, en Mijn sabbatten houden; Ik ben de HEERE, uw God!4Gij zult u tot de afgoden niet keren, en u geen gegoten goden maken; Ik ben de HEERE, uw God!5En wanneer gij een dankoffer den HEERE offeren zult, naar uw welgevallen zult gij dat offeren.6Op den dag van uw offeren, en des anderen daags, zal het gegeten worden; maar wat tot op den derden dag overblijft zal met vuur verbrand worden.7En zo het op den derden dag enigzins gegeten wordt, het is een afgrijselijk ding, het zal niet aangenaam zijn.8En zo wie dat eet, zal zijn ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige des HEEREN ontheiligd heeft; daarom zal dezelve ziel, uit haar volken uitgeroeid worden.9Als gij ook den oogst uws lands inoogsten zult, gij zult den hoek uws velds niet ganselijk afoogsten, en dat van uw oogst op te zamelen is, niet opzamelen.10Insgelijks zult gij uw wijngaard niet nalezen, en de afgevallen bezien van uw wijngaard niet opzamelen; den arme en den vreemdeling zult gij die overlaten; Ik ben de HEERE, uw God!11Gij zult niet stelen, en gij zult niet liegen, noch valselijk handelen, een iegelijk tegen zijn naaste.12Gij zult niet valselijk bij Mijn Naam zweren; want gij zoudt den Naam uws Gods ontheiligen; Ik ben de HEERE.13Gij zult uw naaste niet bedriegelijk verdrukken, noch beroven; des dagloners arbeidsloon zal bij u niet vernachten tot aan den morgen.14Gij zult den dove niet vloeken, en voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten; maar gij zult voor uw God vrezen; Ik ben de HEERE!15Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.16Gij zult niet wandelen als een achterklapper onder uw volken; gij zult niet staan tegen het bloed van uw naaste; Ik ben de HEERE!17Gij zult uw broeder in uw hart niet haten; gij zult uw naaste naarstiglijk berispen, en zult de zonde in hem niet verdragen.18Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uw naaste liefhebben als uzelven; Ik ben de HEERE!19Gij zult Mijn inzettingen houden; gij zult geen tweeerlei aard uwer beesten laten samen te doen hebben; uwen akker zult gij niet met tweeerlei zaad bezaaien, en een kleed van tweeerlei stof, dooreen vermengd, zal aan u niet komen.

De voorschriften die in deze hoofdstukken gegeven worden, hebben betrekking op de praktische heiligheid van het volk van God.

Het gaat om de barmhartigheid (hoofdstuk 19 vers 10), de eerbaarheid en waarheid (vers 11 en 12), de rechtvaardigheid (vers 13 tot en met 15), de welwillendheid en de liefde (vers 16 tot en met 18).

Het is voor ons verootmoedigend dat we dezelfde waarschuwingen terugvinden in de Brieven aan de Efeziërs en de Kolossers, Brieven die aan gelovigen zijn gericht! Dat bewijst dat de oude natuur van een kind van God mi helemaal niet beter is dan van de Israëlieten in vroeger dagen.

"Gij zult niet doen naar de werken van Egypteland", zo begint hoofdstuk 18 in vers 3, vóórdat de verontreinigingen van het vlees die voor God een gruwel zijn, worden opgesomd.

Paulus schrijft aan de Efeziërs: "Ik zeg dan dit, en betuig het in de Heere, dat gij niet meer wandelt, zoals de andere heidenen ... die, ongevoelig geworden zijnde, zichzelf hebben overgegeven tot ontuchtigheid" (Efeze 4 vers 17 en 19; vergelijk ook de verzen 25 en 28 met Leviticus 19 vers 11).

"En wandelt in de liefde", zo besluit de apostel in Efeze 5 vers 2; en dat is ook de samenvatting in Leviticus 19 vers 18: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf'.

De Heere Jezus heeft dit vers aangehaald en het met een voorbeeld volmaakt uitgelegd. Daarom noemt Jakobus dit ook "de koninklijke wet ... naar de Schrift" (Lukas 10 vers 25 tot en met 37; Jakobus 2 vers 8).

Leviticus 19:26-37; Leviticus 20:22-27
26Gij zult niets met het bloed eten. Gij zult op geen vogelgeschrei acht geven, noch guichelarij plegen.27Gij zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren; ook zult gij de hoeken uws baards niet verderven.28Gij zult om een dood lichaam geen snijding in uw vlees maken, noch schrift van een ingedrukt teken in u maken; Ik ben de HEERE!29Gij zult uw dochter niet ontheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoerere, en het land met schandelijke daden vervuld worde.30Gij zult Mijn sabbatten houden, en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!31Gij zult u niet keren tot de waarzeggers, en tot de duivelskunstenaars; zoekt hen niet, u met hen verontreinigende; Ik ben de HEERE, uw God!32Voor het grauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht des ouden vereren; en gij zult vrezen voor uw God; Ik ben de HEERE!33En wanneer een vreemdeling bij u in uw land als vreemdeling verkeren zal, gij zult hem niet verdrukken.34De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdeling geweest in Egypteland; Ik ben de HEERE, uw God!35Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat.36Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb!37Daarom zult gij al Mijn inzettingen en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben de HEERE!
22Onderhoudt dan al Mijn inzettingen en al Mijn rechten, en doet dezelve; opdat u dat land, waarheen Ik u brenge, om daarin te wonen, niet uitspuwe.23En wandelt niet in de inzettingen des volks, hetwelk Ik voor uw aangezicht uitwerp; want al deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben Ik op hen verdrietig geworden.24En Ik heb u gezegd: Gij zult hun land erfelijk bezitten, en Ik zal u dat geven, opdat gij hetzelve erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honig; Ik ben de HEERE, uw God, Die u van de volken afgezonderd heb!25Daarom zult gij onderscheid maken tussen reine en onreine beesten, en tussen het onreine en reine gevogelte; en gij zult uw zielen niet verfoeilijk maken aan de beesten en aan het gevogelte, en aan al wat op den aardbodem kruipt, hetwelk Ik voor u afgezonderd heb, opdat gij het onrein houdt.26En gij zult Mij heilig zijn, want Ik, de HEERE, ben heilig; en Ik heb u van de volken afgezonderd, opdat gij Mijns zoudt zijn.27Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggenden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen.

Dit deel van het derde Boek van Mozes, de hoofdstukken 19 en 20, begint en eindigt met dezelfde duidelijke vermaning, namelijk dat Israël het heilige volk van een heilig God zou moeten zijn.

En bijna elk gebod in dit hoofdstuk wordt als het ware onderstreept door: "Ik ben de HEERE, uw God". Des te meer zouden vandaag zij die leden zijn van de familie van God, de heiligheid van hun "heilige Vader" moeten openbaren (Johannes 17 vers 11).

Petrus haalt het tweede vers van hoofdstuk 19 aan en zegt erbij: "Maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelf heilig" (1 Petrus 1 vers 15 en 16). Hier staat niet alleen: "... want Ik ben heilig", maar dat wij heilig dienen te zijn "gelijk Hij". Daarmee wordt ons een heel duidelijke maatstaf gegeven!

Vers 32 van hoofdstuk 19 laat ons zien dat we achting moeten hebben voor de ouderen. Een jonge christen zou daarin nooit te kort mogen schieten. Ons christen—zijn moet in ons hele doen en laten te zien zijn. Niet alleen in het nalaten van zonden die God in Zijn Woord noemt, maar ook in de duizenden kleine dingen van het leven waarin wij de liefde en de praktische gerechtigheid moeten beoefenen (vers 34 tot en met 36).

Laten we nooit vergeten dat "de goede Naam" van Christus over ons is aangeroepen (Jakobus 2 vers 7)! Door je gedrag kun je tot eer, maar ook tot oneer van deze Naam leven!

Leviticus 21:1-24
1Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aaron, en zeg tot hen: Over een dode zal een priester zich niet verontreinigen onder zijn volken.2Behalve over zijn bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijn moeder en over zijn vader, en over zijn zoon, en over zijn dochter, en over zijn broeder.3En over zijn zuster, die maagd is, hem nabestaande, die nog geen man toebehoord heeft; over die zal hij zich verontreinigen.4Hij zal zich niet verontreinigen over een overste onder zijn volken, om zich te ontheiligen.5Zij zullen op hun hoofd geen kaalheid maken, en zullen den hoek van hun baard niet afscheren, en in hun vlees zullen zij geen sneden snijden.6Zij zullen hun God heilig zijn, en den Naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuurofferen des HEEREN, de spijze huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn.7Zij zullen geen vrouw nemen, die een hoer of ontheiligde is, noch een vrouw nemen, die van haar man verstoten is; want hij is zijn God heilig.8Daarom zult gij hem heiligen, omdat hij de spijze uws Gods offert; hij zal u heilig zijn, want Ik ben heilig; Ik ben de HEERE, Die u heilige!9Als nu de dochter van enigen priester zal beginnen te hoereren, zij ontheiligt haar vader; met vuur zal zij verbrand worden.10En hij, die de hogepriester onder zijn broederen is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die klederen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn klederen scheuren.11Hij zal ook bij geen dode lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen.12En uit het heiligdom zal hij niet uitgaan, dat hij het heiligdom zijns Gods niet ontheilige, want de kroon der zalfolie zijns Gods is op hem; Ik ben de HEERE!13Hij zal ook een vrouw in haar maagdom nemen.14Een weduwe, of verstotene, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar een maagd uit zijn volken zal hij tot een vrouw nemen.15En hij zal zijn zaad onder zijn volken niet ontheiligen; want Ik ben de HEERE, Die hem heilige!16Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:17Spreek tot Aaron, zeggende: Niemand uit uw zaad, naar hun geslachten, in wien een gebrek zal zijn, zal naderen, om de spijze zijns Gods te offeren.18Want geen man, in wien een gebrek zal zijn, zal naderen, hij zij een blind man, of kreupel, of te kort, of te lang in leden;19Of een man, in wien een breuk des voets, of een breuk der hand zal zijn;20Of die bultachtig, of dwergachtig zal zijn, of een vel op zijn oog zal hebben, of droge schurftheid, of etterige schurftheid, of die gebroken zal zijn aan zijn gemacht.21Geen man, uit het zaad van Aaron, den priester, in wien een gebrek is, zal toetreden om de vuurofferen des HEEREN te offeren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden, om de spijs zijns Gods te offeren.22De spijs zijns Gods, van de allerheiligste dingen, en van de heilige dingen, zal hij mogen eten;23Doch tot den voorhang zal hij niet komen, en tot het altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat hij Mijn heiligdommen niet ontheilige; want Ik ben de HEERE, Die hen heilige!24En Mozes sprak zulks tot Aaron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels.

Zoals vroeger zij die tot de familie van Aäron behoorden, in de positie waren om de priesterdienst te vervullen, zo zijn ook nu de verlosten van de Heere gemaakt tot aanbidders.

Als het echter ging om de uitoefening van zijn dienst, kon de priester ongeschikt zijn. Het aanraken van een dode, een huwelijk dat niet in overeenstemming is met Gods gedachten, of een ongeneeslijke, lichamelijke handicap, beroofde een zoon van Aäron van het voorrecht het heilige ambt uit te oefenen.

Hij had nog wel het recht zich, evenals zijn broeders, met de spijs van God te voeden (vers 22), maar hij kende niet de vreugde van het dienen van God.

Helaas bevinden veel gelovigen zich in een soortgelijke situatie! Zij die blind (zoals 2 Petrus 1 vers 9 dat bedoelt) of verlamd zijn (volgens Hebreeën 12 vers 12), kunnen, hoewel ze de positie en het voorrecht van kinderen van God behouden, hun dienst als aanbidders niet uitoefenen zoals ze dat zouden moeten doen.

Dat betekent niet alleen een groot verlies voor henzelf, maar vooral voor de Heere.

Ook al houdt onze Hogepriester rekening met onze fouten en zwakheden (hoofdstuk 21, wat ook Hebreeën 4 vers 15 bevestigt), toch kan Hij geen enkele gemeenschap hebben met alles wat, in het beeld van hoofdstuk 22, als openlijke zonde wordt aangemerkt, zoals melaatsheid en een vloed (vers 4).

De verontreiniging bij een gelovige berooft hem van het genot van "heilige dingen".

Leviticus 22:17-33
17Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:18Spreek tot Aaron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Zo wie uit het huis van Israel, en uit de vreemdelingen in Israel is, die zijn offerande zal offeren naar al hun geloften, en naar al hun vrijwillige offeren, die zij den HEERE ten brandoffer zullen offeren;19Het zal naar uw welgevallen zijn, een volkomen mannetje, van de runderen, van de lammeren, of van de geiten.20Gij zult niet offeren iets, waarin een gebrek is; want het zou niet aangenaam zijn voor u.21En als iemand een dankoffer den HEERE zal offeren, uitzonderende van de runderen of van de schapen een gelofte, of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn, opdat het aangenaam zij; geen gebrek zal daarin zijn.22Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wratte, of droge schurftheid, of etterige schurftheid hebbende, deze zult gij den HEERE niet offeren, en daarvan zult gij den HEERE geen vuuroffer op het altaar geven.23Doch een os, of klein vee, te lang of te verkrompen in leden, die zult gij tot een vrijwillig offer bereiden; doch tot een gelofte zou het niet aangenaam zijn.24Het gedrukte, of gestotene, of gescheurde, of gesnedene, zult gij den HEERE niet offeren; dat zult gij in uw land niet doen.25Gij zult ook uit de hand des vreemden van al deze dingen uw God geen spijs offeren; want hun verdorvenheid is in hen, in dezelve is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u.26Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:27Wanneer een os, of lam, of geit zal geboren zijn, zo zal die zeven dagen onder zijn moeder zijn; daarna, van den achtsten dag en daarover, zal hij aangenaam zijn tot offerande des vuuroffers den HEERE.28Gij zult ook een os, of klein vee, hem en zijn jong, op een dag niet slachten.29En als gij een lofoffer den HEERE zult slachten, naar uw wil zult gij het slachten.30Het zal op denzelfden dag gegeten worden; gij zult daarvan niet overlaten tot op den morgen; Ik ben de HEERE!31Daarom zult gij Mijn geboden houden, en dezelve doen; Ik ben de HEERE!32En gij zult Mijn heiligen Naam niet ontheiligen, opdat Ik in het midden der kinderen Israels geheiligd worde; Ik ben de HEERE, Die u heilige!33Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat Ik u tot een God zij; Ik ben de HEERE!

Hoofdstuk 21 vers 1 tot en met 22 vers 16 laat ons zien dat God waakt over de instandhouding van een vlekkeloos priesterschap. Vanaf vers 17 lezen we hoe de kwaliteit van het offer moest zijn.

Is het niet triest dat God uitdrukkelijk moet vermelden: 'Jullie mogen Mij geen ziek of gebrekkig dier offeren'?

Ondanks deze aanwijzingen die eigenlijk niet nodig zouden moeten zijn, weten we uit het Boek Maleáchi dat het volk in die tijd toch zulke offers bracht!

Deze wijze van handelen was in tweeërlei opzicht zonde: Ten eerste was het een minachting van de HEERE. Wat men de koning niet waagde te brengen (Maleáchi 1 vers 8), wat onverkoopbaar was, dat vond men goed genoeg voor God! Ten tweede was het zonde, omdat al deze offers die een heenwijzing waren naar het volmaakte offer van Christus, zonder gebrek moesten zijn.

En wij, beste gelovige vrienden, wat geven wij aan God van onze tijd, onze kracht, onze capaciteiten, ons geld? Het beste? Of alleen dat wat we sowieso over hebben, waarvan we toch niet weten wat we ermee moeten doen?

In tegenstelling tot de noodzakelijk verplichte offers voor de zonde, gaat het hier om het vrijwillige dankoffer. Dus een offer dat men uit eigen beweging kon brengen. Ook wij worden nergens toe gedwongen. God eist niets. Maar hoe meer onze harten gegrepen zijn door de liefde van de Heere Jezus, des te meer eisen zullen wij onszelf stellen aan datgene wat wij Hem teruggeven.

Leviticus 23:1-14
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: De gezette hoogtijden des HEEREN, welke gijlieden uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn Mijn gezette hoogtijden.3Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der rust, een heilige samenroeping; geen werk zult gij doen; het is des HEEREN sabbat, in al uw woningen.4Deze zijn de gezette hoogtijden des HEEREN, de heilige samenroepingen, welke gij uitroepen zult op hun gezetten tijd.5In de eerste maand, op den veertienden der maand, tussen twee avonden is des HEEREN pascha.6En op den vijftienden dag der derzelver maand is het feest van de ongezuurde broden des HEEREN; zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten.7Op den eersten dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.8Maar gij zult zeven dagen vuuroffer den HEERE offeren; en op den zevenden dag zal een heilige samenroeping wezen; geen dienstwerk zult gij doen.9En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:10Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als gij in het land zult gekomen zijn, hetwelk Ik u geven zal, en gij zijn oogst zult inoogsten, dan zult gij een garf der eerstelingen van uw oogst tot den priester brengen.11En hij zal die garf voor het aangezicht des HEEREN bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; des anderen daags na den sabbat zal de priester die bewegen.12Gij zult ook op den dag, als gij die garf bewegen zult, bereiden een volkomen lam, dat eenjarig is, ten brandoffer den HEERE;13En zijn spijsoffer twee tienden meelbloem, met olie gemengd, ten vuuroffer, den HEERE tot een liefelijken reuk; en zijn drankoffer van wijn, het vierde deel van een hin.14En gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groen aren eten, tot op dienzelven dag, dat gij de offerande uws Gods zult gebracht hebben; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.

Dit hoofdstuk vormt als het ware de kalender voor de jaarlijks terugkerende "hoogtijden des HEEREN". Dat waren er zeven; de sabbat, de wekelijkse rustdag waarvan in eerste instantie sprake is, wordt daarbij niet meegeteld.

Deze feesten ontvouwen in hun volgorde de geschiedenis van het volk Israël sinds het kruis, in overeenstemming met de raadsbesluiten van God over dit volk. Maar ook zien we in de feesten Gods raadsbesluiten met betrekking tot de gemeente (zij het in bedekte vorm) en tenslotte ook met betrekking tot Zijn eigen Zoon.

Alles begon met het Pascha (vers 5), want het uitgangspunt van alle zegeningen voor Israël, de gemeente, ja, voor het geluk van ieder mens, is het kruis.

Direct daarop volgt het feest van de ongezuurde broden (vers 6 tot 8). Dat herinnert ons aan de Heere Jezus tijdens Zijn leven op aarde, Die geen zonde gekend heeft. Zijn afzondering van het kwaad zou in het doen en laten van de gemeente, alsook in het leven van elke verloste, te vinden moeten zijn. "Zuivert dan de oude zuurdesem uit ... gelijk gij ongezuurd zijt", zo vermaant Paulus de Korinthiërs (1 Korinthe 5 vers 7).

Dan volgt het feest van de garf van de eerstelingen (vers 9 tot 14). Deze garf die voor de HEERE bewogen werd, is opnieuw een beeld van Christus, en wel in Zijn glorierijke opstanding als de Eerstgeborene uit de doden, voorgesteld aan God in al Zijn heerlijkheid en "aangenaam" voor ons (vers 11).

Leviticus 23:15-22
15Daarna zult gij u tellen van den anderen dag na den sabbat, van den dag, dat gij de garf des beweegoffers zult gebracht hebben; het zullen zeven volkomen sabbatten zijn;16Tot den anderen dag, na den zevenden sabbat, zult gij vijftig dagen tellen, dan zult gij een nieuw spijsoffer den HEERE offeren.17Gijlieden zult uit uw woningen twee beweegbroden brengen, zij zullen van twee tienden meelbloem zijn, gedesemd zullen zij gebakken worden; het zijn de eerstelingen den HEERE.18Gij zult ook met het brood zeven volkomen eenjarige lammeren, en een var, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen den HEERE een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hun drankofferen, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.19Ook zult gij een geitenbok ten zondoffer, en twee eenjarige lammeren ten dankoffer bereiden.20Dan zal de priester dezelve met het brood der eerstelingen ten beweegoffer, voor het aangezicht des HEEREN, met de twee lammeren bewegen; zij zullen den HEERE een heilig ding zijn, voor den priester.21En gij zult op dienzelfden dag uitroepen, dat gij een heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het is een eeuwige inzetting in al uw woningen voor uw geslachten.22Als gij nu den oogst uws lands zult inoogsten, gij zult, in uw inoogsten, den hoek des velds niet ganselijk afmaaien, en de opzameling van uw oogst niet opzamelen; voor den arme en voor den vreemdeling zult gij ze laten; Ik ben de HEERE, uw God!

Er zaten vijftig dagen tussen het feest van de eerstelingsgarve en het feest der weken (of Pinksteren) waarover we lezen in het gedeelte van vandaag.

De beide feesten vonden plaats op "de andere dag na de sabbat", dat wil zeggen, op de eerste dag van de week. Wij weten dat de Heere Jezus ná Zijn opstanding en vóórdat Hij naar de hemel terugkeerde, meerdere keren aan Zijn discipelen is verschenen om hen te troosten, te bemoedigen en hen uit te zenden om het evangelie te verkondigen.

Dan, in het tweede hoofdstuk van het Boek Handelingen, zien we de Heilige Geest op de pinksterdag neerdalen om in de gemeente te wonen. De beide broden waarover we lezen in vers 17, zijn een beeld van de uit joden en heidenen gevormde gemeente. Zij die daarvan deel uitmaken, zijn nog op aarde. Daarom waren het broden met zuurdesem, een beeld van de zonde.

Dat zijn dus de 'eerstelingen' van het volbrachte werk aan
het kruis, die aan God worden aangeboden door de priester.

Toen de Heere Jezus over Zichzelf sprak als de tarwekorrel die in de aarde zou vallen en sterven, kon Hij eraan toevoegen: "... maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort" (Johannes 12 vers 24).

De eerstelingsgarve was het onderpand van een rijke oogst (vers 22). Christus, de opgestane Mens, zal in de heerlijkheid niet alleen zijn. Hij zal met gejuich ingaan en zijn schoven (garven) dragen (zie Psalm 126 vers 6).

Leviticus 23:23-44
23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:24Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: In de zevende maand, op den eersten der maand, zult gij een rust hebben, een gedachtenis des geklanks, een heilige samenroeping.25Geen dienstwerk zult gij doen; maar gij zult den HEERE vuuroffer offeren.26Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:27Doch op den tienden dezer zevende maand zal de verzoendag zijn, een heilige samenroeping zult gij hebben; dan zult gij uw zielen verootmoedigen, en zult den HEERE een vuuroffer offeren.28En op dienzelven dag zult gij geen werk doen; want het is de verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN uws Gods.29Want alle ziel, welken op dienzelven dag niet zal verootmoedigd zijn geweest, die zal uitgeroeid worden uit haar volken.30Ook alle ziel, die enig werk op dienzelven dag gedaan zal hebben, die ziel zal Ik uit het midden haars volks verderven.31Gij zult geen werk doen; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten, in al uw woningen.32Het zal u een sabbat der rust zijn; dan zult gij uw zielen verootmoedigen; op den negenden der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uw sabbat rusten.33En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:34Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Op den vijftienden dag van deze zevende maand zal het feest der loofhutten zeven dagen den HEERE zijn.35Op den eersten dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gij doen.36Zeven dagen zult gij den HEERE vuurofferen offeren; op den achtsten dag zult gij een heilige samenroeping hebben, en zult den HEERE vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; gij zult geen dienstwerk doen.37Dit zijn de gezette hoogtijden des HEEREN, welke gij zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om den HEERE vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankofferen, elk dagelijks op zijn dag, te offeren;38Behalve de sabbatten des HEEREN, en behalve uw gaven, en behalve al uw geloften, en behalve al uw vrijwillige offeren, welke gij den HEERE geven zult.39Doch op den vijftienden dag der zevenden maand, als gij het inkomen des lands zult ingegaderd hebben, zult gij des HEEREN feest zeven dagen vieren; op den eersten dag zal er rust zijn, en op den achtsten dag zal er rust zijn.40En op den eersten dag zult gij u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte bomen, met beekwilgen; en gij zult voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zeven dagen vrolijk zijn.41En gij zult dat feest den HEERE zeven dagen in het jaar vieren; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten; in de zevende maand zult gij het vieren.42Zeven dagen zult gij in de loofhutten wonen; alle inboorlingen in Israel zullen in loofhutten wonen;43Opdat uw geslachten weten, dat Ik de kinderen Israels in loofhutten heb doen wonen, als Ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God!44Alzo heeft Mozes de gezette hoogtijden des HEEREN tot de kinderen Israels uitgesproken.

Geschiedkundig bezien spreekt dit gedeelte van de tijdsperiode van de gemeente die op de pinksterdag is ontstaan. Terwijl Israël terzijde gezet is, vergadert de Heere Jezus nu "de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot één" (Johannes 11 vers 52). Maar de dag zal komen waarop Hij het hele volk Israël weer bijeen zal vergaderen.

Ná de opname van de gemeente zal de "gedenkdag des geklanks" (vers 23 tot 25; zie ook Numeri 29 vers 1) het volk Israël samenroepen en in hun land verenigen.

De bedoeling van deze dag des geklanks is, de grote droefheid van het zesde feest, de grote verzoendag (waarvan we de beschrijving al hebben gehad in hoofdstuk 16), te bewerken (vers 26 tot 32). Israël zal straks met grote angst in het hart wachten op het moment dat Hij Die nu nog met de Zijnen in het heiligdom is, tot hun redding zal verschijnen.

Dan volgt het feest van de loofhutten, waarvan we hier een gedetailleerde beschrijving vinden (vers 34 tot 43). Het is een beeld van de heerschappij van gerechtigheid en vrede hier op aarde, het duizendjarig rijk.

Laten we opmerken hoe vaak in dit hoofdstuk staat: "geen dienstwerk zult gij doen". In alle wonderbare raadsbesluiten van de genade van God die zich uitstrekken vanaf het kruis tot in de heerlijkheid, heeft Hij Zichzelf het recht voorbehouden iets te doen. De mens kan met al zijn inspanningen niets bewerken. Het is het werk van God Wiens doen majesteit en heerlijkheid is.

Leviticus 24:1-23
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:2Gebied den kinderen Israels, dat zij tot u brengen zuivere gestoten olijfolie, voor den luchter, om de lampen gedurig aan te steken.3Aaron zal die voor het aangezicht des HEEREN gedurig toerichten, van den avond tot den morgen, buiten den voorhang van de getuigenis, in de tent der samenkomst; het is een eeuwige inzetting voor uw geslachten.4Hij zal op den louteren kandelaar die lampen voor het aangezicht des HEEREN gedurig toerichten.5Gij zult ook meelbloem nemen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal een koek zijn.6En gij zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht des HEEREN.7En op elke rij zult gij zuiveren wierook leggen, welke het brood ten gedenkoffer zal zijn; het is een vuuroffer den HEERE.8Op elken sabbatdag gedurig zal men dat voor het aangezicht des HEEREN toerichten, vanwege de kinderen Israels, tot een eeuwig verbond.9En het zal voor Aaron en zijn zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is voor hem een heiligheid der heiligheden uit de vuurofferen des HEEREN, een eeuwige inzetting.10En er ging de zoon ener Israelietische vrouw uit, die, in het midden der kinderen Israels, de zoon van een Egyptische man was; en de zoon van deze Israelietische en een Israelietisch man twistten in het leger.11Toen lasterde de zoon der Israelietische vrouw uitdrukkelijk den NAAM, en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes; de naam nu zijner moeder was Selomith, de dochter van Dibri, van den stam Dan.12En zij leidden hem in de gevangenis, opdat hem, naar den mond des HEEREN, verklaring geschieden zou.13En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:14Breng den vloeker uit tot buiten het leger, en allen, die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de gehele vergadering stenigen.15En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Een ieder, als hij zijn God gevloekt zal hebben, zo zal hij zijn zonde dragen.16En wie den Naam des HEEREN gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem zekerlijk stenigen; alzo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij den NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.17En als iemand enige ziel des mensen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden.18Maar wie de ziel van enig vee zal verslagen hebben, hij zal het wedergeven, ziel voor ziel.19Als ook iemand aan zijn naaste een gebrek zal aangebracht hebben; gelijk als hij gedaan heeft, zo zal ook aan hem gedaan worden:20Breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand; gelijk als hij een gebrek een mens zal aangebracht hebben, zo zal ook hem aangebracht worden.21Wie dan enig vee verslaat, die zal het wedergeven; maar wie een mens verslaat, die zal gedood worden.22Enerlei recht zult gij hebben; zo zal de vreemdeling zijn, als de inboorling; want Ik ben de HEERE, uw God!23En Mozes zeide tot de kinderen Israels, dat zij den vloeker tot buiten het leger uitbrengen, en hem met stenen stenigen zouden. En de kinderen Israels deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

Er waren dus voor de Israëlieten in de loop van het jaar speciale gelegenheden om samen te komen en feest te vieren.

Zij deden een dienst op bepaalde, regelmatig terugkerende tijden, terwijl de dienst voor hen nooit ophield. De lampen moesten gedurig toegericht zijn (vers 3).

Wat een gelukzalige gedachte dat het licht van Christus, de 'Goddelijke Lamp', ononderbroken schijnt in een wonderbare glans voor God. Dit blijft waar, ook als wij ons nog zo bezighouden met de dingen van het leven dat wij niet aan de hemel denken en onze gemeenschap met de Heere verstoord is!

En waar schijnt het licht van de lamp op? Precies, op de twaalf broden die op de tafel liggen, een beeld van het voltallige volk van God dat in het heiligdom in volmaakte harmonie verenigd is!

De gebeurtenis van de lasteraar en zijn bestraffing laat ons zien dat er zelfs te midden van het volk dat zó bevoorrecht is, verval optreedt. En welke verschrikkelijke straf heeft dat tot gevolg!

De Naam die boven alle naam is, werd ook gelasterd, toen de Zoon van God Die naar de aarde was neergedaald, gesmaad, verworpen en gekruisigd werd.

In de nabij toekomst zal Hij opnieuw gelasterd worden, als "de mens der zonde", de antichrist, zichzelf zal verheffen boven alles wat God genoemd wordt. Maar de Heere Jezus zal hem door de verschijning van Zijn komst vernietigen (2 Thessalonika 2 vers 3 en 8).

Leviticus 25:1-19
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, aan den berg Sinai, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in dat land, dat Ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den HEERE.3Zes jaren zult gij uw akker bezaaien, en zes jaren uw wijngaard besnijden, en de inkomst daarvan inzamelen.4Doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn, een sabbat den HEERE; uw akker zult gij niet bezaaien en uw wijngaard niet besnijden.5Wat van zelf van uw oogst zal gewassen zijn, zult gij niet inoogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der ruste voor het land zijn.6En de inkomst van den sabbat des lands zal voor u tot spijze zijn, voor u, en voor uw knecht, en voor uw dienstmaagd, en voor uw dagloner, en voor uw bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeren;7Mitsgaders voor het vee, en voor het gedierte, dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot spijze zijn.8Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren; zodat de dagen der zeven jaarweken u negen en veertig jaren zullen zijn.9Daarna zult gij in de zevende maand, op den tienden der maand, de bazuin des geklanks doen doorgaan; op den verzoendag zult gij de bazuin doen doorgaan in uw ganse land.10En gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in het land, voor al zijn inwoners; het zal u een jubeljaar zijn; en gij zult wederkeren een ieder tot zijn bezittingen, en zult wederkeren een ieder tot zijn geslacht.11Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn; gij zult niet zaaien, noch inoogsten wat van zelf daarin zal gewassen zijn, noch ook de druiven der afzonderingen in hetzelve afsnijden.12Want dat is het jubeljaar; het zal u heilig zijn; gij zult uit het veld de inkomst daarvan eten.13Op dat jubeljaar zult gij ieder wederkeren tot zijn bezitting.14Daarom, wanneer gij aan uw naaste wat veilbaars verkopen, of uit de hand uws naasten kopen zult, dat niemand de een den ander verdrukke.15Naar het getal der jaren, van het jubeljaar af, zult gij van uw naaste kopen, en naar het getal van de jaren der inkomsten zal hij het aan u verkopen.16Naar de veelheid der jaren zult gij zijn koop vermeerderen, en naar de weinigheid der jaren zult gij zijn koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal der inkomsten.17Dat dan niemand zijn naaste verdrukke; maar vreest voor uw God; want Ik ben de HEERE, uw God!18En doet Mijn inzettingen, en houdt Mijn rechten, en doet dezelve; zo zult gij zeker wonen in het land.19En het land zal zijn vrucht geven, en gij zult eten tot verzadiging toe; en gij zult zeker daarin wonen.

God Die de sabbat aan de mensen gaf, denkt ook aan Zijn schepping.

Om de zeven jaar moest het werk op het veld onderbroken worden om het land tot rust te laten komen. En na zevenmaal zeven jaar weerklonk de bazuin die het vijftigste jaar, het "jubeljaar", het herstel van alle dingen, aankondigde.

Er werden geen zaken gedaan of grond verhandeld, zonder aan dit dichterbij komende jubeljaar te denken, want daar moest steeds rekening mee gehouden worden.

Herinnert het signaal van deze bazuin waarop alle Israëlieten, vooral de onderdrukten, wachtten, ons niet aan de laatste bazuin waarmee de Heere van de hemel zal neerdalen om hen die Hem toebehoren, bijeen te vergaren (1 Korinthe 15 vers 52)?

Ja, de Heere komt! Laten we het niet vergeten! Laten we elke dag leven in die verwachting!

Laten we geen grote waarde hechten aan de dingen van de aarde, want ze zijn vergankelijk. Het zijn allemaal onzekere dingen die we maar voor een korte tijd mogen bezitten en genieten!

Nee, laten we ons oog richten op wat men niet ziet, op wat eeuwig is (2 Korinthe 4 vers 18). Laten we de gelukzalige hoop die ons wacht, toch steeds voor ogen hebben, opdat onze beslissingen, onze plannen, de dingen waarvan we mogen genieten, maar ook onze beproevingen, allemaal het stempel 'tijdelijk' dragen!

Leviticus 25:20-38
20En als gij zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in het zevende jaar? Ziet, wij zullen niet zaaien, en onze inkomst niet inzamelen;21Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen.22Het achtste jaar nu zult gij zaaien, en zult van de oude inkomst eten, tot het negende jaar toe; totdat zijn inkomst ingekomen is, zult gij het oude eten.23Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt.24Daarom zult gij, in het ganse land uwer bezitting, lossing voor het land toelaten.25Wanneer uw broeder zal verarmd zijn, en iets van zijn bezitting verkocht zal hebben, zo zal zijn losser, die hem nabestaande is, komen, en zal het verkochte zijns broeders lossen.26En wanneer iemand geen losser zal hebben, maar zijn hand bekomen en hij gevonden zal hebben, zoveel genoeg is tot zijn lossing;27Dan zal hij de jaren zijner verkoping rekenen, en het overschot zal hij den man, wien hij het verkocht had, weder uitkeren; en hij zal weder tot zijn bezitting komen.28Maar indien zijn hand niet gevonden heeft, wat genoeg is, om aan hem weder uit te keren, zo zal zijn verkochte goed zijn in de hand van deszelfs koper tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijn bezitting wederkeren.29Insgelijks, wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zo zal zijn lossing zijn, totdat het jaar zijner verkoping volkomen zal zijn; in een vol jaar zal zijn lossing wezen.30Maar is het, dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het gehele jaar zal vervuld zijn, zo zal dat huis, hetwelk in die stad is, die een muur heeft, voor altoos blijven aan hem, die dat gekocht heeft, onder zijn geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan.31Doch de huizen der dorpen, die rondom geen muur hebben, zullen als het veld des lands gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan.32Aangaande de steden der Levieten, en de huizen der steden hunner bezitting; de Levieten zullen een eeuwige lossing hebben.33En als men onder de Levieten lossing zal gedaan hebben, zo zal de koop van het huis en van de stad zijner bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de steden der Levieten zijn hun bezitting in het midden van de kinderen Israels.34Doch het veld van de voorstad hunner steden zal niet verkocht worden; want het is een eeuwige bezitting voor hen.35En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijn hand bij u wankelen zal, zo zult gij hem vasthouden, zelfs een vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve.36Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar gij zult vrezen voor uw God, opdat uw broeder bij u leve.37Uw geld zult gij hem niet op woeker geven, en gij zult uw spijze niet op overwinst geven.38Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland gevoerd heb, om u het land Kanaan te geven, opdat Ik u tot een God zij.

"Het land is het Mijne", spreekt de HEERE tot het volk, "daar gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt" (vers 23). Zoals een heer des huizes de zorg voor zijn gasten heeft, zo verplicht God Zich om voor het onderhoud van de Zijnen te zorgen. Hij geeft hun op wonderbare wijze elk zesde jaar een drievoudige oogst, zodat ze in staat zijn het sabbatsjaar te houden.

Op aarde mogen wij, christenen, ons nog minder dan de Israëlieten 'eigenaren' van iets noemen. O, als wij ons er meer van bewust waren dat wij niets bezitten, maar dat alles van de Heere is, zou er dan niet veel minder begeerte in onze harten en minder onderlinge twist zijn?

De ware rijkdommen die we de onze mogen noemen (Mattheüs 6 vers 19 tot en met 21), bezitten we in de hemel en niet op aarde.

In dit hoofdstuk ontvouwt God Zijn wonderbare genade door ons te laten zien hoe Hij de Zijnen bevrijdt, hoe Hij Zich bezighoudt met hun rust en vreugde. Maar ook, dat Hij erop toeziet dat zij niet het slachtoffer worden van de hardheid van hun broeders of van hun eigen zorgeloosheid.

God wil ons leren barmhartig te zijn ten opzichte van anderen, omdat we ook zelf barmhartigheid verkregen hebben (vers 35 tot en met 38). Dat stelt ons in staat de Heere te bewijzen dat we Zijn genade waarderen, en dat we wat Hij voor ons gedaan heeft, niet vergeten hebben (Mattheüs 18 vers 32 en 33).

Leviticus 25:39-55
39Desgelijks, wanneer uw broeder bij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, gij zult hem niet doen dienen den dienst van een slaaf;40Als een dagloner, als een bijwoner zal hij bij u zijn; tot het jubeljaar zal hij bij u dienen.41Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijn kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslacht wederkeren, en tot de bezitting zijner vaderen wederkeren.42Want zij zijn Mijn dienstknechten, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; zij zullen niet verkocht worden, gelijk men een slaaf verkoopt.43Gij zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid; maar gij zult vrezen voor uw God.44Aangaande uw slaaf of uw slavin, die gij zult hebben, die zullen van de volken zijn, die rondom u zijn; van die zult gij een slaaf of een slavin kopen.45Gij zult ze ook kopen van de kinderen der bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkeren, uit hen en uit hun geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zullen u tot een bezitting zijn.46En gij zult u tot bezitters over hen stellen voor uw kinderen na u, opdat zij de bezitting erven; gij zult hen in eeuwigheid doen dienen; maar over uw broeders, de kinderen Israels, een iegelijk over zijn broeder, gij zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid.47En wanneer de hand eens vreemdelings en bijwoners, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broeder, die bij hem is, verarmd zal zijn, dat hij zich aan den vreemdeling, den bijwoner, die bij u is, of aan den stam van het geslacht des vreemdelings zal verkocht hebben;48Nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn; een van zijn broeders zal hem lossen;49Of zijn oom, of de zoon zijns ooms, zal hem lossen, of die uit de naasten zijns vleses van zijn geslacht is, zal hem lossen; of heeft zijn hand wat bekomen, dat hij zichzelven losse.50En hij zal met zijn koper rekenen van dat jaar af, dat hij zich aan hem verkocht heeft tot het jubeljaar toe; alzo dat het geld zijner verkoping zal zijn naar het getal van de jaren, naar de dagen eens dagloners zal het met hem zijn.51Indien nog vele van die jaren zijn, naar die zal hij tot zijn lossing van het geld, waarover hij gekocht is, wedergeven.52En indien er nog weinige van die jaren overgebleven zijn, tot aan het jubeljaar, zo zal hij met hem rekenen; naar zijn jaren zal hij zijn lossing wedergeven.53Als een dagloner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geen heerschappij hebben met wreedheid voor uw ogen.54En is het, dat hij hierdoor niet gelost wordt, zo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijn kinderen met hem.55Want de kinderen Israels zijn Mij tot dienstknechten; Mijn dienstknechten zijn zij, die Ik uit Egypteland uitgevoerd heb; Ik ben de HEERE, uw God!

Wanneer de bazuin van de bevrijding weerklonk, kreeg de slaaf zijn vrijheid, de arme zijn bezit terug. Families werden weer samengevoegd en alles ging terug naar de rechtmatige eigenaar.

Dit herstel van de oorspronkelijke situatie bracht algemene vreugde met zich mee. Dat is een beeld van de toekomstige blijdschap die Israël en de hele wereld zullen leren kennen, als de satan gebonden en de schepping van de slavernij vrijgemaakt zullen zijn.

Tot nu toe zucht de schepping en is "in barensnood", maar dan zal zij onder de heerschappij van Christus "de vrijheid der heerlijkheid van de kinderen Gods" genieten (Romeinen 8 vers 21 en 22).

Wanneer een arme Israëliet zich aan een vreemdeling had verkocht, kon hij gelost worden (vers 47); zo zal ook het volk Israël zijn erfdeel dat het door eigen schuld verloren heeft, definitief terug ontvangen. En wel uit de handen van Hem Die het gekocht heeft: Christus, de ware Boaz (zie Ruth 4).

Als God met betrekking tot Zijn schepping het laatste woord zal hebben, mogen we er zeker van zijn dat Hij ook allen die Hem toebehoren, volkomen vrij zal maken.

Ook al heeft een broeder in Christus zich laten beroven van het genot van zijn erfdeel en is hij in geestelijk opzicht arm geworden, dan getroost de Heere Zich toch de moeite hem in genade te herstellen. Het verleden zal de Heere vergeten (ongeacht de oorzaak waardoor de broeder arm geworden is); en Hij zal hem opnieuw van de hemelse rijkdommen laten genieten.

Leviticus 26:1-13
1Gij zult ulieden geen afgoden maken; noch gesneden beeld, noch opgericht beeld zult gij u stellen, noch gebeelden steen in uw land zetten, om u daarvoor te buigen; want Ik ben de HEERE, uw God!2Mijn sabbatten zult gij houden, en Mijn heiligdommen zult gij vrezen; Ik ben de HEERE!3Indien gij in Mijn inzettingen wandelen, en Mijn geboden houden, en die doen zult;4Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijn vrucht geven;5En de dorstijd zal u reiken tot den wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uw brood eten tot verzadiging toe, en gij zult zeker in uw land wonen.6Ook zal Ik vrede geven in het land, dat gij zult te slapen liggen, en niemand zij, die verschrikke; en Ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan.7En gij zult uw vijanden vervolgen; en zij zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.8Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen tien duizend vervolgen; en uw vijanden zullen voor uw aangezicht door het zwaard vallen.9En Ik zal Mij tot u wenden, en zal u vruchtbaar maken, en u vermenigvuldigen; en Mijn verbond zal Ik met u bevestigen.10En gij zult het oude, dat verouderd is, eten; en het oude zult gij vanwege het nieuwe uitbrengen.11En Ik zal Mijn tabernakel in het midden van u zetten; en Mijn ziel zal van u niet walgen.12En Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn.13Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land der Egyptenaren uitgevoerd heb, opdat gij hun slaven niet zoudt zijn; en Ik heb de disselbomen van uw juk verbroken, en heb u doen rechtop staan.

We vinden in Gods Woord twee Goddelijke grondbeginselen die altijd samengaan: de onbeperkte genade (die geopenbaard werd in hoofdstuk 25) en de regering van God (die we vinden in hoofdstuk 26).

Als God aan de ene kant geeft, zonder verder voorwaarden te stellen, laat Hij aan de andere kant iemand oogsten wat hij zelf gezaaid heeft.

De HEERE heeft de moeite gedaan om Zijn volk op de gezegende ofwel ernstige gevolgen te wijzen die voortkomen uit wat zijzelf zullen doen, goed of kwaad. En omdat God steeds het goede als uitgangspunt neemt, begint Hij niet met dreigementen, maar met bemoedigende beloften.

Hij stelt Israël de zegeningen voor die zullen volgen op een wandel in gehoorzaamheid. Zeker, het zijn aardse zegeningen, in tegenstelling tot die van de christen die gezegend is "met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus" (Efeze 1 vers 3).

Maar één van die beloften van de Heere die bijzonder kostbaar is, geldt zowel voor het aardse als voor het hemelse volk van God. Dat is de belofte uit vers 12, die Paulus in 2 Korinthe 6 vers 16 aanhaalt: "Ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tot een God zijn, en gij zult Mij tot een volk zijn".

Dat brengt zowel voor de christen als voor de Israëliet dezelfde verantwoordelijkheid met zich mee: volledige afzondering van afgodendienst (vers 1; vergelijk dit met 2 Korinthe 6 vers 14 tot 18).

Leviticus 26:14-33
14Maar indien gij Mij niet zult horen, en al deze geboden niet zult doen;15En zo gij Mijn inzettingen zult smadelijk verwerpen, en zo uw ziel van Mijn rechten zal walgen, dat gij niet doet al Mijn geboden, om Mijn verbond te vernietigen;16Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.17Daartoe zal Ik Mijn aangezicht tegen ulieden zetten, dat gij geslagen zult worden voor het aangezicht uwer vijanden; en uw haters zullen over u heerschappij hebben, en gij zult vlieden, als u iemand vervolgt.18En zo gij Mij tot deze dingen toe nog niet horen zult, Ik zal nog daar toe doen, om u zevenvoudig over uw zonden te tuchtigen.19Want Ik zal de hovaardigheid uwer kracht verbreken, en zal uw hemel als ijzer maken, en uw aarde als koper.20En uw macht zal ijdelijk verdaan worden; en uw land zal zijn inkomsten niet geven, en het geboomte des lands zal zijn vrucht niet geven.21En zo gij met Mij in tegenheid wandelen zult, en Mij niet zult willen horen, zo zal Ik over u, naar uw zonden, zevenvoudig slagen toedoen.22Want Ik zal onder u zenden het gedierte des velds, hetwelk u beroven, en uw vee uitroeien, en u verminderen zal; en uw wegen zullen woest worden.23Indien gij nog door deze dingen Mij niet getuchtigd zult zijn, maar met Mij in tegenheid wandelen;24Zo zal Ik ook met u in tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden slaan.25Want Ik zal een zwaard over u brengen, dat de wraak des verbonds wreken zal, zodat gij in uw steden vergaderd zult worden; dan zal Ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden.26Als Ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in een oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en gij zult eten, maar niet verzadigd worden.27Als gij ook hierom Mij niet horen zult, maar met Mij wandelen zult in tegenheid;28Zo zal Ik ook met u in heetgrimmige tegenheid wandelen, en Ik zal u ook zevenvoudig over uw zonden tuchtigen.29Want gij zult het vlees uwer zonen eten, en het vlees uwer dochteren zult gij eten.30En Ik zal uw hoogten verderven, en uw zonnebeelden uitroeien, en zal uw dode lichamen op de dode lichamen uwer drekgoden werpen; en Mijn ziel zal aan u walgen.31En Ik zal uw steden een woestijn maken, en uw heiligdommen verwoesten; en Ik zal uw liefelijken reuk niet rieken.32Ja, Ik zal dat land verwoesten; dat uw vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.33Daartoe zal Ik u onder de heidenen verstrooien; en een zwaard achter u uittrekken; en uw land zal woest, en uw steden zullen een woestijn zijn.

Opnieuw heeft de HEERE Zijn volk ernstig gewaarschuwd voor de afgodendienst (vers 1).

Uit de woorden van de profeet Amos (hoofdstuk 5 vers 25 tot en met 27), die later ook door Stefanus aangehaald worden (Handelingen 7 vers 42 en 43), moeten we helaas constateren dat Israël in de woestijn al de afgoden diende. Toen hadden ze voor zichzelf al beelden gemaakt, in het bijzonder van de afschuwelijke Molech (Leviticus 20 vers 1 tot en met 5).

Dat is de reden waarom de waarschuwingen aan het schuldige volk, die steeds in ernst toenemen, later in vervulling gaan.

Wat is het menselijk hart toch hard!

Om dat te verbreken, moet God steeds zwaardere maatregelen nemen. Helaas komt het voor dat Hij met ons op dezelfde wijze moet handelen!

Hij begint in zachtheid tot ons te spreken. Als we dan niet luisteren, wordt Zijn stem steeds indringender. Spreuken 29 vers 1 zegt ons: "Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan is".

Laten we daarom leren de stem van de Heere onmiddellijk te verstaan, en laten we niet weigeren Zijn terechtwijzing aan te nemen (Psalm 141 vers 5).

Omdat Hij ons liefheeft, tuchtigt Hij ons nooit meer dan nodig is om ons lessen te leren. Maar omdat Hij ook trouw is, stopt Hij niet eerder met Zijn volhardend werk, totdat onze gedachten en ons hart opnieuw helemaal aan Hem zijn toegewijd.

Leviticus 26:34-46
34Dan zal het land aan zijn sabbatten een welgevallen hebben, al de dagen der verwoesting, en gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten, en aan zijn sabbatten een welgevallen hebben.35Al de dagen der verwoesting zal het rusten, overmits het niet rustte in uw sabbatten, als gij daarin woondet.36En aangaande de overgeblevenen onder u, Ik zal in hun hart een wekigheid in de landen hunner vijanden laten komen; zodat het geruis van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden, gelijk men vliedt voor een zwaard, en zullen vallen, waar niemand is, die jaagt.37En zij zullen de een op den ander als voor het zwaard vallen, waar niemand is, die jaagt; en gij zult voor het aangezicht uwer vijanden niet kunnen bestaan.38Maar gij zult omkomen onder de heidenen, en het land uwer vijanden zal u verteren.39En de overgeblevenen onder u zullen om hun ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja, ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren.40Dan zullen zij hun ongerechtigheid belijden, en de ongerechtigheid hunner vaderen met hun overtredingen, waarmede zij tegen Mij overtreden hebben, en ook dat zij met Mij in tegenheid gewandeld hebben.41Dat Ik ook met hen in tegenheid gewandeld, en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zo dan hun onbesneden hart gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben;42Dan zal Ik gedenken aan Mijn verbond met Jakob, en ook aan Mijn verbond met Izak, en ook aan Mijn verbond met Abraham zal Ik gedenken, en aan het land zal Ik gedenken;43Als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest, en aan zijn sabbatten een welgevallen gehad hebben, wanneer het om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben; daarom, en omdat zij Mijn rechten hadden verworpen, en hun ziel van Mijn inzettingen gewalgd had.44En hierenboven is dit ook; als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal Ik hen niet verwerpen, noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende Mijn verbond met hen; want Ik ben de HEERE, hun God!45Maar Ik zal hun ten beste gedenken aan het verbond der voorouderen, die Ik uit Egypteland voor de ogen der heidenen uitgevoerd heb, opdat Ik hun tot een God ware; Ik ben de HEERE!46Dit zijn die inzettingen, en die rechten, en die wetten, welke de HEERE gegeven heeft, tussen Zich en tussen de kinderen Israels, op den berg Sinai, door de hand van Mozes.

Gods rechten moeten altijd en overal gerespecteerd worden. Als het volk de in hoofdstuk 25 voorgeschreven sabbatsjaren niet in acht neemt, zal God het daartoe dwingen door het met geweld uit het land, Zijn land, te verjagen.

Israël is — om zo te zeggen — de verplichting van de pacht tegenover de 'Eigenaar' niet nagekomen. Dat was één van de redenen van de wegvoering van het volk naar Babel (zie 2 Kronieken 36 vers 20 en 21).

De gevolgen van de ongerechtigheid van het volk zullen vreselijk zijn. God is strenger ten opzichte van Zijn volk dan tegenover andere volken, omdat Israëls verantwoordelijkheid immers veel groter is. Dit volk werden Goddelijke uitspraken toevertrouwd. Het stond in verbinding met de ware God Wiens Naam om hun afwijking gelasterd werd (vergelijk Romeinen 3 vers 2 en 2 vers 24).

Als God al hogere voorwaarden stelt aan Israël dan aan de heidense volkeren, zou Hij van ons die het volledige Woord van God in handen hebben en misschien ook een christelijke opvoeding hebben gehad, dan niet veel meer mogen verwachten?

"Wie men veel toevertrouwd heeft, van die zal men overvloediger eisen" (Lukas 12 vers 48).

Laten we er ook op letten dat de "ongerechtigheid belijden" (vers 40) en aan "de straf een welgevallen hebben" (vers 41), noodzakelijke voorwaarden zijn voor een herstel.

Leviticus 27:1-15
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer iemand een gelofte zal afgezonderd hebben, naar uw schatting zullen de zielen des HEEREN zijn.3Als uw schatting eens mans zal zijn van twintig jaren oud, tot een, die zestig jaren oud is; dan zal uw schatting zijn van vijftig sikkelen zilvers, naar den sikkel des heiligdoms.4Maar is het een vrouw, dan zal uw schatting zijn dertig sikkelen.5En is het van een, die vijf jaren oud is, tot een, die twintig jaren oud is, zo zal uw schatting van een man twintig sikkelen zijn, en voor een vrouw tien sikkelen.6Maar is het van een, die een maand oud is, tot een, die vijf jaren oud is, zo zal uw schatting van een man zijn vijf sikkelen zilvers, en uw schatting over een vrouw zal zijn drie sikkelen zilvers.7En is het van een, die zestig jaren oud is en daarboven, is het een man, zo zal uw schatting zijn vijftien sikkelen, en voor een vrouw tien sikkelen.8Maar zo hij armer is, dan uw schatting, zo zal hij zich voor het aangezicht des priesters zetten, opdat de priester hem schatte; naar dat de hand desgenen, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen bekomen, zal de priester hem schatten.9En indien het een beest is, waarvan men den HEERE offerande offert; al wat hij daarvan den HEERE zal gegeven hebben, zal heilig zijn.10Hij zal niet vermangelen, noch hetzelve verwisselen, een goed voor een kwaad, of een kwaad voor een goed; indien hij nochtans een beest voor een beest enigzins verwisselt, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn.11En indien het enig onrein beest is, van hetwelk men den HEERE geen offerande offert, zo zal hij dat beest voor het aangezicht des priesters zetten.12En de priester zal dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; naar uw schatting, priester! zo zal het zijn.13Maar indien hij het immers lossen zal, zo zal hij deszelfs vijfde deel boven uw schatting toedoen.14En wanneer iemand zijn huis zal geheiligd hebben, dat het den HEERE heilig zij, zo zal de priester dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; gelijk als de priester dat geschat zal hebben, zo zal het stand hebben.15En indien hij, die het geheiligd heeft, zijn huis zal lossen, zo zal hij een vijfde deel des gelds uwer schatting daarboven toedoen, zo zal het zijne zijn.

In dit hoofdstuk gaat het over de geloften die de Israëlieten konden afleggen, en over de aanwijzingen hoe de priester die op hun waarde moest schatten.

In Exodus 30 werden we opmerkzaam gemaakt op het feit dat de prijs van de (ver)lossing voor ieder gelijk was. Hier is daarentegen verschil in waarde. Het gaat hier dan ook niet meer om de verlossing, maar om capaciteiten, om mogelijkheden die ieder individueel bezit.

Hoewel alle kinderen van God voor dezelfde prijs — het kostbare bloed van Christus — gekocht zijn, hebben ze toch lang niet allemaal dezelfde geestelijke capaciteiten, dezelfde geschiktheid voor de dienst.

De priester moest de waarde van elke gave van ieder afzonderlijk inschatten: "Naar uw schatting, priester! zo zal het zijn" (vers 12).

Wij zijn snel geneigd kritiek te hebben op het doen en laten van andere gelovigen. Laten we er dan aan denken dat de Heere alles beoordeelt (1 Korinthe 4 vers 4 en 5)!

Personen, huizen, dieren — alles kon men de HEERE heiligen (dat wil zeggen: toewijden). Ongetwijfeld kunnen wij de Heere niets kostbaarders aanbieden dan onszelf.

De Macedóniërs over wie de apostel spreekt, hadden dat gedaan. Zij "gaven zichzelf eerst aan de Heere". Hun hele dienst, het in grote blijdschap en gewillig iets aan de Heere geven, kwam voort uit deze eerste overgave ( 2 Korinthe 8 vers 2 tot en met 5).

Leviticus 27:16-34
16Indien ook iemand van den akker zijner bezitting den HEERE wat geheiligd zal hebben, zo zal uw schatting zijn naar zijn zaad; een homer gerstezaad zal zijn op vijftig sikkelen zilvers.17Indien hij zijn akker van het jubeljaar af geheiligd zal hebben, zo zal het naar uw schatting stand hebben.18Maar zo hij zijn akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de priester het geld rekenen, naar de jaren, die nog overig zijn tot het jubeljaar; en het zal van uw schatting afgetrokken worden.19En indien hij, die den akker geheiligd heeft, denzelven ganselijk lossen zal, zo zal hij een vijfde deel des gelds uwer schatting daarboven toedoen, en dezelve zal hem gevestigd zijn.20En indien hij dien akker niet zal lossen, of indien hij dien akker aan een anderen man verkocht heeft, zo zal hij niet meer gelost worden.21Maar die akker, nadat hij in het jubeljaar zal uitgegaan zijn, zal den HEERE heilig zijn, als een verbannen akker; de bezitting daarvan zal des priesters zijn.22En indien hij den HEERE een akker heeft geheiligd, dien hij gekocht heeft, en niet is van den akker zijner bezitting;23Zo zal de priester hem rekenen de som uwer schatting tot het jubeljaar; en hij zal op denzelven dag uw schatting geven, een heiligheid den HEERE.24In het jubeljaar zal die akker wederkomen tot dien, van wien hij hem gekocht had, tot hem, wiens de bezitting van dat land was.25Al uw schatting nu zal naar den sikkel des heiligdoms geschieden; de sikkel zal zijn van twintig gera.26Maar het eerstgeborene, dat den HEERE van een beest eerstgeboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os, of klein vee, het is des HEEREN.27Doch is het van een onrein beest, hij zal dat lossen naar uw schatting, en zal zijn vijfde deel daarboven toedoen; en indien het niet gelost wordt, zo zal het verkocht worden, naar uw schatting.28Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand den HEERE zal verbannen hebben, van al hetgeen hij heeft, van een mens, of van een beest, of van den akker zijner bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal den HEERE een heiligheid der heiligheden zijn.29Al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden; het zal zekerlijk gedood worden.30Ook alle tienden des lands, van het zaad des lands, van de vrucht van het geboomte, zijn des HEEREN; zij zijn den HEERE heilig.31Maar zo iemand van zijn tienden immer iets lossen zal, hij zal zijn vijfde deel daarboven toedoen.32Aangaande al de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal den HEERE heilig zijn.33Hij zal tussen het goede en het kwade niet onderzoeken; hij zal het ook niet verwisselen; maar indien hij het immers verwisselen zal, zo zal dit, en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn; het zal niet gelost worden.34Dit zijn de geboden, die de HEERE Mozes geboden heeft, aan de kinderen Israels, op den berg Sinai.

Laten we het aan de Heere overlaten om hetgeen anderen doen, op z'n waarde te schatten. Maar laten we voor onszelf ook geen waardering zoeken bij anderen! Laten we van mensen, die de Heere slechts dertig zilverlingen waard achtten (Zacharia 11 vers 12 en 13)!, niets verwachten. Laten we er juist veel meer moeite voor doen, onszelf "Gode beproefd voor te stellen" (2 Timotheüs 2 vers 15).

Hiermee besluiten we de overdenking van het derde Boek van Mozes. We mochten ons bezighouden met de priester en zijn diensten. Soms was het wat moeilijk te begrijpen, maar ons oog werd gericht op de Heere Jezus, onze grote Hogepriester. We mochten Zijn middelaarschap op elk gebied van het leven van de Zijnen zien. Tot ons heil is Hij met Zijn eigen bloed in het heiligdom ingegaan, nadat Hij een eeuwige verlossing had verworven. Wat onze weg betreft, waakt Hij erover dat elke vorm van melaatsheid verwijderd wordt. En wat tenslotte de dienst aangaat, zo zagen wij in dit hoofdstuk dat Hij het uiteindelijk is Die alles naar Zijn maatstaven waardeert en beoordeelt.

Helaas zijn er christenen die wel het heil aannemen, maar er verder de voorkeur aan geven hun eigen weg te gaan. 'De Heere moet Zich maar niet met hen bemoeien', zo is hun opvatting. Zulke gelovigen moeten soms verdrietige ervaringen opdoen, zoals we zagen in hoofdstuk 26, opdat hun genegenheid voor de Heere weer opgewekt mag worden.

Moge de Heere toch in ons allemaal een volledig vertrouwen in Zijn Persoon en Zijn werk bewerken!

Numberi 1:1-21
1Voorts sprak de HEERE tot Mozes, in de woestijn van Sinai, in de tent der samenkomst, op den eersten der tweede maand, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen ware, zeggende:2Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israels, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.3Van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire in Israel uittrekken; die zult gij tellen naar hun heiren, gij en Aaron.4En met ulieden zullen zijn van elken stam een man, die een hoofdman is over het huis zijner vaderen.5Deze zijn nu de namen der mannen, die bij u staan zullen: van Ruben, Elizur, de zoon van Sedeur.6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.7Van Juda, Nahesson, de zoon van Amminadab.8Van Issaschar, Nethaneel, de zoon van Zuar.9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.11Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.12Van Dan, Ahiezer, de zoon van Ammisaddai.13Van Aser, Pagiel, de zoon van Ochran.14Van Gad, Eljasaf, de zoon van Dehuel.15Van Nafthali, Ahira, de zoon van Enan.16Dezen waren de geroepenen der vergadering, de oversten der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden van Israel.17Toen namen Mozes en Aaron die mannen, welken met namen uitgedrukt zijn.18En zij verzamelden de gehele vergadering, op den eersten dag der tweede maand; en die verklaarden hun afkomst, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van die twintig jaren oud was en daarboven, hoofd voor hoofd.19Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, zo heeft hij hen geteld in de woestijn van Sinai.20Zo waren de zonen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;21Hun getelden van den stam van Ruben waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.

Het onderwijs in het Boek Leviticus betrof de dienst aan God en de gemeenschap. Het Boek Numeri neemt de draad van de geschiedenis van het volk op de weg door de woestijn weer op, maar belicht tegelijk ook andere zijden van het christelijke leven: de wandel en de dienst.

Allereerst roept God op tot een volkstelling van de stammen van Israël: de krijgslieden, Levieten en priesters. Een ieder moest zijn afkomst bewijzen (vers 18).

Ook voor een ieder van ons is het in eerste instantie belangrijk te weten een kind van God te zijn. En iedereen moet ook bereid zijn dit voor anderen te belijden (Romeinen 10 vers 9).

Maar, let op! Ieder van wie de ouders behoorden tot één van de twaalf stammen, was een Israëliet, maar om christen te zijn, is het niet voldoende om te weten dat je ouders dat ook zijn. Ja, je ouders hoeven dat zelfs helemaal niet te zijn!

Een christen word je alleen als je berouw hebt voor God over je zonden en ze belijdt en door persoonlijk geloof in de Heere Jezus. Pas dan ben je een lid van de hemelse familie waarvan God de 'administratie' bijhoudt. Beter gezegd: Dan sta je geschreven in Zijn boek des levens!

Als u vandaag tot de Heere Jezus gaat, wordt ook uw naam in dat boek geschreven. Dan kunt u met zekerheid, vol blijdschap, ook uw afstamming aantonen.

Want alle mensen die "Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden" (Johannes 1 vers 12).

Numberi 1:22-37
22Van de zonen van Simeon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijn getelden, in het getal der namen, hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken;23Hun getelden van den stam van Simeon waren negen en vijftig duizend en driehonderd.24Van de zonen van Gad, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken.25Waren hun getelden van den stam van Gad vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.26Van de zonen van Juda, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.28Van de zonen van Issaschar, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,29Waren hun getelden van den stam van Issaschar vier en vijftig duizend en vierhonderd.30Van de zonen van Zebulon, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.32Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;34Van de zonen van Manasse, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,35Waren hun getelden van den stam van Manasse twee en dertig duizend en tweehonderd.36Van de zonen van Benjamin, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,37Waren hun getelden van den stam van Benjamin vijf en dertig duizend en vierhonderd.

In veel landen moeten de jongens tegenwoordig nog op ongeveer twintigjarige leeftijd in militaire dienst. Als iemand goedgekeurd is, moet hij de wapens dragen en heeft hij bepaalde verplichtingen ten opzichte van zijn vaderland.

Met ingang van de dag waarop hij z'n diensttijd begint, beslist hij niet meer zelf over zijn leven, maar moet hij zich schikken naar gemeenschappelijke regels. Hij leert respect te tonen voor zijn meerderen. Hij leert waarvoor discipline nodig is. Hij leert allerlei plichten en wordt onderwezen in de militaire zaken.

Heeft deze 'roeping voor het vaandel' ook geen betekenis voor alle jonge christenen?

Zonder twijfel is de pasgeborene in Christus niet direct na zijn bekering in staat "ten strijde" te trekken. De familie van God bestaat uit kinderen, jongelingen en vaders (1 Johannes 2 vers 13 tot 27).

Zoals kinderen in een gezin verschillende fases van ontwikkeling doormaken, zo hebben ook kinderen van God — hoewel allen hetzelfde leven en dezelfde voorrechten bezitten —verschillende capaciteiten en verantwoordelijkheden. Toch zou er bij allen groei te constateren moeten zijn (vergelijk Lukas 2 vers 40 en 52). Dan zal er een moment moeten komen waarop uit het kind, in geestelijk opzicht, een sterke jongeling is gegroeid die ervaring in het overwinnen van de boze heeft opgedaan (1 Johannes 2 vers 14). De jongeling zal een volwassene worden, zoals Hebreeën 5 vers 14 ons zegt.

Is dat bij ons het geval? Of zijn wij sinds onze bekering nog niet gegroeid?

Numberi 1:38-54
38Van de zonen van Dan, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,39Waren hun getelden van den stam van Dan twee en zestig duizend en zevenhonderd.40Van de zonen van Aser, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,41Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.42Van de zonen van Nafthali, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,43Waren hun getelden van den stam van Nafthali drie en vijftig duizend en vierhonderd.44Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.45Alzo waren al de getelden der zonen van Israel, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die in Israel ten heire uittrokken,46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.47Maar de Levieten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld.48Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende:49Alleen de stam van Levi zult gij niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israel.50Maar gij, stel de Levieten over den tabernakel der getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen den tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den tabernakel legeren.51En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen denzelven afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten denzelven oprichten; en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden.52En de kinderen Israels zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn leger, en een iegelijk bij zijn banier, naar hun heiren.53Maar de Levieten zullen zich legeren rondom den tabernakel der getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering van de kinderen Israels zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel der getuigenis waarnemen.54Zo deden de kinderen Israels; naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden zij.

Alle getelde Israëlieten over wie in dit hoofdstuk lezen, waren een jaar eerder door de Rode Zee getrokken.

Ze waren allemaal "in Mozes gedoopt ... in de wolk en in de zee". Ze hadden allemaal deel aan dezelfde voorrechten van het volk van God; aan het manna en aan het water uit de rots (1 Korinthe 10 vers 1 tot 4).

Hoevelen van de meer dan zeshonderdduizend getelden (vers 46) zouden het beloofde land bereiken? Slechts twee, in wie God een welgevallen gevonden had, omdat ze geloofden (vergelijk 1 Korinthe 10 vers 5 en Hebreeën 11 vers 6).

Alleen de Heere weet hoeveel er vandaag de dag van allen die christen genoemd worden, Hem werkelijk toebehoren (2 Timotheüs 2 vers 19). Niet de doop, maar alleen het geloof in Jezus Christus maakt ons tot een lid van de familie van God.

De zonen van Levi werden niet geteld onder hen die ten strijde moesten trekken (vers 47). Kracht en geweld komen in de dienst voor de Heere niet te pas.

Laten we eraan denken dat de gelovige vandaag zowel tot de strijd als tot de dienst wordt opgeroepen!

Zoals een Timotheüs moet de gelovige in staat zijn "de goede strijd des geloofs" te strijden (1 Timotheüs 6 vers 12). Maar hij moet tegelijkertijd ook, evenals de jonge Archippus, op "de bediening" letten die hij van de Heere heeft ontvangen (Kolosse 4 vers 17).

Numberi 2:1-34
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:2De kinderen Israels zullen zich legeren, een ieder onder zijn banier, naar de tekenen van het huis hunner vaderen; rondom tegenover de tent der samenkomst zullen zij zich legeren.3Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier des legers van Juda, naar hun heiren; en Nahesson, de zoon van Amminadab, zal de overste der zonen van Juda zijn.4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.5En nevens zal zich legeren de stam van Issaschar; en Nethaneel, de zoon van Zuar, zal de overste der zonen van Issaschar zijn.6Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en vijftig duizend en vierhonderd.7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.8Zijn heir nu, en zijn getelden waren zeven en vijftig duizend en vierhonderd.9Al de getelden des legers van Juda waren honderd zes en tachtig duizend en vierhonderd, naar hun heiren. Zij zullen vooraan optrekken.10De banier des legers van Ruben, naar hun heiren, zal tegen het zuiden zijn; en Elizur, de zoon van Sedeur, zal de overste der zonen van Ruben zijn.11Zijn heir nu, en zijn getelden waren zes en veertig duizend en vijfhonderd.12En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.13Zijn heir nu, en zijn getelden waren negen en vijftig duizend en driehonderd.14Daartoe de stam van Gad; en Eljasaf, de zoon van Rehuel, zal de overste der zonen van Gad zijn.15Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en veertig duizend zeshonderd en vijftig.16Al de getelden in het leger van Ruben waren honderd een en vijftig duizend vierhonderd en vijftig; naar hun heiren. En zij zullen de tweede optrekken.17Daarna zal de tent der samenkomst optrekken, met het leger der Levieten, in het midden van de legers; gelijk als zij zich legeren zullen, alzo zullen zij optrekken, een iegelijk aan zijn plaats, naar hun banieren.18De banier des legers van Efraim, naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste der zonen van Efraim zijn.19Zijn heir nu, en zijn getelden waren veertig duizend en vijfhonderd.20En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.21Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en dertig duizend en tweehonderd.22Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn.23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.24Al de getelden in het leger van Efraim waren honderd acht duizend en eenhonderd, naar hun heiren. En zij zullen de derde optrekken.25De banier des legers van Dan zal tegen het noorden zijn, naar hun heiren; en Ahiezer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn.26Zijn heir nu, en zijn getelden waren twee en zestig duizend en zevenhonderd.27En nevens hem zal zich legeren de stam van Aser; en Pagiel, de zoon van Ochran, zal de overste der zonen van Aser zijn.28Zijn heir nu, en zijn getelden waren een en veertig duizend en vijfhonderd.29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.31Al de getelden in het leger van Dan waren honderd zeven en vijftig duizend en zeshonderd. In het achterste zullen zij optrekken, naar hun banieren.32Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.33Maar de Levieten werden niet geteld onder de zonen van Israel, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.34En de kinderen Israels deden naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had, zo legerden zij zich naar hun banieren, en zo trokken zij op, een iegelijk naar zijn geslachten, naar het huis zijner vaderen.

Van de gelovigen wordt niet verwacht dat ze alleen, op eigen houtje, door de woestijn trekken. Om hen ervan bewust te doen zijn dat ze één volk, één familie zijn, verzamelt de Heere hen rondom Zichzelf.

Laten we ons eens een voorstelling maken van het tentenkamp (het leger) van de Israëlieten.

De HEERE is het Middelpunt; daar bevindt zich de ark in de tabernakel waarop de wolk van Zijn heerlijkheid rust. Rondom de tabernakel heeft ieder z'n eigen plaats. Ten eerste de Levieten, dan de twaalf stammen in groepen van drie, met een eigen banier en gelegerd in de richting van de vier windstreken.

God is geen God van verwarring (1 Korinthe 14 vers 33). In Zijn onbeperkte wijsheid heeft Hij "de leden [van het lichaam van Christus] gezet, een ieder ervan ... gelijk Hij gewild heeft" (1 Korinthe 12 vers 18). Hij bepaalt de plaats waar Hij de Zijnen wil hebben. Geve God dat wij die plaats ook innemen!

Veel christenen hebben voor zichzelf banieren naar hun eigen mening en goeddunken opgericht. De naam van een bepaalde persoon of het systeem rond een bepaalde leer is voor hen dan zoiets als een banier waar ze zich omheen scharen: iets speciaals waardoor men zich onderscheidt van anderen. God erkent echter deze benamingen, deze door mensen opgerichte banieren, niet. Hij erkent alleen het éne Middelpunt dat Hij Zelf gegeven heeft: Jezus Christus, de ware Tabernakel, Die de verstrooide kinderen van God rondom Zich wil verzamelen, Wiens banier de liefde is en Die Zelf de banier boven tienduizend draagt (Hooglied 2 vers 4 en 5 vers 10).

Numberi 3:1-16
1Dit nu zijn de geboorten van Aaron en Mozes; ten dage als de HEERE met Mozes gesproken heeft op den berg Sinai.2En dit zijn de namen der zonen van Aaron: de eerstgeborene, Nadab, daarna Abihu, Eleazar, en Ithamar.3Dit zijn de namen der zonen van Aaron, der priesteren, die gezalfd waren, welker hand men gevuld had, om het priesterambt te bedienen.4Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht des HEEREN, als zij vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN in de woestijn van Sinai brachten, en hadden geen kinderen, doch Eleazar en Ithamar bedienden het priesterambt voor het aangezicht van hun vader Aaron.5En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:6Doe den stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van den priester Aaron, opdat zij hem dienen;7En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht der gehele vergadering, voor de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen;8En dat zij al het gereedschap van de tent der samenkomst, en de wacht der kinderen Israels waarnemen, om den dienst des tabernakels te bedienen.9Gij zult dan, aan Aaron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen Israels.10Maar Aaron en zijn zonen zult gij stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.11En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:12En Ik, zie, Ik heb de Levieten uit het midden van de kinderen Israels genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen Israels; en de Levieten zullen Mijne zijn.13Want alle eerstgeborene is Mijn; van den dag, dat Ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb Ik Mij geheiligd alle eerstgeborenen in Israel, van de mensen tot de beesten; zij zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!14En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, zeggende:15Tel de zonen van Levi naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven, die zult gij tellen.16En Mozes telde hen naar het bevel des HEEREN, gelijk hem geboden was.

De HEERE zonderde de zonen van Levi af om hen tot dienaars in het heiligdom te maken. Hun trouw aan God was op de proef gesteld, toen het volk een gouden kalf had gemaakt (Exodus 32 vers 26 tot en met 29; Maleáchi 2 vers 4 tot en met 6), en zij waren daarin betrouwbaar gevonden. Daarom werden ze nu afgezonderd om Aäron en de hele vergadering te dienen (vers 6 tot en met 9).

Dit is een beeld van het voorrecht van elke gelovige: "En dat zij waarnemen zijn wacht, en de wacht van de gehele vergadering". Daartoe is oplettendheid en waakzaamheid in de dienst voor de Heere nodig.

Deze eigenschappen kenmerken in het bijzonder het werk van de wachter die dag en nacht op zijn post staat (Jesaja 21 vers 7 en 8).

De Heere geve ons, dat wij bij hen horen die voor en over het volk van God kunnen waken! Laten we opmerken dat in hoofdstuk 4 vers 3 de dienst van de Levieten in één woord weergegeven wordt: "strijd". Dit betekent eigenlijk 'krijgsplicht' of 'moeite'.

In vers 13 herinnert God het volk eraan, wanneer en hoe Hij de Levieten tot Zijn eigendom gemaakt had. De nacht waarin het Pascha gevierd werd — voor ons het kruis —, was het tijdstip van afzondering (vergelijk 2 Korinthe 5 vers 15).

Bovendien waren deze dienstknechten aan Aäron en zijn zonen gegeven (vers 9). Zegt onze grote Hogepriester tegen Zijn Vader niet hetzelfde van de Zijnen? Het zijn zij "die Gij Mij gegeven hebt" (Johannes 17 vers 9 en verder).

Numberi 3:17-38
17Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.18En dit zijn de namen der zonen van Gerson, naar hun geslachten: Libni en Simei.19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.20En de zonen van Merari, naar hun geslachten: Maheli en Musi; dit zijn de geslachten der Levieten, naar het huis hunner vaderen.21Van Gerson was het geslacht der Libnieten, en het geslacht der Simeieten; dit zijn de geslachten der Gersonieten.22Hun getelden in getal waren van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven; hun getelden waren zeven duizend en vijfhonderd.23De geslachten der Gersonieten zullen zich legeren achter den tabernakel, westwaarts.24De overste nu van het vaderlijke huis der Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael.25En de wacht der zonen van Gerson in de tent der samenkomst zal zijn de tabernakel en de tent, haar deksel, en het deksel aan de deur van de tent der samenkomst;26En de behangselen des voorhofs, en het deksel van de deur des voorhofs, welke bij den tabernakel en bij het altaar rondom zijn; mitsgaders de zelen, tot zijn gansen dienst.27En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.28In getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren acht duizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.29De geslachten der zonen van Kahath zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, zuidwaarts.30De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel.31Hun wacht nu zal zijn de ark, en de tafel, en de kandelaar, en de altaren en het gereedschap des heiligdoms, met hetwelk zij dienst doen, en het deksel, en al wat tot zijn dienst behoort.32De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aaron, den priester; zijn opzicht zal zijn over degenen, die de wacht des heiligdoms waarnemen.33Van Merari is het geslacht der Mahelieten, en het geslacht der Musieten; dit zijn de geslachten van Merari.34En hun getelden in getal van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren zes duizend en tweehonderd.35De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van Merari zal zijn Zuriel, de zoon van Abihail; zij zullen zich legeren aan de zijde des tabernakels, noordwaarts.36En het opzicht der wachten van de zonen van Merari zal zijn over de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten, en al zijn gereedschap, en al wat tot zijn dienst behoort;37En de pilaren des voorhofs rondom, en hun voeten, en hun pennen, en hun zelen.38Die nu zich legeren zullen voor den tabernakel oostwaarts, voor de tent der samenkomst, tegen den opgang, zullen zijn Mozes, en Aaron met zijn zonen, waarnemende de wacht des heiligdoms, voor de wacht der kinderen Israels; en de vreemde die nadert, zal gedood worden.

Zoals geen enkele Israëliet het recht had om de plek voor zijn tent zelf te bepalen, zo kon ook geen enkele Leviet zelf bepalen welke dienst hij wilde doen.

Wat wij moeten doen, hoeft niet datgene te zijn wat óns interesseert, waarvoor wij denken geschikt te zijn, of waarvan wij denken dat het op dat moment gedaan moet worden. Het gaat erom dat we de wil van de Heere doen!

"Er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere", lezen we in 1 Korinthe 12 vers 5. Hij is de ware "Overste van de oversten" Die boven alles staat (vers 32). Hij alleen is in staat om de dienst van ieder afzonderlijk, ten bate van het geheel, te bepalen.

Stel je eens voor wat er zou gebeuren als er bij de spoorwegen een wisselwachter op eigen houtje van werk zou veranderen! Of dat de overwegwachter plotseling z'n overweg in de steek zou laten! Dat zou toch rampzalig zijn?!

Welk werk de Levieten ook moesten doen, in ieder geval legerde elk van de drie families zich vlak bij de tabernakel (vers 23, 29 en 35).

Daarbij moeten we denken aan de arbeiders in de tijd van David: "zij zijn daar gebleven bij de koning in zijn werk" (1 Kronieken 4 vers 23).

Wie het dichtst bij Christus is, zal het beste kunnen dienen, want zonder Zijn nabijheid kunnen we Hem niet dienen.

Numberi 3:39-51
39Alle getelden der Levieten, welke Mozes en Aaron, op het bevel des HEEREN, naar hun geslachten, geteld hebben, al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren twee en twintig duizend.40En de HEERE zeide tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen, wat mannelijk is onder de kinderen Israels, van een maand oud en daarboven; en neem het getal hunner namen op.41En gij zult voor Mij de Levieten nemen (Ik ben de HEERE!), in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels, en de beesten der Levieten, in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten der kinderen Israels.42Mozes dan telde, gelijk als de HEERE hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels.43En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen, van een maand oud en daarboven, naar hun getelden, waren twee en twintig duizend tweehonderd en drie en zeventig.44En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:45Neem de Levieten, in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen Israels, en de beesten der Levieten, in plaats van hun beesten; want de Levieten zullen Mijn zijn; Ik ben de HEERE!46Aangaande de tweehonderd drie en zeventig, die gelost zullen worden, die overschieten, boven de Levieten, van de eerstgeborenen van de kinderen Israels;47Gij zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar den sikkel des heiligdoms zult gij ze nemen; die sikkel is twintig gera.48En gij zult dat geld aan Aaron en zijn zonen geven, het geld der gelosten die onder hen overschieten.49Toen nam Mozes dat losgeld van degenen, die overschoten boven de gelosten door de Levieten.50Van de eerstgeborenen van de kinderen Israels nam hij dat geld, duizend driehonderd vijf en zestig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.51En Mozes gaf dat geld der gelosten aan Aaron en aan zijn zonen, naar het bevel des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.

Anders dan bij de overige stammen van Israël, werden de Levieten "van een maand oud en daarboven" geteld. Denk eens aan de kleine Samuël, aan Jeremia (hoofdstuk 1 vers 5), aan Johannes de Doper (Lukas 1 vers 15) en aan Paulus (Galaten 1 vers 15)! De afzondering tot een bepaalde dienst voor de Heere gaat altijd aan het tijdstip waarop de Heere roept, vooraf.

Zodra de jonge Jesaja hoorde: "uw zonde is verzoend", antwoordde hij spontaan op de roep van de Heere: "Zie, hier ben ik, zend mij heen" (Jesaja 6 vers 7 en 8).

Toen Paulus een ontmoeting met de Heere had op de weg naar Damascus, hoorde hij uit de mond van de Heere dat Hij hem tot een "dienaar en getuige" had uitverkoren (Handelingen 26 vers 16).

Geen enkele verloste behoort zichzelf toe. Als hij zich, evenals de Thessalonikers, door genade van de afgoden tot God heeft bekeerd, heeft hij de opdracht om "de levende en waarachtige God te dienen" (1 Thessalonika 1 vers 9).

Diezelfde les leren we ook aan het einde van ons hoofdstuk. De Levieten namen de plaats van de eerstgeborenen van Israël in. Dus van hen die door de genade van Gods kracht, door middel van het bloed van het lam, gespaard waren gebleven voor de dood, toen de verderfengel in Egypte rondtrok.. Anders gezegd: Elke verloste wordt een knecht van Hem Die hem aan de dood en aan de macht van de wereld en haar overste ontrukt heeft.

Behoren wij — als we denken aan de rijkdom van ontvangen voorrechten — niet tot de 'eerstgeborenen' in Gods familie? De Heere geve ons, dat wij ons meer bewust zijn van Zijn rechten op ons leven (vergelijk 2 Kronieken 29 vers 11)!

Numberi 4:1-15
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:2Neemt op de som der zonen van Kahath, uit het midden der zonen van Levi, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen.3Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud; al wie tot dezen strijd inkomt, om het werk in de tent der samenkomst te doen.4Dit zal de dienst zijn der zonen van Kahath, in de tent der samenkomst, te weten de heiligheid der heiligheden.5In het optrekken des legers, zo zullen Aaron en zijn zonen komen, en den voorhang des deksels afnemen, en zullen daarmede de ark der getuigenis bedekken.6En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen.7Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotels, en de reukschalen, en de kroezen, en de dekschotels; ook zal het gedurig brood daarop zijn.8Daarna zullen zij een scharlaken kleed daarover uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen.9Dan zullen zij een kleed van hemelsblauw nemen, en bedekken den kandelaar des luchters, en zijn lampen, en zijn snuiters, en zijn blusvaten, en al zijn olievaten, met welke zij aan denzelven dienen.10Zij zullen ook denzelven, en al zijn gereedschap, in een deksel van dassenvellen doen, en zullen hem op den draagboom leggen.11En over het gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen deszelfs handbomen aanleggen.12Zij zullen ook nemen alle gereedschap van den dienst, met hetwelk zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van hemelsblauw, en zullen hetzelve met een deksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen het op den draagboom leggen.13En zij zullen de as van het altaar vegen, en zij zullen daarover een kleed van purper uitspreiden.14En zij zullen daarop leggen al zijn gereedschap, waarmede zij aan hetzelve dienen, de koolpannen, de krauwelen, en de schoffelen, en de sprengbekkens, al het gereedschap des altaars; en zij zullen daarover een deksel van dassenvellen uitspreiden, en zullen deszelfs handbomen aanleggen.15Als nu Aaron en zijn zonen, het dekken van het heiligdom, en van alle gereedschap des heiligdoms, in het optrekken des legers, zullen voleind hebben, zo zullen daarna de zonen van Kahath komen om te dragen; maar zij zullen dat heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last der zonen van Kahath, in de tent der samenkomst.

De plichten van de Kehathieten, de Gersonieten en de Merárieten waren verschillend; toch stonden ze allemaal in verbinding met de tabernakel. Zij moesten haar voor elke tocht door de woestijn afbreken, transporteren en weer opbouwen.

Er is "verscheidenheid der bedieningen" (1 Korinthe 12 vers 5), maar ze staan allemaal in verbinding met de Heere Jezus. Iedere gelovige heeft daadwerkelijk dezelfde opdracht om op zijn weg door de wereld Christus te openbaren en Zijn verschillende heerlijkheden tentoon te spreiden. De knechten van de Heere dragen de verantwoordelijkheid om, in woord en werk, de christelijke leer ongeschonden en in ere te houden.

De meeste voorwerpen waren op de reis door de woestijn onder een onopvallend kleed van dassenvellen bedekt. Dit herinnert ons eraan dat de gelovigen hun 'schat' — Christus — "in aarden vaten" bezitten (2 Korinthe 4 vers 7).

Een uitzondering hierop vormde de ark waarover nog een kleed van hemelsblauw purper werd gelegd. Dat is een symbool van het hemelse karakter van onze Heere hier op aarde.

De kandelaar werd op een draagboom gelegd, zodat iedereen hem kon zien. Dat spreekt ons van een duidelijk getuigenis voor de wereld van Hem Die het licht is.

Het gouden altaar onder een kleed van rood purper (vers 13) herinnert de verlosten tijdens hun wandel door de wereld steeds aan het lijden van Christus en "de heerlijkheid daarna".

Numberi 4:16-33
16Het opzicht nu van Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, zal zijn over de olie des luchters, en het reukwerk der welriekende specerijen, en het gedurig spijsoffer, en de zalfolie; het opzicht des gansen tabernakels, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap.17En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:18Gij zult den stam van de geslachten der Kahathieten niet laten uitgeroeid worden, uit het midden der Levieten;19Maar dit zult gij hun doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij tot de heiligheid der heiligheden toetreden zullen: Aaron en zijn zonen zullen komen, en stellen hen een ieder over zijn dienst en aan zijn last.20Doch zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt, opdat zij niet sterven.21En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:22Neem ook op de som der zonen van Gerson, naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten.23Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt om den strijd te strijden, opdat hij den dienst bediene in de tent der samenkomst.24Dit zal zijn de dienst der geslachten van de Gersonieten, in het dienen en in den last.25Zij zullen dan dragen de gordijnen des tabernakels, en de tent der samenkomst; te weten haar deksel, en het dassendeksel, dat er bovenop is, en het deksel der deur van de tent der samenkomst,26En de behangselen des voorhofs, en het deksel der deur van de poort des voorhofs, hetwelk is bij den tabernakel en bij het altaar rondom; en hun zelen, en al het gereedschap van hun dienst, mitsgaders al wat daarvoor bereid wordt, opdat zij dienen.27De gehele dienst van de zonen der Gersonieten, in al hun last, en in al hun dienst, zal zijn naar het bevel van Aaron en van zijn zonen; en gijlieden zult hun ter bewaring al hun last bevelen.28Dit is de dienst van de geslachten der zonen van de Gersonieten, in de tent der samenkomst; en hun wacht zal zijn onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester.29Aangaande de zonen van Merari, die zult gij naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen tellen.30Gij zult hen tellen van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkomt tot dezen strijd, om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst.31Dit zal nu zijn de onderhouding van hun last, naar al hun dienst, in de tent der samenkomst: de berderen des tabernakels, en zijn richelen, en zijn pilaren, en zijn voeten;32Mitsgaders de pilaren des voorhofs rondom, hun voeten, en hun pennen, en hun zelen, met al hun gereedschap, en met al hun dienst; en het gereedschap van de waarneming van hun last zult gij bij namen tellen.33Dit is de dienst van de geslachten der zonen van Merari, naar hun gansen dienst, in de tent der samenkomst, onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester.

Men kan de opdrachten die de drie Levitische families moesten vervullen, vergelijken met de drie hoofdzaken van de diensten die in de gemeente uitgeoefend worden: de dienst van profeten, van herders en van leraars (vergelijk Efeze 4 vers 11 en 1 Korinthe 14).

De éne familie stelt Christus voor met betrekking tot de behoeften tijdens de woestijnreis (de Kehathieten: profeten). De andere waakt over de gordijnen, bedekkingen en de behangsels, met andere woorden, over het praktische getuigenis van de gemeente (de Gersonieten: herders). En de derde familie is tenslotte verantwoordelijk voor de eigenlijke bouw, de grondbeginselen van de waarheid (de Merárieten: leraars).

Om de bouw te voltooien, was samenwerking tussen alle drie families noodzakelijk. Een Kehathiet mocht de ark dragen, terwijl een Meráriet misschien alleen maar een paar touwen vast mocht maken. Voor de Heere is noch de belangrijkheid, noch de schijnbare waarde van een bepaald werk doorslaggevend. Voor Hem telt alleen de trouw (1 Korinthe 4 vers 2). De knechten in Mattheüs 25 (vers 20 tot en met 23) konden met twee en met vijf talenten trouw zijn en daarom over veel gezet worden.

Laten we ervoor oppassen, de dienst van een ander gering te achten, of omgekeerd, er jaloers op te zijn! Wie zijn wij dat wij "de huisknecht van een ander" oordelen? (Romeinen 14 vers 4). Het komt alleen de ware Aäron toe, "een ieder over zijn dienst en aan zijn last te stellen" (vers 19). Dat was een geweldige zekerheid voor de Leviet! Geleid door de priester, wist hij wat hij moest doen en hoe hij dat moest doen.

Numberi 4:34-49
34Mozes dan en Aaron, en de oversten der vergadering telden de zonen der Kahathieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen:35Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;36Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, twee duizend zevenhonderd en vijftig.37Dit zijn de getelden van de geslachten der Kahathieten, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.38Insgelijks de getelden der zonen van Gerson, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen;39Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;40Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.41Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Gerson, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron telden, naar het bevel des HEEREN.42En de getelden van de geslachten der zonen van Merari, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen,43Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de tent der samenkomst;44Hun getelden nu waren, naar hun geslachten, drie duizend en tweehonderd.45Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Merari, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.46Al de getelden, welke Mozes en Aaron, en de oversten van Israel geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen,47Van dertig jaren oud en daarboven, tot vijftig jaren oud, al wie inkwam, om den dienst der bediening en den dienst van den last, in de tent der samenkomst, te bedienen;48Hun getelden waren acht duizend vijfhonderd en tachtig.49Men telde hen, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes, een ieder naar zijn dienst, en naar zijn last; en zijn getelden waren, die de HEERE Mozes geboden had.

Bij de eerste telling van de Levieten in hoofdstuk 3 ging het om allen van het mannelijk geslacht, "van een maand oud en daarboven" (vers 15). Bij de tweede telling in dit hoofdstuk gaat het om de mannen tussen de dertig en vijftig jaar (vers 35).

De Heere verwacht van ons dat we Hem de beste tijd van ons leven geven. Daarbij gaat het niet zozeer om de leeftijd, maar om de geestelijke rijpheid, dat is de vrucht van opgedane ervaringen. Een jonge christen die "in het minste" getrouw geweest is, zal door de Heere bij Zijn komst veel toevertrouwd kunnen worden (Lukas 16 vers 10).

Er werden 8580 Levieten in de juiste leeftijd geteld om de dienst te doen. Met het oog op de grootte en het gewicht van de tabernakel werd niemand te zwaar belast. De één kon de ander aflossen.

Waarom moet de Heere dan verdrietig vaststellen dat er voor Zijn oogst te weinig arbeiders zijn (Mattheüs 9 vers 37)? Omdat er helaas velen zijn die "hun hals niet bogen onder de dienst van hun Heere" (Nehemia 3 vers 5). Een heel triest feit dat tot het hart van ieder van ons persoonlijk zou moeten spreken!

De telling van de Levieten was afgelopen en iedereen kreeg een opdracht, "naar zijn dienst, en naar zijn last" (vers 49). De woorden 'dienst' en 'last' herinneren ons eraan dat niemand de Heere en de Zijnen kan dienen zonder in geestelijk opzicht de grootte van de verantwoordelijkheid en de last van de zorgen te voelen (2 Korinthe 11 vers 28).

Numberi 5:1-31
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:2Gebied den kinderen Israels, dat zij uit het leger wegzenden alle melaatsen, en alle vloeienden, en allen, die onrein zijn van een dode.3Van het mannelijke tot het vrouwelijke zult gij hen wegzenden; tot buiten het leger zult gij hen wegzenden; opdat zij niet verontreinigen hun legers, in welker midden Ik wone.4En de kinderen Israels deden alzo, en zonden hen tot buiten het leger; gelijk de HEERE tot Mozes gesproken had, alzo deden de kinderen Israels.5Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:6Spreek tot de kinderen Israels: wanneer een man of een vrouw iets van enige menselijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen den HEERE, zo is diezelve ziel schuldig.7En zij zullen hun zonde, welke zij gedaan hebben, belijden; daarna zal hij zijn schuld weder uitkeren, naar de hoofdsom daarvan, en derzelver vijfde deel zal hij daarboven toedoen, en zal het dien geven, aan wien hij zich verschuldigd heeft.8Maar zo die man geen losser zal hebben, om de schuld aan hem weder uit te keren, zal die schuld, welken den HEERE weder uitgekeerd wordt, des priesters zijn; behalve den ram der verzoening, met welken hij voor hem verzoening doen zal.9Desgelijks zal alle heffing van alle geheiligde dingen der kinderen Israels, welke zij tot den priester brengen, zijne zijn.10En een ieders geheiligde dingen zullen zijne zijn; wat iemand den priester zal gegeven hebben, zal zijne zijn.11Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:12Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijn huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben;13Dat een man bij haar door bijligging des zaads zal gelegen hebben, en het voor de ogen haars mans zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde nochtans onrein geworden; en geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is;14En de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijn huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is; of dat over hem de ijvergeest gekomen is, dat hij over zijn huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is;15Dan zal die man zijn huisvrouw tot den priester brengen, en zal haar offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van een efa gerstemeel; hij zal geen olie daarop gieten, noch wierook daarop leggen, dewijl het een spijsoffer der ijveringen is, een spijsoffer der gedachtenis, dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt.16En de priester zal haar doen naderen; hij zal haar stellen voor het aangezicht des HEEREN.17En de priester zal heilig water in een aarden vat nemen; en van het stof, hetwelk op den vloer des tabernakels is, zal de priester nemen, en in het water doen.18Daarna zal de priester de vrouw voor het aangezicht des HEEREN stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontbloten, en zal het spijsoffer der gedachtenis op haar handen leggen, hetwelk het spijsoffer der ijveringen is; en in de hand des priesters zal dat bitter water zijn, hetwelk den vloek medebrengt.19En de priester zal haar beedigen, en zal tot die vrouw zeggen: Indien iemand bij u gelegen heeft, en indien gij, onder uw man zijnde, niet afgeweken zijt tot onreinigheid, wees vrij van dit bitter water, hetwelk den vloek medebrengt!20Maar zo gij, onder uw man zijnde, afgeweken zijt, en zo gij onrein geworden zijt, dat een man bij u gelegen heeft, behalve uw man:21(Dan zal de priester die vrouw met den eed der vervloeking beedigen, en de priester zal tot die vrouw zeggen:) De HEERE zette u tot een vloek, en tot een eed, in het midden uws volks, mits dat de HEERE uw heup vervallende, en uw buik zwellende make;22Dat ditzelve water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om den buik te doen zwellen, en de heup te doen vervallen! Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen!23Daarna zal de priester deze zelfde vloeken op een cedeltje schrijven, en hij zal het met het bitter water uitdoen.24En hij zal die vrouw dat bitter water, hetwelk de vervloeking medebrengt, te drinken geven, dat het water, hetwelk de vervloeking medebrengt, in haar tot bitterheden inga.25En de priester zal uit de hand van die vrouw het spijsoffer der ijveringen nemen, en hij zal datzelve spijsoffer voor het aangezicht des HEEREN bewegen, en zal dat op het altaar offeren.26De priester zal ook van dat spijsoffer, deszelfs gedenkoffer, een handvol grijpen, en zal het op het altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven.27Als hij haar nu dat water zal te drinken gegeven hebben, het zal geschieden, indien zij onrein geworden is, en tegen haar man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water, hetwelk vervloeking medebrengt, tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen, en haar heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden van haar volk tot een vloek zijn.28Doch indien de vrouw niet onrein geworden is, maar rein is, zo zal zij vrij zijn, en zal met zaad bezadigd worden.29Dit is de wet der ijveringen, als een vrouw, onder haar man zijnde, zal afgeweken en onrein geworden zijn;30Of als over en man die ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijn huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw voor het aangezicht des HEEREN stelle, en de priester aan haar deze ganse wet volbrenge.31En de man zal van de ongerechtigheid onschuldig zijn; maar diezelve vrouw zal haar ongerechtigheid dragen.

Het tentenkamp van Israël moest van elke ongerechtigheid gereinigd blijven. En wel om een heel belangrijke reden: de HEERE woonde daar (vers 3).

Dezelfde reden voert de apostel aan als hij elk kind van God oproept zich rein te bewaren, want zijn lichaam is een tempel van de Heilige Geest (1 Korinthe 6 vers 19). De Israëliet die besmet was met melaatsheid (de zonde) of de vloed (de onbekwaamheid om de uitwerking van het vlees aan banden te leggen), moest tot aan zijn genezing uit de legerplaats verwijderd worden.

Vanaf vers 11 vinden we de wetten voor de proeven van de ijverzucht (jaloersheid). Daardoor wordt een ieder van ons erop gewezen, zichzelf steeds weer zorgvuldig op de proef te stellen. Is Christus alleen het Voorwerp van onze genegenheden, van ons hart?

Als we de wereld liefkrijgen, kent Gods Woord daarvoor maar één vreselijk woord: overspel! Ook al lijkt bij ons uiterlijk alles in orde, toch zijn we dan vijanden van God en verloochenen we onze Heere (Jakobus 4 vers 4; 1 Korinthe 10 vers 22).

Wij moeten ons dan "voor het aangezicht des HEEREN" stellen, zoals de verdachte vrouw voor de priester gebracht werd. Dan moeten we het Woord van God ("heilig water") laten doordringen in ons geweten, om daardoor onze diepste, verborgen gevoelens aan het licht te laten brengen.

"Doorgrond mij, o God!" — bad de psalmist — "en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg" (Psalm 139 vers 23 en 24).

Numberi 6:1-12
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer een man of een vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireers, om zich den HEERE af te zonderen;3Van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen; wijnedik, en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch enige vochtigheid van druiven zal hij drinken, noch verse of gedroogde druiven eten.4Al de dagen van zijn Nazireerschap zal hij niet eten van iets, dat van den wijnstok des wijns gemaakt is, van de kernen af tot de basten toe.5Al de dagen der gelofte van zijn Nazireerschap zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich den HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds wassen.6Al de dagen, die hij zich de HEERE zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam eens doden niet gaan.7Om zijn vader of om zijn moeder, om zijn broeder of om zijn zuster, om hen zal hij zich niet verontreinigen, als zij dood zijn; want het Nazireerschap zijns Gods is op zijn hoofd.8Al de dagen van zijn Nazireerschap is hij den HEERE heilig.9En zo de gestorvene bij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware, dat hij het hoofd van zijn Nazireerschap zou verontreinigd hebben, zo zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd bescheren; op den zevenden dag zal hij het bescheren.10En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven, of twee jonge duiven brengen tot den priester, tot de deur van de tent der samenkomst.11De priester nu zal een bereiden ten zondoffer, en een ten brandoffer, en zal voor hem verzoening doen, van dat hij aan het dode lichaam gezondigd heeft; alzo zal hij zijn hoofd op dienzelfden dag heiligen.12Daarna zal hij de dagen van zijn Nazireerschap den HEERE afzonderen, en zal een lam, dat eenjarig is, brengen ten schuldoffer; en de vorige dagen zullen vallen, omdat zijn Nazireerschap verontreinigd was.

Naast de Leviet kon elke Israëliet, zowel man als vrouw, uit een andere stam zich aan de HEERE wijden door "de gelofte van een Nazireeër" af te leggen. Maar in tegenstelling tot de wijding van de Leviet was deze wijding persoonlijk en vrijwillig. Men hoefde die gelofte niet te doen! Maar had men het eenmaal gedaan, dan was het gedaan met de vrijheid! Dan was zowel het privéleven als het openbare leven van zo iemand aan strenge regels onderworpen. Iets dergelijks vinden wij ook bij een soldaat. Iemand die vrijwillig in dienst gaat, heeft dezelfde verplichtingen als de dienstplichtige.

De Nazireeër moest aan drie voorwaarden voldoen:

hij mocht geen gebruik maken van de vrucht van de wijnstok, een beeld van de vreugden van de wereld;

hij moest zijn haar laten groeien, zichzelf verloochenen, (dat laatste zou eigenlijk elke volgeling van Christus moeten kenmerken!);

hij moest elk contact met de dood, het loon en het bewijs van de zonde, vermijden.

In principe draagt elk kind van God dit drievoudige karakter. Elke gelovige is gestorven voor (a) de wereld, (b) z'n eigen ik en (c) de zonde . Dat wil zeggen: Hij zou daar niets meer mee te maken moeten hebben; voor die dingen moet hij zich als het ware dood houden. Om de kracht te hebben, deze moeilijke en tegen de menselijke natuur ingaande positie te verwerkelijken, moet de afzondering voor de Heere voortkomen uit een blij en vastbesloten hart.

De verzen 9 tot en met 12 laten zien hoe snel we door gebrek aan waakzaamheid het karakter van een Nazireeër kunnen verliezen. En wat is het dan moeilijk om dat weer terug te krijgen!

Numberi 6:13-27
13En dit is de wet des Nazireers: op den dag, als de dagen van zijn Nazireerschap zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de tent der samenkomst.14Hij dan zal tot zijn offerande den HEERE offeren een volkomen eenjarig lam ten brandoffer, en een volkomen eenjarig ooilam ten zondoffer, en een volkomen ram ten dankoffer.15En een korf ongezuurde koeken, koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde vladen, met olie bestreken, mitsgaders hun spijsoffer, en hun drankofferen;16En de priester zal het voor het aangezicht des HEEREN brengen, en zal zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden.17Hij zal ook den ram ten dankoffer den HEERE bereiden, met den korf der ongezuurde koeken; en de priester zal zijn spijsoffer en zijn drankoffer bereiden.18Alsdan zal de Nazireer, aan de deur van de tent der samenkomst, het hoofd van zijn Nazireerschap bescheren; en hij zal het hoofdhaar van zijn Nazireerschap nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is.19Daarna zal de priester een gezoden schouder nemen van den ram, en een ongezuurden koek uit den korf, en een ongezuurde vlade; en hij zal ze op de handen des Nazireers leggen, nadat hij zijn Nazireerschap afgeschoren heeft.20En de priester zal die bewegen ten beweegoffer, voor het aan gezicht des HEEREN; het is een heilig ding voor den priester, met de borst des beweegoffers, en met den schouder des hefoffers; en daarna zal die Nazireer wijn drinken.21Dit is de wet des Nazireers, die zijn offerande den HEERE voor zijn Nazireerschap zal beloofd hebben, behalve wat zijn hand bekomen zal; naar zijn gelofte, welke hij beloofd zal hebben, alzo zal hij doen, naar de wet van zijn Nazireerschap.22En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:23Spreek tot Aaron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen:24De HEERE zegene u, en behoede u!25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten, en zij u genadig!26De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede!27Alzo zullen zij Mijn Naam op de kinderen Israels leggen; en Ik zal hen zegenen.

De Schrift maakt melding van enkele Nazireeërs: Simson, Samuël, Amásia (2 Kronieken 17 vers 16), Johannes de Doper. Maar de Nazireeër in de ware zin van het woord was de Heere Jezus.

Al van vóór Zijn geboorte afgezonderd voor God en al op twaalfjarige leeftijd met de dingen van Zijn Vader bezig, was Zijn toewijding aan God, tot en met Zijn dood aan het kruis, volmaakt. Wel in de wereld gekomen, maar niet van de wereld zijnde, had Hij geen deel aan haar feesten en vreugden (Johannes 7 vers 8; 17 vers 14). Nooit hebben familiebanden Zijn dienst kunnen beïnvloeden (Lukas 8 vers 20 en 21). Hij bleef steeds in afhankelijkheid van Zijn Vader (Johannes 5 vers 19). Niets kon Hem verontreinigen (1 Petrus 2 vers 22).

Wat is de Heere voor ons toch een voorbeeld van volledige overgave gedurende Zijn hele weg hier op aarde! En aan het einde van die moeilijke weg wachtte Hem een heilige vreugde die Hij met allen wil delen die hier Zijn smaadheid droegen (vers 20 b; Hebreeën 12 vers 2; Mattheüs 26 vers 29 en 25 vers 21).

Aan het einde van de dagen van zijn wijding bracht de Nazireeër alle offers. Wie hier samen met de volmaakte Nazireeër Diens plaats heeft ingenomen, zal inderdaad ook bekend worden gemaakt met de verschillende zijden van Zijn werk op het kruis.

De verzen 22 tot en met 27 bekronen als het ware dit hoofdstuk. Het is net alsof ons daardoor duidelijk wordt gemaakt dat de weg van afzondering voor de Heere de meest zekere weg is om gezegend te worden.

Numberi 7:1-17; 84-88
1En het geschiedde ten dage, als Mozes geeindigd had den tabernakel op te richten, en dat hij dien gezalfd, en dien geheiligd had, en al zijn gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd, en dezelve geheiligd had;2Dat de oversten van Israel, de hoofden van het huis hunner vaderen, offerden; deze waren de oversten der stammen, die over de getelden stonden.3En zij brachten hun offerande voor het aangezicht des HEEREN, zes overdekte wagens, en twaalf runderen; een wagen voor twee oversten, en een os voor elk een; en brachten ze voor den tabernakel.4En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:5Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen den dienst van de tent der samenkomst; en gij zult dezelve den Levieten geven, een ieder naar zijn dienst.6Alzo nam Mozes die wagens, en die runderen, en gaf dezelve den Levieten.7Twee wagens en vier runderen gaf hij den zonen van Gerson, naar hun dienst;8En vier wagens en acht runderen gaf hij den zonen van Merari, naar hun dienst; onder de hand van Ithamar, den zoon van Aaron, den priester.9Maar de zonen van Kohath gaf hij niet; want de dienst der heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen.10En de oversten offerden ter inwijding des altaars, op den dag als hetzelve gezalfd werd; de oversten dan offerden hun offeranden voor het altaar.11En de HEERE zeide tot Mozes: Elke overste zal, een iegelijk op zijn dag, zijn offerande offeren, ter inwijding des altaars.12Die nu op den eersten dag zijn offerande offerde, was Nahesson, de zoon van Amminadab, voor den stam van Juda.13En zijn offerande was: een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen; een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;14Een reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerks;15Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;16Een geitenbok, ten zondoffer;17En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Nahesson, den zoon van Amminadab.
84Dit was de inwijding des altaars van de oversten van Israel, op den dag als hetzelve gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen.85Een zilveren schotel was van honderd dertig sikkelen, en een sprengbekken van zeventig; al het zilver van de vaten was twee duizend en vierhonderd sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.86Twaalf gouden reukschalen van reukwerks; elke reukschaal was van tien sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; al het goud der reukschalen was honderd en twintig sikkelen.87Al de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbokken ten zondoffer.88En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig varren, de rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was.

Dit lange hoofdstuk is gewijd aan de offeranden van de twaalf stamhoofden, de oversten van Israël.

De zes overdekte wagens en twaalf runderen waren voor de Levieten bestemd. Zij spreken ons van de praktische hulp die we aan dienstknechten van de Heere mogen geven, om hun dienst te verlichten: gastvrijheid, reismogelijkheden en allerlei andere dingen waardoor hun taak vergemakkelijkt wordt. Deze offers werden aan de Levieten "een ieder naar zijn dienst" gegeven (vers 5). Dit herinnert ons eraan dat de Heere de Zijnen altijd van de middelen voorziet die zij nodig hebben om de opdracht uit te voeren die Hij hun heeft toevertrouwd.

Dan komen de offers "ter inwijding van het altaar". De broeders te dienen en hen alleen in materieel opzicht te helpen, is niet voldoende. De tot de rand toe gevulde schotels en schalen met hun inhoud spreken van de dienst van ware aanbidders. Zij brengen alle volmaaktheden en de welriekende reuk van Christus voor God. Ook de verschillende offers behoren daartoe en laten ons aan de veelvuldige zijden van het werk op het kruis denken.

Waarom schenkt God toch zoveel aandacht aan deze offers? Ze hadden immers ook veel korter beschreven kunnen worden? Hij wil ons daarmee duidelijk maken dat Mies wat ieder persoonlijk brengt, voor Hem van grote waarde is, en dat Hij niets vergeet van wat wij voor Hem gedaan hebben. Laten we daarom niet bang zijn in herhaling te vervallen, maar er juist aan denken dat de Vader nooit moe wordt van het luisteren naar onze opsomming van de heerlijkheden van Zijn Geliefde!

Numberi 7:89; Numberi 8:1-14
89En als Mozes in de tent der samenkomst ging, om met Hem te spreken, zo hoorde hij een stem tot hem sprekende, van boven het verzoendeksel, hetwelk is op de ark der getuigenis, van tussen de twee cherubim. Alzo sprak Hij tot hem.
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:2Spreek tot Aaron, en zeg tot hem: Als gij de lampen aansteken zult, recht tegenover den kandelaar zullen de zeven lampen lichten.3En Aaron deed alzo: tegenover vooraan den kandelaar stak hij deszelfs lampen aan;4Dit werk nu des kandelaars was van dicht goud, tot zijn schacht, tot zijn bloemen was het dicht; naar de gedaante, die de HEERE Mozes vertoond had, alzo had hij den kandelaar gemaakt.5En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:6Neem de Levieten uit het midden van de kinderen Israels, en reinig hen.7En aldus zult gij hun doen, om hen te reinigen: spreng op hen water der ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun ganse vlees doen gaan, en zij zullen hun klederen wassen, en zich reinigen.8Daarna zullen zij nemen een var, een jong rund, met zijn spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; en een anderen var, een jong rund, zult gij nemen ten zondoffer.9En gij zult de Levieten voor de tent der samenkomst doen naderen; en gij zult de gehele vergadering der kinderen Israels doen verzamelen.10Ja, gij zult de Levieten voor het aangezicht des HEEREN doen naderen; en de kinderen Israels zullen hun handen op de Levieten leggen.11En Aaron zal de Levieten bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN, vanwege de kinderen Israels; opdat zij zijn, om den dienst des HEEREN te bedienen.12En de Levieten zullen hun handen op het hoofd der varren leggen; daarna bereidt gij een ten zondoffer, en een ten brandoffer den HEERE, om over de Levieten verzoening te doen.13En gij zult de Levieten stellen voor het aangezicht van Aaron, en voor het aangezicht van zijn zonen, en gij zult hen bewegen ten beweegoffer den HEERE.14En gij zult de Levieten uit het midden van de kinderen Israels uitscheiden, opdat de Levieten Mijn zijn.

Vers 89 verraadt ons het geheim van "Mozes, de man Gods" (Psalm 90 vers 1). Het is het gebed.

We zien hoe hij zich, neergebukt onder de last van de verantwoordelijkheid en gekweld door het constante gemopper van het volk, alleen terugtrekt in de donkerheid en stilte van het heiligdom om daar te spreken met God. God hoorde zijn stem en sprak tot hem. Daarbij mogen we denken aan de Heere Jezus, hoe Hij Zich — ver vóór het aanbreken van de dag of 's avonds ná alle dagelijks bezigheden —alleen terugtrok in de eenzaamheid om te bidden (Markus 1 vers 35 en 6 vers 46).

Waarom is er aan het begin van hoofdstuk 8 — dus tussen de offeranden van hoofdstuk 7 en de inwijding van de Levieten in de volgende verzen — weer sprake van de kandelaar? Moet dat ons er niet op wijzen dat het Goddelijke licht zowel de gave alsook de persoon die het brengt, belicht en beoordeelt? Het gaat niet alleen om de dienst, maar ook om degene die de dienst doet!

God weet wat onze toewijding aan Hem waard is, want daarvan spreekt de gang van zaken bij deze inwijding. We zien dat de Levieten door Aäron als een beweegoffer gebracht worden om zo het Goddelijke licht als het ware van alle kanten op hen te laten schijnen. Op die manier bleef er niets in de schaduw verborgen. Al zat er ook maar één heel klein vlekje op hun klèding, het zou direct zichtbaar zijn.

Daarom is het voor ons ook zo belangrijk om altijd voor het aangezicht van God te staan om Hem te kunnen dienen (zie bijvoorbeeld 1 Koningen 17 vers 1).

Numberi 8:15-26
15En daarna zullen de Levieten inkomen, om de tent der samenkomst te bedienen; en gij zult hen reinigen, en zult hen ten beweegoffer bewegen.16Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen Israels; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israels, heb Ik ze Mij genomen.17Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israels is Mijn, onder de mensen en onder de beesten; ten dage dat Ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb Ik dezelve Mij geheiligd.18En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels.19En Ik heb de Levieten aan Aaron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de kinderen Israels, om den dienst van de kinderen Israels in de tent der samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israels verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de kinderen Israels, als de kinderen Israels tot het heiligdom naderen zouden.20En Mozes deed, en Aaron, en de ganse vergadering der kinderen Israels, aan de Levieten, naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de kinderen Israels aan hen.21En de Levieten ontzondigden zich, en wiesen hun klederen, en Aaron bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht des HEEREN; en Aaron deed verzoening over hen, om hen te reinigen.22En daarna kwamen de Levieten, om hun dienst te bedienen in de tent der samenkomst, voor het aangezicht van Aaron, en voor het aangezicht zijner zonen; gelijk als de HEERE Mozes van de Levieten geboden had, alzo deden zij aan hen.23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:24Dit is het, wat de Levieten aangaat: van vijf en twintig jaren oud en daarboven, zullen zij inkomen, om den strijd te strijden, in den dienst van de tent der samenkomst.25Maar van dat hij vijftig jaren oud is, zal hij van den strijd van dezen dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen.26Doch hij zal met zijn broederen dienen in de tent der samenkomst, om de wacht waar te nemen; maar den dienst zal hij niet bedienen. Alzo zult gij aan de Levieten doen in hun wachten.

Voordat de Levieten als een beweegoffer gebracht werden, moesten voor henzelf offers gebracht worden om hen te reinigen. Ze lieten het scheermes over hun hele vlees gaan en wasten hun kleren (vers 7).

Deze handelingen zijn we ook al tegengekomen bij de inwijding van de priesters en bij de reiniging van de melaatse. Het is geen beeld van de bekering, maar van het werk van de Heilige Geest, door het Woord van God, om de gelovigen rein te bewaren.

Het scheermes spreekt van zelfoordeel dat wij moeten uitoefenen over alles wat uit het vlees kan voortkomen. Vooral een dienstknecht van de Heere kan gauw hoogmoedig worden als het scheermes niet toepast wordt om hem nederig te houden.

Zoals wij het niet fijn vinden om vieze kleren aan te trekken als wij ons gewassen hebben, hebben wij om de Heere te kunnen dienen, niet alleen een goed geweten nodig, maar moet ook onze houding naar buiten toe geen aanstoot geven.

"Daarna" pas kon de Leviet zijn dienst doen (vers 22). Dat is een heel belangrijke les! Wat voor werk je ook gaat doen, je hebt altijd een periode nodig om het te leren en je erop voor te bereiden. Dat is voor een dienst voor de Heere nog veel meer noodzakelijk!

Laten we de Heere het werk dat Hij in genade aan ons wil volbrengen, eerst laten voleindigen, voordat wij overhaast aan een werk voor Hem beginnen.

Numberi 9:1-14
1En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, in het tweede jaar, nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, in de eerste maand, zeggende:2Dat de kinderen Israels het pascha houden zouden, op zijn gezetten tijd.3Op den veertienden dag in deze maand, tussen twee avonden zult gij dat houden, op zijn gezetten tijd; naar al zijn inzettingen, en naar al zijn rechten zult gij dat houden.4Mozes dan sprak tot de kinderen Israels, dat zij het pascha zouden houden.5En zij hielden het pascha op den veertienden dag der eerste maand, tussen de twee avonden, in de woestijn van Sinai; naar alles wat de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de kinderen Israels.6Toen waren er lieden geweest, die over het dode lichaam eens mensen onrein waren, en op denzelven dag het pascha niet hadden kunnen houden; daarom naderden zij voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Aaron op dienzelven dag.7En diezelve lieden zeiden tot hem: Wij zijn onrein over het dode lichaam eens mensen; waarom zouden wij verkort worden, dat wij de offerande des HEEREN op zijn gezetten tijd niet zouden offeren, in het midden van de kinderen Israels?8En Mozes zeide tot hen: Blijft staande, dat ik hoor, wat de HEERE u gebieden zal.9Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:10Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer iemand onder u, of onder uw geslachten, over een dood lichaam onrein, of op een verren weg zal zijn, hij zal dan nog den HEERE het pascha houden.11In de tweede maand, op den veertienden dag, tussen de twee avonden, zullen zij dat houden; met ongezuurde broden en bittere saus zullen zij dat eten.12Zij zullen daarvan niet overlaten tot den morgen, en zullen daaraan geen been breken; naar alle inzetting van het pascha zullen zij dat houden.13Als een man, die rein is, en op den weg niet is, en nalaten zal het pascha te houden, zo zal diezelve ziel uit haar volken uitgeroeid worden; want hij heeft de offerande des HEEREN op zijn gezetten tijd niet geofferd, diezelve man zal zijn zonde dragen.14En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het pascha den HEERE ook houden zal, naar de inzetting van het pascha, en naar zijn wijze, alzo zal hij het houden; het zal enerlei inzetting voor ulieden zijn, beiden den vreemdeling en den inboorling des lands.

Sinds de dag van de uittocht uit Egypte was er een jaar voorbijgegaan. En de HEERE geeft Mozes nu aanwijzingen hoe deze dag herdacht moet worden.

De christenheid herdenkt jaarlijks de geboorte en het sterven van de Heiland, maar velen denken daar dan tot het volgende jaar niet meer aan. De verlosten van de Heere hebben het voorrecht om elke eerste dag van de week gemeenschappelijk aan Zijn lijden en sterven te denken, door deel te nemen aan het gedachtenismaal dat Hij Zelf heeft ingesteld.

God gaf in Zijn genade aan allen in Israël die onrein of op reis waren, een uitweg. De Heere kent de omstandigheden van de Zijnen en komt hen in Zijn erbarmen tegemoet, hoewel Hij niets verandert aan Zijn eigen maatstaf.

Als iemand verhinderd was het Pascha normaal in de eerste maand te vieren, mocht het feest ook in de tweede maand gevierd worden, maar ook dan naar alle inzettingen voor het Pascha (vers 12).

Zoals hier het belijden van onreinheid nodig was (vers 7), roept het Woord de gelovige op zichzelf te beproeven en te oordelen, vóórdat hij aan het avondmaal deelneemt (1 Korinthe 11 vers 28).

Er is geen sprake van dwang, zodat we bang zouden moeten zijn voor straf als we niet deelnemen, zoals toen bij het Pascha (vers 13). Maar heeft daarom het verlangen van de Heere minder invloed op het hart van Zijn verloste? Zou het niet heel ernstig zijn als wij, met de uitvlucht dat het geen plicht is, weg zouden blijven, hoewel de Heere gezegd heeft: "Drinkt allen daaruit" (Mattheüs 26 vers 27)?

Numberi 9:15-23; Numberi 10:1-10
15En op den dag van het oprichten des tabernakels bedekte de wolk den tabernakel, op de tent der getuigenis; en in den avond was over den tabernakel als een gedaante des vuurs, tot aan den morgen.16Alzo geschiedde het geduriglijk; de wolk bedekte denzelven, en des nachts was er een gedaante des vuurs.17Maar nadat de wolk opgeheven werd van boven de tent, zo verreisden ook daarna de kinderen Israels; en in de plaats, waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israels.18Naar den mond des HEEREN, verreisden de kinderen Israels, en naar des HEEREN mond legerden zij zich; al de dagen, in dewelke de wolk over den tabernakel bleef, legerden zij zich.19En als de wolk vele dagen over den tabernakel verbleef, zo namen de kinderen Israels de wacht des HEEREN waar, en verreisden niet.20Als het nu was, dat de wolk weinige dagen op den tabernakel was, naar den mond des HEEREN legerden zij zich, en naar den mond des HEEREN verreisden zij.21Maar was het, dat de wolk van den avond tot den morgen daar was, en de wolk in den morgen opgeheven werd, zo verreisden zij; of des daags, of des nachts, als de wolk opgeheven werd, zo verreisden zij.22Of als de wolk twee dagen, of een maand, of vele dagen vertoog op den tabernakel, blijvende daarop, zo legerden zich de kinderen Israels, en verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij.23Naar den mond des HEEREN legerden zij zich, en naar den mond des HEEREN verreisden zij; zij namen de wacht des HEEREN waar, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Maak u twee zilveren trompetten; van dicht werk zult gij ze maken; en zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering, en tot den optocht der legers.3Als zij met dezelve blazen zullen, dan zal de gehele vergadering tot u vergaderd worden, aan de deur van de tent der samenkomst.4Maar als zij met de ene zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden van Israel.5Als gij met een gebroken geklank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het oosten gelegerd zijn, optrekken.6Maar als gij ten tweeden male met een gebroken klank blazen zult, zullen de legers, die tegen het zuiden legeren, optrekken; met een gebroken klank zullen zij blazen tot hun optochten.7Maar in het verzamelen van de gemeente, zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken.8En de zonen van Aaron, de priesters, zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot een eeuwige inzetting bij uw geslachten.9En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken klank maken; zo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en gij zult van uw vijanden verlost worden.10Desgelijks ten dage uwer vrolijkheid, en in uw gezette hoogtijden, en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uw brandofferen, en over uw dankofferen; en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods; Ik ben de HEERE, uw God!

De Israëlieten hadden niets te vertellen over de verschillende etappes van hun woestijnreis. Ieder opbreken, elke rustpauze gebeurde "naar de mond des HEEREN".

Verhief de wolk zich, dan moesten ze opbreken, ook al waren ze nog maar nauwelijks gearriveerd en beviel die plek hen juist zo goed. Bleef de wolk daarentegen op de tabernakel rusten, dan moest men het tentenkamp opbouwen en mocht men niet verder trekken.

Kon men dan geen enkele dag zonder deze Goddelijke leiding? Absoluut niet! Die leiding was zowel voor een lange tijd als voor een enkele dag nodig. Zowel voor het rusten als voor het opbreken, zowel voor de nacht als voor de dag. Het is een wonderbaar beeld van de totale afhankelijkheid die de verlosten van de Heere zouden moeten hebben en die Hij ons Zelf op volmaakte wijze heeft voorgeleefd!

Zodra de wil van de HEERE bekend geworden was, weerklonken de zilveren trompetten van de priesters als teken voor de verschillende bewegingen van het volk. Ze weerklonken om te vergaderen (vers 3 en 4), om op te trekken (vers 5 en 6), om te strijden (vers 9), maar ook op gedenken feestdagen (vers 10).

Deze trompetten spreken tot ons van het getuigenis van God, zowel in het samenkomen van de heiligen alsook in hun wandel, in hun strijden en in hun dienst voor God. Laten wij ons te midden van een vijandige wereld niet schamen "voor het getuigenis van onze Heere" (2 Timotheüs 1 vers 8).

Numberi 10:11-36
11En het geschiedde in het tweede jaar, in de tweede maand, op den twintigsten van de maand, dat de wolk verheven werd van boven den tabernakel der getuigenis.12En de kinderen Israels togen op, naar hun tochten, uit de woestijn Sinai; en de wolk bleef in de woestijn Paran.13Alzo togen zij vooreerst op, naar den mond des HEEREN, door de hand van Mozes.14Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hun heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon van Amminadab.15En over het heir van den stam der kinderen van Issaschar was Nethaneel, den zoon van Zuar.16En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.17Toen werd de tabernakel afgenomen, en de zonen van Gerson, en de zonen van Merari togen op, dragende den tabernakel.18Daarna toog de banier van het leger van Ruben, naar hun heiren; en over zijn heir was Elizur, de zoon van Sedeur.19En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.20En over het heir van den stam der kinderen van Gad was Eljasaf, de zoon van Dehuel.21Toen togen op de Kohathieten, dragende het heiligdom; en de anderen richtten den tabernakel op, tegen dat dezen kwamen.22Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.23En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.24En over het heir van den stam der kinderen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.25Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende al de legers, naar hun heiren; en over zijn heir was Ahiezer de zoon van Ammisaddai.26En over het heir van den stam der kinderen van Aser was Pagiel, de zoon van Ochran.27En over het heir van den stam der kinderen van Nafthali was Ahira, de zoon van Enan.28Dit waren de tochten der kinderen Israels, naar hun heiren, als zij reisden.29Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken.30Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.31En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn.32En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.33Zo togen zij drie dagreizen van den berg des HEEREN; en de ark des verbonds des HEEREN reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen een rustplaats uit te speuren.34En de wolk des HEEREN was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.35Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE! en laat Uw vijanden verstrooid worden, en Uw haters van Uw aangezicht vlieden!36En als zij rustte, zeide hij: Kom weder, HEERE! tot de tien duizenden der duizenden van Israel!

Toen de wolk zich verhief, weerklonken de trompetten, verzamelde het volk zich, braken de Levieten de tabernakel af en nam iedereen zijn plaats in de marscolonne in. Vervolgens bliezen de trompetten "een gebroken klank", waarna de stammen zich, in overeenstemming met de aanwijzingen van God, naar hun banieren, in beweging zetten.

Vandaag wachten de christenen op het signaal voor de grote 'aftocht'. De Heere zal "met de bazuin Gods" terugkomen om Zijn gemeente op te halen (1 Thessalonika 4 vers 16). De Zijnen denken nu echter ook steeds aan hen die hier dan op aarde zullen achterblijven. Daarom richten zij zich, samen met de Geest, tot de wereld met de oproep: "Die dorst heeft, kome!" (Openbaring 22 vers 17).

Zo lijkt Mozes ook tegen Hobab te spreken: 'Kom en geniet samen met ons van al het goede dat God aan de Zijnen beloofd heeft' (zie vers 29). Maar waarom vraagt hij hem dan in vers 31 om hulp bij het leiden van het volk door de woestijn? Laten we maar niet te streng over hem oordelen! Hoe vaak vertrouwen wij zelf niet meer op de raad van anderen, in plaats van ons te laten leiden door de Heere?!

Als om ons eraan te herinneren Wie de leden van Gods volk leidt, laat vers 33 ons zien dat de ark van het verbond voorop ging. Dan is het volk immers verzekerd van "een rustplaats"!

De weg van drie dagen die Christus voor ons door de dood is gegaan, opent voor het volk een nieuwe weg op hun tocht naar de hemelse rust.

Numberi 11:1-9
1En het geschiedde, als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de oren des HEEREN; want de HEERE hoorde het, zodat Zijn toorn ontstak, en het vuur des HEEREN onder hen ontbrandde, en verteerde, in het uiterste des legers.2Toen riep het volk tot Mozes; en Mozes bad tot den HEERE; en het vuur werd gedempt.3Daarom noemde hij den naam dier plaats Thab-era, omdat het vuur des HEEREN onder hen gebrand had.4En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?5Wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten; aan de komkommers, en aan de pompoenen, en aan het look, en aan de ajuinen, en aan het knoflook.6Maar nu is onze ziel dor, er is niet met al, behalve dit Man voor onze ogen!7Het Man nu was als korianderzaad, en zijn verf was als de verf van den bedolah.8Het volk liep hier en daar, en verzamelde het, en maalde het met molens, of stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie.9En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder.

In hun ondankbaarheid beklaagt het volk zich en de HEERE tuchtigt het. Maar die les was niet voldoende. De lust die in het tiende gebod van de wet wordt veroordeeld, ontbrandt in de harten van "het vermengde volk" dat samen met de Israëlieten uit Egypte was vertrokken (Exodus 12 vers 38).

'Waar is het voedsel dat wij "om niet" aten in Egypte?' Het arme volk is de tichelstenen en het stro helemaal vergeten, en vooral hoe hoog de prijs was die ze de onderdrukker moesten betalen voor het weinige dat hij hen gaf! De voedingsmiddelen uit Egypte, look, ajuinen, knoflook enzovoorts, hebben een sterke smaak. Ze wekken de eetlust, maar zijn niet voedzaam, ja, soms zelfs onverteerbaar.

Waarmee voeden de mensen van de wereld hun geest? Met tijdschriften, romannetjes, video's enzovoorts, die wel aantrekkingskracht hebben voor het vlees, maar nutteloos zijn voor de ziel, ja, zelfs schadelijk!

Israël denkt nu terug aan dat voedsel, omdat het manna voor hen z'n kostelijke smaak als van "honingkoeken" (Exodus 16 vers 31) verloren heeft! Voor hen smaakt het alleen nog naar "vochtigheid der olie" (vers 8). En later zeggen ze zelfs openlijk: "Onze ziel walgt van dit zeer lichte brood" (Numeri 21 vers 5).

Beste vrienden, als wij ons aangetrokken voelen door het 'voedsel' van de wereld, moeten we onszelf de vraag stellen: 'Komt dat niet, omdat het Woord van God voor mij z'n smaak verloren heeft?'

"Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren", heeft de Heere Jezus beloofd (Johannes 6 vers 35).

Numberi 11:10-23
10Toen hoorde Mozes het volk wenen door hun huisgezinnen, een ieder aan de deur zijner hut; en de toorn des HEEREN ontstak zeer; ook was het kwaad in de ogen van Mozes.11En Mozes zeide tot de HEERE: Waarom hebt Gij aan Uw knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat Gij den last van dit ganse volk op mij legt?12Heb ik dan al dit volk ontvangen? heb ik het gebaard? dat Gij tot mij zoudt zeggen: Draag het in uw schoot, gelijk als een voedstervader den zuigeling draagt, tot dat land, hetwelk Gij hun vaderen gezworen hebt?13Van waar zou ik het vlees hebben, om al dit volk te geven? Want zij wenen tegen mij, zeggende: Geef ons vlees, dat wij eten!14Ik alleen kan al dit volk niet dragen; want het is mij te zwaar!15En indien Gij alzo aan mij doet, dood mij toch slechts, indien ik genade in Uw ogen gevonden heb; en laat mij mijn ongeluk niet aanzien!16En de HEERE zeide tot Mozes: Verzamel Mij zeventig mannen uit de oudsten van Israel, dewelke gij weet, dat zij de oudsten des volks en deszelfs ambtlieden zijn; en gij zult hen brengen voor de tent der samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen.17Zo zal Ik afkomen en met u aldaar spreken; en van den Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u den last van dit volk dragen, opdat gij dien alleen niet draagt.18En tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen, en gij zult vlees eten; want gij hebt voor de oren des HEEREN geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal de HEERE u vlees geven, en gij zult eten.19Gij zult niet een dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen;20Tot een gehele maand toe, totdat het uit uw neus uitga, en u tot walging zij; overmits gij den HEERE, Die in het midden van u is, verworpen hebt, en hebt voor Zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen?21En Mozes zeide: Zeshonderd duizend te voet is dit volk, in welks midden ik ben; en Gij hebt gezegd: Ik zal hun vlees geven, en zij zullen een gehele maand eten!22Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen der zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?23Doch de HEERE zeide tot Mozes: Zou dan des HEEREN hand verkort zijn? Gij zult nu zien, of Mijn woord u wedervaren zal, of niet.

Mozes is ontmoedigd! Dezelfde Mozes die aan het einde van het vorige hoofdstuk nog triomferend over "de tien duizenden der duizenden van Israël" had gesproken, doet nu God het verwijt dat Hij "de last van dit ganse volk" alleen op zijn schouders gelegd had.

Natuurlijk kon Mozes "alleen" dit volk niet dragen, maar hij was immers ook niet alleen! De HEERE Zelf droeg Israël "op vleugelen der arenden" (Exodus 19 vers 4) en op Vaderarmen (Deuteronomium 1 vers 31).

Psalm 106 herinnert ons aan deze verdrietige episode: "Doch zij vergaten weldra Zijn werken ... zij werden bevangen met lust in de woestijn ... Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid" (vers 13 tot en met 15).

Als wij erop staan iets te ontvangen wat God eigenlijk niet goed voor ons acht, kan het gebeuren dat Hij er uiteindelijk in toestemt. Maar dan wel met de erge gevolgen, zoals ons die voor Israël worden beschreven in de verzen 19, 20 en 33.

Die magerheid kan tot vermagering leiden en uiteindelijk tot vergaand verderf! En is een wegkwijnen van onze ziel niet vele malen erger dan een lichamelijke ziekte?

Moge God ons bewaren voor "de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel" (1 Petrus 2 vers 11), en ons leren tevreden te zijn met wat Hij ons geeft ... of ons juist niet geeft!

Numberi 11:24-35
24En Mozes ging uit, en sprak de woorden des HEEREN tot het volk; en hij verzamelde zeventig mannen uit de oudsten des volks, en stelde hen rondom de tent.25Toen kwam de HEERE af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van den Geest, die op hem was, legde Hem op de zeventig mannen, die oudsten; en het geschiedde, als de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.26Maar twee mannen waren in het leger overgebleven; des enen naam was Eldad, en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de tent niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger.27Toen liep een jongen heen, en boodschapte aan Mozes, en zeide: Eldad en Medad profeteren in het leger.28En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijn uitgelezen jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verbied hun!29Doch Mozes zeide tot hem: Zijt gij voor mij ijverende? Och of al dat volk des HEEREN profeten waren, dat de HEERE Zijn Geest over hen gave!30Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten van Israel.31Toen voer een wind uit van den HEERE, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize, en omtrent een dagreize derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.32Toen maakte zich het volk op, dien gehelen dag, en dien gansen nacht, en den gansen anderen dag, en verzamelden de kwakkelen; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger.33Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag.34Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.35Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.

Op zijn eigen verzoek wordt Mozes door zeventig oudsten van een deel van zijn verantwoordelijkheid ontheven. Al in Exodus 4 zagen we dat Aäron aan Mozes tot "mond" werd gegeven. Wat is het toch een verdrietige en verootmoedigende gedachte dat de Heere vaak genoodzaakt is om een deel van ons werk door anderen te laten volbrengen, omdat wij te weinig geloof hebben!

De oudsten worden samengebracht bij de tent der samenkomst waar de Geest op hen komt. Dan horen we dat twee van hen, Eldad en Medad, in het leger, het tentenkamp, achtergebleven waren en daar profeteerden.

Jozua wilde dit verhinderen (vergelijk Lukas 9 vers 49 en 50). Maar voor Mozes was het een goed bericht. Ook Paulus verheugde zich er zonder verdere bijgedachten over dat het evangelie werd verkondigd, zelfs al was het dan "door nijd en twist" (Filippi 1 vers 15 tot en met 18).

God toont ons de weg van afzondering "buiten de legerplaats" van christelijke systemen. Maar laten we ervoor oppassen, andere gelovigen — die misschien wel trouwer en vastbeslotener zijn dan wij! — in een geest van aanmatiging te veroordelen, omdat zij deze afzondering (nog) niet begrepen hebben.

Alles wat we bezitten of mochten leren zien, hebben we slechts te danken aan de genade van God!

Denkt u zich eens in wat er al gauw van die hoeveelheid kwakkels in de brandende woestijnzon is terechtgekomen! Galaten 6 vers 8 waarschuwt daarom: "Die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien".

Numberi 12:1-16
1Mirjam nu sprak, en Aaron, tegen Mozes, ter oorzake der vrouw, der Cuschietische, die hij genomen had; want hij had een Cuschietische ter vrouw genomen.2En zij zeiden: Heeft dan de HEERE maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de HEERE hoorde het!3Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen, die op den aardbodem waren.4Toen sprak de HEERE haastelijk tot Mozes, en tot Aaron, en tot Mirjam: Gij drie, komt uit tot de tent der samenkomst! En zij drie kwamen uit.5Toen kwam de HEERE af in de wolkkolom, en stond aan de deur der tent; daarna riep Hij Aaron en Mirjam; en zij beiden kwamen uit.6En Hij zeide: Hoort nu Mijn woorden! Zo er een profeet onder u is, Ik, de HEERE, zal door een gezicht Mij aan hem bekend maken, door een droom zal Ik met hem spreken.7Alzo is Mijn knecht Mozes niet, die in Mijn ganse huis getrouw is.8Van mond tot mond spreek Ik met hem, en door aanzien, en niet door duistere woorden; en de gelijkenis des HEEREN aanschouwt hij; waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen Mijn knecht, tegen Mozes, te spreken?9Zo ontstak des HEEREN toorn tegen hen, en Hij ging weg.10En de wolk week van boven de tent; en ziet, Mirjam was melaats, wit als de sneeuw. En Aaron zag Mirjam aan, en ziet, zij was melaats.11Daarom zeide Aaron tot Mozes: Och, mijn heer! leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan, en waarmede wij gezondigd hebben!12Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit zijns moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is!13Mozes dan riep tot den HEERE, zeggende: O God! heel haar toch!14En de HEERE zeide tot Mozes: Zo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespogen had, zou zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat haar zeven dagen buiten het leger gesloten, en daarna aangenomen worden!15Zo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet, totdat Mirjam aangenomen werd.16Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.

De tong is een "onbedwingbaar kwaad, vol van dodelijk venijn", zegt Jakobus 3 vers 8.

Opnieuw moeten we haar verwoestende uitwerking vaststellen; nu niet in de vorm van klagen en mopperen zoals bij "het vermengde volk" (hoofdstuk 11), maar in afgunstige kritiek en kwaadsprekerij.

De hoogstaande familieleden van de leider van het volk, Aäron, de hogepriester, en Mirjam, de profetes, verontreinigen zich hiermee. Hun boosaardige woorden waren misschien wel in het geheim "in het oor gesproken" (Lukas 12 vers 3), maar ... "de HEERE hoorde het!" (vers 2b; zie ook hoofdstuk 11 vers 1).

Laten we nooit vergeten dat ook onze vertrouwelijkste mededelingen door een 'Toehoorder' in de hemel gehoord worden!

Mozes zwijgt. Steeds wanneer de rechten van de HEERE in het geding zijn, ontbrandt hij terecht in toorn. Maar nu hij zelf wordt aangevallen, verdedigt hij zich niet. Zijn grote zachtmoedigheid komt tot uitdrukking in zijn zwijgen. Daarom neemt God de verdediging van Zijn knecht op Zich.

Hij laat de drie betrokkenen bij de tent der samenkomst komen en dan de beide schuldigen naar voren treden. Aan de zwaarte van de tuchtiging kunnen we de grootte van de begane zonde afmeten. Mirjam wordt melaats.

Nu doet Mozes voor het eerst zijn mond open en doet voorspraak voor zijn ongelukkige zuster die daarop wordt genezen.

De Heere beware ons voor "nijdigheid, en alle kwaadsprekerijen" (1 Petrus 2 vers 1).

Numberi 13:1-26
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:2Zend u mannen uit: die het land Kanaan verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israels geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.3Mozes dan zond hen uit de woestijn van Paran, naar den mond des HEEREN; al die mannen waren hoofden der kinderen Israels.4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.5Van de stam van Simeon, Safat, de zoon van Hori.6Van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne.7Van de stam van Issaschar, Jigeal, de zoon van Jozef.8Van de stam van Efraim, Hosea, de zoon van Nun.9Van de stam van Benjamin, Palti, de zoon van Rafu.10Van de stam van Zebulon, Gaddiel, de zoon van Sodi.11Van de stam van Jozef, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi.12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.13Van de stam van Aser, Sethur, de zoon van Michael.14Van de stam van Nafthali, Nachbi, de zoon van Wofsi.15Van de stam van Gad, Guel, de zoon van Machi.16Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond, om dat land te verspieden; en Mozes noemde Hosea, den zoon van Nun, Jozua.17Mozes dan zond hen, om het land Kanaan te verspieden; en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte;18En beziet het land, hoedanig het zij, en het volk, dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel;19En hoedanig het land zij, waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn, in dewelke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten;20Ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er bomen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen nu waren de dagen der eerste vruchten van de wijndruiven.21Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.22En zij trokken op in het zuiden, en kwamen tot Hebron toe en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, kinderen van Enak; Hebron nu was zeven jaren gebouwd voor Zoan in Egypte.23Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af met een tros wijndruiven, dien zij droegen met tweeen, op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.24Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van den tros, dien de kinderen Israels van daar afgesneden hadden.25Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen.26En zij gingen heen, en kwamen tot Mozes en tot Aaron, en tot de gehele vergadering der kinderen Israels, in de woestijn Paran, naar Kades; en brachten bescheid weder aan hen, en aan de gehele vergadering, en lieten hen de vrucht des lands zien.

Het volk komt in de buurt van het land van de belofte. Mozes zendt twaalf verspieders uit om het land te verkennen en later te vertellen hoe het met de bewoners en de vruchten van dat land staat.

Er waren veertig dagen nodig om deze opdracht uit te voeren. De verspieders komen bij Hebron, de plaats die we al kennen uit de geschiedenis van Abraham; daar kocht hij de spelonk van Machpéla als begraafplaats.

De verspieders brengen zo'n grote druiventros mee dat twee mannen hem moeten dragen.

Voor ons is de hemel het land van de belofte. Evenals het volk Israël bevinden wij ons in de woestijn, een beeld van de wereld. We hebben het erfdeel waar God ons wil brengen, nog niet gezien. Maar Eén kent het en kan ons daarover vertellen. Het is de Heilige Geest Die ons de hemelse dingen meedeelt.

Zoals de druiventros van Eskol een tastbaar bewijs van de rijkdom van het land was, zo geeft de Geest ons een voorsmaak van de hemelse vreugden. Hij maakt ons met de dingen van God bekend (1 Korinthe 2 vers 12). Hij neemt uit dat wat van Christus is, om het ons te vertellen (Johannes 16 vers 14).

Hoewel wij nog in een wereld zijn die het morele karakter van een woestijn draagt, kunnen we ons toch al bezighouden met Hem "Die gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt" (1 Petrus 1 vers 8).

Numberi 13:27-33; Numberi 14:1-10
27En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.28Behalve dat het een sterk volk is, hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast, en zeer groot; en ook hebben wij daar kinderen van Enak gezien.29De Amalekieten wonen in het land van het zuiden; maar de Hethieten, en de Jebusieten, en de Amorieten wonen op het gebergte; en de Kanaanieten wonen aan de zee, en aan den oever van de Jordaan.30Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen!31Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.32Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israels, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte.33Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.
1Toen verhief zich de gehele vergadering, en zij hieven hun stem op, en het volk weende in dienzelven nacht.2En al de kinderen Israels murmureerden tegen Mozes en tegen Aaron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!3En waarom brengt ons de HEERE naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keren?4En zij zeiden de een tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeren naar Egypte!5Toen vielen Mozes en Aaron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israels.6En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land verspied hadden, scheurden hun klederen.7En zij spraken tot de ganse vergadering der kinderen Israels, zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn, om hetzelve te verspieden, is een uitermate goed land.8Indien de HEERE een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen, en zal ons dat geven; een land, hetwelk van melk en honig is vloeiende.9Alleen zijt tegen den HEERE niet wederspannig! en vreest gij niet het volk dezes lands; want zij zijn ons brood! hun schaduw is van hen geweken, en de HEERE is met ons; vreest hen niet!10Toen zeide de ganse vergadering, dat men hen met stenen stenigen zoude. Maar de heerlijkheid des HEEREN verscheen in de tent der samenkomst, voor al de kinderen Israels.

Twaalf verspieders waren erop uitgegaan, voor elke stam één. Toen ze op weg gingen, was er geen verschil tussen hen te zien. Maar de veertig dagen durende reis heeft deze mannen op de proef gesteld (in de Bijbel is veertig het getal van de beproeving).

Bij hun terugkeer maakt ieder openbaar wat in zijn hart leeft. En wat is het resultaat? Tien zitten vol ongeloof. Slechts twee, Jozua en Kaleb, vertrouwen God.

Het geloof kent God en beoordeelt de dingen vanuit Zijn gezichtspunt, terwijl ongeloof menselijke maatstaven aanlegt en zich door zichtbare hindernissen laat ophouden.

De reuzen, de kinderen van Enak, waren geen verbeelding, evenmin als de hoge muren van de steden dat waren. Maar de fout van de mannen was dat zij op hun eigen geringheid zagen en dat zij zich ermee bezighielden hoe de vijanden over hen dachten (vers 33). Ze hadden op de HEERE moeten zien!

Jozua en Kaleb schamen zich niet om tegenover de anderen van hun geloof te getuigen. Zij hechten grote waarde aan het beloofde erfdeel en dringen er bij hun broeders op aan dit in bezit te nemen.

Is dat niet een voorbeeld voor ons? Behoren wij bij hen die "het land" roemen? Of ontmoedigen wij juist anderen om de Heere Jezus na te volgen?

Het niet eens zijn met de anderen is altijd moeilijk, soms zelfs gevaarlijk. Jozua en Kaleb werden bijna gestenigd (vers 10), maar God stond aan hun kant!

Numberi 14:11-25
11En de HEERE zeide tot Mozes: Hoe lang zal mij dit volk tergen? En hoe lang zullen zij aan Mij niet geloven, door alle tekenen, die Ik in het midden van hen gedaan heb?12Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is.13En Mozes zeide tot den HEERE: Zo zullen het de Egyptenaars horen; want Gij hebt door Uw kracht dit volk uit het midden van hen doen optrekken;14En zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben, dat Gij, HEERE! in het midden van dit volk zijt; dat Gij HEERE! oog aan oog gezien wordt, dat Uw wolk over hen staat, en Gij in een wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags, en in een vuurkolom des nachts.15En zoudt Gij dit volk als een enigen man doden, zo zouden de heidenen, die Uw gerucht gehoord hebben, spreken, zeggende:16Omdat de HEERE dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn!17Nu dan, laat toch de kracht des HEEREN groot worden, gelijk als Gij gesproken hebt, zeggende:18De HEERE is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid.19Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk Gij ze aan dit volk, van Egypteland af tot hiertoe, vergeven hebt!20En de HEERE zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord.21Doch zekerlijk, zo waarachtig als Ik leef, zo zal de ganse aarde met de heerlijkheid des HEEREN vervuld worden!22Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest;23Zo zij het land, hetwelk Ik aan hun vaderen gezworen heb, zien zullen. Ja, geen van die Mij getergd hebben, zullen dat zien!24Doch Mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is, en hij volhard heeft Mij na te volgen, zo zal Ik hem brengen tot het land, in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal het erfelijk bezitten.25De Amalekieten nu en de Kanaanieten wonen in het dal; wendt u morgen, en maakt uw reize naar de woestijn, op den weg naar de Schelfzee.

De HEERE zegt dat dit volk Hem getergd heeft (vers 11 en 23). Doordat zij "het gewenste land" te versmaadden (vers 31 en Psalm 106 vers 24), richtten hun verachting en ondankbaarheid zich in werkelijkheid tegen Godzelf.

Hoe moeten we vandaag de dag het gedrag van veel mensen betitelen die een gave, niets minder dan de hemel (!), en de Gever, God Zelf (!), minachten?

Zoals eens bij het gouden kalf, komt Mozes ook nu op voor het volk. Evenmin als toen, laat hij zich ook nu niet 'verleiden' door Gods aanbod, hem tot de leider van een nieuw volk te maken (vers 12 en Exodus 32 vers 10).

Met onweerlegbare bewijzen herinnert hij God eraan dat de grootheid van Zijn Naam bij de volkeren op het spel staat. Vervolgens brengt hij in vers 18 naar voren wat hijzelf van God geleerd heeft, door Zijn eigen woorden te herhalen (Exodus 34 vers 6 en 7). Hij herinnert God er als het ware aan dat Hij "lankmoedig en groot van weldadigheid" is.

Hij wijst de HEERE er nadrukkelijk op dat dit dé gelegenheid is om de ongerechtigheid en de overtreding te vergeven. Als er geen misdaden zijn, heeft vergeving ook geen grond van bestaan.

Mijn en uw zonden hebben God de gelegenheid gegeven om Zijn genade te openbaren. Als kinderen van God mogen we deze God van vergeving kennen. Hij is onze Vader. En bij Hem hebben wij een Voorspraak, vol van liefde: Jezus Christus, onze Heiland (1 Johannes 2 vers 1).

Numberi 14:26-45
26Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:27Hoe lang zal Ik bij deze boze vergadering zijn, die tegen Mij zijn murmurerende? Ik heb gehoord de murmureringen van de kinderen Israels, waarmede zij tegen Mij zijn murmurerende.28Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, indien Ik ulieden zo niet doe, gelijk als gij in Mijn oren gesproken hebt!29Uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en al uw getelden, naar uw gehele getal, van twintig jaren oud en daarboven, gij, die tegen Mij gemurmureerd hebt.30Zo gij in dat land komt, over hetwelk Ik Mijn hand opgeheven heb, dat Ik u daarin zou doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.31En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roof worden! die zal Ik daarin brengen, en die zullen bekennen dat land, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt.32Maar u aangaande, uw dode lichamen zullen in deze woestijn vallen!33En uw kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn, veertig jaren, en zullen uw hoererijen dragen, totdat uw dode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.34Naar het getal der dagen, in welke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elken dag voor elk jaar, zult gij uw ongerechtigheden dragen, veertig jaren, en gij zult gewaar worden Mijn afbreking.35Ik, de HEERE, heb gesproken: zo Ik dit aan deze ganse boze vergadering dergenen, die zich tegen Mij verzameld hebben, niet doe, zij zullen in deze woestijn te niet worden, en zullen daar sterven!36En die mannen, die Mozes gezonden had, om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde, de ganse vergadering tegen hem hadden doen murmureren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende;37Diezelfde mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, stierven door een plaag, voor het aangezicht des HEEREN.38Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te verspieden.39En Mozes sprak deze woorden tot al de kinderen Israels. Toen treurde het volk zeer.40En zij stonden des morgens vroeg op, en klommen op de hoogte des bergs, zeggende: Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die de HEERE gezegd heeft; want wij hebben gezondigd!41Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij alzo het bevel des HEEREN? Want dat zal geen voorspoed hebben.42Trekt niet op, want de HEERE zal in het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt, voor het aangezicht uwer vijanden.43Want de Amalekieten, en de Kanaanieten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want, omdat gij u afgekeerd hebt van den HEERE, zo zal de HEERE met u niet zijn.44Nochtans poogden zij vermetel, om op de hoogte des bergs te klimmen; maar de ark des verbonds des HEEREN en Mozes scheidden niet uit het midden des legers.45Toen kwamen af de Amalekieten en de Kanaanieten, die in dat gebergte woonden, en sloegen hen, en versmeten hen, tot Horma toe.

Wat een troost om te midden van deze verdrietige omstandigheden een Jozua en een Kaleb te zien! Met hen was "een andere geest" geweest (vers 24). Daarvoor zullen ze hun loon niet mislopen en als enigen van een hele generatie in het beloofde land mogen ingaan.

Vóórdat het zover is, moeten ze delen in het lot van het hele volk: veertig jaar lang rondtrekken door het zand van de woestijn. Maar tijdens deze lange tocht werden ze steeds weer herinnerd en bemoedigd door de gedachte aan het land Kanaän, het land dat ze eens al waren binnengegaan en waarvan ze de vruchten al hadden genoten.

Mozes brengt de onaangename boodschap over. Hoe reageert het volk hierop?

Toen Kaleb hen opriep om vrijmoedig het land in bezit te nemen, wilden ze terugkeren naar Egypte of in de woestijn sterven (hoofdstuk 13 vers 30; 14 vers 2). Nu echter Gods oordeel hen laat terugkeren naar de Schelfzee en God hen de dood in de woestijn aankondigt, willen ze zich aan de straf onttrekken en antwoorden: "Ziet, hier zijn wij, en wij zullen optrekken" (vers 40).

Het hart van de mens is nooit in overeenstemming met God. Vooral niet wanneer het erom gaat begane fouten te belijden, zich onder de tucht van God te buigen en ootmoedig de gevolgen van de zonden te dragen.

Hoewel Mozes tegen hen zegt: "Trekt niet op", blijven ze hardnekkig bij hun besluit en lijden vervolgens een bittere nederlaag.

Numberi 15:1-21
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij gekomen zult zijn in het land uwer woningen, dat Ik u geven zal;3En gij een vuuroffer den HEERE zult doen, een brandoffer, of slachtoffer, om af te zonderen een gelofte, of in een vrijwillig offer, of in uw gezette hoogtijden, om den HEERE een liefelijken reuk te maken, van runderen of van klein vee;4Zo zal hij, die zijn offerande den HEERE offert, een spijsoffer offeren van een tiende meelbloem, gemengd met een vierendeel van een hin olie.5En wijn ten drankoffer, een vierendeel van een hin, zult gij bereiden tot een brandoffer of tot een slachtoffer, voor een lam.6Of voor een ram zult gij een spijsoffer bereiden, van twee tienden meelbloem, gemengd met olie, een derde deel van een hin.7En wijn ten drankoffer, een derde deel van een hin, zult gij offeren tot een liefelijken reuk den HEERE.8En wanneer gij een jong rund zult bereiden tot een brandoffer of een slachtoffer, om een gelofte af te zonderen, of ten dankoffer den HEERE;9Zo zal hij tot een jong rund offeren een spijsoffer van drie tienden meelbloem, gemengd met olie, de helft van een hin.10En wijn zult gij offeren ten drankoffer, de helft van een hin, tot een vuuroffer van liefelijken reuk den HEERE.11Alzo zal gedaan worden met den enen os, of met den enen ram, of met het klein vee, van de lammeren, of van de geiten.12Naar het getal, dat gij bereiden zult, zult gij alzo doen met elkeen, naar hun getal.13Alle inboorling zal deze dingen alzo doen, offerende een vuuroffer tot een liefelijken reuk den HEERE.14Wanneer ook een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, of die in het midden van u is, in uw geslachten, en hij een vuuroffer zal bereiden tot een liefelijken reuk den HEERE; gelijk als gij zult doen, alzo zal hij doen.15Gij, gemeente, het zij ulieden en den vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, enerlei inzetting: ter eeuwige inzetting bij uw geslachten, gelijk gijlieden, alzo zal de vreemdeling voor des HEEREN aangezicht zijn.16Enerlei wet en enerlei recht zal ulieden zijn, en den vreemdeling, die bij ulieden als vreemdeling verkeert.17Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:18Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als gij zult gekomen zijn in het land, waarheen Ik u inbrengen zal,19Zo zal het geschieden, als gij van het brood des lands zult eten, dan zult gij den HEERE een hefoffer offeren.20De eerstelingen uws deegs, een koek zult gij tot een hefoffer offeren; gelijk het hefoffer des dorsvloers zult gij dat offeren.21Van de eerstelingen uws deegs zult gij den HEERE een hefoffer geven, bij uw geslachten.

Na de schokkende gebeurtenissen in hoofdstuk 14 zou men kunnen denken dat het volk door z'n ongeloof en opstand alle rechten op het land Kanaän had verloren. Daarom spreekt God onmiddellijk daarna over het land van de belofte (vers 2). Daardoor laat Hij zien dat niets Hem ervan zal weerhouden om Zijn raadsbesluiten van genade uit te voeren.

God vermeldt hier in hoofdstuk 15 ook verschillende offers: het brandoffer (vers 3), het spijsoffer (vers 4), het drankoffer (vers 5), het dankoffer (vers 8) en het zondoffer (vers 24); zij herinneren ons er in zekere zin aan — het éne meer, het andere minder — dat er ook voor de ergste overtredingen peilmiddelen zijn. Beter gezegd: één enkel middel, het veelzijdige offer van Zijn geliefde Zoon.

Van Hem stijgt — hoe verdrietig de toestand van het volk ook mag zijn — "een liefelijke reuk voor de HEERE" omhoog. Deze uitdrukking wordt hier vijf keer gebruikt. In dit beeld wordt ons het werk van Christus met zijn veelvoudige zijden voorgesteld.

De inzetting was voor de vreemdeling en de geboren Israëliet gelijk; het was de vreemdeling toegestaan dezelfde offers en het drankoffer te brengen. Dit is een heenwijzing naar de boven Israël uitstijgende genade van het evangelie dat in de hele schepping gepredikt zou worden (Kolosse 1 vers 23).

De verzen 17 tot en met 21 gaan over de gaven van de eerstelingen; zij herinneren ons eraan dat de Heere Jezus altijd de eerste rechten heeft op alles wat wij bezitten.

Numberi 15:22-41
22Voorts wanneer gijlieden afgedwaald zult zijn, en niet gedaan hebben al deze geboden, die de HEERE tot Mozes gesproken heeft;23Alles, wat u de HEERE door de hand van Mozes geboden heeft; van dien dag af, dat het de HEERE geboden heeft, en voortaan bij uw geslachten;24Zo zal het geschieden, indien iets bij dwaling gedaan, en voor de ogen der vergadering verborgen is, dat de ganse vergadering een var, een jong rund, zal bereiden ten brandoffer, tot een liefelijken reuk den HEERE, met zijn spijsoffer en zijn drankoffer, naar de wijze; en een geitenbok ten zondoffer.25En de priester zal de verzoening doen voor de ganse vergadering van de kinderen Israels, en het zal hun vergeven worden; want het was een afdwaling, en zij hebben hun offerande gebracht, een vuuroffer den HEERE, en hun zondoffer, voor het aangezicht des HEEREN, over hun afdwaling.26Het zal dan aan de ganse vergadering der kinderen Israels vergeven worden, ook den vreemdeling, die in het midden van henlieden als vreemdeling verkeert; want het is het ganse volk door dwaling overkomen.27En indien een ziel door afdwaling gezondigd zal hebben, die zal een eenjarige geit ten zondoffer offeren.28En de priester zal de verzoening doen over de dwalende ziel, als zij gezondigd heeft door afdwaling, voor het aangezicht des HEEREN, doende de verzoening over haar; en het zal haar vergeven worden.29Den inboorling der kinderen Israels, en den vreemdeling, die in hunlieder midden als vreemdeling verkeert, enerlei wet zal ulieden zijn, dengene, die het door afdwaling doet.30Maar de ziel, die iets gedaan zal hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt den HEERE; en diezelve ziel zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk;31Want zij heeft het woord des HEEREN veracht en Zijn gebod vernietigd; diezelve ziel zal ganselijk uitgeroeid worden; haar ongerechtigheid is op haar.32Als nu de kinderen Israels in de woestijn waren, zo vonden zij een man, hout lezende op den sabbatdag.33En die hem vonden, hout lezende, brachten hem tot Mozes, en tot Aaron, en tot de ganse vergadering.34En zij stelden hem in bewaring; want het was niet verklaard, wat hem gedaan zou worden.35Zo zeide de HEERE tot Mozes: Die man zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem met stenen stenigen buiten het leger.36Toen bracht hem de ganse vergadering uit tot buiten het leger, en zij stenigden hem met stenen, dat hij stierf, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.37En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:38Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken hunner klederen, bij hun geslachten; en op de snoertjes des hoeks zullen zij een hemelsblauwen draad zetten.39En hij zal ulieden aan de snoertjes zijn, opdat gij het aanziet, en aan al de geboden des HEEREN gedenkt, en die doet; en gij zult naar uw hart, en naar uw ogen niet sporen, die gij zijt nahoererende;40Opdat gij gedenkt en doet al Mijn geboden, en uw God heilig zijt.41Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb, om u tot een God te zijn; Ik ben de HEERE, uw God!

Het Woord van God dat de beweegredenen van het hart onderscheidt, maakt zorgvuldig verschil tussen zonden "bij dwaling" (dus begaan uit onwetendheid of onbezonnenheid) en zonden die "met opgeheven hand" worden bedreven (dus met opzet, zonder rekening te houden met de wil van God, hoewel men die kent; vers 24, 25 en 30).

Voor deze laatste vorm van zonde was geen vergeving mogelijk, zoals blijkt uit de bestraffing van de man die de sabbat had geschonden (vers 32 tot en met 36).

"Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalingen", vraagt de psalmist. Maar in het bewustzijn van zijn eigen zwakheid voegt hij eraan toe: "Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen" (Psalm 19 vers 13 en 14).

In verbinding met het kwaad had de Israëliet bovendien nog een middel ter voorkoming: de door een hemelsblauwe draad aan zijn kleding bevestigde snoertjes.

Deze herinnerden hem aan zijn verbinding met de HEERE; dit teken was steeds een waarschuwing voor hem om zijn kleed niet te verontreinigen.

Voor ons, gelovigen, is dat een mooi beeld van ons hemelse karakter dat we nooit mogen vergeten! Dan worden we op onze weg bewaard voor de zonde en zullen we ook ons hart en onze ogen niet navolgen (vers 39).

"Zoekt de dingen, die boven zijn ... Bedenkt de dingen, die boven zijn", zo vermaant ons Kolosse 3 vers 1 en 2!

Numberi 16:1-15
1Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, den zoon van Peleth, zonen van Ruben.2En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, mitsgaders tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen Israels, oversten der vergadering, de geroepenen der samenkomst, mannen van naam.3En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aaron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze ganse vergadering, zij allen, zijn heilig, en de HEERE is in het midden van hen; waarom dan verheft gijlieden u over de gemeente des HEEREN?4Als Mozes dit hoorde, zo viel hij op zijn aangezicht.5En hij sprak tot Korach, en tot zijn ganse vergadering, zeggende: Morgen vroeg dan zal de HEERE bekend maken, wie de Zijne, en de heilige is, dien Hij tot Zich zal doen naderen; en wien Hij verkoren zal hebben, dien zal Hij tot Zich doen naderen.6Doet dit: neemt u wierookvaten, Korach en zijn ganse vergadering;7En doet morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor het aangezicht des HEEREN; en het zal geschieden, dat de man, dien de HEERE verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor u, gij, kinderen van Levi!8Voorts zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij, kinderen van Levi!9Is het u te weinig, dat de God van Israel u van de vergadering van Israel heeft afgescheiden, om ulieden tot Zich te doen naderen; om den dienst van des HEEREN tabernakel te bedienen, en te staan voor het aangezicht der vergadering, om hen te dienen?10Daar Hij u, en al uw broederen, de kinderen van Levi, met u, heeft doen naderen; zoekt gij nu ook het priesterambt?11Daarom gij, en uw ganse vergadering, gij zijt vergaderd tegen den HEERE, want Aaron, wat is hij, dat gij tegen hem murmureert?12En Mozes schikte heen, om Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen!13Is het te weinig, dat gij ons uit een land, van melk en honig vloeiende, hebt opgevoerd, om ons te doden in de woestijn, dat gij ook uzelven ten enenmaal over ons tot een overheer maakt?14Ook hebt gij ons niet gebracht in een land, dat van melk en honig vloeit, noch ons akkers en wijngaarden ten erfdeel gegeven. Zult gij de ogen dezer mannen uitgraven? Wij zullen niet opkomen!15Toen ontstak Mozes zeer, en hij zeide tot den HEERE: Zie hun offer niet aan! Ik heb niet een ezel van hen genomen, en niet een van hen kwaad gedaan.

Aan de ongelukkige geschiedenis van het volk in de woestijn wordt nog een donkere bladzijde toegevoegd.

In de Brief van Judas, vers 11, wordt dit "de tegenspreking van Korach" genoemd. Dit bericht laat ons zien waartoe een zonde "met opgeheven hand" (hoofdstuk 15 vers 30) kan leiden: tot openlijke opstand tegen God.

Korach was een Leviet uit de familie van Kehath (vers 1). Niet tevreden met zijn eervolle dienst, wilde hij nu het priesterambt vervullen dat God aan Aäron en zijn familie had toevertrouwd.

"De dienst van de tabernakel des HEEREN te bedienen, en te staan voor het aangezicht van de vergadering, om hen te dienen" (vers 9), dàt was Korach en zijn afdeling niet genoeg. Ze verlangden naar meer, naar iets hogers.

Helaas stellen zich ook vandaag sommige christenen niet tevreden met de dienst die de Heere hen heeft toevertrouwd. Ze willen graag meer aanzien en verheffen zich boven anderen. Wat een tegenstelling tot Hem Die niet is "gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen" (Markus 10 vers 45)!

Dathan en Abiram wagen het zelfs een uitdrukking die van toepassing was op het land Kanaän, te gebruiken voor Egypte: "een land, vloeiende van melk en honing". En voor hen is Mozes als "heerser" ondraaglijk (vers 13).

Deze beide mannen belichamen de burgerlijke opstand, terwijl Korach een beeld is van het religieuze verval.

Numberi 16:16-35
16Voorts zeide Mozes tot Korach: Gij, en uw ganse vergadering, weest voor het aangezicht des HEEREN; gij, en zij, ook Aaron, op morgen.17En neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het aangezicht des HEEREN, een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten; ook gij, en Aaron, een ieder zijn wierookvat.18Zo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en legden reukwerk daarin; en zij stonden voor de deur van de tent der samenkomst, ook Mozes en Aaron.19En Korach deed de ganse vergadering tegen hen verzamelen, aan de deur van de tent der samenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid des HEEREN aan deze ganse vergadering.20En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:21Scheidt u af uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen als in een ogenblik verteren!22Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God der geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult Gij U over deze ganse vergadering grotelijks vertoornen?23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:24Spreek tot deze vergadering, zeggende: Gaat op van rondom de woning van Korach, Dathan en Abiram.25Toen stond Mozes op, en ging tot Dathan en Abiram; en achter hem gingen de oudsten van Israel.26En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijkt toch af van de tenten dezer goddeloze mannen, en roert niets aan van hetgeen hunner is, opdat gij niet misschien verdaan wordt in al hun zonden.27Zo gingen zij op van de woning van Korach, Dathan en Abiram, van rondom; maar Dathan en Abiram gingen uit, staande in de deur hunner tenten, met hun vrouwen, en hun zonen, en hun kinderkens.28Toen zeide Mozes: Hieraan zult gij bekennen, dat de HEERE mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.29Indien deze zullen sterven, gelijk alle mensen sterven, en over hen een bezoeking zal gedaan worden, naar aller mensen bezoeking, zo heeft mij de HEERE niet gezonden.30Maar indien de HEERE wat nieuws zal scheppen, en het aardrijk zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat hunner is, en zij levend ter helle zullen nedervaren; alsdan zult gij bekennen, dat deze mannen de HEERE getergd hebben.31En het geschiedde, als hij geeindigd had al deze woorden te spreken, zo werd het aardrijk, dat onder hen was, gekloofd;32En de aarde opende haar mond, en verslond hen met hun huizen, en allen mensen, die Korach toebehoorden, en al de have.33En zij voeren neder, zij en alles wat hunner was, levend ter helle; en de aarde overdekte hen, en zij kwamen om uit het midden der gemeente.34En het ganse Israel, dat rondom hen was, vlood voor hun geschrei; want zij zeiden: Dat ons de aarde misschien niet verslinde!35Daartoe ging een vuur uit van den HEERE, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden.

Korach nam, om zo te zeggen, het voortouw en verhief zich (vers 1). Maar er staat geschreven: "Een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden" (Lukas 14 vers 11).

Het Boek Spreuken, maar ook de geschiedenis van de mensheid, bevestigen dit grondbeginsel: "hoogheid van geest is vóór de val" (Spreuken 16 vers 18).

Voor de oproerlingen liet deze val niet lang op zich wachten. Wat een vreselijke gebeurtenis! De aarde opende zich onder hun voeten en ze werden levend, met al hun bezittingen, verslonden.

Mozes had uit voorzorg gewaarschuwd: "Wijkt toch af van de tenten van deze goddeloze mannen" (vers 26), wat de zonen van Korach blijkbaar gedaan hebben. Zij hebben partij gekozen voor God in plaats van voor hun vader die zij als een wetteloze man zagen. Want inderdaad lezen wij in Numeri 26 vers 11: "De kinderen van Korach stierven niet".

Later ontmoeten we hen als zangers en samenstellers van Psalmen. Psalm 84 vat hun geschiedenis in het kort samen met de woorden: "Ik koos liever aan de dorpel in het huis mijns Gods te wezen," — de Korachieten waren ook poortwachters van de tempel! — "dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid" (vers 11).

Ook wij zijn kinderen van een schuldig geslacht, maar als we in de Zoon van God, zijn we aan een nog veel erger oordeel ontkomen.

Wat is de genade van God toch onnoemelijk groot!

Numberi 16:36-50
36En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:37Zeg tot Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, dat hij de wierookvaten uit den brand opneme; en strooi het vuur verre weg; want zij zijn heilig;38Te weten de wierookvaten van dezen, die tegen hun zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overdeksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht des HEEREN, daarom zijn zij heilig; en zij zullen den kinderen Israels tot een teken zijn.39En Eleazar, de priester, nam de koperen wierookvaten, die de verbranden gebracht hadden, en zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar;40Ter nagedachtenis voor de kinderen Israels, opdat niemand vreemds, die niet uit het zaad van Aaron is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht des HEEREN; opdat hij niet worde als Korach, en zijn vergadering, gelijk als hem de HEERE door den dienst van Mozes gesproken had.41Maar des anderen daags murmureerde de ganse vergadering der kinderen Israels tegen Mozes en tegen Aaron, zeggende: Gijlieden hebt des HEEREN volk gedood!42En het geschiedde, als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aaron, en zich wendde naar de tent der samenkomst, ziet, zo bedekte haar die wolk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen.43Mozes nu en Aaron kwamen tot voor de tent der samenkomst.44Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:45Maak u op uit het midden van deze vergadering, en Ik zal hen verteren, als in een ogenblik! Toen vielen zij op hun aangezichten.46En Mozes zeide tot Aaron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop, haastelijk gaande tot de vergadering, doe over hen verzoening; want een grote toorn is van voor het aangezicht des HEEREN uitgegaan, de plaag heeft aangevangen.47En Aaron nam het, gelijk als Mozes gesproken had, en liep in het midden der gemeente, en ziet, de plaag had aangevangen onder het volk; en hij legde reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk.48En hij stond tussen de doden en tussen de levenden; alzo werd de plaag opgehouden.49Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de zaak van Korach.50En Aaron keerde weder tot Mozes aan de deur van de tent der samenkomst; en de plaag was opgehouden.

Korach en zijn mannen hadden niet alleen "tegen Mozes en tegen Aäron" (vers 3) en "tegen de HEERE" (vers 11) gezondigd, maar ook "tegen hun [eigen] zielen" (vers 38). Zo zal het alle ongelovigen vergaan: Ze zullen tot in alle eeuwigheid het slachtoffer van zichzelf en hun eigen dwaasheid zijn.

Zojuist heeft een plotseling oordeel de aanvoerders getroffen en God zorgt ervoor dat dit niet vergeten wordt. In zekere zin blijft dit altijd zichtbaar aan het altaar (vers 38).

Ondanks dat komt het volk de volgende morgen samen en klaagt de beide leiders aan. Eerst was er maar één aanvoerder in opstand: Korach. Even later spanden Dathan en Abiram met hem samen. Uiteindelijk hadden 250 mannen zich met hen verbonden. Maar nu ... verheft zich "de ganse vergadering" (vers 41).

Wat is het menselijk hart toch gemakkelijk te beïnvloeden! We hebben al gezien dat tien verspieders genoeg waren om het hele volk mee te slepen (hoofdstuk 13). Daarom waarschuwt Galaten 6 vers 7 ons: "Dwaalt niet [of, zoals dit ook vertaald kan worden: Laat u niet misleiden]; God laat Zich niet bespotten; want wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien".

De plaag begint. En evenals in vers 4 valt Mozes ook nu op zijn aangezicht, samen met Aäron. Aäron twijfelt geen enkel moment. Hij die door de anderen met afgunst werd behandeld, die beledigd en onterecht aangeklaagd werd, doet "verzoening over het volk" met vuur van het altaar en daarop reukwerk in het enige wierookvat dat door God aangenomen wordt. Ook dit is een prachtig beeld van Christus, de grote Voorspraak!

Numberi 17:1-13
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, en neem van hen voor elk vaderlijk huis een staf, van al hun oversten, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; eens iegelijken naam zult gij schrijven op zijn staf.3Doch Aarons naam zult gij schrijven op den staf van Levi; want een staf zal er zijn voor het hoofd van het huis hunner vaderen.4En gij zult ze wegleggen in de tent der samenkomst, voor de getuigenis, waarheen Ik met ulieden samenkomen zal.5En het zal geschieden, dat de staf des mans, welke Ik zal verkoren hebben, zal bloeien; en Ik zal stillen de murmureringen van de kinderen Israels tegen Mij, welke zij tegen ulieden murmureerden.6Mozes dan sprak tot de kinderen Israels, en al hun oversten gaven aan hem een staf, voor elken overste een staf, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; Aarons staf was ook onder hun staven.7En Mozes legde deze staven weg, voor het aangezicht des HEEREN, in de tent der getuigenis.8Het geschiedde nu des anderen daags, dat Mozes in de tent der getuigenis inging; en ziet, Aarons staf, voor het huis van Levi, bloeide; want hij bracht bloeisel voort, en bloesemde bloesem, en droeg amandelen.9Toen bracht Mozes al deze staven uit, van voor het aangezicht des HEEREN, tot al de kinderen Israels; en zij zagen het, en namen elk zijn staf.10Toen zeide de HEERE tot Mozes: Breng de staf van Aaron weder voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de wederspannige kinderen; alzo zult gij een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven.11En Mozes deed het; gelijk als de HEERE hem geboden had, alzo deed hij.12Toen spraken de kinderen Israels tot Mozes, zeggende: Zie, wij geven den geest, wij vergaan, wij allen vergaan!13Al wie enigzins nadert tot den tabernakel des HEEREN, zal sterven; zullen wij dan den geest gevende verdaan worden?

Doordat God de 250 oproerlingen had gedood, had Hij laten zien wie Hij voorbestemd had om de priesterdienst uit te oefenen. Alleen Aäron met zijn wierookvat werd door Hem aangenomen. En nu bevestigt een nieuwe test die niet van de dood, maar juist van het leven spreekt, deze Goddelijke keuze.

Van de twaalf staven van de oversten van Israël is er maar één, die van Aäron, die het bewijs levert over buitengewone levenskracht te beschikken. In één enkele nacht brengt die staf knoppen, bloesem en vrucht voort!

Dat is een wonderbaar beeld van de opstanding van Christus waardoor God aan allen het bewijs geleverd heeft ("verzekering daarvan doende aan allen") van de heerlijkheid van de Heere Jezus en van de volkomen toereikendheid van Zijn werk (Handelingen 17 vers 31).

Veel bedriegers hebben beweerd een Goddelijke opdracht te hebben gekregen. Maar ze zijn allen gestorven en er is nooit iemand weer opgestaan. De enige Mens Die "naar de kracht van het onvergankelijke leven" (Hebreeën 7 vers 16) door de dood is gegaan, is Christus Die nu in de hemel Zijn heilig priesterdom uitoefent ten behoeve van de Zijnen.

Ook de vruchten die elk van de Zijnen kan voortbrengen, zijn een zichtbaar bewijs van een levende, zij het dan ook verborgen, Verlosser.

De staf van Aäron krijgt vervolgens een plaats in de ark (vers 10; Hebreeën 9 vers 4) om ons op onze weg door de woestijn er als het ware aan te herinneren dat de Bron van leven alleen in Christus is te vinden.

Numberi 18:1-19
1Zo zeide de HEERE tot Aaron: Gij, en uw zonen, en het huis uws vaders met u, zult dragen de ongerechtigheid des heiligdoms; en gij, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt.2En ook zult gij uw broederen, den stam van Levi, den stam uws vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar gij, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent der getuigenis.3En zij zullen uw wacht waarnemen, en de wacht der ganse tent; doch tot het gereedschap des heiligdoms en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, zo zij als gijlieden.4Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de wacht van de tent der samenkomst waarnemen, en allen dienst der tent; en een vreemde zal tot u niet naderen.5Gijlieden nu zult waarnemen de wacht des heiligdoms, en de wacht des altaars; opdat er geen verbolgenheid meer zij over de kinderen Israels.6Want Ik, zie, Ik heb uw broederen, de Levieten, uit het midden der kinderen Israels genomen; zij zijn ulieden een gave, gegeven den HEERE, om den dienst van de tent der samenkomst te bedienen.7Maar gij, en uw zonen met u, zult ulieder priesterambt waarnemen in alle zaken des altaars, en in hetgeen van binnen den voorhang is, dat zult gijlieden bedienen; uw priesterambt geve Ik u tot een dienst van een geschenk; en de vreemde, die nadert, zal gedood worden.8Voorts sprak de HEERE tot Aaron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefofferen, met alle heilige dingen van de kinderen Israels heb Ik ze u gegeven, om der zalving wil, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting.9Dit zult gij hebben van de heiligheid der heiligheden, uit het vuur: al hun offeranden, met al hun spijsoffer, en met al hun zondoffer, en met al hun schuldoffer, dat zij Mij zullen wedergeven; het zal u en uw zonen een heiligheid der heiligheden zijn.10Aan het allerheiligste zult gij dat eten; al wat mannelijk is zal dat eten; het zal u een heiligheid zijn.11Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer hunner gave, met alle beweegofferen der kinderen Israels; Ik heb ze aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochteren met u, tot een eeuwige inzetting; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.12Al het beste van de olie, en al het beste van de most, en van koren, hun eerstelingen, die zij den HEERE zullen geven, u heb Ik ze gegeven.13De eerste vruchten van alles, wat in hun land is, die zij den HEERE zullen brengen, zullen uwe zijn; al wie in uw huis rein is, zal dat eten.14Al het verbannene in Israel zal het uwe zijn.15Al wat de baarmoeder opent, van alle vlees, dat zij den HEERE zullen brengen, onder de mensen, en onder de beesten, zal het uwe zijn; doch de eerstgeborenen der mensen zult gij ganselijk lossen; ook zult gij lossen der eerstgeborenen der onreine beesten.16Die nu onder dezelve gelost zullen worden, zult gij van een maand oud lossen, naar uw schatting, voor het geld van vijf sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, die is twintig gera.17Maar het eerstgeborene van een koe, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van een geit zult gij niet lossen, zij zijn heilig; hun bloed zult gij sprengen op het altaar, en hun ver zult gij aansteken, tot een vuuroffer van liefelijken reuk den HEERE.18En hun vlees zal het uwe zijn; gelijk de beweegborst, en gelijk de rechterschouder, zal het uwe zijn.19Alle hefofferen der heilige dingen, die de kinderen Israels den HEERE zullen offeren, heb Ik aan u gegeven, en aan uw zonen, en aan uw dochteren met u, tot een eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn, voor het aangezicht des HEEREN, voor u en voor uw zaad met u.

God had door het uitlopen van de staf het eervolle ambt van de familie van Aäron bevestigd. Dat is de reden waarom hoofdstuk 18 nogmaals terugkomt op het priesterdom, door de voorrechten daarvan op te noemen.

Ten eerste moesten de zonen van Levi zich bij de priesters voegen (de betekenis van de naam Levi is: 'bijvoegen'). Zij werden als een geschenk voor de HEERE aan hen gegeven (vers 6). Dat is een beeld van de dienst van het Woord dat de aanbidder onderwijst.

Het tweede was de dienst op zich (vers 7). Het is op geen enkele wijze een verdienste van hem die de dienst uitoefent, want elke dienst wordt bewerkt door de genade van God. Laten we eraan denken dat wij "onnutte dienstknechten" zijn (Lukas 17 vers 10).

Als de Heere het goed acht ons te gebruiken, gebeurt dat niet, omdat Hij ons nodig zou hebben, maar omdat Hij ons de vreugde wil geven iets voor Hem te mogen doen.

In vers 8 tot en met 18 vinden we een opsomming van de verschillende gaven, de "heilige dingen", die de kinderen van Israël brachten. Deze offergaven zijn ook weer beelden van Christus. Wij mogen van Hem genieten en ons met Hem voeden.

De uitdrukkingen "al het beste" en "de eerstelingen" herinneren ons aan het voornemen van God en de wens van de apostel dat "Hij [Christus] in allen de Eerste zou zijn" (Kolosse 1 vers 18).

Numberi 18:20-32
20Ook zeide de HEERE tot Aaron: Gij zult in hun land niet erven, en gij zult geen deel in het midden van henlieden hebben; Ik ben uw deel en uw erfenis, in het midden van de kinderen Israels.21En zie, aan de kinderen van Levi heb Ik alle tienden in Israel ter erfenis gegeven, voor hun dienst, dien zij bedienen, den dienst van de tent der samenkomst.22En de kinderen Israels zullen niet meer naderen tot de tent der samenkomst, om zonde te dragen en te sterven.23Maar de Levieten, die zullen bedienen den dienst van de tent der samenkomst, en die zullen hun ongerechtigheid dragen; het zal een eeuwige inzetting zijn voor uw geslachten; en in het midden van de kinderen Israels zullen zij geen erfenis erven.24Want de tienden der kinderen Israels, die zij den HEERE tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten tot een erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden van de kinderen Israels geen erfenis erven.25En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:26Gij zult ook tot de Levieten spreken, en tot hen zeggen: Wanneer gij van de kinderen Israels de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van henlieden gegeven heb, zo zult gij daarvan een hefoffer des HEEREN offeren, de tienden van die tienden;27En het zal u gerekend worden tot uw hefoffer, als koren van den dorsvloer, en als de volheid van de perskuip.28Alzo zult gij ook een hefoffer des HEEREN offeren van al uw tienden, die gij van de kinderen Israels zult hebben ontvangen; en gij zult daarvan des HEEREN hefoffer geven aan den priester Aaron.29Van al uw gaven zult gij alle hefoffer des HEEREN offeren; van al het beste van die, van zijn heiliging daarvan.30Gij zult dan tot hen zeggen: Als gij deszelfs beste daarvan offert, zo zal het den Levieten toegerekend worden als een inkomen des dorsvloers, en als een inkomen des perskuips.31En gij zult dat eten in alle plaatsen, gij en uw huis; want het is ulieden een loon voor uw dienst in de tent der samenkomst.32Zo zult gij daarover geen zonde dragen, als gij deszelfs beste daarvan offert; en gij zult de heilige dingen van de kinderen Israels niet ontheiligen, opdat gij niet sterft.

Aan alle gaven die de HEERE aan Aäron en zijn familie gaf (vers 1 tot en met 19), voegt Hij nu de kostbaarste toe: Hij geeft Zichzelf ten erfdeel aan de Zijnen.

"Ik ben uw deel en uw erfenis", zegt de HEERE in vers 20. "De HEERE is het deel van mijn erve, en van mijn beker" —"God ... mijn Deel in eeuwigheid", zo spreken David en Asaf (Psalm 16 vers 5 en 73 vers 26).

De hoogste Gave die God ons gegeven heeft, is Zijn eigen Zoon. En als Christus ons deel is, wat kunnen we dan nog meer wensen op aarde? Laten we het met de Levieten verwerkelijken dat we hier op aarde geen ander erfdeel, geen andere waardevolle goederen bezitten! Daarentegen bezitten we in de hemel alles, want daar hebben we de Heere Jezus Zelf.

Van de Israëliet werd verwacht dat hij een tiende van zijn inkomsten voor de dienst in het heiligdom gaf (Leviticus 27 vers 30). Deze tienden voorzagen in de behoeften van de Levieten die noch een dorsvloer noch een perskuip (vers 30), maar ook geen erfdeel bezaten dat vrucht opleverde. Toch waren zij niet van het voorrecht om van hun goederen een deel af te staan, beroofd. Ook zij gaven op hun beurt weer de tienden van alles wat zij ontvingen.

We kunnen hoofdstuk 18 met een mooie tekst uit het Nieuwe Testament samenvatten: "... zij zijn alle uwe. Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods" (1 Korinthe 3 vers 22 en 23).

Numberi 19:1-10
1Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:2Dit is de inzetting van de wet, die de HEERE geboden heeft, zeggende: Spreek tot de kinderen Israels, dat zij tot u brengen een rode volkomen vaars, in welke geen gebrek is, op welke geen juk gekomen is.3En gij zult die geven aan Eleazar, den priester; en hij zal haar uitbrengen tot buiten het leger, en men zal haar voor zijn aangezicht slachten.4En Eleazar, den priester, zal van haar bloed met zijn vinger nemen, en hij zal van haar bloed recht tegenover de tent der samenkomst zevenmaal sprengen.5Voorts zal men deze vaars voor zijn ogen verbranden; haar vel, en haar vlees, en haar bloed, met haar mest, zal men verbranden.6En de priester zal nemen cederhout, en hysop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van den brand dezer vaars.7Dan zal de priester zijn klederen wassen, en zijn vlees met water baden, en daarna in het leger gaan; en de priester zal onrein zijn tot aan den avond.8Ook die haar verbrand heeft, zal zijn klederen met water wassen, en zijn vlees met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.9En een rein man zal de as dezer vaars verzamelen, en buiten het leger in een reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering van de kinderen Israels, tot het water der afzondering; het is ontzondiging.10En die de as dezer vaars verzameld heeft, zal zijn klederen wassen, en onrein zijn tot aan den avond. Dit zal den kinderen Israels, en den vreemdeling, die in het midden van henlieden als vreemdeling verkeert, tot een eeuwige inzetting zijn.

Het offer van de rode vaars neemt een bijzondere plaats in in het Boek van de woestijn, omdat het in beeld alleen voor de behoeften van de woestijn is bestemd.

Zoals de andere offers, is ook dit offer in bepaalde opzichten een beeld van de Persoon en het werk van Christus. Deze "rode volkomen vaars, in welke geen gebrek is, op welke geen juk gekomen is", herinnert aan de Heere Jezus, het ware vlekkeloze Offerlam, Die in tegenstelling tot ons nooit het juk van de zonde gekend heeft.

Nadat het offer buiten de legerplaats geslacht was, werd het bloed voor de tent van de samenkomst gesprengd. Daarna werd het volledig verbrand.

Het vet werd niet aan de HEERE gegeven en ook de priester kreeg geen deel om te eten.

De as daarentegen werd verzameld, ter bereiding van een grote voorraad reinigingswater, volkomen toereikend voor de afwassing van alle zonden van alle Israëlieten gedurende de lange woestijnreis.

Dit offer was — in beeldspraak — niet voor de behoeften van onbekeerden, maar voor de gelovigen die gefaald hadden. Zo is het eenmaal volbrachte werk van de Heere Jezus volkomen toereikend om de Zijnen die aan de verontreinigingen van de woestijn blootstaan, van hun zonden te reinigen en in gemeenschap met God te bewaren.

De Heilige Geest past door het Woord (het water) de herinnering aan het lijden van Christus (de as) toe op het hart en geweten van de gelovige, als hij gefaald heeft.

Numberi 19:11-22
11Wie een dode, enig dood lichaam van een mens, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn.12Op den derden dag zal hij zich daarmede ontzondigen, zo zal hij op den zevenden dag rein zijn; maar indien hij zich op den derden dag niet ontzondigt, zo zal hij op den zevenden dag niet rein zijn.13Al wie een dode, het dode lichaam eens mensen, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt den tabernakel des HEEREN; daarom zal die ziel uitgeroeid worden uit Israel; omdat het water der afzondering op hem niet gesprengd is, zal hij onrein zijn; zijn onreinigheid is nog in hem.14Dit is de wet, wanneer een mens zal gestorven zijn in een tent: al wie in die tent ingaat, en al wie in die tent is, zal zeven dagen onrein zijn.15Ook alle open gereedschap, waarop geen deksel gebonden is, dat is onrein.16En al wie in het open veld een, die met het zwaard verslagen is, of een dode, of het gebeente eens mensen, of een graf zal aangeroerd hebben, zal zeven dagen onrein zijn.17Voor een onreine nu zullen zij nemen van het stof des brands der ontzondiging, en daarop levend water doen in een vat.18En een rein man zal hysop nemen, en in dat water dopen, en sprengen het aan die tent, en op al het gereedschap, en aan de zielen, die daar geweest zijn; insgelijks aan dengene, die een gebeente, of een verslagene, of een dode, of een graf aangeroerd heeft.19En de reine zal den onreine op den derden dag, en op den zevenden dag besprengen; en op den zevenden dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijn klederen wassen, en zich met water baden, en op den avond rein zijn.20Wie daarentegen onrein zal zijn, en zich niet zal ontzondigen, die ziel zal uit het midden der gemeente uitgeroeid worden; want hij heeft het heiligdom des HEEREN verontreinigd, het water der afzondering is op hem niet gesprengd, hij is onrein.21Dit zal hunlieden zijn tot een eeuwige inzetting. En die het water der afzondering sprengt, zal zijn klederen wassen; ook wie het water der afzondering aanroert, die zal onrein zijn tot aan den avond.22Ja, al wat die onreine aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn; en de ziel, die dat aangeroerd zal hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.

De kracht van het water dat de as van de rode vaars bevatte, kwam tegemoet aan de veelvuldige situaties waardoor men zich gedurende de woestijnreis kon verontreinigen.

Het aanraken van een dode, of alleen maar van gebeente, spreekt van het in contact komen met het verderf en het geweld van de wereld.

Het vlees kan zich openbaren in het gezin ("in die tent"; vers 14). Dan is het zaak op de kinderen (het "open gereedschap") te passen die zo gemakkelijk te beïnvloeden zijn (vers 15; Lukas 17 vers 2).

Het vlees kan zich ook buiten, bij het werk ("in het open veld"; vers 16) openbaren. Een klein bedrog, lasterpraat en een ongepaste grap of geklets (Efeze 5 vers 4). Dat alles kan "gebeente" zijn. Dus openbaringen van het vlees waar wij eigenlijk helemaal niet zoveel aandacht aan schenken.

'Is dat nou zo erg?' — Laten we eraan denken dat we hierdoor verontreinigd worden! Zij die de Heere Jezus niet kennen, vinden deze dingen ongevaarlijk. Maar allen die Hem liefhebben, dienen dit heel ernstig op te nemen, want zij moeten er dan aan denken dat Hij ook voor de allerkleinste zonde moest lijden en sterven om verzoening te doen.

We zouden er steeds aan moeten denken wat deze langdurige vorm van reiniging voor ons betekent.

Zelfoordeel in het licht van Gods Woord en het opnieuw in praktijk brengen van de krachtige uitwerking van het werk van Christus in ons leven, vormen de reiniging zoals God het wil!

Numberi 20: 1-13
1Als de kinderen Israels, de ganse vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zo bleef het volk te Kades. En Mirjam stierf aldaar, en zij werd aldaar begraven.2En er was geen water voor de vergadering; toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aaron.3En het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och, of wij den geest gegeven hadden, toen onze broeders voor het aangezicht des HEEREN den geest gaven!4Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des HEEREN in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?5En waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappelen; ook is er geen water om te drinken.6Toen gingen Mozes en Aaron van het aangezicht der gemeente tot de deur van de tent der samenkomst, en zij vielen op hun aangezichten; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen hun.7En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:8Neem dien staf, en verzamel de vergadering, gij en Aaron, uw broeder, en spreekt gijlieden tot den steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; alzo zult gij hun water voortbrengen uit den steenrots, en gij zult de vergadering en haar beesten drenken.9Toen nam Mozes den staf van voor het aangezicht des HEEREN, gelijk als Hij hem geboden had.10En Mozes en Aaron vergaderden de gemeente voor de steenrots, en hij zeide tot hen: Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen?11Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.12Derhalve zeide de HEERE tot Mozes en tot Aaron: Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van Israel, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.13Dit zijn de wateren van Meriba, daar de kinderen Israels met den HEERE om getwist hebben; en Hij werd aan hen geheiligd.

Geen water! Men begint weer te mopperen. Het hele volk stelt zich op tegen Mozes en Aäron, evenals bij Meriba (Exodus 17). Heeft het dan, ondanks de talrijke bewijzen van de liefde van God, sinds het begin van de reis geen enkele vooruitgang geboekt?

"Waarom ...? En waarom ...?" (vers 4 en 5). Geen water? En toch is de rots er altijd! De HEERE moet zelfs Mozes daaraan herinneren. Al die 'waaroms' kunnen echter geen water uit de rots laten stromen. Men moet tegen die rots spreken.

Is dat niet een prachtig beeld van het gebed? God zou ons alles wat we nodig hebben, kunnen geven, zonder te wachten totdat wij het gemis zouden voelen. Maar Hij wil zo graag dat wij Hem erom vragen, zodat wij ons steeds bewust zijn van onze afhankelijkheid van Hem.

Mozes moet nu een verdrietige ervaring opdoen. In plaats van te spreken, slaat hij in zijn ongeduld en in alle heftigheid op de rots.

Dit lijkt misschien een onschuldige handeling, maar in werkelijkheid heeft het, vanwege zijn betekenis, ernstige gevolgen. Zoals de rots bij de Horeb slechts één keer en niet opnieuw geslagen mocht worden, zo troffen Christus op het kruis eens en voor altijd de slagen van het Goddelijke gericht. Hij hoeft nóóit meer te lijden en te sterven. Zijn werk is voldoende om de Zijnen gedurende de lange woestijnreis in overvloed te voorzien van levend water.

Maar ... op voorwaarde dat wij tot Hem spreken! Doen wij dat?

Numberi 20:14-29
14Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den koning van Edom, welke zeiden: Alzo zegt uw broeder Israel: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is;15Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben.16Toen riepen wij tot den HEERE, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste uwer landpale.17Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn.18Doch Edom zeide tot hem: Gij zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u tegemoet!19Toen zeiden de kinderen Israels tot hem: Wij zullen door den gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrekken.20Doch hij zeide: Gij zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand.21Alzo weigerde Edom Israel toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israel van hem af.22Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.23De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aaron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:24Aaron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan de kinderen Israels gegeven heb, omdat gijlieden Mijn mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meriba.25Neem Aaron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor.26En trek Aaron zijn klederen uit, en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan; want Aaron zal verzameld worden, en daar sterven.27Mozes nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen op tot den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.28En Mozes trok Aaron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aaron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleazar van dien berg af.29Toen de ganse vergadering zag, dat Aaron overleden was, zo beweenden zij Aaron dertig dagen, het ganse huis van Israel.

Op de landkaart is te zien dat de beste route om in de vlakte van de Jordaan te komen en daarbij de Dode Zee te vermijden, door Seïr, het land Edom, loopt.

Israël denkt terug aan de familiebanden met dit volk (Ezau, de stamvader van Edom, was immers de broer van Jakob) en vraagt daarom Edom toestemming om door het land te mogen trekken. Edom weigert dit echter en komt zelfs met dreigementen. Wat een hardheid!

De moeite die zijn broedervolk nu tijdens de tocht moet doorstaan (vers 14), laat hem koud. Egoïsme en de vrees voor pottenkijkers overheersen elk ander gevoel bij hem.

Edom met zijn koning is een beeld van de wereld met haar overste. Zij willen de kinderen van God verhinderen de hemel, hun vaderland, te bereiken.

Het is goed erop te letten op welke manier Israël om toestemming vraagt. Ze hebben iets geleerd van hun vroegere omstandigheden en van wat God voor hen gedaan had.

Ze verzekeren de koning van Edom dan ook heel nadrukkelijk dat ze niets nodig hebben; ze willen het land alleen maar "te voet doortrekken", zonder ook maar aan iemand iets schuldig te zijn. Noch de akkers, noch de wijngaarden (voor ons de dagelijkse bezigheden en de vreugden van de wereld), noch de bronnen van Edom — ze hebben de rots immers teruggevonden! — hebben ook maar enige aantrekkingskracht voor een volk op weg naar het vaderland.

Zoals de HEERE in vers 12 aangekondigd had, sterft Aäron voor het binnengaan in het land Kanaän. In zijn zoon Eleázer wordt een opvolger voor hem gevonden.

Numberi 21:1-15
1Als de Kanaaniet, de koning van Harad, wonende tegen het zuiden, hoorde, dat Israel door den weg der verspieders kwam, zo streed hij tegen Israel, en hij voerde enige gevangenen uit denzelven gevankelijk weg.2Toen beloofde Israel den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen.3De HEERE dan verhoorde de stem van Israel, en gaf de Kanaanieten over; en hij verbande hen en hun steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.4Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.5En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.6Toen zond de HEERE vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israel.7Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den HEERE en tegen u gesproken hebben; bid den HEERE, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.8En de HEERE zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een stang; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven.9En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een stang; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan, en hij bleef levend.10Toen verreisden de kinderen Israels, en zij legerden zich te Oboth.11Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.12Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.13Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.14(Daarom wordt gezegd in het boek van de oorlogen des HEEREN: Tegen Waheb, in een wervelwind, en tegen de beken Arnon,15En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.)

Veertig jaar nadat het volk de nederlaag geleden heeft bij Horma (hoofdstuk 14 vers 45), behaalt het nu op dezelfde plaats de overwinning.

Maar helaas is men direct daarna weer ontmoedigd: "Hier is geen brood, ook geen water" (vers 5). Er is geen gebrek aan manna, maar men wil het niet meer eten! De rots is wel geslagen, maar men vergeet ertegen te praten!

Zo vergaat het ons ook, als we het Woord van God en het gebed verwaarlozen! Als we het bewustzijn van deze hulpmiddelen verliezen, worden we ontmoedigd, beginnen we te klagen en zijn we overgeleverd aan de aanvallen van satan.

Een beet van de slangen brengt Israël zover dat ze hun zonden inzien en belijden.

Opnieuw komt Mozes dan voor het volk op en de HEERE geeft een tegenmiddel: de slang op een stang (vers 8). Eén enkele blik daarop bracht genezing.

De Heere Jezus verklaart in Zijn gesprek met Nicodémus de geestelijke betekenis van deze gebeurtenis in de woestijn. De koperen slang die door Mozes verhoogd werd, wijst op Hemzelf. Hij, Christus, is de op het kruis verhoogde Zoon des mensen Die voor ons tot zonde gemaakt is (2 Korinthe 5 vers 21). Hij werd ééngemaakt met het kwaad en daarvoor geoordeeld. Zó groot was de liefde van God voor de wereld (Johannes 3 vers 14 tot en met 16)!

Hebt u de blik van het geloof al gericht op de aan het kruis verhoogde Heiland? Hebt u al eeuwig leven?

Numberi 21:16-35
16En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven.17(Toen zong Israel dit lied: Spring op, gij put, zingt daarvan bij beurte!18Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;19En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth;20En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.21Toen zond Israel boden tot Sihon, den koning der Amorieten, zeggende:22Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water der putten niet drinken; wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn.23Doch Sihon liet Israel niet toe, door zijn landpale te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israel tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israel;24Maar Israel sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale der kinderen Ammons was vast.25Alzo nam Israel al deze steden in; en Israel woonde in al de steden der Amorieten, te Hesbon, en in al haar onderhorige plaatsen.26Want Hesbon was de stad van Sihon, den koning der Amorieten; en hij had gestreden tegen den vorigen koning der Moabieten, en hij had al zijn land uit zijn hand genomen, tot aan de Arnon.27Daarom zeggen zij, die spreekwoorden gebruiken: Komt tot Hesbon; men bouwe en bevestige de stad van Sihon!28Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon; een vlam uit de stad van Sihon; zij heeft verteerd Ar der Moabieten, en de heren der hoogten van de Arnon.29Wee u, Moab! Gij, volk Kamoz zijt verloren! Hij heeft zijn zonen, die ontliepen, en zijn dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, den koning der Amorieten.30En wij hebben hen nedergeveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, welke tot Medeba toe reikt.31Alzo woonde Israel in het land van den Amoriet.32Daarna zond Mozes om Jaezer te verspieden; en zij namen haar onderhorige plaatsen in; en hij dreef de Amorieten, die er waren, uit de bezitting.33Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de koning van Basan, ging uit hen tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, en Edrei.34De HEERE nu zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want Ik heb hem in uw hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.35En zij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk, alzo dat hem niemand overbleef; en zij namen zijn land in erfelijke bezitting.

Op het bevel van de HEERE verzamelde Mozes het volk rondom de put Beër. Vorsten en edelen hebben die gegraven en het water borrelt uit de diepe bron naar boven, tot verfrissing van allen. Dat is een treffend beeld van de schatten uit het Woord van God die knechten van God tot zegen voor ons aan het licht hebben gebracht.

Vorsten in vruchtdragend werk zijn zij die arbeiden en voorstanders in de Heere zijn (1 Thessalonika 5 vers 12), terwijl de "edelen van het volk" doen denken aan de Beréërs die edeler waren dan de Thessalonikers (Handelingen 17 vers 11), omdat zij zich dagelijks met het onderzoek van de Schriften bezighielden.

Soms bewondert men adellijke figuren of is men zelfs jaloers op hen. Nu, hier hebben we een soort adel tot voorbeeld die de Bijbel erkent en aan ons doorgeeft. Want elk kind van God wordt opgeroepen de Schriften te onderzoeken.

De geestelijke verfrissing aan de bron heeft het hart van het volk verkwikt en verblijd.

"Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge!" (Jakobus 5 vers 13). En Israël zong.

Sinds de Rode Zee, veertig jaar geleden, lezen we niet meer van hen dat ze zongen (afgezien van het onheilige zingen en dansen om het gouden kalf). Eindelijk heeft het mopperen plaatsgemaakt voor de lofzang.

Met die blijdschap heeft Israël ook de kracht gevonden (Nehemia 8 vers 11). Deze kracht ontplooit zich in de strijd tegen Sihon en Og en brengt prachtige overwinningen met zich mee.

Numberi 22:1-21
1Daarna reisden de kinderen van Israel, en legerden zich in de vlakken velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.2Toen Balak, de zoon van Zippor, zag al wat Israel aan de Amorieten gedaan had;3Zo vreesde Moab zeer voor het aangezicht dezes volks, want het was veel; en Moab was beangstigd voor het aangezicht van de kinderen Israels.4Derhalve zeide Moab tot de oudsten der Midianieten: Nu zal deze gemeente oplikken al wat rondom ons is, gelijk de os de groente des velds oplikt. Te dier tijd nu was Balak, de zoon van Zippor, koning der Moabieten.5Die zond boden aan Bileam, den zoon van Beor, te Pethor, hetwelk aan de rivier is, in het land der kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht des lands bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij.6En nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is machtiger dan ik; misschien zal ik het kunnen slaan, of het uit het land verdrijven; want ik weet, dat, wien gij zegent, die zal gezegend zijn, en wien gij vervloekt, die zal vervloekt zijn.7Toen gingen de oudsten der Moabieten, en de oudsten der Midianieten, en hadden het loon der waarzeggingen in hun hand; alzo kwamen zij tot Bileam, en spraken tot hem de woorden van Balak.8Hij dan zeide tot hen: Vernacht hier dezen nacht, zo zal ik ulieden een antwoord wederbrengen, gelijk als de HEERE tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de vorsten der Moabieten bij Bileam.9En God kwam tot Bileam en zeide: Wie zijn die mannen, die bij u zijn?10Toen zeide Bileam tot God: Balak, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, heeft hen tot mij gezonden, zeggende:11Zie, er is een volk uit Egypte getogen, en het heeft het gezicht des lands bedekt; kom nu, vervloek het mij; misschien zal ik tegen hetzelve kunnen strijden, of het uitdrijven.12Toen zeide God tot Bileam: Gij zult met hen niet trekken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend.13Toen stond Bileam des morgens op, en zeide tot de vorsten van Balak: Gaat naar uw land; want de HEERE weigert mij toe te laten met ulieden te gaan.14Zo stonden dan de vorsten der Moabieten op, en kwamen tot Balak, en zij zeiden: Bileam heeft geweigerd met ons te gaan.15Doch Balak voer nog voort vorsten te zenden, meer en eerlijker, dan die waren;16Die tot Bileam kwamen, en hem zeiden: Alzo zegt Balak, de zoon van Zippor: Laat u toch niet beletten tot mij te komen!17Want ik zal u zeer hoog vereren, en al wat gij tot mij zeggen zult, dat zal ik doen; zo kom toch, vervloek mij dit volk!18Toen antwoordde Bileam, en zeide tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel des HEEREN mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot.19En nu, blijft gijlieden toch ook hier dezen nacht, opdat ik wete, wat de HEERE tot mij verder spreken zal.20God nu kwam tot Bileam des nachts, en zeide tot hem: Dewijl die mannen gekomen zijn, om u te roepen, sta op, ga met hen; en nochtans zult gij dat doen, hetwelk Ik tot u spreken zal.21Toen stond Bileam des morgens op, en zadelde zijn ezelin, en hij trok heen met de vorsten van Moab.

We verlaten nu voor een aantal dagen het volk Israël om te zien wat er zich intussen bij hun vijanden afspeelt.

Vol angst en beven hebben Moab en zijn koning Balak het volk Israël uit de woestijn zien komen. Ze zeggen dat het land als het ware door hen bedekt wordt en dat zij zich tegenover hen legeren. Ze zijn bang voor hun oogst én verachten dit volk.

Moab zegt dat ze misschien alles "oplikken wat rondom ons is, gelijk de os het groen des velds oplikt". Maar Moab kan gerust zijn! Als het manna, het 'Brood des levens', gewaardeerd wordt door het volk, verlangt het helemaal niet naar wat de wereld biedt.

Om Israël te kunnen overwinnen, meent Balak de toevlucht te moeten nemen tot bovennatuurlijke middelen. Hij roept de hulp in van de profeet Bíleam van wie hij al veel gehoord had. Bíleam is in de Heilige Schrift de belichaming van een voor loon werkende en tegensprekende geestelijkheid (Deuteronomium 23 vers 4 en Judas vers 11).

Bíleam wordt tussen zijn begeerte, z'n verlangen naar de rijkdom en de eer van de boden van Balak, én het besef niet te kunnen handelen tegen de wil van de almachtige God, heen en weer geslingerd.

God had hem opgezocht en hem heel duidelijk te kennen gegeven: "Gij zult met hen niet trekken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend" (vers 12). De ontrouwe man hoopt de HEERE echter van Zijn verklaring af te kunnen brengen, maar vergeet dat God Zijn plannen nooit verandert (hoofdstuk 23 vers 19). Als de tweede afvaardiging bij hem komt, krijgt hij toestemming om daarheen te gaan waarnaar zijn hebzuchtig hart verlangt.

Numberi 22:22-41
22Doch de toorn des HEEREN werd ontstoken, omdat hij heentoog; en de Engel des HEEREN stelde Zich in den weg, hem tot een tegenpartij; hij nu reed op zijn ezelin, en twee zijner jongeren waren bij hem.23De ezelin nu zag den Engel des HEEREN staande in den weg, met Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom week de ezelin uit den weg, en ging in het veld. Toen sloeg Bileam de ezelin, om dezelve naar den weg te doen wenden.24Maar de Engel des HEEREN stond in een pad der wijngaarden, zijnde een muur aan deze, en een muur aan gene zijde.25Toen de ezelin den Engel des HEEREN zag, zo klemde hij zichzelve aan den wand, en klemde Bileams voet aan den wand; daarom voer hij voort haar te slaan.26Toen ging de Engel des HEEREN noch verder, en Hij stond in een enge plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechterhand noch ter linkerhand.27Als de ezelin den Engel des HEEREN zag, zo legde zij zich neder onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak, en hij sloeg de ezelin met een stok.28De HEERE nu opende den mond der ezelin, die tot Bileam zeide: Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt?29Toen zeide Bileam tot de ezelin: Omdat gij mij bespot hebt; och, of ik een zwaard in mijn hand had! want ik zoude u nu doden.30De ezelin nu zeide tot Bileam: Ben ik niet uw ezelin, op welke gij gereden hebt van toen af, dat gij mijn heer geweest zijt, tot op dezen dag? Ben ik ooit gewend geweest u alzo te doen? Hij dan zeide: Neen!31Toen ontdekte de HEERE de ogen van Bileam, zodat hij den Engel des HEEREN zag, staande in den weg, en Zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand; daarom neigde hij het hoofd en boog zich op zijn aangezicht.32Toen zeide de Engel des HEEREN tot hem: Waarom hebt gij uw ezelin nu driemaal geslagen? Zie, Ik ben uitgegaan u tot een tegenpartij, dewijl deze weg van Mij afwijkt.33Maar de ezelin heeft Mij gezien, en zij is nu driemaal voor Mijn aangezicht geweken; indien zij voor Mijn aangezicht niet geweken ware, zekerlijk Ik zoude u nu ook gedood, en haar bij het leven behouden hebben.34Toen zeide Bileam tot den Engel des HEEREN: Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten, dat Gij mij tegemoet op dezen weg stondt en nu, is het kwaad in Uw ogen, ik zal wederkeren.35De Engel des HEEREN nu zeide tot Bileam: Ga heen met deze mannen; maar alleenlijk dat woord, wat Ik tot u spreken zal, dat zult gij spreken. Alzo toog Bileam met de vorsten van Balak.36Als Balak hoorde, dat Bileam kwam, zo ging hij uit, hem tegemoet, tot de stad der Moabieten, welke aan de landpale van de Arnon ligt, die aan het uiterste der landpale is.37En Balak zeide tot Bileam: Heb ik niet ernstiglijk tot u gezonden, om u te roepen? Waarom zijt gij niet tot mij gekomen? Kan ik u niet te recht vereren?38Toen zeide Bileam tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen; zal ik nu enigzins iets kunnen spreken? Het woord, hetwelk God in mijn mond leggen zal, dat zal ik spreken.39En Bileam ging met Balak; en zij kwamen te Kirjath-Huzzoth.40Toen slachtte Balak runderen en schapen; en hij zond aan Bileam, en aan de vorsten, die bij hem waren.41En het geschiedde des morgens, dat Balak Bileam nam, en voerde hem op de hoogten van Baal, dat hij van daar zag het uiterste des volks.

Bíleam heeft zijn ezelin gezadeld en is met frisse moed vertrokken. Misschien heeft hij het loon voor zijn ongerechtigheid al wel uitgerekend. Maar voor God is het een weg die van Hem "afwijkt" (vers 32), dat wil zeggen, een weg die naar het verderf leidt.

Bíleam doet alsof hij gehoorzaam is aan God, maar in werkelijkheid wordt hij "door zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt" (Jakobus 1 vers 14). De HEERE wil hem dit duidelijk maken en spreekt op bovennatuurlijke wijze door zijn ezelin tot hem. Tevergeefse moeite! Vervolgens vertoont de Engel Zichzelf aan hem en waarschuwt hem (zie 2 Petrus 2 vers 15 en 16). Maar Bíleam, dommer en blinder dan zijn ezelin, blijft halsstarrig en uiteindelijk laat God hem gaan.

Gebeurt het soms ook niet bij ons dat God als het ware midden op onze zelfgekozen weg gaat staan om ons tot stilstand te brengen? Hij bouwt hindernissen op, waardoor Hij tot ons wil spreken, als we maar willen luisteren. Als dat zich voordoet, moeten we ons altijd direct afvragen of God het wel eens is met onze eigen plannen.

Het Nieuwe Testament spreekt eerst over "de weg van Bileam" (2 Petrus 2 vers 15), dan over zijn "verleiding" (Judas vers 11) en tenslotte over zijn "lering" (Openbaring 2 vers 14). Zo zien we dat de eigenzinnigheid steeds verder gaat.

Balak en Bíleam ontmoeten elkaar om hun boze plan uit te voeren. Deze beide bondgenoten zijn een beeld van de boze koning, "het beest" genaamd, en "de valse profeet", de antichrist, die in de eindtijd door satan tegen Israël en tegen God opgehitst zullen worden.

Numberi 23:1-12
1Toen zeide Bileam tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen.2Balak nu deed, gelijk als Bileam gesproken had; en Balak en Bileam offerden een var en een ram, op elk altaar.3Toen zeide Bileam tot Balak: Blijf staan bij uw brandoffer, en ik zal heengaan; misschien zal de HEERE mij tegemoet komen; en hetgeen Hij wijzen zal, dat zal ik u bekend maken. Toen ging hij op de hoogte.4Als God Bileam ontmoet was, zo zeide hij tot Hem: Zeven altaren heb ik toegericht, en heb een var en een ram op elk altaar geofferd.5Toen legde de HEERE het woord in den mond van Bileam, en zeide: Keer weder tot Balak, en spreek aldus.6Als hij nu tot hem wederkeerde, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, hij en al de vorsten der Moabieten.7Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Uit Syrie heeft mij Balak, de koning der Moabieten, laten halen, van het gebergte tegen het oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israel!8Wat zal ik vloeken, dien God niet vloekt; en wat zal ik schelden, waar de HEERE niet scheldt?9Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; ziet, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden.10Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israel? Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!11Toen zeide Balak tot Bileam: Wat hebt gij mij gedaan? Ik heb u genomen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt hen doorgaans gezegend!12Hij nu antwoordde en zeide: Zal ik dat niet waarnemen te spreken, wat de HEERE in mijn mond gelegd heeft?

Bíleam die al toestemming had om te gaan waarheen hijzelf wilde, zou nu God nog graag zover gebracht hebben dat hij ook mocht zeggen wat hijzelf wilde. Maar tegen zijn wil en tot grote ergernis van Balak veranderen zijn vier uitspraken juist in heerlijke zegeningen.

Dat is ook het eindresultaat van alle aanklachten van satan tegen de verlosten van de Heere (Openbaring 12 vers 10). Zoals ook de geschiedenis van Job ons leert, keert God zulke aanvallen ten goede voor de Zijnen.

Laten we erop letten dat zich dit allemaal afspeelt op de berg. Het volk beneden in de vlakte weet er niets van; dat volk kent noch de plannen van de vijand, noch de manier waarop God die verijdelt.

"Dat volk zal alleen wonen" (vers 9); dát is het eerste kenmerk van Israël. Een afgezonderd volk voor God. Zo is het met de ware 'kerk', de gemeente, maar ook met elke gelovige persoonlijk. De christen is in moreel opzicht van een veroordeelde wereld gescheiden. Dus afgezonderd voor de Heere.

Bíleam zegt aan het einde van zijn uitspraak: "Mijn uiterste zij gelijk het zijne" (vers 10). Hij doelde daarmee op zijn sterven. Maar om 'de dood der oprechten' te kunnen sterven, moet je ook als een oprechte geleefd hebben!

Bíleam is echter, zoals vele anderen met hem, een dubbelhartig man die twee heren probeert te dienen. Hij belijdt God te vrezen en brengt het volmaakte getal aan offers, maar tegelijkertijd volgt hij het verlangen, de begeerte van zijn hart.

Numberi 23:13-30
13Toen zeide Balak tot hem: Kom toch met mij aan een andere plaats, van waar gij hem zult zien; gij zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet ganselijk zien; en vervloek hem mij van daar!14Alzo nam hij hem mede tot het veld Zofim, op de hoogte van Pisga; en hij bouwde zeven altaren, en hij offerde een var en een ram op elk altaar.15Toen zeide hij tot Balak: Blijf hier staan bij uw brandoffer, en ik zal Hem aldaar ontmoeten.16Als de HEERE Bileam ontmoet was, zo legde Hij het woord in zijn mond, en Hij zeide: Keer weder tot Balak, en spreek alzo.17Toen hij tot hem kwam, ziet, zo stond hij bij zijn brandoffer, en de vorsten der Moabieten bij hem. Balak nu zeide tot hem: Wat heeft de HEERE gesproken?18Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Sta op, Balak, en hoor! Neig uw oren tot mij, gij, zoon van Zippor!19God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken?20Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl Hij zegent, zo zal ik het niet keren.21Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israel. De HEERE, zijn God, is met hem, en het geklank des Konings is bij hem.22God heeft hen uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn.23Want er is geen toverij tegen Jakob noch waarzeggerij tegen Israel. Te dezer tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israel, wat God gewrocht heeft.24Zie, het volk zal opstaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet neerleggen, totdat het den roof gegeten, en het bloed der verslagenen gedronken zal hebben!25Toen zeide Balak tot Bileam: Gij zult het ganselijk noch vloeken, noch geenszins zegenen.26Doch Bileam antwoordde en zeide tot Balak: Heb ik niet tot u gesproken, zeggende: Al wat de HEERE spreken zal, dat zal ik doen?27Verder zeide Balak tot Bileam: Kom toch, ik zal u aan een ander plaats medenemen; misschien zal het recht zijn in de ogen van dien God, dat gij het mij van daar vervloekt.28Toen nam Balak Bileam mede tot de hoogte van Peor, die tegen de woestijn ziet.29En Bileam zeide tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen.30Balak nu deed, gelijk als Bileam gezegd had; en hij offerde een var en een ram op elk altaar.

"Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt?" (Romeinen 8 vers 33 en 34).

Het is net alsof de HEERE de aanklager uitlacht, door hem vanaf de berg zelf te laten verkondigen: "Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob; ook ziet Hij niet aan de boosheid in Israël".

Als we dit vers 21 lezen, denken we misschien: Hoe kan God nu iets verklaren wat door de feiten juist tegengesproken wordt? Heeft Hij dan het mopperen, de begeerte, de afgodendienst en de opstand vergeten?

Het antwoord vinden we in vers 23: "Te dezer tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israël, wat God gewerkt heeft".

Terwijl het volk in de woestijn de éne misstap na de andere beging, voleindigde de HEERE aan hen het werk dat zo nodig was om hen geschikt te maken voor de intocht in het beloofde land.

Hij heeft voorzieningen getroffen voor alle zonden van de Zijnen, door hen de offers, de priesterdienst en de koperen slang te geven. Allemaal voorafschaduwingen van het werk van de Heere Jezus.

Als God zó spreekt, betekent dat niet dat Hij toegeeflijk is ten opzichte van het kwaad. Maar als Hij Zijn volk beziet, ziet Hij in hen Zijn eigen werk. Hij ziet voortdurend het werk van Zijn Zoon. Hij zou niet trouw en rechtvaardig tegenover deze volmaakte Redder zijn, als Hij hen die door Zijn bloed gewassen zijn, toch nog schuldig zou verklaren vanwege ook maar de kleinste zonde (1 Johannes 1 vers 9).

Numberi 24:1-13
1Toen Bileam zag, dat het goed was in de ogen des HEEREN, dat hij Israel zegende, zo ging hij ditmaal niet heen, gelijk meermalen, tot de toverijen; maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn.2Als Bileam zijn ogen ophief, en Israel zag, wonende naar zijn stammen, zo was de Geest van God op hem.3En hij hief zijn spreuk op, en zeide: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en de man, wien de ogen geopend zijn, spreekt!4De hoorder der redenen Gods spreekt, die het gezicht des Almachtigen ziet; die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden!5Hoe goed zijn uw tenten, Jakob! uw woningen, Israel!6Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; de HEERE heeft ze geplant, als de sandelbomen, als de cederbomen aan het water.7Er zal water uit zijn emmeren vloeien, en zijn zaad zal in vele wateren zijn; en zijn koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden.8God heeft hem uit Egypte uitgevoerd; zijn krachten zijn als van een eenhoorn; hij zal de heidenen, zijn vijanden, verteren, en hun gebeente breken, en met zijn pijlen doorschieten.9Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich nedergelegd, gelijk een leeuw, en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan? Zo wie u zegent, die zij gezegend, en vervloekt zij, wie u vervloekt!10Toen ontstak de toorn van Balak tegen Bileam, en hij sloeg zijn handen samen; en Balak zeide tot Bileam: Ik heb u geroepen, om mijn vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt hen nu driemaal gedurig gezegend!11En nu, pak u weg naar uw plaats! Ik had gezegd, dat ik u hoog vereren zou; maar zie, de HEERE heeft u die eer van u geweerd!12Toen zeide Bileam tot Balak: Heb ik ook niet tot uw boden, die gij tot mij gezonden hebt, gesproken, zeggende:13Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zo kan ik het bevel des HEEREN niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen hart; wat de HEERE spreken zal, dat zal ik spreken.

Bij de verkondiging van zijn derde profetie doet Bíleam afstand van de vroeger bedreven toverij (vers 1). Zoals een mens die helemaal overgegeven is aan het spiritisme, dus die gewoonlijk een werktuig van demonen is, zo wordt hij gedwongen de profetieën die Godzelf in zijn mond legt, uit te spreken.

Vers 5 constateert niet alleen dat er geen ongerechtigheid in Jakob is (genade), maar toont ook de bewonderenswaardige schoonheid van de tenten van Israël (de heerlijkheid). En te midden van deze tenten stond de tent van de HEERE, de woning van Zijn heerlijkheid, zodat het hele tentenkamp deel had aan die heerlijkheid.

De gemeente is nu nog in de woestijn, maar God ziet haar al in de heerlijke verbinding met Zijn geliefde Zoon. Zij is de bruid van Christus en in Zijn ogen bekleed met de volmaaktheden van de Goddelijke Bruidegom.

God roept ons, de gemeente, maar ook elke broeder en zuster persoonlijk, op om de dingen vanaf "de hoogte der steenrotsen" te bezien (hoofdstuk 23 vers 9). Dus zoals Hij hen vanuit de hemel ziet. Als we dat doen, zullen we een heel ander zicht op hen krijgen.

We zullen dan de schoonheid van het kleed van de gerechtigheid zien schitteren waarmee de Heere de Zijnen bekleed heeft. We zullen in hen een weerspiegeling zien van de heerlijkheid van de Heere Jezus Zelf. En mochten we daarbij onverhoopt toch dingen zien waar we moeite mee hebben, dan geeft ons dat juist de gelegenheid om de grootte van de Goddelijke vergeving meer te bewonderen.

Numberi 24:14-25
14En nu, zie, ik ga tot mijn volk; kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uw volk doen zal in de laatste dagen.15Toen hief hij zijn spreuk op, en zeide: Bileam, de zoon van Beor, spreekt, en die man, wien de ogen geopend zijn, spreekt!16De hoorder der redenen Gods spreekt, en die de wetenschap des Allerhoogsten weet; die het gezicht des Almachtigen ziet, die verrukt wordt, en wien de ogen ontdekt worden.17Ik zal hem zien, maar nu niet; ik aanschouw Hem, maar niet nabij. Er zal een ster voortkomen uit Jakob, en er zal een scepter uit Israel opkomen; die zal de palen der Moabieten verslaan, en zal al de kinderen van Seth verstoren.18En Edom zal een erfelijke bezitting zijn; en Seir zal zijn vijanden een erfelijke bezitting zijn; doch Israel zal kracht doen.19En er zal een uit Jakob heersen, en hij zal de overigen uit de steden ombrengen.20Toen hij de Amalekieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zeide: Amalek is de eersteling der heidenen; maar zijn uiterste is ten verderve!21Toen hij de Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zeide: Uw woning is vast, en gij hebt uw nest in een steenrots gelegd.22Evenwel zal Kain verteerd worden, totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal!23Voorts hief hij zijn spreuk op, en zeide: Och, wie zal leven, als God dit doen zal!24En de schepen van den oever der Chitteers, die zullen Assur plagen, zij zullen ook Heber plagen; en hij zal ook ten verderve zijn.25Toen stond Bileam op, en ging heen, en keerde weder tot zijn plaats. Balak ging ook zijn weg.

De laatste profetie van de profeet Bíleam begint eigenlijk met een uitspraak over hemzelf. Wat heeft die man toch een grote verantwoordelijkheid! Hij hoort het Woord van God, bezit de wetenschap van de Allerhoogste, ziet het gezicht van de Almachtige! Ondanks deze geweldige voorrechten valt hij diep.

Sommige zogenaamde christenen zullen zeggen: "Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd?" (Mattheüs 7 vers 22). Maar zij zullen hetzelfde lot ondergaan als Bíleam, omdat hun kennis van Bijbelse waarheden geen uitwerking had op hun eigen geweten.

Geopende ogen te hebben om de Heere Jezus te zien, "maar nu niet" en "niet nabij" (vers 17) — wat een verschrikkelijke toekomst! Datzelfde lot trof ook de rijke man in Lukas 16 die vanuit de plaats van pijniging het geluk van de verlosten zag. "Alle oog zal Hem zien" (Openbaring 1 vers 7), maar niet allemaal in dezelfde omstandigheden!

Wanneer en hoe zult u, zal jij de Heere zien?

Er onthult zich voor Bíleam een compleet profetisch panorama. Een heldere 'Ster' belicht het: Christus, de Koning der heerlijkheid.

Zijn verschijnen is verbonden met het oordeel over de buurlanden van Israël, ten eerste over Moab zelf.

De Heere Jezus is de blinkende Morgenster Die het aanbreken van de dag aankondigt (Openbaring 2 vers 28; 22 vers 16). Voor de wereld is Hij nog onzichtbaar, maar in de harten van de verlosten is Hij al opgegaan (2 Petrus 1 vers 19).

Numberi 25:1-18
1En Israel verbleef te Sittim, en het volk begon te hoereren met de dochteren der Moabieten.2En zij nodigden het volk tot de slachtofferen harer goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden.3Als nu Israel zich koppelde aan Baal-Peor, ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel.4En de HEERE zeide tot Mozes: Neem alle hoofden des volks, en hang ze den HEERE tegen de zon, zo zal de hittigheid van des HEEREN toorn gekeerd worden van Israel.5Toen zeide Mozes tot de rechters van Israel: Een iedere dode zijn mannen, die zich aan Baal-Peor gekoppeld hebben!6En ziet, een man uit de kinderen Israels kwam, en bracht een Midianietin tot zijn broederen voor de ogen van Mozes, en voor de ogen van de ganse vergadering der kinderen Israels, toen zij weenden voor de deur van de tent der samenkomst.7Toen Pinehas, de zoon van Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, dat zag, zo stond hij op uit het midden der vergadering, en nam een spies in zijn hand;8En hij ging den Israelietischen man na in de hoerenwinkel, en doorstak hen beiden, den Israelietischen man en de vrouw, door hun buik. Toen werd de plaag van over de kinderen Israels opgehouden.9Degenen nu, die aan de plaag stierven, waren vier en twintig duizend.10Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:11Pinehas, de zoon van Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, heeft Mijn grimmigheid van over de kinderen Israels afgewend, dewijl hij Mijn ijver geijverd heeft in het midden derzelve, zodat Ik de kinderen Israels in Mijn ijver niet vernield heb.12Daarom spreek: Zie, Ik geef hem Mijn verbond des vredes.13En hij zal hebben, en zijn zaad na hem, het verbond des eeuwigen priesterdoms, daarom dat hij voor zijn God geijverd, en verzoening gedaan heeft voor de kinderen Israels.14De naam nu des verslagenen Israelietischen mans, die verslagen was met de Midianietin, was Zimri, de zoon van Salu, een overste van een vaderlijk huis der Simeonieten.15En de naam der verslagene Midianietische vrouw was Kozbi, een dochter van Zur, die een hoofd was der volken van een vaderlijk huis onder de Midianieten.16Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:17Handel vijandelijk met de Midianieten, en versla hen;18Want zij hebben vijandelijk tegen ulieden gehandeld door hun listen, die zij listig tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter van den overste der Midianieten, hun zuster, die verslagen is, ten dage der plaag, om de zaak van Peor.

Om goed te kunnen begrijpen wat er zich nu afspeelt, moeten we vooruitgrijpen naar hoofdstuk 31 vers 16.

In het hart van Bíleam die de kans op het loon waar hij zó naar verlangd had, zag verdwijnen, kwam een duivelse gedachte op. Hij had zelf verkondigd dat God in Israël geen ongerechtigheid en geen boosheid had gevonden (hoofdstuk 23 vers 21).

Dat zal niet zo blijven, dacht hij bij zichzelf. Laten we dit volk tot zonde verleiden; dan zal de HEERE wel gedwongen zijn het te vervloeken. Moest Israël geen afgezonderd volk zijn (hoofdstuk 23 vers 9)? Laten we toch proberen hen zover te krijgen dat ze zich vermengen met andere volkeren!

En Bíleam leerde Balak "de kinderen Israëls een aanstoot voor te werpen, opdat zij afgodenoffer zouden eten en hoereren" (Openbaring 2 vers 14). Het resultaat van deze duistere praktijken was die verdrietige en verootmoedigende zaak met Baäl-Peor.

O, de uitnodigingen van de wereld zijn veel gevaarlijker dan hun verwensingen! Het volk trapt in de door Moab en zijn bondgenoot Midian opgestelde val. De ijver van een Pínehas is nodig om de toorn van de HEERE af te wenden en de plaag te laten ophouden.

De houding van Pínehas wordt direct beloond. Daaruit kunnen we leren dat het de Heere welgevallig is, als een jongeman of een jong meisje, te midden van een algemeen zedelijk verval, toch zijn of haar weg in reinheid gaat en er moedig voor uit durft te komen dat hij of zij bij de Heere hoort.

Numberi 26:1-65
1Het geschiedde nu na die plaag, dat de HEERE sprak tot Mozes, en tot Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, zeggende:2Neem de som van de gehele vergadering der kinderen Israels op, van twintig jaren oud en daarboven, naar het huis hunner vaderen, al wie ten heire in Israel uittrekt.3Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:4Dat men opneme van twintig jaren oud en daarboven; gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en den kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen waren.5Ruben was de eerstgeborene van Israel. De zonen van Ruben waren: Hanoch, van welken was het geslacht der Hanochieten; van Pallu het geslacht der Palluieten;6Van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Karmi het geslacht der Karmieten.7Dit zijn de geslachten der Rubenieten; en hun getelden waren drie en veertig duizend zevenhonderd en dertig.8En de zonen van Pallu waren Eliab.9En de zonen van Eliab waren Nemuel, en Dathan, en Abiram; deze Dathan en Abiram waren de geroepenen der vergadering, die gekijf maakten tegen Mozes en tegen Aaron, in de vergadering van Korach, als zij gekijf tegen den HEERE maakten.10En de aarde haar mond opendeed, en verslond hen met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en werden tot een teken.11Maar de kinderen van Korach stierven niet.12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;13Van Zerah het geslacht der Zerahieten; van Saul het geslacht der Saulieten.14Dat zijn de geslachten der Simeonieten: twee en twintig duizend en tweehonderd.15De zonen van Gad, naar hun geslachten: van Zefon het geslacht der Zefonieten; van Haggi het geslacht der Haggieten; van Suni het geslacht der Sunieten.16Van Ozni het geslacht der Oznieten; van Heri het geslacht der Herieten;17Van Arod het geslacht der Arodieten; van Areli het geslacht der Arelieten.18Dat zijn de geslachten der zonen van Gad, naar hun getelden: veertig duizend en vijfhonderd.19De zonen van Juda waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het land Kanaan.20Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.21En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.22Dat zijn de geslachten van Juda, naar hun getelden: zes en zeventig duizend en vijfhonderd.23De zonen van Issaschar, naar hun geslachten, waren: van Tola het geslacht der Tolaieten; van Puva het geslacht der Punieten;24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.25Dat zijn de geslachten van Issaschar, naar hun getelden: vier en zestig duizend en driehonderd.26De zonen van Zebulon, naar hun geslachten, waren: van Sered het geslacht der Seredieten; van Elon het geslacht der Elonieten; van Jahleel het geslacht der Jahleelieten.27Dat zijn de geslachten der Zebulonieten, naar hun getelden: zestig duizend en vijfhonderd.28De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraim.29De zonen van Manasse waren: van Machir het geslacht der Machirieten; Machir nu gewon Gilead; van Gilead was het geslacht der Gileadieten.30Dit zijn de zonen van Gilead: van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Helek het geslacht der Helekieten.31En van Asriel het geslacht der Alrielieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.33Doch Zelafead, de zoon van Hefer, had geen zonen, maar dochters; en de namen der dochteren van Zelafead waren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.34Dat zijn de geslachten van Manasse: en hun getelden waren twee en vijftig duizend en zevenhonderd.35Dit zijn de zonen van Efraim, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.36En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.37Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.38De zonen van Benjamin, naar hun geslachten: van Bela het geslacht der Belaieten; van Asbel het geslacht der Asbelieten; van Ahiram het geslacht der Ahirmieten;39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.40En de zonen van Bela waren Ard en Naaman; van Ard het geslacht der Ardieten; van Naaman het geslacht der Naamieten.41Dat zijn de zonen van Benjamin, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en zeshonderd.42Dit zijn de zonen van Dan, naar hun geslachten: van Suham het geslacht der Suhamieten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hun geslachten.43Al de geslachten der Suhamieten, naar hun getelden, waren vier en zestig duizend en vierhonderd.44De zonen van Aser, naar hun geslachten, waren: van Imna het geslacht der Imnaieten; van Isvi het geslacht der Isvieten; van Beria het geslacht der Beriieten.45Van de zonen van Beria waren: van Heber het geslacht der Heberieten; van Malchiel het geslacht der Malchielieten.46En de naam der dochter van Aser was Serah.47Dat zijn de geslachten der zonen van Aser, naar hun getelden: drie en vijftig duizend en vierhonderd.48De zonen van Nafthali, naar hun geslachten: van Jahzeel het geslacht der Jahzeelieten; van Guni het geslacht der Gunieten;49Van Jezer het geslacht der Jezerieten; van Sillem het geslacht der Sillemieten.50Dat zijn de geslachten van Nafthali, naar hun geslachten; en hun getelden waren vijf en veertig duizend en vierhonderd.51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.52En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:53Aan dezen zal het land uitgedeeld worden ter erfenis, naar het getal der namen.54Aan degenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en aan hen, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; aan een iegelijk zal, naar zijn getelden, zijn erfenis gegeven worden.55Het land nochtans zal door het lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven.56Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tussen de velen, en de weinigen.57Dit zijn nu de getelden van Levi, naar hun geslachten: van Gerson het geslacht der Gersonieten; van Kohath het geslacht der Kohathieten; van Merari het geslacht der Merarieten.58Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libnieten, het geslacht der Hebronieten, het geslacht der Machlieten, het geslacht der Muzieten, het geslacht der Korachieten. En Kohath gewon Amram.59En de naam der huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aaron, en Mozes, en Mirjam, hun zuster.60En aan Aaron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.61Nadab nu en Abihu waren gestorven, toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des HEEREN.62En hun getelden waren drie en twintig duizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven; want dezen werden niet geteld onder de kinderen Israels, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israels.63Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar, den priester, die de kinderen Israels telden in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho.64En onder dezen was niemand uit de getelden van Mozes en Aaron, den priester, als zij de kinderen Israels telden in de woestijn van Sinai.65Want de HEERE had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

Er is veertig jaar verstreken sinds de eerste volkstelling in hoofdstuk 1. Nu laat de HEERE nog een keer "de som van de gehele vergadering van de kinderen Israëls" vaststellen.

Bij het vergelijken van de beide tellingen, aan het begin én aan het einde van de woestijnreis, komen de trieste en onveranderlijke gevolgen van begane zonden aan het licht. Van de stam Simeon die in de kwestie met Baäl-Peor veel meer schuld op zich had geladen dan de andere stammen (hoofdstuk 25 vers 14), is nog minder dan de helft overgebleven! Dat heeft tot gevolg dat deze stam ook een aanmerkelijk kleiner erfdeel in het land Kanaän ontvangt, want de HEERE had Mozes bevolen: "... aan hen, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken" (vers 54).

Deze waarheid moet tot het hart van ieder van ons persoonlijk spreken. Een nalatige wandel van een christen heeft verlies voor de eeuwigheid tot gevolg en kan hem zelfs zijn "kroon" kosten (Openbaring 3 vers 11).

Van Ruben tot Nafthali gebeurt de telling in dezelfde volgorde als toen; naar de banieren van de stam (hoofdstuk 2).

Dat het totale aantal bijna even groot is als eerst (vers 51; hoofdstuk 1 vers 46), getuigt van de grote macht en genade van God. Deze God heeft het geweldige leger van meer dan 600.000 mannen — vrouwen en kinderen niet meegeteld —gedurende veertig jaar in de woestijn van al het nodige voorzien.

Van God kan nooit te veel gevraagd worden met betrekking tot de behoeften van de Zijnen. En Hij zal voor ons allemaal, tot en met de laatste dag van ons bestaan hier op aarde, blijven zorgen!

Numberi 27:1-11
1Toen naderden de dochteren van Zelafead, den zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef (en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla, Noa, en Hogla, en Milka, en Tirza);2En zij stonden voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht van de oversten, en van de ganse vergadering, aan de deur van de tent der samenkomst, zeggende:3Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden der vergadering dergenen, die zich tegen den HEERE vergaderd hebben in de vergadering van Korach; maar hij is in zijn zonde gestorven, en had geen zonen.4Waarom zou de naam onzes vaders uit het midden van zijn geslacht weggenomen worden, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons een bezitting in het midden der broederen van onzen vader.5En Mozes bracht haar rechtzaak voor het aangezicht des HEEREN.6En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:7De dochteren van Zelafead spreken recht; gij zult haar ganselijk geven de bezitting ener erfenis, in het midden van de broederen haars vaders; en gij zult de erfenis haars vaders op haar doen komen.8En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Wanneer iemand sterft, en geen zoon heeft, zo zult gij zijn erfenis op zijn dochter doen komen.9En indien hij geen dochter heeft, zo zult gij zijn erfenis aan zijn broederen geven.10Indien hij nu geen broederen heeft, zo zult gij zijn erfenis aan de broederen zijns vaders geven.11Indien ook zijn vader geen broeders heeft, zo zult gij zijn erfenis geven aan zijn naastbestaande, die hem de naaste van zijn geslacht is, dat hij het erfelijk bezitte. Dit zal den kinderen Israels tot een inzetting des rechts zijn, gelijk als de HEERE Mozes geboden heeft.

Zoals we gisteren hebben gezien, werden alleen de mannen geteld. Maar nu wordt onze aandacht toch gevestigd op een paar vrouwen. Een aantal teksten (en later een heel hoofdstuk, het laatste hoofdstuk van het Boek Numeri) worden aan hen gewijd.

Wat was er dan zo opvallend aan die vijf dochters van Zeláfead? Waarom wordt er zoveel over hen gesproken? Zij waagden het, voor Mozes, Eleázer, de oversten en de hele vergadering te gaan staan om aanspraak te maken op een erfdeel.

Was dat dan niet brutaal? Was dat eigenlijk niet een vorm van mopperen, zoals we al zo vaak zagen bij het volk? Absoluut niet!

Het mopperen van het volk had altijd te maken met heimwee naar de dingen van Egypte. Maar deze vrouwen verlangden juist naar iets wat nog vóór hen lag, namelijk het land van de belofte. Daarom krijgen ze ook uitdrukkelijk de goedkeuring van God.

"Mozes bracht hun rechtszaak voor het aangezicht des HEEREN" en Hij antwoordde daarop met de volgende verklaring: "De dochters van Zeláfead spreken recht"!

Wat zijn deze vrouwen tot voorbeeld voor allen onder ons die gelovige ouders gehad hebben! Laten we ons toch steeds afvragen wat het erfdeel van onze vaders inhoudt! Heeft dat waar onze voorouders zó erg naar verlangden, ook voor onze harten dezelfde aantrekkingskracht en dezelfde waarde?

Numberi 27:12-23
12Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Klim op dezen berg Abarim, en zie dat land, hetwelk Ik den kinderen Israels gegeven heb.13Wanneer gij dat gezien zult hebben, dan zult gij tot uw volken verzameld worden, gij ook, gelijk als uw broeder Aaron verzameld geworden is;14Naardien gijlieden Mijn mond wederspannig zijt geweest in de woestijn Zin, in de twisting der vergadering, om Mij aan de wateren voor hun ogen te heiligen. Dat zijn de wateren van Meriba, van Kades, in de woestijn Zin.15Toen sprak Mozes tot den HEERE, zeggende:16Dat de HEERE, de God der geesten van alle vlees, een man stelle over deze vergadering.17Die voor hun aangezicht uitga, en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide, en die hen inleide; opdat de vergadering des HEEREN niet zij als schapen, die geen herder hebben.18Toen zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man, in wien de Geest is; en leg uw hand op hem;19En stel hem voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht der ganse vergadering; en geef hem bevel voor hun ogen;20En leg op hem van uw heerlijkheid, opdat zij horen, te weten de ganse vergadering der kinderen Israels.21En hij zal voor het aangezicht van Eleazar, den priester, staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht des HEEREN; naar zijn mond zullen zij uitgaan, en naar zijn mond zullen zij ingaan, hij, en al de kinderen Israels met hem, en de ganse vergadering.22En Mozes deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; want hij nam Jozua, en stelde hem voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht der ganse vergadering.23En hij legde zijn handen op hem, en gaf hem bevel; gelijk als de HEERE door den dienst van Mozes gesproken had.

De HEERE spreekt nu met Zijn knecht Mozes over het einde van diens loopbaan. Hij krijgt geen toestemming om het volk in het land van de belofte te brengen, vanwege zijn daad bij de wateren van Meríba.

Het eerste waar deze man Gods dan aan denkt, is dat het volk zonder leider zou komen te staan. Hij denkt niet aan zichzelf, maar komt opnieuw op voor het volk en vraagt de HEERE er toch voor te zorgen dat ze niet tot schapen zonder herder zullen worden (vers 17).

Diezelfde gedachte hield ook het hart van de Heere Jezus bezig. In Mattheüs 9 vers 36 zien we Hem "innerlijk met ontferming bewogen" over de volksmenigte, "omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben".

Was Hij, de goede Herder, dan niet bij hen? Bevond Hij Zich niet onder hen? Zeker! Maar Hèm wilden ze niet!

Als antwoord op het gebed van Mozes wijst God Jozua, "een man, in wie de Geest is", als zijn opvolger aan.

Deze Jozua had als jongeling God in "het midden van de tent" leren kennen (Exodus 33 vers 11). Later heeft hij trouw die belangrijke opdracht, het land te verspieden, uitgevoerd. Tenslotte werd Jozua, evenals Mozes, veertig jaar in de school van de woestijn (een lange les van geduld) gevormd en opgeleid. Pas dáárna roept God hem om de voor hem bestemde dienst, het volk in het land te brengen, uit te oefenen.

Numberi 28:1-31; Numberi 29:1-40
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Gebied den kinderen Israels, en zeg tot hen: Mijn offerande, Mijn spijze voor Mijn vuurofferen, Mijn liefelijken reuk, zult gij waarnemen, om Mij te offeren op zijn gezetten tijd.3En gij zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, hetwelk gij den HEERE offeren zult: twee volkomen eenjarige lammeren des daags, tot een gedurig brandoffer.4Het ene lam zult gij bereiden des morgens; en het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden.5En een tiende deel ener efa meelbloem, ten spijsoffer, gemengd met het vierendeel van een hin van gestoten olie.6Het is het gedurig brandoffer, hetwelk op den berg Sinai ingesteld was tot een liefelijken reuk, een vuuroffer den HEERE.7En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel van een hin, voor het ene lam; in het heiligdom zult gij het drankoffer des sterken dranks den HEERE offeren.8En het andere lam zult gij bereiden tussen de twee avonden; gelijk het spijsoffer des morgens, en gelijk zijn drankoffer zult gij het bereiden, ten vuuroffer des liefelijken reuks den HEERE.9Maar op den sabbatdag twee volkomen eenjarige lammeren, en twee tienden meelbloem, ten spijsoffer, met olie gemengd, mitsgaders zijn drankoffer.10Het is het brandoffer des sabbats op elken sabbat, boven het gedurig brandoffer, en zijn drankoffer.11En in de beginselen uwer maanden zult gij een brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;12En drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot den enen var; en twee tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot den enen ram;13En tot elk tiende deel meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, tot het ene lam; het is een brandoffer tot een liefelijken reuk, een vuuroffer, den HEERE.14En hun drankofferen zullen zijn de helft van een hin tot een var, en een derde deel van een hin tot een ram, en een vierendeel van een hin van wijn tot een lam; dat is het brandoffer der nieuwe maan in elke maand, naar de maanden des jaars.15Daartoe zal een geitenbok ten zondoffer den HEERE, boven het gedurige brandoffer, bereid worden, met zijn drankoffer.16En in de eerste maand, op den veertienden dag der maand, is het pascha den HEERE.17En op den vijftienden dag derzelve maand is het feest; zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden.18Op den eersten dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gijlieden doen;19Maar gij zult een vuuroffer ten brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.20En hun spijsoffer zal zijn meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot een var, en twee tienden tot een ram zult gij bereiden.21Tot elk zult gij een tiende deel bereiden tot een lam, tot die zeven lammeren toe.22Daarna een bok ten zondoffer, om over ulieden verzoening te doen.23Behalve het morgenbrandoffer, hetwelk tot een gedurig brandoffer is, zult gij deze dingen bereiden.24Achtervolgens deze dingen zult gij des daags, zeven dagen lang, de spijze des vuuroffers bereiden tot een liefelijken reuk den HEERE; boven dat gedurig brandoffer zal het bereid worden, met zijn drankoffer.25En op den zevenden dag zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.26Insgelijks op den dag der eerstelingen, als gij een nieuw spijsoffer den HEERE zult offeren naar uw werken, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.27Dan zult gij den HEERE een brandoffer ten liefelijken reuk offeren: twee jonge varren, een ram, zeven eenjarige lammeren;28En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot een var, twee tienden tot een ram;29Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;30Een geitenbok, om voor u verzoening te doen.31Behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, zult gij ze bereiden; zij zullen u volkomen zijn met hun drankofferen.
1Desgelijks in de zevende maand, op den eersten der maand, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het zal u een dag des geklanks zijn.2Dan zult gij een brandoffer, ten liefelijken reuk, den HEERE bereiden: een jongen var, een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;3En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd; drie tienden tot den var, twee tienden tot den ram.4En een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;5En een geitenbok ten zondoffer, om over ulieden verzoening te doen;6Behalve het brandoffer der maand, en zijn spijsoffer, en het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hun drankofferen, naar hun wijze, ten liefelijken reuk, ten vuuroffer den HEERE.7En op den tienden dezer zevende maand zult gij een heilige samenroeping hebben, en gij zult uw zielen verootmoedigen; geen werk zult gij doen;8Maar gij zult brandoffer, ten liefelijken reuk, den HEERE offeren: een jongen var, een ram, zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn;9En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemend: drie tienden tot den var, twee tienden tot den enen ram;10Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;11Een geitenbok ten zondoffer, behalve het zondoffer der verzoeningen, en het gedurig brandoffer; en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.12Insgelijks op den vijftienden dag dezer zevende maand, zult gij een heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen; maar zeven dagen zult gij den HEERE een feest vieren.13En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk den HEERE: dertien jonge varren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren; zij zullen volkomen zijn;14En hun spijsoffer van meelbloem, met olie gemengd: drie tienden tot een var, tot die dertien varren toe; twee tienden tot een ram, onder die twee rammen;15En tot elke een tiende tot een lam, tot die veertien lammeren toe;16En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.17Daarna op den tweeden dag: twaalf jonge varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;18En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;19En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.20En op den dertienden dag: elf varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;21En hun spijsofferen, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;22En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.23Verder op den vierden dag: tien varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;24Hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;25En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.26En op den vijfden dag: negen varren, twee rammen, en veertien volkomen eenjarige lammeren;27En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;28En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.29Daarna op den zesden dag: acht varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;30En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;31En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankofferen.32En op den zevenden dag: zeven varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;33En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar hun wijze;34En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.35Op den achtsten dag zult gij een verbodsdag hebben; geen dienstwerk zult gij doen.36En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk den HEERE; een var, een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;37Hun spijsoffer, en hun drankofferen tot den var, tot den ram, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;38En een bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.39Deze dingen zult gij den HEERE doen op uw gezette hoogtijden; behalve uw geloften, en uw vrijwillige offeren, met uw brandofferen, en met uw spijsofferen, en met uw drankofferen, en met uw dankofferen.40En Mozes sprak tot de kinderen Israels naar al wat de HEERE Mozes geboden had.

In de hoofdstukken 28 en 29 vinden we geen beschrijving van de offers in de volgorde van hun betekenis, maar naar de aanleiding waarvoor ze gebracht moeten worden. Laten wij, kinderen van God, toch ook in elke omstandigheid een aanleiding vinden om te danken (1 Thessalonika 5 vers 18)!

In hoofdstuk 29 is sprake van de offers van de zevende maand. Daarbij valt op dat — vanaf vers 12 — het aantal te offeren varren van dag tot dag kleiner wordt. Dat doet ons denken aan verschillende periodes in ons leven waarin, als we niet waakzaam zijn, de Persoon van de Heere Jezus langzamerhand steeds meer aan waarde voor ons hart kan verliezen.

Profetisch gezien zal hoofdstuk 29 in het duizendjarige rijk in vervulling gaan. Zij die dat rijk ingaan, zijn allen oprechte dienaars van Christus. Maar hun kinderen zullen zelf de keus moeten maken. Velen van hen zullen zich dan alleen uit vrees en slechts uiterlijk onderwerpen (Psalm 18 vers 45). Men zal de heerlijkheden van Christus steeds minder op hun waarde weten te schatten. Uiteindelijk zal dat leiden tot de opstand van Gog en Magog (Openbaring 20 vers 7 tot 10).

Laten we ook letten op het verschil in grootte van het brandoffer (dertien varren, veertien lammeren, enzovoorts) en het zondoffer (slechts één bok). Hierdoor zien we dat de nadruk wordt gelegd op het belangrijkste: de volkomen en eeuwigdurende bevrediging die God vindt in Christus. Hij is Zijn offerande, Zijn spijze en een liefelijke reuk voor Hem (hoofdstuk 28 vers 2).

Numberi 30:1-16
1En Mozes sprak tot de hoofden der stammen van de kinderen Israels, zeggende: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft:2Wanneer een man den HEERE een gelofte zal beloofd, of een eed zal gezworen hebben, zijn ziel met een verbintenis verbindende, zijn woord zal hij niet ontheiligen; naar alles, wat uit zijn mond gegaan is, zal hij doen.3Maar als een vrouw den HEERE een gelofte zal beloofd hebben, en zich met een verbintenis in het huis haars vaders in haar jonkheid zal verbonden hebben;4En haar vader haar gelofte, en haar verbintenis, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zal horen, en haar vader tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen al haar geloften bestaan, en alle verbintenis, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan.5Maar indien haar vader dat zal breken, den dage als hij het hoort, al haar geloften, en haar verbintenissen, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar de HEERE zal het haar vergeven; want haar vader heeft ze haar doen breken.6Doch indien zij immers een man heeft, en haar geloften op haar zijn, of de uitspraak harer lippen, waarmede zij haar ziel verbonden heeft;7En haar man dat zal horen, en ten dage als hij het hoort, tegen haar zal stilzwijgen, zo zullen haar geloften bestaan, en haar verbintenissen, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zullen bestaan.8Maar indien haar man ten dage, als hij het hoorde, dat zal breken, en haar gelofte, die op haar was, zal te niet maken, mitsgaders de uitspraak harer lippen, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zo zal het de HEERE haar vergeven.9Aangaande de gelofte ener weduwe, of ener verstotene: alles, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zal over haar bestaan.10Maar indien zij ten huize haars mans gelofte gedaan heeft, of met een eed door verbintenis haar ziel verbonden heeft;11En haar man dat gehoord, en tegen haar stil zal gezwegen hebben, dat niet brekende; zo zullen al haar geloften bestaan, mitsgaders alle verbintenis, waarmede zij haar ziel verbonden heeft, zal bestaan.12Maar indien haar man die dingen ganselijk te niet maakt, ten dage als hij het hoort, niets van al wat uit haar lippen gegaan is, van haar gelofte, en van de verbintenis harer ziel, zal bestaan; haar man heeft ze te niet gemaakt, en de HEERE zal het haar vergeven.13Alle gelofte, en allen eed der verbintenis, om de ziel te verootmoedigen, die zal haar man bevestigen, of die zal haar man te niet maken.14Maar zo haar man tegen haar van dag tot dag ganselijk stilzwijgt, zo bevestigt hij al haar geloften, of al haar verbintenissen, dewelke op haar zijn; hij heeft ze bevestigd, omdat hij tegen haar stilgezwegen heeft, ten dage als hij het hoorde.15Doch zo hij ze ganselijk te niet maken zal, nadat hij het gehoord zal hebben, zo zal hij haar ongerechtigheid dragen.16Dat zijn de inzettingen, die de HEERE Mozes geboden heeft, tussen een man en zijn huisvrouw, tussen een vader en zijn dochter, zijnde in haar jonkheid, ten huize haars vaders.

Na de verplichte offers uit hoofdstuk 28 en 29 krijgen we nu de geloften die men vrijwillig aan God kon doen. Als een man een gelofte deed, moest hij die ook inlossen. Men noemde dat: zijn geloften betalen (Psalm 22 vers 26 en 116 vers 14 en 18).

Een vrouw die nog bij haar vader thuis woonde of verbonden was aan haar man, had niet dezelfde verantwoordelijkheid als de man. De vaders of mannen hadden het recht om een gelofte van hun dochter of vrouw krachteloos te verklaren.

Dit hoofdstuk herinnert ons aan de aanmatiging van Israël waarmee zij zichzelf eens onder de wet plaatsten, door te zeggen dat ze alles zouden doen wat God bevolen had.

"Het is beter, dat gij niet belooft", is de raad van de Prediker, "dan dat gij belooft en niet betaalt" (Prediker 5 vers 4). Het is heel belangrijk te weten dat in principe alles waartoe wij hier op aarde besluiten, in de hemel erkend en door de Heere toegestaan kan worden!

Jakobus vermaant ons dan ook, bij het maken van onze plannen daarmee rekening te houden en te zeggen: "Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen" (Jakobus 4 vers 15).

Wat het zweren of een eed doen betreft (vers 3), roept dezelfde schrijver ons op: "Zweert niet, noch bij de hemel, noch bij de aarde, noch enige andere eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen" (Jakobus 5 vers 12; zie ook Mattheüs 5 vers 33 tot en met 37).

Numberi 31:1-54
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:2Neem de wraak der kinderen Israels van de Midianieten; daarna zult gij verzameld worden tot uw volken.3Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u ten strijde toerusten, en dat zij tegen de Midianieten zijn, om de wraak des HEEREN te doen aan de Midianieten.4Van elken stam onder alle stammen Israels zult gij een duizend ten strijde zenden.5Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israel, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.6En Mozes zond hen ten strijde, duizend van elken stam, hen en Pinehas, den zoon van Eleazar, den priester, ten strijde, met de heilige vaten, en de trompetten des geklanks in zijn hand.7En zij streden tegen de Midianieten, gelijk als de HEERE Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was.8Daartoe doodden zij boven hun verslagenen, de koningen der Midianieten, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, vijf koningen der Midianieten; ook doodden zij met het zwaard Bileam, den zoon van Beor.9Maar de kinderen Israels namen de vrouwen der Midianieten, en hun kinderkens gevangen; zij roofden ook al hun beesten, en al hun vee, en al hun vermogen.10Voorts al hun steden met hun woonplaatsen, en al hun burchten verbrandden zij met vuur.11En zij namen al den roof, en al den buit, van mensen en van beesten.12Daarna brachten zij de gevangenen, en den buit, en den roof, tot Mozes en tot Eleazar, den priester, en tot de vergadering der kinderen Israels, in het leger, in de vlakke velden van Moab, dewelke zijn aan de Jordaan van Jericho.13Maar Mozes en Eleazar, de priester, en alle oversten der vergadering, gingen uit hen tegemoet, tot buiten voor het leger.14En Mozes werd grotelijks vertoornd tegen de bevelhebbers des heirs, de hoofdlieden der duizenden, en de hoofdlieden der honderden, die uit den strijd van dien oorlog kwamen.15En Mozes zeide tot hen: Hebt gij dan alle vrouwen laten leven?16Ziet, deze waren, door den raad van Bileam, den kinderen Israels, om oorzake der overtreding tegen den HEERE te geven, in de zaak van Peor; waardoor die plaag werd onder de vergadering des HEEREN.17Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderkens; en doodt alle vrouw, die door bijligging des mans een man bekend heeft.18Doch al de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bijligging des mans niet bekend hebben, laat voor ulieden leven.19En gijlieden, legert u buiten het leger zeven dagen; een ieder, die een mens gedood, en een ieder, die een verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op den derden dag en op den zevenden dag ontzondigen, gij en uw gevangenen.20Ook zult gij alle kleding, en alle gereedschap van vellen, en alle geiten haren werk, en gereedschap van hout, ontzondigen.21En Eleazar, de priester, zeide tot de krijgslieden, die tot dien strijd getogen waren: Dit is de inzetting der wet, die de HEERE Mozes geboden heeft.22Alleen het goud en het zilver, en het koper, het ijzer, het tin en het lood;23Alle ding, dat het vuur lijdt, zult gij door het vuur laten doorgaan, dat het rein worde; evenwel zal het door het water der afzondering ontzondigd worden; maar al wat het vuur niet lijdt, zult gij door het water laten doorgaan.24Gij zult ook uw klederen op den zevenden dag wassen, dat gij rein wordt; en daarna zult gij in het leger komen.25Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:26Neem op de som van den buit der gevangenen van mensen en van beesten; gij en Eleazar, de priester, en de hoofden van de vaderen der vergadering.27En deel den buit in twee helften tussen degenen, die den strijd aangegrepen hebben, die tot den strijd uitgegaan zijn, en tussen de ganse vergadering.28Daarna zult gij een schatting voor den HEERE heffen, van de oorlogsmannen, die tot dezen krijg uitgetogen zijn, van vijfhonderd een ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezelen, en uit de schapen.29Van hun helft zult gij het nemen, en den priester Eleazar geven tot een heffing des HEEREN.30Maar van de helft der kinderen Israels zult gij een gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezelen, en uit de schapen, uit al de beesten; en gij zult ze aan de Levieten geven, die de wacht van de tabernakel des HEEREN waarnemen.31En Mozes, en Eleazar, de priester, deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.32De buit nu, het overschot van den roof, dat het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderd vijf en zeventig duizend schapen;33En twee en zeventig duizend runderen;34En een en zestig duizend ezelen;35En der mensen zielen, uit de vrouwen, die geen bijligging des mans bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend.36En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.37En de schatting voor den HEERE van schapen was zeshonderd vijf en zeventig.38En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en zeventig.39En de ezelen waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor den HEERE was een en zestig.40En der mensen zielen waren zestien duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en dertig zielen.41En Mozes gaf Eleazar, den priester, de schatting van de heffing des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.42En van de helft der kinderen Israels, welke Mozes afgedeeld had, van de mannen, die gestreden hadden;43(Het halve deel nu der vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd;44En de runderen waren zes en dertig duizend;45En de ezelen dertig duizend en vijfhonderd;46En der mensen zielen zestien duizend;)47Van die helft der kinderen Israels nam Mozes een gevangene uit vijftig, van mensen en van beesten; en hij gaf ze aan de Levieten, die de wacht van den tabernakel des HEEREN waarnamen, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.48Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden des heirs waren, de hoofdlieden der duizenden, en de hoofdlieden der honderden;49En zij zeiden tot Mozes: Uw knechten hebben opgenomen de som der krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn; en uit ons ontbreekt niet een man.50Daarom hebben wij een offerande des HEEREN gebracht, een ieder wat hij gekregen heeft, een gouden vat, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of een afhangenden gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor het aangezicht des HEEREN.51Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, van het goud, alle welgewrochte vaten.52En al het goud der heffing, dat zij den HEERE offerden, was zestien duizend zevenhonderd en vijftig sikkelen, van de hoofdlieden der duizenden, en van de hoofdlieden der honderden.53Aangaande de krijgslieden, een iegelijk had geroofd voor zichzelven.54Zo nam Mozes en Eleazar, de priester, dat goud van de hoofdlieden der duizenden en der honderden, en zij brachten het in de tent der samenkomst, ter gedachtenis voor de kinderen Israels, voor het aangezicht des HEEREN.

Aangezet door Bíleam, verleidden de dochters van Moab en Midian de Israëlieten tot het aanbidden van hun goden. Nu heeft het uur van de tuchtiging geslagen. De wraak aan de Midianieten ontziet niets. Dit volk wordt bijna helemaal uitgeroeid.

Voor ons spreekt dit van de ijver waarmee wij alles wat ons tot een valstrik zou kunnen worden, moeten 'afhouwen' en 'wegwerpen' (Mattheüs 5 vers 27 tot en met 30). Als we bijvoorbeeld merken dat de omgang met iemand ons in gevaar brengt, moeten we niet aarzelen om dat contact onmiddellijk te verbreken. Laat de ander er maar van denken wat hij wil.

De verzen 25 tot en met 54 laten ons de gelukkige gevolgen zien die we mogen verwachten als we alles wat tot een valstrik voor onze ziel zou kunnen worden, radicaal wegdoen. Daardoor zullen we beslist niet armer worden ("uit ons ontbreekt niet één man"; vers 49). Het zal ons in geestelijk opzicht juist een rijke buit opleveren, terwijl "de ganse vergadering" er voordeel van heeft (vers 27). Bovendien zal God Zelf ook deel hebben aan die buit, in de vorm van lof en dank!

Ook Bíleam werd door het zwaard gedood (vers 8). Hij is niet "de dood der oprechten" gestorven (hoofdstuk 23 vers 10). Hij heeft ook niet lang van het loon waarvoor hij zijn ziel verkocht had, kunnen genieten.

Zó eindigt een verkeerde weg: in het verderf.

"Wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade aan zijn ziel?" (Mattheüs 16 vers 26).

Numberi 32:1-15
1De kinderen van Ruben nu hadden veel vee, en de kinderen van Gad hadden machtig veel; en zij bezagen het land Jaezer, en het land van Gilead, en ziet, deze plaats was een plaats voor vee.2Zo kwamen de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben, en spraken tot Mozes, en tot Eleazar, den priester, en tot de oversten der vergadering, zeggende:3Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;4Dit land, hetwelk de HEERE voor het aangezicht der vergadering van Israel geslagen heeft, is een land voor vee; en uw knechten hebben vee.5Voorts zeiden zij: Indien wij genade in uw ogen gevonden hebben, dat ditzelve land aan uw knechten gegeven worde tot een bezitting; en doe ons niet trekken over de Jordaan.6Maar Mozes zeide tot de kinderen van Gad en tot de kinderen van Ruben: Zullen uw broeders ten strijde gaan, en zult gijlieden hier blijven?7Waarom toch zult gij het hart der kinderen Israels breken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat de HEERE hun gegeven heeft?8Zo deden uw vaders, als ik hen van Kades-Barnea zond, om dit land te bezien.9Als zij opgekomen waren tot aan het dal Eskol, en dit land bezagen, zo braken zij het hart der kinderen Israels, dat zij niet gingen naar het land, dat de HEERE hun gegeven had.10Toen ontstak de toorn des HEEREN te dien dage, en Hij zwoer, zeggende:11Indien deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig jaren oud en daarboven, het land zullen zien, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb! Want zij hebben niet volhard Mij na te volgen;12Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, den Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard den HEERE na te volgen.13Alzo ontstak des HEEREN toorn tegen Israel, en Hij deed hen omzwerven in de woestijn, veertig jaren, totdat verteerd was het ganse geslacht, hetwelk gedaan had, wat kwaad was in de ogen des HEEREN.14En ziet, gijlieden zijt opgestaan in stede van uw vaderen, een menigte van zondige mensen, om de hittigheid van des HEEREN toorn tegen Israel te vermeerderen.15Wanneer gij van achter Hem u zult afkeren, zo zal Hij wijders voortvaren het te laten in de woestijn; en gij zult al dit volk verderven.

Bij de grens van Kanaän aangekomen, stellen de kinderen van Ruben en Gad een verdrietige vraag aan Mozes en de oversten: "Doe ons niet over de Jordaan trekken" (vers 5).

De gedachten van Mozes gaan gelijk onwillekeurig veertig jaar terug naar Kades—Barnéa. Is dit weer hetzelfde ongeloof? De angst voor de reuzen en de versterkte steden? Willen deze beide stammen daarom niet verder?

Nee, het heeft een andere, een onverwachte oorzaak: hun vee! Door hun overwinning op de Midianieten had het volk rijke buit ontvangen (zie hoofdstuk 31). Ook Ruben en Gad hadden daarvan geprofiteerd en bezaten nu "veel vee ... machtig veel".

Om die reden richtten zij hun ogen naar de vette weiden van het land Gilead waar ze nu waren en zich wilden vestigen. Het zich daar vestigen, onder zulke voordelige en gemakkelijke omstandigheden, had voor hen veel meer aantrekkingskracht dan het door God beloofde land.

Vergaat het veel christen nu niet precies zo?

Ongetwijfeld zijn ze gered en behoren ze tot het volk van God. Maar de aangelegenheden van het dagelijks leven interesseren hen veel meer dan de eeuwigheid. Zij hebben een aards christendom en een verdeeld hart. De hemel heeft voor hen op dit ogenblik nog weinig of geen waarde.

Maar betekent dat ook niet dat ze dan maar weinig genegenheid tonen voor Hem Die daar nu al is?

Numberi 32:16-42
16Toen traden zij toe tot hem, en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee, en steden voor onze kinderen.17Maar wij zelven zullen ons toerusten, haastende voor het aangezicht der kinderen Israels, totdat wij hen aan hun plaats zullen gebracht hebben; en onze kinderen zullen blijven in de vaste steden, vanwege de inwoners des lands.18Wij zullen niet wederkeren tot onze huizen, totdat zich de kinderen Israels tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben, een ieder van zijn erfenis.19Want wij zullen met hen niet erven aan gene zijde van de Jordaan, en verder heen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang.20Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij deze zaak doen zult, indien gij u voor het aangezicht des HEEREN zult toerusten ten strijde,21En een ieder van u, die toegerust is, over de Jordaan zal trekken voor het aangezicht des HEEREN, totdat Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht uit de bezitting zal verdreven hebben.22En het land voor het aangezicht des HEEREN ten ondergebracht zij; zo zult gij daarna wederkeren, en onschuldig zijn voor den HEERE en voor Israel, en dit land zal u ter bezitting zijn voor het aangezicht des HEEREN.23Indien gij daarentegen alzo niet zult doen, ziet, zo hebt gij tegen den HEERE gezondigd; doch gij zult uw zonde gewaar worden, als zij u vinden zal!24Bouwt uw steden voor uw kinderen, en kooien voor uw schapen; en doet, wat uit uw mond uitgegaan is.25Toen spraken de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben tot Mozes, zeggende: Uw knechten zullen doen, gelijk als mijn heer gebiedt.26Onze kinderen, onze vrouwen, onze have en al onze beesten zullen aldaar zijn in de steden van Gilead;27Maar uw knechten zullen overtrekken, al wie ten heire toegerust is, voor het aangezicht des HEEREN tot den strijd, gelijk als mijn heer gesproken heeft.28Toen gebood Mozes, hunnenthalve, den priester Eleazar, en Jozua, den zoon van Nun, en den hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels;29En Mozes zeide tot hen: Indien de kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, met ulieden over de Jordaan zullen trekken, een ieder, die toegerust is ten oorlog, voor het aangezicht des HEEREN, als het land voor uw aangezicht zal ten ondergebracht zijn; zo zult gij hun het land Gilead ter bezitting geven.30Maar indien zij niet toegerust met u zullen overtrekken, zo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van ulieden in het land Kanaan.31En de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben antwoordden, zeggende: Wat de HEERE tot uw knechten gesproken heeft, zullen wij alzo doen.32Wij zullen toegerust overtrekken voor het aangezicht des HEEREN naar het land Kanaan; en de bezitting onzer erfenis zullen wij hebben aan deze zijde van de Jordaan.33Alzo gaf Mozes hunlieden, den kinderen van Gad, en de kinderen van Ruben, en den halven stam van Manasse, den zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, koning der Amorieten, en het koninkrijk van Og, koning van Bazan; het land met de steden van hetzelve in de landpalen, de steden des lands rondom.34En de kinderen van Gad bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroer,35En Atroth-Sofan, en Jaezer, en Jogbeha,36En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien.37En de kinderen van Ruben bouwden Hezbon, en Eleale, en Kirjathaim,38En Nebo, en Baal-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen der steden, die zij bouwden, met andere namen.39En de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, gingen naar Gilead, en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten, die daarin waren, uit de bezitting.40Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, den zoon van Manasse; en hij woonde daarin.41Jair nu, de zoon van Manasse, ging heen en nam hunlieder dorpen in, en hij noemde die Havvoth-Jair.42En Nobah ging heen, en nam Kenath in, met haar onderhorige plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijn naam.

In het voorstel om hun broeders bij de verovering van het land te zullen helpen, tonen Ruben en Gad ijver, moed en zelfs onbaatzuchtigheid. Maar dat alles kan in het oog van God de liefde tot Hem en het land dat Hij hen gegeven heeft, niet vervangen.

De krijgslieden van deze beide stammen zullen het land van de belofte leren kennen. Zij moeten over de Jordaan trekken om hun broeders te helpen. Maar hun vrouwen en kinderen zullen het land niet binnengaan. Door de schuld van de mannen zullen hun nakomelingen niet genieten van de belofte van de HEERE (hoofdstuk 14 vers 31).

Dan denken we aan farao die destijds bij de uittocht uit Egypte probeerde te verhinderen dat de kinderen meegingen (Exodus 10 vers 10). Maar nu zijn het hun eigen ouders die hen verhinderen het land Kanaän in te gaan!

"Laat de kinderkens tot Mij komen", gebiedt de Heere Jezus, "en verhindert ze niet" (Markus 10 vers 14). Helaas kan men ook vandaag een kind op verschillende manieren beletten tot de Heere Jezus te komen!

Zonder twijfel zullen de kudden het in die rijke velden van Gilead goed doen. Maar voor de gezinnen zal het achteruitgang betekenen, wat ook blijkt uit de geschiedenis van deze stammen.

Beste vrienden, wat is voor ons het belangrijkste? Het goed lopen van onze aardse zaken? Of het welzijn van onze ziel? Denk erom, een hart dat gezet is op aardse welvaart en een goede geestelijke toestand van onze ziel gaan nóóit samen!

Numberi 33:1-35
1Dit zijn de reizen der kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hun heiren, door de hand van Mozes en Aaron.2En Mozes schreef hun uittochten, naar hun reizen, naar den mond des HEEREN; en dit zijn hun reizen, naar hun uittochten.3Zij reisden dan van Rameses; in de eerste maand, op den vijftienden dag der eerste maand, des anderen daags van het pascha, togen de kinderen Israels uit door een hoge hand, voor de ogen van alle Egyptenaren;4Als de Egyptenaars begroeven degenen, welke de HEERE onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE gerichten geoefend aan hun goden.5Als de kinderen Israels van Rameses verreisd waren, zo legerden zij zich te Sukkoth.6En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is.7En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.8En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara.9En zij verreisden van Mara, en kwamen te Elim; in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich aldaar.10En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee.11En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.12En zij verreisden uit de woestijn Sin, en zij legerden zich in Dofka.13En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Aluz.14En zij verreisden van Aluz, en legerden zich in Rafidim; doch daar was geen water voor het volk, om te drinken.15En zij verreisden van Rafidim, en legerden zich in de woestijn van Sinai.16En zij verreisden uit de woestijn van Sinai, en legerden zich in Kibroth-Thaava.17En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.18En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.19En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez.20En zij verreisden van Rimmon-Perez, en legerden zich in Libna.21En zij verreisden van Libna, en legerden zich in Rissa.22En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.23En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer.24En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada.25En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth.26En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath.27En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.28En zij verreisden van Tharah, en legerden zich in Mithka.29En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.30En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.31En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.32En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.33En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.34En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona.35En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber.

Aan de grens van het land worden Mozes en de Israëlieten opgeroepen, zich om te keren en achteruit te kijken. Wat hebben ze een lange weg achter de rug, sinds die gedenkwaardige paasnacht!

Behalve gelukkige en zelfs heerlijke etappes — zoals Pi-Hachirôth, de doortocht door de Rode Zee en Elim met zijn bronnen en palmbomen — duiken er ook namen op die herinneren aan verdrietige, smartelijke gebeurtenissen: de woestijn Sin waar het volk mopperde, Rafidîm waar ze ongeduldig werden, Sinaï waar het gouden kalf werd opgericht, Kibroth-Tháäva dat herinnert aan de lusten en die verdrietige geschiedenis met de kwakkels, enzovoorts.

Dat zijn allemaal als het ware beschamende markeringen van hun woestijnreis. Bovendien zijn het ook de namen van de lessen die het volk Israël moest leren. Maar ook wij moeten diezelfde lessen leren, opdat we weten wat er in ons eigen hart leeft!

Het volk had ongetwijfeld graag één of meerdere van deze namen willen uitwissen. Mozes had zelf ook redenen genoeg om Kades met de wateren van Meríba maar niet meer te noemen. Dat is echter onmogelijk!

Wij kunnen onze fouten in het verleden niet ongedaan maken. Evenmin is het mogelijk om ook maar één uur uit ons leven over te doen.

Wat we echter wel kunnen doen, is terugdenken aan de ervaringen die we op onze weg hebben opgedaan. Daarbij mogen we denken aan het geduld waarmee we gedragen werden, en aan het erbarmen van Hem Die ons alles vergeven heeft!

Numberi 33:36-56
36En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.37En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.38Toen ging de priester Aaron op den berg Hor, naar den mond des HEEREN, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den uittocht van de kinderen Israels uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten der maand.39Aaron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den berg Hor.40En de Kanaaniet, de koning van Harad, die in het zuiden woonde in het land Kanaan, hoorde, dat de kinderen Israels aankwamen.41En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona.42En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon.43En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.44En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.45En zij verreisden van de heuvelen van Abarim, en legerden zich in Dibon-Gad.46En zij verreisden van Dibon-Gad, en legerden zich in Almon-Diblathaim.47En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.48En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.49En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.50En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:51Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gijlieden over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaan;52Zo zult gij alle inwoners des lands voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en al hun beeltenissen verderven; ook zult gij al hun gegotene beelden verderven, en al hun hoogten verdelgen.53En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen, en daarin wonen; want Ik heb u dat land gegeven, om hetzelve erfelijk te bezitten.54En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uw geslachten; dengenen, die veel zijn, zult gij hun erfenis meerder maken, en dien, die weinig zijn, zult gij hun erfenis minder maken; waarheen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uwer vaderen zult gij de erfenis nemen.55Maar indien gij de inwoners des lands niet voor uw aangezicht uit de bezitting zult verdrijven, zo zal het geschieden, dat, die gij van hen zult laten overblijven, tot doornen zullen zijn in uw ogen, en tot prikkelen in uw zijden, en u zullen benauwen op het land, waarin gij woont.56En het zal geschieden, dat Ik u zal doen, gelijk als Ik hun dacht te doen.

De sporen van de lange pelgrimsreis zijn door de woestijnwind al lang uitgewist. Maar in het Boek van God is elke stap genoteerd: "En zij verreisden ... en legerden zich ... En zij verreisden ... en legerden zich ...".

In enkele verzen die wij snel kunnen doorlezen, worden veertig jaar, en alle verschillende etappes daarin, samengevat. Veel gebeurtenissen worden alleen maar in dit Schriftgedeelte vermeld. Ook al weten wij daar verder niets van af, toch heeft God elke naam in Zijn heilig Boek opgeschreven. Waarom? Om ons als het ware op het volgende vers te wijzen: "Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?" (Job 31 vers 4).

Ook bij ons heeft de tijd de herinnering aan een groot deel van ons verleden uitgewist. Zouden we immers, zonder ook maar een kleinigheidje te vergeten, altijd kunnen zeggen wat we gisteren gedaan hebben?

De Heere echter telt alle treden! Er ontgaat Hem niets! Ons hele leven is als een film, zonder dat er ook maar iets uit weggeknipt wordt; alles is tot in de details vastgelegd.

Voor de rechterstoel van Christus zal deze film in het felle licht van God voor onze ogen afgedraaid worden (zie 2 Korinthe 5 vers 10). Dat is enerzijds een heel ernstige gedachte! Als dat nu, op dit moment, zou gebeuren, zou niemand van ons dat kunnen verdragen. Maar in de tegenwoordigheid van de Heere Jezus zullen we geen angst meer kennen voor het oordeel.

Maar anderzijds is het een gelukkig makende gedachte. Dan is er alleen maar plaats voor dat onuitsprekelijke gevoel van de grootte van Zijn genade die de bron zal zijn van eeuwige aanbidding.

Numberi 34:1-29
1Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:2Gebied den kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanaan ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaan, naar zijn landpalen.3De zuiderhoek nu zal u zijn van de woestijn Zin, aan de zijden van Edom; en de zuider landpale zal u zijn van het einde der Zoutzee tegen het oosten;4En deze landpale zal u omgaan van het zuiden naar den opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin; en haar uitgangen zullen zijn, van het zuiden naar Kades-Barnea; en zij zal uitgaan naar Hazar-Addar, en doorgaan naar Azmon.5Voorts zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en haar uitgangen zullen zijn naar de zee.6Aangaande de landpale van het westen, daar zal u de grote zee de landpale zijn; dit zal uw landpale van het westen zijn.7Voorts zal u de landpale van het noorden deze zijn: van de grote zee af zult gij u den berg Hor aftekenen.8Van den berg Hor zult gij aftekenen tot daar men komt te Hamath; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar Zedad.9En deze landpale zal uitgaan naar Zifron, en haar uitgangen zullen zijn te Hazar-Enan; dit zal u de noorder landpale zijn.10Voorts zult gij u tot een landpale tegen het oosten aftekenen van Hazar-Enan naar Sefam.11En deze landpale zal afgaan van Sefam naar Ribla, tegen het oosten van Ain; daarna zal deze landpale afgaan en strekken langs den oever van de zee Cinnereth oostwaarts.12Voorts zal deze landpale afgaan langs de Jordaan, en haar uitgangen zullen zijn aan de Zoutzee. Dit zal u zijn het land naar zijn landpale rondom.13En Mozes gebood den kinderen Israels, zeggende: Dit is het land, dat gij door het lot ten erve innemen zult, hetwelk de HEERE aan de negen stammen en den halven stam van Manasse te geven geboden heeft.14Want de stam van de kinderen der Rubenieten, naar het huis hunner vaderen, en de stam van de kinderen der Gadieten, naar het huis hunner vaderen, hebben ontvangen; mitsgaders de halve stam van Manasse heeft zijn erfenis ontvangen.15Twee stammen en een halve stam hebben hun erfenis ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen den opgang.16Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:17Dit zijn de namen der mannen, die ulieden het land ten erve zullen uitdelen: Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun.18Daartoe zult gij uit elken stam een overste nemen, om het land ten erve uit te delen.19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;21Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;22En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;23Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;24En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan;25En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;26En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.29Dit zijn ze, dien de HEERE geboden heeft, den kinderen Israels de erfenissen uit te delen, in het land Kanaan.

Nadat de HEERE samen met Israël teruggeblikt heeft, nodigt Hij het volk uit om hun ogen voorwaarts, naar het einddoel van hun lange reis, te richten.

Sommige mensen zijn voortdurend met het verleden bezig. Ze hebben spijt van dit, vinden het jammer dat ze toen en toen niet anders gehandeld hebben, of beroemen zich op dingen die ze juist wèl gedaan hebben.

Waar de gelovige zich mee bezig zou moeten houden, is wat Gòd gedaan heeft. De gelovige kan in zijn hart duizend bewijzen vinden om als een Bíleam erover te spreken "wat God gewerkt heeft". Maar tegelijkertijd mag hij ook vooruitkijken naar zijn vaderland.

De grenzen van het erfdeel werden voor Israël door dezelfde Goddelijke hand getrokken die hen ook gedurende de woestijnreis geleid had.

Voor ons, kinderen van God, is dat het Vaderhuis waarin voor ons plaats bereid is. De Heere laat ons hierover niet in het ongewisse. Als het niet zo was, zou Hij het ons gezegd hebben. In het huis van de Vader, waar Hij naartoe is gegaan, zijn veel woningen (Johannes 14 vers 2).

De HEERE geeft Israël alleen de omtrekken, de grenzen van het land aan. De christen weet nauwelijks meer over zijn hemels vaderland. De Bijbel geeft ons er geen beschrijving van hoe het in de hemel allemaal precies zal zijn. Maar wat we er nu al van weten, is genoeg: het is het huis van de Vader, van ónze Vader. En de Heere Jezus is daar en wij zullen voor altijd bij Hem zijn!

Numberi 35:1-15
1En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:2Gebied den kinderen Israels, dat zij van de erfenis hunner bezitting aan de Levieten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult gijlieden aan de Levieten voorsteden geven, aan de steden rondom dezelve.3En die steden zullen zij hebben om te bewonen; maar hun voorsteden zullen zijn voor hun beesten, en voor hun have, en voor al hun gedierte,4En de voorsteden der steden, die gij aan de Levieten zult geven, zullen van den stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom.5En gij zult meten van buiten de stad, aan den hoek tegen het oosten, twee duizend ellen, en aan den hoek van het zuiden, twee duizend ellen, en aan den hoek van het westen, twee duizend ellen, en aan den hoek van het noorden, twee duizend ellen; dat de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden.6De steden nu, die gij aan de Levieten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die gij geven zult, opdat de doodslager daarheen vliede; en boven dezelve zult gij hun twee en veertig steden geven.7Al de steden, die gij aan de Levieten geven zult, zullen zijn acht en veertig steden, deze met haar voorsteden.8De steden, die gij van de bezitting der kinderen Israels geven zult, zult gij van dien, die vele heeft, vele nemen, en van dien, die weinig heeft, weinige nemen; een ieder zal naar zijn erfenis, die zij zullen erven, van zijn steden aan de Levieten geven.9Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:10Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij over de Jordaan gaat naar het land Kanaan.11Zo zult gij maken, dat u steden tegemoet liggen, die u tot vrijsteden zullen zijn; opdat de doodslager daarheen vliede, die een ziel onwetend geslagen heeft.12En deze steden zullen u tot een toevlucht zijn voor den bloed wreker; opdat de doodslager niet sterve, totdat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe.13En deze steden, die gij geven zult, zullen zes vrijsteden voor u zijn.14Drie dezer vrijsteden zult gij geven op deze zijde van de Jordaan, en drie dezer steden zult gij geven in het land Kanaan; vrijsteden zullen het zijn.15Die zes steden zullen voor de kinderen Israels, en voor den vreemdeling, en den bijwoner in het midden van hen, tot een toevlucht zijn; opdat daarheen vliede, wie een ziel onvoorziens slaat.

In het land Kanaän, binnen de zojuist beschreven grenzen, zou elke stam zijn eigen bezitting hebben, behalve de kinderen van Levi.

Volgens de profetie van Jakob zouden zij, evenals de kinderen van Simeon, vanwege het slechte gedrag van hun vader onder Israël verstrooid worden (Genesis 49 vers 7). Omdat zij na de zonde met het gouden kalf echter de zijde van de HEERE kozen (Exodus 32 vers 26 en Deuteronomium 33 vers 8 tot 11), veranderde de genade van God deze tuchtiging in zegen.

Achtenveertig steden, over heel Israël verspreid, werden aan de zonen van Levi beloofd. Elke stam moest een deel daarvan, overeenkomstig hun erfdeel, aan hen afstaan. Door hun verstrooiing wordt het de Levieten die als dienstknechten van de HEERE en hun broeders speciaal geroepen waren om de wet te leren, juist mogelijk gemaakt deze dienst in heel Israël uit te oefenen.

Dan is er sprake van de vrijsteden voor de doodslager. De wet eist in zijn onverbiddelijke strengheid bloed voor bloed, of het nu bewust, uit haat, of juist per vergissing vergoten werd. Om aan dit laatste geval tegemoet te komen, had de HEERE gelijktijdig met de wet een belofte gegeven (zie Exodus 21 vers 12 en 13).

Hij stelde Zich er toen als het ware Borg voor dat Hij een toevluchtsoord zou geven. Wie schuldig was aan de dood van een ander, kon daar naartoe vluchten om zijn leven te redden. Een prachtig beeld van hèt 'toevluchtsoord' dat God aan de schuldige zondaar geeft. Dit herinnert ons aan de woorden: "Het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een ieder, die gelooft" (Romeinen 10 vers 4).

Numberi 35:16-34
16Maar indien hij hem met een ijzeren instrument geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden.17Of indien hij hem met een handsteen, waarvan met zoude kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden.18Of indien hij hem met een houten handinstrument, waarvan men zoude kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden.19De wreker des bloeds, die zal den doodslager doden; als hij hem ontmoet, zal hij hem doden.20Indien hij hem ook door haat zal gestoten hebben, of met opzet op hem geworpen heeft, dat hij gestorven zij;21Of hem door vijandschap met zijn hand geslagen heeft, dat hij gestorven zij; de slager zal zekerlijk gedood worden, een doodslager is hij; de bloedwreker zal dezen doodslager doden, als hij hem ontmoet.22Maar indien hij hem met der haast, zonder vijandschap gestoten heeft, of enig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft;23Of onvoorziens met enigen steen, waarvan men zoude kunnen sterven, en hij dien op hem heeft doen vallen, dat hij gestorven zij, zo hij hem toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende;24Zo zal de vergadering richten tussen den slager, en tussen den bloedwreker, naar deze zelve rechten.25En de vergadering zal den doodslager redden uit den hand des bloedwrekers, en de vergadering zal hem doen wederkeren tot zijn vrijstad, waarheen hij gevloden was; en hij zal daarin blijven tot den dood des hogepriesters, dien men met de heilige olie gezalfd heeft.26Doch indien de doodslager enigzins zal gaan uit de palen zijner vrijstad, waarheen hij gevloden was,27En de bloedwreker hem zal vinden buiten de palen zijner vrijstad; zo de bloedwreker den doodslager zal doden, het zal hem geen bloedschuld zijn.28Want hij zou in zijn vrijstad gebleven zijn tot den dood des hogepriesters; maar na de dood des hogepriesters zal de doodslager wederkeren tot het land zijner bezitting.29En deze dingen zullen ulieden zijn tot een inzetting van recht, bij uw geslachten, in al uw woningen.30Al wie de ziel slaat, naar den mond der getuige zal men den doodslager doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve.31En gij zult geen verzoening nemen voor de ziel des doodslagers, die schuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden.32Ook zult gij geen verzoening nemen voor dien, die gevlucht is naar zijn vrijstad, dat hij zou wederkeren, om te wonen in het land, tot den dood des hoge priesters.33Zo zult gij niet ontheiligen het land, waarin gij zijt; want het bloed ontheiligt het land; en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed, dat daarin vergoten is, dan door het bloed desgenen, die dat vergoten heeft.34Verontreinigt dan het land niet, waarin gij gaat wonen, in welks midden Ik wonen zal; want Ik ben de HEERE, wonende in het midden der kinderen Israels.

Profetisch gezien spreekt de vrijstad voor de doodslager van de bescherming van het joodse volk dat zijn Messias gekruisigd heeft, zonder de draagwijdte van deze vreselijke daad te overzien (Lukas 23 vers 34).

Sindsdien en tot aan het einde van de huidige bedeling, dat wil zeggen, zolang Christus Priester is naar de wijze van Aäron, zal het volk door de Goddelijke voorzienigheid van zijn erfdeel worden afgehouden.

In werkelijkheid is de hele mensheid schuldig aan de dood van de Zoon van God. Maar God heeft in Zijn oneindig erbarmen de mensen een toevlucht gegeven voor Zijn toom. Deze toevlucht is niets anders dan het offer zelf: "Jezus, Die ons verlost van de toekomende toorn" (1 Thessalonika 1 vers 10).

In dit hoofdstuk vinden we zowel in het offer als in het toevluchtsoord, de vrijstad, een beeld van de Heere Jezus Zelf. Daarbij ook in de hogepriester wiens dood het moment van terugkeer in het erfdeel heel duidelijk aangeeft (vers 28).

Vers 31 bevestigt dat er voor de doodslager geen ander middel ter verzoening is, ook al is het nog zo groot, dan het middel dat Gòd gegeven heeft.

Noch zilver, noch goud (1 Petrus 1 vers 18), noch werken (Efeze 2 vers 9), kunnen de zondaar de bescherming geven die hij in Christus vindt. "De zaligheid is in geen ander" (Handelingen 4 vers 12).

Numberi 36:1-13
1En de hoofden der vaderen van het geslacht de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, uit de geslachten der kinderen van Jozef, traden toe, en spraken voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht der oversten, hoofden van de vaderen der kinderen Israels.2En zeiden: De HEERE heeft mijn heer geboden, dat land door het lot aan de kinderen Israels in erfenis te geven; en mijn heer is door den HEERE geboden, de erfenis van onzen broeder Zelafead te geven aan zijn dochteren.3Wanneer zij een van de zonen der andere stammen van de kinderen Israels tot vrouwen zouden worden, zo zou haar erfenis van de erfenis onzer vaderen afgetrokken worden, en toegedaan zijn tot de erfenis van dien stam, aan welken zij geworden zouden; alzo zou van het lot onzer erfenis worden afgetrokken.4Als ook de kinderen Israels een jubeljaar zullen hebben, zo zou haar erfenis toegedaan zijn tot de erfenis van dien stam, aan welken zij zouden geworden zijn; alzo zou haar erfenis van de erfenis van den stam onzer vaderen afgetrokken worden.5Toen gebood Mozes den kinderen Israels, naar des HEEREN mond, zeggende: De stam der kinderen van Jozef spreekt recht.6Dit is het woord, dat de HEERE van de dochteren van Zelafead geboden heeft, zeggende: Laat zij dien tot vrouwen worden, die in haar ogen goed zal zijn; alleenlijk, dat zij aan het geslacht van haars vaders stam tot vrouwen worden.7Zo zal de erfenis van de kinderen Israels niet omgewend worden van stam tot stam; want de kinderen Israels zullen aanhangen, een ieder aan de erfenis van den stam zijner vaderen.8Voorts zal elke dochter, die een erfenis erft, van de stammen der kinderen Israels, ter vrouw worden aan een van het geslacht van den stam haars vaders; opdat de kinderen Israels erfelijk bezitten, een ieder de erfenis zijner vaderen.9Zo zal de erfenis niet omgewend worden van den enen stam tot den anderen; want de stammen der kinderen Israels zullen aanhangen, een ieder aan zijn erfenis.10Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de dochteren van Zelafead;11Want Machla, Thirza, en Hogla, en Milka, en Noa, dochteren van Zelafead, zijn den zonen harer ooms tot vrouwen geworden.12Onder de geslachten van de kinderen van Manasse, den zoon van Jozef, zijn zij tot vrouwen geworden; alzo bleef haar erfenis aan den stam van het geslacht haars vaders.13Dat zijn de geboden en de rechten, die de HEERE door de dienst van Mozes aan de kinderen Israels geboden heeft, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.

Nu komen we opnieuw de vijf dochters van Zeláfead tegen over wie we al eerder iets gelezen hebben.

Nu zijn het "de hoofden der vaderen" van de stam Manasse die de schijnbaar onbelangrijke vraag over het erfdeel weer ter sprake brengen bij Mozes en de oversten. Waar gaat het om?

Elke stam zou zijn eigen gebied bezitten. Als echter, zoals in dit geval, een vrouw een deel kreeg en vervolgens trouwde met een man uit een andere stam, zou haar erfdeel overgaan naar de stam van haar man. Dat was niet goed. Mozes brengt deze zaak in opdracht van God in orde: vrouwen die een erfdeel ontvingen, mochten alleen een huwelijk sluiten met een man van dezelfde stam.

Jongemannen, jonge vrouwen, als jullie bij de Heere horen, is dit een voorschrift dat voor jullie bedoeld is! Het huwelijk kan jullie beroven van het genieten van jullie hemels erfdeel! Heeft hij of zij aan wie jij je op zekere dag wilt verbinden, niet hetzelfde deel als je zelf hebt, ga dan voor geen geld die weg! Pas op!

Het is heel opvallend dat dit Boek over de reis door de woestijn met deze verordening over het erfdeel besluit. In werkelijkheid hadden de Israëlieten immers de Jordaan nog niet overgestoken. Dus zou je denken dat ze nog tijd genoeg hadden om over het toekomstige erfdeel na te denken. Maar God denkt daar heel anders over. Hij spreekt nu al tegen ons over ons hemels vaderland en wil graag dat ons hart daar nu al mee bezig is.

Deuteronomium 1:1-18
1Dit zijn de woorden, die Mozes tot gans Israel gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab.2Elf dag reizen zijn het van Horeb, door den weg van het gebergte Seir, tot aan Kades-Barnea.3En het is geschied in het veertigste jaar, in de elfde maand, op den eersten der maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israels, naar alles wat hem de HEERE aan hen bevolen had;4Nadat hij geslagen had Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, en Og, den koning van Bazan, welke woonde in Astharoth, te Edrei.5Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende:6De HEERE, onze God, sprak tot ons aan Horeb, zeggende: Gij zijt lang genoeg bij dezen berg gebleven.7Keert u, en vertrekt, en gaat in het gebergte der Amorieten, en tot al hun geburen, in het vlakke veld, op het gebergte, en in de laagte, en in het zuiden, en aan de havens der zee; het land der Kanaanieten, en den Libanon, tot aan die grote rivier, de rivier Frath.8Ziet, Ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht; gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat de HEERE aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob gegeven heeft, dat Hij het hun en hun zaad na hen geven zou.9En ik sprak ter zelfder tijd tot u, zeggende: Ik alleen zal u niet kunnen dragen.10De HEERE, uw God, heeft u vermenigvuldigd, en ziet, gij zijt heden als de sterren des hemels in menigte.11De HEERE, uwer vaderen God, doe tot u, zo als gij nu zijt, duizendmaal meer, en Hij zegene u, gelijk als Hij tot u gesproken heeft!12Hoe zoude ik alleen uw moeite, en uw last, en uw twistzaken dragen?13Neemt u wijze, en verstandige, en ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stelle.14Toen antwoorddet gij mij, en zeidet: Dit woord is goed, dat gij gesproken hebt, om te doen.15Zo nam ik de hoofden uwer stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en ambtlieden voor uw stammen.16En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort de verschillen tussen uw broederen, en richt recht tussen den man en tussen zijn broeder, en tussen deszelfs vreemdeling.17Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult den kleine, zowel als den grote, horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze horen.18Alzo gebood ik u te dier tijd alle zaken, die gij zoudt doen.

Het laatste Boek van Mozes neemt de berichtgeving en het onderwijs uit de voorgaande Boeken voor een deel weer op. Aan het einde van zijn loopbaan aangekomen, schildert de trouwe leider nog eens voor de nieuwe generatie de gebeurtenissen in de woestijn mèt hun lessen voor Israël.

De mannen die eens uit Egypte waren getrokken, zijn allemaal gestorven. Daarom was het nodig het jonge geslacht te waarschuwen en te onderwijzen. Daarom is het ook vandaag voor jonge mensen nog steeds heel goed om het Boek Deuteronomium te lezen.

Het Boek begint met een veelzeggende tegenstelling om er als het ware op te wijzen dat er geen kostbare tijd verloren mag gaan. Volgens vers 2 waren "elf dagreizen" voldoende geweest om het volk van de berg Horeb naar Kanaän te brengen. Men had er echter veertig jaar voor nodig (vers 3)!

Sommigen van ons zullen verdrietig moeten toegeven dat ze vele jaren verloren hebben laten gaan. Het is beslist niet nodig om de jaren van rijpheid of een bepaalde leeftijd af te wachten om door het geloof helemaal te genieten van de zegeningen in de hemelse gewesten. Vanaf het begin van ons leven als christen wil de Heilige Geest ons over de waarheid en de beginselen hiervan onderwijzen.

De verzen 12 tot en met 18 herinneren ons aan de verdrietige neiging van de mens om "op de weg" te twisten (vergelijk Genesis 45 vers 24), en dat de Heere al bij de eerste stappen van Zijn volk door de woestijn genoodzaakt was, maatregelen daartegen te nemen.

Deuteronomium 1:19-28
19Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die gans grote en vreselijke woestijn, die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de HEERE, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-Barnea.20Toen zeide ik tot ulieden: Gij zijt gekomen tot het gebergte der Amorieten, dat de HEERE, onze God, ons geven zal.21Ziet, de HEERE, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de HEERE, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet.22Toen naderdet gij allen tot mij, en zeidet: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat steden wij komen zullen.23Deze zaak nu was goed in mijn ogen; zo nam ik uit u twaalf mannen, van elken stam een man.24Die keerden zich, en togen op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol, en verspiedden datzelve.25En zij namen van de vrucht des lands in hun hand, en brachten ze tot ons af, en zeiden ons bescheid weder, en zeiden: Het land, dat de HEERE, onze God, ons geven zal, is goed.26Doch gij wildet niet optrekken; maar gij waart den mond des HEEREN uws Gods, wederspannig.27En gij murmureerdet in uw tenten, en zeidet: Omdat de HEERE ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd, opdat Hij ons levere in de hand der Amorieten, om ons te verdelgen.28Waarheen zouden wij optrekken? Onze broeders hebben ons hart doen smelten, zeggende: Het is een volk, groter en langer dan wij; de steden zijn groot, en gesterkt tot in de hemel toe; ook hebben wij daar kinderen der Enakieten gezien.

Vanaf Horeb, het uitgangspunt van de reis, richt Israël de schreden naar Kanaän, dwars door de "grote en vreselijke woestijn".

De verdrietige geschiedenis bij Kades—Barnéa komt nog eens voor onze aandacht. Nu horen we dat de mannen op verzoek van het volk uitgezonden werden (vers 22) om het land te verspieden, wat ons in Numeri 13 niet meegedeeld werd.

De wortel van dit kwaad lag dus in het gebrek aan vertrouwen op de HEERE. Men dacht Zijn toezeggingen te moeten controleren. Wie zo door aanschouwen en niet door geloof wandelt (vergelijk 2 Korinthe 5 vers 7), is een makkelijke prooi voor de vijand die er als de kippen bij is om onoverwinbare hindernissen voor ons op te bouwen en ons te ontmoedigen (vers 28).

Ten gevolge van hun ongeloof is er een hele generatie omgekomen in de woestijn, op Jozua en Kaleb na. De Brief aan de Hebreeën gebruikt dit ernstige voorbeeld om allen die ook vandaag nog hun harten verharden, als ze het Woord van God horen, te waarschuwen. Dit Woord heeft geen nut als het niet met geloof verbonden is (Hebreeën 4 vers 2).

"Omdat de HEERE ons haat" (vers 27), zo beklaagde zich het erbarmelijke volk. Wat is de verdrietige kant van ongeloof? Het feit dat ongeloof het voor elkaar krijgt om aan de zo overvloedig bewezen liefde van God te twijfelen, aan de liefde van God Die aan het kruis Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft (Romeinen 8 vers 32).

Deuteronomium 1:29-46
29Toen zeide ik tot u: Verschrikt niet, en vreest niet voor hen.30De HEERE, uw God, Die voor uw aangezicht wandelt, Die zal voor u strijden, naar alles, wat Hij bij u voor uw ogen gedaan heeft in Egypte.31En in de woestijn, waar gij gezien hebt, dat de HEERE uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt, op al den weg, dien gij gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze plaats.32Maar door dit woord geloofdet gij niet aan den HEERE, uw God.33Die voor uw aangezicht op den weg wandelde, om u de plaats uit te zien, waar gij zoudt legeren; des nachts in het vuur, opdat Hij u den weg wees, waarin gij zoudt gaan, en des daags in de wolk.34Als nu de HEERE de stem uwer woorden hoorde, zo werd Hij zeer toornig, en zwoer, zeggende:35Zo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien dat goede land, hetwelk Ik gezworen heb uw vaderen te zullen geven!36Behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, en aan hem zal Ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijn kinderen; omdat hij volhard heeft den HEERE te volgen.37Ook vertoornde zich de HEERE op mij om uwentwil, zeggende: Gij zult daar ook niet inkomen.38Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk denzelven, want hij zal het Israel doen erven.39En uw kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen tot een roof zijn; en uw kinderen, die heden noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen, en dien zal Ik het geven, en die zullen het erfelijk bezitten.40Gij daarentegen, keert u, en reist naar de woestijn, den weg van de Schelfzee.41Toen antwoorddet gij, en zeidet tot mij: Wij hebben tegen den HEERE gezondigd; wij zullen optrekken, en strijden, naar alles, wat de HEERE, onze God, ons geboden heeft. Als gij nu een iegelijk zijn krijgsgereedschap aangorddet, en willens waart, om naar het gebergte henen op te trekken,42Zo zeide de HEERE tot mij: Zeg hun: Trekt niet op, en strijdt niet, want Ik ben niet in het midden van u; opdat gij niet voor het aangezicht uwer vijanden geslagen wordet.43Doch als ik tot u sprak, zo hoordet gij niet, maar waart den mond des HEEREN wederspannig, en handeldet trotselijk, en toogt op naar het gebergte.44Toen togen de Amorieten uit, die op dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u, gelijk als de bijen doen; en zij verpletterden u in Seir tot Horma toe.45Als gij nu wederkwaamt en weendet voor het aangezicht des HEEREN, zo verhoorde de HEERE uw stem niet, en neigde Zijn oren niet tot u.46Alzo bleeft gij in Kades vele dagen, naar de dagen, dat gij er bleeft.

De woestijn was groot en vreselijk. Maar hoe is Israël er doorgetrokken? Op de armen van de HEERE (vers 31)!

Op hun uiting van grootste ondankbaarheid, "omdat de HEERE ons haat, heeft Hij ons uit Egypteland uitgevoerd" (vers 27), antwoordt God door de mond van Mozes "dat de HEERE uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt".

Wat een zachtmoedigheid spreekt uit dit contrast! In Handelingen 13 vers 18 wordt dit beeld aangevuld, doordat daar in sommige Bijbelvertalingen gezegd wordt dat de HEERE het volk "verzorgde" gedurende veertig jaar in de woestijn.

Wat is de liefde van een vader en de zorg van een moeder toch groot! God wil voor de Zijnen alles zijn! Zie ook Psalm 103 vers 13 en Jesaja 66 vers 13. Wat verlangt zo'n liefde daarvoor terug? Alleen het eenvoudige vertrouwen van een klein kind dat zich op armen laat dragen.

Een ander bewijs van de trouw van de HEERE was dat Hij vanaf het begin van de woestijnreis de plaatsen waar het volk zich kon legeren, uitzocht en hen van de éne plaats naar de andere leidde (vers 33). Verspieders uitzenden (vers 22) — betekende dat niet wantrouwen van deze onvermoeibare zorg en zelfs twijfelen aan die zorg?

De vrees van ongeloof wordt gevolgd door lichtzinnigheid en aanmatiging. Een gedrag dat zeer zeker tot een nederlaag en daarmee tot bittere tranen zal leiden (vers 45).

Deuteronomium 2:1-13
1Daarna keerden wij ons, en reisden naar de woestijn, den weg van de Schelfzee, gelijk de HEERE tot mij gesproken had, en wij togen om het gebergte Seir, vele dagen.2Toen sprak de HEERE tot mij, zeggende:3Gijlieden hebt dit gebergte genoeg omgetogen; keert u naar het noorden;4En gebied het volk, zeggende: Gij zult doortrekken aan de landpale uwer broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir wonen; zij zullen wel voor u vrezen; maar gij zult u zeer wachten.5Mengt u niet met hen; want Ik zal u van hun land niet geven, ook niet tot de betreding van een voetzool; want Ik heb Ezau het gebergte Seir ter erfenis gegeven.6Spijze zult gij voor geld van hen kopen, dat gij etet; en ook zult gij water voor geld van hen kopen, dat gij drinket.7Want de HEERE, uw God, heeft u gezegend in al het werk uwer hand; Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren is de HEERE, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken.8Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir woonden, van den weg des vlakken velds, van Elath, en van Ezeon-Geber, zo keerden wij ons, en doortogen den weg der woestijn van Moab.9Toen sprak de HEERE tot mij: Beangstig Moab niet, en meng u niet met hen in den strijd; want Ik zal u geen erfenis van hun land geven, dewijl Ik aan Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb.10De Emieten woonden te voren daarin, een groot, en menigvuldig, en lang volk, gelijk de Enakieten.11Dezen werden ook voor reuzen gehouden, als de Enakieten; en de Moabieten noemden hen Emieten.12Ook woonden de Horieten te voren in Seir; maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit de bezitting en verdelgden hen van hun aangezicht, en hebben in hunlieder plaats gewoond; gelijk als Israel gedaan heeft aan het land zijner erfenis, hetwelk de HEERE hun gegeven heeft.13Nu, maakt u op, en trekt over de beek Zered. Alzo trokken wij over de beek Zered.

De Heere Jezus, de ware Mozes, wil graag dat we niet alleen terugdenken aan de woestijn als een plaats van talrijke misstappen (hoofdstuk 1), maar dat we ook denken aan Zijn onuitputtelijke goedheid en geduld gedurende die hele tijd. "... veertig jaren is de HEERE, uw God, met u geweest; geen ding heeft u ontbroken" (vers 7).

"Heeft u ook iets ontbroken?" vroeg de Heere Jezus aan Zijn discipelen, vlak voordat Hij hen verliet; en zij zeiden: "Niets" (Lukas 22 vers 35).

De belofte van de Heere: "Ik ben met u al de dagen" (Mattheüs 28 vers 20) houdt voor ons een zekerheid in dat Hij onze behoeften kent en dat Hij daarin vanuit de onuitputtelijke bronnen van Zijn volheid zal voorzien.

"Hij kent uw wandelen door deze zo grote woestijn; deze veertig jaren" (vers 7). De Heere kent de grootte van de woestijn en weet ook hoeveel tijd er nodig is om erdoor te trekken. En wat Hij geeft, is toereikend voor deze tocht.

Er komt een ogenblik dat Zijn Goddelijke stem zich zal laten horen: "Gij hebt dit gebergte genoeg omgetrokken" (vers 3).

Al heel spoedig zullen wij, gelovigen, de roepstem uit de hemel horen die een einde maakt aan onze pelgrimsreis. De ons welbekende stem van de Heere Jezus trekt ons dan tot Hem op "in de lucht" (1 Thessalonika 4 vers 16 en 17). Wat een heerlijk vooruitzicht!

Deuteronomium 2:14-25
14De dagen nu, die wij gewandeld hebben van Kades-Barnea, totdat wij over de beek Zered getogen zijn, waren acht en dertig jaren; totdat het ganse geslacht der krijgslieden uit het midden der heirlegers verteerd was, gelijk de HEERE hun gezworen had.15Zo was ook de hand des HEEREN tegen hen, om hen uit het midden des heirlegers te verslaan, totdat zij verteerd waren.16En het geschiedde, als al de krijgslieden verteerd waren, uit het midden des heirlegers wegstervende,17Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:18Gij zult heden doortrekken aan Ar, de landpale van Moab;19En gij zult naderen tegenover de kinderen Ammons; beangstig die niet, en meng u met hen niet; want Ik zal u van het land der kinderen Ammons geen erfenis geven, dewijl Ik het aan Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.20Dit werd ook voor een land der reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammonieten noemden hen Zamzummieten;21Een groot, en menigvuldig, en lang volk, als de Enakieten; en de HEERE verdelgde hen voor hun aangezicht, zodat zij hen uit de bezitting verdreven, en aan hunlieder plaats woonden;22Gelijk als Hij aan de kinderen van Ezau, die in Seir wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht Hij de Horieten verdelgde; en zij verdreven hen uit de bezitting, en hebben aan hun plaats gewoond tot op dezen dag.23Ook hebben de Kafthorieten, die uit Kafthor uittogen, de Avieten, die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd, en aan hun plaats gewoond.24Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon; ziet, Ik heb Sihon, den koning van Hesbon, den Amoriet, en zijn land, in uw hand gegeven; begint te erven, en mengt u met hen in den strijd.25Te dezen dage zal Ik beginnen uw schrik en uw vreze te geven over het aangezicht der volken, onder den gansen hemel; die uw gerucht zullen horen, die zullen sidderen, en bang zijn van uw aangezicht.

Het lange rondtrekken van Israël door de woestijn was de rechtvaardige straf voor hun ongeloof. De duur van de reis had echter nog een andere reden.

Zolang het volk vertrouwde op hun dappere krijgslieden, bestond het gevaar dat ze de verovering van het land zouden toeschrijven aan eigen kracht.

Achtendertig jaar was nodig om dat hele geslacht van krijgslieden te verteren (vers 14).

In Johannes 5 zien we een zieke die door de Heere Jezus aan de vijver van Bethesda werd genezen. Ook deze ongelukkige man leerde pas na achtendertig jaar van alle menselijke hulp af te zien. Hij moest toegeven: "Ik heb geen mens" (vers 7); pas daarna stelde de Heere Jezus hem in staat om te lopen.

De volwassenen waren nu gestorven. En juist de kinderen
van wie het volk had gezegd dat ze tot roof zouden zijn, zouden het land in bezit nemen (vergelijk hoofdstuk 1 vers 39).

Gedragen door de sterke armen van de HEERE, zijn ze sterker dan de krijgslieden. Als de kracht van mensen verdwenen is, als "de hand is weggedaan" (hoofdstuk 32 vers 36), dàn heeft het uur voor God Zelf geslagen. Dàn kan Hij werken!

Hij heeft prachtige overwinningen voor het volk in het vooruitzicht en laat zeggen: "Maakt u op, reist heen, en gaat over de beek Arnon ... begint te erven, en mengt u met hen in de strijd" (vers 24).

Voor al het andere zorgt Hij!

Deuteronomium 2:26-37
26Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemot tot Sihon, den koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:27Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleenlijk langs den weg voorttrekken; ik zal noch ter rechterhand noch ter linkerhand uitwijken.28Verkoop mij spijze voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleenlijk laat mij op mijn voeten doortrekken;29Gelijk de kinderen van Ezau, die in Seir wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij gedaan hebben; totdat ik over de Jordaan kome in het land, dat de HEERE, onze God, ons geven zal.30Maar Sihon, de koning van Hesbon, wilde ons door hetzelve niet laten doortrekken; want de HEERE,, uw God, verhardde zijn geest, en verstokte zijn hart, opdat Hij hem in uw hand gave, gelijk het is te dezen dage.31En de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten.32En Sihon toog uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, naar Jahaz.33En de HEERE, onze God, gaf hem voor ons aangezicht; en wij sloegen hem, en zijn zonen, en al zijn volk.34En wij namen te dier tijd al zijn steden in, en wij verbanden alle steden, mannen, en vrouwen, en kinderkens; wij lieten niemand overblijven.35Het vee alleen roofden wij voor ons, en den roof der steden, die wij innamen.36Van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geen stad, die voor ons te hoog was; de HEERE, onze God, gaf dat alles voor ons aangezicht.37Behalve tot het land van de kinderen Ammons naderdet gij niet, noch tot de ganse streek der beek Jabbok, noch tot de steden van het gebergte, noch tot iets, dat de HEERE, onze God, ons verboden had.

Als we teruggaan naar Genesis 15 vers 16, dan horen we de HEERE daar tegen Abraham spreken over de ongerechtigheid van de volken van Kanaän (zie ook Deuteronomium 9 vers 5). Daar lezen we ook dat die ongerechtigheid "... tot nog toe niet volkomen" was.

Er waren vierhonderd jaar voor nodig om het kwaad tot rijpheid te laten komen. Wat is de lankmoedigheid, het geduld van God toch groot! Verdraagt Hij al niet bijna tweeduizend jaar lang een wereld die Zijn Zoon gekruisigd heeft?

De volkeren aan beide zijden van de Jordaan hebben alles horen vertellen wat de HEERE voor Israël gedaan heeft. Toch hebben ze zich niet bekeerd. Daarom moet het oordeel dat niemand zal ontzien, komen.

Ook de kinderen moeten sterven. Daar wij weten dat een kind dat sterft, voor de hemel bestemd is, mogen we zeggen dat hen een veel erger lot dan de dood bespaard is gebleven. We kunnen immers gerust stellen dat deze kinderen, wanneer ze eenmaal groot geworden zouden zijn, waarschijnlijk de zondige voetstappen van hun ouders gevolgd zouden zijn, tot in het eeuwig verderf.

Deze volkeren waren vijanden van de HEERE; en het volk Israël moest hen om de eer van God vernietigen.

De christen wordt daarentegen nooit opgeroepen om tegen mensen te strijden. Hij moet veel meer de zachtmoedigheid navolgen die het volk Israël openbaart in de verzen 27 tot en met 29.

Deuteronomium 3:1-17
1Daarna keerden wij ons en togen op, den weg van Bazan; en Og, de koning van Bazan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde bij Edrei.2Toen zeide de HEERE tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en al zijn volk, en zijn land, in uw hand gegeven; en gij zult hem doen, gelijk als gij Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.3En de HEERE, onze God, gaf ook Og, den koning van Bazan, en al zijn volk, in onze hand, zodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven.4En wij namen te dier tijd al zijn steden; er was geen stad, die wij van hen niet namen: zestig steden, de ganse landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Bazan.5Al die steden waren met hoge muren, poorten en grendelen gesterkt, behalve zeer vele onbemuurde steden.6En wij verbanden dezelve, gelijk wij Sihon, den koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderen.7Doch al het vee en den roof van die steden roofden wij voor ons.8Zo namen wij te dier tijd het land uit de hand van de twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, van de beek Arnon tot den berg Hermon toe;9(De Zidoniers noemen Hermon Sirjon; maar de Amorieten noemen hem Senir.)10Al de steden des platten lands, en het ganse Gilead, en het ganse Bazan, tot Salcha en Edrei toe; steden des koninkrijks van Og in Bazan.11Want Og, de koning van Bazan, was alleen van de overigen der reuzen overgebleven; ziet, zijn bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba der kinderen Ammons? Negen ellen is haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar eens mans elleboog.12Ditzelfde land nu namen wij te dier tijd in bezit; van Aroer af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte van Gilead, met de steden van hetzelve, gaf ik aan de Rubenieten en Gadieten.13En het overige van Gilead, mitsgaders het ganse Bazan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van Manasse, de ganse landstreek van Argob, door het ganse Bazan; datzelve werd genoemd het land der reuzen.14Jair, de zoon van Manasse, kreeg de ganse landstreek van Argob, tot aan de landpale der Gezurieten en Maachathieten; en hij noemde ze naar zijn naam, Bazan Havvoth-Jair, tot op dezen dag.15En aan Machir gaf ik Gilead.16Maar aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en de landpale; en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons;17Daartoe het vlakke veld, en de Jordaan, mitsgaders de landpale; van Cinnereth af tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, onder Asdoth-Pisga tegen het oosten.

Zodra de vijand het volk Israël tegemoet trekt, bemoedigt de HEERE Mozes met de woorden: "Vrees hem niet" (vers 2). Daarop behalen ze de overwinning: "Wij sloegen ... wij verbanden ... wij namen in bezit".

De steden die "versterkt tot in de hemel toe" waren (hoofdstuk 1 vers 28), leken voor de ongelovige Israëlieten eens onneembaar. Maar nu kan Mozes zeggen: "Er was geen stad, die voor ons te hoog was" (hoofdstuk 2 vers 36).

En die reuzen dan, waarvoor ze eerst zo bang waren? God herinnert hen daar later aan: "Ik daarentegen heb de Amoriet voor hun aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte van de ceders, en hij was sterk als de eiken" (Amos 2 vers 9).

Og, de koning van Basan, ook zo'n angstaanjagende reus, wordt met zijn hele volk in de handen van de Israëlieten gegeven, zoals het vóór hem al gebeurd was met Sihon. Zó toont God Zijn macht en ontvouwt die ten gunste van de Zijnen.

Deze gedachte mag ons ook bemoedigen als de vijand ons door zijn macht wil verschrikken. "Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld", zo verzekert ons de eerste Johannesbrief, "en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof' (1 Johannes 5 vers 4).

Het geloof triomfeert, omdat het steunt op Hem Die veel machtiger is dan de wereld.

"Hebt goede moed", zo bemoedigt de Heere Jezus ons, "Ik heb de wereld overwonnen" (Johannes 16 vers 33).

Deuteronomium 3:18-29
18Voorts gebood ik ulieden ter zelfder tijd, zeggende: De HEERE, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broederen, de kinderen Israels.19Behalve uw vrouwen, en uw kinderkens, en uw vee (ik weet, dat gij veel vee hebt), zij zullen blijven in uw steden, die ik u gegeven heb;20Totdat de HEERE uw broederen rust geve, gelijk ulieden, dat zij ook erven het land, dat de HEERE, uw God, hun geven zal aan gene zijde van de Jordaan; dan zult gij wederkeren, elk tot zijn erfenis, die ik u gegeven heb.21Ook gebood ik Jozua ter zelfder tijd, zeggende: Uw ogen zien alles, wat de HEERE, ulieder God, aan deze twee koningen gedaan heeft; alzo zal de HEERE aan alle koninkrijken doen, naar welke gij henen doortrekt.22Vreest ze niet; want de HEERE, uw God, strijdt voor ulieden.23Ook bad ik den HEERE om genade, zeggende ter zelfder tijd:24Heere HEERE! Gij hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in den hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken, en naar Uw mogendheden!25Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dat goede gebergte, en den Libanon!26Doch de HEERE verstoorde zich zeer om uwentwille over mij, en hoorde niet naar mij; maar de HEERE zeide tot mij: Het zij u genoeg; spreek niet meer tot Mij van deze zaak.27Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie toe met uw ogen; want gij zult over deze Jordaan niet gaan.28Gebied dan Jozua, en versterk hem, en bekrachtig hem; want hij zal voor het aangezicht van dit volk henen overgaan, en zal hun dat land, dat gij zien zult, doen erven.29Alzo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor.

Sommige mensen hebben er hun hele leven spijt van dat ze op school niet beter hun best hebben gedaan. Ouders, naar wie men niet altijd wil luisteren, zeggen vaak tegen hun kinderen: 'Denk erom, je werkt aan je eigen toekomst; een middelmatige studie heeft ook een middelmatige loopbaan tot gevolg'.

Geldt dat ook niet voor de christen? Echter wel met dit verschil dat hij zijn hele leven lang in de leerschool van God is. Is hij een trage leerling, heeft hij geen doorzettingsvermogen, dan is hij 'kortzichtig' en de ingang in het eeuwig koninkrijk zal hem niet "rijkelijk toegevoegd" worden. Hij zal veelmeer eeuwig verlies lijden (2 Petrus 1 vers 9 en 11).

De kinderen van Ruben en Gad kunnen ons in dit opzicht tot voorbeeld zijn, een voorbeeld hoe het niet moet! Zij hadden niet het beste deel, hoewel zij als eersten hun erfdeel in bezit namen. Integendeel!

Aan de andere kant van de Jordaan was het "goede land" en het "goede gebergte" (vers 25). Mozes wist dat heel goed. Wat bestond er toch een groot verschil tussen deze trouwe leider en die tweeënhalve stam!

Het hart van Mozes ging juist uit naar die kant van de Jordaan, maar hij mocht daar niet komen. Deze tweeënhalve stam daarentegen hadden Kanaän kunnen binnentrekken, maar verlangden juist iets anders!

En beste lezer(es), waar bevindt zich uw hart? In de hemel, bij de Heere Jezus? Of op de aarde met zijn zichtbare, vergankelijke dingen? Vergelijk Lukas 12 vers 34.

Deuteronomium 4:1-13
1Nu dan, Israel! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de HEERE, uwer vaderen God, u geeft.2Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.3Uw ogen hebben gezien, wat God om Baal-Peor gedaan heeft; want alle man, die Baal-Peor navolgde, dien heeft de HEERE, uw God, uit het midden van u verdaan.4Gij daarentegen, die den HEERE, uw God, aanhingt, gij zijt heden allen levende.5Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de HEERE, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven.6Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit groot volk alleen is een wijs en verstandig volk!7Want wat groot volk is er, hetwelk de goden zo nabij zijn als de HEERE, onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen?8En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?9Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken.10Ten dage, als gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, aan Horeb stondt, als de HEERE tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;11En gijlieden naderdet en stondt beneden dien berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden des hemels; er was duisternis, wolken en donkerheid).12Zo sprak de HEERE tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden; maar gij zaagt geen gelijkenis, behalve de stem.13Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen.

Door slechts één enkele ongehoorzaamheid werd Mozes het voorrecht, in te mogen gaan in het door de HEERE beloofde land, ontnomen. Daarom was juist hij de aangewezen persoon om het volk te vermanen, de geboden van de HEERE te gehoorzamen, "opdat gij" — zo zegt hij — "... inkomt, en erft het land, dat de HEERE, de God van uw vaderen, u geeft" (vers 1).

Het is net alsof hij wil zeggen: 'O, dat het jullie toch niet zo zal vergaan als mij; luister daarom naar de geboden van de HEERE en volg ze op!'

"Dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn" , zegt deze man Gods nadrukkelijk in vers 6. Als we naar de wil van God luisteren, zetten we onze eigen wil opzij. Daarmee geven we ruimte aan de wijsheid van boven die dan in de plaats van onze eigen wijsheid komt (Jakobus 3 vers 17). Het 'Woord van God bewaren' houdt dan als het ware het "bewaart uw ziel" (vers 9) in.

De autoriteit van het Goddelijke Woord wordt door Mozes bevestigd, doordat hij eraan herinnert onder welke omstandigheden en op welke indrukwekkende wijze dit Woord eens aan hen gegeven is.

"Gij zult tot dit woord, dat ik u gebied, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen" (vers 2). Veel mensen — zogenaamde christenen! — voegen aan de Heilige Schrift allerlei overleveringen, bijgeloof en menselijke meningen toe. Anderen, op hun beurt, scheuren er juist bladzijden uit die ze erg onaangenaam vinden of die ze niet (willen) begrijpen. Zowel het een als het ander is strafbaar (Openbaring 22 vers 18 en 19).

Deuteronomium 4:14-28
14Ook gebood mij de HEERE ter zelver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat gij die deedt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt, om dat te erven.15Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage als de HEERE op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak;16Opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, van mannelijk of vrouwelijk gedaante,17De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;18De gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt; de gedaante van enigen vis, die in het water is onder de aarde;19Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld.20Maar ulieden heeft de HEERE aangenomen, en uit den ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is.21Ook vertoornde Zich de HEERE over mij, om ulieder woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat de HEERE, uw God, u ter erfenis geven zal.22Want ik zal in dit land sterven; ik zal over de Jordaan niet gaan; maar gij zult er overgaan, en datzelve goede land erven.23Wacht u, dat gij het verbond des HEEREN, uws Gods, hetwelk Hij met u gemaakt heeft, niet vergeet, dat gij u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat de HEERE, uw God, u verboden heeft.24Want de HEERE, uw God, is een verterend vuur, een ijverig God.25Wanneer gij nu kinderen en kindskinderen gewonnen zult hebben, en in het land oud geworden zult zijn, en u zult verderven, dat gij gesneden beelden maakt, de gelijkenis van enig ding, en doet, wat kwaad is in de ogen des HEEREN, uws Gods, om Hem tot toorn te verwekken;26Zo roep ik heden den hemel en de aarde tot getuige tegen ulieden, dat gij voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar gij over de Jordaan naar toe trekt, om dat te erven; gij zult uw dagen daarin niet verlengen, maar ganselijk verdelgd worden.27En de HEERE zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getal overblijven onder de heidenen, waar de HEERE u henen leiden zal.28En aldaar zult gij goden dienen, die des mensen handenwerk zijn, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch eten, noch rieken.

Het volk Israël moest zich door zijn wijsheid en verstand onderscheiden van de andere volkeren (hoofdstuk 4 vers 6). Deze wijsheid en dit verstand bestonden daarin dat ze de enige ware God erkenden, naar Hem luisterden en zich aan Hem onderwierpen.

De volkeren rondom Israël baden tot de afgoden. Daarom was "hun onverstandig hart verduisterd geworden; zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden; en hebben de heerlijkheid van de onverderfelijke God veranderd in de gelijkenis van een beeld van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende dieren" (Romeinen 1 vers 21 tot en met 23).

Voor deze verschrikkelijke zonde van afgoderij wordt Israël gewaarschuwd. Deze grove vorm van afgodendienst komt men in de zogenaamde 'christelijke landen' niet veel meer tegen.

Het Nieuwe Testament wijst echter op andere zonden die vormen van afgodendienst zijn, zoals de hebzucht, en waarschuwt dat "geen afgodendienaars ... het Koninkrijk Gods beërven" (Efeze 5 vers 5 en 1 Korinthe 6 vers 9 en 10).

Hoewel God Zijn volk waarschuwt, verzwijgt Hij niet voor hen wat er zal gebeuren: het volk zal afdwalen en heidense goden dienen.

Het Woord van God spreekt nooit vleiend tegen ons en laat er geen misverstand over bestaan waar onze harten van nature toe in staat zijn.

Deuteronomium 4:29-49
29Dan zult gij van daar den HEERE, uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel.30Wanneer gij in angst zult zijn, en u al deze dingen zullen treffen; in het laatste der dagen, dan zult gij wederkeren tot den HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn.31Want de HEERE, uw God, is een barmhartig God; Hij zal u niet verlaten, noch u verderven; en Hij zal het verbond uwer vaderen, dat Hij hun gezworen heeft, niet vergeten.32Want, vraag toch naar de vorige dagen, die voor u geweest zijn, van dien dag af, dat God den mens op de aarde geschapen heeft, van het ene einde des hemels tot aan het andere einde des hemels, of zulk een groot ding geschied of gehoord zij, als dit:33Of een volk gehoord hebbe de stem van God, sprekende uit het midden des vuurs, gelijk als gij gehoord hebt, en levend zij gebleven?34Of: of God verzocht heeft te gaan, om Zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, en door strijd, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en met grote verschrikkingen; naar al hetgeen de HEERE, uw God, ulieden voor uw ogen in Egypte gedaan heeft?35U is het getoond, opdat gij wetet, dat de HEERE die God is; er is niemand meer dan Hij alleen!36Van den hemel heeft Hij u Zijn stem laten horen, om u te onderwijzen; en op de aarde heeft Hij u Zijn groot vuur doen zien; en gij hebt Zijn woorden uit het midden des vuurs gehoord.37En omdat Hij uw vaderen liefhad, en hun zaad na hen verkoren had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd;38Om volken, die groter en machtiger waren dan gij, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven; om u in te brengen, dat Hij u hunlieder land ter erfenis gave, als het te dezen dage is.39Zo zult gij heden weten, en in uw hart hervatten, dat de HEERE die God is, boven in den hemel, en onder op de aarde, niemand meer!40En gij zult houden Zijn inzettingen en Zijn geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uw kinderen na u welga, en opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE, uw God, u geeft, voor altoos.41Toen scheidde Mozes drie steden uit, aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon;42Opdat daarheen vlood de doodslager, die zijn naaste onwetende doodslaat, dien hij van gisteren en eergisteren niet haatte; dat hij in een van deze steden vlood en levend bleef;43Bezer in de woestijn, in het effen land, voor de Rubenieten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadieten; en Golan in Bazan, voor de Manassieten.44Dit is nu de wet, die Mozes de kinderen Israels voorstelde:45Dit zijn de getuigenissen, en de inzettingen, en de rechten, die Mozes sprak tot de kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen;46Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; welken Mozes sloeg, en de kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen,47En zijn land in bezitting genomen hadden; daartoe het land van Og, koning van Bazan; twee koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan waren, tegen den opgang der zon;48Van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, tot aan den berg Sion, welke is Hermon;49En al het vlakke veld, aan deze zijde van de Jordaan, naar het oosten, tot aan de zee des vlakken velds, onder Asdoth-Pisga.

De christenheid die een veel grotere verantwoordelijkheid heeft dan Israël, beantwoordt zeker niet meer aan wat van haar verwacht wordt, dan dit volk. Al ten tijde van de apostelen werd het verval aangekondigd. Maar te midden van de ruïne van de belijdende christenheid heeft God de gelovige een weg getoond die Zijn goedkeuring heeft: de weg van persoonlijke gehoorzaamheid!

Laten we erop letten dat in vers 25 tot en met 28 waar sprake is van verval, het woordje 'gij' steeds in het meervoud staat. Dit geeft aan dat het om het handelen en de verantwoordelijkheid van het geheel gaat. Bij de opwekking in de verzen 29 tot en met 31 staat 'gij' daarentegen steeds in het enkelvoud. Het is ieders eigen verantwoordelijkheid te luisteren naar de persoonlijk aan hem of haar gerichte stem van God!

Precies hetzelfde vinden we terug bij de apostel Paulus in zijn tweede Brief aan Timotheüs, als hij het heeft over de moeilijke tijden van verval. Hij spreekt over wat er terecht gekomen is van de christenheid als geheel, en zegt dan heel persoonlijk: "Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt" (hoofdstuk 3 vers 14).

God getroost Zich veel moeite om dit steeds weer bij ons in gedachtenis te brengen. "Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarover te vermanen, hoewel gij het weet", schrijft Petrus (lees 2 Petrus 1 vers 12 en 13; 3 vers 1 en 2). Laten we ons er niet over verwonderen dat er veel herhalingen in de Bijbel voorkomen! Ook in het Boek Deuteronomium zullen we dat vaak zien. Het begint al bij de wet zelf die in Deuteronomium nog een keer gegeven wordt en waaraan dit Boek tevens zijn naam ontleent (Deuteronomium betekent 'tweede wetgeving').

Deuteronomium 5:1-21
1En Mozes riep het ganse Israel, en zeide tot hen: Hoor, Israel! de inzettingen en rechten, die ik heden voor uw oren spreek, dat gij ze leert en waarneemt, om dezelve te doen.2De HEERE, onze God, heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb.3Met onze vaderen heeft de HEERE dit verbond niet gemaakt, maar met ons, wij die hier heden allen levend zijn.4Van aangezicht tot aangezicht heeft de HEERE met u op den berg gesproken uit het midden des vuurs,5(Ik stond te dier tijd tussen den HEERE en tussen u, om u des HEEREN woord aan te zeggen; want gij vreesdet voor het vuur en klomt niet op den berg) zeggende:6Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.7Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.8Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis, van hetgeen boven in den hemel, of onder op de aarde is; of in het water onder de aarde is;9Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE, uw God, ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten;10En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden.11Gij zult den Naam des HEEREN, uws Gods, niet ijdellijk gebruiken; want de HEERE zal niet onschuldig houden dengene, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.12Onderhoudt den sabbatdag, dat gij dien heiligt; gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft.13Zes dagen zult gij arbeiden, en al uw werk doen;14Maar de zevende dag is de sabbat des HEEREN, uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw os, noch uw ezel, noch enig van uw vee, noch de vreemdeling, die in uw poorten is; opdat uw dienstknecht, en uw dienstmaagd ruste, gelijk als gij.15Want gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat de HEERE, uw God, u van daar heeft uitgeleid door een sterke hand en een uitgestrekten arm; daarom heeft u de HEERE, uw God, geboden, dat gij den sabbatdag houden zult.16Eert uw vader, en uw moeder, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden, en opdat het u welga in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.17Gij zult niet doodslaan.18En gij zult geen overspel doen.19En gij zult niet stelen.20En gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.21En gij zult niet begeren uws naasten vrouw; en gij zult u niet laten gelusten uws naasten huis, zijn akker, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.

Het is nu zaak voor Israël de inzettingen en rechten van de HEERE te horen, te leren, er acht op te geven en ze ook te doen (vers 1). Ook voor ieder van ons zijn dit heel belangrijke woorden in verbinding met de Heilige Schrift!

Aan het begin van het hele onderwijs voor Israël staat natuurlijk de wet. Het brengt aan de éne kant de volmaaktheid van Christus Die de wet helemaal vervulde, aan het licht. Aan de andere kant komt de slechtheid van de mensen naar voren die alles doen wat verboden is (vergelijk 1 Timotheüs 1 vers 9).

Dat God gedwongen is te zeggen: "Gij zult niet doodslaan ... gij zult niet stelen", laat zien dat we die neiging om deze boze dingen juist wel te doen, in ons hebben. De wet heeft dan ook vooral een negatief karakter. De wet zegt niet zozeer: 'Gij zult', maar juist: "Gij zult niet".

Ook voor het christelijke leven zijn er onthoudingen en verboden. In 1 Petrus 1 vers 14 en 2 vers 1 wordt het kind van God vermaand, zich niet over te geven aan begeerlijkheden, maar juist "alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle kwaadsprekerijen" af te leggen. Dus alles wat uit het vlees, uit de oude natuur voortkomt, te veroordelen en weg te doen.

Toch is het christendom ook rijk aan positieve geboden. De gelovige is in staat die geboden te vervullen, omdat hij nieuw leven bezit. God mag van ons verwachten dat ons hart vrij is van allerlei begeerten, omdat Hij een Voorwerp heeft gegeven waarmee wij onze harten helemaal kunnen vullen: Christus. De wet zou dit nooit kunnen doen!

Deuteronomium 5:22-33
22Deze woorden sprak de HEERE tot uw ganse gemeente, op den berg, uit het midden des vuurs, der wolk en der donkerheid, met een grote stem, en deed daar niets toe; en Hij schreef ze op twee stenen tafelen, en gaf ze mij.23En het geschiedde, als gij die stem uit het midden der duisternis hoordet, en de berg van vuur brandde, zo naderdet gij tot mij, alle hoofden uwer stammen, en uw oudsten,24En zeidet: Zie, de HEERE, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden des vuurs; dezen dag hebben wij gezien, dat God met den mens spreekt, en dat hij levend blijft.25Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; indien wij voortvoeren de stem des HEEREN, onzes Gods, langer te horen, zo zouden wij sterven.26Want wie is er van alle vlees, die de stem des levenden Gods, sprekende uit het midden des vuurs, gehoord heeft gelijk wij, en is levend gebleven?27Nader gij, en hoor alles, wat de HEERE, onze God, zeggen zal; en spreek gij tot ons al wat de HEERE, onze God, tot u spreken zal, en wij zullen het horen en doen.28Als nu de HEERE de stem uwer woorden hoorde, toen gij tot mij spraakt, zo zeide de HEERE tot mij: Ik heb gehoord de stem der woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben; het is altemaal goed, dat zij gesproken hebben.29Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te allen dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!30Ga, zeg hun: Keert weder naar uw tenten.31Maar gij, sta hier bij Mij, dat Ik tot u spreke al de geboden, en inzettingen, en rechten, die gij hun leren zult, dat zij ze doen in het land, hetwelk Ik hun geven zal, om dat te erven.32Neemt dan waar, dat gij doet, gelijk als de HEERE, uw God, u geboden heeft; en wijkt niet af ter rechterhand, noch ter linkerhand.33In al den weg, dien de HEERE, uw God, u gebiedt, zult gij gaan; opdat gij leeft, en dat het u welga, en gij de dagen verlengt in het land, dat gij erven zult.

De wet was gegeven en de HEERE had er niets meer aan toe te voegen. Nu lag het bij het volk om hierop vrijwillig en blijmoedig te antwoorden. Wat heeft de eerste liefde toch een grote waarde voor God! "Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen", zegt God tegen Zijn knecht (vers 29).

Veel later, in de dagen van Jeremia, zal Hij hen aan deze gelukkige dagen herinneren: "Ik gedenk ... de liefde van uw ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn". Maar met grote droefheid moet Hij eraan toevoegen: "Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal" (Jeremia 2 vers 2 en 32).

Ja, het volk had goed gesproken: "Het is allemaal goed, wat zij gesproken hebben" (vers 28). Maar God is niet tevreden met woorden alleen; Hij zal ons naar onze daden beoordelen. "Neemt dan waar, dat gij doet ..." (vers 32).

Laten we daarom de Heere vragen, zowel het willen als het werken in ons te werken (Filippi 2 vers 13).

De weg waarvan men noch ter rechter— noch ter linkerhand mocht afwijken (vers 32 en 33), was duidelijk aangegeven. Hoe gauw doen ook wij een stap buiten de weg van gehoorzaamheid, als we door een vreemd voorwerp aangetrokken of door een hindernis afgeschrikt worden!

Laten we toch een voorbeeld nemen aan Josia, de jonge koning, wiens Godsvrucht zo duidelijk naar voren kwam in de dagen van afgodendienst. Hij is de enige van wie gezegd wordt: "Hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter—, noch ter linkerhand" (2 Kronieken 34 vers 2).

Deuteronomium 6:1-15
1Dit zijn dan de geboden, de inzettingen en de rechten, die de HEERE, uw God, geboden heeft om u te leren; opdat gij ze doet in het land, naar hetwelk gij heentrekt, om dat erfelijk te bezitten;2Opdat gij den HEERE, uw God, vrezet, om te houden al Zijn inzettingen, en Zijn geboden, die ik u gebiede; gij, en uw kind, en kindskind, al de dagen uws levens; en opdat uw dagen verlengd worden.3Hoor dan, Israel! en neem waar, dat gij ze doet, opdat het u welga, en opdat gij zeer vermenigvuldigdet (gelijk als u de HEERE, uwer vaderen God, gesproken heeft) in het land, dat van melk en honig is vloeiende.4Hoor, Israel! de HEERE, onze God, is een enig HEERE!5Zo zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, met uw ganse hart, en met uw ganse ziel, en met al uw vermogen.6En deze woorden, die ik u heden gebiede, zullen in uw hart zijn.7En gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.8Ook zult gij ze tot een teken binden op uw hand, en zij zullen u tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen.9En gij zult ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten schrijven.10Als het dan zal geschied zijn, dat de HEERE, uw God, u zal hebben ingebracht in dat land, dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft, u te zullen geven; grote en goede steden, die gij niet gebouwd hebt,11En huizen, vol van alle goeds, die gij niet gevuld hebt, en uitgehouwen bornputten, die gij niet uitgehouwen hebt, wijngaarden en olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt;12Zo wacht u, dat gij den HEERE niet vergeet, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis heeft uitgevoerd.13Gij zult den HEERE, uw God, vrezen, en Hem dienen; en gij zult bij Zijn Naam zweren.14Gij zult andere goden niet navolgen, van de goden der volken, die rondom u zijn.15Want de HEERE, uw God is een ijverig God in het midden van u; dat de toorn des HEEREN, uws Gods, tegen u niet ontsteke, en Hij u van den aardbodem verdelge.

Gods liefde laat geen verdeelde gevoelens, geen compromissen toe. Zijn liefde vraagt van ons een volledige overgave van hart, ziel, kracht en gedachten. Ja, ons hele wezen moet als het ware door die liefde gegrepen zijn.

Geen enkel moment zou ons leven aan de invloed van die liefde onttrokken mogen worden. Thuis, aan tafel, bij het opstaan en het slapen gaan, buiten, kortom op elk moment van de dag zou onze trouwe Heiland het Onderwerp van onze gedachten en onze gesprekken moeten zijn (Psalm 73 vers 25). Wat schieten we daarin veel tekort!

De schrijvers van de vier Evangeliën stellen ons echter het volmaakte Voorbeeld voor de aandacht: de Heere Jezus. Bij Hem is alles voor God! We horen Hem "het eerste en grote gebod" met groot gezag uitspreken, omdat Hij dat volmaakt heeft vervuld: "Gij zult liefhebben de Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand" (Mattheüs 22 vers 37 en 38).

Het Woord van God was Hem voortdurend op het hart gebonden. Daarom kon Hij de vijand, toen die Hem wilde verleiden in de woestijn, ook met dit betrouwbare Zwaard in Zijn handen tegemoet treden.

Daarom is het voor ons ook zó belangrijk, teksten uit het hoofd te leren! "Dat gij ze leert ...", zegt ons hoofdstuk 5 in vers 1.

De duivel kan niets tegen de Heilige Schrift beginnen. Laten we de Bijbel weten te gebruiken, om hem daarmee te overwinnen.

Deuteronomium 6:16-25; Deuteronomium 7:1-6
16Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te Massa.17Gij zult de geboden des HEEREN, uws Gods, vlijtig houden, mitsgaders Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.18En gij zult doen, wat recht en goed is in de ogen des HEEREN; opdat het u welga, en dat gij inkomt, en erft het goede land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft;19Om al uw vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, gelijk als de HEERE gesproken heeft.20Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen, en inzettingen, en rechten, die de HEERE, onze God, ulieden geboden heeft?21Zo zult gij tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Farao in Egypte; maar de HEERE heeft ons door een sterke hand uit Egypte uitgevoerd.22En de HEERE gaf tekenen, en grote en kwade wonderen, in Egypte, aan Farao en aan zijn ganse huis, voor onze ogen;23En hij voerde ons van daar uit, opdat Hij ons inbracht, om ons het land te geven, dat Hij onzen vaderen gezworen had.24En de HEERE gebood ons te doen al deze inzettingen, om te vrezen den HEERE, onzen God, ons voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te dezen dage is.25En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen al deze geboden, voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, gelijk Hij ons geboden heeft.
1Wanneer u de HEERE, uw God, zal gebracht hebben in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; en Hij vele volken voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethieten, en de Girgasieten, en de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan gij;2En de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht, dat gij ze slaat; zo zult gij hen ganselijk verbannen; gij zult geen verbond met hen maken, noch hun genadig zijn.3Gij zult u ook met hen niet vermaagschappen; gij zult uw dochters niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen.4Want zij zouden uw zonen van Mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn des HEEREN zou tegen ulieden ontsteken, en u haast verdelgen.5Maar alzo zult gij hun doen: hun altaren zult gij afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen zult gij afhouwen, en hun gesnedene beelden met vuur verbranden.6Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn.

God verzoeken (vers 16) betekent: Hem uitdagen om te bewijzen wat Hij gezegd heeft. Dat is dus niets anders dan ongeloof. In Massa wilde het volk beproeven of de HEERE werkelijk in hun midden was (Exodus 17 vers 7).

De Heere Jezus had het daarentegen helemaal niet nodig, Zich van de tinne van de tempel af te werpen om zeker te weten dat engelen aangaande Hem bevelen hadden gekregen (Mattheüs 4 vers 5 tot en met 7).

Volgens vers 7 waren de ouders verplicht hun kinderen de woorden van de HEERE te leren. Vers 20 veronderstelt zelfs dat de zonen hun vaders vragen zullen stellen. Zulke vragen waren ook bij drie andere gelegenheden al voorzegd:

In Exodus 12 vers 26 over het Pascha: Wat was het middel tot redding?

In Exodus 13 vers 14 over de daaruit voortvloeiende afzondering: Waarom deze blijvende scheiding van de wereld?

En tenslotte in Jozua 4 vers 6 met betrekking tot de twaalf stenen die uit de Jordaan genomen werden en in Kanaän werden opgesteld: vragen over de hemelse positie van de gelovigen, over de eenheid van de gemeente, het lichaam van Christus.

Stel deze vragen toch steeds opnieuw, jonge gelovigen! Jullie zullen heerlijke antwoorden krijgen!

Israël mocht noch de Kanaänieten noch hun afgoden op welke wijze dan ook ontzien. En dat niet om de oorlogszuchtige of heerszuchtige geest te bevredigen (het algemene kenmerk van een veroveraar), maar omdat ze een heilig, God toegewijd volk waren (vers 6).

Deuteronomium 7:7-26
7De HEERE heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken.8Maar omdat de HEERE ulieden liefhad, en opdat Hij hield den eed, dien Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.9Gij zult dan weten, dat de HEERE, uw God, die God is, die getrouwe God, welke het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden tot in duizend geslachten.10En Hij vergeldt een ieder van hen, die Hem haten, in zijn aangezicht, om hem te verderven; Hij zal het Zijn hater niet vertrekken, in zijn aangezicht zal Hij het hem vergelden.11Houdt dan de geboden, en de inzettingen, en de rechten, die ik u heden gebiede, om die te doen.12Zo zal het geschieden, omdat gij deze rechten zult horen, en houden, en dezelve doen, dat de HEERE, uw God, u het verbond en de weldadigheid zal houden, die Hij uw vaderen gezworen heeft;13En Hij zal u liefhebben, en zal u zegenen, en u doen vermenigvuldigen; en Hij zal zegenen de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, uw koren, en uw most, en uw olie, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee, in het land, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft u te geven.14Gezegend zult gij zijn boven alle volken; er zal onder u noch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uw beesten;15En de HEERE zal alle krankheid van u afweren, en Hij zal u geen van de kwade ziekten der Egyptenaren, die gij kent, opleggen, maar zal ze leggen op allen, die u haten.16Gij zult dan al die volken verteren, die de HEERE, uw God, u geven zal; uw oog zal hen niet verschonen, en gij zult hun goden niet dienen; want dat zoude u een strik zijn.17Zo gij in uw hart zeidet: Deze volken zijn meerder dan ik; hoe zou ik hen uit de bezitting kunnen verdrijven?18Vreest niet voor hen; gedenkt steeds, wat de HEERE, uw God, aan Farao en aan alle Egyptenaren gedaan heeft;19De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, en de tekenen, en de wonderen, en de sterke hand, en den uitgestrekten arm, door welken u de HEERE uw God, heeft uitgevoerd; alzo zal de HEERE, uw God, doen aan alle volken, voor welker aangezicht gij vreest.20Daartoe zal de HEERE, uw God, ook horzelen onder hen zenden; totdat zij omkomen, die overgebleven, en voor uw aangezicht verborgen zijn.21Ontzet u niet voor hunlieder aangezicht; want de HEERE, uw God, is in het midden van u, een groot en vreselijk God.22En de HEERE, uw God, zal deze volken voor uw aangezicht allengskens uitwerpen; haastelijk zult gij hen niet mogen te niet doen, opdat het wild des velds niet tegen u vermenigvuldige.23En de HEERE zal hen geven voor uw aangezicht, en Hij zal hen verschrikken met grote verschrikking, totdat zij verdelgd worden.24Ook zal Hij hun koningen in uw hand geven, dat gij hun naam van onder den hemel te niet doet; geen man zal voor uw aangezicht bestaan, totdat gij hen zult hebben verdelgd.25De gesneden beelden van hun goden zult gij met vuur verbranden; het zilver en goud, dat daaraan is, zult gij niet begeren, noch voor u nemen, opdat gij daardoor niet verstrikt wordt; want dat is den HEERE, uw God, een gruwel.26Gij zult dan den gruwel in uw huis niet brengen, dat gij een ban zoudt worden, gelijk datzelve is; gij zult het ganselijk verfoeien, en te enenmaal een gruwel daarvan hebben, want het is een ban.

We zijn allemaal geneigd alleen diegenen lief te hebben, die ons ook liefhebben of die we sympathiek vinden (Lukas 6 vers 32).

De liefde van God is juist heel anders! Hij had Zijn liefde in Egypte al aan Israël bewezen, aan dit zwakke en ellendige volk dat niet naar God vroeg en dat "het kleinste van alle volken" was (vers 7 en 8). Ook wij hebben die liefde ervaren, toen wij nog krachteloos, goddeloos, zondaars en vijanden waren (Romeinen 5 vers 6, 8 en 10).

De mens heeft iemand lief, als hij in de ander iets kan vinden om lief te hebben. In z'n diepste wezen is dit alleen maar eigenliefde.

Gods beweegredenen om ons lief te hebben, lagen daarentegen uitsluitend in Zijn eigen hart. Daarom strekt deze liefde zich ook zonder onderscheid uit naar alle schepselen. Sindsdien is de liefde die God van de mens verwacht, slechts het terechte antwoord van ons op Zijn liefde. Onze liefde heeft een oorzaak: "Wij hebben Hem lief, omdat hij ons eerst liefgehad heeft" (1 Johannes 4 vers 19).

Onze liefde voor Hem moet voor ons ook nog een consequentie hebben, namelijk gehoorzaamheid (vers 9). Daarop antwoordt het hart van God vervolgens weer met een heel bijzondere genegenheid die we vinden in vers 13.

De belofte van de Heere Jezus in het Nieuwe Testament geeft dit ook weer, als Hij zegt: "Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn Woord bewaren; n Mijn Vader zal hem liefhebben" (Johannes 14 vers 23; zie ook 1 Johannes 5 vers 3).

Hebben wij deze ervaring al opgedaan?

Deuteronomium 8:1-20
1Alle geboden, die ik u heden gebiede, zult gij waarnemen om te doen, opdat gij leeft, en vermenigvuldigt, en inkomt, en het land erft, dat de HEERE aan uw vaderen gezworen heeft.2En gij zult gedenken aan al den weg, dien u den HEERE, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet.3En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet, noch uw vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mens niet alleen van het brood leeft, maar dat de mens leeft van alles, wat uit des HEEREN mond uitgaat.4Uw kleding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaren.5Bekent dan in uw hart, dat de HEERE, uw God, u kastijdt, gelijk als een man zijn zoon kastijdt.6En houdt de geboden des HEEREN, uws Gods, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen.7Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvlieten;8Een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgebomen, en granaatappelen; een land van olierijke olijfbomen, en van honig;9Een land, waarin gij brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal; een land, welks stenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult.10Als gij dan zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, zo zult gij den HEERE, uw God, loven over dat goede land, dat Hij u zal hebben gegeven.11Wacht u, dat gij den HEERE, uw God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede;12Opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen,13En uw runderen en uw schapen zullen vermeerderd zijn, ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja, al wat gij hebt vermeerderd zal zijn;14Uw hart zich alsdan verheffe, dat gij vergeet den HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft;15Die u geleid heeft in die grote en vreselijke woestijn, waar vurige slangen, en schorpioenen, en dorheid, waar geen water was; Die u water uit de keiachtige rots voortbracht;16Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uw vaderen niet gekend hadden; om u te verootmoedigen, en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed;17En gij in uw hart zegt: Mijn kracht, en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen.18Maar gij zult gedenken den HEERE, uw God, dat Hij het is, Die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestige, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is.19Maar indien het geschiedt, dat gij den HEERE, uw God, ganselijk vergeet, en andere goden navolgt, en hen dient, en u voor dezelve buigt, zo betuig ik heden tegen u, dat gij voorzeker zult vergaan.20Gelijk de heidenen, die de HEERE voor uw aangezicht verdaan heeft, alzo zult gij vergaan, omdat gij de stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zult geweest zijn.

En gij zult gedenken ...". Dit is in zekere zin de leidraad van dit Boek. Het hart van de leden van het volk Israël, maar ook ons hart (!), vergeet maar al te gauw God en Zijn bevrijdingen, beloften en geboden (zie Markus 8 vers 17 en verder).

De HEERE had Zijn volk gedragen, zoals "een man zijn zoon draagt" (hoofdstuk 1 vers 31). Hier tuchtigt Hij het, zoals "een man zijn zoon kastijdt" (vers 5). Gedragen en getuchtigd te worden, zijn twee voorrechten van de kinderen van God (Hebreeën 12 vers 5 tot en met 11).

Dit laatste aan te nemen, lijkt ons veel moeilijker dan het eerste. Of niet soms? Maar, welk doel staat God voor ogen met de ervaringen die Hij ons in de woestijn laat opdoen?

We lezen in het Schriftgedeelte voor vandaag driemaal het antwoord: "om u te verootmoedigen" (vers 2, 3 en 16). Als de mens iets bepaalds nodig heeft, is hij veel gewilliger om zich tot zijn Schepper te wenden. En juist dat verwacht God, want de beproeving is nooit het doel, maar slechts het middel, "opdat Hij u ten laatste weldeed" (vers 16).

Wat een tegenstelling is er tussen de woestijn waar Israël doorheen getrokken was (vers 15), en het land waar ze heen gingen. In de woestijn alleen maar dorheid, zonder water, maar dan het goede land, vol waterbeken, fonteinen en diepten!

En wat een tegenstelling is er tussen het voedsel van Egypte (Numeri 11) en de rijke, voedzame vruchten van het land Kanaän! Die gaven kracht, blijdschap, gezondheid en zoetheid. Dit herinnert ons aan de vrucht van de Geest waarvan in Galaten 5 vers 22 wordt opgenoemd waaruit zij bestaat.

Deuteronomium 9:1-17
1Hoor, Israel! gij zult heden over de Jordaan gaan, dat gij inkomt, om volken te erven, die groter en sterker zijn dan gij; steden, die groot en tot in den hemel gesterkt zijn;2Een groot en lang volk, kinderen der Enakieten; die gij kent, en van welke gij gehoord hebt: Wie zou bestaan voor het aangezicht der kinderen van Enak?3Zo zult gij heden weten, dat de HEERE, uw God, Degene is, Die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: Die zal hen verdelgen, en Die zal hen voor uw aangezicht nederwerpen; en gij zult ze uit de bezitting verdrijven, en zult hen haastelijk te niet doen, gelijk als de HEERE tot u gesproken heeft.4Wanneer hen nu de HEERE, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgestoten, zo spreek niet in uw hart, zeggende: De HEERE heeft mij om mijn gerechtigheid ingebracht, om dit land te erven; want, om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de HEERE voor uw aangezicht uit de bezitting.5Niet om uw gerechtigheid, noch om de oprechtheid uws harten, komt gij er henen in, om hun land te erven; maar om de goddeloosheid dezer volken, verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting: en om het woord te bevestigen, dat de HEERE, uw God, aan uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.6Weet dan, dat u de HEERE, uw God, niet om uw gerechtigheid, ditzelve goede land geeft, om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk.7Gedenk, vergeet niet, dat gij den HEERE, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van dien dag af, dat gij uit Egypteland uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt aan deze plaats, zijt gijlieden wederspannig geweest tegen den HEERE.8Want aan Horeb vertoorndet gij den HEERE zeer, dat Hij Zich tegen u vertoornde, om u te verdelgen.9Als ik op den berg geklommen was, om te ontvangen de stenen tafelen, de tafelen des verbonds, dat de HEERE met ulieden gemaakt had, toen bleef ik veertig dagen en veertig nachten op den berg, at geen brood, en dronk geen water.10En de HEERE gaf mij de twee stenen tafelen, met Gods vinger beschreven; en op dezelve, naar al de woorden, die de HEERE op den berg, uit het midden des vuurs, ten dage der verzameling, met ulieden gesproken had.11Zo geschiedde het, ten einde van veertig dagen en veertig nachten, als mij de HEERE de twee stenen tafelen, de tafelen des verbonds, gaf,12Dat de HEERE tot mij zeide: Sta op, ga haastelijk af van hier; want uw volk, dat gij uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft het verdorven; zij zijn haastelijk afgeweken van den weg, dien Ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.13Voorts sprak de HEERE tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt, en zie, het is een hardnekkig volk.14Laat van Mij af, dat Ik hen verdelge, en hun naam van onder den hemel uitdoe; en Ik zal u tot een machtiger en meerder volk maken, dan dit is.15Toen keerde ik mij, en ging van den berg af; de berg nu brandde van vuur, en de twee tafelen des verbonds waren op beide mijn handen.16En ik zag toe, en ziet, gij hadt tegen den HEERE, uw God, gezondigd; gij hadt u een gegoten kalf gemaakt; gij waart haastelijk afgeweken van den weg, dien u de HEERE geboden had.17Toen vatte ik de twee tafelen, en wierp ze heen uit beide mijn handen, en brak ze voor uw ogen.

Om de macht van de vijanden van Israël te beschrijven, gebruikt Mozes dezelfde uitdrukkingen die de ongelovige verspieders gebruikt hadden en waardoor zij het hart van het volk moedeloos maakten (hoofdstuk 1 vers 28).

Deze macht was een realiteit! Het was ook niet de bedoeling om dit af te zwakken, maar om het vertrouwen op een grotere macht te richten. De HEERE ging voor hen uit om deze macht van de vijand te slaan en te vernietigen.

In tegenstelling tot de gewone, menselijke maatstaven —hoeveelheid en kwaliteit — wordt Gods optreden voor Israël niet bewerkt door de grootte van het volk (hoofdstuk 7 vers 7), noch door z'n goede, natuurlijke begaafdheid (hoofdstuk 9 vers 6): "Weet dan, dat u de HEERE, uw God, niet om uw gerechtigheid, dit goede land geeft".

Evenmin als Israël kan een kind van God zich beroepen op zijn eigen gerechtigheid. Hij heeft ons "zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid" (Titus 3 vers 5 tot en met 7).

En opdat het volk niet op de gedachte zou komen dat de keuze van God aan hun eigen verdiensten te danken zou zijn, herinnert de leider hen aan de verootmoedigende geschiedenis van het gouden kalf.

Ook wij moeten steeds opnieuw bepaald worden bij de trouw van de Heere (hoofdstuk 8), maar daarbij niet vergeten hoe zwak ons eigen hart is (vers 7 en Ezechiël 16 vers 30).

Deuteronomium 9:18-29
18En ik wierp mij neder voor het aangezicht des HEEREN, als in het eerst, veertig dagen en veertig nachten; ik at geen brood, en dronk geen water; om al uw zonde, die gij hadt gezondigd, doende dat kwaad is in des HEEREN ogen, om Hem tot toorn te verwekken.19Want ik vreesde vanwege den toorn en de grimmigheid waarmede de HEERE zeer op ulieden vertoornd was, om u te verdelgen; doch de HEERE verhoorde mij ook op dat maal.20Ook vertoornde Zich de HEERE zeer tegen Aaron, om hem te verdelgen; doch ik bad ook ter zelver tijd voor Aaron.21Maar uw zonde, het kalf, dat gij hadt gemaakt, nam ik, en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wel, totdat het verdund werd tot stof; en zijn stof wierp ik in de beek, die van den berg afvliet.22Ook vertoorndet gij den HEERE zeer te Thab-era en te Massa, en te Kibroth-Thaava.23Voorts als de HEERE ulieden zond uit dat land, dat Ik u gegeven heb; zo waart gij den mond des HEEREN, uws Gods, wederspannig, en geloofdet Hem niet, en waart Zijn stem niet gehoorzaam.24Wederspannig zijt gij geweest tegen den HEERE, van de dag af, dat ik u gekend heb.25En ik wierp mij neder voor des HEEREN aangezicht, die veertig dagen en veertig nachten, in welke ik mij nederwierp, dewijl de HEERE gezegd had, dat Hij u verdelgen zou.26En ik bad tot den HEERE, en zeide: Heere, HEERE, verderf Uw volk en Uw erfdeel niet, dat Gij door Uw grootheid verlost hebt; dat Gij uit Egypte door een sterke hand hebt uitgevoerd.27Gedenk aan Uw knechten, Abraham, Izak en Jakob; zie niet op de hardigheid dezes volks, noch op zijn goddeloosheid, noch op zijn zonde;28Opdat het land, van waar Gij ons hebt uitgevoerd, niet zegge: Omdat ze de HEERE niet kon brengen in het land, waarvan Hij hun gesproken had, en omdat Hij hen haatte, heeft Hij ze uitgevoerd, om hen te doden in de woestijn.29Zij zijn toch Uw volk, en Uw erfdeel, dat Gij door Uw grote kracht, en door Uw uitgestrekten arm hebt uitgevoerd!

Israël wordt erop gewezen, hun fouten in het verleden niet te vergeten. Maar ze mogen ook nog aan iets anders terugdenken: aan de trouwe middelaar die ten gunste van het volk op de berg geweest is.

Mozes wordt in Psalm 99 vers 6 genoemd bij hen die de Naam van de HEERE aanroepen. Wat smeekte hij God innig voor het volk en voor Aäron, zijn broer!

Dat zijn voor ons ook twee gebedsonderwerpen die een belangrijke plaats behoren in te nemen: de gemeente en onze gezinsleden.

Diezelfde Psalm bevestigt ons in vers 8 de uitwerking van een gebed dat in geloof uitgesproken wordt: "Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God" (zie ook Jakobus 5 vers 16).

Met blijdschap mogen we constateren dat ook Aäron in deze Psalm genoemd wordt. Zijn schuld was hem niet alleen vergeven, hij kon daarna zelfs weer verzoening doen voor het volk (Numeri 16 vers 47).

Als we een les ten koste van onszelf geleerd hebben, zijn we ook in staat om anderen te helpen. Deze ervaring heeft ook Petrus opgedaan. Toen de Heere hem vertelde dat Hij voor hem gebeden had, zei Hij ook: "Als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders" (Lukas 22 vers 32).

Wat is het goed, beste gelovige vrienden, dat wij in Hem een Goddelijke Voorspraak hebben Die Zich bij de Vader voor ons inzet!

Deuteronomium 10:1-11
1Ter zelver tijd zeide de HEERE tot mij: Houw u twee stenen tafelen, als de eerste, en klim tot Mij op dezen berg; daarna zult gij u een kist van hout maken.2En Ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die gij gebroken hebt; en gij zult ze leggen in die kist.3Alzo maakte ik een kist van sittimhout, en hieuw twee stenen tafelen als de eerste; en ik klom op den berg, en de twee tafelen waren in mijn hand.4Toen schreef Hij op de tafelen, naar het eerste schrift, de tien woorden, die de HEERE, ten dage der verzameling, op den berg, uit het midden des vuurs, tot ulieden gesproken had; en de HEERE gaf ze mij.5En ik keerde mij, en ging af van den berg, en legde de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en aldaar zijn zij, gelijk als de HEERE mij geboden heeft.6(En de kinderen Israels reisden van Beeroth-Bene-jaakan en Mosera. Aldaar stierf Aaron, en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het priesterambt in zijn plaats.7Van daar reisden zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.)8Ter zelver tijd scheidde de HEERE den stam Levi uit, om de ark des verbonds des HEEREN te dragen, om voor het aangezicht des HEEREN te staan, om Hem te dienen, en om in Zijn Naam te zegenen, tot op dezen dag.9Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijn broederen; de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft.10En ik stond op den berg, als de vorige dagen, veertig dagen en veertig nachten; en de HEERE verhoorde mij ook op datzelve maal; de HEERE heeft u niet willen verderven.11Maar de HEERE zeide tot mij: Sta op, ga op de reize, voor het aangezicht des volks, dat zij inkomen, en erven het land, dat Ik hun vaderen gezworen heb, hun te geven.

De beide eerste stenen tafelen waren nog maar nauwelijks in de handen van Mozes, of ze werden al kapot gebroken. Waarom? Opdat mèt deze tafelen niet tevens het oordeel in de legerplaats die vol afgoderij was, zou komen.

Daarom ook zegt God dat de nieuwe tafelen onmiddellijk in de ark gelegd moeten worden. Dat is een beeld van Christus, als onze Borg tegenover de ongebroken wet. De Heere Jezus was, volgens Zijn eigen woorden, niet gekomen om de wet op te heffen, maar om haar te vervullen. Onze geliefde Verlosser heeft op volmaakte wijze elke tittel en jota van de wet bevestigd. Daarom is Hij de Grootste in het koninkrijk der hemelen (Mattheüs 5 vers 17 tot en met 19).

Zoals dus de gebroken tafelen getuigden van Israëls val en oordeel, zo verkondigden de tafelen die veilig in de ark lagen, dat Christus het einde is van de wet tot rechtvaardigheid voor een ieder die gelooft, eerst voor de jood en ook voor de Griek (zie Romeinen 10:4).

In 2 Korinthe 3 worden de eens in stenen gegraveerde 'tien geboden' vergeleken met "een brief van Christus", geschreven in "vlezen tafelen des harten". Dit laat zich samenvatten in één Naam, die van 'Jezus', die de Heilige Geest inprent in het hart van elke verloste. Maar ... niet om daarin verborgen te blijven! Een brief wordt geschreven om gelezen te worden. Zo moet ook in ons de Naam van Christus door anderen die ons kennen, gelezen kunnen worden. Rondom ons zijn veel mensen die nooit in de Bijbel lezen. Zij worden daartoe echter indirect gedwongen, in die mate waarin zij kunnen zien dat wij de leer van de Bijbel in ons leven in praktijk brengen en wij iets afstralen van de Heere Jezus (vergelijk 1 Petrus 3 vers 1 en 2).

Deuteronomium 10:12-22
12Nu dan, Israel! wat eist de HEERE, uw God van u dan den HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den HEERE, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;13Om te houden de geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede, u ten goede.14Ziet, des HEEREN, uws Gods, is de hemel, en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is.15Alleenlijk heeft de HEERE lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is.16Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uw nek niet meer.17Want de HEERE, uw God, is een God der goden, en een Heere der heren; die grote, die machtige, en die vreselijke God, Die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt;18Die het recht van den wees en van de weduwe doet; en den vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve.19Daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.20Den HEERE, uw God, zult gij vrezen; Hem zult gij dienen, en Hem zult gij aanhangen, en bij Zijn Naam zweren.21Hij is uw Lof, en Hij is uw God. Die bij u gedaan heeft deze grote en vreselijke dingen, die uw ogen gezien hebben.22Uw vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen; en nu heeft u de HEERE, uw God, gesteld als de sterren des hemels in menigte.

In de verzen 12 en 13 wordt als het ware een mooi programma voor de Israëlieten opgesteld. Ook van u, beste gelovige vriend, eist de Heere niets anders dan godsvrucht, trouw, liefde, onthouding, gehoorzaamheid.

Micha 6 vers 8 stelt dezelfde vraag en eist als antwoord: "recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God". Dit is in ons eigen belang noodzakelijk — "u ten goede" (vers 13) — èn het is het rechtmatige antwoord op de Goddelijke liefde. Het is een gelukkige verbinding met een wisselwerking: De HEERE heeft "lust gehad aan uw vaderen, om die lief te hebben" (vers 15), en: "Hem zult gij aanhangen" (vers 20).

De besnijdenis van het hart is noodzakelijk. Het is niet voldoende om door een uiterlijk teken te laten zien dat men een bepaalde religie aanhangt. De kenmerken moeten in het hart aanwezig zijn, dat wil zeggen dat men de werking van het vlees geoordeeld heeft en God toebehoort.

De HEERE is de Onderhouder van alle mensen. Hij zorgt met name ook voor de zwakkeren, voor hen die alleen in het leven staan: de wees, de weduwe, de vreemdeling; allen zijn een bijzonder onderwerp van Zijn zorg. Die "grote, die machtige, en die vreselijke God" (vers 17) Die "grote en vreselijke dingen" gedaan heeft (vers 21), is ook een God vol tederheid, "een Vader der wezen, en een Richter der weduwen" (Psalm 68 vers 6).

"Hij is uw Lof' (vers 21). Niet alleen wat Hij gedaan heeft, maar ook Zijn Persoon Zelf is voor het hart en de lippen van de verlosten steeds het Onderwerp van vreugde en aanbidding!

Deuteronomium 11:1-15
1Daarom zult gij den HEERE, uw God, liefhebben, en gij zult te allen dage onderhouden Zijn bevel, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, en Zijn geboden.2En gijlieden zult heden weten, dat ik niet spreek met uw kinderen, die het niet weten, en de onderwijzing des HEEREN, uws Gods, niet gezien hebben. Zijn grootheid, Zijn sterke hand en Zijn uitgestrekten arm;3Daartoe Zijn tekenen en Zijn daden, die Hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Farao, den koning van Egypte, en aan zijn ganse land;4En wat Hij gedaan heeft aan het heir der Egyptenaren, aan deszelfs paarden en aan deszelfs wagenen; dat Hij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overzwemmen, als zij ulieden van achteren vervolgden; en de HEERE verdeed hen, tot op dezen dag.5En wat Hij ulieden gedaan heeft in de woestijn, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats.6Daarboven, wat Hij gedaan heeft aan Dathan, en aan Abiram, zonen van Eliab, den zoon van Ruben; hoe de aarde haar mond opendeed, en hen verslond met hun huisgezinnen, en hun tenten, ja, al wat bestond, dat hun aanging, in het midden van gans Israel.7Want het zijn uw ogen, die gezien hebben al dit grote werk des HEEREN, dat Hij gedaan heeft.8Houdt dan alle geboden, die ik u heden gebiede; opdat gij gesterkt wordt en inkomt, en erft het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven;9En opdat gij de dagen verlengt in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft, aan hen en aan hun zaad te geven; een land, vloeiende van melk en honig.10Want het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven, is niet als Egypteland, van waar gij uitgegaan zijt, hetwelk gij bezaaidet met uw zaad, en bewaterdet met uw gang, als een kruidhof.11Maar het land, waarheen gij overtrekt, om dat te erven, is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij den regen des hemels;12Een land, dat de HEERE, uw God, bezorgt; de ogen des HEEREN, uws Gods, zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars.13En het zal geschieden, zo gij naarstiglijk zult horen naar Mijn geboden, die Ik u heden gebiede, om den HEERE, uw God, lief te hebben, en Hem te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;14Zo zal Ik den regen uws lands geven te Zijner tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat gij uw koren, en uw most, en uw olie inzamelt.15En Ik zal kruid geven op uw veld voor uw beesten; en gij zult eten en verzadigd worden.

Het volk van God wordt opgeroepen net zo te doen als een landbouwer. Om rechte voren te krijgen, stelt hij namelijk vóór en achter zich markeringspunten op.

Om hun weg weer recht te maken, moest het volk Israël dan ook eerst achterom kijken en denken aan de uittocht uit Egypte en de moeizame tocht door de woestijn (vers 2 tot en met 7 en Jeremia 2 vers 23). Vervolgens moest het vooruit kijken en door het geloof het rijke land van de belofte bezien (vers 10 tot en met 12).

Onze fouten, onze afdwalingen moeten ons tot waarschuwing zijn en tot ons geweten spreken, terwijl het uitzicht op het voor ons liggende, hemelse erfdeel een aansporing voor onze harten is. Als we ons steeds weer bewust zijn dat ons verleden gekenmerkt wordt door genade, en als we zien op die heerlijke toekomst, dan zal onze weg recht worden.

Wat een tegenstelling tussen het land van de belofte en Egypte, een beeld van de wereld! Zelfs vandaag de dag zijn de Egyptenaars gedwongen om met behulp van aangedreven schepraderen moeizaam water omhoog te pompen in de kanalen (vers 10), terwijl daar tegenover in het land Kanaän de regen uit de hemel overvloedig en gratis water geeft!

Ja, wat een contrast tussen de mensen van de wereld en de verlosten. De eersten proberen door eigen armzalige inspanningen hun geluk te bewerken, terwijl de verlosten zich op de gezegende bodem van genade bevinden waardoor God hen van alles voorziet!

Deuteronomium 11:16-32
16Wacht uzelven, dat ulieder hart niet verleid worde, dat gij afwijkt, en andere goden dient, en u voor die buigt;17Dat de toorn des HEEREN tegen ulieden ontsteke, en Hij den hemel toesluite, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve; en gij haastelijk omkomt van het goede land, dat u de HEERE geeft.18Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen;19En leert die uw kinderen, sprekende daarvan, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat;20En schrijft ze op de posten van uw huis, en aan uw poorten;21Opdat uw dagen, en de dagen uwer kinderen, in het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft hun te geven, vermenigvuldigen, gelijk de dagen des hemels op de aarde.22Want zo gij naarstiglijk houdt al deze geboden, die ik u gebiede om die te doen, den HEERE, uw God, liefhebbende, wandelende in al Zijn wegen, en Hem aanhangende;23Zo zal de HEERE al deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezitten groter en machtiger volken, dan gij zijt.24Alle plaats, waar uw voetzool op treedt, zal de uwe zijn; van de woestijn en den Libanon, van de rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee, zal uw landpale zijn.25Niemand zal voor uw aangezicht bestaan; de HEERE, uw God, zal uw schrik en uw vreze geven over al het land, waarop gij treden zult, gelijk als Hij tot u gesproken heeft.26Ziet, ik stel ulieden heden voor, zegen en vloek:27Den zegen, wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede;28Maar den vloek, zo gij niet horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, en afwijkt van den weg, dien ik u heden gebiede, om andere goden na te wandelen, die gij niet gekend hebt.29En het zal geschieden, als u de HEERE, uw God, zal hebben ingebracht in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven; dan zult gij den zegen uitspreken op den berg Gerizim, en den vloek op den berg Ebal.30Zijn zij niet aan gene zijde van de Jordaan, achter den weg van den ondergang der zon, in het land der Kanaanieten, die in het vlakke veld wonen, tegenover Gilgal, bij de eikenbossen van More?31Want gijlieden zult over de Jordaan gaan, dat gij inkomet om te erven dat land, dat de HEERE, uw God, u geven zal; en gij zult het erfelijk bezitten, en daarin wonen.32Neemt dan waar te doen al de inzettingen en de rechten, die ik u heden voorstel.

"Legt dan deze Mijn Woorden in uw hart, en in uw ziel" (vers 18).

"Indien ... Mijn woorden in u blijven", dat is eigenlijk het parool dat de Heere Jezus ons heeft nagelaten, toen Hij de aarde verliet. En als dat bij ons zo is, zullen we ook weten wat en hoe we moeten vragen (Johannes 15 vers 7), hoe wij moeten spreken van Hem (Psalm 45 vers 2 en 3 en Mattheüs 12 vers 34) en hoe wij kunnen vluchten voor de zonde (Psalm 119 vers 11).

Dan zullen we elk moment van de dag met deze woorden en met Hem Die ze gesproken heeft, bezig zijn. Onze onderlinge gesprekken, onze daden en onze wandel zullen daardoor gekenmerkt worden. Men zal zelfs het geluk dat wij door die woorden ontvangen, van onze gezichten kunnen aflezen. Thuis, op het werk, bij het komen en bij het gaan zullen we dan "de leer van God, onze Zaligmaker, in alles mogen versieren" (Titus 2 vers 10).

Dan komt de gevolgtrekking van alle vermaningen om gehoorzaam te zijn: "Ziet, Ik stel u heden voor, zegen en vloek" (vers 26).

Voor ieder van ons staan deze beide wegen open. De éne weg is het smalle pad van de gehoorzaamheid aan de Heere. De andere is de brede weg van onze eigen wil.

Maar God heeft op deze tweesprong wegwijzers neergezet. De weg van gehoorzaamheid leidt tot zegen, de weg van eigen wil tot de vloek.

Deuteronomium 12:1-19
1Dit zijn de inzettingen en de rechten, die gijlieden zult waarnemen om te doen, in dat land, hetwelk u de HEERE, uwer vaderen God, gegeven heeft, om het te erven; al de dagen, die gijlieden op den aardbodem leeft.2Gij zult ganselijk vernielen al de plaatsen, alwaar de volken, die gij zult erven, hun goden gediend hebben; op de hoge bergen, en op de heuvelen, en onder allen groenen boom.3En gij zult hun altaren afwerpen, en hun opgerichte beelden verbreken, en hun bossen met vuur verbranden, en de gesneden beelden hunner goden nederhouwen; en gij zult hun naam te niet doen uit diezelve plaats.4Gij zult den HEERE, uw God, alzo niet doen!5Maar naar de plaats, die de HEERE, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te zetten, naar Zijn woning zult gijlieden vragen, en daarheen zult gij komen;6En daarheen zult gijlieden brengen uw brandofferen, en uw slachtofferen, en uw tienden, en het hefoffer uwer hand, en uw geloften, en uw vrijwillige offeren, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen.7En aldaar zult gijlieden voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, eten en vrolijk zijn, gijlieden en uw huizen, over alles, waaraan gij uw hand geslagen hebt, waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft.8Gij zult niet doen naar alles, wat wij hier heden doen, een ieder al wat in zijn ogen recht is.9Want gij zijt tot nu toe niet gekomen in de rust en in de erfenis, die de HEERE, uw God, u geven zal.10Maar gij zult over de Jordaan gaan, en wonen in het land, dat u de HEERE, uw God, zal doen erven; en Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom, en gij zult zeker wonen.11Dan zal er een plaats zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen; daarheen zult gij brengen alles, wat ik u gebiede: uw brandofferen, en uw slachtofferen, uw tienden, en het hefoffer uwer hand, en alle keur uwer geloften, die gij den HEERE beloven zult.12En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, gijlieden, en uw zonen, en uw dochteren, en uw dienstknechten, en uw dienstmaagden, en de Leviet, die in uw poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met ulieden.13Wacht u, dat gij uw brandofferen niet offert in alle plaats, die gij zien zult.14Maar in de plaats, die de HEERE in een uwer stammen zal verkiezen, daar zult gij uw brandofferen offeren, en daar zult gij doen al wat ik u gebiede.15Doch naar allen lust uwer ziel zult gij slachten en vlees eten, naar den zegen des HEEREN, uws Gods, dien Hij u geeft, in al uw poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een ree, en als van een hert.16Alleenlijk het bloed zult gijlieden niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.17Gij zult in uw poorten niet mogen eten de tienden van uw koren, en van uw most, en van uw olie, noch de eerstgeboorten van uw runderen en van uw schapen, noch enige uwer geloften, die gij zult hebben beloofd, noch uw vrijwillige offeren, noch het hefoffer uwer hand.18Maar gij zult dat eten voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, in de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is; en gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, over alles, waaraan gij uw handen geslagen hebt.19Wacht u, dat gij den Leviet niet verlaat, al uw dagen in uw land.

Tot en met het derde hoofdstuk van het Boek Deuteronomium wordt het volk opgeroepen lessen te leren uit het verleden. In de hoofdstukken 4 tot en met 11 legt Mozes de grote verplichting van gehoorzaamheid aan God op het hart van het volk.

Nu zijn we aangekomen bij het derde deel van dit Boek. Israël krijgt nu aanwijzingen voor het moment waarop ze in het land zullen wonen.

De allereerste opdracht betreft het inrichten van een plaats waar men God kon aanbidden.

De Israëlieten moesten beginnen met het reinigen van het land van de Kanaänietische gruwelen en vervolgens de plaats opzoeken — niet uitkiezen (!) — waar de dienst voor God zou worden uitgeoefend.

Het is de christen ook niet toegestaan om zelf te bepalen waar en hoe hij God lof wil brengen. Het is zijn plicht om zich aan de hand van Gods Woord terdege op de hoogte te stellen van de plaats waarvan de Heere beloofd heeft, daar aanwezig te zullen zijn. Als hij die plaats nog niet gevonden heeft, kan hij handelen als die beide discipelen die door de Heere uitgezonden werden om het Pascha voor te bereiden. Zij vroegen Hem: "Waar wilt Gij, dat wij het bereiden?" (Lukas 22 vers 9).

Aan deze, door de HEERE verkozen plaats (vers 14) moest de Israëliet zijn verschillende offers brengen; en daar mocht hij zich met zijn hele huis verheugen (vers 7 en 12). Dat is een beeld van wat wij doen en ontvangen in de tegenwoordigheid van de Heere Jezus, als wij rondom Hem vergaderd zijn (Mattheüs 18 vers 20).

Deuteronomium 12:20-32
20Wanneer de HEERE, uw God, uw landpale zal verwijd hebben, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en gij zeggen zult: Ik zal vlees eten; dewijl uw ziel lust heeft vlees te eten, zo zult gij vlees eten, naar allen lust uwer ziel.21Zo de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te zetten, verre van u zal zijn, zo zult gij slachten van uw runderen en van uw schapen, die de HEERE u gegeven heeft, gelijk als ik u geboden heb; en gij zult eten in uw poorten, naar allen lust uwer ziel.22Doch gelijk als een ree en een hert gegeten wordt, alzo zult gij dat eten; de onreine en de reine zullen het te zamen eten.23Alleen houdt vast, dat gij het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult gij de ziel met het vlees niet eten;24Gij zult dat niet eten; op de aarde zult gij het uitgieten als water;25Gij zult dat niet eten; opdat het u, en uw kinderen na u, welga, als gij zult gedaan hebben, wat recht is in de ogen des HEEREN.26Doch uw heilige dingen, die gij hebben zult, en uw geloften zult gij opnemen, en komen tot de plaats, die de HEERE verkiezen zal;27En gij zult uw brandofferen, het vlees en het bloed, bereiden op het altaar des HEEREN, uws Gods; en het bloed uwer slachtofferen zal op het altaar des HEEREN, uws Gods, worden uitgegoten; maar het vlees zult gij eten.28Neemt waar, en hoort al deze woorden, die ik u gebiede, opdat het u, en uw kinderen na u, welga tot in eeuwigheid, als gij zult gedaan hebben wat goed en recht is in de ogen des HEEREN, uws Gods.29Wanneer de HEERE, uw God, voor uw aangezicht zal hebben uitgeroeid de volken, naar dewelke gij heengaat, om die erfelijk te bezitten; en gij die erfelijk zult bezitten, en in hun land wonen;30Wacht u, dat gij niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn; en dat gij niet vraagt naar hun goden, zeggende: Gelijk als deze volken hun goden gediend hebben, alzo zal ik ook doen.31Gij zult alzo niet doen den HEERE, uw God; want al wat den HEERE een gruwel is, dat Hij haat, hebben zij hun goden gedaan; want zij hebben ook hun zonen en hun dochteren met vuur verbrand voor hun goden.32Al dit woord, hetwelk ik ulieden gebiede, zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toedoen, en daarvan niet afdoen.

Door de mond van Mozes heeft de HEERE het volk eraan herinnerd dat Hij als eerste aanspraak maakt op de dienst van de Zijnen. En Hij is hen daarvoor niets verschuldigd! Het is Zijn recht als Schepper.

Toch openbaart Hij Zich als een God vol goedheid, zodra ze Hem gebracht hebben wat Hem toekomt, als een God Die voor hun voedsel zorgt en met tederheid ingaat op de omstandigheden van hun dagelijkse leven. Dat geeft de gelovige echter geen volmacht om maar naar eigen goeddunken te handelen!

"Hetzij dan dat gij eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods" (1 Korinthe 10 vers 31).

Het Nieuwe Testament bevestigt dat de christen zich moet onthouden van bloed en van de besmetting door afgoden (Handelingen 15 vers 20). Dit laatste verbod is een onderdeel van de zorg van God voor Zijn volk.

We mogen er zeker van zijn dat de Heere ons niet zomaar iets verbiedt en ons niet zomaar iets onthoudt. Hij wil daardoor verhinderen dat wij ergens in "verstrikt" raken (vers 30).

Juist dit vers leert ons dat de eerste stap op de weg van afgodendienst vaak gedaan wordt uit nieuwsgierigheid. 'Hoe dienden deze volkeren hun goden?'

Interesse tonen voor het kwaad is een teken dat ons geweten nog niet helemaal geraakt is en wij dus onbewapend het gebied van satan betreden.

Deuteronomium 13:1-18
1Wanneer een profeet, of dromen-dromer, in het midden van u zal opstaan, en u geven een teken of wonder;2En dat teken of dat wonder komt, dat hij tot u gesproken had, zeggende: Laat ons andere goden, die gij niet gekend hebt, navolgen en hen dienen;3Gij zult naar de woorden van dien profeet, of naar dien dromen-dromer niet horen; want de HEERE, uw God, verzoekt ulieden, om te weten, of gij den HEERE, uw God, liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel.4Den HEERE, uw God, zult gij navolgen, en Hem vrezen, en Zijn geboden zult gij houden, en Zijn stem gehoorzaam zijn, en Hem dienen, en Hem aanhangen.5En diezelve profeet, of dromen-dromer, zal gedood worden; want hij heeft tot een afval gesproken tegen den HEERE, uw God, Die ulieden uit Egypteland heeft uitgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; om u af te drijven van den weg, dien u de HEERE, uw God, geboden heeft, om daarin te wandelen. Zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.6Wanneer uw broeder, de zoon uwer moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het heimelijke, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt, gij noch uw vaderen;7Van de goden der volken, die rondom u zijn, nabij u, of verre van u, van het ene einde der aarde tot aan het andere einde der aarde;8Zo zult gij hem niet ter wille zijn, en naar hem niet horen; ook zal uw oog hem niet verschonen, en gij zult u niet ontfermen, noch hem verbergen;9Maar gij zult hem zekerlijk doodslaan; uw hand zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand des gansen volks.10En gij zult hem met stenen stenigen, dat hij sterve; want hij heeft u gezocht af te drijven van den HEERE, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgevoerd heeft.11Opdat gans Israel het hore en vreze, en niet voortvare te doen naar dit boze stuk in het midden van u.12Wanneer gij van een uwer steden, die de HEERE, uw God, u geeft, om aldaar te wonen, zult horen zeggen:13Er zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners hunner stad aangedreven, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt;14Zo zult gij onderzoeken, en naspeuren, en wel navragen; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in het midden van u gedaan;15Zo zult gij de inwoners derzelver stad ganselijk slaan met de scherpte des zwaards, verbannende haar, en alles, wat daarin is, ook haar beesten, met de scherpte des zwaards.16En al haar roof zult gij verzamelen in het midden van haar straat, en den HEERE, uw God, die stad en al haar roof ganselijk met vuur verbranden; en zij zal een hoop zijn eeuwiglijk, zij zal niet weder gebouwd worden.17Ook zal er niets van het verbannene aan uw hand kleven, opdat de HEERE Zich wende van de hitte Zijns toorns, en u geve barmhartigheid, en Zich uwer erbarme, en u vermenigvuldige, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft;18Wanneer gij de stem des HEEREN, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, om te houden al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, om te doen wat recht is in de ogen des HEEREN, uws Gods.

Een valse profeet die uit het midden van het volk van God opstaat, is uitermate gevaarlijk. Alle apostelen waarschuwen nadrukkelijk voor deze verspreiders van verkeerde leer. Zij "verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen" (Romeinen 16 vers 18; 2 Petrus 2 vers 18; 1 Johannes 2 vers 19; Judas vers 4).

"Gij zult ... niet horen" zegt vers 3 heel nadrukkelijk. In tegenstelling daarmee staat in vers 4: "De HEERE, uw God, zult gij navolgen ... en Zijn stem gehoorzaam zijn".

De veiligheid van de schapen van de goede Herder ligt alleen in het feit dat ze Zijn stem kennen (Johannes 10 vers 4 en 5). Dan is het voor hen ook niet moeilijk om de stem van een vreemde te onderscheiden en voor hem te vluchten.

Een tweede, maar niet minder listig gevaar is dat we onder boze invloed komen. Zo'n invloed is nog veel gevaarlijker als zij uitgaat van iemand die we vertrouwen. "Dwaalt niet (= laat u niet verleiden), kwade samensprekingen (= slechte omgang) verderven goede zeden" (1 Korinthe 15 vers 33) Of, zoals een andere vertaling zegt: "Verkeerde omgang bederft goede zeden". Laten we de moed hebben om dergelijke omgang die ons van de Heere kan aftrekken, te verbreken (Lukas 14 vers 26)!

We zien in het Schriftgedeelte voor vandaag dat het kwaad ook een gemeenschappelijk karakter kan dragen. Een hele stad kan erdoor aangestoken worden (vers 15).

De trouwe gelovige wordt opgeroepen alle religieuze verbindingen waarin hij in het licht van Gods Woord ongerechtigheid waarneemt, op te geven (2 Timotheüs 2 vers 19).

Deuteronomium 14:1-21
1Gijlieden zijt kinderen des HEEREN, uws Gods; gij zult uzelven niet snijden, noch kaalheid maken tussen uw ogen, over een dode.2Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; en u heeft de HEERE verkoren, om Hem tot een volk des eigendoms te zijn, uit al de volken, die op den aardbodem zijn.3Gij zult geen gruwel eten.4Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult; een os, klein vee der schapen, en klein vee der geiten;5Een hert, en een ree, en een buffel, en een steenbok, en een das, en een wilde os, en een gems.6Alle beesten, die de klauwen verdelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.7Maar deze zult gij niet eten, van degenen, die alleen herkauwen, of van degenen, die den gekloofden klauw alleen verdelen: den kemel, en den haas, en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn.8Ook het varken; want dat verdeelt zijn klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het ulieden zijn; van hun vlees zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij niet aanroeren.9Dit zult gij eten van alles, wat in de wateren is; al wat vinnen en schubben heeft, zult gij eten.10Maar al wat geen vinnen en schubben heeft, zult gij niet eten; het zal ulieden onrein zijn.11Allen reinen vogel zult gij eten.12Maar deze zijn het, van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;13En de wouw, en de kraai, en de gier naar haar aard;14En alle rave naar zijn aard;15En de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijn aard;16En de steenuil, en de schuifuit, en de kauw,17En de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;18En de ooievaar, en de reiger naar zijn aard; en de hop, en de vledermuis;19Ook al het kruipend gevogelte zal ulieden onrein zijn; zij zullen niet gegeten worden.20Al het rein gevogelte zult gij eten.21Gij zult geen dood aas eten; den vreemdeling, die in uw poorten is, zult gij het geven, dat hij het ete, of verkoopt het den vreemde; want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.

De "kinderen van de HEERE" (vers 1) waren voor God "een heilig volk" (vers 2). Deze positie moest gepaard gaan met een heilige en godvrezende wandel.

In de volgende verzen lezen we hoe men zo'n positie kan handhaven. De Bijbel is onze Toetssteen waardoor we in staat zijn het reine en het onreine van elkaar te onderscheiden.

Reine zoogdieren moesten twee kenmerken hebben: ze moesten gespleten hoeven hebben èn herkauwen! De kameel bijvoorbeeld werd afgewezen, omdat hij wel herkauwde, maar geen gespleten hoef had (wel veel kennis, maar de wandel is daarmee niet in overeenstemming).

En omgekeerd had bijvoorbeeld het varken een prachtige pootafdruk, maar het voedde zich niet op de juiste wijze. De farizeeën behoorden tot deze tweede klasse. Uiterlijk waren ze wel afgezonderd van het kwaad, maar innerlijk werden ze niet door het Woord van God geleid.

Jeremia is een voorbeeld van een mens die beide kenmerken in zich verenigde. "Toen Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten", zegt hij. Dat betekent 'herkauwen'! Hij voegt er echter aan toe: "Ik heb in de raad der bespotters niet gezeten" (Jeremia 15 vers 16 en 17). Dat is een afgezonderde wandel!

Kruipend gevogelte was onrein (vers 19). God staat geen vermenging toe tussen wat van de hemel is (vleugels) en wat van de aarde is (kruipen).

Deuteronomium 14:22-29; Deuteronomium 15:1-6
22Gij zult getrouwelijk vertienen al het inkomen uws zaads, dat elk jaar van het veld voortkomt.23En voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zult gij eten de tienden van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen; opdat gij den HEERE, uw God, leert vrezen alle dagen.24Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen heendragen, omdat de plaats te verre van u zal zijn, die de HEERE, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te stellen; wanneer de HEERE, uw God, u zal gezegend hebben;25Zo maak het tot geld, en bindt het geld in uw hand, en gaat naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;26En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en weest vrolijk, gij en uw huis.27Maar den Leviet, die in uw poorten is, zult gij niet verlaten; want hij heeft geen deel noch erve met u.28Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen, in hetzelve jaar, en gij zult ze wegleggen in uw poorten;29Zo zal komen de Leviet, dewijl hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de HEERE, uw God, zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult.
1Ten einde van zeven jaren zult gij een vrijlating maken.2Dit nu is de zaak der vrijlating, dat ieder schuldheer, die zijn naaste zal geleend hebben, vrijlate; hij zal zijn naaste of zijn broeder niet manen, dewijl men den HEERE een vrijlating heeft uitgeroepen.3Den vreemde zult gij manen; maar wat gij bij uw broeder hebt, zal uw hand vrijlaten;4Alleenlijk, omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de HEERE zal u overloediglijk zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve zal geven, om hetzelve erfelijk te bezitten;5Indien gij slechts de stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, dat gij waarneemt te doen al deze geboden, die ik u heden gebiede.6Want de HEERE, uw God, zal u zegenen, gelijk als Hij tot u heeft gesproken, zo zult gij aan vele volken lenen; maar gij zult niet ontlenen; en gij zult over vele volken heersen; maar over u zullen zij niet heersen.

De reine en onbevlekte godsdienst voor God de Vader waarover Jakobus spreekt (hoofdstuk 1 vers 27), omvat twee dingen: "wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking" en "zichzelf onbesmet bewaren van de wereld".

Gisteren hebben we de persoonlijke kant van de zaak overdacht. Vandaag hebben we de andere kant voor onze aandacht: de dienst die door een liefdevol hart wordt uitgeoefend en wordt bewezen aan hen die in nood zijn. Dus aan de wees en de weduwe (vers 29), maar ook aan de Leviet, de vreemdeling en de arme.

"Geeft aalmoes", zei de Heere Jezus, "maakt uzelf buidels, die niet verouderen" (Lukas 12 vers 33).

Ongetwijfeld heeft God niets nodig; Hij kan zonder onze hulp de "armen met brood verzadigen" (Psalm 132 vers 15).

Als Hij ons oproept om onze bezittingen met anderen te delen, dan is dat niet, opdat wij zouden kunnen voorzien in behoeften, maar om ons te leren geven. Hij weet dat onze harten van nature ontzettend zelfzuchtig en met onze eigen behoeften bezig zijn, zonder zich veel te bekommeren om de behoeften van anderen.

God heeft er echter een welgevallen in, de eerste vrucht van het Goddelijke leven in de Zijnen zichtbaar te laten worden: de liefde met haar veelvoudige uitwerkingen.

Ja, Zijn Vaderhart verheugt zich erin, als er bij Zijn kinderen iets te zien is van Zijn geliefde Zoon Die uit liefde voor hen alles heeft opgegeven (2 Korinthe 8 vers 9).

Deuteronomium 15:7-23
7Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uw broederen, in een uwer poorten, in uw land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij uw hart niet verstijven, noch uw hand toesluiten voor uw broeder, die arm is;8Maar gij zult hem uw hand mildelijk opendoen, en zult hem rijkelijk lenen, genoeg voor zijn gebrek, dat hem ontbreekt.9Wacht u, dat in uw hart geen Belials-woord zij, om te zeggen: Het zevende jaar, het jaar der vrijlating, naakt; dat uw oog boos zij tegen uw broeder, die arm is, en dat gij hem niet gevet; en hij over u roepe tot den HEERE, en zonde in u zij.10Gij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want om dezer zake wil zal u de HEERE, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan gij uw hand slaat.11Want de arme zal niet ophouden uit het midden des lands; daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult uw hand mildelijk opendoen aan uw broeder, aan uw bedrukten en aan uw armen in uw land.12Wanneer uw broeder, een Hebreer of een Hebreinne, aan u verkocht zal zijn, zo zal hij u zes jaren dienen; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan.13En als gij hem vrij van u gaan laat, zo zult gij hem niet ledig laten gaan:14Gij zult hem rijkelijk opleggen van uw kudde, en van uw dorsvloer, en van uw wijnpers; waarin u de HEERE, uw God, gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven.15En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat u de HEERE, uw God, verlost heeft; daarom gebiede ik u heden deze zake.16Maar het zal geschieden, als hij tot u zeggen zal: Ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl het hem wel bij u is;17Zo zult gij een priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal eeuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uw dienstmaagd zult gij ook alzo doen.18Het zal niet hard zijn in uw ogen, als gij hem vrij van u gaan laat; want als een dubbel-loons-dagloner heeft hij u zes jaren gediend; zo zal u de HEERE, uw God, zegenen in alles, wat gij doen zult.19Al het eerstgeborene, dat onder uw runderen en onder uw schapen zal geboren worden, zijnde mannelijk, zult gij den HEERE, uw God, heiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uw os, noch de eerstgeborene uwer schapen scheren.20Voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zult gij ze jaar op jaar eten in de plaats, die de HEERE zal verkiezen, gij en uw huis.21Doch als enig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of enig kwaad gebrek, zo zult gij het den HEERE, uw God, niet offeren;22In uw poorten zult gij het eten; de onreine en de reine te zamen, als een ree, en als een hert,23Zijn bloed alleen zult gij niet eten; gij zult het op de aarde uitgieten als water.

Geven bewerkt blijdschap. Niet alleen bij de ontvanger, maar juist ook bij de gever (Handelingen 20 vers 35).

En God Zelf geniet deze vreugde allereerst. Hij, de "Vader der lichten", van Wie alle goede gaven en elk volmaakt geschenk komt (Jakobus 1 vers 17)!

En opdat de Zijnen in Zijn vreugde zullen kunnen delen, geeft Hij hen gelegenheden om te geven. Maar als hun hart daarbij boos is (vers 10), is dit wel erg met elkaar in tegenspraak! Laten we niet vergeten: "God heeft een blijmoedige gever lief' (2 Korinthe 9 vers 7).

"De arme zal niet ontbreken in het midden van het land" (vers 11). "De armen hebt gij altijd met u", zei de Heere Jezus in Johannes 12 vers 8. Er is dus altijd gelegenheid te genieten van de vreugde van het geven, al was het alleen maar door een woord van meeleven.

Misschien doet die gelegenheid zich voor aan onze poort (Lukas 16 vers 20), maar hebben we er geen oog voor of is ons hart niet bereid tot geven! "Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood aan de armen gegeven" (Spreuken 22 vers 9).

Het voorbeeld van de Hebreeuwse knecht (vers 12), een beeld van Christus, herinnert ons eraan dat alles wat wij uit liefde voor de arme of geringe doen, we eigenlijk voor de Heere Jezus mogen doen!

Deuteronomium 16:1-17
1Neemt waar de maand Abib, dat gij den HEERE, uw God, pascha houdt; want in de maand Abib heeft u de HEERE, uw God, uit Egypteland uitgevoerd, bij nacht.2Dan zult gij den HEERE, uw God, het pascha slachten, schapen en runderen, in de plaats, die de HEERE verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen.3Gij zult niets gedesemds op hetzelve eten; zeven dagen zult gij ongezuurde op hetzelve eten, een brood der ellende, (want in der haast zijt gij uit Egypteland uitgetogen); opdat gij gedenkt aan den dag van uw uittrekken uit Egypteland, al de dagen uws levens.4Er zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in enige uwer landpalen; ook zal van het vlees, dat gij aan den avond van den eersten dag geslacht zult hebben, niets tot den morgen overnachten.5Gij zult het pascha niet mogen slachten in een uwer poorten, die de HEERE, uw God, u geeft.6Maar aan de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal om daar Zijn Naam te doen wonen, aldaar zult gij het pascha slachten aan den avond, als de zon ondergaat, ter bestemder tijd van uw uittrekken uit Egypte.7Dan zult gij het koken en eten in de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal; daarna zult gij u des morgens keren, en heengaan naar uw tenten.8Zes dagen zult gij ongezuurde broden eten, en aan den zevenden dag is een verbods dag den HEERE, uw God; dan zult gij geen werk doen.9Zeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij de zeven weken beginnen te tellen.10Daarna zult gij den HEERE, uw God, het feest der weken houden; het zal een vrijwillige schatting uwer hand zijn, dat gij geven zult, naardat u de HEERE, uw God, zal gezegend hebben.11En gij zult vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, die in uw poorten is, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in het midden van u zijn; in de plaats, die de HEERE, uw God, zal verkiezen, om Zijnen Naam aldaar te doen wonen.12En gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht geweest zijt in Egypte; en gij zult deze inzettingen houden en doen.13Het feest der loofhutten zult gij u zeven dagen houden, als gij zult hebben ingezameld van uw dorsvloer en van uw wijnpers.14En gij zult vrolijk zijn op uw feest, gij, en uw zoon, en uw dochter, en uw dienstknecht, en uw dienstmaagd, en de Leviet, en de vreemdeling, en de wees, en de weduwe, die in uw poorten zijn.15Zeven dagen zult gij den HEERE, uw God, feest houden, in de plaats, die de HEERE verkiezen zal; want de HEERE, uw God, zal u zegenen in al uw inkomen, en in al het werk uwer handen; daarom zult gij immers vrolijk zijn.16Driemaal in het jaar zal alles, wat mannelijk onder u is, voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, verschijnen, in de plaats, die Hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten; maar het zal niet ledig voor het aangezicht des HEEREN verschijnen:17Een ieder, naar de gave zijner hand, naar den zegen des HEEREN, uws Gods, dien Hij u gegeven heeft.

Van de zeven feesten in Leviticus 23 worden in het hoofdstuk voor vandaag alleen de drie belangrijkste genoemd: het Pascha waarvan we nu veel meer details lezen, het feest der weken (Pinksteren) en tenslotte het loofhuttenfeest.

Bij deze drie belangrijke aangelegenheden werd van de Israëliet verwacht dat hij op zou gaan naar de plaats die de HEERE verkozen had om daar te wonen.

In Lukas 2 vanaf vers 41 lezen we dat Jozef en Maria met het kind Jezus naar Jeruzalem gingen, op het feest van Pascha En Lukas 22 vertelt ons over het laatste Pascha dat voor de Heere toebereid werd. Het was echt een verlangen van Zijn hart. "Ik heb grotelijks begeerd, dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijde" (vers 15), zegt Hij tegen Zijn discipelen.

Deze feesten werden één keer per jaar gevierd. Toch wilde de HEERE graag dat elk van de Zijnen alle dagen van zijn leven aan de uittocht uit Egypte en het slavenbestaan daar dacht (vers 3).

De verloste denkt er niet slechts één keer per jaar of één keer per week, op zondag, aan waar de genade hem vandaan gehaald heeft. Nee, hij moet daar elke dag dankbaar voor zijn! En de herinnering daaraan zal hem bewaren voor elke onbezonnenheid, voor elk lichtvaardig handelen.

Ook al wordt van de christen verwacht dat hij zich ernstig en serieus gedraagt, toch mag hij nu ook al van de vreugde van de hemel genieten. "Daarom zult gij immers vrolijk zijn" (vers 15). "Verblijdt u in de Heere te allen tijd!", schrijft de apostel (Filippi 4 vers 4; zie ook 1 Thessalonika 5 vers 16).

Deuteronomium 16:18-22; Deuteronomium 17:1-7
18Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid.19Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen.20Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.21Gij zult u geen bos planten van enig geboomte, bij het altaar des HEEREN, uws Gods, dat gij u maken zult.22Ook zult gij u geen opgericht beeld stellen, hetwelk de HEERE, uw God, haat.
1Gij zult den HEERE, uw God, geen os of klein vee offeren, waaraan een gebrek zij of enig kwaad; want dat is den HEERE, uw God, een gruwel.2Wanneer in het midden van u, in een uwer poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in de ogen des HEEREN, uws Gods, overtredende Zijn verbond;3Dat hij heengaat, en dient andere goden, en buigt zich voor die, of voor de zon, of voor de maan, of voor het ganse heir des hemels, hetwelk ik niet geboden heb;4En het wordt u aangezegd, en gij hoort het; zo zult gij het wel onderzoeken; en ziet, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israel gedaan;5Zo zult gij dien man of die vrouw, die ditzelve boze stuk gedaan hebben, tot uw poorten uitbrengen, dien man zeg ik, of die vrouw; en gij zult hen met stenen stenigen, dat zij sterven.6Op den mond van twee getuigen, of drie getuigen, zal hij gedood worden, die sterven zal; op den mond van een enigen getuige zal hij niet gedood worden.7De hand der getuigen zal eerst tegen hem zijn, om hem te doden, en daarna de hand des gansen volks; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.

Tot aan het einde van hoofdstuk 18 worden ons verschillende groepen van verantwoordelijke personen voorgesteld. Dat zijn achtereenvolgens: de rechters, de koningen, de priesters, de Levieten en de profeten in Israël.

De rechters en ambtlieden worden als eerste genoemd. Zij moesten het volk met "een gericht der gerechtigheid" richten, dus zonder partijzucht en zonder geschenken aan te nemen (vers 18 en 19; Spreuken 17 vers 23; 18 vers 5 en 24 vers 23).

Jakobus legt in zijn Brief speciale nadruk op de sociale omgang onder de gelovigen. Hij spreekt met name over de verplichtingen ten opzichte van de naaste en de contacten tussen rijk en arm. Hij veroordeelt het handelen ter wille van het aanzien van een bepaald persoon (Jakobus 2 vanaf vers 1), de zelfzucht en hardheid van het hart (vers 15 en 16), gierigheid en onderdrukking (hoofdstuk 5 vanaf vers 1). En opdat wij nooit zullen vergeten hoe ver ongerechtigheid kan gaan, zegt hij nog in datzelfde hoofdstuk: "Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood de Rechtvaardige" (vers 6). Israël heeft niet alleen nagelaten, de gerechtigheid na te jagen (vers 20), maar heeft zelfs "de Rechtvaardige en Oprechte" verworpen en gekruisigd (Job 12 vers 4).

Dat het noodzakelijk is dat er twee of drie getuigen aanwezig zijn bij een aanklacht of het vaststellen van een ander feit, onderstreept onze eigen tekortkomingen, ons eigen falen.

O, wat bestaat er toch een geweldig groot verschil tussen ons en de Christus van God, de "trouwe, en waarachtige Getuige" (Openbaring 3 vers 14; Johannes 8 vers 14).

Deuteronomium 17:8-20
8Wanneer een zaak aan het gericht voor u te zwaar zal zijn, tussen bloed en bloed, tussen rechtshandel en rechtshandel, tussen plage en plage, zijnde twistzaken in uw poorten, zo zult gij u opmaken, en opgaan naar de plaats, die de HEERE, uw God, verkiezen zal;9En gij zult komen tot de Levietische priesters, en tot den rechter, die in die dagen zijn zal; en gij zult ondervragen, en zij zullen u de zaak des rechts aanzeggen.10En gij zult doen naar de mond des woords, dat zij u zullen aanzeggen, van diezelve plaats, die de HEERE verkiezen zal, en gij zult waarnemen te doen naar alles, wat zij u zullen leren.11Naar de mond der wet, die zij u zullen leren, en naar het oordeel, dat zij u zullen zeggen, zult gij doen; gij zult niet afwijken van het woord, dat zij u zullen aanzeggen, ter rechterhand of ter linkerhand.12De man nu, die trotselijk handelen zal, dat hij niet hore naar den priester, dewelke staat, om aldaar den HEERE, uw God, te dienen, of naar den rechter, dezelve man zal sterven; en gij zult het boze uit Israel wegdoen.13Dat het al dat volk hore en vreze, en niet meer trotselijk handele.14Wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en gij dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en gij zeggen zult: Ik zal een koning over mij stellen, als al de volken, die rondom mij zijn;15Zo zult gij ganselijk tot koning over u stellen, dien de HEERE, uw God, verkiezen zal; uit het midden uwer broederen zult gij een koning over u stellen; gij zult niet vermogen over u te zetten een vreemden man, die uw broeder niet zij.16Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen wederkeren naar Egypte, om paarden te vermenigvuldigen; terwijl de HEERE ulieden gezegd heeft: Gij zult voortaan niet wederkeren door dezen weg.17Ook zal hij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn hart niet afwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen.18Voorts zal het geschieden, als hij op den stoel zijns koninkrijks zal zitten, zo zal hij zich een dubbel van deze wet afschrijven in een boek, uit hetgeen voor het aangezicht der Levietische priesteren is;19En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens; opdat hij den HEERE, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen;20Dat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broederen, en dat hij niet afwijke van het gebod, ter rechterhand of ter linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, in het midden van Israel.

De rechtspraak van een priester of een rechter was rechtsgeldig en moest erkend worden. Paulus zegt ook: "Er is geen macht [d.w.z. overheid] dan van God ... Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God weerstaat" (Romeinen 13 vers 1 en 2; 1 Petrus 2 vers 13 tot en met 17). Maar hij die autoriteit heeft, is over de uitoefening ervan rekenschap verschuldigd aan God.

Aan de koningen worden verschillende belangrijke vermaningen gegeven. Hij zal

"voor zich de paarden niet vermenigvuldigen" (hoogmoed);

"voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen" (lust, begeerte van het vlees);

"voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen" (begeerte van de ogen);

alleen de Goddelijke wet als leidsman gebruiken; en tenslotte

zich niet verheffen "boven zijn broeders" (het gaat om zijn broeders, niet om onderdanen!).

Salomo, de meest glansrijke koning in de geschiedenis van Israël, overtrad al deze geboden (1 Koningen 10 vers 22 tot en met 28; 11 vers 1 en 4). Wat Josia, één van zijn laatste opvolgers, daarentegen kenmerkt, was de eer die hij bewees aan het teruggevonden wetboek en de praktische uitwerkingen die het Woord op zijn leven had (2 Kronieken 34 vanaf vers 14).

Door een exemplaar van het heilige Boek te bezitten, bij je te hebben en er elke dag van je leven in te lezen, leer je de Heere vrezen en Zijn woorden kennen, "om die te doen" (vers 19).

Deuteronomium 18:1-22
1De Levietische priesteren, de ganse stam van Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israel; de vuuroffers des HEEREN en zijn erfdeel zullen zij eten.2Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner broederen; de HEERE is zijn Erfdeel, gelijk als Hij tot hem gesproken heeft.3Dit nu zal het recht der priesters zijn van het volk, van hen, die een offerande offeren, hetzij een os, of klein vee: dat hij den priester zal geven den schouder, en beide kinnebakken, en de pens.4De eerstelingen van uw koren, van uw most en van uw olie, en de eerstelingen van de beschering uwer schapen zult gij hem geven;5Want de HEERE, uw God, heeft hem uit al uw stammen verkoren, dat hij sta, om te dienen in den Naam des HEEREN, hij en zijn zonen, te allen dage.6Voorts wanneer een Leviet zal komen uit een uwer poorten, uit gans Israel, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte zijner ziel, tot de plaats, die de HEERE zal hebben verkoren;7En hij dienen zal in den Naam des HEEREN, zijns Gods, als al zijn broederen, de Levieten, die aldaar voor het aangezicht des HEEREN staan;8Zo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijn verkoping bij de vaderen.9Wanneer gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van dezelve volken.10Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar.11Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt.12Want al wie zulks doet, is den HEERE een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht uit de bezitting.13Oprecht zult gij zijn met den HEERE, uw God.14Want deze volken, die gij zult erven, horen naar guichelaars en waarzeggers; maar u aangaande, de HEERE, uw God, heeft u zulks niet toegelaten.15Een Profeet, uit het midden van u, uit uw broederen, als mij, zal u de HEERE, uw God, verwekken; naar Hem zult gij horen;16Naar alles, wat gij van den HEERE, uw God, aan Horeb, ten dage der verzameling, geeist hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te horen de stem des HEEREN, mijns Gods, en ditzelve grote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.17Toen zeide de HEERE tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben.18Een Profeet zal Ik hun verwekken uit het midden hunner broederen, als u; en Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en Hij zal tot hen spreken alles, wat Ik Hem gebieden zal.19En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar Mijn woorden, die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal Ik het zoeken.20Maar de profeet, die hoogmoediglijk zal handelen, sprekende een woord in Mijn Naam, hetwelk Ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.21Zo gij dan in uw hart zoudt mogen zeggen: Hoe zullen wij het woord kennen, dat de HEERE niet gesproken heeft?22Wanneer die profeet in den Naam des HEEREN zal hebben gesproken, en dat woord geschiedt niet, en komt niet; dat is het woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; door trotsheid heeft die profeet dat gesproken; gij zult voor hem niet vrezen.

Dit hoofdstuk stelt ons personen voor de aandacht die een religieuze positie innemen. Vooral de profeten zijn mannen die in opdracht van de HEERE spreken. Wat richten zij ontzettend veel verwarring aan als ze niet trouw zijn! Als zij beweren dat God tot hen gesproken heeft, bestaat het gevaar dat wij datgene wat slechts een leugen is, aannemen als Gods Woord (vergelijk 1 Koningen 22 vers 22).

De verzen 9 tot en met 12 waarschuwen het volk van God voor astrologen, helderzienden, tovenaars, waarzeggers, dodenbezweerders enzovoorts. Dat betekent dus: voor elke vorm van occultisme!

Vandaag hellen heel veel mensen, meer dan ooit, over tot deze kwalijke en verwerpelijke praktijken. Geve God dat wij daar, evenals Hij, een grote afschuw van hebben!

Israël heeft in zijn land achtereenvolgens de tijd van de richters, van de koningen en tenslotte van de profeten gekend. Zowel de één als de ander is maar al te vaak een ontrouwe herder gebleken.

Toen heeft de HEERE Hem, de rechtvaardige Rechter, de Koning der koningen en dé Profeet (Die het volk verwachtte; vers 15) gestuurd om Zijn volk te leiden.

Toen Petrus het evangelie verkondigde aan de joden, baseerde hij zich op deze verzen om hen de Heere Jezus te prediken. Hij is Zelf het Woord. "Die zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal" (vers 15; Handelingen 3 vers 22 en 7 vers 37).

Deuteronomium 19:1-14
1Wanneer de HEERE, uw God, de volken zal hebben uitgeroeid, welker land de HEERE, uw God, u geven zal, en gij die erfelijk zult bezitten, en in hun steden en in hun huizen wonen;2Zo zult gij u drie steden uitscheiden, in het midden van uw land, hetwelk de HEERE, uw God, u geven zal, om dat erfelijk te bezitten.3Gij zult u den weg bereiden, en de pale uws lands, dat u de HEERE, uw God, zal doen erven, in drieen delen; dit nu zal zijn, opdat ieder doodslager daarhenen vliede.4En dit zij de zaak des doodslagers, die daarhenen vlieden zal, dat hij leve; die zijn naaste zal geslagen hebben door onwetendheid, dien hij toch van gisteren en eergisteren niet haatte;5Als, dewelke met zijn naaste in het bos zal zijn gegaan, om hout te houwen, en zijn hand met de bijl wordt aangedreven, om hout af te houwen, en het ijzer schiet af van den steel, en treft zijn naaste, dat hij sterve; die zal in een dezer steden vluchten en leven;6Opdat de bloedwreker den doodslager niet najage, als zijn hart verhit is, en hem achterhale, omdat de weg te verre zou zijn, en hem sla aan het leven; zo toch geen oordeel des doods aan hem is; want hij haatte hem niet van gisteren en eergisteren.7Daarom gebiede ik u, zeggende: Gij zult u drie steden uitscheiden.8En indien de HEERE, uw God, uw landpale zal verwijden, gelijk als Hij uw vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven zal, hetwelk Hij uw vaderen te geven gesproken heeft;9(Wanneer gij al ditzelve gebod zult waarnemen, om dat te doen, hetgeen ik u heden gebiede, den HEERE, uw God, liefhebbende, en alle dagen in Zijn wegen wandelende) zo zult gij u nog drie steden toedoen tot deze drie;10Opdat het bloed des onschuldigen niet vergoten worde in het midden van uw land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft, en bloedschulden op u zouden zijn.11Maar wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem lagen legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het leven, dat hij sterve; en vliedt tot een van die steden;12Zo zullen de oudsten zijner stad zenden, en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand des bloedwrekers geven, dat hij sterve.13Uw oog zal hem niet verschonen; maar gij zult het bloed des onschuldigen uit Israel wegdoen, dat het u welga.14Gij zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat gij erven zult, in het land, hetwelk u de HEERE, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten.

"Een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik!" zegt de HEERE (Jesaja 45 vers 21). Omdat Hij rechtvaardig is, veroordeelt Hij de misdadiger (vers 11 tot en met 13). En omdat Hij een Redder is, beschermt Hij hem die onopzettelijk een moordenaar werd.

Drie steden moeten afgezonderd worden om als toevluchtsoord te dienen. Dat is een beeld van de bescherming die we in Christus vinden voor de rechtvaardige toorn van God. Wat is er voor nodig om daarvan te kunnen genieten? Eenvoudig geloven; dàt is het enige middel dat God tot heil van de zondaar bereid heeft. De hele mensheid is immers schuldig aan het vergieten van het onschuldig bloed van Zijn geliefde Zoon (vers 10 tot en met 13).

Het lijkt erop dat Paulus dit beeld van de vrijstad voor de aandacht heeft, als hij spreekt over Christus winnen en in Hem bevonden te worden, en dat niet uit eigen rechtvaardigheid, maar door het geloof in Christus (Filippi 3 vers 8 en 9; lees ook Hebreeën 6 vers 18).

Niet alleen door geweld kan men zijn naaste schade toebrengen. Dat kan bijvoorbeeld ook door de grenspalen te verzetten (vers 14). Dat wil zeggen: de ellebogen gebruiken om zich ten koste van een ander een betere plaats in de wereld te verschaffen.

De christen wordt erop gewezen, tevreden te zijn met wat voorhanden is (Hebreeën 13 vers 5). Maar ook om nuchter te zijn (1 Petrus 5 vers 8) en niet op z'n strepen te staan, opdat zijn inschikkelijkheid, zijn bescheidenheid aan alle mensen bekend wordt (Lukas 6 vers 29 tot en met 31; Filippi 4 vers 5).

Deuteronomium 19:15-21; Deuteronomium 20:1-9
15Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op den mond van twee getuigen, of op den mond van drie getuigen zal de zaak bestaan.16Wanneer een wrevelige getuige tegen iemand zal opstaan, om een afwijking tegen hem te betuigen;17Zo zullen die twee mannen, welke den twist hebben, staan voor het aangezicht des HEEREN, voor het aangezicht der priesters, en der rechters, die in diezelve dagen zullen zijn.18En de rechters zullen wel onderzoeken; en ziet, de getuige is een vals getuige, hij heeft valsheid betuigd tegen zijn broeder;19Zo zult gijlieden hem doen, gelijk als hij zijn broeder dacht te doen; alzo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen;20Dat de overgeblevenen het horen en vrezen, en niet voortvaren meer te doen naar dit boze stuk, in het midden van u.21En uw oog zal niet verschonen; ziel om ziel, oog om oog, tand om tand, hand om hand, voet om voet.
1Wanneer gij zult uittrekken tot den strijd tegen uw vijanden, en zult zien paarden en wagenen, een volk, meerder dan gij, zo zult gij voor hen niet vrezen; want de HEERE, uw God, is met u, Die u uit Egypteland heeft opgevoerd.2En het zal geschieden, als gijlieden tot den strijd nadert, zo zal de priester toetreden, en tot het volk spreken.3En tot hen zeggen: Hoort, Israel! gijlieden zijt heden na aan den strijd tegen uw vijanden; uw hart worde niet week, vreest niet, en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht.4Want het is de HEERE, uw God, Die met u gaat, om voor u te strijden tegen uw vijanden, om u te verlossen.5Dan zullen de ambtlieden tot het volk spreken, zeggende: Wie is de man, die een nieuw huis heeft gebouwd, en het niet heeft ingewijd? Die ga henen en kere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien sterve in den strijd, en iemand anders dat inwijde.6En wie is de man, die een wijngaard geplant heeft, en deszelfs vrucht niet heeft genoten? Die ga henen en kere weder naar zijn huis, opdat hij niet misschien in den strijd sterve en iemand anders die geniete.7En wie is de man, die een vrouw ondertrouwd heeft, en haar niet tot zich heeft genomen? Die ga henen en kere weder naar zijn huis; opdat hij niet misschien in den strijd sterve, en een ander man haar neme.8Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot het volk, en zeggen: Wie is de man, die vreesachtig en week van hart is? Die ga henen en kere weder naar zijn huis; opdat het hart zijner broederen niet smelte, gelijk zijn hart.9En het zal geschieden, als die ambtlieden geeindigd zullen hebben te spreken tot het volk, zo zullen zij oversten der heiren aan de spits des volks bestellen.

De priesters en de rechters moesten de valse getuigen ontmaskeren en bestraffen (vers 18; Spreuken 19 vers 5 en 9). Toen de Heere Jezus voor het sanhedrin stond, probeerde men Hem door valse getuigenverklaringen ter dood te veroordelen. Daarmee maakte men de maat van de ongerechtigheid vol (Mattheüs 26 vers 59).

Hoofdstuk 20 gaat over oorlogswetten. De opdracht om oorlog te voeren tegen vijanden van God, hebben wij niet. Wel hebben we een geestelijke strijd te voeren, de strijd van het geloof. Wie heeft de opdracht gekregen om Israëls oorlogen voor te bereiden en de soldaten te mobiliseren? Wij zouden zeggen dat dat het werk van de officieren was, maar dat is niet zo. Opnieuw zijn het de priesters en de rechters. Noch de kracht, noch de wapenuitrusting van de soldaten is van doorslaggevend belang. De trouw en de overgave aan de HEERE tellen.

Vanaf vers 5 worden de redenen opgenoemd waarom een man werd ontslagen of terzijdegesteld van de krijgsdienst en dus niet meetrok in de strijd. Dat doet ons denken aan de uitvluchten van hen die uitgenodigd waren voor een grote feestmaaltijd: "Ik heb een akker gekocht ... Ik heb een vrouw getrouwd ..." (Lukas 14 vers 18 tot en met 20).

Laten wij echter luisteren naar de raad van iemand die in de strijd beproefd was en die zelf de goede strijd heeft gestreden: "Niemand, die in de krijg dient, wordt verwikkeld in de handelingen van de leeftocht, opdat hij hem moge behagen, die hem tot de krijg aangenomen heeft". Alleen op deze voorwaarde zal iemand een goede krijgsknecht van Jezus Christus kunnen zijn (2 Timotheüs 2 vers 3 en 4 en 4 vers 7).

Deuteronomium 20:10-20
10Wanneer gij nadert tot een stad om tegen haar te strijden, zo zult gij haar den vrede toeroepen.11En het zal geschieden, indien zij u vrede zal antwoorden, en u opendoen, zo zal al het volk, dat daarin gevonden wordt, u cijnsbaar zijn, en u dienen.12Doch zo zij geen vrede met u zal maken, maar krijg tegen u voeren, zo zult gij haar belegeren.13En de HEERE, uw God, zal haar in uw hand geven; en gij zult alles, wat mannelijk daarin is, slaan met de scherpte des zwaards;14Behalve de vrouwen, en de kinderkens, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haar buit zult gij voor u roven; en gij zult eten den buit uwer vijanden, dien u de HEERE, uw God, gegeven heeft.15Alzo zult gij aan alle steden doen, die zeer verre van u zijn, die niet zijn van de steden dezer volken.16Maar van de steden dezer volken, die u de HEERE, uw God, ten erve geeft, zult gij niets laten leven, dat adem heeft.17Maar gij zult ze ganselijk verbannen: de Hethieten, en de Amorieten, en de Kanaanieten, en de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten, gelijk als u de HEERE, uw God, geboden heeft;18Opdat zij ulieden niet leren te doen naar al hun gruwelen, die zij hun goden gedaan hebben, en gij zondigt tegen den HEERE, uw God.19Wanneer gij een stad vele dagen zult belegeren, strijdende tegen haar, om die in te nemen, zo zult gij haar geboomte niet verderven, de bijl daaraan drijvende; want gij zult daarvan eten; daarom zult gij dat niet afhouwen (want het geboomte van het veld is des mensen spijze), opdat het voor uw aangezicht kome tot een bolwerk.20Maar het geboomte, hetwelk gij kennen zult, dat het geen geboomte ter spijze is, dat zult gij verderven en afhouwen; en gij zult een bolwerk bouwen tegen deze stad, dewelke tegen u krijg voert, totdat zij ten onderga.

De Israëlieten mochten vrede sluiten met de steden die ver verwijderd lagen. In tegenstelling daarmee mochten ze met de steden die dichtbij lagen, geen enkel erbarmen hebben, omdat die het volk zouden verhinderen het land in bezit te nemen.

Wij, christenen, moeten in de aardse dingen ook onderscheid maken tussen dingen die we mogen gebruiken, en dingen waar we onherroepelijk afstand van moeten nemen. Want deze laatste zouden ons het genot van ons hemels erfdeel kunnen ontroven. De beslissing ligt bij ons!

De Israëliet had de opdracht, de vruchtbomen te ontzien en ze niet te gebruiken ten behoeve van de oorlog. Deze waarschuwing heeft een geestelijke betekenis! Soms ziet men dat christenen een blinde en fanatieke ijver aan de dag leggen om alles te veroordelen en te bestrijden wat God misschien wel als een verfrissing of tot voedsel aan de Zijnen heeft gegeven.

De verzen 19 en 20 waarschuwen ons tegelijkertijd ook voor verspilling. Laten we aan het voorbeeld denken dat de Heere Jezus ons Zelf heeft gegeven.

Hij, de Schepper, Die het brood eindeloos kon vermeerderen — en dat zojuist had laten zien —, heeft ervoor gezorgd dat de resten in de korven werden gedaan, "opdat er niets verloren" ging (Johannes 6 vers 12).

Deuteronomium 21:1-9
1Wanneer in het land, hetwelk de HEERE, uw God, u geven zal, om dat te erven, een verslagene zal gevonden worden, liggende in het veld, niet bekend zijnde, wie hem geslagen heeft;2Zo zullen uw oudsten en uw rechters uitgaan, en zij zullen meten naar de steden, die rondom den verslagene zijn.3De stad nu, die de naaste zal zijn aan den verslagene, daar zullen de oudsten derzelver stad een jonge koe van de runderen nemen, met dewelke niet gearbeid is, die aan het juk niet getrokken heeft.4En de oudsten derzelver stad zullen de jonge koe afbrengen in een ruw dal, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen deze jonge koe aldaar in het dal den nek doorhouwen.5Dan zullen de priesters, de kinderen van Levi, toetreden; want de HEERE, uw God, heeft hen verkoren, om Hem te dienen, en om in des HEEREN Naam te zegenen, en naar hun mond zal alle twist en alle plaag afgedaan worden.6En alle oudsten derzelver stad, die naast aan den verslagene zijn, zullen hun handen wassen over deze jonge koe, die in dat dal de nek doorgehouwen is;7En zij zullen betuigen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze ogen hebben het niet gezien;8Wees genadig aan Uw volk Israel, dat Gij, o HEERE! verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed in het midden van Uw volk Israel! En dat bloed zal voor hen verzoend zijn.9Alzo zult gij het onschuldig bloed uit het midden van u wegdoen; want gij zult doen, wat recht is in de ogen des HEEREN.

In dit gedeelte ontmoeten we de rechters opnieuw, en wel in verband met een heel moeilijk geval!

Israël woont in het land, in zijn steden. Op zekere dag wordt in het veld het stoffelijk overschot van iemand gevonden. Wie heeft de moord begaan? Niemand die het weet, dan de dader zelf. Van bloedwraak kan dus geen sprake zijn!

Toch moet er iemand verantwoordelijk zijn voor deze daad, want al het vergoten bloed moet immers gewroken worden. De oudsten en de rechters gaan vervolgens de afstand meten om te zien welke stad het dichtst bij de plaats van het misdrijf ligt. Díe stad zal schuldig zijn.

Moet ze dan vernietigd worden? Nee, de genade van God geeft een offer op grond waarvan Hij op rechtvaardige wijze kan vergeven.

Hier hebben we een beeld van het offer en de dood van Christus. De schuldige stad is Jeruzalem "die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn" (Mattheus 23 vers 37). De grootste misdaad die zij begaan heeft, is het kruisigen van de Zoon van God.

O, wonder van genade! Het is juist deze dood die het rechtvaardige middel werd waardoor God kan vergeven!

In de jonge koe vinden we inderdaad ook een beeld van de Heere Jezus. Hij Die nooit het juk van de zonde gekend heeft (vers 3), is afgedaald in het dal van de dood om daar, terwijl Hij Zelf onschuldig is, de schuld van anderen te dragen (vers 4). Dit spreekt tot ons van de eeuwige genade van onze Heiland-God!

Deuteronomium 21:10-23
10Wanneer gij zult uitgetogen zijn tot den strijd tegen uw vijanden; en de HEERE, uw God, hen zal gegeven hebben in uw hand, dat gij hun gevangenen gevankelijk wegvoert;11En gij onder de gevangenen zult zien een vrouw, schoon van gedaante, en gij lust tot haar gekregen zult hebben, dat gij ze u ter vrouwe neemt;12Zo zult gij haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en haar nagelen besnijden.13En zij zal het kleed harer gevangenis van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haar vader en haar moeder een maand lang bewenen; en daarna zult gij tot haar ingaan, en haar man zijn, en zij zal u ter vrouwe zijn.14En het zal geschieden, indien gij geen behagen in haar hebt, dat gij haar zult laten gaan naar haar begeerte; doch gij zult haar geenszins voor geld verkopen, gij zult met haar geen gewin drijven, daarom dat gij haar vernederd hebt.15Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een gehate; en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn;16Zo zal het geschieden, ten dage als hij zijn zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan den zoon der beminde, voor het aangezicht van den zoon der gehate, die de eerstgeborene is.17Maar den eerstgeborene, den zoon der gehate, zal hij kennen, gevende hem het dubbele deel van alles, wat bij hem zal worden gevonden; want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is het zijne.18Wanneer iemand een moedwilligen en wederspannigen zoon heeft, die de stem zijns vaders en de stem zijner moeder niet gehoorzaam is; en zij hem gekastijd zullen hebben, en hij naar hen niet horen zal,19Zo zullen zijn vader en zijn moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten zijner stad, en tot de poorte zijner plaats.20En zij zullen zeggen tot de oudsten zijner stad: Deze onze zoon is afwijkende en wederspannig, hij is onze stem niet gehoorzaam; hij is een brasser en zuiper.21Dan zullen alle lieden zijner stad hem met stenen overwerpen, dat hij sterve; en gij zult het boze uit het midden van u wegdoen; dat het gans Israel hore, en vreze.22Voorts, wanneer in iemand een zonde zal zijn, die het oordeel des doods waardig is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben;23Zo zal zijn dood lichaam aan het hout niet overnachten; maar gij zult het zekerlijk ten zelven dage begraven; want een opgehangene is Gode een vloek. Alzo zult gij uw land niet verontreinigen, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft.

De eerstgeborenen in Israël hadden een groot voorrecht (vers 17). Wat moeten wij, als wij kinderen van gelovige ouders zijn, in vergelijking daarmee zeggen van het voorrecht dat we opgevoed zijn naar het Woord van God?

Is het niet erg verdrietig te moeten vaststellen dat ondanks dat grote voorrecht velen toch de weg van de "eigenzinnige en weerspannige zoon" zijn gegaan?

Voor de jonge Israëliet leidde deze weg tot de dood, zonder vergeving. Op het getuigenis van zijn eigen ouders moest hij gestenigd worden.

Deze geschiedenis van de domme, drankverslaafde en liederlijke zoon komen we in Lukas 15 ook tegen, maar dan met een heel andere afloop!

De verloren zoon was niet beter dan de weerspannige zoon uit het Schriftgedeelte van vandaag. Maar de genade vond hem, bewerkte zijn hart en bracht hem tot schuldbelijdenis. Daarom vinden we bij zijn vader ook geen aanklacht, maar geopende armen; geen veroordeling, maar volledige vergeving; en in plaats van de dood, het huis van de vader, het feest en de vreugde!

In de verzen 22 en 23 hebben we een andere vreselijke dood voor onze aandacht. Deze dood moest de geliefde, gehoorzame Zoon voor ons ondergaan!

Galaten 3 vers 13 herinnert eraan: "Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt". Hier zien we het ondoorgrondelijke wonder van het kruis! Daar is Christus tot een vloek geworden, opdat de zegen die aan de gelovige beloofd is, ons deel zou worden!

Deuteronomium 22:1-12
1Gij zult uws broeders os of klein vee niet zien afgedreven, en u van die verbergen; gij zult ze uw broeder ganselijk weder toesturen.2En indien uw broeder niet nabij u is, of gij hem niet kent, zo zult gij ze binnen in uw huis vergaderen, dat zij bij u zijn, totdat uw broeder die zoeke, en gij ze hem wedergeeft.3Alzo zult gij ook doen aan zijn ezel, en alzo zult gij doen aan zijn kleding, ja, alzo zult gij doen aan al het verlorene uws broeders, dat van hem verloren zal zijn, en dat gij zult hebben gevonden; gij zult u niet mogen verbergen.4Gij zult uws broeders ezel of zijn os niet zien, vallende op den weg, en u van die verbergen; gij zult ze met hem ganselijk oprichten.5Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is den HEERE, uw God, een gruwel.6Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt, in enigen boom, of op de aarde, met jongen of eieren, en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zo zult gij de moeder met de jongen niet nemen.7Gij zult de moeder ganselijk vrijlaten; maar de jongen zult gij voor u nemen; opdat het u welga, en gij de dagen verlengt.8Wanneer gij een nieuw huis zult bouwen, zo zult gij op uw dak een leuning maken; opdat gij geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.9Gij zult uw wijngaard niet met tweeerlei bezaaien; opdat de volheid des zaads, dat gij zult gezaaid hebben, en de inkomst des wijngaards niet ontheiligd worde.10Gij zult niet ploegen met een os en met een ezel te gelijk.11Gij zult geen kleed van gemengde stof aantrekken, wollen en linnen te gelijk.12Snoeren zult gij u maken aan de vier hoeken uws opperkleeds, waarmede gij u bedekt.

De HEERE veroordeelt niet alleen het openlijke, grove kwaad (hoofdstuk 21), maar keurt ook elke vorm van zelfzucht af.

Een os of een ezel verliezen, is een teken van gebrek aan waakzaamheid (vergelijk 1 Samuël 9 vers 3). God gebruikt dit beeld echter om mij erop te wijzen dat ik geen recht heb om onverschillig te blijven tegenover het verlies dat mijn naaste geleden heeft. God herinnert mij eraan dat deze mijn broeder is, en Hij roept mij op, zorgvuldig om te gaan met zijn spullen alsof ze van mijzelf waren.

Hoe kon de Israëliet zonder zijn schaap een offer brengen, zonder zijn os gaan werken, zonder zijn ezel tot lastdrager voor de HEERE zijn? Laten wij niet op die gelovigen lijken van wie Paulus vanwege hun gebrek aan behulpzaamheid moest zeggen: "Zij zoeken allen het hunne" (Filippi 2 vers 21; zie ook 1 Korinthe 10 vers 24)!

Vers 5 is van grote betekenis voor onze tijd waarin de vrouw probeert in alles aan de man gelijk te zijn. Dat betekent echter dat we de scheppingsorde van God omverwerpen. Ook al kunnen we de draagwijdte van deze aanwijzingen niet begrijpen, laten we er toch voor oppassen "twistgierig" te zijn (1 Korinthe 11 vers 16).

De verzen 9 tot en met 11 herinneren ons eraan dat God noch in het leven noch in het getuigenis van Zijn kinderen enige wanorde kan goedkeuren. En dat Hij evenmin een vermenging van Goddelijke feiten met de beginselen van de wereld toestaat!

Deuteronomium 23:15-25; Deuteronomium 24:1-6
15Gij zult een knecht aan zijn heer niet overleveren, die van zijn heer tot u ontkomen zal zijn.16Hij zal bij u blijven in het midden van u, in de plaats, die hij zal verkiezen, in een van uw poorten, waar het goed voor hem is; gij zult hem niet verdrukken.17Er zal geen hoer zijn onder de dochteren van Israel; en er zal geen schandjongen zijn onder de zonen van Israel.18Gij zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis des HEEREN, uws Gods, brengen, tot enige gelofte; want ook die beiden zijn den HEERE, uw God, een gruwel.19Gij zult aan uw broeder niet woekeren, met woeker van geld, met woeker van spijze, met woeker van enig ding, waarmede men woekert.20Aan den vreemde zult gij woekeren; maar aan uw broeder zult gij niet woekeren; opdat u de HEERE, uw God, zegene, in alles, waaraan gij uw hand slaat, in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.21Wanneer gij den HEERE, uw God, een gelofte zult beloofd hebben, gij zult niet vertrekken die te betalen; want de HEERE, uw God, zal ze zekerlijk van u eisen, en zonde zou in u zijn.22Maar als gij nalaat te beloven, zo zal het geen zonde in u zijn.23Wat uit uw lippen gaat, zult gij houden en doen; gelijk als gij den HEERE, uw God, een vrijwillig offer beloofd hebt, dat gij met uw mond gesproken hebt.24Wanneer gij gaan zult in uws naasten wijngaard, zo zult gij druiven eten naar uw lust, tot uw verzadiging; maar in uw vat zult gij niets doen.25Wanneer gij zult gaan in uws naasten staande koren, zo zult gij de aren met uw hand afplukken; maar de sikkel zult gij aan uws naasten staande koren niet bewegen.
1Wanneer een man een vrouw zal genomen en die getrouwd hebben, zo zal het geschieden, indien zij geen genade zal vinden in zijn ogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar een scheidbrief zal schrijven, en in haar hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis.2Zo zij dan, uit zijn huis uitgegaan zijnde, zal henengaan en een anderen man ter vrouwe worden,3En deze laatste man haar gehaat, en haar een scheidbrief geschreven, en in haar hand gegeven, en haar uit zijn huis zal hebben laten gaan; of als deze laatste man, die ze voor zich tot een vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn;4Zo zal haar eerste man, die haar heeft laten gaan, haar niet mogen wedernemen, dat zij hem ter vrouwe zij, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht des HEEREN; alzo zult gij het land niet doen zondigen, dat u de HEERE, uw God, ten erve geeft.5Wanneer een man een nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal in het heir niet uittrekken, en men zal hem geen last opleggen; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijn vrouw, die hij genomen heeft, verheugen.6Men zal beide molenstenen, immers den bovensten molensteen, niet te pand nemen; want hij neemt de ziel te pand.

Laten we eens kijken hoe de Heere Jezus de discipelen en de volksmenigte onderwees. Door de wet van Mozes, die de farizeeën letterlijk namen, wilde Hij hen de gedachten van God, Zijn wijsheid en Zijn liefde duidelijk maken.

Dat was bijvoorbeeld het geval bij het aren plukken op de sabbat, toen zij door de korenvelden gingen, maar ook toen men Hem strikvragen stelde over echtscheiding (Mattheüs 12 vanaf vers 1 en 19 vanaf vers 3).

Laten we er bij het lezen van deze hoofdstukken moeite voor doen, die Goddelijke wijsheid en liefde te ontdekken.

Naast absolute rechtvaardigheid, schittert volmaakte goedheid! De rechten van de eigenaar worden gerespecteerd, zonder dat daarbij de plichten van de broederliefde uit het oog worden verloren. Alleen God kan zo'n evenwicht bewerken.

Juist voor de wereld waarin wij leven, is dit van grote betekenis, omdat men gauw geneigd is naar de ene of naar de andere kant over te hellen.

Een kind van God hoeft niet te kiezen tussen verschillende politieke, maatschappelijke of sociale systemen. Voor de gelovige zijn al deze problemen al bij voorbaat opgelost. Hij heeft geen andere leer dan de onderwerping aan de gedachten van zijn Vader.

En deze gedachten zijn niet in kranten of boeken van mensen te vinden, maar alleen in "het levende en eeuwig blijvende Woord van God" (1 Petrus 1 vers 23).

Deuteronomium 24:7-22
7Wanneer iemand gevonden zal worden, die een ziel steelt uit zijn broederen, uit de kinderen Israels, en drijft gewin met hem, en verkoopt hem; zo zal deze dief sterven, en gij zult het boze uit het midden van u wegdoen.8Wacht u in de plaag der melaatsheid, dat gij naarstiglijk waarneemt en doet naar alles, wat de Levietische priesteren ulieden zullen leren; gelijk als ik hun geboden heb, zult gij waarnemen te doen.9Gedenkt, wat de HEERE, uw God, gedaan heeft aan Mirjam, op den weg, als gij uit Egypte waart uitgetogen.10Wanneer gij aan uw naaste iets zult geleend hebben, zo zult gij tot zijn huis niet ingaan, om zijn pand te pand te nemen;11Buiten zult gij staan, en de man, dien gij geleend hebt, zal het pand naar buiten tot u uitbrengen.12Doch indien hij een arm man is, zo zult gij met zijn pand niet nederliggen.13Gij zult hem dat pand zekerlijk wedergeven, als de zon ondergaat, dat hij in zijn kleed nederligge, en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods.14Gij zult den armen en nooddruftigen dagloner niet verdrukken, die uit uw broederen is, of uit uw vreemdelingen, die in uw land en in uw poorten zijn.15Op zijn dag zult gij zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm, en zijn ziel verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot den HEERE, en zonde in u zij.16De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders; een ieder zal om zijn zonde gedood worden.17Gij zult het recht van den vreemdeling en van den wees niet buigen, en gij zult het kleed der weduwe niet te pand nemen.18Maar gij zult gedenken, dat gij een knecht in Egypte geweest zijt, en de HEERE, uw God, heeft u van daar verlost; daarom gebiede ik u deze zaak te doen.19Wanneer gij uw oogst op uw akker afgeoogst, en een garf op den akker vergeten zult hebben, zo zult gij niet wederkeren, om die op te nemen; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal zij zijn; opdat u de HEERE, uw God, zegene, in al het werk uwer handen.20Wanneer gij uw olijfboom zult geschud hebben, zo zult gij de takken achter u niet nauw doorzoeken; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn.21Wanneer gij uw wijngaard zult afgelezen hebben, zo zult gij de druiven achter u niet nalezen; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn.22En gij zult gedenken, dat gij een knecht in Egypteland geweest zijt; daarom gebiede ik u deze zaak te doen.

God is licht; God is liefde (1 Johannes 1 vers 5 en 4 vers 8). Op deze tweevoudige wijze openbaart Hij Zich ook in de ogenschijnlijk kleinste geboden.

Licht: Hij veroordeelt de dief, waakt over het optreden van melaatsheid (een beeld van de zonde), eist rechtvaardigheid van de kant van hem die uitleent, alsook van de werkgever, en beoordeelt de mate van verantwoordelijkheid van elke zondaar.

Liefde: Hij houdt Zijn ogen gericht op alle verdrukten: de schuldigen, de armen, de vreemdelingen, de weduwen, de wezen, de knechten. Hun geroep bereikt Zijn oren. Jakobus herinnert de rijken hier ook aan, als zij op het loon van de arbeiders die hun veld gemaaid hebben, willen inhouden (Jakobus 5 vers 4).

De wereld heeft bewondering voor machtige en rijke mensen, maar interesseert zich daarentegen heel weinig voor de zwakken en de kleinen.

Laten wij, als kinderen van God, ervoor oppassen dat we niet diezelfde kant opgaan.

Onze Meester heeft de wereld als een Dienstknecht, als een Vreemdeling, als een Arme doorwandeld. Jezus van Nazareth werd niet geacht. "Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen" (Jesaja 53 vers 3).

"Gij hebt de armen oneer aangedaan", zegt Jakobus in hoofdstuk 2 vers 6. Terwijl Psalm 41 in vers 2 de woorden uitspreekt: "Welgelukzalig is hij, die zich verstandig gedraagt jegens een ellendige".

Deuteronomium 25:1-10
1Wanneer er tussen lieden twist zal zijn, en zij tot het gerecht zullen toetreden, dat zij hen richten, zo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken, en den onrechtvaardige verdoemen.2En het zal geschieden, indien de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijn tegenwoordigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn, in getal.3Met veertig slagen zal hij hem doen slaan, hij zal er niet toedoen; opdat niet misschien, zo hij voortvoere hem daarboven met meer slagen te doen slaan, uw broeder dan voor uw ogen verachtelijk gehouden worde.4Een os zult gij niet muilbanden, als hij dorst.5Wanneer broeders samenwonen, en een van hen sterft, en geen zoon heeft, zo zal de vrouw des verstorvenen aan geen vreemden man daarbuiten geworden; haar mans broeder zal tot haar ingaan en nemen haar zich ter vrouw, en doen haar den plicht van eens mans broeder.6En het zal geschieden, dat de eerstgeborene, dien zij zal baren, zal staan in den naam zijns broeders, des verstorvenen; opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israel.7Maar indien dezen man zijns broeders vrouw niet bevallen zal te nemen, zo zal zijn broeders vrouw opgaan naar de poort tot de oudsten, en zeggen: Mijns mans broeder weigert zijn broeder een naam te verwekken in Israel; hij wil mij den plicht van eens mans broeders niet doen.8Dan zullen hem de oudsten zijner stad roepen, en tot hem spreken; blijft hij dan daarbij staan, en zegt: Het bevalt mij niet haar te nemen;9Zo zal zijns broeders vrouw voor de ogen der oudsten tot hem toetreden, en zijn schoen van zijn voet uittrekken, en spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Alzo zal dien man gedaan worden, die zijns broeders huis niet zal bouwen.10En zijn naam zal in Israel genoemd worden: Het huis desgenen, dien de schoen uitgetogen is.

Voor bepaalde vergrijpen golden lichamelijke straffen die echter met mate voltrokken moesten worden.

Hebreeën 12 vers 9 laat ons zien dat dit een vorm van vaderlijke tucht is om ontzag bij te brengen (zie ook Spreuken 23 vers 13 en 14). God neemt dit slaan met de roede als voorbeeld voor de tuchtiging die Hijzelf uitoefent ten aanzien van Zijn kinderen, want "Hij geselt iedere zoon, die Hij aanneemt" (Hebreeën 12 vers 6).

Maar in Zijn wijsheid, in Zijn kennen van de wreedheid van het menselijk hart, heeft Hij een maat vastgesteld; de schuldige mocht niet meer dan veertig slagen krijgen.

Om er zeker van te zijn dat dit aantal niet overschreden werd, hadden de joden de gewoonte veertig slagen min één te geven. Paulus deelt ons mee dat hij, vanwege de haat jegens het evangelie, deze straf van de joden vijf keer onrechtmatig heeft ontvangen (2 Korinthe 11 vers 24).

Ook een ander vers uit ons Schriftgedeelte (vers 4) roept bij ons de herinnering op aan de moeiten van de apostel (vergelijk 1 Korinthe 9 vers 9).

De aanwijzingen voor de zwagerplicht gebruiken de sadduceeën met betrekking tot de opstanding om een strik voor de Heere Jezus te spannen,. Hij antwoordt hen echter: "Gij dwaalt, niet wetende de Schriften" (Mattheüs 22 vers 29).

Om onszelf te bewaren voor welke vergissing dan ook, is het uitermate belangrijk dat ook wij het Woord van onze God goed kennen en ons altijd daarop baseren!

Deuteronomium 25:13-19; Deuteronomium 26:1-11
13Gij zult geen tweeerlei weegstenen in uw zak hebben; een groten en een kleinen.14Gij zult in uw huis geen tweeerlei efa hebben, een grote en een kleine.15Gij zult een volkomen en gerechten weegsteen hebben; gij zult een volkomene en gerechte efa hebben; opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.16Want al wie zulks doet, is den HEERE, uw God, een gruwel; ja, al wie onrecht doet.17Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op den weg, als gij uit Egypte uittoogt;18Hoe hij u op den weg ontmoette, en sloeg onder u in den staart al de zwakken achter u, als gij moede en mat waart; en hij vreesde God niet.19Het zal dan geschieden, als u de HEERE, uw God, rust zal gegeven hebben, van al uw vijanden rondom, in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geven zal, om hetzelve erfelijk te bezitten, dat gij de gedachtenis van Amalek van onder den hemel zult uitdelgen; vergeet het niet!
1Voorts zal het geschieden, wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, ten erve geven zal, en gij dat erfelijk zult bezitten, en daarin wonen;2Zo zult gij nemen van de eerstelingen van alle vrucht des lands, die gij opbrengen zult van uw land, dat u de HEERE, uw God, geeft, en zult ze in een korf leggen; en gij zult heengaan tot de plaats, die de HEERE, uw God, verkoren zal hebben, om Zijn Naam aldaar te doen wonen;3En gij zult komen tot den priester, dewelke in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaar heden voor den HEERE, uw God, dat ik gekomen ben in het land, hetwelk de HEERE onzen vaderen gezworen heeft ons te zullen geven.4En de priester zal den korf van uw hand nemen, en hij zal dien voor het altaar des HEEREN, uws Gods, nederzetten.5Dan zult gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syrier, en hij toog af naar Egypte, en verkeerde aldaar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd aldaar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.6Doch de Egyptenaars deden ons kwaad, en verdrukten ons, en legden ons een harden dienst op.7Toen riepen wij tot den HEERE, den God onzer vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en zag onze ellende aan, en onzen arbeid, en onze onderdrukking.8En de HEERE voerde ons uit Egypte, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door groten schrik, en door tekenen, en door wonderen.9En Hij heeft ons gebracht tot deze plaats; en Hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honig.10En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht dezes lands, dat Gij, HEERE, mij gegeven hebt! Dan zult gij ze nederzetten voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, en zult u buigen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods;11En gij zult vrolijk zijn over al het goede, dat de HEERE, uw God, aan u en uw huis gegeven heeft; gij, en de Leviet, en de vreemdeling, die in het midden van u is.

Bij alle vernederende ervaringen van de woestijn is er nog één waaraan de Israëlieten — maar ook wij — zouden moeten denken: Amalek heeft op lafhartige wijze gebruik gemaakt van de vermoeidheid van het volk, door zich op de zwakken en de achterblijvers te storten. Laten we daar heel goed op letten!

De duivel waagt het niet vaak om die christenen aan te vallen die vol vertrouwen hun weg gaan. Maar de zwakkeren, de achterblijvers, vormen een gemakkelijke prooi voor hem. We weten immers wat er met Petrus gebeurde, toen hij de Heere op een afstand volgde (Lukas 22 vers 54).

Hoofdstuk 26 brengt ons opnieuw in het land. Maar het verleden wordt daarbij niet vergeten.

De Israëliet, gezegend in zijn oogst, kwam op de plaats die de HEERE verkozen had, en moest daar zowel zijn ellendige afkomst als de Goddelijke macht die hem daaruit bevrijd en in het land gebracht had, gedenken.

Vervolgens moest hij, als een bewijs van de goedheid van God, de vruchten uit zijn korf voor Hem neerleggen en Hem met een hart vol vreugde en dankbaarheid aanbidden.

Dat is een prachtig beeld van de aanbidding van de verlosten. Zij mogen denken aan hun heerlijk heil en tot God naderen om "de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden" te brengen (Hebreeën 13 vers 15).

Vol aanbidding mogen ze dan tegen de Heere zeggen: "...allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn Liefste! die heb ik voor U weggelegd" (Hooglied 7 vers 13).

Deuteronomium 26:12-19
12Wanneer gij zult geeindigd hebben alle tienden van uw inkomen te vertienen, in het derde jaar, zijnde een jaar der tienden; dan zult gij aan den Leviet, aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduwe geven, dat zij in uw poorten eten en verzadigd worden.13En gij zult voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, zeggen: Ik heb het heilige uit het huis weggenomen, en heb het ook aan den Leviet en aan den vreemdeling, aan den wees en aan de weduwe gegeven, naar al Uw geboden, die Gij mij geboden hebt; ik heb niets van Uw geboden overtreden, en niets vergeten.14Ik heb daarvan niets gegeten in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot een dode; ik ben der stem des HEEREN, mijns Gods, gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles, wat Gij mij geboden hebt.15Zie nederwaarts van Uw heilige woning, van den hemel, en zegen Uw volk Israel, en het land, dat Gij ons gegeven hebt, gelijk als Gij onzen vaderen gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende.16Te dezen dage gebiedt u de HEERE, uw God, deze inzettingen en rechten te doen; houdt dan en doet dezelve, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.17Heden hebt gij den HEERE doen zeggen, dat Hij u tot een God zal zijn, en dat gij zult wandelen in Zijn wegen, en houden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en dat gij Zijner stem zult gehoorzaam zijn.18En de HEERE heeft u heden doen zeggen, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u gesproken heeft, en dat gij al Zijn geboden zult houden;19Opdat Hij u alzo boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, hoog zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid; en opdat gij een heilig volk zijt den HEERE, uw God, gelijk als Hij gesproken heeft.

De oproep in Hebreeën 13 vers 15 om God lofoffers van dank te brengen, wordt gevolgd door de vermaning: "En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet".

Ook in het gedeelte dat we vandaag gelezen hebben, volgt het onderwerp van de gaven voor de Levieten en de behoeftigen direct op het aanbieden van de eerstelingen aan de HEERE (vers 1 tot en met 11). De tienden vormden een onderdeel van de godsdienst in Israël. Vers 11 laat ons zien waarom; de Leviet en de vreemdeling moesten zich samen met de Israëliet verheugen.

Ook wij worden opgeroepen, anderen te laten delen in onze goederen. Niet om daar zelf erkenning of eer voor te krijgen, maar opdat hij die iets van ons ontvangt, samen met ons de Heere kan danken voor wat we ontvangen hebben (zie 2 Korinthe 9 vers 12).

In de hemel heeft deze weldadigheid geen reden van bestaan meer, omdat er dan een einde gekomen zal zijn aan alle behoeften. Op aarde verbindt de Geest van God deze dienst echter met de lof en dank om ons in zekere zin in staat te stellen, onze liefde tot de Heere niet alleen met woorden uit te drukken.

Laten we ook de aangrijpende woorden niet vergeten: "Aan zulke offeranden heeft God een welbehagen" (Hebreeën 13 vers 16)! Dat alleen al zou voor ons reden genoeg moeten zijn om te geven!

Er was iets wat Israël "boven al de volken, die Hij gemaakt heeft, zette, tot lof, en tot een naam, en tot heerlijkheid"; en dat was de gehoorzaamheid aan de geboden van God (vers 18 en 19).

Deuteronomium 27:1-19
1En Mozes, te zamen met de oudsten van Israel, gebood het volk, zeggende: Behoudt al deze geboden, die ik ulieden heden gebiede.2Het zal dan geschieden, ten dage als gij over de Jordaan zult gegaan zijn in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal, zo zult gij u grote stenen oprichten, en bestrijken ze met kalk;3En gij zult daarop schrijven alle woorden dezer wet, als gij overgegaan zult zijn; opdat gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, een land vloeiende van melk en honig, gelijk als de HEERE, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft.4Het zal dan geschieden, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn, dat gij dezelve stenen, van dewelke ik u heden gebiede, zult oprichten op den berg Ebal, en gij zult ze met kalk bestrijken;5En gij zult aldaar den HEERE, uw God, een altaar bouwen, een altaar van stenen; gij zult geen ijzer over hetzelve bewegen.6Van gehele stenen zult gij het altaar des HEEREN, uws Gods, bouwen, en gij zult den HEERE, uw God, brandofferen daarop offeren.7Ook zult gij dankofferen offeren, en zult aldaar eten, en vrolijk zijn voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods.8En gij zult op deze stenen schrijven alle woorden dezer wet, die wel uitdrukkende.9Voorts sprak Mozes, te zamen met de Levietische priesteren, tot gans Israel, zeggende: Luistert toe en hoort o Israel! Op dezen dag zijt gij den HEERE, uw God, tot een volk geworden.10Daarom zult gij der stem des HEEREN, uws Gods, gehoorzaam zijn, en gij zult doen Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede.11En Mozes gebood het volk te dien dage, zeggende:12Dezen zullen staan, om het volk te zegenen op den berg Gerizim, als gij over de Jordaan gegaan zult zijn: Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Jozef, en Benjamin.13En dezen zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, Zebulon, Dan en Nafthali.14En de Levieten zullen betuigen en zeggen tot allen man van Israel, met verhevene stem:15Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld, een gruwel des HEEREN, een werk van 's werkmeesters handen, zal maken, en zetten in het verborgene! En al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.16Vervloekt zij, die zijn vader of zijn moeder veracht! En al het volk zal zeggen: Amen.17Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen.18Vervloekt zij, die een blinde op den weg doet dolen! En al het volk zal zeggen: Amen.19Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.

De wet moest op grote, met kalk bestreken, dus witte stenen geschreven worden. En vervolgens moesten die stenen op een berg, duidelijk zichtbaar, tot een getuigenis voor heel Israël opgesteld worden.

Niemand zou dan ooit kunnen zeggen dat hij het niet geweten heeft. Wij, die de complete Bijbel bezitten, hebben een nog veel grotere verantwoordelijkheid!

Dit teken tot verheerlijking van de wet doet ons denken aan Psalm 119. Daarin vinden we voor de gelovige in 176 verzen het wonder van het Woord van God getoond en beschreven. Deze Psalm begint met het welgelukzalig verklaren van een ieder die wandelt "in de wet des HEEREN".

In Deuteronomium 11 vers 29 kreeg Mozes de opdracht: "... dan zult gij de zegen uitspreken op de berg Gerizîm, en de vloek op de berg Ebal". Maar helaas horen we in dit hoofdstuk niet van een zegen die over de stammen uitgesproken wordt.

Inderdaad stond het volk onder de wet en "... zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek" (Galaten 3 vers 10).

"Vervloekt ... vervloekt ... vervloekt..." — dat is het oordeel dat Israël twaalf keer moest aanhoren, zoals we lazen in de verzen 15 tot en met 26. Maar hetzelfde gedeelte uit de Galatenbrief zegt ons: "Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons" (Galaten 3 vers 13).

We staan voortaan niet meer onder de wet, maar onder de genade (Romeinen 6 vers 14).

Deuteronomium 28:1-14
1En het zal geschieden, indien gij der stem des HEEREN, uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede, zo zal de HEERE, uw God, u hoog zetten boven alle volken der aarde.2En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aantreffen, wanneer gij der stem des HEEREN uws Gods, zult gehoorzaam zijn.3Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld.4Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, en de vrucht uwer beesten, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.5Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog.6Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.7De HEERE zal geven uw vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht; door een weg zullen zij tot u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden.8De HEERE zal den zegen gebieden, dat Hij met u zij in uw schuren, en in alles, waaraan gij uw hand slaat; en Hij zal u zegenen in het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.9De HEERE zal u Zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden des HEEREN, uws Gods, zult houden, en in Zijn wegen wandelen.10En alle volken der aarde zullen zien, dat de Naam des HEEREN over u genoemd is, en zij zullen voor u vrezen.11En de HEERE zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands; op het land, dat de HEERE uw vaderen gezworen heeft u te zullen geven.12De HEERE zal u opendoen Zijn goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken lenen, maar gij zult niet ontlenen.13En de HEERE zal u tot een hoofd maken, en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn; wanneer gij horen zult naar de geboden des HEEREN, uws Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen;14En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik ulieden heden gebiede, ter rechterhand of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen.

Dit hoofdstuk is de tegenhanger van Leviticus 26. Samen vormen zij een tweevoudig en ernstig getuigenis om Israël de gevolgen van hun gehoorzaamheid èn van hun ongehoorzaamheid voor te stellen.

"Indien gij ... zult gehoorzamen" (vers 1, 2 en 13). Hoe vaak is Israël in dit Boek al niet opgeroepen om te luisteren en te gehoorzamen!

O, dat ieder van ons zijn eigen naam invult in de plaats van Israël en zelf luistert naar de geboden van de Heere!

"Spreek, want Uw knecht hoort", zei eens de jonge Samuël (1 Samuël 3 vers 10).

En profetisch kon Christus Zelf zeggen: "De Heere HEERE ... wekt Mij het oor, dat Ik hoor, gelijk die geleerd worden" (Jesaja 50 vers 4).

Het horen, bewaren en in praktijk brengen van het Woord, is altijd verbonden met de zegen van de Heere (Openbaring 1 vers 3).

Het zal ons altijd en overal verblijden en rijk maken, "in de stad" en "in het veld". Ons gezinsleven en "alles, waaraan gij uw hand slaat", zal daardoor beïnvloed worden (vers 8). We zullen van overwinning tot overwinning gaan (vers 7). En uiteindelijk zal deze overvloed in geestelijke groei merkbaar worden (vers 11).

De oorsprong daarvan zal dan voor allen duidelijk zijn: het komt van de Heere Die wij toebehoren en Wiens Naam verheerlijkt wordt (vers 10).

Deuteronomium 28:15-32
15Daarentegen zal het geschieden, indien gij de stem des HEEREN, uws Gods, niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen, dat gij doet al Zijn geboden en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede; zo zullen al deze vloeken over u komen, en u treffen.16Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld.17Vervloekt zal zijn uw korf, en uw baktrog.18Vervloekt zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht uws lands, de voortzetting uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.19Vervloekt zult gij zijn in uw ingaan, en vervloekt zult gij zijn in uw uitgaan.20De HEERE zal onder u zenden den vloek, de verstoring en het verderf, in alles, waaraan gij uw hand slaat, dat gij doen zult; totdat gij verdelgd wordt, en totdat gij haastelijk omkomt, vanwege de boosheid uwer werken, waarmede gij Mij verlaten hebt.21De HEERE zal u de pestilentie doen aankleven, totdat Hij u verdoe van het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.22De HEERE zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen, totdat gij omkomt.23En uw hemel, die boven uw hoofd is, zal koper zijn, en de aarde, die onder u is, zal ijzer zijn.24De HEERE, uw God, zal pulver en stof tot regen uws lands geven; van den hemel zal het op u nederdalen, totdat gij verdelgd wordt.25De HEERE zal u geslagen geven voor het aangezicht uwer vijanden; door een weg zult gij tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult gij voor zijn aangezicht vlieden; en gij zult van alle koninkrijken der aarde beroerd worden.26En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.27De HEERE zal u slaan met zweren van Egypte, en met spenen, en met droge schurft, en met krauwsel, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden.28De HEERE zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des harten;29Dat gij op den middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar gij zult alleenlijk verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn.30Gij zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult gij planten, maar dien niet gemeen maken.31Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet wederkeren; uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn.32Uw zonen en uw dochteren zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en naar hen bezwijken den gansen dag; maar het zal in het vermogen uwer hand niet zijn.

Vanaf vers 15 tot aan het einde van dit hoofdstuk somt de HEERE alle vervloekingen op die Israël zullen overkomen als zij niet zouden gehoorzamen.

Helaas bevestigen de Schriften, maar ook de geschiedenis van dit volk, dat zij inderdaad slecht geluisterd hebben en dat daarom al deze vervloekingen over hen zijn gekomen.

Wij leven nu onder de genade en hebben daarom een nog veel grotere verantwoordelijkheid. Daarom geldt voor ons: "Ziet toe, dat gij Hem, Die spreekt, niet verwerpt" (Hebreeën 12 vers 25). Want wij zouden daarmee niet alleen de woorden, maar ook de Persoon Die ze uitgesproken heeft, afwijzen!

Als we doof gebleven zijn voor goede woorden, moet Hij noodgedwongen op een andere, veel moeilijkere manier tot ons spreken: door beproevingen. Zolang we volharden in een weg van eigen wil, zal de Heere ons onherroepelijk tegenkomen.

O, laten we toch Zijn wil leren kennen in de wijze waarop Hij ons tuchtigt! De Heere beware ons ervoor dat we allerlei smartelijke ervaringen moeten opdoen, voordat we eindelijk gaan begrijpen dat we zonder Hem nooit gelukkig kunnen zijn!

De verloren zoon uit Lukas 15 laat ons deze les zien die we zodoende kunnen leren, zonder dat we daarbij hetzelfde moeten doormaken door hem te volgen "in een ver gelegen land".

Deuteronomium 28:33-53; Deuteronomium 29:1
33De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat gij niet gekend hebt; en gij zult alle dagen alleenlijk verdrukt en gepletterd zijn.34En gij zult onzinnig zijn, vanwege het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.35De HEERE zal u slaan met boze zweren, aan de knieen en aan de benen, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden, van uw voetzool af tot aan uw schedel.36De HEERE zal u, mitsgaders uw koning, dien gij over u zult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat gij niet gekend hebt, noch uw vaderen; en aldaar zult gij dienen andere goden, hout en steen.37En gij zult zijn tot een schrik, tot een spreekwoord en tot een spotrede, onder al de volken, waarheen u de HEERE leiden zal.38Gij zult veel zaads op den akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren.39Wijngaarden zult gij planten, en bouwen, maar gij zult geen wijn drinken, noch iets vergaderen; want de worm zal het afeten.40Olijfbomen zult gij hebben in al uw landpalen, maar gij zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijn vrucht afwerpen.41Zonen en dochteren zult gij gewinnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan.42Al uw geboomte, en de vrucht uws lands zal het boos gewormte erfelijk bezitten.43De vreemdeling, die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en gij zult laag, laag nederdalen.44Hij zal u lenen, maar gij zult hem niet lenen; hij zal tot een hoofd zijn, en gij zult tot een staart zijn.45En al deze vloeken zullen over u komen, en u vervolgen, en u treffen, totdat gij verdelgd wordt; omdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zult geweest zijn, om te houden Zijn geboden en Zijn inzettingen, die Hij u geboden heeft.46En zij zullen onder u tot een teken, en tot een wonder zijn, ja, onder uw zaad tot in eeuwigheid.47Omdat gij den HEERE, uw God, niet gediend zult hebben met vrolijkheid en goedheid des harten, vanwege de veelheid van alles;48Zo zult gij uw vijanden, die de HEERE onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst, en in naaktheid, en in gebrek van alles; en Hij zal een ijzeren juk op uw hals leggen, totdat Hij u verdelge.49De HEERE zal tegen u een volk verheffen van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk, welks spraak gij niet zult verstaan;50Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht des ouden niet zal aannemen, noch den jonge genadig zijn.51En het zal de vrucht uwer beesten, en de vrucht uws lands opeten, totdat gij verdelgd zult zijn; hetwelk u geen koren, most noch olie, voortzetting uwer koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat Hij u verdoe.52En het zal u beangstigen in al uw poorten, totdat uw hoge en vaste muren nedervallen, op welke gij vertrouwdet in uw ganse land; ja, het zal u beangstigen in al uw poorten, in uw ganse land, dat u de HEERE, uw God, gegeven heeft.53En gij zult eten de vrucht uws buiks, het vlees uwer zonen en uwer dochteren, die u de HEERE, uw God, gegeven zal hebben; in de belegering en in de benauwing, waarmede uw vijanden u zullen benauwen
1Dit zijn de woorden des verbonds, dat de HEERE Mozes geboden heeft te maken met de kinderen Israels, in het land van Moab, boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan Horeb.

"De smarten van hen, die een andere god begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden" (Psalm 16 vers 4). Dit vers — dat profetisch gezien betrekking heeft op de verering van de antichrist — zouden we wel als titel boven de verzen 15 tot en met 68 van het hoofdstuk voor vandaag kunnen zetten.

Het is Christus Die spreekt in Psalm 16 en Die, in tegenstelling tot Israël, altijd vertrouwde op Zijn God en de HEERE voor Zich stelde. Daarom kon Hij ook op Zijn God 'rekenen' om bewaard te blijven, Zijn lot te ontvangen en niet te wankelen (Psalm 16 vers 1, 5 en 8). Hij is ons Voorbeeld op de weg van geloof.

Maar God ziet Zich genoodzaakt, ons ook de andere kant met de tragische gevolgen te laten zien. De ontzettende voorspelling uit vers 53 is in de geschiedenis van Israël letterlijk in vervulling gegaan (zie 2 Koningen 6 vers 29). Het volk heeft zijn vrijheid sinds de wegvoering naar Babylon praktisch verloren.

"Dient de HEERE met blijdschap!" zo roept Psalm 100 vers 2 ons op. Maar juist Israël heeft Zijn God niet "met vrolijkheid en goedheid des harten" gediend (vers 47) en moest daarom het ijzeren juk van zijn vijanden leren kennen.

Moreel gezien is dat nog steeds zo. Als we weigeren de
Heere te dienen, plaatsen we ons in praktisch opzicht weer
onder de slavernij van satan en zonde (Johannes 8 vers 34).

Moge God ons leren, Hem met blijdschap te dienen door de Heere Jezus na te volgen, Die gezegd heeft: "Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen" (Psalm 40 vers 9).

Deuteronomium 29:2-17
2En Mozes riep gans Israel, en zeide tot hen: Gij hebt gezien al wat de HEERE in Egypteland voor uw ogen gedaan heeft, aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan zijn land;3De grote verzoekingen, die uw ogen gezien hebben, diezelve tekenen en grote wonderen.4Maar de HEERE heeft ulieden niet gegeven een hart om te verstaan, noch ogen om te zien, noch oren om te horen, tot op dezen dag.5En Ik heb ulieden veertig jaren doen wandelen in de woestijn; uw klederen zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uw voet.6Brood hebt gij niet gegeten, en wijn en sterken drank hebt gij niet gedronken; opdat gij wistet, dat Ik de HEERE, uw God, ben.7Toen gij nu kwaamt aan deze plaats, toog Sihon, de koning van Hesbon, uit, en Og, de koning van Bazan, ons tegemoet, ten strijde; en wij sloegen hen.8En wij hebben hun land ingenomen, en dat ten erve gegeven aan de Rubenieten en Gadieten, mitsgaders aan den halven stam der Manassieten.9Houdt dan de woorden dezes verbonds, en doet ze; opdat gij verstandelijk handelt in alles, wat gij doen zult.10Gij staat heden allen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods: uw hoofden uwer stammen, uw oudsten, en uw ambtlieden, alle man van Israel;11Uw kinderkens, uw vrouwen, en uw vreemdeling, die in het midden van uw leger is, van uw houthouwer tot uw waterputter toe;12Om over te gaan in het verbond des HEEREN, uws Gods, en in Zijn vloek, hetwelk de HEERE, uw God, heden met u maakt;13Opdat Hij u heden Zichzelven tot een volk bevestige, en Hij u tot een God zij, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en gelijk als Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.14En niet met ulieden alleen maak ik dit verbond en dezen vloek;15Maar met dengene, die heden hier bij ons voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, staat; en met dengene, die hier heden bij ons niet is.16Want gij weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetogen zijn door het midden der volken, die gij doorgetogen zijt.17En gij hebt gezien hun verfoeiselen, en hun drekgoden, hout en steen, zilver en goud, die bij hen waren.

Heel Israël is bijeengekomen om de woorden van het verbond te horen. De macht en de liefde van de HEERE hebben grote wonderen voor het volk bewerkt. Het volk heeft ze wel gezien (vers 2), maar niet met de ogen van het hart (vers 4; vergelijk Efeze 1 vers 18). De tekenen die ten gunste van hen gedaan zijn, hebben geen morele uitwerking op hun geweten gehad.

Zo was het ook in de dagen waarin de Heere Jezus hier op aarde was. Toen "geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed. Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelf niet" (Johannes 2 vers 23 en 24).

Ook wij lopen elke keer datzelfde gevaar, als we ons alleen maar verstandelijk met de waarheid willen bezighouden.

Vers 4 laat ons zien dat God Israël tot op de huidige dag geen oren gegeven heeft om te horen. Was het dan wel de schuld van het volk dat het niet hoorde? Zeer zeker!

De apostel Paulus zegt dat het volk er zelf verantwoordelijk voor is, dat ze bewust hun oren toegesloten hebben om maar niet te horen, zodat ze zich niet hoefden bekeren (Handelingen 28 vers 27 en 28). "Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods tot de heidenen is gezonden, en dezen zullen horen", voegt hij er ~volgens aan toe.

De Heere geve dat het niet tevergeefs is! O, dat er vandaag niemand onder ons is die zijn hart verhardt, als hij Zijn stem hoort (Hebreeën 3 vers 7 en 15 en 4 vers 7)!

Laten we er goed om denken dat het woordje 'heden' heel vaak voorkomt in de laatste hoofdstukken van het Boek Deuteronomium!

Deuteronomium 29:18-29
18Dat onder ulieden niet zij een man, of vrouw, of huisgezin, of stam, die zijn hart heden wende van den HEERE, onzen God, om te gaan dienen de goden dezer volken; dat onder ulieden niet zij een wortel, die gal en alsem drage;19En het geschiede, als hij de woorden dezes vloeks hoort, dat hij zichzelven zegene in zijn hart, zeggende: Ik zal vrede hebben, wanneer ik schoon naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om den dronkene te doen tot den dorstige.20De HEERE zal hem niet willen vergeven; maar alsdan zal des HEEREN toorn en ijver roken over denzelven man, en al de vloek, die in dit boek geschreven is, zal op hem liggen; en de HEERE zal zijn naam van onder den hemel uitdelgen.21En de HEERE zal hem ten kwade afscheiden van al de stammen Israels, naar alle vloeken des verbonds, dat in het boek dezer wet geschreven is.22Dan zal zeggen het navolgend geslacht, uw kinderen, die na ulieden opstaan zullen, en de vreemde, die uit verren lande komen zal, als zij zullen zien de plagen dezes lands en deszelfs krankheden, waarmede de HEERE het gekrenkt heeft;23Dat zijn ganse aarde zij zwavel en zout der verbranding; die niet bezaaid zal zijn, en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch enig kruid daarin zal opgekomen zijn; gelijk de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboim, die de HEERE heeft omgekeerd in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid;24En alle volken zullen zeggen: Waarom heeft de HEERE aan dit land alzo gedaan? Wat is de ontsteking van dezen groten toorn?25Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond des HEEREN, des Gods hunner vaderen, hebben verlaten, dat Hij met hen gemaakt had, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde;26En zij heengegaan zijn, en andere goden gediend en zich voor die gebogen hebben; goden, die hen niet gekend hadden, en geen van welke hun iets medegedeeld had;27Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen dit land, om daarover te brengen al dezen vloek, die in dit boek geschreven is.28En de HEERE heeft hen uit hun land uitgetrokken, in toorn, en in grimmigheid, en in grote verbolgenheid; en Hij heeft hen verworpen in een ander land, gelijk het is te dezen dage.29De verborgene dingen zijn voor den HEERE, onzen God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.

Tot nu toe was er steeds sprake van het volk als geheel. De verzen 18 tot en met 21 richten zich echter tot de enkeling: tot de man of vrouw die zich van de HEERE afwendt.

Alsem is een plant met een bitter, giftig sap, die op braakliggende grond groeit. Als ons hart 'verwilderd en braak ligt', moeten we ons er niet over verwonderen dat daarin wortels van bitterheid opschieten. Deze zullen onze geest vergiftigen door allerlei verbittering, afgunst en tegenzin. Volgens Hebreeën 12 vers 15 bestaat er maar één tegenmiddel: geen gebrek lijden aan de genade van God, maar zich daarin juist verheugen!

Het hoofdstuk besluit met een troostvol vers. Onze geschiedenis, maar ook die van Israël, heeft twee kanten: een zichtbare zijde, die van onze verantwoordelijkheid, en een verborgen zijde, die van de genade, die alleen God volledig kent.

Denk maar aan een borduurwerk. De onderkant bestaat uit allerlei draden en knopen. Van daaruit zal iets moois ontstaan. Maar zolang er nog aan gewerkt wordt, kunnen we er niet wijs uit worden. Alleen de maker weet waarvoor dat alles dient! Als het werk echter klaar is en we draaien het om, zien we een prachtige tekening.

Het "geopenbaarde" komt overeen met de zichtbare 'achterkant' van Gods werk. Beproevingen, mislukkingen, tuchtigingen — dat alles lijkt ons soms zo tegenstrijdig met het plan van God.

Maar spoedig zullen we in het heiligdom de andere kant bewonderen en dan pas Zijn liefde beter kunnen begrijpen!

Deuteronomium 30:1-14
1Voorts zal het geschieden, wanneer al deze dingen over u zullen gekomen zijn, deze zegen of deze vloek, die ik u voorgesteld heb; zo zult gij het weder ter harte nemen, onder alle volken, waarheen u de HEERE, uw God, gedreven heeft;2En gij zult u bekeren tot den HEERE, uw God, en Zijner stem gehoorzaam zijn, naar alles, wat ik u heden gebiede, gij en uw kinderen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.3En de HEERE, uw God, zal uw gevangenis wenden, en Zich uwer ontfermen; en Hij zal wederkeren en u vergaderen uit al de volken, waarheen u de HEERE, uw God, verstrooid had.4Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, van daar zal u de HEERE, uw God, vergaderen, en van daar zal Hij u nemen.5En de HEERE, uw God, zal u brengen in het land, dat uw vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en Hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uw vaderen.6En de HEERE, uw God, zal uw hart besnijden, en het hart van uw zaad, om den HEERE, uw God, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat gij levet.7En de HEERE, uw God, zal al die vloeken leggen op uw vijanden en op uw haters, die u vervolgd hebben.8Gij dan zult u bekeren, en der stemme des HEEREN gehoorzaam zijn, en gij zult doen al Zijn geboden, die ik u heden gebiede.9En de HEERE, uw God, zal u doen overvloeien in al het werk uwer hand, in de vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de vrucht uws lands, ten goede; want de HEERE zal wederkeren, om Zich over u te verblijden ten goede, gelijk als Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft;10Wanneer gij der stemme des HEEREN, uws Gods, zult gehoorzaam zijn, houdende Zijn geboden en Zijn inzettingen, die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zult bekeren tot den HEERE, uw God, met uw ganse hart en met uw ganse ziel.11Want ditzelve gebod, hetwelk ik u heden gebiede, dat is van u niet verborgen, en dat is niet verre.12Het is niet in den hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen?13Het is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren aan gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale, en ons hetzelve horen late, dat wij het doen?14Want dit woord is zeer nabij u, in uw mond, en in uw hart, om dat te doen.

De genade van God heeft "verborgen dingen" opgeborgen (hoofdstuk 29 vers 29) waarover ons in dit mooie hoofdstuk verteld wordt.

De HEERE zal de Zijnen niet alleen bijeenbrengen en vermenigvuldigen en niet alleen Zijn macht ten gunste van hen openbaren. Nee, Hij wil ook een groot werk van genade in hen doen dat ver uitgaat boven alle uiterlijke groei.

In de toekomst zal God in het hart van Zijn volk werken om gehoorzaamheid en liefde tot Hem op te wekken (Hebreeën 8 vers 10). Al lange tijd roept Hij hen op: "Bekeer u tot Mij ..." (Jeremia 4 vers 1; zie ook Hoséa 14 vers 2 en 3). En kijk, dit lange, geduldige werk zal niet voor niets zijn! "Gij dan zult u bekeren ..." (vers 8).

Hoofdstuk 10 van de Romeinenbrief citeert de verzen 12 tot en met 14 en past ze toe op een ieder die gelooft. Christus, het levende Woord, is neergedaald uit de hemel waarheen geen mens kon opvaren. Hij kwam om het hart van God te openbaren "Die wil, dat alle mensen zalig worden" (1 Timotheüs 2 vers 4).

Beste lezer, zeg nu niet dat dit heil te groots en te wonder
baar is voor u en dat u te slecht bent (vers 11). Ook al bent u
nog zo ver weg, de Heere Jezus is dicht bij u! Stel uw hart

op dit moment, voor Hem open!

En wat ons, christenen, betreft, laten we ons ervan bewust zijn dat het Woord niet in onze mond en in ons hart is om zonder vrucht te blijven! Nee, wij hebben het, "om dat te doen" (vers 14; zie ook Johannes 13 vers 17).

Deuteronomium 30:15-20; Deuteronomium 31:1-6
15Ziet, ik heb u heden voorgesteld het leven, en het goede, en den dood, en het kwade.16Want ik gebiede u heden, den HEERE, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen, en te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, opdat gij levet en vermenigvuldiget, en de HEERE, uw God, u zegene in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven.17Maar indien uw hart zich zal afwenden, en gij niet horen zult, en gij gedreven zult worden, dat gij u voor andere goden buigt, en dezelve dient;18Zo verkondig ik ulieden heden, dat gij voorzeker zult omkomen; gij zult de dagen niet verlengen op het land, naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande, om daarin te komen, dat gij het erfelijk bezit.19Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde; het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek! Kiest dan het leven, opdat gij levet, gij en uw zaad;20Liefhebbende den HEERE, uw God, Zijner stem gehoorzaam zijnde, en Hem aanhangende; want Hij is uw leven en de lengte uwer dagen; opdat gij blijft in het land, dat de HEERE uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven.
1Daarna ging Mozes heen, en sprak deze woorden tot gans Israel,2En zeide tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaren oud; ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft de HEERE tot mij gezegd: Gij zult over deze Jordaan niet gaan.3De HEERE, uw God, Die zal voor uw aangezicht overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezicht verdelgen, dat gij hen erfelijk bezit. Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, gelijk als de HEERE gesproken heeft.4En de HEERE zal hun doen, gelijk als Hij aan Sihon en Og, koningen der Amorieten, en aan hun land, gedaan heeft, die Hij verdelgd heeft.5Wanneer hen nu de HEERE voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dan zult gij hun doen naar alle gebod, dat ik ulieden geboden heb.6Weest sterk en hebt goeden moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is de HEERE, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten.

We zijn weer aangekomen bij de splitsing die we ook al in hoofdstuk 11 vers 26 tegenkwamen. Voor Israël zijn er twee wegen, twee mogelijkheden, die trouwens voor ieder mens gelden! De éne voert tot het leven, tot geluk; de andere, hoe aantrekkelijk die aan het begin ook mag lijken, voert onherroepelijk tot de dood, het ongeluk (vers 15 en 19; zie ook Jeremia 21 vers 8).

Beste lezer, de keuze ligt bij u! Niemand kan die beslissing voor u nemen. U moet het zelf doen; en u weet wat u te wachten staat. Luister toch naar die vriendelijke stem die u in het oor fluistert: "Dit is de weg, wandelt daarin" (Jesaja 30 vers 21).

Mozes is hier honderdtwintig jaar. Ook hij moest eens, tachtig jaar geleden, een keuze maken. Hij heeft de eer, de rijkdom en het genot aan het hof van de farao afgewezen en er de voorkeur aan gegeven, "liever met het volk van God kwalijk behandeld te worden" en te delen in de "smaadheid van Christus" (Hebreeën 11 vers 25 en 26).

Hij weet zeker dat hij zich niet vergist heeft, en kan daarom nu het volk Israël, ja, alle mensen die nog geen keuze gemaakt hebben, vermanen: "Kiest dan het leven!"

De Heere Jezus is de weg, de waarheid en het leven (Johannes 14 vers 6). Het leven kiezen, betekent voor Hèm te kiezen. Dan zal Hij voor ons geluk zorgen.

Kies het Leven, kies voor de Heere Jezus! Doe het vandaag! U weet niet of er nog een 'morgen' voor u komt!

Deuteronomium 31:7-18
7En Mozes riep Jozua, en zeide tot hem voor de ogen van gans Israel: Wees sterk en heb goeden moed, want gij zult met dit volk ingaan in het land dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft, hun te zullen geven; en gij zult het hun doen erven.8De HEERE nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet.9En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesteren, de zonen van Levi, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, en aan alle oudsten van Israel.10En Mozes gebood hun, zeggende: Ten einde van zeven jaren, op den gezetten tijd van het jaar der vrijlating, op het feest der loofhutten.11Als gans Israel zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, in de plaats, die Hij zal verkoren hebben, zult gij deze wet voor gans Israel uitroepen, voor hun oren;12Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen den HEERE, uw God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet.13En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen den HEERE, uw God, al de dagen, die gij leeft op het land, naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande, om dat te erven.14En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, uw dagen zijn genaderd, om te sterven; roep Jozua, en stelt ulieden in de tent der samenkomst, dat Ik hem bevel geve. Zo ging Mozes, en Jozua, en zij stelden zich in de tent der samenkomst.15Toen verscheen de HEERE in de tent, in de wolkkolom; en de wolkkolom stond boven de deur der tent.16En de HEERE zeide tot Mozes: Zie, gij zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden der vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelve; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelve gemaakt heb.17Zo zal Mijn toorn te dien dage tegen hetzelve ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter spijze zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het te dien dage zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?18Ik dan zal Mijn aangezicht te dien dage ganselijk verbergen, om al het kwaad, dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden.

Nadat Mozes eerst heel Israël heeft ingeprent, sterk en moedig te zijn (vers 6), zegt hij het nu ook nog eens tegen Jozua (vers 7). De Bron voor deze moed is in beide gevallen de HEERE Die met hen meegaat.

Mozes heeft de wet opgeschreven. Maar nu moet die ook gelezen worden! Daarom geeft hij nog een laatste aanwijzing, in verband met het regelmatig voorlezen van de Goddelijke geboden.

Het hele volk moet dan bijeen zijn: mannen, vrouwen en kinderen. Met welk doel? "Opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen de HEERE, uw God, en waarnemen te doen alle woorden van deze wet" (vers 12).

Dat moeten ook de redenen zijn waarom wij samenkomen, om het Woord te horen en te overdenken. Ook de kinderen hebben daar een plaats, samen met hun ouders!

Beste jonge mensen, verzuim deze samenkomsten nooit, "gelijk sommigen de gewoonte hebben" (zie Hebreeën 10 vers 25).

Waarom zegt de HEERE: "Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen" (vers 17), terwijl Hij hen eerst beloofd heeft dat juist niet te zullen doen (vers 6)? Omdat het volk dan inmiddels zijn God verlaten en Zijn verbond verbroken zal hebben (vers 16).

Maar uit de mond van de profeet Hoséa horen we nog een laatste belofte: "Ik zal hun afkering genezen, Ik zal hen vrijwillig liefhebben" (Hoséa 14 vers 5).

Deuteronomium 31:19-29
19En nu, schrijft ulieden dit lied, en leert het den kinderen Israels; legt het in hun mond; opdat dit lied Mij ten getuige zij tegen de kinderen Israels.20Want Ik zal dit volk inbrengen in het land, dat Ik zijn vaderen gezworen heb, vloeiende van melk en honig, en het zal eten, en verzadigd, en vet worden; dan zal het zich wenden tot andere goden, en hen dienen, en zij zullen Mij tergen, en Mijn verbond vernietigen.21En het zal geschieden, wanneer vele kwaden en benauwdheden hetzelve zullen treffen, dan zal dit lied voor zijn aangezicht antwoorden tot getuige; want het zal uit den mond zijns zaads niet vergeten worden; dewijl Ik weet zijn gedichtsel dat het heden maakt, aleer Ik het inbreng in het land, dat Ik gezworen heb.22Zo schreef Mozes dit lied te dien dage, en hij leerde het den kinderen Israels.23En Hij gebood Jozua, den zoon van Nun, en zeide: Zijt sterk en heb goeden moed, want gij zult de kinderen Israels inbrengen in het land, dat Ik hun gezworen heb; en Ik zal met u zijn.24En het geschiedde, als Mozes voleind had de woorden dezer wet te schrijven in een boek, totdat zij voltrokken waren;25Zo gebood Mozes den Levieten, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zeggende:26Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, dat het aldaar zij ten getuige tegen u.27Want ik ken uw wederspannigheid, en uw harden nek. Ziet, terwijl ik nog heden met ulieden leve, zijt gij wederspannig geweest tegen den HEERE; hoe veel te meer na mijn dood!28Vergadert tot mij al de oudsten uwer stammen, en uw ambtlieden; dat ik voor hun oren deze woorden spreke, en tegen hen den hemel en de aarde tot getuigen neme.29Want ik weet, dat gij het na mijn dood zekerlijk zult verderven, en afwijken van den weg, dien ik u geboden heb; dan zal u dit kwaad in het laatste der dagen ontmoeten, wanneer gij zult gedaan hebben, dat kwaad is in de ogen des HEEREN, om Hem door het werk uwer handen tot toorn te verwekken.

In één zin worden zowel de zegeningen die de HEERE voor Zijn volk heeft bewaard, alsook de ontzettende ontrouw van het volk dat andere goden zal dienen, genoemd (vers 20). Hoewel Jozua over de donkere toekomst die het volk tegemoet gaat, onderwezen wordt, wordt hem ook gezegd, sterk te zijn (vers 23). Hij kan zijn kracht niet putten uit het volk, maar alleen uit de HEERE.

Jonge mensen, jullie zullen bij de christenen die jullie kennen, vast en zeker allerlei tekortkomingen en gebreken ontdekken. Soms geven ouderen jullie echt niet het goede voorbeeld. De samenkomsten die jullie bezoeken, geven jullie misschien maar weinig opbouwing.

Is er niet veel waardoor jullie ontmoedigd worden? Dat kan ook niet anders, als je alleen maar op mensen ziet. Als jullie aandacht echter op de Heere Jezus gericht is, zul je nooit teleurgesteld worden! In Hem bezitten we een onuitputtelijke voorraad van genade en volmaaktheid om ons te helpen in ons onvermogen!

Mozes, Jozua, Paulus en anderen wisten wat er van hun werk hier op aarde zou overblijven.

"Want ik weet, dat gij het na mijn dood voorzeker zult verderven", zegt Mozes (vers 29).

"Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen", deelt Paulus de oudsten van Efeze mee (Handelingen 20 vers 29).

Maar ze wisten ook, in Wie zij geloofd hadden, en op Hem stelden zij hun vertrouwen (2 Timotheüs 1 vers 12).

Deuteronomium 31: 30; Deuteronomium 32:1-14
30Toen sprak Mozes, voor de oren der ganse gemeente van Israel, de woorden dezes lieds, totdat zij voltrokken waren.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.2Mijn leer druipe als een regen, mijn rede vloeie als een dauw; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.3Want ik zal den Naam des HEEREN uitroepen; geeft onzen God grootheid!4Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is; want al Zijn wegen zijn gerichte. God is waarheid, en is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.5Hij heeft het tegen Hem verdorven; het zijn Zijn kinderen niet; de schandvlek is hun; het is een verkeerd en verdraaid geslacht.6Zult gij dit den HEERE vergelden, gij, dwaas en onwijs volk! Is Hij niet uw Vader, Die u verkregen, Die u gemaakt en u bevestigd heeft?7Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.8Toen de Allerhoogste aan de volken de erfenis uitdeelde, toen Hij Adams kinderen vaneen scheidde, heeft Hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israels.9Want des HEEREN deel is Zijn volk, Jakob is het snoer Zijner erve.10Hij vond hem in een land der woestijn, en in een woeste huilende wildernis; Hij voerde hem rondom, Hij onderwees hem, Hij bewaarde hem als Zijn oogappel.11Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijn jongen zweeft, zijn vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijn vlerken;12Zo leidde hem de HEERE alleen, en er was geen vreemd god met hem.13Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de inkomsten des velds; en Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots;14Boter van koeien, en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen, die in Bazan weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt gij gedronken.

Zoals de HEERE Mozes geboden had, leerde hij de Israëlieten nu een lied. Hij neemt de hemel en de aarde tot getuigen en prijst het kostbare Woord van God dat "als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppels op het kruid" valt (vers 2).

Mozes erkent de grootheid van God en roemt in wat Hij is: waarheid, rechtvaardig en recht (vers 4). "De Rotssteen" is de Naam van Hem Die de Zijnen verzekert van een toevlucht, een huis, een schaduw en levend water (Psalm 31 vers 3; 71 vers 3; Jesaja 32 vers 2 en vele andere teksten), en Die bovendien voorziet van honing en olie (vers 13).

Vervolgens brengt het lied naar voren wat God doet: een volkomen werk (vers 4). In de verzen 8 tot en met 14 wordt ons dit hele handelen met het volk Israël getoond. God heeft het uitverkoren (vers 8), gevonden, omgeven, behoed (vers 10), gedragen (vers 11), geleid (vers 12) en tenslotte op de hoogten verhoogd (vers 13).

"Wat is er meer te doen ... hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb?" vraagt de HEERE later in verbinding met Zijn wijngaard Israël (Jesaja 5 vers 4).

Wat hebben wij, kinderen van God, dan nog veel meer reden om het uit te roepen: "Hij is de Rotssteen, Wiens werk volkomen is"!

"Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd ... dezen heeft Hij ook geroepen ... die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt" (Romeinen 8 vers 29 en 30).

Deuteronomium 32:15-33
15Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde den Rotssteen zijns heils.16Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.17Zij hebben aan de duivelen geofferd, niet aan God; aan de goden, die zij niet kenden; nieuwe, die van nabij gekomen waren, voor dewelke uw vaders niet geschrikt hebben.18Den Rotssteen, Die u gegenereerd heeft, hebt gij vergeten; en gij hebt in vergetenis gesteld den God, Die u gebaard heeft.19Als het de HEERE zag, zo versmaadde Hij hen, uit toornigheid tegen zijn zonen en zijn dochteren.20En Hij zeide: Ik zal Mijn aangezicht van hen verbergen; Ik zal zien, welk hunlieder einde zal wezen; want zij zijn een gans verkeerd geslacht, kinderen, in welke geen trouw is.21Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.22Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, en zal bernen tot in de onderste hel, en zal het land met zijn inkomst verteren, en de gronden der bergen in vlam zetten.23Ik zal kwaden over hen hopen; Mijn pijlen zal Ik op hen verschieten.24Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den karbonkel en bitter verderf; en Ik zal de tanden der beesten onder hen schikken, met vurig venijn van slangen des stofs.25Van buiten zal het zwaard beroven, en uit de binnenkameren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met den grijzen man.26Ik zeide: In alle hoeken zoude Ik hen verstrooien; Ik zoude hun gedachtenis van onder de mensen doen ophouden;27Ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.29O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.30Hoe zoude een enige duizend jagen, en twee tien duizend doen vluchten, ten ware, dat hunlieder Rotssteen hen verkocht, en de HEERE hen overgeleverd had?31Want hun rotssteen is niet gelijk onze Rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde.32Want hun wijnstok is uit den wijnstok van Sodom, en uit de velden van Gomorra; hun wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven; zij hebben bittere bezien.33Hun wijn is vurig drakenvenijn, en een wreed adderenvergift.

Het lied dat Mozes aan de Israëlieten leert, bestaat jammer genoeg niet uit één couplet! Het couplet dat we gisteren samen met het volk 'geleerd' hebben, bezingt — met uitzondering van vers 5 — Gods kant.

Maar nu zien we de kant van de mens. De rijke gaven die de HEERE aan Zijn volk gegeven had en die in vers 14 opgeteld worden, hebben er alleen maar toe gediend dat het volk zichzelf vet maakte (vers 15). In plaats van zich meer vast te klampen aan de "Rotssteen van zijn heil" en Hem het vet van de lammeren en een drankoffer van wijn te brengen (vers 14), heeft het volk Hem verlaten, veracht, geprikkeld en tenslotte vergeten (vers 15, 16 en 18). Wat een ondankbaarheid!

Maar ... lijken wij soms ook niet op dit jammerlijke volk? Ook wij verrijken ons graag met de overvloed die onze hemelse Vader over ons uitstort. Onze aardse zaken stellen we op de voorgrond en we vergeten de Heere de plaats die Hem toekomt in ons leven, te geven.

"De rijken in deze tegenwoordige wereld" worden opgeroepen "dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten" (1 Timotheüs 6 vers 17).

Als de Israëlieten wijs geweest waren, zouden ze aan hun einde gedacht hebben (vers 29).

De Heere geve ons dat we Zijn gaven met wijsheid beheren en dat we eraan denken dat we Hem bij Zijn wederkomst daarvan rekenschap moeten afleggen.

Deuteronomium 32:34-52
34Is dat niet bij Mij opgesloten, verzegeld in Mijn schatten?35Mijn is de wraak en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen, die hun zullen gebeuren, haasten.36Want de HEERE zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.37Dan zal Hij zeggen: Waar zijn hun goden; de rotssteen, op welken zij betrouwden?38Welker slachtofferen vet zij aten, welker drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij.39Ziet nu, dat Ik, Ik Die ben, en geen God met Mij, Ik dood en maak levend; Ik versla en Ik heel; en er is niemand, die uit Mijn hand redt!40Want Ik zal Mijn hand naar den hemel opheffen, en Ik zal zeggen: Ik leef in eeuwigheid!41Indien Ik Mijn glinsterend zwaard wette, en Mijn hand ten gerichte grijpt, zo zal Ik wraak op Mijn tegenpartijen doen wederkeren, en Mijn hateren vergelden.42Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed, en Mijn zwaard zal vlees eten; van het bloed des verslagenen en des gevangenen, van het hoofd af zullen er wraken des vijands zijn.43Juicht, gij heidenen, met Zijn volk! want Hij zal het bloed Zijner knechten wreken; en Hij zal de wraak op Zijn tegenpartijen doen wederkeren, en verzoenen Zijn land en Zijn volk.44En Mozes kwam, en sprak al de woorden dezes lieds voor de oren des volks, hij en Hosea, de zoon van Nun.45Als nu Mozes geeindigd had al die woorden tot gans Israel te spreken;46Zo zeide hij tot hen: Zet uw hart op al de woorden, die ik heden onder ulieden betuige, dat gij ze uw kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen al de woorden dezer wet.47Want dat is geen vergeefs woord voor ulieden; maar het is uw leven; en door ditzelve woord zult gij de dagen verlengen op het land, waar gij over de Jordaan naar toe gaat, om dat te erven.48Daarna sprak de HEERE tot Mozes, op dienzelfden dag, zeggende:49Klim op den berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaan, dat Ik den kinderen Israels tot een bezitting geven zal;50En sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broeder Aaron stierf op den berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.51Omdat gijlieden u tegen Mij vergrepen hebt, in het midden der kinderen Israels, aan het twistwater te Kades, in de woestijn Zin; omdat gij Mij niet geheiligd hebt in het midden der kinderen Israels.52Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarheen niet inkomen, in het land, dat Ik den kinderen Israels geven zal.

De verzen waarmee het lied van Mozes eindigt, roepen bij ons de herinnering op dat God almachtig is. "Ziet nu, dat Ik, Ik DIE ben" (vers 39). Daarom is het te verwachten dat God ook het laatste woord heeft!

En wat is het slotwoord? De wraak op Zijn vijanden die lang ongestraft gebleven zijn, maar ook vergeving voor Zijn volk waarmee de heidenen (de andere volkeren) zich in het duizendjarig rijk samen zullen verheugen (vers 43).

Mozes besluit zijn onderwijs met een laatste oproep tot gehoorzaamheid: "Zet uw hart op al de woorden ... al de woorden van deze wet ... het is uw leven" (vers 46 en 47; vergelijk Jesaja 55 vers 3; Spreuken 4 vers 13 en 7 vers 2).

Om 'hun leven' te kunnen leven, menen jonge mensen soms dat zij zich aan de raad van hun ouders, maar vooral aan de afhankelijkheid van God moeten onttrekken. Deze verzen en ervaringen leren juist het tegendeel! Zich buigen onder het gezegende juk van de Heere, betekent het werkelijke leven gegrepen te hebben (vergelijk 1 Timotheüs 6 vers 19).

De lessen van Mozes zijn afgelopen. Als een echte middelaar heeft hij voor het volk tot de HEERE èn in opdracht van de HEERE tot het volk gesproken. Nu staat hij op het punt het volk te verlaten.

Hebreeën 13 vers 7 vermaant ons de trouwe voorgangers te gedenken die het Woord van God tot ons gesproken hebben. De voorgangers uit dat vers zijn er niet meer. Maar de schrijver van de Hebreeënbrief voegt eraan toe: "Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in eeuwigheid" (vergelijk dit met vers 39 in ons gedeelte).

Deuteronomium 33:1-12
1Dit nu is de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israels gezegend heeft, voor zijn dood.2Hij zeide dan: De HEERE is van Sinai gekomen, en is hunlieden opgegaan van Seir; Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tien duizenden der heiligen; tot Zijn rechterhand was een vurige wet aan hen.3Immers bemint Hij de volken! Al zijn heiligen zijn in Uw hand; zij zullen in het midden tussen Uw voeten gezet worden; een ieder zal ontvangen van Uw woorden.4Mozes heeft ons de wet geboden, een erfenis van Jakobs gemeente;5En Hij was Koning in Jeschurun, als de hoofden des volks zich vergaderden, samen met de stammen Israels.6Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn lieden van getal zijn!7En dit is van Juda, dat hij zeide: Hoor, HEERE! de stem van Juda! en breng hem weder tot zijn volk; zijn handen moeten hem genoegzaam zijn, en zijt Gij hem een Hulp tegen zijn vijanden!8En van Levi zeide hij: Uw Thummim en Uw Urim zijn aan den man, Uw gunstgenoot; dien Gij verzocht hebt in Massa, met welken Gij getwist hebt aan de wateren van Meriba.9Die tot zijn vader en tot zijn moeder zeide: Ik zie hem niet; en die zijn broederen niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.10Zij zullen Jakob Uw rechten leren, en Israel Uw wet; zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen, en dat gans verteerd zal worden, op Uw altaar.11Zegen, HEERE! zijn vermogen, en laat U het werk zijner handen wel bevallen; versla de lenden dergenen, die tegen hem opstaan en hem haten, dat zij niet weder opstaan!12En van Benjamin zeide hij: De beminde des HEEREN, hij zal zeker bij Hem wonen. Hij zal hem den gansen dag overdekken, en tussen Zijn schouders zal hij wonen!

De man Gods staat op het punt het volk te verlaten, en laat daarom zijn hart spreken. Nu is het geen tijd meer voor vermaningen; hij neemt afscheid van hen die hij liefheeft, en zijn laatste boodschap is een zegen (zie Lukas 24 vers 50).

Mozes is de waardige vertegenwoordiger van een God Die "de volken" liefheeft en "al Zijn heiligen" in de hand heeft (vers 3). Deze zekerheid wordt door de belofte van de Heere Jezus aangevuld: "Niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders" (Johannes 10 vers 29).

Als we deze zegen van Mozes vergelijken met die van Jakob in Genesis 49, vallen enkele verschillen op die voor ons van grote betekenis zijn.

Volgens de woorden van zijn eigen vader was Levi een werktuig van geweld, een vreselijk mens. God maakte van hem echter de "gunstgenoot" (vers 8) en vertrouwde hem de dienst in het heiligdom toe.

Van Benjamin werd gezegd dat hij "als een wolf verscheuren" zou (Genesis 49 vers 27). Maar door de genade van de HEERE werd hij tot de "beminde des HEEREN". Deze wolf neemt de plaats in van het teruggevonden schaap, want er staat: "Tussen Zijn schouders zal hij wonen" (vers 12; vergelijk Lukas 15 vers 5).

Zo ingrijpend is de verandering die het evangelie bewerkt in hem die het aanneemt! Dat heeft ook Saulus van Tarsus ervaren die tot de stam van Benjamin behoorde! Eens was hij een hartstochtelijk vervolger van de gemeente, maar hij werd een trouwe getuige en dienstknecht van de Heere (zie 1 Timotheüs 1 vers 12 en 13).

Deuteronomium 33:13-29
13En van Jozef zeide hij: Zijn land zij gezegend van den HEERE, van het uitnemendste des hemels, van den dauw, en van de diepte, die beneden is liggende;14En van de uitnemendste inkomsten der zon, en van de uitnemendste voortzetting der maan;15En van het voornaamste der oude bergen, en van het uitnemendste der eeuwige heuvelen;16En van het uitnemendste der aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid Desgenen, Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op den schedel des afgezonderden van zijn broederen!17Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijn hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te zamen stoten tot aan de einden des lands. Dezen nu zijn de tien duizenden van Efraim, en dezen zijn de duizenden van Manasse!18En van Zebulon zeide hij: Verheug u, Zebulon! over uw uittocht, en Issaschar! over uw hutten.19Zij zullen de volken tot den berg roepen; daar zullen zij offeranden der gerechtigheid offeren; want zij zullen den overvloed der zeeen zuigen, en de bedekte verborgen dingen des zands.20En van Gad zeide hij: Gezegend zij, die aan Gad ruimte maakt! hij woont als een oude leeuw, en verscheurt den arm, ja ook den schedel.21En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij aldaar in het deel des wetgevers bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden des volks; hij verrichtte de gerechtigheid des HEEREN, en zijn gerichten met Israel.22En van Dan zeide hij: Dan is een jonge leeuw; hij zal als uit Bazan voortspringen.23En van Nafthali zeide hij: O Nafthali! wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van den zegen des HEEREN; bezit erfelijk het westen en het zuiden.24En van Aser zeide hij: Aser zij gezegend met zonen; hij zij zijn broederen aangenaam, en dope zijn voet in olie.25Ijzer en koper zal onder uw schoen zijn; en uw sterkte gelijk uw dagen!26Niemand is er gelijk God, o Jeschurun! Die op den hemel vaart tot uw hulp, en met Zijn hoogheid op de bovenste wolken.27De eeuwige God zij u een woning, en van onder eeuwige armen; en Hij verdrijve den vijand voor uw aangezicht, en zegge: Verdelg!28Israel dan zal zeker alleen wonen, en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja, zijn hemel zal van dauw druipen.29Welgelukzalig zijt gij, o Israel! wie is u gelijk? gij zijt een volk, verlost door den HEERE, het Schild uwer hulp, en Die een Zwaard is uwer hoogheid; daarom zullen zich uw vijanden geveinsdelijk aan u onderwerpen, en gij zult op hun hoogten treden!

Jozef, een beeld van Christus, moet van alles "het uitnemendste" ontvangen. Voor de Heere Jezus bestaat er niets kostbaarders dan het hart van Zijn verlosten.

"De afgezonderde van zijn broeders" (Genesis 49 vers 26) blijft "de afgezonderde van zijn broeders" (vers 16). Op grond van zijn lijden in de put en in de gevangenis en vervolgens door zijn heerlijke positie in Egypte, neemt Jozef terecht deze bijzondere plaats in. Het is de plaats van de Heere Jezus.

Niemand begeleidde Hem op die vreselijke weg naar Golgotha. Hij was alleen, toen Hij aan het kruis hing. Daarom heeft God Hem voor altijd een speciale plaats gegeven: Hij heeft Hem uitermate verhoogd en "Hem een Naam gegeven, Welke boven alle naam is". Hij heeft Hem "gezalfd met vreugdeolie", boven al Zijn "medegenoten" (Filippi 2 vers 9 en Psalm 45 vers 8).

De zegeningen van de stammen zijn een heerlijk beeld van de duizendjarige heerschappij van Christus. In tegenstelling tot de zegeningen die Jakob eens heeft uitgesproken, bevatten zij geen enkele berisping en geen beperkingen.

Hebben we ook opgemerkt dat er in dit tweede rijtje iemand wordt gemist? Dat is Simeon die destijds dezelfde vloek ontving als Levi (Genesis 49 vers 5).

Levi, een voorwerp van genade, is rijk gezegend. Maar waar is Simeon? Een zeer ernstige vraag!

En uw, jouw naam ... staat die in het boek des levens?

Deuteronomium 34:1-12
1Toen ging Mozes op, uit de vlakke velden van Moab, naar den berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en de HEERE wees hem dat ganse land, Gilead tot Dan toe;2En het ganse Nafthali, en het land van Efraim en Manasse, en het ganse land van Juda, tot aan de achterste zee;3En het Zuiden, en het effen veld der vallei van Jericho, de palmstad, tot Zoar toe.4En de HEERE zeide tot hem: Dit is het land, dat Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb, zeggende: Aan uw zaad zal Ik het geven! Ik heb het u met uw ogen doen zien, maar gij zult daarheen niet overgaan.5Alzo stierf Mozes, de knecht des HEEREN, aldaar in het land van Moab, naar des HEEREN mond.6En Hij begroef hem in een dal, in het land van Moab, tegenover Beth-Peor; en niemand heeft zijn graf geweten, tot op dezen dag.7Mozes nu was honderd en twintig jaren oud, als hij stierf; zijn oog was niet donker geworden, en zijn kracht was niet vergaan.8En de kinderen Israels beweenden Mozes, in de vlakke velden van Moab, dertig dagen; en de dagen des wenens, van den rouw over Mozes, werden voleindigd.9Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van den Geest der wijsheid; want Mozes had zijn handen op hem gelegd; zo hoorden de kinderen Israels naar hem, en deden gelijk als de HEERE Mozes geboden had.10En er stond geen profeet meer op in Israel, gelijk Mozes, dien de HEERE gekend had, van aangezicht tot aangezicht,11In al de tekenen en de wonderen, waartoe hem de HEERE gezonden heeft, om die in Egypteland te doen aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al zijn land;12En in al die sterke hand, en in al die grote verschrikking, die Mozes gedaan heeft voor de ogen van gans Israel.

Mozes heeft veertig jaar doorgebracht bij de farao van Egypte, daarna veertig jaar bij Jethro (in Gods leerschool) en tenslotte veertig jaar in de woestijn waar hij het volk Israël leidde.

Aan het begin had hij het "grote gezicht" van het braambos gezien (Exodus 3 vers 3). Daarna bleef hij staande door geloof, "als ziende de Onzienlijke" (Hebreeën 11 vers 27). En met ogen die niet zwak geworden zijn, beziet de man Gods nu aan het einde van zijn loopbaan het prachtige panorama van het land Kanaän (vers 7).

Dan komt voor Mozes het ogenblik waarop hij, volgens zijn eigen woorden (Psalm 90 vers 3), op bevel van God "tot verbrijzeling" zal weerkeren.

De HEERE eert Zijn knecht, doordat Hijzelf voor een graf voor hem zorgt (vers 6). Voortaan behoort Mozes tot de geloofsgetuigen die de beloofde heerlijkheid verwachten. En hij mag nu al genieten van de tegenwoordigheid van Hem Die zijn volkomen 'Beloning' is (vergelijk Mattheüs 17 vers 3).

Wat betekent het gemis van het genieten van het land dan nog, bij zo'n grote winst?

Moge ook elk van ons door het overdenken van deze vijf Boeken van Mozes (de Pentateuch) werkelijk winst en geestelijk voordeel hebben gehad en gegroeid zijn in het kennen van de Heere!

Mozes "heeft van Mij geschreven", zegt de Heere Jezus tegen de joden (Johannes 5 vers 46). Ja, is Hij het niet Die we mochten zien in al die beelden in dit zo leerrijke gedeelte van Gods Woord?

Jozua 1:1-18
1Het geschiedde nu, na den dood van Mozes, den knecht des HEEREN, dat de HEERE tot Jozua, den zoon van Nun, den dienaar van Mozes, sprak, zeggende:2Mijn knecht Mozes is gestorven; zo maak u nu op, trek over deze Jordaan, gij en al dit volk, tot het land, dat Ik hun, den kinderen Israels, geve.3Alle plaats, waarop ulieder voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, gelijk als Ik tot Mozes gesproken heb.4Van de woestijn en dezen Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het ganse land der Hethieten, en tot aan de grote zee, tegen den ondergang der zon, zal ulieder landpale zijn.5Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten.6Wees sterk en heb goeden moed! want gij zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hun vaderen heb gezworen hun te geven.7Alleenlijk wees sterk en heb zeer goeden moed, dat gij waarneemt te doen naar de ganse wet, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter hand noch ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt alom, waar gij zult gaan;8Dat het boek dezer wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen.9Heb Ik het u niet bevolen? wees sterk en heb goeden moed, en verschrik niet, en ontzet u niet; want de HEERE, uw God, is met u alom, waar gij heengaat.10Toen gebood Jozua den ambtlieden des volks, zeggende:11Gaat door het midden des legers, en beveelt het volk, zeggende: Bereidt teerkost voor ulieden; want binnen nog drie dagen zult gijlieden over deze Jordaan gaan, dat gij ingaat, om te erven het land, hetwelk de HEERE, uw God, ulieden geeft om te beerven.12En Jozua sprak tot de Rubenieten en Gadieten, en den halven stam van Manasse, zeggende:13Gedenkt aan het woord, hetwelk Mozes, de knecht des HEEREN, ulieden geboden heeft, zeggende: De HEERE, uw God, geeft ulieden rust, en Hij geeft u dit land;14Laat uw vrouwen, uw kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes ulieden aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft; maar gijlieden zult gewapend trekken, voor het aangezicht uwer broederen, alle strijdbare helden, en zult hen helpen;15Totdat de HEERE uw broederen rust geve, als ulieden, en dat zij ook erfelijk bezitten het land, dat de HEERE, uw God, hun geeft; alsdan zult gijlieden wederkeren tot het land uwer erfenis, en zult het erfelijk bezitten, dat Mozes, de knecht des HEEREN, ulieden gegeven heeft, aan deze zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon.16Toen antwoordden zij Jozua, zeggende: Al wat gij ons geboden hebt, zullen wij doen, en alom, waar gij ons zenden zult, zullen wij gaan.17Gelijk wij in alles naar Mozes hebben gehoord, alzo zullen wij naar u horen; alleenlijk dat de HEERE, uw God, met u zij, gelijk als Hij met Mozes geweest is!18Alle man, die uw mond wederspannig wezen zal, en uw woorden niet horen zal in alles, wat gij hem gebieden zult, die zal gedood worden, alleenlijk wees sterk en heb goeden moed!

Het boek Jozua laat ons, samen met het volk Israël, het land van de belofte binnentreden om het in bezit te nemen. Mozes is vervangen door een nieuwe leider: Jozua.

We hebben hem al als jongeman leren kennen, hoe hij streed (Exodus 17 vers 9) en hoe hij onderwezen werd (Exodus 33 vers 11) als dienstknecht (Numeri 11 vers 28) en als getuige (Numeri 14 vers 6).

Na zijn jarenlange opleiding in de woestijn wordt nu van hem verwacht dat hij een grote verantwoordelijkheid op zich neemt. Op het moment dat dit moet gebeuren, wordt hij door de HEERE (vers 6, 7 en 9), maar ook door zijn broeders (vers 18), nogmaals bemoedigd. De bemoediging door de HEERE luidt: "Dat het boek van deze wet [= voor ons het hele Woord van God] niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht" (vers 8). Daarin ligt het geheim van het, in geestelijk opzicht, gelukken van een opdracht voor Jozua en voor ons!

Het Boek Jozua vormt een illustratie van de waarheden die in de Brief aan de Efeziërs worden ontvouwd. Zoals de Israëlieten moesten strijden voor de verovering van het land Kanaän, zo moeten de christenen een geestelijke strijd voeren om de geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten te kunnen genieten. Ook voor ons (evenals voor Jozua) geldt: "Wordt krachtig in de Heere ... Staat dan" (Efeze 6 vers 10 en 14).

Mozes was een beeld van Christus Die de Zijnen uit de wereld uitleidt. In Jozua mogen we een type zien van de Heilige Geest van de Heere Jezus, Die hen met Zich meeneemt in de hemel (Jozua is de Hebreeuwse naam voor Jezus).

Jozua 2:1-13
1Jozua nu, de zoon van Nun, had twee mannen, die heimelijk verspieden zouden, gezonden van Sittim, zeggende: Gaat heen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen ten huize van een vrouw, een hoer, wier naam was Rachab, en zij sliepen daar.2Toen werd den koning te Jericho geboodschapt, zeggende: Zie, in dezen nacht zijn hier mannen gekomen van de kinderen Israels, om dit land te doorzoeken.3Daarom zond de koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit, die tot u gekomen zijn, die te uwen huize gekomen zijn; want zij zijn gekomen, om het ganse land te doorzoeken.4Maar die vrouw had die beide mannen genomen, en zij had hen verborgen; en zeide aldus: Er zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet, van waar zij waren.5En het geschiedde, als men de poort zou sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen; ik weet niet, waarheen die mannen gegaan zijn; jaagt hen haastelijk na, want gij zult ze achterhalen.6Maar zij had hen op het dak doen klimmen, en zij had hen verstoken onder de vlasstoppelen, die van haar op het dak beschikt waren.7Die mannen nu jaagden hen na op den weg van de Jordaan, tot aan de veren; en men sloot de poort toe, nadat zij uitgegaan waren, die hen najaagden.8Eer zij nu sliepen, zo klom zij tot hen op, op het dak.9En zij sprak tot die mannen: Ik weet, dat de HEERE u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat al de inwoners dezes lands voor ulieder aangezicht gesmolten zijn.10Want wij hebben gehoord, dat de HEERE de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen gij uit Egypte gingt; en wat gijlieden aan de twee koningen der Amorieten, Sihon en Og, gedaan hebt, die op gene zijde van de Jordaan waren, dewelke gijlieden verbannen hebt.11Als wij het hoorden, zo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand, vanwege ulieder tegenwoordigheid; want de HEERE, ulieder God, is een God boven in den hemel, en beneden op de aarde.12Nu dan, zweert mij toch bij den HEERE, dewijl ik weldadigheid aan ulieden gedaan heb, dat gij ook weldadigheid doen zult aan mijns vaders huis, en geeft mij een waarteken,13Dat gij mijn vader en mijn moeder in het leven zult behouden, als ook mijn broeders en mijn zusters, met alles, wat zij hebben; en dat gij onze zielen van den dood redden zult.

Bij de intocht in het land komt het volk twee grote hindernissen tegen. Ten eerste de Jordaan die de grens van het land vormt. Vervolgens, aan de andere oever, de angstaanjagende vesting Jericho.

Jozua stuurt daar twee verkenners naartoe. Het lijkt erop dat zij alleen maar hun intrek moeten nemen bij Rachab om zo de macht van God in plaats van die van de vijand te leren kennen. Want God was aan het werk in het hart van deze vrouw!

Rachab had gehoord wat God voor Zijn volk gedaan heeft. Ze had in Hem geloofd. En tenslotte handelt zij, want "geloof zonder werken" is "dood". Om ons deze waarheid te leren, haalt Jakobus deze Kanaänitische vrouw (zelfs samen met Abraham!) als voorbeeld voor ons aan (Jakobus 2 vers 23 tot en met 26).

In de ogen van een mens is de daad van deze vrouw een verraad en daarom verwerpelijk en strafbaar. Dat maakt echter het verschil tussen een voor God welgevallig werk van geloof en een door mensen geroemd 'goed werk' nog duidelijker zichtbaar! Wat een gelovige doet, wordt door de wereld haast nooit begrepen en vindt ook geen goedkeuring.

Het geloof van Rachab bezorgt haar een ereplaats in twee veelbetekenende lijsten van personen in het Nieuwe Testament: in het geslachtsregister van de Heere Jezus (Mattheüs 1) en bij de opsomming van de trouwe getuigen in Hebreeën 11. Daar zijn zij en Sara zelfs de enige vrouwen die genoemd worden!

Jozua 2:14-24
14Toen spraken die mannen tot haar: Onze ziel zij voor ulieden om te sterven, indien gijlieden deze onze zaak niet te kennen geeft; het zal dan geschieden, wanneer de HEERE ons dit land geeft, zo zullen wij aan u weldadigheid en trouw bewijzen.15Zij liet hen dan neder met een zeel door het venster; want haar huis was op den stadsmuur; en zij woonde op den muur.16En zij zeide tot hen: Gaat op het gebergte, opdat niet misschien de vervolgers u ontmoeten, en verbergt u aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd zullen zijn; en gaat daarna uw weg.17Ook zeiden die mannen tot haar: Wij zullen onschuldig zijn van dezen uw eed, dien gij ons hebt doen zweren;18Zie, wanneer wij in het land komen, zo zult gij dit snoer van scharlakendraad aan het venster binden, door hetwelk gij ons zult nedergelaten hebben; en gij zult tot u in het huis vergaderen uw vader, en uw moeder, en uw broeders, en het ganse huisgezin uws vaders.19Zo zal het geschieden, al wie uit de deuren van uw huis naar buiten gaan zal, zijn bloed zij op zijn hoofd, en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd, indien een hand tegen hem zijn zal!20Maar indien gij deze onze zaak te kennen zult geven, zo zullen wij onschuldig zijn van uw eed, dien gij ons hebt doen zweren.21Zij nu zeide: Het zij alzo naar uw woorden. Toen liet zij hen gaan; en zij gingen heen; en zij bond het scharlakensnoer aan het venster.22Zij dan gingen heen, en kwamen op het gebergte, en bleven aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd waren; want de vervolgers hadden hen op al den weg gezocht, maar niet gevonden.23Alzo keerden die twee mannen weder, en gingen af van het gebergte, en voeren over, en kwamen tot Jozua, den zoon van Nun; en zij vertelden hem al wat hun wedervaren was.24En zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk, de HEERE heeft dat ganse land in onze handen gegeven; want ook zijn al de inwoners des lands voor onze aangezichten gesmolten.

Het feit dat Rachab niet alleen bij de vijand hoort, maar ook nog een weinig eervolle vrouw is, brengt de grootte van de Goddelijke genade nog duidelijker naar voren. Evenals de Kananese vrouw in de dagen van de Heere Jezus krijgt Rachab als het ware een deel van de broodkruimels die van de tafel van de Israëlieten vallen (Mattheüs 15 vers 22 en verder).

Het middel waardoor haar huis beschermd wordt, doet ons denken aan het Pascha en het bloed van het lam aan de deurposten. Om het oordeel dat Jericho zal treffen, te ontvluchten, moeten Rachab en haar familie zich onder de bescherming van het scharlaken koord stellen.

Het is heel opvallend dat dit koord onmiddellijk aan het raam werd vastgemaakt. Daarmee kunnen we van Rachab leren dat wij ons zonder uitstel onder de bescherming van het verlossingsbloed van Christus moeten stellen, als we dat tot op heden nog niet gedaan hebben! Want het oordeel zal net zo zeker over deze wereld komen, als het over Jericho kwam.

Deze vrouw liet zien dat ze er honderd procent zeker van was dat de God van Israël zou overwinnen. Haar hele vertrouwen zette zij op de belofte die Hij haar gegeven had.

De verslaggeving van de twee verspieders is totaal anders dan bij de tien verspieders in Numeri 13 het geval was. "Voorzeker, de HEERE heeft dat ganse land in onze handen gegeven" (vers 24). Let er goed op dat er niet staat dat de HEERE het zal geven!

Vers 24 is de woordelijke vervulling van wat veertig jaar eerder werd uitgedrukt in het lied dat het volk zong aan de Rode Zee (de laatste woorden van Exodus 15 vers 15).

Jozua 3:1-13
1Jozua dan maakte zich des morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan de Jordaan, hij en al de kinderen Israels; en zij vernachtten aldaar, eer zij overtrokken.2En het geschiedde, dat de ambtlieden, op het einde van drie dagen, door het midden des legers gingen;3En zij geboden het volk, zeggende: Wanneer gij de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, ziet, en de Levietische priesters dezelve dragende, verreist gijlieden ook van uw plaats, en volgt haar na;4Dat er nochtans ruimte zij tussen ulieden en tussen dezelve, bij de twee duizend ellen in de maat; en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg wetet, dien gij gaan zult; want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren.5Jozua zeide ook tot het volk: Heiligt u! want morgen zal de HEERE wonderheden in het midden van ulieden doen.6Desgelijks sprak Jozua tot de priesters, zeggende: Neemt de ark des verbonds op, en gaat door voor het aangezicht van dit volk. Zij dan namen de ark des verbonds op, en zij gingen voor het aangezicht des volks.7Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Dezen dag zal Ik beginnen u groot te maken voor de ogen van gans Israel, opdat zij weten, dat Ik met u zijn zal, gelijk als Ik met Mozes geweest ben.8Gij dan zult den priesteren, die de ark des verbonds dragen, gebieden, zeggende: Wanneer gijlieden komt tot aan het uiterste van het water van de Jordaan, staat stil in de Jordaan.9Toen zeide Jozua tot de kinderen Israels: Nadert herwaarts, en hoort de woorden des HEEREN, uws Gods.10Verder zeide Jozua: Hieraan zult gijlieden bekennen, dat de levende God in het midden van u is, en dat Hij ganselijk voor uw aangezicht uitdrijven zal de Kanaanieten, en de Hethieten, en de Hevieten, en de Ferezieten, en de Girgazieten, en de Amorieten en de Jebusieten.11Ziet, de ark des verbonds van den Heere der ganse aarde gaat door voor ulieder aangezicht in de Jordaan.12Nu dan, neemt gijlieden u twaalf mannen uit de stammen Israels, uit iederen stam een man;13Want het zal geschieden, met dat de voetzolen der priesteren, die de ark van den HEERE, den Heere der ganse aarde, dragen, in het water van de Jordaan zullen rusten, zo zullen de wateren van de Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren, die van boven afvlieten, en zij zullen op een hoop blijven staan.

De Rode Zee versperde de Israëlieten de uittocht uit Egypte; de Jordaan belet hun de intocht in het land Kanaän.

De doortocht door deze rivier leert ons de uiterst belangrijke waarheid dat wij met Christus gestorven zijn.

Een kind van God wordt hier beneden al opgeroepen om in geloof de hemel te bezitten en te genieten. Dat mogen we zien in het beeld van de intocht in Kanaän.

Zoals de Israëliet echter, alvorens het land in te gaan, door de Jordaan, de doodsrivier, moest gaan, zo kan een christen ook alleen maar de hemel in bezit nemen en ervan genieten, als hij verwerkelijkt dat hij met Christus gestorven is.

Het kruis waaraan mijn Verlosser Zijn leven heeft gegeven, vernietigt en veroordeelt mijn natuurlijke, verdorven wil. Dat is de oude mens die steeds weer de overhand wil krijgen en toch geen enkel recht heeft om het hemelse land binnen te gaan.

O, wat bereidt hij mij veel smart en ongemak! Al mijn pogingen hem te verbeteren, mislukken!

Hoe kan ik hem dan toch onschadelijk maken, hem doden? Gelukkig mag ik weten dat dat eens en voor altijd gebeurd is op het kruis van Golgotha. Het enige wat ik moet doen, is dat eenvoudig aannemen, evenals de vergeving van mijn zonden!

De Heere Jezus is niet alleen voor mij gekruisigd; ik ben ook met Hem gekruisigd (Galaten 2 vers 20). Dat zijn de wonderen die God voor ons heeft volbracht (vers 5).

Jozua 3:14-17; Jozua 4:1-8
14En het geschiedde, toen het volk vertrok uit zijn tenten, om over de Jordaan te gaan, zo droegen de priesters de ark des verbonds voor het aangezicht des volks.15En als zij, die de ark droegen, tot aan de Jordaan gekomen waren, en de voeten der priesteren, dragende de ark, ingedoopt waren in het uiterste van het water (de Jordaan nu was vol al de dagen des oogstes aan al haar oevers);16Zo stonden de wateren, die van boven afkwamen; zij rezen op een hoop, zeer verre van de stad Adam af, die ter zijde van Sarthan ligt en die naar de zee des vlakken velds, te weten de Zoutzee, afliepen, vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.17Maar de priesters, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, stonden steevast op het droge, in het midden van de Jordaan; en gans Israel ging over op het droge, totdat al het volk geeindigd had door de Jordaan te trekken.
1Het geschiedde nu, toen al het volk geeindigd had over de Jordaan te trekken, dat de HEERE tot Jozua sprak, zeggende:2Neemt gijlieden u twaalf mannen uit het volk, uit elken stam een man.3En gebiedt hun, zeggende: Neemt voor ulieden op, van hier uit het midden van de Jordaan, uit de standplaats van de voeten der priesteren, en bereidt twaalf stenen, en brengt ze met ulieden over, en stelt ze in het nachtleger, waar gij dezen nacht zult vernachten.4Jozua dan riep die twaalf mannen, die hij had doen bestellen van de kinderen Israels, uit elken stam een man.5En Jozua zeide tot hen: Gaat over voor de ark des HEEREN, uws Gods, midden in de Jordaan; en heft u een ieder een steen op zijn schouder, naar het getal der stammen van de kinderen Israels;6Opdat dit een teken zij onder ulieden; wanneer uw kinderen morgen vragen zullen, zeggende: Wat zijn u deze stenen?7Zo zult gij tot hen zeggen: Omdat de wateren van de Jordaan zijn afgesneden geweest voor de ark des verbonds des HEEREN; als zij toog door de Jordaan, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; zo zullen deze stenen den kinderen Israels ter gedachtenis zijn tot in eeuwigheid.8De kinderen Israels nu deden alzo, gelijk als Jozua geboden had; en zij namen twaalf stenen op midden uit de Jordaan, gelijk als de HEERE tot Jozua gesproken had, naar het getal der stammen van de kinderen Israels; en zij brachten ze met zich over naar het nachtleger, en stelden ze aldaar.

De ark wordt als eerste het water ingedragen en opent een doorgang voor het volk. Dat Christus voor ons in de dood gegaan is, opent voor ons een weg waarop wij vroeger niet gegaan zijn (hoofdstuk 3 vers 4), een nieuwe en levende weg (Hebreeën 10 vers 20).

Tot op Christus was nog nooit iemand in de dood gegaan en er voor altijd weer uit gekomen. Christus is deze weg echter gegaan, zodat wij nu met Hem door de dood kunnen gaan, zonder de bitterheid daarvan te ervaren. "Zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd" (Psalm 66 vers 6).

We zien dat de ark op de bodem van de rivier bleef, totdat het hele volk erdoor getrokken was (vers 17). Dat garandeerde het volk een wonderbare zekerheid! De dood kan ons niet verslinden! Christus is daarin in onze plaats getreden.

Laten we er echter aan denken wat dat de Vorst van het leven gekost heeft: Hij moest Zelf Zijn ziel overgeven in de dood. Al die vreselijke golven waarover Jona spreekt, zijn in alle hevigheid over Hem heengegaan (Jona 2 vanaf vers 3). De wateren omringden Hem, tot aan de ziel (Psalm 42 vers 8).

O, welk een geliefde Verlosser! Hij heeft geleden en is in de dood gegaan. En ons is verlossing, het leven en geluk geschonken.

De liefde, sterk als de dood, die Hem in deze waterstromen gebracht heeft om te sterven, kon niet door die wateren uitgeblust worden. En de rivier kon deze liefde niet verdrinken (Hooglied 8 vers 6 en 7).

Jozua 4:9-24
9Jozua richtte ook twaalf stenen op, midden in de Jordaan, ter standplaats van de voeten der priesteren, die de ark des verbonds droegen; en zij zijn daar tot op dezen dag.10De priesters nu, die de ark droegen, stonden midden in de Jordaan, totdat alle ding volbracht was, hetwelk de HEERE Jozua geboden had het volk aan te zeggen, naar al wat Mozes Jozua geboden had. En het volk haastte, en het trok over.11En het geschiedde, als al het volk geeindigd had over te gaan, toen ging de ark des HEEREN over, en de priesters voor het aangezicht des volks.12En de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, mitsgaders de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht der kinderen Israels, gelijk als Mozes tot hen gesproken had.13Omtrent veertig duizend toegeruste krijgsmannen trokken er voor het aangezicht des HEEREN ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.14Te dienzelven dage maakte de HEERE Jozua groot voor de ogen van het ganse Israel; en zij vreesden hem, gelijk als zij Mozes gevreesd hadden, al de dagen zijns levens.15De HEERE dan sprak tot Jozua, zeggende:16Gebied den priesteren, die de ark der getuigenis dragen, dat zij uit de Jordaan opklimmen.17Toen gebood Jozua den priesteren, zeggende: Klimt op uit de Jordaan.18En het geschiedde, toen de priesters, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, uit het midden van de Jordaan opgeklommen waren, en de voetzolen der priesteren afgetrokken waren tot op het droge; zo keerden de wateren van de Jordaan weder in hun plaats, en gingen als gisteren en eergisteren aan al haar oevers.19Het volk nu was den tiende der eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich te Gilgal, aan het oosteinde van Jericho.20En Jozua richtte die twaalf stenen te Gilgal op, die zij uit de Jordaan genomen hadden.21En hij sprak tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer uw kinderen morgen hun vaderen vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze stenen?22Zo zult gij het uw kinderen te kennen geven, zeggende: Op het droge is Israel door deze Jordaan gegaan.23Want de HEERE, uw God, heeft de wateren van de Jordaan voor uw aangezichten doen uitdrogen, totdat gijlieden er waart doorgegaan; gelijk als de HEERE, uw God, aan de Schelfzee gedaan heeft, die Hij voor ons aangezicht heeft doen uitdrogen, totdat wij daardoor gegaan waren;24Opdat alle volken der aarde de hand des HEEREN kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gijlieden den HEERE, uw God, vrezet te allen dage.

Op het bevel van de HEERE heeft Jozua twaalf stenen van de bodem van de rivier laten meenemen. Op diezelfde plaats heeft hij ook twaalf stenen laten oprichten die bedekt zullen worden met water (vers 9).

"Wat zijn u deze stenen?" (vers 6). De betekenis hiervan wordt ons in de Romeinenbrief uitgelegd. Ze zijn een beeld van de gelovigen, ééngemaakt met Christus in Zijn dood (op de bodem van de rivier), maar óók in Zijn opstanding (op de oever; zie Romeinen 6 vers 5).

Deze twaalf stenen (twaalf stammen) die samen één gedenkteken vormen, geven ook uitdrukking aan de eenheid van het volk. Het geweldige werk is voor alle verlosten volbracht, ook al zijn sommigen zich dat niet bewust. Het tweede gedenkteken bevestigt dit immers voor altijd!

Het kruis heeft voor mij dus drie grote bevrijdingen bewerkt die uitgebeeld worden in het Pascha, de Rode Zee en de Jordaan.

— Het Pascha leert mij dat ik verlost ben van het oordeel van God.

De Rode Zee laat mij zien dat ik bevrijd ben van de vijanden die van buitenaf op mij afkomen: satan en de wereld.

En de Jordaan maakt mij duidelijk dat ik het recht heb het vlees, de vijand die mij van binnenuit tiranniseert, voor dood te houden.

De beide eerstgenoemde waarheden vinden plaats bij de wedergeboorte en de derde noemt men 'de bevrijding'.

Jozua 5:1-15
1En het geschiedde, toen al de koningen der Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan westwaarts, en al de koningen der Kanaanieten, die aan de zee waren, hoorden, dat de HEERE de wateren van de Jordaan had uitgedroogd, voor het aangezicht der kinderen Israels, totdat wij daardoor gegaan waren; zo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen, voor het aangezicht der kinderen Israels.2Te dier tijd sprak de HEERE tot Jozua: Maak u stenen messen, en besnijd wederom de kinderen Israels ten tweeden maal.3Toen maakte zich Jozua stenen messen, en besneed de kinderen Israels op den heuvel der voorhuiden.4Dit nu was de oorzaak, waarom hen Jozua besneed: al het volk, dat uit Egypte getogen was, de manspersonen, alle krijgslieden, waren gestorven in de woestijn, op den weg, nadat zij uit Egypte getogen waren.5Want al het volk, dat er uittoog, was besneden; maar al het volk, dat geboren was in de woestijn op den weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden.6Want de kinderen Israels wandelden veertig jaren in de woestijn, totdat vergaan was het ganse volk der krijgslieden, die uit Egypte gegaan waren; die de stem des HEEREN niet gehoorzaam geweest waren, denwelken de HEERE gezworen had, dat Hij hun niet zoude laten zien het land, hetwelk de HEERE hun vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig.7Maar hun zonen heeft Hij aan hun plaats gesteld; die heeft Jozua besneden, omdat zij de voorhuid hadden; want zij hadden hen op den weg niet besneden.8En het geschiedde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zo bleven zij in hun plaats in het leger, totdat zij genezen waren.9Verder sprak de HEERE tot Jozua: Heden heb Ik den smaad van Egypte van ulieden afgewenteld; daarom noemde men den naam dier plaats Gilgal, tot op dezen dag.10Terwijl de kinderen Israels te Gilgal gelegerd lagen, zo hielden zij het pascha op den veertienden dag derzelver maand, in den avond, op de vlakke velden van Jericho.11En zij aten van het overjarige koren des lands, des anderen daags van het pascha, ongezuurde broden en verzengde aren, even op dienzelven dag.12En het Manna hield op des anderen daags, nadat zij van des lands overjarige koren gegeten hadden; en de kinderen Israels hadden geen Manna meer, maar zij aten in hetzelve jaar van de inkomst des lands Kanaan.13Voorts geschiedde het, als Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen ophief, en zag toe, en ziet, er stond een Man tegenover hem, Die een uitgetogen zwaard in Zijn hand had. En Jozua ging tot Hem, en zeide tot Hem: Zijt Gij van ons, of van onze vijanden?14En Hij zeide: Neen, maar Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN: Ik ben nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zeide tot Hem: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht?15Toen zeide de Vorst van het heir des HEEREN tot Jozua: Trek uw schoenen af van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed alzo.

We staan nu aan de oever van de opstanding! En wat zien we daar? We doen twee pijnlijke ontdekkingen.

Ten eerste zijn de vijanden die van buitenaf komen, weer opgedoken. Maar, laat de moed niet zakken! Ze zijn machteloos (vers 1), ze zijn al door Christus aan het kruis overwonnen (Kolosse 2 vers 15).

Maar ten tweede zien we dat de vijand die van binnenuit werkt, het vlees, ook nog steeds aanwezig is. Is die dan niet voor dood verklaard en in de diepte van de Jordaan begraven? Zeker! In het oog van God is dat z'n plaats. Maar het is nodig dat wij onszelf ook voor de zonde dood houden (Romeinen 6 vers 11), dat we haar geen enkele gelegenheid geven zich te openbaren.

De besnijdenis komt overeen met het oordeel dat we bij elke uitwerking van het vlees aan onszelf moeten voltrekken. Als we dat gedaan hebben, zullen we de bezittingen en de vreugden die ons aan deze oever van de hemelse gewesten te wachten staan, gaan ontdekken.

In eerste instantie is daar de opbrengst van het land (het overjarige koren), dat nu het manna vervangt. Dit is een beeld van de verheerlijkte Christus met Wie de verloste zich mag voeden.

Dan komt het Pascha Zelfs bij de muren van Jericho kan dit gevierd worden. Dat bepaalt ons bij de voor ons gestorven Christus.

En tenslotte is daar ook de door de HEERE beloofde Engel (Exodus 23 vers 23). Ook Hij is een beeld van de Heere Jezus Die voor ons in de hemel is en ons aanvoert in onze strijd hier beneden.

Jozua 6:1-14
1(Jericho nu sloot de poorten toe, en was gesloten, voor het aangezicht van de kinderen Israels; er ging niemand uit, en er ging niemand in.)2Toen zeide de HEERE tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven.3Gij dan allen, die krijgslieden zijt, zult rondom de stad gaan, de stad omringende eenmaal; alzo zult gij doen zes dagen lang.4En zeven priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark; en gijlieden zult op den zevenden dag de stad zevenmaal omgaan; en de priesters zullen met de bazuinen blazen.5En het zal geschieden, als men langzaam met den ramshoorn blaast, als gijlieden het geluid der bazuin hoort, zo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zal de stadsmuur onder zich vallen, en het volk zal daarin klimmen, een iegelijk tegenover zich.6Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters, en zeide tot hen: Draagt de ark des verbonds, en dat zeven priesters zeven ramsbazuinen dragen, voor de ark des HEEREN.7En tot het volk zeide hij: Trekt door en gaat rondom deze stad; en wie toegerust is, die ga door voor de ark des HEEREN.8En het geschiedde, gelijk Jozua tot het volk gesproken had, zo gingen de zeven priesters, dragende zeven ramsbazuinen, voor het aangezicht des HEEREN; zij trokken door en bliezen met de bazuinen; en de ark des verbonds des HEEREN volgde hen na;9En wie toegerust was, ging voor het aangezicht der priesteren, die de bazuinen bliezen; en de achtertocht volgde de ark na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.10Jozua nu had het volk geboden, zeggende: Gij zult niet juichen, ja, gij zult uw stem niet laten horen, en geen woord zal er uit uw mond uitgaan, tot op den dag, wanneer ik tot ulieden zeggen zal: Juicht! dan zult gij juichen.11En hij deed de ark des HEEREN rondom de stad gaan, omringende dezelve eenmaal; toen kwamen zij weder in het leger, en vernachtten in het leger.12Daarna stond Jozua des morgens vroeg op, en de priesters droegen de ark des HEEREN.13En de zeven priesters, dragende de zeven ramsbazuinen voor de ark des HEEREN, gingen voort, en bliezen met de bazuinen; en de toegerusten gingen voor hun aangezichten, en de achtertocht volgde de ark des HEEREN na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.14Alzo gingen zij eenmaal rondom de stad op den tweeden dag; en zij keerden weder in het leger. Alzo deden zij zes dagen lang.

De sterke vesting Jericho staat als een vreselijke wachter aan de ingang van het land Kanaän waardoor voor het volk de weg versperd wordt. Een vreselijke hindernis! Wat betekent dat voor ons?

Als een pasbekeerde die nog maar net overgegaan is vanuit de dood in het leven, probeert naar zijn geloof te leven, is satan er als de kippen bij om hem bang te maken. Hij brengt grote moeilijkheden op de weg als men graag wil getuigen tegenover bekenden. Vaak ondervindt men dan spot. Maar er kunnen ook moeilijkheden komen als men een bepaalde gewoonte wil nalaten, een schuld wil belijden of excuses wil aanbieden aan iemand die men onrecht aangedaan heeft. Het kan zelfs nog erger, want in sommige landen wordt men zelfs vervolgd als men belijdt een christen te zijn.

Hoe moeten we nu deze onvermijdelijke reacties van de vijand het hoofd bieden? Het aan de Heere overlaten en Hem alles op Zijn wijze laten besturen!

Hij verlangt van ons een volledig vertrouwen op Hem, een ijver (ze stonden 's morgens vroeg op) en een duidelijk getuigenis (dat uitgebeeld wordt door de zeven bazuinen). Maar er is ook volharding nodig! Zeven dagen lang en op de zevende dag zelfs zeven maal! De volharding (lijdzaamheid) moet een volmaakt werk hebben (Jakobus 1 vers 4). Zeven is in de Bijbel het getal van de volmaaktheid.

Tenslotte is het allerbelangrijkste dat de tegenwoordigheid van de Heere in onze dagelijkse wandel verwerkelijkt en gezien wordt. De ark die voor Israël in de Jordaan had gestaan, gaat nu met het volk mee om hen de overwinning te geven (vers 6).

Jozua 6:15-27
15En het geschiedde op den zevenden dag, dat zij zich vroeg opmaakten, met het opgaan des dageraads, en zij gingen rondom de stad, naar dezelve wijze, zevenmaal; alleenlijk op dien dag gingen zij zevenmaal rondom de stad.16En het geschiedde ten zevenden male, als de priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juicht, want de HEERE heeft ulieden de stad gegeven!17Doch deze stad zal den HEERE verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleenlijk zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft.18Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannene, opdat gij u misschien niet verbant, mits nemende van het verbannene, en het leger van Israel niet stelt tot een ban, noch datzelve beroert.19Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen den HEERE heilig zijn; tot den schat des HEEREN zullen zij komen.20Het volk dan juichte, als zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde, als het volk het geluid der bazuin hoorde, zo juichte het volk met een groot gejuich; en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in.21En zij verbanden alles, wat in de stad was, van den man tot de vrouw toe, van het kind tot den oude, en tot den os, en het klein vee, en den ezel, door de scherpte des zwaards.22Jozua nu zeide tot de twee mannen, de verspieders des lands: Gaat in het huis der vrouw, der hoer, en brengt die vrouw van daar uit, met al wat zij heeft, gelijk als gij haar gezworen hebt.23Toen gingen de jongelingen, de verspieders, daarin en brachten er Rachab uit, en haar vader, en haar moeder, en haar broeders, en al wat zij had; ook brachten zij uit al haar huisgezinnen, en zij stelden hen buiten het leger van Israel.24De stad nu verbrandden zij met vuur, en al wat daarin was; alleenlijk het zilver en goud, mitsgaders de koperen en ijzeren vaten, gaven zij tot den schat van het huis des HEEREN.25Dus liet Jozua de hoer Rachab leven, en het huisgezin haars vaders, en al wat zij had; en zij heeft gewoond in het midden van Israel tot op dezen dag, omdat zij de boden verborgen had, die Jozua gezonden had, om Jericho te verspieden.26En ter zelver tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht des HEEREN, die zich opmaken en deze stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijn eerstgeborenen zoon, en haar poorten stelle op zijn jongsten zoon!27Alzo was de HEERE met Jozua; en zijn gerucht liep door het ganse land.

Dat die bazuinblazers met het volk om de stadsmuren heen liepen, zullen de bewoners van Jericho wel heel belachelijk en onschuldig gevonden hebben. 'Heb je ooit meegemaakt dat men op die manier een stad belegerde?' Wat zal er enorm veel gespot en gelachen zijn. "Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou" (1 Korinthe 1 vers 27).

In tegenstelling tot de machtige, zichtbare middelen waar de mens trots op is, handelt het geloof op een onzichtbare wijze. Als wij het geloof als een mosterdzaadje hebben, zal God, naar de belofte van de Heere, de meest angstaanjagende hindernissen voor ons uit de weg ruimen (Mattheüs 17 vers 20).

We weten ook dat "de wapenen van onze krijg ... niet vleselijk" zijn, "maar krachtig door God, tot neerwerping der sterkten" (2 Korinthe 10 vers 4). Laten we gebruik maken van dit onzichtbare wapen: het gebed!

Als er zulke 'Jericho's' op onze weg komen, laten we dan leren, net als Israël, er met de Heere (de ark) omheen te trekken, door onze stemmen tot God te verheffen. Dan zullen we, als Zijn tijdstip gekomen is, de muren zien vallen, zoals dat hier op de zevende dag ook gebeurde.

Israël heeft een aanwijzing gekregen die iedereen kon horen: de stad zou verbannen, vervloekt zijn. Alleen Rachab bleef met haar familie op grond van haar geloof gespaard.

Jozua 7:1-15
1Maar de kinderen Israels overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda, nam van het verbannene. Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen de kinderen Israels.2Als Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, aan het oosten van Beth-El, zo sprak hij tot hen, zeggende: Trekt opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.3Daarna keerden zij weder naar Jozua, en zeiden tot hem: Dat het ganse volk niet optrekke, dat er omtrent twee duizend mannen, of omtrent drie duizend mannen optrekken, om Ai te slaan; vermoei daarheen al het volk niet; want zij zijn weinige.4Alzo trokken derwaarts op van het volk omtrent drie duizend man; dewelke vloden voor het aangezicht der mannen van Ai.5En de mannen van Ai sloegen van dezelven omtrent zes en dertig man, en vervolgden hen van voor de poort tot Schebarim toe, en sloegen hen in een afgang. Toen versmolt het hart des volks, en het werd tot water.6Toen verscheurde Jozua zijn klederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde, voor de ark des HEEREN, tot den avond toe, hij en de oudsten van Israel; en zij wierpen stof op hun hoofd.7En Jozua zeide: Ach, Heere HEERE! waarom hebt Gij dit volk door de Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amorieten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde van de Jordaan!8Och, HEERE! wat zal ik zeggen, nademaal dat Israel voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft?9Als het de Kanaanieten, en alle inwoners des lands horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen, en onzen naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?10Toen zeide de HEERE tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij dus neder op uw aangezicht?11Israel heeft gezondigd; en zij hebben ook Mijn verbond, hetwelk Ik hun geboden had, overtreden; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd.12Daarom zullen de kinderen Israels niet kunnen bestaan voor het aangezicht hunner vijanden; zij zullen den nek voor het aangezicht hunner vijanden keren; want zij zijn in den ban. Ik zal voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den ban uit het midden van ulieden verdelgt.13Sta op, heilig het volk, en zeg: Heiligt u tegen morgen; want alzo zegt de HEERE, de God van Israel: Er is een ban in het midden van u, Israel! gij zult niet kunnen bestaan voor het aangezicht uwer vijanden, totdat gij den ban wegdoet uit het midden van u.14Gij zult dan in den morgenstond aankomen naar uw stammen; en het zal geschieden, de stam, welken de HEERE geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten, en welk geslacht de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen, en welk huisgezin de HEERE geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man.15En het zal geschieden, die geraakt zal worden met den ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond des HEEREN overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israel gedaan heeft.

Na Jericho komen we bij Ai, een kleine en onbeduidende stad. Het leek er echt op dat het heel gemakkelijk zou zijn om met deze stad af te rekenen, zonder daarbij het hele leger te moeten inschakelen; drieduizend man zouden wel genoeg zijn. Maar wat gebeurt er dan?

Tegen alle verwachting in wordt Israël overweldigd. Wat een grote teleurstelling!

Nu is het volk zelf aan de beurt; nu versmelt hun eigen hart, zoals dat een poosje geleden bij de vijand het geval was (hoofdstuk 5 vers 1).

Jozua valt ontmoedigd op zijn aangezicht en klaagt. Maar de HEERE roept hem op te gaan staan, en maakt hem duidelijk dat er in het midden van het volk iets niet in orde is. De ban, of anders gezegd, de zonde verhindert God ten behoeve van de Zijnen te strijden.

Dat is een heel belangrijke les voor ons allemaal! Ons geweten lijkt op de legerplaats van Israël. Als we een schuld verbergen, als we weigeren die voor God en mensen te belijden, zullen we beroofd worden van de gemeenschap met Hem waardoor een christen dan bij voorbaat al verslagen is.

En wat nog veel erger is: het gaat om de grote Naam die wij dragen (vers 9), om de Naam van Christus die door ons falen oneer aangedaan wordt!

"Wat zult Gij clan Uw grote Naam doen?" is een heel verstandig gebed. Wie op die manier bidt, stelt de verheerlijking van God boven de persoonlijke belangen.

Jozua 7:16-26
16Toen maakte zich Jozua des morgens vroeg op, en deed Israel aankomen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd geraakt.17Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zo raakte hij het geslacht van Zarchi. Toen hij het geslacht van Zarchi deed aankomen, man voor man, zo werd Zabdi geraakt;18Welks huisgezin als hij deed aankomen, man voor man, zo werd Achan geraakt, de zoon van Charmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda.19Toen zeide Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch den HEERE, den God van Israel, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat gij gedaan hebt, verberg het voor mij niet.20Achan nu antwoordde Jozua, en zeide: Voorwaar, ik heb tegen den HEERE, den God Israels, gezondigd, en heb alzo en alzo gedaan.21Want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed, en tweehonderd sikkelen zilvers, en een gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen; en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde, in het midden mijner tent, en het zilver daaronder.22Toen zond Jozua boden henen, die tot de tent liepen; en ziet, het lag verborgen in zijn tent, en het zilver daaronder.23Zij dan namen die dingen uit het midden der tent, en zij brachten ze tot Jozua en tot al de kinderen Israels; en zij stortten ze uit voor het aangezicht des HEEREN.24Toen nam Jozua, en gans Israel met hem, Achan, den zoon van Zerah, en het zilver, en het sierlijk overkleed, en de gouden tong, en zijn zonen, en zijn dochteren, en zijn ossen, en zijn ezelen, en zijn vee, en zijn tent, en alles wat hij had; en zij voerden ze naar het dal Achor.25En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De HEERE zal u beroeren te dezen dage! En gans Israel stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur, en zij overwierpen hen met stenen.26En zij richtten over hem een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag. Alzo keerde Zich de HEERE van de hittigheid Zijns toorns. Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe.

Zowel voor het oordeel als voor de strijd, staat Jozua 's morgens vroeg op. De zaak moet onmiddellijk opgelost worden. Als God ons geweten verlicht heeft, moeten we de dingen niet meer op de lange baan schuiven.

Eerst staat het hele volk voor Jozua, dan alleen de stam Juda; zo trekt het net zich steeds nauwer samen om de schuldige. Uiteindelijk wordt hij door de vinger van God aangewezen; het is Achan (vers 18).

Wat kan er erger zijn, dan zó door God ontmaskerd te worden? Bij het laatste Pascha met Zijn discipelen wijst de Heere Jezus de verrader aan door Judas de bete te geven die Hij ingedoopt had (Johannes 13 vers 26).

"Mijn zoon!" zegt Jozua, "geef toch de HEERE, de God van Israël de eer" (vers 19). De eer van God verlangt altijd de hele waarheid.

Daarop vertelt Achan zijn verdrietige geschiedenis. Een verhaal van begeerte waarvan Jakobus ons op de vreselijke gevolgen wijst (hoofdstuk 1 vers 14 en 15). Het begint met het zien van de ogen, dan komt de begeerte van het hart en tenslotte zijn er de handen om te grijpen en te verbergen. "Ik heb ... gezondigd", belijdt Achan, "en heb alzo en alzo gedaan. Want ik zag ... en ik kreeg lust daartoe, en ik nam ze" . De prachtige mantel uit Sinear (Babylon), het zilver en het goud waren goed verstopt in zijn tent waar God alleen het kon zien.

Maar laten we het uiteindelijke gevolg niet vergeten! "En de zonde voleindigd zijnde baart de dood". Wat een vreselijke opdracht: de boze moet uit het midden van de hele vergadering van Israël verwijderd worden (zie ook 1 Korinthe 5 vers 13)!

Jozua 8:1-13
1Toen zeide de HEERE tot Jozua: Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb den koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven.2Gij nu zult aan Ai en haar koning doen, gelijk als gij aan Jericho en haar koning gedaan hebt; behalve dat gij haar roof en haar vee voor ulieden roven zult; stel u een achterlage tegen de stad, van achter dezelve.3Toen maakte zich Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertig duizend mannen, strijdbare helden, en hij zond hen bij nacht uit,4En gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult der stad lagen leggen van achter de stad; houdt u niet zeer verre van de stad, en weest gij allen bereid.5Ik nu, en al het volk, dat bij mij is, zullen tot de stad naderen; en het zal geschieden, wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, gelijk als in het eerst, zo zullen wij voor hun aangezicht vlieden.6Laat hen dan uitkomen achter ons, totdat wij hen van de stad aftrekken; want zij zullen zeggen: Zij vlieden voor onze aangezichten, gelijk als in het eerst; zo zullen wij vlieden voor hun aangezichten.7Dan zult gijlieden opstaan uit de achterlage, en gij zult de stad innemen; want de HEERE, uw God, zal ze in uw hand geven.8En het zal geschieden, wanneer gij de stad ingenomen hebt, zo zult gij de stad met vuur aansteken; naar het woord des HEEREN zult gijlieden doen; ziet, ik heb het ulieden geboden.9Alzo zond Jozua hen heen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tussen Beth-El en tussen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte dien nacht in het midden des volks.10En Jozua maakte zich des morgens vroeg op, en hij monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israel, voor het aangezicht des volks, naar Ai.11Ook trok al het krijgsvolk op, dat bij hem was; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen het noorden van Ai; en er was een dal tussen hem en tussen Ai.12Hij nam ook omtrent vijf duizend man, en hij stelde hen tot een achterlage tussen Beth-El en tussen Ai, aan het westen der stad.13En zij stelden het volk, het ganse leger, dat aan het noorden der stad was, en zijn lage was aan het westen der stad. En Jozua ging in denzelven nacht in het midden des dals.

De ban was de hoofdoorzaak van de nederlaag die het volk geleden had. Maar er was ook nog een andere oorzaak. Blijkbaar had de overwinning op Jericho het volk zelfvertrouwen gegeven. Dat wekt nog meer verbazing, want het betrof daar immers een wonder! Welk deel had Israël gehad in de vernietiging van de machtige vesting?

Ach, hoe vaak lijken wij op dit volk! Als de Heere ons uit een moeilijke situatie bevrijd heeft, voelen ook wij het na een poosje niet meer zo zeer dat we zonder Zijn hulp niets kunnen.

We zouden ons juist veel meer aan Hem moeten toevertrouwen om stand te kunnen houden in volgende beproevingen. Want door zo'n hoge dunk van onszelf komen we vaak ten val!

Toch is het ook zo dat we in ons hart vaak bezorgd zijn als het om heel moeilijke situaties gaat, en dat we daarin juist wel op God vertrouwen. Maar de — in onze eigen ogen — kleine problemen menen we vaak zelf wel op te kunnen lossen. De geschiedenis van Ai laat ons zien dat we de Heere altijd en in elke situatie nodig hebben.

Wat kost het nu veel moeite om de overwinning te behalen. In plaats van de drieduizend man, zoals eerst de bedoeling was, zijn er nu tien keer zoveel mannen nodig om een ingewikkelde oorlogsmanoeuvre uit te voeren.

Herstel is altijd een langdurig en moeizaam gebeuren. In Jericho moest het volk de macht van God ontdekken; in Ai is het voor hen nodig dat ze hun eigen zwakheid leren kennen.

Jozua 8:14-23
14En het geschiedde, toen de koning van Ai dat zag, zo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen der stad kwamen uit, Israel tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, ter bestemder tijd, voor het vlakke veld; want hij wist niet, dat hem iemand een achterlage legde van achter de stad.15Jozua dan, en gans Israel, werd geslagen voor hun aangezichten; en zij vloden door den weg der woestijn.16Daarom werd samengeroepen al het volk, dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na, en werden van de stad afgetrokken.17En er werd niet een man overgelaten, in Ai, noch Beth-El, die niet uittrokken, Israel na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israel achterna.18Toen sprak de HEERE tot Jozua: Strek de spies uit, die in uw hand is, naar Ai, want Ik zal hen in uw hand geven. Toen strekte Jozua de spies, die in zijn hand was, naar de stad aan.19Toen rees de achterlage haastelijk op van haar plaats, en zij liepen toe, met dat hij zijn hand uitgestrekt had, en kwamen aan de stad, en zij namen ze in, en zij haastten zich, en staken de stad aan met vuur.20Als de mannen van Ai zich achterom keerden, zo zagen zij, en ziet, de rook der stad ging op naar den hemel; en zij hadden geen ruimte, om herwaarts of derwaarts te vlieden; want het volk, dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich tegen degenen, die hen najoegen.21En Jozua en gans Israel, ziende, dat de achterlage de stad ingenomen had, en dat de rook der stad opging, zo keerden zij zich om, en sloegen de mannen van Ai.22Ook kwamen die uit de stad hun tegemoet, zodat zij in het midden der Israelieten waren, deze van hier en gene van daar; en zij sloegen hen, totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam.23Doch den koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua.

"Wat zult Gij dan Uw grote Naam doen?" had Jozua gevraagd (hoofdstuk 7 vers 9). Nu, nadat de zonde weggedaan is en Israël op Hem vertrouwt, antwoordt God door de overwinning te geven.

De aanvoerder in deze overwinning wiens naam we steeds opnieuw tegenkomen bij deze gebeurtenissen, is Jozua. Ook nu weer is hij een beeld van Christus Die de Zijnen aanvoert in de strijd.

Door zijn spies die hij in opdracht van de HEERE tegen de stad uitstrekt, geeft Jozua aan wie de hele manoeuvre leidt. Daardoor herinnert hij het volk eraan dat het hele plan uit een strategie bestaat die alleen hij kent.

Zo is de Heere Jezus voor ons! Hij weet welke rol elke soldaat afzonderlijk moet vervullen. Hij wijst iedereen z'n eigen plaats aan. En uiteindelijk geeft Hij het sein voor elke beweging.

Als we op Christus zien, zoals de soldaten op de banier van hun leider, zullen we weten wat we moeten doen, en zullen we ook moedig zijn. Dan mogen we ook zeker weten dat we niet alleen staan in deze strijd; we hebben broeders en zusters die eenzelfde strijd voeren.

Het gaat daarbij niet, zoals in de dagen van Jozua, om een openlijke, glorierijke en opzienbarende strijd. Nee, onze overwinningen zullen we over het algemeen juist in de stilte, op onze knieën, behalen. Alleen de Heere zal daarvan Getuige zijn.

Jozua 8:24-35
24En het geschiedde, toen de Israelieten een einde gemaakt hadden van al de inwoners van Ai te doden, op het veld, in de woestijn, in dewelke zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren; zo keerde zich gans Israel naar Ai, en zij sloegen ze met de scherpte des zwaards.25En het geschiedde, dat allen, die te dien dage vielen, zo mannen als vrouwen, waren twaalf duizend, al te zamen lieden van Ai.26Jozua trok ook zijn hand niet terug, die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij al de inwoners van Ai verbannen had.27Alleenlijk roofden de Israelieten voor zichzelven het vee en den buit derzelver stad, naar het woord des HEEREN, dat Hij Jozua geboden had.28Jozua nu verbrandde Ai, en hij stelde haar tot een eeuwigen hoop, ter verwoesting, tot op dezen dag.29En den koning van Ai hing hij aan een hout, tot aan den avondstond; en omtrent den ondergang der zon gebood Jozua, dat men zijn dood lichaam van het hout afname; en zij wierpen het aan de deur der stadspoort, en richtten daarop een groten steenhoop, zijnde tot op dezen dag.30Toen bouwde Jozua een altaar den HEERE, den God van Israel, op den berg Ebal;31Gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, den kinderen Israels geboden had, achtereenvolgens hetgeen geschreven is in het wetboek van Mozes: een altaar van gehele stenen, over dewelke men geen ijzer bewogen had; en daarop offerden zij den HEERE brandofferen; ook offerden zij dankofferen.32Aldaar schreef hij ook op stenen een dubbel van de wet van Mozes, hetwelk hij geschreven heeft voor het aangezicht der kinderen Israels.33En gans Israel met zijn oudsten, en ambtlieden, en zijn rechters, stonden aan deze en aan gene zijde der ark, voor de Levietische priesteren, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zo vreemdelingen als inboorlingen, een helft daarvan tegenover den berg Gerizim, en een helft daarvan tegenover den berg Ebal, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, bevolen had; om het volk van Israel in het eerst te zegenen.34En daarna las hij overluid al de woorden der wet, de zegening en den vloek, naar alles, wat in het wetboek geschreven staat.35Daar was niet een woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las voor de gehele gemeente van Israel, en de vrouwen, en de kleine kinderen, en de vreemdelingen, die in het midden van hen wandelden.

Ai wordt ingenomen en verbrand, de bewoners zijn omgebracht, de koning opgehangen en de buit wordt door het volk geplunderd, "naar het woord des HEEREN, dat Hij Jozua geboden had" (vers 27). Nadat ze eerst voor hun eigen wil een hoge prijs betaald hebben, richten Jozua en het volk zich nu helemaal naar de aanwijzingen van God.

In Deuteronomium 21 vers 22 en 23 werd het Israël verboden, het stoffelijk overschot van iemand die opgehangen was, 's nachts te laten hangen. Jozua gehoorzaamt daaraan (vers 29), een bewijs dat hij het land al als in bezit genomen beschouwt.

Laten ook wij ons beijveren, ons doen en laten steeds zo veel mogelijk in overeenstemming met het Woord van God te laten zijn! Wat zou er een kracht van ons getuigenis uitgaan, als wij in alle levensvragen en bij al ons handelen konden antwoorden: 'Zo verlangt de Heere het van ons; dit zegt Hij in Zijn Woord'.

Zie op de Heere Jezus aan het kruis! In het laatste moment van Zijn leven als gehoorzame Mens zegt Hij, "opdat de Schrift zou vervuld worden ...: Mij dorst" (Johannes 19 vers 28).

Ook het gebeuren in de verzen 30 tot en met 35 komt overeen met de aanwijzingen van God (Deuteronomium 11 vers 29 en 27 vanaf vers 11). Mannen, vrouwen en kinderen; het hele volk, vreemdelingen incluis (waarschijnlijk ook Rachab), zijn op de juiste plaats bijeengekomen om te luisteren naar de woorden van de wet. En in het midden van deze bijeenkomst staat de heilige ark, een beeld van Christus. De aanbidding en vreugde worden tot uitdrukking gebracht in de brand— en dankoffers.

Jozua 9:1-16
1En het geschiedde, toen dit hoorden al de koningen, die aan deze zijde van de Jordaan waren, op het gebergte, en in de laagte, en aan alle havens der grote zee, tegenover den Libanon: de Hethieten, en de Amorieten, de Kanaanieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten;2Zo vergaderden zij zich samen, om tegen Jozua en tegen Israel te krijgen, eenmoediglijk.3Als de inwoners te Gibeon hoorden, wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had,4Zo handelden zij ook arglistiglijk, en gingen heen, en veinsden zich gezanten te zijn, en zij namen oude zakken op hun ezels, en oude en gescheurde, en samengebonden lederen wijnzakken;5Ook oude en bevlekte schoenen aan hun voeten, en zij hadden oude klederen aan, en al het brood, dat zij op hun reize hadden, was droog en beschimmeld.6En zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal, en zij zeiden tot hem en tot de mannen van Israel: Wij zijn gekomen uit een ver land, zo maakt nu een verbond met ons.7Toen zeiden de mannen van Israel tot de Hevieten: Misschien woont gijlieden in het midden van ons, hoe zullen wij dan een verbond met u maken?8Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uw knechten. Toen zeide Jozua tot hen: Wie zijt gijlieden, en van waar komt gij?9Zij nu zeiden tot hem: Uw knechten zijn uit een zeer ver land gekomen, om den Naam des HEEREN, uws Gods; want wij hebben Zijn gerucht gehoord, en alles wat Hij in Egypte gedaan heeft;10En alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen der Amorieten die aan gene zijde van de Jordaan waren, Sihon, den koning van Hesbon, en Og, den koning van Bazan, die te Astharoth woonde.11Daarom spraken tot ons onze oudsten, en al de inwoners onzes lands, zeggende: Neemt reiskost met u in uw handen op de reize, en gaat hun tegemoet, en zegt tot hen: Wij zijn ulieder knechten, zo maakt nu een verbond met ons.12Dit ons brood hebben wij warm tot onzen teerkost uit onze huizen genomen, ten dage, toen wij uittogen om tot ulieden te reizen; maar ziet, nu is het droog, en het is beschimmeld;13En deze lederen wijnzakken, die wij gevuld hebben, waren nieuw, maar ziet, zij zijn gescheurd; en deze onze klederen, en onze schoenen zijn oud geworden, vanwege deze zeer lange reis.14Toen namen de mannen van hun reiskost; en zij vraagden het den mond des HEEREN niet.15En Jozua maakte vrede met hen, en hij maakte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zoude; en de oversten der vergadering zwoeren hun.16En het geschiedde ten einde van drie dagen, nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, zo hoorden zij, dat zij hun naburen waren, en dat zij in het midden van hen waren wonende.

Terwijl het volk van God zijn kracht put uit de afhankelijkheid van de Heere, probeert de wereld sterk te staan door zich met elkaar te verenigen. Hun spreekwoord 'eendracht maakt macht', is de basis voor allerlei vormen van samenwerking, ook op religieus gebied.

Hier zien we ook dat alle vijandige volken samenkomen "om tegen Jozua en tegen Israël krijg te voeren, eendrachtig" (vers 2). Als het erom gaat, de waarheid te bestrijden, vinden mensen die anders in onderlinge vijandschap leven, elkaar altijd. Herodes en Pilatus verzoenden zich met elkaar en werkten samen "met de heidenen en de volken Israëls" tegen de Heere Jezus (Lukas 23 vers 12; Handelingen 4 vers 27).

Terwijl de aandacht van het volk Israël helemaal uitgaat naar het grote aantal Kanaänieten, wordt het met list overrompeld. Als het satan niet lukt met geweld en door middel van macht zijn doel te bereiken, kent hij nog wel andere kneepjes.

Tegemoetkomingen en vleierijen vormen voor ons vaak een valstrik waardoor wij struikelen; vooral als we niet eerst de Heere om raad gevraagd hebben (vers 14).

De wereld wil graag samenwerken met kinderen van God en probeert door vriendelijkheid haar ware bedoelingen te verbergen (Ezra 4 vers 2).

Laten we daarvoor oppassen! Want ten eerste betekent zo'n verbinding ongehoorzaamheid aan de Heere, maar ten tweede is het ook een open deur voor verdere ontrouw (Exodus 34 vers 12, 15 en 16).

Jozua 9:17-27
17Want toen de kinderen Israels voorttogen, zo kwamen zij ten derden dage aan hun steden; hun steden nu waren Gibeon, en Chefira, en Beeroth, en Kirjath-Jearim.18En de kinderen Israels sloegen ze niet, omdat de oversten der vergadering hun gezworen hadden bij den HEERE, den God Israels; daarom murmureerde de ganse vergadering tegen de oversten.19Toen zeiden al de oversten tot de ganse vergadering: Wij hebben hun gezworen bij den HEERE, den God Israels; daarom kunnen wij hen niet aantasten.20Dit zullen wij hun doen, dat wij hen bij het leven behouden, opdat geen grote toorn over ons zij, om des eeds wil, dien wij hun gezworen hebben.21Verder zeiden de oversten tot hen: Laat hen leven, en laat ze houthouwers en waterputters zijn der ganse vergadering, gelijk de oversten tot hen gezegd hebben.22En Jozua riep hen, en sprak tot hen, zeggende: Waarom hebt gijlieden ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer verre van ulieden gezeten, daar gij in het midden van ons zijt wonende?23Nu dan, vervloekt zijt gijlieden! en onder ulieden zullen niet afgesneden worden knechten, noch houthouwers, noch waterputters ten huize mijns Gods.24Zij dan antwoordden Jozua, en zeiden: Dewijl het aan uw knechten zekerlijk was te kennen gegeven, dat de HEERE, uw God, Zijn knecht Mozes geboden heeft, dat Hij ulieden al dit land geven, en al de inwoners des lands voor ulieder aangezicht verdelgen zoude, zo vreesden wij onzes levens zeer voor ulieder aangezichten; daarom hebben wij deze zaak gedaan.25En nu, zie, wij zijn in uw hand; doe, gelijk het goed en gelijk het recht is in uw ogen ons te doen.26Zo deed hij hun alzo, en hij verloste hen van de hand der kinderen Israels, dat zij hen niet doodsloegen.27Alzo gaf Jozua hen over ten zelven dage tot houthouwers en waterputters der vergadering, en dat tot het altaar des HEEREN, tot dezen dag toe, aan de plaats, die Hij verkiezen zoude.

Eerder, bij Ai, had het volk gedacht sterk genoeg te zijn. Nu ze tegenover de Gíbeonieten staan, denken ze zelf wijs genoeg te zijn. Ze zien niet in dat het nodig is eerst de HEERE om raad te vragen (vers 14). Het gevolg is dat ze in grote verlegenheid komen wanneer ze de waarheid ontdekken. Voortaan moesten ze deze Kanaänieten naast zich dulden. En later zien we dat ze op verdrietige wijze met de geschiedenis van Israël verbonden zijn (2 Samuël 21).

De Gíbeonieten maken duidelijk waarom ze zo gehandeld hebben. Misschien vragen wij ons wel af wat ze anders hadden moeten doen om niet door de Israëlieten uitgeroeid te worden. Nu, het voorbeeld van Rachab laat ons zien dat het mogelijk was zich onder de bescherming van de God van Israël te stellen. Hoe dan? Door geloof en door het erkennen van het feit dat ze vijanden van Israël zijn. Als dat bij de Gíbeonieten aanwezig was geweest, zou er een uitweg voor hen geweest zijn. Ze wisten van God, zij hadden immers "Zijn gerucht gehoord" (vers 9)!

De mensen van deze wereld lijken op de Gíbeonieten. Ze hopen het oordeel te kunnen ontlopen door zich uiterlijk met het volk van God te verbinden. Ze willen de komende toorn ontvluchten en zekerheid hebben voor de dood waar ze zo bang voor zijn, maar dat alles zonder hun eigen toestand te erkennen en zonder zich onder de genade van God te stellen!

In tegenstelling tot Rachab die de vrouw van Salmon, een vorst van Juda, werd (Mattheüs 1 vers 5), bleven de Gíbeonieten daarom knechten. Ze werden tot "houthouwers en waterputters van de vergadering" gemaakt (vers 27).

Jozua 10:1-11
1Het geschiedde nu, toen Adoni-Zedek, de koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen, en haar verbannen had, en aan Ai en haar koning alzo gedaan had, gelijk als hij aan Jericho en haar koning gedaan had; en dat de inwoners van Gibeon vrede met Israel gemaakt hadden, en in derzelver midden waren;2Zo vreesden zij zeer; want Gibeon was een grote stad, als een der koninklijke steden; ja, zij was groter dan Ai, en al haar mannen waren sterk.3Daarom zond Adoni-Zedek, koning van Jeruzalem, tot Hoham, den koning van Hebron, en tot Pir-Am, den koning van Jarmuth, en tot Jafia, den koning van Lachis, en tot Debir, den koning van Eglon, zeggende:4Komt op tot mij, en helpt mij, dat wij Gibeon slaan; omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de kinderen Israels.5Toen werden verzameld en kwamen op, vijf koningen der Amorieten, de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmuth, de koning van Lachis, de koning van Eglon, zij en al hun legers; en zij belegerden Gibeon, en krijgden tegen haar.6De mannen nu van Gibeon zonden tot Jozua, in het leger van Gilgal, zeggende: Trek uw handen niet af van uw knechten, kom haastelijk tot ons op, en verlos ons, en help ons; want al de koningen der Amorieten, die op het gebergte wonen, hebben zich tegen ons vergaderd.7Toen toog Jozua op van Gilgal, hij en al het krijgsvolk met hem, en alle strijdbare helden.8Want de HEERE had tot Jozua gezegd: Vrees u niet voor hen, want Ik heb ze in uw hand gegeven; niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan.9Alzo kwam Jozua snellijk tot hen; den gansen nacht over was hij van Gilgal opgetrokken.10En de HEERE verschrikte hen voor het aangezicht van Israel; en hij sloeg hen met een groten slag te Gibeon, en vervolgde hen op den weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.11Het geschiedde nu, toen zij voor het aangezicht van Israel vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-horon, zo wierp de HEERE grote stenen op hen van den hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven; daar waren er meer, die van de hagelstenen stierven, dan die de kinderen Israels met het zwaard doodden.

Er staan nieuwe vijanden op tegen Israël. Hun aanvoerder is de koning van Jeruzalem, Adóni-Zédek (= heer der gerechtigheid). Wat een verschil bestaat er tussen hem en Melchizédek (= koning der gerechtigheid), de koning van Salem (Genesis 14 vers 18 tot en met 20)!

De laatstgenoemde had Abraham gezegend en daarna God, de Allerhoogste, Die de vijanden had overgegeven in de hand van deze aartsvader, geprezen.

Adóni-Zédek daarentegen plaatst zichzelf voorop bij de vijanden van het volk van Abraham. Hij verzamelt zijn bondgenoten tegen de Gíbeonieten die van hun kant de toevlucht nemen tot hun nieuwe bondgenoot Israël.

DM zijn de kwalijke gevolgen van de ontrouw waarover we in hoofdstuk 9 lazen. Als de HEERE met Zijn volk was, had het dan nog een andere bondgenoot nodig? Dat brengt alleen maar meer gevaren met zich mee!

Ondanks dat geeft God hun toch de overwinning. Israël trekt op vanuit Gilgal, de plaats van de besnijdenis, een beeld van het oordeel over het vlees. De Brief aan de Kolossers maakt ons de betekenis hiervan duidelijk. Als we met Christus gestorven en opgewekt zijn, moeten we ook onze leden doden (Kolosse 2 vers 20 en 3 vers 1 en 5).

Daarom moet het volk eerst terug naar Gilgal; daarin ligt het grote geheim van de overwinning! Om te kunnen triomferen, moet de strijder van het geloof eerst inzien dat hij in zichzelf geen enkele kracht heeft. Dan pas is hij genegen, alleen God te laten handelen. Godzelf strijdt vanuit de hemel voor het volk Israël.

Jozua 10:12-27
12Toen sprak Jozua tot den HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht de kinderen Israels overgaf, en zeide voor de ogen der Israelieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon!13En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten? De zon nu stond stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.14En er was geen dag aan dezen gelijk, voor hem noch na hem, dat de HEERE de stem eens mans alzo verhoorde; want de HEERE streed voor Israel.15Toen keerde Jozua weder, en gans Israel met hem, naar het leger te Gilgal.16Maar die vijf koningen waren gevloden, en hadden zich verborgen in de spelonk bij Makkeda.17En aan Jozua werd geboodschapt, mits te zeggen: Die vijf koningen zijn gevonden, verborgen in de spelonk bij Makkeda.18Zo zeide Jozua: Wentelt grote stenen voor den mond der spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren.19Maar staat gijlieden niet stil, jaagt uw vijanden achterna, en slaat hen in den staart; laat hen in hun steden niet komen; want de HEERE, uw God, heeft ze in uw hand gegeven.20En het geschiedde, toen Jozua en de kinderen Israels geeindigd hadden hen met een zeer groten slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de overgeblevenen, die van hen overgebleven waren, in de vaste steden gekomen waren;21Zo keerde al het volk tot Jozua in het leger, bij Makkeda, in vrede; niemand had zijn tong tegen de kinderen Israels geroerd.22Daarna zeide Jozua: Opent den mond der spelonk, en brengt tot mij uit die vijf koningen, uit die spelonk.23Zij nu deden alzo, en brachten tot hem uit die vijf koningen, uit de spelonk: den koning van Jeruzalem, den koning van Hebron, den koning van Jarmuth, den koning van Lachis, den koning van Eglon.24En het geschiedde, als zij die koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zo riep Jozua al de mannen van Israel, en hij zeide tot de oversten des krijgsvolks, die met hem getogen waren: Treedt toe, zet uw voeten op de halzen dezer koningen. En zij traden toe, en zetten hun voeten op hun halzen.25Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en ontzet u niet, zijt sterk en hebt goeden moed; want alzo zal de HEERE aan al uw vijanden doen, tegen dewelke gijlieden strijdt.26En Jozua sloeg hen daarna, en doodde ze, en hing ze aan vijf houten; en zij hingen aan de houten tot den avond.27En het geschiedde, ten tijde als de zon onderging, beval Jozua, dat men hen van de houten afname, en zij wierpen hen in de spelonk, alwaar zij verborgen geweest waren; en zij legden grote stenen voor den mond der spelonk, die daar zijn tot op dezen zelven dag.

Op het gebed van Jozua laat de HEERE een hele dag de zon en de maan stilstaan. Op die manier laat Hij deze heidense volken zien Wie de God is Die voor Israël strijdt. Maar tegelijkertijd laat Hij de Zijnen zien hoe ver Hij kan gaan in de verhoring van hun gebeden (Markus 9 vers 23).

Is het echter niet een nog veel groter wonder dat God de genadetijd nu al bijna tweeduizend jaar laat duren? In plaats van oordeel en wraak uit te oefenen, zoals in de tijd van Jozua, is Hij nog steeds lankmoedig, daar Hij wil dat allen tot bekering komen (2 Petrus 3 vers 9).

God handelt heel geduldig met de wereld (misschien ook nog met u?) en "doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen" (Mattheüs 5 vers 45). Ieder mens vindt dat heel normaal. Maar laten wij, als er weer een nieuwe dag aanbreekt, veel aan het grote geduld van God denken.

De zon gaat niet onder; de vijanden vluchten voor het licht en zoeken de duisternis op door zich te verstoppen (vers 16; Johannes 3 vers 19 tot en met 21 en Openbaring 6 vers 15 tot en met 17). Maar de overwinning wordt behaald en de vijf koningen worden uit de spelonk gehaald.

"Treedt toe", zegt Jozua tegen zijn aanvoerders, "zet uw voeten op de halzen van deze koningen ... Vreest niet!" (vers 24 en 25). Dat was het teken van de triomf en een heenwijzing naar de nabije toekomst waarin de God van de vrede satan onder onze voeten zal verpletteren en de vijanden tot een voetbank voor de voeten van de Heere Jezus zal stellen (Romeinen 16 vers 20; Psalm 110 vers 1).

Jozua 10:28-43
28Op denzelven dag nam ook Jozua Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards; daartoe verbande hij derzelver koning, henlieden en alle ziel die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; en hij deed den koning van Makkeda, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.29Toen toog Jozua door, en gans Israel met hem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna.30En de HEERE gaf dezelve ook in de hand van Israel, met haar koning; en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was; hij liet daarin geen overigen overblijven; en hij deed derzelver koning, gelijk als hij den koning van Jericho gedaan had.31Toen toog Jozua voort, en gans Israel met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en krijgde tegen haar.32En de HEERE gaf Lachis in de hand van Israel; en hij nam haar in op den tweeden dag, en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, naar alles, wat hij aan Libna gedaan had.33Toen trok Horam, de koning van Gezer, op, om Lachis te helpen; maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet.34En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gans Israel met hem; en zij belegerden haar en krijgden tegen haar.35En zij namen haar in ten zelven dage, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, verbande hij op denzelven dag, naar alles, wat hij aan Lachis gedaan had.36Daarna toog Jozua op, en gans Israel met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar.37En zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, zo haar koning als al haar steden, en alle ziel, die daarin was; hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles, wat hij Eglon gedaan had; en hij verbande haar, en alle ziel, die daarin was.38Toen keerde Jozua, en gans Israel met hem, naar Debir, en hij krijgde tegen haar.39En hij nam haar in, met haar koning, en al haar steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden alle ziel, die daarin was; hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij aan Hebron gedaan had, alzo deed hij aan Debir en haar koning, en gelijk als hij aan Libna en haar koning gedaan had;40Alzo sloeg Jozua het ganse land, het gebergte, en het zuiden, en de laagte, en de aflopingen der wateren, en al hun koningen; hij liet geen overigen overblijven; ja, hij verbande alles, wat adem had, gelijk als de HEERE, de God Israels, geboden had.41En Jozua sloeg hen van Kades-Barnea en tot Gaza toe; ook het ganse land Gosen, en tot Gibeon toe.42En Jozua nam al deze koningen en hun land op eenmaal; want de HEERE, de God Israels, streed voor Israel.43Toen keerde Jozua weder, en gans Israel met hem, naar het leger te Gilgal.

De angstaanjagende steden — "groot, en versterkt tot in de hemel toe" (Deuteronomium 1 vers 28) — vallen, de één na de ander. Hun koningen, hun reuzen, al hun inwoners, worden onvermijdelijk door "Jozua ... en gans Israël met hem" verslagen.

Laten we erop letten dat deze uitdrukking telkens terugkeert. Dat herinnert ons aan de onlosmakelijke verbinding tussen Christus en de Zijnen. Dit laat ook duidelijk zien dat ónze vijanden in eerste instantie de vijanden van de Heere zijn! Niemand kan mij aanvallen, zonder het met mijn Meester te doen te krijgen.

Als ik Hem voor mij uit laat gaan, kan ik de overwinnaar zijn. Maar zonder Hem heb ik de strijd bij voorbaat al verloren. Daarom doet de vijand (satan) ook zoveel moeite om de verbinding (de gemeenschap) tussen mij en mijn Heere te verbreken. Ook al vergeten wij hét wel eens, de vijand vergeet nooit dat we zonder (= gescheiden van) de Heere niets kunnen doen (Johannes 15 vers 5).

Wat een lange lijst van overwinningen wordt hier opgesomd! O, dat er in mijn christelijk leven toch ook zo'n lange lijst van overwinningen die ik in de stilte met de Heere behaald heb, mag zijn! Overwinningen voor de waarheid, voor de reinheid of in een of andere beproeving!

Jongelui, juist jullie zijn in een leeftijd waarop veel strijd te verwachten is. Behoren jullie tot die jongelingen van wie de apostel Johannes schrijven kon: "Gij hebt de boze overwonnen" (1 Johannes 2 vers 13)?

Jozua 11:1-11
1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;3Tot de Kanaanieten tegen het oosten en tegen het westen, en de Amorieten, en de Hethieten, en de Ferezieten; en de Jebusieten op het gebergte, en de Hevieten onder aan Hermon, in het land van Mizpa.4Dezen nu togen uit, en al hun heirlegers met hen; veel volks, als het zand, dat aan den oever der zee is, in veelheid; en zeer vele paarden en wagens.5Al deze koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich samen aan de wateren van Merom, om tegen Israel te krijgen.6En de HEERE zeide tot Jozua: Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent dezen tijd zal Ik hen altegader verslagen geven voor het aangezicht van Israel; hun paarden zult gij verlammen, en hun wagenen met vuur verbranden.7En Jozua, en al het krijgsvolk met hem, kwam snellijk over hen aan de wateren van Merom, en zij overvielen hen.8En de HEERE gaf hen in de hand van Israel, en zij sloegen hen, en joegen hen na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-maim, en tot het dal Mizpa tegen het oosten; en zij sloegen hen, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.9Jozua nu deed hun, gelijk hem de HEERE gezegd had; hun paarden verlamde hij, en hun wagenen verbrandde hij met vuur.10En Jozua keerde weder ter zelver tijd, en hij nam Hazor in, en haar koning sloeg hij met het zwaard; want Hazor was te voren het hoofd van al deze koninkrijken.11En zij sloegen alle ziel, die daarin was, met de scherpte des zwaards, die verbannende; er bleef niets over, dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.

Bij Gíbeon werd het bondgenootschap van de koning van het zuiden verslagen. Nu verzamelt het noorden van het land zich rondom Jabin, de koning van Hazor: een talrijk volk om tegen Israël te strijden. "Al deze koningen werden vergaderd" (vers 5).

"De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen tezamen tegen de HEERE, en tegen Zijn Gezalfde", zegt Psalm 2 vers 2, met het oog op de toekomst.

Wat zegt de HEERE tegen Jozua? "Vrees niet voor hun aangezichten; want morgen omtrent deze tijd zal Ik hen al tezamen verslagen geven voor het aangezicht van Israël" (vers 6). Na de overwinning volgt dan ook een vernietiging waarbij niemand gespaard blijft.

We kunnen deze vreselijke oordelen maar moeilijk begrijpen. Of niet soms? Wij zijn immers de volgelingen van een Meester Die ons nadrukkelijk zegt: "Hebt uw vijanden lief; doet wel aan hen, die u haten" (Lukas 6 vers 27).

Wij zijn de kinderen van een God Die ons vermaant: "Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken" (Romeinen 12 vers 20).

Maar we moeten niet vergeten, dat, wanneer er een tijd van genade is (en dat is onze tijd), er ook een tijd van toorn zal komen!

Het oordeel over de Kanaänieten, na eeuwenlang geduld van God, is hier een ernstig voorbeeld van.

Jozua 11:12-23
12En Jozua nam al de steden dezer koningen in, en al haar koningen, en hij sloeg hen met de scherpte des zwaards, hen verbannende, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN geboden had.13Alleenlijk verbrandden de Israelieten geen steden, die op haar heuvelen stonden, behalve Hazor alleen; dat verbrandde Jozua.14En al den roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen Israels voor zich; alleenlijk sloegen zij al de mensen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgden; zij lieten niet overblijven wat adem had.15Gelijk als de HEERE Mozes, Zijn knecht, geboden had, alzo gebood Mozes aan Jozua; en alzo deed Jozua; hij deed er niet een woord af van alles, wat de HEERE Mozes geboden had.16Alzo nam Jozua al dat land in, het gebergte, en al het zuiden, en al het land van Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israels, en zijn laagte.17Van den kalen berg, die opwaarts naar Seir gaat, tot Baal-Gad toe, in het dal van den Libanon, onder aan den berg Hermon; al hun koningen nam hij ook, en sloeg hen, en doodde hen.18Vele dagen voerde Jozua krijg tegen al deze koningen.19Er was geen stad, die vrede maakte met de kinderen Israels, behalve de Hevieten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allen in door krijg.20Want het was van den HEERE, hun harten te verstokken, dat zij Israel met oorlog tegemoet gingen, opdat hij hen verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij hen verdelgen zoude, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.21Te dier tijde nu kwam Jozua, en roeide de Enakieten uit, van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anab, en van het ganse gebergte van Juda, en van het ganse gebergte van Israel; Jozua verbande hen met hun steden.22Er bleef niemand van de Enakieten over in het land der kinderen Israels; alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath, en te Asdod.23Alzo nam Jozua al dat land in, naar alles, wat de HEERE tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israel ten erve, naar hun afdelingen, naar hun stammen. En het land rustte van den krijg.

De vijanden waartegen Israël gestreden heeft en die door hen overwonnen werden, zijn een beeld van de vijanden die tegen Christus strijden: satan en zijn engelen.

Onze strijd is "tegen de overheden, tegen de machten, ... tegen de geestelijke boosheden in de lucht" (Efeze 6 vers 12). Veel mensen denken dat de duivel en zijn demonen alleen in de hel aanwezig zijn. De Bijbel laat ons echter zien dat zij nu nog in de hemelse gewesten aanwezig zijn en dat de satan de aarde doorkruist om de mensen schade toe te brengen (Job 1 vers 6 en 7).

Het is zeker dat hij de gelovigen niet van hun heil kan beroven (Johannes 10 vers 28). Toch doet hij alle moeite en strijdt tegen ons om ons het genot van de hemelse zegeningen te ontroven. Hij probeert ons — om in de beeldspraak van het beloofde land te blijven — iets te ontnemen van het gebied dat wij door vroegere overwinningen al ingenomen hebben.

Daarom worden we in Efeze 6 niet alleen opgeroepen, te strijden en te overwinnen, maar ook om vast te staan.

Het Woord van God is voor ons het onoverwinnelijke wapen tegen alle aanvallen van de tegenstander. Dit Woord zegt ons dat wij noch door overheden, noch door machten gescheiden kunnen worden van de liefde van God; maar dat wij juist "meer dan overwinnaars" zijn, "door Hem Die ons liefgehad heeft" (Romeinen 8 vers 37 tot en met 39).

Jozua 12:1-24
1Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het ganse vlakke veld tegen het oosten:2Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; die van Aroer af heerste, welke aan den oever der beek Arnon is, en over het midden der beek en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons;3En over het vlakke veld tot aan de zee van Cinneroth tegen het oosten, en tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, tegen het oosten, op den weg naar Beth-Jesimoth; en van het zuiden beneden Asdoth-Pisga.4Daartoe de landpale van Og, den koning van Bazan, die van het overblijfsel der reuzen was, wonende te Astharoth en te Edrei.5En heerste over den berg Hermon, en over Salcha, en over geheel Bazan, tot aan de landpale der Gezurieten, en der Maachathieten; en de helft van Gilead, de landpale van Sihon, den koning van Hesbon.6Mozes, de knecht des HEEREN, en de kinderen Israels sloegen hen, en Mozes, de knecht des HEEREN, gaf aan de Rubenieten en aan de Gadieten, en aan den halven stam van Manasse, dat land tot een erfelijke bezitting.7Dit nu zijn de koningen des lands, die Jozua sloeg, en de kinderen Israels, aan deze zijde van de Jordaan tegen het westen, van Baal-Gad aan, in het dal van den Libanon, en tot aan den kalen berg, die naar Seir opgaat; en Jozua gaf het aan de stammen Israels tot een erfelijke bezitting, naar hun afdelingen.8Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen der wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaanieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten.9De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;10De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;12De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;13De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;14De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;15De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;16De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;17De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;18De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;20De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;21De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;22De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;24De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.

Het Boek Jozua bestaat eigenlijk uit twee delen van elk twaalf hoofdstukken. Het eerste deel dat wij vandaag besluiten, geeft een beschrijving van de verovering van Kanaän door het volk Israël. In het tweede deel (hoofdstuk 13 tot en met 24) vinden wij hoofdzakelijk de beschrijving van de verdeling van het land onder de stammen.

"En het land rustte van de strijd" (hoofdstuk 11 vers 23), wordt in hoofdstuk 12 gevolgd door de lange opsomming van de namen van overwonnen koningen.

Twee van hen, Sihon en Og, waren al vóór de doortocht door de Jordaan overwonnen, de andere eenendertig zijn in het land zelf overwonnen.

Het is een bemoediging om op te merken dat God Zelf deze samenvatting maakt. Dat is een bewijs dat Hij geen enkele overwinning die wij met de Heere maken, vergeet. En Hij weet dat elke overwinning met moeiten en ontberingen gepaard gaat. Daarom, strijders voor Christus, laten we moedig verder gaan! Bij elke strijd is een soevereine Scheidsrechter aanwezig Die 'de punten noteert'. Elke vergissing is uitgesloten: "De koning van Hebron, één; de koning van Jarmuth, één; de koning van Lachis, één; ...".

De Heere geve ons genade dat ieder van ons op zijn eigen plaats een trouwe strijder is! Heel binnenkort zal het moment aanbreken waarop we de wapens neer kunnen leggen en dan samen met de Heere Jezus van de hemelse rust mogen genieten.

Ja, moge het dan zo zijn dat we het met de apostel kunnen zeggen: "Ik heb de goede strijd gestreden", en dat we de kroon ontvangen die aan elk die overwonnen heeft, beloofd is (2 Timotheüs 4 vers 7; Openbaring 2 en 3).

Jozua 13:1-14
1Jozua nu was oud, wel bedaagd; en de HEERE zeide tot hem: Gij zijt oud geworden, welbedaagd, en er is zeer veel lands overgebleven, om dat erfelijk te bezitten.2Dit is het land, dat overgebleven is; al de grenzen der Filistijnen en het ganse Gesuri.3Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat den Kanaanieten toegerekend wordt; vijf vorsten der Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten.4Van het zuiden, het ganse land der Kanaanieten, en Meara, die van de Sidoniers is, tot Afek toe, tot aan de landpale der Amorieten.5Daartoe het land der Giblieten, en de ganse Libanon tegen den opgang der zon, van Baal-Gad, onder aan den berg Hermon, tot aan den ingang van Hamath.6Allen, die op het gebergte wonen van den Libanon aan tot Misrefoth-maim toe, al de Sidoniers; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht der kinderen Israels; alleenlijk maak, dat het Israel ten erfdeel valle, gelijk als Ik u geboden heb.7En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan den halven stam van Manasse,8Met denwelken de Rubenieten en Gadieten hun erfenis ontvangen hebben; dewelke Mozes hunlieden gaf aan gene zijde van de Jordaan tegen het oosten, gelijk als Mozes, de knecht des HEEREN, hun gegeven had:9Van Aroer aan, die aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land van Medeba tot Dibon toe;10En al de steden van Sihon, de koning der Amorieten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de landpale der kinderen Ammons;11En Gilead, en de landpale der Gezurieten, en der Maachathieten, en den gansen berg Hermon, en gans Bazan, tot Salcha toe;12Het ganse koninkrijk van Og, in Bazan, die geregeerd heeft te Astharoth, en te Edrei; deze is overig gebleven uit het overblijfsel der reuzen, dewelke Mozes heeft verslagen, en heeft ze verdreven.13Doch de kinderen Israels verdreven de Gezurieten en de Maachathieten niet; maar Gezur en Maachath woonden in het midden van Israel tot op dezen dag.14Alleenlijk gaf hij den stam Levi geen erfenis. De vuurofferen Gods, des HEEREN van Israel, zijn zijne erfenis, gelijk als Hij tot hem gesproken had.

De HEERE herinnert Jozua eraan dat er nog heel veel over is van het land om in bezit te nemen. De grenzen waren hem al aangewezen (hoofdstuk 1 vers 4) en zijn gemakkelijk te onthouden. In het zuiden: een grote woestijn; in het noorden: een groot gebergte (de Libanon); in het oosten: een grote rivier (de Eufraat); en in het westen: een grote zee (de Middellandse Zee).

Ook het land dat wij door het geloof mogen innemen, heeft zijn grenzen. Die worden gevormd door de wereld, zoals die zich aan ons openbaart:

een dor land, zonder vrucht voor God (de woestijn);

vol hoogmoed en ijdelheid (het gebergte);

volop bezig in het najagen van succes (de rivier);

onrustig, constant in beweging (de zee; Judas vers 13 en Jesaja 57 vers 20).

Laten wij, kinderen van God, ervoor oppassen dat we deze grenzen niet oversteken! Velen vóór ons hebben dat door verleiding of uit nieuwsgierigheid wel gedaan en de meesten van hen zijn nooit teruggekomen!

Er is daarentegen binnen de grenzen "zeer veel land overgebleven, om dat erfelijk te bezitten" (vers 1). De onuitputtelijke schatten van het Woord, de ondoorgrondelijke rijkdommen van Christus wachten er als het ware op om door ons in bezit genomen te worden. Opdat wij — naar het gebed van de apostel — "ten volle konden begrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte, en diepte, en hoogte is, en bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat" (Efeze 3 vers 18 en 19).

Gelovige christen, dàt is de oneindige grootte van ons erfdeel in Hem!

Jozua 13:15-33
15Alzo gaf Mozes aan den stam der kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen,16Dat hun landpale was van Aroer af, dat aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land tot Medeba toe:17Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baal, en Beth-Baal-meon,18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,20En Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth;21En alle steden des vlakken lands, en het ganse koninkrijk van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon regeerde, denwelken Mozes geslagen heeft, mitsgaders de vorsten van Midian, Evi, en Rekem, en Zur, en Hur, en Reba, geweldigen van Sihon, inwoners des lands.22Daartoe hebben de kinderen Israels met het zwaard gedood Bileam, den zoon van Beor, den voorzegger, nevens degenen, die van hen verslagen zijn.23De landpale nu der kinderen van Ruben was de Jordaan, en derzelver landpale; dat is het erfdeel der kinderen van Ruben, naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.24En aan den stam van Gad, aan de kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen, gaf Mozes,25Dat hun landpale was Jaezer, en al de steden van Gilead, en het halve land der kinderen Ammons, tot Aroer toe, die voor aan Rabba is;26En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;27En in het dal, Beth-haram, en Beth-nimra, en Sukkoth, en Zefon, wat over was van het koninkrijk van Sihon, den koning te Hesbon, de Jordaan en haar landpale, tot aan het einde der zee van Cinnereth, over de Jordaan, tegen het oosten.28Dit is het erfdeel der kinderen van Gad, naar hun huisgezinnen: de steden en haar dorpen.29Verder had Mozes aan den halven stam van Manasse een erfenis gegeven, die aan den halven stam der kinderen van Manasse bleef, naar hun huisgezinnen;30Zodat hun landpale was van Mahanaim af, het ganse Bazan, het ganse koninkrijk van Og, den koning van Bazan, en al de vlekken van Jair, die in Bazan zijn, zestig steden.31En het halve Gilead, en Astharoth, en Edrei, steden des koninkrijks van Og in Bazan, waren van de kinderen van Machir, den zoon van Manasse, namelijk de helft der kinderen van Machir, naar hun huisgezinnen.32Dat is het, wat Mozes ten erve uitgedeeld had in de velden van Moab, op gene zijde der Jordaan van Jericho, tegen het oosten.33Maar aan den stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel; de HEERE, de God Israels, is Zelf hunlieder Erfdeel, gelijk als Hij tot hen gesproken heeft.

De kinderen van Ruben, Gad en de halve stam Manasse hebben als eerste hun erfdeel ontvangen.

Zoals we weten, hebben zij dat erfdeel zelf uitgezocht, zonder te wachten op de toewijzing door God. Dat is een heel belangrijke les voor ons allemaal.

Is het ons niet vaak precies zo vergaan? We konden niet wachten. We hebben ons door de omstandigheden laten leiden (het gebied van Basan en Gilead was uitermate geschikt voor veeteelt en deze stammen hadden grote kudden vee!). We hebben de gemakkelijkste oplossing gekozen of, uit voorzichtigheid, de eerste de beste die zich voordeed. Met een beetje meer geduld zouden we echter een veel beter deel ontvangen hebben: het deel dat God voor ons bedoeld en voor ons bereid had!

Van deze stammen kunnen we ook nog een andere les leren. Doordat zij als eersten kozen wat hen beter leek (zoals Lot bij Abraham in Genesis 13), tonen de Rubenieten en de Gadieten hun egoïsme ten opzichte van hun broeders: 'Ik eerst!'

Inderdaad komen zij het eerst aan bod en krijgen hun erfdeel vóór alle anderen. Maar het is absoluut niet het beste deel, zoals zij verwacht hadden. De eersten zullen de laatsten zijn.

Het beste is altijd dat wat God ons geeft! Ook al moeten we daar soms een poosje op wachten!

Jozua 14:1-15
1Dit is nu hetgeen de kinderen Israels geerfd hebben in het land Kanaan; hetwelk de priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels, hun hebben doen erven;2Door het lot hunner erfenis, gelijk als de HEERE door den dienst van Mozes geboden had, aangaande de negen stammen en den halven stam.3Want aan de twee stammen en den halven stam had Mozes een erfdeel gegeven op gene zijde van de Jordaan; maar aan de Levieten had hij geen erfdeel onder hen gegeven.4Want de kinderen van Jozef waren twee stammen, Manasse en Efraim; en aan de Levieten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en derzelver voorsteden voor hun vee en voor hun bezitting.5Gelijk als de HEERE Mozes geboden had, alzo deden de kinderen Israels, en zij deelden het land.6Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua, te Gilgal, en Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zeide tot hem: Gij weet het woord, dat de HEERE tot Mozes, den man Gods, gesproken heeft te Kades-Barnea, ter oorzake van mij, en ter oorzake van u.7Ik was veertig jaren oud, toen Mozes, de knecht des HEEREN, mij uitgezonden heeft van Kades-Barnea, om het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht, gelijk als het in mijn hart was.8Maar mijn broeders, die met mij opgegaan waren, deden het hart des volks smelten; doch ik volhardde den HEERE, mijn God, na te volgen.9Toen zwoer Mozes te dien zelven dage, zeggende: Indien niet het land, waarop uw voet getreden heeft, u en uw kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid, dewijl gij volhard hebt den HEERE, mijn God, na te volgen.10En nu, zie, de HEERE heeft mij in het leven behouden, gelijk als Hij gesproken heeft; het zijn nu vijf en veertig jaren, sedert dat de HEERE dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israel in de woestijn wandelde; en nu, zie, ik ben heden vijf en tachtig jaren oud.11Ik ben nog heden zo sterk, gelijk als ik was ten dage, toen Mozes mij uitzond; gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht, tot den oorlog, en om uit te gaan, en om in te gaan.12En nu, geef mij dit gebergte, waarvan de HEERE te dien dage gesproken heeft; want gij hebt het te dienzelven dage gehoord, dat de Enakieten aldaar waren, en dat er grote vaste steden waren; of de HEERE met mij ware, dat ik hen verdreef, gelijk als de HEERE gesproken heeft.13Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, den zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel.14Daarom werd Hebron aan Kaleb, den zoon van Jefunne, den Keneziet, ten erfdeel tot op dezen dag; omdat hij volhard had den HEERE, den God Israels, na te volgen.15De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-Arba, die een groot mens geweest is onder de Enakieten. En het land rustte van den krijg.

De Heere had de mannen die Hij opdracht wilde geven om het land onder de stammen te verdelen, met name genoemd (Numeri 34 vers 16 tot en met 29).

Nu gaan de kinderen van Juda vóór hen staan om het lot van hun erfenis te ontvangen, en Kaleb neemt het woord. Meer dan veertig jaar heeft hij op dit moment gewacht. Gedragen door zijn hoop, is hij met het volk meegetrokken door de woestijn, zonder zich te beklagen over de straf die hij persoonlijk niet verdiend had.

Hij heeft gesteund op de beloften van God en roept die bij Jozua in herinnering. "En nu, geef mij dit gebergte, waarvan de HEERE op die dag gesproken heeft" (vers 12).

Dat is een heerlijk voorbeeld van volharden in geloof'.

Maar we mogen nog iets bewonderen in deze man: "Gelijk mijn kracht toen was", zegt hij, "alzo is nu mijn kracht" (vers 11). Met z'n vijfentachtig jaren was hij nog even sterk als op vijfenveertigjarige leeftijd. Wat was zijn geheim?

Jesaja 40 vers 31 laat ons dat zien: "Die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen ... zij zullen lopen en niet moede worden" .

Door deze Goddelijke kracht neemt Kaleb, wat zijn leeftijd betreft een grijsaard, maar wat zijn kracht betreft een jongeling, Hebron in bezit. En hij verslaat de menselijke kracht van de beruchte Enakiet, de reus voor wie het volk eens zo bang was.

Ja, "welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is ... Zij gaan van kracht tot kracht" (Psalm 84 vers 6 en 8).

Jozua 15:1-19
1En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;2Zodat hun landpale, tegen het zuiden, het uiterste van de Zoutzee was, van de tong af, die tegen het zuiden ziet;3En zij gaat uit naar het zuiden tot den opgang van Akrabbim, en gaat door naar Zin, en gaat op van het zuiden naar Kades-Barnea, en gaat door Hezron, en gaat op naar Adar, en gaat om Karkaa;4En gaat door naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen dezer landpale zullen naar de zee zijn. Dit zal uw landpale tegen het zuiden zijn.5De landpale nu tegen het oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van de Jordaan; en de landpale, aan de zijde tegen het noorden, zal zijn van de tong der zee, van het uiterste van de Jordaan.6En deze landpale zal opgaan tot Beth-hogla, en zal doorgaan van het noorden naar Beth-araba; en deze landpale zal opgaan tot den steen van Bohan, den zoon van Ruben.7Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adummim is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-rogel.8En deze landpale zal opgaan door het dal van den zoon van Hinnom, aan de zijde van den Jebusiet van het zuiden, dezelve is Jeruzalem; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spits van den berg, die voor aan het dal van Hinnom is, westwaarts, hetwelk in het uiterste van het dal der Refaieten is, tegen het noorden.9Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan de waterfontein Nefthoah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Verder zal deze landpale strekken naar Baala; deze is Kirjath-Jearim.10Daarna zal deze landpale zich omkeren Baala tegen het westen, naar het gebergte Seir, en zal doorgaan aan de zijde van den berg Jearim van het noorden; deze is Chesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Semes, en door Timna gaan.11Verder zal deze landpale uitgaan aan de zijde van Ekron, noordwaarts, en deze landpale zal strekken naar Sichron aan, en over den berg Baala gaan, en uitgaan te Jabneel; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar de zee.12De landpale nu tegen het westen zal zijn tot de grote zee en derzelver landpale. Dit is de landpale der kinderen van Juda rondom heen, naar hun huisgezinnen.13Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des HEEREN tot Jozua, de stad van Arba, vader van Enak, dat is Hebron.14En Kaleb verdreef van daar de drie zonen van Enak, Sesai, en Ahiman, en Talmai, geboren van Enak.15En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Sefer).16En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en nemen haar in, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.17Othniel nu, de zoon van Kenaz, den broeder van Kaleb, nam haar in; en hij gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.18En het geschiedde, als zij tot hem kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u?19En zij zeide: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hoge waterwellingen en lage waterwellingen.

Na het toekennen van het lot aan de stam van Juda vinden we hier een ander voorbeeld van gewaagd en moedig geloof. Ook nu weer bij de familie van Kaleb.

Othniël, zijn neef, en Achsa, zijn dochter, waren bij hem in een goede leerschool geweest. Dagelijks hadden ze gedurende die lange woestijnreis naar hem kunnen luisteren, toen hij hen — volgens de aanwijzingen van Mozes in Deuteronomium 6 vers 7 — vertelde van het goede land dat hij bezocht had, en van de wonderlijke vruchten die hij vandaar had meegenomen. Dagelijks konden ze hem gadeslaan: trouw in zijn volhardende wandel en in zijn strijd voor de totale inname van het land.

Zulke woorden en zo'n voorbeeld hebben vrucht gedragen. Othniël en Achsa hebben het land Kanaän, het middelpunt van de gedachten en verlangens van hun oom en vader, stukje bij beetje zelf leren liefhebben. En op dit moment komt hun geloof openbaar.

Het geloof van Othniël neemt Kirjath-Sefer in. Het geloof van Achsa vraagt een extra stuk land van Kanaän.

Wat zal het een vreugde voor Kaleb die zelf eens tegen Jozua gezegd had: "Geef mij dit gebergte" (hoofdstuk 14 vers 12), geweest zijn dat zijn dochter ook zegt: "Geef mij ... geef mij ook ...!" (vers 19; zie ook Mattheüs 11 vers 12).

Door zo'n 'vooropleiding' en met zo'n levensgezellin is Othniël later in staat het ambt van richter in Israël uit te oefenen (Richteren 3 vers 9 tot en met 11).

Jozua 15:20-63; Jozua 16:1-10
20Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen.21De steden nu, van het uiterste van den stam der kinderen van Juda, tot de landpale van Edom, tegen het zuiden, zijn: Kabzeel, en Eder, en Jagur,22En Kina, en Dimona, en Adada,23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,24Zif, en Telem, en Bealoth,25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,26Amam, en Sema, en Molada,27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,29Baala, en Ijim, en Azem,30En Eltholad, en Chesil, en Horma,31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,34En Zanoah, en En-gannim, Tappuah, en Enam,35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,39Lachis, en Bozkath, en Eglon,40En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis,41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.42Libna, en Ether, en Asan,43En Jiftah, en Asna, en Nezib,44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.45Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen.46Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen;47Asdod, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen; Gaza, haar onderhorige plaatsen en haar dorpen, tot aan de rivier van Egypte; en de grote zee, en haar landpale.48Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,49En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,50En Anab, en Estemo, en Anim,51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.52Arab, en Duma, en Esan,53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,54En Humta, en Kirjath-Arba, die is Hebron, en Zior; negen steden en haar dorpen.55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,57Kain, Gibea, en Timna; tien steden en haar dorpen.58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.60Kirjath-Baal, die is Kirjath-Jearim, en Rabba; twee steden en haar dorpen.61In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,62En Nibsan, en de Zoutstad, en Engedi; zes steden en haar dorpen.63Maar de kinderen van Juda konden de Jebusieten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven; alzo woonden de Jebusieten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem, tot dezen dag toe.
1Daarna kwam het lot der kinderen van Jozef uit: van de Jordaan bij Jericho, aan het water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het gebergte Beth-El;2En het komt van Beth-El uit naar Luz; en het gaat door tot de landpale des Archiets, tot Ataroth toe;3En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafleti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-horon, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee.4Alzo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen van Jozef, Manasse en Efraim.5De landpale nu der kinderen van Efraim, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Atroth-Addar tot aan het bovenste Beth-Horon.6En deze landpale gaat uit tegen het westen bij Michmetath, van het noorden, en deze landpale keert zich om tegen het oosten naar Thaanath-Silo, en gaat door dezelve van het oosten naar Janoah;7En komt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan.8Van Tappuah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en haar uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Efraim, naar hun huisgezinnen.9En de steden, die afgezonderd waren voor de kinderen van Efraim, waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, al die steden en haar dorpen.10En zij verdreven de Kanaanieten niet, die te Gezer woonden; alzo woonden die Kanaanieten in het midden der Efraimieten tot op dezen dag; maar zij waren onder schatting dienende.

Het moment waar zo verlangend naar uit werd gezien, waarop Israël zijn erfdeel in bezit kan nemen, is nu aangebroken.

Juda neemt als eerste stam zijn deel in bezit. De steden worden de één na de ander opgenoemd, als het ware om de aandacht te richten op de waarde die elk stukje grond voor de HEERE heeft. O, dat de dingen van God voor ons toch ook een grote waarde mogen hebben, vooral om het in onze gebeden te gedenken!

Helaas vinden wij aan het slot van de vaststelling van de grenzen elke keer een beperking, een 'maar'. De overwinning is niet volledig. Juda kan de Jebusieten niet uitdrijven (vers 63). Tot aan de regering van David zullen zij een sterke positie in Jeruzalem innemen (de burcht Sion; zie 2 Samuël 5 vers 6 en 7).

Evenmin is Efraïm in staat de Kanaänieten uit Gezer te verjagen (hoofdstuk 16 vers 10). Zijn zij die immers schatting moesten betalen aan Israël, dan niet ongevaarlijk? Integendeel zelfs! Zoals Mozes al gezegd had, zullen zij tot een valstrik voor Israël zijn, door het volk te verleiden tot kwaad en afgoderij.

Hoe is het met onze harten, gelovige vrienden? Hebben wij in ons hart ook nog een plaatsje voor bepaalde 'vijanden' die ons ongevaarlijk lijken? Misschien zijn wij al gewend geraakt aan hun tegenwoordigheid; dan zal het ons grote moeite kosten om ze te veroordelen en op te geven.

Geve de Heere ons echter de moed en de kracht dit toch te doen, opdat Hij alleen de heerschappij in onze harten zal hebben (Romeinen 6 vanaf vers 12)!

Jozua 17:1-18
1De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij de eerstgeborene van Jozef was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader van Gilead; omdat hij een krijgsman was, zo had hij Gilead en Bazan.2Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hun huisgezinnen; te weten de kinderen van Abiezer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriel, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Hefer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, den zoon van Jozef, naar hun huisgezinnen.3Zelafead nu, de zoon van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters; en dit zijn de namen zijner dochteren: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.4Dezen dan traden toe voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht van Jozua, den zoon van Nun, en voor het aangezicht der oversten, zeggende: De HEERE heeft Mozes geboden, dat men ons een erfdeel geven zou in het midden onzer broederen. Daarom gaf hij haar, naar den mond des HEEREN, een erfdeel in het midden der broederen van haar vader.5En aan Manasse vielen tien snoeren toe, behalve het land Gilead en Bazan, dat op gene zijde van de Jordaan is.6Want de dochteren van Manasse erfden een erfdeel in het midden zijner zonen; en het land Gilead hadden de overgebleven kinderen van Manasse.7Zodat de landpale van Manasse was van Aser af tot Michmetath, die voor aan Sichem is; en deze landpale gaat ter rechterhand tot aan de inwoners van En-Tappuah.8Manasse had wel het land van Tappuah, maar Tappuah zelve, aan de landpale van Manasse, hadden de kinderen van Efraim.9Daarna komt de landpale af naar de beek Kana tegen het zuiden der beek. Deze steden zijn van Efraim in het midden der steden van Manasse; en de landpale van Manasse is aan het noorden der beek, en haar uitgangen zijn aan de zee.10Het was van Efraim tegen het zuiden, en tegen het noorden was het van Manasse, en de zee was zijn landpale; en aan het noorden stieten zij aan Aser, en aan het oosten aan Issaschar.11Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaanach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.12En de kinderen van Manasse konden de inwoners van die steden niet verdrijven; want de Kanaanieten wilden in hetzelve land wonen.13En het geschiedde, als de kinderen Israels sterk werden, zo maakten zij de Kanaanieten cijnsbaar; maar zij verdreven hen niet ganselijk.14Toen spraken de kinderen van Jozef tot Jozua, zeggende: Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar een lot en een snoer gegeven, daar ik toch een groot volk ben, voor zoveel de HEERE mij dus verre gezegend heeft?15Jozua nu zeide tot henlieden: Dewijl gij een groot volk zijt, zo ga op naar het woud, en houw daar voor u af in het land der Ferezieten en der Refaieten, dewijl u het gebergte van Efraim te eng is.16Toen zeiden de kinderen van Jozef: Dat gebergte zou ons niet genoegzaam zijn; er zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaanieten, die in het land des dals wonen, bij die te Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en die in het dal van Jizreel zijn.17Verder sprak Jozua tot het huis van Jozef, tot Efraim en tot Manasse, zeggende: Gij zijt een groot volk, en gij hebt grote kracht, gij zult geen een lot hebben;18Maar het gebergte zal het uwe zijn; en dewijl het een woud is, zo houw het af, zo zullen zijn uitgangen de uwe zijn; want gij zult de Kanaanieten verdrijven, al hebben zij ijzeren wagens, al zijn zij sterk.

Manasse ontvangt zijn lot, waarna onmiddellijk de vijf dochters van Zeláfead naar voren komen. Ook zij hebben steeds volhardend gewacht. Nu beroepen zij zich op het bevel van de HEERE aan Mozes en maken aanspraak op het lang verwachte erfdeel.

De helft van hun stam had voor de andere kant van de Jordaan gekozen, maar die gedachte komt bij deze vijf jonge vrouwen niet op. Nee, in Kanaän, te midden van hun broeders, is hun erfdeel!

Dit doet ons eraan denken dat gelovige vrouwen geen deel hebben aan een openlijke dienst, zoals bijvoorbeeld de Woordverkondiging. Maar hun hemelse deel, het genieten van de hemelse zegeningen, is echt niet minder groot dan dat van hun broeders!

Laten we er ook op letten hoe zorgvuldig de HEERE de grenzen voor elke stam aangeeft. De één na de ander ontvangt zijn lot. Eerst worden de grenzen daarvan vastgesteld en vervolgens wordt een opsomming gegeven van de steden die binnen die grenzen liggen. Daartegenover verwacht God van hen dat ze ook bereid zijn, die steden in bezit te nemen.

Maar kijk nu eens naar Efraïm! Zijn gebergte bevalt hem niet (vers 16)! Dat kost hem veel te veel moeite! Hij verlangt een ander lot; niet uit geloof, maar uit traagheid, uit gemakzucht.

Wat lopen ook wij het genot van veel zegeningen mis! Wat missen ook wij, evenals deze stam, veel door eigen schuld, door ons eigen gebrek aan energie! Vooral als het gaat om een gebied waartoe wij altijd de toegang hebben: het gebed (vergelijk Jakobus 4 vers 2).

Jozua 18:1-11 ; Jozua 19:49-51
1En de ganse vergadering van de kinderen Israels verzamelde zich te Silo, en zij richtten aldaar op de tent der samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.2En er bleven over onder de kinderen Israels, aan dewelken zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zeven stammen.3En Jozua zeide tot de kinderen Israels: Hoe lang houdt gij u zo slap, om voort te gaan, om het land te beerven, hetwelk de HEERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft?4Geeft voor ulieden drie mannen van elken stam, dat ik ze heenzende, en zij zich opmaken, en het land doorwandelen, en beschrijven hetzelve naar hun erven, en weder tot mij komen.5Zij nu zullen het delen in zeven delen; Juda zal blijven op zijn landpale van het zuiden, en het huis van Jozef zal blijven op zijn landpale van het noorden.6En gijlieden zult het land beschrijven in zeven delen, en tot mij herwaarts brengen, dat ik voor ulieden het lot hier werpe voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods.7Want de Levieten hebben geen deel in het midden van ulieden; maar het priesterdom des HEEREN is hun erfdeel. Gad nu, en Ruben, en de halve stam van Manasse, hebben hun erfdeel genomen op gene zijde van de Jordaan, oostwaarts, hetwelk hun Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft.8Toen maakten zich die mannen op, en gingen heen. En Jozua gebood hun, die heengingen om het land te beschrijven, zeggende: Gaat, en doorwandelt het land, en beschrijft het; komt dan weder tot mij, zo zal ik ulieden hier het lot werpen, voor het aangezicht des HEEREN, te Silo.9De mannen dan gingen heen, en togen het land door en beschreven het, naar de steden, in zeven delen, in een boek; en kwamen weder tot Jozua in het leger te Silo.10Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo, voor het aangezicht des HEEREN. En Jozua deelde aldaar den kinderen Israels het land, naar hun afdelingen.11En het lot van den stam der kinderen van Benjamin kwam op, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda, en tussen de kinderen van Jozef.
49Toen zij nu geeindigd hadden het land erfelijk te delen, naar zijn landpale, zo gaven de kinderen Israels aan Jozua, den zoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen.50Naar den mond des HEEREN gaven zij hem die stad, welke hij begeerde, Thimnath-Serah, op het gebergte van Efraim; en hij bouwde die stad, en woonde in dezelve.51Dit zijn de erfdelen, welke Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen, door het lot aan de kinderen Israels erfelijk uitdeelden te Silo, voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst. Aldus maakten zij een einde van het uitdelen des lands.

Zeven stammen hebben nog geen erfdeel ontvangen. Jozua laat nu een lijst opstellen van de grondstukken en verdeelt de verschillende gebieden door het lot te werpen. Natuurlijk bestuurt God het lot naar Zijn wil. Er bestaat geen toeval; een christen zou daarom in die zin ook nooit over pech of geluk moeten spreken!

In Psalm 16 horen wij Iemand (Christus Zelf Die over de toekomst spreekt) verkondigen: "De snoeren zijn Mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is Mij geworden" (vers 6).

Laten we onszelf erin oefenen, steeds meer van de schoonheid en de rijkdom van alles wat God ons in Christus geschonken heeft, te ontdekken. En laten we dankbaar zijn (Kolosse 3 vers 15)!

Jozua die tot de stam van Efraïm behoort, geeft zijn broeders een voorbeeld door zijn erfdeel in het gebergte te kiezen. Hij koos dat wat hen te min was (hoofdstuk 17 vers 16). En de naam van dit erfdeel is van grote betekenis: Timnath-Serah, wat 'extra erfdeel' betekent.

De lange lijst met namen van steden doet ons eraan denken dat wij die 'christenen uit de heidense volkeren' zijn, vroeger "vervreemd van het burgerschap Israëls" waren. "Door het bloed van Christus" zijn wij echter nu "nabij geworden" en "medeburgers der heiligen" (Efeze 2 vers 12, 13 en 19). "Onze wandel [of: ons burgerschap] is in de hemelen" (Filippi 3 vers 20).

En al heel spoedig zullen wij in de hemelse stad wonen!

Jozua 20:1-9 ; Jozua 21:1-3
1Verder sprak de HEERE tot Jozua, zeggende:2Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Geeft voor ulieden de vrijsteden, waarvan Ik met ulieden gesproken heb door den dienst van Mozes.3Dat daarheen vliede de doodslager, die een ziel door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn tot een toevlucht voor den bloedwreker.4Als hij vlucht tot een van die steden, zo zal hij staan aan de deur der stadspoort, en hij zal zijn woorden spreken voor de oren van de oudsten derzelver stad; dan zullen zij hem tot zich in de stad nemen, en hem plaats geven, dat hij bij hen wone.5En als de bloedwreker hem najaagt, zo zullen zij den doodslager in zijn hand niet overgeven, dewijl hij zijn naaste niet met wetenschap verslagen heeft, en hem gisteren en eergisteren niet heeft gehaat.6En hij zal in dezelve stad wonen, totdat hij sta voor het aangezicht der vergadering voor het gericht, totdat de hogepriester sterve, die in die dagen zijn zal; dan zal de doodslager wederkeren, en komen tot zijn stad, en tot zijn huis, tot de stad, van waar hij gevloden is.7Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraim, en Kirjath-Arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda.8En aan gene zijde van de Jordaan, van Jericho oostwaarts, gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van den stam van Ruben; en Ramoth in Gilead, van den stam van Gad; en Golan in Bazan, van den stam van Manasse.9Dit nu zijn de steden, die bestemd waren voor al de kinderen Israels, en voor den vreemdeling, die in het midden van henlieden verkeert, opdat derwaarts vluchte al wie een ziel slaat door dwaling; opdat hij niet sterve door de hand des bloedwrekers, totdat hij voor het aangezicht der vergadering gestaan zal hebben.
1Toen naderden de hoofden der vaderen van de Levieten tot Eleazar, den priester, en tot Jozua, den zoon van Nun, en tot de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels;2En zij spraken tot hen, te Silo, in het land Kanaan, zeggende: De HEERE heeft geboden door den dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zou, en haar voorsteden voor onze beesten.3Daarom gaven de kinderen Israels aan de Levieten van hun erfdeel, naar den mond des HEEREN, deze steden en de voorsteden derzelve.

Aan de andere kant van de Jordaan waren door Mozes al drie vrijsteden voor de doodslager aangewezen (Deuteronomium 4 vers 41 tot en met 43). Nu zijn er ook nog drie in het land zelf: één in het noorden, één in het midden en één in het zuiden.

Elke stad ligt op een gebergte (vers 7). Dat herinnert ons aan de woorden van de Heere Jezus: "Een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn" (Mattheüs 5 vers 14). Ze zijn zichtbaar voor iedereen. Vooral voor hem die er naartoe vlucht om in veiligheid te zijn. Zo doet die stad ons steeds weer denken aan de genade van God.

De eerste stad, Kedes, lag in Galilea, een omgeving die erg kostbaar is voor het hart van iedere gelovige. Daar heeft de Heere Jezus immers dertig jaar geleefd, gediend, zieken genezen, de discipelen en de volksmenigten onderwezen.

Sichem in het gebergte Efraïm wordt vaak vereenzelvigd met Sichar, "een stad van Samaria ... nabij het stuk land, dat Jakob zijn zoon Jozef gaf' (daarom waren de zonen van Jozef bij het erfdeel van Efraïm inbegrepen; hoofdstuk 24 vers 32 en Johannes 4 vanaf vers 5). Deze stad doet ons denken aan de Goddelijke Wandelaar Die daar op een dag, vermoeid van de reis, aan een bron ging zitten.

Tenslotte wordt Hebron een vrijstad voor de doodslager. Daar op de berg is deze stad een toevlucht, het is tot een hoge vesting (zie ook Psalm 9 vers 10).

Hoofdstuk 21 is gewijd aan het lot van de Levieten. Er worden hun achtenveertig steden toegewezen die verdeeld liggen over het erfdeel van de andere stammen.

Jozua 21:41-45 ; Jozua 22:1-6
41Al de steden der Levieten, in het midden van de erfenis der kinderen Israels, waren acht en veertig steden en haar voorsteden.42Deze steden waren elk met haar voorsteden rondom haar; alzo was het met al die steden.43Alzo gaf de HEERE aan Israel het ganse land, dat Hij gezworen had hun vaderen te geven, en zij beerfden het, en woonden daarin.44En de HEERE gaf hun rust rondom, naar alles, wat Hij hun vaderen gezworen had; en er bestond niet een man van al hun vijanden voor hun aangezicht; al hun vijanden gaf de HEERE in hun hand.45Er viel niet een woord van al de goede woorden, die de HEERE gesproken had tot het huis van Israel; het kwam altemaal.
1Toen riep Jozua de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse,2En hij zeide tot hen: Gijlieden hebt onderhouden alles, wat u Mozes, de knecht des HEEREN, geboden heeft; en gij zijt mijner stem gehoorzaam geweest in alles, wat ik u geboden heb.3Gij hebt uw broederen niet verlaten nu langen tijd, tot op dezen dag toe; maar gij hebt waargenomen de onderhouding der geboden van den HEERE, uw God.4En nu, de HEERE, uw God, heeft uw broederen rust gegeven, gelijk Hij hun toegezegd had; keert dan nu wederom, en gaat gij naar uw tenten, naar het land uwer bezitting, hetwelk u Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft op gene zijde van de Jordaan.5Alleenlijk neemt naarstiglijk waar te doen het gebod en de wet, die u Mozes, de knecht des HEEREN, geboden heeft, dat gij den HEERE, uw God, liefhebt, en dat gij wandelt in al Zijn wegen, en Zijn geboden houdt, en Hem aanhangt, en dat gij Hem dient met uw ganse hart en met uw ganse ziel.6Alzo zegende hen Jozua, en hij liet hen gaan; en zij gingen naar hun tenten.

In tegenstelling tot de Levieten van wie het erfdeel de HEERE Zelf was, zien we hier weer de tweeënhalve stam die zich vastklampt aan aardse goederen.

Ze zijn overladen met schatten die ze de vijand ontnomen hadden. Ze zijn gezegend door Jozua. Het lijkt er voor de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse dus op dat alles goed gaat. Maar nee! Ze zullen een groot verlies lijden door terug te keren over de Jordaan die ze eens op zo'n wonderbare wijze waren overgestoken. Deze keer is de ark er niet bij tijdens hun overtocht. De ark blijft in Kanaän.

Misschien zeggen we: Wat moeten ze anders? Hun gezinnen zijn toch aan de andere kant van de Jordaan?'

Vers 19 van hoofdstuk 22 maakt ons echter duidelijk dat er nog gelegenheid genoeg is om hen in het land Kanaän te laten komen.

Overigens, zegt de Heere Jezus niet: "Die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig" (Mattheüs 10 vers 37)?

Helaas hebben veel jonge christenen die goed begonnen zijn en goed gestreden hebben, zich later van de Heere en het volk van God afgewend. Vaak kwam dat, doordat zij hun leven en gezin naar eigen gedachten inrichtten, zonder rekening te houden met Gods rechten. Horen we dan niet opnieuw die verdrietige vraag van de Heere aan Zijn discipelen: "Wilt gij ook niet weggaan" (Johannes 6 vers 67)?

Beste lezer, als Hij die vraag vandaag aan u stelt, zou u dan hetzelfde antwoorden als Petrus? Zie Johannes 6 vers 68 en 69.

Jozua 22:7-20
7Want aan de helft van den stam van Manasse had Mozes een erfdeel gegeven in Bazan; maar aan de andere helft van denzelven gaf Jozua een erfdeel bij hun broederen, aan deze zijde van de Jordaan westwaarts. Verder ook als Jozua hen liet trekken naar hun tenten, zo zegende hij hen.8En hij sprak tot hen, zeggende: Keert weder tot uw tenten met veel rijkdom, en met zeer veel vee, met zilver, en met goud, en met koper, en met ijzer, en met zeer veel klederen; deelt den roof uwer vijanden met uw broederen.9Alzo keerden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse wederom, en togen van de kinderen Israels, van Silo, dat in het land Kanaan is, om te gaan naar het land van Gilead, naar het land hunner bezitting, in hetwelk zij bezitters gemaakt waren, naar den mond des HEEREN, door den dienst van Mozes.10Toen zij kwamen aan de grenzen van de Jordaan, die in het land Kanaan zijn, zo bouwden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse aldaar een altaar aan de Jordaan, een altaar groot in het aanzien.11En de kinderen Israels hoorden zeggen: Ziet, de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd, tegenover het land Kanaan, aan de grenzen van de Jordaan, aan de zijde der kinderen Israels.12Als de kinderen Israels dit hoorden, zo verzamelde de ganse vergadering der kinderen Israels te Silo, dat zij tegen hen optogen met een heir.13En de kinderen Israels zonden aan de kinderen van Ruben, en aan de kinderen van Gad, en aan den halven stam van Manasse, in het land Gilead, Pinehas, den zoon van Eleazar, den priester;14En tien vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis een vorst, uit al de stammen van Israel; en zij waren een ieder een hoofd van het huis hunner vaderen over de duizenden van Israel.15Toen zij tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot den halven stam van Manasse kwamen, in het land Gilead, zo spraken zij met hen, zeggende:16Alzo spreekt de ganse gemeente des HEEREN: Wat overtreding is dit, waarmede gijlieden overtreden hebt tegen den God van Israel, heden afkerende van achter den HEERE, mits dat gij een altaar voor u gebouwd hebt, om heden tegen den HEERE wederspannig te zijn?17Is ons de ongerechtigheid van Peor te weinig, van dewelke wij niet gereinigd zijn tot op dezen dag, hoewel de plaag in de vergadering des HEEREN geweest is?18Dewijl gij u heden van achter den HEERE afkeert, het zal dan geschieden, als gij heden wederspannig zijt tegen den HEERE, zo zal Hij Zich morgen grotelijks vertoornen tegen de ganse gemeente van Israel.19Maar toch, indien het land uwer bezitting onrein is, komt over in het land van de bezitting des HEEREN, waar de tabernakel des HEEREN woont, en neemt bezitting in het midden van ons; maar zijt niet wederspannig tegen den HEERE, en zijt ook niet wederspannig tegen ons, een altaar voor u bouwende, behalve het altaar van den HEERE, onzen God.20Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het verbannene, en kwam er niet een verbolgenheid over de ganse vergadering van Israel? En die man stierf niet alleen in zijn ongerechtigheid.

"Deelt de roof van uw vijanden met uw broeders", zegt Jozua heel duidelijk tegen hen die weggaan (vers 8). De Heere roept ons op anderen te laten meedelen in de geestelijke rijkdommen die we in het land van de belofte hebben ontvangen; of het nu om Bijbelse waarheden of om christelijke ervaringen gaat.

Zoals deze mannen hun gezinnen konden vertellen van die gedenkwaardige doortocht door de Jordaan en van die glorierijke overwinningen, zo mag elke jonge gelovige vertellen van de "wonderen" die de Heere voor hem heeft volbracht en die hij in Zijn Woord heeft ontdekt (hoofdstuk 3 vers 5).

Op het moment van scheiding richten de strijders van Ruben, Gad en Manasse aan de oever van de Jordaan "een altaar groot in het aanzien" op (vers 10). Hun broeders van de andere stammen zijn daar onmiddellijk verontrust over. Ja, ze zijn zelfs bereid om in te grijpen.

Wat heeft deze manier van handelen te betekenen? Is het een uitdaging van de HEERE of een verklaring van onafhankelijkheid? Hoe het ook zij, hier hebben we een eerste moeilijkheid die niet ontstaan zou zijn als deze stammen het land Kanaän binnengetrokken en daar gebleven waren.

Het onderzoek wordt geleid door Pínehas, de priester, die op een ander kritiek moment in de geschiedenis van het volk zijn ijver had getoond. In zijn ijver voor de HEERE (Numeri 25 vers 11) verbindt hij de liefde tot God met de liefde tot zijn broeders. Deze beide gevoelens zijn trouwens onafscheidelijk! Zie 1 Johannes 4 vers 20 en 21.

Jozua 22:21-34
21Toen antwoordden de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de halve stam van Manasse, en zij spraken met de hoofden der duizenden van Israel:22De God der goden, de HEERE, de God der goden, de HEERE, Die weet het; Israel zelf zal het ook weten! Is het door wederspannigheid, of is het door overtreding tegen den HEERE, zo behoudt ons heden niet;23Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben, om ons van achter den HEERE af te keren, of om brandoffer en spijsoffer daarop te offeren, of om dankoffer daarop te doen, zo eise het de HEERE.24En zo wij dit niet uit zorg vanwege deze zaak gedaan hebben, zeggende: Morgen mochten uw kinderen tot onze kinderen spreken, zeggende: Wat hebt gij met den HEERE, den God van Israel, te doen?25De HEERE heeft immers de Jordaan tot landpale gezet tussen ulieden, gij, kinderen van Ruben, en gij, kinderen van Gad! gij hebt geen deel aan den HEERE. Zo mochten uw kinderen onze kinderen doen ophouden, dat zij den HEERE niet vreesden.26Daarom zeiden wij: Laat ons toch voor ons maken, bouwende een altaar, niet ten brandoffer, noch ten offer.27Maar dat het een getuige zij tussen ons en tussen ulieden, en tussen onze geslachten na ons, opdat wij den dienst des HEEREN voor Zijn aangezicht dienen mochten met onze brandofferen, en met onze slachtofferen, en met onze dankofferen; en dat uw kinderen tot onze kinderen morgen niet zeggen: Gijlieden hebt geen deel aan den HEERE.28Daarom zeiden wij: Wanneer het geschiedt, dat zij morgen alzo tot ons en tot onze geslachten zeggen zullen; zo zullen wij zeggen: Ziet de gedaante van het altaar des HEEREN, hetwelk onze vaderen gemaakt hebben, niet ten brandoffer, noch ten offer; maar het is een getuige tussen ons en tussen ulieden.29Het zij verre van ons, van ons dat wij zouden wederspannig zijn tegen den HEERE, of dat wij te dezen dage ons van achter den HEERE afkeren zouden, bouwende een altaar ten brandoffer, ten spijsoffer, of ten slachtoffer, behalve het altaar van den HEERE, onzen God, dat voor Zijn tabernakel is.30Toen de priester Pinehas, en de oversten der vergadering, en de hoofden der duizenden van Israel, die bij hem waren, de woorden hoorden, die de kinderen van Ruben, en de kinderen van Gad, en de kinderen van Manasse gesproken hadden, zo was het goed in hun ogen.31En Pinehas, de zoon van den priester Eleazar, zeide tot de kinderen van Ruben, en tot de kinderen van Gad, en tot de kinderen van Manasse: Heden weten wij, dat de HEERE in het midden van ons is, dewijl gij deze overtreding tegen den HEERE niet begaan hebt; toen hebt gijlieden de kinderen Israel verlost uit de hand des HEEREN.32En Pinehas, de zoon van den priester Eleazar, keerde wederom met de oversten van de kinderen van Ruben, en van de kinderen van Gad, uit het land Gilead, naar het land Kanaan, tot de kinderen Israel; en zij brachten hun antwoord weder;33Het antwoord nu was goed in de ogen van de kinderen Israels, en de kinderen Israels loofden God, en zeiden niet meer van tegen hen op te trekken met een heir, om het land te verderven, waarin de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad woonden.34En de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad noemden dat altaar: Dat het een getuige zij tussen ons, dat de HEERE God is.

De kinderen van Ruben, Gad en Manasse maken hun standpunt duidelijk en hun oprechtheid wordt door hun broeders aanvaard.

Waarom dan toch zo'n groot altaar? Daar, aan de Jordaan, stond immers al een gedenkteken. Dat beeldde juist iets heel anders uit: de twaalf stenen waren een symbool van de eenheid van het volk en haar hemelse positie (zie hoofdstuk 4).

Maar die tweeënhalve stam heeft, zoals zoveel christenen, het volle genot van hun voorrechten verloren. In de christenheid zijn al veel 'altaren' van groot aanzien opgericht. Opgesteld naar de gedachten van mensen, laten ze veeleer de versplintering van de gemeente zien, dan dat zij van haar eenheid getuigen.

De terechte verontrusting bij de negenenhalve stam laat ons zien hoe ernstig ook wij de verdeeldheid onder het volk van God moeten nemen. Ook al stelt men grote richtlijnen op, misschien zelfs in overeenstemming met de Schrift, toch kunnen die de verwerkelijking van het genieten van het 'land' nooit vervangen.

De gelovige die deze ervaring opgedaan heeft, is misschien niet altijd in staat dit met veel woorden aan anderen uit te leggen. Maar hij kan hen wel uitnodigen en zeggen: "Komt en ziet" (Johannes 1 vers 40 en 47).

"Indien gij althans gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is", zegt de apostel Petrus, "tot Wie komende ... wordt gij ook zelf ... gebouwd tot een geestelijk huis" (zie 1 Petrus 2 vers 3 tot en met 5).

Jozua 23:1-13
1En het geschiedde na vele dagen, nadat de HEERE Israel rust gegeven had van al zijn vijanden rondom heen, en Jozua oud geworden en wel bedaagd was;2Zo riep Jozua gans Israel, hun oudsten, en hun hoofden, en hun richters, en hun ambtlieden, en hij zeide tot hen: Ik ben oud geworden, en wel bedaagd;3En gijlieden hebt gezien alles, wat de HEERE, uw God, gedaan heeft aan al deze volken voor uw aangezicht; want de HEERE, uw God, Zelf, is het, Die voor u gestreden heeft.4Ziet, ik heb u deze overige volken door het lot doen toevallen, ten erfdeel voor uw stammen, van de Jordaan af, met al de volken, die ik uitgeroeid heb, en tot de grote zee, tegen den ondergang der zon.5En de HEERE, uw God, Zelf zal hen uitstoten voor ulieder aangezicht, en Hij zal hen van voor ulieder aangezicht verdrijven; en gij zult hun land erfelijk bezitten, gelijk als de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft.6Zo weest zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles, wat geschreven is in het wetboek van Mozes; opdat gij daarvan niet afwijkt ter rechter hand noch ter linkerhand;7Dat gij niet ingaat tot deze volken: deze, die overgebleven zijn bij ulieden; gedenkt ook niet aan den naam hunner goden, en doet er niet bij zweren, en dient hen niet, en buigt u voor die niet;8Maar den HEERE, uw God, zult gij aanhangen, gelijk als gij tot op dezen dag gedaan hebt.9Want de HEERE heeft van uw aangezicht verdreven grote en machtige volken; en u aangaande, niemand heeft voor uw aangezicht bestaan, tot op dezen dag toe.10Een enig man onder u zal er duizend jagen; want het is de HEERE, uw God, Zelf, Die voor u strijdt, gelijk al Hij tot u gesproken heeft.11Daarom bewaart uw zielen naarstiglijk, dat gij den HEERE, uw God, liefhebt.12Want zo gij enigszins afkeert, en het overige van deze volken aanhangt, van deze, die bij u overgebleven zijn, en u met hen verzwagert, en gij tot hen zult ingaan, en zij tot u;13Weet voorzeker, dat de HEERE, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen ulieden zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat gij omkomt van dit goede land, hetwelk u de HEERE, uw God, gegeven heeft.

Nu is het Jozua's beurt zijn loopbaan te beëindigen. "Zo weest zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles, wat geschreven is", zegt hij tegen de leiders van het volk (vers 6).

Dit was het Woord dat de HEERE aan het begin tegen hem
zelf gezegd had (hoofdstuk 1 vers 7) en dat meerdere keren
door Mozes herhaald werd. Het geldt ook nog voor vandaag!

Wat is het belangrijk naar dat Woord te luisteren! Veel mensen vinden het evangelie maar verouderd, niet meer modern. En terwijl men graag z'n eigen oren laat strelen, hoort men veel liever iets nieuws (vergelijk 2 Timotheüs 4 vers 3).

Laten we de Heere danken dat Hij ons dienstknechten gegeven heeft die niet moe worden om steeds opnieuw dezelfde waarheden en vermaningen te herhalen. "Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig", zegt Paulus tegen de Filippïers, "en het is u zeker" (Filippi 3 vers 1). Maar ... laten wij dan ook niet moe worden om naar hen te luisteren!

De naam van afgoden noemen, is een eerste stap op de weg die ertoe leidt dat men bij hen gaat zweren, hen gaat dienen en zich tenslotte voor hen neer gaat buigen (vers 7).

Daarom roept de Efezebrief ons heel duidelijk op de onreine, dwaze en schandelijke dingen van de wereld zelfs niet onder ons te noemen (Efeze 5 vers 3 en 4).

Misschien denken we niet altijd zo na bij wat wij zeggen! O, mochten wij door de mensen om ons heen toch meer als volgelingen van Christus gezien worden! (Mattheüs 26 vers 73 in tegenstelling tot vers 74).

Jozua 23:14-16; Jozua 24:1-5
14En ziet, ik ga heden in den weg der ganse aarde; en gij weet in uw ganse hart en in uw ganse ziel, dat er niet een enig woord gevallen is van al die goede woorden, welke de HEERE, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u alle overkomen; er is van dezelve niet een enig woord gevallen.15En het zal geschieden, gelijk als al die goede dingen over u gekomen zijn, die de HEERE, uw God, tot u gesproken heeft, alzo zal de HEERE over u komen laten al die kwade dingen, totdat Hij u verdelge van dit goede land, hetwelk u HEERE, uw God gegeven heeft.16Wanneer gij het verbond des HEEREN, uws Gods, overtreedt, dat Hij u geboden heeft, en gij heengaat en dient andere goden, en u voor dezelve nederbuigt, zo zal de toorn des HEEREN over u ontsteken, en gij zult haastiglijk omkomen van het goede land, hetwelk Hij u gegeven heeft.
1Daarna verzamelde Jozua al de stammen van Israel te Sichem, en hij riep de oudsten van Israel, en deszelfs hoofden, en deszelfs richters, en deszelfs ambtlieden; en zij stelden zich voor het aangezicht van God.2Toen zeide Jozua tot het ganse volk: Alzo zegt de HEERE, de God Israels: Over gene zijde der rivier hebben uw vaders van ouds gewoond, namelijk Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.3Toen nam Ik uw vader Abraham van gene zijde der rivier, en deed hem wandelen door het ganse land Kanaan; Ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Izak.4En aan Izak gaf Ik Jakob en Ezau; en Ik gaf aan Ezau het gebergte Seir, om dat erfelijk te bezitten; maar Jakob en zijn kinderen togen af in Egypte.5Toen zond Ik Mozes en Aaron, en Ik plaagde Egypte, gelijk als Ik in deszelfs midden gedaan heb; en daarna leidde Ik u daaruit.

Alle stammen zijn samengekomen in Sichem en Jozua herinnert hen aan al die grote momenten uit de geschiedenis van Israël. Daarbij is het nodig heel ver terug te gaan in het verleden.

Men moest zich niet alleen beroemen op Abraham, zoals Israël zo graag deed (Johannes 8 vers 33 en 39), maar ook terugdenken aan diens vader Terah die andere goden had gediend. In zo'n omgeving was Abraham opgegroeid. Jozua wil hen daarmee duidelijk maken dat de afgoderij niet specifiek iets is voor de hen omringende, primitieve volken. 'Nee, het zit ook in jullie bloed, Israëlieten, in jullie natuur! Jullie zijn niet beter dan de anderen'.

We willen nog een keer de Efezebrief laten spreken. "En u ... daar gij dood waart door de misdaden en de zonden; in welke gij eertijds gewandeld hebt naar de eeuw dezer wereld ... doende de wil des vlezes en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen" (hoofdstuk 2 vers 1 tot en met 3).

Ook wij moesten ons eens tot die jammerlijke mensen rekenen die aan "gene zijde der rivier" de afgoden van de wereld dienden. Maar God heeft ons gevonden!

Als we dan verder lezen in de Efezebrief, mogen we zien en bewonderen wat God "Die rijk is in barmhartigheid", voor de Zijnen gedaan heeft.

Hoe meer we gaan zien in welke ellendige toestand wij ons vroeger bevonden, des te beter krijgen we een begrip van Gods genade die ons daaruit gehaald heeft!

Jozua 24:6-15
6Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwaamt gij aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaderen na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee.7Zij nu riepen tot den HEERE, en Hij stelde een duisternis tussen u en tussen de Egyptenaars, en Hij bracht de zee over hen, en bedekte hen; en uw ogen hebben gezien, wat Ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt gij vele dagen in de woestijn gewoond.8Toen bracht Ik u in het land der Amorieten, die over gene zijde van de Jordaan woonden, die streden tegen u; maar Ik gaf hen in uw hand, en gij bezat hun land erfelijk, en Ik verdelgde hen voor ulieder aangezicht.9Ook maakt zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, en hij streed tegen Israel; en hij zond heen, en deed Bileam, den zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou.10Maar Ik wilde Bileam niet horen; dies zegende hij u gestadig, en Ik verloste u uit zijn hand.11Toen gij over de Jordaan getrokken waart, en te Jericho kwaamt, zo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaanieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; doch Ik gaf hen in ulieder hand.12En Ik zond horzelen voor u heen; die dreven hen weg van ulieder aangezicht, gelijk de beide koningen der Amorieten, niet door uw zwaard, noch door uw boog.13Dus heb Ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden, die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dezelve; gij eet van de wijngaarden en olijfbomen, die gij niet geplant hebt.14En nu, vreest den HEERE, en dient Hem in oprechtheid en in waarheid; en doet weg de goden, die uw vaders gediend hebben, aan gene zijde der rivier, en in Egypte; en dient den HEERE.15Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!

De afscheidswoorden van Jozua aan het volk doen ons denken aan de woorden van Paulus aan de oudsten van de gemeente te Efeze (Handelingen 20 vanaf vers 17).

De trouwe apostel herinnert ook aan de genade en de macht van God waardoor alle heiligen een erfdeel kunnen ontvangen (vers 32). Hij legt de nadruk op de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid en vermaant hen op hun hoede en waakzaam te zijn (vers 28 en 31). Ook stelt hij zichzelf ten voorbeeld: hij heeft de Heere gediend (vers 19) en heeft geen andere wens dan deze dienst die hij van Hem ontvangen heeft, te voleindigen (vers 24).

Dat is ook de conclusie van Jozua. Zijn dienst lijkt beëindigd te zijn. Maar toch verklaart hij nog met een onwankelbaar besluit van zijn hart: "Maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen de HEERE dienen!"

Dit doet ons denken aan een oude zendeling die de Heere dankte dat Hij Zijn oude vermoeide dienstknecht niet met pensioen liet gaan, zoals dat bij een gewone werkgever al lang gebeurd zou zijn.

Jozua spreekt namens zijn gezin. Is dit: "... mij, en mijn huis, wij zullen ... dienen", eigenlijk niet in overeenstemming met de woorden: "Gij zult zalig worden, gij en uw huis" (Handelingen 16 vers 31)? De gelovige en de zijnen zijn gered om te dienen!

En nu, beste vriend, wat moet u nog doen? We zijn aan het einde van een jaar aangekomen. Zult u het nieuwe jaar nog zien?

"Kiest u heden, wie gij dienen zult" (vers 15)! Maak de goede keus!

Jozua 24:16-33
16Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, dat wij den HEERE verlaten zouden, om andere goden te dienen.17Want de HEERE is onze God; Hij is het, Die ons en onze vaderen uit het land van Egypte, uit het diensthuis heeft opgebracht, en Die deze grote tekenen voor onze ogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al den weg, door welken wij getogen zijn, en onder alle volken, door welker midden wij getrokken zijn.18En de HEERE heeft voor ons aangezicht uitgestoten al die volken, zelfs den Amoriet, inwoner des lands. Wij zullen ook den HEERE dienen, want Hij is onze God.19Toen zeide Jozua tot het volk: Gij zult den HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God; Hij is een ijverig God; Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeven.20Indien gij den HEERE verlaten en vreemde goden dienen zult, zo zal Hij Zich omkeren, en Hij zal u kwaad doen, en Hij zal u verdoen, naar dat Hij u goed gedaan zal hebben.21Toen zeide het volk tot Jozua: Neen, maar wij zullen den HEERE dienen.22Jozua nu zeide tot het volk: Gij zijt getuigen over uzelven, dat gij u den HEERE verkoren hebt, om Hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen.23En nu, doet de vreemde goden weg, die in het midden van u zijn, en neigt uw harten tot den HEERE, den God van Israel.24En het volk zeide tot Jozua: Wij zullen den HEERE, onzen God, dienen, en wij zullen Zijner stem gehoorzamen.25Alzo maakt Jozua op dienzelven dag een verbond met het volk; en hij stelde het hun tot een inzetting en recht te Sichem.26En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Gods; en hij nam een groten steen, en hij richtte dien daar op onder den eik, die bij het heiligdom des HEEREN was.27En Jozua zeide tot het ganse volk: Ziet, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn; want hij heeft gehoord al de redenen des HEEREN, die Hij tot ons gesproken heeft; ja, hij zal tot een getuigenis tegen ulieden zijn, opdat gij uw God niet liegt.28Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel.29En het geschiedde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren.30En zij begroeven hem in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-Serah, welke is op een berg van Efraim, aan het noorden van den berg Gaas.31Israel nu diende den HEERE al de dagen van Jozua, en al de dagen van de oudsten, die lang na Jozua leefden, en die al het werk des HEEREN wisten, hetwelk Hij aan Israel gedaan had.32Zij begroeven ook de beenderen van Jozef, die de kinderen Israel uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat stuk velds, hetwelk Jakob gekocht had van de kinderen van Hemor, den vader van Sichem, voor honderd stukken gelds, want zij waren aan de kinderen van Jozef ter erfenis geworden.33Ook stierf Eleazar, de zoon van Aaron; en zij begroeven hem op den heuvel van Pinehas, zijn zoon, die hem gegeven was geweest op het gebergte van Efraim.

Na de vermaningen van Jozua en het voorbeeld dat hij zelf geeft, antwoordt het volk Israël onmiddellijk met een belijdenis van hun geloof.

Het volk belooft de HEERE te zullen dienen. Maar goede voornemens alleen zijn niet voldoende. In vers 23 zien we dat de vreemde goden nog steeds aanwezig zijn. Zo lang dat nog het geval is, moet Jozua tegen hen zeggen: "Gij zult de HEERE niet kunnen dienen" (vers 19).

"Niemand kan twee heren dienen", bevestigt ook de Heere Jezus (Mattheüs 6 vers 24).

De goede bedoelingen van Israël duren net zo lang als er goede leiders zijn. Leiders zoals Jozua, Eleázar, Pínehas ...(zie ook 2 Kronieken 24 vers 2).

Beste vrienden, nog één vraag: Hoe is het bij ons? Volgen wij de Heere met een oprecht, persoonlijk en levend geloof? Of hebben wij er tot dusver genoegen mee genomen, als meelopers achter anderen die ons onderwezen hebben, aan te gaan? Wat doen wij dan als deze personen ons verlaten?

Jozua besluit zijn loopbaan. De trouwe leider is in geloof door de woestijn gegaan. Daarna heeft hij de strijd van het geloof gestreden. In hem mogen we enkele kenmerken zien van de grote Leider, de Overwinnaar van de wereld, de overste Leidsman en Voleinder van het geloof.

Laten we God bidden dat Hij ons zal leren in onze wandel en strijd de ogen steeds gericht te hebben op de Heere Jezus (Hebreeën 12 vers 2).


This document may be found online at the following URL: http://www.stempublishing.com/authors/koechlin/dbd/nl/localStorageYear1.html.

You are welcome to freely access and use this material for personal study or sending to other Bible students, compiling extracts for notes etc, but please do not republish without permission.

With the prayerful desire that the Lord Jesus Christ will use this God-given ministry in this form for His glory and the blessing of many in these last days before His coming. © Les Hodgett contact at stempublishing dot com.