Richtere 1:1-15
1En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den HEERE vraagden, zeggende: Wie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaanieten, om tegen hen te krijgen?2En de HEERE zeide: Juda zal optrekken; ziet, Ik heb dat land in zijn hand gegeven.3Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in mijn lot, en laat ons tegen de Kanaanieten krijgen, zo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzo toog Simeon op met hem.4En Juda toog op, en de HEERE gaf de Kanaanieten en de Ferezieten in hun hand; en zij sloegen hen bij Bezek, tien duizend man.5En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem; en zij sloegen de Kanaanieten en de Ferezieten.6Doch Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af.7Toen zeide Adoni-Bezek: Zeventig koningen, met afgehouwen duimen van hun handen en van hun voeten, waren onder mijn tafel, de kruimen oplezende; gelijk als ik gedaan heb, alzo heeft mij God vergolden! En zij brachten hem te Jeruzalem, en hij stierf aldaar.8Want de kinderen van Juda hadden tegen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen, en met de scherpte des zwaards geslagen; en zij hadden de stad in het vuur gezet.9En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen, om te krijgen tegen de Kanaanieten, wonende in het gebergte, en in het zuiden, en in de laagte.10En Juda was heengetogen tegen de Kanaanieten, die te Hebron woonden (de naam nu van Hebron was tevoren Kirjath-Arba), en zij sloegen Sesai, en Ahiman, en Thalmai.11En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; de naam nu van Debir was te voren Kirjath-Sefer.12En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Sefer zal slaan, en haar innemen, dien zal ik ook mijn dochter Achsa tot een vrouw geven.13Toen nam Othniel haar in, de zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij; en Kaleb gaf hem Achsa, zijn dochter, tot een vrouw.14En het geschiedde, als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde, om van haar vader een veld te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen zeide Kaleb tot haar: Wat is u?15En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hoge wellingen en lage wellingen.

Er bestaat een groot verschil tussen het Boek Jozua en het Boek Richteren. In Jozua zien we hoe het volk Israël het land Kanaän in bezit neemt. In Richteren lezen we hoe dit volk in zijn erfdeel woont.

Op het eerste gezicht lijkt het net alsof we gewoon verder gaan met de geschiedenis uit Jozua, maar sommige dingen wijzen er heel duidelijk op dat de tijd van Jozua voorbij is. Hoewel Juda met grote beslistheid tegen de Kanaänieten vecht, lijkt het erop dat hij meer op zijn broer Simeon dan op de HEERE vertrouwt. De vijandelijke koning Adóni—Bézek wordt in leven gelaten en op mensonwaardige wijze behandeld.

Er is inderdaad een bladzijde omgeslagen; van roem is nu geen sprake meer. We zullen een neergaande lijn volgen.

Dat is ook gebeurd met de christenheid die een nog grotere verantwoordelijkheid draagt. De kracht — en voor een groot deel ook de gemeenschappelijke zegen — is vandaag de dag in grote mate verdwenen.

Toch is God niet veranderd! Zijn kracht staat nog steeds ter beschikking van een ieder die persoonlijk geloof toont. Othniël die Debir inneemt, is daarvan een mooi voorbeeld. De zegen is er ook voor ons. We hoeven er alleen maar om te vragen, zoals Achsa gedaan heeft (vers 15).

De Geest van God bewerkt die zegen voor ons. Hij verkwikt onze zielen door het Woord van God, zoals de "waterbeken" die beloofd zijn in Deuteronomium 8 vers 7, het land vruchtbaar maken.

Laten we aan het begin van een nieuw jaar deze zegen afsmeken van onze Vader!

Richtere 1:16-26
16De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op, met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Harad is; en zij gingen heen en woonden met het volk.17Juda dan toog met zijn broeder Simeon, en zij sloegen de Kanaanieten, wonende te Zefat, en zij verbanden hen; en men noemde den naam dezer stad Horma.18Daartoe nam Juda Gaza in, met haar landpale, en Askelon met haar landpale, en Ekron met haar landpale.19En de HEERE was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging niet voort om de inwoners des dals te verdrijven, omdat zij ijzeren wagenen hadden.20En zij gaven Hebron aan Kaleb, gelijk als Mozes gesproken had; en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.21Doch de kinderen van Benjamin hebben de Jebusieten, te Jeruzalem wonende, niet verdreven; maar de Jebusieten woonden met de kinderen van Benjamin te Jeruzalem, tot op dezen dag.22En het huis van Jozef toog ook op naar Beth-El. En de HEERE was met hen.23En het huis van Jozef bestelde verspieders bij Beth-El; de naam nu dezer stad was te voren Luz.24En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.25En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn ganse huis lieten zij gaan.26Toen toog deze man in het land der Hethieten, en hij bouwde een stad, en noemde haar naam Luz; dit is haar naam tot op dezen dag.

Direct aan het begin van dit Bijbelboek zien we een even triest als snel optredend en voortgaand verval. Hoe komt dat? Hoofdzakelijk door het vergeten van de tegenwoordigheid van de HEERE. Er wordt niet meer gesproken over Gilgal, de plaats van zelfoordeel, waar de Engel des HEEREN was (hoofdstuk 2 vers 1). Als gevolg daarvan ontstaat er angst voor de macht van mensen. Hun ijzeren wagens jagen schrik aan.

Deze gebeurtenissen lijken op het eerste gezicht op de tijd van Jozua. De inname van Luz lijkt op die van Jericho. Maar nu is geen sprake van geloof, noch bij de zonen van Jozef noch bij de man die de ingang van de stad aanwijst. Rachab werd op grond van haar geloof gespaard. Bij de verrader van Luz is het heel anders; hij blijft niet bij het volk Israël wonen, maar bouwt zijn stad ergens anders op. Een overwinning die geen vrucht is van vertrouwen op God, houdt nooit lang stand!

Het is een algemeen verval. Elke stam afzonderlijk wordt erdoor gekenmerkt, doordat de aanwezigheid van de vijand in zijn gebied — zij het ook met een zekere tegenstand —wordt toegelaten of voor lief genomen.

Ook in de christenheid is het gemeenschappelijk verslappen een gevolg van persoonlijk falen. Elke christen heeft hierin zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Laten we ons afvragen — u en ik: Wat is mijn verantwoordelijkheid? Hoe is mijn getuigenis sinds de dag van mijn bekering?'

Richtere 1:27-36; Richtere 2:1-5
27En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch haar onderhorige plaatsen, noch Thaanach met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met haar onderhorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met haar onderhorige plaatsen; en de Kanaanieten wilden wonen in hetzelve land.28En het geschiedde, als Israel sterk werd, dat hij de Kanaanieten op cijns stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk.29Ook verdreef Efraim de Kanaanieten niet, die te Gezer woonden; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem te Gezer.30Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaanieten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar.31Aser verdreef de inwoners van Acco niet, noch de inwoners van Sidon, noch Achlab, noch Achsib, noch Chelba, noch Afik, noch Rechob;32Maar de Aserieten woonden in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; want zij verdreven hen niet.33Nafthali verdreef de inwoners van Beth-Semes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden der Kanaanieten, die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden hun cijnsbaar.34En de Amorieten drongen de kinderen van Dan in het gebergte; want zij lieten hun niet toe, af te komen in het dal.35Ook wilden de Amorieten wonen op het gebergte van Heres, te Ajalon, en te Saalbim; maar de hand van het huis van Jozef werd zwaar, zodat zij cijnsbaar werden.36En de landpale der Amorieten was van den opgang van Akrabbim, van den rotssteen, en opwaarts heen.
1En een Engel des HEEREN kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim, en Hij zeide: Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land, dat Ik uw vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal Mijn verbond met ulieden niet verbreken in eeuwigheid.2En ulieden aangaande, gij zult geen verbond maken met de inwoners dezes lands; hun altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest; waarom hebt gij dit gedaan?3Daarom heb Ik ook gezegd: Ik zal hen voor uw aangezicht niet uitdrijven; maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hun goden zullen u tot een strik zijn.4En het geschiedde, als de Engel des HEEREN deze woorden tot alle kinderen Israels gesproken had, zo hief het volk zijn stem op en weende.5Daarom noemden zij den naam dier plaats Bochim; en zij offerden aldaar den HEERE.

God had een dubbele reden om de totale vernietiging van de vijanden van Israël te eisen. In de eerste plaats moest Hij hen straffen en oordelen vanwege hun ongerechtigheid (vergelijk Genesis 15 vers 16). Vervolgens wilde Hij Zijn volk beschermen tegen de verwoestende invloed van de afgodendienst van de Kanaänieten.

Moreel gezien bestaat voor ons hetzelfde gevaar. Een deel van onze tijd brengen we door in gezelschap van onbekeerde mensen: collega's en soms ook familieleden. Deze omgang is niet te vermijden. We moeten er echter wel voor waken dat zij geen invloed kunnen uitoefenen op ons geestelijke leven. Laten we oppassen voor slecht gezelschap (zie 1 Korinthe 15 vers 33).

Er zijn mensen die we onherroepelijk uit de weg moeten gaan, ook al zullen ze ons misschien uitlachen. Zij zullen er namelijk nooit voor terugdeinzen ons "in het gebergte" te dringen, zoals dat bij de kinderen van Dan gebeurde (vers 34). Dat betekent dat ze ons zullen verhinderen van de zegeningen die God ons gegeven heeft, te genieten.

De Engel des HEEREN, "de Vorst van het heer des HEEREN" (Jozua 5 vers 14), heeft erop gewacht dat Israël naar Gilgal, het uitgangspunt van roemrijke overwinningen, zou terugkeren. Tevergeefs! Dan gaat Hij naar Bochim, de plaats van tranen.

Als wij de tegenwoordige zwakheid vergelijken met het heerlijke begin van de christenheid, hebben we dan niet alle reden ons te verootmoedigen?

Richtere 2:6-23
6Als Jozua het volk had laten gaan, zo waren de kinderen Israels heengegaan, een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten.7En het volk diende den HEERE, al de dagen van Jozua, en al de dagen der oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua; die gezien hadden al dat grote werk des HEEREN, dat Hij aan Israel gedaan had.8Maar als Jozua, de zoon van Nun, de knecht des HEEREN, gestorven was, honderd en tien jaren oud zijnde;9En zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels, te Timnath-Heres, op een berg van Efraim, tegen het noorden van den berg Gaas;10En al datzelve geslacht ook tot zijn vaderen vergaderd was; zo stond er een ander geslacht na hen op, dat den HEERE niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israel gedaan had.11Toen deden de kinderen Israels, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij dienden de Baals.12En zij verlieten den HEERE, hunner vaderen God, Die hen uit Egypteland had uitgevoerd, en volgden andere goden na, van de goden der volken, die rondom hen waren, en bogen zich voor die, en zij verwekten den HEERE tot toorn.13Want zij verlieten den HEERE, en dienden de Baal en Astharoth.14Zo ontstak des HEEREN toorn tegen Israel, en Hij gaf hen in de hand der rovers, die hen beroofden; en Hij verkocht hen in de hand hunner vijanden rondom; en zij konden niet meer bestaan voor het aangezicht hunner vijanden.15Overal, waarheen zij uittogen, was de hand des HEEREN tegen hen, ten kwade, gelijk als de HEERE gesproken, en gelijk als de HEERE gezworen had; en hun was zeer bang.16En de HEERE verwekte richteren, die hen verlosten uit de hand dergenen, die hen beroofden;17Doch zij hoorden ook niet naar hun richteren, maar hoereerden andere goden na, en bogen zich voor die; haast weken zij af van den weg, dien hun vaders gewandeld hadden, horende de geboden des HEEREN; alzo deden zij niet.18En wanneer de HEERE hun richteren verwekte, zo was de HEERE met den richter, en verloste hen uit de hand hunner vijanden, al de dagen des richters; want het berouwde den HEERE, huns zuchtens halve vanwege degenen, die hen drongen en die hen drukten.19Maar het geschiedde met het versterven des richters, dat zij omkeerden, en verdierven het meer dan hun vaderen, navolgende andere goden, dezelve dienende, en zich voor die buigende; zij lieten niets vallen van hun werken, noch van dezen harden weg.20Daarom ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel, dat Hij zeide: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naar Mijn stem niet gehoord hebben;21Zo zal Ik ook niet voortvaren voor hun aangezicht iemand uit de bezitting te verdrijven, van de heidenen, die Jozua heeft achtergelaten, als hij stierf;22Opdat Ik Israel door hen verzoeke, of zij den weg des HEEREN zullen houden, om daarin te wandelen, gelijk als hun vaderen gehouden hebben, of niet.23Alzo liet de HEERE deze heidenen blijven, dat Hij hen niet haastelijk uit de bezitting verdreef; die Hij in de hand van Jozua niet had overgegeven.

Jaren gingen voorbij en er staat "een ander geslacht na hen op, dat de HEERE niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israël gedaan had" (vers 10).

Deze generatie had noch Gods trouw in de woestijn noch Zijn macht in Kanaän aan den lijve ondervonden.

Dit is iets waar wij, een nieuwe generatie van het volk van God, ernstig over mogen nadenken. Als kinderen van christelijke ouders hebben wij van het wonderbare gehoord dat God aan de vorige generaties gedaan heeft, maar kennen we Hem ook uit persoonlijke ervaring?

Helaas gaat het sinds de heerlijke opwekking in het begin van de negentiende eeuw bergafwaarts. De 'voorouders' van wie we gehoord hebben, zijn de een na de ander gestorven. En als de Heere ons hier nog een paar jaar laat, zullen de jongere broeders en zusters onder ons op hun beurt de verantwoordelijkheid voor het getuigenis op zich moeten nemen.

"Gedenkt uw voorgangers", staat er in Hebreeën 13 vers 7. Zij hebben ons hun schriftelijke dient en hun voorbeeld nagelaten. Laten we vooral hun geloof navolgen en er steeds aan denken dat de Heere altijd bij ons blijft, ook al zijn zij niet meer op aarde om ons hier nog voor te gaan! Zijn tegenwoordigheid is voldoende — ja, is er iets wat hoger is? —, zelfs in een tijd van zwakheid zoals nu!

Richtere 3:1-11
1Dit nu zijn de heidenen, die de HEERE liet blijven, om door hen Israel te verzoeken, allen, die niet wisten van al de krijgen van Kanaan;2Alleenlijk, opdat de geslachten der kinderen Israels die wisten, opdat Hij hun den krijg leerde, tenminste dengenen, die daar te voren niet van wisten.3Vijf vorsten der Filistijnen, en al de Kanaanieten, en de Sidoniers, en de Hevieten, wonende in het gebergte van den Libanon, van den berg Baal-Hermon, tot daar men komt te Hamath.4Dezen dan waren, om Israel door hen te verzoeken, opdat men wiste, of zij de geboden des HEEREN zouden horen, die Hij hun vaderen door de hand van Mozes geboden had.5Als nu de kinderen Israels woonden in het midden der Kanaanieten, der Hethieten, en der Amorieten, en der Ferezieten, en der Hevieten, en der Jebusieten;6Zo namen zij zich derzelver dochters tot vrouwen, en gaven hun dochters aan derzelver zonen; en zij dienden derzelver goden.7En de kinderen Israels deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en vergaten den HEERE, hun God, en zij dienden de Baals en de bossen.8Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel; en Hij verkocht hen in de hand van Cuschan Rischataim, koning van Mesopotamie; en de kinderen Israels dienden Cuschan Rischataim acht jaren.9Zo riepen de kinderen Israels tot den HEERE; en de HEERE verwekte de kinderen Israels een verlosser, die hen verloste, Othniel, zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij.10En de Geest des HEEREN was over hem, en hij richtte Israel, en toog uit ten strijde; en de HEERE gaf Cuschan Rischataim, den koning van Syrie, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischataim.11Toen was het land veertig jaren stil, en Othniel, de zoon van Kenaz, stierf.

We zullen zien dat er in het Boek Richteren steeds een bepaalde volgorde is in de loop van de gebeurtenissen. Het volk begint met het verlaten van de HEERE. Dan maakt de HEERE gebruik van vijanden die het volk overwinnen en onderdrukken, om hun geweten wakker te schudden. Uiteindelijk schreeuwt Israël tot God Die het vol medelijden bevrijdt door een richter te geven (zie ook Psalm 107 vers 6, 13, 19 en 28).

Helaas komt deze gang van zaken ook maar al te vaak voor in het leven van een ieder van ons. Als wij onder invloed komen van de wereld, omdat we de Heere vergeten hebben, gebruikt de Heere soms de vijandschap van de wereld om ons wakker te schudden.

Vers 2 herinnert ons eraan hoe God ons in staat van paraatheid houdt en ons voorbereidt op de strijd. Daarom laat Hij met opzet vijanden bestaan. Een militaire opleiding houdt noodzakelijkerwijs oefeningen in, want anders zou een soldaat, als het erop aan komt, niet in staat zijn de aanvallen van de vijand af te slaan en te overwinnen.

Elke gelovige moet steeds weer vermaand worden om de goede strijd van het geloof te strijden (1 Timotheüs 6 vers 12).

Het geloof heeft een dubbele zekerheid. Ten eerste weet het geloof dat de wereld een vijand is, en ten tweede dat de wereld een overwonnen vijand is.

"Ik heb de wereld overwonnen", was het laatste wat de Heere Jezus tegen de Zijnen zei, voordat Hij naar de hof Gethsémané en vandaar naar het kruis ging. Daarvan moet ook ons geloof doordrongen zijn om te kunnen overwinnen (Johannes 16 vers 33 en 1 Johannes 5 vers 4 en 5).

Richtere 3:12-31
12Maar de kinderen Israels voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; toen sterkte de HEERE Eglon, den koning der Moabieten, tegen Israel, omdat zij deden, wat kwaad was in de ogen des HEEREN.13En hij vergaderde tot zich de kinderen Ammons en de Amalekieten en hij toog heen, en sloeg Israel, en zij namen de Palmstad in bezit.14En de kinderen Israels dienden Eglon, koning der Moabieten, achttien jaren.15Toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE, en de HEERE verwekte hun een verlosser, Ehud, den zoon van Gera, een zoon van Jemini, een man, die links was. En de kinderen Israels zonden door zijn hand een geschenk aan Eglon, den koning der Moabieten.16En Ehud maakte zich een zwaard, dat twee scherpten had, welks lengte een el was; en hij gordde dat onder zijn klederen, aan zijn rechterheup.17En hij bracht aan Eglon, den koning der Moabieten, dat geschenk; Eglon nu was een zeer vet man.18En het geschiedde, als hij geeindigd had het geschenk te leveren, zo geleidde hij het volk, die het geschenk gedragen hadden;19Maar hijzelf keerde wederom van de gesneden beelden, die bij Gilgal waren, en zeide: Ik heb een heimelijke zaak aan u, o koning! dewelke zeide: Zwijg! En allen, die om hem stonden, gingen van hem uit.20En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in een koele opperzaal, die hij voor zich alleen had; zo zeide Ehud: Ik heb een woord Gods aan u. Toen stond hij op van den stoel.21Ehud dan reikte zijn linkerhand uit, en nam het zwaard van zijn rechterheup, en stak het in zijn buik;22Dat ook het hecht achter het lemmer inging, en het vet om het lemmer toesloot (want hij trok het zwaard niet uit zijn buik), en de drek uitging.23Toen ging Ehud uit van de voorzaal, en sloot de deuren der opperzaal voor zich toe, en deed ze in het slot.24Als hij uitgegaan was, zo kwamen zijn knechten, en zagen toe, en ziet, de deuren der opperzaal waren in het slot gedaan; zo zeiden zij: Zeker, hij bedekt zijn voeten in de verkoelkamer.25Als zij nu tot schamens toe gebeid hadden, ziet, zo opende hij de deuren der opperzaal niet. Toen namen zij den sleutel en deden open; en ziet, hunlieder heer lag ter aarde dood.26En Ehud ontkwam, terwijl zij vertoefden; want hij ging voorbij de gesneden beelden, en ontkwam naar Sehirath.27En het geschiedde, als hij aankwam, zo blies hij met de bazuin op het gebergte van Efraim; en de kinderen Israels togen met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht heen.28En hij zeide tot hen: Volgt mij na; want de HEERE heeft uw vijanden, de Moabieten, in ulieder hand gegeven. En zij togen af, hem na, en namen de veren van de Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan.29En zij sloegen de Moabieten te dier tijd, omtrent tien duizend man, allen vette en allen strijdbare mannen, dat er niet een man ontkwam.30Alzo werd Moab te dien dage onder Israels hand ten ondergebracht; en het land was stil tachtig jaren.31Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath, die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok; alzo verloste hij ook Israel.

De roede die God nu gebruikt om Zijn volk te tuchtigen, is Moab. Hetzelfde volk dat de HEERE eens door de mond van Bileam heeft verhinderd om tegen Israël op te trekken.

Achttien jaren verstrijken, vóórdat het volk zich tot de HEERE keert. Eerder waren daar acht jaren voor nodig geweest (vers 8). In Zijn groot erbarmen gaf Hij hun een redder: Ehud, de Benjaminiet (vers 15).

Ehud heeft "een woord Gods" voor Eglon, de koning van de Moabieten. Dit ernstige woord is niets anders dan zijn tweesnijdend zwaard dat de dood betekent voor de onderdrukker.

In Hebreeën wordt het Woord van God dat levend en krachtig is, vergeleken met een tweesnijdend zwaard (Hebreeën 4 vers 12). Welgelukzalig allen die zich nu, vandaag, door Zijn Woord laten onderzoeken, want eens zal het Woord hen die niet geloofd hebben, oordelen en vernietigen (Openbaring 19 vers 13 tot en met 15).

Het wapen van Samgar — een ossenstok — is ook een beeld van het Woord van God, maar dan zoals de wereld het ziet: als een gereedschap dat ogenschijnlijk geen enkele waarde heeft. Ondanks dat heeft dit wapen grote macht en is het in staat Israël opnieuw te verlossen.

De zwakheid van de mensen (Ehud was linkshandig) en de uiterlijke zwakheid van het gereedschap (de ossenstok van Samgar) laten juist beide de macht van God zien. Hij redt en bevrijdt allen die tot Hem roepen.

Richtere 4:1-16
1Maar de kinderen Israels voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, als Ehud gestorven was.2Zo verkocht hen de HEERE in de hand van Jabin, koning der Kanaanieten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera; dezelve nu woonde in Haroseth der heidenen.3Toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE; want hij had negenhonderd ijzeren wagenen, en hij had de kinderen Israels met geweld onderdrukt, twintig jaren.4Debora nu, een vrouw, die een profetesse was, de huisvrouw van Lappidoth, deze richtte te dier tijd Israel.5En zij woonde onder den palmboom van Debora, tussen Rama en tussen Beth-El, op het gebergte van Efraim; en de kinderen Israels gingen op tot haar ten gerichte.6En zij zond heen en riep Barak, den zoon van Abinoam, van Kedes-Nafthali; en zij zeide tot hem: Heeft de HEERE, de God Israels, niet geboden: Ga heen en trek op den berg Thabor, en neem met u tien duizend man, van de kinderen van Nafthali, en van de kinderen van Zebulon?7En Ik zal aan de beek Kison tot u trekken Sisera, den krijgsoverste van Jabin, met zijn wagenen en zijn menigte; en Ik zal hem in uw hand geven?8Toen zeide Barak tot haar: Indien gij met mij trekken zult, zo zal ik heen trekken; maar indien gij niet met mij zult trekken, zo zal ik niet trekken.9En zij zeide: Ik zal zekerlijk met u trekken, behalve dat de eer de uwe niet zal zijn op dezen weg, dien gij wandelt; want de HEERE zal Sisera verkopen in de hand ener vrouw. Alzo maakte Debora zich op, en toog met Barak naar Kedes.10Toen riep Barak Zebulon en Nafthali bijeen te Kedes, en hij toog op, op zijn voeten, met tien duizend man; ook toog Debora met hem op.11Heber nu, de Keniet, had zich afgezonderd van Kain, uit de kinderen van Hobab, Mozes schoonvader; en hij had zijn tenten opgeslagen tot aan den eik in Zaanaim, die bij Kedes is.12Toen boodschapten zij Sisera, dat Barak, de zoon van Abinoam, op den berg Thabor getogen was.13Zo riep Sisera al zijn wagenen bijeen, negenhonderd ijzeren wagenen, en al het volk, dat met hem was, van Haroseth der heidenen tot de beek Kison.14Debora dan zeide tot Barak: Maak u op; want dit is de dag, in welken de HEERE Sisera in uw hand gegeven heeft; is de HEERE niet voor uw aangezicht henen uitgetogen? Zo trok Barak van den berg Thabor af, en tien duizend man achter hem.15En de HEERE versloeg Sisera, met al zijn wagenen, en het ganse heirleger, door de scherpte de zwaards, voor het aangezicht van Barak; dat Sisera van den wagen afklom, en vluchtte op zijn voeten.16En Barak jaagde ze na, achter de wagenen en achter het heirleger, tot aan Haroseth der heidenen. En het ganse heirleger van Sisera viel door de scherpte des zwaards, dat er niet overbleef tot een toe.

De vroegere vijand is weer in het noorden van het land opgedoken, zelfs onder dezelfde naam: Jabin, en in dezelfde hoofdstad: Hazor (zie Jozua 11 vers 1). Hij onderdrukt Israël twintig jaar lang.

Laten wij ervoor oppassen dat we de vrucht van de overwinningen van hen die ons zijn voorgegaan, niet verliezen!

Opnieuw moet er gestreden worden. Deborah, een vrouw, een profetes, wordt door de HEERE gebruikt om het volk te richten en te bevrijden.

Gelovige vrouwen en meisjes, denk niet dat jullie in de dienst voor de gemeente terzijde gesteld zijn! Het is zeker niet naar Gods gedachten om als vrouw over de man te heersen, evenmin om openlijk het woord te voeren (1 Timotheüs 2 vers 12 en 1 Korinthe 14 vers 34). Toch hebben veel christinnen — misschien alleen al door middel van het gebed — opvallende bevrijdingen bewerkt!

Deborah laat Barak roepen, maar het ontbreekt hem aan de nodige moed. Hij moet op iemand anders kunnen steunen. Zijn vertrouwen op God is niet zó groot dat hij van elke vorm van menselijke hulp afziet (vergelijk Psalm 146 vers 3).

Onze moed is altijd afhankelijk van het vertrouwen dat we in de Heere hebben. Als we gebrek aan vertrouwen hebben, laten we dan handelen zoals de apostelen in Handelingen 4 deden. Zij baden God om "vrijmoedigheid" (vers 29) en kregen die door de Heilige Geest (vers 31).

Richtere 4:17-24; Richtere 5:1-11
17Maar Sisera vluchtte op zijn voeten naar de tent van Jael, de huisvrouw van Heber, den Keniet; want er was vrede tussen Jabin, den koning van Hazor, en tussen het huis van Heber, den Keniet.18Jael nu ging uit, Sisera tegemoet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken.19Daarna zeide hij tot haar: Geef mij toch een weinig waters te drinken, want mij dorst. Toen opende zij een melkfles, en gaf hem te drinken, en dekte hem toe.20Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand.21Daarna nam Jael, de huisvrouw van Heber, een nagel der tent, en greep een hamer in haar hand, en ging stilletjes tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met een diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.22En ziet, Barak vervolgde Sisera; en Jael ging uit hem tegemoet, en zeide tot hem: Kom, en ik zal u den man wijzen, dien gij zoekt. Zo kwam hij tot haar in, en ziet, Sisera lag dood, en de nagel was in den slaap zijns hoofds.23Alzo heeft God te dien dage Jabin, den koning van Kanaan, ten ondergebracht, voor het aangezicht der kinderen Israels.24En de hand der kinderen Israels ging steeds voort, en werd hard over Jabin, den koning van Kanaan, totdat zij Jabin, den koning van Kanaan, hadden uitgeroeid.
1Voorts zong Debora, en Barak, de zoon van Abinoam, ten zelven dage, zeggende:2Looft den HEERE, van het wreken der wraken in Israel, van dat het volk zich gewillig heeft aangeboden.3Hoort, gij koningen, neemt ter oren, gij vorsten! Ik, den HEERE zal ik zingen, ik zal den HEERE, den God Israels, psalmzingen.4HEERE! toen Gij voorttoogt van Seir, toen Gij daarheen traadt van het veld van Edom, beefde de aarde, ook droop de hemel, ook dropen de wolken van water.5De bergen vervloten van het aangezicht des HEEREN; zelfs Sinai van het aangezicht des HEEREN, des Gods van Israel.6In de dagen van Samgar, den zoon van Anath, in de dagen van Jael, hielden de wegen op, en die op paden wandelden, gingen kromme wegen.7De dorpen hielden op in Israel, zij hielden op; totdat ik, Debora, opstond, dat ik opstond, een moeder in Israel.8Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of een spies, onder veertig duizend in Israel?9Mijn hart is tot wetgevers van Israel, die zich gewillig aangeboden hebben onder het volk; looft den HEERE!10Gij, die op witte ezelinnen rijdt, gij, die aan het gerichte zit, en gij, die over weg wandelt, spreekt er van!11Van het gedruis der schutters, tussen de plaatsen, waar men water schept, spreekt aldaar te zamen van de gerechtigheid des HEEREN, van de gerechtigheden, bewezen aan zijn dorpen in Israel; toen ging des HEEREN volk af tot de poorten.

Sísera vlucht te voet; zijn negenhonderd ijzeren wagens hebben hem niet kunnen helpen. Hij denkt veilig te zijn in de tent van de Keniet Heber, maar wordt daar door de hand van diens vrouw Jaël, een vrouw van geloof, gedood.

Heber is iemand uit een heel interessante familie. Eens had één van z'n voorouders, Hobab, geweigerd met het volk Israël mee te trekken (Numeri 10 vers 29 en 30). Zijn nakomelingen volgden Israël later wel (Richteren 1 vers 16) en hadden deel aan de oorlogen èn de overwinningen van het volk.

Als Barak tenslotte ten tonele verschijnt, treft hij zijn vijand dood aan. Gedood door een vrouw! Daarmee verliest Barak — zoals Deborah voorzegd had — een deel van de eer van de overwinning.

Toch merkt God het geloof op, hoewel wij er misschien helemaal niets of maar heel weinig van zien! De naam van Barak wordt immers genoemd bij de trouwe getuigen in Hebreeën 11 vers 32. Wat een genade!

Het weinige dat wij voor de Heere mogen doen, ook al is dat soms zelfs nog vermengd met vertrouwen op mensen, heeft toch waarde voor Hem en Hij zal dat niet vergeten!

De dag waarop het hele volk aan de oever van de Rode Zee stond te zingen, in Exodus 15, is al lang voorbij. In deze tijd van zwakheid en verval horen we slechts twee stemmen zingen, die van Deborah en Barak, een man en een vrouw van geloof. Toch spreekt ook hun lied van zege en triomf! Het begint met het roemen van de HEERE Die alle eer toekomt.

Richtere 5:12-21
12Waak op, waak op, Debora, waak op, waak op, spreek een lied! maak u op, Barak! en leid uw gevangenen gevangen, gij zoon van Abinoam.13Toen deed Hij de overgeblevenen heersen over de heerlijken onder het volk; de HEERE doet mij heersen over de geweldigen.14Uit Efraim was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uw volken. Uit Machir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door den staf des schrijvers.15Ook waren de vorsten in Issaschar met Debora; en gelijk Issaschar, alzo was Barak; op zijn voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot.16Waarom bleeft gij zitten tussen de stallingen, om te horen het geblaat der kudden? De gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen des harten.17Gilead bleef aan gene zijde der Jordaan; en Dan, waarom onthield hij zich in schepen! Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijn gescheurde plaatsen.18Zebulon, het is een volk, dat zijn ziel versmaad heeft, insgelijks Nafthali, op de hoogten des velds.19De koningen kwamen, zij streden; toen streden de koningen van Kanaan, te Thaanach aan de wateren van Megiddo; zij brachten geen gewin des zilvers daarvan.20Van den hemel streden zij, de sterren uit haar loopplaatsen streden tegen Sisera.21De beek Kison wentelde hen weg, de beek Kedumin, de beek Kison; vertreed, o mijn ziel! de sterken.

Hoewel in het lied van Deborah en Barak de HEERE de eer wordt toegebracht voor de overwinning die Hem toekomt, moet ook elke stam afzonderlijk de eer óf de vermaning ontvangen voor zijn deel in de strijd.

Sommige stammen hebben actief aan de strijd deelgenomen. Zebulon en Nafthali hebben bijvoorbeeld hun leven gewaagd (vers 18; vergelijk hiermee Romeinen 16 vers 4 en Filippi 2 vers 30).

Anderen hebben zich daarentegen uit lafheid of traagheid afzijdig gehouden. Onder hen zijn ook de tweeënhalve stam: Ruben is, ondanks dat "de voornemens des harten groot" waren, bij zijn kudden gebleven (vers 15 en 16). Al eerder waren die kudden een verhindering voor hen; ze bleven immers aan de overzijde van de Jordaan wonen! Zo was het ook met Gilead (Gad en Manasse; vers 17). En Dan en Aser hadden het veel te druk met hun handel; zij hebben noch hun schepen noch de haven verlaten!

De Heere kan hen die besluiteloos zijn en weifelen, en ook hen die het veel te druk hebben met van alles en nog wat, niet gebruiken. Vroeg of laat zullen ook wij de gelegenheid krijgen om te tonen wat in ons leven de eerste plaats inneemt. Gaan onze harten uit naar het volk van God, naar het welzijn van de gemeente? Of lijken we op hen van wie Paulus in Filippi 2 vers 21 met grote droefheid moest zeggen: "Zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is"?

We kunnen vers 12 vergelijken met Psalm 68 vers 19 en het citaat in Efeze 4 vers 8. We worden daarin gewezen op Christus als Overwinnaar, als Degene Die de gevangenen bevrijdt van satan en dan in triomf naar de hemel opstijgt.

Richtere 6:1-13
1Maar de kinderen Israels deden, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; zo gaf hen de HEERE in de hand der Midianieten, zeven jaren.2Als nu de hand der Midianieten sterk werd over Israel, maakten zich de kinderen Israels, vanwege de Midianieten, de holen, die in de bergen zijn, en de spelonken, en de vestingen.3Want het geschiedde, als Israel gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen.4En zij legerden zich tegen hen, en verdierven de opkomst des lands, tot daar gij komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in Israel, noch klein vee, noch os, noch ezel.5Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kemelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven.6Alzo werd Israel zeer verarmd, vanwege de Midianieten. Toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE.7En het geschiedde, als de kinderen Israels tot den HEERE riepen, ter oorzake van de Midianieten;8Zo zond de HEERE een man, die een profeet was, tot de kinderen Israels; die zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE, de God Israels: Ik heb u uit Egypte doen opkomen, en u uit het diensthuis uitgevoerd;9En Ik heb u verlost van de hand der Egyptenaren, en van de hand van allen, die u drukten; en Ik heb hen voor uw aangezicht uitgedreven, en u hun land gegeven;10En Ik zeide tot ulieden: Ik ben de HEERE, uw God; vreest de goden der Amorieten niet, in welker land gij woont; maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest.11Toen kwam een Engel des HEEREN, en zette Zich onder den eik, die te Ofra is, welke aan Joas, den Abi-ezriet, toekwam; en zijn zoon Gideon dorste tarwe bij de pers, om die te vluchten voor het aangezicht der Midianieten.12Toen verscheen hem de Engel des HEEREN, en zeide tot hem: De HEERE is met u, gij strijdbare held!13Maar Gideon zeide tot Hem: Och, mijn Heer! zo de HEERE met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? en waar zijn al Zijn wonderen, die onze vaders ons verteld hebben, zeggende: Heeft ons de HEERE niet uit Egypte opgevoerd? Doch nu heeft ons de HEERE verlaten, en heeft ons in der Midianieten hand gegeven.

Weer doet Israël wat kwaad is in de ogen van de HEERE; dit maal maakt de HEERE gebruik van Midian om het volk te bestraffen, zoals ondermeer in Deuteronomium 28 vers 33 al was voorzegd. Elk jaar kwamen de Midianieten tijdens de oogsttijd als een zwerm sprinkhanen opzetten en namen zij de levensmiddelen en het vee in beslag. Het hele land werd geplunderd en verwoest.

Wat doet satan om de gelovigen te verzwakken, opdat ze in geestelijk opzicht verarmen? Hij doet alle moeite om hun voedsel weg te nemen!

Hebben we ook wel eens de indruk dat alles tegen lijkt te zitten, zodat we geen gelegenheid meer vinden om de Bijbel te lezen? Ja, dat we soms zelfs denken geen tijd te hebben om de samenkomsten te bezoeken? We kunnen er zeker van zijn dat dat het werk van de duivel is. Hij weet dat we juist daaruit onze kracht putten, en hij is bang voor die kracht. Daarom stelt hij alles in het werk om ons daarin te hinderen.

Veel jonge mensen dromen ervan sterk te zijn, ja, overwinnaars te worden. Laten we toch navolgers van Gideon zijn! Hij is een strijdbare en dappere held (vers 12) vol kracht. Hij doet alle moeite om het voedsel voor zijn levensonderhoud in veiligheid te brengen, om zichzelf en zijn familie van de hongerdood te redden.

Laten wij ook dappere helden zijn! Niet met onze lichaamskracht en onze eigen capaciteiten, maar met geloofsmoed, om met een voornemen van ons hart te strijden voor de Heere! God Die Zich tot ons keert (vers 14), ziet of wij dat in ons dagelijkse leven in praktijk brengen.

Richtere 6:14-27
14Toen keerde zich de HEERE tot hem, en zeide: Ga heen in deze uw kracht, en gij zult Israel uit der Midianieten hand verlossen; heb Ik u niet gezonden?15En hij zeide tot Hem: Och, mijn Heer! waarmede zal ik Israel verlossen? Zie, mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in mijns vaders huis.16En de HEERE zeide tot hem: Omdat Ik met u zal zijn, zo zult gij de Midianieten slaan, als een enigen man.17En hij zeide tot Hem: Indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo doe mij een teken, dat Gij het zijt, Die met mij spreekt.18Wijk toch niet van hier, totdat ik tot U kome, en mijn geschenk uitbrenge, en U voorzette. En Hij zeide: Ik zal blijven, totdat gij wederkomt.19En Gideon ging in, en bereidde een geitenbokje, en ongezuurde koeken van een efa meels; het vlees legde hij in een korf, en het sop deed hij in een pot; en hij bracht het tot Hem uit, tot onder den eik, en zette het nader.20Doch de Engel Gods zeide tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde koeken, en leg ze op dien rotssteen, en giet het sop uit; en hij deed alzo.21En de Engel des HEEREN stak het uiterste van den staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan; toen ging er vuur op uit de rots, en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel des HEEREN bekwam uit zijn ogen.22Toen zag Gideon, dat het een Engel des HEEREN was; en Gideon zeide: Ach, Heere, HEERE! daarom, omdat ik een Engel des HEEREN gezien heb van aangezicht tot aangezicht.23Doch de HEERE zeide tot hem: Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven.24Toen bouwde Gideon aldaar den HEERE een altaar, en noemde het: De HEERE is vrede! het is nog tot op dezen dag in Ofra der Abi-ezrieten.25En het geschiedde in dienzelven nacht, dat de HEERE tot hem zeide: Neem een var van de ossen, die van uw vader zijn, te weten, den tweeden var, van zeven jaren; en breek af het altaar van Baal, dat van uw vader is, en houw af het bos, dat daarbij is.26En bouw den HEERE, uw God, een altaar, op de hoogte dezer sterkte, in een bekwame plaats; en neem den tweeden var, en offer een brandoffer met het hout der hage, die gij zult hebben afgehouwen.27Toen nam Gideon tien mannen uit zijn knechten, en deed, gelijk als de HEERE tot hem gesproken had. Doch het geschiedde, dewijl hij zijns vaders huis en de mannen van die stad vreesde, van het te doen bij dag, dat hij het deed bij nacht.

Als Gideon naar zichzelf kijkt, vindt hij niet de kracht waarover de Engel tot hem gesproken had. Integendeel zelfs! Hij zegt de kleinste (de jongste) in het huis van zijn vader te zijn, en ook dat zijn duizend het armste van de stam van Manasse is (vers 15)!

Zoals later Paulus — en ook u en ik in ons eigen leven —moest ook Gideon leren: "Als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Korinthe 12 vers 10). En ook: "Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft" (Filippi 4 vers 13).

De kracht die Gideon bezat (vers 14), was de kracht van Godzelf: "Kracht, die God verleent" (1 Petrus 4 vers 11), die in de zwakheid van de dienstknecht wordt volbracht.

Deze ontmoeting met de Engel des HEEREN is ontzettend kostbaar! Het is een beeld van de ontmoeting die wij eens in ons leven met de Heere gehad moeten hebben, op grond van Zijn Offer aan het kruis!

Het gevolg van deze ontmoeting is niet de dood, maar vrede (vers 23)! En Gideon richt een altaar op tot eer van de God van de vrede Die Zich aan hem geopenbaard heeft.

Direct daarna wordt Gideon er door de HEERE Zelf op gewezen dat er dingen zijn die weggedaan moeten worden.

Moeten wij soms ook dingen wegdoen als we sterk willen zijn? De Heilige Geest Wiens tempel ons lichaam is, kan onmogelijk samen met een of andere afgod in ons hart wonen.

Richtere 6:28-40
28Als nu de mannen van die stad des morgens vroeg opstonden, ziet, zo was het altaar van Baal omgeworpen, en de haag, die daarbij was, afgehouwen, en die tweede var was op het gebouwde altaar geofferd.29Zo zeiden zij, de een tot de ander: Wie heeft dit stuk gedaan? En als zij onderzochten en navraagden, zo zeide men: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit stuk gedaan.30Toen zeiden de mannen van die stad tot Joas: Breng uw zoon uit, dat hij sterve, omdat hij het altaar van Baal heeft omgeworpen, en omdat hij de haag, die daarbij was, afgehouwen heeft.31Joas daarentegen zeide tot allen, die bij hem stonden: Zult gij voor den Baal twisten; zult gij hem verlossen? Die voor hem zal twisten, zal nog dezen morgen gedood worden! Indien een hij god is, hij twiste voor zichzelven, omdat men zijn altaar heeft omgeworpen.32Daarom noemde hij hem te dien dage Jerubbaal, zeggende: Baal twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar heeft omgeworpen.33Alle Midianieten nu, en Amalekieten, en de kinderen van het oosten, waren samenvergaderd, en zij trokken over, en legerden zich in het dal van Jizreel.34Toen toog de Geest des HEEREN Gideon aan, en hij blies met de bazuin, en de Abi-ezrieten werden achter hem bijeengeroepen.35Ook zond hij boden in gans Manasse, en die werden ook achter hem bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Aser, en in Zebulon, en in Nafthali; en zij kwamen op, hun tegemoet.36En Gideon zeide tot God: Indien Gij Israel door mijn hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt;37Zie, ik zal een wollen vlies op den vloer leggen; indien er dauw op het vlies alleen zal zijn, en droogte op de ganse aarde, zo zal ik weten, dat Gij Israel door mijn hand zult verlossen, gelijk als Gij gesproken hebt.38En het geschiedde alzo; want hij stond des anderen daags vroeg op, en drukte het vlies uit, en hij wrong den dauw uit het vlies, een schaal vol waters.39En Gideon zeide tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleenlijk ditmaal spreke; laat mij toch alleenlijk ditmaal met het vlies verzoeken; er zij toch droogte op het vlies alleen, en op de ganse aarde zij dauw.40En God deed alzo in denzelven nacht; want de droogte was op het vlies alleen, en op de ganse aarde was dauw.

Gideon heeft de innerlijke vrede van God ervaren en tegelijkertijd begint van buitenaf de strijd. In de eerste plaats moet hij nu in zijn ouderlijk huis een duidelijke positie innemen.

Waar begint ons getuigenis? Thuis, in ons eigen gezin, onze eigen familie. Hoe geven wij aan ons getuigenis vorm? Door aan hen die wij het beste kennen en die het dichtste bij ons staan, onze verandering die God bewerkt heeft (Markus 5 vers 19), te laten zien. Bij velen zal deze stellingname alleen maar vreugde in de familie bewerken. In andere gevallen stuit men op geweldige weerstand en vijandschap. Er zijn landen waar een duidelijk getuigenis voor God vreselijke gevolgen heeft!

We kunnen er zeker van zijn dat Gideon, vóórdat hij gehoorzaamt, innerlijk heel wat strijd heeft doorgemaakt. Hij wist van te voren van de gevaren die hem zouden bedreigen (vers 30), ook al gaat hij 's nachts te werk. Maar God staat hem terzijde. Hij werkt aan het hart van zijn vader Joas en zorgt ervoor dat de mannen van de stad hun bloeddorstige plannen niet uitvoeren.

Nadat God in Gideon gewerkt heeft, wil Hij nu door hem handelen. Door de bazuin van Gideon worden de Israëlieten opgeroepen tot de strijd tegen Midian.

Maar dan ... zien we zijn gebrek aan vertrouwen! Hij verlangt een teken van de HEERE. In genade geeft God hem het dubbele teken van het wollen vlies.

God heeft veel geduld met ons. En als wij Hem oprecht vragen, zal Hij ons Zijn wil kenbaar maken.

Richtere 7:1-8
1Toen stond Jerubbaal (dewelke is Gideon) vroeg op, en al het volk, dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Harod; dat hij het heirleger der Midianieten had tegen het noorden, achter den heuvel More, in het dal.2En de HEERE zeide tot Gideon: Des volks is te veel, dat met u is, dan dat Ik de Midianieten in hun hand zou geven; opdat zich Israel niet tegen Mij beroeme, zeggende: Mijn hand heeft mij verlost.3Nu dan, roep nu uit voor de oren des volks, zeggende: Wie blode en versaagd is, die kere weder, en spoede zich naar het gebergte van Gilead! Toen keerden uit het volk weder twee en twintig duizend, dat er tienduizend overbleven.4En de HEERE zeide tot Gideon: Nog is des volks te veel; doe hen afgaan naar het water, en Ik zal ze u aldaar beproeven; en het zal geschieden, van welken Ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken, die zal met u trekken; maar al degene, van welken Ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken.5En hij deed het volk afgaan naar het water. Toen zeide de HEERE tot Gideon: Al wie met zijn tong uit het water zal lekken, gelijk als een hond zou lekken, dien zult gij alleen stellen; desgelijks al wie op zijn knieen zal bukken om te drinken.6Toen was het getal dergenen, die met hun hand tot hun mond gelekt hadden, driehonderd man; maar alle overigen des volks hadden op hun knieen gebukt, om water te drinken.7En de HEERE zeide tot Gideon: Door deze driehonderd mannen, die gelekt hebben, zal Ik ulieden verlossen, en de Midianieten in uw hand geven; daarom laat al dat volk weggaan, een ieder naar zijn plaats.8En het volk nam den teerkost in hun hand, en hun bazuinen; en hij liet al die mannen van Israel gaan, een iegelijk naar zijn tent; maar die driehonderd man behield hij. En hij had het heirleger der Midianieten beneden in het dal.

Vergeleken met het grote leger van de Midianieten, de Amalekieten en de zonen van het oosten, was het leger van de Israëlieten met z'n tweeëndertigduizend man maar armzalig.

Het is dan best voor te stellen dat Gideon heel verwonderd was, toen de HEERE tegen hem zei: "Het volk is te veel, dat met u is" (vers 2 en 4). Het ging de HEERE erom dat zij ná de strijd niet zouden zeggen dat zijzelf de overwinning hadden behaald.

Bij de eerste schifting moeten, volgens Deuteronomium 20 vers 8, de vreesachtigen en die week van hart zijn, naar huis gaan. Daarna blijven er nog tienduizend mannen over die de proef met het water moeten ondergaan. De meesten nemen het er van en drinken op hun gemak, terwijl anderen snel een beetje water uit hun hand drinken.

Deze laatsten, slechts driehonderd mannen, zijn geschikt voor de strijd. Zij vinden het doel dat ze voor ogen hebben, belangrijker dan de bevrediging van hun eigen behoeften.

Daarin ligt ook een les voor ons die een hemels doel hebben! "Zo iemand achter Mij wil komen," zegt de Heere Jezus, "die verloochene zichzelf (Lukas 9 vers 23).

Is Hij het niet waard dat we afstand nemen van alles? Ook Hij heeft op Zijn weg "uit de beek" gedronken (Psalm 110 vers 7). Hier en daar vond Hij verkwikking voor Zijn hart, zonder daarbij ook maar één moment Zijn doel uit het oog te verliezen: de overwinning op het kruis en de verheerlijking van God, Zijn Vader (Lukas 9 vers 51).

Richtere 7:9-25
9En het geschiedde in denzelven nacht, dat de HEERE tot hem zeide: Sta op, ga henen af in het leger, want Ik heb het in uw hand gegeven.10Vreest gij dan nog af te gaan, zo ga af, gij, en Pura, uw jongen, naar het leger.11En gij zult horen, wat zij zullen spreken, en daarna zullen uw handen gesterkt worden, dat gij aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af, met Pura, zijn jongen, tot het uiterste der schildwachten, die in het leger waren.12En de Midianieten, en Amalekieten, en al de kinderen van het oosten, lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte, en hun kemelen waren ontelbaar, gelijk het zand, dat aan den oever der zee is, in menigte.13Toen nu Gideon aankwam, ziet, zo was er een man, die zijn metgezel een droom vertelde, en zeide: Zie, ik heb een droom gedroomd, en zie, een geroost gerstebrood wentelde zich in het leger der Midianieten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg haar, dat zij viel, en keerde haar om, het onderste boven, dat de tent er lag.14En zijn metgezel antwoordde, en zeide: Dit is niet anders, dan het zwaard van Gideon, de zoon van Joas, de Israelietischen man; God heeft de Midianieten en dit ganse leger in zijn hand gegeven.15En het geschiedde, als Gideon de vertelling dezes drooms, en zijn uitlegging hoorde, zo aanbad hij; en hij keerde weder tot het leger van Israel, en zeide: Maakt u op, want de HEERE heeft het leger der Midianieten in ulieder hand gegeven.16En hij deelde de driehonderd man in drie hopen; en hij gaf een iegelijk een bazuin in zijn hand, en ledige kruiken, en fakkelen in het midden der kruiken.17En hij zeide tot hen: Ziet naar mij en doet alzo; en ziet, als ik zal komen aan het uiterste des legers, zo zal het geschieden, gelijk als ik zal doen, alzo zult gij doen.18Als ik met de bazuin zal blazen, ik en allen, die met mij zijn, dan zult gijlieden ook met de bazuin blazen, rondom het ganse leger, en gij zult zeggen: Voor den HEERE en voor Gideon!19Alzo kwam Gideon, en honderd mannen, die met hem waren, in het uiterste des legers, in het begin van de middelste nachtwaak, als zij maar even de wachters gesteld hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken, die in hun hand waren, in stukken.20Alzo bliezen de drie hopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met de linkerhand de fakkelen, en met hun rechterhand de bazuinen om te blazen; en zij riepen: Het zwaard van den HEERE, en van Gideon!21En zij stonden, een iegelijk in zijn plaats, rondom het leger. Toen verliep het ganse leger, en zij schreeuwden en vloden.22Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zo zette de HEERE het zwaard des een tegen den anderen, en dat in het ganse leger; en het leger vluchtte tot Beth-Sitta toe naar Tseredath, tot aan de grens van Abel-Mehola, boven Tabbath.23Toen werden de mannen van Israel bijeengeroepen, uit Nafthali, en uit Aser, en uit gans Manasse; en zij jaagden de Midianieten achterna.24Ook zond Gideon boden in het ganse gebergte van Efraim, zeggende: Komt af de Midianieten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren, tot aan Beth-bara, te weten de Jordaan; alzo werd alle man van Efraim bijeengeroepen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-bara, en de Jordaan.25En zij vingen twee vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, en doodden Oreb op den rotssteen Oreb, en Zeeb doodden zij in de perskuip van Zeeb, en vervolgden de Midianieten; en zij brachten de hoofden van Oreb en Zeeb tot Gideon, over de Jordaan.

Er komt nog een laatste bemoediging voor Gideon: de droom van de Midianiet, die door diens metgezel wordt uitgelegd. Daarbij leert Gideon ook een laatste les: hij is niet meer waard dan een armzalig gerstebrood.

Nu kan de strijd beginnen. 's Nachts stellen de drie groepen strijders van Gideon zich op rondom het vijandelijke kamp, een ieder op zijn eigen plaats.

Laten we goed op de wapens van deze bijzondere soldaten letten: in de ene hand een fakkel die binnen in een kruik brandt, en in de andere hand een bazuin, zoals destijds bij Jericho. Geen zwaard, geen speer; de HEERE strijdt voor hen. "Opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons", wordt in 2 Korinthe 4 vers 7 gezegd. Deze tekst vergelijkt de gelovigen met aarden vaten. Zijzelf moeten verbroken worden, opdat de stralende glans — Christus in hen — naar buiten toe zichtbaar wordt.

Door de luide klank van de bazuin midden in de nacht en dat ongewone lichtschijnsel op de berghelling wordt het hele legerkamp plotseling opgeschrikt. Door paniek bevangen, vluchten ze alle kanten op, zien elkaar in het donker voor vijanden aan en doden elkaar. Dan begint de achtervolging door Gideon en zijn mannen. Andere Israëlieten vatten door dit alles moed en sluiten zich bij de driehonderd bazuinblazers en fakkeldragers aan.

Deze gebeurtenis is een glorierijke overwinning in de geschiedenis van Israël (zie Psalm 83 vers 12). De rotssteen Oreb en de perskuip van Zeëb dienen de toekomstige geslachten te herinneren aan de bevrijding die de HEERE bewerkt had.

Richtere 8:1-17
1Toen zeiden de mannen van Efraim tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem.2Hij daarentegen zeide tot hen: Wat heb ik nu gedaan, gelijk gijlieden; zijn niet de nalezingen van Efraim beter dan de wijnoogst van Abi-ezer?3God heeft de vorsten der Midianieten, Oreb en Zeeb, in uw hand gegeven; wat heb ik dan kunnen doen, gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.4Als nu Gideon gekomen was aan de Jordaan, ging hij over, met de driehonderd mannen, die bij hem waren, zijnde moede, nochtans vervolgende.5En hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch enige bollen broods aan het volk, dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moede; en ik jaag Zebah en Tsalmuna, de koningen der Midianieten, achterna.6Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw heir brood zouden geven?7Toen zeide Gideon: Daarom, als de HEERE Zebah en Tsalmuna in mijn hand geeft, zo zal ik uw vlees dorsen met doornen der woestijn, en met distelen.8En hij toog van daar op naar Pnuel, en sprak tot hen desgelijks. En de lieden van Pnuel antwoordden hem, gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.9Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuel, zeggende: Als ik met vrede wederkome, zal ik deze toren afwerpen.10Zebah nu en Tsalmuna waren te Karkor, en hun legers met hen, omtrent vijftien duizend, al de overgeblevenen van het ganse leger der kinderen van het oosten; en de gevallenen waren honderd en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken.11En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen, die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.12En Zebah en Tsalmuna vloden; doch hij jaagde hen na; en hij ving de beide koningen der Midianieten, Zebah en Tsalmuna, en verschrikte het ganse leger.13Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, voor den opgang der zon,14Zo ving hij een jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem; die schreef hem op de oversten van Sukkoth, en hun oudsten, zeven en zeventig mannen.15Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth, en zeide: Ziet daar Zebah en Tsalmuna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Tsalmuna alrede in uw hand, dat wij aan uw mannen, die moede zijn, brood zouden geven?16En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn, en distelen, en deed het den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan.17En de toren van Pnuel wierp hij af, en doodde de lieden der stad.

De lessen waardoor God Gideon bescheidenheid leerde, hebben vrucht gedragen. Hij is bereid het deel dat anderen aan de overwinning hebben gehad, te erkennen. En de toom van de mannen van Efraïm verdwijnt door het zachte antwoord van Gideon, als hij hen uitlegt wat ze gedaan hebben (vers 2 en 3).

Het werk van anderen naar voren brengen, hun capaciteiten hoogachten, in plaats van op eigen werk of capaciteit te wijzen, is een vrucht van het Goddelijke leven. Dat heeft niets te maken met de huichelarij van menselijk, diplomatiek handelen. Petrus herinnert ons eraan dat een zachtmoedige en stille geest waardevol is voor God (1 Petrus 3 vers 4).

God heeft die driehonderd strijders nauwkeurig uitgezocht. Ze houden nu evenmin rekening met hun vermoeidheid, als toen aan de oever van de beek met hun eigen gemak of dorst (hoofdstuk 7). Ze hebben één doel voor ogen en jagen dat na (vers 4). "Eén ding doe ik," zegt Paulus, "ik jaag naar het doelwit" (Filippi 3 vers 14). En ergens anders zegt hij: "Neergeworpen, doch niet verdorven" (2 Korinthe 4 vers 9).

Zoals Gideon met de mannen van Sukkoth en Pnuël, zo moest ook Paulus later ervaren dat allen hem hadden verlaten (2 Timotheüs 4 vers 16). Maar wat een tegenstelling tot de wraak van Gideon: Paulus kan, als ware volgeling van zijn Meester, erbij zeggen: "Het worde hun niet toegerekend!"

Richtere 8:18-35
18Daarna zeide hij tot Zebah en Tsalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Thabor doodsloegt? En zij zeiden: Gelijk gij, alzo waren zij, enerlei, van gedaante als koningszonen.19Toen zeide hij: Het waren mijn broeders, zonen mijner moeder; zo waarlijk als de HEERE leeft, zo gij hen hadt laten leven, ik zou ulieden niet doden!20En hij zeide tot Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen; maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, dewijl hij nog een jongeling was.21Toen zeiden Zebah en Tsalmuna: Sta gij op, en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op, en doodde Zebah en Tsalmuna, en nam de maantjes, die aan de halzen hunner kemelen waren.22Toen zeiden de mannen van Israel tot Gideon: Heers over ons, zo gij als uw zoon en uws zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianieten hand verlost hebt.23Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over u niet heersen; ook zal mijn zoon over u niet heersen; de HEERE zal over u heersen.24Voorts zeide Gideon tot hen: Een begeerte zal ik van u begeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof; want zij hadden gouden voorhoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaelieten waren.25En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof.26En het gewicht der gouden voorhoofdsierselen, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonder de maantjes, en ketenen, en purperen klederen, die de koningen der Midianieten aangehad hadden, en zonder de halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren.27En Gideon maakte daarvan een efod, en stelde die in zijn stad, te Ofra; en gans Israel hoereerde aldaar denzelven na; en het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik.28Alzo werden de Midianieten ten onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israels, en hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaren, in de dagen van Gideon.29En Jerubbaal, de zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis.30Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijn heupe voortgekomen waren; want hij had vele vrouwen.31En zijn bijwijf, hetwelk te Sichem was, baarde hem ook een zoon; en hij noemde zijn naam Abimelech.32En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, te Ofra, des Abi-ezriets.33En het geschiedde, als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israels zich omkeerden, en de Baals nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot een God.34En de kinderen Israels dachten niet aan den HEERE, hun God, Die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom.35En zij deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubbaal, dat is Gideon, naar al het goede, dat hij bij Israel gedaan had.

Na de overwinning verkeert de dienstknecht van God nog in een aantal hachelijke situaties. Er duiken gevaren op.

Gisteren zagen we de afgunst van de mannen van Efraïm die een zachtmoedig antwoord van Gideon kregen. Nu zien we de vleierij van de wereld. Maar de complimenten van Zebah en Zalmûna over zijn gedaante — als van een koningszoon — verhinderen Gideon niet hen te doden.

Dan volgt er een nieuwe valstrik, nu van de kant van de Israëlieten: "Heers over ons", zeggen ze, "zo gij als uw zoon ..., omdat gij ons ... verlost hebt". Daarop geeft Gideon een prachtig antwoord: "De HEERE zal over u heersen" (vers 22 en 23). De eerste reactie van Gideon op deze eer die hem aangeboden wordt, mag ons tot voorbeeld strekken. Hij wijst het aanbod om koning te worden, resoluut van de hand. Wat jammer is het dan dat hij zijn zoon de naam Abimélech geeft: 'Mijn vader is koning'!

Een dienstknecht moet ervoor oppassen dat hij niet de plaats inneemt die alleen zijn Meester toekomt. En de gelovigen moeten erop letten dat ze de dienstknechten van God niet gaan vleien (Mattheüs 23 vers 7 tot en met 10).

Na deze overwinningen van Gideon komt er nog een laatste valstrik (vers 27). Helaas komt hij daardoor nu ten val. Gideon stelt in de stad een efod op. Dat is een gouden voorwerp dat aan het priesterschap verbonden is. Heel Israël komt bijeen om de efod te bewonderen en vergeet daarbij dat Silo waar de ark van het verbond zich bevond (Jozua 18 vers 1), het enige centrum van de priesterdienst is.

Uiteindelijk sterft Gideon — en het volk keert tot de afgodendienst terug!

Richtere 9:1-25
1Abimelech nu, de zoon van Jerubbaal, ging henen naar Sichem, tot de broeder zijner moeder; en hij sprak tot hen, en tot het ganse geslacht van het huis van den vader zijner moeder, zeggende:2Spreekt toch voor de oren van alle burgers van Sichem: Wat is u beter, dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaal, over u heersen, of dat een man over u heerse? Gedenkt ook, dat ik uw been en uw vlees ben.3Toen spraken de broeders zijner moeder van hem, voor de oren van alle burgers van Sichem, al dezelve woorden; en hun hart neigde zich naar Abimelech; want zij zeiden: Hij is onze broeder.4En zij gaven hem zeventig zilverlingen, uit het huis van Baal-Berith; en Abimelech huurde daarmede ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden.5En hij kwam in zijns vaders huis te Ofra, en doodde zijn broederen, de zonen van Jerubbaal, zeventig mannen, op een steen; doch Jotham, de jongste zoon van Jerubbaal werd overgelaten, want hij had zich verstoken.6Toen vergaderden zich alle burgers van Sichem, en het ganse huis van Millo, en gingen heen en maakten Abimelech ten koning, bij den hogen eik, die bij Sichem is.7Als zij dit Jotham aanzeiden, zo ging hij heen, en stond op de hoogte des bergs Gerizim, en verhief zijn stem, en riep, en hij zeide tot hen: Hoort naar mij, gij, burgers van Sichem! en God zal naar ulieden horen.8De bomen gingen eens heen, om een koning over zich te zalven, en zij zeiden tot den olijfboom: Wees gij koning over ons.9Maar de olijfboom zeide tot hen: Zoude ik mijn vettigheid verlaten, die God en de mensen in mij prijzen? En zoude ik heengaan om te zweven over de bomen?10Toen zeiden de bomen tot den vijgeboom: Kom gij, wees koning over ons.11Maar de vijgeboom zeide tot hen: Zou ik mijn zoetigheid en mijn goede vrucht verlaten? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen?12Toen zeiden de bomen tot den wijnstok: Kom gij, wees koning over ons.13Maar de wijnstok zeide tot hen: Zou ik mijn most verlaten, die God en mensen vrolijk maakt? En zou ik heengaan om te zweven over de bomen?14Toen zeiden al de bomen tot den doornenbos: Kom gij, wees koning over ons.15En de doornenbos zeide tot de bomen: Indien gij mij in waarheid tot een koning over u zalft, zo komt, vertrouwt u onder mijn schaduw; maar indien niet, zo ga vuur uit de doornenbos, en vertere de cederen van de Libanon.16Alzo nu, indien gij het in waarheid en oprechtheid gedaan hebt, dat gij Abimelech koning gemaakt hebt, en indien gij welgedaan hebt bij Jerubbaal en bij zijn huis, en indien gij hem naar de verdienste zijner handen gedaan hebt.17(Want mijn vader heeft voor ulieden gestreden, en hij heeft zijn ziel verre weggeworpen, en u uit der Midianieten hand gered;18Maar gij zijt heden opgestaan tegen het huis mijns vaders, en hebt zijn zonen, zeventig mannen, op een steen gedood; en gij hebt Abimelech, een zoon zijner dienstmaagd, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broeder is);19Indien gij dan in waarheid en in oprechtheid bij Jerubbaal en bij zijn huis te dezen dage gehandeld hebt, zo weest vrolijk over Abimelech, en hij zij ook vrolijk over ulieden.20Maar indien niet, zo ga vuur uit van Abimelech, en vertere de burgers van Sichem, en het huis van Millo; en vuur ga uit van de burgers van Sichem, en van het huis van Millo, en vertere Abimelech!21Toen vlood Jotham, en vluchtte, en ging naar Beer; en hij woonde aldaar vanwege zijn broeder Abimelech.22Als nu Abimelech drie jaren over Israel geheerst had,23Zo zond God een bozen geest tussen Abimelech en tussen de burgers van Sichem; en de burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimelech;24Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaal, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broeder, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broeders te doden.25En de burgers van Sichem bestelden tegen hem, die op de hoogten der bergen lagen legden, en al wie voorbij hen op den weg doorging, beroofden zij; en het werd Abimelech aangezegd.

Dit verdrietige hoofdstuk beschrijft hoe snel en vreselijk de ondergang van het volk is. Gideon was eens zo verstandig geweest om de heerschappij voor hemzelf en zijn nageslacht af te wijzen, maar nu trekt juist één van zijn zonen, Abimélech, door list en geweld de macht naar zich toe.

Een tegenstelling hiermee vormt Jotham, de jongste van de zonen van Gideon. Hij is de enige die aan het bloedbad in Sichem was ontkomen. Jotham is niet bang om de waarheid te vertellen en voor de hele stad getuigenis af te leggen, zoals zijn vader in zekere zin ook gedaan had, toen hij het altaar voor de HEERE bouwde en het altaar van Baäl vernietigde.

De gelijkenis van de bomen die een koning over zich willen aanstellen, bevat voor ons een belangrijke les. Er worden drie dingen benadrukt die we nooit mogen opgeven, maar juist zorgvuldig moeten bewaren:

De olie van de olijfboom — een beeld van de Heilige Geest, de enige kracht van een christen;

De zoetheid van de goede vrucht van de vijgenboom — met andere woorden: de werken van het geloof; en

De most (of druivensap) die God en mensen verheugt —een beeld van de vreugde van de gemeenschap met God en van die van de gelovigen onderling.

Als iemand ermee instemt hier beneden te regeren, dat wil zeggen, een prachtige positie in te nemen en zich voor de wereld in te zetten, dan zal hij onherroepelijk deze drie kostbare voorrechten moeten opgeven. De Heere beware ons hier allemaal voor!

Richtere 9:26-57
26Gaal, de zoon van Ebed, kwam ook met zijn broederen, en zij gingen over in Sichem; en de burgeren van Sichem verlieten zich op hem.27En zij togen uit in het veld, en lazen hun wijnbergen af, en traden de druiven, en maakten lofliederen; en zij gingen in het huis huns gods, en aten en dronken, en vloekten Abimelech.28En Gaal, de zoon van Ebed, zeide: Wie is Abimelech, en wat is Sichem, dat wij hem dienen zouden? is hij niet een zoon van Jerubbaal? en Zebul zijn bevelhebber? dient liever de mannen van Hemor, den vader van Sichem; want waarom zouden wij hem dienen?29Och, dat dit volk in mijn hand ware! ik zoude Abimelech wel verdrijven. En tot Abimelech zeide hij: Vermeerder uw heir, en trek uit.30Als Zebul, de overste der stad, de woorden van Gaal, den zoon van Ebed, hoorde, zo ontstak zijn toorn.31En hij zond listiglijk boden tot Abimelech, zeggende: Zie, Gaal, de zoon van Ebed, en zijn broeders zijn te Sichem gekomen, en zie, zij, met deze stad, handelen vijandiglijk tegen u.32Zo maak u nu op bij nacht, gij en het volk, dat met u is, en leg lagen in het veld.33En het geschiede in den morgen, als de zon opgaat, zo maak u vroeg op, en overval deze stad; en zie, zo hij en het volk, dat met hem is, tot u uittrekken, zo doe hem, gelijk als uw hand vinden zal.34Abimelech dan maakte zich op, en al het volk, dat met hem was, bij nacht; en zij legden lagen op Sichem, met vier hopen.35En Gaal, de zoon van Ebed, ging uit, en stond aan de deur van de stadspoort; en Abimelech rees op, en al het volk, dat met hem was, uit de achterlage.36Als Gaal dat volk zag, zo zeide hij tot Zebul: Zie, er komt volk af van de hoogten der bergen. Zebul daarentegen zeide tot hem: Gij ziet de schaduw der bergen voor mensen aan.37Maar Gaal voer wijders voort te spreken en zeide: Zie daar volk, afkomende uit het midden des lands, en een hoop komt van den weg van den eik Meonenim.38Toen zeide Zebul tot hem: Waar is nu uw mond, waarmede gij zeidet: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen? is niet dit het volk, dat gij veracht hebt? trek toch nu uit en strijd tegen hem!39En Gaal trok uit voor het aangezicht der burgeren van Sichem, en hij streed tegen Abimelech.40En Abimelech jaagde hem na, want hij vlood voor zijn aangezicht; en er vielen vele verslagenen tot aan de deur der stads poort.41Abimelech nu bleef te Aruma; en Zebul verdreef Gaal en zijn broederen, dat zij te Sichem niet mochten wonen.42En het geschiedde des anderen daags dat het volk uittrok in het veld, en zij zeiden het Abimelech aan.43Toen nam hij het volk, en deelde hen in drie hopen, en hij legde lagen in het veld; en hij zag toe, en ziet, het volk trok uit de stad, zo maakte hij zich tegen hen op, en sloeg hen.44Want Abimelech en de hopen, die bij hem waren, overvielen hen, en bleven staan aan de deur der stadspoort; en de twee andere hopen overvielen allen, die in het veld waren, en sloegen hen.45Voorts streed Abimelech tegen de stad dienzelven gansen dag, en nam de stad in, en doodde het volk, dat daarin was; en hij brak de stad af, en bezaaide haar met zout.46Als alle burgers des torens van Sichem dat hoorden, zo gingen zij in de sterkte, in het huis van den god Berith.47En het werd Abimelech aangezegd, dat alle burgeren des torens van Sichem zich verzameld hadden.48Zo ging Abimelech op den berg Zalmon, hij en al het volk, dat met hem was; en Abimelech nam een bijl in zijn hand, en hieuw een tak van de bomen, en nam hem op, en legde hem op zijn schouder; en hij zeide tot het volk, dat bij hem was: Wat gij mij hebt zien doen, haast u, doet als ik.49Zo hieuw ook al het volk een iegelijk zijn tak af, en zij volgden Abimelech na, en legden ze aan de sterkte, en verbrandden daardoor de sterkte met vuur; dat ook alle lieden des torens van Sichem stierven, omtrent duizend mannen en vrouwen.50Voorts toog Abimelech naar Thebez, en hij legerde zich tegen Thebez, en nam haar in.51Doch er was een sterke toren in het midden der stad; zo vloden daarheen al de mannen en de vrouwen, en alle burgers van de stad, en sloten voor zich toe; en zij klommen op het dak des torens.52Toen kwam Abimelech tot aan den toren, en bestormde dien; en hij genaakte tot aan de deur des torens, om dien met vuur te verbranden.53Maar een vrouw wierp een stuk van een molensteen op Abimelechs hoofd; en zij verpletterde zijn hersenpan.54Toen riep hij haastelijk den jongen, die zijn wapenen droeg, en zeide tot hem: Trek uw zwaard uit, en dood mij, opdat zij niet van mij zeggen: Een vrouw heeft hem gedood. En zijn jongen doorstak hem, dat hij stierf.55Als nu de mannen van Israel zagen, dat Abimelech dood was, zo gingen zij een iegelijk naar zijn plaats.56Alzo deed God wederkeren heet kwaad van Abimelech, dat hij aan zijn vader gedaan had, dodende zijn zeventig broederen.57Desgelijks al het kwaad der lieden van Sichem deed God wederkeren op hun hoofd; en de vloek van Jotham, den zoon van Jerubbaal, kwam over hen.

De gebeurtenissen in dit hoofdstuk zijn een bevestiging van wat Jesaja met betrekking tot zulke mensen zegt: "Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten der ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen" (Jesaja 59 vers 7 en aangehaald in Romeinen 3 vers 15 en 16).

Is het in de wereld van vandaag anders? Beslist niet! Zelfs in de zogenaamde 'christelijke' landen wordt de politiek beheerst door (verkapt) geweld, leugen en bedrog.

Jotham had partij kunnen kiezen tegen Abimélech en mensen achter zich kunnen verzamelen om zo wraak te nemen voor zijn vermoorde broers, maar daar past hij wel voor op! Ver van alle strijd en achterbakse handelingen wacht hij rustig in Beër (vers 21; zie ook Numeri 21 vers 16) op de bevrijding door de HEERE.

We hebben gezien dat de vijandelijke Midianieten elkaar in hun eigen legerkamp ombrachten. Nu doen Abimélech en de bewoners van Sichem hetzelfde. Ze zijn voor elkaar als een verterend vuur; het is de vervulling van wat Jotham in vers 20 voorzegd had.

Daarmee gaat het woord dat ook steeds opnieuw in de geschiedenis van de mensheid bewaarheid wordt, in vervulling: "Wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien" (Galaten 6 vers 7; zie ook Galaten 5 vers 15).

Richtere 10:1-18
1Na Abimelech nu stond op, om Israel te behouden, Thola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar; en hij woonde te Samir, op het gebergte van Efraim.2En hij richtte Israel drie en twintig jaren; en hij stierf, en werd begraven te Samir.3En na hem stond op Jair, de Gileadiet; en hij richtte Israel twee en twintig jaren.4En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-Jair, tot op dezen dag, dewelke in het land van Gilead zijn.5En Jair stierf, en werd begraven te Kamon.6Toen voeren de kinderen Israels voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN, en dienden de Baals, en Astharoth, en de goden van Syrie, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden der kinderen Ammons, mitsgaders de goden der Filistijnen; en zij verlieten den HEERE, en dienden Hem niet.7Zo ontstak de toorn des HEEREN tegen Israel; en Hij verkocht hen in de hand der Filistijnen, en in de hand der kinderen Ammons.8En zij onderdrukten en vertraden de kinderen Israels in datzelve jaar; achttien jaren, onderdrukten zij al de kinderen Israels, die aan gene zijde van de Jordaan waren, in het land der Amorieten, dat in Gilead is.9Daartoe togen de kinderen Ammons over de Jordaan, om te krijgen, zelfs tegen Juda, en tegen Benjamin, en tegen het huis van Efraim; zodat het Israel zeer bang werd.10Toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onzen God hebben verlaten, als dat wij de Baals gediend hebben.11Maar de HEERE zeide tot de kinderen Israels: Heb Ik u niet van de Egyptenaren, en van de Amorieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen,12En de Sidoniers, en Amalekieten, en Maonieten, die u onderdrukten, toen gij tot Mij riept, alsdan uit hun hand verlost?13Nochtans hebt gij Mij verlaten, en andere goden gediend; daarom zal Ik u niet meer verlossen.14Gaat henen, roept tot de goden, die gij verkoren hebt; laten die u verlossen, ter tijd uwer benauwdheid.15Maar de kinderen Israels zeiden tot den HEERE: Wij hebben gezondigd; doe Gij ons, naar alles, wat goed is in Uw ogen; alleenlijk verlos ons toch te dezen dage!16En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg, en dienden den HEERE. Toen werd Zijn ziel verdrietig over den arbeid van Israel.17En de kinderen Ammons werden bijeengeroepen, en legerden zich in Gilead; daarentegen werden de kinderen Israels vergaderd, en legerden zich te Mizpa.18Toen zeide het volk, de oversten van Gilead, de een tot den ander: Wie is de man, die beginnen zal te strijden tegen de kinderen Ammons? die zal tot een hoofd zijn over alle inwoners van Gilead.

Aan het begin van dit hoofdstuk worden twee richters genoemd: Thola en Jaïr, mannen van aanzien. Daarna komt er weer verval, nog erger dan te voren.

Op deze dwaalweg dient Israël allerlei afgoden van de volken. Weer maakt de HEERE gebruik van hun vijanden om de Israëlieten te tuchtigen. Nu zijn het de Filistijnen en de Ammonieten die door de HEERE gebruikt worden. Dat het volk Israël de afgoden van deze beide volken gediend heeft, levert hen geen enkel profijt.

Laten we erop letten dat de stammen aan de overzijde van de Jordaan (vers 8) de eersten van het volk Israël zijn die door hen aangepakt worden.

Achttien jaar lang worden ze onderdrukt. Uiteindelijk komen ze tot belijdenis: "Wij hebben tegen U gezondigd!" We weten dat deze uitspraak de oplossing is om tot de Heere terug te keren.

Desondanks antwoordt God hen streng, ja, we zouden zelfs kunnen zeggen, ironisch: 'Ga nu toch naar die goden die jullie zelf hebben uitgekozen, en roep hen aan om hulp; zij moeten jullie maar redden!'

Dit maakt duidelijk dat een belijdenis alleen niet voldoende is! Die afgoden moeten ook weggedaan worden (vergelijk hiermee Genesis 35 vers 2). Daaruit zal pas blijken dat het geweten werkelijk geraakt is. Het volk heeft dit goed begrepen. Dan horen we die troostrijke woorden: "Toen werd Zijn ziel verdrietig over de arbeid van Israël" (vers 16). Wat een groot erbarmen van God met Zijn volk in de ellende!

Zou Zijn erbarmen met Zijn kinderen vandaag de dag niet minstens zo groot zijn?

Richtere 11:1-22
1Jeftha nu, de Gileadiet, was een strijdbaar held, maar hij was een hoerekind; doch Gilead had Jeftha gegenereerd.2Gileads huisvrouw baarde hem ook zonen; en de zonen dezer vrouw, groot geworden zijnde, stieten Jeftha uit, en zeiden tot hem: Gij zult in het huis onzes vaders niet erven, want gij zijt een zoon van een andere vrouw.3Toen vlood Jeftha voor het aangezicht zijner broederen, en woonde in het land Tob; en ijdele mannen vergaderden zich tot Jeftha, en togen met hem uit.4En het geschiedde, na enige dagen, dat de kinderen Ammons tegen Israel krijgden.5Zo geschiedde het, als de kinderen Ammons tegen Israel krijgden, dat de oudsten van Gilead heengingen, om Jeftha te halen uit het land van Tob.6En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons.7Maar Jeftha zeide tot de oudsten van Gilead: Hebt gijlieden mij niet gehaat, en mij uit mijn vaders huis verstoten? waarom zijt gij dan nu tot mij gekomen, terwijl gij in benauwdheid zijt?8En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: Daarom zijn wij nu tot u wedergekomen, dat gij met ons trekt, en tegen de kinderen Ammons strijdt; en gij zult ons tot een hoofd zijn, over alle inwoners van Gilead.9Toen zeide Jeftha tot de oudsten van Gilead: Zo gijlieden mij wederhaalt, om te strijden tegen de kinderen Ammons, en de HEERE hen voor mijn aangezicht geven zal, zal ik u dan tot een hoofd zijn?10En de oudsten van Gilead zeiden tot Jeftha: De HEERE zij toehoorder tussen ons, indien wij niet alzo naar uw woord doen.11Alzo ging Jeftha met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem tot een hoofd en overste over zich. En Jeftha sprak al zijn woorden voor het aangezicht des HEEREN te Mizpa.12Voorts zond Jeftha boden tot den koning der kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben ik en gij met elkander te doen, dat gij tot mij gekomen zijt, om tegen mijn land te krijgen?13En de koning der kinderen Ammons zeide tot de boden van Jeftha: Omdat Israel, als hij uit Egypte optoog, mijn land genomen heeft, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en tot aan de Jordaan; zo geef mij dat nu weder met vrede.14Maar Jeftha voer wijders voort, en zond boden tot den koning der kinderen Ammons.15En hij zeide tot hem: Zo zegt Jeftha: Israel heeft het land der Moabieten, en het land der kinderen Ammons niet genomen;16Want als zij uit Egypte optogen, zo wandelde Israel door de woestijn tot aan de Schelfzee, en kwam te Kades.17En Israel zond boden tot de koning der Edomieten, zeggende: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning der Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot de koning der Moabieten, die ook niet wilde. Alzo bleef Israel in Kades.18Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land der Edomieten en het land der Moabieten, en kwam van den opgang der zon aan het land der Moabieten, en zij legerden zich op gene zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de landpale der Moabieten; want de Arnon is de landpale der Moabieten.19Maar Israel zond boden tot Sihon, den koning der Amorieten, koning van Hesbon, en Israel zeide tot hem: Laat ons toch door uw land doortrekken tot aan mijn plaats.20Doch Sihon betrouwde Israel niet door zijn landpale door te trekken; maar Sihon verzamelde al zijn volk, en zij legerden zich te Jaza; en hij streed tegen Israel.21En de HEERE, de God Israels, gaf Sihon met al zijn volk in de hand van Israel, dat zij hen sloegen; alzo nam Israel erfelijk in het ganse land der Amorieten, die in datzelve land woonden.22En zij namen erfelijk in de ganse landpale der Amorieten, van de Arnon af tot aan de Jabbok, en van de woestijn tot aan de Jordaan.

De HEERE is "een God van vergeving, genadig en barmhartig" (Nehemía 9 vers 17). Hij wil Zijn volk opnieuw redden, nu door de hand van Jeftha.

Het begin van de geschiedenis van deze richter lijkt een beetje op het begin van Abimélech. Maar in plaats van in opstand te komen en zich op zijn broers te wreken, maakt Jeftha geen aanspraak op zijn rechten en trekt hij zich terug in het land Tob. Daar weet God hem, als het juiste moment is aangebroken, te vinden.

Beroofd van zijn erfdeel, verdreven door zijn broers en verbannen naar een ver land van waaruit hij uiteindelijk als bevrijder terugkeert — in dit alles is Jeftha een beeld van de Heere Jezus. Nadat Christus door Zijn volk Israël dat Zijn rechten niet wilde erkennen, verworpen werd, is Hij in de huidige tijd afwezig. Hij is opgestegen naar de hemel van waaruit Hij met macht en als Overwinnaar zal terugkeren (vergelijk Lukas 19 vers 12 tot en met 14).

Jeftha treedt de vijanden van Israël moedig tegemoet. Welk antwoord geeft hij op hun aanspraken en leugens? Hij herinnert hen aan de dingen zoals ze werkelijk vanaf het begin geweest waren, en hij steunt op vroegere zegeningen.

Laat ieder van ons het voorbeeld van deze Jeftha volgen! Als eerste is het nodig om de grondbeginselen van het Woord goed te leren kennen, waardoor de gelovigen uit vroegere generaties zich lieten leiden. En vervolgens moeten we die ook vasthouden en ernaar wandelen (zie 2 Thessalonika 2 vers 15).

Richtere 11:23-40
23Zo heeft nu de HEERE, de God Israels, de Amorieten voor het aangezicht van zijn volk Israel uit de bezitting verdreven; en zoudt gij hunlieder erfgenaam zijn?24Zoudt gij niet dengene erven, dien uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Alzo zullen wij al dengene erven, dien de HEERE, onze God, voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft.25Nu voorts, zijt gij veel beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten? heeft hij ooit met Israel getwist? heeft hij ook ooit tegen hen gekrijgd?26Terwijl Israel driehonderd jaren gewoond heeft in Hesbon, en in haar stedekens, en in Aroer, en in al de stedekens, en in al de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn; waarom hebt gij het dan in die tijd niet gered?27Ook heb ik tegen u niet gezondigd, maar gij doet kwalijk bij mij, dat gij tegen mij krijgt; de HEERE, Die Rechter is, richte heden tussen de kinderen Israels en tussen de kinderen Ammons!28Maar de koning der kinderen Ammons hoorde niet naar de woorden van Jeftha, die hij tot hem gezonden had.29Toen kwam de Geest des HEEREN op Jeftha, dat hij Gilead en Manasse doortrok; want hij trok door tot Mizpa in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons.30En Jeftha beloofde den HEERE een gelofte, en zeide: Indien Gij de kinderen Ammons ganselijk in mijn hand zult geven;31Zo zal het uitgaande, dat uit de deur van mijn huis mij tegemoet zal uitgaan, als ik met vrede van de kinderen Ammons wederkom, dat zal des HEEREN zijn, en ik zal het offeren ten brandoffer.32Alzo trok Jeftha door naar de kinderen Ammons, om tegen hen te strijden; en de HEERE gaf hen in zijn hand.33En hij sloeg hen van Aroer af tot daar gij komt te Minnith, twintig steden, en tot aan Abel-Keramim, met een zeer groten slag. Alzo werden de kinderen Ammons ten ondergebracht voor het aangezicht der kinderen Israels.34Toen nu Jeftha te Mizpa bij zijn huis kwam, ziet, zo ging zijn dochter uit hem tegemoet, met trommelen en met reien. Zij nu was alleen, een enig kind; hij had uit zich anders geen zoon of dochter.35En het geschiedde, als hij haar zag, zo verscheurde hij zijn klederen, en zeide: Ach, mijn dochter! gij hebt mij ganselijk nedergebogen, en gij zijt onder degenen, die mij beroeren; want ik heb mijn mond opengedaan tot den HEERE, en ik zal niet kunnen teruggaan.36En zij zeide tot hem: Mijn vader! hebt gij uw mond opengedaan tot den HEERE, doe mij, gelijk als uit uw mond gegaan is; naardien u de HEERE volkomene wraak gegeven heeft van uw vijanden, van de kinderen Ammons.37Voorts zeide zij tot haar vader: Laat deze zaak aan mij geschieden: Laat twee maanden van mij af, dat ik heenga, en ga tot de bergen, en bewene mijn maagdom, ik en mijn gezellinnen.38En hij zeide: Ga heen; en hij liet haar twee maanden gaan. Toen ging zij heen met haar gezellinnen, en beweende haar maagdom op de bergen.39En het geschiedde ten einde van twee maanden dat zij tot haar vader wederkwam, die aan haar volbracht zijn gelofte, die hij beloofd had; en zij heeft geen man bekend. Voorts werd het een gewoonheid in Israel,40Dat de dochteren Israels van jaar tot jaar heengingen, om de dochter van Jeftha, de Gileadiet, aan te spreken, vier dagen in het jaar.

Jeftha voelt zich gedwongen de HEERE door een offer te bedanken voor de overwinning op de Ammonieten. Dat betekent dat hij God slecht kent!

God wil de Zijnen graag zegenen. Hij verwacht van hun kant dan inderdaad ook liefde en dankbaarheid! Hij heeft daar recht op. Hij nam ook graag een offer van Jeftha aan. Onze dankbaarheid op zich is echter niet het enige wat van groot belang is, maar ook de vorm daarvan. Ook de vorm moet in overeenstemming met Zijn gedachten zijn.

De belofte van Jeftha was dwaasheid. Soms laat God ons dan ook de gevolgen dragen van hetgeen wij overhaast en zonder na te denken beloofd hebben. Laten we daarom voorzichtig zijn met onze woorden, want lichtzinnige beloften kunnen grote gevolgen hebben (Spreuken 20 vers 25).

Ook al ontbrak bij Jeftha voor een moment het geloof, bij zijn dochter is dit geloof heel duidelijk aanwezig.

Als enig kind, zeer geliefd door haar vader, herinnert haar onderwerping ons aan die van de Heere Jezus (Johannes 8 vers 29).

Zij hangt niet aan haar leven en is blij met de overwinning die de HEERE aan Israël gegeven heeft. Uit liefde tot de HEERE, tot haar vader en tot haar volk, is ze gehoorzaam tot de dood. Ook daarin is zij een aangrijpend beeld van Christus, hoewel Hij natuurlijk vele malen groter en heerlijker is dan zij.

Als de dochter van Jeftha het al waard was elk jaar herdacht en geëerd te worden, hoeveel meer is de Heere Jezus het dan waard nu hier op aarde en tot in alle eeuwigheid geloofd te worden!

Richtere 12:1-15
1Toen werden de mannen van Efraim bijeengeroepen, en trokken over naar het noorden; en zij zeiden tot Jeftha: Waarom zijt gij doorgetogen om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen, om met u te gaan? wij zullen uw huis met u met vuur verbranden.2En Jeftha zeide tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb ulieden geroepen, maar gij hebt mij uit hun hand niet verlost.3Als ik nu zag, dat gij niet verlostet, zo stelde ik mijn ziel in mijn hand, en toog door tot de kinderen Ammons, en de HEERE gaf hen in mijn hand; waarom zijt gij dan te dezen dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden?4En Jeftha vergaderde alle mannen van Gilead, en streed met Efraim; en de mannen van Gilead sloegen Efraim, want de Gileadieten, zijnde tussen Efraim en tussen Manasse, zeiden: Gijlieden zijt vluchtelingen van Efraim.5Want de Gileadieten namen de Efraimieten de veren van de Jordaan af; en het geschiedde, als de vluchtelingen van Efraim zeiden: Laat mij overgaan; zo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt gij een Efraimiet? wanneer hij zeide: Neen;6Zo zeiden zij tot hem: Zeg nu Schibboleth; maar hij zeide: Sibbolet, en kon het alzo niet recht spreken; zo grepen zij hem, en versloegen hem aan de veren van de Jordaan, dat te dier tijd van Efraim vielen twee en veertig duizend.7Jeftha nu richtte Israel zes jaren; en Jeftha, de Gileadiet, stierf, en werd begraven in de steden van Gilead.8En na hem richtte Israel Ebzan, van Bethlehem.9En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochteren naar buiten, en bracht dertig dochteren van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte Israel zeven jaren.10Toen stierf Ebzan, en werd begraven te Bethlehem.11En na hem richtte Israel Elon, de Zebuloniet, en hij richtte Israel tien jaren.12En Elon, de Zebuloniet, stierf, en werd begraven te Ajalon, in het land van Zebulon.13En na hem richtte Israel Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet.14En hij had veertig zonen, en dertig zoons zonen, rijdende op zeventig ezelveulens; en hij richtte Israel acht jaren.15Toen stierf Abdon, een zoon van Hillel, de Pirhathoniet; en hij werd begraven te Pirhathon, in het land van Efraim, op den berg van den Amalekiet.

In hoofdstuk 8 vers 2 en 3 heeft Gideon de waarheid van het Schriftwoord ervaren: "Een zacht antwoord keert de grimmigheid af". Tot zijn eigen schade leert Jeftha nu het vervolg van deze tekst kennen: "Een smartend woord doet de toom oprijzen" (Spreuken 15 vers 1).

Jeftha komt in aanvaring met dezelfde mannen van Efraïm die zo prikkelbaar en strijdlustig waren (hoofdstuk 8 vers 1 en Jozua 17 vers 14). Zij hoopten de vrucht van de overwinning te kunnen genieten zonder zelf gestreden te hebben. En tenslotte waren zij ook jaloers op het succes van anderen, hoewel ze zich met hen hadden kunnen verheugen in de bevrijding die door de HEERE bewerkt was.

De mannen van Efraïm verwijten Jeftha dat hij hen niet zou hebben opgeroepen tot de strijd. Nu moeten we goed opletten welke plaats het eigen 'ik' in het antwoord van Jeftha inneemt (vers 2 en 3).

Vervolgens wordt de strijd ontketend. Wat ontzettend triest: een strijd tussen broeders onderling!

Als er heftige woordenwisselingen in onze eigen familie zijn, doen wij eigenlijk precies hetzelfde, zij het dan in kleinere kring! De redenen waardoor het zover kon komen, zijn ook vaak dezelfde: egoïsme, jaloersheid en o zo snel geprikkeld zijn. Laten we toch meer aan het grote gebod van de Heere denken: "... dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb" (Johannes 13 vers 34 en 35; 15 vers 12 en 17).

Tenslotte worden er nog andere richters aan Israël gegeven, gekozen uit de verschillende stammen. Op hun dienst volgen steeds tijden van vrede! Als ons zulke tijden gegeven worden, laten we die dan goed benutten om krachten te verzamelen, en niet om in slaap te vallen!

Richtere 13:1-10
1En de kinderen Israels voeren voort te doen, dat kwaad was in de ogen des HEEREN; zo gaf de HEERE hen in de hand der Filistijnen veertig jaren.2En er was een man van Zora, uit het geslacht van een Daniet, wiens naam was Manoach; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet.3En een Engel des HEEREN verscheen aan deze vrouw, en Hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar, en hebt niet gebaard; maar gij zult zwanger worden, en een zoon baren.4Zo wacht u toch nu, en drink geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins.5Want zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireer Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israel te verlossen uit der Filistijnen hand.6Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man Gods tot mij, Wiens aangezicht was als het aangezicht van een Engel Gods, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet, van waar Hij was, en Zijn naam gaf Hij mij niet te kennen.7Maar Hij zeide tot mij: Zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want dat knechtje zal een Nazireer Gods zijn, van moeders buik af tot op de dag zijns doods.8Toen aanbad Manoach den HEERE vuriglijk, en zeide: Och, HEERE! dat toch de Man Gods, Dien Gij gezonden hebt, weder tot ons kome, en ons lere, wat wij dat knechtje doen zullen, dat geboren zal worden.9En God verhoorde de stem van Manoach; en de Engel Gods kwam wederom tot de vrouw. Zij nu zat in het veld, doch haar man Manoach was niet bij haar.10Zo haastte de vrouw, en liep, en gaf het haar man te kennen; en zij zeide tot hem: Zie, die Man is mij verschenen, Welke op dien dag tot mij kwam.

Opnieuw gaat het mis met het volk Israël en opnieuw volgt de tuchtiging van de HEERE. Deze keer door de hand van de Filistijnen.

Werpt deze beproeving vruchten af? Helaas niet! Er verstrijken veertig jaren. Tevergeefs wacht God. Hij luistert, maar geen enkele noodkreet stijgt op tot Hem! Het volk is langzamerhand gewend geraakt aan de ellendige situatie van hun slavernij.

Toch zijn er hier en daar nog een paar trouwe getuigen die de HEERE vrezen, zoals Manóach en zijn vrouw. God laat ons kennis maken met dit echtpaar zonder kinderen, uit de stam van Dan.

Op een dag krijgt de vrouw bezoek. Deze hemelse bezoeker heeft een blijde boodschap voor haar: ze zal moeder worden van de man die Israël uit de hand van de Filistijnen zal redden!

Deze gebeurtenis brengt ons naar het begin van het Lukas evangelie waar de engel Gabriël Maria de komst van de Redder van de aarde aankondigt.

Het kind (en z'n moeder) moeten echter wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. Als Nazireeër moest hij volgens Numeri 6 voor God afgezonderd zijn. Hij moest zich onthouden van bepaalde vormen van vermaak en vreugde zoals andere mensen die kenden, onder andere van de vrucht van de wijnstok.

Het is echt niet gemakkelijk en aangenaam om in een gezin zo'n afzondering in praktijk te brengen, toch ziet God dit ook graag bij de Zijnen (vergelijk hiermee Jeremia 35 vers 6 en verder).

Richtere 13:11-25
11Toen stond Manoach op, en ging zijn huisvrouw na; en hij kwam tot dien Man, en zeide tot Hem: Zijt gij die Man, Dewelke tot deze vrouw gesproken hebt? En Hij zeide: Ik ben het.12Toen zeide Manoach: Nu, dat Uw woorden komen; maar wat zal des knechtjes wijze en zijn werk zijn?13En de Engel des HEEREN zeide tot Manoach: Van alles, wat Ik tot de vrouw gezegd heb, zal zij zich wachten.14Zij zal niet eten van iets, dat van de wijnstok des wijns voortkomt; en wijn en sterke drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten; al wat Ik haar geboden heb, zal zij onderhouden.15Toen zeide Manoach tot den Engel des HEEREN: Laat ons U toch ophouden, en een geitenbokje voor Uw aangezicht bereiden.16Maar de Engel des HEEREN zeide tot Manoach: Indien gij Mij zult ophouden, Ik zal van uw brood niet eten; en indien gij een brandoffer zult doen, dat zult gij den HEERE offeren. Want Manoach wist niet, dat het een Engel des HEEREN was.17En Manoach zeide tot den Engel des HEEREN: Wat is Uw naam, opdat wij U vereren, wanneer Uw woord zal komen.18En de Engel des HEEREN zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk.19Toen nam Manoach een geitenbokje, en het spijsoffer, en offerde het op den rotssteen, den HEERE. En Hij handelde wonderlijk in Zijn doen; en Manoach en zijn huisvrouw zagen toe.20En het geschiedde, als de vlam van het altaar opvoer naar den hemel, zo voer de Engel des HEEREN op in de vlam des altaars. Als Manoach en zijn huisvrouw dat zagen, zo vielen zij op hun aangezichten ter aarde.21En de Engel des HEEREN verscheen niet meer aan Manoach, en aan zijn huisvrouw. Toen bekende Manoach, dat het een Engel des HEEREN was.22En Manoach zeide tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben.23Maar zijn huisvrouw zeide tot hem: Zo de HEERE lust had ons te doden, Hij had het brandoffer en spijsoffer van onze hand niet aangenomen, noch ons dit alles getoond, noch ons om dezen tijd laten horen, zulks als dit is.24Daarna baarde deze vrouw een zoon, en zij noemde zijn naam Simson; en dat knechtje werd groot, en de HEERE zegende het.25En de Geest des HEEREN begon hem bij wijlen te drijven in het leger van Dan, tussen Zora en tussen Esthaol.

Het zijn niet de machtigen in Israël aan wie de HEERE Zijn bevrijdingsplannen voor het volk bekendmaakt. Het zijn juist twee arme Israëlieten uit Dan, de zwakste van alle stammen (vergelijk hoofdstuk 1 vers 34).

Aan wie maakt God vandaag de dag Zijn heilsplan bekend? Wie vertelt Hij van de Verlosser Die Hij gegeven heeft? Aan kinderen en aan allen die op kinderen lijken, doordat ze eenvoudig geloven (Mattheüs 11 vers 25)!

Als de Engel voor de tweede keer komt, wordt er een brandoffer en een spijsoffer op de rots geofferd. We weten dat dit beelden van Christus zijn, van Zijn sterven en van Zijn leven.

Wie is die Engel? Hoe heet Hij? Manóach die er ontzettend naar verlangde Hem persoonlijk te leren kennen en niet alleen via z'n vrouw met Hem in verbinding te staan, krijgt het antwoord: "Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk" (vers 18).

Ook wij hoeven niet méér van Hem te kennen, om te weten Wie Hij is. In Jesaja 9 vers 5 lezen we: "... men noemt Zijn naam Wonderlijk"!

Omdat Hij wonderbaar is, kan Hij slechts wonderbaar handelen, waardoor Hij Zich ook aan ons bekendmaakt.

De Engel Die hier in de vlam van het altaar opvoer, en de Heere Jezus Die na het werk volbracht te hebben en "nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel" (Markus 16 vers 19), zijn één en dezelfde Persoon.

Richtere 14:1-13
1En Simson ging af naar Thimnath, en gezien hebbende een vrouw te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen,2Zo ging hij opwaarts, en gaf het zijn vader en zijn moeder te kennen, en zeide: Ik heb een vrouw gezien te Thimnath, van de dochteren der Filistijnen; nu dan, neem mij die tot een vrouw.3Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broeders, en onder al mijn volk, dat gij heengaat, om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zeide tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen.4Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet, dat dit van den HEERE was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten te dier tijd over Israel.5Alzo ging Simson, met zijn vader en zijn moeder, henen af naar Thimnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Thimnath, ziet daar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.6Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem van een scheurde, gelijk men een bokje van een scheurt, en er was niets in zijn hand; doch hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen, wat hij gedaan had.7En hij kwam af, en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Simsons ogen.8En na sommige dagen kwam hij weder, om haar te nemen; toen week hij af, om het aas van de leeuw te bezien, en ziet, een bijenzwerm was in het lichaam van den leeuw, met honig.9En hij nam dien in zijn handen, en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijn vader en tot zijn moeder, en gaf hun daarvan, en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij den honig uit het lichaam van den leeuw genomen had.10Als nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo maakte Simson aldaar een bruiloft, want alzo plachten de jongelingen te doen.11En het geschiedde, als zij hem zagen, zo namen zij dertig metgezellen, die bij hem zouden zijn.12Simson dan zeide tot hen: Ik zal nu ulieden een raadsel te raden geven; indien gij mij dat in de zeven dagen dezer bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zo zal ik ulieden geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen.13En indien gij het mij niet zult kunnen verklaren, zo zult gijlieden mij geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. En zij zeiden tot hem: Geef uw raadsel te raden, en laat het ons horen.

Het was een groot voorrecht voor Simson dat hij geboren werd in een familie waar God persoonlijk werd gekend en gevreesd. Misschien hebben wij datzelfde voorrecht gehad? Laten we daarom de geschiedenis van deze man nauwlettend volgen.

Het begin is goed (hoofdstuk 13 vers 24 en 25). Maar, o wee! Als hij de leeftijd bereikt heeft waarop hij kan trouwen, kiest hij, tegen de raad van z'n ouders in, een vrouw uit de Filistijnen. Dat wordt een bittere ervaring!

Veel jonge mensen hebben helaas hetzelfde gedaan! Ze hebben zich door een huwelijk verbonden aan een partner die "bevallig was" in eigen ogen (vers 3), zonder zich erom te bekommeren of het ook naar de wil van de Heere was!

Om de geschiedenis van Simson goed te kunnen begrijpen, moeten we het volgende goed voor ogen houden: bij Simson zien we wat de mens doet — en dat is heel verdrietig! Maar tegelijk zien we ook wat God door middel van hem doet, waarbij Hij zelfs gebruik maakt van Simson's fouten (zie vers 4) — en dat is heerlijk!

Wat God door Simson, deze sterke man die uitverkoren is om Israël te bevrijden, volbrengt, doet ons bij herhaling aan de Heere Jezus denken, de ware Nazireeër, de grote Overwinnaar op het kruis van Golgotha.

Satan, de brullende leeuw, heeft geprobeerd Christus de weg te versperren, maar Hij heeft hem overwonnen. Daarom heeft deze vreselijke tegenstander geen macht meer over de gelovigen die op de Heere vertrouwen, hoewel hij gegarandeerd alle pogingen in het werk zal stellen om hen van de Heere af te trekken.

Richtere 14:14-20; Richtere 15:1-8
14En hij zeide tot hen: Spijze ging uit van den eter, en zoetigheid ging uit van de sterke. En zij konden dat raadsel in drie dagen niet verklaren.15Daarna geschiedde het op den zevenden dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt gijlieden ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet?16En Simsons huisvrouw weende voor hem en zeide: Gij haat mij maar, en hebt mij niet lief; gij hebt den kinderen mijns volks een raadsel te raden gegeven, en hebt het mij niet verklaard. En hij zeide tot haar: Zie, ik heb het mijn vader en mijn moeder niet verklaard, zou ik het u dan verklaren?17En zij weende voor hem, op den zevenden der dagen in dewelke zij deze bruiloft hadden; zo geschiedde het op den zevenden dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem; en zij verklaarde dat raadsel den kinderen haars volks.18Toen zeiden de mannen der stad tot hem, op den zevenden dag, eer de zon onderging: Wat is zoeter dan honig? en wat is sterker dan een leeuw? En hij zeide tot hen: Zo gij met mijn kalf niet hadt geploegd, gij zoudt mijn raadsel niet hebben uitgevonden.19Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, en hij ging af naar de Askelonieten, en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wisselklederen aan degenen, die dat raadsel verklaard hadden. Doch zijn toorn ontstak, en hij ging op in zijns vaders huis.20En de huisvrouw van Simson werd zijns metgezels, die hem vergezelschapt had.
1En het geschiedde na sommige dagen, in de dagen van de tarweoogst, dat Simson zijn huisvrouw bezocht met een geitenbokje, en hij zeide: Laat mij tot mijn huisvrouw ingaan in de kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan.2Want haar vader zeide: Ik sprak zeker, dat gij haar ganselijk haattet, zo heb ik haar aan uw metgezel gegeven. Is niet haar kleinste zuster schoner dan zij? Laat ze u toch zijn in de plaats van haar.3Toen zeide Simson tot henlieden: Ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe.4En Simson ging heen, en ving driehonderd vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed een fakkel tussen twee staarten in het midden.5En hij stak de fakkelen aan met vuur, en liet ze lopen in het staande koren der Filistijnen; en hij stak in brand zowel de korenhopen als het staande koren, zelfs tot de wijngaarden en olijfbomen toe.6Toen zeiden de Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En men zeide: Simson, de schoonzoon van den Thimniet, omdat hij zijn huisvrouw heeft genomen, en heeft haar aan zijn metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op, en verbrandden haar en haar vader met vuur.7Toen zeide Simson tot hen: Zoudt gij alzo doen? Zeker, als ik mij aan u gewroken heb, zo zal ik daarna ophouden.8En hij sloeg hen, den schenkel en de heup, met een groten slag; en hij ging af, en woonde op de hoogte van de rots Etam.

De gelovige wordt niet vermoeid of verzwakt door overwinningen. Integendeel zelfs, zij geven hem voedsel en zoetigheid. Dat is de betekenis van de honing in het dode lichaam van de leeuw.

Het is een verborgenheid die de wereld niet kan begrijpen. De wereld vindt meer vreugde in allerlei feesten (vers 10). Voor een onbekeerde is het een raadsel dat een christen geluk en voedsel voor zijn ziel kan vinden op de plaats waar hij juist alleen maar iets vreselijks kan ontdekken: de dood. De macht van satan is door de dood van Christus te niet gedaan (zie Hebreeën 2 vers 14).

Simson geeft de Filistijnen een raadsel op dat ze zonder het verraad van zijn vrouw nooit hadden kunnen oplossen. Even later verbreekt zijn schoonvader zijn woord (hoofdstuk 15 vers 2).

De wereld doet niets anders dan bedriegen en illusies maken. Als wij haar, evenals Simson, vertrouwen of aan haar feesten deelnemen, zullen we alleen maar bitter teleurgesteld worden. Hoe anders is het als we ons aan de Heere Jezus toevertrouwen!

God bewaart Zijn knecht door het huwelijk met deze Filistijnse vrouw te verhinderen. Simson had zich alle zorgen en moeiten die nu op hem afkomen, kunnen besparen als hij naar zijn ouders geluisterd had. God zou hem dan heel zeker een andere gelegenheid geboden hebben om tegen de Filistijnen te strijden.

Richtere 15:9-20
9Toen togen de Filistijnen op, en legerden zich tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi.10En de mannen van Juda zeiden: Waarom zijt gijlieden tegen ons opgetogen? En zij zeiden: Wij zijn opgetogen om Simson te binden, om hem te doen, gelijk als hij ons gedaan heeft.11Toen kwamen drie duizend mannen af uit Juda tot het hol der rots Etam, en zeiden tot Simson: Wist gij niet, dat de Filistijnen over ons heersen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan? En hij zeide tot hen: Gelijk als zij mij gedaan hebben, alzo heb ik hunlieden gedaan.12En zij zeiden tot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand der Filistijnen. Toen zeide Simson tot hen: Zweert mij, dat gijlieden op mij niet zult aanvallen.13En zij spraken tot hem, zeggende: Neen, maar wij zullen u wel binden, en u in hunlieder hand overgeven; doch wij zullen u geenszins doden. En zij bonden hem met twee nieuwe touwen, en voerden hem op van de rots.14Als hij kwam tot Lechi, zo juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar de Geest des HEEREN werd vaardig over hem; en de touwen, die aan zijn armen waren, werden als linnen draden, die van het vuur gebrand zijn, en zijn banden versmolten van zijn handen.15En hij vond een vochtig ezelskinnebakken, en hij strekte zijn hand uit, en nam het, en sloeg daarmede duizend man.16Toen zeide Simson: Met een ezelskinnebakken, een hoop, twee hopen, met een ezelskinnebakken heb ik duizend man geslagen.17En het geschiedde, als hij geeindigd had te spreken, zo wierp hij het kinnebakken uit zijn hand, en hij noemde dezelve plaats Ramath-Lechi.18Als nu hem zeer dorstte, zo riep hij tot den HEERE, en zeide: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand dezer onbesnedenen?19Toen kloofde God de holle plaats, die in Lechi is, en er ging water uit van dezelve, en hij dronk. Toen kwam zijn geest weder, en hij werd levend. Daarom noemde hij haar naam: De fontein des aanroepers, die in Lechi is, tot op dezen dag.20En hij richtte Israel, in de dagen der Filistijnen, twintig jaren.

Israël is erg diep gezonken. Ze hebben nu niet alleen te lijden onder de heerschappij van de Filistijnen, maar hebben het bovendien te stellen met de bevrijder die God hen heeft gegeven.

De mannen van Juda trekken op om Simson te binden en zich van hem te ontdoen. "Wist gij niet, dat de Filistijnen over ons heersen?" (vers 11). Eigenlijk bedoelen ze hiermee: 'We zijn tevreden met de omstandigheden. Waarom heb je ons in moeilijkheden gebracht?' Wat ontstellend dat ze zó handelen met de door God gegeven verlosser! Z6 hebben wij mensen ook met de Heiland van de wereld gedaan.

Nu komt echter de gelegenheid voor Simson. Hij trekt de nieuwe touwen kapot en behaalt helemaal alleen een prachtige overwinning. Zoals de ossenstok van Samgar (hoofdstuk 3 vers 31) is de ezelskinnenbak ook een verachtelijk wapen. Dat onderstreept nog eens dat de uiteindelijke overwinning alleen van God komt.

Als Simson na de strijd dorst heeft, voorziet God hem van water. Het komt als antwoord op zijn gebed uit de gekloofde rots. De rots spreekt van Christus (1 Korinthe 10 vers 4).

Als wij God erom vragen, zal Hij ook ons de verkwikkende bronnen van Zijn Woord geven. De Heilige Geest zal daardoor in onze behoeften voorzien.

Door de overwinning op de leeuw had Simson voedsel ontvangen; na deze overwinning geeft God hem te drinken.

Als wij op de Heere wachten, zullen de overwinningen die Hij ons geeft, voor ons altijd gelegenheden zijn waardoor onze zielen gesterkt en verkwikt zullen worden, doordat wij genieten van Zijn liefde.

Richtere 16:1-12
1Simson nu ging heen naar Gaza; en hij zag aldaar een vrouw, die een hoer was; en hij ging tot haar in.2Toen werd de Gazieten gezegd: Simson is hier in ingekomen; zo gingen zij rondom, en legden hem den gansen nacht lagen in de stadspoort; doch zij hielden zich den gansen nacht stil, zeggende: Tot aan het morgenlicht, dan zullen wij hem doden.3Maar Simson lag tot middernacht toe; toen stond hij op ter middernacht, en hij greep de deuren der stadspoort met de beide posten, en nam ze weg met den grendelboom, en legde ze op zijn schouderen, en droeg ze opwaarts op de hoogte des bergs, die in het gezicht van Hebron is.4En het geschiedde daarna, dat hij een vrouw lief kreeg, aan de beek Sorek, welker naam was Delila.5Toen kwamen de vorsten der Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar: Overreed hem, en zie, waarin zijn grote kracht zij, en waarmede wij hem zouden machtig worden, en hem binden, om hem te plagen; zo zullen wij u geven, een iegelijk, duizend en honderd zilverlingen.6Delila dan zeide tot Simson: Verklaar mij toch, waarin uw grote kracht zij, en waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden, dat men u plage.7En Simson zeide tot haar: Indien zij mij bonden met zeven verse zelen, die niet verdroogd zijn, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens.8Toen brachten de vorsten der Filistijnen tot haar op zeven verse zelen, die niet verdroogd waren; en zij bond hem daarmede.9De achterlage nu zat bij haar in een kamer. Zo zeide zij tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen verbrak hij de zelen, gelijk als een snoertje van grof vlas verbroken wordt, als het vuur riekt. Alzo werd zijn kracht niet bekend.10Toen zeide Delila tot Simson: Zie, gij hebt met mij gespot, en leugenen tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden?11En hij zeide tot haar: Indien zij mij vastbonden met nieuwe touwen, met dewelke geen werk gedaan is, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens.12Toen nam Delila nieuwe touwen, en bond hem daarmede, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson! (De achterlage nu was zittende in een kamer.) Toen verbrak hij ze van zijn armen als een draad.

Simson is een man van tegenstellingen: lichamelijk heel sterk, maar moreel gezien uiterst zwak en gewend toe te geven aan zijn stemmingen. Uiterlijk was hij afgezonderd voor de HEERE. Dat laat zijn lange haar duidelijk zien. Innerlijk was zijn hart echter verdeeld. Het bewijs daarvoor is dat hij nu houdt van een vijandin van zijn volk.

Laten we onszelf afvragen of de kracht die wij uiterlijk vertonen, ook werkelijk overeenkomt met de toestand van ons hart. Lichamelijke training is niet altijd nutteloos, maar heeft geen enkele waarde voor de Heere. Vaak worden we, als we iets gepresteerd hebben, juist hoogmoedig. De overwinningen die wij, verborgen voor anderen, over onze hartstochten hebben behaald, díe zijn waardevol voor God.

Door het haar niet af te knippen, kan een meisje laten zien dat ze uiterlijk gehoorzaam is. Maar het is ook nodig dat deze gehoorzaamheid voortkomt uit haar hart!

We mogen ons erover verheugen dat het Schriftgedeelte voor vandaag ook een beeld bevat van Hem Die "de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendels in stukken gehouwen" heeft (Psalm 107 vers 16).

Simson rukte de deuren uit de stadspoort van Gaza en droeg ze op zijn sterke schouders weg. Dat doet ons denken aan Christus: Hij heeft de banden van de dood verbroken en daarmee "al degenen, die met vreze des doods, gedurende heel hun leven, aan de dienstbaarheid onderworpen waren", verlost (Hebreeën 2 vers 15). Hij is opgestaan in macht en bezit nu de sleutels van de dood en de hades (Openbaring 1 vers 18).

Richtere 16:13-22
13En Delila zeide tot Simson: Tot hiertoe hebt gij met mij gespot, en leugenen tot mij gesproken; verklaar mij toch nu, waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden. En hij zeide tot haar: Indien gij de zeven haarlokken mijns hoofds vlochtet aan een weversboom.14En zij maakte ze vast met een pin, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen waakte hij op uit zijn slaap, en nam weg de pin der gevlochten haarlokken, en den weversboom.15Toen zeide zij tot hem: Hoe zult gij zeggen: Ik heb u lief, daar uw hart niet met mij is? Gij hebt nu driemaal met mij gespot, en mij niet verklaard, waarin uw grote kracht zij.16En het geschiedde, als zij hem alle dagen met haar woorden perste, en hem moeilijk viel, dat zijn ziel verdrietig werd tot stervens toe;17Zo verklaarde hij haar zijn ganse hart, en zeide tot haar: Er is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een Nazireer Gods van mijn moeders buik af; indien ik geschoren wierd, zo zou mijn kracht van mij wijken, en ik zou zwak worden, en wezen als alle de mensen.18Als nu Delila zag, dat hij haar zijn ganse hart verklaard had, zo zond zij heen, en riep de vorsten der Filistijnen, zeggende: Komt ditmaal op, want hij heeft mij zijn ganse hart verklaard. En de vorsten der Filistijnen kwamen tot haar op, en brachten dat geld in hun hand.19Toen deed zij hem slapen op haar knieen, en riep een man en liet hem de zeven haarlokken zijns hoofds afscheren, en zij begon hem te plagen; en zijn kracht week van hem.20En zij zeide: De Filistijnen over u, Simson! En hij ontwaakte uit zijn slaap, en zeide: Ik zal ditmaal uitgaan, als op andere malen, en mij uitschudden; want hij wist niet, dat de HEERE van hem geweken was.21Toen grepen hem de Filistijnen, en groeven zijn ogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis.22En het haar zijns hoofds begon weder te wassen, gelijk toen hij geschoren werd.

Er waren verschillende geheimen in het leven van Simson: het raadsel waarover we lezen in hoofdstuk 14, en het geheim van zijn nazireeërschap dat we hier in hoofdstuk 16 vinden. Maar ... hij kon niet één van die geheimen bewaren.

De verloste heeft zijn eigen geheimen met zijn Verlosser: persoonlijke ervaringen met Hem die hij misschien aan niemand kan vertellen. Natuurlijk is de bekering zelf een zaak die ook anderen moeten weten. Daarentegen kunnen we anderen niet altijd uitleggen waarom wij sommige dingen wel of juist niet doen (Daniël 3 vers 16). Dat vormt de reden van onze afzondering voor God, ons nazireeërschap, waarvan onze geestelijke kracht afhankelijk is.

Delila, de verleidster, laat Simson geen moment met rust. Dag en nacht probeert ze achter zijn geheim te komen. Uiteindelijk kan hij er niet meer tegen. Hij wordt verdrietig, "tot stervens toe" (vers 16), en verklapt het.

Dan staat er in vers 19: "Toen deed zij hem slapen ...". Een slaap die hem noodlottig is geworden!

De apostel Paulus vermaant ons: "Zo laat ons dan niet slapen, zoals de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn" (1 Thessalonika 5 vers 6).

Simson, die sterke man die een leeuw overwon, kon tot twee maal toe z'n tong niet in bedwang houden, toen een vrouw hem smeekte (hoofdstuk 14 vers 17 en 16 vers 17). De menselijke natuur heeft allerlei dieren kunnen bedwingen, maar Jakobus zegt: "De tong kan geen mens temmen" (Jakobus 3 vers 8). Om dat te kunnen bereiken, hebben we de hulp van God nodig. Die hulp wil Hij geven aan iedereen die Hem wil gehoorzamen (1 Johannes 3 vers 22).

Richtere 16:23-31
23Toen verzamelden zich de vorsten der Filistijnen, om hun god Dagon een groot offer te offeren, en tot vrolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onze vijand Simson in onze hand gegeven.24Desgelijks als hem het volk zag, loofden zij hun god, want zij zeiden: Onze god heeft in onze hand gegeven onzen vijand, en die ons land verwoestte, en die onzer verslagenen velen maakte!25En het geschiedde, als hun hart vrolijk was, dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Simson uit het gevangenhuis; en hij speelde voor hun aangezichten, en zij deden hem staan tussen de pilaren.26Toen zeide Simson tot den jongen, die hem bij de hand hield: Laat mij gaan, dat ik de pilaren betaste, op dewelke het huis gevestigd is, dat ik daaraan leune.27Het huis nu was vol mannen en vrouwen; ook waren daar alle vorsten der Filistijnen; en op het dak waren omtrent drie duizend mannen en vrouwen, die toezagen, als Simson speelde.28Toen riep Simson tot den HEERE, en zeide: Heere, HEERE! gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleenlijk ditmaal, o God! dat ik mij met een wrake voor mijn twee ogen aan de Filistijnen wreke.29En Simson vatte de twee middelste pilaren, op dewelke het huis was gevestigd, en waarop het steunde, de enen met zijn rechterhand, en den anderen met zijn linkerhand;30En Simson zeide: Mijn ziel sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis viel op de vorsten, en op al het volk, dat daarin was. En de doden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer, dan die hij in zijn leven gedood had.31Toen kwamen zijn broeders af, en het ganse huis zijns vaders, en namen hem op, en brachten hem opwaarts, en begroeven hem tussen Zora en tussen Esthaol, in het graf van zijn vader Manoach; hij nu had Israel gericht twintig jaren.

Arme Simson! Dit is het einde van zijn droevige levensgeschiedenis: blind en gevangen. Daarmee is hij het voorwerp van spot voor de vijanden van God en Zijn volk geworden. En, wat nog erger is: eigenlijk wordt Godzelf bespot, omdat het erop lijkt dat de afgoden van de Filistijnen sterker zijn dan de held van de HEERE. God maakt echter een einde aan deze aanmatiging van de vijand. Simson mag nog een laatste overwinning behalen, hoewel hij dan zelf tegelijk met duizenden Filistijnen omkomt.

Simson heeft zijn kracht, zijn vrijheid, het licht in zijn ogen en tenslotte zijn leven verloren.

Laat iedereen die van jongs af de Heere Jezus kent, goed over deze geschiedenis nadenken. Ook wij hebben veel ontvangen. We verkeren in een bijzondere positie en zijn ontzettend bevoorrecht. We moeten toegeven dat het voor ons ook niet altijd gemakkelijk is om ons nazireeërschap te bewaren. Het valt niet mee om ons van de wereld gescheiden te houden! De één begrijpt dit misschien beter of heeft er minder last van dan de ander, maar toch ... Op een gegeven moment wordt er aan ons getrokken en verlangen we misschien ook naar andere dingen.

Wat hebben we voor alles wat de wereld biedt, toch iets heerlijks wat al die dingen meer dan vervangt! We hebben een bovennatuurlijke kracht die uit de Goddelijke bron komt: de kracht van de Heilige Geest staat ons ter beschikking. Als wij ons op de weg naar Gods gedachten bevinden, kan niets die kracht verhinderen! O, dat wij toch ook mogen behoren bij die mensen aan wie de apostel Johannes kon schrijven: "Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt de boze overwonnen" (1 Johannes 2 vers 14).

Richtere 17:1-13
1En er was een man van het gebergte van Efraim, wiens naam was Micha.2Die zeide tot zijn moeder: De duizend en honderd zilverlingen, die u ontnomen zijn, om dewelke gij gevloekt hebt, en ook voor mijn oren gesproken hebt, zie, dat geld is bij mij, ik heb dat genomen. Toen zeide zijn moeder: Gezegend zij mijn zoon den HEERE!3Alzo gaf hij aan zijn moeder de duizend en honderd zilverlingen weder. Doch zijn moeder zeide: Ik heb dat geld den HEERE ganselijk geheiligd van mijn hand, voor mijn zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zo zal ik het u nu wedergeven.4Maar hij gaf dat geld aan zijn moeder weder. En zijn moeder nam tweehonderd zilverlingen, en gaf ze den goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in het huis van Micha.5En de man Micha had een godshuis; en hij maakte een efod, en terafim, en vulde de hand van een uit zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware.6In diezelve dagen was er geen koning in Israel; een iegelijk deed, wat recht was in zijn ogen.7Nu was er een jongeling van Bethlehem-Juda, van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde aldaar als vreemdeling.8En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-Juda getogen, om te verkeren, waar hij gelegenheid zou vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte van Efraim tot aan het huis van Micha, om zijn weg te gaan,9Zo zeide Micha tot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben een Leviet, van Bethlehem-Juda, en ik wandel, om te verkeren, waar ik gelegenheid zal vinden.10Toen zeide Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot een vader en tot een priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van klederen, en uw leeftocht; alzo ging de Leviet met hem.11En de Leviet bewilligde bij dien man te blijven; en de jongeling was hem als een van zijn zonen.12En Micha vulde de hand van den Leviet, dat hij hem tot een priester wierd; alzo was hij in het huis van Micha.13Toen zeide Micha: Nu weet ik, dat de HEERE mij weldoen zal, omdat ik dezen Leviet tot een priester heb.

Hier vinden we opnieuw een verdrietige geschiedenis. Een zoon steelt, zijn moeder zweert met een vloek en vervolgens komt uit diezelfde mond een zegen voor haar zoon (zie Jakobus 3 vers 10), terwijl zij hem had moeten bestraffen. Tenslotte laat ze ook nog voor hem een gesneden en een gegoten beeld maken. Hierdoor wordt de wet die deze dingen streng veroordeelt, helemaal terzijde geschoven, hoewel de vrouw nog wel de Naam van de HEERE gebruikt.

"Dit volk... eert Mij met de lippen," zei de Heere Jezus later, "maar hun hart houdt zich ver van Mij" (Mattheüs 15 vers 8; een citaat uit Jesaja 29 vers 13).

Dat is een ernstige waarschuwing voor ons allemaal! De Naam van de Heere uitspreken, betekent dat wij ons moeten onttrekken aan ongerechtigheid (2 Timotheüs 2 vers 19). Jezus Christus onze Heere noemen, betekent dat we Zijn autoriteit erkennen.

In het Boek Richteren doet ieder wat recht is in zijn eigen ogen. Is het in onze tijd beter? Het geldt voor Micha, voor zijn moeder en eveneens voor de jonge Leviet uit Bethlehem—Juda, de man die Micha tot priester had aangesteld en ingewijd, zonder daartoe het recht te hebben. Dat is in— en intriest!

Deze jongeling was een nakomeling van Mozes (vergelijk hoofdstuk 18 vers 30), de man die de wet gebracht, het gouden kalf vernietigd en het volk het indrukwekkende lied uit Deuteronomium 32 geleerd had.

Wat zou Mozes ervan gezegd hebben als hij had gezien dat één van zijn nakomelingen priester van een gesneden beeld werd?!

Richtere 18:1-16
1In die dagen was er geen koning in Israel; en in dezelve dagen zocht de stam der Danieten voor zich een erfenis om te wonen; want hun was tot op dien dag onder de stammen van Israel niet genoegzaam ter erfenis toegevallen.2Zo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hun einden, mannen, die strijdbaar waren, van Zora en van Esthaol, om het land te verspieden, en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte van Efraim, tot aan het huis van Micha, en vernachtten aldaar.3Zijnde bij het huis van Micha, zo kenden zij de stem van den jongeling, den Leviet; en zij weken daarheen, en zeiden tot hem: Wie heeft u hier gebracht, en wat doet gij alhier, en wat hebt gij hier?4En hij zeide tot hen: Zo en zo heeft Micha mij gedaan; en hij heeft mij gehuurd, en ik ben hem tot een priester.5Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, op welken wij wandelen, voorspoedig zal zijn.6En de priester zeide tot hen: Gaat in vrede; uw weg, welke gij zult heentrekken, is voor den HEERE.7Toen gingen die vijf mannen heen, en kwamen te Lais; en zij zagen het volk, hetwelk in derzelver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze der Sidoniers, stil en zeker zijnde; en daar was geen erfheer, die iemand om enige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniers, en hadden niets te doen met enigen mens.8En zij kwamen tot hun broederen te Zora en te Esthaol, en hun broeders zeiden tot hen: Wat zegt gijlieden?9En zij zeiden: Maakt u op, en laat ons tot hen optrekken; want wij hebben dat land bezien, en ziet, het is zeer goed; zoudt gij dan stil zijn? Weest niet lui om te trekken, dat gij henen inkomt, om dat land in erfelijke bezitting te nemen;10(Als gij daarhenen komt, zo zult gij komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte) want God heeft het in uw hand gegeven; een plaats, alwaar geen gebrek is van enig ding, dat op de aarde is.11Toen reisden van daar uit het geslacht der Danieten, van Zora en van Esthaol, zeshonderd man, aangegord met krijgswapenen.12En zij togen op, en legerden zich bij Kirjath-Jearim, in Juda; daarom noemden zij deze plaats, Machane-Dan, tot op dezen dag; ziet, het is achter Kirjath-Jearim.13En van daar togen zij door naar het gebergte van Efraim, en zij kwamen tot aan het huis van Micha.14Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Lais te verspieden, en zeiden tot hun broederen: Weet gijlieden ook, dat in die huizen een efod is, en terafim, en een gesneden en een gegoten beeld? Zo weet nu, wat u te doen zij.15Toen weken zij daarheen, en kwamen aan het huis van den jongeling, den Leviet, ten huize van Micha; en zij vraagden hem naar vrede.16En de zeshonderd mannen, die van de kinderen van Dan waren, met hun krijgswapenen aangegord, bleven staan aan de deur van de poort.

In dit hoofdstuk blijkt, dat een hele stam geïnfecteerd is door de eigenzinnigheid en de afgoderij in het huis van Micha. Zo gaat het altijd. Het kwaad begint in de gezinnen en strekt zich vervolgens uit tot het hele volk van God.

In het eerste vers lezen we, dat de Danieten nog geen erfdeel in het land in bezit hadden. In hun ongeduld besluiten ze zelf maar een deel uit te zoeken, zonder eerst de HEERE te raadplegen en het van Hem te verwachten. Dat toont een geest van onafhankelijkheid. Bovendien laat het zien, dat ze voor zichzelf een zo aangenaam mogelijke oplossing willen.

Eens hadden de kinderen van Dan zich in de bergen laten terugdringen (hoofdstuk 1 vers 34). Nu gaan ze op eigen initiatief op pad, tot aan de andere kant van het land. Ze hadden dat wat voor hen bestemd was, in bezit moeten nemen; dat lag binnen hun bereik, maar daarvoor hadden ze de kracht van het geloof nodig.

Misschien lijken wij vaker op hen dan we denken. De Heere heeft ons een opdracht gegeven in onze omgeving. Deinzen ook wij niet vaak terug voor de geloofs-oefeningen en de strijd die met deze dienst gepaard gaan? Verlangen we niet af en toe naar een taak, die meer in het oog springt? Dan kan het gebeuren, dat wijzelf een weg uitkiezen en het ook in een andere richting zoeken. Laten we daarvoor waakzaam zijn!

Richtere 18:17-31; Richtere 21:25
17Maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land te verspieden, gingen op, kwamen daarhenen in, en namen weg het gesneden beeld, en den efod, en de terafim, en het gegoten beeld; de priester nu bleef staan aan de deur van de poort, met de zeshonderd mannen, die met krijgswapenen aangegord waren.18Als die nu ten huize van Micha waren ingegaan, en het gesneden beeld, den efod, en de terafim, en het gegoten beeld weggenomen hadden, zo zeide de priester tot hen: Wat doet gijlieden?19En zij zeiden tot hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond, en ga met ons, en wees ons tot een vader en tot een priester! Is het beter, dat gij een priester zijt voor het huis van een man, of dat gij een priester zijt voor een stam, en een geslacht in Israel?20Toen werd het hart van den priester vrolijk, en hij nam den efod, en de terafim, en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden des volks.21Alzo keerden zij zich, en togen voort; en zij stelden de kinderkens, en het vee, en de bagage voor zich.22Als zij nu verre van Micha's huis gekomen waren, zo werden de mannen, zijnde in de huizen, die bij het huis van Micha waren, bijeengeroepen, en zij achterhaalden de kinderen van Dan.23En zij riepen de kinderen van Dan na; dewelke hun aangezichten omkeerden, en zeiden tot Micha: Wat is u, dat gij bijeengeroepen zijt?24Toen zeide hij: Gijlieden hebt mijn goden, die ik gemaakt had, weggenomen, mitsgaders den priester, en zijt weggegaan; wat heb ik nu meer? Wat is het dan, dat gij tot mij zegt: Wat is u?25Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uw stem bij ons niet horen, opdat niet misschien mannen, van bitteren gemoede, op u aanvallen, en gij uw leven verliest, en het leven van uw huis.26Alzo gingen de kinderen van Dan huns weegs; en Micha, ziende, dat zij sterker waren dan hij, zo keerde hij om, en kwam weder tot zijn huis.27Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en den priester, die hij gehad had, en kwamen te Lais, tot een stil en zeker volk, en sloegen hen met de scherpte des zwaards, en de stad verbrandden zij met vuur.28En er was niemand, die hen verloste; want zij was verre van Sidon, en zij hadden niets met enigen mens te doen; en zij lag in het dal, dat bij Beth-Rechob is. Daarna herbouwden zij de stad, en woonden daarin.29En zij noemden den naam der stad Dan, naar den naam huns vaders Dan, die aan Israel geboren was; hoewel de naam dezer stad te voren Lais was.30En de kinderen van Dan richtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jonathan, de zoon van Gersom, den zoon van Manasse, hij en zijn zonen waren priesters voor den stam der Danieten, tot den dag toe, dat het land gevankelijk is weggevoerd.31Alzo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, al de dagen, dat het huis Gods te Silo was.
25In die dagen was er geen koning in Israel; een iegelijk deed, wat recht was in zijn ogen.

De inname van Laïs toont geen enkele overeenkomst met de geloofsoverwinningen in de dagen van Jozua. Wat zien we bij Dan? Begeerte naar alles "wat op de aarde is" (vers 10). Vertrouwen op eigen kracht en tegelijkertijd bedrog, ondankbaarheid, diefstal, trouweloosheid en als toppunt: het instellen van afgodendienst. Wat een trieste toestand!

De volgende hoofdstukken van Richteren maken dit beeld alleen maar triester. Je zou hier als opschrift boven kunnen zetten: "Een ieder deed, wat recht was in zijn ogen" (hoofdstuk 17 vers 6). Dit éne zinnetje vat de toestand van Israël in de dagen van de richters samen.

Dat is ook de samenvatting van de verdrietige toestand van de Christenheid in onze dagen. Wanneer je vergelijkingen mag maken tussen het Boek Jozua en de Brief aan de Efeziërs, dan mogen we wel zeggen, dat de Tweede Brief aan Timotheus (en dan vooral hoofdstuk 3) het meest op Richteren lijkt. Dat is immers een Brief waarin we de toestand zien van een Christenheid die is afgeweken van het Hoofd, en alleen nog maar uiterlijk Zijn Naam draagt.

Is deze gang van zaken: hoogten en diepten; verval en opwekking, ook niet vaak op ons van toepassing? Laten we er toch voor waken, dat we gaan handelen naar wat goed is in onze eigen ogen - ogen, die je niet kunt vertrouwen. En laten we juist veel meer dat doen, wat de Heere welgevallig is (Efeze 5 vers 10; Hebreeën 13 vers 21).

Ruth 1:1-14
1In de dagen, als de richters richtten, zo geschiedde het, dat er honger in het land was; daarom toog een man van Bethlehem-Juda, om als vreemdeling te verkeren in de velden Moabs, hij, en zijn huisvrouw, en zijn twee zonen.2De naam nu dezes mans was Elimelech, en de naam zijner huisvrouw Naomi, en de naam zijner twee zonen Machlon en Chiljon, Efrathers, van Bethlehem-Juda; en zij kwamen in de velden Moabs, en bleven aldaar.3En Elimelech, de man van Naomi, stierf; maar zij werd overgelaten met haar twee zonen.4Die namen zich Moabietische vrouwen; de naam der ene was Orpa, en de naam der andere Ruth; en zij bleven aldaar omtrent tien jaren.5En die twee, Machlon en Chiljon, stierven ook; alzo werd deze vrouw overgelaten na haar twee zonen en na haar man.6Toen maakte zij zich op met haar schoondochters, en keerde weder uit de velden van Moab; want zij had gehoord in het land van Moab, dat de HEERE Zijn volk bezocht had, gevende hun brood.7Daarom ging zij uit van de plaats, waar zij geweest was en haar twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op den weg, om weder te keren naar het land van Juda,8Zo zeide Naomi tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert weder, een iegelijk tot het huis van haar moeder; de HEERE doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de doden, en bij mij.9De HEERE geve u, dat gij ruste vindt, een iegelijk in het huis van haar man! En als zij haar kuste, hieven zij haar stem op en weenden;10En zij zeiden tot haar: Wij zullen zekerlijk met u wederkeren tot uw volk.11Maar Naomi zeide: Keert weder, mijn dochters! Waarom zoudt gij met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijn lichaam, dat zij u tot mannen zouden zijn?12Keert weder, mijn dochters! Gaat heen; want ik ben te oud om een man te hebben. Wanneer ik al zeide: Ik heb hoop, of ik ook in dezen nacht een man had, ja, ook zonen baarde;13Zoudt gij daarnaar wachten, totdat zij zouden groot geworden zijn; zoudt gij daarnaar opgehouden worden, om geen man te nemen? Niet, mijn dochters! Want het is mij veel bitterder dan u; maar de hand des HEEREN is tegen mij uitgegaan.14Toen hieven zij haar stem op, en weenden wederom; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.

God laat als het ware na de donkere bladzijden van het Boek Richteren de geschiedenis van Ruth als een lichtstraal schijnen. Deze prachtige gebeurtenis laat ons zien dat persoonlijk geloof in alle tijden en onder alle volken aanwezig kan zijn. En ook dat God altijd bereid is grote dingen te doen, als antwoord op dat geloof.

Hier vinden we een Elimélech die, evenals alle anderen in de dagen van de richters, deed wat recht was in zijn eigen ogen. Hij verlaat het erfdeel van de HEERE om met zijn gezin naar de velden van Moab te gaan. Daar gaat hij wonen, te midden van de vijanden van zijn volk.

Je wint er niets mee, als je je van God verwijdert! Wat zijn de gevolgen voor dit gezin? De dood, tranen, ellende en bitterheid!

Dan zien we de weduwe Naomi met haar beide schoondochters die ook weduwe geworden zijn, op de terugweg naar Israël. Een verdrietige terugkeer? Ja, maar tegelijkertijd ook een blijde terugkeer voor ieder die met zichzelf aan het eind is gekomen en nu zijn gedachten en wandel op God richt!

De verloren zoon in de gelijkenis denkt in dat verre land ook aan de plaats waar brood in overvloed is, en maakt zich daarom op om terug te gaan naar het huis van zijn vader (vergelijk vers 6 met Lukas 15 vers 17 en 18). Dat is bekering.

We hopen dat elke lezer de betekenis van dit woord uit eigen ervaring mag kennen.

Ruth 1:15-22; Ruth 2:1-3
15Daarom zeide zij: Zie, uw zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en tot haar goden; keer gij ook weder, uw zwagerin na.16Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God.17Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de HEERE en alzo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!18Als zij nu zag, dat zij vastelijk voorgenomen had met haar te gaan, zo hield zij op tot haar te spreken.19Alzo gingen die beiden, totdat zij te Bethlehem inkwamen; en het geschiedde, als zij te Bethlehem inkwamen, dat de ganse stad over haar beroerd werd, en zij zeiden: Is dit Naomi?20Maar zij zeide tot henlieden: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan.21Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de HEERE doen wederkeren; waarom zoudt gij mij Naomi noemen, daar de HEERE tegen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft?22Alzo kwam Naomi weder, en Ruth, de Moabietische, haar schoondochter, met haar, die uit de velden Moabs wederkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van de gersteoogst.
1Naomi nu had een bloedvriend van haar man, een man, geweldig van vermogen, van het geslacht van Elimelech; en zijn naam was Boaz.2En Ruth, de Moabietische, zeide tot Naomi: Laat mij toch in het veld gaan, en van de aren oplezen, achter dien, in wiens ogen ik genade zal vinden. En zij zeide tot haar: Ga heen, mijn dochter!3Zo ging zij heen, en kwam en las op in het veld, achter de maaiers; en haar viel bij geval voor, een deel van het veld van Boaz, die van het geslacht van Elimelech was.

Orpa heeft niet lang overwogen welke keus ze zou maken. Aan de ene kant wachtte haar een leven als weduwe, ellende in het bijzijn van een verdrietige, oude vrouw, een onbekend volk en een onbekende God. Aan de andere kant was haar eigen volk, de genegenheid van haar familie en haar eigen goden.

Haar snel opdrogende tranen doen ons denken aan die jongeman die nog geen keus kon maken en bedroefd wegging, omdat hij zijn goederen liever had dan het navolgen van de Heere Jezus. Iemand anders zei tegen de Heere Jezus: "Ik zal u volgen, waar Gij ook heengaat". Waarop de Heere antwoordde: "De Zoon des mensen heeft niets, waar Hij het hoofd zal neerleggen" (Mattheüs 19 vers 22 en 8 vers 19 en 20).

Ruth had grondig nagedacht en goed overwogen wat haar te doen stond. Zij had de kosten berekend.

Haar besluit staat onherroepelijk vast. Dat is de keuze van het geloof. Ze wil bij Naomi blijven, ja, vooral bij haar volk en haar God.

Ze kijkt niet achterom en maakt zich ook geen zorgen over de toekomst. Ze gaat met haar schoonmoeder op pad en komt in Bethlehem. Deze naam betekent 'broodhuis'.

In de diepste zin van het woord is dit het toevluchtsoord voor een ieder die geestelijk honger heeft. Daar gaat Ruth, met toestemming van Naomi, op zoek naar haar levensonderhoud.

En God leidt haar "bij geval" (maar met zekere hand) naar het veld van Boaz. Deze man was door God voorbereid om haar troost en rust te geven.

Ruth 2:4-16
4En ziet, Boaz kwam van Bethlehem, en zeide tot de maaiers: De HEERE zij met ulieden! En zij zeiden tot hem: De HEERE zegene u!5Daarna zeide Boaz tot zijn jongen, die over de maaiers gezet was: Wiens is deze jonge vrouw?6En de jongen, die over de maaiers gezet was, antwoordde en zeide: Deze is de Moabietische jonge vrouw, die met Naomi wedergekomen is uit de velden Moabs;7En zij heeft gezegd: Laat mij toch oplezen en aren bij de garven verzamelen, achter de maaiers; zo is zij gekomen en heeft gestaan van des morgens af tot nu toe; nu is haar te huis blijven weinig.8Toen zeide Boaz tot Ruth: Hoort gij niet, mijn dochter? Ga niet, om in een ander veld op te lezen; ook zult gij van hier niet weggaan, maar hier zult gij u houden bij mijn maagden.9Uw ogen zullen zijn op dit veld, dat zij maaien zullen, en gij zult achter haarlieden gaan; heb ik den jongens niet geboden, dat men u niet aanroere? Als u dorst, zo ga tot de vaten, en drink van hetgeen de jongens zullen geschept hebben.10Toen viel zij op haar aangezicht, en boog zich ter aarde, en zij zeide tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben?11En Boaz antwoordde en zeide tot haar: Het is mij wel aangezegd alles, wat gij bij uw schoonmoeder gedaan hebt, na de dood uws mans, en hebt uw vader en uw moeder, en het land uwer geboorte verlaten, en zijt heengegaan tot een volk, dat gij van te voren niet kendet.12De HEERE vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van den HEERE, den God Israels, onder wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen!13En zij zeide: Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer, dewijl gij mij getroost hebt, en dewijl gij naar het hart uwer dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben, gelijk een uwer dienstmaagden.14Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw bete in den azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over.15Als zij nu opstond, om op te lezen, zo gebood Boaz zijn jongens, zeggende: Laat haar ook tussen de garven oplezen, en beschaamt haar niet.16Ja, laat ook allengskens van de handvollen voor haar wat vallen, en laat het liggen, dat zij het opleze, en bestraft haar niet.

Tot nu toe heeft Ruth alleen nog maar te maken gehad met de knechten van Boaz, maar nu ontmoet ze de machtige en rijke eigenaar van het land zelf.

Dit familielid van Elimélech is een mooi beeld van de Heere Jezus. Boaz herinnert ons aan onze grootste Vriend Die zachtmoedig en vol medelijden is. Van Hem zegt God in Psalm 89 vers 20: "Ik heb hulp besteld bij een Held".

We zien Boaz uit de stad Bethlehem komen, dezelfde stad waar de Heiland geboren zou worden. Hij zegent z'n knechten en geeft opdrachten. Hij waakt over alles, ziet de arme vrouw die aren leest (opraapt), en komt haar tenslotte met een fijngevoelige genade tegemoet, zodat hij het vertrouwen van de jonge vrouw wint. Hij roept haar bij zich, spreekt tot haar hart en troost haar.

De ervaring die Ruth heeft opgedaan, moet ieder van ons ook opdoen.

Het is niet genoeg dat we de dienstknechten van de Heere, herders, leraars of evangelisten, kennen om van hen af en toe wat lessen uit het Woord van God te leren. Iedereen moet persoonlijk een verbinding met de Heere Jezus hebben! Dan zal Hij Zelf tot onze harten spreken. Hij zal ons duidelijk maken wat Hij voor ons heeft doorgemaakt, toen Hij op aarde kwam om te lijden en te sterven. Daarvan spreekt het geroost koren (vers 14). Hij zal ons met de schatten van Zijn liefde verzadigen.

Ruth 2:17-23; Ruth 3:1-13
17Alzo las zij op in dat veld, tot aan den avond; en zij sloeg uit, wat zij opgelezen had, en het was omtrent een efa gerst.18En zij nam het op, en kwam in de stad; en haar schoonmoeder zag, wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort, en gaf haar, wat zij van haar verzadiging overgehouden had.19Toen zeide haar schoonmoeder tot haar: Waar hebt gij heden opgelezen, en waar hebt gij gewrocht? Gezegend zij, die u gekend heeft! En zij verhaalde haar schoonmoeder, bij wien zij gewrocht had, en zeide: De naam des mans, bij welken ik heden gewrocht heb, is Boaz.20Toen zeide Naomi tot haar schoondochter: Gezegend zij den HEERE, Die Zijn weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de doden! Voorts zeide Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande; hij is een van onze lossers.21En Ruth, de Moabietische, zeide: Ook, omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de jongens, die ik heb, totdat zij den gansen oogst, die ik heb, zullen hebben voleindigd.22En Naomi zeide tot haar schoondochter Ruth: Het is goed, mijn dochter, dat gij met zijn maagden uitgaat, opdat zij u niet tegenvallen in een ander veld.23Alzo hield zij zich bij de maagden van Boaz, om op te lezen, totdat de gersteoogst en tarweoogst voleindigd waren; en zij bleef bij haar schoonmoeder.
1En Naomi, haar schoonmoeder, zeide tot haar: Mijn dochter! zoude ik u geen rust zoeken, dat het u welga?2Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden gij geweest zijt, van onze bloedvriendschap? Zie, hij zal dezen nacht gerst op den dorsvloer wannen.3Zo baad u, en zalf u, en doe uw klederen aan, en ga af naar den dorsvloer; maar maak u den man niet bekend, totdat hij geeindigd zal hebben te eten en te drinken.4En het zal geschieden, als hij nederligt, dat gij de plaats zult merken, waar hij zal nedergelegen zijn; ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u; zo zal hij u te kennen geven, wat gij doen zult.5En zij zeide tot haar: Al wat gij tot mij zegt, zal ik doen.6Alzo ging zij af naar den dorsvloer, en deed naar alles, wat haar schoonmoeder haar geboden had.7Als nu Boaz gegeten en gedronken had, en zijn hart vrolijk was, zo kwam hij om neder te liggen aan het uiterste van een koren hoop. Daarna kwam zij stilletjes in, en sloeg zijn voetdeksel op, en legde zich.8En het geschiedde te middernacht, dat die man verschrikte, en om zich greep; en ziet, een vrouw lag aan zijn voetdeksel.9En hij zeide: Wie zijt gij? En zij zeide: Ik ben Ruth, uw dienstmaagd, breid dan uw vleugel uit over uw dienstmaagd, want gij zijt de losser.10En hij zeide: Gezegend zijt gij den HEERE, mijn dochter! Gij hebt deze uw laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, dewijl gij geen jonge gezellen zijt nagegaan, hetzij arm of rijk.11En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat gij gezegd hebt, zal ik u doen; want de ganse stad mijns volks weet, dat gij een deugdelijke vrouw zijt.12Nu dan, wel is waar, dat ik een losser ben; maar er is nog een losser, nader dan ik.13Blijf dezen nacht over; voorts in den morgen zal het geschieden, indien hij u lost, goed, laat hem lossen; maar indien het hem niet lust u te lossen, zo zal ik u lossen, zo waarachtig als de HEERE leeft; leg u neder tot den morgen toe.

Bij de oogst mocht men in het land Israël de rand van het veld niet afmaaien. Die moest men voor de arme en de vreemdeling laten staan, opdat zij daar konden oprapen (Leviticus 19 vers 9 en 10 en 23 vers 22). Ruth was zowel een arme als een vreemdelinge. Daarom had zij er dus dubbel recht op om van deze genade gebruik te maken.

Oprapen spreekt van het noodzakelijk en actief bezig zijn, opdat onze ziel gevoed wordt door hetgeen de Heere geeft. Vaak gebeurt dat met ondersteuning van Zijn dienstknechten. Zij zijn ons behulpzaam bij het voorstellen van Gods gedachten.

Toch moeten we er wel wat moeite voor doen, maar de Heere, de ware Boaz, zal ons niet te kort doen en ons "een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat" geven (Lukas 6 vers 38).

Ruth sloeg uit wat zij opgelezen had, en bracht het naar huis. O, dat onze gezinsleden toch ook mogen delen in de kostbaarheden die de Heere ons Zelf in Zijn Woord heeft laten zien!

De aanhankelijkheid van Ruth aan Naomi hebben we al opgemerkt. Nu zien we ook haar onderwerping aan haar schoonmoeder.

Jonge zusters, Ruth geeft jullie een geweldig voorbeeld! Ze doet alles wat Naomi haar zegt. En Naomi heeft van haar kant alleen de rust en het beste op het oog voor haar schoondochter (hoofdstuk 3 vers 1). Waar zou dat anders te vinden zijn dan aan de voeten van Boaz die een beeld is van een Grotere dan hij? Hoeveel mensen zijn er al vermoeid en belast tot de Heere Jezus gegaan en hebben bij Hem rust voor hun ziel gevonden! (Mattheüs 11 vers 28 en 29).

Ruth 3:14-18; Ruth 4:1-6
14Alzo lag zij neder aan zijn voetdeksel tot den morgen toe; en zij stond op, eer dat de een den ander kennen kon; want hij zeide: Het worde niet bekend, dat een vrouw op den dorsvloer gekomen is.15Voorts zeide hij: Lang den sluier, die op u is, en houd dien; en zij hield hem; en hij mat zes maten gerst, en legde ze op haar; daarna ging hij in de stad.16Zij nu kwam tot haar schoonmoeder, dewelke zeide: Wie zijt gij, mijn dochter? En zij verhaalde haar alles, wat die man haar gedaan had.17Ook zeide zij: Deze zes maten gerst heeft hij mij gegeven; want hij zeide tot mij: Kom niet ledig tot uw schoonmoeder.18Toen zeide zij: Zit stil, mijn dochter, totdat gij weet, hoe de zaak zal vallen; want die man zal niet rusten, tenzij dat hij heden deze zaak voleind hebbe.
1En Boaz ging op in de poort, en zette zich aldaar en ziet, de losser, van welken Boaz gesproken had, ging voorbij; zo zeide hij: Wijk herwaarts, zet u hier, gij, zulk een! En hij week derwaarts, en zette zich.2En hij nam tien mannen van de oudsten der stad, en zeide: Zet u hier; en zij zetten zich.3Toen zeide hij tot dien losser: Het stuk lands, dat van onzen broeder Elimelech was, heeft Naomi, die uit der Moabieten land wedergekomen is, verkocht;4En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in tegenwoordigheid der inwoners, en in tegenwoordigheid der oudsten mijns volks; zo gij het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve gij, die het losse, en ik na u. Toen zeide hij: Ik zal het lossen.5Maar Boaz zeide: Ten dage, als gij het land aanvaardt van de hand van Naomi, zo zult gij het ook aanvaarden van Ruth, de Moabietische, de huisvrouw des verstorvenen, om den naam des verstorvenen te verwekken over zijn erfdeel.6Toen zeide die losser: Ik zal het voor mij niet kunnen lossen, opdat ik mijn erfdeel niet misschien verderve; los gij mijn lossing voor u; want ik zal niet kunnen lossen.

"Er is niemand," zegt de Heere Jezus tegen Zijn discipelen, "die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil

of hij ontvangt honderdvoud, nu in deze tijd ..., en in de toekomende eeuw het eeuwige leven" (Markus 10 vers 29 en 30; vergelijk ook Hebreeën 6 vers 10).

Ruth had geen vergissing gemaakt bij haar keuze. Boaz die voor haar om de zegen van de HEERE had gevraagd (hoofdstuk 2 vers 12), zou zelf persoonlijk de beloning voor haar geloof zijn.

Dat is de Heere Jezus ook voor de Zijnen. De apostel Paulus schrijft dat hij al die "dingen schade gerekend" heeft —opdat hij een beloning zou krijgen? Nee, "opdat ik Christus moge gewinnen!" (Filippi 3 vers 8).

Eerst is er echter iets anders nodig. Ruth moet gelost, ofwel verlost, en daartoe gekocht worden. Daarmee gaat Boaz zich nu onmiddellijk bezighouden.

Hoewel de naaste bloedverwant dat ook wel wilde doen, was hij er niet toe in staat (vers 6). Dat doet ons denken aan de wet. De wet is niet in staat mensen te verlossen en hen in te voeren in de zegeningen van de Heere. In Boaz zien we echter de Goddelijke genade.

Als er geen enkel middel overblijft, openbaart de genade zich in een Persoon: de Heere Jezus, de Verlosser, Die ons gekocht heeft.

Ruth 4:7-22
7Nu was dit van ouds een gewoonheid in Israel, bij de lossing en bij de verwisseling, om de ganse zaak te bevestigen, zo trok de man zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit was tot een getuigenis in Israel.8Zo zeide de losser tot Boaz: Aanvaard gij het voor u; en hij trok zijn schoen uit.9Toen zeide Boaz tot de oudsten en al het volk: Gijlieden zijt heden getuigen, dat ik aanvaard heb alles, wat van Elimelech geweest is, en alles, wat van Chiljon en Machlon geweest is, van de hand van Naomi.10Daartoe aanvaard ik mij ook Ruth, de Moabietische, de huisvrouw van Machlon, tot een vrouw, om den naam des verstorvenen over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam des verstorvenen niet worde uitgeroeid van zijn broederen, en van de poort zijner plaats; gijlieden zijt heden getuigen.11En al het volk, dat in de poort was, mitsgaders de oudsten zeiden: Wij zijn getuigen; de HEERE make deze vrouw, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis van Israel gebouwd hebben; en handel kloekelijk in Efratha, en maak uw naam vermaard in Bethlehem!12En uw huis zij, als het huis van Perez (die Thamar aan Juda baarde), van het zaad, dat de HEERE u geven zal uit deze jonge vrouw.13Alzo nam Boaz Ruth, en zij werd hem ter vrouwe, en hij ging tot haar in; en de HEERE gaf haar, dat zij zwanger werd en een zoon baarde.14Toen zeiden de vrouwen tot Naomi: Geloofd zij de HEERE, Die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven; en zijn naam worde vermaard in Israel!15Die zal u zijn tot een verkwikker der ziel, en om uw ouderdom te onderhouden; want uw schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, dewelke u beter is dan zeven zonen.16En Naomi nam dat kind, en zette het op haar schoot, en werd zijn voedster.17En de naburinnen gaven hem een naam, zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijn naam Obed; deze is de vader van Isai, Davids vader.18Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez gewon Hezron;19En Hezron gewon Ram; en Ram gewon Amminadab;20En Amminadab gewon Nahesson; en Nahesson gewon Salma;21En Salmon gewon Boaz, en Boaz gewon Obed;22En Obed gewon Isai; en Isai gewon David.

Namen hebben in de Bijbel, vooral in het Oude Testament, vaak een heel interessante betekenis. Zo ook in het Boek Ruth.

Naomi — 'vol hulde', 'de liefelijke' — wilde niet meer zo genoemd worden. Zij liet zich Mara noemen wat 'bitter' of 'bedroefd' betekent (hoofdstuk 1 vers 20).

Machlon, de eerste man van Ruth, betekent 'ziekelijk', 'zwak'. Boaz, haar tweede man, daarentegen betekent 'in Hem is sterkte of kracht' (vergelijk 1 Koningen 7 vers 21).

Ruth kan onder andere vertaald worden met 'verkwikking'. Wat een heerlijke naam!

Van nature gebonden in een toestand van ellende en totale zwakheid, wordt de zondaar door genade in verbinding gebracht met Christus, de hemelse Mens. In Hem is kracht en Hij alleen kan volmaakte verkwikking geven.

Deze genade wordt nog door een ander feit benadrukt: een Moabiet had geen recht in de vergadering des HEEREN te komen (Deuteronomium 23 vers 3).

Ruth werd echter niet alleen ingevoerd in Israël, maar behoorde zelfs tot de familie van de vorst van Juda. Als de moeder van Obed (wat 'dienstknecht' of 'aanbidder' betekent) werd ze de overgrootmoeder van David en kreeg ze zelfs een plaats in het geslachtsregister van de Heere Jezus!

Diezelfde genade voegt ook vandaag nog de zondaar, zonder dat hij daar recht op heeft, toe aan de familie van God, door hem een Verlosser te geven.

1 Samuël 1:1-11
1Daar was een man van Ramathaim-Zofim, van het gebergte van Efraim, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, den zoon van Elihu, den zoon van Tochu, den zoon van Zuf, een Efrathiet.2En hij had twee vrouwen; de naam van de ene was Hanna, en de naam van de andere was Peninna. Peninna nu had kinderen, maar Hanna had geen kinderen.3Deze man nu ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren den HEERE der heirscharen te Silo; en aldaar waren priesters des HEEREN, Hofni, en Pinehas, de twee zonen van Eli.4En het geschiedde op dien dag, als Elkana offerde, zo gaf hij aan Peninna, zijn huisvrouw, en aan al haar zonen en haar dochteren, delen.5Maar aan Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij had Hanna lief; doch de HEERE had haar baarmoeder toegesloten.6En haar tegenpartijdige tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat de HEERE haar baarmoeder toegesloten had.7En alzo deed hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het huis des HEEREN, zo tergde zij haar alzo; daarom weende zij en at niet.8Toen zeide Elkana, haar man: Hanna, waarom weent gij, en waarom eet gij niet, en waarom is uw hart kwalijk gesteld? Ben ik u niet beter dan tien zonen?9Toen stond Hanna op, nadat hij gegeten, en nadat hij gedronken had te Silo. En Eli, de priester, zat op een stoel bij een post van den tempel des HEEREN.10Zij dan viel bitterlijk bedroefd zijnde, zo bad zij tot den HEERE, en zij weende zeer.11En zij beloofde een gelofte, en zeide: HEERE der heirscharen, zo Gij eenmaal de ellende Uwer dienstmaagd aanziet, en mijner gedenkt, en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat den HEERE geven al de dagen zijns levens, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.

Vandaag beginnen we met de Boeken van Samuël. De tijdsperiode van de richters is echter nog niet helemaal ten einde. We zullen dan ook nog twee richters ontmoeten — Eli en Samuël vóórdat de periode begint waarin Israël door koningen geregeerd wordt.

Evenals bij de geboorte van Simson, begint God ook bij Samuël met het voorstellen van zijn ouders.

Elkana was een Leviet die op het gebergte van Efraïm woonde (vergelijk 1 Kronieken 6 vers 33 tot en met 38). Hij had twee vrouwen: Peninna en Hanna. Dat was niet naar de gedachten van God en we zien de gevolgen daarvan in zijn huis: voortdurende twist, zelfs zo erg dat Peninna gerust de vijandin van Hanna genoemd kan worden. In plaats van haar te troosten, omdat ze geen kind kreeg waar zij toch zó naar verlangde, tergde Peninna haar steeds opnieuw (vers 6).

Vijanden in één gezin? Wat ontzettend triest! Hoe staat het met onze verhoudingen?

Elkana ging elk jaar met zijn gezin naar Silo waar de ark van het verbond stond, de plaats die de HEERE had bepaald en waar ook de priesters waren.

Dáár gaat Hanna met haar verdriet naartoe en ze vertelt alles in gebed aan God. Was dat niet het beste wat ze kon doen?

Laten wij toch ook zo handelen in plaats van tegen hen die ons verdriet doen, in te gaan! Dan zullen we ervaren dat we te maken hebben met "de Vader der barmhartigheden, en de God aller vertroosting" (2 Korinthe 1 vers 3).

1 Samuël 1:12-28
12Het geschiedde nu, als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezicht des HEEREN, zo gaf Eli acht op haar mond.13Want Hanna sprak in haar hart; alleenlijk roerden zich haar lippen, maar haar stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken.14En Eli zeide tot haar: Hoe lang zult gij u dronken aanstellen? Doe uw wijn van u.15Doch Hanna antwoordde en zeide: Neen, mijn heer! ik ben een vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterken drank gedronken; maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des HEEREN.16Acht toch uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials; want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid van mijn gedachten en van mijn verdriet.17Toen antwoordde Eli en zeide: Ga heen in vrede, en de God Israels zal uw bede geven, die gij van Hem gebeden hebt.18En zij zeide: Laat uw dienstmaagd genade vinden in uw ogen! Alzo ging die vrouw haars weegs; en zij at, en haar aangezicht was haar zodanig niet meer.19En zij stonden des morgens vroeg op, en zij aanbaden voor het aangezicht des HEEREN, en zij keerden weder, en kwamen tot hun huis te Rama. En Elkana bekende zijn huisvrouw Hanna, en de HEERE gedacht aan haar.20En het geschiedde, na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht werd, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Samuel: Want, zeide zij, ik heb hem van de HEERE gebeden.21En die man, Elkana toog op met zijn ganse huis, om den HEERE te offeren het jaarlijkse offer, en zijn gelofte.22Doch Hanna toog niet op; maar zij zeide tot haar man: Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht des HEEREN verschijne, en blijve daar tot in eeuwigheid.23En Elkana, haar man, zeide tot haar: Doe, wat goed is in uw ogen; blijf, totdat gij hem zult gespeend hebben; de HEERE bevestige naar Zijn woord! Alzo bleef de vrouw, en zoogde haar zoon, totdat zij hem speende.24Daarna, als zij hem gespeend had, bracht zij hem met zich opwaarts, met drie varren, en een efa meels, en een fles met wijn; en zij bracht hem in het huis des HEEREN te Silo; en het jongsken was zeer jong.25En zij slachtten een var; alzo brachten zij het kind tot Eli.26En zij zeide: Och, mijn heer! zo waarachtig als uw ziel leeft, mijn heer! Ik ben die vrouw, die hier bij u stond, om den HEERE te bidden.27Ik bad om deze jongeling, en de HEERE heeft mij mijn bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb.28Daarom heb ik hem ook den HEERE overgegeven al de dagen, die hij wezen zal; hij is van den HEERE gebeden. En hij bad aldaar den HEERE aan.

God kan niet antwoorden op gebeden waarin we alleen onze eigen verlangens tot uitdrukking brengen (Jakobus 4 vers 3). Als daarentegen Zijn verheerlijking ons doel is, zal Hij ons altijd horen en ook verhoren als het Zijn wil is (Johannes 14 vers 13).

Zo is het ook bij Hanna. Ze heeft om een zoon gebeden, niet om hem altijd voor haarzelf te willen houden, maar opdat hij "al de dagen van zijn leven" een dienstknecht van God zou zijn (vers 11).

Is het niet het grootste verlangen van gelovige ouders dat hun kinderen vanaf hun prille jeugd de Heere Jezus toegewijd zullen zijn? Ongetwijfeld is dat voor veel jongeren vanaf hun geboorte het gebed van hun ouders geweest. Het antwoord hangt echter ook van jullie eigen persoonlijke verlangen af, jongelui! Het is een groot voorrecht als jullie, zoals Samuël, een godvrezende moeder hebben die dag in dag uit voor jullie bidt. Maar ... het is tegelijkertijd ook een enorme verantwoordelijkheid!

Hanna had haar begeerte met gebed en smeking bij God bekendgemaakt waartoe ook Filippi 4 vers 6 ons oproept. Het vers dat daaraan vooraf gaat — "Uw bescheidenheid zij alle mensen bekend" —, heeft ze ook in praktijk gebracht door mild te antwoorden op de onrechtvaardige beschuldiging van Eli die dacht dat ze dronken was.

Haar gezicht, haar uitstraling verandert. De vrede van God bewaarde haar hart (Filippi 4 vers 7), al vóórdat haar gebed in vervulling was gegaan!

Het antwoord laat niet op zich wachten. "Van de HEERE gebeden", is de betekenis van de naam van de kleine Samuël.

1 Samuël 2:1-11
1Toen bad Hanna en zeide: Mijn hart springt van vreugde op in den HEERE; mijn hoorn is verhoogd in den HEERE; mijn mond is wijd opengedaan over mijn vijanden; want ik verheug mij in Uw heil.2Er is niemand heilig, gelijk de HEERE; want er is niemand dan Gij, en er is geen rotssteen, gelijk onze God!3Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat iets hards uit uw mond zou gaan; want de HEERE is een God der wetenschappen, en Zijn daden zijn recht gedaan.4De boog der sterken is gebroken; en die struikelden, zijn met sterkte omgord.5Die verzadigd waren, hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren, zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had, krachteloos is geworden.6De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen.7De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij.8Hij verheft den geringe uit het stof, en den nooddruftige verhoogt Hij uit den drek, om te doen zitten bij de vorsten, dat Hij hen den stoel der ere doe beerven; want de grondvesten des aardrijks zijn des HEEREN, en Hij heeft de wereld daarop gezet.9Hij zal de voeten Zijner gunstgenoten bewaren; maar de goddelozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht.10Die met den HEERE twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de HEERE zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen.11Daarna ging Elkana naar Rama in zijn huis; maar de jongeling was den HEERE dienende voor het aangezicht van den priester Eli.

Zoals we gisteren zagen in Filippi 4 vers 6, is de dankzegging absoluut noodzakelijk bij het gebed. Ook Hanna verzuimt niet de HEERE te danken voor de verhoring.

Laten wij ook niet vergeten te danken, als God ons heeft geantwoord!

Hanna gaat echter nog verder. Voor haar is dit een gelegenheid om de HEERE te roemen door middel van een prachtig lied.

Wat is de reden van haar lof? De heiligheid van God (vers 2), Zijn kennis (vers 3), Zijn macht (vers 6), Zijn gerechtigheid (vers 10).

Bovenal roemt zij de genade (Hanna betekent "genade"!) die haar ten deel is gevallen. Deze genade tilt de geringe en de arme (u en mij) uit het stof omhoog, uit het 'drek' van de zonde, om hem met de Heere Jezus een deel te geven in Zijn heerlijkheid en Zijn rijk.

De laatste woorden van dit gebed richten de aandacht op de machtige Koning, de "Gezalfde", de Heere Jezus Zelf. In het Woord van God is de hoorn een symbool van macht.

Verheugen wij ons, evenals Hanna, over het heil (vers 1), over die Redder?

Het is heel leerzaam de woorden van Maria uit Lukas 1 vers 46 tot en met 55 met dit gebed van Hanna te vergelijken. Ook Maria verheugde zich, niet alleen in God, haar Heiland, maar ook in wat Zijn macht en Zijn barmhartigheid voor heel Israël gedaan hebben (vers 54).

1 Samuël 2:12-26
12Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials; zij kenden den HEERE niet.13Want de wijze dier priesters met het volk was, dat, wanneer iemand een offerande offerde, des priesters jongen kwam, terwijl het vlees kookte, met een drietandigen krauwel in zijn hand;14En sloeg in de teile, of in den ketel, of in de pan, of in den pot; al wat de krauwel optrok, dat nam de priester voor zich. Alzo deden zij aan al de Israelieten, die te Silo kwamen.15Ook eer zij het vet aanstaken, kwam des priesters jongen, en zeide tot den man, die offerde: Geef dat vlees om te braden voor den priester; want hij zal geen gekookt vlees van u nemen, maar rauw.16Wanneer nu die man tot hem zeide: Zij zullen dat vet als heden ganselijk aansteken, zo neem dan voor u, gelijk als het uw ziel lusten zal; zo zeide hij tot hem: Nu zult gij het immers geven, en zo niet, ik zal het met geweld nemen.17Alzo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des HEEREN; want de lieden verachtten het spijsoffer des HEEREN.18Doch Samuel diende voor het aangezicht des HEEREN, zijnde een jongeling, omgord met den linnen lijfrok.19En zijn moeder maakte hem een kleinen rok, en bracht hem dien van jaar tot jaar, als zij opkwam met haar man, om het jaarlijkse offer te offeren.20En Eli zegende Elkana, en zijn huisvrouw, en zeide: De HEERE geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij den HEERE afgebeden heeft. En zij gingen naar zijn plaats.21Want de HEERE bezocht Hanna, en zij werd bevrucht, en baarde drie zonen en twee dochters; en de jongeling Samuel werd groot bij den HEERE.22Doch Eli was zeer oud, en hoorde al, wat zijn zonen aan gans Israel deden, en dat zij sliepen bij de vrouwen, die met hopen samenkwamen aan de deur van de tent der samenkomst.23En hij zeide tot hen: Waarom doet gij al zulke dingen, dat ik deze uw boze stukken hore van dit ganse volk?24Niet, mijn zonen; want dit is geen goed gerucht, dat ik hoor; gij maakt, dat het volk des HEEREN overtreedt.25Wanneer een mens tegen een mens zondigt, zo zullen de goden hem oordelen; maar wanneer een mens tegen den HEERE zondigt, wie zal voor hem bidden? Doch zij hoorden de stem huns vaders niet, want de HEERE wilde hen doden.26En de jongeling Samuel nam toe, en werd groot en aangenaam beide bij den HEERE en ook bij de mensen.

Zoals ze beloofd heeft, neemt Hanna afstand van haar zoontje dat voortaan bij Eli in Silo in de tegenwoordigheid van de HEERE zal verblijven.

De tegenstelling tussen deze jongen die dienstwerk in de tempel verricht, en de zonen van Eli — Hofni en Pínehas — is opmerkelijk.

Deze beide zonen van de oude richter waren al volwassen mannen, maar hun doen en laten was een schandaal voor het priesterschap. Ze waren voor het hele volk, maar vooral voor de kleine Samuël die hen elke dag zag, een slecht voorbeeld!

Weest u, ouderen onder ons, er goed op bedacht welk voorbeeld u de jongeren geeft, want de jeugd houdt u in de gaten!

Denk aan de ernstige woorden van de Heere: "Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nuttiger, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee" (Mattheüs 18 vers 6).

En jullie jongeren, laat jullie door het slechte gedrag van sommige ouderen die alleen zogenaamd christen zijn, niet verkeerd beïnvloeden!

Denk aan het voorbeeld van de Heere Jezus! We kunnen in de mooie geschiedenis van Samuël opmerken dat een klein kind God al kan dienen en op de Heere Jezus kan lijken (vergelijk vers 26 met Lukas 2 vers 52).

1 Samuël 2:27-36
27En er kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Heb Ik Mij klaarlijk geopenbaard aan het huis uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao?28En Ik heb hem uit alle stammen van Israel Mij ten priester verkoren, om te offeren op Mijn altaar, om het reukwerk aan te steken, om den efod voor Mijn aangezicht te dragen; en heb aan het huis uws vaders gegeven al de vuurofferen van de kinderen Israels.29Waarom slaat gijlieden achteruit tegen Mijn slachtoffer, en tegen Mijn spijsoffer, hetwelk Ik geboden heb in de woning; en eert uw zonen meer dan Mij, dat gijlieden u mest van het voornaamste van alle spijsoffers van Mijn volk Israel?30Daarom spreekt de HEERE, de God Israels: Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt de HEERE: Dat zij verre van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.31Zie, de dagen komen, dat Ik uw arm zal afhouwen, en den arm van uws vaders huis, dat er geen oud man in uw huis wezen zal.32En gij zult aanschouwen de benauwdheid der woning Gods, in plaats van al het goede, dat Hij Israel zou gedaan hebben; en er zal te genen dage een oud man in uw huis zijn.33Doch de man, dien Ik u niet zal uitroeien van Mijn altaar, zou zijn om uw ogen te verteren, en om uw ziel te bedroeven; en al de menigte uws huizes zal sterven, mannen geworden zijnde.34Dit nu zal u een teken zijn, hetwelk over uw beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op een dag zullen zij beiden sterven.35En Ik zal Mij een getrouwen priester verwekken; die zal doen, gelijk als in Mijn hart en in Mijn ziel zijn zal; dien zal Ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht Mijns Gezalfden wandelen.36En het zal geschieden, dat al wie van uw huis zal overig zijn, zal komen, om zich voor hem neder te buigen voor een stukje gelds, en een bolle broods, en zal zeggen: Neem mij toch aan tot enige priesterlijke bedienig, dat ik een bete broods moge eten.

De slechte levenswandel van de zonen van Eli was ten opzichte van het volk al schandalig, maar nog veel meer tegenover God. Ze deden daarmee Zijn Naam grote oneer aan!

Hofni en Pínehas (laatstgenoemde droeg zelfs de naam van een trouwe priester; zie Numeri 25 vers 11) waren in de nabijheid van het heiligdom opgegroeid en kwamen zo in contact met de Goddelijke waarheden. Wat hadden ze een grote verantwoordelijkheid in vergelijking met het overige volk! Als wij door onze opvoeding dezelfde voorrechten mogen genieten, is ook onze verantwoordelijkheid tegenover de Heere om daarnaar te leven, heel groot!

Eli, zelf vroom en godvrezend, kon zijn kinderen niet in toom houden. Soms probeerde hij hen wel voorzichtig tot de orde te roepen (vers 23 tot en met 25), maar hij miste de geestelijke kracht om daadwerkelijk te handelen.

Er zijn heel wat kinderen die hun ouders veel te streng vinden. Zulke kinderen moeten maar eens naar de zonen van Eli kijken om te zien wat de gevolgen van een slappe opvoeding zijn. Bovendien zien we een tragisch gevolg voor Eli zelf: zijn huis, zijn nageslacht mocht het priesterschap niet meer uitoefenen en zijn zonen zouden uitgeroeid worden! Een profeet krijgt de opdracht om deze verdrietige boodschap aan Eli over te brengen.

Het Nieuwe Testament laat ons zien dat de kinderen van een dienstknecht van de Heere die zich niet onderwerpen en in toom gehouden kunnen worden, de kracht van de dienst van hun vader wegnemen (1 Timotheüs 3 vers 4 en 5), ja, dat zij die dienst zelfs verhinderen. Misschien is deze waarschuwing ook voor deze of gene jonge lezer?

1 Samuël 3:1-21
1En de jongeling Samuel diende den HEERE voor het aangezicht van Eli; en het woord des HEEREN was dierbaar in die dagen; er was geen openbaar gezicht.2En het geschiedde te dien dage, als Eli op zijn plaats nederlag (en zijn ogen begonnen donker te worden, dat hij niet zien kon),3En Samuel zich ook nedergelegd had, eer de lampe Gods uitgedaan werd, in den tempel des HEEREN, waar de ark Gods was,4Dat de HEERE Samuel riep; en hij zeide: Zie, hier ben ik.5En hij liep tot Eli en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Doch hij zeide: Ik heb niet geroepen, keer weder, leg u neder. En hij ging heen en legde zich neder.6Toen riep de HEERE Samuel wederom; en Samuel stond op; en ging tot Eli, en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Hij dan zeide: Ik heb u niet geroepen, mijn zoon; keer weder, leg u neder.7Doch Samuel kende de HEERE nog niet; en het woord des HEEREN was aan hem nog niet geopenbaard.8Toen riep de HEERE Samuel wederom, ten derde maal; en hij stond op, en ging tot Eli, en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Toen verstond Eli, dat de HEERE den jongeling riep.9Daarom zeide Eli tot Samuel: Ga heen, leg u neder, en het zal geschieden, zo Hij u roept, zo zult gij zeggen: Spreek, HEERE, want Uw knecht hoort. Toen ging Samuel heen en legde zich aan zijn plaats.10Toen kwam de HEERE, en stelde Zich daar, en riep gelijk de andere malen: Samuel, Samuel! En Samuel zeide: Spreek, want Uw knecht hoort.11En de HEERE zeide tot Samuel: Zie, Ik doe een ding in Israel, dat al wie het horen zal, dien zullen zijn beide oren klinken.12Te dienzelven dage zal Ik verwekken over Eli alles, wat Ik tegen zijn huis gesproken heb; Ik zal het beginnen en voleinden.13Want Ik heb hem te kennen gegeven, dat Ik zijn huis rechten zal tot in eeuwigheid, om der ongerechtigheids wil, die hij geweten heeft; want als zijn zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zo heeft hij hen niet eens zuur aangezien.14Daarom dan heb Ik het huis van Eli gezworen: Zo de ongerechtigheid van het huis van Eli tot in eeuwigheid zal verzoend worden door slachtoffer of door spijsoffer!15Samuel nu lag tot aan den morgen; toen deed hij de deuren van het huis des HEEREN open; doch Samuel vreesde dit gezicht aan Eli te kennen te geven.16Toen riep Eli Samuel, en zeide: Mijn zoon Samuel! Hij dan zeide: Zie, hier ben ik.17En hij zeide: Wat is het woord, dat Hij tot u gesproken heeft? Verberg het toch niet voor mij; God doe u zo, en zo doe Hij daartoe, indien gij een woord voor mij verbergt van al de woorden, die Hij tot u gesproken heeft!18Toen gaf hem Samuel te kennen al die woorden, en verborg ze voor hem niet. En hij zeide: Hij is de HEERE; Hij doe, wat goed is in Zijn ogen!19Samuel nu werd groot; en de HEERE was met hem, en liet niet een van al Zijn woorden op de aarde vallen.20En gans Israel, van Dan tot Ber-seba toe, bekende, dat Samuel bevestigd was tot een profeet des HEEREN.21En de HEERE voer voort te verschijnen te Silo; want de HEERE openbaarde Zich aan Samuel te Silo, door het woord des HEEREN.

Van jongs af aan behoorde Samuël de HEERE toe en diende hij Hem. Toch kende hij de Heere nog niet persoonlijk en had hij nog geen kennis van Zijn woord (vers 7). Je kunt het heil bezitten, ja, er zelfs van genieten, en toch de Persoon van de Verlosser Zelf maar weinig kennen.

Dat was ook het geval bij Job: "Met het gehoor van het oor heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog" (Job 42 vers 5).

Vandaag de dag is dat ook bij veel jonge (en ook bij niet weinig oudere) mensen die uiterlijk christenen zijn, het geval. Vraag dan de Heere Jezus om Zich aan jou te openbaren!

God spreekt! Niet meer door verhalen of gebeurtenissen, maar door Zijn heilig Boek. Dat Boek is aan ieder persoonlijk gericht. Lees het toch alsof het alleen voor jezelf is geschreven!

Telkens als wij onze Bijbel openen, zouden we dezelfde houding als Samuël moeten hebben: "Spreek, want Uw knecht hoort". Vervolgens moeten we ook bereid zijn om te doen wat de Heere gezegd heeft!

Dit prachtige antwoord laat ook directe gehoorzaamheid zien. Dat betekent, zich helemaal ter beschikking te stellen van hen die ons aanwijzingen geven.

Eli hoort de indrukwekkende woorden van Samuël en ook hij onderwerpt zich: "Hij is de HEERE; Hij doe, wat goed is in Zijn ogen!" (vers 18). Toch heeft deze onderwerping een nare bijsmaak: er wordt bij Eli geen berouw gevonden over de dingen die voor God de aanleiding waren om zo'n ernstig oordeel aan te kondigen. Eli wordt gekenmerkt door een stille gelatenheid: eerst ten aanzien van de schanddaden van zijn zonen, nu ten aanzien van Gods oordeel daarover.

1 Samuël 4:1-11
1En het woord van Samuel geschiedde aan gans Israel. En Israel toog uit, den Filistijnen tegemoet, ten strijde, en legerde zich bij Eben-Haezer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek.2En de Filistijnen stelden zich in slagorden, om Israel te ontmoeten; en als zich de strijd uitspreidde, zo werd Israel voor der Filistijnen aangezicht geslagen; want zij sloegen in de slagorden in het veld omtrent vier duizend man.3Als het volk wederom in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israel: Waarom heeft ons de HEERE heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark des verbonds des HEEREN, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden.4Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark des verbonds des HEEREN der heirscharen, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark des verbonds van God.5En het geschiedde, als de ark des verbonds des HEEREN in het leger kwam, zo juichte gans Israel met een groot gejuich, alzo dat de aarde dreunde.6Als nu de Filistijnen de stem van het juichen hoorden, zo zeiden zij: Wat is de stem van dit grote juichen in het leger der Hebreen? Toen vernamen zij, dat de ark des HEEREN in het leger gekomen was.7Daarom vreesden de Filistijnen, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want dergelijke is gisteren en eergisteren niet geschied!8Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze heerlijke goden? Dit zijn dezelfde goden, die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben, bij de woestijn.9Zijt sterk, en weest mannen, gij Filistijnen, opdat gij de Hebreen niet misschien dient, gelijk als zij ulieden gediend hebben; zo zijt mannen, en strijdt.10Toen streden de Filistijnen, en Israel werd geslagen, en zij vloden een iegelijk in zijn tenten; en er geschiedde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israel vielen dertig duizend voetvolks.11En de ark Gods werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.

De verdrietige toestand van het volk maakte opnieuw een tuchtigend ingrijpen van de HEERE noodzakelijk. De Filistijnen werden door God als werktuig gebruikt om het een pijnlijke les te leren. Israël trekt tegen hen op zonder de HEERE te raadplegen.

Wat zou het antwoord van God geweest zijn als ze Hem eerst om raad gevraagd hadden? 'Trek niet op! Ik kan jullie de overwinning niet laten behalen vanwege jullie zonden. Eerst moeten jullie je verootmoedigen!'

Ook bij de strijd tegen Ai was het gebeurd dat het volk niet eerst de HEERE had gevraagd en daarom de nederlaag had geleden (Jozua 7). Het volk heeft daarvan niet geleerd. Het bekommert zich er totaal niet om wat de HEERE ervan zou kunnen denken.

Ook van de eerste nederlaag leren ze niets. Integendeel zelfs! "Waarom heeft ons de HEERE heden geslagen?" — zeggen ze. 'Dat moet veranderen! We zullen Hem meenemen; dan zal Hij wel gedwongen zijn ons te helpen.'

Zo denken ook veel zogenaamde christenen dat ze met God op een manier kunnen omgaan die hen zelf past. Ze doen hun eigen zin en tegelijkertijd beroepen ze zich met luide stem op de Heere (zie Mattheüs 7 vers 21). Maar op een dag zal Hij tegen hen moeten zeggen: "Ik ken u niet" (Mattheüs 25 vers 12).

God zal echt niet alles wat in de christenheid in Zijn Naam gedaan wordt, goedkeuren! De kostbare Naam van Christus wordt vaak verbonden met kwaad waarvan men zich terdege bewust is, maar dat men niet wil loslaten. Hoe vreselijk is het om de heilige Naam van de Heere met zonde te verbinden!

1 Samuël 4:12-22
12Toen liep er een Benjaminiet uit de slagorden, en kwam te Silo denzelfden dag; en zijn klederen waren gescheurd, en er was aarde op zijn hoofd.13En als hij kwam, ziet, zo zat Eli op een stoel aan de zijde van den weg, uitziende; want zijn hart was sidderende vanwege de ark Gods. Als die man kwam, om zulks te verkondigen in de stad, toen schreeuwde de ganse stad.14En als Eli de stem des geroeps hoorde, zo zeide hij: Wat is de stem dezer beroerte? Toen haastte zich die man, en hij kwam en boodschapte het aan Eli.15(Eli nu was een man van acht en negentig jaren, en zijn ogen stonden stijf, dat hij niet zien kon.)16En die man zeide tot Eli: Ik ben het, die uit de slagorden kom, en ik ben heden uit de slagorden gevloden. Hij dan zeide: Wat is er geschied, mijn zoon?17Toen antwoordde hij, die de boodschap bracht, en zeide: Israel is gevloden voor het aangezicht der Filistijnen, en er is ook een grote nederlaag onder het volk geschied; daarenboven zijn uw twee zonen, Hofni en Pinehas, gestorven, en de ark Gods is genomen.18En het geschiedde, als hij van de ark Gods vermeldde, zo viel hij achterwaarts van den stoel af, aan de zijde der poort, en brak den nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israel veertig jaren.19En zijn schoondochter, de huisvrouw van Pinehas, was bevrucht, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark Gods genomen was, en haar schoonvader gestorven was, en haar man, zo kromde zij zich, en baarde; want haar weeen overvielen haar.20En omtrent den tijd van haar sterven, zo spraken de vrouwen, die bij haar stonden: Vrees niet, want gij hebt een zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet, en nam het niet ter harte.21En zij noemde het jongsken Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israel! Omdat de ark Gods gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil.22En zij zeide: De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israel, want de ark Gods is genomen.

Waarop het volk gehoopt had, is niet uitgekomen. De aanwezigheid van de ark van het verbond in het midden van het volk dat in zo'n slechte toestand verkeerde, heeft het onheil niet afgewend.

De ark is weggenomen (zie Psalm 78 vers 56 tot en met 64). Wat een grote smaad voor een regiment als de vijand hem zijn banier afneemt! Hoeveel te meer als het, zoals bij Israël, om de troon van zijn eigen God gaat!

Hoe zouden ze de verzoendag kunnen vieren (Leviticus 16 vers 14 en 15) zonder het heilige verzoendeksel van de ark waarop het bloed gebracht moest worden? Bovendien, hoe zouden ze zonder nakomelingen van Aäron deze voorschriften kunnen uitvoeren? Want met de ark was ook het priesterschap verdwenen. Hofni en Pínehas stierven.

Misschien had Eli het Goddelijke oordeel over heel Israël op de een of andere manier kunnen afwenden. Volgens Deuteronomium 21 vers 18 tot en met 21 had hij zijn zonen voor het volk moeten brengen om hen te stenigen vanwege hun boos gedrag. Hij kon echter de moed en kracht daartoe niet opbrengen!

Nu zijn niet alleen Hofni en Pínehas omgekomen, maar met hen nog ongeveer 34.000 mannen. En de heilige ark van het verbond, de heerlijkheid van Israël, is weg!

Als de grijsaard dit hoort, sterft ook hij. De ark ging hem meer aan het hart dan zijn kinderen. Zo verging het ook zijn schoondochter. Dat kunnen we opmaken uit haar woorden bij de geboorte van haar zoontje. Door hem de naam Ikabod te geven — "De eer is weggevoerd uit Israël" —, spreekt zij als het ware de grafrede uit over Israël.

1 Samuël 5:1-12
1De Filistijnen nu namen de ark Gods, en zij brachten ze van Eben-Haezer tot Asdod.2En de Filistijnen namen de ark Gods, en zij brachten ze in het huis van Dagon, en stelden ze bij Dagon.3Maar als die van Asdod des anderen daags vroeg opstonden, ziet, zo was Dagon op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark des HEEREN. En zij namen Dagon en zetten hem weder op zijn plaats.4Toen zij nu des anderen daags des morgens vroeg opstonden, ziet, Dagon lag op zijn aangezicht ter aarde gevallen voor de ark des HEEREN; maar het hoofd van Dagon, en de beide palmen zijner handen afgehouwen, aan den dorpel; alleenlijk was Dagon daarop overgebleven.5Daarom treden de priesters van Dagon, en allen, die in het huis van Dagon komen, niet op den dorpel van Dagon te Asdod, tot op dezen dag.6Doch de hand des HEEREN was zwaar over die van Asdod, en verwoestte hen; en Hij sloeg ze met spenen, Asdod en haar landpalen.7Toen nu de mannen te Asdod zagen, dat het alzo toeging, zo zeiden zij: Dat de ark des Gods van Israel bij ons niet blijve; want Zijn hand is hard over ons, en over Dagon, onzen god.8Daarom zonden zij heen, en verzamelden tot zich al de vorsten der Filistijnen, en zij zeiden: Wat zullen wij met de ark des Gods van Israel doen? En die zeiden: Dat de ark des Gods van Israel rondom Gath ga. Alzo droegen zij de ark des Gods van Israel rondom.9En het geschiedde, nadat zij die hadden rondom gedragen, zo was de hand des HEEREN tegen die stad met een zeer grote kwelling; want Hij sloeg de lieden dier stad van den kleine tot den grote, en zij hadden spenen in de verborgene plaatsen.10Toen zonden zij de ark Gods naar Ekron; maar het geschiedde, als de ark Gods te Ekron kwam, zo riepen die van Ekron, zeggende: Zij hebben de ark des Gods van Israel tot mij rondom gebracht, om mij en mijn volk te doden.11En zij zonden heen, en vergaderden al de vorsten der Filistijnen, en zeiden: Zendt de ark des Gods van Israel heen, dat zij wederkere tot haar plaats, opdat zij mij en mijn volk niet dode; want er was een dodelijke kwelling in de ganse stad, en de hand Gods was er zeer zwaar.12En de mensen, die niet stierven, werden geslagen met spenen, zodat het geschrei der stad opklom naar den hemel.

De HEERE heeft het toegelaten dat de ark van het verbond in de handen van de Filistijnen is gekomen. Dit Filistijnse volk moest echter weten dat zij Israël niet door de macht van hun afgod verslagen hadden, maar dat het de wil van de Almachtige was.

Daarom laat God de vijanden van Zijn volk zien dat zij de ark van Zijn sterkte (Psalm 132 vers 8) bij zich hebben. Tot tweemaal toe valt de afgod van de Filistijnen voor de God van Israël ter aarde. Vervolgens worden de vijanden van de HEERE en van Israël, zoals eens in Egypte, met plagen geslagen.

Hier zien we ook het egoïsme van de wereld. Iedereen probeert zo'n gevaarlijk voorwerp naar anderen door te schuiven.

Nu willen we niet meer naar die verdrietige toestanden kijken, maar zien op de Heere Jezus, want de ark is altijd een prachtig beeld van Hem. In Johannes 18 wordt Hij gezocht door de oversten van het volk die Hem gevangen wilden nemen. Op Zijn woord: "Ik ben het", deinzen de mannen terug en vallen op de grond, zoals ook gebeurde met het afgodsbeeld van Dagon.

De Heere Jezus laat Zich echter gevangennemen. Hij wordt van Annas naar Kajafas gestuurd, van Kajafas naar Pilatus, van Pilatus naar Herodes en weer terug (zoals de ark van Asdod naar Gath en van Gath naar Ekron ging).

Maar zij die dachten zó met Hem te kunnen handelen, die Hem bespotten en veroordeelden, moesten het uit Zijn mond horen: "Van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, zittende ter rechterhand van de kracht Gods, en komende op de wolken des hemels" (Mattheüs 26 vers 64).

1 Samuël 6:1-13
1Als nu de ark des HEEREN zeven maanden in het land der Filistijnen geweest was,2Zo riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij met de ark des HEEREN doen? Laat ons weten, waarmede wij ze aan haar plaats zenden zullen.3Zij dan zeiden: Indien gij de ark des Gods van Israel wegzendt, zendt haar niet ledig weg, maar vergeldt Hem ganselijk een schuldoffer; dan zult gij genezen worden, en ulieden zal bekend worden, waarom Zijn hand van u niet afwijkt.4Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer, dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen, en vijf gouden muizen, naar het getal van de vorsten der Filistijnen; want het is enerlei plaag over u allen, en over uw vorsten.5Zo maakt dan beelden uwer spenen, en beelden uwer muizen, die het land verderven, en geeft den God van Israel de eer; misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over ulieden, en van over uw god, en van over uw land.6Waarom toch zoudt gijlieden uw hart verzwaren, gelijk de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen Hij wonderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken, dat zij heengingen?7Nu dan, neemt en maakt een nieuwen wagen, en twee zogende koeien, op dewelke geen juk gekomen is; spant de koeien aan den wagen, en brengt haar kalveren van achter haar weder naar huis.8Neemt dan de ark des HEEREN, en zet ze op den wagen, en legt de gouden kleinoden, die gij Hem ten schuloffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga.9Ziet dan toe, indien zij den weg van haar landpale opgaat naar Beth-Semes, zo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zo niet, zo zullen wij weten, dat Zijn hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest.10En die lieden deden alzo, en namen twee zogende koeien, en spanden ze aan den wagen, en haar kalveren sloten zij in huis.11En zij zetten de ark des HEEREN op den wagen, en het koffertje met de gouden muizen, en de beelden hunner spenen.12De koeien nu gingen recht in dien weg, op den weg naar Beth-Semes op een straat; zij gingen steeds voort, al loeiende, en weken noch ter rechter hand noch ter linkerhand; en de vorsten der Filistijnen gingen achter dezelve tot aan de landpale van Beth-Semes.13En die van Beth-Semes maaiden den tarweoogst in het dal, en als zij hun ogen ophieven, zagen zij de ark en verblijdden zich, als zij die zagen.

In plaats van hun machteloze god te verwerpen en voortaan de HEERE te vrezen en te dienen, hebben de Filistijnen slechts één gedachte: zich zo gauw mogelijk te ontdoen van deze vreselijke God.

Dat herinnert ons aan een gebeurtenis in de Evangeliën. De macht van de Heere had de bezetene in het land van de Gadarénen bevrijd van de onreine geesten die in hem woonden. De bewoners van die landstreek hadden het voorrecht de Zoon van God bij zich te hebben. Ze waren echter verblind door hun eigen belangen en dachten aan het verlies van hun varkens. In plaats van zich te verheugen en de Heere Jezus aan te nemen, vragen ze Hem hun gebied te verlaten (zie Markus 5 vers 1 tot en met 20)!

De wereld kon de aanwezigheid van de Heere niet verdragen, omdat Zijn volmaaktheid hen veroordeelde. Daarom wilden zij zich van Hem ontdoen.

De Filistijnen erkennen uiteindelijk de onoverwinnelijke macht van de God van Israël. Ze eren Hem in hun onwetendheid op hun eigen manier.

De ark wordt teruggestuurd naar het gebied van Israël, maar niet zonder dat God nogmaals Zijn macht toont. Voor de nieuwe, speciaal voor het vervoer van de ark gemaakte wagen, worden twee koeien gespannen. Het waren zogende koeien, dus koeien die kalveren hadden en hen moesten voeden. Het gaat volledig tegen de natuur van koeien in om zich vrijwillig van hun kalveren te verwijderen, maar desondanks trekken zij de wagen met daarop de ark rechtstreeks, zonder dat iemand hen leidt, naar en over de grens van Israël.

1 Samuël 6:14-21; 1 Samuël 7:1
14En de wagen kwam op den akker van Jozua, den Beth-semiet, en bleef daar staande; en daar was een grote steen, en zij kloofden het hout van den wagen, en offerden de koeien den HEERE ten brandoffer.15En de Levieten namen de ark des HEEREN af en het koffertje, dat daarbij was, waarin de gouden kleinoden waren, en zetten ze op dien groten steen; en die lieden van Beth-Semes offerden brandofferen, en slachtten slachtofferen den HEERE, op denzelven dag.16En als de vijf vorsten der Filistijnen zulks gezien hadden, zo keerden zij weder op denzelven dag naar Ekron.17Dit nu zijn de gouden spenen, die de Filistijnen aan den HEERE ten schuldoffer vergolden hebben: Voor Asdod een voor Gaza een, voor Askelot een, voor Gath een, voor Ekron een.18Ook gouden muizen, naar het getal van alle steden der Filistijnen, onder de vijf vorsten, van de vaste steden af tot aan de landvlekken; en tot aan Abel, den groten steen, op denwelken zij de ark des HEEREN nedergesteld hadden, die tot op dezen dag is op den akker van Jozua, den Beth-semiet.19En de Heere sloeg onder die lieden van Beth-Semes, omdat zij in de ark des HEEREN gezien hadden; ja, Hij sloeg van het volk zeventig mannen, en vijftig duizend mannen. Toen bedreef het volk rouw, omdat de HEERE een groten slag onder het volk geslagen had.20Toen zeiden de lieden van Beth-Semes: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van de HEERE, dezen heiligen God? En tot wien van ons zal Hij optrekken?21Zo zonden zij boden tot de inwoners van Kirjath-Jearim, zeggende: De Filistijnen hebben de ark des HEEREN wedergebracht; komt af, haalt ze opwaarts tot u.
1Toen kwamen de mannen van Kirjath-Jearim, en haalden de ark des HEEREN op, en zij brachten ze in het huis van Abinadab, op den heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar, dat hij de ark des HEEREN bewaarde.

De bewoners van Beth—Sémes hebben de eer de ark van het verbond in ontvangst te mogen nemen. Ze wagen het het deksel daarvan op te heffen, en God bestraft hen daarom streng (vergelijk Numeri 4 vers 20).

Dit is een waarschuwing voor ons dat we heilige eerbied behoren te hebben voor de Persoon van de Heere Jezus. Wat Hem betreft, duldt God geen enkele onwaardige nieuwsgierigheid!

Helaas reageren de Beth—Sémieten op hun straf op dezelfde manier als de Filistijnen. Zij ontdoen zich van de ark, omdat die voor hen te heilig is.

Sommige christenen lijken op deze mensen. In plaats van zichzelf te veroordelen en hun zaken in orde te brengen, geven ze in hun leven de voorkeur aan het verwijderen van elke gedachte aan de Heere. Zijn tegenwoordigheid stoort hen. Is dat niet intriest?

Daarentegen brengt God nu hen voor de aandacht die Hem wel met vreugde opnemen. Het zijn de bewoners van Kirjath—Jeárim die de ark halen en hem plaatsen in het huis van Abinádab, op een heuvel.

Onze gedachten worden hierbij weer op de Heere Jezus gericht. Omdat Zijn volk Hem verwierp, had Hij geen plaats waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen. Maar bij een bepaalde gelegenheid nam "een zekere vrouw, met name Martha" Hem op in haar huis (Lukas 10 vers 38).

In het huis van Abinádab en in het huis in Bethanië is er vreugde en zegen voor hem en haar die de deur opent. Er is ook vreugde voor de Goddelijke Gast Die hierdoor geëerd wordt (vergelijk Openbaring 3 vers 20)!

1 Samuël 7:2-17
2En het geschiedde, van dien dag af, dat de ark des Heeren te Kirjath-Jearim bleef, en de dagen werden twintig jaren; en het ganse huis van Israel klaagde den HEERE achterna.3Toen sprak Samuel tot het ganse huis van Israel, zeggende: Indien gijlieden u met uw ganse hart tot den HEERE bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths; en richt uw hart tot den HEERE, en dient Hem alleen, zo zal Hij u uit de hand der Filistijnen rukken.4De kinderen Israels nu deden de Baals en de Astharoths weg, en zij dienden den HEERE alleen.5Verder zeide Samuel: Vergadert het ganse Israel naar Mizpa, en ik zal den HEERE voor u bidden.6En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water, en goten het uit voor het aangezicht des HEEREN; en zij vastten te dien dage, en zeiden aldaar: Wij hebben tegen den HEERE gezondigd. Alzo richtte Samuel de kinderen Israels te Mizpa.7Toen de Filistijnen hoorden, dat de kinderen Israels zich vergaderd hadden te Mizpa, zo kwamen de oversten der Filistijnen op tegen Israel. Als de kinderen Israels dat hoorden, zo vreesden zij voor het aangezicht der Filistijnen.8En de kinderen Israels zeiden tot Samuel: Zwijg niet van onzentwege, dat gij niet zoudt roepen tot den HEERE, onzen God, opdat Hij ons verlosse uit de hand der Filistijnen.9Toen nam Samuel een melklam, en hij offerde het geheel den HEERE ten brandoffer; en Samuel riep tot den HEERE voor Israel; en de HEERE verhoorde hem.10En het geschiedde, toen Samuel dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israel; en de HEERE donderde te dien dage met een groten donder over de Filistijnen, en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israel.11En de mannen van Israel togen uit van Mizpa, en vervolgden de Filistijnen, en zij sloegen hen tot onder Beth-kar.12Samuel nu nam een steen, en stelde dien tussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haezer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen.13Alzo werden de Filistijnen vernederd, en kwamen niet meer in de landpalen van Israel; want de hand des HEEREN was tegen de Filistijnen al de dagen van Samuel.14En de steden, welke de Filistijnen van Israel genomen hadden kwamen weder aan Israel, van Ekron tot Gath toe; ook rukte Israel derzelver landpale uit de hand der Filistijnen; en er was vrede tussen Israel en tussen de Amorieten.15Samuel nu richtte Israel al de dagen zijns levens.16En hij toog van jaar tot jaar, en ging rondom naar Beth-El, en Gilgal, en Mizpa; en hij richtte Israel in al die plaatsen.17Doch hij keerde weder naar Rama; want daar was zijn huis, en daar richtte hij Israel; en hij bouwde aldaar den HEERE een altaar.

"En de dagen werden vermenigvuldigd, en het werden twintig jaren" (vers 2). Voor wie is dit een lange tijd? Niet voor het volk; dat lijkt er helemaal niet onder te lijden. Ook niet voor Abinádab en de zijnen die gelukkig zijn met de aanwezigheid van de ark in hun huis! Maar God Die wachtte, heeft deze twintig jaren geteld.

Uiteindelijk gaat het geweten spreken. Het volk begint te weeklagen. Samuël spreekt de woorden van de HEERE tot hen. Ze moeten zich van de afgoden afwenden om de levende en waarachtige God te dienen (1 Thessalonika 1 vers 9).

Israël gehoorzaamt en mi kan Samuël voorbede voor hen doen bij de HEERE.

Deze bijeen vergadering van het volk van God is niet naar de zin van de vijand. De Filistijnen rukken op — en de HEERE laat Israël de overwinning behalen.

DM is het antwoord op de verootmoediging van het volk en de voorbede van de trouwe middelaar. Samuël stelde een steen tot gedenkteken en noemde die: 'Eben—Haëzer' ("Rots van de hulp"). Hij zei: "Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen" (vers 12).

Kan ieder van ons dat ook met dankbaarheid in zijn hart zeggen? Dat zijn gelukkige ervaringen tot verheerlijking van de Goddelijke genade. O, laten we daar toch veel meer aan denken en ons daar meer mee bezighouden!

Samuël was de laatste richter (Handelingen 13 vers 20). Dit ambt oefende hij uit voor het volk, maar tegelijkertijd bleef hij door middel van zijn altaar in gemeenschap met de HEERE. Op jonge leeftijd had hij al geleerd Hem te aanbidden (1 Samuël 1 vers 28).

1 Samuël 8:1-22
1Het geschiedde nu, toen Samuel oud geworden was, zo stelde hij zijn zonen tot richters over Israel.2De naam van zijn eerstgeborenen zoon nu was Joel, en de naam van zijn tweeden was Abia; zij waren richters te Ber-seba.3Doch zijn zonen wandelden niet in zijn wegen; maar zij neigden zich tot de gierigheid, en namen geschenken, en bogen het recht.4Toen vergaderden zich alle oudsten van Israel, en zij kwamen tot Samuel te Rama;5En zij zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben.6Maar dit woord was kwaad in de ogen van Samuel, als zij zeiden: Geef ons een koning, om ons te richten. En Samuel bad den HEERE aan.7Doch de HEERE zeide tot Samuel: Hoor naar de stem des volks in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn.8Naar de werken, die zij gedaan hebben, van dien dag af, toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op dezen dag toe, en hebben Mij verlaten en andere goden gediend; alzo doen zij u ook.9Hoor dan nu naar hun stem; doch als gij hen op het hoogste zult betuigd hebben, zo zult gij hen te kennen geven de wijze des konings, die over hen regeren zal.10Samuel nu zeide al de woorden des HEEREN het volk aan, hetwelk een koning van hem begeerde.11En zeide: Dit zal des konings wijze zijn, die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen, dat hij hen zich stelle tot zijn wagen, en tot zijn ruiteren, dat zij voor zijn wagen henen lopen;12En dat hij hen zich stelle tot oversten der duizenden, en tot oversten der vijftigen; en dat zij zijn akker ploegen, en dat zij zijn oogst oogsten, en dat zij zijn krijgswapenen maken, mitsgaders zijn wapentuig.13En uw dochteren zal hij nemen tot apothekeressen, en tot keukenmaagden, en tot baksters.14En uw akkers, en uw wijngaarden, en uw olijfgaarden, die de beste zijn, zal hij nemen, en zal ze aan zijn knechten geven.15En uw zaad, en uw wijngaarden zal hij vertienen, en hij zal ze aan zijn hovelingen, en aan zijn knechten geven.16En hij zal uw knechten, en uw dienstmaagden, en uw beste jongelingen, en uw ezelen nemen, en hij zal zijn werk daarmede doen.17Hij zal uw kudden vertienen; en gij zult hem tot knechten zijn.18Gij zult wel te dien dage roepen, vanwege uw koning, dien gij u zult verkoren hebben, maar de HEERE zal u te dien dage niet verhoren.19Doch het volk weigerde Samuels stem te horen; en zij zeiden: Neen, maar er zal een koning over ons zijn.20En wij zullen ook zijn gelijk al de volken; en onze koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren.21Als Samuel al de woorden des volks gehoord had, zo sprak hij dezelve voor de oren des HEEREN.22De HEERE nu zeide tot Samuel: Hoor naar hun stem, en stel hun een koning. Toen zeide Samuel tot de mannen van Israel: Gaat heen, een iegelijk naar zijn stad.

De zonen van Samuël zijn, evenals de zonen van Eli, hun vader niet op zijn wegen gevolgd. Dat is een ernstige waarschuwing voor alle kinderen van gelovige ouders. Het is niet voldoende om, zoals de joden dachten, Abraham als vader te hebben om de gunst van God te kunnen genieten (vergelijk Mattheüs 3 vers 9).

Nu komt het volk bij de profeet met een verzoek waarover hij diep bedroefd wordt: het volk wil een koning hebben zoals de andere volken.

Net zo zijn als de anderen! Diep in ons hart willen wij dat soms ook graag, want we vinden het helemaal niet fijn om anders te zijn dan de mensen om ons heen. Als we niet precies zo spreken en handelen als ongelovige medemensen, heeft dat immers vaak bespotting tot gevolg. We worden niet begrepen en soms zelfs van hoogmoed beschuldigd.

En toch ..., als wij nu "kinderen Gods" zijn (1 Johannes 3 vers 2), dan is dàt juist het grote principiële verschil tussen ons en de mensen uit de wereld. Een verschil met grote gevolgen: de ongelovige wil de autoriteit van God niet accepteren, terwijl de gelovige daarentegen Jezus Christus als zijn Heere en Meester erkent.

Samuël krijgt de opdracht het volk over de wijze van regeren van de toekomstige koning te informeren. Terwijl de HEERE een Heerser was Die Zijn onderdanen met goede gaven overlaadde, zal de koning die het volk nu begeert, veeleisend zijn en ontzettend streng regeren.

1 Samuël 9:1-14
1Er was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abiel, den zoon van Zeror, den zoon van Bechorath, den zoon van Afiah, den zoon eens mans van Jemini, een dapper held.2Die had een zoon, wiens naam was Saul, een jongeman, en schoon, ja, er was geen schoner man dan hij onder de kinderen Israels; van zijn schouderen en opwaarts was hij hoger dan al het volk.3De ezelinnen nu van Kis, den vader van Saul, waren verloren; daarom zeide Kis tot zijn zoon Saul: Neem nu een van de jongens met u, en maak u op, ga heen, zoek de ezelinnen.4Hij dan ging door het gebergte van Efraim, en hij ging door het land van Salisa, maar zij vonden ze niet; daarna gingen zij door het land van Sahalim, maar zij waren er niet; verder ging hij door het land van Jemini, doch zij vonden ze niet.5Toen zij in het land van Zuf kwamen, zeide Saul tot zijn jongen, die bij hem was: Kom en laat ons wederkeren; dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate, en voor ons bekommerd zij.6Hij daarentegen zeide tot hem: Zie toch, er is een man Gods in deze stad, en hij is een geeerd man; al wat hij spreekt, dat komt zekerlijk; laat ons nu derwaarts gaan, misschien zal hij ons onzen weg aanwijzen, op denwelken wij gaan zullen.7Toen zeide Saul tot zijn jongen: Maar zie, zo wij gaan, wat zullen wij toch dien man brengen? Want het brood is weg uit onze vaten, en wij hebben geen gaven, om den man Gods te brengen; wat hebben wij?8En de jongen antwoordde Saul verder en zeide: Zie, er vindt zich in mijn hand het vierendeel eens zilveren sikkels; dat zal ik den man Gods geven, opdat hij ons onzen weg wijze.9(Eertijds zeide een ieder aldus in Israel, als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot den ziener; want die heden een profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)10Toen zeide Saul tot zijn jongen: Uw woord is goed, kom, laat ons gaan. En zij gingen naar de stad, waar de man Gods was.11Als zij opklommen door den opgang der stad, zo vonden zij maagden, die uitgingen om water te putten; en zij zeiden tot haar: Is de ziener hier?12Toen antwoordden zij hun, en zeiden: Ziet, hij is voor uw aangezicht; haast u nu, want hij is heden in de stad gekomen, dewijl het volk heden een offerande heeft op de hoogte.13Wanneer gijlieden in de stad komt, zo zult gij hem vinden, eer hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult gij hem vinden.14Alzo gingen zij op in de stad. Toen zij in het midden der stad kwamen, ziet, zo ging Samuel uit hun tegemoet, om op te gaan naar de hoogte.

Met dit hoofdstuk begint een nieuwe periode in de geschiedenis van Israël: de periode van het koningschap.

Het volk verlangde een koning. Het had behoefte aan een uiterlijke organisatie. De mens houdt van een monarchie, met al z'n pracht en praal (vergelijk Handelingen 25 vers 23), van een machtig leger, ja, van een koning waarop je trots kunt zijn.

God zal Israël geven waarnaar het verlangt. Hier vinden we Saul, de zoon van Kis. Een jongeman van de eerste klasse, de knapste en grootste in heel Israël! Is hij niet de aangewezen persoon om koning te zijn?

Z'n vader heeft hem op pad gestuurd om weggelopen ezelinnen te zoeken. Hij gehoorzaamt, maar al zijn zoeken heeft geen succes. "Kom en laat ons weerkeren", zegt hij tegen zijn metgezel.

Dat doet ons denken aan de noodzakelijke koersverandering in het leven van elk mens, de bekering. Als je ontdekt hoe teleurstellend en nutteloos het najagen van de dingen van deze wereld is, dan moet je tot jezelf komen, zoals eens die jongeman uit Lukas 15 vers 17. En dan moet je vervolgens naar het huis van je vader terugkeren.

De knecht die bij Saul is, geeft hem een goede raad: "Er is een man Gods in deze stad... laat ons nu daarheen gaan, misschien zal hij ons onze weg aanwijzen, waarop wij gaan zullen" (vers 6).

Deze "man Gods" is voor ons de Heere Jezus. Als we tot Hem gaan om de goede weg te vinden, zijn we aan het juiste adres!

1 Samuël 9:15-27
15Want de HEERE had het voor Samuels oor geopenbaard, een dag eer Saul kwam, zeggende:16Morgen omtrent dezen tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, dien zult gij ten voorganger zalven over Mijn volk Israel; en hij zal Mijn volk verlossen uit der Filistijnen hand, want Ik heb Mijn volk aangezien, dewijl deszelfs geroep tot Mij gekomen is.17Toen Samuel Saul aanzag, zo antwoordde hem de HEERE: Zie, dit is de man, van welken Ik u gezegd heb: Deze zal over Mijn volk heersen.18En Saul naderde tot Samuel in het midden der poort, en zeide: Wijs mij toch, waar is hier het huis des zieners?19En Samuel antwoordde Saul en zeide: Ik ben de ziener; ga op voor mijn aangezicht op de hoogte, dat gijlieden heden met mij eet; zo zal ik u morgen vroeg laten gaan, en alles, wat in uw hart is, zal ik u te kennen geven.20Want de ezelinnen aangaande, die gij heden den derden dag verloren hebt, zet uw hart daarop niet, want zij zijn gevonden; en wiens zal zijn al het gewenste, dat in Israel is? Is het niet van u, en van het ganse huis uws vaders?21Toen antwoordde Saul, en zeide: Ben ik niet een zoon van Jemini, van de kleinsten der stammen van Israel? en mijn geslacht is het niet het kleinste van al de geslachten van den stam van Benjamin? Waarom spreekt gij mij dan aan met zulke woorden?22Samuel dan nam Saul en zijn jongen, en hij bracht ze in de kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste der genodigden; die nu waren omtrent dertig man.23Toen zeide Samuel tot den kok: Lang dat stuk, hetwelk Ik u gegeven heb, waarvan ik tot u zeide: Zet het bij u weg.24De kok nu bracht een schouder op, met wat daaraan was, en zette het voor Saul; en hij zeide: Zie, dit is het overgeblevene; zet het voor u, eet, want het is ter bestemder tijd voor u bewaard, als ik zeide: Ik heb het volk genodigd. Alzo at Saul met Samuel op dien dag.25Daarna gingen zij af van de hoogte in de stad; en hij sprak met Saul op het dak.26En zij stonden vroeg op; en het geschiedde, omtrent den opgang des dageraads, zo riep Samuel Saul op het dak, zeggende: Sta op, en zij beiden gingen uit, hij en Samuel, naar buiten.27Toen zij afgegaan waren aan het einde der stad, zo zeide Samuel tot Saul: Zeg den jongen, dat hij voor onze aangezichten heenga; toen ging hij heen; maar sta gij als nu stil, en ik zal u Gods woord doen horen.

Samuël heeft op de HEERE gewacht, zodat Hij hem de koning kon aanwijzen. Alles wordt door God bestuurd, opdat Samuël hem zal ontmoeten.

Tijdens de feestmaaltijd waarvoor Samuël is uitgenodigd, zal Saul ervaren dat "de ziener", de profeet, hem alles wat in zijn hart is, bekend zal maken (vers 19).

Welke verlangens koesteren wij in ons hart? Verlangen we ernaar iets te zijn of grote dingen te doen? Of willen we liever in alle nederigheid de Heere Jezus in ons leven eren?

Volgens de aanwijzingen van Samuël heeft de kok het beste stuk vlees voor Saul bewaard: de schouder, een beeld van de kracht die nodig zal zijn om het volk te dragen.

Laten we er acht op slaan dat — in tegenstelling tot de twee verschillende delen voor de priester (zie Leviticus 7 vers 31 en 32) — er bij Saul geen sprake is van de borst, een beeld van de noodzakelijke toewijding van het hart om de HEERE en het volk lief te hebben. Is die niet aanwezig in het hart van Saul?

De volgende dag regelt Samuël het zo dat hij de toekomstige koning even apart kan nemen, en zegt hij tot hem: "Sta gij nu stil, en ik zal u Gods woord doen horen" (vers 27).

Dezelfde oproep komt ook tot de zondaar die zijn eigen weg gaat, om hem de noodzaak te laten inzien zich nu te bekeren en de Heere Jezus aan te nemen.

Die oproep geldt echter ook voor elke christen. Het is nodig dat wij even stilstaan om te luisteren naar wat de Heere tegen ons te zeggen heeft, vooral in de drukke tijd waarin wij leven.

1 Samuël 10:1-12
1Toen nam Samuel een oliekruik, en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Is het niet alzo, dat de HEERE u tot een voorganger over Zijn erfdeel gezalfd heeft?2Als gij heden van mij gaat, zo zult gij twee mannen vinden bij het graf van Rachel, aan de landpale van Benjamin, te Zelzah; die zullen tot u zeggen: De ezelinnen zijn gevonden, die gij zijt gaan zoeken, en zie, uw vader heeft de zaken der ezelinnen verlaten, en hij is bekommerd voor ulieden, zeggende: Wat zal ik om mijn zoon doen?3Als gij u van daar en verder aan begeeft, en zult komen tot aan Elon-Thabor, daar zullen u drie mannen vinden, opgaande tot God naar Beth-El; een, dragende drie bokjes, en een, dragende drie bollen broods, en een, dragende een fles wijn.4En zij zullen u naar uw welstand vragen, en zij zullen u twee broden geven; die zult gij van hun hand nemen.5Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden, als gij aldaar in de stad komt, zo zult gij ontmoeten een hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.6En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteren; en gij zult in een anderen man veranderd worden.7En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn.8Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen, om brandofferen te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kome, en u bekend make, wat gij doen zult.9Het geschiedde nu, toen hij zijn schouder keerde, om van Samuel te gaan, veranderde God hem het hart in een ander; en al die tekenen kwamen ten zelven dage.10Toen zij daar aan den heuvel kwamen, zie, zo kwam hem een hoop profeten tegemoet; en de Geest des HEEREN werd vaardig over hem, en hij profeteerde in het midden van hen.11En het geschiedde, als een iegelijk, die hem van te voren gekend had, zag, dat hij, ziet, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, een ieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?12Toen antwoordde een man van daar, en zeide: Wie is toch hun vader? Daarom is het tot een spreekwoord geworden: Is Saul ook onder de profeten?

Samuël vervult trouw zijn plicht, hoewel dat tevens het einde van zijn taak als richter betekent. Hij giet de olie van de koninklijke zalving uit op het hoofd van Saul. Dan wijst hij hem de weg, zoals de knecht van Saul gehoopt had (hoofdstuk 9 vers 6). Het gaat nu niet meer om de ezelinnen, want die zijn al terecht. Nee, Saul moet nu de verschillende etappes van de weg die hem zal voorbereiden op het bestijgen van de troon, afleggen.

Als eerste moet hij naar het graf van Rachel gaan; de dood betekent het einde van de menselijke natuur en al zijn voordelen. Dat is de eerste grote les voor elke jonge christen. Het graf van Rachel bevond zich echter op de plaats waar Benjamin geboren werd tot wiens stam Saul behoorde. Benjamin is een beeld van de Heere Jezus in Wie de verloste zich mag verheugen als hij de oude mens voor dood houdt.

De tweede ontmoeting vindt plaats in Elon—Thabor, met drie mannen die opgaan naar Bethel ("huis van God"). Dit spreekt ons van de aanbidding waaraan elke jonge gelovige met de twee of drie die tot de Naam van de Heere Jezus vergaderd zijn (Mattheüs 18 vers 20), mag deelnemen.

Tenslotte moet Saul in tegenwoordigheid van de vijanden en in gezelschap van de profeet, door de kracht van de Heilige Geest, een getuigenis afleggen.

Saul schijnt aan deze lessen voorbijgegaan te zijn zonder er iets van te leren, zoals uit het vervolg van zijn geschiedenis blijkt. Dat is een bewijs dat men zich onder de profeten kan bevinden (vers 12) en aan alle zegeningen van de kinderen van God deel kan hebben, zonder zelf een oprecht kind van God te zijn!

1 Samuël 10:13-27
13Toen hij nu voleind had te profeteren, zo kwam hij op de hoogte.14En Sauls oom zeide tot hem en tot zijn jongen: Waar zijt gijlieden heengegaan? Hij nu zeide: Om de ezelinnen te zoeken; toen wij zagen, dat zij er niet waren, zo kwamen wij tot Samuel.15Toen zeide Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuel ulieden gezegd?16Saul nu zeide tot zijn oom: Hij heeft ons voorzeker te kennen gegeven, dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zaak des koninkrijks, waarvan Samuel gezegd had, gaf hij hem niet te kennen.17Doch Samuel riep het volk te zamen tot den HEERE, te Mizpa.18En hij zeide tot de kinderen Israels: Alzo heeft de HEERE, de God Israel, gesproken: Ik heb Israel uit Egypte opgebracht, en Ik heb ulieden van de hand der Egyptenaren gered, en van de hand van alle koninkrijken, die u onderdrukten.19Maar gijlieden hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht des HEEREN, naar uw stammen en naar uw duizenden.20Toen nu Samuel al de stammen van Israel had doen naderen, zo is de stam van Benjamin geraakt.21Toen hij den stam van Benjamin deed aankomen naar zijn geslachten, zo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden.22Toen vraagden zij verder den HEERE, of die man nog derwaarts komen zou? De HEERE dan zeide: Ziet, hij heeft zich tussen de vaten verstoken.23Zij nu liepen, en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden des volks; en hij was hoger dan al het volk, van zijn schouder en opwaarts.24Toen zeide Samuel tot het ganse volk: Ziet gij, dien de HEERE verkoren heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het ganse volk. Toen juichte het ganse volk, en zij zeiden: de koning leve!25Samuel nu sprak tot het volk het recht des koninkrijks, en schreef het in een boek, en legde het voor het aangezicht des HEEREN. Toen liet Samuel het ganse volk gaan, elk naar zijn huis.26En Saul ging ook naar zijn huis te Gibea, en van het heir gingen met hem, welker hart God geroerd had.27Doch de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Doch hij was als doof.

Nu, nádat God hem de koning die Hij aan het volk wil geven, heeft aangewezen, roept Samuël heel Israël bij elkaar om hen de koning voor te stellen.

Toch moet bewezen worden dat deze keuze van de HEERE is, waarbij we niet moeten vergeten dat het alleen op de uitdrukkelijke wens (of moeten we zeggen: eis?) van het volk gebeurt. Daarom wordt dit voor het oog van allen door het lot bevestigd. Saul wordt aangewezen en het hele volk jubelt: "De koning leve!"

Was het een blijde feestdag? Ach nee, eerder een heel verdrietige dag in de geschiedenis van Israël! "Gij hebt heden uw God verworpen", zegt de oude profeet (vers 19).

Deze gebeurtenis herinnert ons aan een moment, vele eeuwen later, waarop datzelfde volk de Zoon van God verwierp en tegenover Pilatus verklaarde: "Wij hebben geen koning, dan de keizer" (Johannes 19 vers 15).

Volgens de gelijkenis in Lukas 19 vers 11 tot en met 27 waren de woorden van de Israëlieten: "Wij willen niet, dat deze over ons koning is" (vers 14)!

Israël heeft zijn Messias wel verhoogd, echter niet op een troon, maar aan een kruis. Het opschrift stond boven Zijn hoofd geschreven: "Jezus de Nazaréner, de Koning der joden" (Johannes 19 vers 19).

Deze verachte, bespotte en met doornen gekroonde Koning zal spoedig als "de Koning der ere" (Psalm 24 vers 10) verschijnen. En dat niet alleen als de Messias van Israël, want "Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde" (Zacharía 9 vers 10).

1 Samuël 11:1-15
1Toen toog Nahas, de Ammoniet, op, en belegerde Jabes in Gilead. En al de mannen van Jabes zeiden tot Nahas: Maak een verbond met ons, zo zullen wij u dienen.2Doch Nahas, de Ammoniet, zeide tot hen: Mits dezen zal ik een verbond met ulieden maken, dat ik u allen het rechteroog uitsteke; en dat ik deze schande op gans Israel legge.3Toen zeiden tot hem de oudsten Jabes: Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zenden in al de landpalen van Israel; is er dan niemand, die ons verlost, zo zullen wij tot u uitgaan.4Als de boden te Gibea-Sauls kwamen, zo spraken zij deze woorden voor de oren van het volk. Toen hief al het volk zijn stem op, en weende.5En ziet, Saul kwam achter de runderen uit het veld, en Saul zeide: Wat is den volke, dat zij wenen? Toen vertelden zij hem de woorden der mannen van Jabes.6Toen werd de Geest Gods vaardig over Saul, als hij deze woorden hoorde; en zijn toorn ontstak zeer.7En hij nam een paar runderen, en hieuw ze in stukken, en hij zond ze in alle landpalen van Israel door de hand der boden, zeggende: Die niet zelf uittrekt achter Saul en achter Samuel, alzo zal men zijn runderen doen. Toen viel de vreze des HEEREN op het volk, en zij gingen uit als een enig man.8En hij telde hen te Bezek; en van de kinderen Israels waren driehonderd duizend, en van de mannen van Juda dertig duizend.9Toen zeiden zij tot de boden, die gekomen waren: Aldus zult gijlieden den mannen te Jabes in Gilead zeggen: Morgen zal u verlossing geschieden, als de zon heet worden zal. Als de boden kwamen, en verkondigden dat aan de mannen te Jabes, zo werden zij verblijd.10En de mannen van Jabes zeiden: Morgen zullen wij tot ulieden uitgaan, en gij zult ons doen naar alles, wat goed is in uw ogen.11Het geschiedde nu des anderen daags, dat Saul het volk stelde in drie hopen, en zij kwamen in het midden des legers, in de morgenwake, en zij sloegen Ammon, totdat de dag heet werd; en het geschiedde, dat de overigen alzo verstrooid werden, dat er onder hen geen twee te zamen bleven.12Toen zeide het volk tot Samuel: Wie is hij, die zeide: Zou Saul over ons regeren? Geeft hier die mannen, dat wij hen doden.13Maar Saul zeide: Er zal te dezen dage geen man gedood worden, want de HEERE heeft heden een verlossing in Israel gedaan.14Verder zeide Samuel tot het volk: Komt en laat ons naar Gilgal gaan, en het koninkrijk aldaar vernieuwen.15Toen ging al het volk naar Gilgal, en maakte Saul aldaar koning voor het aangezicht des HEEREN te Gilgal; en zij offerden aldaar dankofferen voor het aangezicht des HEEREN; en Saul verheugde zich aldaar gans zeer, met al de mannen van Israel.

Het gezag van koning Saul wordt bevestigd door de overwinning op één van de vijanden van het volk. Het gaat om een bekende vijand: de Ammonieten!

Vanwege de aanmatigende houding en de vreselijke dreigementen van de Ammonieten, bevinden de bewoners van Jabes in Gilead zich in een ongelukkige en bijna hopeloze situatie. Toch zien we niet dat zij zich tot de HEERE wenden om hulp. Integendeel, ze staan op het punt om een verbond te sluiten met de vijand! Toch bevrijdt God hen in Zijn grote barmhartigheid, en wel door middel van Saul.

Het gebeuren rond deze bewoners van Jabes geeft een treffend beeld van de angst, smaad en uiteindelijk de slavernij die ieder te wachten staat die zich verbindt met de wereld en haar vorsten (zie Hebreeën 2 vers 15).

Bij Saul, de overwinnaar, zien we een paar mooie karaktertrekken. Bij de ijver en de moed die hij toonde, zien we ook nog hoe edel, royaal en mild hij handelt (vers 13), en bovendien valt een zekere bescheidenheid op. Terecht schrijft hij de overwinning toe aan de HEERE. Dit alles is een veelbelovend begin!

Hoeveel jonge mensen hebben niet evenals Saul een goed begin gemaakt! Maar bij de eerste hindernis die op hun weg kwam om hun geloof te beproeven, zijn ze gestruikeld. Waarom? Eenvoudig, omdat dit geloof waarschijnlijk helemaal nooit aanwezig is geweest!

1 Samuël 12:1-15
1Toen zeide Samuel tot gans Israel: Ziet, ik heb naar ulieder stem gehoord in alles, wat gij mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u gezet.2En nu, ziet, daar trekt de koning voor uw aangezicht heen, en ik ben oud en grijs geworden, en ziet, mijn zonen zijn bij ulieden; en ik heb voor uw aangezichten gewandeld van mijn jeugd af tot dezen dag toe.3Ziet, hier ben ik, betuigt tegen mij, voor den HEERE, en voor Zijn gezalfde, wiens os ik genomen heb, en wiens ezel ik genomen heb, en wien ik verongelijkt heb, wien ik onderdrukt heb, en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben; zo zal ik het ulieden wedergeven.4Toen zeiden zij: Gij hebt ons niet verongelijkt, en gij hebt ons niet onderdrukt, en gij hebt van niemands hand iets genomen.5Toen zeide hij tot hen: De HEERE zij een Getuige tegen ulieden, en Zijn gezalfde zij te dezen dage getuige, dat gij in mijn hand niets gevonden hebt! En het volk zeide: Hij zij Getuige!6Verder zeide Samuel tot het volk: Het is de HEERE, Die Mozes en Aaron gemaakt heeft, en Die uw vaders uit Egypteland opgebracht heeft.7En nu, stelt u hier, dat ik met ulieden rechte, voor het aangezicht des HEEREN, over al de gerechtigheden des HEEREN, die Hij aan u en aan uw vaderen gedaan heeft.8Nadat Jakob in Egypte gekomen was, zo riepen uw vaders tot den HEERE; en de HEERE zond Mozes en Aaron, en zij leidden uw vaders uit Egypte, en deden hen aan deze plaats wonen.9Maar zij vergaten den HEERE, hun God; zo verkocht Hij hen in de hand van Sisera, den krijgsoverste, te Hazor, en in de hand der Filistijnen, en in de hand van den koning der Moabieten, die tegen hen streden.10En zij riepen tot den HEERE, en zeiden: Wij hebben gezondigd, dewijl wij den HEERE verlaten, en de Baals en Astharoths gediend hebben; en nu, ruk ons uit de hand onzer vijanden, en wij zullen U dienen.11En de HEERE zond Jerubbaal, en Bedan, en Jeftha, en Samuel, en Hij rukte u uit de hand uwer vijanden rondom, alzo dat gij zeker woondet.12Als gij nu zaagt, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zeidet gij tot mij: Neen, maar een koning zal over ons regeren; zo toch de HEERE, uw God, uw Koning was.13En nu, ziet daar den koning, dien gij verkoren hebt, dien gij begeerd hebt; en ziet, de HEERE heeft een koning over ulieden gezet.14Zo gij den HEERE zult vrezen, en Hem dienen, en naar Zijn stem horen, en den mond des HEEREN niet wederspannig zijt, zo zult gijlieden, zowel gij als de koning, die over u regeren zal, achter den HEERE, uw God, zijn.15Doch zo gij naar de stem des HEEREN niet zult horen, maar den mond des HEEREN wederspannig zijn, zo zal de hand des HEEREN, tegen u zijn, als tegen uw vaders.

Voor de derde keer roept Samuël het volk bij elkaar.

Allen moeten naar Gilgal komen om het koningschap te vernieuwen (hoofdstuk 11 vers 14). Daar zal hij ook het richtersambt neerleggen. Een taak die hij trouw vervuld heeft, zoals het volk ook bevestigt.

Zijn woorden kunnen we vergelijken met de uitspraken van de apostel Paulus tegen de oudsten van Efeze (zie Handelingen 20 vers 18 tot en met 35, maar met name in de verzen 26, 27 en 33 tot en met 35). Het zijn woorden die niet bedoeld zijn om degene die ze uitspreekt, te verheerlijken, maar om aan hen die ze horen, hun eigen verantwoordelijkheid onder de aandacht te brengen.

Voor de derde keer maakt Samuël het volk opmerkzaam op het grote verlies dat het lijdt, omdat ze een koning hebben verlangd. Hij benadrukt hun ondankbaarheid en gebrek aan vertrouwen tegenover de HEERE.

De verzen 14 en 15 laten ons zien dat er nu een nieuwe beproeving voor het volk komt. Zonder de wet èn onder de wet, in de woestijn èn in het land, met èn zonder richter (of priester), telkens weer heeft het volk gefaald door de HEERE te verlaten, eigen begeerten te volgen en afgoden na te lopen!

Het is net alsof God hun nu zegt: 'Jullie willen een koning? Nu, goed dan! We zullen eens zien of het jullie met een koning beter vergaat!'

God staat hen in Zijn geduld en barmhartigheid deze nieuwe ervaring toe. En wat is het resultaat?

1 Samuël 12:16-25; 1 Samuël 13:1-5
16Ook stelt u nu hier, en ziet die grote zaak, die de HEERE voor uw ogen doen zal.17Is het niet vandaag de tarweoogst? Ik zal tot den HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven; zo weet dan, en ziet, dat uw kwaad groot is, dat gij voor de ogen des HEEREN gedaan hebt, dat gij een koning voor u begeerd hebt.18Toen Samuel den HEERE aanriep, zo gaf de HEERE donder en regen te dien dage; daarom vreesde al het volk zeer den HEERE en Samuel.19En al het volk zeide tot Samuel: Bid voor uw knechten den HEERE, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een kong begeerd hebben.20Toen zeide Samuel tot het volk: Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; doch wijkt niet van achter den HEERE af, maar dient den HEERE met uw ganse hart.21En wijkt niet af; want gij zoudt de ijdelheden na volgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.22Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, om Zijns groten Naams wil, dewijl het den HEERE beliefd heeft, ulieden Zich tot een volk te maken.23Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik tegen den HEERE zou zondigen, dat ik zou aflaten voor ulieden te bidden; maar ik zal u den goeden en rechten weg leren.24Vreest slechts den HEERE, en dient Hem trouwelijk met uw ganse hart; want ziet, hoe grote dingen Hij bij ulieden gedaan heeft!25Maar indien gij voortaan kwaad doet, zo zult gijlieden, als ook uw koning, omkomen.
1Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israel.2Toen verkoos zich Saul drie duizend mannen uit Israel; en er waren bij Saul twee duizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibea-Benjamins; en het overige des volks liet hij gaan, een iegelijk naar zijn tent.3Doch Jonathan sloeg de bezetting der Filistijnen, die te Geba was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het ganse land, zeggende: Laat het de Hebreen horen.4Toen hoorde het ganse Israel zeggen: Saul heeft de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israel stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het volk samengeroepen achter Saul, naar Gil-gal.5En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israel, dertig duizend wagens, en zes duizend ruiters, en volk in menigte als het zand, dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas, tegen het oosten van Beth-Aven.

De donder en regen die na het gebed van Samuël neervalt tijdens de tarweoogst (een tijd waarin het daar normaal gesproken nooit regent; vergelijk Spreuken 26 vers 1), waren een wonder. Een wonder om te bewijzen dat de profeet inderdaad in opdracht van de HEERE sprak.

En wat zegt hij nog meer? Nadat het volk zich verootmoedigd heeft, vermaant hij het op aangrijpende wijze zich met hun hele hart af te keren van de ijdelheden die geen voordeel brengen, en God te dienen (vers 20 en 21; vergelijk Titus 2 vers 12 tot en met 14).

De dienst van Samuël als richter is ten einde. Maar hij gaat door met zijn taak als voorspraak en profeet om hen in opdracht van de HEERE "de goede en rechte weg" te leren (vers 23).

De Goddelijke genade blijft dit dubbele voorrecht — het gebed en het Woord van God — aan het volk geven in de persoon van Samuël.

Als geliefde kinderen van God bezitten wij een Persoon Die nog veel heerlijker is. De Heere Jezus zal zolang wij hier op aarde zijn, altijd voor ons bidden. En om ons de goede en rechte weg te wijzen, geeft Hij ons Zijn Geest en Zijn Woord.

Met deze 'hulpmiddelen' zijn wij nog veel minder te verontschuldigen dan het volk Israël, als wij niet tot Zijn eer en verheerlijking onze weg gaan!

De regering van Saul begint. Hij laat het volk ten overstaan
van zijn vijanden, de Filistijnen, in Gilgal bij elkaar komen.

1 Samuël 13:6-23
6Toen de mannen van Israel zagen, dat zij in nood waren (want het volk was benauwd), zo verborg zich het volk in de spelonken, en in de doornbossen, en in de steenklippen, en in de vestingen, en in de putten.7De Hebreen nu gingen over de Jordaan in het land van Gad en Gilead. Toen Saul nog zelf te Gilgal was, zo kwam al het volk bevende achter hem.8En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuel bestemd had. Als Samuel te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.9Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer.10En het geschiedde, toen hij geeindigd had het brandoffer te offeren, ziet, zo kwam Samuel; en Saul ging uit hem tegemoet, om hem te zegenen.11Toen zeide Samuel: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zag, dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamt, en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren,12Zo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gilgal, en ik heb het aangezicht des HEEREN niet ernstelijk aangebeden, zo dwong ik mijzelven, en heb brandoffer geofferd.13Toen zeide Samuel tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de HEERE zou nu uw rijk over Israel bevestigd hebben tot in eeuwigheid.14Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.15Toen maakte zich Samuel op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea-Benjamins; en Saul telde het volk, dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man.16En Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk, dat bij hen gevonden was, bleven te Gibea-Benjamins; maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.17En de verdervers gingen uit het leger der Filistijnen, in drie hopen; de ene hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual;18En een hoop keerde zich naar den weg van Beth-horon; en een hoop keerde zich naar den weg der landpale, die naar het dal Zeboim naar de woestijn uitziet.19En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israel; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreen geen zwaard noch spies maken.20Daarom moest gans Israel tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer, of zijn spade, of zijn bijl, of zijn houweel scherpen liet.21Maar zij hadden tandige vijlen tot hun houwelen, en tot hun spaden, en tot de drietandige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen.22En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand van het ganse volk, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch bij Saul en bij Jonathan, zijn zoon, werden zij gevonden.23En der Filistijnen leger toog naar den doortocht van Michmas.

De situatie is kritiek. Eigenlijk kan het niet erger worden. Talrijk als het zand aan de oever van de zee (vers 5), zó zijn de Filistijnen opgetrokken. Ze verdelen zich in drie groepen om het land te verwoesten (vers 17 en 18). Voor Israël betekent dit: Redde wie zich redden kan!

Slechts een paar honderd mannen volgen, al bevende, koning Saul. Ze hebben zelfs geen wapens meer om zich te verdedigen. Voor het smeden van wapens is het volk namelijk afhankelijk van de vijand.

Nu begint Saul ook bang te worden. Samuël die bij hem zou komen in Gilgal (hoofdstuk 10 vers 8), is er nog niet, hoewel de afgesproken tijd is aangebroken. Gedurende deze periode van wachten verlaat het ontmoedigde volk Saul en verspreidt zich. Het aantal strijders wordt steeds kleiner.

De koning verliest zijn geduld. Komt Samuël nu nog niet? Nu, daaraan zal het niet liggen! Dan brengt hij toch zelf het offer! Deze ontwijdende daad is nog niet volbracht of de profeet verschijnt ten tonele.

"Wat hebt gij gedaan?", roept hij verslagen uit. Tevergeefs probeert Saul zich te rechtvaardigen. "Gij hebt dwaas gedaan", antwoordt Samuël. En hij maakt hem het besluit van de HEERE bekend: Saul's koningschap zal niet blijven bestaan, zijn zoon zal niet na hem op de troon zitten.

Ongeduld - we kennen het zelf maar al te goed! - is de werking van het vlees dat niet kan wachten. Het geloof daarentegen volhardt; het wacht, totdat Gods tijd gekomen is (zie Jakobus 1 vers 4).

1 Samuël 14:1-10
1Het geschiedde nu op een dag, dat Jonathan, de zoon van Saul, tot den jongen, die zijn wapenen droeg, zeide: Kom, en laat ons tot de bezetting der Filistijnen overgaan, welke aan gene zijde is; doch hij gaf het zijn vader niet te kennen.2Saul nu zat aan het uiterste van Gibea onder den granatenboom, die te Migron was; en het volk, dat bij hem was, was omtrent zeshonderd man.3En Ahia, de zoon van Ahitub, den broeder van Ikabod, den zoon van Pinehas, den zoon van Eli, was priester des HEEREN, te Silo, dragende den efod; doch het volk wist niet, dat Jonathan heengegaan was.4Er was nu tussen de doortochten, waar Jonathan zocht door te gaan tot der Filistijnen bezetting, een scherpte van een steenklip aan deze zijde, en een scherpte van een steenklip aan gene zijde; en de naam der ene was Bozes, en de naam der andere Sene.5De ene tand was gelegen tegen het noorden, tegenover Michmas, en de andere tegen het zuiden, tegenover Geba.6Jonathan nu zeide tot den jongen, die zijn wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting dezer onbesnedenen overgaan; misschien zal de HEERE voor ons werken; want bij den HEERE is geen verhindering, om te verlossen door velen of door weinigen.7Toen zeide zijn wapendrager tot hem: Doe al, wat in uw hart is; wend u, zie ik ben met u, naar uw hart.8Jonathan nu zeide: Zie, wij zullen overgaan tot die mannen, en wij zullen ons aan hen ontdekken.9Indien zij aldus tot ons zeggen: Staat stil, totdat wij aan ulieden komen; zo zullen wij blijven staan aan onze plaats, en tot hen niet opklimmen.10Maar zeggen zij aldus: Klimt tot ons op; zo zullen wij opklimmen, want de HEERE heeft hen in onze hand gegeven; en dit zal ons een teken zijn.

In hoofdstuk 13 hebben we gezien dat het vlees niet kan wachten met handelen tot het moment dat God daartoe aanwijst. Daarentegen laat het hoofdstuk van vandaag ons zien wat het geloof tot stand kan brengen.

Saul heeft alle menselijke hulpmiddelen tot zijn beschikking. De officiële macht van Israël zit daar onder de granaatappelboom in Gíbea. Maar het geloof, een persoonlijk geloof, vinden we bij Jónathan en zijn begeleider. Zij weten dat er alleen hulp te vinden is in God Die zij als Redder kennen (vers 6).

Dit tweevoudige beeld herinnert ons aan de christenheid van vandaag. De grote kerken menen dat zij alleen maar geestelijke autoriteit bezitten. Zij zien zichzelf als onmisbare schakels tussen God en mensen. Maar de Heere kent hen die de Zijnen zijn, en aan hen belooft Hij Zijn steun. Aan hen geeft Hij het voorrecht Zijn gedachten te begrijpen en te genieten van Zijn tegenwoordigheid, buiten alle door mensen gecontroleerde organisaties om.

Puur menselijk gezien was het waaghalzerij wat Jónathan, gevolgd door zijn wapendrager, wil doen en ook doet. De machtige Filistijnen hadden immers alle strategische posten bezet!

Maar Jónathan rekent op God en verwacht van Hem een teken om te gaan. Dat is een prachtig voorbeeld voor ons. En wat een tegenstelling zien we tussen Jónathan en zijn eigen vader in het vorige hoofdstuk!

1 Samuël 14:11-22
11Toen zij beiden zich aan der Filistijnen bezetting ontdekten, zo zeiden de Filistijnen: Ziet, de Hebreen zijn uit de holen uitgegaan, waarin zij zich verstoken hadden.12Verder antwoordden de mannen der bezetting aan Jonathan en zijn wapendrager, en zeiden: Klimt op tot ons, en wij zullen het u wijs maken. En Jonathan zeide tot zijn wapendrager: Klim op achter mij, want de HEERE heeft hen gegeven in de hand van Israel.13Toen klom Jonathan op zijn handen en op zijn voeten, en zijn wapendrager hem na; en zij vielen voor Jonathans aangezicht, en zijn wapendrager doodde ze achter hem.14Deze eerste slag nu, waarmede Jonathan en zijn wapendrager omtrent twintig mannen versloegen, geschiedde omtrent in de helft eens bunders, zijnde een juk ossen lands.15En er was een beving in het leger, op het veld en onder het ganse volk; de bezetting en de verdervers beefden ook zelven; ja, het land werd beroerd, want het was een beving Gods.16Als nu de wachters van Saul te Gibea-Benjamins zagen, dat, ziet, de menigte versmolt, en doorging, en geklopt werd;17Toen zeide Saul tot het volk, dat bij hem was: Telt toch, en beziet, wie van ons weggegaan zijn. En zij telden, en ziet, Jonathan en zijn wapendrager waren daar niet.18Toen zeide Saul tot Ahia: Breng de ark Gods herwaarts. Want de ark Gods was te dien dage bij de kinderen Israels.19En het geschiedde, toen Saul nog tot den priester sprak, dat het rumoer, hetwelk in der Filistijnen leger was, zeer toenam en vermenigvuldigde; zo zeide Saul tot den priester: Haal uw hand in.20Saul nu, en al het volk, dat bij hem was, werd samengeroepen, en zij kwamen ten strijde; en ziet, het zwaard des enen was tegen den anderen, er was een zeer groot gedruis.21Er waren ook Hebreen bij de Filistijnen, als eertijds, die met hen in het leger opgetogen waren rondom; dezen nu vervoegden zich ook met de Israelieten, die bij Saul en Jonathan waren.22Als alle mannen van Israel, die zich verstoken hadden in het gebergte van Efraim, hoorden, dat de Filistijnen vluchtten, zo kleefden zij ook hen achteraan in den strijd.

Vanaf hun veilige posten boven op de berg zien de wachtposten van de Filistijnen de beide jonge Israëlieten aankomen.

Ze laten zich deze prachtige kans om hen belachelijk te maken, niet ontnemen. "Klimt op tot ons", roepen ze vol minachting.

Ze weten niet dat zij juist door dit te zeggen, aan deze beide dappere mannen het teken geven dat zij van de HEERE verwachten. De Filistijnen geven zó, zonder dat zij het zelf weten, het signaal tot hun eigen vernietiging.

Het geloof weet niet alleen te wachten, maar waagt het ook voorwaarts te gaan en te strijden als God dat zegt.

Met moed beklimmen de twee strijders de berg en bereiken de top. Ze denken niet aan het gevaar dat zij daarbij lopen, maar alleen aan de Goddelijke macht. En Hij brengt de vijanden van Israël voor hen ten val.

De spot van daarnet heeft plaatsgemaakt voor de angst die hand over hand toeneemt in de legerplaats van de Filistijnen. In blinde waanzin beginnen ze elkaar onderling uit te roeien, terwijl de Hebreeërs moed krijgen en van verschillende kanten komen om zich opnieuw bij elkaar te voegen.

Op deze manier kan een klein begin dat door het geloof wordt bewerkt, grote gevolgen hebben.

Als wij trouw zijn, kan God onze kleine overwinningen gebruiken om gelovigen in onze omgeving te bemoedigen en te versterken!

1 Samuël 14:23-34
23Alzo verloste de HEERE Israel te dien dage; en het leger trok over naar Beth-Aven.24En de mannen van Israel werden mat te dien dage; want Saul had het volk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die spijze eet tot aan den avond, opdat ik mij aan mijn vijanden wreke! Daarom proefde dat ganse volk geen spijs.25En het ganse volk kwam in een woud; en daar was honig op het veld.26Toen het volk in het woud kwam, ziet, zo was er een honigvloed; maar niemand raakte met zijn hand aan zijn mond, want het volk vreesde de bezwering.27Maar Jonathan had het niet gehoord, toen zijn vader het volk bezworen had, en hij reikte het einde van den staf uit, die in zijn hand was, en hij doopte denzelven in een honigraat; als hij nu zijn hand tot zijn mond wendde, zo werden zijn ogen verlicht.28Toen antwoordde een man uit het volk, en zeide: Uw vader heeft het volk zwaarlijk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die heden brood eet! Daarom bezwijkt het volk.29Toen zeide Jonathan: Mijn vader heeft het land beroerd; zie toch, hoe mijn ogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van dezen honig gesmaakt heb;30Hoe veel meer, indien het volk heden had mogen vrijelijk eten van den buit zijner vijanden, dien het gevonden heeft! Maar nu is die slag niet groot geweest over de Filistijnen.31Doch zij sloegen te dien dage de Filistijnen van Michmas tot Ajalon; en het volk was zeer moede.32Toen maakte zich het volk aan den buit, en zij namen schapen, en runderen, en kalveren, en zij slachtten ze tegen de aarde; en het volk at ze met het bloed.33En men boodschapte het Saul, zeggende: Zie, het volk verzondigt zich aan den HEERE, etende met het bloed. En hij zeide: Gij hebt trouwelooslijk gehandeld; wentelt heden een groten steen tot mij.34Verder sprak Saul: Verstrooit u onder het volk, en zegt tot hen: Brengt tot mij een iegelijk zijn os, en een iegelijk zijn schaap, en slacht het hier, en eet, en bezondigt u niet aan den HEERE, die etende met het bloed. Toen bracht al het volk een iegelijk zijn os met zijn hand, des nachts, en slachtte ze aldaar.

Er heerst totale verwarring onder de Filistijnen. Saul en het gezamenlijke volk vervolgen hen nu om hen totaal te vernietigen.

Toch zijn de Israëlieten niet bezield met dezelfde kracht als Gideon eens met zijn begeleiders in soortgelijke omstandigheden. Zij vervolgden toen de Midianieten zelfs nog toen ze vermoeid waren! (Richteren 8 vers 4 en vergelijk hoofdstuk 7 vers 6)!

Saul heeft het volk echter verboden om zich te versterken en voedsel te eten. Dit verbod geldt zelfs voor de hele dag, ondanks alle inspanningen die ze moeten leveren!

Dit verbod is het resultaat van een menselijke gedachtengang. Het doet ons denken aan veel menselijke 'uitvindingen' op religieus gebied.

Zoiets heeft alleen maar verdrietige gevolgen. Ten eerste is de nederlaag van de Filistijnen niet zó groot als ze geweest had kunnen zijn wanneer de mannen van het leger van Israël meer kracht hadden gehad.

En als de mannen 's avonds eindelijk eten tot zich mogen nemen, hebben ze vanwege hun honger zo'n haast dat ze het vlees van de geslachte dieren met het bloed erbij opeten. Daarmee begaan ze een doodzonde (Leviticus 17 vers 10 tot en met 14).

Deze ongehoorzaamheid tegenover de HEERE was veel erger dan de overtreding van het gebod van Saul!

1 Samuël 14:35-52
35Toen bouwde Saul den HEERE een altaar; dit was het eerste altaar, dat hij den HEERE bouwde.36Daarna zeide Saul: Laat ons aftrekken de Filistijnen na, bij nacht, en laat ons dezelve beroven, totdat het morgen licht worde, en laat ons niet een man onder hen overig laten. Zij nu zeiden: Doe al wat goed is in uw ogen; maar de priester zeide: Laat ons herwaarts tot God naderen.37Toen vraagde Saul God: Zal ik aftrekken de Filistijnen na? Zult Gij ze in de hand van Israel overgeven? Doch Hij antwoordde hem niet te dien dage.38Toen zeide Saul: Komt herwaarts uit alle hoeken des volks, en verneemt, en ziet, waarin deze zonde heden geschied zij.39Want zo waarachtig als de HEERE leeft, Die Israel verlost, alware het in mijn zoon Jonathan, zo zal hij den dood sterven; en niemand uit het ganse volk antwoordde hem.40Verder zeide hij tot het ganse Israel: Gijlieden zult aan de ene zijde zijn, en ik en mijn zoon Jonathan zullen aan de andere zijde zijn. Toen zeide het volk tot Saul: Doe, wat goed is in uw ogen.41Saul nu sprak tot den HEERE, den God Israels: Toon den onschuldige. Toen werd Jonathan en Saul geraakt, en het volk ging vrij uit.42Toen zeide Saul: Werpt het lot tussen mij en tussen mijn zoon Jonathan. Toen werd Jonathan geraakt.43Saul dan zeide tot Jonathan: Geef mij te kennen, wat gij gedaan hebt. Toen gaf het Jonathan hem te kennen, en zeide: Ik heb maar een weinig honigs geproefd, met het uiterste des stafs, dien ik in mijn hand had; zie hier ben ik, moet ik sterven?44Toen zeide Saul: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, Jonathan! gij moet den dood sterven.45Maar het volk zeide tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israel gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als de HEERE leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Alzo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.46Saul nu toog op van achter de Filistijnen, en de Filistijnen trokken aan hun plaats.47Toen nam Saul het koninkrijk over Israel in; en hij streed rondom tegen al zijn vijanden, tegen Moab, en tegen de kinderen Ammons, en tegen Edom, en tegen de koningen van Zoba, en tegen de Filistijnen; en overal, waar hij zich wendde, oefende hij straf.48En hij handelde dapper, en hij sloeg de Amalekieten, en hij redde Israel uit de hand desgenen, die hem beroofde.49De zonen van Saul nu waren: Jonathan, en Isvi, en Malchi-sua; en de namen zijner twee dochteren waren deze: de naam der eerstgeborenen was Merab, en de naam der kleinste Michal.50En de naam van Sauls huisvrouw was Ahinoam, een dochter van Ahimaaz; en de naam van zijn krijgsoverste was Abner, een zoon van Ner, Sauls oom.51En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon van Abiel.52En er was een sterke krijg tegen de Filistijnen al de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen, die Saul zag, die vergaderde hij tot zich.

Laten we goed op onze woorden letten en vooral voorzichtig zijn om iets te beloven. Het is niet goed om een belofte te doen en die niet te houden. Het is beter om in zo'n geval niets te beloven.

Gisteren hebben we gezien welke ongelukkige gevolgen de ondoordachte eed van Saul had. Hij heeft zijn leger onnodig verzwakt, daardoor de totale achtervolging en vernietiging van de vijand verhinderd en het volk er in zekere zin toe gebracht het verbod om bloed te eten, te overtreden.

Een laatste gevolg — dat echter evenmin de ogen van de arme koning opent — is de veroordeling van uitgerekend de enige man die geloof getoond had: de dappere Jónathan.

Hij raakt in levensgevaar, niet van de kant van de Filistijnen, maar van zijn eigen vader! We begrijpen wel dat satan zelf hier achter steekt. Op deze manier probeert hij zich van de man Gods te ontdoen. Maar de HEERE laat het niet toe en maakt gebruik van het volk om Jónathan te redden.

Deze gebeurtenis lijkt op de situatie die volgde op de nederlaag van Ai (zie Jozua 7). Maar hier is het hele onrecht aan de kant van Saul wiens dwaasheid en blinde hoogmoed aan iedereen openbaar wordt.

Saul is helemaal niet van plan om in het vervolg op de HEERE te rekenen Die uiteindelijk de overwinning had gegeven, maar vertrouwt verder op het vlees door alle strijdbare en dappere mannen tot zijn lijfwacht te maken.

1 Samuël 15:1-16
1Toen zeide Samuel tot Saul: de HEERE heeft mij gezonden, dat ik u ten koning zalfde over Zijn volk, over Israel; hoor dan nu de stem van de woorden des HEEREN.2Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb bezocht, hetgeen Amalek aan Israel gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op den weg, toen hij uit Egypte opkwam.3Ga nu heen, en sla Amalek, en verban alles, wat hij heeft, en verschoon hem niet; maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezelen toe.4Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde hen te Telaim, tweehonderd duizend voetvolks, en tien duizend mannen van Juda.5Als Saul tot aan de stad Amalek kwam, zo legde hij een achterlage in het dal.6En Saul liet den Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden der Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want gij hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen Israels, toen zij uit Egypte opkwamen. Alzo weken de Kenieten uit het midden der Amalekieten.7Toen sloeg Saul de Amalekieten van Havila af, tot daar gij komt te Sur, dat voor aan Egypte is.8En hij ving Agag, den koning der Amalekieten, levend; maar al het volk verbande hij door de scherpte des zwaards.9Doch Saul en het ganse volk verschoonde Agag, en de beste schapen, en runderen, en de naast beste, en de lammeren, en al wat best was, en zij wilden ze niet verbannen; maar alle ding, dat verachtzaam, en dat verdwijnende was, verbanden zij.10Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Samuel, zeggende:11Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning gemaakt heb, dewijl hij zich van achter Mij afgekeerd heeft, en Mijn woorden niet bevestigd heeft. Toen ontstak Samuel, en hij riep tot den HEERE den gansen nacht.12Daarna maakte zich Samuel des morgens vroeg op, Saul tegemoet; en het werd Samuel geboodschapt, zeggende: Saul is te Karmel gekomen, en zie, hij heeft zich een pilaar gesteld; daarna is hij omgetogen, en doorgetrokken, en naar Gilgal afgekomen.13Samuel nu kwam tot Saul, en Saul zeide tot hem: Gezegend zijt gij den HEERE! Ik heb des HEEREN woord bevestigd.14Toen zeide Samuel: Wat is dan dit voor een stem der schapen in mijn oren, en een stem der runderen, die ik hoor?15Saul nu zeide: Zij hebben ze van de Amalekieten gebracht, want het volk heeft de beste schapen en runderen verschoond, om den HEERE, uw God, te offeren; maar het overige hebben wij verbannen.16Toen zeide Samuel tot Saul: Houd op, zo zal ik u te kennen geven, wat de HEERE van nacht tot mij gesproken heeft. Hij dan zeide tot hem: Spreek.

Dit vijftiende hoofdstuk is in tweeërlei opzicht belangrijk. Aan de ene kant vinden we hier het Goddelijke oordeel over Amalek en aan de andere kant de definitieve beproeving van koning Saul.

Amalek, de laffe en gruwelijke tegenstander, had Israël overvallen, zodra het uit Egypte was getrokken. Dit kwaad kon hem niet vergeven worden.

De HEERE had gezegd dat Hij "de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel" (Exodus 17 vers 8 en 14). Vierhonderd jaren waren voorbijgegaan, maar God had dit niet vergeten. "De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan" (Mattheüs 24 vers 35).

Het volk Israël had het evenmin moeten vergeten: "Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, toen gij uit Egypte uittrok ...", had Mozes eens gezegd, "... dat gij de gedachtenis van Amalek van onder de hemel zult uitdelgen; vergeet het niet!" (Deuteronomium 25 vers 17 tot en met 19).

Laten wij de vijanden die ons eens met hun listen overrompelden of probeerden te overrompelen, ook niet vergeten. Wie zijn dat dan? Toorn, leugen, onreinheid ...of welke zonde dan ook.

Als wij niet meer zo waakzaam zijn wat deze werken van het vlees betreft, moeten we misschien een les die we al eens geleerd hebben en waarvoor we al veel betaald hebben, overdoen. Dat is altijd pijnlijk. Laten we onszelf daarom niet ontzien en alles wat zich nog van de oude natuur openbaart, volkomen veroordelen.

1 Samuël 15:17-35
17En Samuel zeide: Is het niet alzo, toen gij klein waart in uw ogen, dat gij het hoofd der stammen van Israel geworden zijt, en dat u de HEERE tot koning over Israel gezalfd heeft?18En de HEERE heeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga heen en verban de zondaars, de Amalekieten, en strijd tegen hen, totdat gij dezelve te niet doet.19Waarom toch hebt gij naar de stem des HEEREN niet gehoord, maar zijt tot den roof gevlogen, en hebt gedaan dat kwaad was in de ogen des HEEREN?20Toen zeide Saul tot Samuel: Ik heb immers naar de stem des HEEREN gehoord, en heb gewandeld op den weg, op denwelken mij de HEERE gezonden heeft; en ik heb Agag, den koning der Amalekieten, mede gebracht, maar de Amalekieten heb ik verbannen.21Het volk nu heeft genomen van den roof, schapen en runderen, het voornaamste van het verbannene, om den HEERE, uw God, op te offeren te Gilgal.22Doch Samuel zeide: Heeft de HEERE lust aan brandofferen, en slachtofferen, als aan het gehoorzamen van de stem des HEEREN? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen.23Want wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst. Omdat gij des HEEREN woord verworpen hebt, zo heeft Hij u verworpen, dat gij geen koning zult zijn.24Toen zeide Saul tot Samuel: Ik heb gezondigd, omdat ik des HEEREN bevel en uw woorden overtreden heb; want ik heb het volk gevreesd en naar hun stem gehoord.25Nu dan, vergeef mij toch mijn zonde, en keer met mij wederom, dat ik den HEERE aanbidde.26Doch Samuel zeide tot Saul: Ik zal met u niet wederkeren; omdat gij het woord des HEEREN verworpen hebt, zo heeft u de HEERE verworpen, dat gij geen koning over Israel zult zijn.27Als zich Samuel omkeerde om weg te gaan, zo greep hij een slip van zijn mantel en zij scheurde.28Toen zeide Samuel tot hem: De HEERE heeft heden het koninkrijk van Israel van u afgescheurd, en heeft het aan uw naaste gegeven, die beter is dan gij.29En ook liegt Hij, Die de Overwinning van Israel is, niet, en het berouwt Hem niet; want Hij is geen mens, dat Hem iets berouwen zou.30Hij dan zeide: Ik heb gezondigd; eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israel; en keer wederom met mij, dat ik den HEERE, uw God, aanbidde.31Toen keerde Samuel wederom Saul na; en Saul aanbad den HEERE.32Toen zeide Samuel: Breng Agag, den koning der Amalekieten, hier tot mij; Agag nu ging tot hem weeldelijk; en Agag zeide: Voorwaar, de bitterheid des doods is geweken!33Maar Samuel zeide: Gelijk als uw zwaard de vrouwen van haar kinderen beroofd heeft, alzo zal uw moeder van haar kinderen beroofd worden onder de vrouwen. Toen hieuw Samuel Agag in stukken, voor het aangezicht des HEEREN te Gilgal.34Daarna ging Samuel naar Rama; en Saul ging op naar zijn huis te Gibea-Sauls.35En Samuel zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe; evenwel droeg Samuel leed om Saul; en het berouwde den HEERE, dat Hij Saul tot koning over Israel gemaakt had.

Samuël heeft een kwellende nacht achter de rug die hem zeker aan een andere nacht zal hebben herinnerd: de nacht waarin God hem openbaarde dat hij het oordeel over het huis van Eli moest aankondigen (zie hoofdstuk 3).

Saul heeft de vernietiging van Amalek niet ten volle uitgevoerd en moet daarom als koning verworpen worden. Een ongehoorzame koning kan zijn volk slechts tot ongehoorzaamheid leiden. Daarom moet hem de macht ontnomen worden.

"Gehoorzamen is beter dan slachtoffer" (vers 22). De prachtigste daad in ons leven is waardeloos als zij niet in gehoorzaamheid aan God wordt volbracht!

Dit vers heeft betrekking op alle werken waarmee de christenheid tevergeefs probeert God tevreden te stellen, in plaats van eenvoudig naar Zijn Woord te luisteren en het aan te nemen.

Hier lezen we dat gehoorzamen beter is dan slachtoffers. Maar hetzelfde wordt ook gezegd van weldadigheid en de kennis van God (Hoséa 6 vers 6), van gerechtigheid en recht (Spreuken 21 vers 3), van een gebroken geest (Psalm 51 vers 18 en 19), van barmhartigheid (Mattheüs 9 vers 13 als citaat van Hoséa 6 vers 6) en van de liefde (Markus 12 vers 33).

Let op Saul! Wat het vlees nog meer bij hem voortbrengt, behalve ongehoorzaamheid, is een hoge dunk van zichzelf (vers 20), leugen en beschuldiging van anderen (vers 15 en 21), eigenzinnigheid, geen oprecht berouw en bovenal het verlangen naar ijdel aanzien (vers 30). Wat een triest beeld!

1 Samuël 16:1-13
1Toen zeide de HEERE tot Samuel: Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israel? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isai, den Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien.2Maar Samuel zeide: Hoe zou ik heengaan? Saul zal het toch horen en mij doden. Toen zeide de HEERE: Neem een kalf van de runderen met u, en zeg: Ik ben gekomen, om den HEERE offerande te doen.3En gij zult Isai ten offer nodigen, en Ik zal u te kennen geven, wat gij doen zult, en gij zult Mij zalven, dien Ik u zeggen zal.4Samuel nu deed, hetgeen de HEERE gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten der stad bevende hem tegemoet, en zeiden: Is uw komst met vrede?5Hij dan zeide: Met vrede; ik ben gekomen om den HEERE offerande te doen; heiligt u, en komt met mij ten offer; en hij heiligde Isai en zijn zonen, en hij nodigde hen ten offer.6En het geschiedde, toen zij inkwamen, zo zag hij Eliab aan, en dacht: Zekerlijk, is deze voor den HEERE, Zijn gezalfde.7Doch de HEERE zeide tot Samuel: Zie zijn gestalte niet aan, noch de hoogte zijner statuur, want Ik heb hem verworpen; want het is niet gelijk de mens ziet; want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.8Toen riep Isai Abinadab, en hij deed hem voorbij het aangezicht van Samuel gaan; doch hij zeide: Dezen heeft de HEERE ook niet verkoren.9Daarna liet Isai Samma voorbijgaan; doch hij zeide: Dezen heeft de HEERE ook niet verkoren.10Alzo liet Isai zijn zeven zonen voorbij het aangezicht van Samuel gaan; doch Samuel zeide tot Isai: De HEERE heeft dezen niet verkoren.11Voorts zeide Samuel tot Isai: Zijn dit al de jongelingen? En hij zeide: De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuel nu zeide tot Isai: Zend heen en laat hem halen; want wij zullen niet rondom aanzitten, totdat hij hier zal gekomen zijn.12Toen zond hij heen, en bracht hem in; hij nu was roodachtig, mitsgaders schoon van ogen en schoon van aanzien; en HEERE zeide: Sta op, zalf hem, want deze is het.13Toen nam Samuel den oliehoorn, en hij zalfde hem in het midden zijner broederen. En de Geest des HEEREN werd vaardig over David van dien dag af en voortaan. Daarna stond Samuel op, en hij ging naar Rama.

In de gedachten van God is de vleselijke koning Saul al terzijde gesteld, hoewel zijn regering nog een aantal jaren voortduurt.

Een andere koning komt naar voren van wie Samuël gezegd heeft: "De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart" (hoofdstuk 13 vers 14). Het is David wiens naam 'geliefde' betekent. Hij is een beeld van Christus Die volmaakt naar het hart van God is.

Samuël was in eerste instantie niet bereid dat te erkennen, want ondanks de ervaringen die hij met Saul had opgedaan, zag Samuël nog op uiterlijke dingen. Ook wij zijn geneigd de dingen te beoordelen naar hetgeen wij zien. Uiterlijke bekwaamheden (of gebreken) hebben immers vaak een grote invloed op de vorming van onze mening. Maar "God neemt de persoon des mensen niet aan", zegt Galaten 2 vers 6. God ziet wat in het hart is! Geen enkele schijn van vroomheid waarmee wij onszelf en anderen vaak voor de gek houden, kan God bedriegen.

Samuël bezoekt het gezin van Isaï. En het is de jongste zoon, de jonge herder, van wie gedacht werd dat hij niet bij het feest hoefde te zijn, die "in het midden van zijn broeders" tot koning wordt gezalfd.

Deze zalving met olie (een beeld van de Heilige Geest) herinnert ons eraan hoe de Heere Jezus, de Geliefde van de Vader, bij de Jordaan geopenbaard werd aan Johannes de Doper: "Op Wie gij de Geest zult zien neerdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met de Heilige Geest doopt" (Johannes 1 vers 33; vergelijk 1 Samuël 16 vers 12).

1 Samuël 16:14-23
14En de Geest des HEEREN week van Saul; en een boze geest van den HEERE verschrikte hem.15Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een boze geest Gods verschrikt u.16Onze heer zegge toch tot uw knechten, die voor uw aangezicht staan, dat zij een man zoeken, die op de harp spelen kan; en het zal geschieden, als de boze geest Gods op u is, dat hij met zijn hand spele, dat het beter met u worde.17Toen zeide Saul tot zijn knechten: Ziet mij toch naar een man uit, die wel spelen kan, en brengt hem tot mij.18Toen antwoordde een van de jongelingen, en zeide: Zie, ik heb gezien een zoon van Isai, den Bethlehemiet, die spelen kan, en hij is een dapper held, en een krijgsman, en verstandig in zaken, en een schoon man, en de HEERE is met hem.19Saul nu zond boden tot Isai, en zeide: Zend uw zoon David tot mij, die bij de schapen is.20Toen nam Isai een ezel met brood, en een lederen zak met wijn, en een geitenbokje; en hij zond ze door de hand van zijn zoon David aan Saul.21Alzo kwam David tot Saul, en hij stond voor zijn aangezicht; en hij beminde hem zeer, en hij werd zijn wapendrager.22Daarna zond Saul tot Isai, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijn ogen gevonden.23En het geschiedde, als de geest Gods over Saul was, zo nam David de harp, en hij speelde met zijn hand; dat was voor Saul een verademing, en het werd beter met hem, en de boze geest week van hem.

"De Geest des HEEREN werd vaardig over David" (vers 13), maar wijkt tegelijkertijd van de ongelukkige Saul. Daardoor maakt Hij plaats voor een boze geest die Saul nu angst aanjaagt.

Hiervan maakt God gebruik door de jonge David als harpspeler aan het hof van de koning te introduceren. David was een ervaren muzikant die later "liefelijk in psalmen van Israël" wordt (2 Samuël 23 vers 1).

Er wordt een mooi getuigenis van David gegeven (vers 18) waaruit blijkt dat er zelfs aan het hof van de koning mensen waren die de gezalfde van de HEERE kenden.

In Filippi 4 vers 22 vinden we iets dergelijks. In het huis van Caesar, dat wil zeggen, in de nabijheid van de Romeinse keizer, waren ook christenen. God ziet erop toe dat er in alle kringen getuigen voor Hem zijn.

Dit detail dat ons hier meegedeeld wordt, wijst ons op Hem van Wie David een beeld is: Christus. Hij is het ware "Rijsje uit Isaï". Van Hem lezen we dat "de Geest des HEEREN" op Hem zal rusten, "de Geest der kennis en der vreze des HEEREN" (zie Jesaja 11 vers 1 en 2).

Welk getuigenis leggen wij van onze Geliefde af aan de wereld rondom ons?

"Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat gij een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israël", zegt de HEERE later (2 Samuël 7 vers 8).

Door zijn werk met de schapen werd David voorbereid om het volk Israël trouw te weiden (Psalm 78 vers 70 tot en met 72).

1 Samuël 17:1-16
1En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho, dat in Juda is; en zij legerden zich tussen Socho en tussen Azeka, aan het einde van Dammim.2Doch Saul en de mannen van Israel verzamelden zich, en legerden zich in het eikendal; en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.3De Filistijnen nu stonden aan een berg aan gene, en de Israelieten stonden aan een berg aan deze zijde; en de vallei was tussen hen.4Toen ging er een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen; zijn naam was Goliath, van Gath; zijn hoogte was zes ellen en een span.5En hij had een koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantsier aan; en het gewicht van het pantsier was vijf duizend sikkelen kopers;6En een koperen scheenharnas boven zijn voeten, en een koperen schild tussen zijn schouders;7En de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzers; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.8Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israel, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome.9Indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zo zullen wij ulieden tot knechten zijn; maar indien ik hem overwin en hem sla, zo zult gij ons tot knechten zijn, en ons dienen.10Verder zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden van Israel gehoond, zeggende: Geeft mij een man, dat wij te zamen strijden!11Toen Saul en het ganse Israel deze woorden van den Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.12David nu was de zoon van den Efrathischen man van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isai, en die acht zonen had, en in de dagen van Saul was hij een man, oud, afgaande onder de mannen.13En de drie grootste zonen van Isai gingen heen; zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab, de eerstgeborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma.14En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.15Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem.16De Filistijn nu trad toe, des morgens vroeg en des avonds. Alzo stelde hij zich daar veertig dagen lang.

Opnieuw zijn de Filistijnen opgetrokken tegen Israël. Deze keer hebben ze een prachtig middel in handen: een reus, een buitengewone held, bijna drie meter groot en bekleed met een wapenrusting van ongeveer 75 kilogram. Een geweldige kolos die je alleen maar hoeft te laten zien om de vijand doodsbenauwd te maken. Het is Goliath!

Vol trots treedt hij uit de slagorden naar voren en daagt de tegenstander, Israël, uit om iemand naar hem toe te sturen voor een tweegevecht.

Maar er komt geen tegenstander. Nee, in de legerplaats van de Israëlieten is iedereen doodsbang. Dat geeft deze reus keer op keer de gelegenheid om de legerscharen van de HEERE, en daarmee de HEERE Zelf, te bespotten!

Goliath roept hierdoor bij ons de herinnering op aan hetgeen van de Leviathan gezegd wordt: "Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijn doorbrekingen ontzondigen zij zich" (of, zoals in een andere vertaling staat: "... ze geraken buiten zichzelf van ontzetting"; Job 41 vers 16).

Maar bovenal gaan onze gedachten uit naar "de sterke" over wie de Heere Jezus spreekt (Markus 3 vers 27): satan zelf die door de angst voor de dood een vreselijke heerschappij uitoefent over de mensen en hen daardoor voorgoed tot zijn knechten wil maken (vers 9).

Zo rond dezelfde tijd dat Goliath z'n spel speelt, verlaat David zijn kudde, gaat naar het hof van de koning en keert een poosje later weer terug.

Zowel bij de kudde als aan het hof van de koning is hij een tevreden man. Hierin is hij een prachtig beeld van de Heere Jezus in Zijn vernedering en Zijn onvermoeibare overgave.

1 Samuël 17:17-30
17En Isai zeide tot zijn zoon David: Neem toch voor uw broeders een efa van dit geroost koren, en deze tien broden, en breng ze ter loops in het leger tot uw broederen.18Maar breng deze tien melkkazen aan de oversten over duizend; en gij zult uw broederen bezoeken, of het hun welga, en gij zult van hen pand medenemen.19Saul nu, en zij, en alle mannen van Israel waren bij het eikendal met de Filistijnen strijdende.20Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op, en ging henen, gelijk als Isai hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als het heir in slagorde uittoog, en men ten strijde riep.21En de Israelieten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.22David nu liet de vaten van zich, onder de hand van den bewaarder der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijn broederen naar hun welstand.23Toen hij met hen sprak, ziet, zo kwam der kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van Gath, uit het heir der Filistijnen, en hij sprak achtervolgens die woorden; en David hoorde ze.24Doch alle mannen in Israel, als zij dien man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer.25En de mannen Israels zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israel te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israel.26Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen, die dezen Filistijn slaat, en den smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van den levenden God zou honen?27Wederom zeide hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Alzo zal men den man doen, die hem slaat.28Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij den strijd zaagt.29Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?30En hij wendde zich af van dien naar een anderen toe, en hij zeide achtervolgens dat woord; en het volk gaf hem weder antwoord, achtervolgens de eerste woorden.

Zoals eens Jozef door zijn vader gestuurd werd om na te gaan hoe het zijn broeders verging (Genesis 37 vers 13), wordt David nu ook door zijn vader naar zijn broers gezonden. Hierin is hij een beeld van de Heere Jezus Die de hemel heeft verlaten om in genade in de wereld te komen. In het leger aangekomen, hoort David de uitdaging, de smaad, die de Israëlieten dagelijks door de held van de Filistijnen in het gezicht geslingerd wordt.

Ontdaan informeert hij naar de gang van zaken. Elíab hoort het en geeft hem een standje vanwege zijn zogenaamde nieuwsgierigheid. Ook vandaag de dag gebeurt het nog wel eens dat ouderen onterecht en niets ontziend tegen hun jongere broeders en zusters uitvallen.

Hoewel hij aanwezig was bij de zalving van David, neemt Elíab hem niet serieus. Dat doet ons denken aan de broers van de Heere Jezus die niet in Hem geloofden (Johannes 7 vers 5).

Veertig dagen zijn voorbijgegaan. Veertig is in de Heilige Schrift het getal dat spreekt van een voleindigde beproeving. Ach, het moet eerst duidelijk worden dat er niemand is die het tegen deze Filistijn kan opnemen.

Niemand kan Israël redden! Elíab niet, ondanks zijn grootte (hoofdstuk 16 vers 6 en 7); hij had zich tegenover David moeten schamen voor zijn lafheid! Ook Saul zelf niet, die een hoofd groter was dan de anderen en dus eigenlijk geschapen voor de rol van kampvechter; maar de HEERE had hem verlaten! Voor het geloof van David is Goliath echter een Filistijn als alle andere. Bij voorbaat beschouwt hij hem al als overwonnen, omdat hij zich tegen de slagorden van de levende God had gekeerd en hen bespot.

1 Samuël 17:31-40
31Toen die woorden gehoord werden, die David gesproken had, en in de tegenwoordigheid van Saul verkondigd werden, zo liet hij hem halen.32En David zeide tot Saul: Aan geen mens ontvalle het hart, om zijnentwil. Uw knecht zal heengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden.33Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen heengaan tot dezen Filistijn, om met hem te strijden; want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijn jeugd af.34Toen zeide David tot Saul: Uw knecht weid de schapen zijns vaders, en er kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg.35En ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijn mond; toen hij tegen mij opstond, zo vatte ik hem bij zijn baard, en sloeg hem, en doodde hem.36Uw knecht heeft zo den leeuw als den beer geslagen; alzo zal deze onbesneden Filistijn zijn, gelijk een van die, omdat hij de slagorden van den levenden God gehoond heeft.37Verder zeide David: De HEERE, Die mij van de hand des leeuws gered heeft, en uit de hand des beers, Die zal mij redden uit de hand van dezen Filistijn. Toen zeide Saul tot David: Ga heen, en de HEERE zij met u!38En Saul kleedde David met zijn klederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en kleedde hem met een pantsier.39En David gordde zijn zwaard aan over zijn klederen, en wilde gaan; want hij had het nooit verzocht. Toen zeide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit verzocht; en David legde ze van zich.40En hij nam zijn staf in zijn hand, en hij koos zich vijf gladde stenen uit de beek, en legde ze in de herderstas, die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijn hand; alzo naderde hij tot den Filistijn.

David gaat voor Saul staan en deelt hem zijn plan mee. "Gij zult niet kunnen ..." is Saul's eerste reactie. Toch komt hij onder de indruk van de vastbeslotenheid en het vertrouwen van deze jongeling en stemt er tenslotte in toe hem te zullen helpen.

Hij wil zijn wapenrusting aan David uitlenen. Maar die kan David niet gebruiken, omdat hij er niet aan gewend is. Hij wordt erdoor gehinderd en kan zich dan niet meer vrij bewegen. Nee, zijn wapens moeten bestaan uit de eenvoudige hulpmiddelen van een herder! Die zijn waardeloos in de ogen van de mens, maar daardoor laten ze juist nog meer de macht van de HEERE naar voren komen.

De wapenrusting van Saul spreekt ons van alle hulpmiddelen en voorzorgsmaatregelen van de menselijke wijsheid. Het geloof ziet dat alles echter als een hindernis!

Door God in het verborgen voor de voor hem bestemde taak toebereid (zoals dat bij veel dienstknechten en ook bij de Heere Jezus Zelf het geval was), treedt David nu in het openbaar te voorschijn, klaar voor de strijd.

Om de macht van de HEERE aan te tonen, vertelt hij een ervaring uit zijn 'woestijnschool'. Hij heeft, zonder dat iemand het zag, een leeuw en een beer gedood en daardoor zijn schapen gered.

Dan denken we aan een andere Herder Die Zijn leven voor Zijn schapen heeft gegeven om hen van die afschuwelijke vijand, de satan, te bevrijden (Johannes 10 vers 11; 17 vers 12 en 18 vers 8).

Wat moet een enkel lam toch van ontzettend grote waarde zijn voor het hart van de goede Herder!

1 Samuël 17:41-54
41De Filistijn ging ook heen, gaande en naderende tot David, en zijn schilddrager ging voor zijn aangezicht.42Toen de Filistijn opzag, en David zag, zo verachtte hij hem; want hij was een jongeling, roodachtig, mitsgaders schoon van aanzien.43De Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijn goden.44Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds.45David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard, en met een spies, en met een schild; maar ik kom tot u in den Naam van den HEERE der heirscharen, den God der slagorden van Israel, Dien gij gehoond hebt.46Te dezen dage zal de HEERE u besluiten in mijn hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de dode lichamen van der Filistijnen leger dezen dag aan de vogelen des hemels, en aan de beesten des velds geven; en de ganse aarde zal weten, dat Israel een God heeft.47En deze ganse vergadering zal weten, dat de HEERE niet door het zwaard, noch door de spies verlost; want de krijg is des HEEREN, Die zal ulieden in onze hand geven.48En het geschiedde, toen de Filistijn zich opmaakte, en heenging, en David tegemoet naderde, zo haastte David, en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet.49En David stak zijn hand in de tas, en hij nam een steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd; zodat de steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde.50Alzo overweldigde David den Filistijn met een slinger en met een steen; en hij versloeg den Filistijn, en doodde hem; doch David had geen zwaard in de hand.51Daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijn schede, en hij doodde hem, en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen, dat hun geweldigste dood was, zo vluchtten zij.52Toen maakten zich de mannen van Israel en van Juda op, en juichten, en vervolgden de Filistijnen, tot daar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en de verwonden der Filistijnen vielen op den weg van Saaraim, en tot aan Gath, en tot aan Ekron.53Daarna keerden de kinderen Israels om, van het hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hun legers.54Daarna nam David het hoofd van den Filistijn, en bracht het naar Jeruzalem; maar zijn wapenen legde hij in zijn tent.

Opnieuw treedt de Filistijn met zijn uitdagingen naar voren. Wie komt hem daar tegemoet? Is dat de held die Israël tegenover hem wil stellen? Zo'n knaap met van die onbenullige wapens, met een staf en een slinger? Willen ze hem belachelijk maken?

Hij neemt die ellendige tegenstander die het niet waard is zich met hem te meten, eens van top tot teen op en bespot hem dan vol minachting! Maar David blijft rustig staan. Hij kon het eens uitroepen: "De HEERE is mijn levenskracht, voor wie zou ik vervaard zijn?" (Psalm 27 vers 1).

Met grote zekerheid wordt de steen weggeslingerd en dringt zich in het voorhoofd van de reus die daarop neerstort. Snel gaat David naar hem toe en slaat hem dan met zijn eigen zwaard het hoofd af!

Nu horen we het overwinningsgejubel in het leger van Israël, terwijl de Filistijnen in verwarring raken en alle kanten op vluchten. Wat een gedenkwaardige gebeurtenis!

Het is een illustratie van de macht van het geloof waardoor elke gelovige in staat is om op zijn knieën soortgelijke overwinningen te behalen!

Maar we weten dat het een nog veel grotere betekenis heeft. David heeft, als beeld van Christus, over Goliath, een beeld van satan, getriomfeerd! Door de dood heeft Christus hem te niet gedaan die de macht over de dood had, dat is de duivel (Hebreeën 2 vers 14). Dat is de overwinning van het kruis, het belangrijkste en onuitputtelijke onderwerp voor eeuwige lof.

1 Samuël 17:55-58; 1 Samuël 18:1-9
55Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner, den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner? En Abner zeide: Zo waarachtig als uw ziel leeft, o koning! ik weet het niet.56De koning nu zeide: Vraag gij het, wiens zoon deze jongeling is.57Als David wederkeerde van het slaan des Filistijns, zo nam hem Abner, en hij bracht hem voor het aangezicht van Saul, en het hoofd van den Filistijn was in zijn hand.58En Saul zeide tot hem: Wiens zoon zijt gij, jongeling? En David zeide: Ik ben een zoon van uw knecht Isai, den Bethlehemiet.
1Het geschiedde nu, als hij geeindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David; en Jonathan beminde hem als zijn ziel.2En Saul nam hem te dien dage, en liet hem niet werderkeren tot zijns vaders huis.3Jonathan nu en David maakten een verbond, dewijl hij hem liefhad als zijn ziel.4En Jonathan deed zijn mantel af, dien hij aan had, en gaf hem aan David, ook zijn klederen, ja, tot zijn zwaard toe, en tot zijn boog toe, en tot zijn gordel toe.5En David toog uit, overal, waar Saul hem zond; hij gedroeg zich voorzichtiglijk, en Saul zette hem over de krijgslieden; en hij was aangenaam in de ogen des gansen volks, en ook in de ogen der knechten van Saul.6Het geschiedde nu, toen zij kwamen, en David wederkeerde van het slaan der Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit al de steden van Israel, met gezang en reien, den koning Saul tegemoet, met trommelen, met vreugde en met muziekinstrumenten.7En de vrouwen, spelende, antwoordden elkander en zeiden: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!8Toen ontstak Saul zeer, en dat woord was kwaad in zijn ogen, en hij zeide: Zij hebben David tien duizend gegeven, doch mij hebben zij maar duizend gegeven; en voorzeker zal het koninkrijk nog voor hem zijn.9En Saul had het oog op David, van dien dag af en voortaan.

Als winnaar staat David nu opnieuw voor de koning. In zijn hand houdt hij het hoofd van de reus.

Met verbazing moeten we vaststellen dat Saul niet eens meer weet van wie David een zoon is, ja, wie hijzelf is!

Met betrekking tot de Heere Jezus zien we bij de mensen een soortgelijke blindheid. De joden kenden noch Hem, noch Zijn Vader (Johannes 8 vers 19).

Vandaag de dag is dat nog precies zo. Zelfs in de zogenaamd christelijke landen weten velen niet wie de Heere Jezus is, omdat zij hem niet echt als de Zoon van God erkennen (vergelijk 1 Johannes 4 vers 14 en 15).

Bij Jónathan bestaat er daarentegen over David geen enkele twijfel. Hij die zo'n geweldige bevrijding voor Israël bewerkt heeft, kan niemand anders zijn dan de gezalfde van de HEERE!

En zijn ziel verbindt zich met hem, niet zozeer uit dankbaarheid of bewondering, maar door de band van innige en persoonlijke liefde.

Wat een prachtig voorbeeld voor een gelovige die zich niet alleen verheugt in zijn heil, maar ook Hem Die hem gered heeft, liefheeft.

Liefde is een zaak van het hart. Dat wordt ook hier zichtbaar. Voor David, de geliefde, doet Jónathan afstand van alle voorwerpen die zijn eigen kracht en eer openbaarden.

Zijn wij bereid hetzelfde te doen? Hebben wij de Heere Jezus, onze Heiland, erkend als Degene Die alle rechten heeft op ons hart en op alles wat wij hebben of zijn?

1 Samuël 18:10-30
10En het geschiedde des anderen daags, dat de boze geest Gods over Saul vaardig werd, en hij profeteerde midden in het huis, en David speelde op snarenspel met zijn hand, als van dag tot dag; Saul nu had een spies in zijn hand.11En Saul schoot de spies, en zeide: Ik zal David aan den wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af.12En Saul vreesde voor David, want de HEERE was met hem, en Hij was van Saul geweken.13Daarom deed hem Saul van zich weg, en hij zette hem zich tot een overste van duizend; en hij ging uit en hij ging in voor het aangezicht des volks.14En David gedroeg zich voorzichtiglijk op al zijn wegen; en de HEERE was met hem.15Toen nu Saul zag, dat hij zich zeer voorzichtiglijk gedroeg, vreesde hij voor zijn aangezicht.16Doch gans Israel en Juda had David lief; want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht.17Derhalve zeide Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleenlijk, wees mij een dapper zoon, en voer den krijg des HEEREN. Want Saul zeide: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij.18Doch David zeide tot Saul: Wie ben ik, en wat is mijn leven, en mijns vaders huisgezin in Israel, dat ik des konings schoonzoon zou worden?19Het geschiedde nu ten tijde als men Merab, de dochter van Saul, aan David geven zou, zo is zij aan Adriel, den Meholathiet, ter vrouw gegeven.20Doch Michal, de dochter van Saul, had David lief. Toen dat Saul te kennen werd gegeven, zo was die zaak recht in zijn ogen.21En Saul zeide: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden.22En Saul gebood zijn knechten: Spreekt met David in het heimelijke, zeggende: Zie, de koning heeft lust aan u, en al zijn knechten hebben u lief; word dan nu des konings schoonzoon.23En de knechten van Saul spraken deze woorden voor de oren van David. Toen zeide David: Is dat licht in ulieder ogen, des konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben?24En de knechten van Saul boodschapten het hem, zeggende: Zulke woorden heeft David gesproken.25Toen zeide Saul: Aldus zult gijlieden tot David zeggen: De koning heeft geen lust aan den bruidschat, maar aan honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wreke aan des konings vijanden. Want Saul dacht David te vellen door de hand der Filistijnen.26Zijn knechten nu boodschapten David deze woorden. En die zaak was recht in de ogen van David, dat hij des konings schoonzoon zou worden; maar de dagen waren nog niet vervuld.27Toen maakte zich David op, en hij en zijn mannen gingen heen, en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hun voorhuiden, en men leverde ze den koning volkomenlijk, opdat hij schoonzoon des konings worden zou. Toen gaf Saul hem zijn dochter Michal ter vrouw.28En Saul zag en merkte, dat de HEERE met David was; en Michal, de dochter van Saul, had hem lief.29Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een vijand al zijn dagen.30Als de vorsten der Filistijnen uittogen, zo geschiedde het, als zij uittogen, dat David kloeker was, dan al de knechten van Saul; zodat zijn naam zeer geacht was.

Zó sterk als de liefde van Jónathan, zó sterk werd ook de haat van Saul jegens David.

Het begon met boosheid en afgunst (vers 8). Daarna maakte hij het plan hem te vermoorden. Uiteindelijk ging hij over tot de daad en deed een moordaanslag, een poging tot moord, waarop in de volgende hoofdstukken nog vele andere zullen volgen.

Dat is precies wat de Schrift "de weg van Kaïn" noemt (Judas 11). Bij hem begon het ook zo, zoals we lezen in Genesis 4 vers 5: "Toen ontstak Kaïn zeer ...". En daarna doodde hij zijn broer.

Hieruit blijkt dat toorn en afgunst de eerste twee stappen zijn op deze afschuwelijke weg.

Saul had beloofd dat de overwinnaar van de Filistijn Goliath zijn dochter tot vrouw zou krijgen (hoofdstuk 17 vers 25), maar hij houdt geen woord.

Dan probeert hij via zijn jongere dochter Michal David door zijn vijanden te laten doden. Hij had toch kunnen weten dat de overwinnaar van Goliath nog veel gemakkelijker over die minder gevreesde Filistijnen zou triomferen!

Overigens is hem het geheim van de kracht van David niet onbekend en juist dat maakt hem bang: "De HEERE was met hem" (vers 12, 14 en 28). "Ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij", zegt David in Psalm 23 vers 4.

Kennen wij dat geheim ook en hebben wij zelf ervaren hoeveel moed het kan geven?

1 Samuël 19:1-18
1Derhalve sprak Saul tot zijn zoon Jonathan en tot al zijn knechten, om David te doden. Doch Jonathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David.2En Jonathan verkondigde het David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te doden; nu dan, wacht u toch des morgens, en blijf in het verborgene, en versteek u.3Doch ik zal uitgaan, en aan de hand mijns vaders staan op het veld, waar gij zult zijn; en ik zal van u tot mijn vader spreken, en zal zien wat het zij; dat zal ik u verkondigen.4Zo sprak dan Jonathan goed van David tot zijn vader Saul; en hij zeide tot hem: De koning zondige niet tegen zijn knecht David, omdat hij tegen u niet gezondigd heeft, en omdat zijn daden voor u zeer goed zijn.5Want hij heeft zijn ziel in zijn hand gezet, en hij heeft den Filistijn geslagen, en de HEERE heeft een groot heil aan het ganse Israel gedaan; gij hebt het gezien, en gij zijt verblijd geweest; waarom zoudt gij dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak dodende?6Saul nu hoorde naar de stem van Jonathan; en Saul zwoer: zo waarachtig als de HEERE leeft, hij zal niet gedood worden!7En Jonathan riep David, en Jonathan gaf hem al deze woorden te kennen; en Jonathan bracht David tot Saul, en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren.8En er werd wederom krijg; en David toog uit, en streed tegen de Filistijnen, en hij sloeg hen met een groten slag, en zij vloden voor zijn aangezicht.9Doch de boze geest des HEEREN was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijn spies was in zijn hand; en David speelde op snarenspel met de hand;10Saul nu zocht met de spies David aan den wand te spitten, doch hij ontweek van het aangezicht van Saul, die met de spies in den wand sloeg. Toen vlood David, en ontkwam in dienzelfden nacht.11Maar Saul zond boden heen tot Davids huis, dat zij hem bewaarden, en dat zij hem des morgens doodden. Dit gaf Michal, zijn huisvrouw, David te kennen, zeggende: Indien gij uw ziel dezen nacht niet behoedt, zo zult gij morgen gedood worden.12En Michal liet David door een venster neder, en hij ging heen, en vluchtte, en ontkwam.13En Michal nam een beeld, en zij legde het in het bed, en zij legde een geitenvel aan zijn hoofdpeluw, en dekte het met een kleed toe.14Saul nu zond boden, om David te halen. Zij dan zeide: Hij is ziek.15Toen zond Saul boden, om David te bezien, zeggende: Breng hem op het bed tot mij op, dat men hem dode.16Als de boden kwamen, zo ziet, er was een beeld in het bed, en er was een geitenvel aan zijn hoofdpeluw.17Toen zeide Saul tot Michal: Waarom hebt gij mij alzo bedrogen en hebt mijn vijand laten gaan, dat hij ontkomen is? Michal nu zeide tot Saul: Hij zeide tot mij: Laat mij gaan, waarom zou ik u doden?18Alzo vluchtte David en ontkwam, en hij kwam tot Samuel te Rama, en hij gaf hem te kennen al wat Saul hem gedaan had; en hij en Samuel gingen heen, en zij bleven te Najoth.

Jónathan heeft David lief gekregen. Nu krijgt hij de gelegenheid om bij zijn vader een getuigenis ten gunste van zijn vriend af te leggen.

Als wij de Heere liefhebben, zullen we ons niet schamen om in de eerste plaats in onze familie over Hem te praten. Zonder vrees zullen we tonen dat we Hem toebehoren Die zonder zonde is, Die de grote vijand heeft verslagen en door Wie God een wonderbare redding heeft gegeven (vergelijk vers 4 en 5).

Als antwoord op de tussenkomst van Jónathan zweert Saul in de Naam van de HEERE dat David niet gedood zal worden. O, wat heeft hij deze belofte gauw verbroken!

Juist op het moment dat David hem wat verlichting wil schenken, doet hij weer zo'n misdadige poging om David uit te schakelen. Wat is het menselijk hart toch ontzettend ondankbaar tegenover hen die goed doen, en bovenal tegenover de Redder van Wie David een beeld is en Die alleen het beste met ons voor heeft (Psalm 109 vers 4).

Gedreven door jaloezie vervolgt de ellendige koning zijn eigen schoonzoon tot in diens huis, ja, tot aan zijn bed. In sommige Bijbelvertalingen kunnen we dan ook het volgende opschrift boven Psalm 59 lezen: 'Gebed van de onschuldig vervolgde'.

Michal beschermt haar echtgenoot, echter helaas niet door een moedige bekentenis, zoals haar broer Jónathan deed, maar door list en bedrog.

David vlucht door het raam. Toen Paulus in Damascus was, ontkwam hij op dezelfde manier aan de haat van de joden (Handelingen 9 vers 25 en 2 Korinthe 11 vers 32 en 33).

1 Samuël 19:19-24; 1 Samuël 20:1-4
19En men boodschapte Saul, zeggende: Zie, David is te Najoth, bij Rama.20Toen zond Saul boden heen, om David te halen; die zagen een vergadering van profeten, profeterende, en Samuel, staande, over hen gesteld; en de Geest Gods was over Sauls boden, en die profeteerden ook.21Toen men het Saul boodschapte, zo zond hij andere boden, en die profeteerden ook; toen voer Saul voort en zond de derde boden, en die profeteerden ook.22Daarna ging hij ook zelf naar Rama, en hij kwam tot den groten waterput, die te Sechu was, en hij vraagde en zeide: Waar is Samuel, en David? Toen werd hem gezegd: Zie, zij zijn te Najoth bij Rama.23Toen ging hij derwaarts naar Najoth bij Rama; en dezelfde Geest Gods was ook op hem, en hij, al voortgaande, profeteerde, totdat hij te Najoth in Rama kwam.24En hij toog zelf ook zijn klederen uit, en hij profeteerde zelf ook, voor het aangezicht van Samuel; en hij viel bloot neder dienzelfden gansen dag, en den gansen nacht. Daarom zegt men: Is Saul ook onder de profeten?
1Toen vluchtte David van Najoth bij Rama, en hij kwam, en zeide voor het aangezicht van Jonathan: Wat heb ik gedaan, wat is mijn misdaad, en wat is mijn zonde voor het aangezicht uws vaders, dat hij mijn ziel zoekt?2Hij daarentegen zeide tot hem: Dat zij verre, gij zult niet sterven. Zie, mijn vader doet geen grote zaak, en geen kleine zaak, die hij voor mijn oor niet openbaart; waarom zou dan mijn vader deze zaak van mij verbergen? Dat is niet.3Toen zwoer David verder, en zeide: Uw vader weet zeer wel, dat ik genade in uw ogen gevonden heb; daarom heeft hij gezegd: Dat Jonathan dit niet wete, opdat hij zich niet bekommere; en zekerlijk, zo waarachtig als de HEERE leeft, en uw ziel leeft, er is maar als een schrede tussen mij en tussen den dood!4Jonathan nu zeide tot David: Wat uw ziel zegt, dat zal ik u doen.

Tot dusver heeft David het — menselijk gesproken — in zijn leven ver gebracht: hij is de schoonzoon van de koning, heeft een hoge positie in het leger en is een geliefde held. We zouden zeggen dat hij nu rustig het moment kan afwachten waarop hij Saul zal opvolgen.

Maar nee! In Gods plan wachtten hem nog veel moeilijke jaren, opdat hij voorbereid zou worden op de troon.

Beproevingen in het leven van een gelovige hebben hetzelfde doel, namelijk hem hier op aarde te vormen om later samen met de Heere Jezus te heersen.

Daarom moet David alles verlaten: zijn thuis, zijn positie, alles wat hij heeft. Vóórdat de vervolgingen komen, brengt hij nog enige tijd door bij Samuël in Najoth.

Wat een voorrecht voor deze jongeman om aan het begin van zijn loopbaan het onderwijs en de vermaningen van de oude Samuël te mogen ontvangen die aan het eind van zijn loopbaan is gekomen!

Jonge gelovigen, zoek toch ook het contact met oudere christenen! Leer van hun ervaring! Op die manier werd ook Timotheus onderwezen door de apostel Paulus. De lessen die jullie dan ontvangen, zullen, evenmin als dat bij David het geval was, niet bewerken dat jullie later niet ook zelf persoonlijke ervaringen op moeten doen. Maar ze kunnen en moeten jullie wel helpen, jullie eigen beproevingen te doorstaan zonder daarbij schade op te lopen. De Heere wil de ware gelovigen door deze moeilijke omstandigheden immers opvoeden en bekwaam maken voor een belangrijke en zegenrijke dienst!

1 Samuël 20:5-23
5En David zeide tot Jonathan: Zie, morgen is de nieuwe maan, dat ik zekerlijk met den koning zou aanzitten om te eten; zo laat mij gaan, dat ik mij op het veld verberge tot aan den derden avond.6Indien uw vader mij gewisselijk mist, zo zult gij zeggen: David heeft van mij zeer begeerd, dat hij tot zijn stad Bethlehem mocht lopen; want aldaar is een jaarlijks offer voor het ganse geslacht.7Indien hij aldus zegt: Het is goed, zo heeft uw knecht vrede; maar indien hij gans ontstoken is, zo weet, dat het kwaad bij hem ten volle besloten is.8Doe dan barmhartigheid aan uw knecht, want gij hebt uw knecht in een verbond des HEEREN met u gebracht; maar is er een misdaad in mij, zo dood gij mij; waarom zoudt gij mij toch tot uw vader brengen?9Toen zeide Jonathan: Dat zij verre van u! Maar indien ik zekerlijk merkte, dat dit kwaad bij mijn vader ten volle besloten ware, dat het u zou overkomen, zou ik dat u dan niet te kennen geven?10David nu zeide tot Jonathan: Wie zal het mij te kennen geven, indien uw vader u wat hards antwoordt?11Toen zeide Jonathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld; en die beiden gingen uit in het veld.12En Jonathan zeide tot David: De HEERE, de God Israels, indien ik mijn vader onderzocht zal hebben omtrent dezen tijd, morgen of overmorgen, en zie, het is goed voor David, en ik dan tot u niet zende, en voor uw oor openbare;13Alzo doe de HEERE aan Jonathan, en alzo doe Hij daartoe! Als mijn vader het kwaad over u behaagt, zo zal ik het voor uw oor ontdekken, en ik zal u trekken laten, dat gij in vrede heengaat; en de HEERE zij met u, gelijk als Hij met mijn vader geweest is.14En zult gij niet, indien ik dan nog leve, ja, zult gij niet de weldadigheid des HEEREN aan mij doen, dat ik niet sterve?15Ook zult gij uw weldadigheid niet afsnijden van mijn huis tot in eeuwigheid; ook niet wanneer de HEERE een iegelijk der vijanden van David van den aardbodem zal afgesneden hebben.16Alzo maakte Jonathan een verbond met het huis van David, zeggende: Dat het de HEERE eise van de hand der vijanden Davids!17En Jonathan voer voort, met David te doen zweren, omdat hij hem liefhad; want hij had hem lief met de liefde zijner ziel.18Daarna zeide Jonathan tot hem: Morgen is de nieuwe maan; dan zal men u missen, want uw zitplaats zal ledig gevonden worden.19En als gij de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af, en ga tot die plaats, waar gij u verborgen hadt ten dage dezer handeling; en blijf bij den steen Ezel.20Zo zal ik drie pijlen ter zijde schieten, als of ik naar een teken schoot.21En zie, ik zal den jongen zenden, zeggende: Ga heen, zoek de pijlen, indien ik uitdrukkelijk tot den jongen zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en herwaarts, neem hem; en kom gij, want er is vrede voor u, en er is geen ding, zo waarlijk de HEERE leeft!22Maar indien ik tot den jongen alzo zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en verder; ga heen, want de HEERE heeft u laten gaan.23En aangaande de zaak, waarvan ik en gij gesproken hebben, zie, de HEERE zij tussen mij en tussen u, tot in eeuwigheid!

Door de aankomst van Saul in Najoth zag David zich gedwongen te vluchten. Toch heeft hij de hoop dat hij zijn plaats aan het hof van de koning weer kan innemen, nog niet helemaal opgegeven. Daarom gaat hij naar zijn vriend Jónathan om raad.

"Een vriend heeft te allen tijde lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren" (Spreuken 17 vers 17). In gelukkige dagen waren David en Jónathan vrienden. Nu mogen ze ervaren hoe kostbaar en troostrijk hun wederzijdse genegenheid in tijden van beproeving is.

Dat geldt nog veel meer voor onze verhouding, onze gemeenschap met onze 'hoogste Vriend', de Heere Jezus. Zouden we ooit echt in staat zijn Zijn volkomen medelijden te leren kennen, als we dat nooit nodig zouden hebben? Vergelijk Hebreeën 4 vers 15 en 16.

David is blijkbaar alleen nog maar een arme, vogelvrij verklaarde man. Het lijkt erop dat de Goddelijke beloften van het koningschap voor hem niet meer in vervulling gaan. Maar het geloof van Jónathan ziet hem nog steeds als degene die zal gaan regeren en wiens vijanden vernietigd moeten worden (inclusief zijn eigen vader, maar van wie hij, uit respect, toch de naam niet noemt).

Het is heel opmerkelijk met hoeveel zekerheid Jónathan over de toekomst spreekt.

Zo zien de verlosten door het geloof de bewonderenswaardige heerlijkheden van de Heere Jezus en weten dat hun Redder Die vandaag nog door de wereld en haar leiders verworpen wordt, spoedig als de Koning van de heerlijkheid zal verschijnen. Dan zullen al Zijn vijanden aan Zijn voeten neervallen en Hem onderworpen zijn.

1 Samuël 20:24-42
24David nu verborg zich in het veld; en als het nieuwe maan was, zat de koning bij de spijze, om te eten.25Toen zich de koning gezet had op zijn zitplaats, op dit maal gelijk de andere maal, aan de stede bij den wand, zo stond Jonathan op, en Abner zat aan Sauls zijde, en Davids plaats werd ledig gevonden.26En Saul sprak te dien dage niets, want hij zeide: Hem is wat voorgevallen, dat hij niet rein is; voorzeker, hij is niet rein.27Het geschiedde nu des anderen daags, den tweeden der nieuwe maan, als Davids plaats ledig gevonden werd, zo zeide Saul tot zijn zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isai noch gisteren noch heden tot de spijze gekomen?28En Jonathan antwoordde Saul: David begeerde van mij ernstelijk naar Bethlehem te mogen gaan.29En hij zeide: Laat mij toch gaan; want ons geslacht heeft een offer in de stad, en mijn broeder heeft het mij zelfs geboden; heb ik nu genade in uw ogen gevonden, laat mij toch ontslagen zijn, dat ik mijn broeders zie; hierom is hij aan des konings tafel niet gekomen.30Toen ontstak de toorn van Saul tegen Jonathan, en hij zeide tot hem: Gij, zoon der verkeerde in wederspannigheid, weet ik het niet, dat gij den zoon van Isai verkoren hebt tot uw schande, en tot schande van de naaktheid uwer moeder?31Want al de dagen, die de zoon van Isai op den aardbodem leven zal, zo zult gij noch uw koninkrijk bevestigd worden; nu dan, schik heen, en haal hem tot mij, want hij is een kind des doods.32Toen antwoordde Jonathan Saul, zijn vader, en zeide tot hem: Waarom zal hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan?33Toen schoot Saul de spies op hem, om hem te slaan. Alzo merkte Jonathan, dat dit ten volle bij zijn vader besloten was, David te doden.34Daarom stond Jonathan van de tafel op in hittigheid des toorns; en hij at op den tweeden dag der nieuwe maan geen brood, want hij was bekommerd om David, omdat zijn vader hem gesmaad had.35En het geschiedde des morgens, dat Jonathan in het veld ging, op den tijd, die David bestemd was; en er was een kleine jongen bij hem.36En hij zeide tot zijn jongen: Loop, zoek nu de pijlen, die ik schieten zal. De jongen liep heen, en hij schoot een pijl, dien hij deed over hem vliegen.37Toen de jongen tot aan de plaats des pijls, dien Jonathan geschoten had, gekomen was, zo riep Jonathan den jongen na, en zeide: Is niet de pijl van u af en verder?38Wederom riep Jonathan den jongen na: Haast u, spoed u, sta niet stil! De jongen van Jonathan nu raapte den pijl op, en hij kwam tot zijn heer.39Doch de jongen wist er niets van; Jonathan en David alleen wisten van de zaak.40Toen gaf Jonathan zijn gereedschap aan den jongen, dien hij had; en hij zeide tot hem: Ga heen, breng het in de stad.41Als de jongen heenging, zo stond David op van de zuidzijde, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde, en hij boog zich driemaal; en zij kusten elkander, en weenden met elkander, totdat het David gans veel maakte.42Toen zeide Jonathan tot David: Ga in vrede; hetgeen wij beiden in den Naam des HEEREN gezworen Hebben, zeggende: De HEERE zij tussen mij en tussen u, en tussen mijn zaad en tussen uw zaad, zij tot in eeuwigheid! [ (I Samuel 20:43) Daarna stond hij op, en ging heen; en Jonathan kwam in de stad. ]

Hoe kan er toch zo'n wederzijdse liefde tussen David en Jónathan bestaan? Een innige band vereende hen: hetzelfde geloof. Zowel de één als de ander had dit geloof getoond door alleen een overwinning voor (en door) de HEERE te behalen op de Filistijnen (hoofdstuk 14 vers 1 tot en met 15 en 17 vers 49 tot en met 51).

De christenen herkennen elkaar wederzijds en hebben elkaar lief, omdat ze allen "een even dierbaar geloof' hebben (2 Petrus 1 vers 1). Laten we daaraan denken bij het kiezen van onze vrienden! Voor ons, kinderen van God, kan er buiten ditzelfde geloof in de Heere Jezus Christus geen enkele ware en innige vriendschap zijn.

Jónathan treedt bij zijn vader Saul niet zonder gevaar opnieuw op als voorspraak voor David. Vanwege zijn ongeloof heeft Saul het oordeel van de HEERE vergeten (hoofdstuk 13 vers 13 en 14). Hij wil toch graag het recht op de troon voor zijn zoon veilig stellen (vers 31).

Menigeen mag denken dat Jónathan tegen zijn eigen belangen in handelt, maar dat is juist het teken van ware liefde (1 Korinthe 13 vers 5). De liefde zoekt zichzelf niet. Jónathan is zelfs niet verdrietig over het feit dat zijn eigen vader hem probeert te doden, maar het bedroeft en vervult hem met grote zorg dat David door zijn vader gesmaad wordt (vers 34).

Beste vrienden, zijn wij bedroefd over de hoon die de Heere Jezus moet ervaren van de kant van de wereld? Hebben we daarover meer verdriet dan over het onrecht dat wij misschien zelf van de zijde van de wereld te lijden hebben?

1 Samuël 21:1-15
1Toen kwam David te Nob, tot den priester Achimelech; en Achimelech kwam bevende David tegemoet, en hij zeide tot hem: Waarom zijt gij alleen, en geen man met u?2En David zeide tot den priester Achimelech: De koning heeft mij een zaak bevolen, en zeide tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten, om dewelke ik u gezonden heb, en die ik u geboden heb; den jongelingen nu heb ik de plaats van zulk een te kennen te kennen gegeven.3En nu wat is er onder uw hand? Geef mij vijf broden in mijn hand, of wat er gevonden wordt.4En de priester antwoordde David, en zeide: Er is geen gemeen brood onder mijn hand; maar er is heilig brood, wanneer zich de jongelingen slechts van de vrouw onthouden hebben.5David nu antwoordde den priester, en zeide tot hem: Ja trouwens, de vrouw is ons onthouden geweest gisteren en eergisteren, toen ik uitging, en de vaten der jongelingen zijn heilig; en het is enigerwijze gemeen brood, te meer dewijl heden ander in de vaten zal geheiligd worden.6Toen gaf de priester hem dat heilige, dewijl er geen brood was dan de toonbroden, die van voor het aangezicht des HEEREN weggenomen waren, dat men er warm brood legde, ten dage als dat weggenomen werd.7Daar was nu een man van de knechten van Saul, te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht des HEEREN, en zijn naam was Doeg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen, die Saul had.8En David zeide tot Achimelech: Is hier onder uw hand geen spies of zwaard? Want ik heb noch mijn zwaard noch ook mijn wapenen in mijn hand genomen, dewijl de zaak des konings haastig was.9Toen zeide de priester: Het zwaard van Goliath, den Filistijn, denwelken gij sloegt in het eikendal, zie, dat is hier, gewonden in een kleed, achter den efod; indien gij u dat nemen wilt, zo neem het, want hier is geen ander dan dit. David nu zeide: Er is zijns gelijke niet; geef het mij.10En David maakte zich op, en vluchtte te dien dage van het aangezicht van Saul; en hij kwam tot Achis, den koning van Gath.11Doch de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, de koning des lands? Zong men niet van dezen in de reien, zeggende: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden?12En David legde deze woorden in zijn hart; en hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, den koning van Gath.13Daarom veranderde hij zijn gelaat voor hun ogen, en hij maakte zichzelven gek onder hun handen; en hij bekrabbelde de deuren der poort, en hij liet zijn zever in zijn baard aflopen.14Toen zeide Achis tot zijn knechten: Ziet, gij ziet, dat de man razende is, waarom hebt gij hem tot mij gebracht?15Heb ik razenden gebrek, dat gij dezen gebracht hebt, om voor mij te razen? Zal deze in mijn huis komen?

Nu begint er een rusteloos leven voor David. Hij gaat naar Nob, naar Achimélech, de priester.

Later herinnert de Heere Jezus de joden aan deze gebeurtenis om hen te bewijzen dat alles (ook de wet) aan hun Messias van Wie David een beeld is, onderworpen moet zijn (Markus 2 vers 25 en 26).

Laten wij, vóórdat wij de moeilijkheden het hoofd moeten bieden, vóórdat we ook maar iets ondernemen, tot de Heere Jezus, onze Hogepriester, gaan! Laten we een voorbeeld nemen aan David en de Heere vragen om voedsel èn om het zwaard. Beide vinden we in Zijn Woord.

Maar ... wat horen we nu uit de mond van David? Een leugen (vers 2)! Vervolgens begaat hij nog een grote fout door toevlucht te zoeken bij de vijanden van Israël. En tenslotte doet hij zich bij Achis, de koning van Gath, voor als iemand die zijn verstand verloren heeft.

Wat een verdrietige episode! Is hij niet de gezalfde van de HEERE, de overwinnaar van Goliath en bij andere gelegenheden een beeld van de Heere Jezus?

Het is ook ontzettend triest als een christen vergeet dat hij Christus moet laten zien in zijn leven, als hij zich ten opzichte van de wereld gedraagt als iemand die geen verstand heeft!

Toch is het heel troostrijk dat we aan het begin van Psalm 34 mogen vernemen dat David, als hij na zijn misstappen weer hersteld is, door de Geest geleid dit opmerkelijke lied kon dichten: "Ik zal de HEERE loven te allen tijde ..." (Psalm 34 vers 2).

1 Samuël 22:1-10
1Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk van Adullam. En zijn broeders hoorden het, en het ganse huis zijns vaders, en kwamen derwaarts tot hem af.2En tot hem vergaderde alle man, die benauwd was, en alle man, die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zodat bij hem waren omtrent vierhonderd mannen.3En David ging van daar naar Mizpa der Moabieten; en hij zeide tot den koning der Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij ulieden uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal.4En hij bracht hen voor het aangezicht van den koning der Moabieten; en zij bleven bij hem al de dagen, die David in de vesting was.5Doch de profeet Gad zeide tot David: Blijf in de vesting niet, ga heen, en ga in het land van Juda. Toen ging David heen, en hij kwam in het woud Chereth.6En Saul hoorde, dat David bekend geworden was, en de mannen, die bij hem waren. Saul nu zat op een heuvel onder het geboomte te Rama, en hij had zijn spies in zijn hand, en al zijn knechten stonden bij hem.7Toen zeide Saul tot zijn knechten, die bij hem stonden: Hoort toch, gij, zonen van Jemini, zal ook de zoon van Isai u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden, en oversten van honderden stellen?8Dat gij u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart, dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met den zoon van Isai; en niemand is onder ulieden, dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heeft mijn knecht tegen mij opgewekt, tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.9Toen antwoordde Doeg, de Edomiet, die bij de knechten van Saul stond, en zeide: Ik zag den zoon van Isai, komende te Nob, tot Achimelech, den zoon van Ahitub;10Die den HEERE voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath, den Filistijn.

De spelonk van Adullam wordt een toevluchtsoord voor David. In werkelijkheid is de HEERE zijn Toevlucht, zoals blijkt uit een Psalm die hij in deze spelonk gedicht heeft: "Gij zijt mijn Toevlucht" (Psalm 142 vers 6; zie ook Psalm 57 vers 1 en 2). Hij voegt eraan toe: "De rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben" (Psalm 142 vers 8).

De rechtvaardigen? Kunnen dat de mannen zijn die in het tweede vers genoemd worden? Deze ogenschijnlijk zo oneerbare mannen, verdacht en vogelvrij, uitgestoten door de maatschappij? Ja, God noemt hen die Zijn gezalfde liefhebben en hem als hun leider erkennen, rechtvaardigen. Vanaf het moment dat ze bij David zijn gekomen, wordt er over hun verdrietig verleden niet meer gesproken.

Zo hebben zij die zich vandaag de dag rondom de Heere Jezus scharen, hun eigen morele ellende, hun ontzaglijk grote schuld tegenover God, de bitterheid van hun ziel (vers 2), ingeruild voor Zijn gerechtigheid. Vanaf het moment dat ze ingezien hebben dat ze nergens meer voor deugen, dat de wereld hen geen enkele bevrediging kan geven, hebben ze in Hem hun Leider gevonden. Hij is het Voorwerp van al hun genegenheid.

Wat had David zijn metgezellen te bieden? Voor het heden slechts lijden! Maar in de toekomst zouden ze deel hebben aan zijn koninklijke heerlijkheid. Dàt is het deel van de gelovigen!

Wat een tegenstelling tot de mensen van de wereld die, zoals de knechten van Saul in vers 7, al hun voordeel en hun goederen al in dit leven ontvangen!

1 Samuël 22:11-23
11Toen zond de koning heen, om den priester Achimelech, den zoon van Ahitub, te roepen, en zijns vaders ganse huis, de priesters, die te Nob waren; en zij kwamen allen tot den koning.12En Saul zeide: Hoor nu, gij, zoon van Ahitub! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn heer!13Toen zeide Saul tot hem: Waarom hebt gijlieden samen u tegen mij verbonden, gij en de zoon van Isai, mits dat gij hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zou opstaan tegen mij tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is?14En Achimelech antwoordde den koning en zeide: Wie is toch onder al uw knechten getrouw als David, en des konings schoonzoon, en voortgaande in uw gehoorzaamheid, en is eerlijk in uw huis?15Heb ik heden begonnen God voor hem te vragen? Dat zij verre van mij, de koning legge op zijn knecht geen ding, noch op het ganse huis mijns vader; want uw knecht heeft van al deze dingen niet geweten, klein noch groot.16Doch de koning zeide: Achimelech, gij moet den dood sterven, gij en het ganse huis uws vaders.17En de koning zeide tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u, en doodt de priesters des HEEREN, omdat hun hand ook met David is, en omdat zij geweten hebben, dat hij vluchtte, en hebben het voor mijn oren niet geopenbaard. Doch de knechten des konings wilden hun hand niet uitsteken, om op de priesters des HEEREN aan te vallen.18Toen zeide de koning tot Doeg: Wend gij u, en val aan op de priesters. Toen wendde zich Doeg, de Edomiet, en hij viel aan op de priesters, en doodde te dien dage vijf en tachtig mannen, die den linnen lijfrok droegen.19Hij sloeg ook Nob, de stad dezer priesters, met de scherpte des zwaards, van den man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels, en de schapen, sloeg hij met de scherpte des zwaards.20Doch een der zonen van Achimelech, den zoon van Ahitub, ontkwam, wiens naam was Abjathar; die vluchtte David na.21En Abjathar boodschapte het David, dat Saul de priesteren des HEEREN gedood had.22Toen zeide David tot Abjathar: Ik wist wel te dien dage, toen Doeg, de Edomiet, daar was, dat hij het voorzeker Saul zou te kennen geven; ik heb oorzaak gegeven tegen al de zielen van uws vaders huis.23Blijf bij mij; vrees niet; want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken; maar gij zult met mij in bewaring zijn.

Terwijl David, de toekomstige koning, met zijn getrouwen ronddoolt en vogelvrij verklaard is, smeedt Saul zijn misdadige plannen tegen hem.

Tegelijkertijd drijft Saul's jaloezie hem ertoe de priesters van de HEERE te vermoorden. Wat hij ten aanzien van Amalek, de vijand van het volk, niet heeft uitgevoerd (daar hij Agag en het beste vee spaarde; hoofdstuk 15), voltrekt hij nu zonder blikken of blozen wel aan de inwoners van de stad Nob.

Hij laat de complete stad "met de scherpte des zwaards" uitroeien. Om zijn wraak uit te voeren, maakt Saul gebruik van de verrader zelf, Doëg, een Edomiet. Deze man is een vreselijk beeld van de antichrist die zich in de toekomst tegen de Heere en tegen Zijn volk Israël zal verheffen (zie Psalm 52).

In tegenstelling hiermee mogen we nu een beeld van grote genade zien: Abjathar sluit zich aan bij de gezalfde van de HEERE. "Blijf bij mij", zegt David tegen hem, "want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken" (vers 23).

"Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft", brengt de Heere Jezus de discipelen in herinnering. En: "Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen" (Johannes 15 vers 18 en 20).

Zijn we diep in ons hart bang voor deze vervolging, deze haat van de wereld? Laten we dan luisteren naar de belofte die nooit is herroepen en die de Heere ook jegens ons waar wil maken: "Gij zult bij mij veilig zijn" (vers 23; vergelijk Mattheüs 28 vers 20).

1 Samuël 23:1-13
1En men boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen Kehila, en zij beroven de schuren.2En David vraagde den HEERE, zeggende: Zal ik heengaan en deze Filistijnen slaan? En de HEERE zeide tot David: Ga heen, en gij zult de Filistijnen slaan en Kehila verlossen.3Doch de mannen Davids zeiden tot hem: Zie, wij vrezen hier in Juda; hoeveel te meer, als wij naar Kehila tegen der Filistijnen slagorden gaan zullen.4Toen vraagde David den HEERE nog verder; en de HEERE antwoordde hem en zeide: Maak u op, trek af naar Kehila; want Ik geef de Filistijnen in uw hand.5Alzo toog David en zijn mannen naar Kehila, en hij streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, en hij sloeg onder hen een groten slag; alzo verloste David de inwoners van Kehila.6En het geschiedde, toen Abjathar, de zoon van Achimelech, tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met den efod in zijn hand.7Als aan Saul te kennen gegeven werd, dat David te Kehila gekomen was, zo zeide Saul: God heeft hem in mijn hand overgegeven, want hij is besloten, komende in een stad met poorten en grendelen.8Toen liet Saul al het volk ten strijde roepen, dat zij aftogen naar Kehila, om David en zijn mannen te belegeren.9Als nu David verstond, dat Saul dit kwaad tegen hem heimelijk voorhad, zeide hij tot den priester Abjathar: Breng den efod herwaarts.10En David zeide: HEERE, God van Israel! Uw knecht heeft zekerlijk gehoord, dat Saul zoekt naar Kehila te komen, en de stad te verderven om mijnentwil.11Zullen mij ook de burgers van Kehila in zijn hand overgeven? Zal Saul afkomen, gelijk als Uw knecht gehoord heeft? O HEERE, God van Israel, geef het toch Uw knecht te kennen! De HEERE nu zeide: Hij zal afkomen.12Daarna zeide David: Zouden de burgers van Kehila mij en mijn mannen overgeven in de hand van Saul? En de HEERE zeide: Zij zouden u overgeven.13Toen maakte zich David en zijn mannen op, omtrent zeshonderd man, en zij gingen uit Kehila, en zij gingen heen, waar zij konden gaan. Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David uit Kehila ontkomen was, zo hield hij op uit te trekken.

Toen David hoorde van de aanval van de Filistijnen op Kehíla, had hij kunnen zeggen: 'Het is Saul's taak het land te beschermen!' Maar dat deed hij niet!

Ondanks het gevaar voor hemzelf, komt hij die eens zijn schapen redde uit de klauwen van een leeuw en een beer, toch deze bedreigde stad te hulp. Daarmee handelt David zoals het een ware koning betaamt.

Vóórdat hij tot daden overgaat, vergeet hij niet eerst God om raad te vragen (vers 2). Laten wij dat ook nooit nalaten, ook al lijken onze eigen plannen ons neg zo goed, want dat is echte afhankelijkheid van de Heere!

De mannen van David zijn bang. Ze doen ons denken aan de discipelen van de Heere Jezus: "Zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd" (Markus 10 vers 32). Om zijn mensen te bemoedigen, vraagt David de HEERE nog een keer om Zijn aanwijzing. Daarop krijgt hij een nog duidelijker antwoord. En inderdaad behalen ze de overwinning!

Maar wat verdrietig! David weet heel goed dat zij die hij nu net bevrijd heeft, de inwoners van Kehíla, in staat zijn hem zonder pardon aan Saul uit te leveren. Daarom vertrouwt hij hen niet.

Was dat bij de Heere Jezus ook niet het geval? Hij was gekomen om Zijn volk te bevrijden. Velen geloofden in Zijn Naam door het zien van de tekenen die Hij deed. Het bleek echter geen hartezaak te zijn, want de Schrift vervolgt: "Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelf niet, omdat Hij hen allen kende ... want Hijzelf wist, wat in de mens was" (Johannes 2 vers 23 tot en met 25). Hij kent ook onze harten!

1 Samuël 23:14-29
14David nu bleef in de woestijn in de vestingen, en hij bleef op den berg in de woestijn Zif; en Saul zocht hem alle dagen, doch God gaf hem niet over in zijn hand.15Als David zag, dat Saul uitgetogen was, om zijn ziel te zoeken, zo was David in de woestijn Zif in een woud.16Toen maakte zich Jonathan, de zoon van Saul, op, en hij ging tot David in het woud; en hij versterkte zijn hand in God.17En hij zeide tot hem: Vrees niet, want de hand van Saul, mijn vader, zal u niet vinden, maar gij zult koning worden over Israel, en ik zal de tweede bij u zijn; ook weet mijn vader Saul zulks wel.18En die beiden maakten een verbond voor het aangezicht des HEEREN; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.19Toen togen de Zifieten op tot Saul naar Gibea, zeggende: Heeft zich niet David bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op den heuvel van Hachila, die aan de rechterhand der wildernis is?20Nu dan, o koning, kom spoedig af naar al de begeerte uwer ziel; en het komt ons toe hem over te geven in de hand des konings.21Toen zeide Saul: Gezegend zijt gijlieden den HEERE, dat gij u over mij ontfermd hebt!22Gaat toch heen, en bereidt de zaak nog meer, dat gij weet en beziet zijn plaats, waar zijn gang is, wie hem daar gezien heeft; want hij heeft tot mij gezegd, dat hij zeer listiglijk pleegt te handelen.23Daarom ziet toe, en verneemt naar alle schuilplaatsen, in dewelke hij schuilt; komt dan weder tot mij met vast bescheid, zo zal ik met ulieden gaan; en het zal geschieden, zo hij in het land is, zo zal ik hem naspeuren onder alle duizenden van Juda.24Toen maakten zij zich op, en zij gingen naar Zif voor het aangezicht van Saul. David nu en zijn mannen waren in de woestijn van Maon, in het vlakke veld, aan de rechterhand der wildernis.25Saul en zijn mannen gingen ook om te zoeken. Dat werd David geboodschapt, die van dien rotssteen afgegaan was, en bleef in de woestijn van Maon. Toen Saul dat hoorde, jaagde hij David na in de woestijn van Maon.26En Saul ging aan deze zijde des bergs, en David en zijn mannen aan gene zijde des bergs. Het geschiedde nu, dat zich David haastte, om te ontgaan van het aangezicht van Saul; en Saul en zijn mannen omsingelden David en zijn mannen, om die te grijpen.27Doch daar kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u, en kom, want de Filistijnen zijn in het land gevallen.28Toen keerde zich Saul van David na te jagen, en hij toog den Filistijnen tegemoet; daarom noemde men die plaats Sela-Machlekoth.29

Doordat hij verblind en verhard was, waagde Saul het in vers 7 van David te zeggen: "God heeft hem in mijn hand overgegeven". Vers 14 brengt echter met een zekere ironie de waarheid aan het licht: "God gaf hem niet over in zijn hand".

En toch moet de geliefde, de pas tot koning gezalfde, de man naar Gods hart, de bitterheid en onrechtvaardigheid van zijn situatie ervaren, als een door de maatschappij uitgestotene. Hij moet al het menselijke kwaad dat zich tegen hem keert, leren kennen: haat, afgunst, ondankbaarheid, ja, zelfs verraad.

Doen ons deze Zifieten niet denken aan Judas die zijn Meester heeft verraden? Ja, de Heere Jezus, de verworpen Koning, heeft deze stroom van kwaad nog meer dan David ervaren.

Hij is Degene "Die zulk een tegenspreken van de zondaren
tegen Zich heeft verdragen" (Hebreeën 12 vers 3). Zijn hart
dat zó heel gevoelig is, heeft hier ten diepste onder geleden!

Wat David doorgemaakt heeft, kunnen we uit bepaalde Psalmen die hij in de woestijn geschreven heeft, opmaken (Psalm 54, 63 enzovoorts).

Het bezoek van Jónathan bemoedigt hem en vestigt zijn ogen op de toekomst. Maar deze trouwe vriend "ging naar zijn huis" (vers 18; vergelijk Johannes 7 vers 53), terwijl David, een kostbaar beeld van een Grotere dan hij, samen met hen die alles verlaten hebben om hem na te volgen, de weg van verwerping verder gaat.

1 Samuël 24:1-22
1En David toog van daar op, en hij bleef in de vestingen van En-gedi.2En het geschiedde, nadat Saul wedergekeerd was van achter de Filistijnen, zo gaf men hem te kennen, zeggende: Zie, David is in de woestijn van En-gedi.3Toen nam Saul drie duizend uitgelezen mannen uit gans Israel, en hij toog heen, om David en zijn mannen te zoeken boven op de rotsstenen der steenbokken.4En hij kwam tot de schaapskooien aan den weg, waar een spelonk was; en Saul ging daarin, om zijn voeten te dekken. David nu en zijn mannen zaten aan de zijden der spelonken.5Toen zeiden de mannen van David tot hem: Zie den dag, in welken de HEERE tot u zegt: Zie, Ik geef uw vijand in uw hand, en gij zult hem doen, gelijk als het goed zal zijn in uw ogen. En David stond op, en sneed stilletjes een slip van Sauls mantel.6Doch het geschiedde daarna, dat Davids hart hem sloeg, omdat hij de slip van Saul afgesneden had.7En hij zeide tot zijn mannen: Dat late de HEERE ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, den gezalfde des HEEREN, dat ik mijn hand tegen hem uitsteken zou; want hij is de gezalfde des HEEREN!8En David scheidde zijn mannen met woorden, en liet hun niet toe, dat zij opstonden tegen Saul. En Saul maakte zich op uit de spelonk, en ging op den weg.9Daarna maakte zich David ook op, en ging uit de spelonk, en hij riep Saul achterna, zeggende: Mijn heer koning! Toen zag Saul achter zich om, en David boog zich met het aangezicht ter aarde en neigde zich.10En David zeide tot Saul: Waarom hoort gij de woorden der mensen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad?11Zie, te dezen dage hebben uw ogen gezien, dat de HEERE u heden in mijn hand gegeven heeft in deze spelonk, en men zeide, dat ik u doden zou; doch mijn hand verschoonde u, want ik zeide: Ik zal mijn hand niet uitsteken tegen mijn heer, want hij is de gezalfde des HEEREN.12Zie toch, mijn vader, ja, zie de slip uws mantels in mijn hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zo heb ik u niet gedood; beken en zie, dat er in mijn hand geen kwaad, noch overtreding is, en ik tegen u niet gezondigd heb; nochtans jaagt gij mijn ziel, dat gij ze wegneemt.13De HEERE zal richten tussen mij en tussen u, en de HEERE zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn.14Gelijk als het spreekwoord der ouden zegt: Van de goddelozen komt goddeloosheid voort; maar mijn hand zal niet tegen u zijn.15Naar wien is de koning van Israel uitgegaan? Wien jaagt gij na? Naar een doden hond, naar een enige vlo!16Doch de HEERE zal zijn tot Rechter, en richten tussen mij en tussen u, en zien daarin, en twisten mijn twist, en richten mij van uw hand.17En het geschiedde, toen David geeindigd had al deze woorden tot Saul te spreken, zo zeide Saul: Is dit uw stem, mijn zoon David? Toen hief Saul zijn stem op en weende.18En hij zeide tot David: Gij zijt rechtvaardiger dan ik; want gij hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden.19En gij hebt mij heden aangewezen, dat gij mij goed gedaan hebt; want de HEERE had mij in uw hand besloten, en gij hebt mij niet gedood.20Zo wanneer iemand zijn vijand gevonden heeft, zal hij hem op een goeden weg laten gaan? De HEERE nu vergelde u het goede, voor dezen dag, dien gij mij heden gemaakt hebt.21En nu, zie, ik weet, dat gij voorzeker koning worden zult, en dat het koninkrijk van Israel in uw hand bestaan zal.22Zo zweer mij dan nu bij den HEERE, zo gij mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijn naam zult uitdelgen van mijns vaders huis! [ (I Samuel 24:23) Toen zwoer David aan Saul; en Saul ging in zijn huis, maar David en zijn mannen gingen op in de vesting. ]

David en zijn mannen hebben een toevlucht gevonden in andere spelonken: de vestingen van Engedi.

In Hebreeën 11 vers 38 is sprake van deze geloofsmannen: "(Welker de wereld niet waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in holen der aarde".

En nu zien we hoe Saul nog dreiging en moord blaast, zoals zijn naamgenoot in Handelingen 9 vers 1. Tijdens zijn achtervolging gaat hij 'toevallig' dezelfde spelonk binnen als die waarin David zich verborgen houdt.

DM moet de hand van God zijn, denken de mannen van David direct: 'De HEERE geeft je hiermee een gelegenheid om je van je vijand te ontdoen en zijn plaats op de troon in te nemen'.

Maar David doet het niet. Hij eert "de gezalfde des HEEREN", ondanks diens boosheid (vergelijk 1 Petrus 2 vers 17). Hij brengt daarmee de vermaning uit Romeinen 12 vers 19 in praktijk: "Wreekt uzelf niet, beminden".

De waardigheid en zachtmoedigheid van David herinneren ons aan Hem Die Zich niet op Zijn vijanden heeft gewroken, maar juist voor hen bad: "Vader, vergeef het hun" (Lukas 23 vers 34).

Beschaamd en blijkbaar gebroken (vergelijk Psalm 35) moet Saul de rechten van David op het koningschap van Israël erkennen. De vijanden van Christus zullen zelf eens moeten erkennen dat Hij "Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader" (Filippi 2 vers 11; zie ook Jesaja 49 vers 7).

1 Samuël 25:1-17
1En Samuel stierf; en gans Israel vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis te Rama. En David maakte zich op, en toog af naar de woestijn Paran.2En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren zijner schapen te Karmel.3En de naam des mans was Nabal, en de naam zijner huisvrouw was Abigail; en de vrouw was goed van verstand, en schoon van gedaante; maar de man was hard en boos van daden, en hij was een Kalebiet.4Als David hoorde in de woestijn, dat Nabal zijn schapen schoor,5Zo zond David tien jongelingen; en David zeide tot de jongelingen: Gaat op naar Karmel, en als gij tot Nabal komt, zo zult gij hem in mijn naam naar den welstand vragen;6En zult alzo zeggen tot dien welvarende: Vrede zij u, en uw huize zij vrede, en alles, wat gij hebt, zij vrede!7En nu, ik heb gehoord, dat gij scheerders hebt; nu, de herders, die gij hebt, zijn bij ons geweest; wij hebben hun geen smaadheid aangedaan, en zij hebben ook niets gemist al de dagen, die zij te Karmel geweest zijn.8Vraag het uw jongelingen, en zij zullen het u te kennen geven. Laat dan deze jongelingen genade vinden in uw ogen, want wij zijn op een goeden dag gekomen; geef toch uw knechten, en uw zoon David, hetgeen uw hand vinden zal.9Toen de jongelingen van David gekomen waren, en in Davids naam naar al die woorden tot Nabal gesproken hadden, zo hielden zij stil.10En Nabal antwoordde den knechten van David, en zeide: Wie is David, en wie is de zoon van Isai? Er zijn heden vele knechten, die zich afscheuren, elk van zijn heer.11Zou ik dan mijn brood, en mijn water, en mijn geslacht vlees nemen, dat ik voor mijn scheerders geslacht heb, en zou ik het den mannen geven, die ik niet weet, van waar zij zijn?12Toen keerden zich de jongelingen van David naar hun weg; en zij keerden weder, en kwamen, en boodschapten hem achtervolgens al deze woorden.13David dan zeide tot zijn mannen: Een iegelijk gorde zijn zwaard aan. Toen gordde een iegelijk zijn zwaard aan, en David gordde ook zijn zwaard aan; en zij togen op achter David, omtrent vierhonderd man, en daar bleven er tweehonderd bij het gereedschap.14Doch een jongeling uit de jongelingen boodschapte het aan Abigail, de huisvrouw van Nabal, zeggende: Zie, David heeft boden gezonden uit de woestijn, om onzen heer te zegenen; maar hij is tegen hen uitgevaren.15Nochtans zijn zij ons zeer goede mannen geweest; en wij hebben geen smaadheid geleden, en wij hebben niets gemist al de dagen, die wij met hen verkeerd hebben, toen wij op het veld waren.16Zij zijn een muur om ons geweest, zo bij nacht als bij dag, al de dagen, die wij bij hen geweest zijn, weidende de schapen.17Weet dan nu, en zie, wat gij doen zult; want het kwaad is ten volle over onzen heer besloten, en over zijn ganse huis; en hij is een zoon Belials, dat men hem niet mag aanspreken.

Samuël sterft. Met zijn dood is er ook een einde gekomen aan de gebeden die hij zo trouw voor het volk opzond tot God (hoofdstuk 12 vers 23).

Mozes en hij zijn twee grote voorbeelden voor ons wat de voorbede betreft (Jeremia 15 vers 1). Het is altijd ernstig als God een man of vrouw van het gebed van ons wegneemt, wanneer een stem verstomt die misschien veel voor ons gebeden heeft! De stem van de Heere zal echter nooit zwijgen! "... alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden" (Hebreeën 7 vers 25).

David, de echte koning, de redder van Israël, is hier te midden van zijn volk een trouwe herder. Hij heeft even zorgvuldig over de kudden van de rijke Nabal gewaakt als vroeger over de schapen van zijn eigen vader.

Nu stuurt hij jongelingen naar Nabal toe met woorden van vrede voor zijn huis (vers 6; vergelijk Lukas 10 vers 5).

Maar Nabal wil David niet kennen en veracht hem (vers 10). Nabal lijkt op de farizeeën die van de Heere zeiden: "Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar van Deze weten wij niet, van waar Hij is" (Johannes 9 vers 29).

Nabal verwerpt zowel de ware koning als diens boodschappers. Dat is wat de Heere Jezus tegen Zijn discipelen gezegd heeft: "Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij" (Lukas 10 vers 16).

1 Samuël 25:18-31
18Toen haastte zich Abigail, en nam tweehonderd broden, en twee lederzakken wijns, en vijf toebereide schapen, en vijf maten geroost koren, en honderd stukken rozijnen, en tweehonderd klompen vijgen, en legde die op ezelen.19En zij zeide tot haar jongelingen: Trekt heen voor mijn aangezicht; ziet, ik kom achter ulieden; doch haar man Nabal gaf zij het niet te kennen.20Het geschiedde nu, toen zij op den ezel reed, en dat zij afkwam in het verborgene des bergs, en ziet, David en zijn mannen kwamen af haar tegemoet, en zij ontmoette hen.21David nu had gezegd: Trouwens ik heb te vergeefs bewaard al wat deze in de woestijn heeft, alzo dat er niets van alles, wat hij heeft, gemist is; en hij heeft mij kwaad voor goed vergolden.22Zo doe God aan de vijanden van David, en zo doe Hij daartoe, indien ik van allen, die hij heeft, iets tot morgen overlaat, dat mannelijk is!23Toen nu Abigail David zag, zo haastte zij zich, en kwam van den ezel af, en zij viel voor het aangezicht van David op haar aangezicht, en zij boog zich ter aarde.24En zij viel aan zijn voeten en zeide: Och, mijn heer, mijn zij de misdaad, en laat toch uw dienstmaagd voor uw oren spreken, en hoor de woorden uwer dienstmaagd.25Mijn heer stelle toch zijn hart niet aan dezen Belials man, aan Nabal; want gelijk zijn naam is, alzo is hij; zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uw dienstmaagd, heb de jongelingen van mijn heer niet gezien, die gij gezonden hebt.26En nu, mijn heer! zo waarachtig als de HEERE leeft, en uw ziel leeft, het is de HEERE, Die u verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uw hand u zou verlossen; en nu, dat als Nabal worden uw vijanden, en die tegen mijn heer kwaad zoeken!27En nu, dit is de zegen, dien uw dienstmaagd mijn heer toegebracht heeft, dat hij gegeven worde den jongelingen, die mijns heren voetstappen nawandelen.28Vergeef toch aan uw dienstmaagd de overtreding, want de HEERE zal zekerlijk mijn heer een bestendig huis maken, dewijl mijn heer de oorlogen des HEEREN oorloogt, en geen kwaad bij u gevonden is van uw dagen af.29Wanneer een mens opstaan zal om u te vervolgen, en om uw ziel te zoeken, zo zal de ziel mijns heren ingebonden zijn in het bundeltje der levenden bij den HEERE, uw God; maar de ziel uwer vijanden zal Hij slingeren uit het midden van de holligheid des slingers.30En het zal geschieden, als de HEERE mijn heer naar al het goede doen zal, dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u gebieden zal een voorganger te zijn over Israel;31Zo zal dit u, mijn heer, niet zijn tot wankeling, noch aanstoot des harten, te weten, dat gij bloed zonder oorzaak zoudt vergoten hebben, en dat mijn heer zichzelven zou verlost hebben; en als de HEERE mijn heer weldoen zal, zo zult gij uwer dienstmaagd gedenken.

"Zij vergelden mij kwaad voor goed", zegt David in Psalm 35 vers 12. Dat heeft Nabal gedaan. Dat had Saul ook gedaan, zoals hijzelf in het voorgaande hoofdstuk moest toegeven: "Gij hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden" (hoofdstuk 24 vers 18).

Maar deze keer wil David het kwaad dat hem is aangedaan, niet met goed vergelden. In een uitbarsting van toorn omgordt de leider zich met zijn zwaard om wraak te nemen.

Nu lijkt hij niet meer op zijn volkomen Voorbeeld, de Heere Jezus "Die, toen Hij gescholden werd, niet terugschold, en toen Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Hem, Die rechtvaardig oordeelt" (1 Petrus 2 vers 23).

In het huis van Nabal wonen wijsheid en dwaasheid naast elkaar. De dwaasheid had zich geopenbaard door de mond van de ongelovige Nabal (zijn naam betekent 'dwaas'). Nu is het de wijsheid die door middel van de godvrezende Abigáïl, een vrouw met een goed verstand (vers 3), ingrijpt.

Ze gaat met haar geschenken op pad om hem die zij als de gezalfde van de HEERE erkent, te ontmoeten. Ze valt aan zijn voeten neer, erkent haar onwaardigheid en roemt zijn huidige en toekomstige heerlijkheden. Haar geloof heeft haar dit laten zien in de koning naar Gods hart.

We mogen gerust stellen dat dwaasheid en ongeloof altijd hand in hand gaan, maar ook dat ware wijsheid en geloof niet van elkaar te scheiden zijn.

1 Samuël 25:32-44
32Toen zeide David tot Abigail: Gezegend zij de HEERE, de God Israels, Die u te dezen dage mij tegemoet gezonden heeft!33En gezegend zij uw raad en gezegend zijt gij, dat gij mij te dezen dage geweerd hebt, van te komen met bloedstorting, dat mijn hand mij verlost zou hebben!34Want voorzeker, de HEERE, de God Israels, leeft, Die mij verhinderd heeft, van u kwaad te doen, dat, ten ware dat gij u gehaast hadt, en mij tegemoet gekomen waart, zo ware van Nabal niemand, die mannelijk is, overgebleven tot het morgenlicht!35Toen nam David uit haar hand, wat zij hem gebracht had; en hij zeide tot haar: Trek met vrede op naar uw huis; zie, ik heb naar uw stem gehoord, en heb uw aangezicht aangenomen.36Toen nu Abigail tot Nabal kwam, ziet, zo had hij een maaltijd in zijn huis, als eens konings maaltijd; en het hart van Nabal was vrolijk op denzelven, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet een woord, klein noch groot, te kennen, tot aan het morgenlicht.37Het geschiedde nu in den morgen, toen de wijn van Nabal gegaan was, zo gaf hem zijn huisvrouw die woorden te kennen. Toen bestierf zijn hart in het binnenste van hem, en hij werd als een steen.38En het geschiedde omtrent na tien dagen, zo sloeg de HEERE Nabal, dat hij stierf.39Toen David hoorde, dat Nabal dood was, zo zeide hij: Gezegend zij de HEERE, Die den twist mijner smaadheid getwist heeft van de hand van Nabal, en heeft zijn knecht onthouden van het kwade, en dat de HEERE het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen wederkeren! En David zond heen, en liet met Abigail spreken, dat hij ze zich ter vrouwe nam.40Als nu de knechten van David tot Abigail gekomen waren te Karmel, zo spraken zij tot haar, zeggende: David heeft ons tot u gezonden, dat hij zich u ter vrouwe neme.41Toen stond zij op, en neigde zich met het aangezicht ter aarde, en zij zeide: Ziet, uw dienstmaagd zij tot een dienares, om de voeten der knechten mijns heren te wassen.42Abigail nu haastte, en maakte zich op, en zij reed op een ezel, met haar vijf jonge maagden, die haar voetstappen nawandelden; zij dan volgde de boden van David na, en zij werd hem ter huisvrouw.43Ook nam David Ahinoam van Jizreel; alzo waren ook die beiden hem tot vrouwen.44Want Saul had zijn dochter Michal, de huisvrouw van David, gegeven aan Palti, den zoon van Lais, die van Gallim was.

Terwijl Nabal een feestmaal viert, "als de maaltijd van een koning" (nádat hij de ware koning had afgewezen en verworpen!), wordt hijzelf door God geslagen.

Wij verliezen er niets bij als we de Heere in onze plaats laten handelen.

Abigáïl, de vrouw van het geloof, heeft zich door haar goed inzicht, haar haast (vers 18, 23 en 42), haar ootmoedige houding en haar toegenegenheid onderscheiden.

"Als de HEERE ... u gebieden zal een voorganger te zijn over Israël ..., zo zult gij aan uw dienstmaagd gedenken", had ze gevraagd (vers 30 en 31; vergelijk dit met het gebed van de misdadiger aan het kruis in Lukas 23 vers 42).

Het antwoord overtreft al haar verwachtingen: David neemt haar tot vrouw. Daarmee heeft zij zonder enige spijt afstand genomen van de rijkdommen van de aarde om in holen en woestijnen het lot te delen van de verworpen koning.

Vroeger was ze verbonden aan een dwaas, maar nu wordt ze tot de gelukkige echtgenote van de 'geliefde'. Nú. deelt ze nog in zijn lijden, maar later in zijn heerschappij.

Dit is een prachtig beeld van de gemeente, de bruid van het Lam, die de positie van haar Bruidegom en Heere deelt. Vandaag nog verworpen en veracht, zoals Hijzelf, zal deze bruid straks met Hem in heerlijkheid de heerschappij aanvaarden!

"Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen", zegt 2 Timotheüs 2 vers 12 (zie ook Romeinen 8 vers 17).

1 Samuël 26:1-12
1De Zifieten nu kwamen tot Saul te Gibea, zeggende: Houdt zich David niet verborgen op den heuvel van Hachila, voor aan de wildernis?2Toen maakte zich Saul op, en toog af naar de woestijn Zif, en met hem drie duizend man, uitgelezenen van Israel, om David te zoeken in de woestijn Zif.3En Saul legerde zich op den heuvel van Hachila, die voor aan de wildernis is aan den weg, maar David bleef in de woestijn, en zag, dat Saul achter hem kwam naar de woestijn.4Want David had verspieders gezonden, en hij vernam, dat Saul voorzeker kwam.5En David maakte zich op, en kwam aan de plaats, waar Saul zich gelegerd had, en David bezag de plaats, waar Saul lag, met Abner, den zoon van Ner, zijn krijgsoverste. En Saul lag in den wagenburg, en het volk was rondom hem gelegerd.6Toen antwoordde David, en sprak tot Achimelech, den Hethiet, en tot Abisai, den zoon van Zeruja, den broeder van Joab, zeggende: Wie zal met mij tot Saul in het leger afgaan? Toen zeide Abisai: Ik zal met u afgaan.7Alzo kwamen David en Abisai tot het volk des nachts; en ziet, Saul lag te slapen in den wagenburg, en zijn spies stak in de aarde aan zijn hoofdeinde, en Abner, en het volk lag rondom hem.8Toen zeide Abisai tot David: God heeft heden uw vijand in uw hand besloten; laat mij toch hem nu met de spies op eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet ten tweeden male doen.9David daarentegen zeide tot Abisai: Verderf hem niet; want wie heeft zijn hand aan den gezalfde des HEEREN gelegd, en is onschuldig gebleven?10Verder zeide David: Zo waarachtig als de HEERE leeft, de HEERE zal hem slaan, of zijn dag zal komen, dat hij zal sterven, of hij zal in een strijd trekken, dat hij omkome.11De HEERE late het verre van mij zijn, dat ik mijn hand legge aan den gezalfde des HEEREN! zo neem toch nu de spies, die aan zijn hoofdeinde is, en de waterfles, en laat ons gaan.12Zo nam David de spies en de waterfles van Sauls hoofdeinde, en zij gingen heen; en er was niemand, die het zag, en niemand, die het merkte, ook niemand, die ontwaakte; want zij sliepen allen; want er was een diepe slaap des HEEREN op hen gevallen.

De onbaatzuchtigheid van David in hoofdstuk 24 leek eindelijk het hart van Saul geraakt te hebben. Maar helaas was het geen echt berouw!

Naar aanleiding van het gemene verraad van de Zifieten die zichzelf bij Saul geliefd willen maken, trekt de koning opnieuw op tegen hem die eens zijn plaats moet innemen.

Psalm 54 die bij deze gelegenheid geschreven werd, laat ons iets zien van de smart die David ervoer door deze schandelijke daad van de Zifieten. Hij smeekt tot God om hulp tegen deze vijanden die hem naar het leven staan. Zij hebben God niet voor hun ogen gesteld (Psalm 54 vers 5), maar híj roept wel tot God en als antwoord op dat gebed beschermt God Zijn gezalfde. En God geeft hem opnieuw een gelegenheid de oprechtheid in zijn handelen tegenover Saul te tonen.

Tijdens een nachtelijke expeditie krijgt hij de speer in handen waarmee de misdadige koning hem tot tweemaal toe wilde doorboren. Eén woord zou voldoende zijn om Saul te doden. Abísai staat erop te wachten. Maar ook nu weerhoudt de barmhartigheid jegens Saul en de gehoorzaamheid aan God David van deze daad.

Heeft ons volmaakte Voorbeeld niet precies zó gehandeld? Lees bijvoorbeeld eens Lukas 9 vers 54 en 55. De Heere Jezus Zelf bracht de woorden die Hij te voren tot de discipelen gezegd had, in praktijk: "Hebt uw vijanden lief; doet wel aan hen, die u haten ... Weest dan barmhartig ... oordeelt niet ... verdoemt niet" (Lukas 6 vers 27, 36 en 37).

Laten we deze woorden van de Heere toch altijd op onszelf toepassen!

1 Samuël 26:13-25
13Toen David over aan gene zijde gekomen was, zo stond hij op de hoogte des bergs van verre, dat er een grote plaats tussen hen was.14En David riep tot het volk, en tot Abner, den zoon van Ner, zeggende: Zult gij niet antwoorden, Abner? Toen antwoordde Abner en zeide: Wie zijt gij, die tot den koning roept?15Toen zeide David tot Abner: Zijt gij niet een man, en wie is u gelijk in Israel? Waarom dan hebt gij over uw heer, den koning, geen wacht gehouden? Want daar is een van het volk gekomen, om den koning, uw heer, te verderven.16Deze zaak, die gij gedaan hebt, is niet goed; zo waarachtig als de HEERE leeft, gijlieden zijt kinderen des doods, die over uw heer, den gezalfde des HEEREN, geen wacht gehouden hebt! En nu, zie, waar de spies des konings is, en de waterfles, die aan zijn hoofdeinde was.17Saul nu kende de stem van David, en zeide: Is dit uw stem, mijn zoon David? David zeide: Het is mijn stem, mijn heer koning!18Hij zeide verder: Waarom vervolgt mijn heer zijn knecht alzo achterna, want wat heb ik gedaan, en wat kwaad is er in mijn hand?19En nu, mijn heer de koning hore toch naar de woorden zijns knechts. Indien de HEERE u tegen mij aanport, laat Hem het spijsoffer rieken; maar indien het mensenkinderen zijn, zo zijn zij vervloekt voor het aangezicht des HEEREN, dewijl zij mij heden verstoten, dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel des HEEREN, zeggende: Ga heen, dien andere goden.20En nu, mijn bloed valle niet op de aarde van voor het aangezicht des HEEREN; want de koning van Israel is uitgegaan om een enige vlo te zoeken, gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt.21Toen zeide Saul: Ik heb gezondigd; keer weder, mijn zoon David, want ik zal u geen kwaad meer doen, voor dat mijn ziel dezen dag dierbaar in uw ogen geweest is; zie, ik heb dwaselijk gedaan, en ik heb zeer grotelijks gedwaald.22Toen antwoordde David, en zeide: Zie, de spies des konings; zo laat een van de jongelingen overkomen, en halen ze.23De HEERE dan vergelde aan een iegelijk zijn gerechtigheid en zijn getrouwheid; want de HEERE had u heden in mijn hand gegeven; maar ik heb mijn hand niet willen uitsteken, aan den gezalfde des HEEREN.24En zie, gelijk als te dezen dage uw ziel in mijn ogen is groot geacht geweest, alzo zij mijn ziel in de ogen des HEEREN groot geacht, en Hij verlosse mij uit allen nood.25Toen zeide Saul tot David: Gezegend zijt gij, mijn zoon David; gij zult het ja gewisselijk doen, en gij zult ook gewisselijk de overhand hebben. Toen ging David op zijn weg, en Saul keerde weder naar zijn plaats.

Het valt ons misschien moeilijk het karakter van Saul te begrijpen. Hoe vallen zijn berouw, beloften en betuigingen van een zekere aanhankelijkheid toch te rijmen met de hernieuwde verbittering waarmee hij David vervolgt en probeert te doden?

We mogen geloof nooit verwarren met sentiment en emoties! Het sentiment kan tranen overvloedig laten vloeien en kan dan komen tot de uitspraak: "Ik heb gezondigd" (hoofdstuk 15 vers 30 en 26 vers 21). Ja, er kunnen zelfs plechtige beloften gedaan worden! Maar het geweten is niet altijd geraakt.

Dat blijkt ook duidelijk, want de vrucht is bij Saul niet van blijvende aard. Hij is een oppervlakkig iemand. Het gemoed schiet hem gauw vol, maar hij heeft geen kracht om zijn goede voornemens ten uitvoer te brengen, omdat hij geen geloof heeft.

David bewaart zijn waardigheid, ondanks zijn vernedering! Hij wordt vervolgd, "zoals men een veldhoen op de bergen najaagt", en toch toont hij zich heer en meester van de situatie. Hij berispt Abner en stelt bepaalde vragen aan Saul waarop deze geen antwoord kan geven (vers 18 tot en met 20).

Opnieuw gaan onze harten uit naar Hem Die, nádat Hij vernederd, veracht en verworpen werd, "verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden" zal. En er wordt aan toegevoegd: "Ja, de koningen zullen hun mond over Hem gesloten houden; want wie het niet verkondigd was, die zullen het zien" (Jesaja 52 vers 13 tot en met 15).

1 Samuël 27:1-12
1David nu zeide in zijn hart: Nu zal ik een der dagen door Sauls hand omkomen; mij is niet beter, dan dat ik haastelijk ontkome in het land der Filistijnen, opdat Saul van mij de hoop verlieze, om mij meer te zoeken in de ganse landpale van Israel; zo zal ik ontkomen uit zijn hand.2Toen maakte zich David op, en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren, tot Achis, den zoon van Maoch, den koning van Gath.3En David bleef bij Achis te Gath, hij en zijn mannen, een iegelijk met zijn huis; David met zijn beide vrouwen, Ahinoam, en Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, de Karmelietische.4Toen aan Saul geboodschapt werd, dat David gevlucht was naar Gath, zo voer hij niet meer voort hem te zoeken.5En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, men geve mij een plaats in een van de steden des lands, dat ik daar wone; want waarom zou uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen?6Toen gaf Achis te dien dage Ziklag; daarom is Ziklag van de koningen van Juda geweest tot op dezen dag.7Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.8David nu toog op met zijn mannen, en zij overvielen de Gesurieten, en de Girzieten, en de Amalekieten (want deze zijn vanouds geweest de inwoners des lands), dat gij gaat naar Sur, en tot aan Egypteland.9En David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen, en de ezelen, en kemels, en klederen, en keerde weder en kwam tot Achis.10Als Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen? zo zeide David: Tegen het zuiden van Juda, en tegen het zuiden der Jerahmeelieten, en tegen het zuiden der Kenieten.11En David liet noch man noch vrouw leven, om te Gath te brengen, zeggende: Dat zij misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzo heeft David gedaan! En alzo was zijn wijze al de dagen, die hij in der Filistijnen land gewoond heeft.12En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten enenmaal stinkende gemaakt bij zijn volk, in Israel; daarom zal hij eeuwiglijk mij tot een knecht zijn.

Het eerste bezoek van David aan Achis te Gath had hem alleen maar te schande gemaakt (zie hoofdstuk 21 vers 10 tot en met 15). Toch keert hij uit angst voor Saul daarnaar terug.

We herkennen in hem op dit ogenblik niet meer de man die zich in het voorgaande hoofdstuk zonder angst te midden van de vijanden begaf om de speer en de waterfles van de koning weg te nemen.

En we kunnen in de man die nu zijn toevlucht tot de Filistijnen neemt, al helemaal niet meer de overwinnaar van de reus Goliath herkennen!

Maar let op! Komt het bij ons soms ook niet voor dat de mensen niet meer aan ons kunnen zien dat we volgelingen van de Heere Jezus zijn?

Misschien hebben we, met Zijn hulp, een overwinning behaald. We hebben, evenals David, getoond vertrouwen in God te hebben. We stonden standvastig in ons getuigenis tegenover de mensen. Er was aan en in ons iets van Zijn grote genade te zien. En dan ... plotseling, van het éne moment op het andere, is er niets meer van te bespeuren! We staan weer aan de kant van de wereld, doordat we met de vijanden van de Heere gemene zaak maken!

Ja, David heeft in Gath de nederlaag van de Filistijn vergeten. Beste vrienden, laten wij het kruis nóóit vergeten! Dat houdt ons als een slagboom gescheiden van de wereld die de Heere Jezus gekruisigd heeft (vergelijk Galaten 6 vers 14).

1 Samuël 28:1-14
1En het geschiedde in die dagen, als de Filistijnen hun legers vergaderden tot den strijd, om tegen Israel te strijden, zo zeide Achis tot David: Gij zult zekerlijk weten, dat gij met mij in het leger zult uittrekken, gij en uw mannen.2Toen zeide David tot Achis: Aldus zult gij weten, wat uw knecht doen zal. En Achis zeide tot David: Daarom zal ik u ten bewaarder mijns hoofds zetten, te allen dage.3Samuel nu was gestorven, en gans Israel had rouw over hem bedreven; en zij hadden hem begraven te Rama, te weten in zijn stad. En Saul had uit het land weggedaan de waarzeggers en duivelskunstenaars.4En de Filistijnen kwamen en vergaderden zich, en zij legerden zich te Sunem; en Saul vergaderde gans Israel, en zij legerden zich op Gilboa.5Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij, en zijn hart beefde zeer.6En Saul vraagde den HEERE; maar de HEERE antwoordde hem niet; noch door dromen, noch door de urim, noch door de profeten.7Toen zeide Saul tot zijn knechten: Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft.8En Saul verstelde zich, en trok andere klederen aan, en ging heen, en twee mannen met hem, en zij kwamen des nachts tot de vrouw, en hij zeide: Voorzeg mij toch door den waarzeggenden geest, en doe mij opkomen, dien ik tot u zeggen zal.9Toen zeide de vrouw tot hem: Zie, gij weet, wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzegsters en de duivelskunstenaars uit dit land heeft uitgeroeid; waarom stelt gij dan mijn ziel een strik, om mij te doden?10Saul nu zwoer haar bij den HEERE, zeggende: Zo waarachtig als de HEERE leeft, indien u een straf om deze zaak zal overkomen!11Toen zeide de vrouw: Wien zal ik u doen opkomen? En hij zeide: Doe mij Samuel opkomen.12Toen nu de vrouw Samuel zag, zo riep zij met luider stem, en de vrouw sprak tot Saul, zeggende: Waarom hebt gij mij bedrogen? Want gij zijt Saul.13En de koning zeide tot haar: Vrees niet; maar wat ziet gij? Toen zeide de vrouw tot Saul: Ik zie goden, uit de aarde opkomende.14Hij dan zeide tot haar: Hoe is zijn gedaante? En zij zeide: Er komt een oud man op, en hij is met een mantel bekleed. Toen Saul vernam, dat het Samuel was, zo neigde hij zich met het aangezicht ter aarde, en hij boog zich.

Terwijl David in Gath in een twijfelachtige en gevaarlijke situatie verkeert, is het met Saul nog veel erger gesteld.

Hij is ontzettend bang voor de Filistijnen die zich voor een nieuwe oorlog verzamelen, want hij heeft geen enkelhouvast meer. Hij heeft de HEERE verlaten en zelf is hij nu door Hem verlaten.

Hij wringt zich in allerlei bochten. Maar het is tevergeefs; God antwoordt hem niet!

Dat is een ernstige illustratie van Spreuken 1 vers 24 tot en met 33 (met name de verzen 24 en 28)!

Laten we er altijd aan denken dat een gelovige niet hoeft te verwachten dat hij de wil van de Heere zal leren kennen, als zijn geweten in een slechte toestand verkeert.

Ook vandaag de dag bestaan er nog mensen die denken dat zij de geesten van overledenen kunnen oproepen. De duivel gebruikt hen om arme, bijgelovige zielen te verleiden. Zij worden dan inderdaad niet met de overledenen in verbinding gebracht, maar met demonen die zich voordoen als de gestorvenen.

Kinderen van God, blijf toch op een zo groot mogelijke afstand van deze dingen! Waak ervoor dat er niet een zekere nieuwsgierigheid naar deze dingen in het hart groeit! Dit alles is in het oog van God een gruwel (Deuteronomium 18 vers 9 tot en met 14 en Leviticus 19 vers 31).

Saul wist dit. In betere dagen had hij ervoor gewaakt dat de waarzeggers en duivelskunstenaars uit Israël uitgeroeid zouden worden (vers 3). Maar deze ontrouwe, vleselijke man neemt in zijn verwarring nu zelf de toevlucht tot de waarzegster van Endor.

1 Samuël 28:15-25
15En Samuel zeide tot Saul: Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen? Toen zeide Saul: Ik ben zeer beangstigd, want de Filistijnen krijgen tegen mij, en God is van mij geweken, en antwoordt mij niet meer, noch door den dienst der profeten, noch door dromen; daarom heb ik u geroepen, dat gij mij te kennen geeft, wat ik doen zal.16Toen zeide Samuel: Waarom vraagt gij mij toch, dewijl de HEERE van u geweken en uw vijand geworden is?17Want de HEERE heeft voor Zich gedaan, gelijk als Hij door mijn dienst gesproken heeft; en heeft het koninkrijk van uw hand gescheurd, en Hij heeft dat gegeven aan uw naaste, aan David.18Gelijk als gij naar de stem des HEEREN niet gehoord hebt, en de hittigheid Zijns toorns niet uitgericht hebt tegen Amalek; daarom heeft de HEERE u deze zaak gedaan te dezen dage.19En de HEERE zal ook Israel met u in de hand der Filistijnen geven, en morgen zult gij en uw zonen bij mij zijn; ook zal de HEERE het leger van Israel in de hand der Filistijnen geven.20Toen viel Saul haastelijk ter aarde, zo lang als hij was, en hij vreesde zeer vanwege de woorden van Samuel; ook was er geen kracht in hem; want hij had den gehelen dag en den gehelen nacht geen brood gegeten.21De vrouw nu kwam tot Saul, en zag, dat hij zeer verbaasd was; en zij zeide tot hem: Zie, uw dienstmaagd heeft naar uw stem gehoord, en ik heb mijn ziel in mijn hand gesteld, en ik heb uw woorden gehoord, die gij tot mij gesproken hebt.22Zo hoor toch gij nu ook naar de stem uwer dienstmaagd, en laat mij een bete broods voor u zetten, en eet; zo zal er kracht in u zijn, dat gij over weg gaat.23Doch hij weigerde het, en zeide: Ik zal niet eten. Maar zijn knechten, en ook de vrouw, hielden bij hem aan. Toen hoorde hij naar hun stem, en hij stond op van de aarde, en zette zich op het bed.24En de vrouw had een gemest kalf in het huis; en zij haastte zich en slachtte het; en zij nam meel, en kneedde het, en bakte daar ongezuurde van.25En zij bracht ze voor Saul en voor zijn knechten, en zij aten; daarna stonden zij op, en gingen weg in dienzelfden nacht.

Wat een angstaanjagende gebeurtenis! De vrouw is zelf ontzettend geschrokken en heeft het uitgeroepen van angst.

Zij heeft niet de macht door een toverwoord Samuël ten tonele te laten verschijnen. Haar meester, satan, was evenmin in staat dit voor elkaar te krijgen. Is het de hand van God Die voor een moment de deur van de verblijfplaats van de gestorvenen opent, om Zijn dienstknecht Samuël op te laten komen? Of is het een boze geest die zich voordoet als Samuël?

Wat Saul te horen krijgt, lijkt op de boodschap die Samuël als kleine jongen aan Eli moest meedelen (zie hoofdstuk 3 vers 11 tot en met 14). Het is een vreselijke bevestiging van het oordeel van de HEERE. Nog slechts één dag en het oordeel zou voltrokken worden. Dan zou het koninkrijk van Saul afgenomen en aan David gegeven worden. Dan zou Saul samen met zijn zonen gaan naar de plaats waar de doden op de opstanding wachten, op de opstanding ten leven of op die ten oordeel.

Het maakt een diepe indruk te zien hoe het einde van deze man was, terwijl zijn leven zó veelbelovend was begonnen.

Beste vrienden, laten we eraan denken dat ook alle nog zó goede eigenschappen — even onherroepelijk als de grofste zonden — tot het eeuwig oordeel zullen leiden, als er geen nieuw leven van God aanwezig is.

Het Goddelijke leven geeft de Heere Jezus aan hen die Hem daarom vragen. Bezit u, bezit jij het al?

1 Samuël 29:1-11
1De Filistijnen nu hadden al hun legers vergaderd te Afek; en de Israelieten legerden zich bij de fontein, die bij Jizreel is.2En de vorsten der Filistijnen togen daarheen met honderden, en met duizenden; doch David met zijn mannen togen met Achis in den achtertocht.3Toen zeiden de oversten der Filistijnen: Wat zullen deze Hebreen? Zo zeide Achis tot de oversten der Filistijnen: Is deze niet David, de knecht van Saul, den koning van Israel, die deze dagen of deze jaren bij mij geweest is? En ik heb in hem niets gevonden van dien dag af, dat hij afgevallen is tot dezen dag toe.4Doch de oversten der Filistijnen werden zeer toornig op hem, en de oversten der Filistijnen zeiden tot hem: Doe den man wederkeren, dat hij tot zijn plaats wederkere, waar gij hem besteld hebt, en dat hij niet met ons aftrekke in den strijd, opdat hij ons niet tot een tegenpartijder worde in den strijd; want waarmede zou deze zich bij zijn heer aangenaam maken? Is het niet met de hoofden dezer mannen?5Is dit niet die David, van denwelken zij in den rei elkander antwoordden, zeggende: Saul heeft zijn duizenden geslagen, maar David zijn tienduizenden?6Toen riep Achis David, en zeide tot hem: Het is zo waarachtig als de HEERE leeft, dat gij oprecht zijt, en uw uitgang en uw ingang met mij in het leger is goed in mijn ogen; want ik heb geen kwaad bij u gevonden, van dien dag af, dat gij tot mij zijt gekomen, tot dezen dag toe; maar gij zijt niet aangenaam in de ogen der vorsten.7Zo keer nu om, en ga in vrede, opdat gij geen kwaad doet in de ogen van de vorsten der Filistijnen.8Toen zeide David tot Achis: Maar wat heb ik gedaan? Of wat hebt gij in uw knecht gevonden, van dien dag af, dat ik voor uw aangezicht geweest ben, tot dezen dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen de vijanden van mijn heer, den koning?9Achis nu antwoordde en zeide tot David: Ik weet het; voorwaar, gij zijt aangenaam in mijn ogen, als een engel Gods; maar de oversten der Filistijnen hebben gezegd: Laat hem met ons in dezen strijd niet optrekken.10Nu dan, maak u morgen vroeg op met de knechten uws heren, die met u gekomen zijn; en als gijlieden u morgen vroeg zult opgemaakt hebben, en het ulieden licht geworden is, zo gaat heen.11Toen maakte zich David vroeg op, hij en zijn mannen, dat zij des morgens weggingen, om weder te keren in het land der Filistijnen; de Filistijnen daarentegen togen op naar Jizreel.

Toen er nog geen openlijke oorlog tussen de Filistijnen en Israël was, was Davids aanwezigheid te midden van de Filistijnen misschien nog enigszins te verontschuldigen, want het huis van Saul had hem in feite in deze ballingschap gebracht.

Maar nu de strijd op het punt staat los te breken, blijkt dat de situatie onhoudbaar is en dat David zich op een verkeerde plaats bevindt. Hij had dat moeten inzien.

Helaas volhardt hij in een bedrieglijk dubbelleven. Hij laat zelfs merken dat hij bereid is aan de kant van de Filistijnen de wapens op te nemen tegen Israël! Maar God maakt, in Zijn grote genade, gebruik van het wantrouwen van de Filistijnse legerleiding om David ternauwernood uit de valstrik die hij voor zichzelf gespannen heeft, te bevrijden.

Laten we eraan denken dat de wereld voor de christen niet alleen vreemd terrein is, maar dat zij hem altijd vijandig gezind is. Met al haar tegemoetkomingen of vleierijen —zoals hier van een Achis tegenover David (vers 6 en 9) — is zij even gevaarlijk als met haar openlijke aanvallen.

De man die beroemd was geworden door het verslaan van zijn tienduizenden onder de Filistijnen, kon zijn eigen overwinningen misschien vergeten, maar zijn vijanden wisten het nog precies (vers 5; vergelijk hoofdstuk 18 vers 7 en 21 vers 11).

Ook als wij het kruis en ons vroegere getuigenis vergeten hebben, zal de wereld toch altijd nog met de vinger naar ons wijzen: 'Is dat niet die christen die dacht dat hij beter was dan wij?'

1 Samuël 30:1-10
1Het geschiedde nu, als David en zijn mannen den derden dag te Ziklag kwamen, dat de Amalekieten in het zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag geslagen, en dezelve met vuur verbrand hadden;2En dat zij de vrouwen, die daarin waren, gevankelijk weggevoerd hadden; doch zij hadden niemand doodgeslagen, van den kleinste tot den grootste, maar hadden ze weggevoerd en waren huns weegs gegaan.3En David en zijn mannen kwamen aan de stad, en ziet, zij was met vuur verbrand; en hun vrouwen, en hun zonen en hun dochteren waren gevankelijk weggevoerd.4Toen hief David en het volk, dat bij hem was, hun stem op, en weenden, tot dat er geen kracht meer in hen was om te wenen.5Davids beide vrouwen waren ook gevankelijk weggevoerd, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.6En David werd zeer bang, want het volk sprak van hem te stenigen; want de zielen van het ganse volk waren verbitterd, een iegelijk over zijn zonen en over zijn dochteren; doch David sterkte zich in den HEERE, zijn God.7En David zeide tot den priester Abjathar, den zoon van Achimelech: Breng mij toch den efod hier. En Abjathar bracht den efod tot David.8Toen vraagde David den HEERE, zeggende: Zal ik deze bende achternajagen? Zal ik ze achterhalen? En Hij zeide tot hem: Jaag na, want gij zult gewisselijk achterhalen, en gij zult gewisselijk verlossen.9David dan ging heen, hij en de zes honderd mannen, die bij hem waren; en als zij kwamen aan de beek Besor, zo bleven de overigen staan.10En David vervolgde hen, hij en die vierhonderd mannen; en tweehonderd mannen bleven staan, die zo moede waren, dat zij over de beek Besor niet konden gaan.

God heeft niet toegelaten dat David aan de strijd tegen Saul die hij tot twee keer toe zo grootmoedig had ontzien, zou deelnemen. En David mocht ook niet optrekken tegen Jónathan, zijn vriend, en tegen Israël waarover hij al kort daarna zou regeren.

Hoewel hij hiervoor bewaard gebleven is, moet hij nu zoals elke ongehoorzame dienstknecht, echter wel de Goddelijke tucht ervaren. Deze tucht is het onheil dat hij bij zijn terugkeer in Ziklag aantreft.

Wat een verdriet voor deze mannen, maar speciaal voor hun leider! Zijn geliefden zijn verdwenen. Hij weet niet of ze gedood of gevangengenomen zijn.

David heeft àlles verloren. Hij is verbannen uit Israël, vervolgd door Saul en verstoten door zijn verkeerde vrienden, de Filistijnen. Maar wat nog erger is: nu zijn het ook nog zijn ware vrienden die hem vanaf het begin bijgestaan hebben, die hij tegen zich krijgt en die hem zelfs willen stenigen!

David heeft niets meer ... of toch nog wel ? Alleen God blijft hem nog over!

En dan lezen we die gedenkwaardige woorden: "Doch David sterkte zich in de HEERE, zijn God" (vers 6). Als hij op niets en niemand meer kan rekenen, ervaart hij de tegenwoordigheid van de Heere, zoals wij dat in een lied zingen: 'Hij verlaat de Zijnen niet!'

Met deze wetenschap en in de kracht die David teruggevonden heeft in zijn God, volgt hij vastberaden het spoor van de roofzuchtige Amalekieten.

1 Samuël 30:11-31
11En zij vonden een Egyptischen man op het veld, en zij brachten hem tot David; en zij gaven hem brood, en hij at, en zij gaven hem water te drinken.12Zij gaven hem ook een stuk van een klomp vijgen, en twee stukken rozijnen; en hij at, en zijn geest kwam weder in hem; want hij had in drie dagen en drie nachten geen brood gegeten, noch water gedronken.13Daarna zeide David tot hem: Wiens zijt gij? En van waar zijt gij? Toen zeide de Egyptische jongen: Ik ben de knecht van een Amalekietischen man, en mijn heer heeft mij verlaten, omdat ik voor drie dagen krank geworden ben.14Wij waren ingevallen tegen het zuiden van de Cherethieten, en op hetgeen van Juda is, en tegen het zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand.15Toen zeide David tot hem: Zoudt gij mij wel henen afleiden tot deze bende? Hij dan zeide: Zweer mij bij God, dat gij mij niet zult doden, en dat gij mij niet zult overleveren in de hand mijns heren! Zo zal ik u tot deze bende afleiden.16En hij leidde hem af, en ziet, zij lagen verstrooid over de ganse aarde, etende, en drinkende, en dansende, om al den groten buit, dien zij genomen hadden uit het land der Filistijnen, en uit het land van Juda.17En David sloeg hen van de schemering tot aan den avond van hunlieder anderen dag; en er ontkwam niet een man van hen, behalve vierhonderd jonge mannen, die op kemelen reden en vloden.18Alzo redde David al wat de Amalekieten genomen hadden; ook redde David zijn twee vrouwen.19En onder hen werd niet gemist van den kleinste tot aan den grootste, en tot aan de zonen en dochteren; en van den buit, ook tot alles, wat zij van hen genomen hadden; David bracht het altemaal weder.20David nam ook al de schapen en de runderen; zij dreven ze voor datzelve vee heen, en zeiden: Dit is Davids buit.21Als David tot de tweehonderd mannen kwam, die zo moede waren geweest, dat zij David niet hadden kunnen navolgen, en die zij aan de beek Besor hadden laten blijven, die gingen David tegemoet, en het volk, dat bij hem was, tegemoet; en David trad tot het volk, en hij vraagde hen naar den welstand.22Toen antwoordde een ieder boos en Belials man onder de mannen, die met David getogen waren, en zij zeiden: Omdat zij met ons niet getogen zijn, zullen wij hun van den buit, dien wij gered hebben, niet geven, maar aan een iegelijk zijn vrouw en zijn kinderen; laat hen die heenleiden, en weggaan.23Maar David zeide: Alzo zult gij niet doen, mijn broeders, met hetgeen ons de HEERE gegeven heeft, en Hij heeft ons bewaard, en heeft de bende, die tegen ons kwam, in onze hand gegeven.24Wie zou toch ulieden in deze zaak horen? Want gelijk het deel dergenen is, die in den strijd mede afgetogen zijn, alzo zal ook het deel dergenen zijn, die bij het gereedschap gebleven zijn; zij zullen gelijkelijk delen.25En dit is van dien dag af en voortaan alzo geweest; want hij heeft het tot een inzetting en tot een recht gesteld in Israel, tot op dezen dag.26Als nu David te Ziklag kwam, zo zond hij tot de oudsten van Juda, zijn vrienden, van den buit, zeggende: Ziet, daar is een zegen voor ulieden, van den buit der vijanden des HEEREN.27Namelijk tot die te Beth-El, en tot die te Ramoth tegen het zuiden, en tot die te Jather,28En tot die te Aroer, en tot die te Sifmoth, en tot die te Esthemoa,29En tot die te Rachel, en tot die, welke in de steden der Jerahmeelieten waren, en tot die, welke in de steden der Kenieten waren,30En tot die te Horma, en tot die te Chor-Asan, en tot die te Atach,31En tot die te Hebron, en tot al de plaatsen, waar David gewandeld had, hij en zijn mannen.

De arme Egyptische knecht die door zijn meester werd verlaten en nu wordt opgenomen en verzorgd door David, doet ons denken aan de man uit de geschiedenis van de barmhartige Samaritaan. De satan brengt de zondaar in een toestand van totale zwakheid en laat hem moreel gezien voor dood liggen. Maar dan komt de Heere Jezus als de barmhartige Samaritaan en geeft de verloren zondaar het leven en de kracht en stelt hem in staat Hem te dienen.

Geleid door deze jongeman verrast David met zijn mannen de Amalekieten die hun overwinning aan het vieren zijn.

God staat toe dat ze alles terugkrijgen wat hen ontroofd is, en bovendien dat ze nog een rijke buit bemachtigen.

Deze Goddelijke genade mogen allen genieten, ook zij die op het gereedschap hebben gepast. Dat is het antwoord van David aan zijn egoïstische en jaloerse begeleiders.

Is dat ook niet de les van het evangelie? De arbeider die pas rond het elfde uur gekomen is, zal even veel loon ontvangen als zijn medearbeiders die, ondanks hun onwilligheid, vanaf de morgen aanwezig waren. Waarom? Omdat hij het met een bovenmate goede meester te doen heeft (zie Mattheüs 20 vers 14 en 15).

Laten we niet denken dat een invalide of ziekelijke gelovige op de dag van Christus minder ten deel zal vallen, omdat hij in onze ogen niet 'in de frontlinie' heeft gestaan.

Wíj kunnen de dienst van onze medegelovigen niet beoordelen, noch hun beloning inschatten. De Heere alleen heeft hen die beloning naar de mate van Zijn volmaakte liefde toegedacht. En dat zal Hij hen ook geven.

1 Samuël 31:1-13
1De Filistijnen dan steden tegen Israel; en de mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op het gebergte Gilboa.2En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchisua, de zonen van Saul.3En de strijd werd zwaar tegen Saul; en de mannen, die met den boog schieten, troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters.4Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit, en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.5Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in zijn zwaard en stierf met hem.6Alzo stierf Saul, en zijn drie zonen, en zijn wapendrager, ook al zijn mannen, te dienzelven dage te gelijk.7Als de mannen van Israel, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israel gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.8Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen, om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn drie zonen, liggende op het gebergte Gilboa.9En zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijn wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden, en onder het volk.10En zij legden zijn wapenen in het huis van Astharoth; en zijn lichaam hechtten zij aan den muur te Beth-San.11Als de inwoners van Jabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden;12Zo maakten zich op alle strijdbare mannen, en gingen den gehelen nacht, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, van den muur te Beth-San; en zij kwamen te Jabes, en brandden ze aldaar.13En zij namen hun beenderen, en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.

Gedurende deze gebeurtenissen barst de strijd tussen de Israëlieten en de Filistijnen los. Al spoedig verloopt die in het voordeel van de Filistijnen, want zij hebben de beschikking over een afdeling boogschutters. De Israëlieten die vanaf een afstand getroffen worden, kunnen hun wapens niet tegen hen gebruiken.

Plotseling merkt Saul dat hij er alleen voor staat. Hij is door zijn soldaten verlaten en door vijanden omringd. In tegenstelling tot David in het voorgaande hoofdstuk (vers 6), laat ook God hem alleen.

De enige, tragische uitweg die hij nog ziet, is zichzelf van het leven te beroven. Judas heeft later hetzelfde gedaan.

Saul wilde zijn schande op aarde ontlopen. Maar zoals zo veel ongelukkige mensen door hun grote hopeloosheid tot zelfmoord werden gedreven (in plaats van in de armen van de Heere Jezus), zo stort ook Saul zich des te sneller in het eeuwige ongeluk.

Een beklagenswaardig iemand! Hij heeft het koningschap gehad en alles wat men zich in de wereld maar kan wensen. Maar wat heeft hij eraan, als hij daarbij zijn ziel verliest? (Markus 8 vers 36).

De mannen van Jabes in Gilead die bloedverwanten zijn van de stam Benjamin (Richteren 21 vers 14), tonen zich erkentelijk tegenover hem die hen eens bevrijd heeft (1 Samuël 11).

Nu wordt de hele oude orde weggedaan om plaats te maken voor de koning naar Gods hart: David, een voorbeeld van Christus, komt om in heerlijkheid te regeren.

2 Samuël 1:1-16
1Voorts geschiedde het na Sauls dood, als David van den slag der Amalekieten was wedergekomen, en David twee dagen te Ziklag gebleven was;2Zo geschiedde het op den derden dag, dat, ziet, uit het heirleger van Saul, een man kwam, wiens klederen gescheurd waren, en aarde was op zijn hoofd; en het geschiedde, als hij tot David kwam, zo viel hij ter aarde en boog zich neder.3En David zeide tot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben ontkomen uit het heirleger van Israel.4Voorts zeide David tot hem: Wat is de zaak? Verhaal het mij toch. En hij zeide, dat het volk uit den strijd gevloden was, en dat er ook velen van het volk gevallen en gestorven waren, dat ook Saul en zijn zoon Jonathan dood waren.5En David zeide tot den jongen, die hem de boodschap bracht: Hoe weet gij, dat Saul dood is, en zijn zoon Jonathan?6Toen zeide de jongen, die hem de boodschap bracht: Ik kwam bij geval op het gebergte van Gilboa; en ziet, Saul leunde op zijn spies; en ziet, de wagens en ritmeesters hielden dicht op hem.7Zo zag hij achter zich om, en zag mij, en hij riep mij, en ik zeide: Zie, hier ben ik.8En hij zeide tot mij: Wie zijt gij? En ik zeide tot hem: Ik ben een Amalekiet.9Toen zeide hij tot mij: Sta toch bij mij, en dood mij; want deze malienkolder heeft mij opgehouden; want mijn leven is nog gans in mij.10Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en het armgesmijde, dat aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn heer gebracht.11Toen vatte David zijn klederen en scheurde ze; desgelijks ook al de mannen, die met hem waren.12En zij weeklaagden, en weenden, en vastten tot op den avond, over Saul en over Jonathan, zijn zoon, en over het volk des HEEREN, en over het huis Israels, omdat zij door het zwaard gevallen waren.13Voorts zeide David tot den jongen, die hem de boodschap gebracht had: Van waar zijt gij? En hij zeide: Ik ben de zoon van een vreemden man, van een Amalekiet.14En David zeide tot hem: Hoe, hebt gij niet gevreesd uw hand uit te strekken, om den gezalfde des HEEREN te verderven.15En David riep een van de jongens, en zeide: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem, dat hij stierf.16En David zeide tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: ik heb den gezalfde des HEEREN gedood.

Het gebeuren in Ziklag heeft David tot verootmoediging gebracht. Daar werd hij zich bewust van zijn eigen zwakheid. Maar dit heeft hem ook weer in de gelukkige verbinding met de HEERE gebracht.

Op deze manier werd hij klaargemaakt voor het koningschap waarmee het tweede Boek van Samuël begint.

De man die David komt vertellen van de dood van Saul, was "in zijn ogen als een, die goede boodschap bracht" (hoofdstuk 4 vers 10). Hij zal geredeneerd hebben: 'Betekent het einde van Saul voor David niet de dood van zijn vijand en de mogelijkheid om nu de troon te bestijgen?'

Maar deze man kent David die hij nu ontmoet, nog niet. In het hart van de geliefde van de HEERE straalt genade, onbaatzuchtigheid, de liefde tot het volk en het acht geven op de Goddelijke orde. Hoe zou hij zich dan kunnen verheugen als Israël is overwonnen en hun koning voor de ogen van de vijand is onteerd?

"Van waar zijt gij?" vraagt David (vers 13), waarop de man moet toegeven tot de vijanden van Israël te behoren. En het ergste is dat hij ook nog een Amalekiet is!

Met deze poging David door leugen te misleiden, heeft hij slechts zichzelf bedrogen (vergelijk ook Spreuken 11 vers 18).

De Amalekiet had graag gewild dat de nieuwe koning de kroon als het ware uit zijn hand zou aannemen. Daarmee lijkt hij op de grote vijand die probeerde de Heere Jezus te verleiden tot het uit zijn hand aannemen van alle koninkrijken van de wereld en haar heerlijkheid — maar ook zonder succes (Mattheüs 4 vers 8 tot en met 11)!

2 Samuël 1:17-27
17David nu klaagde deze klage over Saul en over Jonathan, zijn zoon;18Als hij gezegd had, dat men den kinderen van Juda den boog zou leren; ziet, het is geschreven in het boek des Oprechten.19O Sieraad van Israel, op uw hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen!20Verkondigt het niet te Gath, boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters der onbesnedenen niet opspringen van vreugde.21Gij, bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet zijn op u, noch velden der hefofferen; want aldaar is der helden schild smadelijk weggeworpen, het schild van Saul, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie.22Van het bloed der verslagenen, van het vette der helden, werd Jonathans boog niet achterwaarts gedreven; en Sauls zwaard keerde niet ledig weder.23Saul en Jonathan, die beminden, en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hun dood niet gescheiden; zij waren lichter dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen.24Gij, dochteren Israels, weent over Saul; die u kleedde met scharlaken, met weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding.25Hoe zijn de helden gevallen in het midden van den strijd! Jonathan is verslagen op uw hoogten!26Ik ben benauwd om uwentwil, mijn broeder Jonathan! Gij waart mij zeer liefelijk; uw liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.27Hoe zijn de helden gevallen, en de krijgswapenen verloren!

David kan zich niet verheugen over het ongeluk dat zijn rivaal en achtervolger, Saul, is overkomen. Integendeel zelfs, hij heft een aangrijpend klaaglied over hem aan.

In dit 'lied van de boog' worden de menselijke voortreffelijkheden van Saul geroemd: zijn kracht, zijn goedgeefsheid, zijn geliefdheid. David zwijgt over het slechte karakter van de koning waaronder hij toch zoveel te lijden heeft gehad.

David wil zelfs graag de nederlaag van Saul die bij de vijanden van de HEERE alleen maar blijdschap en verachting zou oproepen, geheim houden. "Verkondigt het niet te Gath" (vers 20).

Evenals voor de kinderen van Juda is het ook voor ons noodzakelijk dat we de lessen uit het 'lied van de boog' leren, namelijk om:

bedroefd te zijn over het ongeluk van een ander;

het goede naar voren te brengen, zelfs van hen die ons niet liefhebben;

ervoor op te passen dat we de nare dingen die we van iemand weten, niet verder vertellen; en

te zwijgen over de fouten van onze broeders en zusters als we denken aan het getuigenis van het volk van God ten aanzien van de wereld (1 Petrus 4 vers 8).

Dan geeft David in zijn lied nog uitdrukking aan de grote smart in zijn hart over zijn vriend Jónathan. Zijn verdriet getuigt van een wonderbare, aandoenlijke liefde.

Toch is dit slechts een zwak beeld van de liefde van de Heere Jezus, van Zijn ondoorgrondelijke liefde waarvan niets — zelfs geen dood — ons ooit zal kunnen scheiden (Romeinen 8 vers 38 en 39).

2 Samuël 2:1-11
1En het geschiedde daarna, dat David den HEERE vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in een der steden van Juda? En de HEERE zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarheen zal ik optrekken? En Hij zeide: Naar Hebron.2Alzo toog David derwaarts op, als ook zijn twee vrouwen, Ahinoam, de Jizreelietische, en Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet.3Ook deed David zijn mannen optrekken, die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin; en zij woonden in de steden van Hebron.4Daarna kwamen de mannen van Juda, en zalfden aldaar David tot een koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead, die Saul begraven hebben.5Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den HEERE, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uw heer, aan Saul, en hebt hem begraven.6Zo doe nu de HEERE aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.7En nu, laat uw handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heer Saul gestorven is; en ook hebben mij die van het huis van Juda tot koning over zich gezalfd.8Abner nu, de zoon van Ner, de krijgsoverste, dien Saul gehad had, nam Isboseth, Sauls zoon, en voerde hem over naar Mahanaim,9En maakte hem ten koning over Gilead, en over de Aschurieten, en over Jizreel, en over Efraim, en over Benjamin, en over gans Israel.10Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israel; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.11Het getal nu der dagen, die David koning geweest is te Hebron, over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.

David had destijds, toen hij naar de Filistijnen trok, God niet om raad gevraagd. Dat leidde onherroepelijk tot een mislukking.

Toch was deze bittere ervaring niet tevergeefs. Nu vraagt hij tot twee keer toe de HEERE om raad!

Wij kunnen nooit genoeg vasthouden aan dit grote beginsel in het christelijke leven: het beginsel van afhankelijkheid! Dat is onze plicht, maar tegelijkertijd ook de bron van onze kracht en veiligheid.

De plaats Hebron waar God Zijn gezalfde naartoe leidt, spreekt van gemeenschap. Daar zijn ook de graven van de aartsvaders.

Christus, de Geliefde van God, de ware David, is in gehoorzaamheid aan God in de dood gegaan, vóórdat Hij openlijk Zijn rijk aanvaarden zal.

Dat is ook de grondslag waarop Hij de Zijnen leidt. De gelovige is met Christus gestorven.

David vergeet de bewoners van Jabes in Gilead die Saul goedertierenheid bewezen hebben, niet.

En de Heere, zou Hij dat kleine beetje barmhartigheid waartoe Hij ons in staat stelt, ooit vergeten (vergelijk Hebreeën 6 vers 10)?

Het koningschap van David wordt stap voor stap opgericht. Voorlopig wordt hij alleen door Juda als koning erkend. De rest van het volk onderwerpt zich nog aan Isbóseth, de zoon van Saul, die gesteund wordt door Abner, de voormalige overste van het leger van Saul.

2 Samuël 2:12-32
12Toen toog Abner, de zoon van Ner, uit, met de knechten van Isboseth, den zoon van Saul, van Mahanaim naar Gibeon.13Joab, de zoon van Zeruja, en de knechten van David, togen ook uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon; en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers.14En Abner zeide tot Joab: Laat zich nu de jongens opmaken, en voor ons aangezicht spelen. En Joab zeide: Laat hen zich opmaken.15Toen maakten zich op, en gingen over in getal, twaalf van Benjamin, te weten voor Isboseth, Sauls zoon, en twaalf van Davids knechten.16En de een greep den ander bij het hoofd, en stiet zijn zwaard in de zijde des anderen, en zij vielen te zamen; daarvan noemde men dezelve plaats Chelkath-Hazurim, die bij Gibeon is.17En er was op dienzelfden dag een gans zeer harde strijd. Doch Abner en de mannen van Israel werden voor het aangezicht der knechten van David geslagen.18Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja, Joab, en Abisai en Asahel; en Asahel was licht op zijn voeten, als een der reeen, die in het veld zijn.19En Asahel jaagde Abner achterna; en hij week niet, om van achter Abner ter rechterhand of ter linkerhand af te gaan.20Toen zag Abner achter zich om, en zeide: Zijt gij dit, Asahel? En hij zeide: Ik ben het.21En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem.22Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab?23Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven.24Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna; en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is voor Giach, op den weg der woestijn van Gibeon.25En de kinderen van Benjamin verzamelden zich achter Abner, en werden tot een hoop; en zij stonden op de spits van een heuvel.26Toen riep Abner tot Joab, en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult gij het volk niet zeggen, dat zij wederkeren van hun broederen te vervolgen?27En Joab zeide: Zo waarachtig als God leeft, ten ware dat gij gesproken hadt, zekerlijk het volk zou al toen van den morgen af weggevoerd zijn geweest, een iegelijk van zijn broeder te vervolgen!28Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en zij jaagden Israel niet meer achterna, en voeren niet wijders voort te strijden.29Abner dan en zijn mannen gingen dienzelfden gansen nacht over het vlakke veld; en zij gingen over de Jordaan en wandelden het ganse Bithron door, en kwamen tot Mahanaim.30Joab keerde ook weder van achter Abner, en verzamelde het ganse volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen, en Asahel.31Maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.32En zij namen Asahel op, en begroeven hem in zijns vaders graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijn mannen gingen den gansen nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron.

We vinden nu tot aan het einde van hoofdstuk 4 de beschrijving van de strijd tussen David en Isbóseth. Of beter gezegd: tussen hun beide generaals, Joab en Abner.

Het is een strijd om aanzien, want deze beide hoogmoedige mannen willen elk de eerste plaats innemen. Zij eisen beiden voor zich de positie van legeroverste op.

Deze strijd wordt uiteindelijk beëindigd door de moord op Abner door Joab. En korte tijd later wordt ook Isbóseth gedood.

Deze verdrietige omstandigheden — het gaat tenslotte om een burgeroorlog — worden door de HEERE gebruikt om het rijk van Zijn koning stapsgewijs op te richten.

Geweld en wraakzucht nemen de vrije loop. De strijd om de macht begint bij de vijver van Gibeon nog als een spel. Men wil immers alleen maar zien wie het meest ervaren en de sterkste is.

De stap van hoogmoed naar moord is echter maar heel klein! Hoe gauw wordt de grens niet overschreden! In het heetst van het gevecht verliest men de zelfbeheersing en vóórdat men er goed over nadenkt, is de misdaad al begaan. De vierentwintig jonge mannen vallen gezamenlijk. De één steekt de ander neer.

We willen er nog op wijzen dat David zich afzijdig houdt van de strijd die Joab in de naam van de koning meent te moeten voeren.

We leren deze Joab kennen als een listige, gewetenloze man die de zaak van David alleen verdedigt, omdat hij er persoonlijk baat bij heeft.

2 Samuël 3:1-5; 2 Samuël 5:1-9
1En er was een lange krijg tussen het huis van Saul, en tussen het huis van David. Doch David ging en werd sterker; maar die van het huis van Saul gingen en werden zwakker.2En David werden zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu was Amnon, van Ahinoam, de Jizreelietische;3En zijn tweede was Chileab, van Abigail, de huisvrouw van Nabal, den Karmeliet; en de derde, Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Thalmai, koning van Gesur;4En de vierde, Adonia, de zoon van Haggith; en de vijfde Sefatja, de zoon van Abital;5En de zesde, Jithream, van Egla, Davids huisvrouw. Dezen zijn David geboren te Hebron.
1Toen kwamen alle stammen van Israel tot David te Hebron; en zij spraken, zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vlees zijn wij.2Daartoe ook te voren, toen Saul koning over ons was, waart gij Israel uitvoerende en inbrengende; ook heeft de HEERE tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israel weiden, en gij zult tot een voorganger zijn over Israel.3Alzo kwamen alle oudsten van Israel tot den koning te Hebron; en de koning David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David tot koning over Israel.4Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd.5Te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden; en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig jaren over gans Israel en Juda.6En de koning toog met zijn mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebusieten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: Gij zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven; dat is te zeggen: David zal hier niet inkomen.7Maar David nam den burg Sion in; dezelve is de stad Davids.8Want David zeide ten zelven dage: Al wie de Jebusieten slaat, en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen, en die blinden, die van Davids ziel gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een overste zijn; daarom zegt men: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen.9Alzo woonde David in den burg en noemde dien Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts.

David heeft tijdens deze gebeurtenissen geduldig in Hebron gewacht, totdat de HEERE hem als koning over heel Israël stelde. Zo wacht de Heere Jezus nu in de hemel op het moment dat God Hem Zijn allesomvattend rijk zal geven.

Hoe komt de grootheid van David naar voren in zijn klacht over Joab: "Deze mannen, de zonen van Zerúja, zijn harder dan ik". Hij was een strijdbaar held en werd door zijn vijanden gevreesd. Joab echter versloeg een edel man in een tijd van vrede en door middel van bedrog. Waarom? Enkel uit haat en wraakzucht, omdat Abner zijn broeder Asahel in de strijd had verslagen, na hem twee keer gewaarschuwd te hebben, en uit jaloezie, omdat Joab bang was dat Abner zijn plaats van generaal zou innemen! Wat is het hart van de mens toch verdorven! Tot alles is hij in staat, als het om zijn eigen voordeel gaat.

Gods gerechtigheid ziet echter alles. Op zijn sterfbed geeft David bevel dat Joab zijn straf niet mag ontlopen (zie 1 Koningen 2 vers 5 en 6 en 31 tot en met 34).

Uiteindelijk bestraft God iedere onrechtvaardigheid en beloont Hij iedere gerechtigheid, óf hier op aarde, óf straks in de eeuwigheid.

Isboseth wordt op dezelfde wijze gedood als zijn legeroverste Abner die hij beschuldigd had (vergelijk hoofdstuk 3 vers 27 met 4 vers 6).

Opnieuw wordt de afhankelijkheid van David aan de HEERE daarin openbaar dat hij alles werkelijk volledig aan Hem wil overgeven. Hij straft de moordenaars van Isboseth, evenals hij de man die de tijding van Sauls dood bracht, had gestraft (hoofdstuk 1 vers 14 tot en met 16).

2 Samuël 5:10-25
10David nu ging geduriglijk voort, en werd groot; want de HEERE, de God der heirscharen, was met hem.11En Hiram, de koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis.12En David merkte, dat de HEERE hem tot een koning over Israel bevestigd had, en dat Hij zijn koninkrijk verheven had, om Zijns volks Israels wil.13En David nam meer bijwijven, en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was; en David werden meer zonen en dochteren geboren.14En dit zijn de namen dergenen, die hem te Jeruzalem geboren zijn: Schammua, en Schobab, en Nathan, en Salomo.15En Ibchar, en Elischua en Nefeg, en Jafia,16En Elischama, en Eljade, en Elifeleth.17Als nu de Filistijnen hoorden, dat zij David ten koning over Israel gezalfd hadden, zo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David, dat horende, toog af, naar den burg.18En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Refaim.19Zo vraagde David den HEERE, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult Gij ze in mijn hand geven? En de HEERE zeide tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zekerlijk in uw hand geven.20Toen kwam David te Baal-Perazim; en David sloeg hen aldaar, en zeide: De HEERE heeft mijn vijanden voor mijn aangezicht gescheurd, als een scheur der wateren; daarom noemde hij den naam derzelve plaats, Baal-Perazim.21En zij lieten hun afgoden aldaar; en David en zijn mannen namen ze op.22Daarna togen de Filistijnen weder op; en zij verspreidden zich in het dal Refaim.23En David vraagde den HEERE, Dewelke zeide: Gij zult niet optrekken; maar trek om tot achter hen, dat gij aan hen komt van tegenover de moerbezienbomen;24En het geschiede, als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbezienbomen, dan rep u; want alsdan is de HEERE voor uw aangezicht uitgegaan, om het heirleger der Filistijnen te slaan.25En David deed alzo, gelijk als de HEERE hem geboden had; en hij sloeg de Filistijnen van Geba af, totdat gij komt te Gezer.

We vinden hier een belangrijke verandering. De troon van David wordt overgeplaatst naar Jeruzalem, de stad die voortaan zo'n belangrijke plaats in de geschiedenis van het volk en in de raadsbesluiten van God zou innemen. Binnen de muren bevindt zich op de berg Sion echter een bijna onneembare vesting waar de Jebusieten zich sinds de dagen van Jozua konden handhaven. Ondanks hun grootspraak neemt David de burcht toch in. Helaas vergeet hij dan de genade die hem zó vaak heeft gekenmerkt. Hij geeft uitdrukking aan zijn haat door kreupelen de toegang tot het huis van God te ontzeggen. Wat een tegenstelling tot de Heere Jezus Die juist de blinden en verlamden in de tempel binnenliet om hen te genezen (Mattheus 21 vers 14).

We mochten Davids geloof en afhankelijkheid bewonderen, ook in de verzen 19 en 23 in de strijd tegen de Filistijnen. Helaas bereikt hij in zijn gezinsleven niet diezelfde hoogte. Ondanks het verbod voor koningen (Deuteronomium 17 vers 17), neemt David veel vrouwen. Als hij alleen de trouwe Abigáïl als echtgenote had gehad, zouden we drie namen die voor hem tot een oorzaak van grote ellende zijn geworden, niet lezen: Amnon, Absalom en Adónia (hoofdstuk 3 vers 2 tot en met 4).

Door de aanwijzingen van de HEERE op te volgen, kan de strijd tegen de Filistijnen met succes worden gestreden. Voor de tweede slag had David kunnen denken: 'Laten we het maar precies zó doen als de eerste keer, dat had immers succes!' Maar we zien juist dat hij de HEERE opnieuw om raad vraagt! Dat was maar goed ook, want het antwoord was dit maal heel anders dan de eerste keer!

Laten wij oppassen voor eigen wijsheid en steeds Hem om raad vragen. Dan zullen we overwinningen behalen.

2 Samuël 6:1-11
1Daarna verzamelde David wederom alle uitgelezenen in Israel, dertig duizend.2En David maakte zich op, en ging heen met al het volk, dat bij hem was, van Baalim-Juda, om van daar op te brengen de ark Gods, bij dewelke de Naam wordt aangeroepen, de Naam van den HEERE der heirscharen, Die daarop woont tussen de cherubim.3En zij voerden de ark Gods op een nieuwen wagen, en haalden ze uit het huis van Abinadab, dat op een heuvel is; en Uza en Ahio, zonen van Abinadab, leidden den nieuwen wagen.4Toen zij hem nu uit het huis van Abinadab, dat op den heuvel is, met de ark Gods, wegvoerden, zo ging Ahio voor de ark henen.5En David en het ganse huis Israels speelden voor het aangezicht des HEEREN, met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, ook met schellen, en met cimbalen.6Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorsvloer, zo strekte Uza zijn hand uit aan de ark Gods, en hield ze, want de runderen struikelden.7Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Uza, en God sloeg hem aldaar, om deze onbedachtzaamheid; en hij stierf aldaar bij de ark Gods.8En David ontstak, omdat de HEERE een scheur gescheurd had aan Uza; en hij noemde dezelve plaats Perez-Uza, tot op dezen dag.9En David vreesde den HEERE ten zelven dage; en hij zeide: Hoe zal de ark des HEEREN tot mij komen?10David dan wilde de ark des HEEREN niet tot zich laten overbrengen in de stad Davids; maar David deed ze afwijken in het huis van Obed-Edom, den Gethiet.11En de ark des HEEREN bleef in het huis van Obed-Edom, den Gethiet, drie maanden; en de HEERE zegende Obed-Edom en zijn ganse huis.

De eerste gedachte van David ná de wijding tot zijn koningschap gaat uit naar de ark van God. Hij roept dertigduizend mannen op, "alle uitgelezenen in Israël". Nu niet om te strijden, maar om de ark op waardige wijze naar Jeruzalem te begeleiden.

Wij zullen de Persoon van de Heere Jezus nooit genoeg eer kunnen bewijzen. Maar de huldiging en aanbidding die we Hem brengen, moet wel in gehoorzaamheid aan Zijn Woord gebracht worden! We moeten goed beseffen waar we mee bezig zijn!

Volgens de Goddelijke aanwijzingen moest de ark op de schouders gedragen worden (Numeri 7 vers 9). Helaas hebben David en het volk hier geen waarde aan gehecht. Volgens hen was een nieuwe wagen, zoals de onwetende Filistijnen die ook gebruikt hadden, veel beter geschikt voor het transport. Dat was immers ook veel praktischer dan de ark te voet te vervoeren?

En dan wordt Uza door de dood getroffen. Wat een schrik!

We zijn misschien geneigd te denken dat de schuld van Uza toch niet zó groot was dat er zo'n zware straf op moest volgen. Toch blijkt God dat wèl zo te beoordelen! Hij wil ons, evenals David, laten zien dat het heel ernstig is als wij onze goede bedoelingen en aanwijzingen in de plaats stellen van Zíjn aanwijzingen. Vooral als het om de dienst voor God gaat!

Wat een droevige onderbreking van deze mooie plechtigheid! David is tegelijkertijd diep onder de indruk èn vervuld van vrees. Hij laat de ark van de HEERE ergens onder dak brengen en verliest daarmee een zegen die nu aan het huis van Obed—Edom ten deel valt.

2 Samuël 6:12-23
12Toen boodschapte men den koning David, zeggende: De HEERE heeft het huis van Obed-Edom, en al wat hij heeft, gezegend om der ark Gods wil; zo ging David heen en haalde de ark Gods uit het huis van Obed-Edom opwaarts in de stad Davids, met vreugde.13En het geschiedde, als zij, die de ark des HEEREN droegen, zes treden voortgetreden waren, dat hij ossen en gemest vee offerde.14En David huppelde met alle macht voor het aangezicht des HEEREN; en David was omgord met een linnen lijfrok.15Alzo brachten David en het ganse huis Israels de ark des HEEREN op, met gejuich en met geluid der bazuinen.16En het geschiedde, als de ark des HEEREN in de stad Davids kwam, dat Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag. Als zij nu den koning David zag, springende en huppelende voor het aangezicht des HEEREN, verachtte zij hem in haar hart.17Toen zij nu de ark des HEEREN inbrachten, stelden zij die in haar plaats, in het midden der tent, die David voor haar gespannen had; en David offerde brandofferen voor des HEEREN aangezicht, en dankofferen.18Als David geeindigd had het brandoffer en de dankofferen te offeren, zo zegende hij het volk in den Naam des HEEREN der heirscharen.19En hij deelde uit aan het ganse volk, aan de ganse menigte van Israel, van de mannen tot de vrouwen toe, aan een iegelijk een broodkoek, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn. Toen ging al dat volk heen, een iegelijk naar zijn huis.20Als nu David wederkwam, om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, uit, David tegemoet, en zeide: Hoe is heden de koning van Israel verheerlijkt, die zich heden voor de ogen van de dienstmaagden zijner dienstknechten heeft ontbloot, gelijk een van de ijdele lieden zich onbeschaamdelijk ontbloot?21Maar David zeide tot Michal: Voor het aangezicht des HEEREN, Die mij verkoren heeft voor uw vader en voor zijn ganse huis, mij instellende tot een voorganger over het volk des HEEREN, over Israel; ja, ik zal spelen voor het aangezicht des HEEREN.22Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzo, en zal nederig zijn in mijn ogen, en met de dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden.23Michal nu, Sauls dochter, had geen kind, tot den dag van haar dood toe.

De ark van God is drie maanden bij Obed—Edom gebleven. Dat bracht hem en zijn gezin zegen wat niet onopgemerkt bleef (vers 12).

Dat is een aangrijpend beeld van de Heere Jezus Die in het huis van de gelovige aanwezig is. Als wij gewend zijn dicht bij Hem te leven, zullen zij die ons kennen, dat bij ons kunnen waarnemen. En dan zullen zij misschien ook de zegen die Hij ons gegeven heeft, willen genieten.

Nu handelt David die de les geleerd heeft, naar Gods gedachten: de ark wordt door de Levieten die zich geheiligd hebben, gedragen. En hij heeft zelf zijn koninklijke waardigheid afgelegd en geeft uitdrukking aan zijn vreugde door voor de ark te dansen.

In de Evangeliën vinden we geen ark meer, maar de Persoon van de Heere Jezus Zelf. Hij trekt te midden van de vreugde van hen die Hem bejubelen, dezelfde stad Jeruzalem binnen (Mattheüs 21 vers 9).

Na zes stappen wordt een offer gebracht. Dat doet ons denken aan de wandel en de dienst voor de Heere (de ware godsdienst) van de christen.

Deze beide dingen roepen bij de ongelovigen verachting op. Van hen is Michal een verdrietig beeld.

De wereld houdt van pracht en praal, maar de gelovige is gelukkig in zijn vernedering. David zegt: "Ook zal ik mij nog geringer houden" (vers 22), opdat de aandacht van hem afgewend en de ogen alleen op de Heere Jezus gevestigd worden (vergelijk Johannes 3 vers 30).

2 Samuël 7:1-17
1En het geschiedde, als de koning in zijn huis zat, en de HEERE hem rust gegeven had van al zijn vijanden rondom,2Zo zeide de koning tot den profeet Nathan: Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark Gods woont in het midden der gordijnen.3En Nathan zeide tot den koning: Ga heen, doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.4Maar het gebeurde in denzelfden nacht, dat het woord des HEEREN tot Nathan geschiedde, zeggende:5Ga, en zeg tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt de HEERE: Zoudt gij Mij een huis bouwen tot Mijn woning?6Want Ik heb in geen huis gewoond, van dien dag af, dat Ik de kinderen Israels uit Egypte opvoerde, tot op dezen dag; maar Ik heb gewandeld in een tent en in een tabernakel.7Overal, waar Ik met al de kinderen Israels heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met een der stammen Israels, dien Ik bevolen heb Mijn volk Israel te weiden, zeggende: Waarom bouwt gij Mij niet een cederen huis?8Nu dan, alzo zult gij tot Mijn knecht, tot David, zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat gij een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israel.9En Ik ben met u geweest, overal, waar gij gegaan zijt, en heb al uw vijanden voor uw aangezicht uitgeroeid; en Ik heb u een groten naam gemaakt, als den naam der groten, die op de aarde zijn.10En Ik heb voor Mijn volk, voor Israel, een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats wone, en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerst.11En van dien dag af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israel. Doch u heb Ik rust gegeven van al uw vijanden. Ook geeft u de HEERE te kennen, dat de HEERE u een huis maken zal.12Wanneer uw dagen zullen vervuld zijn, en gij met uw vaderen zult ontslapen zijn, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uw lijf voortkomen zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.13Die zal Mijn Naam een huis bouwen; en Ik zal den stoel zijns koninkrijks bevestigen tot in eeuwigheid.14Ik zal hem zijn tot een Vader, en hij zal Mij zijn tot een zoon; dewelke als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen der mensenkinderen straffen.15Maar Mijn goedertierenheid zal van hem niet wijken, gelijk als Ik die weggenomen heb van Saul, dien Ik van voor uw aangezicht heb weggenomen.16Doch uw huis zal bestendig zijn, en uw koninkrijk tot in eeuwigheid, voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.17Naar al deze woorden, en naar dit ganse gezicht, alzo sprak Nathan tot David.

"Als iemands wegen de HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen" (Spreuken 16 vers 7). Dit wordt nu werkelijkheid voor David. De HEERE geeft hem "rust van al zijn vijanden rondom".

En omdat hijzelf in een mooi huis van cederhout woont, keurt hij het niet goed dat de ark van God slechts in een eenvoudige tent staat.

Dat is een prachtige karaktertrek van David! Zij die een veilig en goed leven hebben onder ons, mogen nooit vergeten dat hun Meester de wereld heeft doorwandeld als een Vreemdeling Die geen plaats had waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen!

David is van plan een waardig huis voor de HEERE te bouwen. De profeet Nathan is te snel met zijn positieve beoordeling van Davids plannen. Ook als alles goed lijkt, zullen we op de stem van de Heere moeten wachten!

Dan horen we wat God David door de mond van Nathan laat zeggen: 'Het karakter van een wandelaar door de woestijn heb Ik vrijwillig op Mij genomen om in genade te delen in het lot van Mijn volk. Het moment van Mijn rust is nog niet aangebroken. Maar wat jij niet kunt doen, zal één van je nakomelingen later volbrengen.'

In eerste instantie gaat het daarbij om Sálomo, Davids zoon, die de tempel mag bouwen. Maar vers 14 wordt in Hebreeën 1 vers 5 aangehaald en dan blijkt dat deze Koning profetisch gezien de Heere Jezus is, de Zoon van God. Alleen van Hem kan gezegd worden dat Zijn rijk "tot in eeuwigheid" zal zijn. Of er nu persoonlijke (vers 8 en 9) of gemeenschappelijke zegeningen zijn (vers 10), ze hebben allen hun oorsprong in deze onvergelijkbare Persoon.

2 Samuël 7:18-29
18Toen ging de koning David in, en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?19Daartoe is dit in Uw ogen nog klein geweest, Heere HEERE, maar Gij hebt ook over het huis Uws knechts gesproken tot van verre heen; en dit naar de wet der mensen, Heere HEERE!20En wat zal David nog meer tot U spreken? Want Gij kent Uw knecht, Heere HEERE!21Om Uws woords wil, en naar Uw hart hebt Gij al deze grote dingen gedaan, om aan Uw knecht bekend te maken.22Daarom zijt Gij groot, HEERE God! Want er is niemand gelijk Gij, en er is geen God dan alleen Gij, naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben.23En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israel, een enig volk op aarde, hetwelk God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een Naam te zetten, en om voor ulieden deze grote en verschrikkelijke dingen te doen aan Uw land, voor het aangezicht Uws volks, dat Gij U uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden verdrijvende.24En Gij hebt Uw volk Israel U bevestigd, U tot een volk, tot in eeuwigheid; en Gij, HEERE, zijt hun tot een God geworden.25Nu dan, HEERE God, doe dit woord, dat Gij over Uw knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.26En Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De HEERE der heirscharen is God over Israel; en het huis van Uw knecht David zal bestendig zijn voor Uw aangezicht.27Want Gij, HEERE der heirscharen, Gij, God Israels! Gij hebt voor het oor Uws knechts geopenbaard, zeggende: Ik zal u een huis bouwen; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, dit gebed tot U te bidden.28Nu dan, Heere HEERE! Gij zijt die God, en Uw woorden zullen waarheid zijn, en Gij hebt dit goede tot Uw knecht gesproken.29Zo believe het U nu, en zegen het huis van Uw knecht, dat het in eeuwigheid voor uw aangezicht zij; want Gij, Heere HEERE, hebt het gesproken, en met Uw zegen zal het huis van Uw knecht gezegend worden in eeuwigheid.

David wilde graag iets voor de HEERE doen. Maar het Goddelijke antwoord was: 'Ik heb alles voor jou gedaan'. DM is een les die iedereen moet leren.

God heeft Zich Zelf met ons heil en onze rust beziggehouden, ja, met alles wat onze toekomst betreft (vers 19). Wonderbare raadsbesluiten van God waarin wij zonder enige eigen verdienste besloten zijn! "Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!" (Romeinen 11 vers 33).

Wat blijft er voor David dan nog over om te doen? Eenvoudig God danken! De koning komt in de tegenwoordigheid van God, zet zich neer en aanbidt. Precies zoals de gelovige het vandaag de dag mag doen in de samenkomsten van de gelovigen rondom de Heere, in de volle zekerheid dat hij het voorrecht heeft om daar aanwezig te zijn en deze Goddelijke rust nu al mag genieten.

"Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis?" Noch David, de eenvoudige schaapherder (vers 8), noch het volk Israël dat uit Egypteland werd uitgevoerd (vers 6), hebben deze positie verdiend of een recht daarop verworven! Alleen de genade heeft David en zijn volk "tot hiertoe gebracht".

En het gebed van de koning, de uitdrukking van volkomen gemeenschap, laat zich als volgt samenvatten: "Doe, zoals Gij gesproken hebt. En Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid" (vers 25 en 26).

We mogen gerust aannemen dat David op ditzelfde
moment ook gedachten heeft gehad zoals we die in Psalm
23 beschreven vinden, met name in het vijfde en zesde vers.

2 Samuël 8:1-18
1En het geschiedde daarna, dat David de Filistijnen sloeg, en bracht hen ten onder; en David nam Meteg-Amma uit der Filistijnen hand.2Ook sloeg hij de Moabieten, en mat hen met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te doden, en met een vol snoer om in het leven te laten. Alzo werden de Moabieten David tot knechten, brengende geschenken.3David sloeg ook Hadad-ezer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba, toen hij heentoog, om zijn hand te wenden naar de rivier Frath.4En David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd ruiteren, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagenen over.5En de Syriers van Damaskus kwamen om Hadad-ezer, den koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriers twee en twintig duizend man.6En David legde bezettingen in Syrie van Damaskus, en de Syriers werden David tot knechten, brengende geschenken; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog.7En David nam de gouden schilden die bij Hadad-ezers knechten geweest waren, en bracht ze te Jeruzalem.8Daartoe nam de koning David zeer veel kopers uit Betach, en uit Berothai, steden van Hadad-ezer.9Als nu Thoi, de koning van Hamath, hoorde, dat David het ganse heir van Hadad-ezer geslagen had;10Zo zond Thoi zijn zoon Joram tot den koning David, om hem te vragen naar zijn welstand, en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadad-ezer gekrijgd en hem geslagen had, (want Hadad-ezer voerde steeds krijg tegen Thoi); en in zijn hand waren zilveren vaten, en gouden vaten, en koperen vaten;11Welke de koning David ook den HEERE heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle heidenen, die hij zich onderworpen had;12Van Syrie, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van den roof van Hadad-ezer, den zoon van Rechob, den koning van Zoba.13Ook maakte zich David een naam, als hij wederkwam, nadat hij de Syriers geslagen had, in het Zoutdal, achttien duizend.14En hij legde bezettingen in Edom; in gans Edom legde hij bezettingen; en alle Edomieten werden David tot knechten; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heentoog.15Alzo regeerde David over gans Israel, en David deed aan zijn ganse volk recht en gerechtigheid.16Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir; en Josafat, zoon van Achilud, was kanselier.17En Zadok, zoon van Ahitub, en Achimelech, zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.18Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.

Gesterkt door de beloften van de HEERE, bevestigt de nieuwe koning zijn troon door de overwinningen waarmee hij zijn vijanden aan zich onderwerpt.

De Filistijnen zijn de eersten. Eindelijk kan deze vijand in toom gehouden worden. Dan volgt Moab waardoor de profetie van Bíleam gedeeltelijk in vervulling gaat (Numeri 24 vers 17). Hadadézer en de Syriërs die hem steunen, zijn daarna aan de beurt. En tenslotte wordt Edom onderworpen, zoals in een nog oudere profetie is voorzegd: in de zegen van Izak aan Jakob (Genesis 27 vers 29; zie ook Genesis 25 vers 23).

In beeld brengt David hier in praktijk wat van de Heere Jezus staat geschreven. Zijn rijk zal in heerlijkheid opgericht worden, wanneer al Zijn vijanden als een voetbank aan Zijn voeten zullen liggen, als ze Hem onderworpen zullen zijn (zie Psalm 110).

Nu de vrede is hersteld en de heerschappij van David overal erkend wordt, wordt het rijk verder geordend (vers 15 tot en met 18).

Het middelpunt wordt gevormd door de koning. Hij oefent recht en gerechtigheid uit.

Rondom hem vervult ieder op zijn plaats het ambt dat hem is opgedragen. En de priesters houden de betrekkingen tot God in stand.

Veiligheid, bestendigheid, gerechtigheid en vrede: deze dingen zullen op een nog veel volmaaktere wijze de kenmerken van het toekomstige rijk zijn.

2 Samuël 9:1-13
1En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, dat ik weldadigheid aan hem doe, om Jonathans wil?2Het huis van Saul nu had een knecht, wiens naam was Ziba; en zij riepen hem tot David. En de koning zeide tot hem: Zijt gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.3En de koning zeide: Is er nog iemand van het huis van Saul, dat ik Gods weldadigheid bij hem doe? Toen zeide Ziba tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die geslagen is aan beide voeten.4En de koning zeide tot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij is in het huis van Machir, den zoon van Ammiel, te Lodebar.5Toen zond de koning David heen, en hij nam hem uit het huis van Machir, den zoon van Ammiel, van Lodebar.6Als nu Mefiboseth, de zoon van Jonathan, den zoon van Saul, tot David inkwam, zo viel hij op zijn aangezicht, en boog zich neder. En David zeide: Mefiboseth! En hij zeide: Zie, hier is uw knecht.7En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.8Toen boog hij zich, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een doden hond, als ik ben?9Toen riep de koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn ganse huis, heb ik den zoon uws heren gegeven.10Daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij, en uw zonen, en uw knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat de zoon uws heren brood hebbe, dat hij ete; en Mefiboseth, de zoon uws heren, zal geduriglijk brood eten aan mijn tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.11En Ziba zeide tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning zijn knecht gebiedt, alzo zal uw knecht doen. Ook zou Mefiboseth, etende aan mijn tafel, als een van des konings zonen zijn.12Mefiboseth nu had een kleinen zoon, wiens naam was Micha; en allen, die in het huis van Ziba woonden, waren knechten van Mefiboseth.13Alzo woonde Mefiboseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijn voeten.

In hoofdstuk 8 werd ons de koninklijke heerlijkheid van David getoond. Toch is er nog iets dat die heerlijkheid overtreft, namelijk zijn genade.

Die genade heeft David leren kennen in de school van God. Hij was zèlf het onderwerp van Gods genade.

Is het onder de mensen de gewoonte dat een koning aan zijn hof en zelfs aan zijn tafel de laatste afstamming van zijn rivaal, de erfgenaam van zijn vijand, ontvangt? Vergelijk 2 Samuël 4 vers 4. Nee, zeer zeker niet!

Hier gaat het om Gods weldadigheid. David stelt zich er niet mee tevreden zijn beloften tegenover Jónathan en Saul in te lossen (1 Samuël 20 vers 14 en 15; 24 vers 22 en 23), maar laat de Goddelijke genade ten opzichte van de arme Mefibóseth als het ware overvloedig stromen.

Deze Mefibóseth is zich zijn onwaardigheid heel goed bewust. Bovendien was hij kreupel, iets wat door de koning gehaat werd (hoofdstuk 5 vers 8). Toch zien we hoe hij opgehaald, bij zijn naam genoemd en gerustgesteld wordt. Hij wordt met rijkdom overladen en als een lid van de familie uitgenodigd om aan de tafel van de koning te eten. En tenslotte zorgt de koning voor altijd voor hem.

Dit is een prachtig beeld van het werk dat de Heere Jezus voor een arme en machteloze zondaar doet!

Mefibóseth blijft kreupel. Vers 13 herhaalt dit uitdrukkelijk. Maar als hij aan de tafel van de koning zit, is dat niet té zien.

Vergaat het de gelovige op aarde niet precies zo? Zijn oude natuur heeft hij nog. Maar als hij in gemeenschap met zijn Heere leeft, is hij in staat die onzichtbaar te houden.

2 Samuël 10:1-19
1En het geschiedde daarna, dat de koning der kinderen Ammons stierf, en zijn zoon Hanun werd koning in zijn plaats.2Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zo zond David heen, om hem door den dienst zijner knechten te troosten over zijn vader. En de knechten van David kwamen in het land van de kinderen Ammons.3Toen zeiden de vorsten der kinderen Ammons tot hun heer Hanun: Eert David uw vader in uw ogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijn knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke, en die verspiede, en die omkere?4Toen nam Hanun Davids knechten, en schoor hun baard half af, en sneed hun klederen half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan.5Als zij dit David lieten weten, zo zond hij hun tegemoet; want deze mannen waren zeer beschaamd. En de koning zeide: Blijft te Jericho, totdat uw baard weder gewassen zal zijn, komt dan weder.6Toen nu de kinderen Ammons zagen, dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons heen, en huurden van de Syriers van Beth-Rechob, en van de Syriers van Zoba, twintig duizend voetvolks, en van den koning van Maacha duizend man, en van de mannen van Tob twaalf duizend man.7Als David dit hoorde, zond hij Joab heen, en het ganse heir met de helden.8En de kinderen Ammons togen uit, en stelden de slagorde voor de deur der poort; maar de Syriers van Zoba, en Rechob, en de mannen van Tob en Maacha waren bijzonder in het veld.9Als nu Joab zag, dat de spits der slagorde tegen hem was, van voren en van achteren, zo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israel, en stelde hen in orde tegen de Syriers aan;10En het overige des volks gaf hij onder de hand van zijn broeder Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan.11En hij zeide: Zo de Syriers mij te sterk zullen zijn, zo zult gij mij komen verlossen; en zo de kinderen Ammons u te sterk zullen zijn, zo zal ik komen om u te verlossen.12Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk, en voor de steden onzes Gods; de HEERE nu doe, wat goed is in Zijn ogen.13Toen naderde Joab, en het volk, dat bij hem was, tot den strijd tegen de Syriers; en zij vloden voor zijn aangezicht.14Als de kinderen Ammons zagen, dat de Syriers vloden, vloden zij ook voor het aangezicht van Abisai, en kwamen in de stad. En Joab keerde weder van de kinderen Ammons, en kwam te Jeruzalem.15Toen nu de Syriers zagen, dat zij voor Israels aangezicht geslagen waren, zo vergaderden zij zich weder te zamen.16En Hadad-ezer zond heen, en deed de Syriers uitkomen, die op gene zijde der rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadad-ezers krijgsoverste, toog voor hun aangezicht heen.17Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij gans Israel, en toog over de Jordaan, en kwam te Helam, en de Syriers stelden de slagorde tegen David aan, en streden met hem.18Maar de Syriers vloden voor Israels aangezicht, en David versloeg van de Syriers zevenhonderd wagenen, en veertig duizend ruiteren; daartoe sloeg hij Sobach, hun krijgsoverste, dat hij aldaar stierf.19Toen nu al de koningen, die Hadad-ezers knechten waren, zagen, dat zij voor Israels aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israel, en dienden hen; en de Syriers vreesden de kinderen Ammons meer te verlossen.

Mefibóseth had de koninklijke genade aangenomen. In het Schriftgedeelte voor vandaag hebben we een beeld van hen die deze genade helaas niet begrijpen en niet willen aannemen.

David wil Hanun, de nieuwe koning van de Ammonieten, troosten en weldadigheid bewijzen, omdat zijn vader was overleden. Zo wil de Heere Jezus Zich vandaag ook aan de mensen openbaren als Degene Die meevoelt met hun lijden en Die hun smarten heeft gedragen (Jesaja 53 vers 4).

Bestaat er een grotere belediging dan deze liefde af te wijzen?

Hoezeer moet David de smaad hebben ondervonden die zijn knechten werd aangedaan! Hoeveel meer zal het volmaakt gevoelige hart van de Heiland dan de pijn voelen van de verachting van hen die elke dag opnieuw Zijn liefdevolle uitnodiging afwijzen (Johannes 5 vers 40; Mattheüs 22 vers 1 tot en met 6 en 23 vers 37).

Hanun en zijn volk zouden nog gelegenheid gehad hebben om zich te verootmoedigen, toen zij inzagen hoe slecht het er met hen voorstond. De gebeurtenis met Abigáïl geeft ons de zekerheid dat het welverdiende oordeel dan afgewend zou worden (1 Samuël 25).

Maar door hun hoogmoed en verblindheid trekken de Ammonieten op ten strijde tegen hem die het zó goed met hen voor had!

Dit stelde David echter in staat om een nog glorierijkere overwinning te behalen dan op Hadadézer en de Syriërs (hoofdstuk 8) die nu Hanun te hulp komen en opnieuw de nederlaag lijden.

2 Samuël 11:1-27
1En het geschiedde met de wederkomst van het jaar, ter tijde als de koningen uittrekken, dat David Joab, en zijn knechten met hem, en gans Israel henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven, en Rabba belegeren zouden. Doch David bleef te Jeruzalem.2Zo geschiedde het tegen den avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van het dak een vrouw, zich wassende; deze vrouw nu was zeer schoon van aanzien.3En David zond henen, en ondervraagde naar deze vrouw; en men zeide: Is dat niet Bathseba, de dochter van Eliam, de huisvrouw van Uria, den Hethiet?4Toen zond David boden henen, en liet haar halen. En als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haar, (zij nu had zich van haar onreinigheid gezuiverd), daarna keerde zij weder naar haar huis.5En die vrouw werd zwanger; zo zond zij henen, en liet David weten, en zeide: Ik ben zwanger geworden.6Toen zond David tot Joab, zeggende: Zend Uria, den Hethiet, tot mij. En Joab zond Uria tot David.7Als nu Uria tot hem kwam, zo vraagde David naar den welstand van Joab, en naar den welstand des volks, en naar den welstand des krijgs.8Daarna zeide David tot Uria: Ga af naar uw huis, en was uw voeten. En toen Uria uit des konings huis uitging, volgde hem een gerecht des konings achterna.9Maar Uria legde zich neder voor de deur van des konings huis, met al de knechten zijns heren; en hij ging niet af in zijn huis.10En zij gaven het David te kennen, zeggende: Uria is niet afgegaan in zijn huis. Toen zeide David tot Uria: Komt gij niet van de reis? Waarom zijt gij niet afgegaan in uw huis?11En Uria zeide tot David: De ark, en Israel, en Juda blijven in de tenten; en mijn heer Joab, en de knechten mijns heren zijn gelegerd op het open veld, en zou ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken, en bij mijn huisvrouw te liggen? Zo waarachtig als gij leeft en uw ziel leeft, indien ik deze zaak doen zal!12Toen zeide David tot Uria: Blijf ook heden hier, zo zal ik u morgen afzenden. Alzo bleef Uria te Jeruzalem, dien dag en den anderen dag.13En David nodigde hem, zodat hij voor zijn aangezicht at en dronk, en hij maakte hem dronken. Daarna ging hij in den avond uit, om zich neder te leggen op zijn leger, met zijns heren knechten, maar ging niet af in zijn huis.14Des morgens nu geschiedde het, dat David een brief schreef aan Joab; en hij zond dien door de hand van Uria.15En hij schreef in dien brief, zeggende: Stel Uria vooraan tegenover den sterksten strijd, en keer van achter hem af, opdat hij geslagen worde en sterve.16Zo geschiedde het, als Joab op de stad gelet had, dat hij Uria stelde aan de plaats, waarvan hij wist, dat aldaar strijdbare mannen waren.17Als nu de mannen der stad uittogen en met Joab streden, vielen er van het volk, van Davids knechten, en Uria, de Hethiet, stierf ook.18Toen zond Joab heen, en liet David den gansen handel van dezen strijd weten.19En hij beval den bode, zeggende: Als gij zult geeindigd hebben den gansen handel van dezen strijd tot den koning uit te spreken;20En het zal geschieden, indien de grimmigheid des konings opkomt, en hij tot u zegt: Waarom zijt gij zo na aan de stad gekomen om te strijden? Wist gij niet, dat zij van den muur zouden schieten?21Wie sloeg Abimelech, den zoon van Jerubbeseth? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem van den muur, dat hij te Thebez stierf? Waarom zijt gij tot den muur genaderd? Dan zult gij zeggen: Uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood.22En de bode ging heen, en kwam in, en gaf David te kennen alles, waar hem Joab om uitgezonden had.23En de bode zeide tot David: Die mannen zijn ons zeker te machtig geweest, en zijn tot ons uitgetogen in het veld; maar wij zijn tegen hen aan geweest tot aan de deur der poort.24Toen schoten de schutters van den muur af op uw knechten, dat er van des konings knechten dood gebleven zijn; en uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood.25Toen zeide David tot den bode: Zo zult gij tot Joab zeggen: Laat deze zaak niet kwaad zijn in uw ogen, want het zwaard verteert zowel dezen als genen; versterk uw strijd tegen de stad, en verstoor ze; versterk hem alzo.26Als nu de huisvrouw van Uria hoorde, dat haar man Uria dood was, zo droeg zij leed over haar heer.27En als de rouw was overgegaan, zond David heen, en nam haar in zijn huis; en zij werd hem ter vrouwe, en baarde hem een zoon. Doch deze zaak, die David gedaan had, was kwaad in de ogen des HEEREN.

Je zou graag bij de overwinning in hoofdstuk 10 willen blijven stilstaan en wat nu volgt, maar overslaan. Want in dit hoofdstuk heeft David de ergste nederlaag ten opzichte van de grote vijand van de zielen geleden.

Deze verdrietige gebeurtenis staat echter als een waarschuwing voor ons allen in het Boek van God. Ook de vroomste gelovige heeft nog een verdorven hart dat wijd openstaat voor allerlei begeerten. Elke gelovige moet waken bij de ingangen van zijn boze hart. Dat betekent vooral: waken over zijn ogen.

Deze tragische gebeurtenis laat ons een koning zien die tot slaaf wordt: slaaf van zijn eigen begeerte, iemand die niet meer los kan komen uit het afschuwelijke raderwerk van de zonde.

In plaats van samen met zijn soldaten ten strijde te trekken, rust David uit in Jeruzalem en wandelt hij zonder bezigheid rond over het dakterras van zijn paleis. Laten we er goed op bedacht zijn: 'Ledigheid is des duivels oorkussen'.

Door luiheid wordt het gevaar om te vallen, voor een kind van God vele malen vergroot. Bij ledigheid zal onze waakzaamheid afnemen. En de duivel die zelf nooit loslaat, zal er baat bij hebben. Laten we er dus altijd op toezien dat we onze tijd niet in ledigheid doorbrengen.

David neemt de vrouw van Uría en om deze zonde te bedekken, begaat hij met de hulp van Joab een volgende zonde. Hij bedenkt een plan waardoor Uría, deze edele en toegewijde soldaat, voorgoed zal verdwijnen.

2 Samuël 12:1-12
1En de HEERE zond Nathan tot David. Als die tot hem inkwam, zeide hij tot hem: Er waren twee mannen in een stad, de een rijk en de ander arm.2De rijke had zeer veel schapen en runderen.3Maar de arme had gans niet dan een enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter.4Toen nu den rijken man een wandelaar overkwam, verschoonde hij te nemen van zijn schapen en van zijn runderen, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen was, wat te bereiden; en hij nam des armen mans ooilam, en bereidde dat voor den man, die tot hem gekomen was.5Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man; en hij zeide tot Nathan: Zo waarachtig als de HEERE leeft, de man, die dat gedaan heeft, is een kind des doods!6En dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zaak gedaan, en omdat hij niet verschoond heeft.7Toen zeide Nathan tot David: Gij zijt die man! Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ik heb u ten koning gezalfd over Israel, en Ik heb u uit Sauls hand gered;8En Ik heb u uws heren huis gegeven, daartoe uws heren vrouwen in uw schoot, ja, Ik heb u het huis van Israel en Juda gegeven; en indien het weinig is, Ik zou u alzulks en alzulks daartoe doen.9Waarom hebt gij dan het woord des HEEREN veracht, doende wat kwaad is in Zijn ogen? Gij hebt Uria, den Hethiet, met het zwaard verslagen, en zijn huisvrouw hebt gij u ter vrouwe genomen; en hem hebt gij met het zwaard van de kinderen Ammons doodgeslagen.10Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat gij Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij.11Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over u verwekken uit uw huis, en zal uw vrouwen nemen voor uw ogen, en zal haar aan uw naaste geven; die zal bij uw vrouwen liggen, voor de ogen dezer zon.12Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gans Israel, en voor de zon.

De wet zegt:

"Gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste"; — "Gij zult niet echtbreken"; en

"Gij zult niet doodslaan" (Exodus 20 vers 17, 14 en 13).

David die in Psalm 19 vers 8 zegt: "De wet des HEEREN is volmaakt", heeft deze drie geboden overtreden. Toch is zijn geweten nog niet ontwaakt.

De HEERE moet eerst de profeet Nathan naar hem toesturen. De aangrijpende gebeurtenis van het gestolen lam waardoor het hart van de gewezen schaapherder wel getroffen moet worden, zal hem helpen de ernst van zijn vreselijke misstap in te zien.

Toch dringt het nog niet direct tot David door. Hij heeft geen enkel erbarmen met de rijke man.

Zo zijn wij! De splinter in het oog van onze broeder ontgaat ons niet, terwijl we de balk in ons eigen oog niet eens opmerken (vergelijk Mattheüs 7 vers 3 tot en met 5).

Maar nu wijst de vinger van God met grote ernst naar David: "Gij zijt die man!"

Vervolgens wordt de hele verdrietige en zo zorgvuldig geheim gehouden gebeurtenis geheel blootgelegd.

Om het hart van David te beschamen, herinnert God hem uiteindelijk aan wat Hij in Zijn genade allemaal voor hem gedaan heeft. Was dat slechts weinig? In hoofdstuk 7 vers 19 had David zelf het tegendeel beweerd.

Hoe meer wij ontvangen hebben, hoe minder onze eigen begeerten te verontschuldigen zijn. En ... wij hèbben veel ontvangen!

2 Samuël 12:13-25
13Toen zeide David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den HEERE! En Nathan zeide tot David: De HEERE heeft ook uw zonde weggenomen, gij zult niet sterven.14Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des HEEREN grotelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.15Toen ging Nathan naar zijn huis. En de HEERE sloeg het kind, dat de huisvrouw van Uria David gebaard had, dat het zeer krank werd.16En David zocht God voor dat jongsken; en David vastte een vasten, en ging in, en lag den nacht over op de aarde.17Toen maakten zich de oudsten van zijn huis op tot hem, om hem te doen opstaan van de aarde; maar hij wilde niet, en at geen brood met hen.18En het geschiedde op den zevenden dag, dat het kind stierf; en Davids knechten vreesden hem aan te zeggen, dat het kind dood was, want zij zeiden: Ziet, als het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij hoorde naar onze stem niet, hoe zullen wij dan tot hem zeggen: Het kind is dood? Want het mocht kwaad doen.19Maar David zag, dat zijn knechten mompelden; zo merkte David, dat het kind dood was. Dies zeide David tot zijn knechten: Is het kind dood? En zij zeiden: Het is dood.20Toen stond David op van de aarde, en wies en zalfde zich, en veranderde zijn kleding, en ging in het huis des HEEREN, en bad aan; daarna kwam hij in zijn huis, en eiste brood; en zij zetten hem brood voor, en hij at.21Zo zeiden zijn knechten tot hem: Wat is dit voor een ding, dat gij gedaan hebt? Om des levenden kinds wil hebt gij gevast en geweend; maar nadat het kind gestorven is, zijt gij opgestaan en hebt brood gegeten.22En hij zeide: Als het kind nog leefde, heb ik gevast en geweend; want ik zeide: Wie weet, de HEERE zou mij mogen genadig zijn, dat het kind levend bleve.23Maar nu is het dood, waarom zou ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen.24Daarna troostte David zijn huisvrouw Bathseba, en ging tot haar in, en lag bij haar; en zij baarde een zoon, wiens naam zij noemde Salomo; en de HEERE had hem lief.25En zond heen door de hand van den profeet Nathan, en noemde zijn naam Jedid-Jah, om des HEEREN wil.

Het geweten van David dat lange tijd ingeslapen was, is nu aangegrepen door een diep zondebesef. Hij erkent dat zijn misdaad niet alleen Uría en zijn vrouw heeft getroffen, maar in eerste instantie een zonde tegen de HEERE is geweest.

Wij moeten ons ervan bewust zijn dat onze misstappen ten opzichte van onze broeders en zusters, onze ouders of wie dan ook, in de eerste plaats tegen God gericht zijn (vergelijk Lukas 15 vers 21). Daarom is het ook niet voldoende het verkeerde dat wij een ander hebben aangedaan, alleen bij zo iemand weer in orde te brengen, àls dat nog mogelijk is (in Davids geval kon dit niet meer). We moeten het óók tegenover God belijden.

David doet dat in Psalm 51 die hij in een moment van grote vertwijfeling heeft geschreven (zie ook Psalm 32 vers 5, 1 en 2). Het is werkelijk waar: "Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten" (Psalm 51 vers 19).

God vergeeft Zijn arme knecht, Hij vergeeft hem volledig. David is weer "wit als sneeuw" (Jesaja 1 vers 18), want hij werd — vooruitziend — door het kostbare bloed van de Heere Jezus gewassen dat voor hem en voor u en mij vergoten werd.

Wat níet uitgewist kon worden, zijn de gevolgen van zijn verkeerde daad. Die zijn zeer pijnlijk. In de eerste plaats moet het kleine kind sterven. Daardoor zou iedereen weten dat God, hoewel Hij de berouwvolle zondaar vergeeft, de zonde absoluut veroordeelt; juist dan wanneer die begaan werd door één van Zijn dienstknechten.

Zijn de intrieste gebeurtenissen uit hoofdstuk 13 in wezen ook niet de bittere gevolgen van het falen van David?

2 Samuël 14:25-33
25Nu was er in gans Israel geen man zo schoon als Absalom, zeer te prijzen; van zijn voetzool af tot zijn hoofdschedel toe was er geen gebrek in hem.26En als hij zijn hoofd beschoor, (nu geschiedde het ten einde van elk jaar, dat hij het beschoor, omdat het hem te zwaar was, zo beschoor hij het), zo woog het haar zijns hoofds tweehonderd sikkelen, naar des konings gewicht.27Ook werden Absalom drie zonen geboren, en een dochter, welker naam was Thamar; deze was een vrouw, schoon van aanzien.28Alzo bleef Absalom twee volle jaren te Jeruzalem, dat hij des konings aangezicht niet zag.29Daarom zond Absalom tot Joab, dat hij hem tot den koning zond; maar hij wilde niet tot hem komen. Zo zond hij nog ten anderen male; evenwel wilde hij niet komen.30Zo zeide hij tot zijn knechten: Ziet, het stuk akkers van Joab is aan de zijde van het mijne, en hij heeft gerst daarop; gaat heen, en steekt het aan met vuur, en Absaloms knechten staken dat stuk akkers aan met vuur.31Toen maakte zich Joab op en kwam tot Absalom in het huis, en zeide tot hem: Waarom hebben uw knechten het stuk akkers, dat mijn is, met vuur aangestoken?32En Absalom zeide tot Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, dat ik u tot den koning zende, om te zeggen: Waarom ben ik van Gesur gekomen? Het ware mij goed, dat ik nog daar ware; nu dan, laat mij het aangezicht des konings zien; is er dan nog een misdaad in mij, zo dode hij mij.33Toen ging Joab in tot den koning, en zeide het hem aan. Toen riep hij Absalom, en hij kwam tot den koning in, en boog zich voor hem op zijn aangezicht ter aarde, voor des konings aangezicht; en de koning kuste Absalom.

'Verdorvenheid en geweld' — dat zouden we als opschrift boven de hoofdstukken 11 tot en met 13 kunnen zetten.

Al vanaf het begin, vanaf Genesis 3, zijn dat de kenmerken van de wereld. En ze gelden ook nog voor vandaag.

Maar wat is het erg dat deze kenmerken zich ook in het gezin van David, de man naar Gods hart, openbaren. David had deze beide vormen van kwaad hun gang laten gaan door Bathséba tot vrouw te nemen en de dood van Uría te bewerken. Nu komen ze ook in zijn eigen huis voor.

Amnon is gedood. Door bemiddeling van Joab keert Absalom, de moordenaar van zijn broer, terug naar Jeruzalem. Maar er is bij hem geen spoortje van berouw en geen enkel teken van verootmoediging te bespeuren.

Bij deze man zien we slechts list, hoogmoed, eerzucht, gebrek aan vreze Gods en natuurlijke neigingen. Het vervolg van zijn geschiedenis zal dit beeld alleen maar donkerder aftekenen.

Absalom is een man wiens moreel gedrag een enorm groot verschil vertoont met de schoonheid van zijn uiterlijke verschijning.

Hoe kan zo'n ellendig mens de zoon van de geliefde koning zijn? Toch is het waar! Het geloof van onze ouders kunnen wij niet beërven. Het is een persoonlijk bezit!

2 Timotheüs 3 vers 1 tot en met 5 levert ons het bewijs dat er ook in christelijke gezinnen mensen zoals Absalom kunnen voorkomen.

Laten we ook niet uit het oog verliezen welke invloed met name de moeder heeft bij de opvoeding van de kinderen.

2 Samuël 15:1-12
1En het geschiedde daarna, dat Absalom zich liet bereiden wagenen en paarden, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht henen.2Ook maakte zich Absalom des morgens vroeg op, en stond aan de zijde van den weg der poort. En het geschiedde, dat Absalom allen man, die een geschil had, om tot den koning ten gerichte te komen, tot zich riep, en zeide: Uit welke stad zijt gij? Als hij dan zeide: Uw knecht is uit een der stammen Israels;3Zo zeide Absalom tot hem: Zie, uw zaken zijn goed en recht; maar gij hebt geen verhoorder van des konings wege.4Voorts zeide Absalom: Och, dat men mij ten rechter stelde in het land! Dat alle man tot mij kwame, die een geschil of rechtzaak heeft, dat ik hem recht sprake.5Het geschiedde ook, als iemand naderde, om zich voor hem te buigen, zo reikte hij zijn hand uit, en greep hem, en kuste hem.6En naar die wijze deed Absalom aan gans Israel, die tot den koning ten gerichte kwamen. Alzo stal Absalom het hart der mannen van Israel.7Ten einde nu van veertig jaren is het geschied, dat Absalom tot den koning zeide: Laat mij toch heengaan, en mijn gelofte, die ik den HEERE beloofd heb, te Hebron betalen.8Want uw knecht heeft een gelofte beloofd, als ik te Gesur in Syrie woonde, zeggende: Indien de HEERE mij zekerlijk weder te Jeruzalem zal brengen, zo zal ik den HEERE dienen.9Toen zeide de koning tot hem: Ga in vrede. Alzo maakte hij zich op, en ging naar Hebron.10Absalom nu had verspieders uitgezonden in alle stammen van Israel, om te zeggen: Als gij het geluid der bazuin zult horen, zo zult gij zeggen: Absalom is koning te Hebron.11En er gingen met Absalom van Jeruzalem tweehonderd mannen, genodigd zijnde, doch gaande in hun eenvoudigheid, want zij wisten van geen zaak.12Absalom zond ook om Achitofel, den Giloniet, Davids raad, uit zijn stad, uit Gilo te halen, als hij offeranden offerde. En de verbintenis werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom.

Absalom had zijn staatsgreep goed voorbereid. Dag aan dag ging hij naar de weg bij de poort om mensen die een rechtsgeding hadden, te ontmoeten. Hij gaf hen de hand, kuste hen en vroeg naar de reden van hun komst. Daarna zei hij tegen hen dat z'n vader niet naar hen zou luisteren om op de juiste manier recht te spreken. Hijzelf daarentegen, zo voegde hij eraan toe, zou hen niet teleurstellen en hen recht verschaffen als hij aan de macht zou komen.

Eigen ouders bekritiseren en doen alsof je het beter weet dan zij, is over het algemeen een verontrustend teken.

Door huichelarij en vleierij gelukte het Absalom bij heel Israël in een goed blaadje te komen. Al gauw stond hij bekend om zijn weldaden, zijn liefelijkheid en rechtvaardigheid, en dat alles ten koste van de koning, zijn eigen vader.

Zo stal hij "het hart van de mannen van Israël" van hun ware heer (vers 6).

Vandaag de dag zijn er ook personen of dingen die onze harten stelen van de ware David. Laten we er altijd aan denken dat onze harten de Heere Jezus toebehoren. Hij heeft een buitengewoon hoge prijs betaald om onze harten zonder voorbehoud en voor altijd te bezitten.

In de verzen 7 tot en met 12 zien we hoe Absalom zijn achterbakse handelwijze van een religieuze dekmantel voorziet. En daarbij organiseert hij een samenzwering die hemzelf aan de macht zal brengen.

2 Samuël 15:13-29
13Toen kwam er een boodschapper tot David, zeggende: Het hart van een iegelijk in Israel volgt Absalom na.14Zo zeide David tot al zijn knechten, die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op, en laat ons vlieden, want er zou voor ons geen ontkomen zijn voor Absaloms aangezicht; haast u, om weg te gaan, opdat hij niet misschien haaste, en ons achterhale, en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte des zwaards.15Toen zeiden de knechten des konings tot den koning: Naar alles, wat mijn heer de koning verkiezen zal, ziet, hier zijn uw knechten.16En de koning ging uit met zijn ganse huis te voet; doch de koning liet tien bijwijven, om het huis te bewaren.17Als nu de koning met al het volk te voet was uitgegaan, zo bleven zij staan in een verre plaats.18En al zijn knechten gingen aan zijn zijde heen, ook al de Krethi en al de Plethi, en al de Gethieten, zeshonderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor des konings aangezicht heen.19Zo zeide de koning tot Ithai, den Gethiet: Waarom zoudt gij ook met ons gaan? Keer weder, en blijf bij den koning; want gij zijt vreemd, en ook zult gij weder vertrekken naar uw plaats.20Gisteren zijt gij gekomen, en heden zou ik u met ons omvoeren om te gaan? Zo ik toch gaan moet, waarheen ik gaan kan, keer weder; en breng uw broederen wederom; weldadigheid en trouw zij met u.21Maar Ithai antwoordde den koning, en zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, en mijn heer de koning leeft, in de plaats, waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode, hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn!22Toen zeide David tot Ithai: Zo kom, en ga over. Alzo ging Ithai, de Gethiet, over, en al zijn mannen, en al de kinderen die met hem waren.23En het ganse land weende met luider stem, als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron, en al het volk ging over, recht naar den weg der woestijn.24En ziet, Zadok was ook daar, en al de Levieten met hem, dragende de ark des verbonds van God, en zij zetten de ark Gods neder; en Abjathar klom op, totdat al het volk uit de stad geeindigd had over te gaan.25Toen zeide de koning tot Zadok: Breng de ark Gods weder in de stad; indien ik genade zal vinden in des HEEREN ogen, zo zal Hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders Zijn woning.26Maar indien Hij alzo zal zeggen: Ik heb geen lust tot u; zie, hier ben ik, Hij doe mij, zo als het in Zijn ogen goed is.27Voorts zeide de koning tot den priester Zadok: Zijt gij niet een ziener? Keer weder in de stad met vrede; ook ulieder beide zonen, Ahimaaz, uw zoon, en Jonathan, Abjathars zoon, met u.28Zie, ik zal vertoeven in de vlakke velden der woestijn, totdat er een woord van ulieden kome, dat men mij aanzegge.29Alzo bracht Zadok, en Abjathar, de ark Gods weder te Jeruzalem, en zij bleven aldaar.

Zolang het met de koning en in zijn omgeving allemaal goed ging, was er geen verschil te bespeuren tussen hen die David werkelijk trouw waren, en hen die om persoonlijke redenen bij hem bleven.

Nu komt echter de beproeving die zal aantonen wat er werkelijk in de harten leeft. De éne groep volgt Absalom (vers 13) en anderen volgen David (vers 18). Neutraal blijven is er niet meer bij.

Hebben wij er wel eens over nagedacht wat we zullen doen als de gelovigen morgen vervolgd zullen worden? Wat doen we als we misschien zelfs, zoals vroeger en ook nu in sommige landen nog het geval is, in de gevangenis gegooid of ter dood veroordeeld zullen worden?

Pas dàn zou zichtbaar worden of we de Heere Jezus werkelijk liefhebben, en of we Hem niet alleen volgen als de weg gemakkelijk is, maar ook als alles verlaten en verdragen moet worden om bij Hem te blijven.

Ithaï was een vreemdeling die nog maar kort geleden bij de koning was gekomen.

Vaak valt het op dat pasbekeerden uit kringen waar men weinig licht heeft, toch een groot geloof en een grote overgave aan de Heere tonen. Andere christenen daarentegen van wie we vanwege hun kennis en opvoeding veel mochten verwachten, hebben op het moment van beproeving gefaald.

O, dat wij toch allemaal lijken op deze Ithaï, de Gethiet.

Ithaï was een Filistijn, een heiden. Zo zijn ook wij uit de volkeren geroepen om tot Christus en Zijn gemeente te behoren.

2 Samuël 15:30-37; 2 Samuël 16:1-4
30En David ging op door den opgang der olijven, opgaande en wenende, en het hoofd was hem bewonden; en hij zelf ging barrevoets; ook had al het volk, dat met hem was, een iegelijk zijn hoofd bedekt, en zij gingen op, opgaande en wenende.31Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achitofel is onder degenen, die zich met Absalom hebben verbonden. Dies zeide David: O, HEERE! maak toch Achitofels raad tot zotheid.32En het geschiedde, als David tot op de hoogte kwam, dat hij aldaar God aanbad; ziet, toen ontmoette hem Husai, de Archiet, hebbende zijn rok gescheurd, en aarde op zijn hoofd.33En David zeide tot hem: Zo gij met mij voortgaat, zo zult gij mij tot een last zijn;34Maar zo gij weder in de stad gaat, en tot Absalom zegt: Uw knecht, ik zal des konings zijn; ik ben wel uws vaders knecht van te voren geweest, maar nu zal ik uw knecht zijn; zo zoudt gij mij den raad van Achitofel te niet maken.35En zijn niet Zadok en Abjathar, de priesters, aldaar met u? Zo zal het geschieden, dat gij alle ding, dat gij uit des konings huis zult horen, den priesteren, Zadok en Abjathar, zult te kennen geven.36Ziet, hun beide zonen zijn aldaar bij hen, Ahimaaz, Zadoks, en Jonathan, Abjathars zoon; zo zult gijlieden door hun hand tot mij zenden alle ding, dat gij zult horen.37Alzo kwam Husai, Davids vriend, in de stad; en Absalom kwam te Jeruzalem.
1Als nu David een weinig van de hoogte was voortgegaan, ziet, toen ontmoette hem Ziba, Mefiboseths jongen, met een paar gezadelde ezelen, en daarop tweehonderd broden, met honderd stukken rozijnen, en honderd stukken zomervruchten, en een lederen zak wijns.2En de koning zeide tot Ziba: Wat zult gij daarmede? En Ziba zeide: De ezels zijn voor het huis des konings, om op te rijden en het brood en de zomervruchten, om te eten voor de jongens; en de wijn, opdat de moeden in de woestijn drinken.3Toen zeide de koning: Waar is dan de zoon uws heren? En Ziba zeide tot den koning: Zie, hij blijft te Jeruzalem, want hij zeide: Heden zal mij het huis Israels mijns vaders koninkrijk wedergeven.4Zo zeide de koning tot Ziba: Zie, het zal het uwe zijn alles wat Mefiboseth heeft. En Ziba zeide: Ik buig mij neder, laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer koning!

De pijn en de smart die David nu moet ervaren, is het gevolg van zijn eigen falen. Daarom kan zijn lijden nu niet vergeleken worden met het lijden van de Heere Jezus dat immers het gevolg was van onze zonden.

In een bepaald opzicht zijn we door het gebeuren van David echter wel beter in staat te begrijpen wat onze Heiland heeft moeten doormaken.

We zien David met een paar trouwe vrienden al wenende naar de hoogte met de olijfbomen klimmen.

Op diezelfde plaats, in de hof van Gethsémané, heeft later de Man van smarten in grote strijd onder smekingen en tranen Zijn begeerten bekendgemaakt aan Hem Die Hem uit de dood kon verlossen (Hebreeën 5 vers 7).

Daar hoort David van het verraad van Achitófel, zijn begeleider en raadsman (zijn naam betekent dan ook 'broeder van de dwaasheid'!).

Naar die plaats heeft Judas eeuwen later de soldaten en gerechtsdienaren geleid.

Ongetwijfeld heeft David toen die smartelijke uitroep van Psalm 55 vers 14 en 15 gedaan: "Gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! Wij, die tezamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden".

Dat doet ons denken aan de verdrietige woorden van de Heere toen Hij Zijn discipel moest vragen: "Vriend! waartoe zijt gij hier!" (Mattheüs 26 vers 50).

2 Samuël 16:5-19
5Als nu de koning David tot aan Bahurim kwam, ziet, toen kwam van daar een man uit, van het geslacht van het huis van Saul, wiens naam was Simei, de zoon van Gera; hij ging steeds voort, en vloekte.6En hij wierp David met stenen, mitsgaders alle knechten van den koning David, hoewel al het volk en al de helden aan zijn rechter- en aan zijn linkerhand waren.7Aldus nu zeide Simei in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, gij, man des bloeds, en gij, Belials man!8De HEERE heeft op u doen wederkomen al het bloed van Sauls huis, in wiens plaats gij geregeerd hebt; nu heeft de HEERE het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon; zie nu, gij zijt in uw ongeluk, omdat gij een man des bloeds zijt.9Toen zeide Abisai, de zoon van Zeruja, tot den koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer den koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn kop wegnemen.10Maar de koning zeide: Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja? Ja, laat hem vloeken; want de HEERE toch heeft tot hem gezegd: Vloek David; wie zou dan zeggen: Waarom hebt gij alzo gedaan?11Voorts zeide David tot Abisai en tot al zijn knechten: Ziet, mijn zoon, die van mijn lijf is voortgekomen, zoekt mijn ziel; hoeveel te meer dan nu deze zoon van Jemini? Laat hem geworden, dat hij vloeke, want de HEERE heeft het hem gezegd.12Misschien zal de HEERE mijn ellende aanzien; en de HEERE zal mij goed vergelden voor zijn vloek, te dezen dage.13Alzo ging David met zijn lieden op den weg; en Simei ging al voort langs de zijde des bergs tegen hem over, en vloekte, en wierp met stenen van tegenover hem, en stoof met stof.14En de koning kwam in, en al het volk, dat met hem was, moede zijnde; en hij verkwikte zich aldaar.15Absalom nu en al het volk, de mannen van Israel, kwamen te Jeruzalem, en Achitofel met hem.16En het geschiedde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zeide: De koning leve, de koning leve!17Maar Absalom zeide tot Husai: Is dit uw weldadigheid aan uw vriend? Waarom zijt gij niet met uw vriend getogen?18En Husai zeide tot Absalom: Neen, maar welken de HEERE verkiest, en al dit volk, en alle mannen van Israel, diens zal ik zijn, en bij hem zal ik blijven.19En ten andere, wien zou ik dienen? Zou het niet zijn voor het aangezicht zijns zoons? Gelijk als ik voor het aangezicht uws vaders gediend heb, alzo zal ik voor uw aangezicht zijn.

Terwijl David zijn weg van smart en verwerping vervolgt, neemt de Benjaminiet Simeï de gelegenheid waar om hem met stenen te bekogelen en te vervloeken.

Tegen de Heere Jezus trok niet één enkele aanklager op, maar een hele menigte van "honden" (Psalm 22 vers 17).

Zij verzamelden zich rondom het kruis en maakten gebruik van Zijn vernedering om Hem te bespotten, hun hoofd te schudden en Hem te beledigen. Hij heeft hen echter niet geantwoord, maar Zich daarentegen tot Zijn God gericht (Psalm 22 vers 10 en 11).

David doet hetzelfde ten opzichte van de onrechtvaardige aanklachten en laat alles over zich heen gaan, zonder erop te reageren. Ook hij wendt zich tot Hem Die de waarheid kent (zie Psalm 7 vers 2, 5 en 6).

Bovendien ziet hij deze nieuwe beproeving als komend uit Gods hand. Hij neemt die onrechtvaardige vervloeking aan als iets wat God voor hem nodig achtte.

Daarom bestraft hij Abísai die bij zijn grote ijver voor de koning een geest van wraak openbaarde (vers 9; zie ook 1 Samuël 26 vers 8).

Onze Verlosser heeft hetzelfde gedaan, maar dan volmaakt, toen Hij in dezelfde hof van Gethsémané tegen Petrus zei: "Steek uw zwaard in de schede. De drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?" (Johannes 18 vers 11).

2 Samuël 17:1-14
1Voorts zeide Achitofel tot Absalom: Laat mij nu twaalf duizend mannen uitlezen, dat ik mij opmake en David dezen nacht achterna jage.2Zo zal ik over hem komen, daar hij moede en slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk, dat met hem is, zal vluchten; dan zal ik den koning alleen slaan.3En ik zal al het volk tot u doen wederkeren; de man, dien gij zoekt, is gelijk het wederkeren van allen; zo zal al het volk in vrede zijn.4Dit woord nu was recht in Absaloms ogen, en in de ogen van alle oudsten Israels.5Doch Absalom zeide: Roep toch ook Husai, den Archiet, en laat ons horen, wat hij ook zegt.6En als Husai tot Absalom inkwam, zo sprak Absalom tot hem, zeggende: Aldus heeft Achitofel gesproken; zullen wij zijn woord doen? Zo niet, spreek gij.7Toen zeide Husai tot Absalom: De raad, dien Achitofel op ditmaal geraden heeft, is niet goed.8Wijders zeide Husai: Gij kent uw vader en zijn mannen, dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn, als een beer, die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een krijgsman, en zal niet vernachten met het volk.9Zie, nu heeft hij zich verstoken in een der holen, of in een der plaatsen. En het zal geschieden, als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat een ieder, die het zal horen, alsdan zal zeggen: Er is een slag geschied onder het volk, dat Absalom navolgt.10Zo zou hij, die ook een dapper man is, wiens hart is als een leeuwenhart, te enen male smelten; want gans Israel weet, dat uw vader een held is, en het dappere mannen zijn, die met hem zijn.11Maar ik rade, dat in alle haast tot u verzameld worde gans Israel, van Dan tot Ber-seba toe, als zand, dat aan de zee is, in menigte; en dat uw persoon medega in den strijd.12Dan zullen wij tot hem komen, in een der plaatsen, waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op den aardbodem valt; en er zal van hem, en van al de mannen, die met hem zijn, ook niet een worden overgelaten.13En indien hij zich in een stad zal begeven, zo zal gans Israel koorden tot dezelve stad aandragen, en wij zullen ze tot in de beek nedertrekken, totdat ook niet een steentje aldaar gevonden worde.14Toen zeide Absalom, en alle man van Israel: De raad van Husai, den Archiet, is beter dan Achitofels raad. Doch de HEERE had het geboden, om den goeden raad van Achitofel te vernietigen, opdat de HEERE het kwaad over Absalom bracht.

Husai was door David teruggestuurd naar Jeruzalem om te voorkomen dat de altijd wijze raad van Achitófel door Absalom opgevolgd zou worden. En als antwoord op het gebed van de koning (hoofdstuk 15 vers 31) grijpt God in door deze krijgslist van David te laten gelukken.

Vandaag zou God zo'n manier van handelen niet meer kunnen zegenen, want het komen van de Heere Jezus heeft ons een heel andere maatstaf van de waarheid en rechtschapenheid naar Gods gedachten geopenbaard.

Door de raad van Husai kan David tijdig geïnformeerd worden. Eveneens kan hij zich terugtrekken en zijn verdediging voorbereiden.

We hebben er nog niet op gewezen dat dit hele gebeuren ook een profetische betekenis heeft. Het wijst ons op een toekomstige tijd. Dan zal er in Israël een aantal getrouwen zijn: een overblijfsel dat gedwongen zal worden te vluchten en dat achtervolgd zal worden door de vijanden van Christus.

Deze vijanden — de keizer (van het dan herstelde West—Romeinse rijk) en de valse profeet (ofwel: de antichrist) die we hier in beeld zien in de personen van de valse koning Absalom en zijn raadsman Achitófel — zullen oorlog voeren tegen dit arme overblijfsel.

De Psalmen laten ons iets zien van de doodsangst waarin de gelovige joden dan zullen verkeren. Maar na een korte tijd van vervolging zullen deze beide bondgenoten een vreselijk en plotseling einde vinden: De keizer, "het beest" genaamd, en de valse profeet zijn de eerste mensen die levend in de poel van vuur geworpen zullen worden, dat is de hel, de tweede dood (Openbaring 19 vers 20).

2 Samuël 17:15-29
15En Husai zeide tot Zadok en tot Abjathar, de priesters: Alzo en alzo heeft Achitofel Absalom en den oudsten van Israel geraden, maar alzo en alzo heb ik geraden.16Nu dan, zendt haastelijk henen, en boodschapt David, zeggende: Vernacht dezen nacht niet in de vlakke velden der woestijn, en ook ga spoedig over; opdat de koning niet verslonden worde, en al het volk, dat met hem is.17Jonathan nu en Ahimaaz stonden bij de fontein Rogel; en een dienstmaagd ging henen en zeide het hun aan; en zij gingen henen en zeiden het den koning David aan; want zij mochten zich niet zien laten, dat zij in de stad kwamen.18Een jongen dan nog zag hen, en zeide het Absalom aan; doch die beiden gingen haastelijk, en kwamen in eens mans huis te Bahurim, dewelke een put had in zijn voorhof, en zij daalden daarin.19En de vrouw nam en spreidde een deksel over het opene van den put, en strooide gort daarop. Alzo werd de zaak niet bekend.20Toen nu Absaloms knechten tot de vrouw in het huis kwamen, zeiden zij: Waar zijn Ahimaaz en Jonathan? En de vrouw zeide tot hen: Zij zijn over dat waterriviertje gegaan. En toen zij hen gezocht en niet gevonden hadden, keerden zij weder naar Jeruzalem.21En het geschiedde, nadat zij weggegaan waren, zo klommen zij uit den put, en gingen henen en boodschapten het den koning David; en zij zeiden tot David: Maakt ulieden op, en gaat haastelijk over het water, want alzo heeft Achitofel tegen ulieden geraden.22Toen maakte zich David op, en al het volk, dat met hem was; en zij gingen over de Jordaan. Aan het morgenlicht ontbrak er niet tot een toe, die niet over de Jordaan gegaan was.23Als nu Achitofel zag, dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij den ezel, en maakte zich op, en toog naar zijn huis in zijn stad, en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich. Alzo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf.24David nu kwam te Mahanaim, en Absalom toog over de Jordaan, hij en alle mannen van Israel met hem.25En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over het heir. Amasa nu was eens mans zoon, wiens naam was Jethra, de Israeliet, die ingegaan was tot Abigail, dochter van Nahas, zuster van Zeruja, Joabs moeder.26Israel nu en Absalom legerden zich in het land van Gilead.27En het geschiedde, als David te Mahanaim gekomen was, dat Sobi, de zoon van Nahas, van Rabba der kinderen Ammons, en Machir, de zoon van Ammiel, van Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, van Rogelim,28Beddewerk, en schalen, en aarden vaten, en tarwe, en gerst, en meel, en geroost koren, en bonen, en linzen, ook geroost,29En honig, en boter, en schapen, en koeienkazen, brachten tot David, en tot het volk, dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig, en moede, en dorstig in de woestijn.

De Psalmen 3 tot en met 7 hebben betrekking op deze donkere bladzijde uit de geschiedenis van David. Te moeten vluchten voor Saul was niets vergeleken bij deze vlucht voor zijn eigen opstandige zoon.

Hoewel zijn hart verscheurd wordt, blijft zijn genegenheid voor en vertrouwen in God toch onwankelbaar. Luister maar naar de prachtige woorden: "Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij" (Psalm 3 vers 4).

En wat zegt David op het moment dat Achitófel besluit hem 's nachts vanuit een hinderlaag aan te vallen en hem te verschrikken (2 Samuël 17 vers 2)? "Ik lag neer en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij. Ik zal niet vrezen voor tienduizenden van volk, die zich rondom tegen mij zetten" (Psalm 3 vers 6 en 7).

Let ook op de overgave van hen die David trouw bleven. Vooral de beide jongemannen Ahimáäz en Jónathan vallen daarbij op. Wat zij hadden — hun benen en vastberadenheid — stelden ze in dienst van de koning die daar veel baat bij had!

Laten wij toch ook elke gelegenheid aangrijpen om anderen behulpzaam te zijn. Indirect gaat het daarbij om de dienst voor de grote Koning Die onze Bruidegom is.

Aan het einde van dit hoofdstuk vinden we nog meer voorbeelden hoe we iets voor de Heere en Zijn volk kunnen doen: zich bekommeren om het welzijn van en de voeding voor hen die vermoeid zijn, gastvrijheid beoefenen, enzovoorts.

2 Samuël 18:1-18
1En David monsterde het volk, dat met hem was; en hij stelde over hen oversten van duizenden, en oversten van honderden.2Voorts zond David het volk uit, een derde deel onder de hand van Joab, en een derde deel onder de hand van Abisai, den zoon van Zeruja, Joabs broeder, en een derde deel onder de hand van Ithai, den Gethiet. En de koning zeide tot het volk: Ik zal ook zelf zekerlijk met ulieden uittrekken.3Maar het volk zeide: Gij zult niet uittrekken; want of wij te enen male vloden, zij zullen het hart op ons niet stellen; ja, of de helft van ons stierf, zij zullen het hart op ons niet stellen; maar gij zijt nu als tien duizend onzer. Zo zal het nu beter zijn, dat gij ons uit de stad ter hulpe zijt.4Toen zeide de koning tot hen: Ik zal doen, wat goed is in uw ogen. De koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden.5En de koning gebood Joab, en Abisai, en Ithai, zeggende: Handelt mij zachtkens met den jongeling, met Absalom. En al het volk hoorde het, als de koning aan al de oversten van Absaloms zaak gebood.6Alzo toog het volk uit in het veld, Israel tegemoet, en de strijd geschiedde bij Efraims woud.7En het volk van Israel werd aldaar voor het aangezicht van Davids knechten geslagen; en aldaar geschiedde te dienzelven dage een grote slag, van twintig duizend.8Want de strijd werd aldaar verspreid over al dat land. En het woud verteerde meer van het volk, dan die het zwaard verteerde, te denzelven dage.9Absalom nu ontmoette voor het aangezicht der knechten Davids; en Absalom reed op een muildier; en als het muildier kwam onder de dichte takken van een groten eik, zo werd zijn hoofd vast aan den eik, dat hij hangen bleef tussen den hemel en tussen de aarde, en het muildier, dat onder hem was, ging door.10Als dat een man zag, zo gaf hij het Joab te kennen, en zeide: Zie, ik heb Absalom zien hangen aan een eik.11Toen zeide Joab tot den man, die het hem te kennen gaf: Zie toch, gij hebt het gezien, waarom dan hebt gij hem niet aldaar ter aarde geslagen, alzo het aan mij stond om u tien zilverlingen en een gordel te geven?12Maar die man zeide tot Joab: En of ik al duizend zilverlingen op mijn handen mocht wegen, zo zou ik mijn hand aan des konings zoon niet slaan; want de koning heeft u, en Abisai, en Ithai, voor onze oren geboden, zeggende: Hoedt u, wie gij zijt, van den jongeling, van Absalom.13Of ik al valselijk tegen mijn ziel handelde, zo zou toch geen ding voor den koning verborgen worden; ook gij zelf zoudt er u van tegenover stellen.14Toen zeide Joab: Ik zal hier bij u alzo niet vertoeven; en hij nam drie pijlen, en stak ze in Absaloms hart, daar hij nog levend was in het midden van den eik.15En tien jongens, wapendragers van Joab, omringden hem, en zij sloegen Absalom, en doodden hem.16Toen blies Joab met de bazuin, en al het volk keerde af van Israel achterna te jagen, want Joab hield het volk terug.17En zij namen Absalom, en wierpen hem in het woud, in een groten kuil, en stelden op hem een zeer groten steenhoop; en gans Israel vluchtte, een iegelijk naar zijn tent.18Absalom nu had genomen, en in zijn leven voor zich opgericht een pilaar, die in het koningsdal is; want hij zeide: Ik heb geen zoon, om aan mijn naam te doen gedenken; en hij had dien pilaar genoemd naar zijn naam; daarom wordt hij tot op dezen dag genoemd: Absaloms hand.

Nu zal de strijd beginnen en weer is het een burgeroorlog!

De arme koning bevindt zich in een verdrietige positie. Hoe kan hij naar een overwinning verlangen als die tegelijkertijd de nederlaag en misschien zelfs de dood van zijn zoon betekent die hij ondanks alles nog liefheeft?

Het Nieuwe Testament zegt: "Wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien" (Galaten 6 vers 7). Voor de beklagenswaardige Absalom heeft het uur van de oogst geslagen.

De vreselijke woorden uit Spreuken 30 vers 17 zijn op hem van toepassing: "Het oog, dat de vader bespot, of de gehoorzaamheid aan de moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken en de jongen van de arend zullen het eten".

Zijn prachtige haardos waaraan hij zijn roem mede had te danken, wordt het middel tot zijn ondergang. En de gruwelijke Joab is het werktuig waardoor Gods oordeel voltrokken wordt.

Voor Joab is dit echter beslist geen verontschuldiging! Ondanks het bevel van de koning schrikt hij er niet voor terug om opnieuw een koelbloedige moord te begaan.

Toen Absalom een gedenkteken voor zichzelf oprichtte (vers 18), had hij niet voorzien dat er eens tot zijn schande nog een ander teken opgericht zou worden: de grote hoop stenen op de kuil waarin zijn lichaam was neergeworpen (zoals eens bij Achan; Jozua 7 vers 26). Het was een hoop stenen waar iedereen naartoe zou kunnen gaan om zijn eigen steen er bovenop te gooien, als teken van verachting en veroordeling.

2 Samuël 18:19-33
19Toen zeide Ahimaaz, Zadoks zoon: Laat mij toch heenlopen, en den koning boodschappen, dat de HEERE hem recht gedaan heeft van de hand zijner vijanden.20Maar Joab zeide tot hem: Gij zult dezen dag geen boodschapper zijn, maar op een anderen dag zult gij boodschappen; dezen dag nu zult gij niet boodschappen, daarom dat des konings zoon dood is.21En Joab zeide tot Cuschi: Ga heen, en zeg den koning aan, wat gij gezien hebt; en Cuschi boog zich voor Joab, en liep heen.22Doch Ahimaaz, Zadoks zoon, voer nog voort en zeide tot Joab: Wat het ook zij, laat mij toch ook Cuschi achterna lopen. En Joab zeide: Waarom zoudt gij nu heenlopen, mijn zoon! Zo gij toch geen bekwame boodschap hebt?23Wat het ook zij, zeide hij, laat mij heenlopen; zo zeide hij tot hem: Loop heen. En Ahimaaz liep den weg van het effen veld, en kwam Cuschi voorbij.24David nu zat tussen de twee poorten; en de wachter ging op het dak der poort aan den muur, en hief zijn ogen op, en zag, en ziet, er liep een man alleen.25Zo riep de wachter, en zeide het den koning aan; en de koning zeide: Indien hij alleen is, zo is er een boodschap in zijn mond; en hij ging al voort en naderde.26Toen zag de wachter een anderen man lopende, en de wachter riep tot den poortier en zeide: Zie, er loopt nog een man alleen. Toen zeide de koning: Die is ook een boodschapper.27Voorts zeide de wachter: Ik zie den loop des eersten aan, als den loop van Ahimaaz, Zadoks zoon. Toen zeide de koning: Dat is een goed man, en hij zal met een goede boodschap komen.28Ahimaaz dan riep en zeide tot den koning Vrede! En hij boog zich voor den koning met het aangezicht ter aarde, en hij zeide: Geloofd zij de HEERE, uw God, Die de mannen, dewelke hun hand tegen mijn heer den koning ophieven, heeft overgegeven.29Toen zeide de koning: Is het wel met den jongeling, met Absalom? En Ahimaaz zeide: Ik zag een groot rumoer, als Joab, den knecht des konings, en mij uw knecht afzond, maar ik weet niet wat.30En de koning zeide: Ga om, stel u hier; zo ging hij om, en bleef staan.31En ziet, Cuschi kwam aan; en Cuschi zeide: Mijn heer den koning wordt geboodschapt, dat u de HEERE heden heeft recht gedaan van de hand van al degenen, die tegen u opstonden.32Toen zeide de koning tot Cuschi: Is het wel met den jongeling, met Absalom? En Cuschi zeide: De vijanden van mijn heer den koning, en allen, die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling.33Toen werd de koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal der poort, en weende; en in zijn gaan zeide hij alzo: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, dat ik, ik voor u gestorven ware, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!

De toewijding van Ahimáäz aan David is groot. In het voorgaande hoofdstuk hebben we gezien dat hij met gevaar voor eigen leven een boodschap van Husai overbracht aan David waar de koning veel profijt van had. Nu wil deze jongeman de koning ook per sé de mededeling van de overwinning op de vijanden overbrengen en hem vooral ook voorbereiden op het bericht van de dood van Absalom die hij zó liefhad. Of hem dit ook gelukt is, valt te betwijfelen.

Het is voor ons belangrijk om ons in de dienst voor onze Heere niet door eigen gevoelens te laten leiden, maar afhankelijk te blijven van Hem.

De overwinning die zojuist behaald is, maakt het hart van David niet blij. Wat betekent de troon, ja, zelfs het leven voor hem? Absalom is dood!

Dit smartelijke bericht doorboort als het ware het hart van deze arme vader die heel goed zijn deel in de verantwoordelijkheid voor het hele gebeuren aanvoelt.

"Absalom, mijn zoon, mijn zoon!" Dit is één van de smartelijkste uitroepen in de Schrift die het hart van gelovige ouders doet beven. Een schreeuw zonder echo, zonder hoop. Een schreeuw die uitdrukking geeft aan de zekerheid van een definitieve, eeuwige scheiding.

Bij het sterven van het kleine kind van Bathséba was het heel anders. Toen was David niet troosteloos, maar had hij de overtuiging dat er een weerzien zou zijn in de opstanding: "Ik zal wel tot hem gaan" (hoofdstuk 12 vers 23).

Voor Absalom zou het, evenals voor Judas, beter geweest zijn als hij niet geboren was (Mattheüs 26 vers 24).

2 Samuël 19:1-15
1En Joab werd aangezegd: Zie, de koning weent, en bedrijft rouw over Absalom.2Toen werd de verlossing te dienzelven dage het ganse volk tot rouw; want het volk had te dienzelven dage horen zeggen: Het smart den koning over zijn zoon.3En het volk kwam te dienzelven dage steelsgewijze in de stad, gelijk als het volk zich wegsteelt, dat beschaamd is, wanneer zij in den strijd gevloden zijn.4De koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en de koning riep met luider stem: Mijn zoon Absalom, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!5Toen kwam Joab tot den koning in het huis, en zeide: Gij hebt heden beschaamd het aangezicht van al uw knechten, die uw ziel, en de ziel uwer zonen en uwer dochteren, en de ziel uwer vrouwen, en de ziel uwer bijwijven heden hebben bevrijd;6Liefhebbende die u haten, en hatende die u liefhebben; want gij geeft heden te kennen, dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk heden, dat zo Absalom leefde, en wij heden allen dood waren, dat het alsdan recht zou zijn in uw ogen.7Zo sta nu op, ga uit, en spreek naar het hart uwer knechten; want ik zweer bij den HEERE, als gij niet uitgaat, zo er een man dezen nacht bij u zal vernachten! En dit zal u kwader zijn, dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uw jeugd af tot nu toe.8Toen stond de koning op, en zette zich in de poort. En zij lieten al het volk weten, zeggende: Ziet, de koning zit in de poort. Toen kwam al het volk voor des konings aangezicht, maar Israel was gevloden, een iegelijk naar zijn tenten.9En al het volk, in alle stammen van Israel, was onder zich twistende, zeggende: De koning heeft ons gered van de hand onzer vijanden en hij heeft ons bevrijd van de hand der Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht voor Absalom;10En Absalom, dien wij over ons gezalfd hadden, is in den strijd gestorven; nu dan, waarom zwijgt gijlieden van den koning weder te halen?11Toen zond de koning David tot Zadok en tot Abjathar, de priesteren, zeggende: Spreekt tot de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zoudt gijlieden de laatsten zijn, om den koning weder te halen in zijn huis? (Want de rede van het ganse Israel was tot den koning gekomen in zijn huis.)12Gij zijt mijn broederen; mijn been en mijn vlees zijt gij; waarom zoudt gij dan de laatsten zijn, om den koning weder te halen?13En tot Amasa zult gijlieden zeggen: Zijt gij niet mijn been en mijn vlees? God doe mij zo, en doe er zo toe, zo gij niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, te allen dage, in Joabs plaats.14Alzo neigde hij het hart aller mannen van Juda, als van een enigen man; en zij zonden henen tot den koning, zeggende: Keer weder, gij en al uw knechten.15Toen keerde de koning weder, en kwam tot aan de Jordaan; en Juda kwam te Gilgal, om den koning tegemoet te gaan, dat zij den koning over de Jordaan voerden.

Zij die David gevolgd zijn, hebben dit niet allemaal uit geloof gedaan. Dat zien we bijvoorbeeld bij Joab.

Deze man dacht alleen aan z'n eigen belangen. Hij was gewetenloos en deinsde niet terug voor een misdaad als iemand zijn plannen doorkruiste.

Het was niet aan hem om David verwijten te maken. Hij was immers zelf verantwoordelijk voor het verdriet van de koning, omdat hij en zijn wapendragers Absalom gedood hadden.

Toch komt David door Joabs opmerkingen tot inkeer. Nu denkt hij weer aan het belang van zijn volk in plaats van aan zijn eigen smart.

De tegenslagen die David zijn overkomen, hebben vrucht gedragen. De beproeving heeft bewerkt dat hij zijn God nog beter, nog inniger heeft leren kennen. Hij heeft verdrukking, angst, vervolging, gevaar en het zwaard ondervonden. Maar al die dingen zijn slechts gelegenheden geweest waardoor hij de onuitputtelijke bronnen van Gods liefde heeft leren begrijpen (zie Romeinen 8 vers 35).

Onder het volk valt nu twist op te merken (vers 9). Bij Juda is een verdrietig gebrek aan bereidheid om de koning terug naar Jeruzalem te begeleiden.

Maar David handelt in een geest van genade. Vervolgens zijn de harten hem toegenegen, zoals zij eens aan de Heere Jezus onderworpen zullen zijn, als Hij in de toekomst als de uiteindelijke Overwinnaar over Zijn vijanden zal verschijnen om in heerlijkheid te regeren.

2 Samuël 19:16-30
16En Simei, de zoon van Gera, een zoon van Jemini, die van Bahurim was, haastte zich, en kwam af met de mannen van Juda, den koning David tegemoet;17En duizend man van Benjamin met hem; ook Ziba, de knecht van Sauls huis, en zijn vijftien zonen en zijn twintig knechten met hem; en zij togen vaardiglijk over de Jordaan, voor den koning.18Als nu de pont overvoer, om het huis des konings over te halen, en te doen, wat goed was in zijn ogen, zo viel Simei, de zoon van Gera, neder voor het aangezicht des konings, als hij over de Jordaan voer;19En hij zeide tot den koning: Mijn heer rekene mij niet toe de misdaad, en gedenke niet, wat uw knecht verkeerdelijk gedaan heeft, te dien dage, als mijn heer de koning uit Jeruzalem uitging, dat het de koning zich ter harte zoude nemen.20Want uw knecht weet het zekerlijk, ik heb gezondigd; doch zie, ik ben heden gekomen, de eerste van het ganse huis van Jozef, om mijn heer den koning tegemoet af te komen.21Toen antwoordde Abisai, de zoon van Zeruja, en zeide: Zou dan Simei hiervoor niet gedood worden? Zo hij toch den gezalfde des HEEREN gevloekt heeft.22Maar David zeide: Wat heb ik met ulieden te doen, gij zonen van Zeruja! Dat gij mij heden ten satan zoudt zijn? Zou heden iemand gedood worden in Israel? Want weet ik niet, dat ik heden koning geworden ben over Israel?23En de koning zeide tot Simei: Gij zult niet sterven. En de koning zwoer hem.24Mefiboseth, Sauls zoon, kwam ook af den koning tegemoet; en hij had zijn voeten niet schoongemaakt, noch zijn knevelbaard beschoren, noch zijn klederen gewassen, van dien dag af, dat de koning was weggegaan, tot dien dag toe, dat hij met vrede wederkwam.25En het geschiedde, als hij te Jeruzalem den koning tegemoet kwam, dat de koning tot hem zeide: Waarom zijt gij niet met mij getogen, Mefiboseth?26En hij zeide: Mijn heer koning, mijn knecht heeft mij bedrogen; want uw knecht zeide: Ik zal mij een ezel zadelen, en daarop rijden, en tot den koning trekken, want uw knecht is kreupel.27Daartoe heeft hij uw knecht bij mijn heer den koning valselijk aangedragen; doch mijn heer de koning is als een engel Gods; doe dan, wat goed is in uw ogen.28Want al mijns vaders huis is niet geweest, dan maar lieden des doods voor mijn heer den koning; nochtans hebt gij uw knecht gezet onder degenen, die aan uw tafel eten; wat heb ik dan meer voor gerechtigheid, en meer te roepen aan den koning?29Toen zeide de koning tot hem: Waarom spreekt gij meer van uw zaken? Ik heb gezegd: Gij en Ziba, deelt het land.30En Mefiboseth zeide tot den koning: Hij neme het ook gans weg, naardien mijn heer de koning met vrede in zijn huis is gekomen.

Hier zien we hoe David zich als waardige overwinnaar gedraagt tegenover hen die hem niet zijn gevolgd.

Simeï die David vervloekt had, komt de koning om vergeving vragen. Die krijgt hij, hoewel David misschien mocht twijfelen aan de oprechtheid van zijn berouw.

Dan is Mefibóseth aan de beurt. Ziba heeft hem opzettelijk bij David in een kwaad daglicht gesteld (hoofdstuk 16 vers 3).

Komt het bij ons nooit voor dat wij, om zelf belangrijker te lijken, anderen slechte bedoelingen toeschrijven of hen vals beschuldigen? Dat is kwaadsprekerij (vers 27).

Mefibóseth heeft zijn aanhankelijkheid jegens de ware koning getoond door openlijk rouw te bedrijven gedurende diens afwezigheid (vers 24). Hoe had hij zich kunnen verblijden, terwijl zijn heer en weldoener veracht en verworpen was?

Hierbij denken we aan de woorden van de Heere Jezus tot Zijn discipelen, toen Hij op het punt stond hen te verlaten: "Een kleine tijd, en gij zult Mij niet zien ... gij zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden" (Johannes 16 vers 19 en 20; vergelijk ook Markus 2 vers 20).

De blijdschap van Mefibóseth verheft hem nu als het ware boven alle ongerechtigheid. Hij kan, zonder het te betreuren, afstand doen van al zijn bezittingen.

De aanwezigheid van de koning is voor hem voldoende (vers 30). Wat zou hij nog meer nodig hebben? Hij eet immers aan de tafel van de koning!

2 Samuël 19:31-43
31Barzillai, de Gileadiet, kwam ook af van Rogelim; en hij toog met den koning over de Jordaan, om hem over de Jordaan te geleiden.32Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaren; en hij had den koning onderhouden, toen hij te Mahanaim zijn verblijf had; want hij was een zeer groot man.33En de koning zeide tot Barzillai: Trekt gij met mij over, en ik zal u bij mij te Jeruzalem onderhouden.34Maar Barzillai zeide tot den koning: Hoe veel zullen de dagen der jaren mijns levens zijn, dat ik met den koning zou optrekken naar Jeruzalem?35Ik ben heden tachtig jaren oud; zou ik kunnen onderscheiden tussen goed en kwaad? Zou uw knecht kunnen smaken, wat ik eet en wat ik drink? Zoude ik meer kunnen horen naar de stem der zangers en zangeressen? En waarom zou uw knecht mijn heer den koning verder tot een last zijn?36Uw knecht zal maar een weinig met den koning over de Jordaan gaan; waarom toch zou mij de koning zulk een vergelding doen?37Laat toch uw knecht wederkeren, dat ik sterve in mijn stad, bij het graf mijns vaders en mijner moeder; maar zie, daar is uw knecht Chimham, laat dien met mijn heer den koning overtrekken, en doe hem, wat goed is in uw ogen.38Toen zeide de koning: Chimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen, wat goed is in uw ogen; ja, alles, wat gij op mij begeren zult, zal ik u doen.39Toen nu al het volk over de Jordaan gegaan was, en de koning ook was overgegaan, kuste de koning Barzillai, en zegende hem; alzo keerde hij weder naar zijn plaats.40En de koning toog voort naar Gilgal, en Chimham toog met hem voort; en al het volk van Juda had den koning overgevoerd, als ook een gedeelte van het volk Israels.41En ziet, alle mannen van Israel kwamen tot den koning; en zij zeiden tot den koning: Waarom hebben u onze broeders, de mannen van Juda, gestolen, en hebben den koning en zijn huis over de Jordaan gevoerd, en alle mannen Davids met hem?42Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen de mannen van Israel: Omdat de koning ons na verwant is; en waarom zijt gij nu toornig over deze zaak? Hebben wij dan enigszins gegeten van des konings kost, of heeft hij ons een geschenk geschonken?43En de mannen van Israel antwoordden den mannen van Juda, en zeiden: Wij hebben tien delen aan den koning, en ook aan David, wij, meer dan gij; waarom hebt gij ons dan gering geacht, dat ons woord niet het eerste geweest is, om onzen koning weder te halen? Maar het woord der mannen van Juda was harder dan het woord der mannen van Israel.

Barzillai is één van de trouwe mannen van wie aan het einde van hoofdstuk 17 gezegd wordt dat zij hun bezittingen ten gunste van het volk gebruikten. Dat heeft David niet vergeten.

En als de grote Koning in heerlijkheid zal verschijnen, zal Hij ook denken aan de "gezegenden" van Zijn Vader. Op de dag van de beloning zal Hij tegen hen zeggen: "Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven ..." (Mattheüs 25 vers 34 en 35).

Barzillai trekt zich met veel tact terug. Hij wil op zijn hoge leeftijd de koning niet tot last zijn, maar vertrouwt hem wel zijn zoon Kimham toe. DM is de grootste wens van gelovige ouders: dat hun kinderen de Heere Jezus volgen, opdat Hij voor hen zal zorgen en hen zal zegenen.

David belooft Barzillai: "Alles, wat gij van mij begeren zult, zal ik u doen" (vers 38). Vergelijk dit met Johannes 14 vers 14 waar de Heere Jezus tegen de Zijnen zegt: "Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen".

David trekt weer de Jordaan over. Opnieuw mag hij van het land Kanaän — een beeld van de hemelse gewesten met de geestelijke zegeningen — genieten. Dit was een vreugde die hem vanwege zijn zonde enige tijd ontzegd was.

Voor een kind van God geldt hetzelfde. Elke misstap berooft hem van de vreugde van de hemelse zegeningen die hij nu al mag genieten. Dan moet hij opnieuw die weg gaan: de Jordaan oversteken (een beeld van de dood) en in Gilgal vertoeven (de plaats van het zelfoordeel) om uiteindelijk de gelukkige gemeenschap met de Heere terug te vinden.

2 Samuël 21:1-11
1En er was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht des HEEREN. En de HEERE zeide: Het is om Saul en om des bloedhuizes wil, omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.2Toen riep de koning de Gibeonieten, en zeide tot hen: (De Gibeonieten nu waren niet van de kinderen Israels, maar van het overblijfsel der Amorieten; en de kinderen Israels hadden hun gezworen, maar Saul zocht hen te slaan in zijn ijver voor de kinderen van Israel en Juda.)3David dan zeide tot de Gibeonieten: Wat zal ik ulieden doen, en waarmede zal ik verzoenen, dat gij het erfdeel des HEEREN zegent?4Toen zeiden de Gibeonieten tot hem: Het is ons niet te doen om zilver en goud met Saul en met zijn huis; ook is het ons niet om iemand te doden in Israel. En hij zeide: Wat zegt gij dan, dat ik u doen zal?5En zij zeiden tot den koning: De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons gedacht heeft, dat wij zouden verdelgd worden, zonder te kunnen bestaan in enige landpale van Israel;6Laat ons zeven mannen van zijn zonen gegeven worden, dat wij hen den HEERE ophangen te Gibea Sauls, o, gij verkorene des HEEREN! En de koning zeide: Ik zal hen geven.7Doch de koning verschoonde Mefiboseth, den zoon van Jonathan, den zoon van Saul, om den eed des HEEREN, die tussen hen was, tussen David en tussen Jonathan, Sauls zoon.8Maar de koning nam de twee zonen van Rizpa, dochter van Aja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefiboseth; daartoe de vijf zonen van Michals zuster, Sauls dochter, die zij Adriel, den zoon van Barzillai, den Meholathiet, gebaard had;9En hij gaf hen in de hand der Gibeonieten, die ze ophingen op den berg voor het aangezicht des HEEREN; en die zeven vielen tegelijk; en zij werden gedood in de dagen van den oogst, in de eerste dagen, in het begin van den gersteoogst.10Toen nam Rizpa, de dochter van Aja, een zak, en spande dien voor zich uit op een rotssteen, van het begin van den oogst, totdat er water op hen drupte van den hemel; en zij liet het gevogelte des hemels op hen niet rusten des daags, noch het gedierte van het veld des nachts.11En het werd David aangezegd, wat Rizpa, de dochter van Aja, Sauls bijwijf, gedaan had.

Zoals we aan het einde van hoofdstuk 19 gezien hebben, ontstaat er twist tussen Juda en de andere stammen van Israël.

Seba, een nieuwe vijand, maakt hier handig gebruik van door het volk mee te slepen in een nieuwe opstand (hoofdstuk 20). Op dezelfde manier behaalt satan voordeel uit onze onderlinge strijd en hij verheugt zich over onenigheid tussen de kinderen van God.

Seba sterft en alles komt weer in orde. De regering van het rijk wordt weer hersteld, volgens hoofdstuk 8 vers 15 tot en met 18, zij het met dit verschil, dat de zonen van David geen dienaars van de kroon meer zijn. Na het gebeuren met Absalom begrijpen we waarom.

Hoofdstuk 21 beschrijft een andere verdrietige gebeurtenis.

Saul had de eed die Israël eens aan de Gíbeonieten had gezworen, verbroken (Jozua 9 vers 15). Veel later wordt deze zonde in herinnering gebracht. Dit moest nu, volgens Numeri 35 vers 19, nog recht getrokken (ofwel: verzoend) worden.

We kunnen er zeker van zijn dat de tijd de begane zonden niet uitwist! Voor God blijven ze bestaan!

Maar voor de gelovigen heeft het bloed van Christus alle zonden volledig weggedaan. Hangend aan het hout (Handelingen 5 vers 30 en 10 vers 39), de vloek dragend, heeft de Heere Jezus het oordeel over onze zonden gedragen. Hij, de Rechtvaardige, stierf voor ons, de onrechtvaardigen. Hem komt al onze dank en aanbidding toe, nu en tot in eeuwigheid!

2 Samuël 21:12-22
12Zo ging David henen, en nam de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon, van de burgeren van Jabes in Gilead, die dezelve gestolen hadden van de straat Beth-San, alwaar de Filistijnen ze hadden opgehangen, ten dage als de Filistijnen Saul sloegen op Gilboa.13En hij bracht van daar op de beenderen van Saul, en de beenderen van Jonathan, zijn zoon; ook verzamelden zij de beenderen der gehangenen.14En zij begroeven de beenderen van Saul en zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin te Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles, wat de koning geboden had. Alzo werd God na dezen den lande verbeden.15Voorts hadden de Filistijnen nog een krijg tegen Israel. En David toog af, en zijn knechten met hem, en streden tegen de Filistijnen, dat David moede werd.16En Isbi Benob, die van de kinderen van Rafa was, en het gewicht zijner spies driehonderd gewicht kopers, en hij was aangegord met een nieuw zwaard; deze dacht David te slaan.17Maar Abisai, de zoon van Zeruja, hielp hem, en sloeg den Filistijn, en doodde hem. Toen zwoeren hem de mannen van David, zeggende: Gij zult niet meer met ons uittrekken ten strijde, opdat gij de lamp van Israel niet uitblust.18En het geschiedde daarna, dat er wederom een krijg was te Gob tegen de Filistijnen. Toen sloeg Sibbechai, de Husathiet, Saf, die van de kinderen van Rafa was.19Voorts was er nog een krijg te Gob tegen de Filistijnen; en Elhanan, de zoon van Jaare-Oregim, sloeg Beth-Halachmi, dewelke was met Goliath, den Gethiet, wiens spiesenhout was als een weversboom.20Nog was er ook een krijg te Gath; en er was een zeer lang man, die zes vingeren had aan zijn handen, en zes tenen aan zijn voeten, vier en twintig in getal, en deze was ook aan Rafa geboren.21En hij hoonde Israel; maar Jonathan, de zoon van Simea, Davids broeder, sloeg hem.22Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand zijner knechten.

Hier zien we David opnieuw iets doen ter nagedachtenis aan Saul en zijn nakomelingen (vergelijk hoofdstuk 9). Hij bekommert zich persoonlijk om hun graven.

Vervolgens laat God ons nog iets zien van een glorierijke periode. Vier vreselijke vijanden, zonen van een reus, trekken achtereenvolgens op tegen Israël. Maar de één na de ander wordt door een metgezel van David neergeveld.

David heeft zijn mannen eerst zelf het voorbeeld gegeven, toen hij over Goliath, de grootste en gevaarlijkste van alle vijanden, triomfeerde. David heeft hen laten zien wat vertrouwen op God kan uitwerken.

De grote strijd aan het kruis hoeft niet opnieuw gevoerd te worden. Satan is overwonnen. Maar als wij volgelingen van Christus zijn, zullen ook wij strijd hebben.

In tegenstelling tot David is de Heere Jezus wèl altijd bij ons en zal Hij nooit moe worden. Hij zal ons de overwinning geven, want wij strijden voor Zijn Naam en voor Zijn eer —vaak slechts door eenvoudig en aanhoudend in geloof te bidden.

En de vijanden die ons vaak zó vreselijk en ontzettend groot lijken te zijn, zullen voor de almachtige Naam van de Heere Jezus waarin wij hen tegemoet treden, als een schaduw wegvluchten.

Kent ieder van ons uit eigen ervaring de macht van deze kostbare Naam?

2 Samuël 22:1-19
1En David sprak de woorden dezes lieds tot den HEERE, ten dage als de HEERE hem verlost had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.2Hij zeide dan: De HEERE is mij mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper.3God is mijn Rots, ik zal op Hem betrouwen; mijn Schild en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek en mijn Toevlucht, mijn Verlosser! Van geweld hebt Gij mij verlost!4Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en ik werd verlost van mijn vijanden.5Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.6Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.7Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren.8Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.10En Hij boog den hemel, en daalde neder; en donkerheid was onder Zijn voeten.11En Hij voer op een cherub, en vloog, en werd gezien op de vleugelen des winds.12En Hij zette duisternis rondom Zich tot tenten, een samenbinding der wateren, wolken des hemels.13Van den glans voor Hem henen werden kolen des vuurs aangestoken.14De HEERE donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem.15En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.16En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des HEEREN, van het geblaas des winds van Zijn neus.17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.18Hij verloste mij van mijn sterken vijand, van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.19Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij een Steunsel.

De laatste vijanden van de koning zijn vernietigd. Zoals eens Israël ná hun doortocht door de Rode Zee (vers 16 is daarop een zinspeling; zie ook Exodus 15), Deborah en Barak ná hun overwinning op de vijanden (Richteren 5) en Hanna ná de verhoring van haar gebed (1 Samuël 2), zo kan David nu ook roemen in de bevrijdingen die de HEERE bewerkte.

Hij dankt zijn Redder met een lied. Zingen wij ook dankliederen? Allicht doen we dat in de samenkomsten en misschien ook wel thuis met anderen. Maar waarom zouden we het ook niet doen als we alleen zijn?

Dit lied bevat een groot deel van Psalm 18. En zoals alle Psalmen stijgt ook de inhoud van deze Psalm boven de ervaringen van de schrijver zelf uit.

Wat is het lijden van David vergeleken met wat de Heere Jezus moest ondergaan? Wat is alle geweld en kwaad van Saul vergeleken met de haat van satan, de sterke, die Hij moest ondervinden?

Satan heeft geprobeerd de Heere Jezus bang te maken door Hem te bepalen bij Gods oordeel dat Hem te wachten stond. Hij heeft gepoogd Hem in die "strikken des doods" te laten vallen, zodat Hij niet naar Golgotha zou willen gaan (vers 6). Maar in Gethsémané is Christus "verhoord" (Hebreeën 5 vers 7).

Natuurlijk kon God Zijn Zoon het kruis niet besparen, noch de "drinkbeker" van Hem wegnemen. Toch heeft God geantwoord en Hem van Zijn "sterke vijand" (vers 18), de duivel, bevrijd en Hem uit "grote wateren" opgetrokken (vers 17), uit die vreselijke "baren des dood'" (vers 5).

2 Samuël 22:20-32
20En Hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid; Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen, daarvan week ik niet af.24Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.25Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar mijn reinigheid, voor Zijn ogen.26Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren; bij den oprechten held houdt Gij U oprecht.27Bij den reine houdt Gij U rein; maar bij den verkeerde houdt Gij U verdraaid.28En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.29Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE, en de HEERE doet mijn duisternis opklaren.30Want met U loop ik door een bende; met mijn God spring ik over een muur.31Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.32Want wie is God, behalve de HEERE, en wie is een rotssteen, behalve onze God?

De bevrijdingen die God ons schenkt, en bovenal ons eeuwig heil, zijn niet van onze eigen verdienste afhankelijk, maar alleen van Zijn genade. Toen het daarentegen om Zijn Zoon ging, vond God in Hem zo'n voortreffelijkheid dat Hij niet anders kon dan Hem bevrijden.

Onder alle mensen is Christus de Enige, als we dat zo mogen zeggen, Die Zijn opstanding verdiend heeft! Zij die de Heere Jezus aan het kruis gezien hebben, dachten dat Zijn verlaten—zijn een teken van verwerping door God was. De spotters schudden hun hoofd: "... dat Hij Hem redde, daar Hij lust aan Hem heeft!" (Psalm 22 vers 9), of: "... dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil" (Mattheüs 27 vers 43).

God heeft geantwoord op deze uitdaging door de Heere Jezus op te wekken. En de Zoon Die het hart van de Vader kent, antwoordde aan de overkant van de dood: "Hij rukte Mij uit, want Hij had lust aan Mij" (vers 20).

Laten we die wonderbare oorzaken waarom God een welgevallen in de Heere Jezus gevonden heeft, eens samen overdenken:

Zijn gerechtigheid en reinheid (vers 21 en 25);

Zijn trouw (vers 22);

Zijn gehoorzaamheid (vers 23);

Zijn oprechtheid (vers 24);

Zijn goedheid (vers 26);

Zijn afhankelijkheid (vers 29 en 30);

Zijn vertrouwen (vers 31);

dit alles samenvattend: Zijn volkomenheid.

Het oog van de Vader kon werkelijk met volle bevrediging op deze "oprechte Held" (vers 26) rusten.

2 Samuël 22:33-51
33God is mijn Sterkte en Kracht; en Hij heeft mijn weg volkomen geopend.34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijn hoogten.35Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.36Ook hebt Gij mij gegeven het schild Uws heils, en door Uw verootmoedigen hebt Gij mij groot gemaakt.37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij; en mijn enkelen hebben niet gewankeld.38Ik vervolgde mijn vijanden, en verdelgde hen, en keerde niet weder, totdat ik ze verdaan had.39En ik verteerde hen, en doorstak ze, dat zij niet weder opstonden; maar zij vielen onder mijn voeten.40Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen.42Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.43Toen vergruisde ik hen als stof der aarde; ik stampte ze, ik breidde hen uit als slijk der straten.44Ook hebt Gij mij uitgeholpen van de twisten mijns volks, Gij hebt mij bewaard tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.45Vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen; zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.46Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hun sloten.47De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen; en verhoogd zij God, de Rotssteen mijns heils!48De God, Die mij volkomene wraak geeft, en de volken onder mij nederwerpt;49En Die mij uitvoert van mijn vijanden; en Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man alles gewelds.50Daarom zal ik U, o HEERE, loven onder de heidenen, en Uw Naam zal ik psalmzingen.51Hij is een Toren der verlossingen Zijns konings, en Hij doet goedertierenheid aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad, tot in eeuwigheid.

In dit bevrijdingslied hebben we de zijde van David gezien, als voorbeeld voor de gelovigen, maar ook als type van Christus. Nu rest ons nog Gods zijde te overdenken.

"Gods weg is volmaakt", zo begint vers 31. De Heere Jezus wil graag dat wij de Bewerker van Zijn bevrijding kennen (zie vers 17 en 18 en ook Psalm 40 vers 3).

Wat was de eerste boodschap die de Heere Jezus direct ná Zijn opstanding bij monde van Maria aan Zijn discipelen liet overbrengen? Vergelijk Psalm 22 vers 23 met Johannes 20 vers 17.

Het is alsof Hij hen hiermee zegt: 'De Vader Die Mij liefheeft, de machtige God Die Mij bevrijd heeft, wordt jullie Vader, jullie God. Hij heeft ook jullie lief en door dezelfde macht bevrijdt Hij ook jullie uit de macht van satan en dood. Alles wat de Vader voor Mij betekent, zal Hij voortaan ook voor jullie zijn'.

Vers 33 en verder laten ons zien dat God ook machtig is om hen die op Hem vertrouwen, kracht te geven voor hun wandel en voor hun strijd. Op dezelfde wijze heeft Hij ook de Heere Jezus geleid Die ook volledig op Hem vertrouwde.

Het slot van dit hoofdstuk vestigt onze ogen op de toekomst. Het laat ons zien wat God zal doen om de vijanden van Christus definitief te verslaan. Hij zal de volkeren onder Zijn heerschappij brengen en Hem uiteindelijk als Koning over het hele universum stellen.

2 Samuël 23:1-12
1Voorts zijn dit de laatste woorden van David. David, de zoon van Isai zegt, en de man, die hoog is opgericht, de gezalfde van Jakobs God, en liefelijk in psalmen van Israel, zegt:2De Geest des HEEREN heeft door mij gesproken, en Zijn rede is op mijn tong geweest.3De God Israels heeft gezegd, de Rotssteen Israels heeft tot mij gesproken: Er zal zijn een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser in de vreze Gods.4En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens zonder wolken, wanneer van den glans na den regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.5Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.6Maar de mannen Belials zullen altemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten;7Maar een iegelijk, die ze zal aantasten, voorziet zich met ijzer en het hout ener spies; en zij zullen ganselijk met vuur verbrand worden ter zelver plaats.8Dit zijn de namen der helden, die David gehad heeft: Joscheb Baschebeth, de zoon van Tachkemoni, de voornaamste der hoofdlieden. Deze was Adino, de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op eenmaal.9En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahohi, deze was onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die aldaar ten strijde verzameld waren, en de mannen van Israel waren opgetogen.10Deze stond op, en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijn hand moede werd, ja, zijn hand aan het zwaard kleefde; en de HEERE wrocht een groot heil ten zelven dage; en het volk keerde wederom hem na, alleenlijk om te plunderen.11Na hem nu was Samma, de zoon van Age, de Harariet. Toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en aldaar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vluchtte;12Zo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg de Filistijnen; en de HEERE wrocht een groot heil.

Het leven van David loopt ten einde. Zijn laatste geïnspireerde woorden worden ons nog meegedeeld.

Hij die "liefelijk in psalmen van Israël" genoemd wordt, denkt terug aan het verleden: Hij weet dat hij zijn huis niet bestuurd heeft zoals het had gemoeten! Maar hij vertrouwt volkomen op de genade van God.

God heeft voor Israël en de rest van de wereld een toekomst in heerlijkheid onder de heerschappij van Christus, de Koning van de gerechtigheid en van de vrede, toebereid.

Dat zal zijn als de glans van een nieuwe morgen die doorbreekt na een donkere nacht. Alle duisternis die nu nog over de aarde heerst, zal dan verdwenen zijn. Onder deze heerschappij zullen de mensen God vrezen en Hem dienen. Zij zullen vruchten voortbrengen zoals een vruchtbare en goed bevochtigde aarde dat doet.

Voor ons is het noodzakelijk, zonder eerst het einde van ons leven af te wachten, dat wij van tijd tot tijd onze positie bepalen, zoals een kapitein dat doet op zijn schip.

Het verleden is mijn verdrietige geschiedenis, maar was tegelijkertijd die aangrijpende gelegenheid voor de Heere om mij genade te bewijzen.

Het heden wordt hoofdzakelijk door twee dingen gekenmerkt: de Heere gehoorzamen en alleen op Hem vertrouwen.

En wij weten dat de toekomst van de gelovigen de heerlijkheid zal zijn. Christus zal dan Zijn heerlijkheid met hen delen, zoals Hij tegen Zijn Vader gezegd heeft (Johannes 17 vers 22).

2 Samuël 23:13-39
13Ook gingen af drie van de dertig hoofden, en kwamen in den oogst tot David, in de spelonk van Adullam; en de hoop der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Rafaim.14En David was toen in een vesting; en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.15En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die in de poort is?16Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die in de poort is, en droegen het, en kwamen tot David; doch hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor den HEERE.17En zeide: Het zij verre van mij, o HEERE, dat ik dit zou doen; zou ik drinken het bloed der mannen, die heengegaan zijn met gevaar van hun leven? En hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden.18Abisai, Joabs broeder, de zoon van Zeruja, die was ook een hoofd van drieen; en die hief zijn spies op tegen driehonderd, die van hem verslagen werden; en hij had een naam onder die drie.19Was hij niet de heerlijkste van die drie? Daarom was hij hun tot een overste. Maar hij kwam niet tot aan die eerste drie.20Voorts Benaja, de zoon van Jojada, de zoon van een dapperen man, groot van daden, van Kabzeel; die sloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en sloeg een leeuw in het midden van een kuil in den sneeuwtijd.21Daartoe sloeg hij een Egyptischen man, een man van aanzien; en in de hand des Egyptenaars was een spies, maar hij ging tot hem af met een staf; en hij rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en doodde hem met zijn eigen spies.22Die dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder de drie helden.23Hij was de heerlijkste van de dertig, maar tot die drie eersten kwam hij niet; en David stelde hem over zijn trawanten.24Asahel, Joabs broeder, was onder de dertig; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;30Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;35Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;39Uria, de Hethiet, zeven en dertig in alles.

Hier vinden we een prachtige opsomming van de metgezellen van de koning. Eens hebben zij samen met hem gestreden en geleden, mi heersen zij ook met hem (vergelijk 2 Timotheüs 2 vers 12).

Een roemrijke bladzijde waarop elke naam en elke heldendaad naar waarheid beschreven staat! Zo zal er ook niets vergeten worden van wat de Heere ons toestaat voor Hem te doen. Heeft Hij het niet gezegd: "En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleen een beker koud water ... hij zal zijn loon geenszins verliezen" (Mattheüs 10 vers 42)?

Kijk eens naar het handelen van de drie helden, daar bij de bornput van Bethlehem. Zij wagen zelfs hun leven voor een beetje fris water! Het kleinste verlangen van hun leider die zij liefhebben, is in hun ogen zo'n offer waard. "Dit deden die drie helden" (vers 17).

Zijn wij uit liefde tot een veel grotere Meester ook bereid tot zo'n overgave en toewijding?

De Heere weet alles wat voor Hem gedaan wordt, precies op zijn waarde te schatten, al is het nog zo moeilijk. Twee leeuwen doden is al heel uitzonderlijk. Dat in de sneeuwtijd te doen, was voor de moedige Benája nog veel moeilijker. Daarom worden de slechte weersomstandigheden en het jaargetijde expres genoemd!

Dan volgt een lijst met namen van deze helden. Allen worden genoemd. Ze zijn stuk voor stuk kostbaar voor het hart van de koning.

Ook de trouwe Uria ontbreekt niet (vers 39).

Joab wordt daarentegen niet genoemd, ondanks zijn vele daden.

2 Samuël 24:1-13
1En de toorn des HEEREN voer voort te ontsteken tegen Israel; en Hij porde David aan tegen henlieden, zeggende: Ga, tel Israel en Juda.2De koning dan zeide tot Joab, den krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israel, van Dan tot Ber-seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal des volks wete.3Toen zeide Joab tot den koning: Nu doe de HEERE, uw God, tot dit volk, zoals deze en die nu zijn, honderdmaal meer, dat de ogen van mijn heer den koning het aanzien; maar waarom heeft mijn heer de koning lust tot deze zaak?4Doch des konings woord nam de overhand tegen Joab, en tegen de oversten des heirs. Alzo toog Joab uit, met de oversten des heirs, van des konings aangezicht, om het volk Israel te tellen.5En zij gingen over de Jordaan, en legerden zich bij Aroer, ter rechterhand der stad, die in het midden is van de beek van Gad, en aan Jaezer.6Voorts kwamen zij in Gilead, en in het lage land Hodsi; ook kwamen zij tot Dan-Jaan, en rondom bij Sidon.7En zij kwamen tot de vesting van Tyrus, en alle steden der Hevieten en der Kanaanieten; en zij kwamen uit aan het zuiden van Juda te Ber-seba.8Alzo togen zij om door het ganse land; en ten einde van negen maanden en twintig dagen kwamen zij te Jeruzalem.9En Joab gaf de som van het getelde volk aan den koning; en in Israel waren achthonderd duizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderd duizend man.10En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had; en David zeide tot den HEERE: Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o HEERE, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.11Als nu David des morgens opstond, zo geschiedde het woord des HEEREN tot den profeet Gad, Davids ziener, zeggende:12Ga heen, en spreek tot David: Alzo zegt de HEERE: Drie dingen draag Ik u voor; verkies u een uit die, dat Ik u doe.13Zo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zeide tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of wilt gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij? Merk nu, en zie toe, wat antwoord ik Dien zal wederbrengen, Die mij gezonden heeft.

David begaat opnieuw een fout door een volkstelling te laten houden.

In vers 1 lijkt het alsof dat niet zijn schuld is, omdat de HEERE hem ertoe aanzette. Maar uit 1 Kronieken 21 vers 1 blijkt duidelijk dat het satan was die hem daartoe dreef. God had satan vrijheid van handelen gegeven, omdat Hij Israël wilde tuchtigen en daarna genade wilde bewijzen.

De vijand kan zijn doel alleen maar bereiken via de hoogmoed van de koning. David is er namelijk trots op dat hij over zo'n talrijk volk heerst en zo'n machtig leger tot zijn beschikking heeft.

Door hoogmoed gaan we onszelf belangrijk vinden, waarbij we vergeten dat we alles wat we zijn of hebben, te danken hebben aan de genade van God.

In betere dagen had David eens gezegd: "Wie ben ik, Heere HEERE? ... En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israël?" (hoofdstuk 7 vers 18 en 23).

Israël had zijn eer niet te danken aan eigen kracht, noch aan het aantal strijders. Het volk bestond enkel en alleen in de Naam van de HEERE Wiens volk het was (Psalm 20 vers 8)!

Hoewel hij God niet vreesde, blijkt Joab dit veel beter begrepen te hebben dan David. Hij probeert de koning van zijn plan te weerhouden. Tevergeefs!

De volkstelling vindt plaats, maar al spoedig ziet de koning zijn grote dwaasheid in!

Ondanks zijn berouw heeft hij te maken met de regeringswegen van God.

2 Samuël 24:14-25
14Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen.15Toen gaf de HEERE een pestilentie in Israel, van den morgen af tot den gezetten tijd toe; en er stierven van het volk, van Dan tot Ber-seba toe, zeventig duizend mannen.16Toen nu de engel zijn hand uitstrekte over Jeruzalem, om haar te verderven, berouwde het den HEERE over dat kwaad, en Hij zeide tot den engel, die het verderf onder het volk maakte: Het is genoeg, trek uw hand nu af. De engel des HEEREN nu was bij den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet.17En David, als hij den engel zag, die het volk sloeg, sprak tot den HEERE, en zeide: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis.18En Gad kwam tot David op dienzelfden dag, en zeide tot hem: Ga op, richt den HEERE een altaar op, op den dorsvloer van Arauna, den Jebusiet.19Alzo ging David op naar het woord van Gad, gelijk als de HEERE geboden had.20En Arauna zag toe, en zag den koning en zijn knechten tot zich overkomen; zo ging Arauna uit, en boog zich voor den koning met zijn aangezicht ter aarde.21En Arauna zeide: Waarom komt mijn heer de koning tot zijn knecht? En David zeide: Om dezen dorsvloer van u te kopen, om den HEERE een altaar te bouwen, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk.22Toen zeide Arauna tot David: Mijn heer de koning neme en offere, wat goed is in zijn ogen; zie, daar de runderen ten brandoffer, en de sleden en het rundertuig tot hout.23Dit alles gaf Arauna, de koning, aan den koning. Voorts zeide Arauna tot den koning: De HEERE uw God neme een welgevallen in u!24Doch de koning zeide tot Arauna: Neen, maar ik zal het zekerlijk van u kopen voor den prijs; want ik zal den HEERE, mijn God, niet offeren brandofferen om niet. Alzo kocht David den dorsvloer en de runderen voor vijftig zilveren sikkelen.25En David bouwde aldaar den HEERE een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen. Alzo werd de HEERE den lande verbeden, en deze plage van over Israel opgehouden.

Het volk wordt getroffen door de Goddelijke straf. Het volk Israël wordt door een epidemie getroffen, zodat er zeventigduizend mannen sterven.

Het is alsof God tegen David wil zeggen: 'Het komt Mij toe, dit volk binnen drie dagen te vermeerderen of te verminderen, terwijl jij bijna tien maanden nodig hebt gehad om het te tellen'.

David geeft een mooi antwoord op de keuze die hem gesteld wordt: "Laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen" (vers 14).

Hij kent het hart van God en zelfs de tuchtiging kan zijn vertrouwen in de Goddelijke liefde niet aan het wankelen brengen. Dit vertrouwen zal niet beschaamd worden.

Ook nu neemt God de zonde van de mens tot aanleiding om de wonderbare bronnen van Zijn barmhartigheid en vergeving te openbaren. "Het is genoeg!" (vers 16), zegt Hij als de vrucht die Hij verwachtte, zichtbaar is geworden in de harten.

Dan wordt er een offer gebracht. En de dorsvloer die de koning van Arauna koopt, wordt later, zoals wij zullen zien, tot standplaats van de tempel.

David wil de HEERE geen offers brengen die hem niets gekost hebben. Daarbij gaan onze gedachten uit naar het offer van Maria in de Evangeliën. Ook zij wilde Hem Die zij boven alles achtte, eren met een welriekend offer dat haar heel veel gekost had (Johannes 12 vers 3).

1 Koningen 1:1-21
1De koning David nu was oud, wel bedaagd; en zij dekten hem met klederen, doch hij kreeg gene warmte.2Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer den koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht des konings sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde.3Zo zochten zij een schone jonge dochter in alle landpalen van Israel; en zij vonden Abisag, een Sunamietische, en brachten ze tot den koning.4En de jonge dochter was bovenmate schoon, en koesterde de koning, en diende hem; doch de koning bekende ze niet.5Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagenen en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht.6En zijn vader had hem niet bedroefd van zijn dagen, zeggende: Waarom hebt gij alzo gedaan? En ook was hij zeer schoon van gedaante, en Haggith had hem gebaard na Absalom.7En zijn raadslagen waren met Joab, den zoon van Zeruja, en met Abjathar, den priester; die hielpen, volgende Adonia.8Maar Zadok, de priester, en Benaja, de zoon van Jojada, en Nathan, de profeet, en Simei, en Rei, en de helden, die David had, waren met Adonia niet.9En Adonia slachtte schapen en runderen, en gemest vee bij den steen Zoheleth, die bij de fontein Rogel is; en noodde al zijn broederen, de zonen des konings, en alle mannen van Juda, des konings knechten.10Maar Nathan, den profeet, en Benaja, en de helden, en Salomo, zijn broeder, noodde hij niet.11Toen sprak Nathan tot Bathseba, de moeder van Salomo, zeggende: Hebt gij niet gehoord, dat Adonia, de zoon van Haggith, koning is? En onze heer David weet dat niet.12Nu dan, kom, laat mij u toch een raad geven, dat gij uw ziel en de ziel van uw zoon Salomo redt.13Ga heen, en treed in tot den koning David, en zeg tot hem: Hebt gij niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning?14Zie, als gij daar nog met den koning spreken zult, zo zal ik na u inkomen, en zal uw woorden vervullen.15En Bathseba ging in tot den koning in de binnenkamer; doch de koning was zeer oud, en Abisag, de Sunamietische, diende den koning.16En Bathseba neigde het hoofd en boog zich neder voor den koning; en de koning zeide: Wat is u?17En zij zeide tot hem: Mijn heer! gij hebt uw dienstmaagd bij den HEERE, uw God, gezworen: Voorzeker Salomo, uw zoon, zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten!18En nu zie, Adonia is koning; en nu, mijn heer koning, gij weet het niet.19En hij heeft ossen, en gemest vee, en schapen in menigte geslacht, en genood al de zonen des konings, en Abjathar, den priester, en Joab, den krijgsoverste, maar uw knecht Salomo heeft hij niet genood.20Maar gij, mijn heer koning, de ogen van het ganse Israel zijn op u, dat gij hun zoudt te kennen geven, wie op den troon van mijn heer den koning na hem zitten zal.21Anders zal het geschieden, als mijn heer de koning met zijn vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn.

David is nu een grijsaard. Hij is moe van al het lijden en strijden. Maar zoals wij uit de woorden van het gebed in Psalm 71 mogen opmaken, blijft hij op God vertrouwen: "O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan ... Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God" (Psalm 71 vers 17, 18 en ook vers 9).

De HEERE zal hem antwoorden en hem in de laatste beproeving die Hij hem zendt, te hulp komen.

Na Absalom is het nu Adónia, één van de andere zonen van David, die een samenzwering tegen hem smeedt om de troon te bemachtigen.

Deze Adónia heeft blijkbaar niets geleerd uit het noodlottige einde van zijn broer. Bovendien had de opvoeding van deze jongeman te wensen overgelaten. Zijn vader had hem nooit vermaand en hem nooit afgeremd, zodat Adónia van kinds af aan altijd gedaan had wat hijzelf wilde, en ook in alles zijn zin gekregen had.

Dat is ook een les voor onze jonge lezers om eerst eens goed na te denken, als ze menen dat hun ouders te veel van hen vragen!

Wees ervan overtuigd dat als je op zo'n manier 'bedroefd' wordt als je jong bent, je dit een heleboel leed in je verdere leven zal besparen! God handelt met Zijn kinderen niet anders (Hebreeën 12 vers 6).

Hoe vaak zullen Zijn wijsheid en liefde ons al niet verhinderd hebben een eigen weg te gaan. Dat is nu al tot ons heil en misschien zelfs ook voor de eeuwigheid!

1 Koningen 1:22-37
22En ziet, zij sprak nog met den koning, als de profeet Nathan inkwam.23En zij gaven den koning te kennen, zeggende: Zie, de profeet Nathan is daar; en hij kwam voor het aangezicht des konings, en boog zich voor den koning op zijn aangezicht ter aarde.24En Nathan zeide: Mijn heer koning! hebt gij gezegd: Adonia zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten?25Want hij is heden afgegaan, en heeft geslacht ossen, en gemest vee, en schapen in menigte, en heeft genood al de zonen des konings, en de oversten des heirs, en Abjathar, den priester; en zie, zij eten, en drinken voor zijn aangezicht, en zeggen: De koning Adonia leve!26Maar mij, die uw knecht ben, en Zadok, den priester, en Benaja, den zoon van Jojada, en Salomo, uw knecht, heeft hij niet genood.27Is deze zaak van mijn heer den koning geschied? En hebt gij uw knecht niet bekend gemaakt, wie op den troon van mijn heer den koning na hem zitten zou?28En de koning David antwoordde en zeide: Roept mij Bathseba; en zij kwam voor het aangezicht des konings, en stond voor het aangezicht des konings.29Toen zwoer de koning, en zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, die mijn ziel uit allen nood verlost heeft;30Voorzeker, gelijk als ik u gezworen heb bij den HEERE, den God Israels, zeggende: Voorzeker zal uw zoon Salomo na mij koning zijn, en zal op mijn troon in mijn plaats zitten; voorzeker, alzo zal ik te dezen zelfden dage doen.31Toen neigde zich Bathseba met het aangezicht ter aarde, en boog zich neder voor den koning, en zeide: Mijn heer de koning David leve in eeuwigheid!32En de koning David zeide: Roep mij Zadok, den priester, en Nathan, den profeet, en Benaja, den zoon van Jojada; en zij kwamen voor het aangezicht des konings.33En de koning zeide tot hen: Neemt met u de knechten uws heren, en doet mijn zoon Salomo rijden op de muilezelin, die voor mij is; en voert hem af naar Gihon.34En dat Zadok, de priester, met Nathan, den profeet, hem aldaar tot koning over Israel zalven. Daarna zult gij met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve!35Dan zult gij achter hem optrekken, en hij zal komen, en zal op mijn troon zitten, en hij zal koning zijn in mijn plaats; want ik heb geboden, dat hij een voorganger zou zijn over Israel en over Juda.36Toen antwoordde Benaja, de zoon van Jojada, den koning, en zeide: Amen; alzo zegge de HEERE, de God van mijn heer den koning!37Gelijk als de HEERE met mijn heer den koning geweest is, alzo zij Hij met Salomo; en Hij make zijn troon groter dan den troon van mijn heer den koning David!

Bij de fontein Rogel is het feest in volle gang. Iedereen die uitgenodigd is heeft zich rondom Adónia geschaard.

We zien daar de afvallige Joab, maar ook een Abjathar die de genadige woorden ("Blijf bij mij ..." — 1 Samuël 22 vers 23) van David vergeten heeft.

De andere zonen van David hebben zich ook bij hun broer aangesloten; zij het uit hoop er zelf beter van te worden of vanwege hun zwakke karakter.

Er is slechts één die een uitzondering vormt: Sálomo, die niet uitgenodigd is. Waarom niet? Is hij niet de door God verkozen koning, de opvolger van David?

Het hele, zo geraffineerd opgezette plan wordt door enkele getrouwe vrienden die zich onderwerpen aan Gods plannen, gedwarsboomd. Zodra David ervan hoort, gaat hij handelen: Sálomo zal nu de troon bestijgen. Alle aanwijzingen daarvoor worden nu gegeven.

Vandaag de dag verheft de mens zich op elk gebied om eigen eer te zoeken. Er is echter één gedachte waar hij zich nooit om bekommert: de wil van God te kennen.

Het is de Goddelijke wil om de wereld een Koning te geven Die Hij daarvoor bestemd heeft: Jezus Christus.

Deze Koning is nu nog verworpen en veracht. Hij wordt niet uitgenodigd op de vrolijke feesten van de wereld. En evenmin is daar een plaats voor hen die Hem vrezen.

1 Koningen 1:38-53
38Toen ging Zadok, de priester, af, met Nathan, den profeet, en Benaja, den zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en zij deden Salomo rijden op de muilezelin van den koning David, en geleidden hem naar Gihon.39En Zadok, de priester, nam den oliehoorn uit de tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zeide: De koning Salomo leve!40En al het volk kwam op achter hem, en het volk pijpte met pijpen, en verblijdde zich met grote blijdschap, zodat de aarde van hun geluid spleet.41En Adonia hoorde het, en al de genoden, die met hem waren, die nu geeindigd hadden te eten; ook hoorde Joab het geluid der bazuinen, en zeide: Waarom is het geroep dier stad, die in roer is?42Als hij nog sprak, ziet, zo kwam Jonathan, de zoon van Abjathar, den priester; en Adonia zeide: Kom in, want gij zijt een kloek man, en zult het goede boodschappen.43En Jonathan antwoordde en zeide tot Adonia: Ja, maar onze heer, de koning David, heeft Salomo tot koning gemaakt.44En de koning heeft met hem gezonden Zadok, den priester, en Nathan, den profeet, en Benaja, den zoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi; en zij hebben hem doen rijden op de muilezelin des konings.45Daartoe hebben hem Zadok, de priester, en Nathan, de profeet, in Gihon tot koning gezalfd, en zijn van daar blijde opgetogen, zodat de stad in roer is; dat is het geroep, dat gij gehoord hebt.46En ook zit Salomo op den troon des koninkrijks.47Zo zijn ook de knechten des konings gekomen, om onzen heer, den koning David, te zegenen, zeggende: Uw God make den naam van Salomo beter dan uw naam, en make zijn troon groter dan uw troon; en de koning heeft aangebeden op de slaapstede.48Ja, ook heeft de koning aldus gezegd: Geloofd zij de HEERE, de God Israels, Die heden gegeven heeft een, zittende op mijn troon, dat het mijn ogen gezien hebben!49Toen verschrikten en stonden op al de genoden, die bij Adonia waren, en gingen een iegelijk zijns weegs.50Doch Adonia vreesde voor Salomo, en hij stond op, en ging heen, en vatte de hoornen des altaars.51En men maakte Salomo bekend, zeggende: Zie, Adonia vreest den koning Salomo, want zie, hij heeft de hoornen des altaars gevat, zeggende: Dat de koning Salomo mij als heden zwere, dat hij zijn knecht met het zwaard niet doden zal!52En Salomo zeide: Indien hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar indien in hem kwaad bevonden zal worden, zo zal hij sterven.53En de koning Salomo zond heen, en zij deden hem afgaan van het altaar; en hij kwam, en boog zich neder voor den koning Salomo. En Salomo zeide tot hem: Ga heen naar uw huis.

Volgens de aanwijzingen van David wordt er nu een heel ander feest gevierd. Omgeven door de vreugde van het trouwe volk bestijgt de jonge Sálomo de troon van zijn vader.

Wat een groot verschil met Adónia! De nieuwe koning handelt niet uit zichzelf. Men laat hem op de muilezelin rijden, men leidt hem naar Gihon waar hij tot grote vreugde van de anderen door Zadok gezalfd wordt.

Intussen loopt het feest bij Rogel ten einde. Er klinkt een aanhoudend en ongewoon lawaai vanuit de richting van de stad.

Ook Joab, de ervaren soldaat, hoort dit en het geluid verontrust hem zeer. Tegelijkertijd verschijnt dan, geheel onverwacht, Jónathan ten tonele met een boodschap.

Wat hem betreft, is het een goede boodschap, want voor hem is er maar één koning gebleven: David, zijn heer. Maar wat een vreselijk bericht voor Adónia en zijn gasten!

De hele opstand valt op hetzelfde moment in duigen en de buiten zichzelf geraakte samenzweerders stuiven naar alle kanten uiteen. Geschrokken en doodsbang grijpt Adónia die de troon op onrechtmatige wijze voor zichzelf wilde opeisen, de hoornen van het altaar vast en smeekt de koning om zijn leven te sparen. De straf die hij verdiend had, wordt hem nu onthouden, maar toch is de hoogmoed en het kwaad in zijn hart niet veroordeeld.

Wat een dwaasheid, zich tegen God en Zijn gezalfde te verzetten! Toch zal de antichrist dat ook heel spoedig doen. Hij zal echter vernietigd worden en daardoor plaats moeten maken voor de Heere Jezus en Zijn heerschappij.

1 Koningen 2:1-12
1Als nu de dagen van David nabij waren, dat hij sterven zou, zo gebood hij zijn zoon Salomo, zeggende:2Ik ga heen in den weg der ganse aarde, zo wees sterk, en wees een man.3En neem waar de wacht des HEEREN, uws Gods, om te wandelen in Zijn wegen, om te onderhouden Zijn inzettingen, en Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn getuigenissen, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult, en al waarheen gij u wenden zult;4Opdat de HEERE bevestige Zijn woord, dat Hij over mij gesproken heeft, zeggende: Indien uw zonen hun weg bewaren, om voor Mijn aangezicht trouwelijk, met hun ganse hart en met hun ganse ziel te wandelen, zo zal geen man, zeide Hij, u afgesneden worden van den troon Israels.5Zo weet gij ook, wat Joab, de zoon van Zeruja, mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft aan de twee krijgsoversten van Israel, Abner, den zoon van Ner, en Amasa, den zoon van Jether, dien hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede; en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijn gordel, die aan zijn lendenen was, en aan zijn schoenen, die aan zijn voeten waren.6Doe dan naar uw wijsheid, dat gij zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.7Maar aan de zonen van Barzillai, den Gileadiet, zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen, die aan uw tafel eten; want alzo naderden zij tot mij, als ik vluchtte voor het aangezicht van uw broeder Absalom.8En zie, bij u is Simei, de zoon van Gera, de zoon van Jemini, uit Bahurim, die mij vloekte met een geweldigen vloek, ten dage als ik ging naar Mahanaim; doch hij kwam af mij tegemoet aan de Jordaan, en ik zwoer hem bij den HEERE, zeggende: Zo ik hem met het zwaard dode!9Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.10En David ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids.11De dagen nu, die David geregeerd heeft over Israel, zijn veertig jaren; zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drie en dertig jaren geregeerd.12En Salomo zat op den troon van zijn vader David; en zijn koninkrijk werd zeer bevestigd.

De laatste woorden die een stervende vader of moeder tegen zijn of haar kinderen zegt, zijn altijd van grote betekenis. De laatste aanwijzingen van David aan Sálomo laten zich in één zin samenvatten: Bewaar het Woord van God. Dat was ook het verlangen van de Heere Jezus, toen Hij op het punt stond de Zijnen te verlaten (Johannes 14 vers 23 en 24).

Daarbij is het ook nodig dat David over oordeel spreekt. Zonder oordeel kan het rijk van gerechtigheid en vrede niet worden opgericht.

Lange tijd bleef het kwaad ongestraft, maar nu komt de misdaad van Joab en het vervloeken van Simeï weer in herinnering. Maar wat Barzillai ooit voor de koning en de zijnen gedaan heeft, wordt evenmin vergeten.

Het tweede deel van dit hoofdstuk laat ons zien dat Sálomo een beeld is van Christus, de Koning van de gerechtigheid, en dat hij iedereen zal vergelden naar hetgeen hij gedaan heeft.

De dag waarop de Heere Zijn rijk in heerlijkheid zal aanvaarden, zal ook de dag van beloning en vergelding zijn (Mattheüs 25 vers 31 tot en met 46).

Sommigen zullen deel hebben aan het eeuwige leven en anderen aan het lijden dat ook eeuwig zal duren. Ja, er bestaat een Rechter, een oordeel en een hel (Openbaring 20 vers 11 tot en met 15).

Maar voor de gelovigen bestaat er een 'opstanding ten leven'. Daar wacht David nu op. Hij is ontslapen en begraven in de stad van David, nadat "hij in zijn tijd de raad Gods gediend had", zoals Handelingen 13 vers 36 ons zegt.

1 Koningen 3:1-15
1En Salomo verzwagerde zich met Farao, den koning van Egypte; en nam de dochter van Farao, en bracht ze in de stad Davids totdat hij voleind zou hebben het bouwen van zijn huis en het huis des HEEREN, en den muur van Jeruzalem rondom.2Alleenlijk offerde het volk op de hoogten, want geen huis was den Naam des HEEREN gebouwd, tot die dagen toe.3En Salomo had den HEERE lief, wandelende in de inzettingen van zijn vader David; alleenlijk offerde hij en rookte op de hoogten.4En de koning ging naar Gibeon, om aldaar te offeren, omdat die hoogte groot was; duizend brandofferen offerde Salomo op dat altaar.5Te Gibeon verscheen de HEERE aan Salomo in een droom des nachts en God zeide: Begeer wat Ik u geven zal.6En Salomo zeide: Gij hebt aan Uw knecht David, mijn vader, grote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor Uw aangezicht gewandeld heeft, in waarheid, en in gerechtigheid, en in oprechtheid des harten met U; en Gij hebt hem deze grote weldadigheid gehouden, dat Gij hem gegeven hebt een zoon, zittende op zijn troon, als te dezen dage.7Nu dan, HEERE, mijn God! Gij hebt Uw knecht koning gemaakt in de plaats van mijn vader David; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan.8En Uw knecht is in het midden van Uw volk, dat Gij verkoren hebt, een groot volk, hetwelk niet kan geteld noch gerekend worden, vanwege de menigte.9Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten?10Die zaak nu was goed in de ogen des HEEREN, dat Salomo deze zaak begeerd had.11En God zeide tot hem: Daarom dat gij deze zaak begeerd hebt, en niet begeerd hebt, voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uwer vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om gerichtszaken te horen;12Zie, Ik heb gedaan naar uw woorden; zie, Ik heb u een wijs en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke voor u niet geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal.13Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom en eer; dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal.14En zo gij in Mijn wegen wandelen zult, onderhoudende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zo zal Ik ook uw dagen verlengen.15En Salomo waakte op, en ziet, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de ark des verbonds des HEEREN, en offerde brandofferen, en bereidde dankofferen, en maakte een maaltijd voor al zijn knechten.

Als de Heere vannacht bij ons zou komen, zoals bij Sálomo, en zou vragen: "Begeer wat Ik u geven zal", wat zouden wij dan antwoorden?

Ik ben er nog niet zo zeker van dat iedereen als eerste graag "een verstandig hart" zou willen hebben.

Rijkdom, succes, ontspanning, reizen, een mooie auto — dat is het verlangen van de meeste jongeren (en soms ook ouderen) van deze wereld. Wat wensen u en ik?

"Een verstandig hart" — zo'n verlangen is welgevallig voor God en dat mogen wij altijd van Hem vragen!

"Indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een ieder mild geeft ... en zij zal hem gegeven worden" (Jakobus 1 vers 5). Als je echter al wijs bent in eigen ogen, dan kun je er niet meer om vragen (Spreuken 3 vers 7).

Sálomo had echter géén hoge dunk van zichzelf: "Ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan" (vers 7).

Laten we er goed aan denken dat het hierbij gaat om een wijs en verstandig hart en niet om het hoofd.

Liefde tot de Heere is de sleutel tot ware wijsheid. Denk maar aan ons volmaakte Voorbeeld, de Heere Jezus Zelf, Die bij monde van de profeet zegt: "De Heere HEERE ... wekt Mij het oor, dat Ik hoor, gelijk die geleerd worden" (Jesaja 50 vers 4).

1 Koningen 3:16-28
16Toen kwamen er twee vrouwen, die hoeren waren, tot den koning; en zij stonden voor zijn aangezicht.17En de ene vrouw zeide: Och, mijn heer. Ik en deze vrouw wonen in een huis; en ik heb bij haar in dat huis gebaard.18Het is nu geschied op den derden dag na mijn baren dat deze vrouw ook gebaard heeft; en wij waren te zamen, geen vreemde was met ons in dat huis, behalve ons tweeen in het huis.19En de zoon dezer vrouw is des nachts gestorven, omdat zij op hem gelegen had.20En zij stond ter middernacht op, en nam mijn zoon van bij mij, als uw dienstmaagd sliep, en legde hem in haar schoot, en haar doden zoon legde zij in mijn schoot.21En ik stond in de morgen op, om mijn zoon te zogen, en zie, hij was dood; maar ik lette in den morgen op hem, en zie, het was mijn zoon niet, dien ik gebaard had.22Toen zeide de andere vrouw: Neen, maar die levende is mijn zoon, en de dode is uw zoon; gene daarentegen zeide: Neen, maar de dode is uw zoon, en de levende is mijn zoon! Alzo spraken zij voor het aangezicht des konings.23Toen zeide de koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon, die leeft, maar uw zoon is het, die dood is; en die zegt: Neen, maar de dode is uw zoon, en de levende mijn zoon.24Verder zeide de koning: Haalt mij een zwaard; en zij brachten een zwaard voor het aangezicht des konings.25En de koning zeide: Doorsnijdt dat levende kind in tweeen, en geeft de ene een helft, en de andere een helft.26Maar de vrouw, welker zoon de levende was, sprak tot den koning (want haar ingewand ontstak over haar zoon), en zeide: Och, mijn heer! Geef haar dat levende kind, en dood het geenszins; deze daarentegen zeide: Het zij noch het uwe noch het mijne, doorsnijdt het.27Toen antwoordde de koning, en zeide: Geeft aan die het levende kind, den doodt het geenszins; die is zijn moeder.28En geheel Israel hoorde dat oordeel, dat de koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht des konings; want zij zagen, dat de wijsheid Gods in hem was, om recht te doen.

In Israël was de koning tevens de hoogste rechter. Dat is een beeld van Christus Die ook beide ambten tegelijkertijd zal bekleden. De jonge koning Sálomo heeft juist de Goddelijke wijsheid nodig om die beide taken naar behoren te kunnen uitvoeren: het volk regeren en richten.

God lost Zijn belofte zonder meer in en door de bekende rechtsspraak in de zaak tussen deze beide vrouwen erkent heel Israël dat in Sálomo "de wijsheid Gods" is "om recht te doen" (vers 28).

Absalom heeft destijds op een heel andere manier geprobeerd bekendheid als rechter te verkrijgen (2 Samuël 15 vers 2 tot en met 4). Hoe had gerechtigheid kunnen heersen als deze goddeloze, opstandige en misdadige man de troon bemachtigd zou hebben die God voor zijn jongere broer Sálomo bestemd had?

Eén is er echter nog wijzer dan Sálomo. Kijk maar eens hoe de Heere Jezus als Kind "vervuld met wijsheid" was en de leraars verbaasd stonden over Zijn verstand (Lukas 2 vers 40 en 47).

En later in Zijn dienst antwoordde Hij een ieder naar gelang de toestand van zijn hart. Hij kende de valstrikken die men voor Hem spande. Hij beschaamde Zijn tegenstanders. Vooral in de gebeurtenis met de overspelige vrouw mogen we Hem bewonderen om de woorden die Hij tegen de aanklagers uitspreekt: "Wie van u zonder zonde is, werpe eerst de steen op haar" (Johannes 8 vers 1 tot en met 11).

"Wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is?" werd er van Hem gezegd (Markus 6 vers 2).

1 Koningen 4:1-19
1Alzo was de koning Salomo koning over gans Israel.2En deze waren de vorsten, die hij had: Azaria, de zoon van Zadok, was opperambtman.3Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.4En Benaja, de zoon van Jojada, was over het heir; en Zadok en Abjathar waren priesters.5En Azaria, de zoon van Nathan, was over de bestelmeesters; en Zabud, de zoon van Nathan, was overambtman, des konings vriend.6En Ahisar was hofmeester; en Adoniram, de zoon van Abda, was over de schatting.7En Salomo had twaalf bestelmeesters over gans Israel, die den koning en zijn huis verzorgden; voor elk was een maand in het jaar om te verzorgen.8En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van Efraim.9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.10De zoon van Hesed in Arubboth; hij had daartoe Socho en het ganse land Hefer.11De zoon van Abinadab had de ganse landstreek van Dor; deze had Tafath, de dochter van Salomo, tot een vrouw.12Baana, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het ganse Beth-Sean, hetwelk is bij Zartana, beneden van Jizreel, van Beth-Sean aan tot Abel-Mehola, tot op gene zijde van Jokmeam.13De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead; hij had de dorpen van Jair, den zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig grote steden, met muren en koperen grendelen.14Abinadab, de zoon van Iddo, was te Mahanaim.15Ahimaaz was in Nafthali; deze nam ook Salomo's dochter, Basmath, ter vrouwe.16Baana, de zoon van Husai, was in Aser en in Aloth.17Josafath, de zoon van Paruah, in Issaschar.18Simei, de zoon van Ela, in Benjamin.19Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het land van Sihon, den koning der Amorieten, en van Og, den koning van Basan, en hij was de enige bestelmeester, die in dat land was.

Het rijk van Sálomo wordt gegrondvest op gerechtigheid en vrede. Zoals al gezegd is het een beeld van de gelukkige tijd waarin niet alleen Israël, maar ook de hele wereld bevrijd zal zijn van oorlog en ongerechtigheid.

Ondanks alle inspanningen en alle vooruitgang op technisch en sociaal gebied, lukt het de mens vandaag de dag niet om deze gerechtigheid en vrede te creëren, hoewel iedereen er ontzettend naar verlangt.

Eerst moet de satan gebonden worden en de Zoon des mensen de allesomvattende heerschappij overnemen.

Let ook op de goede orde waarin alles in het rijk geregeld wordt. Er zijn twaalf aangestelden, opzieners, voor elke maand één, die afwisselend verantwoordelijk zijn voor de verzorging van het huis van de koning.

Zij doen ons denken aan die trouwe en verstandige knecht die een heer over het personeel van zijn huis aanstelde om hen op tijd eten te geven (Mattheüs 24 vers 45).

Herders en leraars die de opdracht hebben voor het geestelijke voedsel van de Zijnen te zorgen, worden door de Heere daartoe in staat gesteld.

In principe hoort elke gelovige een trouw opziener en een goed beheerder te zijn van de talenten die zijn Meester hem heeft toevertrouwd, opdat Hij daardoor verheerlijkt wordt.

1 Koningen 4:20-34
20Juda nu en Israel waren velen, als zand, dat aan de zee is in menigte, etende, en drinkende, en blijde zijnde.21En Salomo was heersende over al de koninkrijken, van de rivier tot het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte; die brachten geschenken, en dienden Salomo al de dagen zijns levens.22De spijze nu van Salomo was voor een dag, dertig kor meelbloem, en zestig kor meel;23Tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgenomen de herten, en reeen, en buffelen, en gemeste vogelen.24Want hij had heerschappij over al wat op deze zijde der rivier was van Thifsah tot aan Gaza, over alle koningen op deze zijde der rivier; en hij had vrede van al zijn zijden rondom.25En Juda en Israel woonden zeker, een iegelijk onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, van Dan tot Ber-seba, al de dagen van Salomo.26Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagenen, en twaalf duizend ruiteren.27Die bestelmeesters nu, een ieder op zijn maand, verzorgden den koning Salomo, en al degenen, die tot de tafel van den koning Salomo naderden; zij lieten geen ding ontbreken.28De gerst nu en het stro voor de paarden, en voor de snelle kemelen, brachten zij aan de plaats, waar hij was, een iegelijk naar zijn last.29En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip des harten, gelijk zand, dat aan den oever der zee is.30En de wijsheid van Salomo was groter dan de wijsheid van al die van het oosten, en dan alle wijsheid der Egyptenaren;31Ja, hij was wijzer dan alle mensen; dan Ethan, de Ezrahiet, en Heman, en Chalcol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom.32En hij sprak drie duizend spreuken; daartoe waren zijn liederen duizend en vijf.33Hij sprak ook van de bomen, van den cederboom af, die op den Libanon is, tot op den hysop, die aan den wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.34En van alle volken kwamen er, om de wijsheid van Salomo te horen, van alle koningen der aarde, die van zijn wijsheid gehoord hadden.

Vergelijk de verzen 20 en 29 eens met elkaar. De grootte van het volk en het hart van de koning worden op dezelfde wijze omschreven: "Gelijk zand, dat aan de oever der zee is".

Anders gezegd: God heeft Zijn gezalfde een hart gegeven dat groot genoeg is om dit grote volk dat hij nu moet regeren, te bevatten en lief te hebben.

Zó is de liefde van de Heere ook volkomen toereikend voor allen die Hem toebehoren. De grootte van het aantal van de Zijnen kan de grootte van Zijn liefde nooit overtreffen! Het kruis is het bewijs!

Beste gelovige vriend(in), Hij heeft jou zó lief alsof je de enige bent die door Hem verlost is!

Wij zullen deze "liefde van Christus, die de kennis te boven gaat", nooit volledig kunnen bevatten en doorgronden (Efeze 3 vers 19).

Dit prachtige beeld van het duizendjarige rijk van Christus herinnert ons aan de rust die de schepping dan eindelijk zal genieten, nadat zij lang onder "de dienstbaarheid der verderfenis" gezucht heeft (Romeinen 8 vers 19 tot en met 22).

Sálomo heeft over het vee, de vogels, de reptielen en de vissen gesproken. Volgens Psalm 8 zal Christus, de Zoon des mensen, "met eer een heerlijkheid gekroond", over alle werken van God heersen: over "schapen en ossen, die alle; ook mede de dieren des velds. Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee ... O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!" (Psalm 8 vers 5 tot en met 10).

1 Koningen 5:1-18
1En Hiram, de koning van Tyrus, zond zijn knechten tot Salomo (want hij had gehoord, dat zij Salomo tot koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), dewijl Hiram David altijd bemind had.2Daarna zond Salomo tot Hiram, zeggende:3Gij weet, dat mijn vader David den Naam des HEEREN, zijns Gods, geen huis kon bouwen, vanwege de oorlogen, waarmede zij hem omsingelden, totdat de HEERE hen onder zijn voetzolen gaf.4Maar nu heeft de HEERE, mijn God, mij van rondom rust gegeven; er is geen tegenpartijder, en geen bejegening van kwaad.5En zie, ik denk voor den Naam van den HEERE, mijn God, een huis te bouwen; gelijk als de HEERE gesproken heeft tot mijn vader David, zeggende: Uw zoon, dien Ik in uw plaats op uw troon zetten zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.6Zo gebied nu, dat men mij cederen uit den Libanon houwe, en mijn knechten zullen met uw knechten zijn, en het loon uwer knechten zal ik u geven, naar al wat gij zeggen zult; want gij weet, dat onder ons niemand is, die weet hout te houwen, gelijk de Sidoniers.7En het geschiedde, als Hiram de woorden van Salomo gehoord had, dat hij zich zeer verblijdde, en zeide: Gezegend zij de HEERE heden, Die David een wijzen zoon gegeven heeft over dit grote volk!8En Hiram zond tot Salomo, zeggende: Ik heb gehoord, waarom gij tot mij gezonden hebt; ik zal al uw wil doen met het cederenhout, en met het dennenhout.9Mijn knechten zullen het afbrengen van den Libanon aan de zee; en ik zal het op vlotten over de zee doen voeren, tot die plaats, die gij aan mij ontbieden zult, en zal het aldaar los maken, en gij zult het wegnemen; gij zult ook mijn wil doen, dat gij mijn huis spijze geeft.10Alzo gaf Hiram aan Salomo cederenhout en dennenhout, naar al zijn wil.11En Salomo gaf Hiram twintig duizend kor tarwe, tot spijze van zijn huis, en twintig kor gestoten olie; zulks gaf Salomo aan Hiram jaar op jaar.12De HEERE dan gaf Salomo wijsheid, gelijk als Hij tot hem gesproken had; en er was vrede tussen Hiram en tussen Salomo, en zij beiden maakten een verbond.13En de koning Salomo deed een uitschot opkomen uit gans Israel; en het uitschot was dertig duizend man.14En hij zond hen naar den Libanon, tien duizend des maands bij beurten; een maand waren zij op den Libanon; twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over dit uitschot.15Daartoe had Salomo zeventig duizend, die last droegen, en tachtig duizend houwers op het gebergte.16Behalve de oversten van Salomo's bestelden, die over dat werk waren, drie duizend en driehonderd, die heerschappij hadden over het volk, hetwelk dat werk deed.17Als de koning het nu gebood, zo voerden zij grote stenen toe, kostelijke stenen, gehouwen stenen, om den grond van dat huis te leggen.18En de bouwlieden van Salomo, en de bouwlieden van Hiram, en de Giblieten behieuwen ze, en bereidden het hout toe, en de stenen, om dat huis te bouwen.

David is de koning van de genade geweest. Sálomo, zijn opvolger, mogen we zien als de koning van de heerlijkheid.

In de raadsbesluiten van God horen genade en heerlijkheid bij elkaar. Ze zijn niet van elkaar te scheiden. Elke gelovige die nu al de genade mag genieten, zal bij het komen van de Heere Jezus ook de heerlijkheid ontvangen.

Hiram, de koning van Tyrus, heeft altijd van David gehouden. Daarom neemt hij bij de troonsbestijging van Sálomo ook deel aan de heerlijkheid van de grote koning.

Wat Hiram nodig heeft, wordt hem in overvloed geschonken om zo in zijn eigen behoeften en in die van zijn volk te voorzien. Als tegenprestatie voor deze weldaden draagt Hiram nu bij aan de bouw van de tempel.

De tempelbouw zal de belangrijkste onderneming tijdens de regering van Sálomo zijn.

Nu de HEERE aan Israël rust heeft gegeven, kan Hijzelf ook rusten en de tent (van een reizende) verwisselen voor een vaste woonplaats.

Zoals eens bij de tabernakel, zal ons nu de tempel van Sálomo (zij het dan ook met wezenlijke verschillen) talloze beelden laten zien met betrekking tot de verhouding tussen God en Zijn volk.

Het eerste verschil wordt ons hier direct al getoond. Het huis in de woestijn werd opgesteld op het zand, maar de onwankelbare fundering van de tempel bestaat uit grote waardevolle stenen. "Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid" (Psalm 87 vers 1).

1 Koningen 6:1-18
1Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na den uitgang der kinderen Israels uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israel, in de maand Ziv (deze is de tweede maand), dat hij het huis des HEEREN bouwde.2En dat huis, hetwelk de koning Salomo den HEERE bouwde, was van zestig ellen in zijn lengte, en van twintig in zijn breedte, en van dertig ellen in zijn hoogte.3En het voorhuis, vooraan den tempel van dat huis, was in zijn lengte van twintig ellen, naar de breedte van het huis, tien ellen in zijn breedte, vooraan het huis.4En hij maakte vensteren aan het huis van gesloten uitzichten.5En rondom aan den wand van het huis bouwde hij kameren, aan de wanden van het huis rondom, beide van den tempel en van de aanspraakplaats. Alzo maakte hij zijkameren rondom.6De onderste kamer was van vijf ellen in haar breedte, en de middelste van zes ellen in haar breedte, en de derde van zeven ellen in haar breedte; want hij had aan het huis rondom buitenwaarts inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in de wanden van het huis.7Het huis nu, als het gebouwd werd, werd met volmaakten steen, zoals dezelve toegevoerd was, gebouwd; zodat geen hameren, noch bijl of enig ijzeren gereedschap gehoord werd in het huis, als het gebouwd werd.8De deur der middelste zijkamer was aan de rechterzijde van het huis; en door wenteltrappen ging men tot de middelste zijkamer, en van de middelste tot de derde.9Alzo bouwde hij het huis, en volmaakte het; en bedekte dat huis met gewelven en rijen van cederen.10Hij bouwde ook de kameren aan het ganse huis, van vijf ellen in haar hoogte; en hij voegde ze vast aan dat huis met cederenhout.11Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Salomo, zeggende:12Aangaande dit huis, dat gij bouwt, zo gij wandelt in Mijn inzettingen, en doet Mijn rechten, en onderhoudt al Mijn geboden, wandelende in dezelve; zo zal Ik Mijn woord met u bevestigen, dat Ik tot uw vader David gesproken heb;13En Ik zal in het midden der zonen Israels wonen; en Ik zal Mijn volk Israel niet verlaten.14Alzo bouwde Salomo dat huis en volmaakte hetzelve.15Ook bouwde hij de wanden van het huis van binnen met cederen planken; van den vloer des huizes tot aan het dak der wanden, beschoot hij ze van binnen met hout; en overdekte den vloer van het huis met dennen planken.16Daartoe bouwde hij twintig ellen met cederen planken aan de zijden van het huis, van den vloer af tot de wanden; dit bouwde hij Hem van binnen tot een aanspraakplaats, tot het heilige der heiligen.17Dat huis nu was van veertig ellen, namelijk de tempel, die vooraan was.18En het ceder aan het huis inwendig was gesneden met knoppen en open bloemen; en het was al ceder, geen steen werd gezien.

Bij de tabernakel werden planken gebruikt, maar bij de bouw van het nieuwe huis voor de Heere wordt gebruik gemaakt van stenen.

Dat is een prachtig beeld van de gelovigen die nu al als levende stenen opgebouwd worden tot een geestelijk huis (1 Petrus 2 vers 5).

Vers 7 laat ons zien dat de stenen voor de tempel al vóórdat ze getransporteerd worden, helemaal klaar zijn. Dat betekent voor ons dat de verlosten die uit de steengroeve van de wereld zijn gehaald, hier beneden nog voorwerpen van de tuchtiging van de Vader zijn om Zijn heiligheid in praktisch opzicht deelachtig te worden (Hebreeën 12 vers 4 tot en met 11).

Behalve het heiligdom en het heilige der heiligen bevatte de tempel ook nog zijkamers die niet in de tabernakel, het huis van God in de woestijn, gevonden werden. Die kamers waren bestemd voor de priesters.

Dat is een beeld van de "vele woningen" die in het huis van de Vader zijn, waar de Heere Jezus ons plaats heeft bereid. Hij wenst de Zijnen daar eens bij Zich te hebben!

Van tevoren klaargemaakte stenen en kamers! De Heere heeft de Zijnen toebereid, en doet dat vandaag nog, om hen eens in het huis van Zijn Vader een plaats te kunnen geven. Dat is de les uit Johannes 13.

Maar Hij heeft die plaats ook Zelf toebereid voor de Zijnen, zoals Johannes 14 ons zegt.

Wat is het werk van de liefde van onze Heere Jezus toch volmaakt!

1 Koningen 6:19-38
19En de aanspraakplaats bereidde hij inwaarts in het huis, om de ark des verbonds des HEEREN daar te zetten.20En de aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in haar hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud; ook overtoog hij het cederen altaar.21En Salomo overtoog het huis van binnen met gesloten goud; en hij toog voor de aanspraakplaats een voorhang henen door met gouden ketenen, en overtoog dien met goud.22Alzo overtoog hij het ganse huis met goud, totdat het ganse huis volmaakt was; daartoe overtoog hij met goud het gehele altaar, dat voor de aanspraakplaats was.23In de aanspraakplaats nu maakte hij twee cherubs van olieachtig hout; elks hoogte was tien ellen.24En van vijf ellen was de ene vleugel des cherubs, en van vijf ellen de andere vleugel des cherubs; van het einde van zijn enen vleugel, tot aan het einde van zijn anderen vleugel, waren tien ellen.25Alzo was de andere cherub van tien ellen; beide cherubs hadden enerlei maat, en enerlei snede.26De hoogte van den enen cherub was van tien ellen, en alzo van den anderen cherub.27En hij zette deze cherubs in het midden van het binnenste huis; en de cherubs spreidden de vleugelen uit, zodat de vleugel des enen raakte aan dezen wand, en de vleugel des anderen cherubs raakte aan den anderen wand; en hun vleugelen naar het midden van het huis raakten vleugel aan vleugel.28En hij overtoog deze cherubs met goud.29En al de wanden van het huis, in het ronde, graveerde hij met uitgesneden graveringen van cherubs, en van palmbomen, en open bloemen, van binnen en van buiten.30Daartoe overtoog hij den vloer van het huis met goud van binnen en van buiten.31En aan den ingang der aanspraakplaats maakte hij deuren van olieachtig hout; de bovendorpel met de posten was het vijfde deel des wands.32De twee deuren ook waren van olieachtige bomen; en hij graveerde daarop graveringen van cherubs, en van palmbomen, en van open bloemen, dewelke hij met goud overtoog; ook trok hij goud over de cherubs en over de palmbomen.33En alzo maakte hij aan de deuren des tempels posten van olieachtige bomen, uit het vierde deel van de wand.34En de twee deuren waren van dennenhout; de twee zijden der ene deur waren omdraaiende; alzo waren de twee gegraveerde zijden der andere deur omdraaiende.35En hij graveerde ze met cherubs, en palmbomen, en open bloemen, dewelke hij met goud overtoog, gericht naar het uitgesnedene.36Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen stenen, en een rij cederen balken.37In het vierde jaar werd de grond van het huis des HEEREN gelegd, in de maand Ziv;38En in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste maand, was dit huis volmaakt, naar al zijn stukken en naar al zijn behoren; alzo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd.

De enige Psalm waarvan bekend is dat zij door Sálomo is geschreven, begint als volgt: "Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden zijn bouwlieden daaraan" (Psalm 127 vers 1).

Dat was de gelukzalige en noodzakelijke geestelijke houding van hem die het huis voor de HEERE bouwde.

Vóórdat wij iets gaan doen, moeten wij ook zeker weten dat de Heere met ons is om te handelen en te zegenen. Dat geldt vooral ook voor hen die graag een gezin willen stichten.

Het zou te ver voeren om elk detail van dit wonderbare huis te bespreken.

Ze bevatte — zoals eens de tabernakel, maar dan dubbel zo groot — een heiligdom en het heilige der heiligen, "de aan-spraakplaats" genaamd. Daar spreidden twee grote cherubs hun vleugels uit.

Er wordt niet gesproken over een voorhang tussen deze
beide ruimten, maar wel over "deuren van olieachtig hout".

Behalve stenen werd er ook gebruik gemaakt van:

— cederhout, een symbool van bestendigheid en majesteit; en

— gelouterd goud, een symbool van de Goddelijke gerechtigheid waarmee alles overtrokken werd.

Een wonderbare aanblik waardoor de woorden uit Psalm 29 vers 9 duidelijk bevestigd worden: "In Zijn tempel zegt Hem een ieder eer".

1 Koningen 7:1-12
1Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaren, en hij volmaakte zijn ganse huis.2Hij bouwde ook het huis des wouds van Libanon, van honderd ellen in zijn lengte, en vijftig ellen in zijn breedte, en dertig ellen in zijn hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.3En het was bedekt met ceder van boven op de ribben, die op vijf en veertig pilaren waren, vijftien in een rij.4Er waren drie rijen van uitzichten, dat het ene venster was over het andere venster, in drie orden.5Ook waren al de deuren en de posten vierkantig van enerlei uitzicht; en venster was tegenover venster, in drie orden.6Daarna maakte hij een voorhuis van pilaren; vijftig ellen was zijn lengte, en dertig ellen zijn breedte; en het voorhuis was tegenover die, en de pilaren met de dikke balken tegenover dezelve.7Ook maakte hij een voorhuis voor den troon, alwaar hij richtte, tot een voorhuis des gerichts, dat met ceder bedekt was, van vloer tot vloer.8En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, hetwelk aan hetzelve werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Farao, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk.9Al deze dingen waren van kostelijke stenen, naar de maten gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van den grondslag tot aan de neutstenen een palm breed, en van buiten tot het grote voorhof.10Het was ook gegrondvest met kostelijke stenen, grote stenen; met stenen van tien ellen, en stenen van acht ellen.11En bovenop kostelijke stenen, naar de winkelmaten gehouwen, en cederen.12En het grote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen stenen, met een rij van cederen balken. Zo was het met het binnenste voorhof, van het huis des HEEREN, en met het voorhuis van dat huis.

Sálomo heeft veel ijver getoond bij de bouw van de tempel. Zeven jaren waren voor hem voldoende, terwijl Herodes later voor de wederopbouw zesenveertig jaar nodig had (Johannes 2 vers 20)!

Daarna houdt de koning zich bezig met zijn eigen huis. Nu duurt het echter dertien jaar voor alles klaar is.

Moge dit voor ons een les zijn! Alles wat de Heere ons opdraagt voor Hem te doen, laten we dat direct, goed en snel doen, vóórdat we ons bezighouden met onze eigen aangelegenheden. Maar laten we wel meer tijd besteden aan het huis van God dan aan onze eigen woningen.

Als een wijs architect bouwt Sálomo na de tempel nog drie andere huizen: zijn eigen (vers 1), het huis van het woud van Libanon (vers 2 tot en met 7) en tenslotte het huis voor zijn vrouw, de dochter van Faraö (vers 8).

Elk huis afzonderlijk heeft voor ons een betekenis. Het spreekt van een bepaalde verhouding tussen God en mensen.

Zoals de tempel een beeld is van het huis van de Vader, zo doet het eigen huis ons denken aan het huis van de Zoon, dat wil zeggen: de gemeente (Hebreeën 3 vers 6).

Het huis van het woud van de Libanon spreekt van de toekomstige betrekkingen van Christus, de Koning van de heerlijkheid, met Israël. Dáár bevindt zich dan de troon van de Rechter.

En tenslotte herinnert het huis van de dochter van Faraö ons aan de betrekkingen van de Heere als Koning tot alle volkeren van de aarde.

1 Koningen 7:13-26
13En de koning Salomo zond heen, en liet Hiram van Tyrus halen.14Hij was de zoon ener weduwvrouw, uit den stam van Nafthali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot den koning Salomo, en maakte al zijn werk.15Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte van den enen pilaar was achttien ellen, en een draad van twaalf ellen omving den anderen pilaar.16Hij maakte ook twee kapitelen, van gegoten koper, om op de hoofden der pilaren te zetten; vijf ellen was de hoogte van het ene kapiteel, en vijf ellen de hoogte van het andere kapiteel.17De netten waren van nettenwerk, de banden van ketenwerk voor de kapitelen, die op het hoofd der pilaren waren; zeven waren voor het ene kapiteel, en zeven voor het andere kapiteel.18Zo maakte hij de pilaren, mitsgaders twee rijen rondom over het ene net, om de kapitelen, die boven het hoofd der granaatappelen waren, te bedekken; alzo deed hij ook aan het andere kapiteel.19En de kapitelen, dewelke waren op het hoofd der pilaren, waren van leliewerk in het voorhuis, van vier ellen.20De kapitelen nu waren op de twee pilaren, ja, daarboven tegenover den buik, dewelke was nevens het net; en tweehonderd granaatappelen waren in rijen rondom, ook over het andere kapiteel.21Daarna richtte hij de pilaren op in het voorhuis des tempels; en den rechter pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Jachin, en den linker pilaar opgericht hebbende, zo noemde hij zijn naam Boaz.22En op het hoofd der pilaren was het leliewerk; alzo werd het werk der pilaren volmaakt.23Verder maakte hij de gegotene zee; van tien ellen was zij van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.24En onder haar rand waren knoppen, dezelve rondom omsingelende, tien in een el, omringende die zee rondom; twee rijen dezer knoppen waren in haar gieting gegoten.25Zij stond op twaalf runderen; drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezelve; en al hun achterdelen waren inwaarts.26Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van den rand eens bekers of ener leliebloem; zij hield twee duizend bath.

Voor de bouw van de tabernakel en haar voorwerpen had de HEERE destijds Bezáleël voorbestemd. Hij was een bekwame arbeider, "vervuld met de Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk" (Exodus 31 vers 2 en 3).

Voor het vervaardigen van al het koperwerk laat Sálomo Hiram uit Tyrus halen. Hij was een kundig koperwerker die eveneens "vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken" (vers 14).

O, dat wij toch ook zulke geestelijke eigenschappen mogen bezitten! Dan zal de Heere ons ook voor "alle werk" kunnen gebruiken, want er is werk in overvloed!

Het eerste werk van Hiram was de beide pilaren met de prachtige kapitelen te maken.

Daarbij denken we aan de belofte die de Heere gegeven heeft aan de gemeente te Filadelfía: "Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods". Tegen deze zelfde gelovigen in Filadelfía had Hij gezegd: "Gij hebt kleine kracht" (Openbaring 3 vers 12 en 8).

De namen van deze beide pilaren van Sálomo, Jachin en Boaz, betekenen: 'Hij zal grondvesten' en 'In Hem is kracht'.

Wat een kostbaar antwoord op de tegenwoordige, zwakke toestand van de verlosten: kleine kracht op aarde, maar voor eeuwig standvastigheid en kracht in de hemel, in de heerlijkheid, waarvan de tempel een beeld is.

1 Koningen 7:38-51
38Hij maakte ook tien koperen wasvaten; een wasvat hield veertig bath; een wasvat was van vier ellen; op elke stelling van die tien stellingen was een wasvat.39En hij zette vijf dier stellingen aan de rechterzijde van het huis, en vijf aan de linkerzijde van het huis; maar de zee zette hij aan de rechterzijde van het huis, oostwaarts tegen het zuiden.40Daartoe maakte Hiram de wasvaten, en de schoffelen, en de besprengbekkens; en Hiram voleindde al het werk te maken, dat hij voor den koning Salomo maakte voor het huis des HEEREN;41Te weten de twee pilaren, en bollen der kapitelen, die op het hoofd der twee pilaren waren, en de twee netten, om de twee bollen der kapitelen te bedekken, die op het hoofd der pilaren waren;42En de vierhonderd granaatappelen tot de twee netten, namelijk twee rijen van granaatappelen tot het ene net, om de twee bollen der kapitelen te bedekken, die boven op de pilaren waren;43Mitsgaders de tien stellingen, en de tien wasvaten op de stellingen;44Daartoe de ene zee; en de twaalf runderen onder die zee.45De potten ook, en de schoffelen, en de besprengbekkens, en al deze vaten, die Hiram voor den koning Salomo tot het huis des HEEREN maakte, alle van gepolijst koper.46In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth en tussen Zarthan.47En Salomo liet al deze vaten ongewogen vanwege de zeer grote menigte; het gewicht des kopers werd niet onderzocht.48Ook maakte Salomo al de vaten, die voor het huis des HEEREN waren; het gouden altaar, en de gouden tafel, op dewelke de toonbroden waren;49En de kandelaren, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand, voor de aanspraakplaats, van gesloten goud; en de bloemen, en de lampen, en de snuiters van goud;50Mitsgaders de schalen, en de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud; daartoe de herren der deuren van het binnenste huis, van het heilige der heiligen, en der deuren van het huis des tempels, van goud.51Alzo werd al het werk volbracht, dat de koning Salomo aan het huis des HEEREN maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen van zijn vader David; het zilver en het goud, en de vaten legde hij onder de schatten van het huis des HEEREN.

Hiram is een beeld van de Heilige Geest, de Goddelijke Arbeider, Die bezig is alles op aarde — vooral de harten van de gelovigen — voor te bereiden op de heerlijkheid van God.

Terwijl de priesters zich konden wassen in de "gegoten zee" (vers 23) — dat was een bak van ongeveer vijf meter doorsnee —, waren de tien wasvaten die op hun onderstellen rustten, bedoeld om het brandoffer te wassen (2 Kronieken 4 vers 6).

Vanaf vers 48 wordt ons een opsomming gegeven van de gouden voorwerpen die door Sálomo gemaakt werden.

Daarna bracht hij de geheiligde dingen van zijn vader David naar binnen (vers 51).

Dat doet ons denken aan de Heere Jezus, de Zoon, Die over alles kan beschikken wat van Zijn Vader is. "De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven" (Johannes 3 vers 35; vergelijk ook hoofdstuk 17 vers 10).

Laten we opmerken dat hier niet gesproken wordt over dingen die door het volk gebracht zijn. Dit in tegenstelling tot de dingen voor de tabernakel (zie Exodus 35 vers 21 tot en met 29).

We kunnen best begrijpen waarom dit zo is. Er zal niets de hemel binnenkomen wat van mensen afkomstig is. Daar is alles Goddelijk. Alles is uitsluitend en volmaakt het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Deze drie Personen Die Zich samen bezighielden met de eerste schepping, houden Zich ook samen bezig met de toekomstige heerlijkheid en de nieuwe schepping!

1 Koningen 8:1-11
1Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israel, en al de hoofden der stammen, de oversten der vaderen, onder de kinderen Israels, tot den koning Salomo te Jeruzalem, om de ark des verbonds des HEEREN op te brengen uit de stad Davids, dewelke is Sion.2En alle mannen van Israel verzamelden zich tot den koning Salomo, in de maand Ethanim op het feest; die is de zevende maand.3En al de oudsten van Israel kwamen; en de priesters namen de ark op.4En zij brachten de ark des HEEREN en de tent der samenkomst opwaarts mitsgaders al de heilige vaten, die in de tent waren; en de priesters en de Levieten brachten dezelve opwaarts.5De koning Salomo nu en de ganse vergadering van Israel, die bij hem vergaderd waren, waren met hem voor de ark, offerende schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld, noch gerekend worden.6Alzo brachten de priesteren de ark des verbonds des HEEREN tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder de vleugelen der cherubim.7Want de cherubim spreidden beide vleugelen over de plaats der ark; en de cherubim overdekten de ark en haar handbomen van boven.8Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden der handbomen gezien werden uit het heiligdom voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij zijn aldaar tot op dezen dag.9Er was niets in de ark, dan alleen de twee stenen tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als de HEERE een verbond maakte met de kinderen Israels, toen zij uit Egypteland uitgetogen waren.10En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen, dat een wolk het huis des HEEREN vervulde.11En de priesters konden niet staan om te dienen, vanwege de wolk; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld.

Nu Zijn huis klaar is, maakt God het tot Zijn woonplaats.

Sálomo vergadert de oudsten van Israël. En de priesters brengen "de ark van het verbond des HEEREN" naar "de aanspraakplaats van het huis".

Die kostbare ark is een beeld van Christus. Die ark heeft alle omstandigheden van het volk meebeleefd en het volk gesteund in de strijd. Ze is vóór het volk door de doodsrivier, de Jordaan, gegaan. Ná gaat ze haar rust binnen.

Toch zal er altijd iets aan de woestijnreis blijven herinneren, namelijk de zichtbare handbomen. Hoewel die voortaan niet meer gebruikt zullen worden, mogen ze niet uit hun ringen verwijderd worden.

Te midden van alle pracht in de hemel zullen we de Heere Jezus in al Zijn schoonheid aanschouwen. Maar we zullen aan Zijn Persoon ook iets zien wat ons altijd zal ontroeren: de onuitwisbare sporen van Zijn kruislijden.

Zoals de handbomen aan de ark aan de woestijnreis herinneren, zó zullen in de hemelse heerlijkheid die tekenen in Zijn handen, in Zijn voeten en in Zijn zijde, tot in alle eeuwigheid getuigen van Zijn Goddelijke liefde.

Hoe liefelijk zijn de voeten van de Heiland die vermoeid waren van het gaan over de wegen om ons te zoeken (Jesaja 52 vers 7), vóórdat ze doorboord werden, toen Hij Zich aan het kruis liet nagelen om ons te redden!

In het gelukkige huis in Bethanië huldigde Maria deze heilige voeten met de kostbare nardus waarvan de geur het hele huis vervulde (Johannes 12 vers 3). Dat is een voorsmaak van het Vaderhuis dat de eeuwigheid door vervuld zal zijn van Zijn heerlijkheid!

1 Koningen 8:12-30
12Toen zeide Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in donkerheid zou wonen.13Ik heb immers een huis gebouwd, U ter woonstede, een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.14Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israel; en de ganse gemeente van Israel stond.15En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God Israels, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn hand vervuld, zeggende:16Van dien dag af, dat Ik Mijn volk Israel uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad verkoren uit alle stammen van Israel, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; maar Ik heb David verkoren, dat hij over Mijn volk Israel wezen zou.17Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis den Naam van den HEERE, den God Israels, te bouwen.18Maar de HEERE zeide tot David, mijn vader: Dewijl dat in uw hart geweest is Mijn Naam een huis te bouwen, gij hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is.19Evenwel gij zult dat huis niet bouwen; maar uw zoon, die uit uw lendenen voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.20Ze heeft de HEERE bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op den troon van Israel, gelijk als de HEERE gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd den Naam des HEEREN, des Gods van Israel.21En ik heb daar een plaats beschikt voor de ark, waarin het verbond des HEEREN is, hetwelk Hij met onze vaderen maakte, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde.22En Salomo stond voor het altaar des HEEREN, tegenover de ganse gemeente van Israel, en breidde zijn handen uit naar den hemel;23En hij zeide: HEERE, God van Israel, er is geen God, gelijk Gij, boven in den hemel, noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun ganse hart wandelen;24Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat Gij tot hem gesproken hadt; want met Uw mond hebt Gij gesproken, en met Uw hand vervuld, gelijk het te dezen dage is.25En nu HEERE, God van Israel, houd Uw knecht, mijn vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die op den troon van Israel zitte; alleenlijk zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen voor Mijn aangezicht, gelijk als gij gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.26Nu dan, o God van Israel, laat toch Uw woord waar worden, hetwelk Gij gesproken hebt tot Uw knecht, mijn vader David.27Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja, de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!28Wend U dan nog tot het gebed van Uw knecht, en tot zijn smeking, o HEERE, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht heden voor Uw aangezicht bidt.29Dat Uw ogen open zijn, nacht en dag, over dit huis, over deze plaats, van dewelke Gij gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn; om te horen naar het gebed, hetwelk Uw knecht bidden zal in deze plaats.30Hoor dan naar de smeking van Uw knecht, en van Uw volk Israel, die in deze plaats zullen bidden; en Gij, hoor in de plaats Uwer woning, in den hemel, ja, hoor, en vergeef.

Nu neemt koning Sálomo het woord. Hij treedt in de plaats van de nakomelingen van Aäron en oefent hier zelf het priesterambt uit, omdat hij een beeld is van Christus als Koning èn Priester.

Hij brengt het verleden in herinnering: Egypte, de aan David bewezen genade, het verbond en de beloften.

Vierhonderdtachtig jaar eerder hadden de Israëlieten aan de oever van de Rode Zee het lied van de bevrijding gezongen: "Deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken ... Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid ... Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o HEERE!" (Exodus 15 vers 2, 13 en 17).

Er waren bijna vijfhonderd jaar nodig, vóórdat deze woorden in vervulling gingen. Maar de tijd die verstrijkt, doet niets af aan de waarde en werkelijkheid van de beloften van God.

Met blijdschap kan Sálomo het zeggen: "... en heeft het met Zijn hand vervuld" (vers 15). "Zo heeft de HEERE bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had" (vers 20).

En bij de woorden uit vers 29: "Deze plaats, waarvan Gij gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn", gaan onze gedachten uit naar de woorden van de Heere Jezus: "Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen" (Mattheüs 18 vers 20).

1 Koningen 8:31-40
31Wanneer iemand tegen zijn naaste zal gezondigd hebben, en hij hem een eed des vloeks opgelegd zal hebben, om zichzelven te vervloeken; en de eed des vloeks voor Uw altaar in dit huis komen zal;32Hoor Gij dan in den hemel, en doe, en richt Uw knechten, veroordelende den ongerechtige, gevende zijn weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende den gerechtige, gevende hem naar zijn gerechtigheid.33Wanneer Uw volk Israel zal geslagen worden voor het aangezicht des vijands, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en zich tot U bekeren, en Uw Naam belijden, en tot U in dit huis bidden en smeken zullen;34Hoor Gij dan in den hemel, en vergeef de zonde van Uw volk Israel, en breng hen weder in het land, dat Gij hun vaderen gegeven hebt.35Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is, omdat zij tegen U gezondigd zullen hebben; en zij in deze plaats bidden, en Uw Naam belijden, en van hun zonden zich bekeren zullen, als Gij hen geplaagd zult hebben;36Hoor Gij dan in den hemel, en vergeef de zonde van Uw knechten en van Uw volk Israel, als Gij hun zult geleerd hebben den goeden weg in denwelken zij wandelen zullen; en geef regen op Uw land, dat Gij Uw volk tot een erfenis gegeven hebt.37Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren, honigdauw, sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land zijner poorten hem belegeren zal, of enige plage, of enige krankheid wezen zal;38Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, van al Uw volk Israel, geschieden zal; als zij erkennen, een ieder de plage zijns harten, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal;39Hoor Gij dan in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en vergeef, en doe, en geef een iegelijk naar al zijn wegen, gelijk Gij zijn hart kent; want Gij alleen kent het hart van alle kinderen der mensen;40Opdat zij U vrezen al de dagen, die zij leven zullen in het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt.

Aan het begin van zijn gebed heeft Sálomo de trouw, de goedheid (vers 23) en de verhevenheid van de HEERE geprezen (vers 27).

Nu bevestigt hij waartoe het volk in staat is en wat de gevolgen van hun misstappen kunnen zijn.

Daarbij gaan onze gedachten van Sálomo naar Christus, de grote Hogepriester.

Hoe goed kent Hij de zwakheid van de harten van de Zijnen! En Hij wendt Zich al tot God, vóórdat satan hen probeert te ziften. Hij bidt voor de Zijnen dat hun geloof niet zal ophouden.

Dat heeft Hij eens voor Petrus gedaan, vóórdat deze Hem verloochende (zie Lukas 22 vers 31 en 32). En hoe vaak heeft Hij het al niet voor iemand van ons in het uur van verzoeking gedaan, zonder dat wij het wisten?!

God kent het hart van de mens door en door! Zie vers 39 (vergelijk ook Jeremía 17 vers 9 en 10).

En waar heeft dit bedrieglijke hart dat "arglistig is ... meer dan enig ding", zich volledig geopenbaard? Wanneer heeft Christus de grootste boosheid van het menselijk hart ervaren? Was dat niet op het kruis waar alle haat van de mens tegen Hem tot uitdrukking kwam (Psalm 22 vers 17)?

Zelfs deze misdaad, de grootste van alle zonden van Israël, zal vergeven worden als het berouwvolle volk zich in "de Geest der genade en der gebeden" (niet meer tot dit huis, maar) tot Hem zal wenden "Die zij doorstoken hebben" (Zacharía 12 vers 10).

1 Koningen 8:41-53
41Zelfs ook aangaande den vreemde, die van Uw volk Israel niet zal zijn, maar uit verren lande om Uws Naams wil komen zal;42(Want zij zullen horen van Uw groten Naam, en van Uw sterke hand, en van Uw uitgestrekten arm) als hij komen en bidden zal in dit huis;43Hoor Gij in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles, waarom die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, om U te vrezen, gelijk Uw volk Israel, en om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt over dit huis, hetwelk ik gebouwd heb.44Wanneer Uw volk in den krijg tegen zijn vijand uittrekken zal door den weg, dien Gij hen henen zenden zult, en zullen tot den HEERE bidden naar den weg dezer stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, hetwelk ik Uw Naam gebouwd heb;45Hoor dan in den hemel hun gebed en hun smeking, en voer hun recht uit.46Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen U (want geen mens is er, die niet zondigt), en Gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen, die hen gevangen hebben, hen gevankelijk wegvoeren in des vijands land, dat verre of nabij is.47En zij in het land, waar zij gevankelijk weggevoerd zijn, weder aan hun hart brengen zullen, dat zij zich bekeren, en tot U smeken in het land dergenen, die ze gevankelijk weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd, en verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld;48En zij zich tot U bekeren, met hun ganse hart, en met hun ganse ziel, in het land hunner vijanden, die hen gevankelijk weggevoerd zullen hebben; en tot U bidden zullen naar den weg van hun land (hetwelk Gij hun vaderen gegeven hebt), naar deze stad, die Gij verkoren hebt, en naar dit huis, dat ik Uw Naam gebouwd heb;49Hoor dan in den hemel, de vaste plaats Uwer woning, hun gebed en hun smeking en voer hun recht uit;50En vergeef aan Uw volk, dat zij tegen U gezondigd zullen hebben, en al hun overtredingen, waarmede zij tegen U zullen overtreden hebben; en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen, die ze gevangen houden, opdat zij zich hunner ontfermen;51Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, die Gij uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden des ijzeren ovens;52Opdat Uw ogen open zijn tot de smeking van Uw knecht en tot de smeking van Uw volk Israel, om naar hen te horen, in al hun roepen tot U.53Want Gij hebt hen U tot een erfdeel afgezonderd, uit alle volken der aarde; gelijk als Gij gesproken hebt door den dienst van Mozes, Uw knecht, als Gij onze vaderen uit Egypte uitvoerdet, Heere HEERE!

Het is niet voldoende alleen het menselijk hart te kennen, om voorbede te kunnen doen. Men moet ook, zoals Sálomo hier, vertrouwen hebben in het meeleven van het hart van God.

De Heere Jezus, onze Hogepriester en Voorspraak, kent het hart van de mens, maar bovenal het hart van Zijn Vader! En het is het verlangen van onze Heere dat we zelf tot de Vader gaan, opdat we persoonlijk diezelfde ervaring opdoen (vergelijk Johannes 16 vers 26 en 27).

"Hoor dan ... en vergeef!" Dit hoofdstuk leert ons dat we inderdaad in elke situatie tot God mogen gaan. Aan de voeten van de Heere Jezus was plaats voor de grootste zondares (Lukas 7 vers 37 en 38).

In getrouwheid aan Zijn belofte, zal Hij ook vandaag degene die tot Hem komt, niet verstoten (Johannes 6 vers 37).

De zonde is de ketting waarmee zelfs een gelovige "gevankelijk" weggevoerd kan worden "in het land van de vijand" (vers 46). God is echter bereid hem te bevrijden.

Maar ... aan vergeving gaat noodzakelijkerwijs wel belijdenis vooraf: "Mijn zonde maakte ik U bekend ... en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde" (Psalm 32 vers 5)!

God hoort, God vergeeft. Ja, Hij kan Mies vergeven, omdat de Heere Jezus het volledige verzoeningswerk heeft volbracht.

"Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid" (1 Johannes 1 vers 9).

1 Koningen 8:54-66
54Het geschiedde nu, als Salomo voleind had dit ganse gebed, en deze smeking tot den HEERE te bidden, dat hij van voor het altaar des HEEREN opstond, van het knielen op zijn knieen, met zijn handen uitgebreid naar den hemel;55Zo stond hij, en zegende de ganse gemeente van Israel, zeggende met luider stem:56Geloofd zij de HEERE, Die aan Zijn volk Israel rust gegeven heeft, naar alles, wat Hij gesproken heeft! Niet een enig woord is er gevallen van al Zijn goede woorden, die Hij gesproken heeft door den dienst van Mozes, Zijn knecht.57De HEERE, onze God, zij met ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet;58Neigende tot Zich ons hart, om in al Zijn wegen te wandelen, en om te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, dewelke Hij onzen vaderen geboden heeft.59En dat deze mijn woorden, waarmede ik voor den HEERE gesmeekt heb, mogen nabij zijn voor den HEERE, onzen God, dag en nacht; opdat Hij het recht van Zijn knecht uitvoere, en het recht van Zijn volk Israel, elkeen dagelijks op zijn dag.60Opdat alle volken der aarde weten, dat de HEERE die God is, niemand meer;61En ulieder hart volkomen zij met den HEERE, onzen God, om te wandelen in Zijn inzettingen, en Zijn geboden te houden, gelijk te dezen dage.62En de koning, en gans Israel met hem, offerden slachtofferen voor het aangezicht des HEEREN.63En Salomo offerde ten dankoffer, dat hij den HEERE offerde, twee en twintig duizend runderen, en honderd en twintig duizend schapen. Alzo hebben zij het huis des HEEREN ingewijd, de koning en al de kinderen Israels.64Ten zelfden dage heiligde de koning het middelste des voorhofs, dat voor het huis des HEEREN was, omdat hij aldaar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, mitsgaders het vet der dankofferen; want het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN was, was te klein, om de brandofferen, en de spijsofferen, en het vet der dankofferen te vatten.65Terzelfder tijd ook hield Salomo het feest, en gans Israel met hem, een grote gemeente, van den ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen.66Op den achtsten dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden den koning; daarna gingen zij naar hun tenten, blijde en goedsmoeds over al het goede, dat de HEERE aan David, Zijn knecht, en aan Israel, Zijn volk, gedaan had.

De koning staat op van zijn geknielde houding (vers 54); het lange gebed is ten einde.

We hopen dat deze houding bij alle lezers bekend is! Niets is zó kostbaar, niets is zó werkzaam, als elke dag — al is het nog zo kort — op de knieën te gaan en tot God te naderen.

Indien mogelijk, is het goed om hardop te spreken om afleiding te voorkomen.

Ook al vergeten wij na die tijd weer wat we gebeden hebben, toch blijven onze woorden "nabij ... voor de HEERE, onze God, dag en nacht" (vers 59).

Er wordt ook nog gezegd dat Hij elke dag het recht uitvoert al naar gelang het nodig is.

Vandaag mogen we rekenen op een antwoord voor deze dag, maar niet voor morgen. God weet dat als Hij ons alles in één keer geeft, wij de volgende dag op deze 'voorraad' zullen teren en niet meer op Hem zullen vertrouwen.

Daarom is er in vers 59 sprake van "dagelijks". Dat is ook de les die de Heere Jezus ons geeft: "... elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad"(Mattheüs 6 vers 34).

De ceremonie van de inwijding van de tempel vond plaats tijdens het jaarlijkse, grote loofhuttenfeest (in de zevende maand) en werd afgesloten met offers en vreugde, zoals we dat vinden in Deuteronomium 16 vers 15.

1 Koningen 9:1-9
1Het geschiedde nu, als Salomo voleind had te bouwen het huis des HEEREN en het huis des konings, en al de begeerten van Salomo, die hem gelust had te maken;2Dat de HEERE ten anderen male aan Salomo verscheen, gelijk als Hij hem in Gibeon verschenen was.3En de HEERE zeide tot hem: Ik heb uw gebed en uw smeking gehoord, die gij voor Mijn aangezicht smekende gedaan hebt; Ik heb dat huis geheiligd, hetwelk gij gebouwd hebt, opdat Ik Mijn Naam aldaar tot in eeuwigheid zette; en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar zijn te allen dage.4En zo gij voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid des harten, en met oprechtheid, om te doen naar al wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult;5Zo zal Ik den troon uws koninkrijks over Israel bevestigen in eeuwigheid; gelijk als Ik gesproken heb over uw vader David, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden van den troon van Israel.6Maar zo gijlieden u te enen male afkeren zult, gij en uw kinderen, van Mij na te volgen, en niet houden zult Mijn geboden en Mijn inzettingen, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb; maar heengaan, en andere goden dienen, en u voor dezelve nederbuigen zult;7Zo zal Ik Israel uitroeien van het land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, hetwelk Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen; en Israel zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volken.8En aangaande dit huis, dat verheven zal geweest zijn, al wie voor hetzelve zal voorbijgaan, zal zich ontzetten en fluiten; men zal zeggen: Waarom heeft de HEERE alzo gedaan aan dit land en aan dit huis?9En men zal zeggen: Omdat zij den HEERE, hun God, verlaten hebben, Die hun vaderen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor dezelve nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft de HEERE al dit kwaad over hen gebracht.

Het werk dat Sálomo begonnen is, is nu klaar. Het eerste vers onderstreept heel duidelijk dat hij het fijn vond om dit werk te mogen doen.

Is dat ook geen belangrijke les voor ons? O, dat wij het ook fijn vinden om te doen wat de Heere van ons verlangt, omdat Híj het is Die het van ons vraagt!

Nu antwoordt de HEERE op het gebed van de koning. Dit huis waarin Zijn heerlijkheid woont, is voor Hem de grootste aanleiding om Israël te zegenen, om naar hen te horen en hen te vergeven.

Gedurende de periode van het christendom verbindt God Zijn eigen heerlijkheid en de verhoring van de gebeden die tot Hem gericht worden, met de Naam van de Heere Jezus (Johannes 14 vers 13 en 14). Want in Hem is God gekomen — niet meer in een tempel — om onder ons te wonen (Johannes 1 vers 14; Kolosse 1 vers 19 en 2 vers 9).

Daarom zijn de ogen en het hart van de Vader altijd gericht op de volmaakte Mens (vergelijk vers 3). En wij mogen ons altijd in de Naam van de Heere Jezus tot Hem wenden om verhoord te worden.

"O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht van Uw Gezalfde" (Psalm 84 vers 10).

Dan wijst de HEERE Sálomo en het volk op hun verantwoordelijkheid. Zijn tegenwoordigheid in hun midden verlangt een strikte afzondering van het kwaad, want anders zal hen dit voorrecht ontnomen worden en Israël als natie ophouden te bestaan.

1 Koningen 9:10-28
10En het geschiedde ten einde van twintig jaren, in dewelke Salomo die twee huizen gebouwd had, het huis des HEEREN en het huis des konings;11(Waartoe Hiram, de koning van Tyrus, Salomo van cederbomen, en van dennenbomen, en van goud, naar al zijn lust opgebracht had), dat alstoen de koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galilea.12En Hiram toog uit van Tyrus, om de steden te bezien, die Salomo hem gegeven had, maar zij waren niet recht in zijn ogen.13Daarom zeide hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broeder, die gij mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul, tot op dezen dag.14En Hiram had den koning gezonden honderd en twintig talenten gouds.15Dit is nu de oorzaak van het uitschot, dat de koning Salomo deed opkomen, om het huis des HEEREN te bouwen, en zijn huis, en Millo, en den muur van Jeruzalem, mitsgaders Hazor, en Megiddo, en Gezer.16Want Farao, de koning van Egypte, was opgekomen, en had Gezer ingenomen, en haar met vuur verbrand, en de Kanaanieten, die in de stad woonden, gedood, en had haar aan zijn dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven.17Alzo bouwde Salomo Gezer, en het lage Beth-horon.18En Baalath, en Tamor in de woestijn, in dat land;19En al de schatsteden, die Salomo had, en de wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerde te bouwen, in Jeruzalem, en op den Libanon, en in het ganse land zijner heerschappij.20Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten, en Jebusieten, die niet waren van de kinderen Israels;21Hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen Israels niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafsen uitschot tot op dezen dag.22Doch van de kinderen Israels maakte Salomo geen slaaf; maar zij waren krijgslieden, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hoofdlieden, en de oversten zijner wagenen, en zijner ruiteren.23Dezen waren de oversten der bestelden, die over het werk van Salomo waren, vijfhonderd en vijftig, die heerschappij hadden over het volk, dat in het werk doende was.24Doch de dochter van Farao toog van de stad Davids op tot haar huis, hetwelk hij voor haar gebouwd had; toen bouwde hij Millo.25En Salomo offerde driemaal des jaars brandofferen en dankofferen, op het altaar, dat hij den HEERE gebouwd had, en rookte op dat, hetwelk voor het aangezicht des HEEREN was, als hij het huis volmaakt had.26De koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-Geber, dat bij Eloth is, aan den oever der Schelfzee, in het land van Edom.27En Hiram zond met die schepen zijn knechten, scheepslieden, kenners van de zee, met de knechten van Salomo.28En zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud, vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot den koning Salomo.

Sálomo begaat een ernstige fout door de koning van Tyrus steden te geven die bij het land Israël hoorden.

Het kan ons ook overkomen dat wij ten gunste van de wereld een deel van ons erfdeel afstaan. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de manier waarop wij de zondag doorbrengen.

Misschien bezoeken we de samenkomsten van de gelovigen eens een keertje minder om een vriend of familielid tegemoet te komen. We kunnen er dan zeker van zijn dat zulke concessies altijd een verlies betekenen voor ons, maar ook voor die ander.

Hoe zouden we ooit tegen iemand kunnen zeggen dat het goed is te verlangen naar de Goddelijke waarheden en de christelijke voorrechten, als hij ziet dat we er zelf zo weinig om geven?

Hoe was dat bij Hiram? De steden konden zijn goedkeuring niet wegdragen!

Aan het einde van dit hoofdstuk zien we dat de koning als een wijs beheerder zijn rijk versterkt en regeert. Aan de ene kant staat hij in verbinding met de HEERE (vers 25) en aan de andere kant met de verschillende volken en landen rondom hem.

En voor het eerst sinds de dagen van Jozua zijn alle Kanaänieten onderworpen.

Laten we eraan denken dat zij een beeld zijn van de vijanden van onze ziel. Bevinden die vijanden van mijn ziel zich in vrijheid of heb ik in Christus de kracht gevonden hen te overwinnen?

1 Koningen 10:1-13
1En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, aangaande den Naam des HEEREN, kwam zij, om hem met raadselen te verzoeken.2En zij kwam te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, met kemelen, dragende specerijen, en zeer veel gouds, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was.3En Salomo verklaarde haar al haar woorden; geen ding was er verborgen voor den koning, dat hij haar niet verklaarde.4Als nu de koningin van Scheba zag al de wijsheid van Salomo, en het huis, hetwelk hij gebouwd had,5En de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en zijn opgang, waardoor hij henen opging in het huis des HEEREN, zo was in haar geen geest meer.6En zij zeide tot den koning: Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.7Ik heb die woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft is mij niet aangezegd; gij hebt met wijsheid, en goed overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.8Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen!9Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op den troon van Israel te zetten! Omdat de HEERE Israel in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.10En zij gaf den koning honderd en twintig talenten gouds, en zeer veel specerijen, en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de koningin van Scheba den koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen.11Verder ook de schepen van Hiram, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almuggimhout en kostelijk gesteente.12En de koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het huis des HEEREN, en voor het huis des konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers. Het almuggimhout was zo niet gekomen noch gezien geweest, tot op dezen dag.13En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde; behalve dat hij haar gaf naar het vermogen van den koning Salomo; zo keerde zij en toog in haar land, zij en haar knechten.

De Heere Jezus herinnert de farizeeën aan deze gebeurtenis om hun ongeloof te onderstrepen: "De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en het veroordelen; want zij is gekomen van het einde der aarde, om te horen, de wijsheid van Sálomo; en ziet, meer dan Sálomo is hier!" (Mattheüs 12 vers 42).

We zien hier in beeld de Zoon van God, de Koning van de heerlijkheid, voor ons.

Het is echter noch de heerlijkheid noch de rijkdom van de grote koning die aantrekkingskracht heeft op de koningin van Scheba en die aanleiding is tot haar bezoek.

Men heeft haar verteld van de wijsheid van Sálomo, in verbinding met de Naam van de HEERE. En om zichzelf hiervan te overtuigen, is ze met allerlei vragen die "in haar hart" waren, gekomen.

Laat het voor ons niet voldoende zijn, alleen iets van de Heere Jezus gehoord te hebben! Laten we zèlf tot Hem gaan!

Laten we alle eigen meningen en alle eigen gedachten terzijde leggen en Hem al onze moeilijkheden en problemen vertellen, ja, alles wat in ons hart is!

Dan zullen we persoonlijk Zijn grootheid en macht, Zijn rijkdom en wijsheid, maar ook Zijn wonderbare liefde ervaren.

Hij is bereid ons te geven naar ons verlangen, ja, alles wat wij van Hem begeren (vers 13; Johannes 15 vers 7).

1 Koningen 10:14-29
14Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op een jaar inkwam was zeshonderd zes en zestig talenten gouds;15Behalve dat van de kramers was, en van den handel der kruideniers, en van alle koningen van Arabie, en van de geweldigen van dat land.16Ook maakte de koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas.17Insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud; drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis des wouds van Libanon.18Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met dicht goud.19Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen.20En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden, desgelijks is in geen koninkrijken gemaakt geweest.21Ook waren alle drinkvaten van den koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds van Libanon waren van gesloten goud; geen zilver was er aan; want het werd in de dagen van Salomo niet voor enig ding geacht.22Want de koning had in zee schepen van Tharsis, met de schepen van Hiram; deze schepen van Tharsis kwamen in, eenmaal in drie jaren, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.23Alzo werd de koning Salomo groter dan alle koningen der aarde, in rijkdom en in wijsheid.24En de ganse aarde zocht het aangezicht van Salomo, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.25En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen, en harnas, en specerijen, paarden en muilezelen, elk ding van jaar tot jaar.26Daartoe vergaderde Salomo wagenen en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren, en legde ze in de wagensteden en bij den koning in Jeruzalem.27En de koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.28En het uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden des konings namen het linnen garen voor den prijs.29En een wagen kwam op, en ging uit van Egypte, voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor honderd en vijftig; en alzo voerden ze die uit door hun hand voor alle koningen der Hethieten, en voor de koningen van Syrie.

Het moet een prachtige aanblik geweest zijn, de grote koning Sálomo in zijn kostbare en heerlijke kleding te zien zitten op zijn troon van ivoor en goud! Toch zegt de Heere Jezus, als Hij ons oproept de leliën van het veld te bezien, "dat ook Sálomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze" (Mattheüs 6 vers 29).

We kunnen ervan overtuigd zijn dat het mooiste werk van mensenhanden niets is, vergeleken bij het geringste van wat de Schepper heeft gedaan.

Psalm 72 die voor (of over) Sálomo geschreven is, beschrijft de regering van:

— de gerechtigheid (vers 1 tot en met 4);

— de vrede (vers 7);

— de macht (vers 8 tot en met 11);

— de genade (vers 12 tot en met 14);

de groei en bloei (vers 16); en

de zegen (vers 17).

"De koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren ... men zal hem geven van het goud van Scheba" (Psalm 72 vers 10 en 15).

In het hoofdstuk voor vandaag zien we meerdere illustraties van de rijkdom, wijsheid en macht van deze zoon van David, van hem die in gerechtigheid regeerde te Jeruzalem. Maar we begrijpen dat het ook hier, in beeld, gaat om Iemand Die "meer dan Sálomo" is.

Als het centrum van alle heerlijkheid, welvaart en zegening voor alle volken, is dit prachtige rijk slechts een zwak beeld van de toekomstige, allesomvattende heerschappij van onze Heere Jezus Christus.

1 Koningen 11:1-13
1En de koning Salomo had veel vreemde vrouwen lief, en dat benevens de dochter van Farao: Moabietische, Ammonietische, Edomietische, Sidonische, Hethietische;2Van die volken, waarvan de HEERE gezegd had tot de kinderen Israels: Gijlieden zult tot hen niet ingaan, en zij zullen tot u niet inkomen; zij zouden zekerlijk uw hart achter hun goden neigen; aan deze hing Salomo met liefde.3En hij had zevenhonderd vrouwen, vorstinnen, en driehonderd bijwijven; en zijn vrouwen neigden zijn hart.4Want het geschiedde in den tijd van Salomo's ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen was met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.5Want Salomo wandelde Astoreth, den god der Sidoniers, na, en Milchom, het verfoeisel der Ammonieten.6Alzo deed Salomo dat kwaad was in de ogen des HEEREN; en volhardde niet den HEERE te volgen, gelijk zijn vader David.7Toen bouwde Salomo een hoogte voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, op den berg, die voor Jeruzalem is, en voor Molech, het verfoeisel der kinderen Ammons.8En alzo deed hij voor al zijn vreemde vrouwen, die haar goden rookten en offerden.9Daarom vertoornde Zich de HEERE tegen Salomo, omdat hij zijn hart geneigd had van den HEERE, den God Israels, Die hem tweemaal verschenen was.10En hem van deze zaak geboden had, dat hij andere goden niet zou nawandelen; doch hij hield niet, wat de HEERE geboden had.11Daarom zeide de HEERE tot Salomo: Dewijl dit bij u geschied is, dat gij niet hebt gehouden Mijn verbond en Mijn inzettingen, die Ik u geboden heb; Ik zal gewisselijk dit koninkrijk van u scheuren, en datzelve uw knecht geven.12In uw dagen nochtans zal Ik dat niet doen, om uws vaders Davids wil, van de hand uws zoons zal Ik het scheuren.13Doch Ik zal het gehele koninkrijk niet afscheuren; een stam zal Ik uw zoon geven, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, dat Ik verkoren heb.

Tot dusver was er haast geen enkele schaduw over de buitengewone glans van Sálomo's regering gevallen. Maar nu, in hoofdstuk 11, wordt ons getoond wat er onder die glans verborgen ligt: een erg slechte zedelijke toestand. Het kon nauwelijks erger.

De koning is in meerder opzicht ongehoorzaam aan de wet. Hij heeft onder andere "veel vreemde" vrouwen (Deuteronomium 17 vers 17 en 7 vers 3) genomen — vele èn vreemde. Zij verleiden zijn hart, nu hij op leeftijd is gekomen.

Had hij niet gebeden om een wijs en verstandig hart en dat ook gekregen? Ongetwijfeld was hij er toen van overtuigd dat hij dat nodig had — maar niet om zichzelf te leiden en in toom te houden! De HEERE gaf hem een hart dat zo wijd was "gelijk zand, dat aan de oever der zee is" (hoofdstuk 4 vers 29), om het grote volk lief te kunnen hebben. Maar Sálomo zelf was er niet door bewaard gebleven.

Hij heeft niet opgepast voor hetgeen in zijn eigen hart naar binnen drong. Duizend vreemde vrouwen met hun afgoden hebben plaats gevonden in zijn hart!

Sálomo werd door zijn eigen woorden veroordeeld: "Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens" (Spreuken 4 vers 23). Dat had hij anderen geleerd, maar het zelf nagelaten (zie Romeinen 2 vers 21 en 1 Korinthe 9 vers 27).

Eveneens heeft hij de vermaning van zijn vader (hoofdstuk 2 vers 3) en de tweevoudige waarschuwing van de HEERE in de wind geslagen (vers 9 en 10 van het hoofdstuk van vandaag).

1 Koningen 11:14-25
14Zo verwekte de HEERE Salomo een tegenpartijder, Hadad, den Edomiet; hij was van des konings zaad in Edom.15Want het was geschied, als David in Edom was, toen Joab, de krijgsoverste, optoog, om de verslagenen te begraven, dat hij al wat mannelijk was in Edom sloeg;16Want Joab bleef aldaar zes maanden, met het ganse Israel, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had.17Doch Hadad was ontvloden, hij en enige Edomietische mannen uit zijns vaders knechten met hem, om in Egypte te komen; Hadad nu was een klein jongsken.18En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran, en kwamen in Egypte tot Farao, den koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding toezeide, en hem een land gaf.19En Hadad vond grote genade in de ogen van Farao, zodat hij hem tot een vrouw gaf de zuster zijner huisvrouw, de zuster van Tachpenes, de koningin.20En de zuster van Tachpenes baarde hem zijn zoon Genubath, denwelken Tachpenes optoog in het huis van Farao; zodat Genubath in het huis van Farao was, onder de zonen van Farao.21Toen nu Hadad in Egypte hoorde, dat David met zijn vaderen ontslapen, en dat Joab, de krijgsoverste, dood was, zeide Hadad tot Farao: Laat mij gaan, dat ik in mijn land trekke.22Doch Farao zeide: Maar wat ontbreekt u bij mij, dat, zie, gij in uw land zoekt te trekken? En hij zeide: Niets, maar laat mij evenwel gaan.23Ook verwekte God hem een wederpartijder, Rezon, den zoon van Eljada, die gevloden was van zijn heer Hadad-ezer, den koning van Zoba,24Tegen welken hij ook mannen vergaderd had, en werd overste ener bende, als David die doodde; en getrokken zijnde naar Damaskus, woonden zij aldaar, en regeerden in Damaskus.25En hij was Israels tegenpartijder al de dagen van Salomo, en dat benevens het kwaad, dat Hadad deed; want hij had een afkeer van Israel, en hij regeerde over Syrie.

Als het om de mens en zijn verantwoordelijkheid gaat, moeten we constateren dat hij keer op keer faalt. Dit blijkt duidelijk uit deze gebeurtenis van Sálomo; duidelijker dan uit welke geschiedenis dan ook.

Hij was de meest wijze, rijke en machtige man die ooit onder de zon geleefd heeft. Hij heeft een geweldige tempel voor God gebouwd, een werk dat nergens mee te vergelijken is.

Maar ... hoe hoger men geplaatst is, hoe dieper en opzienbarender de val zal zijn!

De verantwoordelijkheid van een vrome man die meent een zijweg te kunnen bewandelen, is extra groot. Hoe vromer —in positieve zin bedoeld — des te erger zijn de gevolgen van een eventuele misstap.

Denk maar aan het voorbeeld dat deze zwakke koning door zijn handelen aan het volk heeft gegeven. Laat dit ook een les voor ons zijn! Als onze wandel niet in overeenstemming is met onze geestelijke positie, zijn we voor anderen een aanleiding tot vallen.

Toen Sálomo op leeftijd gekomen was, verwekte God verschillende tegenstanders tegen hem. Ten eerste van buiten zijn rijk: Hadad en Rezon. Vervolgens van binnen uit het rijk: Jeróbeam.

Helaas wendt de koning zich niet tot de HEERE met het gebed: "Hoor dan ... en vergeef!" Was dàt niet juist de weg geweest die hij in zijn gebed had voorgehouden aan anderen die als gevolg van hun zonden met een vijand te maken kregen?

1 Koningen 11:26-43
26Daartoe Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efrathiet van Zereda, Salomo's knecht (wiens moeders naam was Zerua, een weduwvrouw), hief ook de hand op tegen den koning.27Dit is nu de zaak, waarom hij de hand tegen den koning ophief. Salomo bouwde Millo, en sloot de breuk der stad van zijn vader David toe.28En de man Jerobeam was een dapper held. Toen Salomo dezen jongeling zag, dat hij arbeidzaam was, zo stelde hij hem over al den last van het huis van Jozef.29Het geschiedde nu te dier tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de profeet Ahia, de Siloniet, hem op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alleen op het veld waren;30Zo vatte Ahia het nieuwe kleed, dat aan hem was, en scheurde het, in twaalf stukken.31En hij zeide tot Jerobeam: Neem u tien stukken; want alzo zegt de HEERE, de God Israels: Zie, Ik zal het koninkrijk van de hand van Salomo scheuren, en u tien stammen geven.32Maar een stam zal hij hebben, om Mijns knechts Davids wil, en om Jeruzalems wil, de stad, die Ik verkoren heb uit alle stammen van Israel.33Daarom dat zij Mij verlaten, en zich nedergebogen hebben voor Astoreth, den god der Sidoniers, Kamos, den god der Moabieten, en Milchom, den god der kinderen Ammons; en niet gewandeld hebben in Mijn wegen, om te doen wat recht is in Mijn ogen, te weten Mijn inzettingen en Mijn rechten; gelijk zijn vader David.34Doch niets van dit koninkrijk zal Ik uit zijn hand nemen; maar Ik stel hem tot een vorst al de dagen zijns levens, om Mijns knechts Davids wil, dien Ik verkoren heb, die Mijn geboden en Mijn inzettingen gehouden heeft.35Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven.36En zijn zoon zal Ik een stam geven; opdat Mijn knecht David altijd een lamp voor Mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad, die Ik Mij verkoren heb, om Mijn Naam daar te stellen.37Zo zal Ik u nemen, en gij zult regeren over al wat uw ziel zal begeren; en gij zult koning zijn over Israel.38En het zal geschieden, zo gij horen zult al wat Ik u zal gebieden, en in Mijn wegen zult wandelen, en doen wat recht in Mijn ogen is, houdende Mijn inzettingen en Mijn geboden, gelijk als Mijn knecht David gedaan heeft; dat Ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk als Ik David gebouwd heb, en zal u Israel geven.39En Ik zal om diens wil het zaad van David verootmoedigen; nochtans niet altijd.40Daarom zocht Salomo Jerobeam te doden; maar Jerobeam maakte zich op, en vlood in Egypte, tot Sisak, den koning van Egypte, en was in Egypte, totdat Salomo stierf.41Het overige nu der geschiedenissen van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijn wijsheid, is dat niet geschreven in het boek der geschiedenissen van Salomo?42De tijd nu, dien Salomo te Jeruzalem over het ganse Israel regeerde, was veertig jaar.43Daarna ontsliep Salomo met zijn vaderen, en werd begraven in de stad van zijn vader David; en Rehabeam, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Zoals God David voorbereid heeft toen Saul nog leefde, zo verwekt God nu Jeróbeam nog tijdens het leven van Sálomo.

Zoals eens Saul, probeert nu ook Sálomo degene te doden die de HEERE als zijn opvolger heeft aangewezen (vers 40).

Maar wat een verschil tussen Jeróbeam die zijn hand opheft tegen de koning (vers 26), en David die weigerde dat te doen, tussen Jeróbeam die naar Egypte vlucht en daar de afgodendienst leert, en David die zich in de woestijn verbergt!

David is zijn leven goed begonnen, heeft daarna slechtere dagen gekend, maar is toch weer goed geëindigd. Sálomo is zijn loopbaan ook goed begonnen, heeft eerst goed geleefd, maar is vervolgens afgegleden.

Het tegenovergestelde zien we bij Jakob wiens dagen "weinig en kwaad" waren (Genesis 47 vers 9), maar die een onvergelijkbaar mooi einde had (Hebreeën 11 vers 21).

Deze poging tot moord is het laatste wat ons van Sálomo wordt meegedeeld! "Daarna ontsliep Sálomo met zijn vaderen, en werd begraven ..." (vers 43).

Zijn leven was voorbij. Volgens zijn eigen woorden was nu de "tijd om te sterven" gekomen (Prediker 3 vers 2).

Beste vriend(in), je weet niet wanneer die tijd voor jou zal komen. Wat je echter wel moet weten, is dat de tijd van het leven op aarde tevens de tijd is van het geloof en de tijd om voor Christus te leven!

1 Koningen 12:1-15
1En Rehabeam toog naar Sichem, want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.2Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den koning Salomo gevloden; en Jerobeam woonde in Egypte),3Dat zij henen zonden, en lieten hem roepen; en Jerobeam en de ganse gemeente van Israel kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende:4Uw vader heeft ons juk hard gemaakt; gij dan nu, maak uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.5En hij zeide tot hen: Gaat heen tot aan den derden dag, komt dan weder tot mij. En het volk ging heen.6En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?7En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen, en hun antwoorden, en tot hen goede woorden spreken zult, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.8Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.9En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter.10En de jongelingen, die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.11Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.12Zo kwam Jerobeam en het ganse volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.13En de koning antwoordde het volk hardelijk; want hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden.14En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.15Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van den HEERE, opdat Hij Zijn woord bevestigde, hetwelk de HEERE door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.

Rehábeam wordt de opvolger van zijn vader.

Eens had Sálomo zich afgevraagd of de mens die na hem komen zou, wijs of dwaas zou zijn (Prediker 2 vers 18 en 19).

Voor de arme Rehábeam zijn er slechts drie dagen nodig om hier een antwoord op te geven: de zoon van de meest wijze man heeft geen inzicht. Evenmin zien we dat hij, zoals zijn vader, aan de HEERE om een wijs hart vraagt.

In zijn jeugd, de tijd waarin men normaal gesproken alles moet leren, heeft hij zich niet bekommerd om wijsheid, zoals die te vinden is in het Boek van de Spreuken, geschreven door zijn eigen vader Sálomo.

Toch staat er aan het begin van dit Boek: "Mijn zoon! hoor de tucht (of: onderwijzing) van uw vader" (hoofdstuk 1 vers 8).

Daarom mist hij op veertigjarige leeftijd, als hij de verantwoordelijkheid op zich moet nemen, elke ervaring, gezond mensenverstand en vooral alle nederigheid. Hij veracht de raad, het advies van de oudsten en luistert naar de onbezonnen woorden van jongeren.

Veel jonge mensen luisteren liever naar hun leeftijdgenoten dan naar hun ouders of andere oudere mensen. Dat is een heel gevaarlijke instelling. We zien in deze geschiedenis wat de gevolgen daarvan zijn.

Maar God gebruikt dit gebrek aan wijsheid bij Rehábeam, evenals de misstappen van het volk, om datgene uit te voeren wat Hij eens over het huis van David heeft besloten.

1 Koningen 12:16-33
16Toen gans Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo gaf het volk den koning weder antwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging Israel naar zijn tenten.17Doch aangaande de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.18Toen zond de koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het ganse Israel stenigde hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam vervloekte zich om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.19Alzo vielen de Israelieten van het huis Davids af, tot op dezen dag.20En het geschiedde, als gans Israel hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over gans Israel koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen.21Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het ganse huis van Juda en den stam van Benjamin, honderd en tachtig duizend uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen het huis Israels te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam, den zoon van Salomo, bracht.22Doch het woord van God geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende:23Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en overige des volks, zeggende:24Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen, de kinderen Israels; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden het woord des HEEREN, en keerden weder, om weg te trekken naar het woord des HEEREN.25Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte van Efraim, en woonde daarin, en toog van daar uit, en bouwde Penuel.26En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren.27Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren.28Daarom hield de koning een raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naar Jeruzalem; zie uw goden, o Israel, die u uit Egypteland opgebracht hebben.29En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.30En deze zaak werd tot zonde; want het volk ging heen voor het ene, tot Dan toe.31Hij maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi.32En Jerobeam maakte een feest in de achtste maand, op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest, dat in Juda was, en offerde op het altaar; van gelijken deed hij te Beth-El, offerende den kalveren, die hij gemaakt had; hij stelde ook te Beth-El priesteren der hoogten, die hij gemaakt had.33En hij offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende.

Ten gevolge van zijn ontoegeeflijkheid aan hun eisen hebben zich tien stammen van Rehábeam afgescheiden. Jeróbeam wordt hun koning. Rehábeam, de nakomeling van Sálomo, behoudt slechts de twee stammen Juda en Benjamin.

Vanaf nu zullen we de geschiedenis van deze beide rijken naast elkaar volgen. Tot aan het einde van 2 Koningen vinden we hoofdzakelijk het rijk Israël (de tien stammen) beschreven, terwijl in 2 Kronieken de draad van het rijk Juda weer opgenomen wordt.

Met één kort zinnetje voorkomt God de burgeroorlog die op het punt staat uit te breken: "Deze zaak is van Mij geschied" (vers 24).

Dit korte zinnetje is ook voor ons van groot belang! Worden onze plannen door een moeilijkheid doorkruist, duikt er een verhindering op? Laten we dan opmerkzaam zijn en goed luisteren! Ongetwijfeld zullen we dan dezelfde stem horen die zegt: "Deze zaak is van Mij geschied".

Vervolgens worden ons de eerste daden van Jeróbeam mee‑
gedeeld. Hij richt twee gouden kalveren op. Vergelijk zijn
woorden uit vers 28 met die van Aäron in Exodus 32 vers 4.

Dat zijn de typische kenmerken van een godsdienst die door mensen is uitgedacht. Eigenwil is nóóit goed, maar de schuld is nog vele malen groter als het daarbij om religieuze dingen gaat!

In het verloop van de geschiedenis zullen we dan ook steeds weer de woorden tegenkomen: "Jeróbeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed".

1 Koningen 13:1-19
1En ziet, een man Gods kwam uit Juda, door het woord des HEEREN tot Beth-El; en Jerobeam stond bij het altaar, om te roken.2En hij riep tegen het altaar, door het woord des HEEREN, en zeide: Altaar, altaar, zo zegt de HEERE: Zie, een zoon zal aan het huis Davids geboren worden, wiens naam zal zijn Josia; die zal op u offeren de priesters der hoogten, die op u roken, en men zal mensenbeenderen op u verbranden.3En hij gaf ten zelfden dage een wonderteken, zeggende: Dit is dat wonderteken, waarvan de HEERE gesproken heeft; ziet, het altaar zal vaneen gescheurd, en de as, die daarop is, afgestort worden.4Het geschiedde nu, als de koning het woord van den man Gods hoorde, hetwelk hij tegen het altaar te Beth-El geroepen had, dat Jerobeam zijn hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem! Maar zijn hand, die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet weder tot zich trekken kon.5En het altaar werd vaneen gescheurd, en de as van het altaar afgestort, naar dat wonderteken, dat de man Gods gegeven had, door het woord des HEEREN.6Toen antwoordde de koning, en zeide tot den man Gods: Aanbid toch het aangezicht des HEEREN, uws Gods, ernstelijk, en bid voor mij, dat mijn hand weder tot mij kome! Toen bad de man Gods het aangezicht des HEEREN ernstelijk; en de hand des konings kwam weder tot hem, en werd gelijk te voren.7En de koning sprak tot den man Gods: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven.8Maar de man Gods zeide tot den koning: Al gaaft gij mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.9Want zo heeft mij de HEERE geboden door Zijn woord, zeggende: Gij zult geen brood eten, noch water drinken; en gij zult niet wederkeren door den weg, dien gij gegaan zijt.10En hij ging door een anderen weg, en keerde niet weder door den weg, door welken hij te Beth-El gekomen was.11Een oud profeet nu woonde te Beth-El; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk, dat de man Gods te dien dage in Beth-El gedaan had, met de woorden, die hij tot den koning gesproken had; deze vertelden zij ook hun vader.12En hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij getogen? En zijn zonen hadden den weg gezien, welken de man Gods was getogen, die uit Juda gekomen was.13Toen zeide hij tot zijn zonen: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem den ezel, en hij reed daarop.14En hij toog den man Gods na, en vond hem zittende onder een eik; en hij zeide tot hem: Zijt gij de man Gods, die uit Juda gekomen zijt? En hij zeide: Ik ben het.15Toen zeide hij tot hem: Kom met mij naar huis, en eet brood.16Doch hij zeide: Ik kan niet met u wederkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats.17Want een woord is tot mij geschied door het woord des HEEREN: Gij zult aldaar noch brood eten, noch water drinken; gij zult niet wederkeren, gaande door den weg, door denwelken gij gegaan zijt.18En hij zeide tot hem: Ik ben ook een profeet, gelijk gij, en een engel heeft tot mij gesproken door het woord des HEEREN, zeggende: Breng hem weder met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Doch hij loog hem.19En hij keerde met hem wederom, en at brood in zijn huis, en dronk water.

Op de dag "die hij in zijn hart bedacht had", viert Jeróbeam in Beth—El een feest ter ere van het gouden kalf. Dan komt iemand deze ceremonie verstoren.

Een profeet uit Juda spreekt strenge woorden: "Altaar, altaar, zo zegt de HEERE ...". Het altaar wordt vaneengescheurd en stort in elkaar; de koning wordt geslagen door de macht van God, maar later weer hersteld.

De profeet had de opdracht gekregen direct terug te keren als zijn werk klaar was. Hij mocht niet eten of drinken op het terrein van deze ongehoorzame stammen. Dat zou in tegenspraak zijn met de woorden van oordeel die hij had uitgesproken.

Wij kunnen evenmin gemeenschap hebben met religieuze systemen die zich niet in alle opzichten willen onderwerpen aan de Schrift.

De oude profeet wiens zonen blijkbaar aan het feest van het gouden kalf hebben deelgenomen, was in Beth—El niet op de juiste plaats. Daarom kon God hem ook geen opdracht geven, hoewel hij in die stad woonde en daar een dienst te vervullen was.

Door de man van God uit Juda bij zich te laten komen, wilde de oude profeet echter zijn verkeerde positie rechtvaardigen en zijn goede naam versterken. Hij bedroog de man van God.

De profeet uit Juda zou echter niet ingehaald zijn (vers 14) als hij van zijn kant zich wat meer gehaast had deze plaats te verlaten!

1 Koningen 13:20-34
20En het geschiedde, als zij aan de tafel zaten, dat het woord des HEEREN geschiedde tot den profeet, die hem had doen wederkeren;21En hij riep tot den man Gods, die uit Juda gekomen was, zeggende: Zo zegt de HEERE: Daarom dat gij den mond des HEEREN zijt wederspannig geweest, en niet gehouden hebt het gebod, dat u de HEERE, uw God, geboden had,22Maar zijt wedergekeerd, en hebt brood gegeten en water gedronken ter plaatse, waarvan Hij tot u gesproken had: Gij zult geen brood eten noch water drinken; zo zal uw dood lichaam in uw vaderen graf niet komen.23En het geschiedde, nadat hij brood gegeten, en nadat hij gedronken had, dat hij hem den ezel zadelde, te weten voor den profeet, dien hij had koen wederkeren.24Zo toog hij heen, en een leeuw vond hem op den weg, en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op den weg, en de ezel stond daarbij; ook stond de leeuw bij het dode lichaam.25En ziet, er gingen lieden voorbij, en zagen het dode lichaam geworpen op den weg, en den leeuw, staande bij het dode lichaam; en zij kwamen en zeiden het in de stad, waarin de oude profeet woonde.26Als de profeet, die hem van den weg had doen wederkeren, dit hoorde, zo zeide hij: Het is de man Gods, die den mond des HEEREN wederspannig is geweest; daarom heeft de HEERE hem den leeuw overgegeven die hem gebroken, en hem gedood heeft, naar het woord des HEEREN, dat Hij tot hem gesproken had.27Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem.28Toen toog hij heen, en vond zijn dood lichaam geworpen op den weg, en den ezel, en den leeuw, staande bij het dode lichaam; de leeuw had het dode lichaam niet gegeten, en den ezel niet gebroken.29Toen nam de profeet het dode lichaam van den man Gods op, en legde dat op den ezel, en voerde het wederom; zo kwam de oude profeet in de stad om rouw te bedrijven en hem te begraven.30En hij legde zijn dood lichaam in zijn graf; en zij maakten over hem een weeklage: Ach, mijn broeder!31Het geschiedde nu, nadat hij hem begraven had, dat hij sprak tot zijn zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zo begraaft mij in dat graf, waarin de man Gods begraven is, en legt mijn beenderen bij zijn beenderen.32Want de zaak zal gewisselijk geschieden, die hij door het woord des HEEREN uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-El is, en tegen al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria zijn.33Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn bozen weg; maar maakte wederom priesters der hoogten van de geringsten des volks; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd een van de priesters der hoogten.34En hij werd in deze zaak het huis van Jerobeam tot zonde, om hetzelve te doen afsnijden en te verdelgen van den aardbodem.

Nu is het de beurt van de man van God uit Juda om een woord van oordeel te vernemen. Hij was niet standvastig geweest in zijn gehoorzaamheid in de dienst voor de Heere, met alle tragische gevolgen van dien.

Met name voor de jeugd die van nature zo gemakkelijk te beïnvloeden is, is het een groot gevaar om zich mee te laten slepen.

Laten we eraan denken dat de duivel niet alleen gebruik maakt van grove verleidingen om de christen van de weg van gehoorzaamheid af te brengen! Hij weet ook heel goed gebruik te maken van middelen die achtenswaard lijken om iemand te overtuigen.

Alles leek immers ten gunste van de eerbiedwaardige profeet te spreken die deed voorkomen alsof hij door de mond van een engel een woord van de HEERE had ontvangen?

Maar kan God Zichzelf tegenspreken? Laten we alleen vertrouwen op wat de Bijbel ons zegt. Dan zullen we geen verkeerde weg inslaan (zie Galaten 1 vers 8 en 9).

De dood is het gevolg van de misstap van deze man van God. Zijn dode lichaam wordt niet door de leeuw verslonden: een duidelijk bewijs dat het oordeel van Gód hem heeft getroffen.

En wat een straf voor de oude profeet! Deze oude profeet uit Bethel was voor hem die hij zijn "broeder" noemde (vers 30), tot een valstrik geworden. Waarom? Omdat hijzelf absoluut niet als een broeder gehandeld had! Anderen verleiden tot ongehoorzaamheid is minstens even erg als zelf ongehoorzaam zijn. Het is immers onrecht tegenover God en bovendien tot schade van hem die verleid wordt.

1 Koningen 14:1-20
1Te dierzelfder tijd was Abia, de zoon van Jerobeam, krank.2En Jerobeam zeide tot zijn huisvrouw: Maak u nu op, en verstel u, dat men niet merkte, dat gij Jerobeams huisvrouw zijt, en ga heen naar Silo, zie, daar is de profeet Ahia, die van mij gesproken heeft, dat ik koning zou zijn over dit volk.3En neem in uw hand tien broden, en koeken, en een kruik honig, en ga tot hem; hij zal u te kennen geven, wat dezen jongen geschieden zal.4En Jerobeams huisvrouw deed alzo, en maakte zich op, en ging naar Silo, en kwam in het huis van Ahia. Ahia nu kon niet zien, want zijn ogen stonden stijf vanwege zijn ouderdom.5Maar de HEERE zeide tot Ahia: Zie, Jerobeams huisvrouw komt, om een zaak van u te vragen, aangaande haar zoon, want hij is krank; zo en zo zult gij tot haar spreken, en het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zich vreemd aanstellen zal.6En het geschiedde, als Ahia het geruis harer voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw van Jerobeam! Waarom stelt gij u dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.7Ga heen, zeg Jerobeam: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Daarom, dat Ik u verheven heb uit het midden des volks, en u tot een voorganger over Mijn volk Israel gesteld heb;8En het koninkrijk van het huis van David gescheurd, en dat u gegeven heb, en gij niet geweest zijt, gelijk Mijn knecht David, die Mijn geboden hield, en die Mij met zijn ganse hart navolgde, om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen;9Maar kwaad gedaan hebt, doende des meer dan allen, die voor u geweest zijn, en henengegaan zijt, en hebt u andere goden en gegotene beelden gemaakt, om Mij tot toorn te verwekken, en hebt Mij achter uw rug geworpen;10Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien, wat mannelijk is, den beslotene en verlatene in Israel; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.11Die van Jerobeam in de stad sterft, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten; want de HEERE heeft het gesproken.12Gij dan maak u op, ga naar uw huis; als uw voeten in de stad zullen gekomen zijn, zo zal het kind sterven.13En gans Israel zal hem beklagen, en hem begraven; want deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat in hem wat goeds voor den HEERE, den God Israels, in het huis van Jerobeam gevonden is.14Doch de HEERE zal Zich een koning verwekken over Israel, die het huis van Jerobeam ten zelfden dage uitroeien zal; maar wat zal het ook nu zijn?15De HEERE zal ook Israel slaan, gelijk een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israel uitrukken uit dit goede land, dat Hij hun vaderen gegeven heeft, en zal hen verstrooien op gene zijde der rivier; daarom dat zij hun bossen gemaakt hebben, den HEERE tot toorn verwekkende.16En Hij zal Israel overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israel heeft doen zondigen.17Toen maakte zich Jerobeams vrouw op, en ging heen, en kwam te Thirza; als zij nu op den dorpel van het huis kwam, zo stierf de jongeling.18En zij begroeven hem, en gans Israel beklaagde hem; naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Ahia, den profeet.19Het overige nu der geschiedenissen van Jerobeam, hoe hij gekrijgd, en hoe hij geregeerd heeft, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.20De dagen nu, die Jerobeam heeft geregeerd, zijn twee en twintig jaren; en hij ontsliep met zijn vaderen, en Nadab, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

Ondanks de ernstige waarschuwing die God te Beth—El aan Jeróbeam gegeven had, volhardt hij in zijn weg van ongerechtigheid.

Nu spreekt de HEERE voor de tweede keer tot hem en wel door de ziekte van zijn zoon Abía.

We zien dan dat de koning geen hulp zoekt bij zijn gouden kalf, want hij is ervan overtuigd dat dit hem niet zal baten. Hij wendt zich tot Ahía, de profeet, die hem eens het koningschap had aangekondigd.

Mogen we nu denken dat hij is omgekeerd van zijn dwaalweg? Helaas niet! Het bedrog dat hij samen met zijn vrouw pleegt, laat duidelijk zien dat er in zijn hart geen oprechte verootmoediging heeft plaatsgevonden.

Wat een dwaasheid om te denken dat je God zou kunnen misleiden door het verdraaien van de feiten!

De koningin is nog maar nauwelijks over de drempel gestapt, of ze wordt al ontmaskerd. En in plaats van de aangename woorden die Jeróbeam eens uit de mond van de man van God had vernomen, moet zijn eigen ongelukkige vrouw hem nu een vreselijke boodschap overbrengen, juist op het moment dat de jonge Abía sterft.

Wij vragen ons misschien af of het niet rechtvaardiger was geweest dat de HEERE dit kind in leven had gelaten. God had immers iets goeds in hem gevonden (vers 13)?

Dàt was juist de reden waarom God zo handelde! Hij wilde dit kind uit zo'n slecht milieu weghalen en tot Zich nemen! Dat lot was voor Abía vele malen beter! Vergelijk Jesaja 57 vers 1 en 2.

1 Koningen 14:21-31; 1 Koningen 15:1-8
21Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die de HEERE verkoren had uit al de stammen van Israel, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Naama, de Ammonietische.22En Juda deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en zij verwekten Hem tot ijver, meer dan al hun vaderen gedaan hadden, met hun zonden, die zij zondigden.23Want ook zij bouwden zich hoogten, en opgerichte beelden, en bossen, op allen hogen heuvel, en onder allen groenen boom.24Er waren ook schandjongens in het land; zij deden naar al de gruwelen der heidenen, die de HEERE van het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.25Het geschiedde nu in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, optoog tegen Jeruzalem.26En hij nam de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings weg, ja, hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had.27En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden.28En het geschiedde, zo wanneer de koning in het huis des HEEREN ging, dat de trawanten dezelve droegen, en die wederbrachten in der trawanten wachtkamer.29Het overige nu der geschiedenissen van Rehabeam, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?30En er was krijg tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al hun dagen.31En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en de naam zijner moeder was Naama, de Ammonietische; en zijn zoon Abiam regeerde in zijn plaats.
1In het achttiende jaar nu van den koning Jerobeam, den zoon van Nebat, werd Abiam koning over Juda.2Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Maacha, een dochter van Abisalom.3En hij wandelde in al de zonden zijns vaders, die hij voor hem gedaan had; en zijn hart was niet volkomen met den HEERE, zijn God, gelijk het hart van zijn vader David.4Maar om Davids wil, gaf de HEERE, zijn God, hem een lamp in Jeruzalem, verwekkende zijn zoon na hem, en bevestigende Jeruzalem.5Omdat David gedaan had wat recht was in de ogen des HEEREN, en niet geweken was van alles, wat Hij hem geboden had, al de dagen zijns levens, dan alleen in de zaak van Uria, den Hethiet.6En er was krijg geweest tussen Rehabeam en tussen Jerobeam, al de dagen zijns levens.7Het overige nu der geschiedenissen van Abiam, en alles, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? Er was ook krijg tussen Abiam en tussen Jerobeam.8En Abiam ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en Asa, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

Rehábeam regeert dus gelijktijdig met Jeróbeam.

Hoewel zijn rijk kleiner is, bezit Rehábeam het betere deel. Zijn hoofdstad blijft Jeruzalem waar de tempel staat, de heilige woonplaats van de HEERE en het verzamelcentrum voor heel Israël.

Rehábeam zelf is de zoon van David, zijn rechtmatige nakomeling.

Maar zie toch hoe diep het volk, ondanks al deze voorrechten, al een paar jaar na de voorspoedige dagen van hoofdstuk 8 (vers 65 en 66) is gezonken!

Zoals onkruid binnen de kortste keren een prachtige tuin kan overwoekeren, zo heeft de door Sálomo ingevoerde afgodendienst het hele land in zijn greep.

En dat is nog niet alles! Omdat Rehábeam niet waakzaam is, maakt de vijand ook hier gebruik van. En de arme koning laat zich in één keer alle schatten en alles wat tot zijn bescherming moest dienen (schilden), ontnemen.

Dat is voor ons allemaal een ernstige waarschuwing!

Als wij niet waken over ons hart, zal de duivel daarin zo snel mogelijk het zaad van verschillende afgoden zaaien. En als dat eenmaal ontkiemd is, zal hij ons zonder enige moeite de kostbare schatten ontroven, het erfdeel dat onze ouders en grootouders ons misschien hebben nagelaten: Christus en Zijn Woord.

Abíam wordt de opvolger van Rehábeam. Drie jaar regering is voldoende om aan te tonen dat hij in dezelfde zonden leeft als zijn vader. Het is alleen de genade van God dat zijn zoon nog op de troon in Jeruzalem mag zitten.

1 Koningen 15:9-24
9In het twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd Asa koning over Juda.10En hij regeerde een en veertig jaren te Jeruzalem, en de naam zijner moeder was Maacha, een dochter van Abisalom.11En Asa deed wat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David.12Want hij nam weg de schandjongens uit het land, en deed weg al de drekgoden, die zijn vaders gemaakt hadden.13Ja, zelfs zijn moeder Maacha zette hij ook af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa uit haar afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron.14De hoogten werden wel niet weggenomen; nochtans was het hart van Asa volkomen met den HEERE, al zijn dagen.15En hij bracht in het huis des HEEREN de geheiligde dingen zijns vaders, en zijn geheiligde dingen, zilver, en goud, en vaten.16En er was krijg tussen Asa en tussen Baesa, den koning van Israel, al hun dagen.17Want Baesa, de koning van Israel, toog op tegen Juda, en bouwde Rama; opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda.18Toen nam Asa al het zilver en goud, dat overgebleven was in de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings, en gaf ze in de hand zijner knechten; en de koning Asa zond ze tot Benhadad, den zoon van Tabrimmon, den zoon van Hezion, den koning van Syrie, die te Damaskus woonde, zeggende:19Er is een verbond tussen mij en tussen u, tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud; ga heen, maak uw verbond te niet met Baesa, den koning van Israel, dat hij aftrekke van tegen mij.20En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israel; en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maacha, en het ganse Cinneroth, met het ganse land Nafthali.21En het geschiedde, als Baesa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en hij bleef te Thirza.22Toen liet de koning Asa door gans Juda uitroepen (niemand was vrij), dat zij de stenen van Rama, en het hout daarvan, zouden wegdragen, waarmede Baesa gebouwd had; en de koning Asa bouwde daarmede Geba-Benjamins, en Mizpa.23Het overige nu van alle geschiedenissen van Asa, en al zijn macht, en al wat hij gedaan heeft, en de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda? Doch in den tijd zijns ouderdoms werd hij krank aan zijn voeten.24En Asa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven met zijn vaderen, in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats.

Na Abíam neemt zijn zoon Asa de plaats op de troon van Juda in. In tegenstelling tot zijn voorgangers regeert hij een lange tijd: eenenveertig jaar.

Asa "deed wat recht was in de ogen des HEEREN". Doen wat recht is, betekende voor hem in de eerste plaats wegdoen, afzetten, uitroeien, verbranden.

Deze handeling was des te moeilijker èn moediger, omdat hij daardoor gedwongen was tegen zijn eigen grootmoeder Máächa (uit de eerste beide verzen van dit hoofdstuk blijkt dat zij de moeder van Abíam was), een afgodendienares, te handelen!

We kennen de woorden van de Heere Jezus: "Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig" (Mattheus 10 vers 37).

Sinds de dagen van Asa zijn er veel gelovigen geweest — pas bekeerd of al langer op de weg — die stelling moesten en moeten nemen tegen hun eigen familie! Wat een groot voorrecht is het dan ouders te hebben die je bemoedigen en tot voorbeeld zijn! Wat heeft deze jonge koning dan een slecht voorbeeld gehad in zijn vader, grootvader en grootmoeder!

Helaas moeten we opmerken dat het einde van de regeringsperiode van Asa niet op dezelfde hoogte stond als het begin ervan. In plaats van bij de HEERE hulp te zoeken als Báësa, de koning van Israël, tegen hem ten strijde trekt, stelt Asa zijn vertrouwen op Benhadad, de koning van Syrië.

In het tweede Boek van de Kronieken hopen we wat dieper in te gaan op de details van deze regeringsperiode en op de lessen die daarin voor ons verborgen liggen.

1 Koningen 15:25-34; 1 Koningen 16:1-7
25Nadab nu, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israel, in het tweede jaar van Asa, den koning van Juda; en hij regeerde twee jaren over Israel.26En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg zijns vaders, en in zijn zonde, waarmede hij Israel had doen zondigen.27En Baesa, de zoon van Ahia, van het huis van Issaschar, maakte een verbintenis tegen hem, en Baesa sloeg hem te Gibbethon, hetwelk der Filistijnen is, als Nadab en gans Israel Gibbethon belegerden.28En Baesa doodde hem, in het derde jaar van Asa, den koning van Juda, en werd koning in zijn plaats.29Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het ganse huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Ahia, den Siloniet;30Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die Israel zondigen deed, en om zijn terging, waarmede hij den HEERE, den God Israels, getergd had.31Het overige nu der geschiedenissen van Nadab, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?32En er was oorlog tussen Asa en tussen Baesa, den koning van Israel, al hun dagen.33In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baesa, de zoon van Ahia, koning over gans Israel, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren.34En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, en wandelde in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, waarmede hij Israel had doen zondigen.
1Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baesa, zeggende:2Daarom, dat Ik u uit het stof verheven, en u tot een voorganger over Mijn volk Israel gesteld heb, en gij gewandeld hebt in den weg van Jerobeam, en Mijn volk Israel hebt doen zondigen, Mij tot toorn verwekkende door hun zonden;3Zie, zo zal Ik de nakomelingen van Baesa, en de nakomelingen van zijn huis wegdoen; en Ik zal uw huis maken, gelijk het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat.4Die van Baesa in de stad sterft, zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten.5Het overige nu der geschiedenissen van Baesa, en wat hij gedaan heeft, en zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?6En Baesa ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Thirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijn plaats.7Alzo geschiedde ook het woord des HEEREN, door den dienst van den profeet Jehu, den zoon van Hanani, tegen Baesa en tegen zijn huis; en dat om al het kwaad, dat hij gedaan had in de ogen des HEEREN, Hem tot toorn verwekkende door het werk zijner handen, omdat hij was gelijk het huis van Jerobeam, en omdat hij hetzelve verslagen had.

Hier worden we veertig jaar teruggeplaatst om te zien hoe het ging met het rijk Israël, in de tijd dat Asa over Juda heerste.

In tegenstelling tot Asa lezen we hier van Nadab, de zoon van Jeróbeam, dat hij gedurende zijn korte regering van slechts twee jaar "wandelde in de weg van zijn vader, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen" (vers 26).

Deze zonde is de valse godsdienst die Jeróbeam ingevoerd had om de aandacht van het volk af te leiden van de plaats die de HEERE verkozen had (Deuteronomium 12 vers 5 en 6).

Zoals eens in Israël zijn er in de christenheid ook veel mensen die, hoewel ze tot het volk van God behoren, van het enige Middelpunt, de Heere Jezus, afgetrokken zijn. Er zijn hen allerlei religieuze vormen aangeleerd die niet overeenstemmen met het Woord van God.

Nadab en de hele familie van Jeróbeam ondergaan het vreselijke lot dat Ahía aangekondigd had.

Maar Báësa die dit oordeel van God uitvoert en opvolger van Nadab wordt, gaat zelf ook die zondige weg! En zijn weg eindigt op dezelfde manier.

De HEERE laat het door de profeet Jehu tegen Báësa zeggen. De profeet gaat moedig voor de boze koning staan en deelt hem deze ernstige woorden mee.

Zijn ook wij niet uit het stof verheven om vervolgens bij de vorsten plaats te nemen (vers 2; vergelijk 1 Samuël 2 vers 8)? Laten we daarom zorgvuldig nagaan welke weg we gaan en waar die zal eindigen (Spreuken 16 vers 25).

1 Koningen 16:8-28
8In het zes en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Ela, de zoon van Baesa, koning over Israel, te Thirza, en regeerde twee jaren.9En Zimri, zijn knecht, overste van de helft der wagenen, maakte een verbintenis tegen hem, als hij te Thirza was, zich dronken drinkende in het huis van Arza, den hofmeester te Thirza;10Zo kwam Zimri in, en sloeg hem, en doodde hem, in het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda; en hij werd koning in zijn plaats.11En het geschiedde, als hij regeerde, als hij op zijn troon zat, dat hij het ganse huis van Baesa sloeg; hij liet hem niet over die mannelijk was, noch zijn bloedverwanten, noch zijn vrienden.12Alzo verdelgde Zimri het ganse huis van Baesa, naar het woord des HEEREN, dat Hij over Baesa gesproken had, door den dienst van den profeet Jehu;13Om al de zonden van Baesa, en de zonden van Ela, zijn zoon, waarmede zij gezondigd hadden, en waarmede zij Israel hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende den HEERE, den God Israels, door hun ijdelheden.14Het overige nu der geschiedenissen van Ela, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?15In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat der Filistijnen is.16Het volk nu, dat zich gelegerd had, hoorde zeggen: Zimri heeft een verbintenis gemaakt, ja, heeft ook den koning verslagen; daarom maakte het ganse Israel ten zelfden dage Omri, den krijgsoverste, koning over Israel, in het leger.17En Omri toog op, en gans Israel met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza.18En het geschiedde, als Zimri zag, dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis des konings, en verbrandde boven zich het huis des konings met vuur, en stierf;19Om zijn zonden, die hij gezondigd had, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN, wandelende in den weg van Jerobeam, en in zijn zonde, die hij gedaan had, doende Israel zondigen.20Het overige nu der geschiedenissen van Zimri, en zijn verbintenis, die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?21Toen werd het volk van Israel verdeeld in twee helften; de helft des volks volgde Tibni, den zoon van Ginath, om hem koning te maken; en de helft volgde Omri.22Maar het volk, dat Omri volgde, was sterker dan het volk, dat Tibni, den zoon van Ginath, volgde; en Tibni stierf, en Omri regeerde.23In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israel, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren.24En hij kocht den berg Samaria van Semer, voor twee talenten zilvers, en bebouwde den berg; en noemde den naam der stad, die hij bouwde, naar den naam van Semer, den heer des bergs, Samaria.25En Omri deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN; ja, hij deed erger dan allen, die voor hem geweest waren.26En hij wandelde in alle wegen van Jerobeam, den zoon van Nebat, en in zijn zonden, waarmede hij Israel had doen zondigen, verwekkende den HEERE, den God Israels, tot toorn, door hun ijdelheden.27Het overige nu der geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijn macht die hij gepleegd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?28En Omri ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven te Samaria; en zijn zoon Achab regeerde in zijn plaats.

Ela, de zoon van Báësa, regeert twee jaar over Israël. Het enige wat wij van hem lezen, is dat hij zich bedrinkt te Thirza (vers 9).

Deze koning wordt beheerst door zijn begeerte. Hij is een slaaf van de alcohol, zoals er vandaag de dag veel van zulke ongelukkige mensen zijn.

De mens gelooft dat hij zijn medemens kan leiden, terwijl hij niet eens in staat is de begeerten van zijn eigen hart te beteugelen.

In Spreuken lezen we de woorden van een jonge koning die luisterde naar de naam Lemuël. Hij denkt terug aan wat zijn moeder hem leerde: "Het komt de koningen niet toe, O Lemuël! het komt de koningen niet toe wijn te drinken" (Spreuken 31 vers 4 — zie ook Spreuken 23 vers 20, 31, 32 en Efeze 5 vers 18).

Van het éne moment op het andere gaat Ela, zonder weer tot bezinning te komen, van de roes over in de dood.

Zó bedwelmen de mensen van de wereld zich door hun zondige 'pleziertjes' en worden dan plotseling, zonder erop voorbereid te zijn, in het eeuwige ongeluk gestort!

Voor Zimri, de man die Gods oordeel over Ela en het hele huis van Báësa voltrok, zijn zeven dagen voldoende om aan te tonen dat hij op dezelfde weg als Jeróbeam wandelt!

Zijn einde is niet minder vreselijk. Hij pleegt zelfmoord!

Vervolgens komt Omri aan de macht. Hij bouwt de stad Samaria en maakt het nog veel bonter dan zijn voorgangers. Wat ligt er een ontzettend diepe duisternis over het rijk Israël!

1 Koningen 16:29-34; 1 Koningen 17:1-6
29En Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israel, in het acht en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda; en Achab, de zoon van Omri, regeerde over Israel, te Samaria, twee en twintig jaren.30En Achab, den zoon van Omri, deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, meer dan allen, die voor hem geweest waren.31En het geschiedde (was het een lichte zaak, dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat?), dat hij nog ter vrouwe nam Izebel, de dochter van Eth-Baal, den koning der Sidoniers, en heenging, en diende Baal, en boog zich voor hem.32En hij richtte voor Baal een altaar op, in het huis van Baal, hetwelk hij te Samaria gebouwd had.33Ook maakte Achab een bos, zodat Achab nog meer deed, om den HEERE, den God Israels, tot toorn te verwekken, dan alle koningen van Israel, die voor hem geweest waren.34In zijn dagen bouwde Hiel, de Betheliet, Jericho; op Abiram, zijn eerstgeborenen zoon heeft hij haar gegrondvest, en op Segub, zijn jongsten zoon, heeft hij haar poorten gesteld; naar het woord des HEEREN, dat Hij door den dienst van Jozua, den zoon van Nun, gesproken had.
1En Elia, de Thisbiet, van de inwoneren van Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israels, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord!2Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:3Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is.4En het zal geschieden, dat gij uit de beek drinken zult; en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen.5Hij ging dan heen, en deed naar het woord des HEEREN; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die voor aan de Jordaan is.6En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek.

We zullen nu tot aan het einde van het Boek 1 Koningen over de regering van koning Achab lezen. Hij is de zoon van Omri en overtreft met zijn zondige leven al zijn voorgangers.

Door zijn vrouw, de vreselijke Izébel, wordt de afgodendienst aan Baäl in Israël openlijk ingevoerd.

En tegelijkertijd wordt ook Jericho weer opgebouwd. Dat is het uitdagen van de HEERE waarop de straf volgt die Jozua destijds had aangekondigd (Jozua 6 vers 26)!

Dan verwekt God een profeet, Elía, om tot het geweten van de koning en het volk te spreken.

Elía merkt echter dat er eerst een beproeving nodig is, vóórdat Israël in staat is het Woord van God aan te nemen. Daarom bidt hij vurig dat het niet zou gaan regenen (Jakobus 5 vers 17).

Dàn gaat hij, zich bewust van het antwoord van de HEERE, met een zeker gezag naar koning Achab toe om hem dit mee te delen.

Als wij in geloof iets van God gevraagd hebben wat naar Zijn wil is, moeten we vervolgens handelen in de volle zekerheid van de verhoring van dat gebed.

Let vooral op de woorden van Elía: "De HEERE ...voor Wiens aangezicht ik sta". Met ontzag voor God staan, in Zijn licht, altijd bereid om Zijn aanwijzingen op te volgen, dàt is de juiste houding van een dienstknecht! Dat was ook de houding van de Heere Jezus, zoals we lezen in Psalm 16 vers 8.

Vervolgens verbergt God Elía aan de beek Krith en zorgt daar op wonderbare wijze voor hem.

1 Koningen 17:7-24
7En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.8Toen geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:9Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude.10Toen maakte hij zich op, en ging naar Zarfath. Als hij nu aan de poort der stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, hout lezende; en hij riep tot haar, en zeide: Haal mij toch een weinig waters in dit vat, dat ik drinke.11Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar, en zeide: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand.12Maar zij zeide: Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een hand vol meels in de kruik, en een weinig olie in de fles! En zie ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven.13En Elia zeide tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan, en breng mij dien hier uit; doch voor u en uw zoon zult gij daarna wat maken.14Want zo zegt de HEERE, de God Israels: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op den dag, dat de HEERE regen op den aardbodem geven zal.15En zij ging heen, en deed naar het woord van Elia; zo at zij, en hij, en haar huis, vele dagen.16Het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Elia.17En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouw, der waardin van het huis, krank werd; en zijn krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was.18En zij zeide tot Elia: Wat heb ik met u te doen, gij man Gods? Zijt gij bij mij ingekomen, om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen, en om mijn zoon te doden?19En hij zeide tot haar: Geef mij uw zoon. En hij nam hem van haar schoot, en droeg hem boven in de opperzaal, waar hij zelf woonde, en hij legde hem neder op zijn bed.20En hij riep den HEERE aan, en zeide: HEERE, mijn God, hebt Gij dan ook deze weduwe, bij dewelke ik herberge, zo kwalijk gedaan, dat Gij haar zoon gedood hebt?21En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep den HEERE aan, en zeide: HEERE, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen.22En de HEERE verhoorde de stem van Elia; en de ziel van het kind kwam weder in hem, dat het weder levend werd.23En Elia nam het kind, en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het aan zijn moeder; en Elia zeide: Zie, uw zoon leeft.24Toen zeide de vrouw tot Elia: Nu weet ik, dat gij een man Gods zijt, en dat het woord des HEEREN in uw mond waarheid is.

Elía was noch van de beek Krith noch van de raven afhankelijk, maar alleen van het woord van Hem Die gezegd had: "Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen" (vers 4).

Daarom is hij ook niet verrast als de beek opdroogt en hij een nieuwe boodschap krijgt: "Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude" (vers 9).

Deze weduwe is tot de grootste armoede vervallen, maar moet Elía zich daar zorgen over maken als de HEERE Zelf gezegd heeft: "Daar"?

Deze vrouw van geloof — die de Heere Jezus later tot beschaming van de inwoners van Názareth onder hun aandacht brengt (Lukas 4 vers 25 en 26) — mag een buitengewone ervaring opdoen.

Als God van iemand een dienst verlangt (zoals hier om Zijn profeet eten te geven), geeft Hij tegelijkertijd dat wat nodig is om deze dienst uit te oefenen! Men moet alleen bereid zijn om direct en onvoorwaardelijk te doen wat Hij verlangd heeft. Dàt is de les van die kleine koek.

Dat de weduwe gehoorzaamt aan het woord van Elía, is het bewijs van haar geloof en het begin van een Goddelijke overvloed in haar huis.

Daarna mag deze weduwe voor de tweede keer een ervaring opdoen, maar nu een nog veel grotere: de dood en de opwekking van haar zoon.

Daarbij worden onze gedachten van de profeet gericht op de Heere Jezus Die doden heeft opgewekt. Ook Hij heeft eens een weduwe haar enige zoon teruggegeven (Lukas 7 vers 11 tot en met 15).

1 Koningen 18:1-16
1En het gebeurde na vele dagen, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op den aardbodem.2En Elia ging heen, om zich aan Achab te vertonen. En de honger was sterk in Samaria.3En Achab had Obadja, den hofmeester, geroepen; en Obadja was den HEERE zeer vrezende.4Want het geschiedde, als Izebel de profeten des HEEREN uitroeide, dat Obadja honderd profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in een spelonk, en onderhield hen met brood en water.5En Achab had gezegd tot Obadja: Trek door het land, tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezelen in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten.6En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen; Achab ging bijzonder op een weg, en Obadja ging ook bijzonder op een weg.7Als nu Obadja op den weg was, ziet, zo was hem Elia tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht, en zeide: Zijt gij mijn heer Elia?8Hij zeide: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier.9Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd, dat gij uw knecht geeft in de hand van Achab, dat hij mij dode?10Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, zo er een volk of koninkrijk is, waar mijn heer niet gezonden heeft, om u te zoeken; en als zij zeiden: Hij is hier niet; zo nam hij dat koninkrijk en dat volk een eed af; dat zij u niet hadden gevonden.11En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier.12En het mocht geschieden, wanneer ik van u zou weggegaan zijn, dat de Geest des HEEREN u wegnam, ik weet niet waarheen; en ik kwam, om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zo zou hij mij doden; ik, uw knecht, nu vrees den HEERE van mijn jonkheid af.13Is mijn heer niet aangezegd, wat ik gedaan heb, als Izebel de profeten des HEEREN doodde? Dat ik van de profeten des HEEREN honderd man heb verborgen, elk vijftig man in een spelonk, en die met brood en water onderhouden heb?14En nu zegt gij: Ga heen, zeg uw heer: Zie, Elia is hier, en hij zou mij doodslaan.15En Elia zeide: Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertonen!16Toen ging Obadja Achab tegemoet, en zeide het hem aan; en Achab ging Elia tegemoet.

Drie jaar eerder had de HEERE tegen Elía gezegd: "Ga weg van hier ... en verberg u" (hoofdstuk 17 vers 3). Mi beveelt Hij hem: "Ga heen, vertoon u aan Achab".

En in zowel het éne als in het andere geval is de profeet direct bereid te gehoorzamen.

Dat is ook een voorbeeld voor ons. Wij zijn, mede afhankelijk van ons karakter, misschien wel eens geneigd om ons te vertonen of in een ander geval ons te verbergen, terwijl God juist het tegenovergestelde van ons vraagt!

Wat doet Achab gedurende die vreselijke droogte? We zien dat hij zich bekommert om zijn paarden en muildieren in plaats van om de ellende van zijn volk!

Obadja, zijn hofmeester, vreesde wel de HEERE, maar had niet de moed om zich van zijn goddeloze meester af te keren. Dan had hij immers moeten afzien van aards voordeel en misschien zelfs zijn leven op het spel moeten zetten!

Veel christenen doen net als Obadja. Ze zijn niet bereid om de wereld de rug toe te keren en tot eer van de Heere te gaan leven, omdat deze keuze hen te veel kost!

Obadja is erg bang als hij aan Achab moet meedelen dat hij Elía is tegengekomen.

Hij beroemt zich graag op wat hij voor honderd profeten heeft gedaan. Maar als het gaat om het vervullen van een eenvoudige opdracht die Elía hem geeft, mist hij dat wat bij de weduwe van Zarfath juist zo duidelijk en mooi naar voren kwam: een eenvoudig vertrouwen op het Woord van de HEERE.

1 Koningen 18:17-29
17En het geschiedde, als Achab Elia zag, dat Achab tot hem zeide: Zijt gij die beroerden van Israel?18Toen zeide hij: Ik heb Israel niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, daarmede, dat gijlieden de geboden des HEEREN verlaten hebt en de Baals nagevolgd zijt.19Nu dan, zend heen, verzamel tot mij het ganse Israel op den berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig profeten van Baal, en de vierhonderd profeten van het bos, die van de tafel van Izebel eten.20Zo zond Achab onder alle kinderen Israels, en verzamelde de profeten op den berg Karmel.21Toen naderde Elia tot het ganse volk, en zeide: Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zo de HEERE God is, volgt Hem na, en zo het Baal is, volgt hem na! Maar het volk antwoordde hem niet een woord.22Toen zeide Elia tot het volk: Ik ben alleen een profeet des HEEREN overgebleven, en de profeten van Baal zijn vierhonderd en vijftig mannen.23Dat men ons dan twee varren geve, en dat zij voor zich den enen var kiezen, en denzelven in stukken delen, en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal den anderen var bereiden, en op het hout leggen, en geen vuur daaraan leggen.24Roept gij daarna den naam van uw god aan, en ik zal den Naam des HEEREN aanroepen; en de God, Die door vuur antwoorden zal, Die zal God zijn. En het ganse volk antwoordde en zeide: Dat woord is goed.25En Elia zeide tot de profeten van Baal: Kiest gijlieden voor u den enen var, en bereidt gij hem eerst, want gij zijt velen; en roept den naam uws gods aan, en legt geen vuur daaraan.26En zij namen de var, dien hij hun gegeven had, en bereidden hem, en riepen den naam van Baal aan, van den morgen tot op den middag, zeggende: O Baal, antwoord ons! Maar er was geen stem en geen antwoorder. En zij sprongen tegen het altaar, dat men gemaakt had.27En het geschiedde op den middag, dat Elia met hen spotte, en zeide: Roept met luider stem, want hij is een god; omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij een reize heeft; misschien slaapt hij en zal wakker worden.28En zij riepen met luider stem, en zij sneden zichzelven met messen en met priemen, naar hun wijze, totdat zij bloed over zich uitstortten.29Het geschiedde nu, als de middag voorbij was, dat zij profeteerden totdat men het spijsoffer zou offeren; maar er was geen stem, en geen antwoorder, en geen opmerking.

Tijdens de droogte had Achab tevergeefs al het mogelijke gedaan om de profeet te vinden. Volgens hem was Elía immers verantwoordelijk voor de situatie!

Als hij hem uiteindelijk ontmoet, zegt hij: "Zijt gij die beroerder van Israël?" Wat een (bewuste?) onwetendheid!

Dan zegt Elía dat Achab en het huis van zijn vader door hun zonden het oordeel over zichzelf hebben gehaald.

Zo reageren de mensen van de wereld — en misschien wij ook wel eens!

Als God ons een beproeving stuurt, zijn wij maar al te gauw geneigd anderen de schuld te geven van wat ons overkomt. We denken dat anderen hiervoor verantwoordelijk zijn, zonder de reden bij onszelf te zoeken.

Op het verzoek van Elía laat de koning het hele volk en al de valse profeten van Baäl op de berg Karmel bij elkaar komen.

Nu is het moment aangebroken om duidelijk tegen het volk te spreken en hen voor de keus te stellen. "Hoe lang hinkt gij op twee gedachten?"

Later sprak de Heere Jezus op een andere berg op soortgelijke wijze tegen mensen uit het volk Israël: "Niemand kan twee heren dienen" (Mattheüs 6 vers 24).

Aan alle lezers en lezeressen die nog geen keuze gemaakt hebben, willen wij ook indringend, maar liefdevol de vraag van Elía herhalen: 'Hoe lang blijft u op twee gedachten hinken? Waarom maakt u geen keuze tussen twee heren?'

1 Koningen 18:30-46
30Toen zeide Elia tot het ganse volk: Nadert tot mij. En al het volk naderde tot hem; en hij heelde het altaar des HEEREN, dat verbroken was.31En Elia nam twaalf stenen, naar het getal der stammen van de kinderen Jakobs, tot welke het woord des HEEREN geschied was, zeggende: Israel zal uw naam zijn.32En hij bouwde met die stenen het altaar in den Naam des HEEREN; daarna maakte hij een groeve rondom het altaar, naar de wijdte van twee maten zaads.33En hij schikte het hout, en deelde den var in stukken, en legde hem op het hout.34En hij zeide: Vult vier kruiken met water, en giet het op het brandoffer en op het hout. En hij zeide: Doet het ten tweeden male. En zij deden het ten tweeden male. Voorts zeide hij: Doet het ten derden male. En zij deden het ten derden male;35Dat het water rondom het altaar liep; daartoe vulde hij ook de groeve met water.36Het geschiedde nu, als men het spijsoffer offerde, dat de profeet Elia naderde, en zeide: HEERE, God van Abraham, Izak en Israel, dat het heden bekend worde, dat Gij God in Israel zijt, en ik Uw knecht; en dat ik al deze dingen naar Uw woord gedaan heb.37Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt.38Toen viel het vuur de HEEREN, en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op, hetwelk in de groeve was.39Als nu het ganse volk dat zag, zo vielen zij op hun aangezichten, en zeiden: De HEERE is God, de HEERE is God!40En Elia zeide tot hen: Grijpt de profeten van Baal, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze; en Elia voerde hen af naar de beek Kison, en slachtte hen aldaar.41Daarna zeide Elia tot Achab: Trek op, eet en drink; want er is een geruis van een overvloedigen regen.42Alzo toog Achab op, om te eten en te drinken; maar Elia ging op naar de hoogte van Karmel, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna legde hij zijn aangezicht tussen zijn knieen.43En hij zeide tot zijn jongen: Ga nu op, en zie uit naar de zee. Toen ging hij op, en zag uit, en zeide: Er is niets. Toen zeide hij: Ga weder henen, zevenmaal.44En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, een kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude.45En het geschiedde ondertussen, dat de hemel van wolken en wind zwart werd; en er kwam een grote regen; en Achab reed weg, en toog naar Jizreel.46En de hand des HEEREN was over Elia, en hij gordde zijn lenden, en liep voor het aangezicht van Achab henen, tot daar men te Jizreel komt.

Als antwoord op de uitdaging van Elía hebben de profeten van Baal tevergeefs hun bezweringen uitgeroepen en verwoede dansen opgevoerd. Hun god is doof gebleven. En wel omdat hij niet antwoorden kan!

Nu begint Elía in alle rust en met gezag met zijn voorbereidingen die in groot contrast staan met alle voorgaande commotie.

Hij bouwt een altaar van twaalf stenen, "naar het getal van de stammen van de kinderen Jakobs", waardoor de eenheid van het volk bekrachtigd wordt. Ondanks de verdrietige tweedeling van het volk is Israël in het oog van God nog steeds één volk.

Vandaag de dag is het precies hetzelfde met de gemeente. Ook al is zij in nog zoveel verschillende kerken en groeperingen versplinterd, God erkent slechts één enkele 'kerk', namelijke die welke uit alle gelovigen bestaat. Zo moeten wij dat ook zien.

Als alles klaar is voor het brandoffer, wendt Elía zich tot God: "Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt" (vers 37).

God verhoort Zijn dienstknecht niet alleen door het zenden van vuur, maar ook door het hart van het volk weer om te keren tot Hem.

Achab woont deze gebeurtenis die gevolgd wordt door de dood van al zijn profeten, ook bij. Maar hij bekommert zich om niets anders dan om eten en drinken, terwijl de man van God opnieuw bidt; "en de hemel gaf regen" (Jakobus 5 vers 18).

1 Koningen 19:1-10
1En Achab zeide Izebel aan al wat Elia gedaan had, en allen, die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard.2Toen zond Izebel een bode tot Elia, om te zeggen: Zo doen mij de goden, en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent dezen tijd uw ziel stellen, als de ziel van een hunner.3Toen hij dat zag, maakte hij zich op, en ging heen, om zijns levens wil, en kwam te Ber-seba, dat in Juda is, en liet zijn jongen aldaar.4Maar hij zelf ging henen in de woestijn een dagreis, en kwam, en zat onder een jeneverboom; en bad, dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.5En hij legde zich neder, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zeide tot hem: Sta op, eet;6En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een fles met water; alzo at hij, en dronk, en legde zich wederom neder.7En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn.8Zo stond hij op, en at, en dronk; en hij ging, door de kracht derzelver spijs, veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods, Horeb.9En hij kwam aldaar in een spelonk, en vernachtte aldaar; en ziet, het woord des HEEREN geschiedde tot hem, en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elia?10En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.

Wie zou in deze man die geen moed meer heeft en op de vlucht is voor een vrouw (met echter het hele leger van Israël achter zich!), nog de stralende getuige uit het voorgaande hoofdstuk kunnen herkennen?

God vertelt ons deze gebeurtenis niet, opdat wij Zijn geliefde dienstknecht veroordelen, maar opdat wij er iets uit zouden leren. Namelijk dat ook de meest opmerkelijke mens volledig zal falen als hij steunt op eigen middelen (vergelijk Spreuken 29 vers 25).

Het is één en al hopeloosheid bij Elía! En toch zorgt God voor hem! Dat is een kostbare gedachte. Zelfs als wij terneergeslagen of opstandig zijn, gaat God door met het tonen van Zijn goedheid voor ons.

Elía ging naar de berg Horeb die bij het gebergte Sinaï hoort, naar de plaats waar de wet gegeven werd.

"Wat maakt gij hier, Elía?" vraagt de HEERE hem. Een ernstige vraag voor hem die het volk heeft verlaten! Het antwoord van de profeet laat zien dat hij hier op de verkeerde plaats is. Hij is daar om een aanklacht uit te spreken!

Terwijl Mozes op diezelfde plaats voorbede deed voor het volk (Exodus 32 vers 11), spreekt Elía hier tot God ten nadele van het volk, zoals we in Romeinen 11 vers 2 kunnen lezen.

Laten we er altijd goed om denken: een aanklacht uitspreken aan het adres van broeders (wat ook gebeuren kan door het verder vertellen van een bepaalde mededeling), betekent het werk van satan doen (Openbaring 12 vers 10). Voorbede doen, betekent daarentegen handelen zoals de Heere Jezus (Romeinen 8 vers 34).

1 Koningen 19:11-21
11En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezicht des HEEREN. En ziet, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor den HEERE henen; doch de HEERE was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet;12En na de aardbeving een vuur; de HEERE was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte.13En het geschiedde, als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijn mantel, en uitging, en stond in den ingang der spelonk. En ziet, een stem kwam tot hem, die zeide: Wat maakt gij hier, Elia?14En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen; want de kinderen Israels hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel, om die weg te nemen.15En de HEERE zeide tot hem: Ga, keer weder op uwen weg, naar de woestijn van Damaskus; en ga daar in, en zalf Hazael ten koning over Syrie.16Daartoe zult gij Jehu, den zoon van Nimsi, zalven ten koning over Israel; en Elisa, den zoon van Safat, van Abel-mehola, zult gij tot profeet zalven in uw plaats.17En het zal geschieden, dat Jehu hem, die van het zwaard van Hazael ontkomt, doden zal; en die van het zwaard van Jehu ontkomt, dien zal Elisa doden.18Ook heb Ik in Israel doen overblijven zeven duizend, alle knieen, die zich niet gebogen hebben voor Baal, en allen mond, die hem niet gekust heeft.19Zo ging hij van daar, en vond Elisa, den zoon van Safat; dezelve ploegde met twaalf juk runderen voor zich henen, en hij was bij het twaalfde; en Elia ging over tot hem, en wierp zijn mantel op hem.20En hij verliet de runderen, en liep Elia na, en zeide: Dat ik toch mijn vader en mijn moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zeide tot hem: Ga, keer weder; want wat heb ik u gedaan?21Zo keerde hij weder van achter hem af, en nam een juk runderen, en slachtte het, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vlees, hetwelk hij aan het volk gaf; en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na, en diende hem.

In tegenstelling tot wat Elía verwacht had, liet God niets horen over een oordeel over Israël.

De HEERE was noch in de wind, noch in de aardbeving, noch in het vuur. Hier zwijgt de geweldige, machtige en angstaanjagende stem uit Psalm 29 vers 3 tot en met 9 om plaats te maken voor de aangename en zachte stem van de genade.

Vandaag is het ook nog niet de tijd van het oordeel voor de wereld. Nu is het nog de genadetijd waarin de zondaar zich kan bekeren en vergeving kan ontvangen.

God kan de mens door het tonen van Zijn macht wakker schudden, maar alleen die liefelijke stem van de genade is in staat het hart aan te raken. En om genade te ontvangen, is het nodig dat men eerst zijn eigen onwaardigheid inziet en voelt.

Omdat Elía deze taal niet kon begrijpen, moest hij terzijde gesteld worden. Elísa wordt geroepen om zijn plaats in te nemen. Hij zal de stem van de liefde van de HEERE wèl aan het volk kunnen overbrengen.

Tenslotte leert God Elía nog een andere les. Toen hij de berg beklommen had, geloofde hij dat hij de enige was die nog trouw was.

Nu hij naar beneden klimt, ervaart hij dat hij slechts één onder zevenduizend is die God voor Zichzelf in Israël heeft overgelaten.

Ook al kon Elía hen nergens ontdekken, toch kende God ieder van hen persoonlijk (zie 2 Timotheüs 2 vers 19)!

1 Koningen 20:1-12
1En Benhadad, de koning van Syrie, vergaderde al zijn macht; en twee en dertig koningen waren met hem, en paarden en wagenen; en hij toog op, en belegerde Samaria en krijgde tegen haar.2En hij zond boden tot Achab, den koning van Israel, in de stad.3En hij zeide hem aan: Zo zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is mijn, daartoe uw vrouwen en uw beste kinderen, die zijn mijn.4En de koning van Israel antwoordde en zeide: Naar uw woord, mijn heer de koning, ik ben uwe, en al wat ik heb.5Daarna kwamen de boden weder, en zeiden: Alzo spreekt Benhadad, zeggende: Ik heb wel tot u gezonden, zeggende: Uw zilver, en uw goud, en uw vrouwen, en uw kinderen zult gij mij geven;6Maar morgen om dezen tijd zal ik mijn knechten tot u zenden, dat zij uw huis en de huizen uwer knechten bezoeken; en het zal geschieden, dat zij al het begeerlijke uwer ogen in hun handen leggen en wegnemen zullen.7Toen riep de koning van Israel alle oudsten des lands, en zeide: Merkt toch en ziet, dat deze het kwade zoekt; want hij had tot mij gezonden, om mijn vrouwen, en om mijn kinderen, en om mijn zilver, en om mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd.8Doch al de oudsten, en het ganse volk, zeiden tot hem: Hoor niet, en bewillig niet.9Daarom zeide hij tot de boden van Benhadad: Zegt mijn heer den koning: Alles, waarom gij in het eerst tot uw knecht gezonden hebt, zal ik doen; maar deze zaak kan ik niet doen. Zo gingen de boden heen en brachten hem bescheid weder.10En Benhadad zond tot hem en zeide: De goden doen mij zo, en doen zo daartoe, indien het stof van Samaria genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk, dat mijn voetstappen volgt!11Maar de koning van Israel antwoordde en zeide: Spreekt tot hem: Die zich aangordt, beroeme zich niet, als die zich los maakt.12En het geschiedde, als hij dit woord hoorde, daar hij was drinkende, hij en de koningen in de tenten, dat hij zeide tot zijn knechten: Legt aan! En zij legden aan tegen de stad.

De HEERE had aan Elía de opvolger van Benhadad, de koning van Syrië, en de opvolger van Achab, de koning van Israël, bekendgemaakt (hoofdstuk 19 vers 15 en 16). Maar deze beide koningen zijn nu nog aan de macht en hoofdstuk 20 laat ons hun onderlinge oorlog zien.

Zo is het ook in de huidige wereld. Voor haar is het oordeel slechts een kwestie van uitstel, hoewel dit de mensen niet verhindert om in hun verblindheid te handelen alsof de toekomst in hun eigen macht ligt.

Ze vergeten echter dat God Zijn eigen gedachten en plannen met betrekking tot de wereld heeft en dat Hij alleen de loop van de geschiedenis bepaalt.

Terwijl de mensen zich druk maken over wie de baas zal zijn, heeft God hen in Zijn raadsbesluiten al vervangen door de Koning Die Hij uitgekozen heeft: Jezus Christus.

Door Gods Woord mogen de gelovigen, evenals Elía, de gedachten van God met betrekking tot de wereld kennen. Daardoor komen ze niet onder de indruk van gebeurtenissen die de mensheid zo opgewonden, ongerust en bang maken (Jesaja 8 vers 12 en 13).

Achab staat machteloos tegenover de uitdagingen van Benhadad. Dat doet ons denken aan de mens in zijn zondige toestand, zoals hij overgeleverd is aan zijn machtige vijand, de duivel.

Heeft de satan niet in een paar tellen alles wat Adam in de hof van Eden bezat, van hem afgenomen? Maar door de genade van God heeft satan, de sterke, in Christus zijn Meerdere gevonden. De Heere Jezus is sterker en heeft hem overwonnen "en deelt zijn roof uit" (Lukas 11 vers 22).

1 Koningen 20:13-30
13En ziet, een profeet trad tot Achab, den koning van Israel, en zeide: Zo zegt de HEERE: Hebt gij gezien al deze grote menigte? Zie, Ik zal ze heden in uw hand geven, opdat gij weet, dat Ik de HEERE ben.14En Achab zeide: Door wie? En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Door de jongens van de oversten der landschappen. En hij zeide: Wie zal den strijd aanbinden? En hij zeide: Gij.15Toen telde hij de jongens van de oversten der landschappen, en zij waren tweehonderd twee en dertig; en na hen telde hij al het volk, al de kinderen Israels, zeven duizend.16En zij togen uit op den middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de koningen, de twee en dertig koningen, die hem hielpen.17En de jongens van de oversten der landschappen togen eerst uit. Doch Benhadad zond enigen uit, en zij boodschapten hem, zeggende: Uit Samaria zijn mannen uitgetogen.18En hij zeide: Hetzij dat zij tot vrede uitgetogen zijn, grijpt hen levend; hetzij ook, dat zij ten strijde uitgetogen zijn, grijpt hen levend.19Zo togen deze jongens van de oversten der landschappen uit de stad, en het heir, dat hen navolgde.20En een ieder sloeg zijn man, zodat de Syriers vloden, en Israel jaagde hen na. Doch Benhadad, de koning van Syrie, ontkwam op een paard, met enige ruiteren.21En de koning van Israel toog uit, en sloeg paarden en wagenen, dat hij een groten slag aan de Syriers sloeg.22Toen trad die profeet tot den koning van Israel, en zeide tot hem: Ga heen, sterk u; en bemerk, en zie, wat gij doen zult; want met de wederkomst des jaars zal de koning van Syrie tegen u optrekken.23Want de knechten van den koning van Syrie hadden tot hem gezegd: Hun goden zijn berggoden, daarom zijn zij sterker geweest dan wij; maar zeker, laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij!24Daarom doe deze zaak: Doe de koningen weg, elkeen uit zijn plaats, en stel landvoogden in hun plaats.25En gij, tel u een heir, als dat heir, dat van de uwen gevallen is, en paarden, als die paarden, en wagenen, als die wagenen; en laat ons tegen hen op het effen veld strijden, zo wij niet sterker zijn dan zij! En hij hoorde naar hun stem, en deed alzo.26Het geschiedde nu met de wederkomst des jaars, dat Benhadad de Syriers monsterde; en hij toog op naar Afek, ten krijge tegen Israel.27De kinderen Israels werden ook gemonsterd, en waren verzorgd van leeftocht, en trokken hun tegemoet; en de kinderen Israels legerden zich tegenover hen, als twee blote geitenkudden, maar de Syriers vervulden het land.28En de man Gods trad toe, en sprak tot den koning van Israel, en zeide: Zo zegt de HEERE: Daarom dat de Syriers gezegd hebben: De HEERE is een God der bergen, en Hij is niet een God der laagten; zo zal Ik al deze grote menigte in uw hand geven, opdat gijlieden weet, dat Ik de HEERE ben.29En dezen waren gelegerd tegenover die, zeven dagen; het geschiedde nu op den zevenden dag, dat de strijd aanging; en de kinderen Israels sloegen van de Syriers honderd duizend voetvolks op een dag.30En de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vlood Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer.

Benhadad heeft geen rekening gehouden met de HEERE. Terwijl hij zich met de tweeëndertig koningen die hem helpen, bedrinkt, wordt het Goddelijke plan uitgevoerd.

We vragen ons misschien af waarom de HEERE deze boze Achab te hulp komt, zonder dat deze zich zelfs tot Hem gewend heeft. Maar is dit niet juist die milde en zachte stem van de genade waarmee God nog probeert iets te bereiken?

Door Achab en zijn volk te bevrijden, wil Hij hen graag tonen dat Hij nog steeds de God van Israël is, hoewel het volk niet naar Hem vraagt. De Syriërs wil Hij laten zien dat Hij geen god van de bergen noch een god van de laagten is, maar de "Heere des hemels en der aarde" (Handelingen 17 vers 24).

Laten we nu nog stilstaan bij twee belangrijke details uit vers 27.

Ten eerste: vóórdat ze ten strijde trekken, worden de kinderen van Israël van voorraad voorzien. Laten we niet denken dat we onze tegenstanders het hoofd kunnen bieden, zonder eerst de 'dagelijkse voorraad' van het Woord van God tot ons genomen te hebben!

Ten tweede: in dit vers staat dat de Israëlieten leken op twee onbeschermde geitenkudden. Dit kleine legertje van Israël moest nog ervaren dat het zonder kracht was en verachtelijk was in de ogen van de vijanden die in groten getale het land overspoelden. Op die manier zal God altijd handelen, zodat de bevrijding enkel en alleen aan Hemzelf wordt toegeschreven en alleen Hij erdoor verheerlijkt wordt. Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Korinthe 12 vers 9).

1 Koningen 20:30-43
30En de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vlood Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer.31Toen zeiden de knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord, dat de koningen van het huis Israels goedertierene koningen zijn; laat ons toch zakken om onze lenden leggen, en koorden om onze hoofden, en uitgaan tot den koning van Israel; mogelijk zal hij uw ziel in het leven behouden.32Toen gordden zij zakken om hun lenden, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot den koning van Israel, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zeide: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder.33De mannen nu namen naarstiglijk waar, en vatten het haastelijk, of het van hem ware, en zeiden: Uw broeder Benhadad leeft. En hij zeide: Komt, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op den wagen klimmen.34En hij zeide tot hem: De steden, die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u straten in Damaskus, gelijk mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan.35Toen zeide een man uit de zonen der profeten tot zijn naaste, door het woord des HEEREN: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan.36En hij zeide tot hem: Daarom dat gij de stem des HEEREN niet gehoorzaam zijt geweest, zie, als gij van mij weggegaan zijt, zo zal u een leeuw slaan. En als hij van bij hem weggegaan was, zo vond hem een leeuw, die hem sloeg.37Daarna vond hij een anderen man, en zeide: Sla mij toch. En die man sloeg hem, slaande en wondende.38Toen ging de profeet heen, en stond voor den koning op den weg; en hij verstelde zich met as boven zijn ogen.39En het geschiedde, als de koning voorbijging, dat hij tot den koning riep, en zeide: Uw knecht was uitgegaan in het midden des strijds; en zie, een man was afgeweken, en bracht tot mij een man, en zeide: Bewaar dezen man, indien hij enigszins gemist wordt, zo zal uw ziel in de plaats zijner ziel zijn, of gij zult een talent zilvers opwegen.40Het geschiedde nu, als uw knecht hier en daar doende was, dat hij er niet was. Toen zeide de koning van Israel tot hem: Zo is uw oordeel; gij hebt zelf het geveld.41Toen haastte hij zich, en deed de as af van zijn ogen; en de koning van Israel kende hem, dat hij een der profeten was.42En hij zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Omdat gij den man, dien Ik verbannen heb, uit de hand hebt laten gaan, zo zal uw ziel in de plaats van zijn ziel zijn, en uw volk in de plaats van zijn volk.43En de koning van Israel toog henen, gemelijk en toornig, naar zijn huis, en kwam te Samaria.

Het is verdrietig dat we bij Achab geen enkel gevoel van dankbaarheid opmerken voor de dubbele overwinning die de HEERE hem heeft geschonken.

Helaas handelen de meeste mensen precies zó! De genade van God laat hen koud. Ze verachten haar en beledigen daardoor God. Ze brengen op die manier hun eigen ongeluk over zich.

Christus heeft voor ons een veel machtiger en gruwelijker vijand dan Benhadad en zijn leger overwonnen. Hebben wij Hem vandaag al voor deze heerlijke bevrijding gedankt?

Achab heeft niet alleen verzuimd zich tot de HEERE te wenden, maar toont bovendien een onverantwoorde mildheid en vriendelijkheid ten aanzien van de vijand van God en Zijn volk. Ja, nog erger: hij noemt hem zelfs zijn broeder!

Dan grijpt God in en stuurt hem een andere profeet. Maar nu heeft de stem van de genade plaats moeten maken voor de stem van het oordeel.

Het kan gebeuren dat wij, evenals Achab, vergeten dat de wereld de vijand van God en Zijn volk is. De mensheid is echter slechts in twee groepen verdeeld: de familie van God en die van de duivel (Johannes 8 vers 41 tot en met 44).

Die twee mogen niet met elkaar vermengd worden! Als wij het voorrecht hebben tot de grote familie te behoren waarvan God de Vader is, dan zijn alle kinderen van God onze broeders en zusters. Maar ... alleen hen mogen we zó noemen en niemand anders!

1 Koningen 21:1-14
1Het geschiedde nu na deze dingen, alzo Naboth, en Jizreeliet, een wijngaard had, die te Jizreel was, bij het paleis van Achab, den koning van Samaria.2Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidhof, dewijl hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo het goed in uw ogen is, zal ik u in geld deszelfs waarde geven.3Maar Naboth zeide tot Achab: Dat late de HEERE verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zou!4Toen kwam Achab in zijn huis, gemelijk en toornig over het woord, dat Naboth, de Jizreeliet, tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal de erve mijner vaderen niet geven. En hij legde zich neder op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om, en at geen brood.5Maar Izebel, zijn huisvrouw, kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest dus gemelijk is, en dat gij geen brood eet?6En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, den Jizreeliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uw wijngaard om geld, of, zo het u behaagt, zal ik u een wijngaard in zijn plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijn wijngaard niet geven.7Toen zeide Izebel, zijn huisvrouw, tot hem: Zoudt gij nu het koninkrijk over Israel regeren? Sta op, eet brood, en uw hart zij vrolijk; ik zal u den wijngaard van Naboth, den Jizreeliet, geven.8Zij dan schreef brieven in den naam van Achab, en verzegelde ze met zijn signet; en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen, die in zijn stad waren, wonende met Naboth.9En zij schreef in die brieven, zeggende: Roept een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats des volks;10En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: Gij hebt God en den koning gezegend; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve.11En de mannen zijner stad, die oudsten en die edelen, die in zijn stad woonden, deden gelijk als Izebel tot hen gezonden had; gelijk als geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had.12Zij riepen een vasten uit; en zij zetten Naboth in de hoogste plaats des volks.13Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en den koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad, en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.14Daarna zonden zij tot Izebel, zeggende: Naboth is gestenigd en is dood.

Het had niet veel gescheeld of Achab was door de koning van Syrië van alles beroofd. In plaats van de HEERE Die alles voor hem bewaard had, dankbaar te zijn, probeert hij nu echter, gedreven door begeerte, zijn buurman Naboth van zijn wijngaard te beroven.

Volgens Leviticus 25 vers 23 kon Naboth, als trouwe Israëliet, zijn erfdeel niet afstaan. Tonen wij dezelfde trouw en houden wij ons geestelijke erfdeel vast dat ons misschien door onze ouders is overgeleverd?

Ja, laten we ervoor oppassen dat we de Bijbelse waarheden die met niets te vergelijken zijn en ons toevertrouwd zijn om te bewaren, niet veronachtzamen (1 Timotheüs 6 vers 20 en 2 Timotheüs 1 vers 14).

Op een laaghartige manier laat deze gemene koning nu zijn vrouw handelen. En onder de dekmantel van het koninklijke gezag wordt de afschuwelijkste ongerechtigheid uitgevoerd!

Naboth heeft echter het voorrecht dat hij een type mag zijn van Iemand Die groter is dan hij. In de gelijkenis waarin de Heere Jezus Zichzelf als de Erfgenaam van de wijngaard voorstelt, horen we de vreselijke woorden: "Komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden" (Mattheüs 21 vers 38).

En bijna aan het slot van hetzelfde Evangelie zien we dat er ook twee valse getuigen voor het Sanhedrin verschenen. Daar werd de Heere Jezus door de oversten van het volk van lastering beschuldigd (Mattheüs 26 vers 61, 65 en 66), vóórdat Hij "buiten de stad" leed en stierf (vers 13 van het hoofdstuk van vandaag en Hebreeën 13 vers 12).

1 Koningen 21:15-29
15Het geschiedde nu, toen Izebel hoorde, dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tot Achab zeide: Sta op, bezit den wijngaard van Naboth, den Jizreeliet, erfelijk, dien hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood.16En het geschiedde, als Achab hoorde, dat Naboth dood was, dat Achab opstond, om naar den wijngaard van Naboth, den Jizreeliet, af te gaan, om dien erfelijk te bezitten.17Doch het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, den Thisbiet, zeggende:18Maak u op, ga henen af, Achab, den koning van Israel, tegemoet, die in Samaria is; zie hij is in den wijngaard van Naboth, waarhenen hij afgegaan is, om dien erfelijk te bezitten.19En gij zult tot hem spreken, zeggende: Alzo zegt de HEERE: Hebt gij doodgeslagen, en ook een erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult gij tot hem spreken, zeggende: Alzo zegt de HEERE: In plaats dat de honden het bloed van Naboth gelekt hebben, zullen de honden uw bloed lekken, ja het uwe!20En Achab zeide tot Elia: Hebt gij mij gevonden, o, mijn vijand? En hij zeide: Ik heb u gevonden, overmits gij uzelven verkocht hebt, om te doen dat kwaad is in de ogen des HEEREN.21Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, mitsgaders den beslotene en verlatene in Israel.22En Ik zal uw huis maken gelijk het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat, en gelijk het huis van Baesa, den zoon van Ahia; om de terging, waarmede gij Mij getergd hebt, en dat gij Israel hebt doen zondigen.23Verder ook over Izebel sprak de HEERE, zeggende: De honden zullen Izebel eten, aan den voorwal van Jizreel.24Die van Achab sterft in de stad, zullen de honden eten; en die in het veld sterft, zullen de vogelen des hemels eten.25Doch er was niemand geweest gelijk Achab, die zichzelven verkocht had, om te doen dat kwaad is in de ogen des HEEREN, dewijl Izebel, zijn huisvrouw, hem ophitste.26En hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de drekgoden; naar alles, wat de Amorieten gedaan hadden, die God voor het aangezicht van de kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.27Het geschiedde nu, als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijn klederen scheurde, en een zak om zijn vlees legde, en vastte; hij lag ook neder in den zak, en ging langzaam.28En het woord des HEEREN geschiedde tot Elia, den Thisbiet, zeggende:29Hebt gij gezien, dat Achab zich vernedert voor Mijn aangezicht? Daarom dewijl hij zich vernedert voor Mijn aangezicht, zo zal Ik dat kwaad in zijn dagen niet brengen; in de dagen zijns zoons zal Ik dat kwaad over zijn huis brengen.

Achab is een beeld van de mens die altijd alles wil hebben wat hij niet heeft. Het enige waarvoor de koning die in overvloed leefde, interesse had, was de wijngaard van zijn buurman!

Het hart van de mens is van nature nooit tevreden. "De godzaligheid met tevredenheid is een groot gewin", zo brengt Paulus het Timotheüs in herinnering (1 Timotheüs 6 vers 6).

Door leugen en moord is Achab in het bezit gekomen van wat hij begeerde. Nu zien we hoe hij vrolijk en opgewekt op stap gaat om zijn nieuwe bezit te bewonderen.

Maar plotseling is het gedaan met al zijn blijdschap! Iemand die hij maar al te goed kent, staat hem bij de wijngaard van Naboth op te wachten. Het is Elia!

De HEERE heeft Elía de opdracht gegeven om de koning de vreselijke straf die hem te wachten staat, aan te kondigen. Een straf die ons doet denken aan het verschrikkelijke einde van hem die "onschuldig bloed" heeft overgeleverd: de ongelukkige Judas (Handelingen 1 vers 18).

Nu is er bij Achab voor het eerst iets te merken van verootmoediging. Uit het voorbeeld van zijn voorgangers weet hij dat het Woord van de HEERE altijd vervuld wordt.

Gaat het bij hem nu om "een onberouwelijke bekering tot zaligheid" (2 Korinthe 7 vers 10)? Jammer genoeg niet, zoals we uit het vervolg van zijn geschiedenis zullen zien. Een echte bekering is altijd te herkennen aan de vruchten. Maar God Die op het geringste teken van omkering let, houdt rekening met de houding van Achab en stelt zijn straf uit (Ezechiël 33 vers 11).

1 Koningen 22:1-18
1En zij zaten drie jaren stil, dat er geen krijg was tussen Syrie en tussen Israel.2Maar het geschiedde in het derde jaar, als Josafat, de koning van Juda, tot den koning van Israel afgekomen was,3Dat de koning van Israel tot zijn knechten zeide: Weet gij, dat Ramoth in Gilead onze is? En wij zijn stil, zonder dat te nemen uit de hand van den koning van Syrie.4Daarna zeide hij tot Josafat: Zult gij met mij trekken in den strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zeide tot den koning van Israel: Zo zal ik zijn gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.5Verder zeide Josafat tot den koning van Israel: Vraag toch als heden naar het woord des HEEREN.6Toen vergaderde de koning van Israel de profeten, omtrent vierhonderd man, en hij zeide tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want de HEERE zal ze in de hand des konings geven.7Maar Josafat zeide: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij het van hem vragen mochten?8Toen zeide de koning van Israel tot Josafat: Er is nog een man, om door hem den HEERE te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: De koning zegge niet alzo!9Toen riep de koning van Israel een kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla.10De koning van Israel nu, en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.11En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren horens gemaakt; en hij zeide: Zo zegt de HEERE: Met deze zult gij de Syriers stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.12En al de profeten profeteerden alzo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn; want de HEERE zal hen in de hand des konings geven.13De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden der profeten zijn uit een mond goed tot den koning; dat toch uw woord zij, gelijk als het woord van een uit hen, en spreek het goede.14Doch Micha zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, hetgeen de HEERE tot mij zeggen zal, dat zal ik spreken.15Als hij tot den koning gekomen was, zo zeide de koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zullen wij het nalaten? En hij zeide tot hem: Trek op, en gij zult voorspoedig zijn, want de HEERE zal ze in de hand des konings geven.16En de koning zeide tot hem: Tot hoe vele reizen zal ik u bezweren, opdat gij tot mij niet spreekt, dan alleen de waarheid, in den Naam des HEEREN?17En hij zeide: Ik zag het ganse Israel verstrooid op de bergen, gelijk schapen, die geen herder hebben; en de HEERE zeide: Dezen hebben geen heer; een iegelijk kere weder naar zijn huis in vrede.18Toen zeide de koning van Israel tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goed, maar kwaads profeteren?

Benhadad heeft geen woord gehouden (hoofdstuk 20 vers 34) en Ramoth in Gilead niet teruggegeven. Achab wil deze stad weer innemen en maakt Jósafat, de koning van Juda, die bij hem op visite is, deelgenoot van zijn plannen.

Wat moeten we van dit bezoek denken? Het is toch fijn als je ziet dat er vriendschap ontstaat tussen de koningen van deze beide Israëlische rijken die al zo lange tijd met elkaar op voet van oorlog leven? Mogen we dit niet zien als een eerste stap tot vereniging? Een zaak die tegenwoordig ook in de christenheid aan de orde van de dag is.

In werkelijkheid is Jósafat echter ontrouw aan God. Hij was koning in Jeruzalem waar de tempel van de HEERE stond. Achab was daarentegen een afgodendienaar.

De apostel vraagt: "Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden?" (2 Korinthe 6 vers 16).

Hoe is het mogelijk dat de koning van Juda zich zó ver verlaagd dat hij zegt: "Zo zal ik zijn gelijk gij zijt" (vers 4)?

Kijk toch eens hoe de arme Jósafat zich in de nesten heeft gewerkt! Omdat hij zich onbehaaglijk voelt, maakt hij tegenover Achab een paar schuchtere opmerkingen, maar hij heeft geen kracht meer om zich tegen diens plan te verzetten. Om het voorstel van Achab af te wijzen, was meer moed nodig dan om op te trekken tegen de Syriërs.

Ieder van ons weet waarschijnlijk uit eigen ervaring dat het ontzettend veel moeite kost om zulke aanbiedingen van de hand te wijzen, en dat de meeste moed nodig is om gewoon te weigeren je met het kwaad te verbinden (Psalm 1 vers 1).

1 Koningen 22:19-40
19Verder zeide hij: Daarom hoort het woord des HEEREN: Ik zag den HEERE, zittende op Zijn troon, en al het hemelse heir staande nevens Hem, aan Zijn rechter hand en aan Zijn linkerhand.20En de HEERE zeide: Wie zal Achab overreden, dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? De een nu zeide aldus, en de andere zeide alzo.21Toen ging een geest uit, en stond voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: Ik zal hem overreden. En de HEERE zeide tot hem: Waarmede?22En hij zeide: Ik zal uitgaan, en een leugengeest zijn in den mond van al zijn profeten. En Hij zeide: Gij zult overreden, en zult het ook vermogen; ga uit en doe alzo.23Nu dan, zie, de HEERE heeft een leugengeest in den mond van al deze uw profeten gegeven; en de HEERE heeft kwaad over u gesproken.24Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken; en hij zeide: Door wat weg is de geest des HEEREN van mij doorgegaan, om u aan te spreken?25En Micha zeide: Zie, gij zult het zien, op dienzelfden dag, als gij zult gaan van kamer in kamer, om u te versteken.26De koning van Israel nu zeide: Neem Micha, en breng hem weder tot Amon, den overste der stad, en tot Joas, den zoon des konings;27En gij zult zeggen: Zo zegt de koning: Zet dezen in het gevangenhuis, en spijst hem met brood der bedruktheid, en met water der bedruktheid, totdat ik met vrede weder kom.28En Micha zeide: Indien gij enigszins met vrede wederkomt, zo heeft de HEERE door mij niet gesproken! Verder zeide hij: Hoort, gij volken altegaar!29Alzo toog de koning van Israel en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.30En de koning van Israel zeide tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van Israel, en kwam in den strijd.31De koning nu van Syrie had geboden aan de oversten der wagenen, van welke hij twee en dertig had, zeggende: Gij zult noch kleinen noch groten bestrijden, maar den koning van Israel alleen.32Het geschiedde dan, als de oversten der wagenen Josafat zagen, dat zij zeiden: Gewisselijk, die is de koning van Israel, en zij keerden zich naar hem, om te strijden; maar Josafat riep uit.33En het geschiedde, als de oversten der wagenen zagen, dat hij de koning van Israel niet was, dat zij zich van achter hem afkeerden.34Toen spande een man den boog in zijn eenvoudigheid, en schoot den koning van Israel tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zeide hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond.35En de strijd nam op denzelven dag toe, en de koning werd met den wagen staande gehouden tegenover de Syriers; maar hij stierf des avonds, en het bloed der wonde vloeide in den bak des wagens.36En er ging een uitroeping door het heirleger, als de zon onderging, zeggende: Een ieder kere naar zijn stad, en een ieder naar zijn land!37Alzo stierf de koning, en werd naar Samaria gebracht; en zij begroeven den koning te Samaria.38Als men nu den wagen in den vijver van Samaria spoelde, lekten de honden zijn bloed, waar de hoeren wiesen, naar het woord des HEEREN,, dat Hij gesproken had.39Het overige nu der geschiedenissen van Achab, en al wat hij gedaan heeft, en het elpenbenen huis, dat hij gebouwd heeft, en al de steden, die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?40Alzo ontsliep Achab met zijn vaderen; en zijn zoon Ahazia werd koning in zijn plaats.

De vierhonderd profeten hebben de koning eenstemmig aangekondigd wat hij graag wilde horen. Daaraan was voor hen immers geen enkel risico verbonden! Als Achab de oorlog zou winnen, ging hun voorzegging in vervulling. En zou hij niet meer terugkomen, dan zou hij hen ook geen enkel verwijt meer kunnen maken.

Behalve deze leugenprofeten is er slechts één enkele profeet van de HEERE, de trouwe Micha, die moedig de waarheid zegt en daarvoor moet lijden.

Zowel de geschiedenis van Elia op de Karmel (hoofdstuk 18) als het voorbeeld van Micha in dit hoofdstuk zijn een waarschuwing voor ons, omdat ook wij het gevaar lopen iets te beoordelen naar de mening van de meerderheid.

De mensen van vandaag handelen precies zoals Achab in zijn tijd: ze zoeken voor zichzelf leraars uit die zeggen wat hen bevalt (2 Timotheüs 4 vers 3). Ze willen liever niets horen over het oordeel en vinden tot hun eigen geruststelling predikers die hen verzekeren dat het uiteindelijk allemaal wel mee zal vallen en dat alles goed zal komen. Maar vroeg of laat zal God deze leugenaars te schande maken. Zijn Woord is de waarheid (Johannes 17 vers 17).

Door gebrek aan moed om 'nee' te zeggen, heeft Jósafat bijna zijn leven verloren. Hij is Achab gevolgd, omdat hij bang was hem tegen zich in het harnas te jagen. En deze Achab, zo laf als hij is, heeft geprobeerd de aandacht van de vijand van zichzelf af te wenden en op Jósafat te richten. Maar hij kon met zijn list de HEERE niet bedriegen, want God had Zijn oog op de éne koning gericht om hem te redden, en op de andere om aan hem Zijn onfeilbaar oordeel te voltrekken (zie Psalm 7 vers 13 en 14).

1 Koningen 22:41-53
41Josafat nu, de zoon van Asa, werd koning over Juda, in het vierde jaar van Achab, den koning van Israel.42Josafat was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azuba, de dochter van Silchi.43En hij wandelde in al den weg van zijn vader Asa; hij week niet daarvan, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.44Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.45En Josafat maakte vrede met den koning van Israel.46Het overige nu der geschiedenissen van Josafat, en zijn macht, die hij bewezen heeft, en hoe hij geoorloogd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?47Ook deed hij uit het land weg de overige schandjongens, die in de dagen van zijn vader Asa overgebleven waren.48Toen was er geen koning in Edom, maar een stadhouder des konings.49En Josafat maakte schepen van Tharsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-Geber.50Toen zeide Ahazia, de zoon van Achab, tot Josafat: Laat mijn knechten met uw knechten op de schepen varen; maar Josafat wilde niet.51En Josafat ontsliep met zijn vaderen, en werd bij zijn vaderen begraven in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.52Ahazia, de zoon van Achab, werd koning over Israel te Samaria, in het zeventiende jaar van Josafat, den koning van Juda, en regeerde twee jaren over Israel.53En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde in den weg van zijn vader, en in den weg van zijn moeder, en in den weg van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed. [ (I Kings 22:54) En hij diende Baal, en boog zich voor hem, en vertoornde den HEERE, den God Israels, naar alles, wat zijn vader gedaan had. ]

Er worden in het tweede Boek Kronieken nog meer details over de regeringsperiode van Jósafat beschreven. We zullen ons hier beperken tot één feit dat voor ons heel leerzaam is.

Jósafat heeft schepen gebouwd, want hij wil zijn knechten naar Ofir laten varen om goud te halen. Gods hand houdt hem echter tegen: zijn schepen worden vernietigd. Doet Jósafat nu hardnekkige pogingen om toch te gaan? Nee, integendeel! Hij onderwerpt zich.

Tevergeefs biedt de koning van Israël hem zijn hulp aan in de vorm van schepen. Deze keer blijft Jósafat echter standvastig en wijst het aanbod van de hand!

Hebben wij ook al eens meegemaakt dat we plannen gemaakt hadden die door onverwachte omstandigheden plotseling doorkruist werden? Job heeft dat wel ervaren en moest het uitroepen: "Uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten" (Job 17 vers 11).

God maakt gebruik van verschillende middelen om plannen te laten mislukken: slecht weer, ziekte, geldgebrek, zakken voor een examen, enzovoort! Voor ons is dat vaak moeilijk te verteren! In plaats van ons te ergeren, op ons standpunt te blijven staan en toch alles wat we van plan waren door te zetten, is het beter onszelf eerst eens af te vragen of onze plannen de goedkeuring van de Heere wel kunnen wegdragen. Een verbroken geest heeft in Zijn ogen meer waarde dan schepen die Hij moest vernietigen.

Het laatste Schriftgedeelte brengt ons terug naar het hof van de koning van Israël. We zien dat de nieuwe koning Aházia Baäl dient en zich voor hem neerbuigt. Met deze verdrietige mededeling besluit het eerste Boek Koningen.

2 Koningen 1:1-10
1En Moab viel van Israel af, na Achabs dood.2En Ahazia viel door een tralie in zijn opperzaal, die te Samaria was, en werd krank. En hij zond boden, en zeide tot hen: Gaat heen, vraagt Baal-Zebub, den god van Ekron, of ik van deze krankheid genezen zal.3Maar de Engel des HEEREN sprak tot Elia, den Thisbiet: Maak u op, ga op, den boden des konings van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het, omdat er geen God in Israel is, dat gijlieden heengaat, om Baal-Zebub, den god van Ekron, te vragen?4Daarom nu zegt de HEERE alzo: Gij zult niet afkomen van dat bed, waarop gij geklommen zijt, maar gij zult den dood sterven. En Elia ging weg.5Zo kwamen de boden weder tot hem; en hij zeide tot hen: Wat is dit, dat gij wederkomt?6En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zeide tot ons: Gaat heen, keert weder tot den koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt de HEERE: Is het, omdat er geen God in Israel is, dat gij zendt, om Baal-Zebub, den god van Ekron, te vragen? Daarom zult gij van dat bed, waarop gij geklommen zijt, niet afkomen, maar gij zult den dood sterven.7En hij sprak tot hen: Hoedanig was de gestalte des mans, die u tegemoet opgekomen is, en deze woorden tot u gesproken heeft?8En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met een lederen gordel gegord om zijn lenden. Toen zeide hij: Het is Elia, de Thisbiet.9En hij zond tot hem een hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. En als hij tot hem opkwam (want ziet, hij zat op de hoogte eens bergs), zo sprak hij tot hem: Gij man Gods! de koning zegt: Kom af.10Maar Elia antwoordde en sprak tot den hoofdman van vijftigen: Indien ik dan een man Gods ben, zo dale vuur van den hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur van den hemel, en verteerde hem en zijn vijftigen.

Direct aan het begin van dit Boek zien we dat de ongelukkige Aházia nog een stap verder gaat in de afgodendienst dan zijn vader. Als hij ziek wordt, stuurt hij namelijk boden naar Baäl—Zebub om raad te vragen. Baäl—Zebub betekent 'heer van de vliegen of van de mest'.

Dit is des te erger, omdat achter de duistere macht van deze afgod satan zelf schuil gaat die zich laat aanbidden; hij die door de joden Beëlzebul, de overste van de boze geesten, werd genoemd (Mattheüs 12 vers 24)!

Door de HEERE is nu het lot van Aházia beslist en Elía krijgt de opdracht hem dat aan te kondigen, evenals dat eerder bij zijn vader gebeurde.

Terwijl er toen bij Achab sprake was van een zekere verootmoediging, denkt zijn zoon Aházia er slechts over na op welke wijze hij de profeet, met of zonder geweld, te pakken kan krijgen.

Dat doet ons denken aan de misdadige praktijken van een andere koning, de boze Herodes, tegen Johannes de Doper. Johannes wordt in de Schrift vaak vergeleken met Elía, bijvoorbeeld ook wat hun kleding betreft, zoals de vergelijking van vers 8 met Markus 1 vers 6 ons laat zien.

Op deze openlijke tegenstand tegen de HEERE volgt onmiddellijk een ernstige straf.

Hiermee overtreft deze Aházia zelfs zijn goddeloze vader Achab in het kwaad. Hij had dan ook een heel slecht voorbeeld gehad in z'n ouders, Achab en Izébel! Wat zullen we dan nog zeggen van de jeugd die opgevoed is door godvrezende ouders, en ondanks dat voorrecht toch de afgoden van de wereld is nagelopen?

2 Koningen 1:11-18
11En hij zond wederom tot hem een anderen hoofdman van vijftig met zijn vijftigen. Deze antwoordde en sprak tot hem: Gij, man Gods! zo zegt de koning: Kom haastelijk af.12En Elia antwoordde en sprak tot hem: Ben ik een man Gods, zo dale vuur van den hemel, en vertere u en uw vijftigen. Toen daalde vuur Gods van den hemel en verteerde hem en zijn vijftigen.13En wederom zond hij een hoofdman van de derde vijftigen met zijn vijftigen. Zo ging de derde hoofdman van vijftigen op, en kwam en boog zich op zijn knieen, voor Elia, en smeekte hem, en sprak tot hem: Gij, man Gods, laat toch mijn ziel en de ziel van uw knechten, van deze vijftigen, dierbaar zijn in uw ogen!14Zie, het vuur is van den hemel gedaald, en heeft die twee eerste hoofdmannen van vijftigen met hun vijftigen verteerd; maar nu, laat mijn ziel dierbaar zijn in uw ogen!15Toen sprak de Engel des HEEREN tot Elia: Ga af met hem; vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op, en ging met hem af tot den koning.16En hij sprak tot hem: Zo zegt de HEERE: Daarom, dat gij boden gezonden hebt, om Baal-Zebub, den god van Ekron, te vragen (is het, omdat er geen God in Israel is, om Zijn woord te vragen?); daarom, van dat bed, waarop gij geklommen zijt, zult gij niet afkomen, maar gij zult den dood sterven.17Alzo stierf hij, naar het woord des HEEREN, dat Elia gesproken had; en Joram werd koning in zijn plaats, in het tweede jaar van Joram, den zoon van Josafat, den koning van Juda; want hij had geen zoon.18Het overige nu der zaken van Ahazia, die hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?

In zijn hardnekkigheid heeft Aházia voor de tweede maal een hoofdman over vijftig gestuurd om Elía op te halen. De aanmatiging van deze man gaat nog verder dan die van z'n voorganger: "Kom haastig af!" Hierop volgt hetzelfde antwoord als bij de eerste hoofdman.

Op de berg Karmel was het vuur niet gevallen op de daar aanwezige mensen, maar op het brandoffer. Dat is een beeld van het Goddelijke oordeel dat over Christus is heengegaan om het hart van Zijn volk tot God terug te brengen. Maar nu, op deze andere berg, moet het vuur van het oordeel op de opstandige mensen neerdalen.

De Heere Jezus heeft als het heilige Offer destijds alleen, en tot nog toe als de Enige, de gloed van de Goddelijke toorn leren kennen. Maar later zullen allen die niet geloofd hebben, zelf deze vreselijke toorn voor eeuwig moeten ondergaan (Romeinen 1 vers 18).

De dag van het oordeel is nog niet gekomen. Daarom moest de Heere Zijn discipelen Jakobus en Johannes scherp bestraffen, toen zij met verwijzing naar Elia het voorstel deden om vuur uit de hemel te laten neerdalen op het dorp van de Samaritanen (zie Lukas 9 vers 52 tot en met 55).

De hoofdman van de derde groep is misschien één van die zevenduizend van wie de HEERE in 1 Koningen 19 vers 18 tot de profeet gesproken had. Deze man spreekt in ieder geval met hoogachting, in nederigheid en met liefde voor zijn soldaten. Met hem gaat Elía wèl mee naar de koning. Daar herhaalt hij woord voor woord zijn boodschap.

Deze voorzegging ging door de dood van Aházia al heel gauw in vervulling.

2 Koningen 2:1-14
1Het geschiedde nu, als de HEERE Elia met een onweder ten hemel opnemen zou, dat Elia met Elisa ging van Gilgal.2En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Beth-El gezonden. Maar Elisa zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft ik zal u niet verlaten! Alzo gingen zij af naar Beth-El.3Toen gingen de zonen der profeten, die te Beth-El waren, tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil.4En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzo kwamen zij te Jericho.5Toen traden de zonen der profeten, die te Jericho waren, naar Elisa toe, en zeiden tot hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het ook wel, zwijgt gij stil.6En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! En zij beiden gingen henen.7En vijftig mannen van de zonen der profeten gingen henen, en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan de Jordaan.8Toen nam Elia zijn mantel, en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld; en zij beiden gingen er door op het droge.9Het geschiedde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zeide tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen worde. En Elisa zeide: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn!10En hij zeide: Gij hebt een harde zaak begeerd; indien gij mij zult zien, als ik van bij u weggenomen worde, het zal u alzo geschieden; doch zo niet, het zal niet geschieden.11En het gebeurde, als zij voortgingen, gaande en sprekende, ziet, zo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tussen hen beiden scheiding maakten. Alzo voer Elia met een onweder ten hemel.12En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijn klederen en scheurde ze in twee stukken.13Hij hief ook Elia's mantel op, die van hem afgevallen was, en keerde weder, en stond aan den oever van de Jordaan.14En hij nam den mantel van Elia, die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de HEERE, de God van Elia? Ja, Dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld, en Elisa ging er door.

Terwijl de opname van Henoch slechts met twee verzen in de Bijbel wordt vermeld (Genesis 5 vers 24 en Hebreeën 11 vers 5), staat God het Elísa toe de wegneming van Elia tot in detail te zien.

Is dit geen heerlijke gebeurtenis die ons aan twee andere gebeurtenissen doet denken, één uit het verleden en één die nog in de toekomst ligt?

Met de gebeurtenis uit het verleden doelen we op de hemelvaart van de Heere Jezus en met die welke in de toekomst ligt, op de opname van de gelovigen van de aarde.

Evenals Elía is de Heere Jezus de weg van Zijn volk Israël gegaan waarvan we hier in beeld de verschillende etappes zien: Gilgal, Beth—El, Jericho en tenslotte de Jordaan.

Zoals Elísa weigerde achter te blijven en Elía alleen te laten gaan, zó hingen de discipelen ook aan de Heere Jezus. "Heere, tot Wie zullen wij heengaan?", zei Petrus tegen Hem (Johannes 6 vers 68; zie ook Johannes 11 vers 16).

En zij waren ook getuige van Zijn hemelvaart (zie Handelingen 1 vers 9). Toen daalde de Heilige Geest met Zijn kracht op hen neer zoals hen beloofd was. Dat doet ons denken aan de geest van Elía die kwam rusten op Elísa, nadat zijn meester was opgevaren.

Maar dit hoofdstuk richt ons oog ook op die toekomstige gebeurtenis: de opname van alle verlosten "in de wolken, de Heere tegemoet, in de lucht" (1 Thessalonika 4 vers 17).

Evenals Elía zijn ook wij onderweg en weten we wat ons te wachten staat. Is dat een hoop die onze harten verheugt?

2 Koningen 2:15-25
15Als nu de kinderen der profeten, die tegenover te Jericho waren, hem zagen, zo zeiden zij: De geest van Elia rust op Elisa; en zij kwamen hem tegemoet, en bogen zich voor hem neder ter aarde.16En zij zeiden tot hem: Zie nu, er zijn bij uw knechten vijftig dappere mannen; laat hen toch heengaan, en uw heer zoeken, of niet misschien de Geest des HEEREN hem opgenomen, en op een der bergen, of in een der dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet.17Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zeide: Zendt. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden.18Toen kwamen zij weder tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet?19En de mannen der stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de woning dezer stad is goed, gelijk als mijn heer ziet; maar het water is kwaad, en het land onvruchtbaar.20En hij zeide: Brengt mij een nieuwe schaal, en legt er zout in. En zij brachten ze tot hem.21Toen ging hij uit tot de waterwel, en wierp het zout daarin, en zeide: Zo zegt de HEERE: Ik heb dit water gezond gemaakt, er zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden.22Alzo werd dat water gezond, tot op dezen dag, naar het woord van Elisa, dat hij gesproken had.23En hij ging van daar op naar Beth-El. Als hij nu den weg opging, zo kwamen kleine jongens uit de stad; die bespotten hem, en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!24En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte hen, in den Naam des HEEREN. Toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van dezelve twee en veertig kinderen.25En hij ging van daar naar den berg Karmel; en van daar keerde hij weder naar Samaria.

De zonen van de profeten waren in werkelijkheid de volgelingen van de profeten, die bij hen woonden om in het Woord onderwezen en door de HEERE in Zijn dienst gebruikt te worden. Zij die uit Jericho kwamen, konden niet geloven dat die wonderbare opname van Elía had plaatsgevonden. Ook Thomas kon later niet geloven dat de Heere Jezus werkelijk uit de dood was opgestaan.

Elísa in Jericho is een beeld van Christus Die in genade in de door dood en onvruchtbaarheid gekenmerkte wereld is gekomen. Hij heeft haar door de reinigende kracht van genade (het zout) het leven gebracht dat in de nieuwe mens (de nieuwe schaal) aanwezig is en geopenbaard wordt. Daarom wordt van iedere gelovige verwacht dat hij in diezelfde wereld "een vat zij ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid" (2 Timotheüs 2 vers 21).

De vreselijke gebeurtenis die dan volgt, herinnert ons aan de oordelen die het deel zullen zijn van de spotters (Spreuken 19 vers 29). De jongens uit Beth—El bespotten de HEERE Zelf. "Kaalkop, ga op!" Daarmee daagden ze Elísa op spottende wijze uit, want volgens hen zou hij niet als Elía weggenomen kunnen worden. Petrus heeft gezegd dat er in de laatste dagen spotters zullen komen die naar hun eigen begeerten zullen wandelen en zeggen: "Waar is de belofte van Zijn toekomst?" (2 Petrus 3 vers 3 en 4). Plotseling verschijnen er twee beren! In de Bijbel wordt de beer vaak samen met de leeuw (beeld van de satan) genoemd. Dit is heel ernstig! God kan het toelaten dat kinderen die het Woord verachten, ten prooi vallen aan de wereld met haar vorst. Een lot dat vele malen erger is dan de dood, want het heil van hun ziel staat daarbij op het spel!

2 Koningen 3:1-15
1Joram nu, de zoon van Achab, werd koning over Israel te Samaria, in het achttiende jaar van Josafat, den koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaren.2En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, doch niet gelijk zijn vader en gelijk zijn moeder; want hij deed dag opgerichte beeld van Baal weg, hetwelk zijn vader gemaakt had.3Evenwel hing hij de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, aan, die Israel deed zondigen; hij week daarvan niet af.4Mesa nu, de koning der Moabieten, was een veehandelaar, en bracht op aan den koning van Israel honderd duizend lammeren, en honderd duizend rammen met de wol.5Maar het geschiedde, als Achab gestorven was, dat de koning der Moabieten van den koning van Israel afviel.6Zo toog de koning Joram ter zelfder tijd uit Samaria, en monsterde gans Israel.7En hij ging heen, en zond tot Josafat, den koning van Juda, zeggende: De koning der Moabieten is van mij afgevallen, zult gij met mij trekken in den oorlog tegen de Moabieten? En hij zeide: Ik zal opkomen; zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.8En hij zeide: Door welken weg zullen wij optrekken? Hij dan zeide: Door den weg der woestijn van Edom.9Alzo toog de koning van Israel heen, en de koning van Juda, en de koning van Edom; en als zij zeven dagreizen omgetogen waren, zo had het leger en het vee, dat hen navolgde, geen water.10Toen zeide de koning van Israel: Ach, dat de HEERE deze drie koningen geroepen heeft, om die in der Moabieten hand te geven!11En Josafat zeide: Is hier geen profeet des HEEREN, dat wij door hem den HEERE mochten vragen? Toen antwoordde een van de knechten des konings van Israel, en zeide: Hier is Elisa, de zoon van Safat, die water op Elia's handen goot.12En Josafat zeide: Des HEEREN woord is bij hem. Zo togen tot hem af de koning van Israel, en Josafat, en de koning van Edom.13Maar Elisa zeide tot den koning van Israel: Wat heb ik met u te doen? Ga heen tot de profeten uws vaders, en tot de profeten uwer moeder. Doch de koning van Israel zeide tot hem: Neen, want de HEERE heeft deze drie koningen geroepen, om die in der Moabieten hand te geven.14En Elisa zeide: Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, zo ik niet het aangezicht van Josafat, den koning van Juda, opnam, ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien!15Nu dan, brengt mij een speelman. En het geschiedde, als de speelman op de snaren speelde, dat de hand des HEEREN op hem kwam.

Nu wordt Joram, de broer van Aházia, koning van Israël. Hoewel hij eveneens doet wat kwaad is in de ogen van de HEERE, vinden we bij hem toch een verbetering ten opzichte van zijn vader en moeder. Hij maakt namelijk openlijk een einde aan de afgodendienst van Baäl.

In het eerste vers van dit Bijbelboek wordt de opstand van Moab al genoemd. Die opstand is voor Joram de aanleiding om tegen dit volk ten strijde te trekken. Daarbij maakt hij gebruik van de hulp van zijn naaste bondgenoten: de koning van Juda en de koning van Edom.

Helaas heeft Jósafat de ernstige les van Ramoth in Gilead niet ter harte genomen. Hij antwoordt met dezelfde woorden op het voorstel van Joram als destijds op het verzoek van Achab (vergelijk vers 7 met 1 Koningen 22 vers 4).

De veldtocht staat op het punt te mislukken door gebrek aan water. Volgens Joram is de HEERE daarvoor verantwoordelijk, maar hij draagt toch zeker zelf de schuld van deze hele onderneming!

Zo reageren veel mensen. In plaats van berouw te hebben, klagen ze God aan voor het ongeluk dat hen is overkomen.

Uiteindelijk komt Jósafat toch tot bezinning en wil hij de woorden van de HEERE horen.

Bij dit verdrietige bondgenootschap van deze drie koningen voelt Elísa zich echter helemaal niet op z'n gemak. Moeten we ook hier niet spreken over een ongelijk juk met ongelovigen waarvoor de christen gewaarschuwd wordt (zie 2 Korinthe 6 vers 14)?

2 Koningen 3:16-27
16En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Maakt in dit dal vele grachten.17Want zo zegt de HEERE: Gijlieden zult geen wind zien, en gij zult geen regen zien; nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zodat gij zult drinken, gij en uw vee, en uw beesten.18Daartoe is dat slecht in de ogen des HEEREN, Hij zal ook de Moabieten in ulieder hand geven.19En gij zult alle vaste steden, en alle uitgelezene steden slaan, en zult alle goede bomen vellen, en zult alle waterfonteinen stoppen; en alle goede stukken lands zult gij met stenen verderven.20En het geschiedde des morgens, als men het spijsoffer offert, dat er, ziet, water door den weg van Edom kwam, en het land met water vervuld werd.21Toen nu al de Moabieten hoorden, dat koningen opgetogen waren, om tegen hen te strijden, zo werden zij samen geroepen, van al degenen af, die den gordel aangordden en daarboven, en zij stonden aan de landpale.22En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, en de zon over dat water oprees, zagen de Moabieten dat water tegenover rood, gelijk bloed.23En zij zeiden: Dit is bloed; de koningen hebben voorzeker zich met het zwaard verdorven, en hebben de een de ander verslagen; nu dan aan den buit, gij Moabieten!24Maar als zij aan het leger van Israel kwamen, maakten zich de Israelieten op, en sloegen de Moabieten; en zij vloden van hun aangezicht; ja, zij kwamen in het land, slaande ook de Moabieten.25De steden nu braken zij af, en een iegelijk wierp zijn steen op alle goede stukken lands, en zij vulden ze, en stopten alle waterfonteinen, en velden alle goede bomen, totdat zij in Kir-hareseth alleen de stenen daarvan lieten overblijven; en de slingeraars omsingelden en sloegen hen.26Doch als de koning der Moabieten zag, dat hem de strijd te sterk was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen, die het zwaard uittogen, om door te breken tegen den koning van Edom; maar zij konden niet.27Toen nam hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou worden, en offerde hem ten brandoffer op den muur. Daaruit werd een zeer grote toorn in Israel; daarom trokken zij van hem af, en keerden weder in hun land.

De HEERE laat de enige oplossing voor een uitredding door Elísa bekendmaken. En zoals altijd is iedere bevrijding pas mogelijk door het geloof.

Vóórdat men tot daden kan overgaan, moeten er eerst grachten gegraven worden. Hoe meer er gegraven worden, des te meer water zal er zijn.

Het is heel opmerkelijk dat het water "des morgens, als men het spijsoffer offert", begint te stromen (vers 20). Werd dat offer niet gebracht in Jeruzalem, dus ver daar vandaan? Toch begint het water pas in verbinding met dit offer te stromen.

Voor ons betekent dit dat M onze zegeningen voortvloeien uit het werk van de Heere Jezus op het kruis.

Het water dat voor het leger van Israël redding uit de nood betekent, heeft tegelijkertijd de vernietiging van de Moabieten tot gevolg.

Zo betekent de dood van de Heere Jezus het heil voor de gelovigen en tegelijkertijd de veroordeling van de wereld, van hen die niet geloven (Johannes 16 vers 8).

Bedrogen door de schijn worden de Moabieten verslagen en wordt hun land verwoest. De daad van de Moabietische koning, het vreselijke offer van z'n oudste zoon, roept echter grote verontwaardiging op in het kamp van de overwinnaars.

Uiteindelijk scheiden de drie legers zich, zonder dat deze onverkwikkelijke veldtocht ook maar voor één van hen echt voordeel heeft opgeleverd.

Dat zal altijd het resultaat zijn als we iets buiten God om ondernemen!

2 Koningen 4:1-17
1Een vrouw nu uit de vrouwen van de zonen der profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet, dat uw knecht den HEERE was vrezende; nu is de schuldheer gekomen, om mijn beide kinderen voor zich tot knechten te nemen.2En Elisa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen, wat gij in het huis hebt. En zij zeide: Uw dienstmaagd heeft niet met al in het huis, dan een kruik met olie.3Toen zeide hij: Ga, eis voor u vaten van buiten, van al uw naburen ledige vaten; maak er niet weinig te hebben.4Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uw zonen toe; daarna giet in al die vaten, en zet weg, dat vol is.5Zo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor haar zonen toe; die brachten haar de vaten toe, en zij goot in.6En het geschiedde, als die vaten vol waren, dat zij tot haar zoon zeide: Breng mij nog een vat aan; maar hij zeide tot haar: Er is geen vat meer. En de olie stond stil.7Toen kwam zij, en gaf het den man Gods te kennen; en hij zeide: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; gij dan met uw zonen, leef bij het overige.8Het geschiedde ook op een dag, als Elisa naar Sunem doortrok, dat aldaar een grote vrouw was, dewelke hem aanhield om brood te eten. Voorts geschiedde het, zo dikwijls hij doortrok, week hij daarin, om brood te eten.9En zij zeide tot haar man: Zie nu, ik heb gemerkt, dat deze man Gods heilig is, die bij ons altoos doortrekt.10Laat ons toch een kleine opperkamer van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het geschieden, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke.11En het geschiedde op een dag, dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, en legde zich daar neder.12Toen zeide hij tot zijn jongen Gehazi: Roep deze Sunamietische. En als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht.13(Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, gij zijt zorgvuldig voor ons geweest, met al deze zorgvuldigheid; wat is er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot den koning, of tot den krijgsoverste? En zij had gezegd: Ik woon in het midden mijns volks.14Toen had hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Gehazi had gezegd: Zij heeft toch geen zoon, en haar man is oud.15Daarom had hij gezegd: Roep haar. En als hij ze geroepen had, stond zij in de deur.)16En hij zeide: Op dezen gezetten tijd, omtrent dezen tijd des levens zult gij een zoon omhelzen. En zij zeide: Neen, mijn heer, gij, man Gods, lieg tegen uw dienstmaagd niet.17En de vrouw werd zwanger, en baarde een zoon op dien gezette tijd, omtrent den tijd des levens, dien Elisa tot haar gesproken had.

Dit hoofdstuk toont ons Elísa, een beeld van de Heere Jezus, als de bron van zegeningen voor twee verschillende gezinnen.

Het eerste gezin is arm: een weduwe met haar twee kinderen die aan de willekeur van een onverbiddelijke schuldeiser zijn overgeleverd. Zij weet echter in geloof tot Wie zij zich kan wenden (Psalm 68 vers 6). Voor haar blijft de olie van de barmhartigheid net zo lang stromen, totdat alle lege vaten gevuld zijn.

Door onze ongerechtigheid zijn wij als het ware aan satan, de ergste schuldeiser die er bestaat, verkocht en daarmee heeft hij een recht op ons verworven (Jesaja 50 vers 1).

Maar gelukkig is er een uitweg! Wij mogen ons wenden tot de Heere Jezus. En we zullen naar de mate van ons geloof (daarvan spreken die lege vaten) de Goddelijke macht ervaren. Niet alleen wat de behoudenis betreft van hen die wij liefhebben, maar ook met betrekking tot de behoeften in ons dagelijks leven (vers 7).

Met het tweede gezin is het juist heel anders, dat zijn rijke mensen! Toch ontvangt men de man van God op heel eenvoudige wijze. Hij voelt zich daar thuis en dat gastgezin is blij als hij bij hen op bezoek komt. Dat is een prachtig voorbeeld voor ons!

Voelt de Heere Jezus Zich ook in ons huis, in ons hart, thuis? Kunnen we Hem alles laten zien, Hem alles zeggen en Hem onze diepste verlangens toevertrouwen? Om daar kennis van te nemen, heeft Hij geen tussenpersoon meer nodig, zoals hier nog wel het geval is met de profeet. En als onze verlangens in overeenstemming zijn met Zijn gedachten, dan zal Hij daarin voorzien (Psalm 37 vers 4).

2 Koningen 4:18-31
18Toen nu het kind groot werd, geschiedde het op een dag, dat het uitging tot zijn vader, tot de maaiers.19En het zeide tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Hij dan zeide tot een jongen: Draag hem tot zijn moeder.20En hij droeg hem, en bracht hem tot zijn moeder. En hij zat op haar knieen tot aan den middag toe; toen stierf hij.21En zij ging op, en legde hem op het bed van den man Gods; daarna sloot zij voor hem toe, en ging uit.22En zij riep om haar man, en zeide: Zend mij toch een van de jongens, en een van de ezelinnen, dat ik tot den man Gods lope, en wederkomen.23En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan, noch sabbat. En zij zeide: Het zal wel zijn.24Toen zadelde zij de ezelin, en zeide tot haar jongen: Drijf, en ga voort; houd mij niet op voort te rijden, tenzij dan dat ik het u zegge.25Alzo toog zij heen, en kwam tot den man Gods, tot den berg Karmel. En het geschiedde, als de man Gods haar van tegenover zag, dat hij tot Gehazi, zijn jongen zeide: Zie, daar is de Sunamietische.26Nu loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel.27Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijn voeten. Maar Gehazi trad toe, om haar af te stoten. Doch de man Gods zeide: Laat ze geworden; want haar ziel is in haar bitterlijk bedroefd, en de HEERE heeft het voor mij verborgen, en mij niet verkondigd.28En zij zeide: Heb ik een zoon van mijn heer begeerd? Zeide ik niet: Bedrieg mij niet?29En hij zeide tot Gehazi: Gord uw lenden, en neem mijn staf in uw hand, en ga henen; zo gij iemand vindt, groet hem niet; en zo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het aangezicht van den jongen.30Doch de moeder van den jongen zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Hij stond dan op, en volgde haar na.31Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan; en hij legde den staf op het aangezicht van den jongen; doch er was geen stem, noch opmerking. Zo keerde hij weder hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende: De jongen is niet ontwaakt.

De HEERE heeft de godvrezende Sunamietische een kind gegeven. Maar Hij wil nog meer voor haar doen. Hij wil ook dat ze Zijn macht leert kennen die in staat is doden op te wekken.

Als er een baby geboren wordt, is dat natuurlijk een reden om blij te zijn. Dat geldt voor de ouders, maar ook voor de eventuele broertjes of zusjes. Wat echter nog veel meer blijdschap geeft, is de wedergeboorte van een kind, de geboorte die van boven gegeven wordt en waarover de hele hemel zich verheugt.

Is deze overgang van de dood in het leven, de bekering, niet het allergrootste wonder? Ook vandaag wil de Heere Jezus dit nog bewerken in onze huizen! Hebben we dat al meegemaakt?

Laten we nu eens nadenken over de Verlosser Die in het huis van Martha in Bethanië binnenkomt. Hij werd daar altijd met de meeste hoogachting en liefde ontvangen, zoals Elísa dat ondervond bij de Sunamietische. Toch was het nodig dat dit gezin Hem onder een nieuwe Naam leerde kennen: "Ik ben de Opstanding en het Leven" (Johannes 11 vers 25). Op het moment dat er verdriet en rouw in hun leven kwam, was de Heere Jezus niet aanwezig. En dat Hij te laat kwam, had al gauw als onverschilligheid aangemerkt kunnen worden. Maar het was nodig, opdat het geloof op de proef gesteld kon worden.

Dat gebeurde ook met de Sunamietische. "Het is wel", zegt ze tegen iedereen. Laten wij die ons maar al te vaak beklagen over allerlei kleine dingen die weinig te betekenen hebben, in alle moeilijke situaties toch ook altijd vol vertrouwen op de Heere zeggen: "Het is wel!"

2 Koningen 4:32-44
32En toen Elisa in het huis kwam, ziet, zo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed.33Zo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot den HEERE.34En hij klom op, en legde zich neder op het kind, en leggende zijn mond op deszelfs mond, en zijn ogen op zijn ogen, en zijn handen op zijn handen, breidde zich over hem uit. En het vlees des kinds werd warm.35Daarna kwam hij weder, en wandelde in het huis eens herwaarts, en eens derwaarts, en klom weder op, en breidde zich over hem uit; en de jongen niesde tot zevenmaal toe; daarna deed de jongen zijn ogen open.36En hij riep Gehazi, en zeide: Roep deze Sunamietische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem; en hij zeide: Neem uw zoon op.37Zo kwam zij, en viel voor zijn voeten, en boog zich ter aarde, en zij nam haar zoon op, en ging uit.38Als nu Elisa weder te Gilgal kwam, zo was er honger in dat land, en de zonen der profeten zaten voor zijn aangezicht; en hij zeide tot zijn jongen: Zet den groten pot aan, en zied moes voor de zonen der profeten.39Toen ging er een uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam, en sneed ze in den moespot; want zij kenden ze niet.40Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het geschiedde, als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man Gods, de dood is in den pot! En zij konden het niet eten.41Maar hij zeide: Brengt dan meel; en hij wierp het in den pot; en hij zeide: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot.42En er kwam een man van Baal-Salisa, en bracht den man Gods broden der eerstelingen, twintig gerstebroden, en groene aren in haar hulzen; en hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten.43Doch zijn dienaar zeide: Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten; want alzo zegt de HEERE: Men zal eten en overhouden.44Zo zette hij het hun voor, en zij aten, en zij hielden over, naar het woord des HEEREN.

In Hebreeën 11, het hoofdstuk in de Bijbel dat spreekt van geloof, wordt gezegd: "De vrouwen hebben hun doden uit de opstanding wedergekregen" (Hebreeën 11 vers 35). Zó was het bij de weduwe van Zarfath en ook bij deze gelukkige Sunamietische.

Toch zien we hier een groot verschil met het gebeuren bij het graf van Lazarus. Daar was een enkel woord van de Levensvorst voldoende om iemand die al vier dagen dood was, weer tot leven te brengen.

Heel binnenkort zullen alle ontslapen verlosten de stem horen van Hem Die de dood heeft overwonnen. Dan zullen zij opstaan uit de doden (1 Thessalonika 4 vers 16).

De gebeurtenis met de kolokwinten in de moespot herinnert ons eraan dat de mens — soms met de beste bedoelingen — alles wat God graag wil geven, kan bederven.

Laten we er altijd voor oppassen dat we niets aan het Woord, het voedsel voor onze zielen, toevoegen. Laten we daarom ook alle 'vernieuwingen' met de nodige voorzichtigheid tegemoet treden (Galaten 1 vers 7 en 8). Er is zoveel godsdienstige lectuur in omloop waarin de Goddelijke waarheid wordt vermengd met een beetje vergif. Dus, pas op!

De man van Baäl—Salisa — wiens weinige voedsel toereikend is voor honderd personen — doet ons denken aan de gebeurtenissen in het Evangelie van Mattheüs (hoofdstuk 14 vers 15 tot en met 21 en 15 vers 32 tot en met 38).

Maar ook hier zien we een groot verschil tussen de profeet en de Heere Jezus Die de mensen laat zitten en door Zijn macht duizenden kan verzadigen (Psalm 132 vers 15).

2 Koningen 5:1-14
1Naaman nu, de krijgsoverste van den koning van Syrie, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had de HEERE den Syriers verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, doch melaats.2En er waren benden uit Syrie getogen, en hadden een kleine jonge dochter uit het land van Israel gevankelijk gebracht, die in den dienst der huisvrouw van Naaman was.3Deze zeide tot haar vrouw: Och, of mijn heer ware voor het aangezicht van den profeet, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen.4Toen ging hij in en gaf het zijn heer te kennen, zeggende: Zo en zo heeft de jonge dochter gesproken, die uit het land van Israel is.5Toen zeide de koning van Syrie: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan den koning van Israel zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilvers, en zes duizend sikkelen gouds, en tien wisselklederen.6En hij bracht den brief tot den koning van Israel, zeggende: Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht Naaman tot u gezonden, dat gij hem ontledigt van zijn melaatsheid.7En het geschiedde, als de koning van Israel den brief gelezen had, dat hij zijn klederen scheurde, en zeide: Ben ik dan God, om te doden en levend te maken, dat deze tot mij zendt, om een man van zijn melaatsheid te ontledigen? Want voorwaar, merkt toch, en ziet, dat hij oorzaak tegen mij zoekt.8Maar het geschiedde, als Elisa, de man Gods, gehoord had, dat de koning van Israel zijn klederen gescheurd had, dat hij tot den koning zond, om te zeggen: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zo zal hij weten, dat er een profeet in Israel is.9Alzo kwam Naaman met zijn paarden en met zijn wagen, en stond voor de deur van het huis van Elisa.10Toen zond Elisa tot hem een bode, zeggende: Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan, en uw vlees zal u wederkomen, en gij zult rein zijn.11Maar Naaman werd zeer toornig, en toog weg, en zeide: Zie, ik zeide bij mijzelven: Hij zal zekerlijk uitkomen, en staan, en den Naam des HEEREN, Zijns Gods, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en den melaatse ontledigen.12Zijn niet Abana en Farpar, de rivieren van Damaskus, beter dan alle wateren van Israel; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden? Zo wendde hij zich, en toog weg met grimmigheid.13Toen traden zijn knechten toe, en spraken tot hem, en zeiden: Mijn vader, zo die profeet tot u een grote zaak gesproken had, zoudt gij ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, naardien hij tot u gezegd heeft: Was u, en gij zult rein zijn?14Zo klom hij af, en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het woord van den man Gods; en zijn vlees kwam weder, gelijk het vlees van een kleinen jongen; en hij werd rein.

Hier zien we Náäman, de generaal van de koning van Syrië, een man die als een held vereerd wordt. Toch is er iets wat deze hooggeplaatste man tot één van de beklagenswaardigste mensen maakt: zijn mooie uniform bedekt een lichaam dat melaats is.

Zó heeft de ziekte van de zonde alle mensen, van hoog tot laag, verdorven.

In het huis van Náäman woont en werkt echter een dienstmeisje dat, hoe jong ze ook mag zijn, een goed bericht voor hem heeft. Dit meisje, een gevangene uit Israël, legt heel eenvoudig een getuigenis af van de macht van de man van God. Je bent nooit te jong om een getuige van de Heere Jezus te zijn!

Náäman gaat op weg en ontvangt langs een omweg, via het paleis van koning Joram, de boodschap van Elísa.

Ook vandaag heeft God nog een Boodschap voor zondaars: Zijn geschreven Woord, de Bijbel. Er zijn echter veel mensen die niet geloven dat God op deze manier tot hen spreekt. Zij nemen de Bijbel niet aan als het Woord van God. Er zijn er ook die denken dat het heil op deze manier veel te eenvoudig te verkrijgen is.

De aanwijzing die Náäman krijgt, is dezelfde als die de Heere Jezus aan de blindgeborene gaf: "Ga heen en was u" (vergelijk vers 10 met Johannes 9 vers 7).

God verlangt geen grote dingen van de mensen (vers 13). Alleen dit: je moet toegeven dat je onrein, dood in zonden en misdaden bent (Efeze 2 vers 1 en 5 en Kolosse 2 vers 13). De grote dingen heeft God Zelf voor arme zondaars volbracht, door het werk van de Heere Jezus!

2 Koningen 5:15-27
15Toen keerde hij weder tot den man Gods, hij en zijn ganse heir, en kwam, en stond voor zijn aangezicht en zeide: Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de ganse aarde, dan in Israel! Nu dan, neem toch een zegen van uw knecht.16Maar hij zeide: Zo waarachtig als de HEERE leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien ik het neme! En hij hield bij hem aan, opdat hij het nam, doch hij weigerde het.17En Naaman zeide: Zo niet; laat toch uw knecht gegeven worden een last aarde van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer of slachtoffer aan andere goden doen, maar den HEERE.18In deze zaak vergeve de HEERE uw knecht: wanneer mijn heer in het huis van Rimmon zal gaan, om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij alzo nederbuigen zal in het huis van Rimmon, de HEERE vergeve toch uw knecht in deze zaak.19En hij zeide tot hem: Ga in vrede. En hij ging van hem een kleine streek lands.20Gehazi nu, de jongen van Elisa, den man Gods, zeide: Zie, mijn heer heeft Naaman, dien Syrier belet, dat men uit zijn hand niet genomen heeft, wat hij gebracht had; maar zo waarachtig als de HEERE leeft, ik zal hem nalopen, en zal wat van hem nemen!21Zo volgde Gehazi Naaman achterna. En toen Naaman zag, dat hij hem naliep, viel hij van den wagen af, hem tegemoet, en hij zeide: Is het wel?22En hij zeide: Het is wel; mijn heer heeft mij gezonden, om te zeggen: Zie, nu straks zijn tot mij twee jongelingen uit de zonen der profeten, van het gebergte van Efraim gekomen; geef hun toch een talent zilvers en twee wisselklederen.23En Naaman zeide: Belieft het u, neem twee talenten. En hij hield aan bij hem, en bond twee talenten zilvers in twee buidels, met twee wisselklederen, en hij legde ze op twee van zijn jongens, die ze voor zijn aangezicht droegen.24Als hij nu op de hoogte kwam, nam hij ze van hun hand, en bestelde ze in een huis; en hij liet de mannen gaan, en zij togen heen.25Daarna kwam hij in, en stond voor zijn heer. En Elisa zeide tot hem: Van waar, Gehazi? En hij zeide: Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan.26Maar hij zeide tot hem: Ging niet mijn hart mede, als die man zich omkeerde van op zijn wagen u tegemoet? Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om klederen te nemen, en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen, en knechten, en dienstmaagden?27Daarom zal u de melaatsheid van Naaman aankleven, en uw zaad in eeuwigheid! Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats, wit als de sneeuw.

Het eerste wat Náäman na zijn genezing doet, is terugkeren naar de man die het middel tot zijn genezing was, om hem te bedanken. Dit herinnert ons aan die tien melaatsen die door de Heere Jezus genezen werden, waarvan er echter slechts één bij Hem terugkwam; "ziende, dat hij genezen was, keerde weer, met grote stem God verheerlijkende" (Lukas 17 vers 15). Deze man was ook een vreemdeling, een Samaritaan.

Nu moet Náäman nog leren dat het heil helemaal gratis is, dat je het niet verdienen kunt. Er zijn veel mensen die dat niet kunnen accepteren. Dat het gratis is, wordt voor hen des te moeilijker om te begrijpen, als ze zien dat bepaalde personen in de godsdienstige wereld persoonlijke winst slaan uit de godsdienst. De Schrift noemt zulke mensen "vuil—gewinzoekers" (1 Timotheüs 3 vers 8; Titus 1 vers 7 en 1 Petrus 5 vers 2).

Bij Géhazi moeten we aan zulke mensen denken. Door zijn hebzuchtige houding zou hij Náäman de indruk kunnen geven dat de gave van God toch niet helemaal gratis is.

Het hart van de man van God dat bezorgd is over deze 'pasbekeerde', heeft alles gezien. De oneerlijke daad wordt aan het licht gebracht en de schuldige ontvangt zijn straf (vergelijk Handelingen 5 vers 1 tot en met 11).

"Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om klederen te nemen ...?", vraagt Elísa wiens hele bezit bestaat uit de profetenmantel. Dat is ook een ernstige vraag aan ons! Als volgelingen van de Meester Die om ons arm is geworden, hoeven wij ons, zo vlak vóór Zijn komst voor ons, niet te verrijken en het ons op aarde gemakkelijk te maken (zie ook Jakobus 5 aan het einde van vers 3)!

2 Koningen 6:1-17
1En de kinderen der profeten zeiden tot Elisa: Zie nu, de plaats, waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng.2Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan, en elk van daar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken, om er te wonen. En hij zeide: Gaat heen.3En er zeide een: Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij zeide: Ik zal gaan.4Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen zij hout af.5En het geschiedde, als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep, en zeide: Ach, mijn heer, want het was geleend.6En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarhenen, en deed het ijzer boven zwemmen.7En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit, en nam het,8En de koning van Syrie voerde krijg tegen Israel, en beraadslaagde zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in de plaats van zulk een.9Maar de man Gods zond henen tot den koning van Israel, zeggende: Wacht u, dat gij door die plaats niet trekt, want de Syriers zijn daarhenen afgekomen.10Daarom zond de koning van Israel henen aan die plaats, waarvan hem de man Gods gezegd en hem gewaarschuwd had, en wachtte zich aldaar, niet eenmaal, noch tweemaal.11Toen werd het hart des konings van Syrie onstuimig over dezen handel; en hij riep zijn knechten, en zeide tot hen: Zult gij mij dan niet te kennen geven, wie van de onzen zij voor den koning van Israel?12En een van zijn knechten zeide: Neen, mijn heer koning! Maar Elisa, de profeet, die in Israel is, geeft den koning van Israel te kennen de woorden, die gij in uw binnenste slaapkamer spreekt.13En hij zeide: Gaat heen, en ziet, waar hij is, dat ik zende en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te Dothan.14Toen zond hij daarhenen paarden, en wagenen, en een zwaar heir; welke des nachts kwamen, en omsingelden de stad.15En de dienaar van den man Gods stond zeer vroeg op, en ging uit; en ziet, een heir omringde de stad met paarden en wagenen. Toen zeide zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer, hoe zullen wij doen.16En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer, dan die bij hen zijn.17En Elisa bad, en zeide: HEERE, open toch zijn ogen, dat hij zie! En de HEERE opende de ogen van den jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elisa.

"De plaats, waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng", zeggen de zonen van de profeten tegen Elísa. Soortgelijke opmerkingen hoor je vaker in de christenheid.

In de ogen van de wereld is het leven van een christen zeker eng en bekrompen, want je 'moet' je volgens hen immers zoveel ontzeggen!

Als wij ook zó zouden denken, dan komt dat alleen, omdat we naar beneden kijken. In werkelijkheid behoort ons immers de hele hemel toe!

Het kleine incident dat dan volgt, is in al zijn eenvoud aangrijpend. Elísa is even zo goed bereid een man z'n gereedschap dat hij nodig heeft, terug te geven, als aan een moeder haar kind door de opstanding uit de dood.

Zo zien we de Heere van de heerlijkheid de voeten van Zijn discipelen wassen en het eten voor hen klaarmaken (Johannes 13 vers 5 en 21 vers 9 tot en met 13). Niets is de Heere Jezus te min of te gering. Heeft niet ieder van ons dat al eens ervaren?

De oorlog tussen Israël en Syrië breekt weer uit. Er bestaat echter nog een derde legermacht waarvan alleen de profeet het bestaan kent: het hemelse leger van strijders, de engelen, die God gebruikt om Zijn dienstknecht als met een muur te omringen (Psalm 34 vers 8).

Om hen te kunnen zien, heb je ogen van het geloof nodig.

Zoals Elísa hier, zó heeft de Heere Jezus in de hof van Gethsémané de gedachten van Zijn discipel Petrus gericht op de meer dan twaalf legioenen engelen die Zijn Vader Hem gegeven zou hebben als Hij erom gevraagd had (Mattheüs 26 vers 53).

2 Koningen 6:18-33
18Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elisa tot den HEERE, en zeide: Sla toch dit volk met verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elisa.19Toen zeide Elisa tot hen: Dit is de weg niet, en dit is de stad niet; volgt mij na, en ik zal u leiden tot den man, dien gij zoekt; en hij leidde hen naar Samaria.20En het geschiedde, als zij te Samaria gekomen waren, dat Elisa zeide: HEERE, open de ogen van dezen, dat zij zien! En de HEERE opende hun ogen, dat zij zagen; en ziet, zij waren in het midden van Samaria.21En de koning van Israel zeide tot Elisa, als hij hen zag: Zal ik hen slaan? Zal ik hen slaan, mijn vader?22Doch hij zeide: Gij zult hen niet slaan; zoudt gij ook slaan, die gij met uw zwaard en met uw boog gevangen hadt? Zet hun brood en water voor, dat zij eten en drinken, en tot hun heer trekken.23En hij bereidde hun een groten maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan, en zij trokken tot hun heer. Zo kwamen de benden der Syriers niet meer in het land van Israel.24En het geschiedde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrie, zijn gehele leger verzamelde, en optoog, en Samaria belegerde.25En er werd grote honger in Samaria; want ziet, zij belegerden ze, totdat een ezelskop voor tachtig zilverlingen was verkocht, en een vierendeel van een kab duivenmest voor vijf zilverlingen.26En het geschiedde, als de koning op den muur voorbijging, dat een vrouw tot hem riep, zeggende: Help mij, heer koning!27En hij zeide: De HEERE helpt u niet; waarvan zou ik u helpen? Van den dorsvloer of van den wijnpers?28Verder zeide de koning tot haar: Wat is u? En zij zeide: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: Geef uw zoon, dat wij hem heden eten, en morgen zullen wij mijn zoon eten.29Zo hebben wij mijn zoon gezoden, en hebben hem gegeten; maar als ik des anderen daags tot haar zeide: Geef uw zoon, dat wij hem eten, zo heeft zij haar zoon verstoken.30En het geschiedde, als de koning de woorden dezer vrouw gehoord had, dat hij zijn klederen scheurde, alzo hij op den muur voortging; en het volk zag, dat, ziet, een zak van binnen over zijn vlees was.31En hij zeide: Zo doe mij God, en doe zo daartoe, indien het hoofd van Elisa, den zoon van Safat, heden op hem zal blijven staan!32(Elisa nu zat in zijn huis, en de oudsten zaten bij hem.) En hij zond een man van voor zijn aangezicht; maar eer de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot de oudsten: Hebt gijlieden gezien, hoe die zoon des moordenaars gezonden heeft, om mijn hoofd af te nemen? Ziet toe, als die bode komt, sluit de deur toe, en dringt hem uit met de deur; is niet het geruis der voeten van zijn heer achter hem?33Als hij nog met hen sprak, ziet, zo kwam de bode tot hem af; en hij zeide: Zie, dat kwaad is van den HEERE; wat zou ik verder op den HEERE wachten?

In dit hoofdstuk worden op het gebed van de profeet tot driemaal toe de ogen van mensen geopend (vers 17 en 20) of verduisterd (vers 18).

Laten wij God bidden om geopende ogen. En laten we niet, zoals de knecht van Elísa, de Goddelijke macht die ons ter beschikking staat, uit het oog verliezen. "Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal", zegt de psalmist (Psalm 121 vers 1).

Elía was de profeet van het oordeel geweest. Elísa heeft daarentegen het voorrecht gehad een tweede en nog werkzamer wapen te mogen gebruiken: de genade. Hij is barmhartig tegenover zijn vijanden en overwint het kwaad door het goede.

Opnieuw gaan onze gedachten hierbij uit naar de Heere Jezus. Op volmaakte wijze maakte Hij gebruik van Zijn macht èn van Zijn genade. Nadat zij die in de hof Gethsémané gekomen waren om Hem gevangen te nemen, slechts door één enkel woord van Hem op de grond geworpen waren, genas Hij het oor van de slaaf van de hogepriester dat Zijn impulsieve discipel had afgeslagen (Johannes 18 vers 6 en Lukas 22 vers 51).

Deze grote maaltijd die Elísa voor de benden van de Syriërs laat bereiden, herinnert ons aan "een groot avondmaal" van de genade (Lukas 14 vers 16 en 17). God nodigt hen die (nog) Zijn vijanden zijn, daarvoor uit.

Helaas wordt de goede daad van Elísa door de Syriërs niet met goed vergolden! De Syriërs belegeren Samaria waardoor er een hongersnood met al z'n vreselijke gevolgen over de stad komt. Maar juist dat zal de HEERE als aanleiding nemen om zowel Zijn macht als Zijn genade te tonen.

2 Koningen 7:1-8
1Toen zeide Elisa: Hoort het woord des HEEREN; zo zegt de HEERE: Morgen omtrent dezen tijd zal een maat meelbloem verkocht worden voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, in de poort van Samaria.2Maar een hoofdman, op wiens hand de koning leunde, antwoordde den man Gods, en zeide: Zie, zo de HEERE vensteren in den hemel maakte, zou die zaak kunnen geschieden? En hij zeide: Zie, gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten.3Er waren nu vier melaatse mannen voor de deur der poort; die zeiden, de een tot den ander: Wat blijven wij hier, totdat wij sterven?4Indien wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriers vallen; indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven.5En zij stonden op in de schemering, om in het leger der Syriers te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger der Syriers kwamen, ziet, toen was er niemand.6Want de HEERE had het heir der Syriers doen horen een geluid van wagenen, en een geluid van paarden, het geluid ener grote heirkracht; zodat zij zeiden de een tot den ander: Zie, de koning van Israel heeft tegen ons gehuurd de koningen der Hethieten, en de koningen der Egyptenaren, om tegen ons te komen.7Derhalve hadden zij zich opgemaakt, en waren in de schemering gevloden, en hadden hun tenten gelaten, en hun paarden, en hun ezelen, het leger gelijk als het was; en waren gevloden om huns levens wil.8Als nu deze melaatsen aan het uiterste des legers kwamen, zo gingen zij in een tent, en aten en dronken, en namen van daar zilver, en goud, en klederen, en gingen henen, en verborgen het; daarna keerden zij weder, en kwamen in een andere tent, namen van daar ook, en gingen henen, en verborgen het.

Het volk van Samaria zit diep in de ellende. Op zo'n moment kan God handelen!

Elísa, de profeet van de genade, antwoordt op de moordpoging van de koning door de verlossing aan te kondigen. Die redding en bevrijding wordt vandaag de dag nog steeds verkondigd. Maar hoevelen zijn er niet die hier slechts met ongeloof en spot op antwoorden, evenals de hoofdman in dit Schriftgedeelte?

Vier melaatse mannen worden gebruikt om de verlossing bekend te maken (vergelijk 1 Korinthe 1 vers 28).

Zonder enig menselijk ingrijpen is het Syrische leger op de vlucht geslagen. Alleen de HEERE heeft overwonnen!

Zo is het ook met het kruis waardoor de Heere Jezus alleen over Zijn vijanden getriomfeerd heeft.

Wij waren zondaars, zoals deze beklagenswaardige melaatsen, en wij bevonden ons in een hopeloze situatie. We gingen de eeuwige dood tegemoet.

Maar voor de gelovigen is die dood nu door de Heere Jezus te niet gedaan! In plaats daarvan hebben we nu het leven, de vrede en de geestelijke zegeningen ontvangen. Bovendien hebben we een veilige toekomst voor ogen! Dat zijn de vruchten van de overwinning van Christus op het kruis.

De vijand is totaal beroofd. Ze hoefden alleen maar op pad te gaan en al deze dingen gewoon in bezit te nemen (vergelijk Lukas 15 vers 18).

Hebt u dat al gedaan? Of zit u nog "in duisternis ... en de schaduw des doods" (Mattheüs 4 vers 16)?

2 Koningen 7:9-20
9Toen zeiden zij, de een tot den ander: Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Indien wij vertoeven tot den lichten morgen, zo zal ons de ongerechtigheid vinden; daarom nu, komt, laat ons gaan, en dit aan het huis des konings boodschappen.10Zo kwamen zij, en riepen tot den poortier der stad, en boodschapten hun, zeggende: Wij zijn gekomen tot het leger der Syriers, en ziet, niemand was daar, noch eens mensen stem; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten, gelijk als zij waren.11En hij riep de poortiers; en zij deden de boodschap binnen in het huis des konings.12En de koning stond op in den nacht, en zeide tot zijn knechten: Ik zal u nu te kennen geven, wat de Syriers ons gedaan hebben; zij weten, dat wij hongerig zijn; daarom zijn zij uit het leger gegaan, om zich in het veld te versteken, zeggende: Als zij uit de stad gegaan zullen zijn, dan zullen wij hen levend grijpen, en wij zullen in de stad komen.13Toen antwoordde een van zijn knechten, en zeide: Dat men toch neme vijf van de overige paarden, die hierbinnen overgebleven zijn (zie, zij zijn als de gehele menigte der Israelieten, die hierbinnen overgebleven zijn; zie, zij zijn als de gehele menigte der Israelieten, die vergaan zijn), laat ons die zenden, en zien.14Zij namen dan twee wagenpaarden. En de koning zond het leger der Syriers achterna, zeggende: Gaat henen, en ziet.15En zij volgden hen na tot de Jordaan toe; en ziet, de ganse weg was vol van klederen en gereedschap, die de Syriers in hun verhaasten weggeworpen hadden. De boden nu keerden weder, en boodschapten het den koning.16Toen ging het volk uit, en beroofde het leger der Syriers; en een maat meelbloem werd verkocht voor een sikkel, en twee maten gerst voor een sikkel, naar het woord des HEEREN.17De koning nu had den hoofdman, op wiens hand hij leunde, over die poort gesteld; en het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf, gelijk de man Gods gesproken had, die het sprak, als de koning tot hem afgekomen was.18Want het was geschied, gelijk de man Gods gesproken had tot den koning, zeggende: Morgen omtrent dezen tijd zullen twee maten gerst voor een sikkel, en een maat meelbloem voor een sikkel verkocht worden, in de poort van Samaria.19En die hoofdman had den man Gods geantwoord en gezegd: Zie, zo de HEERE vensteren in den hemel maakte, zou het ook naar dit woord geschieden kunnen? En hij had gezegd: Zie, gij zult het met uw ogen zien, doch daarvan niet eten.20Even alzo geschiedde hem, want het volk vertrad hem in de poort, dat hij stierf.

"Deze dag is een dag van goede boodschap" (vers 9).

O, als wij de goede boodschap van het evangelie persoonlijk hebben leren kennen, laten we het dan niet voor onszelf houden! Laten we er haast mee maken en deze blijde boodschap doorgeven aan hen die nog steeds in diepe ellende zitten en nog niets van deze Goddelijke bevrijding afweten!

"Ziet, nu is het de dag der zaligheid!" (2 Korinthe 6 vers 2). Zouden we niet schuldig staan als we zwegen (vergelijk Ezechiël 33 vers 6)?

Dat zegt het geweten van deze vier melaatse mannen ook. En zonder de morgen af te wachten, gaan ze naar de stad en vertellen de poortwachter wat er gebeurd is.

Zo'n blij bericht ... en zie nu eens hoe erop gereageerd wordt!

De koning en zijn knechten discussiëren over wat hen te doen staat, en komen met allerlei verklaringen, vóórdat ze het bericht in alle eenvoudigheid aannemen. Dit is immers de bevrijding waarover de profeet gesproken heeft! Zij komt van de HEERE!

"O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!", moest de Heere Jezus tot de Emmaüsgangers zeggen (Lukas 24 vers 25).

Het heil stond 'voor de poort'! Maar voor de ongelovige hoofdman was dat tegelijkertijd de plaats van het oordeel. Hij kon als enige in de stad niet genieten van de rijke buit.

Het Woord van de HEERE gaat precies in vervulling. Zo gaat het altijd!

2 Koningen 8:16-29
16In het vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israel, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat, den koning van Juda, te regeren.17Hij was twee en dertig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.18En hij wandelde op den weg der koningen van Israel, gelijk als het huis van Achab deed; want de dochter van Achab was hem ter vrouw geworden; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.19Doch de HEERE wilde Juda niet verderven, om Davids Zijns knechts wil; gelijk als Hij hem gezegd had, dat Hij hem te allen tijde voor zijn zonen een lamp zou geven.20In zijn dagen vielen de Edomieten van onder het gebied van Juda af, en maakten een koning over zich.21Daarom toog Joram over naar Zair, en al de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten der wagenen; en het volk vlood in zijn hutten.22De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op dezen dag; toen viel Libna af in denzelfden tijd.23Het overige nu der geschiedenissen van Joram, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?24En Joram ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Ahazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.25In het twaalfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israel, begon Ahazia, de zoon van Jeroham, den koning van Juda, te regeren.26Twee en twintig jaren was Ahazia oud, als hij koning werd, en regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athalia, de dochter van Omri, den koning van Israel.27En hij wandelde in den weg van het huis van Achab, en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want hij was een schoonzoon van het huis van Achab.28En hij toog met Joram, den zoon van Achab, naar den strijd, te Ramoth in Gilead, tegen Hazael, den koning van Syrie; en de Syriers sloegen Joram.29Toen keerde Joram, de koning wederom, opdat hij zich te Jizreel helen liet van de slagen, die hem de Syriers te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Hazael den koning van Syrie; en Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreel te bezien, want hij was krank.

Aan het begin van hoofdstuk 8 komen we een aantal bekende personen tegen: de vrouw uit Sunem voor wie de HEERE gezorgd had tijdens de hongersnood, en Géhazi die blijkbaar ondanks zijn melaatsheid (waarover hij het liefst gezwegen zal hebben) succes heeft.

Inderdaad komen we hem aan het hof van de koning tegen waar God hem gebruikt om de Sunamietische recht te verschaffen.

Daarna wordt over het bezoek van Elísa aan Damascus en over zijn ontmoeting met Házaël verteld. Házaël heeft, ná de moord op Benhadad, diens plaats op de troon van Syrië ingenomen. Benhadad was destijds getuige geweest van de genezing van Náäman, maar sterft zelf nu een ellendige dood.

In de verzen 16 tot en met 29 zien we tenslotte hoe de geschiedenis van de koningen van Israël en Juda parallel aan elkaar verder gaan. Joram, de zoon van Jósafat, volgt daarbij absoluut niet het goede voorbeeld van zijn vader. De reden daarvoor wordt duidelijk aangegeven: "... want de dochter van Achab was hem tot vrouw geworden" (vers 18).

Ook nu kunnen we weer zien hoe groot de invloed van een vrouw op een man, van een echtgenoot op de echtgenote kan zijn. Joram, de koning van Juda, is door zijn huwelijk de zwager van koning Joram van Israël die wij goed kennen, geworden. Zijn zoon Aházia wordt op zijn beurt "een schoonzoon van het huis van Achab" (vers 27). In de ogen van de wereld zijn dat misschien prachtige verbindingen, maar in de ogen van de HEERE is het grote ontrouw. De trieste gevolgen blijven dan ook niet uit.

2 Koningen 9:1-15
1Toen riep de profeet Elisa een van de zonen der profeten, en hij zeide tot hem: Gord uw lenden, en neem deze oliekruik in uw hand, en ga heen naar Ramoth in Gilead.2Als gij daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden zijner broederen, en breng hem in een binnenste kamer.3En neem de oliekruik, en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zo zegt de HEERE: Ik heb u tot koning gezalfd over Israel. Doe daarna de deur open, en vlied, en vertoef niet.4Zo ging de jongeling, die jongeling van den profeet, naar Ramoth in Gilead.5En toen hij inkwam, ziet, daar zaten de hoofdmannen van het heir, en hij zeide: Ik heb een woord aan u, o hoofdman! En Jehu zeide: Tot wien van ons allen? En hij zeide: Tot u, o hoofdman!6Toen stond hij op, en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zeide tot hem: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ik heb u gezalfd tot koning over het volk des HEEREN, over Israel.7En gij zult het huis van Achab, uw heer, slaan, opdat Ik het bloed van Mijn knechten, de profeten, en het bloed van alle knechten des HEEREN, wreke van de hand van Izebel.8En het ganse huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook den beslotene en verlatene in Israel.9Want Ik zal het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam, den zoon van Nebat, en als het huis van Baesa, den zoon van Ahia.10Ook zullen de honden Izebel eten op het stuk lands van Jizreel, en er zal niemand zijn, die haar begrave. Toen deed hij de deur open en vlood.11En als Jehu uitging tot de knechten zijns heren, zeide men tot hem: Is het al wel? Waarom is deze onzinnige tot u gekomen? En hij zeide tot hen: Gij kent den man en zijn spraak.12Maar zij zeiden: Het is leugen; geef het ons nu te kennen. En hij zeide: Zo en zo heeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik heb u gezalfd tot koning over Israel.13Toen haastten zij zich, en een iegelijk nam zijn kleed, en legde het onder hem, op den hoogsten trap; en zij bliezen met de bazuin, en zeiden: Jehu is koning geworden!14Alzo maakte Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, een verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gans Israel, uit oorzake van Hazael, den koning van Syrie;15Maar de koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreel helen liet van de slagen, die hem de Syriers geslagen hadden, als hij streed tegen Hazael, den koning van Syrie.) En Jehu zeide: Zo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken, die ontkome, om dit in Jizreel te gaan verkondigen.

Het was al lang geleden dat de HEERE op de berg Horeb aan Elía getoond had dat Jehu de opvolger van het huis van Achab zou zijn (1 Koningen 19 vers 16).

God haast Zich echter nooit als het om het uitvoeren van het oordeel gaat. Pas nadat Hij alle bronnen van Zijn genade als het ware heeft leeggeschept, besluit Hij te handelen.

Elísa moet deze nieuwe koning die het oordeel zal uitvoeren, niet zelf zalven, omdat juist hij de profeet van de genade is. Een jongeman uit de zonen van de profeten wordt voor deze opdracht uitgekozen.

Dat is een bewijs dat de Heere soms ook een belangrijke dienst aan een jongere wil toevertrouwen.

Hij moet naar de stafofficieren van het leger van Israël gaan die in Ramoth in Gilead hun hoofdkwartier hadden, en Jehu apart nemen. Dan moet hij de olie van de koninklijke zalving over het hoofd van Jehu die zelf waarschijnlijk een legeroverste was, uitgieten.

Nu, menselijkerwijs gesproken, was dat voor zo'n jongeman reden genoeg om bang te worden. Als men echter God gehoorzaamt, mag men ook in de belangrijkste en moeilijkste situaties op Zijn hulp rekenen.

Vers 7 laat ons zien dat God het lijden van de Zijnen niet vergeet. Hoeveel te meer zal Hij Zich het bloed van Zijn Zoon herinneren Die door de handen van schuldige mensen moest lijden en gedood worden.

Door de HEERE uitgekozen en door de officieren tot koning uitgeroepen, treedt de nieuwe koning nu handelend op, zonder ook maar één moment te verliezen.

2 Koningen 9:16-29
16Toen reed Jehu, en toog naar Jizreel; want Joram lag aldaar; en Ahazia, de koning van Juda, was afgekomen, om Joram te bezien.17De wachter nu stond op den toren te Jizreel, en zag den hoop van Jehu, als hij aankwam, en zeide: Ik zie een hoop. Toen zeide Joram: Neem een ruiter, en zend dien hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede?18En de ruiter te paard toog heen hem tegemoet, en zeide: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achter mij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De bode is tot hen gekomen, maar hij komt niet weder.19Toen zond hij een anderen ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zeide hij: Zo zegt de koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om achter mij.20En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen gekomen, maar hij komt niet weder; en het drijven is als het drijven van Jehu, den zoon van Nimsi, want hij drijft onzinniglijk.21Toen zeide Joram: Span aan. En men spande zijn wagen aan. Zo toog Joram, de koning van Israel, uit, en Ahazia, de koning van Juda, een ieder op zijn wagen; en zij togen uit Jehu tegemoet, en vonden hem op het stuk lands van Naboth, den Jizreeliet.22Het geschiedde nu, als Joram Jehu zag, dat hij zeide: Is het ook vrede, Jehu? Maar hij zeide: Wat vrede, zo lang als de hoererijen van uw moeder Izebel, en haar toverijen zo vele zijn?23Toen keerde Joram zijn hand, en vlood, en zeide tot Ahazia: Het is bedrog, Ahazia!24Maar Jehu spande den boog met volle kracht, en schoot Joram tussen zijn armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijn wagen.25Toen zeide Jehu tot Bidkar, zijn hoofdman: Neem, werp hem op dat stuk lands van Naboth, den Jizreeliet; want gedenk, als ik en gij nevens elkander achter zijn vader Achab reden, dat hem de HEERE dezen last oplegde, zeggende:26Zo Ik gisteravond niet gezien heb het bloed van Naboth, en het bloed zijner zonen, zegt de HEERE, en Ik u dat niet vergelde op dit stuk lands, zegt de HEERE. Nu dan, neem, werp hem op dat stuk land, naar het woord des HEEREN.27Als Ahazia, de koning van Juda, dat zag, zo vlood hij door den weg van het huis des hofs; doch Jehu vervolgde hem achterna, en zeide: Slaat hem ook op den wagen, aan den opgang naar Gur, die bij Jibleam is; en hij vlood naar Megiddo, en stierf aldaar.28En zijn knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn graf, bij zijn vaderen in de stad Davids.29In het elfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, was Ahazia koning geworden over Juda.

Jehu wordt gekenmerkt door bezonnen en krachtdadig optreden. Zijn besluit is snel genomen. Het wordt ook direct uitgevoerd.

Gevolgd door vastberaden mannen, stuurt hij zijn wagen razendsnel naar Jizreël. Als je hem in gedachten zo ziet gaan, moet je onwillekeurig denken aan de Ruiter Die, gevolgd door de legerscharen van de hemel, zal optrekken om het oordeel "van de gramschap van de almachtige God" uit te oefenen. Zijn Naam is "het Woord Gods" of "Koning der koningen en Heere der heren", dus Christus Zelf. Dan zal de tijd van genade definitief voorbij zijn (zie Openbaring 19 vers 11 tot en met 16).

"Is het vrede?", laat Joram eerst achtereenvolgens door twee van z'n boden vragen. Even later vraagt hij het zelf ook nog een keer, wanneer hij de voltrekker van het oordeel ontmoet.

Welk antwoord op deze vraag lezen we in het Woord van God? "De goddelozen ... hebben geen vrede" (Jesaja 57 vers 21). Integendeel, "wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen" (1 Thessalonika 5 vers 3).

Voor de goddeloze koning is het moment aangebroken om verantwoording af te leggen. Vaak had de genade, bij monde van Elísa, tot hem gesproken, maar die taal had hij niet verstaan en hij hield zich er doof voor.

"Het is bedrog!", roept hij. Hij had beter kunnen roepen: 'Dit is mijn straf!', want het is de hand van God die hem op het land van Naboth doorboort. Hiermee ging de voorzegging over het lot van het met bloed bevlekte huis van Achab in vervulling.

2 Koningen 9:30-37; 2 Koningen 10:1-11
30En Jehu kwam te Jizreel. Als Izebel dat hoorde, zo blankette zij haar aangezicht, en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit.31Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zeide zij: Is het wel, o Zimri, doodslager van zijn heer?32En hij hief zijn aangezicht op naar het venster, en zeide: Wie is met mij? Wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen.33En hij zeide: Stoot ze van boven neder. En zij stieten haar van boven neder, zodat van haar bloed aan den wand en aan de paarden gesprengd werd; en hij vertrad haar.34Als hij nu ingekomen was, en gegeten en gedronken had, zeide hij: Ziet nu naar die vervloekte, en begraaf ze; want zij is eens konings dochter.35En zij gingen heen om haar te begraven; doch zij vonden niet van haar, dan het bekkeneel, en de voeten, en de palmen harer handen.36Toen kwamen zij weder, en gaven het hem te kennen, en hij zeide: Dit is het woord des HEEREN, dat Hij gesproken heeft door den dienst van Zijn knecht Elia, den Thisbiet, zeggende: Op het stuk lands van Jizreel zullen de honden het vlees van Izebel eten.37En het dode lichaam van Izebel zal zijn gelijk mest op het veld, in het stuk lands van Jizreel, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel.
1Achab nu had zeventig zonen te Samaria; en Jehu schreef brieven, dewelke hij zond naar Samaria, tot de oversten van Jizreel, de oudsten, en tot de voedsterheren van Achab, zeggende:2Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, dewijl de zonen van uw heer bij u zijn, ook de wagenen en de paarden bij u zijn, mitsgaders een vaste stad, en wapenen;3Zo ziet naar den beste en gerechtigste van de zonen uws heren, zet dien op zijns vaders troon; en strijdt voor het huis uws heren.4Doch zij vreesden gans zeer, en zeiden: Ziet, twee koningen bestonden niet voor zijn aangezicht, hoe zouden wij dan bestaan?5Die dan over het huis was, en die over de stad was, en de oudsten, en de voedsterheren zonden tot Jehu, zeggende: Wij zijn uw knechten, en al wat gij tot ons zeggen zult, zullen wij doen; wij zullen niemand koning maken; doe wat goed is in uw ogen.6Toen schreef hij ten tweeden male tot hen een brief, zeggende: Zo gij mijn zijt, en gij naar mijn stem hoort, neemt de hoofden van de mannen, de zonen uws heren, en komt tot mij morgen omtrent dezen tijd naar Jizreel. (De zonen nu de konings, zeventig mannen, waren bij de groten stad, die hen opvoedden.)7Het geschiedde dan, als die brief tot hen kwam, dat zij de zonen des konings namen, en zeventig mannen sloegen; en zij legden hun hoofden in korven, die zij tot hem zonden naar Jizreel.8En er kwam een bode, en boodschapte hem, zeggende: Zij hebben de hoofden van de zonen des konings gebracht. En hij zeide: Legt ze in twee hopen, aan de deur der poort, tot morgen.9En het geschiedde des morgens, toen hij uitging, dat hij stil stond, en tot al het volk zeide: Gij zijt rechtvaardig. Ziet, ik heb een verbintenis gemaakt tegen mijn heer, en heb hem doodgeslagen; en wie heeft alle dezen geslagen?10Weet nu, dat niets van het woord des HEEREN, hetwelk de HEERE tegen het huis van Achab gesproken heeft, zal op de aarde vallen; want de HEERE heeft gedaan, wat Hij door den dienst van Zijn knecht Elia gesproken heeft.11Daartoe sloeg Jehu al de overgeblevenen van het huis van Achab te Jizreel, en al zijn groten, en zijn bekenden, en zijn priesteren; totdat hij hem geen overigen liet overblijven.

Na de dood van Joram en van zijn neef Aházia blijft het ergste lid van de koninklijke familie nog over: koningin—moeder Izébel.

Zij heeft gehoord hoe het haar zoon is vergaan, en ze behandelt Jehu als de moordenaar van zijn heer. In plaats van bedroefd te zijn, maakt de oude koningin zich op; een laatste daad van ijdelheid, zouden we kunnen zeggen.

Dan gaat ze voor het raam staan om uit te zien naar hem die zal komen, om hem met alle verachting te bespotten.

Op het bevel van Jehu duwen haar eigen dienstknechten haar uit het raam. Korte tijd later hebben de honden slechts weinig van haar lichaam overgelaten. Dat is het vreselijke einde van de persoon die in de Schrift de belichaming is van de verderfelijke macht binnen de gemeente (zie Openbaring 2 vers 20).

De oversten en oudsten van Samaria en Jizreël zijn uit angst voor Jehu bereid om de zonen van de koning te doden en daardoor bij hun nieuwe koning in een goed blaadje te komen.

Toch moeten we de hand van de Heere achter deze bloedige daad zien. We kunnen er zeker van zijn dat niet één van deze zeventig zonen het verdiend had, gespaard te blijven. Want volgens Ezechiël 18 vers 17 zal de zoon die het voorbeeld van zijn goddeloze vader niet volgt, maar in de inzettingen van de HEERE wandelt, "niet sterven om de ongerechtigheid van zijn vader; hij zal gewis leven".

2 Koningen 10:12-27
12En hij maakte zich op, en toog heen en ging naar Samaria; en zijnde te Beth-Heked der herderen, op den weg,13Vond Jehu de broederen van Ahazia, den koning van Juda, en hij zeide: Wie zijt gijlieden? En zij zeiden: Wij zijn de broederen van Ahazia, en zijn afgekomen, om de zonen des konings en de zonen der koningin te groeten.14Toen zeide hij: Grijpt hen levend. En zij grepen hen levend; en zij sloegen hen bij den bornput van Beth-Heked, twee en veertig mannen, en hij liet niet een van hen over.15En van daar gegaan zijnde, zo vond hij Jonadab, den zoon van Rechab, hem tegemoet; die hem groette; en hij zeide tot hem: Is uw hart recht, gelijk als mijn hart met uw hart is? En Jonadab zeide: Het is, ja, het is; geef uw hand. En hij gaf zijn hand, en hij deed hem tot zich op den wagen klimmen.16En hij zeide: Ga met mij, en zie mijn ijver aan voor den HEERE. Zo deden zij hem rijden op zijn wagen.17En toen hij te Samaria kwam, sloeg hij allen, die aan Achab te Samaria overgebleven waren, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des HEEREN, dat Hij tot Elia gesproken had.18En Jehu verzamelde al het volk, en zeide tot hen: Achab heeft Baal een weinig gediend; Jehu zal hem veel dienen.19Nu daarom roept alle profeten van Baal, al zijn dienaren, en al zijn priesteren tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offerande aan Baal; al wie gemist wordt, zal niet leven. Doch Jehu deed dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baal ombracht.20Verder zeide Jehu: Heiligt Baal een verbods dag. en zij riepen dien uit.21Ook zond Jehu in het ganse Israel; en alle Baalsdienaren kwamen, dat niet een man overbleef, die niet kwam; en zij kwamen in het huis van Baal, dat het huis van Baal vervuld werd van het ene einde tot het andere einde.22Toen zeide hij tot dengene, die over het klederhuis was: Breng voor alle dienaren van Baal de kleding uit. En hij bracht voor hen de kleding uit.23En Jehu kwam met Jonadab, den zoon van Rechab, in het huis van Baal; en hij zeide tot de dienaren van Baal: Onderzoekt, en ziet toe, dat hier misschien bij u niemand zij van de dienaren van Baal alleen.24Toen zij nu inkwamen, om slachtofferen en brandofferen te doen, bestelde zich Jehu daarbuiten tachtig mannen, en hij zeide: Zo iemand van de mannen, die ik in uw handen gebracht heb, ontkomt, zijn ziel zal voor deszelfs ziel zijn.25En het geschiedde, als hij voleind had het brandoffer te doen, dat Jehu zeide tot de trawanten en tot de hoofdmannen: Komt in, slaat hen, dat niemand uitkome. En zij sloegen hen met de scherpte des zwaard; en de trawanten en hoofdmannen wierpen hen weg; daarna kwamen zij tot de stad in het huis van Baal;26En zij brachten de opgerichte beelden uit het huis van Baal, en verbrandden ze.27Zij braken ook het opgerichte beeld van Baal af; daartoe braken zij het huis van Baal af, en maakten dat tot heimelijke gemakken, tot op dezen dag.

Jehu gaat verder met zijn oordeelstocht en ontmoet een groep vrolijke jongelui. Zorgeloos gaan zij hun weg. Het zijn de tweeënveertig broers (of neven) van Aházia.

Deze jeugd van de koninklijke familie van Juda is van plan om de jongeren van de koninklijke familie van Israël te bezoeken. Ze weten echter niet wat er zojuist is voorgevallen, namelijk dat de zeventig hoofden van deze prinsen van Israël in twee hopen opgestapeld zijn aan de deur van de poort van Jizreël (vers 8)! Deze tweeënveertig prinsen volgen de zeventig in hun dood.

Deze gebeurtenis doet ons denken aan die talloze jongeren die slechts op één ding uit zijn: zoveel mogelijk van het leven genieten! Ze vergeten dat de dood hen plotseling kan overrompelen, zonder dat ze erop voorbereid zijn (Prediker 11 vers 9). Hoevelen hebben niet onverwacht de dood gevonden, bijvoorbeeld als gevolg van een verkeersongeluk, terwijl ze het vermaak najaagden?

In dit Schriftgedeelte lezen we van een interessante ontmoeting: die met Jónadab, de zoon van Rechab. Dit is een trouwe man. In Jeremia 35 lezen we de geschiedenis van zijn nageslacht.

Jehu doet er alles aan om een goede indruk op hem te maken, en nodigt hem uit om het uitroeien van de Baälpriesters bij te wonen.

De list die hij echter gebruikt, heeft weinig overeenkomst met de gebeurtenis op de berg Karmel waardoor het hart van het volk Israël tot de HEERE werd teruggebracht (zie 1 Koningen 18).

2 Koningen 10:28-36; 2 Koningen 11:1-3
28Alzo verdelgde Jehu Baal uit Israel.29Maar van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed, na te volgen, week Jehu niet af, te weten, van de gouden kalveren, die te Beth-El en die te Dan waren.30De HEERE dan zeide tot Jehu: Daarom dat gij welgedaan hebt, doende wat recht is in Mijn ogen, en hebt aan het huis van Achab gedaan, naar alles, wat in Mijn hart was, zullen u zonen tot het vierde gelid op den troon van Israel zitten.31Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet des HEEREN, des Gods van Israel, met zijn ganse hart; hij week niet van de zonden van Jerobeam, die Israel zondigen deed.32In die dagen begon de HEERE Israel af te korten, want Hazael sloeg ze in alle landpalen van Israel:33Van de Jordaan af, tegen den opgang der zon, het ganse land van Gilead, der Gadieten, en der Rubenieten, en der Manassieten; van Aroer, dat aan de beek van Arnon is, en Gilead, en Basan.34Het overige nu der geschiedenissen van Jehu, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?35En Jehu ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria, en zijn zoon Joahaz werd koning in zijn plaats.36En de dagen, die Jehu over Israel geregeerd heeft in Samaria, zijn acht en twintig jaren.
1Toen nu Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad om.2Maar Joseba, de dochter van den koning Joram, de zuster van Ahazia, nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, zettende hem en zijn voedster in een slaapkamer; en zij verborgen hem voor Athalia, dat hij niet gedood werd.3En hij was met haar verstoken in het huis des HEEREN zes jaren; en Athalia regeerde over het land.

Als we zien hoe Jehu de wraak van de HEERE uitvoert, worden onze gedachten bepaald bij de Koning, de Held (Christus), aan Wie Psalm 45 gericht is:

"Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten" (vers 8; 2 Koningen 9 vers 6).

"En rijd voorspoedig in Uw heerlijkheid" (vers 5; 2 Koningen 9 vers 16).

"Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren. Uw pijlen zijn scherp ... in het hart van des Konings vijanden" (vers 5 en 6; 2 Koningen 9 vers 24).

Als gevolg daarvan zal Christus de troon ontvangen, maar niet slechts voor een bepaalde tijd. Het geslacht van Jehu zou vier generaties lang op de troon mogen zitten (2 Koningen 10 vers 30), maar Christus voor "eeuwig en altoos" (Psalm 45 vers 7).

Vers 31 laat een grote tegenstelling zien waaruit ook wij een heel belangrijke les kunnen leren. Je kunt grote ijver voor God ontplooien en opzienbarende dingen doen die de schijn van een groot geloof hebben, maar daarbij toch slechts aan je eigen belang denken.

Hoofdstuk 11 verplaatst ons vervolgens naar het koninkrijk van Juda waar we de vreselijke koningin Athália aan de macht zien.

Zij heeft zich van haar eigen mannelijke nakomelingen ontdaan door hen te vermoorden, en zo zelf de kroon te kunnen bemachtigen.

2 Koningen 11:4-21
4In het zevende jaar nu zond Jojada, en nam de oversten van honderd met de hoofdmannen, en met de trawanten, en hij bracht hen tot zich, in het huis des HEEREN; en hij maakte een verbond met hen, en hij beedigde hen in het huis des HEEREN, en hij toonde hun den zoon des konings.5En hij gebood hun, zeggende: Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis des konings;6En een derde deel zal zijn aan de poort Sur; en een derde deel aan de poort achter de trawanten; zo zult gij waarnemen de wacht van dit huis, tegen inbreking.7En de twee delen van ulieden, allen, die op den sabbat uitgaan, zullen de wacht van het huis des HEEREN waarnemen bij den koning.8En gij zult den koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand, en hij, die tussen de ordeningen intreedt, zal gedood worden; en zijt gij bij den koning, als hij uitgaat, en als hij inkomt.9De oversten dan van honderd deden naar al wat de priester Jojada geboden had, en namen ieder zijn mannen, die op den sabbat ingingen, met degenen, die op den sabbat uitgingen; en zij kwamen tot den priester Jojada.10En de priester gaf aan de oversten van honderd de spiesen en de schilden, die van den koning David geweest waren, die in het huis des HEEREN geweest waren.11En de trawanten stonden, ieder met zijn wapenen in zijn hand, van de rechterzijde van het huis, tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar en naar het huis toe, bij den koning rondom.12Daarna bracht hij des konings zoon voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem; daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve!13Toen Athalia hoorde de stem der trawanten en des volks, zo kwam zij tot het volk in het huis des HEEREN.14En zij zag toe, en ziet, de koning stond bij den pilaar, naar de wijze, en de oversten en de trompetten bij den koning; en al het volk des lands was blijde, en blies met trompetten. Toen verscheurde Athalia haar klederen, en zij riep: Verraad, verraad!15Maar de priester Jojada gebood aan de oversten van honderd, die over het heir gesteld waren, en zeide tot hen: Brengt haar uit tot buiten de ordeningen, en doodt, wie haar volgt, met het zwaard; want de priester had gezegd: Laat ze in het huis des HEEREN niet gedood worden.16En zij legden de handen aan haar; en zij ging den weg van den ingang der paarden naar het huis des konings, en zij werd daar gedood.17En Jojada maakte een verbond tussen den HEERE en tussen den koning, en tussen het volk, dat het den HEERE tot een volk zou zijn; mitsgaders tussen de koning en tussen het volk.18Daarna ging al het volk des lands in het huis van Baal, en braken dat af; zijn altaren en zijn beelden verbraken zij recht wel; en Mattan, den priester van Baal, sloegen zij dood voor de altaren. De priester nu bestelde de ambten in het huis des HEEREN.19En hij nam de oversten van honderd, en de hoofdmannen, en de trawanten, en al het volk des lands; en zij brachten den koning af uit het huis des HEEREN, en kwamen door den weg van de poort der trawanten tot het huis des konings, en hij zat op den troon der koningen.20En al het volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden bij des konings huis.21Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd.

De complete koninklijke familie van het tienstammenrijk Israël is zojuist uitgeroeid. De koninklijke familie van Juda is hetzelfde lot beschoren, met uitzondering van een kleine jongen die door zijn tante, de vrouw van de hogepriester (2 Kronieken 22 vers 11), in de tempel wordt verstopt.

Vanaf die tijd zit de afschuwelijke Athália onrechtmatig op de troon.

In feite is de tijd van nu te vergelijken met die situatie. Nadat de Heere Jezus door de dood is gegaan (Joas werd er slechts door bedreigd), bevindt Hij Zich nu in het hemelse heiligdom waar Hij de priesterdienst uitoefent. Hij is in deze tijd verborgen voor het oog van de wereld, maar bevindt Zich in de tegenwoordigheid van God. Uiteindelijk zal Hij op de dag van Zijn verheerlijking als de ware Zoon van David verschijnen.

Er zijn mensen — zij die bij de familie van God horen — die Hem als ware Koning kennen en eren en Zijn verschijning verwachten (Titus 2 vers 13). Zij bezitten een kostbaar geheim en een gelukzalige hoop, zodat de voorbijgaande heerschappij van satan, de vorst van deze wereld, geen indruk op hen kan maken. Spoedig zal die macht immers definitief vernietigd worden, zoals het hier ook met de heerschappij van Athália gebeurt!

De kroning van Joas is in feite een beeld van de toekomst waar onze harten in geloof en met blijde verwachting naar uitzien.

De afgodendienst van Baäl wordt tenslotte, zonder list te gebruiken zoals Jehu deed, uit Juda uitgeroeid.

2 Koningen 12:1-16
1In het zevende jaar van Jehu werd Joas koning, en regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja van Ber-seba.2En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al zijn dagen, in dewelke de priester Jojada hem onderwees.3Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.4En Joas zeide tot de priesteren: Al het geld der geheiligde dingen, dat gebracht zal worden in het huis des HEEREN, te weten het geld desgenen, die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder der personen naar zijn schatting, en al het geld, dat in ieders hart komt, om dat te brengen in het huis des HEEREN,5Zullen de priesters tot zich nemen, een ieder van zijn bekende; en zij zullen de breuken van het huis verbeteren, naar alles wat er voor breuk bevonden zal worden.6Maar het geschiedde in het drie en twintigste jaar van den koning Joas, dat de priesters de breuken van het huis niet gebeterd hadden.7Toen riep de koning Joas den priester Jojada en de andere priesteren, en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden niet de breuken van het huis? Nu dan, neemt geen geld van uw bekenden, dat gij het zoudt geven voor de breuken van het huis.8En de priesters bewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuken van het huis te verbeteren.9Maar de priester Jojada nam een kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand, als iemand inkwam in het huis des HEEREN; en de priesters, die den dorpel bewaarden, staken daarin al het geld, dat ten huize des HEEREN gebracht werd.10Het geschiedde nu, als zij zagen, dat veel gelds in de kist was, dat des konings schrijver met den hogepriester opkwam, en zij bonden het samen, en telden het geld, dat in het huis des HEEREN gevonden werd.11En zij gaven het geld wel gewogen in handen der verzorgers van dat werk, die gesteld waren over het huis des HEEREN; en zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwlieden, die het huis des HEEREN vermaakten;12En aan de metselaren, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen stenen te kopen, om de breuken van het huis des HEEREN te verbeteren, en voor al wat uitgegeven werd voor het huis, om dat te beteren.13Evenwel werden niet gemaakt voor het huis des HEEREN zilveren schalen, gaffelen, sprengbekkens, trompetten, noch enig gouden vat, of zilveren vat, van het geld, dat ten huize des HEEREN gebracht werd.14Maar zij gaven dat aan degenen, die het werk deden; en zij verbeterden daarmede het huis des HEEREN.15Daartoe eisten zij geen rekening van de mannen, wien zij dat geld in hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij handelden trouwelijk.16Het geld van schuldoffer, en het geld van zondofferen werd ten huize des HEEREN niet gebracht; het was voor de priesteren.

De dood van de hogepriester Jójada betekende een keerpunt in de regeringsperiode van Joas. Het tweede Boek van de Kronieken vertelt ons over het verdrietige einde van zijn leven. Zover is het hier nog niet.

Tot en met het zestiende vers zien we de gelukkige periode uit Joas' regering. Het lijkt erop dat slechts één ding het hart van de koning beheerst: de verbetering van het huis van de HEERE.

De tempel was sinds de dagen van Salomo in verval geraakt. Maar Joas die samen met de priester in de kamers naast het heiligdom is opgegroeid, heeft van kind af aan een grote en blijvende interesse gehad voor dit huis. Tegelijkertijd had hij toen alle gelegenheid om elke scheur in het gebouw te leren kennen.

En jullie, jongelui, die met de waarheid van het samenkomen zijn opgegroeid, heeft dit nog een plaats in jullie harten?

Ongetwijfeld zullen jullie ook 'scheuren' weten te vinden: meningsverschillen, onverschilligheid, gebrek aan ijver, wereldgelijkvormigheid, enzovoort. Doe dan als Joas en wordt iemand "die de bressen dicht" (Jesaja 58 vers 12)!

Is dat geen prachtige en begerenswaardige dienst voor de Heere? Zelfs een jonge christen kan deze taak leren uitoefenen.

En welk soort 'cement' moet je daarbij gebruiken en welke gereedschappen moet je kunnen hanteren? De liefde, verdraagzaamheid, lankmoedigheid, ootmoed en zachtmoedigheid, en vooral "de band des vredes" (Efeze 4 vers 2 en 3).

2 Koningen 12:17-21; 2 Koningen 13:1-9
17Toen trok Hazael, de koning van Syrie op, en krijgde tegen Gath, en nam haar in; daarna stelde Hazael zijn aangezicht, om tegen Jeruzalem op te trekken.18Maar Joas, de koning van Juda, nam al de geheiligde dingen, die Josafat, en Joram, en Ahazia, zijn vaderen, de koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijn geheiligde dingen, en al het goud, dat gevonden werd in de schatten van het huis des HEEREN, en van het huis des konings, en zond het tot Hazael, den koning van Syrie; toen trok hij op van Jeruzalem.19Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?20En zijn knechten stonden op, en maakten een verbintenis, en sloegen Joas, in het huis van Millo, dat afgaat naar Silla;21Want Jozacar, de zoon van Simeath, en Jozabad, de zoon van Somer, zijn knechten, sloegen hem, dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijn vaderen in de stad Davids; en Amazia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
1In het drie en twintigste jaar van Joas, den zoon van Ahazia, den koning van Juda, werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zeventien jaren.2En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; want hij wandelde na de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed; hij week daarvan niet af.3Daarom ontstak des HEEREN toorn tegen Israel; en Hij gaf hen in de hand van Hazael, den koning van Syrie, en in de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, al die dagen.4Doch Joahaz bad des HEEREN aangezicht ernstelijk aan; en de HEERE verhoorde hem; want Hij zag de verdrukking van Israel, dat de koning van Syrie hen verdrukte.5(Zo gaf de HEERE Israel een verlosser, dat zij van onder de hand der Syriers uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hun tenten, als te voren.6Nochtans weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israel zondigen deed; maar hij wandelde daarin; en het bos bleef ook staan te Samaria.)7Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig ruiteren en tien wagenen, en tien duizend voetvolks; want de koning van Syrie had hen omgebracht, en had hen dorsende gemaakt als stof.8Het overige nu der geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en al zijn macht, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?9En Joahaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem te Samaria; en Joas, zijn zoon, regeerde in zijn plaats.

Házaël, de koning van Syrië, is tegen Jeruzalem ten strijde getrokken. Joas had op de HEERE moeten vertrouwen, maar wat doet hij?

Hij handelt precies zoals Asa vroeger gedaan heeft bij de ondergang van zijn rijk, toen Báësa tegen hem optrok (1 Koningen 15 vers 17 en 18). Hij geeft alle geheiligde voorwerpen die zijn voorouders en hijzelf aan het begin van hun loopbaan geheiligd hebben voor de dienst van God in de tempel, aan de Syrische koning.

Helaas zijn velen deze arme koning gevolgd! Aan het begin van hun christelijke leven hebben ze de Heere met blijdschap offers gebracht. Ze hebben bepaalde dingen gewijd of geheiligd (afgezonderd) voor de dienst van de Heere. Daarop ondervonden ze tegenwerking van de kant van de wereld en omdat ze niet bereid waren dit in geloof het hoofd te bieden, hebben ze liever alles overboord gezet.

Dat is precies wat de vijand wil bereiken! Vanaf dat moment laat hij hen misschien met rust. Ja, maar wat hebben ze er een hoge prijs voor moeten betalen!

Het is allemaal zó goed begonnen, maar het leven van deze arme Joas eindigt op tragische wijze. Hij wordt door zijn eigen knechten vermoord.

In zijn plaats komt nu Amázia aan de macht, terwijl in Israël Jehu opgevolgd wordt door Jóahaz. Deze Jóahaz is een slechte koning. Toch zien we opeens in de verzen 4 en 5 de genade van God naar voren komen, want ondanks alles geeft Hij Zijn volk een verlosser!

God heeft ons een grotere Verlosser gegeven! "Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave" (2 Korinthe 9 vers 15).

2 Koningen 13:10-25
10In het zeven en dertigste jaar van Joas, den koning van Juda, werd Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israel, te Samaria, en regeerde zestien jaren.11En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van al de zonden van Jerobeam, dien zoon van Nebat, die Israel zondigen deed, maar hij wandelde daarin.12Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, waarmede hij gestreden heeft tegen Amazia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?13En Joas ontsliep met zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. En Joas werd begraven te Samaria, bij de koningen van Israel.14Elisa nu was krank geweest van zijn krankheid, van dewelke hij stierf; en Joas, de koning van Israel, was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israels en zijn ruiteren!15En Elisa zeide tot hem: Neem een boog en pijlen. En hij nam tot zich een boog en pijlen.16En hij zeide tot den koning van Israel: Leg uw hand aan den boog, en hij leide zijn hand daaraan; en Elisa leide zijn handen op des konings handen.17En hij zeide: Doe het venster open tegen het oosten. En hij deed het open. Toen zeide Elisa: Schiet. En hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossing des HEEREN, en een pijl der verlossing tegen de Syriers; want gij zult de Syriers slaan in Afek, tot verdoens toe.18Daarna zeide hij: Neem de pijlen. En hij nam ze. Toen zeide hij tot den koning van Israel: Sla tegen de aarde. En hij sloeg driemaal; daarna stond hij stil.19Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij zoudt vijfmaal of zesmaal geslagen hebben; dan zoudt gij de Syriers tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriers driemaal slaan.20Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabieten kwamen in het land met het ingaan des jaars.21En het geschiedde, als zij een man begroeven, dat zij, ziet, een bende zagen; zo wierpen zij den man in het graf van Elisa; en toen de man daarin kwam, en het gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend, en rees op zijn voeten.22Hazael nu, de koning van Syrie, verdrukte Israel, al de dagen van Joahaz.23Doch de HEERE was hun genadig, en ontfermde Zich hunner, en wendde Zich tot hen, om Zijns verbonds wil met Abraham, Izak en Jakob; en Hij wilde hen niet verderven, en heeft hen niet verworpen van Zijn aangezicht, tot nu toe.24En Hazael, de koning van Syrie, stierf, en zijn zoon Benhadad werd koning in zijn plaats.25Joas nu, de zoon van Joahaz, nam de steden weder in, uit de hand van Benhadad, den zoon van Hazael, die hij uit de hand van Joahaz, zijn vader, met krijg genomen had; Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden aan Israel weder.

Elísa, wiens naam 'God is heil' betekent, blijft tot aan het einde van zijn lange dienst de profeet van de genade.

Hier maakt hij Joas, de nieuwe koning van Israël die bij hem op bezoek komt, bekend dat de bevrijding spoedig zal komen. Waar kunnen we vandaag genade en heil vinden dan alleen bij de Heere Jezus Die voor ons gestorven is?

Helaas is Joas niet in staat de grote genade die hem aangeboden wordt, te benutten. Het ontbreekt hem aan geloof.

Is dat bij ons ook niet vaak het geval? God houdt rijke zegeningen voor ons bereid die Hij ons maar wat graag zou willen geven. En wat doen wij? Wij vragen Hem vaak heel schuchter om die zegeningen, alsof God te arm zou zijn en ze daarom niet graag over ons zou willen uitstorten.

Dat betekent echter maar één ding, namelijk dat we de Vader nog maar heel slecht kennen. Hij stelt geen grenzen aan de zegeningen. Als we geen zegeningen (meer) ontvangen, moeten we de oorzaak daarvan bij onszelf zoeken. Het komt door ons gebrek aan geloof! Wij hebben niets, omdat wij er niet met vrijmoedigheid om bidden (Jakobus 4 vers 2).

Elísa sterft. Maar zelfs zijn dood wordt tot een bron van leven voor anderen.

Hiermee is deze opmerkelijke profeet zelfs tot in zijn graf een beeld van de Heere Jezus (zie Mattheüs 27 vers 52).

Aan het einde van dit hoofdstuk zien we dat de HEERE, hoewel Hij genoodzaakt is Zijn volk te tuchtigen, tegelijkertijd met Goddelijk medegevoel bewogen is (vergelijk Hebreeën 12 vers 6).

2 Koningen 14:1-16
1In het tweede jaar van Joas, den zoon van Joahaz, den koning van Israel, werd Amazia koning, de zoon van Joas, den koning van Juda.2Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Joaddan van Jeruzalem.3En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, nochtans niet als zijn vader David; hij deed naar alles, wat zijn vader Joas gedaan had.4Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookt nog op de hoogten.5Het geschiedde nu, als het koninkrijk in zijn hand versterkt was, dat hij zijn knechten sloeg, die den koning, zijn vader, geslagen hadden,6Doch de kinderen der doodslagers doodde hij niet; gelijk geschreven is in het wetboek van Mozes, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen voor de kinderen niet gedood worden, en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden; maar een ieder zal om zijn zonde gedood worden.7Hij sloeg de Edomieten in het Zoutdal tien duizend, en nam Sela in met krijg, en noemde haar naam Jokteel, tot op dezen dag.8Toen zond Amazia boden tot Joas, den zoon van Joahaz, den zoon van Jehu, den koning van Israel, zeggende: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.9Maar Joas, de koning van Israel, zond tot Amazia, den koning van Juda, zeggende: De distel, die op den Libanon is, zond tot den ceder, die op den Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij, en vertrad den distel.10Gij hebt de Edomieten dapper geslagen, daarom heeft uw hart u verheven; heb de eer, en blijf in uw huis; want waarom zoudt gij u in het kwade mengen, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u?11Doch Amazia hoorde niet; daarom toog Joas, de koning van Israel, op, zodat hij en Amazia, de koning van Juda, elkanders aangezicht zagen te Beth-Semes, dat in Juda is.12En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israel, en zij vloden, een iegelijk in zijn tenten.13En Joas, de koning van Israel, greep Amazia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Ahazia, te Beth-Semes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraim tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.14En hij nam al het goud, en het zilver, en al de vaten, die gevonden werden in het huis des HEEREN, en in de schatten van des konings huis, mitsgaders gijzelaars; en hij keerde weder naar Samaria.15Het overige nu der geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft, en zijn macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amazia, den koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?16En Joas ontsliep met zijn vaderen, en werd te Samaria begraven bij de koningen van Israel; en zijn zoon Jerobeam werd koning in zijn plaats.

Amázia, de zoon van Joas, komt nu op de troon van Juda. Tegelijkertijd is de troon van Israël voor Joas, de zoon van Jóahaz. Ook nu zien we weer hoe groot de invloed kan zijn van een moeder die bij het volk van God hoort (vers 2). Er worden ons goede dingen over deze nieuwe koning meegedeeld, vooral wat de moeite betreft die hij doet om het Woord te gehoorzamen (vers 6; zie Deuteronomium 24 vers 16).

Hij handelde volgens de gedachten van God, "nochtans niet als zijn vader David" (vers 3). Dat wordt nauwkeurig opgemerkt door aan het voorbeeld van die geliefde koning te herinneren.

Wij mogen alles vergelijken met ons volmaakte Voorbeeld, de Heere Jezus. De eerste Brief van Johannes begint met de woorden: "Hetgeen van den beginne was"! Daarnaar moeten we terugkeren. En wat zijn de laatste woorden van die Brief? "Kinderkens, bewaart uzelf van de afgoden!"

Het tweede Boek van de Kronieken laat zo'n afval bij Amázia zien (hoofdstuk 25 vers 14). Niet lang na het begin van zijn regering stelt hij de goden van de Edomieten op als afgoden. Wat een ondankbaarheid tegenover de HEERE Die hem de overwinning op de Edomieten heeft doen behalen!

Het gevolg van deze afgodendienst en de hoogmoed van Amázia is de grote nederlaag die Juda lijdt in de strijd tegen Joas, de koning van Israël. Joas heeft zelfs gezien hoe het met Amázia gesteld was (vers 10).

Als wij menen dat we een overwinning aan onszelf te danken hebben, zal God toelaten dat we de volgende strijd verliezen, omdat Hij ons wil leren alleen op Hem te vertrouwen.

2 Koningen 14:17-29
17Amazia nu, de zoon van Joas, koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Joahaz, den koning van Israel, vijftien jaren.18Het overige nu der geschiedenissen van Amazia, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?19En zij maakten een verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maar zij zonden hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar.20En zij brachten hem op paarden; en hij werd te Jeruzalem begraven, bij zijn vaderen, in de stad Davids.21En het ganse volk van Juda nam Azaria (die nu zestien jaren oud was), en maakten hem koning in plaats van zijn vader Amazia.22Die bouwde Elath, en bracht haar weder aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.23In het vijftiende jaar van Amazia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaria koning, Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israel, en regeerde een en veertig jaren.24En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet van alle zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.25Hij bracht ook weder de landpale van Israel van den ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord des HEEREN, des Gods van Israel, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Jona, den zoon van Amitthai, den profeet, die van Gath-hefer was.26Want de HEERE zag, dat de ellende van Israel zeer bitter was, en dat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israel geen helper had.27En de HEERE had niet gesproken, dat Hij den naam van Israel van onder den hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jerobeam, den zoon van Joas.28Het overige nu der geschiedenissen van Jerobeam, en al wat hij gedaan heeft, en zijn macht, hoe hij gekrijgd heeft, en hoe hij Damaskus en Hamath, tot Juda behorende, aan Israel wedergebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?29En Jerobeam ontsliep met zijn vaderen, met de koningen van Israel; en zijn zoon Zacharia werd koning in zijn plaats.

Over de laatste vijftien jaren van het leven van Amázia wordt niets meegedeeld. Het zijn verloren jaren! Geen enkele gebeurtenis uit die periode is het waard door God aangehaald te worden! Zijn er in ons leven soms ook niet van die periodes?

Evenals zijn vader sterft ook Amázia een gewelddadige dood: het verdrietige einde van een man die "afgeweken was van achter de HEERE"! (2 Kronieken 25 vers 27). Zijn zoon Azária (die op andere plaatsen soms Uzzia wordt genoemd) wordt op de leeftijd van zestien jaar zijn opvolger.

In Israël is in diezelfde periode de derde nakomeling van Jehu, Jeróbeam II, aan de macht. Deze blijft, evenals zijn voorouders, verbonden aan de afgoderij met de gouden kalveren van Jeróbeam I.

Toch werkt God in Zijn grote barmhartigheid verder aan de bevrijding van Zijn volk, zelfs door de hand van deze boze koning. Wat een geduld! En wat aangrijpend zijn de woorden: "En de HEERE had niet gesproken, dat hij de naam van Israël van onder de hemel verdelgen zou" (vers 27)!

Hoewel God gedwongen werd streng op te treden, grijpt Hij elke gelegenheid aan om genade te bewijzen, voor zover Zijn gerechtigheid dat toelaat.

Ook tijdens deze regering stuurt Hij profeten naar het volk: Hoséa, Amos en tenslotte Jona die in vers 25 aangehaald wordt. God waarschuwt Zijn volk steeds weer.

Later zegt Hij tegen de Hebreeën dat Hij "voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken" heeft. Tot ons spreekt Hij nu echter door de Zoon; letterlijk: in Zoon (Hebreeën 1 vers 1 en 2).

2 Koningen 15:1-22
1In het zeven en twintigste jaar van Jerobeam, den koning van Israel, werd koning Azaria, de zoon van Amazia, den koning van Juda.2Hij was zestien jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van Jeruzalem.3En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar al wat zijn vader Amazia gedaan had.4Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten.5En de HEERE plaagde den koning, dat hij melaats werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis; doch Jotham, de zoon des konings, was over het huis, richtende het volk des lands.6Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?7En Azaria ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in de stad Davids; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.8In het acht en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, regeerde Zacharia, de zoon van Jerobeam, over Israel te Samaria, zes maanden.9En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vaderen gedaan hadden; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.10En Sallum, de zoon van Jabes, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk, en doodde hem; en hij werd koning in zijn plaats.11Het overige nu der geschiedenissen van Zacharia, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.12Dit was het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon van Israel zitten; en het is alzo geschied.13Sallum, de zoon van Jabes, werd koning, in het negen en dertigste jaar van Uzzia, den koning van Juda; en hij regeerde een volle maand te Samaria.14Want Menahem, de zoon van Gadi, toog op van Thirza, en kwam te Samaria, en sloeg Sallum, den zoon van Jabes, te Samaria, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats.15Het overige nu der geschiedenissen van Sallum, en zijn verbintenis, die hij maakte, ziet, die zijn geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.16Toen sloeg Menahem Tifsah, met allen, die daarin waren, ook haar landpalen van Thirza af; omdat men niet voor hem had opengedaan, zo sloeg hij hen; al haar bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.17In het negen en dertigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Menahem, den zoon van Gadi, koning over Israel, en regeerde tien jaren te Samaria.18En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week al zijn dagen niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.19Toen kwam Pul, de koning van Assyrie, tegen het land; en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijn hand met hem zoude zijn, om het koninkrijk in zijn hand te sterken.20Menahem nu bracht dit geld op van Israel, van alle geweldigen van vermogen, om den koning van Assyrie te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels; alzo keerde de koning van Assyrie weder, en bleef daar niet in het land.21Het overige nu der geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel?22Daarna ontsliep Menahem met zijn vaderen; en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.

Over Azária (of Uzzia) worden ons in 2 Kronieken 26 veel meer details meegedeeld. Zijn goed begonnen loopbaan eindigt na een regeringsperiode van tweeënvijftig jaar heel verdrietig. Zo was het ook gegaan bij zijn vader en grootvader.

Laten we eraan denken dat een goed begin van ons christelijke leven geen garantie is voor een gelukkige voortgang tot aan het einde! Laten we nooit steunen op vroegere of huidige trouw, maar altijd en alleen vertrouwen op de Heere Die ons als Enige voor struikelen kan bewaren (Judas vers 24).

Gedurende de lange regeringstijd van Azária nemen achtereenvolgens Zacharía, de vierde en laatste nakomeling van Jehu, Sallum, Menáhem, Pekáhia en tenslotte Pekah de macht in Israël over.

"Hij deed wat kwaad was ...; hij week niet af van de zonden", is het verdrietige refrein in de samenvatting van deze opeenvolgende regeringsperioden.

Het is niet belangrijk wat er in de geschiedenisboeken van de wereld komt te staan. Nee, het enige dat telt in het leven van ieder mens, ook in uw en mijn leven, is de waarde die God aan de dingen hecht.

"Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij" (Hoséa 8 vers 4). Het is heel ernstig om op te merken dat de HEERE, als Hij de geschiedenis van het rijk Israël lange tijd heeft gadegeslagen, Zijn volk tenslotte aan zichzelf overlaat, omdat Hij vermoeid is van zoveel ontrouw (Hoséa 4 vers 17).

2 Koningen 15:23-38
23In het vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israel, en regeerde twee jaren te Samaria.24En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.25En Pekah, de zoon van Remalia, zijn hoofdman, maakte een verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samaria, in het paleis van het huis des konings, met Argob en met Arje, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileadieten; alzo doodde hij hem, en werd koning in zijn plaats.26Het overige nu der geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.27In het twee en vijftigste jaar van Azaria, den koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israel, en regeerde twintig jaren te Samaria.28En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet af van de zonden van Jerobeam, den zoon van Nebat, die Israel zondigen deed.29In de dagen Pekah, den koning van Israel, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrie, en nam Ijon in, en Abel-Beth-maacha, en Janoah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galilea, het ganse land van Nafthali; en hij voerde hen weg naar Assyrie.30En Hosea, de zoon van Ela, maakte een verbintenis tegen Pekah, den zoon van Remalia, en sloeg hem, en doodde hem, en werd koning in zijn plaats; in het twintigste jaar van Jotham, den zoon van Uzzia.31Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, ziet, dat is geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israel.32In het tweede jaar van Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israel, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, den koning van Juda.33Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok.34En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, deed hij.35Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk offerde en rookte nog op de hoogten; dezelve bouwde de hoge poort aan het huis des HEEREN.36Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?37In die dagen begon de HEERE in Juda te zenden Rezin, den koning van Syrie, en Pekah, den zoon van Remalia.38En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad van zijn vader David; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

Alle waarschuwingen van God, inclusief Zijn zwijgen, zijn tevergeefs geweest. Het geweten van het volk is niet geraakt. Daarom is tenslotte het moment gekomen waarop God Zijn laatste strafmaatregel tegen dit volk moet nemen: de verstrooiing onder de volken. Dat was de strengste vorm van tuchtiging die overigens al aan het begin van de geschiedenis van Israël was voorzegd (Leviticus 26 vers 33 en Deuteronomium 28 vers 64). Door het grote geduld van God was de uitvoering ervan echter eeuwen lang uitgesteld.

We kunnen ons misschien indenken, maar nooit werkelijk peilen, hoeveel dit besluit God gekost moet hebben. Hij had het volk uit Egypte geleid. Hij had hen bijeenverzameld, afgezonderd en in een goed land gebracht. En nu moet Hij als het ware Zijn eigen werk te niet doen en dit arme volk weer onder het juk brengen waarvan Hij het bevrijd had (vergelijk Jeremia 45 vers 4). Toch is er nog steeds genade! Dit is nog maar het begin van de wegvoering, zodat er altijd nog gelegenheid tot berouw is.

Laten we erop letten dat de bewoners van Gilead bij de eerste slachtoffers behoren. In Numeri 32 wordt ons de beslissing van de tweeënhalve stam meegedeeld om zich, uit materiële overwegingen, aan de overzijde van de Jordaan te vestigen. Zij waren niet gericht op de zegeningen van het land, maar — in beeld — op de aardse dingen. Hun nakomelingen moeten nu de tragische gevolgen van deze stap ervaren.

In Juda regeren achtereenvolgens de trouwe Jotham en daarna zijn zoon Achaz die daarentegen juist één van de meest afschuwelijke koningen was.

2 Koningen 16:1-20
1In het zeventiende jaar van Pekah, den zoon van Remalia, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, den koning van Juda.2Twintig jaren was Achaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN zijns Gods, als zijn vader David.3Want hij wandelde in den weg der koningen van Israel; ja, hij deed ook zijn zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor de kinderen Israels verdreven had.4Hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte.5Toen toog Rezin, de koning van Syrie, op, met Pekah, den zoon van Remalia, den koning van Israel, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten niet met strijden.6Te dierzelfder tijd bracht Rezin, de koning van Syrie, Elath weder aan Syrie, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriers kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op dezen dag.7Achaz nu zond boden tot Tiglath-Pilezer, den koning van Assyrie, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon; kom op, en verlos mij uit de hand van den koning van Syrie, en uit de hand van den koning van Israel, die zich tegen mij opmaken.8En Achaz nam het zilver en het goud, dat in het huis des HEEREN, en in de schatten van het huis des konings gevonden werd, en hij zond den koning van Assyrie een geschenk.9Zo hoorde de koning van Assyrie naar hem; want de koning van Assyrie toog op tegen Damaskus, en nam haar in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.10Toen toog de koning Achaz Tiglath-Pilezer, den koning van Assyrie, tegemoet, naar Damaskus; en gezien hebbende een altaar, dat te Damaskus was, zo zond de koning Achaz aan den priester Uria de gelijkenis van het altaar, en zijn afbeelding, naar zijn ganse maaksel.11En Uria, de priester, bouwde een altaar, naar alles, wat de koning Achaz van Damaskus ontboden had; alzo deed de priester Uria, tegen dat de koning Achaz van Damaskus kwam.12Als nu de koning van Damaskus gekomen was, zag de koning het altaar; en de koning naderde tot het altaar, en offerde daarop.13En hij stak zijn brandoffer aan, en zijn spijsoffer, en goot zijn drankoffer en sprengde het bloed zijner dankofferen op dat altaar.14Maar het koperen altaar, dat voor het aangezicht des HEEREN was, dat bracht hij van het voorste deel van het huis, van tussen zijn altaar, en van tussen het huis des HEEREN, en hij zette het aan de zijde zijns altaars noordwaarts.15En de koning Achaz gebood Uria, den priester, zeggende: Steek op het grote altaar aan het morgenbrandoffer, en het avondspijsoffer, en des konings brandoffer, en zijn spijsoffer, en het brandoffer van al het volk des lands, en hun spijsoffer, en hun drankofferen; en spreng daarop al het bloed des brandoffers, en al het bloed des slachtoffer; maar het koperen altaar zal mij zijn, om te onderzoeken.16En Uria, de priester, deed naar alles, wat de koning Achaz geboden had.17En de koning Achaz sneed de lijsten der stellingen af, en nam die van boven het wasvat weg, en deed de zee af van de koperen runderen, die daaronder waren; en hij zette die op een stenen vloer.18Daartoe het deksel des sabbats, dat zij in het huis gebouwd hadden, en den buitensten ingang des konings nam hij weg van het huis des HEEREN, vanwege den koning van Assyrie.19Het overige nu der geschiedenissen van Achaz, wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?20En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen, in de stad Davids; en Hizkia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Onder de regering van Achaz in Juda (alsook onder die van Pekah, gevolgd door die van Hoséa in Israël) duiken de Assyriërs in de geschiedenis op. God gebruikt hen om Israël te verstrooien en Juda te tuchtigen. "De Assyriër, die de roede van Mijn toorn is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand" (Jesaja 10 vers 5). Met het oog op deze angstaanjagende inval van de Assyriërs handelt Achaz ongetwijfeld als een bekwaam politicus. Maar ... daarbij bekommert hij zich niet om de gedachten van de HEERE! Toch was hem die wonderbare openbaring gegeven die Jesaja tijdens de heerschappij van Achaz had uitgesproken: "Ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn Naam IMMANUËL heten" (Jesaja 7 vers 14).

Velen hebben vandaag deze blijde boodschap van de geboorte van de Verlosser gehoord. En toch verwerpen ze God Die gekomen is om 'met ons' te zijn (dat betekent namelijk de Naam Immanuël: 'God met ons')!

Achaz neemt de vrijheid om in het huis van de HEERE alles te veranderen. Hij laat een groter altaar maken. De mens vindt dat wat naar God gedachten is, altijd te eng en bekrompen. Daarna bepaalt de goddeloze koning dat het brandofferaltaar niet meer gebruikt hoeft te worden. Voor ons betekent dit dat de waarde van de verzoening door het werk aan het kruis wordt geloochend. Vervolgens neemt hij de stellingen van de zee en het wasvat weg. Dat betekent de afschaffing van het zelfoordeel. En tenslotte verandert hij het "deksel van de sabbat, dat zij in het huis gebouwd hadden" (de zogenaamde'Sabbatsgang'),, en de "buitenste ingang ... vanwege de koning van Assyrië" (vers 18). Dat is het beeld van een godsdienst die naar de gedachten van de wereld is en die zijn deuren wijd openzet.

2 Koningen 17:1-18
1In het twaalfde jaar van Achaz, den koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israel te Samaria, en regeerde negen jaren.2En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; evenwel niet, als de koningen van Israel, die voor hem geweest waren.3Tegen hem toog op Salmaneser, koning van Assyrie; en Hosea werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.4Maar de koning van Assyrie bevond een verbintenis in Hosea, dat hij tot So, den koning van Egypte, boden gezonden had, en het geschenk aan den koning van Assyrie niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zo besloot hem de koning van Assyrie, en bond hem in het gevangenhuis.5Want de koning van Assyrie toog op in het ganse land; ja, hij kwam op naar Samaria, en hij belegerde haar drie jaren.6In het negende jaar van Hosea, nam de koning van Assyrie Samaria in, en voerde Israel weg in Assyrie, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden.7Want het was geschied, dat de kinderen Israels gezondigd hadden tegen den HEERE, hun God, Die hen uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao, den koning van Egypte; en hadden andere goden gevreesd;8En hadden gewandeld in de inzettingen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels verdreven had, en der koningen van Israel, die ze gemaakt hadden.9En de kinderen Israels hadden de zaken, die niet recht zijn, tegen den HEERE, hun God, bemanteld; en hadden zich hoogten gebouwd in al hun steden, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.10En zij hadden zich staande beelden opgericht en bossen, op allen hogen heuvel en onder alle groen geboomte.11En zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen, die de HEERE van hun aangezichten weggevoerd had; en zij hadden kwade dingen gedaan, om den HEERE tot toorn te verwekken.12En zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de HEERE tot hen gezegd had: Gij zult deze zaak niet doen.13Als nu de HEERE tegen Israel en tegen Juda, door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb;14Zo hoorden zij niet, maar zij verhardden hun nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den HEERE, hun God, niet geloofd hadden.15Daartoe verwierpen zij Zijn inzettingen, en Zijn verbond, dat Hij met hun vaderen gemaakt had, en Zijn getuigenissen, die Hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen, die rondom hen waren, van dewelke de HEERE hun geboden had, dat zij niet zouden doen gelijk die.16Ja, zij verlieten al de geboden des HEEREN, huns Gods, en maakten zich gegoten beelden, twee kalveren; en maakten bossen, en bogen zich voor alle heir des hemels, en dienden Baal.17Ook deden zij hun zonen en hun dochteren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich, om te doen dat kwaad was in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.18Daarom vertoornde zich de HEERE zeer over Israel, dat Hij hen wegdeed van Zijn aangezicht; er bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.

Hoséa, de moordenaar en opvolger van Pekah, is de laatste koning van Israël. Het uitstel van een paar jaar dat de HEERE gegeven had, heeft geen uitwerking gehad.

In het negende jaar van de regering van Hoséa wordt Samaria ingenomen en het geheel van de tien stammen weggevoerd naar Assyrië.

Maar de rechtvaardige God wil deze maatregel niet nemen, vóórdat Hij nog één keer op onaanvechtbare wijze heeft vastgesteld hoe groot de schuld van Israël was.

De verzen 7 tot en met 18 vormen de onweerlegbare aanklacht van de HEERE tegen dit beklagenswaardige volk. Zo zal het later ook voor de grote witte troon zijn. De doden zullen niet geoordeeld worden, vóórdat de boeken geopend zijn waarin alle werken tot hun eigen beschaming zijn opgeschreven (Openbaring 20 vers 12 en 13)!

De koning van Assyrië besluit tot een uitwisseling van het volk. Wat een schande dat het prachtige land Kanaän voortaan weer bewoond zal worden door volken die de afgoden dienen, ook al leren ze uiterlijk de HEERE te vrezen en voegen ze Zijn dienst toe aan de dienst van hun afgoden (vers 24 tot en met 33)!

We zijn hier op het punt aangekomen waarop de HEERE bij monde van de profeet Hoséa met betrekking tot Israël de plechtige woorden uitspreekt: "Lo—Ammi". Dat is: "Gij zijt Mijn volk niet" en omgekeerd ook: "... zo zal Ik ook de uwe niet zijn" (Hoséa 1 vers 9).

2 Koningen 18:1-12
1Het geschiedde nu in het derde jaar van Hosea, den zoon van Ela, den koning van Israel, dat Hizkia koning werd, de zoon van Achaz, koning van Juda.2Vijf en twintig jaren was hij oud, toen hij koning werd, en hij regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem, en de naam zijner moeder was Abi, een dochter van Zacharia.3En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader David gedaan had.4Hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang, die Mozes gemaakt had, omdat de kinderen Israels tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde haar Nehustan.5Hij betrouwde op den HEERE, den God Israels, zodat na hem zijns gelijke niet was onder alle koningen van Juda, noch die voor hem geweest waren.6Want hij kleefde den HEERE aan; hij week niet van Hem na te volgen, en hij hield Zijn geboden, die de HEERE aan Mozes geboden had.7Zo was de HEERE met hem; overal, waar hij henen uittrok, handelde hij kloekelijk; daartoe viel hij af van den koning van Assyrie, dat hij hem niet diende.8Hij sloeg de Filistijnen tot Gaza toe, en haar landpalen, van den wachttoren af tot de vaste steden toe.9Het geschiedde nu in het vierde jaar van den koning Hizkia (hetwelk was het zevende jaar van Hosea, den zoon van Ela, den koning van Israel) dat Salmaneser, de koning van Assyrie, opkwam tegen Samaria, en haar belegerde.10En zij namen haar in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was het negende jaar van Hosea, den koning van Israel, als Samaria ingenomen werd.11En de koning van Assyrie voerde Israel weg naar Assyrie, en deed hen leiden in Halah, en in Habor, bij de rivier Gozan, en in de steden der Meden.12Daarom dat zij de stem des HEEREN, huns Gods, niet waren gehoorzaam geweest, maar Zijn verbond overtreden hadden; en al wat Mozes, de knecht des HEEREN, geboden had, dat hadden zij niet gehoord, noch gedaan.

Tot aan het eind van dit Bijbelboek wordt nu alleen nog gesproken over de geschiedenis van Juda.

God heeft zojuist een verdrietige samenvatting van alle zonden van Zijn volk gegeven, maar nu heeft Hij de vreugde ons iets van een trouwe koning te kunnen meedelen. Vandaar ook dat de regeringsperiode van Hizkía maar liefst elf hoofdstukken in de Bijbel beslaat (2 Koningen 18 tot en met 20; 2 Kronieken 29 tot en met 32; Jesaja 36 tot en met 39).

Het is net alsof God het fijn vindt om in een tijd van verval en vóórdat Hij Zich moet bezighouden met een nog donkerder bladzijde in de geschiedenis van Zijn volk, Zich een poosje te bepalen bij het leven van een trouwe dienstknecht.

Tot aan Hizkía lezen we bij de berichtgeving van de beste regeringsperioden steeds dat éne 'maar': "Alleen werden de hoogten niet weggenomen". Deze hoogten waar de offers gebracht werden, of het nu aan de HEERE of aan de afgoden was, bleven in ongehoorzaamheid aan Deuteronomium 12 bestaan.

Daarbij moeten we denken aan alle tradities en het bijgeloof die in de christenheid de leer van de Bijbel over aanbidding vervangen hebben. De verering van de koperen slang herinnert ons eraan dat het kruis zelf tot een onderwerp van afgodendienst is geworden. Hizkía echter verwijdert, slaat kapot, roeit uit en verbrijzelt!

Vervolgens werpt hij het juk van de Assyriërs van zich af en behaalt hij de overwinning op de Filistijnen, zoals Jesaja voorzegd had (Jesaja 14 vers 28 tot en met 32).

2 Koningen 18:13-25
13Maar in het veertiende jaar van den koning Hizkia kwam Sanherib, de koning van Assyrie, op tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.14Toen zond Hizkia, de koning van Juda, tot den koning van Assyrie, naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij, wat gij mij opleggen zult, zal ik dragen. Toen legde de koning van Assyrie Hizkia, den koning van Juda, driehonderd talenten zilvers, en dertig talenten gouds op.15Alzo gaf Hizkia al het zilver, dat gevonden werd in het huis des HEEREN, en in de schatten van het huis des konings.16Te dier tijd sneed Hizkia het goud af van de deuren van den tempel des HEEREN, en van de posten, die Hizkia, de koning van Juda, had laten overtrekken, en gaf dat aan de koning van Assyrie.17Evenwel zond de koning van Assyrie Tartan, en Rabsaris, en Rabsake, van Lachis tot den koning Hizkia, met een zwaar heir naar Jeruzalem; en zij togen op, en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij staan bij den watergang des oppersten vijvers, welke is bij den hogen weg van het veld des vollers.18En zij riepen tot den koning; zo ging tot hen uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.19En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrie: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt?20Gij zegt (doch het is een woord der lippen): Er is raad en macht tot den oorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?21Zie nu, vertrouwt gij u op dien gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan, en die doorboren; alzo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.22Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den HEERE, onzen God; is Hij die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u buigen te Jeruzalem?23Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrie; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.24Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een enigen vorst van de geringste knechten mijns heren afkeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagenen en om de ruiteren.25Nu, ben ik zonder den HEERE opgetogen tegen deze plaats, om die te verderven? De HEERE heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het.

Hizkía heeft moedig een positie ingenomen voor de HEERE. Zijn geloof is echter nog niet op de proef gesteld. Dat moet nog gebeuren.

Zo moet elke christen vroeg of laat tonen of zijn werken werkelijk werken uit geloof zijn, of dat hij het van zichzelf verwacht.

Bij Hizkía begint het geloof te wankelen als de vreselijke aanval van de koning van Assyrië komt.

Hizkía denkt zich hieruit te kunnen redden door Sanherib een enorm bedrag aan goud en zilver in het vooruitzicht te stellen. Het losgeld dat de koning van Assyrië hem oplegt, betaalt hij. Zó heeft Joas vroeger ook gehandeld.

God leert hem (en ook ons) dat bevrijding en echte vrede niet door concessies verkregen kunnen worden. De vijand bedriegt ons altijd!

Sanherib peinst er niet over, nu hij het geld ontvangen heeft, de wapens neer te leggen, maar stuurt juist een groot leger op Hizkía en Jeruzalem af.

Tegelijkertijd stuurt hij drie gevaarlijke mannen, ieder met een speciale 'gave': zijn veldmaarschalk om hen te overwinnen, zijn overste van de lijfwacht (hofmaarschalk) om hen te onderdrukken, en zijn maarschalk om hen te verleiden.

Laten we oppassen voor bepaalde personen die soms door satan op ons afgestuurd worden met een soortgelijke opdracht! Hun taal zal hen verraden!

Dan begint Rabsaké met een toespraak waarin hij openlijk de spot drijft met het vertrouwen dat ze in de HEERE hebben.

2 Koningen 18:26-37
26Toen zeide Eljakim, de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsake: Spreek toch tot uw knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek met ons niet in het Joods, voor de oren des volks, dat op den muur is.27Maar Rabsake zeide tot hen: Heeft mijn heer mij tot uw heer en tot u gezonden, om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen, die op den muur zitten, dat zij met ulieden hun drek eten, en hun water drinken zullen?28Alzo stond Rabsake, en riep met luider stem in het Joods; en hij sprak en zeide: Hoort het woord des groten konings, des konings van Assyrie!29Zo zegt de koning: Dat Hizkia u niet bedriege: want hij zal u niet kunnen redden uit zijn hand.30Daartoe dat Hizkia u niet doe vertrouwen op den HEERE, zeggende: De HEERE zal ons zekerlijk redden, en deze stad zal niet in de hand van den koning van Assyrie gegeven worden.31Hoort naar Hizkia niet; want zo zegt de koning van Assyrie: Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, en eet, een ieder van zijn wijnstok, en een ieder van zijn vijgeboom; en drinkt een ieder het water zijns bornputs;32Totdat ik kom, en u haal in een land, als ulieder land, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honig; zo zult gij leven en niet sterven; en hoort niet naar Hizkia, want hij hitst u op, zeggende: De HEERE zal ons redden.33Hebben de goden der volken, ieder zijn land, enigszins gered uit de hand van den koning van Assyrie?34Waar zijn de goden van Hamath, en van Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samaria uit mijn hand gered?35Welke zijn ze onder alle goden der landen, die hun land uit mijn hand gered hebben, dat de HEERE Jeruzalem uit mijn hand redden zou?36Doch het volk zweeg stil en antwoordde hem niet een woord; want het gebod des konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.37Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia, met gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen.

Rabsaké gaat verder met zijn toespraak en maakt gebruik van bedreiging, bespotting en leugen. Hij durft zelfs te beweren dat hij een opdracht van de HEERE ontvangen heeft om tegen Juda op te trekken en het land te vernietigen (vers 25).

Daarna probeert hij het met verleiding. Hij probeert de taal van het volk na te doen (zoals satan precies onze woorden, onze taal kan gebruiken) en vertelt hen in geuren en kleuren van alle rijkdommen van Assyrië: koren, brood, wijngaarden, enzovoort. Dáár wil hij hen naartoe brengen. Eigenlijk zegt hij: 'Ik breng jullie in een land dat net zo mooi is als dat van jullie!'

Als we de rijkdommen van Assyrië vergelijken met die van het land Kanaän (Deuteronomium 8 vers 7 tot en met 9), dan is er zeker niet veel verschil op te merken.

Toch is er wèl een belangrijk verschil! Het land van de vijand is niet, zoals het land van de HEERE, "een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen ontspringen".

'Een land zoals jullie land'? Absoluut niet!

De Heere Jezus geeft niet zoals de wereld geeft (Johannes 14 vers 27). Als het de vijand niet lukt om de gelovigen zijn bedrieglijke schatten aan te laten nemen, probeert hij hen bij hun hoogste Krachtbron vandaan te halen, van hun sterke God (zie vers 33 tot en met 35).

Welk antwoord moet een christen hem dan geven? Heel eenvoudig zwijgen (vers 36). Je moet niet met de duivel gaan discussiëren, maar van hem wegvluchten.

2 Koningen 19:1-13
1En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.2Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja, den profeet, den zoon van Amoz;3En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkia: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.4Misschien zal de HEERE, uw God, horen al de woorden van Rabsake, denwelken zijn heer, de koning van Assyrie, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden, met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.5En de knechten van den koning Hizkia kwamen tot Jesaja.6En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gij tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars van den koning van Assyrie gelasterd hebben.7Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.8Zo kwam Rabsake weder, en vond den koning van Assyrie, strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.9Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Ziet, hij is uitgetogen om tegen u te strijden, zond hij weder boden tot Hizkia, zeggende:10Zo zult gij spreken tot Hizkia, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrie niet gegeven worden.11Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrie aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?12Hebben de goden der volken, die mijn vaders verdorven hebben, dezelve gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?13Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaim, Hena en Ivva?

Met het oog op de aanval van het Assyrische leger heeft Hizkía een heel merkwaardige manier van oorlog voeren.

In plaats van zich te bewapenen, kleedt hij zich in zakken. En zijn hoofdkwartier slaat hij niet op in één of ander bolwerk, maar in het huis van de HEERE. Tenslotte wendt hij zich tot Jesaja, de profeet, in plaats van zijn elitetroepen te hulp te roepen!

Is dit echter tegenover de aanmatiging en hoogmoed van de koning van Assyrië niet juist de beste militaire strategie die ook de apostel Paulus ons leert?

Hij zegt immers: "De wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot neerwerping der sterkten; daar wij de overleggingen terneer werpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God" (2 Korinthe 10 vers 4 en 5).

Hizkía wiens naam 'sterkte van de HEERE' betekent, weet waar hij hulp kan vinden (Psalm 121 vers 2). Zijn vertrouwen wordt niet beschaamd.

"Vrees niet", laat de profeet hem antwoorden. Wat een kostbaar woord dat we vaak in de Bijbel tegenkomen en ook uit de mond van de Heere Jezus Zelf horen: "Vrees niet, geloof alleen" (Markus 5 vers 36).

De Heere Jezus heeft de "tong der geleerden" om de vermoeiden door een woord op te richten (Jesaja 50 vers 4).

De ziel die angstig is, maar toch vertrouwt op zijn Verlosser, krijgt al tijdens de beproeving door dit woord de nodige kracht en moed om de redding te verwachten.

2 Koningen 19:14-24
14Als nu Hizkia de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.15En Hizkia bad voor het aangezicht des HEEREN, en zeide: O HEERE, God Israels, Die tussen de cherubim woont! Gij zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde, Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt.16O, HEERE! neig Uw oor en hoor, doe, HEERE! Uw ogen open en zie, en hoor de woorden van Sanherib, die dezen gezonden heeft, om den levenden God te honen.17Waarlijk, HEERE, hebben de koningen van Assyrie die heidenen en hun land verwoest;18En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.19Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons toch uit zijn hand; zo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij, HEERE, alleen God zijt.20Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, zeggende: Zo spreekt de HEERE, de God Israels: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrie, heb Ik gehoord.21Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.22Wien hebt gij gehoond en gelasterd? en tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israels!23Door middel uwer boden hebt gij den HEERE gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogten der bergen, de zijden van den Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud zijns schonen velds.24Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.

Stilzwijgend standhouden en geen antwoord geven, dàt is — zoals we gezien hebben — de houding die een gelovige moet innemen tegenover de uitdagingen en verlokkende aanbiedingen van de wereld.

Maar de gelovige mag wel altijd tot zijn God spreken! Dat doet Hizkía nu ook.

Het eerste wat hij doet, is de brief die hij zojuist gekregen heeft, voor de ogen van de HEERE neerleggen. Het is alsof hij hiermee wil zeggen dat hij het verder allemaal aan Hem wil overlaten. De Assyriër heeft immers Godzelf bespot, dus Zíjn eer staat op het spel (vers 19).

Hizkía maakt zijn verbazingwekkende militaire aanwijzingen compleet door de allerbeste tactiek toe te passen: hij trekt zich terug en blijft op de achtergrond om zó de vijand aan de HEERE, de Sterkere, over te laten!

'Laat Hem besturen, waken', zingen we in een lied. Zó mogen we in Hem rusten en zeker zijn van de overwinning. In kleinere en grotere moeilijkheden is het goed ons van onze eigen zwakheid bewust te zijn.

Laten we ervoor waken dat we niet zelf iets gaan ondernemen. Laten we alles in gebed voor onze Heere neerleggen en dan rustig op de uitredding van Boven wachten!

Dan zal de beproeving ook niet meer als een muur tussen de Heere en ons in staan, maar zal de Heere Zichzelf als een beschermend Schild tussen de beproeving en Zijn verlosten plaatsen.

2 Koningen 19:25-37
25Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.26Daarom waren haar inwoners handeloos; zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des velds, en de groene grasscheutjes, het hooi der daken, en het brandkoren, eer het over einde staat.27Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.28Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.29En dat zij u een teken, dat men in dit jaar eten zal, wat van zelf gewassen is; en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.30Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en zal opwaarts vrucht dragen.31Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Sion; de ijver van den HEERE der heirscharen zal dit doen.32Daarom zo zegt de HEERE van den koning van Assyrie: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.33Door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.34Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wil.35Het geschiedde dan in dienzelven nacht, dat de Engel des HEEREN uitvoer, en sloeg in het leger van Assyrie honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.36Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrie, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Nineve.37Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

De hoogmoed van de koning van Assyrië heeft z'n hoogtepunt bereikt. Tot nu toe heeft immers niets en niemand hem kunnen weerstaan!

"Ik" lezen we meerdere keren in de verzen 23 en 24. Deze hoogmoed is des te erger, omdat hij zich wil meten met Godzelf. De dwaze aanmatiging van de mens om God gelijk te willen zijn, kunnen we gemakkelijk in de wereld van vandaag herkennen. Door alle wetenschap, techniek en vooruitgang — die toegeschreven wordt aan eigen verdienste —, stormt deze wereld razendsnel af op het moment waarop de mensheid een 'supermens', dat is de antichrist, zal aanbidden.

In Filippi 2 vers 6 zien we bij de Heere Jezus Die Zelf God is, een heel andere gezindheid.

In de profetieën lezen we ook over de Assyriër. Hij is een vreselijke Aziatische macht die in de toekomst het land Israël zal overvallen en Jeruzalem zal belegeren.

Die macht zal echter door de verschijning van de Heere Jezus vernietigd worden. De Engel van de HEERE in ons Schriftgedeelte is een beeld van Hem.

De Assyrische legerplaats wordt in één nacht verwoest. Daarna wordt Sanherib door zijn eigen zonen in de tempel van zijn god Nisroch vermoord.

Hij die beweerde dat de HEERE niet in staat zou zijn Hizkía te bevrijden, wordt in de tegenwoordigheid van zijn god die blijkbaar niet in staat is hem te beschermen, verslagen.

Op deze manier heeft God Zichzelf, door de bevrijding van Zijn trouwe dienstknecht, verheerlijkt. En we kunnen er zeker van zijn dat Hij dat altijd zal doen!

2 Koningen 20:1-11
1In die dagen werd Hizkia krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven, en niet leven.2Toen keerde hij zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den HEERE, zeggende:3Och, HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende gans zeer.4Het gebeurde nu, als Jesaja uit het middelvoorhof nog niet gegaan was, dat het woord des HEEREN tot hem geschiedde, zeggende:5Keer weder en zeg tot Hizkia, den voorganger Mijns volks: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal u gezond maken; aan den derden dag zult gij opgaan in het huis des HEEREN;6En Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen, en zal u uit de hand des konings van Assyrie verlossen, mitsgaders deze stad; en Ik zal deze stad beschermen om Mijnentwil, en om Mijns knechts Davids wil.7Daarna zeide Jesaja: Neemt een klomp vijgen; en zij namen ze, en legden ze op de zweer, en hij werd genezen.8Hizkia nu had gezegd tot Jesaja: Welk is het teken, dat de HEERE mij gezond maken zal, en dat ik den derden dag in des HEEREN huis zal opgaan?9En Jesaja zeide: Dit zal u een teken van den HEERE zijn, dat de HEERE het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal: Zal de schaduw tien graden voorwaarts gaan, of tien graden achterwaarts keren?10Toen zeide Hizkia: Het is der schaduwe licht, tien graden nederwaarts te gaan; neen, maar dat de schaduw tien graden achterwaarts kere.11En Jesaja, de profeet, riep den HEERE aan; en Hij deed de schaduw tien graden achterwaarts keren in de graden, dewelke zij nederwaarts gegaan was, in de graden van Achaz' zonnewijzer.

Nu wordt de bevrijde koning door een tweede, nog ergere beproeving getroffen: de dood klopt bij hem aan.

In zijn vertwijfeling neemt hij ook nu de toevlucht tot de HEERE. Ongetwijfeld zal hij niet meer in staat zijn geweest om zelf naar het heiligdom te gaan, zoals hij gewoon was.

Het is echter altijd mogelijk tot God te naderen, ook op het ziekbed! Veel mensen die al lang aan hun bed gebonden zijn, mogen dit elke dag opnieuw ervaren!

Achaz, de vader van Hizkía, had geweigerd een teken van de HEERE aan te nemen (Jesaja 7 vers 10 tot en met 12). Op de wijzerplaat van de zonnewijzer die hij gemaakt had, komt het tijdstip van het oordeel sindsdien met grote snelheid dichterbij.

Maar hier krijgt de trouwe en godvrezende koning een buitengewoon teken en bewijs voor zijn genezing. Door het teruggaan van de schaduw op de klok laat God hem zien dat Hij bereid is het oordeel uit te stellen.

Bepaalde details uit deze gebeurtenis doen ons aan de Heere Jezus denken. In Psalm 102 lezen we Zijn gebed: "Mijn God! neem Mij niet weg in het midden Mijner dagen!" Daarop volgt het antwoord van Zijn Vader: "Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht" (vers 25).

Jesaja heeft de genezing van de koning vóór de derde dag aangekondigd. En Christus Die daadwerkelijk in de dood ging, is op de derde dag uit de doden opgestaan.

2 Koningen 20:12-21
12Te dier tijd zond Berodach Baladan de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord, dat Hizkia krank geweest was.13En Hizkia hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn ganse schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn ganse heerschappij, dat hij hun niet toonde.14Toen kwam de profeet Jesaja tot den koning Hizkia, en zeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en van waar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zeide: Zij zijn uit verren lande gekomen, uit Babel.15En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zeide: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb.16Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor des HEEREN woord.17Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaderen tot dezen dage toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt de HEERE.18Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des konings van Babel.19Maar Hizkia zeide tot Jesaja: Het woord des HEEREN, dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zeide hij: Zou het niet, naardien vrede en waarheid in mijn dagen wezen zal?20Het overige nu der geschiedenissen van Hizkia, en al zijn macht, en hoe hij den vijver en den watergang gemaakt heeft, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?21En Hizkia ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.

Uit twee beproevingen is hij als overwinnaar naar voren gekomen, maar bij de derde komt de arme Hizkía ten val. Waarom? Juist omdat deze laatste op het eerste gezicht geen beproeving lijkt!

Wat is er aangenamer dan zo'n gezantschap van de koning van Babel te ontvangen? Ze komen met een brief en een geschenk bij Hizkía.

Ach, waarom heeft hij deze brief ook niet eerst voor de HEERE neergelegd? Vanwege het geschenk voelt hij bepaalde verplichtingen tegenover deze vreemde mannen.

De vleierijen van de wereld zijn uiterst gevaarlijk voor een gelovige! Door de ijdelheid in ons hart vinden ze vaak een bereidwillig oor bij ons.

Was dit voor Hizkía niet juist een prachtige gelegenheid om deze mannen iets van de goedheid en de macht van de HEERE te vertellen?

In plaats daarvan laat hij hen zijn eigen huis en z'n wapenhuis (waaraan hij zijn verlossing uit de hand van Sanherib zeker niet te danken had) zien. Bovendien toont hij zijn schatten waarvan de HEERE nu moet zeggen dat er niets van over zal blijven.

"Wat hebben zij gezien in uw huis?" Dat is een heel ernstige vraag, ook voor ons! Wat zien onze bezoekers bij ons? Zien ze alleen vergankelijke dingen in ons huis waar we zelf misschien trots op zijn? Of zien ze iets van Hem Die alles toebehoort?

Hizkía ziet in dat hij het oordeel verdiend heeft. En daarmee eindigt het leven van deze trouwe koning.

2 Koningen 21:1-18
1Manasse was twaalf jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hefzi-bah.2En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.3Want hij bouwde de hoogten weder op, die Hizkia, zijn vader, verdorven had; en hij richtte Baal altaren op, en maakte een bos, gelijk als Achab, de koning van Israel, gemaakt had, en boog zich neder voor het heir des hemels, en diende ze.4En hij bouwde altaren in het huis des HEEREN, waarvan de HEERE gezegd had: te Jeruzalem zal Ik Mijn Naam zetten.5Daartoe bouwde hij altaren voor al het heir des hemels, in beide de voorhoven van het huis des HEEREN.6Ja, hij deed zijn zoon door het vuur gaan, en pleegde guichelarij en gaf op vogelgeschrei acht; en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; hij deed zeer veel kwaads in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.7Hij stelde ook een gesneden beeld van het bos, dat hij gemaakt had, in het huis waarvan de HEERE gezegd had tot David, en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en in Jeruzalem, die Ik uit alle stammen van Israel verkoren heb, zal Ik Mijn Naam zetten in eeuwigheid.8En Ik zal niet voortvaren den voet van Israel te bewegen uit dit land, dat Ik hun vaderen gegeven heb; alleenlijk, zo zij waarnemen te doen, naar alles, wat Ik hun geboden heb, en naar de ganse wet, die Mijn knecht Mozes hun geboden heeft.9Maar zij hoorden niet; want Manasse deed hen dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels verdelgd had.10Toen sprak de HEERE door den dienst van Zijn knechten, de profeten, zeggende:11Dewijl dat Manasse, de koning van Juda, deze gruwelen gedaan heeft, erger doende dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die voor hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn drekgoden heeft doen zondigen;12Daarom, alzo zegt de HEERE, de God Israels: Ziet, Ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder, die het hoort, beide zijn oren klinken zullen.13En Ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samaria trekken, mitsgaders het paslood van het huis van Achab; en Ik zal Jeruzalem uitwissen, gelijk als men een schotel uitwist; men wist dien uit, en men keert hem om op zijn holligheid.14En Ik zal het overblijfsel Mijns erfdeels verlaten, en zal ze in de hand hunner vijanden geven; en zij zullen tot een roof en plundering worden al hun vijanden.15Daarom, dat zij gedaan hebben dat kwaad was in Mijn ogen, en Mij tot toorn verwekt hebben, van dien dag, dat hun vaderen van Egypte uitgegaan zijn, ook tot op dezen dag toe.16Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het ene einde tot het andere vervuld had; behalve zijn zonde, die hij Juda zondigen deed, doende wat kwaad was in de ogen des HEEREN.17Het overige der geschiedenissen van Manasse, en al wat hij gedaan heeft, en zijn zonde, die hij gezondigd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?18En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.

Hizkía was, sinds David, de trouwste koning geweest, maar zijn zoon Manasse was daarentegen de meest afschuwelijke. "Hij deed zeer veel kwaad in de ogen des HEEREN" (vers 6).

Als zoon van de godvrezende Hizkía die zelf gezegd heeft: "De vader zal de kinderen Uw waarheid bekend maken" (Jesaja 38 vers 19), had hij bovendien een bijzonder grote verantwoordelijkheid.

Als we alleen dit éne hoofdstuk over Manasse zouden hebben, zouden we zeker zeggen: 'Deze man is voor eeuwig verloren'.

Maar 2 Kronieken 33 vers 12 en 13 waar we het einde van zijn geschiedenis lezen, laat ons zien dat de genade van God het laatste woord heeft gehad.

Wie had ooit gedacht dat zo'n slechte man berouw zou tonen, zou bidden en verhoord worden? Ja werkelijk, Gods gedachten zijn niet onze gedachten.

Ons heil is niet afhankelijk van onze meer of minder nette leefwijze. Het is het resultaat van de onvergelijkbare genade van de God van liefde.

Wat wij vóór onze bekering gedaan hebben, moet ons altijd voor ogen blijven staan als iets waar God een grote afkeer van heeft.

Paulus noemde zichzelf de voornaamste ofwel grootste zondaar, omdat hij de gemeente vervolgd had. "Maar daarom is mij barmhartigheid geschied," voegt hij eraan toe, "opdat Jezus Christus in mij ... al Zijn lankmoedigheid zou betonen" (1 Timotheüs 1 vers 16).

2 Koningen 21:19-26; 2 Koningen 22:1-7
19Amon was twee en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Mesullemet, een dochter van Haruz van Jotba.20En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; gelijk als zijn vader Manasse gedaan had.21Want hij wandelde in al den weg, dien zijn vader gewandeld had, en hij diende de drekgoden, die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neder.22Zo verliet hij den HEERE, den God zijner vaderen, en hij wandelde niet in den weg des HEEREN.23En de knechten van Amon maakten een verbintenis tegen hem, en zij doodden den koning in zijn huis.24Maar het volk des lands versloeg allen, die tegen den koning Amon een verbintenis gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.25Het overige nu der geschiedenissen van Amon, wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?26En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josia werd koning in zijn plaats.
1Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jedida, een dochter van Adaja, van Bozkath.2En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN; en hij wandelde in al den weg van zijn vader David, en week niet af ter rechterhand noch ter linkerhand.3Het geschiedde nu in het achttiende jaar van den koning Josia, dat de koning den schrijver Safan, den zoon van Azalia, den zoon van Mesullam, zond in het huis des HEEREN, zeggende:4Ga op tot Hilkia, den hogepriester, opdat hij het geld opsomme, dat in het huis des HEEREN gebracht is, hetwelk de wachters des dorpels van het volk verzameld hebben;5En dat zij dat geven in de hand der verzorgers van het werk, die besteld zijn over het huis des HEEREN; opdat zij het geven aan degenen, die het werk doen, dat in het huis des HEEREN is, om de breuken van het huis te beteren;6Aan de timmerlieden en de bouwlieden, en de metselaars, en om hout en gehouwene stenen te kopen, om het huis te beteren.7Doch er werd met hen geen rekening gehouden van het geld, dat in hun hand geleverd was, want zij handelden trouwelijk.

Amon wordt de opvolger van Manasse. Na twee jaren van goddeloze regering sterft hij een gewelddadige dood.

De kleine Josía, zijn zoon, komt nu op achtjarige leeftijd op de troon. We mogen eraan denken dat zijn naam al eeuwen eerder door een profeet is aangekondigd. Dat gebeurde door de profeet die naar Beth—El ging om in tegenwoordigheid van Jeróbeam tegen het altaar te getuigen (1 Koningen 13 vers 2).

Deze zoon zou uit het nageslacht van David geboren worden om in gerechtigheid te heersen en het oordeel uit te voeren.

We zien hier dus dat de gedachten van God in verband met het kwaad dat Hij duldde, sinds lange tijd op dit kind gericht waren. Maar van eeuwigheid af hebben Zijn gedachten volledige rust gevonden in het kleine Kind van Bethlehem Dat de Heiland van de wereld zou worden.

De regering van Josía komt in zekere zin overeen met een opwekking, evenals bij zijn grootvader Hizkía het geval is geweest.

In de toestand van de slapende christenheid heeft de Heilige Geest hier en daar soortgelijke opwekkingen bewerkt.

De opwekking waarvan Josía het opmerkelijke werktuig is, draagt de volgende kenmerken: een nieuwe belangstelling voor het huis van God, een terugkeer tot het heilige Boek en tenslotte het zien van de noodzaak van afzondering van het kwaad.

We zullen nog de gelegenheid hebben om deze punten in detail te overdenken.

2 Koningen 22:8-20
8Toen zeide de hogepriester Hilkia tot Safan, den schrijver: Ik heb het wetboek in het huis des HEEREN gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het.9Daarna kwam Safan, de schrijver, tot den koning, en bracht den koning bescheid weder, en hij zeide: Uw knechten hebben het geld, dat in het huis gevonden was, samengebracht, en hebben het gegeven in de hand der verzorgers van het werk, die besteld waren over het huis des HEEREN.10Ook gaf Safan, de schrijver, den koning te kennen, zeggende: De priester Hilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las dat voor het aangezicht des konings.11Het geschiedde nu, als de koning de woorden des wetboeks hoorde, dat hij zijn klederen scheurde.12En de koning gebood Hilkia, den priester, en Ahikam, den zoon van Safan, en Achbor, den zoon van Michaja, en Safan, den schrijver, en Asaja, den knecht des konings, zeggende:13Gaat henen, vraagt den HEERE voor mij, en voor het volk, en voor het ganse Juda, over de woorden dezes boeks, dat gevonden is; want de grimmigheid des HEEREN is groot, dewelke tegen ons aangestoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden dezes boeks, om te doen naar al wat voor ons geschreven is.14Toen ging de priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja henen tot de profetes Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tikva, den zoon van Harhas, den klederbewaarder (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar.15En zij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Zegt tot den man, die u tot mij gezonden heeft:16Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal kwaad over deze plaats brengen, en voer haar inwoners, namelijk al de woorden des boeks, dat de koning van Juda gelezen heeft.17Daarom dat zij Mij verlaten, en anderen goden gerookt hebben, opdat zij Mij tot toorn verwekten met al het werk hunner handen, zo zal Mijn grimmigheid aangestoken worden, tegen deze plaats, en niet uitgeblust worden.18Maar tot den koning van Juda, die u gezonden heeft, om den HEERE te vragen, alzo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Aangaande de woorden, die gij gehoord hebt;19Omdat uw hart week geworden is, en gij u voor het aangezicht des HEEREN vernederd hebt, als gij hoordet, wat Ik gesproken heb tegen deze plaats en derzelver inwoners, dat zij tot een verwoesting en vloek zullen worden, en dat gij uw klederen gescheurd en voor Mijn aangezicht geweend hebt; zo heb Ik u ook verhoord, spreekt de HEERE.20Daarom zie, Ik zal u verzamelen tot uw vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uw ogen zullen al het kwaad niet zien, dat Ik over deze plaats brengen zal. En zij brachten den koning het antwoord weder.

Het werk dat Josía aan het huis van God liet verrichten, heeft tot de ontdekking van het wetboek geleid. Dat was uit het oog geraakt en zelfs door de priesters vergeten die toch de opdracht hadden het te bewaren (Deuteronomium 31 vers 9 en 26)!

In de loop van de kerkgeschiedenis is door de grote opwekking van de reformatie de Heilige Schrift als het ware weer 'in ere hersteld'.

Na de duistere Middeleeuwen is het Boek van God uit de duisternis tevoorschijn gehaald, in de omgangstalen vertaald, gedrukt en onder alle lagen van de bevolking verspreid. Laten we nooit vergeten God hiervoor te danken!

Daarna heeft het lezen van de Bijbel bij velen de ogen geopend voor de toestand en het verval in de christenheid. Maar tegelijkertijd is het Goddelijke licht van het evangelie verschenen om de onwetende zielen te verlichten.

Dit Woord van het leven toont ons enerzijds, zoals het wetboek bij Josía, wat God van de mens verwacht en hoe hij totaal gefaald heeft (het Oude Testament). Anderzijds toont het ons wat Hij Zich in Christus, de nieuwe Mens, heeft voorgenomen en wat Christus volbracht heeft (de hele inhoud van het Nieuwe Testament).

Terwijl de Bijbel enerzijds een Boek is dat ons onze verantwoordelijkheid laat zien, brengt dit Boek anderzijds ook de boodschap van de genade van God voor arme, verloren zondaars.

2 Koningen 23:1-11
1Toen zond de koning henen, en tot hem verzamelden al de oudsten van Juda en Jeruzalem.2En de koning ging op in het huis des HEEREN, en met hem alle inwoners van Jeruzalem, en de priesters en de profeten, en al het volk, van den minste tot den meeste; en hij las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.3De koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen met ganser harte en met ganser ziele te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn. En het ganse volk stond in dit verbond.4En de koning gebood den hogepriester Hilkia, en den priesteren der tweede ordening, en den dorpelbewaarders, dat zij uit den tempel des HEEREN alle gereedschap, dat voor Baal, en voor het beeld van het bos, en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-El dragen.5Daartoe schafte hij de Chemarim af, die de koningen van Juda gesteld hadden, opdat men roken zou op de hoogten, in de steden van Juda, en rondom Jeruzalem, mitsgaders, die voor Baal, de zon, en de maan, en de andere planeten, en al het heir des hemels rookten.6Hij bracht ook het beeld van het bos uit het huis des HEEREN weg, buiten Jeruzalem, tot de beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof; en hij wierp het stof daarvan op de graven der kinderen des volks.7Daartoe brak hij de huizen der schandjongens af, die aan het huis des HEEREN waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bos weefden.8En hij bracht al de priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten, alwaar die priesters gerookt hadden, van Geba af tot Ber-seba toe; en hij brak de hoogten der poort van Jozua, den overste der stad, was, welke aan iemands linkerhand was, in de stadspoort gaande.9Doch de priesters der hoogten offerden niet op het altaar des HEEREN te Jeruzalem; maar zij aten ongezuurde broden in het midden van hun broederen.10Hij verontreinigde ook Thofeth, dat in het dal der kinderen van Hinnom is, opdat niemand zijn zoon of zijn dochter voor den Molech door het vuur deed gaan.11En hij schafte de paarden af, die de koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van den ingang van het huis des HEEREN, tot de kamer van Nathan-Melech, den hoveling, die in Parvarim was; en de wagenen der zon verbrandde hij met vuur.

Na de aankondiging van het oordeel door de HEERE had Josje tot de conclusie kunnen komen dat het nutteloos zou zijn om de tempel te reinigen. De toorn van de HEERE zou er immers toch over ontbranden!

Maar zó mag een trouwe gelovige nooit denken. Zelfs aan de vooravond van het definitieve oordeel scherpt Gods Woord ons nog in: "Die heilig is, dat hij nog geheiligd worde" (Openbaring 22 vers 11).

Denkend aan Deuteronomium 31 vers 11, wil de koning Josía die nu persoonlijk de waarde van het Woord van God heeft ingezien, "de woorden van het boek des verbonds" aan allen laten horen, "van de minste (= de kleinste) tot de meeste (= de grootste)".

Hebben wij ook dat verlangen om het levend en krachtig Woord in onze omgeving bekend te maken?

De ijver voor het huis van God 'verteerde' Josía, zoals dat later gebeurde bij Hem Die groter is dan hij (Johannes 2 vers 17).

In dit verband mogen we ook denken aan de vraag die Paulus de Korinthiërs stelde: "Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in u woont? ... Want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt" (1 Korinthe 3 vers 16 en 17 en 6 vers 19).

Zouden wij een belangrijke bezoeker in een huis vol rommel en vuil willen ontvangen? Zou hij zich daar op zijn gemak voelen? Hoeveel te meer als het dan gaat om de Goddelijke Gast Die in ons wil wonen! Hem eren, wil zeggen dat we eerst in ons hart orde op zaken stellen, dus alles wat Hem belet en ons bevuilt, eruit wegnemen.

2 Koningen 23:12-23
12Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die de koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren, die Manasse in de twee voorhoven van het huis des HEEREN gemaakt had, brak de koning af; en hij verbrijzelde ze van daar, en wierp het stof daarvan in de beek Kidron.13De hoogten ook, die vooraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van de berg Mashith, die Salomo, de koning van Israel, voor Astoreth, het verfoeisel der Sidoniers, en voor Kamos, het verfoeisel der Moabieten, en voor Milchom, den gruwel der kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de koning.14Insgelijks brak hij de opgerichte beelden, en roeide de bossen uit; en hij vervulde hun plaats met mensenbeenderen.15Daartoe ook het altaar, dat te Beth-El was, en de hoogte, die Jerobeam, de zoon van Nebat, dewelke Israel zondigen deed, gemaakt had; te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja, hij verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bos.16En als Josia zich omkeerde, zag hij de graven, die daar op den berg waren, en zond henen, en nam de beenderen uit de graven, en verbrandde ze op dat altaar, en verontreinigde dat; naar het woord des HEEREN, dat de man Gods uitgeroepen had, die deze woorden uitriep.17Verder zeide hij: Wat is dat voor een grafteken, dat ik zie? En de lieden der stad zeiden tot hem: Het is het graf van den man Gods, die uit Juda kwam, en deze dingen, die gij tegen dit altaar van Beth-El gedaan hebt, uitgeroepen heeft.18En hij zeide: Laat hem liggen, dat niemand zijn beenderen verroere. Zo bevrijdden zij zijn beenderen, met de beenderen van den profeet, die uit Samaria gekomen was.19Daartoe nam Josia ook weg al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria waren, die de koningen van Israel gemaakt hadden, om den HEERE tot toorn te verwekken; en hij deed dezelve naar al de daden, die hij te Beth-El gedaan had.20En hij slachtte al de priesteren der hoogten, die daar waren, op de altaren, en verbrandde mensenbeenderen op dezelve. Daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.21En de koning gebood het ganse volk, zeggende: Houdt den HEERE, uw God, pascha, gelijk in dit boek des verbonds geschreven is.22Want gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen der richteren af, die Israel gericht hadden, noch in al de dagen der koningen van Israel, noch der koningen van Juda.23Maar in het achttiende jaar van den koning Josia, werd dit pascha den HEERE te Jeruzalem gehouden.

Josía gaat moedig verder met de reiniging. Daarbij ontdekt hij te midden van de graven van de afgodenpriesters een ander graf: het graf van de man van God die de gebeurtenissen heeft aangekondigd die nu in vervulling gaan. De beenderen van de profeet van God en die van de afgoden-priesters rusten dus naast elkaar, hoewel hun eeuwig lot verschillend is.

De Heere zal bij Zijn komst dat verschil weten en de lichamen van de ontslapen gelovigen opwekken van tussen de anderen doden uit (1 Thessalonika 4 vanaf vers 13). De anderen zullen dan blijven liggen tot de opstanding ten oordeel.

Josía had begrepen dat elke verontreiniging uit het land verwijderd moest zijn, vóórdat het pascha op waardige wijze voor de HEERE gevierd kon worden.

De dienst van de heilige God gaat niet samen met iets wat aan de afgodendienst herinnert (2 Korinthe 6 vers 16 en 17).

Om de Naam van de Heere op waardige wijze te kunnen noemen, wordt de gelovige opgeroepen zich te onttrekken aan ongerechtigheid en zich te reinigen van vaten tot oneer (2 Timotheüs 2 vers 19 tot en met 21).

Afgezonderd zijn, zich afzijdig houden, zich reinigen, dat zijn allemaal moeilijke verplichtingen. Wie die verplichtingen nakomt, zal ongetwijfeld door anderen van hoogmoed beschuldigd en slecht beoordeeld worden. Maar God vraagt dat van ons, vóórdat wij enige dienst voor Hem kunnen doen.

Het gezegende gevolg is: "Gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen der richteren af" (vers 22).

2 Koningen 23:24-37
24En ook deed Josia weg de waarzeggers, en de duivelskunstenaars, en de terafim, en de drekgoden, en alle verfoeiselen, die in het land van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek, dat de priester Hilkia in het huis des HEEREN gevonden had.25En voor hem was geen koning zijns gelijke, die zich tot den HEERE, met zijn ganse hart, en met zijn ganse ziel, en met zijn ganse kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had; en na hem stond zijns gelijke niet op.26Nochtans keerde zich de HEERE van den brand Zijns groten toorns niet af, waarmede Zijn toorn brandde tegen Juda, om al de tergingen, waarmede Manasse Hem getergd had.27En de HEERE zeide: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht wegdoen, gelijk als Ik Israel weggedaan heb; en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die Ik verkoren heb, en het huis, waarvan Ik gezegd heb: Mijn Naam zal daar wezen.28Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?29In zijn dagen toog Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen den koning van Assyrie, naar de rivier Frath; en de koning Josia toog hem tegemoet, en hij doodde hem te Megiddo, als hij hem gezien had.30En zijn knechten voerden hem dood op een wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Joahaz, den zoon Josia, en zalfden hem, en maakten hem koning in zijns vaders plaats.31Drie en twintig jaren was Joahaz oud, toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal, de dochter van Jeremia, van Libna.32En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaderen gedaan hadden.33Doch Farao Necho liet hem binden te Ribla in het land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeren zou; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.34Ook maakte Farao Necho Eljakim, den zoon van Josia, koning, in de plaats van zijn vader Josia, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mede, en hij kwam in Egypte, en stierf aldaar.35En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao; doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te geven; een ieder naar zijn schatting eiste hij het zilver en goud af van het volk des lands, om aan Farao Necho te geven.36Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, toen hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zebudda, een dochter van Pedaja, van Ruma.37En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vaders gedaan hadden.

Ondanks de trouw van hun koning is het volk zelf niet met zijn hele hart tot de HEERE teruggekeerd (Jeremia 3 vers 6 tot en met 12). Het "trouweloze Juda" heeft geen lering getrokken uit het oordeel dat het "afgekeerde Israël" heeft getroffen. Daarom zal ook voor deze twee stammen het moment aanbreken waarop ze uit het land verdreven zullen worden.

Om Zijn plannen ten uitvoer te brengen heeft God gebruik gemaakt van grote volken uit de oudheid. Eveneens gebruikt Hij ná volken die onbewust het middel in Zijn hand zijn om met Israël te handelen. Ook de wereldgebeurtenissen worden door Zijn hand bestuurd en Hij gebruikt ze om de Zijnen te beschermen of te tuchtigen.

Egypte en Assyrië waren twee wereldmachten ten tijde van Josía. Het éne volk woonde ten zuiden van het land Kanaän en het andere ten noorden. Beide volken waren constant in staat van oorlog met elkaar en moesten door het gebied van Israël trekken om tegen elkaar te kunnen vechten. Josía die liever de kant van Assyrië kiest, probeert farao Necho de doortocht te verhinderen, maar wordt in Megiddo zelf door hem gedood.

O, had hij zich van de wereld en haar bondgenoten ook maar z6 zorgvuldig afgezonderd als hij dat van het kwaad gedaan had! Hij koos partij in een strijd die hem niets aanging, en moest het dodelijke gevolg daarvan ondergaan (zie Spreuken 26 vers 17).

Na een slechte regeringsperiode van drie maanden valt Jóahaz, de zoon van Josía, ten prooi aan de macht van Necho. Deze neemt hem gevangen en stelt voor hem zijn broer Eljákim in de plaats die echter geen haar beter is.

2 Koningen 24:1-20
1In zijn dagen toog Nebukadnezar, de koning van Babel, op, en Jojakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om, en rebelleerde tegen hem.2En de HEERE zond tegen hem de benden der Chaldeen, en de benden der Syriers, en de benden der Moabieten, en de benden der kinderen Ammons, en zond hen tegen Juda, om dat te verderven, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst Zijner knechten, de profeten.3Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des HEEREN tegen Juda, dat Hij hen van Zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles, wat hij gedaan had;4Als ook om het onschuldig bloed, dat hij vergoten had, zodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had; daarom wilde de HEERE niet vergeven.5Het overige nu der geschiedenissen van Jojakim, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Juda?6En Jojakim ontsliep met zijn vaderen; en zijn zoon Jojachin werd koning in zijn plaats.7De koning nu van Egypte toog voortaan niet meer uit zijn land; want de koning van Babel had, van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Frath, ingenomen al wat van den koning van Egypte was.8Jojachin was achttien jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Nehusta, een dochter van Elnathan, van Jeruzalem.9En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader gedaan had.10Te dier tijd togen de knechten van Nebukadnezar, den koning van Babel, naar Jeruzalem; en de stad werd belegerd.11Zelfs kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, tegen de stad, als zijn knechten die belegerden.12Toen ging Jojachin, de koning van Juda, uit tot den koning van Babel, hij, en zijn moeder, en zijn knechten, en zijn vorsten, en zijn hovelingen; en de koning van Babel nam hem gevangen in het achtste jaar zijner regering.13En hij bracht van daar uit al de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten van het huis des konings; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Salomo, de koning van Israel, in den tempel des HEEREN gemaakt had, gelijk als de HEERE gesproken had.14En hij voerde gans Jeruzalem weg, mitsgaders al de vorsten, en alle strijdbare helden, tien duizend gevangen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten, dan het arme volk des lands.15Zo voerde hij Jojachin weg naar Babel, mitsgaders des konings moeder, en des konings vrouwen, en zijn hovelingen; daartoe de machtigen des lands bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel;16En alle kloeke mannen tot zeven duizend, en timmerlieden en smeden tot een duizend, en alle helden, die ten oorlog geoefend waren; dezen bracht de koning van Babel gevankelijk naar Babel.17En de koning van Babel maakte Mattanja, deszelfs oom, koning in plaats van hem, en veranderde zijn naam in Zedekia.18Zedekia was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna.19En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat Jojakim gedaan had.20Want het geschiedde, om den toorn des HEEREN tegen Jeruzalem en tegen Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had. En Zedekia rebelleerde tegen den koning van Babel.

Volgens de profetie in Jesaja 10 is de Assyrische macht vernietigd. Op de ruïnes daarvan heeft het Babylonische rijk zich gevestigd. Dat rijk omvatte de hele toenmalig bekende en beschaafde wereld, inclusief Egypte. Daarom wordt het Babylonische rijk het eerste grote wereldrijk van de volkeren genoemd.

Dit is een keerpunt in de wereldgeschiedenis. Israël is terzijde gesteld. Van nu af aan is zij niet meer het centrum van de regering van God hier op aarde. Deze regering is nu aan de (niet—joodse) volken toevertrouwd. Dat wil zeggen dat "de tijden der heidenen" (ofwel van de volken) vanaf dat moment zijn begonnen (Lukas 21 vers 24). Tot op de dag van vandaag lopen deze tijden nog door.

Jójakim, de koning van Juda, die ook een onderdaan van Nebukadnézar geworden was, komt na verloop van drie jaar tegen hem in opstand.

Zijn zoon Jójachin (of Jojakin) volgt hierin de voetsporen van zijn vader. Het gevolg daarvan is de eerste wegvoering van Juda naar Babel.

Wat een trieste gebeurtenis! Toch wordt aan de armsten onder het volk die aan de wegvoering ontkomen, nog een laatste kans geboden.

Nebukadnézar zet de oom van Jójachin, een derde zoon van Josía, op de troon van Juda: Zedekía. Deze handelt echter niet anders dan zijn voorgangers.

De blindheid van deze laatste koningen verdient des te meer gestraft te worden, omdat Jeremía niet opgehouden heeft hen tijdens hun regeringsperioden in de Naam van de HEERE te waarschuwen.

2 Koningen 25:1-17
1En het geschiedde in het negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden der maand, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn ganse heir, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.2Zo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van den koning Zedekia.3Op den negenden der vierde maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk des lands geen brood had,4Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden des nachts door den weg der poort, tussen de twee muren, die aan des konings hof waren (de Chaldeen nu waren tegen de stad rondom), en de koning trok door den weg des vlakken velds.5Doch het heir der Chaldeen jaagde den koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en zal zijn heir werd van bij hem verstrooid.6Zij dan grepen den koning, en voerden hem opwaarts tot den koning van Babel, naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem.7En zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijn ogen, en men verblindde Zedekia's ogen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.8Daarna in de vijfde maand, op de zevenden der maand (dit was het negentiende jaar van Nebukadnezar, den koning van Babel) kwam Nebuzaradan, de overste der trawanten, de knecht des konings van Babel, te Jeruzalem.9En hij verbrandde het huis des HEEREN, en het huis des konings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem; en alle huizen der groten verbrandde hij met vuur.10En het ganse heir de Chaldeen, dat met den overste der trawanten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af.11Het overige nu des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot den koning van Babel gevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg.12Maar van de armsten des lands liet de overste der trawanten enigen overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.13Verder braken de Chaldeen de koperen pilaren, die in het huis des HEEREN waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis des HEEREN was; en zij voerden het koper daarvan naar Babel.14Zij namen ook de potten, en de schoffelen, en de gaffelen, en de rookschalen, en al de koperen vaten, daar men den dienst mede deed.15En de overste der trawanten nam weg de wierookvaten en de sprengbekkens, wat geheel goud en wat geheel zilver was.16De twee pilaren, de ene zee, en de stellingen, die Salomo voor het huis des HEEREN gemaakt had; het koper van al deze vaten was zonder gewicht.17De hoogte van een pilaar was achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte des kapiteels was drie ellen; en het net, en de granaatappelen op het kapiteel rondom, waren alle van koper; en dezen gelijk had de andere pilaar, met het net.

Omdat Nebukadnézar genoeg heeft van de tegenstand van de koningen van Juda, trekt hij voor de derde keer op tegen Jeruzalem en omsingelt de stad.

Na de stad een jaar belegerd te hebben, dringt hij eindelijk door de muren naar binnen. Deze keer is er geen barmhartigheid meer voor de hoogmoedige inwoners van de stad. Met de verwoesting wordt bij de tempel begonnen en uiteindelijk wordt de hele stad verbrand. De muren worden afgebroken en de inwoners gevangengenomen en weggevoerd.

Zedekía ondervindt de vreselijke gevolgen van zijn halsstarrigheid. Slechts enkele boeren blijven in het land achter.

Dan concentreren de troepen van de Chaldeeën zich helemaal op de tempel: in hun ogen hèt symbool van alle tegenstand. Met het verbranden zijn ze nog niet tevreden en het lukt hen de grote koperen pilaren te slopen. Samen met de stellingen, de koperen zee en ander gereedschap, voeren ze het koper daarvan af naar Babel.

Waarom worden in de verzen 16 en 17 eigenlijk de details van de versiering van deze pilaren nog eens genoemd, juist op het moment dat ze verdwijnen? Ongetwijfeld om een aangrijpende reden: er wordt nog een laatste blik geworpen op de voorwerpen die men liefheeft, in welker omgeving men graag wil vertoeven en waar men altijd naar zou willen kijken!

Nu was er ontzettend veel verloren! Deze pilaren waren prachtige symbolen van de standvastigheid en kracht die de HEERE nu bij Zijn ongehoorzaam en opstandig volk weghaalde (1 Koningen 7 vers 21)!

2 Koningen 25:18-30
18Ook nam de overste der trawanten Seraja, den hoofdpriester, en Zefanja, den tweeden priester, en de drie dorpelbewaarders.19En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en vijf mannen uit degenen, die des konings aangezicht zagen, die in de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands, die in de stad gevonden werden.20Als Nebuzaradan, de overste der trawanten, dezen genomen had, zo bracht hij hen tot den koning van Babel, naar Ribla.21En de koning van Babel sloeg hen, en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Alzo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd.22Maar aangaande het volk, dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar, de koning van Babel, had laten overblijven, daarover stelde hij Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan.23Toen nu al de oversten der heiren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalia naar Mizpa; namelijk, Ismael, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, de Netofathiet, en Jaazanja, de zoon van den Maachathiet, zij en hun mannen.24En Gedalia zwoer hun en hun mannen, en zeide tot hen: Vreest niet van te zijn knechten der Chaldeen, blijft in het land, en dient den koning van Babel, zo zal het u wel gaan.25Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismael, de zoon van Nethanja, den zoon van Elisama, van koninklijk zaad, kwam, en tien mannen met hem; en zij sloegen Gedalia, dat hij stierf; mitsgaders de Joden en de Chaldeen, die met hem te Mizpa waren.26Toen maakte zich al het volk op, van de minste tot den meeste, en de oversten der heiren, en kwamen in Egypte; want zij vreesden voor de Chaldeen.27Het geschiedde daarna in het zeven en dertigste jaar der wegvoering van Jojachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den zeven en twintigsten der maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar, als hij koning werd, het hoofd van Jojachin, den koning van Juda, uit het gevangenhuis, verhief.28En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven den stoel der koningen, die bij hem te Babel waren.29En hij veranderde de klederen zijner gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, al de dagen zijns levens.30En aangaande zijn tering, een gedurige tering werd hem van den koning gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, al de dagen zijns levens.

Dit is het einde van de beide Boeken van de Koningen. In het Hebreeuwse origineel vormen die samen overigens één geheel.

Ze beginnen met de heerlijkheid van de koning van Israël en eindigen met die van de koning van Babel.

Ze beginnen met de bouw van de tempel en sluiten af met de beschrijving van haar vernietiging.

In het begin bestijgt de eerste nakomeling van David de troon. Aan het slot wordt zijn laatste nakomeling gevangengezet in Babel.

Tussen het begin en het einde hebben we van hoofdstuk tot hoofdstuk de verdrietige achteruitgang kunnen volgen. Zó gaat het met wat de mens is toevertrouwd!

Het is werkelijk waar dat het hart van de mens bedrieglijk en onverbeterlijk is.

Ezechiël die in deze tijd van gevangenschap profeteerde, bevestigt dit door zijn verdrietige uitroep: "Hoe zwak is uw hart (spreekt de Heere HEERE) als gij al deze dingen doet" (Ezechiël 16 vers 30).

Het is echter heel troostrijk in de laatste verzen toch een klein begin van het herstel te zien ontkiemen.

God laat ons zien dat Zijn werk niet voltooid is. Hij heeft het laatste woord, als ná het falen van al deze koningen Christus, de Zoon van David, de ware Koning van Israël, zal verschijnen.

1 Kronieken 1:1-34
1Adam, Seth, Enos,2Kenan, Mahalal-el, Jered,3Henoch, Methusalah, Lamech,4Noach, Sem, Cham en Jafeth.5De kinderen van Jafeth waren Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.6En de kinderen van Gomer waren Askenaz, en Difath, en Thogarma.7En de kinderen van Javan waren Elisa en Tharsisa, de Chittieten en Dodanieten.8De kinderen van Cham waren Cusch en Mitsraim, Put, en Kanaan.9En de kinderen van Cusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raema, en Sabtecha; en de kinderen van Raema waren Scheba en Dedan.10Cusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op aarde.11En Mitsraim gewon de Ludieten, en de Anamieten, en de Lehabieten, en de Naftuchieten,12En de Pathrusieten, en de Casluchieten, (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen) en de Cafthorieten.13Kanaan nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,14En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,15En den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet,16En den Arvadiet, en den Zemariet, en den Hamathiet.17De kinderen van Sem waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.18Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.19Aan Heber nu zijn twee zonen geboren; de naam des enen was Peleg, omdat in zijn dagen het aardrijk verdeeld is, en de naam zijns broeders was Joktan.20En Joktan gewon Almodad, en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,21En Hadoram, en Uzal, en Dikla,22En Ebal, en Abimael, en Scheba,23En Ofir, en Havila, en Jobab. Alle dezen waren zonen van Joktan.24Sem, Arfachsad, Selah,25Heber, Peleg, Rehu,26Serug, Nahor, Terah,27Abram; die is Abraham.28De kinderen van Abraham waren Izak en Ismael.29Dit zijn hun geboorten: de eerstgeborene van Ismael was Nebajoth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam,30Misma en Duma, Massa, Hadad en Thema,31Jetur, Nafis, en Kedma; deze zijn de kinderen van Ismael.32De kinderen nu van Ketura, Abrahams bijwijf: die baarde Zimram, en Joksan, en Medan, en Midian, en Isbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.33De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa. Die allen waren zonen van Ketura.34Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israel.

Nadat de mens, wat zijn verantwoordelijkheid betreft, totaal gefaald heeft, pakt de God van de genade in deze Boeken van de Kronieken het van begin af aan Zelf weer op. Hier vinden we de geschiedenis van de mensheid in zekere zin opnieuw voorgesteld. Nu wordt de nadruk echter niet meer gelegd op het kwaad dat de mens gedaan heeft (zoals in de Boeken Samuël en Koningen), maar op het goede waarmee God antwoordt op wat Hij heeft uitgedacht èn uitgevoerd.

De geschiedenis van de mensheid vanaf Adam wordt hier samengevat. Uit de betekenis van de eerste tien namen kunnen we een zin vormen waarin het evangelie wordt samengevat:

De Mens [Adam], in de plaats gesteld [Seth] (als) zwak, sterfelijk Mens [Enos], weeklagend [Kenan]. God zij lof [Mahalaleël] (voor Zijn) vernedering [Jered], toewijding en offerande [Henoch]. Laat uit Zijn dood ontspruiten [Methúsalah] (voor) overtreders [Lamech]: rust en troost [Noach].

Vinden we hier in de eerste plaats niet de eindconclusie van al het voorgaande? Dus de constatering dat het schepsel totaal verdorven en ongeneeslijk is? Maar tegelijkertijd worden we hier op wonderbare wijze ingeleid in de ontvouwing van de raadsbesluiten van God. Die zullen we in deze beide Boeken als een rode draad kunnen volgen.

Namen hebben in de Bijbel vaak een heel leerzame betekenis. Toch kunnen we hier niet op alles uitvoerig ingaan. De gedeelten met veel namen zullen we daarom niet behandelen. De lezer moge zelf beslissen of hij die gedeelten wel of niet leest.

1 Kronieken 2:1-24
1Dezen zijn de kinderen van Israel: Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,2Dan, Jozef en Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.3De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaanietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem.4Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.5De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.6En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.7En de kinderen van Charmi waren Achan, de beroerder van Israel, die zich aan het verbannene vergreep.8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.9En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.10Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahesson, den vorst der kinderen van Juda;11En Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz.12En Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isai,13En Isai gewon Eliab, zijn eerstgeborene, en Abinadab, den tweede, en Simea, den derde,14Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,15Ozem, den zesde, David, den zevende.16En hun zusters waren Zeruja en Abigail. De kinderen nu van Zeruja waren Abisai, en Joab, en Asa-El drie.17En Abigail baarde Amasa; en de vader van Amasa was Jether, een Ismaeliet.18Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.19Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.20En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleel.21Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.22Segub nu gewon Jair; en hij had drie en twintig steden in het land van Gilead.23En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken van Jair, van dezelve, met Kenath, en haar onderhorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir, den vader van Gilead.24En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.

We moeten bij de opsomming van deze namen geen bepaalde volgorde of perfectie verwachten, zoals bijvoorbeeld in het bevolkingsregister van een gemeente noodzakelijk is. Zoals nergens in het Woord van God, wordt ook hier niet de nieuwsgierigheid van de mens bevredigd evenmin als de onderzoekingsdrang van de menselijke intelligentie.

Opdat de bedoelingen van de Geest van God duidelijk worden, worden in deze hoofdstukken bepaalde dingen weggelaten, komen ze ergens anders voor in de plaats of zijn er bepaalde wijzigingen.

Wat zijn dan de bedoelingen van de Geest? Waarom worden er zulke ellenlange geslachtsregisters genoemd die zo moeilijk te lezen zijn?

In de eerste plaats gaat het erom aan te tonen dat de familie van Israël met recht aanspraak kan maken op de beloften die aan Abraham gegeven zijn. Elke Israëliet kon, als hij dat wilde, zijn verleden en zijn aanspraak op een bepaald erfdeel aantonen.

Wij weten hoe de joden zich in de tijd dat de Heere Jezus hier op aarde was, erop beroemden Abraham tot vader te hebben. Maar tegelijkertijd weigerden ze Hem Die in hun midden was, te erkennen als Degene Die vóór Abraham was (Johannes 8 vers 58).

Wat de christen betreft: hij behoort tot de familie van God, nadat hij door de wedergeboorte het Goddelijke leven ontvangen heeft. Zijn aardse afstamming heeft vanaf dat moment geen betekenis meer. God is nu in de Heere Jezus zijn Vader geworden en hij kan uitroepen: "Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden" (1 Johannes 3 vers 1).

1 Kronieken 3:1-14; 1 Kronieken 4:9-10
1Dezen nu waren de kinderen van David, die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinoam, de Jizreelietische; de tweede Daniel, van Abigail, de Karmelietische;2De derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Thalmai, de koning te Gesur; de vierde Adonia, de zoon van Haggith;3De vijfde Sefatja, van Abital; de zesde Jithream, van zijn huisvrouw Egla.4Zes zijn hem te Hebron geboren; want hij regeerde daar zeven jaren en zes maanden; en drie en dertig jaren regeerde hij te Jeruzalem.5Dezen nu zijn hem te Jeruzalem geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo; deze vier zijn van Bath-Sua, de dochter van Ammiel;6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,7En Nogah, en Nefeg, en Jafia,8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.9Deze allen zijn zonen van David, behalve de kinderen der bijwijven, en Thamar hun zuster.10Salomo's zoon nu was Rehabeam; zijn zoon was Abia; zijn zoon was Asa; zijn zoon was Josafat;11Zijn zoon was Joram; zijn zoon was Ahazia; zijn zoon was Joas;12Zijn zoon was Amazia; zijn zoon was Azaria; zijn zoon was Jotham;13Zijn zoon was Achaz; zijn zoon was Hizkia; zijn zoon was Manasse;14Zijn zoon was Amon; zijn zoon was Josia.
9Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard.10Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde.

Er is nog een andere reden waarom deze geslachtsregisters genoemd worden: de afstamming van de Messias moest op onweerlegbare wijze aangetoond worden.

Als we het verloop van de geschiedenis volgen, valt het op dat God stapje voor stapje één familie uit het hele mensengeslacht heeft afgezonderd. Eerst zette Hij de familie van Abraham apart. Uit zijn nageslacht nam Hij de stam van Juda en uit deze stam het huis van David. Zijn nakomelingen vinden we in hoofdstuk 3 beschreven.

We kunnen ons goed voorstellen hoe aandachtig God van geslacht tot geslacht de lijn waaruit "geboren is JEZUS, genaamd Christus" (Mattheüs 1 vers 16) vervolgd zal hebben.

De korte geschiedenis van Jabez (in hoofdstuk 4 vers 9 en 10) die meer geëerd werd dan zijn broeders, vinden we in de lijst van de zonen van Juda.

Deze Jabez voelt het gewicht van de smart als gevolg van de zonde zwaar op zich drukken en vraagt de God van Israël zijn gebied te vergroten. Hij wordt verhoord.

Laten we acht slaan op de vier verzoeken die hij doet. Laten we hem als voorbeeld nemen, hem navolgen en ook zonder vrees bidden

om het rijke genot van de geestelijke zegeningen;

om een groter 'gebied' voor ons verstand en hart;

dat de hand van God met ons zal zijn bij alles wat wij doen; en

om bewaring voor de zonde en de verzoeking (vergelijk Mattheüs 6 vers 13).

1 Kronieken 4:21-43
21De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbea.22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.23Dezen waren pottenbakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij den koning in zijn werk.24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.25Sallum was zijn zoon; Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.26De kinderen van Misma waren dezen: Hammuel zijn zoon, Zaccur zijn zoon, Simei zijn zoon.27Simei nu had zestien zonen en zes dochteren; maar zijn broeders hadden niet veel kinderen; en hun ganse huisgezin werd zo zeer niet vermenigvuldigd, als van de kinderen van Juda.28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,29En te Bilha, en te Ezem, en te Tholad,30En te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,31En te Beth-markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraim. Dit waren hun steden, totdat David koning werd.32En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen, en Asan; vijf steden.33En al haar dorpen, die in den omloop dezer steden waren, tot Baal toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.34Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa, de zoon van Amazia,35En Joel, en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Saraja, den zoon van Asiel,36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,37En Ziza, de zoon van Sifei, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja;38Dezen kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte.39En zij gingen tot aan den ingang van Gedor tot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hun schapen.40En zij vonden vette en goede weide, en een land, wijd van begrip, en stil, en gerust; want die van Cham woonden daar tevoren.41Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen dergenen, die daar gevonden werden; en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hun plaats, want daar was weide voor hun schapen.42Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen, tot het gebergte van Seir; en Pelatja, en Nearja, en Refaja, en Izziel, de zonen van Isei, waren hun tot hoofden.43En zij sloegen de overigen der ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag.

Hier worden onder de zonen van Juda — ná de koningen, de rijken en geëerde mannen zoals Jabez — ook de eenvoudige handwerkers genoemd (vers 14, 21 tot en met 23): de linnenwerkers, wevers, pottenbakkers en tuinmannen.

Ze leefden onder eenvoudige omstandigheden, maar hadden één groot voorrecht: ze woonden "bij de koning in zijn werk".

Laten we oppassen voor het verlangen naar een hoge positie in de wereld, als de Heere ons daartoe niet nadrukkelijk geroepen heeft!

Het volk van God bestaat uit "niet vele machtigen, niet vele edelen" (1 Korinthe 1 vers 26; zie ook Jeremía 45 vers 5).

Elke belangrijke baan brengt onherroepelijk een evenredige verantwoordelijkheid met zich mee. Je kunt daardoor zó in beslag genomen worden dat er maar weinig tijd voor de Heere en Zijn werk over blijft.

Laten we daarom geen beroep kiezen dat ons belemmert of zelfs verhindert "bij de Koning" te wonen en Zijn werk uit te voeren.

Over de stam van Simeon was in het verleden een streng oordeel uitgesproken, vanwege de gewelddadigheid van hun stamvader in Genesis 34 (zie Genesis 49 vers 5 tot en met 7). Ook in de hoererij en afgodendienst bij Baal—Peor speelde de stam van Simeon geen mooie rol (Numeri 25).

In overeenstemming met de bedoeling van dit Boek wordt hier echter alleen over het goede gesproken. Daardoor wordt de genade naar voren gebracht: deze stam heeft z'n grenzen verruimd en prachtige overwinningen behaald.

1 Kronieken 5:1-26
1De kinderen van Ruben nu, den eerstgeborene van Israel; (want hij was de eerstgeborene; maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijn eerstgeboorte gegeven aan de kinderen van Jozef, den zoon van Israel; doch niet alzo, dat hij zich in het geslachtsregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;2Want Juda werd machtig onder zijn broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef.)3De kinderen van Ruben, den eerstgeborene van Israel, zijn Hanoch en Pallu, Hezron en Charmi.4De kinderen van Joel: zijn zoon Semaja; zijn zoon Gog; zijn zoon Simei;5Zijn zoon Micha; zijn zoon Reaja; zijn zoon Baal;6Zijn zoon Beera, welken Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrie, gevankelijk wegvoerde; hij was de vorst der Rubenieten.7Aangaande zijn broederen in hun huisgezinnen, als zij naar hun geboorten in de geslachtsregisters gesteld werden; de hoofden zijn geweest Jehiel en Zecharja,8En Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joel, die woonde te Aroer, en tot aan Nebo, en Baal-Meon,9En hij woonde tegen het oosten, tot den ingang der woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land van Gilead.10En in de dagen van Saul voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielen door hun hand; en zij woonden in hun tenten tegen de gehele oostzijde van Gilead.11De kinderen van Gad nu woonden tegen hen over, in het land van Basan, tot Salcha toe.12Joel was het hoofd; en Safam de tweede; maar Jaenai en Safat bleven in Basan.13Hun broeders nu, naar hun vaderlijke huizen, waren Michael, en Mesullam, en Seba, en Jorai, en Jachan, en Zia, en Heber: zeven.14Dezen zijn de kinderen van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.15Ahi, de zoon van Abdiel, den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen.16En zij woonden in Gilead, in Basan, en in haar onderhorige plaatsen, en in al de voorsteden van Saron, tot aan hun uitgangen.17Deze allen zijn naar hun geslachtsregisters geteld, in de dagen van Jotham, den koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, den koning van Israel.18Van de kinderen van Ruben, en van de Gadieten, en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarste mannen, schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vier en veertig duizend zevenhonderd en zestig, uitgaande in het heir.19En zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en tegen Jethur, en Nafis, en Nodab.20Doch zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hun hand gegeven, en allen, die met hen waren; omdat zij tot God riepen in den krijg, zo liet Hij Zich van hen verbidden, dewijl zij op Hem vertrouwden.21En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kemelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen der mensen.22Want er vielen vele verwonden, dewijl de strijd van God was; en zij woonden in hun plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden.23De kinderen nu van den halven stam van Manasse woonden in dat land. Zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baal-Hermon, en Senir, en den berg Hermon.24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.25Maar zij hebben tegen den God hunner vaderen overtreden, en de goden der volken des lands nagehoereerd, welke God voor hun aangezichten had verdelgd.26Zo verwekte de God Israels den geest van Pul, den koning van Assyrie, en den geest van Tiglath-Pilneser, den koning van Assyrie, die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse; en hij bracht hen te Halah, en Habor, en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag.

In dit hoofdstuk wordt gesproken over de zonen van Ruben, van Gad en van de halve stam Manasse.

Destijds had hun eigen welstand in hun ogen meer waarde dan het bezit van het land van de belofte. Ze zijn een beeld van christenen voor wie het aardse en het zichtbare meer telt dan het hemelse en het geestelijke.

Daarom hebben de tweeënhalve stam zich ook aan de overzijde van de Jordaan gevestigd. Hun gebrek aan geloof en uithoudingsvermogen alsook hun liefde tot materiële dingen worden op andere Schriftplaatsen aangehaald.

Het is echter heel ontroerend op te merken dat ook hier het Woord alleen het goede naar voren haalt dat van hen gezegd kan worden (met uitzondering van vers 25 dat voor het begrijpen van dit gedeelte noodzakelijk is). Hier worden hun moed en vertrouwen in het bijzonder onderstreept.

Het hart van God blijft altijd gelijk.

De Heere Jezus kon over Zijn zwakke discipelen die Hem even later zouden verlaten, toch tegen de Vader zeggen: "Zij hebben Uw Woord bewaard ... en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt" (Johannes 17 vers 6 tot en met 8).

Zó is de liefde van onze trouwe Heiland! Daar waar wij slechts verval en ellende kunnen ontdekken, ziet Hij toch nog iets waar Hij een welgevallen in heeft.

Laten ook wij, vóórdat wij een oordeel vellen of kritiek hebben op de Zijnen als ze er zelf niet bij zijn, eerst denken aan de manier waarop de Heere over hen spreekt. Laten we Zijn volmaakte Voorbeeld navolgen!

1 Kronieken 6:1-3, 48-65
1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.3En de kinderen van Amram waren Aaron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
48Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods.49Aaron nu en zijn zonen rookten op het altaar des brandoffers, en op het reukaltaar, zijnde besteld tot al het werk van het heilige der heiligen, en om over Israel verzoening te doen, naar alles wat Mozes, de knecht Gods, geboden had.50Dit nu zijn de kinderen van Aaron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon;51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;52Merajoth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahitub zijn zoon;53Zadok zijn zoon; Ahimaaz zijn zoon.54En dit waren hun woningen, naar hun kastelen, in hun landpalen, namelijk van de zonen van Aaron, van het huisgezin der Kahathieten, want dat lot was voor hen.55En zij gaven hun Hebron, in het land van Juda, en haar voorsteden rondom dezelve.56Maar het veld der stad, en haar dorpen, gaven zij Kaleb, den zoon van Jefunne.57En den kinderen van Aaron gaven zij steden van Juda, de vrijstad Hebron, en Libna en haar voorsteden, en Jattir en Esthemoa, en haar voorsteden,58En Hilen en haar voorsteden, en Debir en haar voorsteden,59En Asan en haar voorsteden, en Beth-Semes en haar voorsteden.60Van den stam van Benjamin nu: Geba en haar voorsteden, en Allemeth en haar voorsteden, en Anathoth en haar voorsteden. Al hun steden, in hun huisgezinnen, waren dertien steden.61Maar de kinderen van Kahath, die overgebleven waren, hadden van het huisgezin van den stam, uit den halven stam van half Manasse, bij het lot, tien steden.62En de kinderen van Gerson, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Issaschar, en van den stam van Aser, en van den stam van Nafthali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden.63De kinderen van Merari, naar hun huisgezinnen, hadden van den stam van Ruben, en van den stam van Gad, en van den stam van Zebulon, bij het lot, twaalf steden.64Alzo gaven de kinderen Israels aan de Levieten deze steden en haar voorsteden.65En zij gaven ze bij het lot, van den stam der kinderen van Juda, en van den stam der kinderen van Simeon, en van den stam der kinderen van Benjamin, deze steden, dewelke zij bij namen noemden.

Het zesde hoofdstuk is gewijd aan de Levieten en de priesters, de zonen van Aäron. Daarmee is dit hoofdstuk de tegenhanger van hoofdstuk 3 waarin we lazen over de koningen. Het gaat om bevoorrechte families in Israël!

In het tegenwoordige volk van God zijn deze diensten het deel van elke gelovige! De apostel Petrus herinnert ons eraan: "Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom ..., opdat gij zoudt verkondigen de deugden van Hem, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht" (1 Petrus 2 vers 9; zie ook Openbaring 1 vers 6).

Lof aan de Heere brengen en van Zijn deugden aan anderen vertellen, is de tweevoudige dienst van de christen. Daar doen de Levieten ons aan denken. De éne groep was voor het gezang bestemd (vers 31 en verder), de andere diende, onder leiding van Aäron en zijn zonen, in het huis van God (vers 48 en 49).

In de hoofdstukken 7 en 8 vinden we de geslachtsregisters van achtereenvolgens Issaschar, Benjamin, Nafthali, van de andere halve stam van Manasse en tenslotte van de stammen Efraïm en Aser. Daarbij moeten we letten op de gevolgen die de nalatigheid van de stam van Nafthali had. Deze stam bekommerde er zich namelijk zó weinig om zich steeds de voorrechten die ze hadden, in herinnering te roepen, dat hun hele geschiedenis slechts met één korte tekst in het Boek van God wordt weergegeven (hoofdstuk 7 vers 13). Dat mag voor ons een reden te meer zijn om met interesse de geschiedenis van de gemeente te vervolgen. Opdat we met dankbaarheid terugdenken aan hen die God heeft willen gebruiken om ons in geestelijk opzicht te zegenen (zie ook Hebreeën 13 vers 7).

1 Kronieken 9:17-34
17De poortiers nu waren: Sallum, en Akkub, en Talmon, en Ahiman, en hun broeders; Sallum was het hoofd.18Ook tot nog toe, aan de poort des konings oostwaarts, waren dezen de poortiers onder de legers der kinderen van Levi.19En Sallum, de zoon van Kore, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah, en zijn broeders van het huis zijns vaders, de Korathieten, waren over het werk van den dienst, wachters der dorpelen des tabernakels; gelijk hun vaders in het leger des HEEREN geweest waren bewaarders van den ingang;20Als Pinehas, de zoon van Eleazar, te voren voorganger bij hen was, met welken de HEERE was.21Zacharja, de zoon van Meselemja, was poortier aan de deur van de tent der samenkomst.22Allen, die uitgelezen waren tot poortiers aan de dorpelen, waren tweehonderd en twaalf. Dezen waren in het geslachtsregister gesteld naar hun dorpen. David en Samuel, de ziener, hadden hen in hun ambt bevestigd.23Zij dan en hun zonen waren aan de poorten van het huis des HEEREN, in het huis der tent, aan de wachten.24Die poortiers waren aan de vier winden, tegen het oosten, tegen het westen, tegen het noorden, en tegen het zuiden.25En hun broeders waren op hun dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen;26Want in dat ambt waren vier overste poortiers, die Levieten waren; en zij waren over de kameren en over de schatten van het huis Gods.27En zij bleven over nacht rondom het huis Gods; want op hen was de wacht, en zij waren over de opening, en dat allen morgen.28En enigen van hen waren over de vaten van den dienst; want bij getal droegen zij ze in, en bij getal droegen zij ze uit.29Want uit dezelve zijn er besteld over de vaten, en over al de heilige vaten, en over de meelbloem, en wijn, en olie, en wierook, en specerij.30En uit de zonen der priesteren waren de bereiders van het reukwerk der specerijen.31En Mattithja uit de Levieten, dewelke was de eerstgeborene van Sallum, den Korahiet, was in het ambt over het werk, dat in pannen gekookt wordt.32En uit de kinderen der Kahathieten, uit hun broederen, waren enigen over de broden der toerichting, om die alle sabbatten te bereiden.33Uit dezen zijn ook de zangers, hoofden der vaderen onder de Levieten in de kameren, dienstvrij; want dag en nacht was het op hen, in dat werk te zijn.34Dit zijn de hoofden der vaderen onder de Levieten, hoofden in hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.

In dit hoofdstuk worden nog meer Levieten genoemd, namelijk de poortwachters. Zij hebben een heel belangrijke opdracht!

Hun taak is in een paar woorden samen te vatten, in een kort bevel dat de Heere Jezus in een gelijkenis aanhaalt: "Gelijk een mens ... de deurwachter gebood, dat hij zou waken" (Markus 13 vers 34).

De wacht houden over de vaten, het gereedschap, de offers, het voedsel en de toegang tot het huis! In het Nieuwe Testament komt deze dienst overeen met de taak van opzieners, herders en oudsten.

Zij dragen in het bijzonder de zorg voor de zielen in de gemeente. En zij hebben erop toe te zien dat de gezonde leer verkondigd wordt.

Dat is een vertrouwelijke opdracht, maar ook een eerbare taak waarvan zij bij de openbaring voor de rechterstoel van Christus verantwoording zullen moeten afleggen!

Deze poortwachters waren nakomelingen van Korach, de oproerkraaier (zie Numeri 16).

De zonen van Korach wilden liever in de voorhoven van het huis van God verblijven, dan in de tenten van de goddelozen waarin hun vader gewoond had.

Kennen we die prachtige Psalm 84 die de zonen van Korach gedicht hebben? "Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heerscharen! ... Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders" (Psalm 84 vers 2 en 11).

Aan wie vertrouwt God de zorg voor Zijn huis, Zijn gemeente, toe? Aan hen die haar liefhebben en alles voor haar over hebben.

1 Kronieken 10:1-14
1En de Filistijnen streden tegen Israel, en de mannen van Israel vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en zij vielen verslagen op het gebergte Gilboa.2En de Filistijnen hielden dicht achter Saul aan en achter zijn zonen; en de Filistijnen sloegen Jonathan, en Abinadab, en Malchi-sua, de zonen van Saul.3En de strijd werd zwaar tegen Saul, en de schutters met de bogen troffen hem aan; en hij vreesde zeer voor de schutters.4Toen zeide Saul tot zijn wapendrager: Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer. Toen nam Saul het zwaard, en viel daarin.5Toen zijn wapendrager zag, dat Saul dood was, zo viel hij ook in het zwaard en stierf.6Alzo stierf Saul en zijn drie zonen; ook zijn ganse huis is tegelijk gestorven.7Als al de mannen van Israel, die in het dal waren, zagen, dat zij gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij hun steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.8Het geschiedde nu des anderen daags, als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zo vonden zij Saul en zijn zonen, liggende op het gebergte Gilboa.9En zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijn wapenen, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om dit te boodschappen aan hun afgoden, en aan het volk.10En zij legden zijn wapenen in het huis huns gods; en zijn hoofd hechtten zij in het huis van Dagon.11Als geheel Jabes in Gilead hoorde alles, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden,12Zo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul, en de lichamen zijner zonen, en zij brachten ze te Jabes; en zij begroeven hun beenderen onder een eikenboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen.13Alzo stierf Saul, in zijn overtreding, waarmede hij overtreden had tegen den HEERE, tegen het woord des HEEREN hetwelk hij niet gehouden had; en ook omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende,14En den HEERE niet gezocht had; daarom doodde Hij hem, en keerde het koninkrijk tot David, den zoon van Isai.

Vanaf hier wordt in de Boeken van de Kronieken de draad van de geschiedenis van David en zijn nakomelingen opgepakt, vanaf het moment waarop Saul gestorven is.

Toch verschilt de berichtgeving hier van die in de Boeken van Samuël en Koningen. Sommige feiten worden toegevoegd en andere weggelaten. Elke verandering komt echter overeen met het doel dat God Zich gesteld heeft, toen Hij deze Boeken liet optekenen.

Zijn doel was: deze geschiedenis vanuit een nieuw en ander gezichtspunt te beschrijven, namelijk dat van Zijn onbeperkte genade.

Om dezelfde reden heeft Hij ons in de vier Evangeliën vier maal de geschiedenis van Zijn Zoon meegedeeld, zodat wij Hem in Zijn verschillende heerlijkheden kunnen overdenken.

Laten we dus niet verslappen in het opnieuw lezen van bekende gebeurtenissen! Laten we juist aandachtig letten op wat de Geest heeft toegevoegd of wat Hij opzettelijk heeft weggelaten.

We hoeven ook niet ontmoedigd te zijn, maar mogen ons er juist over verheugen dat God met de mens in het vlees aan het eind is gekomen. Daarvan zijn Saul en zijn geslacht een beeld.

Saul sneuvelt door de hand van de Filistijnen en wordt op het gebergte Gilbóa van alles beroofd. Zijn verderfelijk werk is ten einde en zijn dood is geconstateerd, vóórdat David in het voetlicht treedt.

David is de mens die voortkomt uit het raadsbesluit van God, een kostbaar beeld van de Heere Jezus.

1 Kronieken 11:1-14
1Toen vergaderde zich gans Israel tot David naar Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vlees.2Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt gij Israel uitgeleid en ingeleid; ook heeft de HEERE, uw God, tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israel weiden, en gij zult voorganger zijn van Mijn volk Israel.3Ook kwamen alle oudsten in Israel tot den koning van Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron, voor het aangezicht des HEEREN; en zij zalfden David ten koning over Israel, naar het woord des HEEREN, door den dienst van Samuel.4En David toog henen, en gans Israel, naar Jeruzalem, welke is Jebus; want daar waren de Jebusieten, de inwoners des lands.5En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David dan nog won den burg Sion, welke is de stad Davids.6Want David zeide: Al wie de Jebusieten het eerst slaat, zal tot een hoofd, en tot een overste worden. Toen beklom Joab, de zoon van Zeruja, dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.7David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids.8En hij bouwde de stad rondom, van Millo af, en rondom henen; en Joab vernieuwde het overige der stad.9En David ging geduriglijk voort, en werd groot, want de HEERE der heirscharen was met hem.10Dezen nu waren de hoofden der helden, die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israel, om hem koning te maken, naar het woord des HEEREN over Israel.11Dezen nu zijn van het getal der helden, die David had: Jasobam, de zoon van Hachmoni, was het hoofd der dertigen, die zijn spies tegen driehonderd opheffende, hen op eenmaal versloeg.12En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, de Ahohiet; hij was onder die drie helden.13Hij was met David te Pas-Dammim, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk des akkers vol gerst was, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vlood;14En zij stelden zich in het midden van dat stuk, en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen; en de HEERE verloste hen door een grote verlossing.

De lange jaren van lijden en verbanning zijn voor David ten
einde. Zijn recht op de troon wordt nu in heel Israël erkend.

Hij neemt de burcht Sion in die in zoveel Psalmen geprezen wordt (zie bijvoorbeeld Psalm 87 vers 2 tot en met 5) en die van de koninklijke genade spreekt.

De nieuwe koning zal daar echter niet alleen wonen. De mannen van geloof, zij die samen met hem in woestijnen en bergen rondgezworven hebben, met hem in spelonken en holen in de aarde gewoond hebben en door de wereld veracht werden, zullen nu voor altijd met hem in deze stad blijven (Nehemía 3 vers 16; vergelijk Hebreeën 11 vers 16 en 38).

Kinderen van God, zien wij die gouden stad als het ware al aan de horizon verschijnen? De stad waarheen de Heere Jezus onze voetstappen richt? Dit vooruitzicht geeft ons kracht voor onze christelijke wandel en strijd!

De held Eleázer heeft tegen de Filistijnen gestreden om een stuk land vol met gerst uit hun handen te redden.

Dat doet ons denken aan de dienstknechten van God die moeten vechten om het geestelijke voedsel voor Gods volk in veiligheid te brengen. Velen van hen hebben de hardnekkige aanvallen van de vijanden op de waarheid afgeslagen.

We behoren hen daar ontzettend dankbaar voor te zijn. Van onze kant moeten wij bereid zijn om de gezonde leer die zij voor ons bewaakt en bewaard hebben, eveneens te verdedigen (Judas vers 3).

1 Kronieken 11:15-47
15En drie uit de dertig hoofden togen af naar den rotssteen tot David in de spelonk van Adullam; en het leger der Filistijnen had zich gelegerd in het dal Refaim.16En David was toen in de vesting en de bezetting der Filistijnen was toen te Bethlehem.17En David kreeg lust, en zeide: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput, die onder de poort is?18Toen braken die drie door het leger der Filistijnen, en putten water uit Bethlehems bornput, die onder de poort is, en zij droegen het en brachten het tot David. Doch David wilde het niet drinken, maar hij goot het uit voor den HEERE;19En hij zeide: Dat late mijn God verre van mij zijn, van zulks te doen! Zou ik het bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns levens, ja, met gevaar huns levens hebben zij dat gebracht. En hij wilde het niet drinken. Dit deden de drie helden.20Abisai nu, de broeder van Joab, was ook het hoofd van drie; en hij, verheffende zijn spies tegen driehonderd, versloeg hen; alzo had hij een naam onder die drie.21Uit die drie was hij geeerd boven de twee; daarom werd hij hun tot een overste; maar hij kwam tot aan de eerste drie niet.22Benaja, de zoon van Jojada, de zoon eens dapperen mans van Kabzeel, was groot van daden; hij versloeg twee sterke leeuwen van Moab; ook ging hij af, en versloeg een leeuw in het midden des kuils, in den sneeuwtijd.23Hij versloeg ook een Egyptischen man, een man van grote lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had een spies in de hand, als een weversboom; maar hij ging tot hem af met een staf, en rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en hij doodde hem met zijn eigen spies.24Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder die drie helden.25Ziet, hij was de heerlijkste van die dertig; nochtans kwam hij tot aan de drie niet. En David stelde hem over zijn trawanten.26De helden nu der heiren waren: Asahel, de broeder van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;30Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;31Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;34Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;38Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;42Adina, de zoon van Siza, de Rubeniet, was het hoofd der Rubenieten; nochtans waren er dertig boven hem;43Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;44Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;45Jediael, de zoon van Simri, en Joha, zijn broeder, de Tiziet;46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.

David heeft op en na de dag van zijn machtsovername zijn metgezellen van de spelonk van Adullam niet vergeten. Zou de Heere hen die Hem hier op aarde navolgen en willen dienen, ooit vergeten? We weten dat dat nooit zal gebeuren!

Wat zegt de Meester tegen Zijn discipelen, vlak vóór het moment waarop Hij Zijn leven voor hen zal geven, terwijl zij zich bezighouden met de vraag wie van hen de meeste is? "Gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen. En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijk Mijn Vader Mij dat verordineerd heeft" (Lukas 22 vers 28 en 29).

Er is onder deze vlijtige mannen een bepaalde rangorde. Niet gegrond op kracht, want het zijn allemaal sterke mannen, maar gegrond op hun opoffering.

Het maakt daarbij geen verschil of het nu gaat om een dienst, zoals bij de drie helden die water gingen halen, of om een strijd, zoals bij Benája.

Datzelfde geldt voor de gelovigen van vandaag. Sommigen uit alle christelijke kringen overtreffen anderen in ijver en toewijding aan de Heere.

In de hemel zullen we op zekere dag hun waardevolle daden leren kennen. Zou u dan ook niet graag bij hen willen staan?

"Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus" (2 Petrus 1 vers 11).

1 Kronieken 12:1-18
1Dezen nu zijn het, die tot David kwamen naar Ziklag, toen hij nog besloten was voor het aangezicht van Saul, den zoon van Kis; zij waren ook onder de helden, die tot dien krijg hielpen.2Gewapend met bogen, rechts en links met stenen werpende, en met pijlen schietende uit den boog; zij waren van de broederen van Saul, uit Benjamin.3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.8Ook scheidden zich van de Gadieten af tot David, in die vesting naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorlog, toegerust met rondas en schild; en hun aangezichten waren aangezichten der leeuwen; en zij waren als de reeen op de bergen in snelheid.9Ezer was het hoofd; Obadja de tweede; Eliab de derde;10Mismanna de vierde; Jirmeja de vijfde;11Attai de zesde; Eliel de zevende;12Johanan de achtste; Elzabad de negende;13Jirmeja de tiende; Machbannai de elfde.14Dezen waren van de kinderen van Gad, hoofden des heirs; een van de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend.15Deze zelfden zijn het, die over de Jordaan gingen in de eerste maand, toen dezelve vol was aan al haar oevers; en zij verdreven al de inwoners der laagten, tegen het oosten en tegen het westen.16Er kwamen ook van de kinderen van Benjamin en Juda op de vesting tot David.17En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zeide tot hen: Indien gijlieden ten vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over ulieden zijn; maar indien het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God onzer vaderen zie het, en straffe het!18En de Geest toog Amasai aan, den overste der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, gij, zoon van Isai. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden der benden.

Saul heeft de nederlaag geleden, omdat hij niet in staat was de boogschutters van de Filistijnen terug te drijven (hoofdstuk 10 vers 3).

Toch mogen we hier opmerken dat hij onder zijn eigen broeders uit de stam Benjamin de juiste mannen had kunnen vinden die heel goed met pijl en boog en met de slinger wisten om te gaan.

Tot zijn grote spijt echter hebben zij de veroordeelde koning verlaten en zich aangesloten bij David in Ziklag.

Deze mannen hebben hun capaciteiten beschikbaar gesteld aan hem die zij in geloof als hun ware heer erkenden.

Wat doen wij met de talenten die God ons heeft toevertrouwd? In dienst van welke meester gebruiken wij die? Voor Christus of voor de vorst van de wereld?

Van de Gadieten hebben zich eveneens elf buitengewone strijders afgescheiden. Zij krijgen bepaalde verantwoordelijkheden van David.

Vervolgens komen er nog een paar mannen van Juda en Benjamin. En de koning gaat hun beweegredenen na.

Is het antwoord dat Amásai, het hoofd van de aanvoerders, geleid door de Geest aan de koning geeft, niet wonderbaar? "Wij zijn uwe, o David, en met u zijn wij, gij zoon van Isaï!" (vers 18).

O, dat ieder van ons door dezelfde Geest kan zeggen: 'Ik behoor U toe, Heere Jezus!'

"Uwe", maar ook "met U"! Helaas zijn er verlosten die bij de Heere Jezus horen, maar zich in Zijn tegenwoordigheid toch niet op hun gemak voelen.

1 Kronieken 12:19-40
19Er vielen ook van Manasse tot David, toen hij met de Filistijnen kwam, om tegen Saul te strijden, alhoewel zij hen niet hielpen; want de vorsten der Filistijnen verlieten hem met raad, zeggende: Met gevaar van onze hoofden zou hij tot Saul, zijn heer, vallen.20Toen hij naar Ziklag toog, vielen tot hem uit Manasse: Adnah, en Jozabad, en Jediael, en Michael, en Jozabad, en Elihu, en Zillethai; hoofden der duizenden, die in Manasse waren.21En dezen hielpen David mede tegen die benden; want alle dezen waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir.22Want er kwamen er te dier tijd dag bij dag tot David, om hem te helpen, tot een groot leger toe, als een leger Gods.23En dit zijn de getallen der hoofden dergenen, die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar den mond des HEEREN:24Van de kinderen van Juda, die rondassen en spiesen droegen, waren zes duizend en achthonderd toegerust ten heire;25Van de kinderen van Simeon, kloeke helden ten heire, zeven duizend en honderd;26Van de kinderen van Levi, vier duizend en zeshonderd;27En Jehojada was overste der Aaronieten; en met hem waren er drie duizend en zevenhonderd.28En Zadok was een jongeling, een kloek held; en uit zijns vaders huis waren twee en twintig oversten;29En van de kinderen van Benjamin, de broederen van Saul, drie duizend; want tot nog toe waren er velen van hen, die het met het huis van Saul hielden;30En van de kinderen van Efraim, twintig duizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen;31En van den halven stam van Manasse achttien duizend, die met namen uitgedrukt zijn, dat zij kwamen, om David koning te maken;32En van de kinderen van Issaschar, die ervaren waren in het verstand van de tijden, om te weten wat Israel doen moest; hun hoofden waren tweehonderd, en alle hun broeders pasten op hun woord;33Uit Zebulon, uitgaande in het heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftig duizend; en om een slagorde te houden met een onwankelbaar hart;34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.35En uit de Danieten, ten strijde toegerust, acht en twintig duizend en zeshonderd;36En uit Aser, uitgaande in het heir, om krijgsorde te houden, waren veertig duizend;37En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend.38Al deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen hart te Hebron, om David koning te maken over gans Israel. En ook was al het overige van Israel een hart, om David tot koning te maken.39En zij waren daar bij David drie dagen lang, etende en drinkende; want hun broeders hadden voor hen wat toebereid.40En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar, en Zebulon, en Nafthali, brachten brood op ezelen, en op kemelen, en op muildieren, en op runderen, meelspijs, stukken vijgen, en stukken rozijnen, en wijn, en olie, en runderen, en klein vee in menigte; want er was blijdschap in Israel.

Als het middelpunt van de verzamelplaats ziet David uit alle stammen trouwe mannen tot zich komen die hem erkennen als hun koning.

Van alle kanten komen ze; de één heeft meer haast dan de ander, totdat er een reusachtig leger bij elkaar is.

Zadok, een jongeman en dapper held, wordt hier speciaal genoemd. Wie zou de Heere vandaag uit het midden van Zijn volk zó naar voren kunnen halen?

De soldaten die daar bij elkaar gekomen zijn, hebben allen hun eigen karakter. De één heeft meer kracht en moed, de ander meer onderscheidingsvermogen en wijsheid. Er zijn er ook die ordelijker of rechtschapener zijn dan anderen.

Zó is het ook met de kinderen van God. Totaal verschillend van elkaar, zal op een zeker moment toch het een of andere karakterkenmerk naar voren komen: krachtdadig handelen, wijsheid, geduld, geloof, liefde, volharding, enzovoort.

Al deze deugden zijn bij de Heere bekend en Hij wil ze in ons bewerken. Hij is de Enige Die al die deugden in Zijn leven geopenbaard heeft!

De slotscène van dit hoofdstuk doet ons denken aan Lukas 12 vers 37. De Meester Die met niets of niemand te vergelijken is, zal het aan niemand anders overlaten Zich om Zijn trouwe knechten en vermoeide strijders te bekommeren. Hij zal Zichzelf omgorden en "hen doen aanzitten, en bijkomende, zal Hij hen dienen".

1 Kronieken 13:1-14
1En David hield raad met de oversten der duizenden en der honderden, en met alle vorsten.2En David zeide tot de ganse gemeente van Israel: Indien het ulieden goeddunkt, en van den HEERE, onzen God, te zijn, laat ons ons uitbreiden, laat ons zenden aan onze overige broeders, in alle landen van Israel, en de priesters en Levieten, die met hen zijn in de steden, met haar voorsteden, opdat zij tot ons vergaderd worden.3En laat ons de ark onzes Gods tot ons wederhalen, want wij hebben ze in de dagen van Saul niet gezocht.4Toen zeide de ganse gemeente, dat men alzo doen zou; want die zaak was recht in de ogen des gansen volks.5David dan vergaderde gans Israel van het Egyptische Sichor af, tot daar men komt te Hamath, om de ark Gods te brengen van Kirjath-Jearim.6Toen toog David op met het ganse Israel naar Baala, dat is, Kirjath-Jearim, hetwelk in Juda is, dat hij van daar ophaalde de ark Gods, des HEEREN, Die tussen de cherubim woont, waar de Naam wordt aangeroepen.7En zij voerden de ark Gods op een nieuwen wagen uit het huis van Abinadab. Uza nu en Ahio leidden den wagen.8En David en gans Israel speelden voor het aangezicht Gods met alle macht, zo met liederen, als met harpen, en met luiten, en met trommelen, en met cimbalen, en met trompetten.9Toen zij aan den dorsvloer van Chidon gekomen waren, zo strekte Uza zijn hand uit, om de ark te houden, want de runderen struikelden.10Toen ontstak de toorn des HEEREN over Uza, en Hij sloeg hem, omdat hij zijn hand had uitgestrekt aan de ark; en hij stierf aldaar voor het aangezicht Gods.11En David ontstak, dat de HEERE een scheur gescheurd had aan Uza; daarom noemde hij diezelve plaats Perez-Uza, tot op dezen dag.12En David vreesde den HEERE te dien dage, zeggende: Hoe zal ik de ark Gods tot mij brengen?13Daarom liet David de ark niet tot zich brengen in de stad Davids, maar deed ze afwijken in het huis van Obed-Edom, den Gethiet.14Alzo bleef de ark Gods bij het huisgezin van Obed-Edom, in zijn huis, drie maanden; en de HEERE zegende het huis van Obed-Edom, en alles, wat hij had.

Er komt een gelukzalig verlangen op in het hart van de nieuwe koning. Hij wil de ark graag weer een ereplaats in Israël geven en het hele volk moet deelnemen aan deze gebeurtenis.

Alles lijkt naar wens te verlopen en er heerst algemene vreugde.

Helaas wordt één detail (dat echter van de allergrootste betekenis is!) over het hoofd gezien. Dat veroorzaakt de dood van Uza en zorgt voor een grote verwarring.

Direct slaat de vreugde in het hart van de koning om in vrees. Nu heerst er opwinding in plaats van dat er lofliederen gezongen worden.

Het Woord schreef de Levieten voor de ark op hun schouders te dragen, en dat is niet gebeurd!

Waarschijnlijk was het puur uit onwetendheid gebeurd! Men heeft niet anders gehandeld, omdat men niet beter wist.

Maar zowel de koning die het wetboek moest overschrijven, als de Levieten die het moesten leren, hadden de aanwijzingen hiervoor moeten kennen (Deuteronomium 17 vers 18; 31 vers 9 tot en met 12). Daarom waren ze niet te verontschuldigen.

Wij die de Bijbel in handen hebben, zijn er zelfverantwoordelijk voor om onze weg te gaan naar het onderwijs en de aanwijzingen van het Woord en z6 de Heere te dienen.

De ark wordt in het huis van Obed-Edom gebracht en blijft drie maanden "bij het huisgezin" van deze man.

1 Kronieken 14:1-17
1Toen zond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en cederenhout, en metselaars, en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden.2En David merkte, dat hem de HEERE tot koning bevestigd had over Israel; want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven, om Zijns volks Israels wil.3En David nam meer vrouwen te Jeruzalem, en David gewon meer zonen en dochteren.4Dit nu zijn de namen der kinderen, die hij te Jeruzalem had: Sammua, en Sobab, Nathan en Salomo,5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,6En Nogah, en Nefeg, en Jafia,7En Elisama, en Beeljada, en Elifelet.8Toen de Filistijnen hoorden, dat David tot koning gezalfd was over het ganse Israel, zo togen al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde zo toog hij uit tegen hen.9Toen de Filistijnen kwamen, zo spreidden zij zich uit in de laagte van Refaim.10Toen vraagde David God, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen, en zult Gij hen in mijn hand geven? En de HEERE zeide tot hem: Trek op, want Ik zal hen in uw hand geven.11Toen zij nu optogen naar Baal-Perazim, zo sloeg hen David daar; en David zeide: God heeft mijn vijanden door mijn hand gescheurd, als een scheur der wateren; daarom noemden zij den naam derzelver plaats Baal-Perazim.12En daar lieten zij hun goden; en David gebood, en zij werden met vuur verbrand.13Doch de Filistijnen voeren nog voort, en zij verspreidden zich in dat dal.14En David vraagde God nog eens; en God zeide tot hem: Gij zult niet optrekken achter hen heen; maar omsingel hen van boven, en kom tot hen tegenover de moerbezienbomen.15En het zal geschieden, als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbezienbomen, kom dan uit ten strijde; want God zal voor uw aangezicht uitgegaan zijn, om het leger der Filistijnen te slaan.16David nu deed, gelijk als hem God geboden had; en zij sloegen het heir der Filistijnen van Gibeon af tot aan Gezer.17Alzo ging Davids naam uit in al die landen; en de HEERE gaf Zijn verschrikking over al die heidenen.

De heerlijkheid, de voorspoed en het welzijn van David hebben invloed op zijn buren.

De één, zoals Hiram en zijn volk, zoekt de gunst en vriendschap van de koning van Israël; de ander, zoals het volk van de Filistijnen, legt zijn wapen niet neer.

Laten we erop letten dat hier, in overeenstemming met het karakter van het Boek Kronieken, niet gesproken wordt over de verkeerde samenwerking van David met Achis (1 Samuël 27 tot en met 29), op één terughoudende opmerking in 1 Kronieken 12 vers 19 na.

De overwinnaar van Goliath trekt twee keer tegen de Filistijnen op, maar niet voordat hij bij elke keer éérst God om raad gevraagd heeft.

Hieruit blijkt de nederige houding van David waar we de nadruk op willen leggen! David vertrouwt niet op zijn eigen capaciteiten als leider. Hij steunt ook niet op zijn militaire ervaringen om te besluiten welke tactiek hij nu moet toepassen.

Als de vijand op ons afkomt 'om ons te zoeken' (vers 8), is onze eerste reactie dan ook dat we het aangezicht van God zoeken om Hem te vragen hoe we hem het beste kunnen overwinnen?

Laten we toch niet op eigen wijsheid vertrouwen, maar de Heere Jezus vragen om Zijn leiding en hulp, vóórdat we de grote tegenstander tegemoet treden en vóórdat we een besluit nemen!

De meeste nederlagen voor de grote vijand laten zich maar op één manier verklaren: we hebben vergeten naar de gedachten van de Heere te vragen!

1 Kronieken 15:1-24
1En David maakte zich huizen in zijn stad; en hij bereidde der ark Gods een plaats, en spande een tent voor haar.2Toen zeide David: Niemand mag de ark Gods dragen, dan de Levieten; want die heeft de HEERE verkoren, om de ark Gods te dragen, en om Hem te dienen tot in der eeuwigheid.3Ook vergaderde David gans Israel te Jeruzalem, om de ark des HEEREN op te halen aan haar plaats, die hij haar bereid had.4En David verzamelde de kinderen van Aaron en de Levieten.5Van de kinderen van Kehath was Uriel overste, en van zijn broederen waren honderd en twintig.6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.7Van de kinderen van Gersom was Joel overste, en van zijn broederen waren honderd en dertig.8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.9Uit de kinderen van Hebron was Eliel overste, en zijn broederen waren tachtig.10Uit de kinderen van Uzziel was Amminadab overste, en zijn broederen waren honderd en twaalf.11En David riep de priesters Zadok en Abjathar, en de Levieten Uriel, Asaja en Joel, Semaja, en Eliel, en Amminadab.12En hij zeide tot hen: Gijlieden zijt hoofden der vaderen onder de Levieten; heiligt u, gij en uw broeders, dat gij de ark des HEEREN, des Gods van Israel, opbrengt, ter plaatse, die ik voor haar bereid heb.13Want omdat gijlieden ten eerste dit niet deedt, heeft de HEERE, onze God, onder ons een scheur gedaan, omdat wij Hem niet gezocht hebben naar het recht.14Zo heiligden zich dan de priesters en Levieten, om de ark des HEEREN, des Gods van Israel, op te brengen.15En de kinderen der Levieten droegen de ark Gods op hun schouderen, met de draagbomen, die op hen waren, gelijk als Mozes geboden had naar het woord des HEEREN.16En David zeide tot de oversten der Levieten, dat zij hun broeders, de zangers, stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten, en harpen, en cimbalen, dat zij zich zouden doen horen, verheffende de stem met blijdschap.17Zo stelden dan de Levieten Heman, den zoon van Joel, en uit zijn broederen Asaf, den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hun broederen, Ethan, den zoon van Kusaja;18En met hen hun broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben en Jaaziel, en Semiramoth, en Jehiel, en Unni, Eliab, en Benaja, en Maaseja, en Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiel, de poortiers.19De zangers nu, Heman, Asaf en Ethan, lieten zich horen met koperen cimbalen;20En Zecharja, en Aziel, en Semiramoth, en Jehiel, en Unni, en Eliab, en Maaseja, en Benaja, met luiten op Alamoth.21En Mattithja, en Elifele, en Mikneja, en Obed-Edom, en Jeiel, en Azazja, met harpen op de Scheminith, om den toon te versterken.22En Chenanja, de overste der Levieten, was over het opheffen; hij onderwees hen in het opheffen; want hij was verstandig.23En Berechja en Elkana waren poortiers der ark.24En Sebanja, en Josafat, en Nethaneel, en Amasai, en Zecharja, en Benaja, en Eliezer, de priesters, trompetten met trompetten voor de ark Gods; en Obed-Edom en Jehia waren poortiers der ark.

Laten ook wij, evenals David, de moed hebben om onze fouten voor de Heere en de mensen toe te geven!

We hebben God "niet gezocht naar het recht" (vers 13), belijdt David aan de Levieten die de opdracht hebben de ark te dragen.

Deze keer worden alle maatregelen genomen om de ark "naar het Woord des HEEREN" te vervoeren. Een blijde gebeurtenis met veel lofgezang!

Let daarbij op de plaats die Obed—Edom in dit gebeuren inneemt! Hij had zichzelf kunnen beklagen, toen hij zag dat de ark z'n huis verliet. Zou hij daardoor de bron van zegen niet gaan verliezen (hoofdstuk 13 vers 14)?

Die gedachte komt zelfs niet bij hem op. De zegen zal nu het deel van heel Israël zijn en hijzelf, een Leviet uit de zonen van Korach, mag tegelijkertijd verschillende ambten vervullen: muzikant, koorleider en poortwachter bij de ark.

Hij blijft dus bij de ark! Hij is in het geringste trouw geweest en nu wordt hem veel toevertrouwd (Lukas 16 vers 10 tot en met 12). Omdat hij ten goede over z'n eigen huis gewaakt heeft, wordt hem nu door God een opdracht toevertrouwd in Zíjn huis (1 Timotheüs 3 vers 4 en 5).

In vers 22 lezen we dat Kenánja, de aanvoerder van de Levieten, hen onderwees in het opheffen (dat wil zeggen: in het transport) of, zoals andere vertalingen het zeggen, in het gezang.

Waarom kreeg hij die taak? We lezen verder: "... want hij was verstandig". Dat doet ons denken aan het woord van de apostel Paulus: "Ik zal wel met de geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen" (1 Korinthe 14 vers 15).

1 Kronieken 15:25-29; 1 Kronieken 16:1-6
25Het geschiedde nu, dat David en de oudsten van Israel, en de oversten der duizenden, henengingen, om de ark des verbonds des HEEREN op te halen, uit het huis van Obed-Edom, met vreugde;26Zo geschiedde het, doordien dat God de Levieten hielp, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, dat zij zeven varren en zeven rammen offerden.27David nu was gekleed met een mantel van fijn linnen; ook al de Levieten, die de ark droegen, en de zangers, en Chenanja, de overste van het opheffen der zangers; ook had David een lijfrok aan van linnen.28Alzo bracht gans Israel de ark des verbonds des HEEREN op, met gejuich, en met geluid der bazuin, en met trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten en met harpen.29Het geschiedde nu, toen de ark des verbonds des HEEREN tot aan de stad Davids gekomen was, dat Michal, de dochter van Saul, door een venster keek, en den koning David zag, springende en spelende; zo verachtte zij hem in haar hart.
1Toen zij de ark Gods inbrachten, zo stelden zij ze in het midden der tent, welke David voor haar gespannen had; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht Gods.2Als David het brandoffer en de dankofferen geeindigd had te offeren, zo zegende hij het volk in den Naam des HEEREN.3En hij deelde een iegelijk in Israel, van den man tot de vrouw, een iegelijk een bol broods, en een schoon stuk vlees, en een fles wijn.4En hij stelde voor de ark des HEEREN sommigen uit de Levieten tot dienaars, en dat, om den HEERE, den God Israels, te vermelden, en te loven, en te prijzen.5Asaf was het hoofd, en Zecharja de tweede na hem; Jeiel, en Semiramoth, en Jehiel, en Mattithja, en Eliab, en Benaja, en Obed-Edom, en Jeiel, met instrumenten der luiten en met harpen; en Asaf liet zich horen met cimbalen;6Maar Benaja en Jahaziel, de priesters, steeds met trompetten voor de ark des verbonds van God.

In de verzen 25 en 26 van Psalm 68 vinden we een zinspeling op het feest dat we hier voor onze aandacht hebben: "O God! zij hebben Uw gangen gezien (dat wil zeggen: de wandel van de Zoon van God van Wie de ark een beeld is) ... De zangers gingen voor, de speellieden achter".

Psalm 132 geeft ons echter vooral meer inzicht in de gedachten die David bij deze plechtige gebeurtenis had. Dat de ark in haar rust inging, was zijn groot verlangen (Psalm 132 vers 3 tot en met 5 en 8).

Mochten onze harten toch ook sneller kloppen als we aan de hemelse rust denken waarin de Heere Jezus ons al is voorgegaan!

De Goddelijke beloften van deze prachtige Psalm 132 gaan ver uit boven de gebeurtenis zoals die hier in Kronieken beschreven wordt:

"Haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen" (vergelijk 1 Kronieken 15 vers 27 en 28 met Psalm 132 vers 16).

En: "Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen" (vergelijk hoofdstuk 16 vers 3 met Psalm 132 vers 15).

Van de verlosten van de Heere wordt verwacht dat zij hun vreugde en hun lof tot uitdrukking brengen, zonder daarbij te wachten op de hemelse rust.

Hier op aarde bezitten ze al een Middelpunt van samenkomen: Christus. Zij zijn geroepen zowel de Vader als de Zoon te dienen, te gedenken, te prijzen en te roemen (vers 4).

1 Kronieken 16:7-22
7Te dienzelven dage gaf David ten eerste dezen psalm, om den HEERE te loven, door den dienst van Asaf, en zijn broederen.8Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.9Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderwerken.10Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; dat zich het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde.11Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte, zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.12Gedenkt Zijner wonderwerken, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en de oordelen Zijns monds;13Gij, zaad van Israel, Zijn dienaar, gij, kinderen van Jakob, Zijn uitverkorenen!14Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.15Gedenkt tot in der eeuwigheid Zijns verbonds, des woords, dat Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht;16Des verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak;17Welken Hij ook aan Jakob heeft gesteld tot een inzetting, aan Israel tot een eeuwig verbond;18Zeggende: Ik zal u het land Kanaan geven, een snoer van ulieder erfdeel;19Als gij weinige mensen in getal waart; ja, weinigen en vreemdelingen daarin.20En zij wandelden van volk tot volk, en van het ene koninkrijk tot een ander volk.21Hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:22Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.

De zangers en muzikanten zijn aangewezen. In onze dagen is de zang echter niet meer alleen voor de enkeling of voor een beperkte groep leden van Gods volk. We mogen ons immers allemaal verheugen, onze dankliederen zingen en vooral in de samenkomsten instemmen met liederen van aanbidding (Efeze 5 vers 19 en Kolosse 3 vers 16).

Nu draagt koning David Asaf "voor het eerst" op "de HEERE te loven".

Zijn Naam, Zijn werken, Zijn heerlijkheid, Zijn betrekkingen tot Zijn uitverkorenen — de Israëliet had talloze redenen om Hem te prijzen.

Maar hoeveel talrijker zijn onze redenen om Hem te aanbidden, omdat we de Heere Jezus en Zijn werk op het kruis kennen!

Ja, laten we met verstand zingen: de woorden die we uitspreken, overwegen in ons hart.

Onze liederen die aan de hand van de Bijbel geschreven zijn, ontvouwen veel aspecten van de heerlijkheden van de Vader en de Zoon. Het is heel belangrijk en opbouwend deze heerlijkheden afzonderlijk te overdenken.

Wat zijn de kinderen van God in vergelijking met de wereld die hen omgeeft? "Weinige mensen in getal; ja, weinigen en vreemdelingen daarin" (vers 19).

Behoren ze daarom tot de ellendigen? Integendeel! "Beroemt u in de Naam Zijner heiligheid", antwoordt vers 10. De Naam van de Heere Jezus door Wie wij in verbinding staan met de Vader, is onze heerlijkheid, onze rijkdom, onze vreugde en ook onze zekerheid!

1 Kronieken 16:23-43
23Zingt den HEERE, gij, ganse aarde, boodschapt Zijn heil van dag tot dag.24Vertelt Zijn eer onder de heidenen, Zijn wonderwerken onder alle volken.25Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen, en Hij is vreselijk boven alle goden.26Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.27Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en vrolijkheid zijn in Zijn plaats.28Geeft den HEERE, gij, geslachten der volken, geeft den HEERE eer en sterkte.29Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, brengt offer, en komt voor Zijn aangezicht; aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.30Schrikt voor Zijn aangezicht, gij, gehele aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde.31Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De HEERE regeert.32Dat de zee bruise met haar volheid, dat het veld huppele van vreugde, met al wat daarin is.33Dan zullen de bomen des wouds juichen voor het aangezicht des HEEREN, omdat Hij komt, om de aarde te richten.34Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.35En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.36Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid tot eeuwigheid! En al het volk zeide: Amen! en het loofde den HEERE.37Alzo liet hij daar, voor de ark des verbonds des HEEREN, Asaf en zijn broederen, om geduriglijk te dienen voor de ark, naardat op elken dag besteld was.38Obed-Edom nu, met hunlieder broederen, waren acht en zestig; en hij stelde Obed-Edom, den zoon van Jeduthun, en Hosa, tot poortiers;39En den priester Zadok, en zijn broederen, de priesters, voor den tabernakel des HEEREN op de hoogte, welke te Gibeon is;40Om den HEERE de brandofferen geduriglijk te offeren op het brandofferaltaar, des morgens en des avonds; en zulks naar alles, wat er geschreven staat in de wet des HEEREN, die Hij Israel geboden had.41En met hen Heman en Jeduthun, en de overige uitgelezenen, die met namen uitgedrukt zijn om den HEERE te loven; want Zijn goedertierenheid is tot in der eeuwigheid.42Met hen dan waren Heman en Jeduthun, met trompetten en cimbalen voor degenen, die zich lieten horen, en met instrumenten der muziek Gods; maar de zonen van Jeduthun waren aan de poort.43Alzo toog het ganse volk henen, een iegelijk in zijn huis; en David keerde zich, om zijn huis te gaan zegenen.

Zoals het eerste 'couplet' van dit lied (vers 7 tot en met 22) overeenkomt met een deel van Psalm 105 (vers 1 tot en met 15), zo komt het tweede dat nu volgt, overeen met Psalm 96 en een deel van Psalm 106 (vers 1, 47 en 48).

Eén feit is daarbij heel opvallend: alles wat in deze drie Psalmen niet overeenkomt met het karakter van de genade, is hier in Kronieken weggelaten. Noch de fouten die begaan zijn, noch het verdiende oordeel worden hier genoemd.

Zou er iets van een terneerdrukkende herinnering aan de zonden aanwezig kunnen zijn, als de verlosten voor de troon van het Lam staan en het nieuwe lied klinkt (zoals Psalm 106 vers 6,7, 13 tot en met 43 voor Israël)?

Dat is onmogelijk, want God heeft beloofd: "Hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken" (Hebreeën 8 vers 12).

Anderzijds zullen we — mede door het zien van de wonden in het lichaam van onze Heiland — nooit vergeten dat wij zondaars waren. Het zal ons besef van de genade vergroten. Het bewustzijn dat Hij onze zonden gedragen heeft, zal ons ertoe brengen te zeggen: "Hem, Die ons heeft liefgehád, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed ... zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen" (Openbaring 1 vers 5 en 6).

Deze gebeurtenis wordt besloten met de definitieve instelling van de dienst bij de ark. Iedereen vervult in het vervolg op de plaats waar hij gesteld is, zijn heilige taken. Dat is een beeld van hen die nu al tot de ware aanbidders mogen behoren.

1 Kronieken 17:1-15
1Het geschiedde nu, als David in zijn huis woonde, dat David tot Nathan, den profeet, zeide: Zie, ik woon in een cederen huis, maar de ark des verbonds des HEEREN onder gordijnen.2Toen zeide Nathan tot David: Doe alles, wat in uw hart is, want God is met u.3Maar het geschiedde in denzelven nacht, dat het woord Gods tot Nathan kwam, zeggende:4Ga heen en zeg tot David, Mijn knecht: Alzo zegt de HEERE: Gij zult Mij geen huis bouwen, om in te wonen.5Want Ik heb in geen huis gewoond van dien dag af, dat Ik Israel heb opgevoerd tot dezen dag toe; maar Ik ben gegaan van tent tot tent, en van tabernakel tot tabernakel.6Overal, waar Ik gewandeld heb met geheel Israel, heb Ik wel een woord gesproken tot een van de richters van Israel, denwelken Ik gebood Mijn volk te weiden, zeggende: Waarom bouwt gijlieden Mij geen cederen huis?7Nu dan, alzo zult gij zeggen tot Mijn knecht, tot David: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb u van de schaapskooi genomen, van achter de schapen, opdat gij een voorganger over Mijn volk Israel zoudt zijn;8En Ik ben met u geweest overal, waar gij heengegaan zijt, en Ik heb al uw vijanden uitgeroeid van voor uw aangezicht; en Ik heb u een naam gemaakt, gelijk de naam is der groten, die op de aarde zijn.9En Ik heb voor Mijn volk Israel een plaats besteld, en hem geplant, dat hij aan zijn plaats wone, en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer krenken, gelijk als in het eerst.10En van die dagen af, dat Ik geboden heb richters te wezen over Mijn volk Israel; en heb al uw vijanden vernederd; ook heb Ik u te kennen gegeven, dat u de HEERE een huis bouwen zal.11En het zal geschieden, als uw dagen zullen vervuld zijn, dat gij heengaat tot uw vaderen, zo zal Ik uw zaad na u doen opstaan, hetwelk uit uw zonen zijn zal, en Ik zal zijn koninkrijk bevestigen.12Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn stoel bevestigen tot in der eeuwigheid.13Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn; en Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wenden, gelijk als Ik die weggenomen heb van dien, die voor u geweest is;14Maar Ik zal hem in Mijn huis bestendig maken, en in Mijn Koninkrijk tot in eeuwigheid; en zijn stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.15Naar al deze woorden, en naar dit ganse gezicht, alzo sprak Nathan tot David.

De woorden uit 2 Samuël 7 worden hier bijna woordelijk herhaald. Toch is het goed dit wonderbare 'gesprek' tussen God en een mens die het onderwerp van Zijn genade is, nog eens te lezen.

God spreekt via Nathan tot de geliefde koning en hij antwoordt Hem. Kent ieder van ons persoonlijk deze gesprekken met God en de Heere Jezus uit eigen ervaring?

Hij geeft ons door Zijn Woord talloze mededelingen. En wij hebben volle vrijmoedigheid om daarop door gebed te antwoorden.

Nog steeds in overeenstemming met het karakter van Kronieken is ook nu een gedeelte over de zoon van David weggelaten. De zin: "Als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen der mensenkinderen straffen" (2 Samuël 7 vers 14), vinden we in dit hoofdstuk niet terug.

Dit is een aanwijzing dat het hier om Iemand gaat Die groter is dan Salomo.

"Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn" (vers 13). Dat dit vers in Hebreeën 1 vers 5 wordt aangehaald, maakt ons duidelijk dat deze Zoon de Heere Jezus is in Wie ons de genade geopenbaard is.

De Heere Jezus, Gods geliefde Zoon, is het kostbare Onderwerp van onze gesprekken met God. "Onze gemeenschap zij ... met de Vader". Dat betekent dat wij dezelfde gedachten mogen hebben als Hij — en Zijn gedachten hebben betrekking op Zijn Zoon, Jezus Christus — en dat wij die gedachten mogen delen met Hem door daarover met Hem te spreken (1 Johannes 1 vers 3).

1 Kronieken 17:16-27
16Toen kwam de koning David in, en bleef voor het aangezicht des HEEREN, en hij zeide: Wie ben ik, HEERE God, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt?17En dit is klein in Uw ogen geweest, o God! daarom hebt Gij van het huis Uws knechts tot van verre heen gesproken, en Gij hebt mij naar menselijke wijze voorzien met deze verhoging, o HEERE God!18Wat zal David meer bij U daartoe voegen, vanwege de eer aan Uw knecht? Doch Gij kent Uw knecht wel.19HEERE, om Uws knechts wil, en naar Uw hart, hebt Gij al dezen grote dingen gedaan, om al deze grote dingen bekend te maken.20HEERE, er is niemand gelijk Gij, en er is geen God behalve Gij, naar alles, wat wij met onze oren gehoord hebben.21En wie is als Uw volk Israel, een enig volk op de aarde, hetwelk God heengegaan is Zich tot een volk te verlossen, dat Gij U een Naam maaktet van grote en verschrikkelijke dingen, met de heidenen uit te stoten van het aangezicht Uws volks, hetwelk Gij uit Egypte verlost hebt?22En Gij hebt Uw volk Israel U ten volk gemaakt tot in der eeuwigheid; en Gij, HEERE, zijt hun tot een God geworden.23Nu dan, HEERE, het woord, dat Gij over Uw knecht gesproken hebt, en over zijn huis, dat worde waar tot in eeuwigheid; en doe, gelijk als Gij gesproken hebt.24Ja, het worde waar, en Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De HEERE der heirscharen, de God van Israel, is Israels God; en het huis van David, Uw knecht, zij bestendig voor Uw aangezicht.25Want Gij, mijn God, hebt voor het oor Uws knechts geopenbaard, dat Gij hem een huis bouwen zoudt; daarom heeft Uw knecht in zijn hart gevonden, om voor Uw aangezicht te bidden.26Nu dan, HEERE, Gij zijt die God; en Gij hebt dit goede over Uw knecht gesproken.27Nu dan, het heeft U beliefd te zegenen het huis Uws knechts, dat het in eeuwigheid voor Uw aangezicht zij; want Gij, HEERE, hebt het gezegend, en het zal gezegend zijn in eeuwigheid.

David voelt aan dat hij Gods zegeningen niet verdiend heeft. Totaal overweldigd denkt hij terug aan de goedheid die God hem ondanks alles heeft bewezen, en brengt Hem daarvoor dank en eer.

Danken! Als iemand ons vergeet te bedanken, betitelen wij dat meestal al snel als onbeleefdheid of ondankbaarheid. Laten we niet denken dat God ongevoelig is als wij als Zijn kinderen Hem vergeten te danken!

En toch, als we er goed over nadenken, aan hoeveel van Zijn weldaden gaan wij dag in dag uit gewoon voorbij, zonder erbij stil te staan dat we Hem daarvoor zouden moeten danken?

Soms slaan we er zelfs helemaal geen acht meer op! Veel van Zijn genadegaven vinden we vanzelfsprekend, tenminste ... zolang we ze bezitten. Denk maar aan gezondheid, voedsel, onderdak, kleding, enzovoort!

Christelijke gezinnen hebben de gewoonte (en de plicht!) om voor het eten te danken. Maar onze harten moeten zich ook werkelijk éénwaken met de woorden die het hoofd van het gezin uitspreekt!

En meer nog dan voor materiële dingen behoren we God te danken voor de christelijke voorrechten die we mogen genieten: voor Zijn Woord, voor de samenkomsten van de gelovigen, dat we opgebouwd worden in de Heere (Efeze 5 vers 20).

Laten we vooral niet nalaten Hem te danken voor de grote Verlosser Die Hij ons gegeven heeft, en voor ons heil. We mogen het de apostel Paulus nazeggen: "Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave!" (2 Korinthe 9 vers 15).

1 Kronieken 18:1-17; 1 Kronieken 20:4-8
1Het geschiedde nu na dezen, dat David de Filistijnen sloeg, en hen ten onderbracht; en hij nam Gath, en haar onderhorige plaatsen, uit der Filistijnen hand.2Hij sloeg ook de Moabieten, alzo dat de Moabieten Davids knechten werden, brengende geschenken.3David sloeg ook Hadar-ezer, den koning van Zoba, naar Hamath toe, toen hij heentoog, om zijn hand te stellen aan de rivier Frath.4En David nam hem duizend wagens af, en zeven duizend ruiters, en twintig duizend man te voet; en David ontzenuwde al de wagen paarden; doch hij behield honderd wagens daarvan over.5En de Syriers van Damaskus kwamen, om Hadar-ezer, den koning van Zoba, te helpen; maar David sloeg van de Syriers twee en twintig duizend man.6En David legde bezetting in Syrie van Damaskus, alzo dat de Syriers Davids knechten werden, geschenken brengende. En de HEERE behoedde David overal, waar hij heenging.7En David nam de gouden schilden, die bij Hadar-ezers knechten waren, en hij bracht ze te Jeruzalem.8Ook nam David zeer veel kopers uit Tibchath, en uit Chun, steden van Hadar-ezer; daarvan heeft Salomo de koperen zee, en de pilaren, en de koperen vaten gemaakt.9Toen Thou, de koning van Hamath, hoorde, dat David de ganse heirkracht van Hadar-ezer, den koning van Zoba, geslagen had;10Zo zond hij zijn zoon Hadoram tot den koning David, om hem naar zijn welstand te vragen, en om hem te zegenen, vanwege dat hij met Hadar-ezer gestreden, en hem verslagen had (want Hadar-ezer voerde oorlog tegen Thou), en alle gouden, en zilveren, en koperen vaten;11Deze heiligde de koning David ook den HEERE, met het zilver en het goud, hetwelk hij medegebracht had van al de heidenen: van de Edomieten, en van de Moabieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van de Amalekieten.12Ook sloeg Abisai, de zoon van Zeruja, de Edomieten in het Zoutdal, achttien duizend.13En hij legde bezetting in Edom, zodat al de Edomieten Davids knechten werden; en de HEERE behoedde David overal, waar hij heenging.14Alzo regeerde David over gans Israel, en hij deed zijn gansen volke recht en gerechtigheid.15Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir; en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier;16En Zadok, de zoon van Ahitub, en Abimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters, en Sausa schrijver;17En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eersten aan de hand des konings.
4En het geschiedde daarna, als de krijg met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden ten ondergebracht.5Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van Jair, versloeg Lachmi, den broeder van Goliath, den Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.6Daarna was er nog een krijg te Gath; en daar was een zeer lang man, en zijn vingeren waren zes en zes, vier en twintig, en hij was ook van Rafa geboren;7En hij hoonde Israel, maar Jonathan, de zoon van Simea, den broeder van David, versloeg hem.8Dezen waren van Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand van David, en door de hand zijner knechten.

De hoofdstukken 18, 19 en 20 hebben betrekking op de oorlogen die David gevoerd heeft.

Het is een samenvatting van feiten die in 2 Samuël op verschillende tijdstippen in de geschiedenis van de koning plaatsvonden.

Deze hebben wij destijds al overdacht en er bestaan geen wezenlijke verschillen tussen beide tekstgedeelten, zij het met één uitzondering: het totale stilzwijgen aan het begin van hoofdstuk 20 over de vreselijke zonde van David met Bathséba en over de tragische gevolgen.

Noch de schandelijke daad met Uría, noch de zonde van Amnon, gevolgd door zijn moord, noch de samenzwering van Absalom, noch de misdadige rol van Joab hebben een plaats gekregen in dit Boek van de Kronieken. Op deze wijze handelt de genade!

"Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is", kan David zeggen in Psalm 32.

Behoort ieder die dit leest, tot die gelukzaligen?

David behaalt de overwinning op achtereenvolgens de Filistijnen, de Moabieten, de Syriërs, de Edomieten en daarna nog op de kinderen van Ammon (hoofdstuk 19 en 20).

Alle traditionele vijanden van Israël worden onderworpen. Dat is een beeld van het moment waarop God alle dingen aan Christus zal onderwerpen en Zijn vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten zullen zijn (Hebreeën 1 vers 13 en 2 vers 8).

1 Kronieken 21:1-13
1Toen stond de satan op tegen Israel, en hij porde David aan, dat hij Israel telde.2En David zeide tot Joab en tot de oversten des volks: Gaat heen, telt Israel van Ber-seba tot Dan toe, en brengt hen tot mij, dat ik hun getal wete.3Toen zeide Joab: De HEERE doe tot Zijn volk, gelijk zij nu zijn, honderdmaal meer; zijn zij niet allen, o mijn heer koning, mijn heer tot knechten? Waarom verzoekt mijn heer dit? Waarom zou het Israel tot schuld worden?4Doch het woord des konings nam de overhand tegen Joab; derhalve toog Joab uit, en hij doorwandelde gans Israel; daarna kwam hij weder te Jeruzalem.5En Joab gaf David de som van het gestelde volk; en gans Israel was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken.6Doch Levi en Benjamin telde hij onder dezelve niet; want des konings woord was Joab een gruwel.7En deze zaak was kwaad in de ogen Gods; daarom sloeg Hij Israel.8Toen zeide David tot God: Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gehandeld.9De HEERE nu sprak tot Gad, den ziener van David, zeggende:10Ga heen, en spreek tot David, zeggende: Aldus zegt de HEERE: Drie dingen leg Ik u voor; kies u een uit die, dat Ik u doe.11En Gad kwam tot David, en zeide tot hem: Zo zegt de HEERE: Neem u uit:12Of drie jaren honger, of drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht uwer wederpartij, en dat het zwaard uwer vijanden u achterhale; of drie dagen het zwaard des HEEREN, dat is, de pestilentie in het land, en een verdervenden engel des HEEREN in al de landpalen van Israel? Zo zie nu toe, wat antwoord ik Dien zal wedergeven, Die mij gezonden heeft.13Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat mij toch in de hand des HEEREN vallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de hand der mensen niet vallen.

We kunnen ons afvragen waarom God de voorgaande fouten van David toedekt, maar hier zijn misstap met die volkstelling wel weer aanhaalt.

Deze zonde laat in eerste instantie zien hoe weinig de koning leek op Hem van Wie hij een zwak beeld is.

Israël mocht zijn Messias met niemand verwarren, zelfs niet met deze grote koning. De Zoon van David was tegelijkertijd zijn Heere (Mattheüs 22 vers 41 tot en met 45).

Anderzijds was het nodig om de Goddelijke straf te verklaren en de genade te tonen waardoor deze straf uiteindelijk beëindigd werd. Anders zouden we dit gedeelte niet goed begrijpen.

David verschijnt hier als schuldige; niet meer, maar ook niet minder. Dus zoals u en ik zijn.

Maar David kent het hart van God. Dat komt duidelijk naar voren in z'n antwoord aan God: "Laat mij toch in de hand des HEEREN vallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele" (vers 13).

Kent u deze Goddelijke barmhartigheid ook persoonlijk? Wij hebben voor de verzoening van onze zonden niet te kiezen uit drie jaren hongersnood, drie maanden oorlog of drie dagen ziekte. Christus heeft echter in onze plaats aan het kruis in die drie uren van duisternis de volle omvang van Gods toorn leren kennen. Hij heeft ons eeuwig oordeel gedragen!

1 Kronieken 21:14-30
14De HEERE dan gaf pestilentie in Israel; en er vielen van Israel zeventig duizend man.15En God zond een engel naar Jeruzalem, om die te verderven; en als hij haar verdierf, zag het de HEERE, en het berouwde Hem over dat kwaad; en Hij zeide tot den verdervenden engel: Het is genoeg, trek nu uw hand af. De engel des HEEREN nu stond bij den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet.16Als David zijn ogen ophief, zo zag hij den engel des HEEREN, staande tussen de aarde en tussen den hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijn hand, uitgestrekt over Jeruzalem; toen viel David, en de oudsten, bedekt met zakken, op hun aangezichten.17En David zeide tot God: Ben ik het niet, die gezegd heb, dat men het volk tellen zou? Ja, ik zelf ben het, die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O HEERE, mijn God, dat toch Uw hand tegen mij, en tegen het huis mijns vaders zij, maar niet tegen Uw volk ter plage.18Toen zeide de engel des HEEREN tot Gad, dat hij David zeggen zou, dat David zou opgaan, om den HEERE een altaar op te richten op den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet.19Zo ging dan David op naar het woord van Gad, dat hij in den Naam des HEEREN gesproken had.20Toen zich Ornan wendde, zo zag hij den engel; en zijn vier zonen, die bij hem waren, verstaken zich; en Ornan dorste tarwe.21En David kwam tot Ornan; en Ornan zag toe, en zag David; zo ging hij uit den dorsvloer, en boog zich neder voor David, met het aangezicht ter aarde.22En David zeide tot Ornan: Geef mij de plaats des dorsvloers, dat ik op dezelve den HEERE een altaar bouwe; geef ze mij voor het volle geld, opdat deze plage opgehouden worde van over het volk.23Toen zeide Ornan tot David: Neem ze maar henen, en mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen; zie, ik geef deze runderen tot brandofferen, en deze sleden tot hout, en de tarwe tot spijsoffer; ik geef het al.24En de koning David zeide tot Ornan: Neen, maar ik zal het zekerlijk kopen voor het volle geld; want ik zal voor den HEERE niet nemen wat uw is, dat ik een brandoffer om niet offere.25En David gaf aan Ornan voor die plaats zeshonderd gouden sikkelen van gewicht.26Toen bouwde David aldaar den HEERE een altaar, en hij offerde brandofferen en dankofferen. Als hij den HEERE aanriep, zo antwoordde Hij hem door vuur uit den hemel, op het brandofferaltaar.27En de HEERE zeide tot den engel, dat hij zijn zwaard weder in zijn schede steken zou.28Ter zelfder tijd, toen David zag, dat de HEERE hem geantwoord had op den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet, zo offerde hij aldaar;29Want de tabernakel des HEEREN, dien Mozes in de woestijn gemaakt had, en het altaar des brandoffers, was te dier tijd op de hoogte te Gibeon.30David nu kon niet heengaan voor hetzelve, om God te zoeken; want hij was verschrikt voor het zwaard van den engel des HEEREN.

Op dezelfde berg Moría had Abraham eens zijn zoon Izak geofferd (Genesis 22 vers 2; 2 Kronieken 3 vers 1).

God had toen de hand van Abraham tegengehouden, zodat hij zijn zoon niets zou doen. Zo houdt Hij nu de hand van de engel tegen.

Het afgewende oordeel viel in de vorm van vuur op het brandoffer dat David bracht (vers 26).

Nadat Abraham in de plaats van Izak een ander offer gebracht had, noemde hij die plaats "De HEERE zal het voorzien". Daarom werd gezegd: "Op de berg des HEEREN zal het voorzien worden" (Genesis 22 vers 14).

Wij weten op welke wijze er voor ons in een Offer voorzien moest worden. We weten Wie in onze plaats de slagen van het Goddelijke gericht heeft ontvangen.

De stem die hier tot de engel zegt: "Het is genoeg" en die hem bevel geeft het zwaard in de schede te steken, is dezelfde stem die op zekere dag moest zeggen: "Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man, Die Mijn Metgezel is ... sla die Herder" (Zacharía 13 vers 7).

Wat een ondoorgrondelijke en wonderbare heerlijkheid! Het oordeel dat wij verdiend hadden, is voor altijd afgewend. Het is neergekomen op Hem Die in onze plaats geslagen werd, op de Heere Jezus. Hij is de Herder. Hij is daartoe door God geroepen. Hij is onze goede Herder, de Metgezel van de HEERE!

1 Kronieken 22:1-19
1En David zeide: Hier zal het huis Gods des HEEREN zijn, en hier zal het altaar des brandoffers voor Israel zijn.2En David zeide, dat men vergaderen zou de vreemdelingen, die in het land Israels waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen stenen, welke men behouwen zou, om het huis Gods te bouwen.3En David bereidde ijzer in menigte, tot nagelen aan de deuren der poorten, en tot de samenvoegingen; ook koper in menigte, zonder gewicht;4En cederenhout zonder getal; want de Sidoniers en de Tyriers brachten tot David cederenhout in menigte.5Want David zeide: Mijn zoon Salomo is een jongeling en teder; en het huis, dat men den HEERE bouwen zal, zal men ten hoogste groot maken, tot een Naam en tot heerlijkheid in alle landen; ik zal hem nu voorraad bereiden. Alzo bereidde David voorraad in menigte voor zijn dood.6Toen riep hij zijn zoon Salomo, en gebood hem den HEERE, den God Israels, een huis te bouwen.7En David zeide tot Salomo: Mijn zoon, wat mij aangaat, het was in mijn hart den Naam des HEEREN, mijns Gods, een huis te bouwen;8Doch het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende: Gij hebt bloed in menigte vergoten, want gij hebt grote krijgen gevoerd; gij zult Mijn Naam geen huis bouwen, dewijl gij veel bloeds op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.9Zie, de zoon, die u geboren zal worden, die zal een man der rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden rondom henen; want zijn naam zal Salomo zijn, en Ik zal vrede en stilte over Israel geven in zijn dagen.10Die zal Mijn Naam een huis bouwen, en die zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een Vader; en Ik zal den troon zijns rijks over Israel bevestigen tot in eeuwigheid.11Nu, mijn zoon, de HEERE zal met u zijn, en gij zult voorspoedig zijn, en zult het huis des HEEREN, uws Gods, bouwen, gelijk als Hij van u gesproken heeft.12Alleenlijk de HEERE geve u kloekheid en verstand, en geve u bevel over Israel, en dat om te onderhouden de wet des HEEREN, uws Gods.13Dan zult gij voorspoedig zijn, als gij waarnemen zult te doen de inzettingen en de rechten, die de HEERE aan Mozes geboden heeft over Israel. Wees sterk en heb goeden moed, vrees niet, en wees niet verslagen!14Zie daar, ik heb in mijn verdrukking voor het huis des HEEREN bereid honderd duizend talenten gouds, en duizend maal duizend talenten zilvers; en des kopers en des ijzers is geen gewicht, want het is er in menigte; ik heb ook hout en stenen bereid; doe gij er nog meer bij.15Ook zijn er bij u in menigte, die het werk kunnen doen, houwers, en werkmeesters in steen en hout, en allerlei wijze lieden in allerlei werk.16Des gouds, des zilvers, en des kopers, en des ijzers is geen getal; maak u op, en doe het, en de HEERE zal met u zijn.17Ook gebood David aan alle vorsten van Israel, dat zij zijn zoon Salomo helpen zouden, zeggende:18Is niet de HEERE, uw God, met ulieden, en heeft u rust gegeven rondom henen? Want Hij heeft de inwoners des lands in mijn hand gegeven, en dit land is onderworpen geworden voor het aangezicht des HEEREN, envoor het aangezicht Zijns volks.19Zo begeeft dan nu uw hart en uw ziel, om te zoeken den HEERE, uw God, en maakt u op, en bouwt het heiligdom Gods des HEEREN; dat men de ark des verbonds des HEEREN en de heilige vaten Gods in dit huis brenge, dat den Naam des HEEREN zal gebouwd worden.

Het huis waarover David vooruitziend spreekt en dat Salomo zal bouwen, is een beeld van de toekomstige woonplaats van God te midden van Israël.

De vele details die zowel bij de voorbereiding als bij de uiteindelijke bouw van de tempel genoemd worden, zijn een prachtig hulpmiddel om (in beeld natuurlijk) de grote waarheden in het Nieuwe Testament met betrekking tot de gemeente beter te begrijpen.

Zoals de dorsvloer van Oman waar het offer gebracht werd, het fundament van het huis werd, zó is het werk van Christus op het kruis de grondslag van de gemeente.

Dezelfde waarheid komt in andere vorm naar voren als we zien dat David en Salomo gezamenlijk één beeld van de Heere Jezus vormen.

In David zien we een beeld van de lijdende en verworpen Christus Die "in verdrukking" (vers 14) alles toebereid heeft wat voor de bouw van het huis van God noodzakelijk is.

Salomo is een beeld van de verheerlijkte Christus Die Zijn gemeente bouwt en Die bereid is om samen met haar te verschijnen om over de schepping te heersen.

De bouwstoffen, vooral de "levende stenen" die de gelovigen voorstellen, konden niet zonder het lijden en de dood van de Heere Jezus bijeen gebracht worden.

Zijn verhoging was echter eveneens nodig, opdat de gemeente opgebouwd kon worden. Deze bouw is tot op de dag van vandaag nog niet voltooid.

Misschien ontbreekt er nog maar één 'steen'. Bent u die steen?

1 Kronieken 23:1-6, 24-32
1Toen nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijn zoon Salomo tot koning over Israel.2En hij vergaderde al de vorsten van Israel, ook de priesters en de Levieten.3En de Levieten werden geteld, van dertig jaren af en daarboven; en hun getal was, naar hun hoofden, aan mannen, acht en dertig duizend.4Uit dezen waren er vier en twintig duizend om het werk van het huis des HEEREN aan te drijven; en zes duizend ambtlieden en rechters;5En vier duizend poortiers, en vier duizend lofzangers des HEEREN, met instrumenten, die ik gemaakt heb, zeide David, om lof te zingen.6En David verdeelde hen in verdelingen, naar de kinderen van Levi, Gerson, Kehath en Merari.
24Dit zijn de kinderen van Levi, naar het huis hunner vaderen, de hoofden der vaderen, naar hun gerekenden in het getal der namen naar hun hoofden, doende het werk van den dienst van het huis des HEEREN van twintig jaren oud en daarboven.25Want David had gezegd: De HEERE, de God Israels, heeft Zijn volk rust gegeven, en Hij zal te Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid.26En ook aangaande de Levieten, dat zij den tabernakel, noch enig van deszelfs gereedschap, tot deszelfs dienst behorende, niet meer zouden dragen.27Want naar de laatste woorden van David werden de kinderen van Levi geteld, van twintig jaren oud en daarboven;28Omdat hun standplaats was aan de hand der zonen van Aaron in den dienst van het huis des HEEREN, over de voorhoven, en over de kameren, en over de reiniging van alle heilige dingen, en het werk van den dienst van het huis Gods;29Te weten tot het brood der toerichting, en tot de meelbloem ten spijsoffer, en tot ongezuurde vladen, en tot de pannen, en tot het gerooste, en tot alle mate en afmeting;30En om alle morgens te staan, om den HEERE te loven en te prijzen; en desgelijks des avonds;31En tot al het offeren der brandofferen des HEEREN, op de sabbatten, op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden in getal, naar de wijze onder hen, geduriglijk, voor het aangezicht des HEEREN;32En dat zij de wacht van de tent der samenkomst zouden waarnemen, en de wacht des heiligdoms, en de wacht der zonen van Aaron, hun broederen, in den dienst van het huis des HEEREN.

David laat Salomo bij zich op de troon zitten.

Hier wordt niets vermeld van de samenzwering van Adonía en de omstandigheden waaronder de kroning van de nieuwe koning heeft plaatsgevonden.

Daarom stijgen we hier in zekere zin boven 1 Koningen uit. We mogen in beeld de Zoon met Zijn Vader op Zijn troon zien zitten (Openbaring 3 vers 21).

Eén van de taken van de Heere Jezus in de heerlijkheid wordt ons in Efeze 4 vers 8 tot en met 12 getoond: "Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij ... de mensen gaven gegeven ... En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus".

Hier en in de volgende hoofdstukken worden de verschillende arbeiders opgenoemd: opzieners, ambtslieden, rechters, poortwachters, zangers en muzikanten, verdeeld over de drie families van de Levieten.

Hun taken worden precies omschreven, vooral wat de belangrijke dienst van de lofzang betreft. Elke morgen en avond God prijzen en loven, is een begerenswaardige dienst die ook wij mogen doen (vers 30)!

In het volgende hoofdstuk worden de priesters, de zonen van Aäron, in vierentwintig afdelingen verdeeld.

1 Kronieken 25:1-8; 1 Kronieken 26:13-19
1En David, mitsgaders de oversten des heirs, scheidde af tot den dienst, van de kinderen van Asaf, en van Heman, en van Jeduthun, die met harpen, met luiten en met cimbalen profeteren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen, bekwaam tot het werk van hun dienst.2Van de kinderen van Asaf waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asarela, kinderen van Asaf; aan de hand van Asaf, die aan des konings handen profeteerde.3Aangaande Jeduthun: de kinderen van Jeduthun waren Gedalja, en Zeri, en Jesaja, Hasabja en Mattithja, zes; aan de handen van hun vader Jeduthun, op harpen profeterende met den HEERE te danken en te loven.4Aangaande Heman: de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziel, Sebuel, en Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamthi-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir, Mahazioth.5Deze allen waren kinderen van Heman, den ziener des konings, in de woorden Gods, om den hoorn te verheffen; want God had Heman veertien zonen gegeven, en drie dochters.6Dezen waren altemaal aan de handen huns vaders gesteld tot het gezang van het huis des HEEREN, op cimbalen, luiten, en harpen, tot den dienst van het huis Gods, aan de handen van den koning, van Asaf, Jeduthun, en van Heman.7En hun getal met hun broederen, die geleerd waren in het gezang des HEEREN, allen meesters, was tweehonderd acht en tachtig.8En zij wierpen de loten over de wacht, tegen elkander, zo de kleinen, als de groten, den meester met den leerling.
13En zij wierpen de loten, zo de kleinen als de groten, naar hun vaderlijke huizen, tot elke poort.14Het lot nu tegen het oosten viel op Salemja; maar voor zijn zoon Zecharja, die een verstandig raadsman was, wierp men de loten, en zijn lot is uitgekomen tegen het noorden;15Obed-Edom tegen het zuiden; en voor zijn kinderen het huis der schatkameren.16Suppim en Hosa tegen het westen, met de poort Schallechet, bij den opgaanden hogen weg, wacht tegenover wacht.17Tegen het oosten waren zes Levieten; tegen het noorden des daags vier; tegen het zuiden des daags vier; maar bij de schatkameren twee en twee.18Aan Parbar tegen het westen waren er vier bij den hogen weg, twee bij Parbar.19Dit zijn de verdelingen der poortiers van de kinderen der Korahieten, en der kinderen van Merari.

Zoals gisteren is opgemerkt, worden de gaven en verschillende taken door het Hoofd van de gemeente toebedeeld.

De gelovige wordt echter opgeroepen deze taken te begeren en er de Heere om te vragen. "IJvert naar de geestelijke gaven, maar meest, dat gij moogt profeteren ... die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting" (1 Korinthe 14 vers 1 tot en met 3).

Is het werkelijk het verlangen van ieder van ons om zó door de Heere gebruikt te worden?

Laten we Hem dan vragen ons één van deze geestelijke gaven toe te vertrouwen. Niet, om daardoor zelf indruk te kunnen maken op anderen, maar in verbinding met het welzijn van de gemeente en tot verheerlijking van de Heere Jezus.

Na hen die profeteren (hoofdstuk 25), worden opnieuw de poortwachters en de opzieners genoemd (hoofdstuk 26). Deze dienst is ook begerenswaardig! "Zo iemand tot het ambt van een opziener lust heeft, die begeert een voortreffelijk werk" (1 Timotheüs 3 vers 1).

Hier zien we ook Obed—Edom met zijn acht zonen en tweeënzestig nakomelingen weer naar voren komen. Hij had de ark geëerd. Nu eert en zegent God hem (hoofdstuk 26 vers 4 tot en met 8 en 15).

Hij vertrouwt deze familie het toezicht op de voorraad— of schatkamers toe. Zij hebben de zorg voor het voedsel van de priesters, een beeld van het geven van onderwijs aan de gemeente.

Wat een belangrijke taak, maar ook: wat een grote verantwoordelijkheid (zie Mattheüs 24 vers 45 en 46)!

1 Kronieken 26:20-32
20Ook was, van de Levieten, Ahia over de schatten van het huis Gods, en over de schatten der geheiligde dingen.21Van de kinderen van Ladan, kinderen van den Gersonieten Ladan; van Ladan, den Gersoniet, waren hoofden der vaderen Jehieli.22De kinderen van Jehieli waren Zetham en Joel, zijn broeder; dezen waren over de schatten van het huis des HEEREN.23Voor de Amramieten, van de Jizharieten, van de Hebronieten, van de Uzzielieten,24En Sebuel, de zoon van Gersom, den zoon van Mozes, was overste over de schatten.25Maar zijn broeders van Eliezer waren dezen: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Joram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.26Deze Selomith en zijn broederen waren over al de schatten der heilige dingen, die de koning David geheiligd had, mitsgaders de hoofden der vaderen, de oversten over duizenden en honderden, en de oversten des heirs;27Van de krijgen en van den buit hadden zij het geheiligd, om het huis des HEEREN te onderhouden.28Ook alles, wat Samuel, de ziener, geheiligd had, en Saul, de zoon van Kis, en Abner, de zoon van Ner, en Joab, de zoon van Zeruja; al wat iemand geheiligd had, was onder de hand van Selomith en zijn broederen.29Van de Jizharieten waren Chenanja en zijn zonen tot het buitenwerk in Israel, tot ambtlieden en tot rechters.30Van de Hebronieten was Hasabja, en zijn broeders, kloeke mannen, duizend en zevenhonderd, over de ambten van Israel op deze zijde van de Jordaan tegen het westen, over al het werk des HEEREN, en tot den dienst des konings.31Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijner geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar des koninkrijks van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaezer in Gilead.32En zijn broeders waren kloeke lieden, twee duizend en zevenhonderd hoofden der vaderen; en de koning David stelde hen over de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam der Manassieten, tot alle zaken Gods en de zaken des konings.

Van de Levieten waren enkelen aangesteld als schatbewaarders in het huis van God en anderen als bewaarders van de heilige dingen.

Eén van hen, Sebúël, "overste over de schatten", was een nakomeling van Mozes.

Zijn wij ons ervan bewust dat ons ook veel schatten zijn toevertrouwd? De allergrootste schat is het Woord van God. Zijn rijkdommen zijn onuitputtelijk. Hoeveel waarde heeft de Bijbel voor ons? Is het werkelijk een schat voor ons?

"Bewaar het goede pand, dat u toevertrouwd is", zegt Paulus nadrukkelijk tegen de jonge Timotheüs (2 Timotheüs 1 vers 14).

En in zijn eerste Brief waarin hij de ijdele rijkdom van de wereld stelt tegenover de schat die een goede basis vormt voor de toekomst, vraagt de apostel zijn jonge leerling ook heel indringend: "O Timotheüs, bewaar het pand u toevertrouwd" (1 Timotheüs 6 vers 19 en 20).

O, laat ieder van ons dit laatste vers (vers 20) nog eens lezen en daarbij in de plaats van Timotheüs zijn eigen naam invullen!

In de verzen 29 tot en met 32 worden nog meer Levieten genoemd.

Zij waren ambtlieden, rechters en beheerders, ingezet "over al het werk des HEEREN" en "tot alle zaken Gods" (vers 30 en 32).

Dit doet ons denken aan Hem Die van Kind af aan de dingen van Zijn Vader op de eerste plaats stelde (Lukas 2 vers 49).

1 Kronieken 27:1, 22-34
1Dit nu zijn de kinderen Israels naar hun getal, de hoofden der vaderen, en de oversten der duizenden en der honderden, met hun ambtlieden, den koning dienende in alle zaken der verdelingen, aangaande en afgaande van maand tot maand in al de maanden des jaars; elke verdeling was vier en twintig duizend.
22Over Dan was Azarel, de zoon van Jeroham. Dezen waren de oversten der stammen van Israel.23Maar David nam het getal van die niet op, die twintig jaren oud en daar beneden waren; omdat de HEERE gezegd had, dat Hij Israel vermenigvuldigen zou als de sterren des hemels.24Joab, de zoon van Zeruja, had begonnen te tellen, maar hij voleindde het niet, omdat er deshalve een grote toorn over Israel gekomen was; daarom is het getal niet opgebracht in de rekening der kronieken van den koning David.25En over de schatten des konings was Azmaveth, de zoon van Adiel; en over de schatten op het land, in de steden, en in de dorpen, en in de torens, was Jonathan, de zoon van Uzzia.26En over die, die het akkerwerk deden, in de landbouwing, was Esri, de zoon van Chelub.27En over de wijngaarden was Simei, de Ramathiet; maar over hetgeen dat van de wijnstokken kwam tot de schatten des wijns, was Zabdi, de Sifmiet.28En over de olijfgaarden en de wilde vijgebomen, die in de laagte waren, was Baal-Hanan, de Gederiet; maar Joas was over de schatten der olie.29En over de runderen, die in Saron weidden, was Sitrai, de Saroniet; maar over de runderen in de laagten, was Safat, de zoon van Adlai.30En over de kemelen was Obil, de Ismaeliet; en over de ezelinnen was Jechdeja, de Meronothiet.31En over het kleine vee was Jaziz, de Hageriet. Alle dezen waren oversten over de have, die de koning David had.32En Jonathan, Davids oom, was raad, een verstandig man; hij was ook schrijver; Jehiel nu, de zoon van Hachmoni, was bij de zonen des konings.33En Achitofel was raad des konings; en Husai, de Archiet, was des konings vriend.34En na Achitofel was Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; maar Joab was des konings krijgsoverste.

Hoofdstuk 27 laat ons zien dat er behalve ambachtsmensen ook soldaten nodig zijn.

Als we onze schatten goed willen bewaren, is het soms nodig om te strijden. Daartoe moeten we dan echter wel in staat zijn!

In de verzen 25 tot en met 31 wordt ons meegedeeld dat er ook nog andere schatten zijn. Ze zijn minder belangrijk dan die in het heiligdom, maar dat wil niet zeggen dat ze daarom minder zorgvuldig bewaard moeten worden.

Laten we niets over het hoofd zien van wat de Heere ons heeft toevertrouwd!

Zoals die heer die wegging en zijn knechten talenten gaf, zó heeft de Heere Jezus ieder van ons ook een aantal goederen en capaciteiten in bruikleen gegeven om voor Hem te gebruiken (Mattheüs 25 vanaf vers 14).

Het werk op het veld wordt hier nog speciaal onder de aandacht gebracht. Laten de lezers die op het platteland wonen en werken, het deel dat de Heere hun heeft gegeven, niet onderschatten! Wat hen toevertrouwd is, behoort evengoed tot de schatten, de talenten.

Het gaat er niet om deze taken met die van anderen te vergelijken, maar om ze trouw te vervullen en de schatten van onze Meester toegewijd te beheren.

Laten we ons daarom, waar we ook gesteld zijn, zó gedragen dat, wanneer de Meester terugkomt, Hij het woord van genade tot ons kan richten door te zeggen: "Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal Ik u zetten; ga in, in de vreugde van uw Heere" (Mattheüs 25 vers 21).

1 Kronieken 28:1-10
1Toen vergaderde David te Jeruzalem alle oversten van Israel, de oversten der stammen, en de oversten der verdelingen, den koning dienende, en de oversten der duizenden, en de oversten der honderden, en de oversten van alle have en vee des konings en zijner zonen, met de kamerlingen, en de helden, ja, allen kloeken held.2En de koning David stond op zijn voeten, en hij zeide: Hoort mij, mijn broeders, en mijn volk! Ik had in mijn hart een huis der rust voor de ark des verbonds des HEEREN te bouwen, en voor de voetbank der voeten onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen.3Maar God heeft tot mij gezegd: Gij zult Mijn Naam geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman, en gij hebt veel bloeds vergoten.4Nu heeft mij de HEERE, de God Israels, verkoren uit mijns vaders ganse huis, dat ik tot koning over Israel wezen zou in eeuwigheid; want Hij heeft Juda tot een voorganger verkoren, en mijns vaders huis in het huis van Juda; en onder de zonen mijns vaders heeft Hij een welgevallen aan mij gehad, dat Hij mij ten koning maakte over gans Israel.5En uit al mijn zonen (want de HEERE heeft mij vele zonen gegeven) zo heeft Hij mijn zoon Salomo verkoren, dat hij zitten zou op den stoel des koninkrijks des HEEREN over Israel.6En Hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal Mijn huis en Mijn voorhoven bouwen; want Ik heb hem Mij uitverkoren tot een zoon, en Ik zal hem tot een Vader zijn.7En Ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid, indien hij sterk wezen zal, om Mijn geboden en Mijn rechten te doen, gelijk te dezen dage.8Nu dan, voor de ogen van het ganse Israel, de gemeente des HEEREN, en voor de oren onzes Gods, houdt en zoekt al de geboden des HEEREN, uws Gods; opdat gijlieden dit goede land erfelijk bezit, en uw kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven.9En gij, mijn zoon Salomo, ken den God uws vaders, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want de HEERE doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het gedichtsel der gedachten; indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar indien gij Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten.10Zie nu toe, want de HEERE heeft u verkoren, dat gij een huis ten heiligdom bouwt; wees sterk, en doe het.

In hoofdstuk 22 vers 17 had David de vorsten van het volk al bijeen geroepen. Nu laat hij ook alle anderen die een bepaalde functie bekleden of verantwoording dragen in Israël, erbij komen.

Ongetwijfeld zullen alle mannen van wie de namen in de hoofdstukken 23 tot en met 27 opgetekend staan, bij elkaar gekomen zijn om naar hun koning te luisteren. Niemand zal deze bijeenkomst hebben willen missen.

De Heere nodigt ons ook uit de samenkomsten te bezoeken waar Hij ons wil onderwijzen en opbouwen. Zouden we niet schuldig staan tegenover Hem als wij om een of andere onbelangrijke reden weg zouden blijven (Hebreeën 10 vers 25)?

Aan al deze mannen die rondom hem verzameld zijn, deelt de koning zijn diepste geheimen en kostbaarste gedachten mee.

Hij vermaant hen alle geboden van de HEERE te zoeken en te onderhouden. Hij vertelt hen van het glorierijke huis dat gebouwd zal worden. En hij spreekt tot hen vooral over zijn zoon door wie al zijn plannen vervuld zullen worden.

Dat zijn in beeld ook de onderwerpen waarmee de Geest ons in de samenkomsten tot opbouwing wil bezighouden.

Dan richt David het woord tot Salomo. Laten we goed letten op de woorden van een vader aan zijn zoon. Ze worden namelijk ook aan ons gericht: "Mijn zoon ... ken de God uws vaders, en dien Hem met een volkomen hart en met een gewillige ziel ... indien gij Hem zoekt, Hij zal door u gevonden worden" (vers 9).

1 Kronieken 28:11-21
11En David gaf zijn zoon Salomo een voorbeeld van het voorhuis, met zijn behuizingen, en zijn schatkameren, en zijn opperzalen, en zijn binnenkameren, en van het huis des verzoendeksels;12En een voorbeeld van alles, wat bij hem door den Geest was, namelijk van de voorhoven van het huis des HEEREN, en van alle kameren rondom; tot de schatten van het huis Gods, en tot de schatten der heilige dingen;13En van de verdelingen der priesteren en der Levieten, en van alle werk van den dienst van het huis des HEEREN, en van alle vaten van den dienst van het huis des HEEREN.14Het goud gaf hij naar het goudgewicht, tot alle vaten van elken dienst; ook zilver tot alle zilveren vaten bij gewicht, tot al de vaten van elken dienst;15En het gewicht tot de gouden kandelaars, en hun gouden lampen, naar het gewicht van elken kandelaar en zijn lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht van een kandelaar en zijn lampen, naar den dienst van elken kandelaar.16Ook gaf hij het goud naar het gewicht tot de tafelen der toerichting, tot elke tafel, en het zilver tot de zilveren tafelen;17En louter goud tot de krauwelen, en tot de sprengbekkens, en tot de schotelen, en tot gouden bekers, het gewicht tot elken beker, desgelijks tot zilveren bekers, tot elken beker het gewicht;18En tot het reukaltaar gelouterd goud in gewicht; en goud tot het voorbeeld des wagens, te weten der cherubim, die de vleugels zouden uitbreiden, en de ark des verbonds des HEEREN overdekken.19Dit alles heeft men mij, zeide David, bij geschrift te verstaan gegeven van de hand des HEEREN, te weten al de werken dezes voorbeelds.20En David zeide tot zijn zoon Salomo: Wees sterk, en heb goeden moed, en doe het, vrees niet, en wees niet verslagen; want de HEERE God, mijn God, zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, en Hij zal u niet verlaten, totdat gij al het werk tot den dienst van het huis des HEEREN zult volbracht hebben.21En zie, daar zijn de verdelingen der priesteren en der Levieten, tot allen dienst van het huis Gods; en bij u zijn tot alle werk allerlei vrijwilligen, met wijsheid tot allen dienst, ook de vorsten, en het ganse volk, bereid tot al uw bevelen.

Nu draagt David alles wat hij voor het huis van God heeft klaargemaakt, op plechtige wijze over aan zijn zoon Salomo. Daarbij mogen we denken aan die ondoorgrondelijke uitspraak in het Johannesevangelie: "De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven" (Johannes 3 vers 35).

Van het voorhuis tot aan de kleinste beker, Mies wordt opgesomd en uitvoerig omschreven. De kennis hiervoor had David schriftelijk ontvangen, door de hand van de HEERE die op Hem was (vers 19). Om Zijn gedachten bekend te maken, heeft God gebruik gemaakt van door Hem uitverkoren en toegeruste schrijvers aan wie Hij Zijn gedachten woordelijk heeft geïnspireerd. De zesenzestig Boeken van de Bijbel zijn door ongeveer veertig verschillende auteurs geschreven gedurende een tijdsperiode van ongeveer zestienhonderd jaren. Maar één en dezelfde Geest heeft hen alle bladzijden van de Heilige Schrift ingegeven.

Laten we daarom bij het lezen in de Bijbel nooit vergeten dat het Godzelf is Die in dit Boek tot ons spreekt!

Aan het einde van dit hoofdstuk lezen we nog een aantal woorden van vader David aan zijn zoon Salomo. Salomo heeft alles gekregen wat nodig was. De verantwoordelijkheid rust nu op hem om in het vertrouwen op de hulp van de HEERE te handelen.

Wij hebben ook veel ontvangen. Laten we daarom overeenkomstig hetgeen de Heere van ons verwacht, handelen! Hij zal eens rekenschap van ons vragen over alles wat wij misschien uit schuchterheid of traagheid nagelaten hebben te doen. En Hij zal rijk belonen wat we uit liefde tot Hem hebben gedaan.

1 Kronieken 29:1-9
1Verder zeide de koning David tot de ganse gemeente: God heeft mijn zoon Salomo alleen verkoren, een jongeling en teder; dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God, den HEERE.2Ik heb nu uit al mijn kracht bereid tot het huis mijns Gods, goud tot gouden, en zilver tot zilveren, en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren, en hout tot houten werken; sardonixstenen en vervullende stenen, versierstenen en borduursel, en allerlei kostelijke stenen, en marmerstenen in menigte.3En daartoe, uit mijn welgevallen tot het huis mijns Gods, geef ik het bijzonder goud en zilver, dat ik heb, tot het huis mijns Gods daarenboven, behalve al wat ik ten huize des heiligdoms bereid heb;4Drie duizend talenten gouds, van het goud van Ofir, en zeven duizend talenten gelouterd zilver, om de wanden der huizen te overtrekken;5Goud tot de gouden, en zilver tot de zilveren vaten, en tot alle werk, door de hand der werkmeesteren te maken. En wie is er willig, heden zijn hand den HEERE te vullen?6Toen gaven vrijwillig de oversten der vaderen, en de oversten der stammen van Israel, en de oversten der duizenden en der honderden, en de oversten van het werk des konings;7En zij gaven, tot den dienst van het huis Gods, vijf duizend talenten gouds, en tien duizend drachmen, en tien duizend talenten zilvers, en achttien duizend talenten kopers, en honderd duizend talenten ijzers.8En bij wien stenen gevonden werden, die gaven zij in den schat van het huis des HEEREN, onder de hand van Jehiel, den Gersoniet.9En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven; want zij gaven met een volkomen hart den HEERE vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap.

David heeft al zijn krachten ingezet (vers 2) om de bouw van een paleis voor de HEERE voor te bereiden.

Zo mogen we onszelf best eens afvragen of het paleis van ons hart "voor een mens" — meestal het eigen 'ik'! — of "voor God, de HEERE" is (vers 1)!

Het "welgevallen tot het huis van God" heeft David ertoe gebracht om grote rijkdommen uit zijn eigen bezittingen hiervoor af te staan.

Hoeveel groter is de liefde van de Heere Jezus! Het Evangelie vertelt ons van de Koopman Die alles wat Hij had, verkocht om die éne mooie, kostbare parel te kunnen kopen (Mattheüs 13 vers 45 en 46).

In Efeze 5 vers 25 lezen we de betekenis van deze gelijkenis: Christus heeft de gemeente liefgehad en Zichzelf voor haar overgegeven! (zie ook 2 Korinthe 8 vers 9).

Dat heeft alleen de Heere Jezus, HIJ alleen gedaan!

Wat echter de dienst van de liefde betreft, zegt Hij tot Zijn discipelen en ook tot ons: "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijk Ik u gedaan heb, gij ook doet" (Johannes 13 vers 15).

Het voorbeeld van David heeft vrucht gedragen. Alle mannen die naar hem geluisterd hebben, brengen nu ook vrijwillig goud, zilver en edelstenen voor de bouw van het huis van God (vergelijk 1 Korinthe 3 vers 12).

Dat is een grote vreugde voor David — alsook voor de Heere, als ons hart zo in overeenstemming is met Zijn hart!

1 Kronieken 29:10-20
10Daarom loofde David den HEERE voor de ogen der ganse gemeente; en David zeide: Geloofd zijt Gij, HEERE, God van onzen vader Israel, van eeuwigheid tot in eeuwigheid!11Uw, o HEERE, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in den hemel en op aarde is, is Uw: Uw, o HEERE, is het Koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles.12En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst over alles; en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken.13Nu dan, onze God, wij danken U, en loven den Naam Uwer heerlijkheid.14Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben, om vrijwillig te geven als dit is? Want het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand.15Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn als een schaduw, en er is geen verwachting.16HEERE, onze God, al deze menigte, die wij bereid hebben om U een huis te bouwen, den Naam Uwer heiligheid, dat is van Uw hand, en het is alles Uw.17En ik weet, mijn God, dat Gij het hart proeft, en dat Gij een welgevallen hebt aan oprechtigheden. Ik heb in oprechtigheid mijns harten al deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde Uw volk, dat hier bevonden wordt, gezien, dat het zich jegens U vrijwillig gedragen heeft.18O HEERE, Gij, God onzer vaderen, Abraham, Izak en Israel, bewaar dit in der eeuwigheid in den zin der gedachten van het hart Uws volks, en richt hun hart tot U.19En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart, om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw inzettingen; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb.20Daarna zeide David tot de ganse gemeente: Looft nu den HEERE, uw God! Toen loofde de ganse gemeente den HEERE, den God hunner vaderen; en zij neigden het hoofd, en zij bogen zich neder voor den HEERE, en voor den koning.

Nadat David eerst tot het volk gesproken heeft, richt hij zich nu tot de HEERE.

Zal hij wat hijzelf en de vorsten gegeven hebben, sterk benadrukken? Nee, integendeel! Hij geeft God Die alles toebehoort, de eer en verootmoedigt zich voor Hem. Deze beide gevoelens gaan altijd samen.

"Het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand", zegt de koning (vers 14). De Heere vertrouwt ons goederen toe, zodat wij de vreugde mogen smaken daarvan iets aan Hem af te staan.

Hij heeft Zelf niets nodig (Psalm 50 vers 10 tot en met 12). Wat vrijwillig en met blijdschap aan Hem gegeven wordt, is echter waardevol voor Zijn hart. Wat daarentegen uit dwang of in een wettische gezindheid gegeven wordt, gebeurt niet uit liefde en door geloof.

Op die laatste manier betaalden de farizeeën destijds hun tienden (Mattheüs 23 vers 23). In tegenstelling tot hen hebben de Macedoniërs over wie Paulus spreekt, "boven vermogen gewillig" gehandeld. Zij zijn in "hun zeer diepe armoede overvloedig geweest ... tot de rijkdom van hun milddadigheid" (2 Korinthe 8 vers 1 tot en met 3).

Is de lofprijzing die David uitspreekt, niet wonderbaar (vers 10 tot en met 13)? Het is de moeite waard dit hardop te lezen en eraan te denken tot Wie wij ons richten. "Uw, o HEERE, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in de hemel en op de aarde is, is het Uwe: Uw, o HEERE, is het Koninkrijk, en Gij hebt u verhoogd tot een Hoofd boven alles". Boven alles — ook over de harten van hen die Hem toebehoren!

1 Kronieken 29:21-30
21En zij offerden den HEERE slachtofferen; ook offerden zij den HEERE brandofferen, des anderen morgens van dien dag, duizend varren, duizend rammen, duizend lammeren, met hun drankofferen; en slachtofferen in menigte, voor gans Israel.22En zij aten en dronken deszelven daags voor het aangezicht des HEEREN met grote vreugde; en zij maakten Salomo, den zoon van David, ten andere male koning, en zij zalfden hem den HEERE tot voorganger, en Zadok tot priester.23Alzo zat Salomo op den troon des HEEREN, als koning in zijns vaders Davids plaats, en hij was voorspoedig; en gans Israel hoorde naar hem.24En al de vorsten, en helden, ja, ook al de zonen van den koning David, gaven de hand, dat zij onder den koning Salomo zijn zouden.25En de HEERE maakte Salomo groot ten hoogste voor de ogen van gans Israel; en Hij gaf aan hem een koninklijke majesteit, zodanige aan geen koning van Israel voor hem geweest is.26Zo heeft dan David, de zoon van Isai, geregeerd over gans Israel.27De dagen nu, die hij geregeerd heeft over Israel, zijn veertig jaren; te Hebron regeerde hij zeven jaren, en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig.28En hij stierf in goeden ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Salomo regeerde in zijn plaats.29De geschiedenissen nu van den koning David, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Samuel, den ziener, en in de geschiedenissen van den profeet Nathan, en in de geschiedenissen van Gad, den ziener;30Met al zijn koninkrijk, en zijn macht, en de tijden, die over hem verlopen zijn, en over Israel, en over al de koninkrijken der landen.

Het is een grote feestdag en een hoogtepunt in de geschiedenis van Israël! Er worden slachtoffers gebracht; het volk eet, drinkt en verheugt zich in de tegenwoordigheid van God.

Dan wordt Salomo voor de tweede maal als koning voorgesteld en voor de HEERE gezalfd. Hij gaat "op de troon des HEEREN" zitten.

De majesteit en heerschappij die de zoon van David ontvangt, zijn een beeld van het duizendjarige rijk waarin Christus voor God over de hele aarde zal heersen.

De dood van David "in goede ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer" (vers 28), vormt het slot van het eerste Boek van de Kronieken.

We zouden eigenlijk het volgende opschrift uit Jesaja 55 vers 3 boven dit boek kunnen zetten: "De gewisse weldadigheden [of: genadebewijzen] van David".

Het verband waarin Paulus deze tekst in Handelingen 13 vers 34 citeert, laat zien dat het hierbij vooral gaat om de opstanding waarnaar deze geloofsman nu samen met alle ontslapen heiligen mag uitzien.

Is David daarenboven echter niet z'n hele leven lang een voorwerp geweest van de genade van God?

Beste lezers, ook wij mogen de genade die ons in Christus ten deel gevallen is, nu èn in de toekomst genieten. Want niet alleen David, maar "uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade" (Johannes 1 vers 16).

2 Kronieken 1:1-17
1En Salomo, de zoon van David, werd versterkt in zijn koninkrijk, want de HEERE, zijn God, was met hem, en maakte hem ten hoogste groot.2En Salomo sprak tot het ganse Israel, tot de oversten der duizenden en der honderden, en tot de richteren, en tot alle vorsten in gans Israel, de hoofden der vaderen;3En zij gingen henen, Salomo en de ganse gemeente met hem, naar de hoogte, die te Gibeon was; want daar was de tent der samenkomst Gods, die Mozes, de knecht des HEEREN, in de woestijn gemaakt had.4(Maar de ark Gods had David van Kirjath-Jearim opgebracht, ter plaatse, die David voor haar bereid had; want hij had voor haar een tent te Jeruzalem gespannen.)5Ook was het koperen altaar, dat Bezaleel, de zoon van Uri, den zoon van Hur, gemaakt had, aldaar voor den tabernakel des HEEREN; Salomo nu en de gemeente bezochten hetzelve.6En Salomo offerde daar, voor het aangezicht des HEEREN, op het koperen altaar, dat aan de tent der samenkomst was; en hij offerde daarop duizend brandofferen.7In dienzelfden nacht verscheen God aan Salomo; en Hij zeide tot hem: Begeer, wat Ik u geven zal.8En Salomo zeide tot God: Gij hebt aan mijn vader David grote weldadigheid gedaan; en Gij hebt mij koning gemaakt in zijn plaats;9Nu, HEERE God, laat Uw woord waar worden, gedaan aan mijn vader David; want Gij hebt mij koning gemaakt over een volk, menigvuldig als het stof der aarde;10Geef mij nu wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga; want wie zou dit Uw groot volk kunnen richten?11Toen zeide God tot Salomo: Daarom, dat dit in uw hart geweest is, en gij niet begeerd hebt rijkdom, goederen, noch eer, noch de ziel uwer haters, noch ook vele dagen begeerd hebt; maar wijsheid en wetenschap voor u begeerd hebt, opdat gij Mijn volk mocht richten, waarover Ik u koning gemaakt heb;12De wijsheid, en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, dergelijke geen koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn.13Alzo kwam Salomo te Jeruzalem, van de hoogte, die te Gibeon is, van voor de tent der samenkomst; en hij regeerde over Israel.14En Salomo vergaderde wagenen en ruiteren, zodat hij duizend en vierhonderd wagenen, en twaalf duizend ruiteren had; en hij legde ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem.15En de koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als wilde vijgebomen, die in de laagten zijn, in menigte.16En het uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnengaren, de kooplieden des konings namen het linnengaren voor den prijs.17En zij brachten op, en voerden een wagen uit van Egypte voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor eenhonderd en vijftig; en alzo voerden zij die door hun hand uit, voor alle koningen der Hethieten, en voor de koningen van Syrie.

Hier worden we direct in de regering van de grote Salomo ingeleid.

Zijn naam betekent 'vredige', en dat richt ons oog op Christus, de "Vredevorst" (Jesaja 9 vers 5).

Christus' toekomstige heerschappij wordt ons rijk geïllustreerd door hetgeen we nu zullen lezen. Laten we daarbij steeds in gedachten houden dat het in deze hoofdstukken vooral gaat om het aardse rijk en de aardse godsdienst van de Messias van Israël!

Het gebeurt echter ook meerdere malen dat onze aandacht, door middel van bepaalde overeenkomsten of juist door tegenstellingen, gericht wordt op de gemeente en haar Hoofd.

Het verlangen dat de HEERE in het hart van de jonge koning leest, komt overeen met dat van de apostel Paulus voor de Efeziërs.

Hij bidt voor hen, opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, hen de Geest van wijsheid en openbaring van Zijn kennis mag geven en dat de ogen van hun hart verlicht mogen worden (Efeze 1 vers 16 tot en met 18).

"Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand", schrijft Salomo later in Spreuken 2 vers 6.

Laten ook wij verlangen naar die wijsheid van boven. We mogen er om vragen aan Hem "Die een ieder mild geeft, en niet verwijt" (Jakobus 1 vers 5).

2 Kronieken 2:1-10
1Salomo nu dacht voor den Naam des HEEREN een huis te bouwen, en een huis voor zijn koninkrijk.2En Salomo telde zeventig duizend lastdragende mannen, en tachtig duizend mannen, die houwen zouden in het gebergte; mitsgaders drie duizend en zeshonderd opzieners over dezelve.3En Salomo zond tot Huram, den koning van Tyrus, zeggende: Gelijk als gij met mijn vader David gedaan hebt, en hebt hem cederen gezonden, om voor hem een huis te bouwen, om daarin te wonen, zo doe ook met mij.4Zie, ik zal een huis voor den Naam des HEEREN, mijns Gods, bouwen, om Hem te heiligen, om reukwerk der welriekende specerijen voor Zijn aangezicht aan te steken, en voor de toerichting des gedurigen broods, en voor de brandofferen des morgens en des avonds, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden des HEEREN, onzes Gods; hetwelk voor eeuwig is in Israel.5En het huis, dat ik zal bouwen, zal groot zijn; want onze God is groter dan alle goden.6Doch wie zou de kracht hebben, om voor Hem een huis te bouwen, dewijl de hemelen, ja, de hemel der hemelen, Hem niet bevatten zouden? En wie ben ik, dat ik voor Hem een huis zou bouwen, ten ware om reukwerk voor Zijn aangezicht aan te steken?7Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.8Zend mij ook cederen, dennen, en algummimhout uit Libanon; want ik weet, dat uw knechten het hout van Libanon weten te houwen; en zie, mijn knechten zullen met uw knechten zijn.9En dat om mij hout in menigte te bereiden; want het huis, dat ik zal bouwen, zal groot en wonderlijk zijn.10En zie, ik zal uw knechten, den houwers, die het hout houwen, twintig duizend kor uitgeslagen tarwe, en twintig duizend kor gerst geven; daartoe twintig duizend bath wijn, en twintig duizend bath olie.

De betrekkingen tussen Hyram, de koning van Tyrus, en Salomo zijn een beeld van de betrekkingen die alle volkeren gedurende het duizendjarige rijk met Israël zullen hebben

"Want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken. Want het zal geschieden te dien dage, dat de heidenen naar de Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn" (zie Jesaja 11 vers 9 en 10).

Behalve alles wat David in zijn grote toewijding voor het huis van God bij elkaar gebracht had, had hij ook arbeiders voorbereid om het werk uit te voeren (vers 7, zie ook 1 Kronieken 22 vers 15 en 16).

Zó gaat het vandaag ook met het werk van de Heere. Elke arbeid voor Hem vereist van de dienstknechten een goede instelling, nauwgezetheid en zorgvuldigheid.

Als iemand te vroeg voor een bepaalde dienst meent geschikt te zijn, bestaat het gevaar dat er slecht werk geleverd wordt.

God Die de werken toebereidt, heeft ook de werkers tot een bepaalde taak geroepen en 'opgeleid'.

Efeze 2 vers 10 herinnert ons eraan dat wij Zijn maaksel zijn, "geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen".

2 Kronieken 2:11-18
11Huram nu, de koning van Tyrus, antwoordde door schrift, en zond tot Salomo: Daarom dat de HEERE Zijn volk lief heeft, heeft Hij u over hen tot koning gesteld.12Verder zeide Huram: Geloofd zij de HEERE, de God Israels, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, dat Hij den koning David een wijzen zoon, kloek in voorzichtigheid en verstand, gegeven heeft, die een huis voor den HEERE, en een huis voor zijn koninkrijk bouwe!13Zo zend ik nu een wijzen man, kloek van verstand, Huram Abi;14Den zoon ener vrouw uit de dochteren van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud, en in zilver, in koper, in ijzer, in stenen, en in hout, in purper, in hemelsblauw, en in fijn linnen, en in karmozijn, en om alle graveersels te graveren, en om te bedenken allen vernuftigen vond, die hem zal voorgesteld worden, met uw wijzen, en de wijzen van mijn heer, uw vader David.15Zo zende nu mijn heer zijn knechten de tarwe en de gerst, de olie en den wijn, die hij gezegd heeft.16En wij zullen hout houwen uit den Libanon, naar al uw nooddruft, en zullen het tot u met vlotten, over de zee, naar Jafo brengen; en gij zult het laten ophalen naar Jeruzalem.17En Salomo telde al de vreemde mannen, die in het land van Israel waren, achtervolgens de telling, met dewelke zijn vader David die geteld had; en er werden gevonden honderd drie en vijftig duizend en zeshonderd.18En hij maakte uit dezelve zeventig duizend lastdragers, en tachtig duizend houwers in het gebergte, mitsgaders drie duizend en zeshonderd opzieners, om het volk te doen arbeiden.

Bij het overdenken van het Boek Koningen hebben we gezien dat Hyram Abi (of Hiram), de meest bekwame kunstenaar van alle arbeiders, een beeld van de Heilige Geest is.

Onder de tactvolle leiding van deze man moeten de andere bekwame mannen die daartoe door David 'gereserveerd' waren, hun opdrachten vervullen.

Zó zal de gelovige ook alleen maar een dienst kunnen vervullen als hij zich door de Geest van God laat leiden. In Handelingen zien we hoe de Geest de bevelen van de Heere aan de apostelen doorgeeft (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 1 vers 2; 8 vers 29 en 13 vers 2 en 4).

Laten wij ook steeds luisteren naar Zijn stem. Vaak zullen we dan, evenals Paulus en zijn begeleiders, horen: 'Doet dit niet!' of: 'Ga daar niet heen!' (Handelingen 16 vers 6 en 7).

Een groot aantal mannen, in totaal 153.600, wordt geregistreerd om het werk te doen. Sommigen waren lastdragers, anderen steenhouwers en tenslotte waren er ook nog opzichters. Daarbij mogen we denken aan drie verschillende vormen van christelijke dienst:

in het gebed de lasten dragen, daar begint het mee;

de levende stenen uit de steengroeve van de wereld halen en vorm geven: dat is het werk van de evangelisten en andere dienstknechten; en

over het werk en de kudde waken.

Verder willen we nog wijzen op één opvallend detail: de manschappen worden samengesteld uit Kanaänieten die eens vreemdelingen en tot een valstrik voor Israël waren. Onder de regering van de koning van de vrede zijn het geschikte knechten geworden.

2 Kronieken 3:1-17
1En Salomo begon het huis des HEEREN te bouwen te Jeruzalem, op den berg Moria, die zijn vader David gewezen was, in de plaats, die David toebereid had, op den dorsvloer van Ornan, den Jebusiet.2Hij begon nu te bouwen in de tweede maand, op den tweeden dag, in het vierde jaar van zijn koninkrijk.3En deze zijn de grondleggingen van Salomo, om het huis Gods te bouwen: de lengte in ellen, naar de eerste mate, was zestig ellen, en de breedte twintig ellen.4En het voorhuis, hetwelk vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig ellen, en de hoogte honderd en twintig; hetwelk hij van binnen overtrok met louter goud.5Het grote huis nu overdekte hij met dennenhout; daarna overtoog hij dat met goed goud; en hij maakte daarop palmen en ketenwerk.6Hij overtoog ook het huis met kostelijke stenen tot versiering; het goud nu was goud van Parvaim.7Daartoe overdekte hij aan het huis de balken, de posten en de wanden daarvan, en de deuren daarvan met goud; en hij graveerde cherubs aan de wanden.8Verder maakte hij het huis van het heilige der heiligen, welks lengte, naar de breedte van het huis, was twintig ellen, en de breedte daarvan twintig ellen; en hij overtoog dat met goed goud, tot zeshonderd talenten.9En het gewicht der nagelen was tot vijftig sikkelen gouds; en hij overtoog de opperzalen met goud.10Ook maakte hij, in het huis van het heilige der heiligen, twee cherubim van uittrekkend werk, en hij overtoog die met goud.11Aangaande de vleugelen der cherubim, hun lengte was twintig ellen; des enen vleugel was van vijf ellen, rakende aan den wand van het huis, en de andere vleugel van vijf ellen, rakende aan de vleugel des anderen cherubs.12Insgelijks was de vleugel des anderen cherubs van vijf ellen, rakende aan den wand van het huis; en de andere vleugel was van vijf ellen, klevende aan den vleugel des anderen cherubs.13De vleugelen dezer cherubim spreidden zich uit twintig ellen; en zij stonden op hun voeten, en hun aangezichten waren huiswaarts.14Hij maakte ook den voorhang van hemelsblauw, en purper, en karmozijn, en fijn linnen; en hij maakte cherubs daarop.15Nog maakte hij voor het huis twee pilaren, van vijf en dertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op derzelver hoofd was, was van vijf ellen.16Ook maakte hij ketenen, als in de aanspraakplaats, en hij zette ze op de hoofden der pilaren; daartoe maakte hij honderd granaatappelen, en zette ze tussen de ketenen.17En hij richtte de pilaren op voor aan den tempel, een ter rechterhand, en een ter linkerhand; en hij noemde den naam van den rechter Jachin, en den naam van den linker Boaz.

De bouw van de tempel wordt ons in Kronieken vanuit een ander gezichtspunt voorgesteld dan in Koningen.

Dáár werd het meer als de woning van de HEERE te midden van Zijn volk gezien. Maar híer ligt de nadruk op de plaats waar de aanbidder de toegang heeft om zijn God te ontmoeten.

Het fundament van dit huis wordt gebouwd op de berg Moría waar de genade van God het oordeel tegenhield en het brandoffer verteerde.

Wat de gemeente betreft, weten we uit de woorden van Petrus en het antwoord van de Heere Jezus waarop zij is gegrondvest: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God ... en op deze Petra [= dat is: rots] zal Ik Mijn gemeente bouwen" (Mattheüs 16 vers 16 en 18).

Salomo bouwt achtereenvolgens het voorhuis, het eigenlijke huis en daarna het huis van het heilige der heiligen. Daarna maakt hij de beide grote cherubs, de voorhang en de twee pilaren, Jachin en Boaz.

De buitengewone hoogte van het voorhuis wordt alleen hier meegedeeld: honderdtwintig ellen. Dat is dus vier maal zo hoog als het huis zelf.

Is dat geen prachtige illustratie van Palm 24 vers 7 en 9 waar gezegd wordt: "Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!"?

Welke poort zou voor zo'n grote Persoon gepast zijn?

2 Kronieken 4:1-22
1Hij maakte ook een koperen altaar, van twintig ellen in zijn lengte, en twintig ellen in zijn breedte, en tien ellen in zijn hoogte.2Daartoe maakte hij de gegoten zee; van tien ellen was zij, van haar enen rand tot haar anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in haar hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.3Onder dezelve nu was de gelijkenis van runderen, rondom henen, die omsingelende, tien in een el, omringende de zee rondom; twee rijen dezer runderen waren in haar gieting gegoten.4Zij stond op twaalf runderen, drie ziende naar het noorden, en drie ziende naar het westen, en drie ziende naar het zuiden, en drie ziende naar het oosten; en de zee was boven op dezelve; en al hun achterdelen waren inwaarts.5Haar dikte nu was een hand breed, en haar rand als het werk van den rand eens bekers of ener leliebloem, bevattende vele bathen; zij hield drie duizend.6En hij maakte tien wasvaten, en stelde vijf ter rechter hand en vijf ter linkerhand, om daarin te wassen; wat ten brandoffer behoort, staken zij daarin; maar de zee was, opdat de priesters zich daarin zouden wassen.7Hij maakte ook tien gouden kandelaren, naar hun wijze, en hij stelde ze in den tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand.8Ook maakte hij tien tafelen, en hij zette ze in den tempel, vijf aan de rechterhand, en vijf aan de linkerhand; en hij maakte honderd gouden sprengbekkens.9Verder maakte hij het voorhof der priesteren, en het grote voorhof, mitsgaders de deuren voor het voorhof, en overtoog hun deuren met koper.10De zee nu zette hij aan de rechterzijde, naar het oosten, tegenover het zuiden.11Daartoe maakte Huram de potten, en de schoffelen, en de sprengbekkens; alzo voleindde Huram het werk te maken, dat hij voor de koning Salomo aan het huis Gods maakte.12De twee pilaren, en de bollen, en de twee kapitelen, op het hoofd der pilaren; en de twee netten, om de twee bollen der kapitelen te bedekken, die op der pilaren hoofd waren;13En de vierhonderd granaatappelen tot de twee netten: twee rijen van granaatappelen tot elk net, om de twee bollen der kapitelen te bedekken, die boven op de pilaren waren.14Hij maakte ook de stellingen; en wasvaten maakte hij op de stellingen;15Een zee, en de twaalf runderen daaronder.16Insgelijks de potten, en de schoffelen, en de krauwelen, en al hun vaten maakte Huram Abiu voor de koning Salomo, voor het huis des HEEREN, van gepolijst koper.17In de vlakte van de Jordaan goot ze de koning, in dichte aarde, tussen Sukkoth, en tussen Zeredatha.18En Salomo maakte al deze vaten, in grote menigte; want het gewicht des kopers werd niet onderzocht.19Ook maakte Salomo alle vaten, die voor het huis Gods waren, en het gouden altaar, en de tafelen, waarop de toonbroden zijn;20En de kandelaren met hun lampen, van gesloten goud, om die naar de wijze aan te steken, voor de aanspraakplaats;21En de bloemen, en de lampen, en de snuiters, van goud; het was het volmaaktste goud;22Mitsgaders de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en de wierookvaten, van gesloten goud; aangaande den ingang van het huis, zijn binnenste deuren, van het heilige der heiligen, en de deuren van het huis des tempels waren van goud.

Het huis dat helemaal bekleed is met goud, spreekt ons van volmaakte en reine gerechtigheid. Daarom kon de aanbidder niet tot haar naderen zonder aan het koperen altaar voorbijgegaan te zijn. Dat altaar is vierkant: twintig el lang en twintig el breed. Dat zijn dus dezelfde afmetingen als bij de "aanspraakplaats" (1 Koningen 6 vers 20). Met andere woorden: de heerlijkheden van het heilige der heiligen komen overeen met de grootte en volmaaktheid van het offer waarvan het altaar een beeld is.

Daarna is er sprake van "de gegoten zee" die rustte op twaalf runderen. Deze runderen doen ons denken aan het geduldig en volhardend werk van Christus (Efeze 5 vers 26). Maar ze doen ook denken aan de standvastigheid die naar alle richtingen toe betracht moest worden om de invloeden van buitenaf te kunnen weerstaan en de reinheid te kunnen bewaren.

Dan pas worden de andere voorwerpen opgenoemd: de wasvaten, de kandelaars, de tafels, het gouden altaar en de verschillende gereedschappen voor de priesters. Het is net alsof ons hierdoor duidelijk gemaakt moet worden dat we de waarheden waarvan al deze voorwerpen een beeld zijn, pas kunnen genieten als we het koperen altaar gepasseerd zijn om ons in moreel opzicht te reinigen (Psalm 26 vers 6 en 2 Korinthe 7 vers 1).

Met uitzondering van de beker en het brood bij het avondmaal heeft de aanbidder van het Nieuwe Testament geen zichtbare voorwerpen meer voor zich staan. Ook geen sacramenten of bepaalde ceremoniën. Hij wordt opgeroepen in alle eenvoud aan de maaltijd des Heeren deel te nemen. Zijn godsdienst wordt in geest en waarheid uitgeoefend (Johannes 4 vers 24).

2 Kronieken 5:1-14
1Alzo werd al het werk volbracht, dat Salomo aan het huis des HEEREN maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen van zijn vader David; en het zilver, en het goud, en al de vaten legde hij onder de schatten van het huis Gods.2Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israel, en al de hoofden der stammen, de oversten der vaderen onder de kinderen Israels, te Jeruzalem, om de ark des verbonds des HEEREN op te brengen uit de stad Davids, dewelke is Sion.3En alle mannen van Israel verzamelden zich tot de koning op het feest, hetwelk was in de zevende maand.4En al de oudsten van Israel kwamen, en de Levieten namen de ark op.5En zij brachten de ark, en de tent der samenkomst opwaarts, mitsgaders al de heilige vaten, die in de tent waren; deze brachten de priesters en Levieten opwaarts.6De koning Salomo nu, en de ganse vergadering van Israel, die bij hem vergaderd waren voor de ark, offerden schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden.7Alzo brachten de priesters de ark des verbonds des HEEREN tot haar plaats, tot de aanspraakplaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder de vleugelen der cherubim.8Want de cherubim spreidden de beide vleugelen over de plaats der ark; en de cherubim overdekten de ark en haar handbomen van boven.9Daarna schoven zij de handbomen verder uit, dat de hoofden der handbomen gezien werden uit de ark, voor aan de aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij was daar tot op dezen dag.10Er was niets in de ark, dan alleen de twee tafelen, die Mozes bij Horeb daarin gedaan had als de HEERE een verbond maakte met de kinderen Israels, toen zij uit Egypte uitgetogen waren.11En het geschiedde, als de priesters uit het heilige uitgingen; (want al de priesters, die gevonden werden, hadden zich geheiligd, zonder de verdelingen te houden;12En de Levieten, die zangers waren van hen allen, van Asaf, van Heman, van Jeduthun, en van hun zonen, en van hun broederen, in fijn linnen gekleed, met cimbalen, en met luiten, en harpen, stonden tegen het oosten des altaars, en met hen tot honderd en twintig priesteren toe, trompettende met trompetten.)13Het geschiedde dan, als zij eenpariglijk trompetten en zongen, om een eenparige stem te laten horen, prijzende en lovende den HEERE; en als zij de stem verhieven met trompetten, en met cimbalen, en andere muzikale instrumenten, en als zij den HEERE prezen, dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid; dat het huis met een wolk vervuld werd, namelijk het huis des HEEREN.14En de priesters konden, vanwege die wolk, niet staan, om te dienen; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis Gods vervuld.

De bouw van het wonderbare huis is voltooid, maar het belangrijkste voorwerp ontbreekt nog: de heilige ark. We lezen in vers 7 dat zij op "haar plaats, tot de aanspraak-plaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder de vleugels van de cherubs" gebracht werd.

Hierdoor wordt ons oog gericht op de Heere Jezus in de hemelse gewesten Die door Godzelf verhoogd is, het Middelpunt van lofprijzing. Hij vervult de hemel en de aarde met Zijn heerlijkheid en is het Onderwerp van de bewondering van de engelen (de cherubs; vergelijk 1 Timotheüs 3 vers 16) en de aanbidding van Zijn gelukkige volk. Het is "een eenparige stem", voortgebracht door verschillende instrumenten (vers 13): een eenparig lied, het nieuwe lied, dat door alle verlosten samen gezongen zal worden. Ieder zal daar zijn persoonlijke noot toe bijdragen, maar desondanks zal het in volkomen harmonie met elkaar zijn.

Van de drie voorwerpen die oorspronkelijk in de ark lagen —het manna in een gouden kruik, de staf van de priester Aäron en de stenen tafelen met de wet —, is alleen nog het laatste overgebleven (vers 10). Tijdens de woestijnreis die nu voorbij was, had God het manna gegeven en het volk door het priesterdom geleid. Nu is de ark in Sion aangekomen, in de rust van God Die Zijn belofte waargemaakt heeft.

Op de grondslag van een nieuw verbond, door de tafelen bevestigd, rust Hij nu Zelf in Zijn liefde te midden van Zijn verloste volk. "De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen [of: rusten] in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich" (Zefánja 3 vers 17).

2 Kronieken 6:1-11
1Toen zeide Salomo: De HEERE heeft gezegd, dat Hij in de donkerheid zou wonen.2En ik heb U een huis ter woonstede gebouwd, en een vaste plaats tot Uw eeuwige woning.3Daarna wendde de koning zijn aangezicht om, en zegende de ganse gemeente van Israel; en de ganse gemeente van Israel stond.4En hij zeide: Geloofd zij de HEERE, de God van Israel, Die met Zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft, en heeft het met Zijn handen vervuld, zeggende:5Van dien dag af, dat Ik Mijn volk uit Egypteland uitgevoerd heb, heb Ik geen stad verkoren uit alle stammen van Israel, om een huis te bouwen, dat Mijn Naam daar zou wezen; en geen man verkoren om een voorganger te zijn over Mijn volk Israel.6Maar Ik heb Jeruzalem verkoren, dat Mijn Naam daar zou wezen; en Ik heb David verkoren, dat hij over Mijn volk Israel wezen zou.7Het was ook in het hart van mijn vader David, een huis te bouwen den Naam des HEEREN, des Gods van Israel.8Maar de HEERE zeide tot mijn vader David: Dewijl dat in uw hart geweest is, Mijn Naam een huis te bouwen, gij hebt welgedaan, dat het in uw hart geweest is.9Evenwel, gij zult dat huis niet bouwen, maar uw zoon, die uit uw lenden voortkomen zal, die zal Mijn Naam dat huis bouwen.10Zo heeft de HEERE Zijn woord bevestigd, dat Hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David, en ik zit op den troon van Israel, gelijk als de HEERE gesproken heeft; en ik heb een huis gebouwd den Naam des HEEREN, des Gods van Israel.11En ik heb daar de ark gesteld, waarin het verbond des HEEREN is, hetwelk Hij maakte met de kinderen Israels.

Salomo prijst in het bijzijn van alle Israëlieten de God van Israël. Hij brengt Zijn genade in herinnering en ook de redenen waarom de tempel gebouwd werd.

De koning verlangt ernaar dat het hart van het volk op de HEERE gericht wordt. Dan denken we aan Hem Die ná Zijn dood kon zeggen: "Zo zal Ik Uw Naam Mijn broeders vertellen; in het midden der gemeente zal Ik U prijzen" (Psalm 22 vers 23).

Soms voelen we ons een beetje geremd om in onze gebeden Godzelf aan te spreken. We denken dan onbewust bij de Heere Jezus meer begrip en liefelijkheid te zullen vinden.

Is dat geen gebrek aan vertrouwen ten opzichte van God Die liefde is?

De Heere Jezus heeft Zelf uitdrukkelijk tot Zijn discipelen en tot ons gezegd: "De Vader Zelf heeft u lief' (Johannes 16 vers 27).

Christus verlangt ernaar dat wij Zijn Vader kennen zoals Hij Hem kent. Het kruis was echter noodzakelijk om deze verbinding tot stand te brengen.

Ná Zijn opstanding luidden daarom Zijn allereerste woorden die aan de Zijnen gericht waren: "Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God" (Johannes 20 vers 17).

Nu, nádat het werk van de verlossing volbracht is, jaagt de gedachte aan God ons geen vrees meer aan. We zien Hem niet meer als een rechter die men op allerlei manieren tot mildheid moet bewegen.

Nee, God is voor ons nu een Vader tot Wie wij zonder vrees kunnen naderen in de Naam van de Heere Jezus.

2 Kronieken 6:12-21, 40-42
12En hij stond voor het altaar des HEEREN, tegenover de ganse gemeente van Israel; en hij breidde zijn handen uit;13(Want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden des voorhofs; zijnde vijf ellen in zijn lengte en vijf ellen in zijn breedte, en drie ellen in zijn hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijn knieen voor de ganse gemeente van Israel, en breidde zijn handen uit naar den hemel.)14En hij zeide: HEERE, God van Israel, er is geen God gelijk Gij, in den hemel noch op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid aan Uw knechten, die voor Uw aangezicht met hun ganse hart wandelen;15Die Uw knecht, mijn vader David, gehouden hebt, wat Gij tot hem gesproken hadt; want met Uw mond hebt Gij gesproken, en met Uw hand vervuld, gelijk het te dezen dage is.16En nu, HEERE, God van Israel, houd Uw knecht, mijn vader David, wat Gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor Mijn aangezicht afgesneden worden, die zitte op den troon van Israel; alleenlijk zo uw zonen hun weg bewaren, om te wandelen in Mijn wet, gelijk als gij gewandeld hebt voor Mijn aangezicht.17Nu dan, o HEERE, God van Israel! Laat Uw woord waar worden, hetwelk Gij gesproken hebt tot Uw knecht, tot David.18Maar waarlijk, zou God bij de mensen op de aarde wonen? Ziet de hemelen, ja, de hemel der hemelen, zouden U niet begrijpen, hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb?19Wend U dan nog tot het gebed Uws knechts, en tot zijn smeking, o HEERE, mijn God, om te horen naar het geroep en naar het gebed, dat Uw knecht voor Uw aangezicht bidt.20Dat Uw ogen open zijn, dag en nacht, over dit huis, over de plaats, van dewelke Gij gezegd hebt, Uw Naam daar te zullen zetten; om te horen naar het gebed, hetwelk Uw knecht bidden zal in deze plaats.21Hoor dan naar de smekingen van Uw knecht, en van Uw volk Israel, die in deze plaats zullen bidden; en hoor Gij uit de plaats Uwer woning, uit den hemel, ja, hoor, en vergeef.
40Nu, mijn God, laat toch Uw ogen open en Uw oren opmerkende zijn tot het gebed dezer plaats.41En nu, HEERE God, maak U op tot Uw rust, Gij en de ark Uwer kracht; laat Uw priesters, HEERE God, met heil bekleed worden, en laat Uw gunstgenoten over het goede blijde zijn.42O HEERE God! wend het aangezicht Uws gezalfden niet af; gedenk der weldadigheden van David, Uw knecht.

Als we vers 13 vergelijken met Exodus 27 vers 1, blijkt dat het koperen gestoelte waar de koning op knielde om tot de HEERE te bidden, even groot is als het koperen altaar in de woestijn. De vermelding van dit detail heeft een prachtige en belangrijke betekenis!

Op grond van Zijn volbrachte en door God aangenomen offer oefent Christus nu voor de Zijnen bij de Vader de taak van Priester en Voorspraak uit. "Indien wij onze zonden belijden", is God nu "getrouw en rechtvaardig" om ze te vergeven (1 Johannes 1 vers 9). Getrouw en rechtvaardig, omdat de Heere Jezus aan het kruis het oordeel over de zonden al heeft gedragen. Daarvan spreekt het altaar. God zal ons daarvoor nooit een tweede maal ter verantwoording roepen!

Er wordt niet gezegd dat wij om vergeving moeten vragen! Die vergeving hééft een kind van God immers al ontvangen! Er staat: "Indien wij onze zonden belijden"!

Even later, in het volgende hoofdstuk, lezen we dan ook: "En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een verzoening [of: het zoenoffer] voor onze zonden" (1 Johannes 2 vers 1 en 2).

Volgens de verzen 22 tot en met 42 — waarin weinig verschil valt op te merken met de verzen in 1 Koningen 8 vers 31 tot en met 53 die al eerder besproken zijn — besluit Salomo zijn gebed met de woorden uit Psalm 132 vers 8 tot en met 10.

"Hoor dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, hun gebed ..." (vers 39)! De christen die de liefde van de Heere uit eigen ervaring mag kennen, wéét dat Hij hoort (1 Johannes 5 vers 15)!

2 Kronieken 7:1-10
1Als nu Salomo voleind had te bidden, zo daalde het vuur van den hemel, en verteerde het brandoffer en de slachtofferen; en de heerlijkheid des HEEREN vervulde het huis.2En de priesters konden niet ingaan in het huis des HEEREN; want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld.3En als al de kinderen Israels dat vuur zagen afdalen, en de heerlijkheid des HEEREN over het huis, zo bukten zij met hun aangezichten ter aarde op den vloer, en aanbaden en loofden den HEERE, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid.4De koning nu en al het volk offerden slachtofferen voor het aangezicht des HEEREN.5En de koning Salomo offerde slachtofferen van runderen, twee en twintig duizend, en van schapen, honderd en twintig duizend. Alzo hebben de koning en het ganse volk het huis Gods ingewijd.6Ook stonden de priesters in hun wachten, en de Levieten met de muzikale instrumenten des HEEREN, die de koning David gemaakt had, om den HEERE te loven, dat Zijn weldadigheid is in eeuwigheid, als David door hun dienst Hem prees; en de priesters trompetten tegen hen over, en gans Israel stond.7En Salomo heiligde het middelste des voorhofs, hetwelk voor het huis des HEEREN was, dewijl hij daar de brandofferen en het vette der dankofferen bereid had; want het koperen altaar, dat Salomo gemaakt had, kon het brandoffer, en het spijsoffer, en het vette niet vatten.8Salomo hield ook ter zelfder tijd het feest zeven dagen, en gans Israel met hem, een zeer grote gemeente, van den ingang af van Hamath, tot de rivier van Egypte.9En ten achtsten dage hielden zij een verbodsdag; want zij hielden de inwijding des altaars zeven dagen, en het feest zeven dagen.10Doch op den drie en twintigsten dag der zevende maand liet hij het volk gaan tot hun hutten, blijde en goedsmoeds over het goede, dat de HEERE aan David en Salomo, en Zijn volk Israel gedaan had.

Als antwoord op het gebed van de koning daalt vuur uit de hemel neer op het brandoffer. Voor de tweede keer (zie hoofdstuk 5 vers 14) wordt het huis vervuld met de heerlijkheid van de HEERE.

Vanaf dit moment, tot aan de tijd van Ezechiël (Ezechiël 10 vers 18 en 11 vers 23), zal die heerlijkheid daar blijven wonen.

De vrees die deze heerlijkheid inboezemt, vormt voor de priesters een verhindering om het huis binnen te gaan (zie hoofdstuk 5 vers 14 en 7 vers 2).

In tegenstelling hiermee mogen wij aan ons eeuwig deel denken. De Heere wil de Zijnen graag bij Zich in de heerlijkheid hebben.

Op de heilige berg wordt Hij aan de discipelen voorgesteld. Mozes en Elía waren samen met Hem onder de lichte wolk die de "hoogwaardige heerlijkheid" genoemd wordt (Mattheüs 17 vers 5 en 2 Petrus 1 vers 17).

Het hele volk buigt zich neer en zet een lied in dat ook het lied van het duizendjarig rijk zal zijn: "Looft de HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" (vers 3 en Psalm 136).

Daarna wordt een groot aantal offers gebracht: tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Ook hier mogen we het grote contrast opmerken met dat éne offer waardoor wij geheiligd en volmaakt zijn geworden. "De offerande van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal geschied" (Hebreeën 10 vers 10 en 14).

Hierop volgt voor het volk van deze grote koning de blijdschap van het door niets verstoorde loofhuttenfeest.

2 Kronieken 7:11-22
11Alzo volbracht Salomo het huis des HEEREN, en het huis des konings; en al wat in Salomo's hart gekomen was, om in het huis des HEEREN en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoedig uit.12En de HEERE verscheen Salomo des nachts, en Hij zeide tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en heb Mij deze plaats verkoren tot een offerhuis.13Zo Ik den hemel toesluite, dat er geen regen zij, of zo Ik den sprinkhaan gebiede, het land te verteren, of zo Ik pest onder Mijn volk zende;14En Mijn volk, over dewelken Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigt en bidt, en zij Mijn aangezicht zoeken, en zich bekeren van hun boze wegen; zo zal Ik uit den hemel horen, en hun zonden vergeven, en hun land genezen.15Nu zullen Mijn ogen open zijn, en Mijn oren opmerkende op het gebed dezer plaats.16Want Ik heb nu dit huis verkoren en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid en Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te allen dage zijn.17En u aangaande, zo gij voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, en doen naar alles, wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult;18Zo zal Ik den troon uws koninkrijks bevestigen, gelijk als Ik een verbond met uw vader David gemaakt heb, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden, die in Israel heerse.19Maar zo gijlieden u afkeren zult, en Mijn inzettingen en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en heengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult;20Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land, dat Ik hun gegeven heb, en dit huis, dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken.21En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder, die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft de HEERE aan dit land en aan dit huis alzo gedaan?22En men zal zeggen: Omdat zij den HEERE, hunner vaderen God, verlaten hebben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden, en zich voor dezelve nedergebogen, en hen gediend; daarom heeft Hij al dat kwaad over hen gebracht.

Het huis is voltooid en ingewijd. In Zijn antwoord aan Salomo verklaart de HEERE dat Hij het geheiligd heeft, opdat Zijn Naam er tot in eeuwigheid zal wonen (vers 16 en 20). Wat een geweldige toezegging!

Het kenmerk van het samenkomen van de gelovigen die de belofte van de tegenwoordigheid van de Heere hebben, is dat zij in Zijn Naam vergaderd zijn (Mattheus 18 vers 20).

Daarom rust op de gelovigen de ernstige plicht daar niets te dulden wat tot oneer van Zijn Naam en van Zijn aanwezigheid zou kunnen zijn!

Op soortgelijke wijze waarschuwt de HEERE Salomo ook vanaf vers 19.

De tegenwoordigheid van de Heere in het midden van de Zijnen is tegelijkertijd de garantie dat hun zielen daar alles zullen ontvangen wat ze nodig hebben.

Hoe komt het dan dat sommige samenkomsten zo koel en volgens een vast patroon verlopen? Daar ontbreekt iets!

Het mag duidelijk zijn dat het niet aan de vervulling van de belofte van de Heere ligt! Er is een gebrek aan geloof, aan mijn geloof in Zijn tegenwoordigheid die toereikend is om mij rijk te zegenen op deze plaats!

Laten we er goed op letten hoe het Goddelijke antwoord tot in detail overeenstemt met het gebed van de koning in voorgaande hoofdstukken. Vergelijk bijvoorbeeld vers 15 met hoofdstuk 6 vers 40.

Ja, wij mogen van God duidelijk omschreven zegeningen verwachten. Hij heeft er een welgevallen in ons die te schenken.

2 Kronieken 8:1-18
1Het geschiedde nu ten einde van twintig jaren, in dewelke Salomo het huis des HEEREN en zijn huis gebouwd had,2Dat Salomo de steden, welke Huram hem gegeven had, bouwde, en de kinderen Israels aldaar deed wonen.3Daarna toog Salomo naar Hamath-Zoba, en hij overweldigde het.4Hij bouwde ook Thadmor in de woestijn, en al de schatsteden, die hij bouwde in Hamath.5Ook bouwde hij het hoge Beth-horon en het neder Beth-horon, vaste steden met muren, deuren en grendelen;6Mitsgaders Baalath, en al de schatsteden, die Salomo had, en alle wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen, in Jeruzalem, en in den Libanon, en in het ganse land zijner heerschappij.7Aangaande al het volk, dat overgebleven was van de Hethieten, en de Amorieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten, die niet uit Israel waren;8Uit hun kinderen, die na hen in het land overgebleven waren, welke de kinderen Israels niet verdaan hadden, die bracht Salomo op uitschot tot op dezen dag.9Doch uit de kinderen Israels, die Salomo niet maakte tot slaven in zijn werk; (want zij waren krijgslieden, en oversten zijner hoofdlieden, en oversten zijner wagenen en zijner ruiteren);10Uit dezen dan waren oversten der bestelden, die de koning Salomo had, tweehonderd en vijftig, die over het volk heerschappij hadden.11Salomo nu deed de dochter van Farao opkomen uit de stad Davids, tot het huis, dat hij voor haar gebouwd had; want hij zeide: Mijn vrouw zal in het huis van David, den koning van Israel, niet wonen, omdat de plaatsen heilig zijn, tot dewelke de ark des HEEREN gekomen is.12Toen offerde Salomo den HEERE brandofferen op het altaar des HEEREN, hetwelk hij voor het voorhuis gebouwd had;13Zelfs naar den eis van elken dag, offerende, naar het gebod van Mozes, op de sabbatten, en op de nieuwe maanden, en op de gezette hoogtijden, drie malen in het jaar; op het feest van de ongezuurde broden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten.14Hij stelde ook, naar de wijze zijns vaders Davids, de verdelingen der priesteren over hun dienst, en der Levieten over hun wachten, om God te prijzen, en voor de priesteren te dienen, naar den eis van elken dag; en de poortiers in hun verdelingen, aan elke poort; want alzo was het gebod van David, den man Gods.15En men week niet van des konings gebod aan de priesteren en de Levieten, aangaande alle zaken, en aangaande de schatten.16Alzo werd al het werk van Salomo bereid tot den dag der grondlegging van het huis des HEEREN, en tot het volbrengen van hetzelve, dat het huis des HEEREN volmaakt werd.17Toen toog Salomo naar Ezeon-Geber, en naar Eloth, aan den oever der zee, in het land Edom.18En Huram zond hem, door de hand zijner knechten, schepen, mitsgaders knechten, kenners van de zee; en zij gingen met Salomo's knechten naar Ofir, en zij haalden van daar vierhonderd en vijftig talenten gouds, dewelke zij brachten tot den koning Salomo.

Salomo versterkt zijn rijk. Hij bouwt voorraadsteden en militaire steunpunten.

Bij het hoge Beth—Hóron en het lage Beth—Hóron (vers 5) denken we aan de buitengewone overwinning die Jozua (of beter gezegd: de HEERE) op de helling die deze beide steden van elkaar scheidde, heeft behaald (Jozua 10 vers 11).

Nu worden alle Kanaänieten die — door de ontrouw van Gods volk! — de verovering van 'hun' land door de Israëlieten overleefd hebben, tot slavendienst verplicht.

In tegenstelling tot hen zijn de Israëlieten die gehoorzaam gebleven zijn aan het Woord (Leviticus 25 vers 42), niet aan deze slavendienst onderworpen.

Op deze manier maakt de koning duidelijk onderscheid tussen hen die bij het volk van God horen, en hen die daar niet bij horen, zelfs als het om zijn eigen vrouw gaat (vers 11). Laten we nooit vergeten dat dit onderscheid vandaag ook nog bestaat!

Het is waar dat wij eens slaven van de zonde waren (Romeinen 6 vers 20). Nu heeft de Zoon ons echter vrijgemaakt; we zijn vrij (Johannes 8 vers 36).

We zijn vrij om "God te prijzen, en ... te dienen, naar de eis van elke dag" (vers 14). Maar niet vrij om te doen waar we zelf zin in hebben.

"Men week niet af van het gebod des konings" (vers 15). Vers 13 haalt het gebod van Mozes aan en vers 14 het gebod van David.

De ware vrijheid van een christen bestaat daarin, uit liefde tot Hem de wil van de Heere te doen.

2 Kronieken 9:1-12
1En toen de koningin van Scheba het gerucht van Salomo hoorde, kwam zij, om Salomo met raadselen te verzoeken, te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, en kemelen, dragende specerijen en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar hart was.2En Salomo verklaarde haar al haar woorden; en geen ding was er verborgen voor Salomo, dat hij haar niet verklaarde.3Als nu de koningin van Scheba zag de wijsheid van Salomo, en het huis, dat hij gebouwd had,4En de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren, en hun kledingen, en zijn schenkers, en hun kledingen, en zijn opgang, waardoor hij opging in het huis des HEEREN, zo was in haar geen geest meer.5En zij zeide tot den koning: Het is een waarachtig woord geweest, dat ik in mijn land gehoord heb, van uw zaken en van uw wijsheid.6En ik heb hun woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben, en mijn ogen dat gezien hebben; en zie, de helft van de grootheid uwer wijsheid is mij niet aangezegd; gij hebt overtroffen het gerucht, dat ik gehoord heb.7Welgelukzalig zijn uw mannen, en welgelukzalig deze uw knechten, die geduriglijk voor uw aangezicht staan, en uw wijsheid horen.8Geloofd zij de HEERE, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op Zijn troon, den HEERE, uw God, tot een koning te zetten; overmits uw God Israel bemint, om hetzelve tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.9En zij gaf de koning honderd en twintig talenten gouds, en specerijen in grote menigte, en kostelijk gesteente; en er was gelijk deze specerij, die de koningin van Scheba den koning Salomo gaf, geen geweest.10Verder ook Hurams knechten, en Salomo's knechten, die goud brachten uit Ofir, brachten algummimhout en edelgesteente.11En de koning maakte van dat algummimhout hoge gangen tot het huis des HEEREN en tot het huis des konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers; desgelijks ook was te voren in het land van Juda niet geweest.12En de koning Salomo gaf de koningin van Scheba al haar behagen, wat zij begeerde, behalve hetgeen zij tot den koning gebracht had; zo keerde zij, en toog naar haar land, zij en haar knechten.

Behalve het profetisch aspect, toont het bezoek van de koningin van Scheba ons ook de weg van de zondaar die tot de Heiland komt.

Dat geeft de gelegenheid om nu speciaal iets te zeggen tot hen die dit lezen en die die stap in het geloof tot de Heere Jezus nog niet gedaan hebben.

U kunt er zeker van zijn dat alles wat u tot nu toe over Hem gehoord en gelezen hebt, nog niets is vergeleken met een persoonlijke ontmoeting met Hem! Deze ontmoeting mag u hebben als u naar het kruis gaat!

Het enige wat we u zouden willen zeggen, doen we met de woorden van Filippus aan Nathanaël: "Kom en zie" (Johannes 1 vers 47; vergelijk dat met vers 6).

Weet u die de Heere Jezus al kortere of langere tijd mag kennen, ook wat het meest werkzame getuigenis is dat u voor Hem mag afleggen? Laten zien, dat u gelukkig bent!

Zonder het te willen toegeven, verlangen veel mensen om ons heen naar waar geluk.

Kunnen ze aan ons merken dat wij dat bezitten en dat het geheim daarvan in een persoonlijke verhouding met de Heere ligt? Benijden ze ons om ons lot, zoals dat ook het geval was bij de koningin van Scheba, toen ze de knechten van Salomo zag?

Als we er verdrietig en ontevreden uitzien, kan dat voor anderen een aanleiding zijn om te denken dat de Heere Jezus ons hart niet helemaal kan bevredigen. Dan verhinderen we anderen om tot Hem te komen, te zien en te geloven!

2 Kronieken 9:13-31
13Het gewicht nu van het goud, dat voor Salomo op een jaar inkwam, was zeshonderd zes en zestig talenten gouds;14Behalve dat zij van de kramers en de kooplieden inbrachten; ook brachten alle koningen van Arabie, en de vorsten deszelven lands, goud en zilver aan Salomo.15Daartoe maakte de koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud; zeshonderd sikkelen van geslagen goud liet hij opwegen tot elke rondas.16Insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud; driehonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de koning legde ze in het huis des wouds van den Libanon.17Nog maakte de koning een groten elpenbenen troon, en hij overtoog denzelven met louter goud.18En de troon had zes trappen en een voetbank van goud, aan den troon vast zijnde, en leuningen aan beide zijden, tot de zitplaats toe; en twee leeuwen stonden bij de leuningen.19En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden, op de zes trappen; desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest.20Ook waren alle drinkvaten van den koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds van den Libanon waren van gesloten goud; het zilver was in de dagen van Salomo niet voor iets geacht.21Want des konings schepen voeren naar Tharsis, met de knechten van Huram; eens in drie jaren kwamen de schepen van Tharsis in, brengende goud, en zilver, elpenbeen, en apen, en pauwen.22Alzo werd de koning Salomo groter dan alle koningen der aarde in rijkdom en wijsheid.23En alle koningen der aarde zochten Salomo's aangezicht, om zijn wijsheid te horen, die God in zijn hart gegeven had.24En zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten, en gouden vaten, en klederen, harnas, en specerijen, paarden, en muilezelen, van elk van jaar tot jaar.25Ook had Salomo vier duizend paardenstallen, en wagenen, en twaalf duizend ruiteren; en hij legde ze in de wagensteden, en bij den koning te Jeruzalem.26En hij heerste over alle koningen, van de rivier tot aan het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte.27Ook maakte de koning het zilver in Jeruzalem te zijn als stenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgebomen, die in de laagte zijn, in menigte.28En zij brachten voor Salomo paarden uit Egypte, en uit al die landen.29Het overige nu der geschiedenissen van Salomo, der eerste en der laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Nathan, den profeet, en in de profetie van Ahia, den Siloniet, en in de gezichten van Jedi, den ziener, aangaande Jerobeam, den zoon van Nebat?30En Salomo regeerde te Jeruzalem over gans Israel, veertig jaren.31En Salomo ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Rehabeam werd koning in zijn plaats.

Roem, rijkdom, wijsheid en macht — daaruit bestaat de wonderbare grootheid van de regering van de zoon van David.

Niet alleen de koningin van Scheba, maar alle koningen van de aarde komen om de wijsheid van de grote Salomo te horen, geschenken te brengen en vooral zijn aangezicht te zoeken (vers 23).

Hoeveel te meer zal dat het geval zijn bij de verschijning van de Heere Jezus! "Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om de HEERE, Die getrouw is, om de Heilige Israëls, die U verkoren heeft" (Jesaja 49 vers 7).

Er staat ook geschreven: "Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid" (Jesaja 33 vers 17).

De vervulling van deze beloften zal voor Israël èn voor alle volken de hoogste zegen zijn. Maar Zijn gelukzalige verlosten zullen de eersten zijn die Hem zó mogen zien!

Ja, de Heere zien! Vervult deze gedachte onze harten met blijdschap of met vrees? Of laat het ons onverschillig?

De geschiedenis van Salomo is ten einde. Waar zijn dan die erge zonden die ons in Koningen van hem bekend zijn geworden? Is het mogelijk dat Kronieken daar niets over meedeelt?

Ja, inderdaad! De Goddelijke genade heeft alles uitgewist om door deze koning onze aandacht te vestigen op Iemand Die groter is dan hij.

2 Kronieken 10:1-19
1En Rehabeam toog naar Sichem; want het ganse Israel was te Sichem gekomen, om hem koning te maken.2Het geschiedde nu, als Jerobeam, de zoon van Nebat, dat hoorde (dezelve nu was in Egypte, alwaar hij van het aangezicht van den koning Salomo gevloden was), dat Jerobeam uit Egypte weerkeerde;3Want zij zonden henen, en lieten hem roepen; zo kwam Jerobeam met het ganse Israel, en zij spraken tot Rehabeam, zeggende:4Uw vader heeft ons juk hard gemaakt, nu dan, maak gij uws vaders harden dienst, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter, en wij zullen u dienen.5En hij zeide tot hen: Komt over drie dagen weder tot mij. En het volk ging heen.6En de koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijn vader Salomo, als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden, dat men dit volk antwoorden zal?7En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij dit volk goedertieren en jegens hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken, zo zullen zij te allen dage uw knechten zijn.8Maar hij verliet den raad der oudsten, dien zij hem geraden hadden; en hij hield raad met de jongelingen, die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden.9En hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden, dat wij dit volk antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk, dat uw vader ons opgelegd heeft, lichter?10En de jongelingen die met hem opgewassen waren, spraken tot hem, zeggende: Alzo zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken heeft, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzo zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zal dikker zijn dan mijns vaders lenden.11Indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zo zal ik boven uw juk nog daartoe doen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.12Zo kwam Jerobeam en al het volk tot Rehabeam, op den derden dag, gelijk als de koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.13En de koning antwoordde hun hardelijk; want de koning Rehabeam verliet den raad der oudsten.14En hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal nog daarboven toedoen; mijn vader heeft u met geselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.15Alzo hoorde de koning naar het volk niet; want deze omwending was van God, opdat de HEERE Zijn woord bevestigde, hetwelk Hij door den dienst van Ahia, den Siloniet, gesproken had tot Jerobeam, den zoon van Nebat.16Toen het ganse volk Israel zag, dat de koning naar hen niet hoorde, zo antwoordde het volk den koning, zeggende: Wat deel hebben wij aan David? Ja, geen erve hebben wij aan den zoon van Isai; een ieder naar uw tenten, o Israel! Voorzie nu uw huis, o David! Zo ging het ganse Israel naar zijn tenten.17Doch aangaande de kinderen van Israel, die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.18Toen zond de koning Rehabeam Hadoram, die over de schatting was; en de kinderen Israels stenigden hem met stenen, dat hij stierf; maar de koning Rehabeam verkloekte zich, om op een wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.19Alzo vielen de Israelieten van het huis van David af, tot op dezen dag.

Israël heeft zich in Sichem rondom de nieuwe koning verzameld en verzoekt hem: "Maak gij de harde dienst van uw vader, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter" (vers 4).

Welke raad geven de oudsten aan Rehábeam? "Indien gij dit volk goedertieren en jegens hen goedwillend wezen zult ..." (vers 7). En in 1 Koningen 12 vers 7: "Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen ...". Dat is zelfs voor een koning de enige manier om de genegenheid van anderen te winnen of te bewaren.

Dan gaan onze gedachten uit naar de Heere Jezus. Hij is gekomen, niet om "gediend te worden, maar om te dienen" (Mattheüs 20 vers 26 tot en met 28).

Zijn eretitels hebben Hem hiervan op Zijn weg van vernedering, liefde en overgave, niet weerhouden. Nee, door in deze gezindheid de minste te willen zijn, heeft Hij Zich juist het recht op de gehoorzaamheid van alle mensen verworven (zie Filippi 2 vers 6 tot en met 11).

Volgens dit grote Voorbeeld moeten degenen die belangrijke posities bekleden, juist de eersten zijn die anderen willen dienen. Hoe zou men gehoorzaamheid en toewijding kunnen verwachten van anderen, als men zelf niet het goede voorbeeld geeft?

Rehábeam wilde zijn volk niet dienen. Moeten we er dan nog verbaasd over zijn dat de tien stammen als antwoord op deze houding ook weigeren hem te dienen? Zijn hoogmoed heeft hem doen afwijken van een weg van ootmoedige onderwerping. En de scheuring van het rijk is het gevolg. Tot aan de verschijning van de Heere zullen de twaalf stammen nooit meer als één volk zichtbaar zijn.

2 Kronieken 11:1-23
1Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis van Juda en Benjamin, eenhonderd en tachtig duizend, uitgelezenen, geoefend ten oorlog, om tegen Israel te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam bracht.2Doch het woord des HEEREN geschiedde tot Semaja, den man Gods, zeggende:3Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en tot het ganse Israel in Juda en Benjamin, zeggende:4Zo zegt de HEERE: Gij zult niet optrekken, noch strijden tegen uw broederen; een ieder kere weder tot zijn huis, want deze zaak is van Mij geschied. En zij hoorden de woorden des HEEREN, en zij keerden weder van tegen Jerobeam te trekken.5Rehabeam nu woonde te Jeruzalem; en hij bouwde steden tot vastigheden in Juda.6Hij bouwde nu Bethlehem, en Etham, en Thekoa,7En Beth-Zur, en Socho, en Adullam,8En Gath, en Maresa, en Zif,9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.11En hij sterkte deze vastigheden, en legde oversten daarin, en schatten van spijs, en olie, en wijn;12En in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte ze gans zeer; zo was Juda, en Benjamin zijne.13Daartoe de priesteren en de Levieten, die in het ganse Israel waren, stelden zich bij hem uit al hun landpalen.14Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN te mogen bedienen.15En hij had zich priesteren gesteld voor de hoogte, en voor de duivelen, en voor de kalveren, die hij gemaakt had.16Na die kwamen ook uit alle stammen van Israel te Jeruzalem, die hun hart begaven, om den HEERE, den God Israels, te zoeken, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, offerande deden.17Alzo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigden Rehabeam, den zoon van Salomo, drie jaren; want drie jaren wandelden zij in den weg van David, en Salomo.18En Rehabeam nam zich, benevens Mahalath, de dochter van Jerimoth, den zoon van David, ter vrouwe Abihail, de dochter van Eliab, den zoon van Isai,19Dewelke hem zonen baarde, Jeus, en Semaria, en Zaham.20En na haar nam hij Maacha, de dochter van Absalom; deze baarde hem Abia, en Attai, en Ziza, en Selomith.21En Rehabeam had Maacha, Absaloms dochter, liever dan al zijn vrouwen en zijn bijwijven; want hij had achttien vrouwen genomen, en zestig bijwijven; en hij gewon acht en twintig zonen en zestig dochteren.22En Rehabeam stelde Abia, den zoon van Maacha, tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijn broederen; want het was om hem koning te maken.23En hij handelde verstandelijk, dat hij van al zijn zonen, door alle landen van Juda en Benjamin, in alle vaste steden verspreidde, denwelken hij spijze gaf in overvloed; en hij begeerde de veelheid van vrouwen.

Dat er in Israël een scheuring ontstond en het rijk verdeeld werd in twee delen, was een oordeel van God. Daarom is het tevergeefse moeite om honderdtachtigduizend uitgelezen strijders in beweging te brengen om deze situatie te veranderen.

Rehábeam wordt gewaarschuwd door Semája, de man van God, en komt op zijn besluit terug. Nu wijdt hij al zijn krachten aan de bouw van steden om verzekerd te zijn van de bescherming en verzorging van zijn kleine rijk.

Jeróbeam laat het er van zijn kant ook niet bij zitten. Helaas gaat hij echter op een heel andere manier te werk!

Uit vrees zijn invloed te zullen verliezen, als hij z'n onderdanen zou toestaan naar de feesten in Jeruzalem te gaan, richt hij een nationale godsdienst op die in de ogen van God een gruwel is.

Daarop tonen de priesters en de Levieten van de tien stammen dat ze vast willen houden aan de HEERE, aan Zijn geboden en aan Zijn dienst. Ze verlaten het verontreinigde gebied van de tien stammen en vestigen zich in Juda.

Ze geven liever al hun bezittingen op dan met ongerechtigheid in verbinding te blijven!

Veel christenen hebben hetzelfde moeten doen, ook vandaag nog, uit trouw aan de Heere!

Bemoedigd door het voorbeeld van de Levieten, zijn er andere getrouwen onder de tien stammen. Zij gaan — al blijven ze waarschijnlijk in hun steden wonen — in 't vervolg ook op naar Jeruzalem om daar in gehoorzaamheid aan het Woord hun offers te brengen.

2 Kronieken 12:1-16
1Het geschiedde nu, als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had, en hij sterk geworden was, dat hij de wet des HEEREN verliet, en gans Israel met hem.2Daarom geschiedde het, in het vijfde jaar van den koning Rehabeam, dat Sisak, de koning van Egypte, tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den HEERE),3Met duizend en tweehonderd wagenen, en met zestig duizend ruiteren; en des volks was geen getal, dat met hem kwam uit Egypte, Libiers, Suchieten en Moren;4En hij nam de vaste steden in, die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe.5Toen kwam Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzo zegt de HEERE: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak.6Toen verootmoedigden zich de oversten van Israel en de koning, en zij zeiden: De HEERE is rechtvaardig.7Als nu de HEERE zag, dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des HEEREN tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd, Ik zal hen niet verderven; maar Ik zal hun in kort ontkoming geven, dat Mijn grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden.8Doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen Mijn dienst, en den dienst van de koninkrijken der landen.9Zo toog Sisak, de koning van Egypte, op tegen Jeruzalem; en hij nam de schatten van het huis des HEEREN en de schatten van het huis des konings weg; hij nam alles weg; hij nam ook al de gouden schilden weg, die Salomo gemaakt had.10En de koning Rehabeam maakte, in plaats van die, koperen schilden; en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten, die de deur van het huis des konings bewaarden.11En het geschiedde, zo wanneer de koning in het huis des HEEREN ging, dat de trawanten kwamen, en die droegen, en die wederbrachten in der trawanten wachtkamer.12En als hij zich verootmoedigde, keerde de toorn des HEEREN van hem af, opdat Hij hem niet ten uiterste toe verdierf; ook waren in Juda nog goede dingen.13Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die de HEERE uit alle stammen van Israel verkoren had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Naama, een Ammonietische.14En hij deed dat kwaad was, dewijl hij zijn hart niet richtte, om den HEERE te zoeken.15De geschiedenissen nu van Rehabeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semaja, den profeet, en Iddo, den ziener, verhalende de geslachtsregisteren; daartoe de krijgen van Rehabeam en Jerobeam in al hun dagen?16En Rehabeam ontsliep met zijn vaderen, en werd begraven in de stad Davids; en zijn zoon Abia werd koning in zijn plaats.

Drie korte jaren! Zo kort heeft de trouw van Rehábeam en de twee stammen maar geduurd!

Nu moet God, evenals in de dagen van de Richteren, bewerken dat vijanden en tegenstanders tegen hen optrekken om hen in moeilijkheden te brengen, zodat zij op die manier naar Zijn stem zullen luisteren.

De aanval en de plundertocht van de Egyptische koning Sisak geven Rehábeam en het volk de gelegenheid om de dienst van de HEERE te vergelijken met de dienst van de koning van Egypte (vers 8). Wat was de eerste conclusie? Terwijl de HEERE Zijn knechten rijk maakt, berooft de vijand allen die onder zijn slavenjuk gebracht zijn.

Het woord van Semája, de profeet, heeft in het hart van de oversten van het volk en in dat van de koning verootmoediging bewerkt. Het brengt hen ertoe te zeggen: "De HEERE is rechtvaardig" (vers 6).

Deze gerechtigheid te erkennen, zelfs als ze tegen ons uitgeoefend moet worden, is altijd een gelukzalig teken (zie Lukas 23 vers 41). Dat geeft God gelegenheid om Zich niet alleen als een rechtvaardig God, maar ook als een barmhartig God, als Heiland—God, te openbaren.

In Zijn genade ontdekt Hij "nog goede dingen" in het rijk van Juda en brengt dat naar voren.

Ondanks alles moet er van Rehábeam in het algemeen toch gezegd worden: "Hij deed wat kwaad was" (vers 14). De wortels hiervan liggen ver in het verleden, want zijn moeder, een Ammonietische, was al vóór de dood van David en de kroning van Salomo diens vrouw geworden (vergelijk hoofdstuk 9 vers 30 met 12 vers 13).

2 Kronieken 13:1-12
1In het achttiende jaar van den koning Jerobeam, zo werd Abia koning over Juda.2Hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Michaja, de dochter van Uriel, van Gibea; en er was krijg tussen Abia en tussen Jerobeam.3En Abia bond den strijd aan met een heir van strijdbare helden, vierhonderd duizend uitgelezen mannen; en Jerobeam stelde tegen hem de slagorde, met achthonderd duizend uitgelezen mannen, kloeke helden.4En Abia maakte zich op van boven den berg Zemaraim, dewelke is in het gebergte van Efraim; en hij zeide: Hoort mij toe, Jerobeam, en gans Israel!5Staat het u niet toe te weten, dat de HEERE, de God Israels, het koninkrijk over Israel aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid, hem en zijn zonen, met een zoutverbond?6Evenwel is Jerobeam, de zoon van Nebat, de knecht van Salomo, den zoon van David, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijn heer.7Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderen Belials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam, den zoon van Salomo, als Rehabeam jong was en teder van hart, dat hij zich tegen hen niet kon versterken.8En nu, gij denkt u te versterken tegen het koninkrijk des HEEREN, hetwelk in de hand is der zonen van David; gij zijt wel een grote menigte, maar gij hebt gouden kalveren bij u, die u Jerobeam tot goden gemaakt heeft.9Hebt gij niet de priesteren des HEEREN, de zonen van Aaron, en de Levieten uitgedreven, en hebt u priesteren gemaakt, gelijk de volken der landen? Een iegelijk, die komt om zijn hand te vullen met een jong rund en zeven rammen, die wordt priester dergenen, die geen goden zijn.10Maar ons aangaande, de HEERE is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten; en de priesters, die den HEERE dienen, zijn de zonen van Aaron, en de Levieten zijn in het werk.11En zij steken aan voor den HEERE brandofferen, op elken morgen en op elken avond, ook reukwerk van welriekende specerijen, nevens de toerichting des broods op de reine tafel, en den gouden kandelaar en zijn lampen, om die op elken avond te doen branden; want wij nemen waar de wacht des HEEREN, onzes Gods; maar gij hebt Hem verlaten.12Daarom ziet, God is met ons aan de spitse, en Zijn priesteren met de trompetten des geklanks, om tegen u alarmgeklank te maken; o kinderen Israels, strijdt niet tegen den HEERE, den God uwer vaderen, want gij zult geen voorspoed hebben.

Tegen de aanwijzingen van het Woord in (Deuteronomium 21 vers 15 tot en met 17) benoemt Rehábeam zijn zoon Abía tot zijn erfgenaam en troonopvolger. Abiá is wel de zoon van zijn meest geliefde vrouw Máächa (of Michája; zie hoofdstuk 11 vers 20 en 21), maar niet zijn eerstgeboren zoon.

Bovendien dient de 'lievelingsvrouw' van Rehábeam de afgoden (hoofdstuk 15 vers 16). Zegt dit al niet iets van de geestelijke toestand van Rehábeam zelf? Zo'n grote ontrouw kan alleen maar een slechte regeringsperiode tot gevolg hebben.

Toch bevat de korte geschiedenis van deze koning ook iets goeds. In het Boek Koningen vinden we het niet terug, maar hier in het Boek van de genade kon de vermelding ervan niet verzwegen worden. Het gaat om de oorlog die tussen Abía en Jeróbeam uitbreekt.

Overeenkomstig Lukas 14 vers 31 was het een dwaasheid van de koning van Juda om met de helft minder strijders dan zijn tegenstander toch een oorlog te beginnen. Maar Abía heeft troeven in zijn hand die in zijn ogen opwegen tegen het geringere aantal soldaten. Daar spreekt hij ook over in zijn toespraak tot het leger van Israël: Juda heeft het koningschap van David, de ware godsdienst met het priesterschap, maar ook de tegenwoordigheid van de HEERE aan zijn kant.

Abía doet alsof hij Hem niet verlaten heeft (vers 10): een bewijs dat hij zichzelf niet kent.

En tenslotte bezat hij nog een geheim wapen dat buitengewoon werkzaam was. Morgen zullen we zien welke beslissende rol deze alarmtrompet zal spelen (vers 12).

2 Kronieken 13:13-22
13Maar Jerobeam deed een achterlage omwenden, om van achter hen te komen; zo waren zij voor het aangezicht van Juda, en de achterlage was achter hen.14Toen nu Juda omzag, ziet, zo hadden zij den strijd voor en achter; en zij riepen tot den HEERE, en de priesters trompetten met de trompetten.15En de mannen van Juda maakten een alarmgeschrei; en het geschiedde, als de mannen van Juda een alarmgeschrei maakten, dat God Jerobeam en het ganse Israel sloeg voor Abia en Juda.16En de kinderen Israels vloden voor het aangezicht van Juda; en God gaf hen in hun hand.17Abia dan, en zijn volk, sloeg hen met een groten slag; want uit Israel vielen verslagen vijfhonderd duizend uitgelezen mannen.18Alzo werden de kinderen Israels vernederd te dier tijd; maar de kinderen van Juda werden machtig, dewijl zij op den HEERE, hunner vaderen God, gesteund hadden.19En Abia jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden, Beth-El met haar onderhorige plaatsen, en Jesana met haar onderhorige plaatsen, en Efron met haar onderhorige plaatsen.20En Jerobeam behield geen kracht meer in de dagen van Abia; maar de HEERE sloeg hem, dat hij stierf.21Zo versterkte zich Abia; en hij nam zich veertien vrouwen, en gewon twee en twintig zonen en zestien dochteren.22Het overige nu der geschiedenissen van Abia, zo zijn wegen als zijn woorden, zijn beschreven in de historie van den profeet Iddo.

In de toespraak van Abía tot de troepen van Israël klinkt een grote arrogantie.

De listige omsingeling door Jeróbeam is nodig om de trotse koning van Juda met zijn leger op de proef te stellen. Plotseling ontdekt hij dat hij van voren en van achteren bedreigd wordt en binnen de kortste keren overrompeld zal worden. Er blijft echter nog één richting over: de hemel.

Een schreeuw van vertwijfeling stijgt op tot de HEERE. Nu is alle aanmatiging verdwenen. Nu komt het geloof naar voren.

De koning maakt gebruik van een bijzonder oorlogswapen dat in de geschiedenis van Israël echter heel goed bekend was: de trompet (zie Jozua 6 vers 4 en Richteren 7 vers 18).

Dit wapen is niet te overwinnen, omdat het geloof dat ervan gebruik maakt, zich baseert op het Goddelijke Woord en op Zijn voor altijd geldende beloften (zie Numeri 10 vers 9).

De roep van het geloof wordt gehoord! Het lawaai dat spreekt van het gevaar waarin de Zijnen verkeren, spreekt tot het hart van God.

Ongetwijfeld heeft het ook op ernstige wijze gesproken tot de harten van de mannen van Jeróbeam die op het punt stonden tegen hun eigen broeders — en tegen de HEERE! — oorlog te voeren.

Het leger van Israël wordt overwonnen en vernederd (vers 18). Daardoor werd het bewijs geleverd dat noch sterkte (vers 3), noch list (vers 13), iets kunnen uitrichten tegen het vertrouwen op God!

2 Kronieken 14:1-15
1Zo ontsliep Abia met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids, en zijn zoon Asa werd koning in zijn plaats. In zijn dagen was het land tien jaren stil.2En Asa deed dat goed en dat recht was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.3Want hij nam de altaren der vreemden, en de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en hieuw de bossen af.4En hij zeide tot Juda, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, zoeken, en dat zij de wet en het gebod doen zouden.5Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden; en het koninkrijk was voor hem stil.6Daartoe bouwde hij vaste steden in Juda; want het land was stil, en er was geen oorlog in die jaren tegen hem, dewijl de HEERE hem rust gaf.7Want hij zeide tot Juda: Laat ons deze steden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendelen, terwijl het land nog is voor ons aangezicht; want wij hebben den HEERE, onzen God, gezocht, wij hebben Hem gezocht, en Hij heeft ons rondom henen rust gegeven. Zo bouwden zij en hadden voorspoed.8Asa nu had een heir van driehonderd duizend uit Juda, rondas en spies dragende, en tweehonderd en tachtig duizend uit Benjamin, het schild dragende en den boog spannende; al dezen waren kloeke helden.9En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een heir van duizend maal duizend, en driehonderd wagenen; en hij kwam tot Maresa toe.10Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefatha bij Maresa.11En Asa riep tot den HEERE, zijn God, en zeide: HEERE, het is niets bij U, te helpen hetzij den machtige, hetzij den krachteloze; help ons, o HEERE, onze God! Want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o HEERE! Gij zijt onze God; laat den sterfelijken mens tegen U niets vermogen.12En de HEERE plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden.13Asa nu en het volk, dat met hem was, jaagden hen na tot Gerar toe; en zo velen vielen er van de Moren, dat er voor hen geen hervatting was; want zij waren verbroken voor den HEERE en voor Zijn leger; en zij droegen zeer veel roofs daarvan.14En zij sloegen alle steden rondom Gerar; want de verschrikking des HEEREN was over hen; en zij beroofden al de steden, omdat veel roofs in dezelve was.15En zij sloegen ook de tenten van het vee, en voerden weg schapen in menigte, en kemelen; en kwamen weder te Jeruzalem.

De trouwe koning Asa, zoon en opvolger van Abía, reinigt Juda van de afgodendienst. De nadruk wordt hier dan ook gelegd op de rust en de vrede die het land in de eerste tijd van zijn regering mag genieten (vers 1, 5, 6 en 7).

Deze rust gebruikt Asa om steden te bouwen en de verdediging van zijn gebied te verbeteren. Hiermee leert hij ons een belangrijke les.

In ons leven kunnen ook perioden van rust voorkomen. Bijvoorbeeld vakantie of een vrije dag om zich wat te ontspannen. Laten we daar dan goed gebruik van maken door onze zielen te versterken door het lezen van de Bijbel waardoor we bevestigd worden in de Waarheid.

"De gehele wapenrusting Gods" moet voor de strijd al aangetrokken worden — en aangezien die strijd er altijd is, moet deze dus ook altijd gedragen worden (!) — "opdat gij kunt weerstaan in de boze dag" (Efeze 6 vers 11 en 13). Op zo'n boze dag, de dag waarop Zerah aanvalt, is Asa een goed voorbereid man!

"Bovenal" heeft hij "het schild des geloofs" opgenomen (Efeze 6 vers 16), met andere woorden: hij heeft het eenvoudige vertrouwen in zijn God. Dat komt naar voren in zijn prachtige gebed in vers 11. Er is geen kracht aan zijn kant. Hij heeft vijfhonderdtachtigduizend soldaten, maar er staan één miljoen tegenstanders tegenover hem! Uit menselijk oogpunt dus een scheve verhouding!

Toch blijft waar: "Als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Korinthe 12 vers 10). God beantwoordt het geloof van Asa door hem een grote overwinning en een grote buit te schenken.

2 Kronieken 15:1-19
1Toen kwam de Geest Gods op Azaria, den zoon van Oded.2En hij ging uit, Asa tegen, en hij zeide tot hem: Hoort mij, Asa, en gans Juda, en Benjamin! De HEERE is met ulieden, terwijl gij met Hem zijt; en zo gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo gij Hem verlaat, Hij zal u verlaten.3Israel nu is vele dagen geweest zonder den waren God, en zonder een lerenden priester, en zonder de wet.4Maar als zij zich in hun nood bekeerden tot den HEERE, den God Israels, en Hem zochten, zo werd Hij van hen gevonden.5En in die tijden was er geen vrede voor dengene, die uitging, en dengene, die inkwam; maar vele beroerten waren over al de inwoners van die landen;6Dat volk tegen volk, en stad tegen stad in stukken gestoten werden; want God had hen met allen angst verschrikt.7Daarom weest gij sterk, en laat uw handen niet verslappen; want er is loon naar uw werk.8Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van den profeet Oded, sterkte hij zich, en hij deed weg de verfoeiselen uit het ganse land van Juda en Benjamin, en uit de steden, die hij van het gebergte van Efraim genomen had, en vernieuwde het altaar des HEEREN, dat voor het voorhuis des HEEREN was.9En hij vergaderde het ganse Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraim, en Manasse, en uit Simeon; want uit Israel vielen zij tot hem in menigte, als zij zagen, dat de HEERE, zijn God, met hem was.10En zij vergaderden zich te Jeruzalem, in de derde maand, in het vijftiende jaar van het koninkrijk van Asa.11En zij offerden den HEERE ten zelfden dage van den roof, dien zij gebracht hadden, zevenhonderd runderen en zeven duizend schapen.12En zij traden in een verbond, dat zij den HEERE, den God hunner vaderen, zoeken zouden met hun ganse hart en met hun ganse ziel.13En al wie den HEERE, den God Israels, niet zou zoeken, zou gedood worden, van den kleine tot den grote, en van den man tot de vrouw toe.14En zij zwoeren den HEERE met luider stem en met gejuich, desgelijks met trompetten en met bazuinen.15En gans Juda was verblijd over dezen eed; want zij hadden met hun ganse hart gezworen, en met hun gansen wil Hem gezocht; en Hij werd van hen gevonden, en de HEERE gaf hun rust rondom henen.16Aangaande ook Maacha, de moeder van den koning Asa, hij zette haar af, dat zij geen koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bos gemaakt had; ook roeide Asa haar afgrijselijken afgod uit, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron.17De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israel, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen.18En hij bracht in het huis Gods de geheiligde dingen zijns vaders, en zijn geheiligde dingen, zilver en goud, en vaten.19En er was geen oorlog tot in het vijf en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa.

Asa is trouw geweest. Door middel van Azária wordt hij door God nog meer bemoedigd. Zijn Woord is ná de strijd namelijk even hard nodig als voordien, want juist op zo'n moment bestaat het gevaar daarin nalatig te worden.

"Laat uw handen niet verslappen", zo luidt de oproep van de profeet en hij voegt er de belofte aan toe: "... want er is loon naar uw werk" (vers 7).

Deze woorden missen hun uitwerking niet. Asa treedt nu krachtdadig op, laat alle gruwelen uit het land wegdoen en stelt de dienst van het altaar weer in.

Dat is een opvallende ijver die niet alleen de mannen van Juda en Benjamin, maar ook een "menigte" Israëlieten uit de andere stammen in actie brengt (vers 9).

Dat zal altijd de uitwerking zijn van de toewijding die wij voor de Heere tonen. Andere gelovigen die misschien wat vreesachtig en traag zijn, zullen daardoor bemoedigd worden en ook hun geloof tonen.

Deze ervaring hebben al velen opgedaan, bijvoorbeeld op school of op het werk. Iemand heeft eens gezegd: 'Een oprecht hart dat vasthoudt aan zijn Heere, spreekt tot het geweten van anderen'.

Asa begrijpt dat hij van het volk geen volkomen reiniging kan verwachten als hijzelf niet in zijn eigen gezin het goede voorbeeld geeft.

Hij aarzelt dan ook niet streng op te treden tegen Máächa, de koninginmoeder, zijn eigen grootmoeder, door haar de kroon af te nemen en haar afgodsbeeld in stof en as te veranderen.

2 Kronieken 16:1-14
1In het zes en dertigste jaar van het koninkrijk van Asa, toog Baesa, de koning van Israel, op tegen Juda, en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa, den koning van Juda.2Toen bracht Asa het zilver en het goud voort, uit de schatten van het huis des HEEREN en van het huis des konings, en zond tot Benhadad, den koning van Syrie, die te Damaskus woonde, zeggende:3Er is een verbond tussen mij en tussen u, en tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u zilver en goud, ga heen, maak uw verbond te niet met Baesa, den koning van Israel, dat hij van tegen mij aftrekke.4En Benhadad hoorde naar den koning Asa, en zond de oversten der heiren, die hij had, tegen de steden van Israel, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-Maim, en alle schatsteden van Nafthali.5En het geschiedde, als Baesa zulks hoorde, dat hij afliet van Rama te bouwen, en zijn werk staakte.6Toen nam de koning Asa gans Juda, en zij droegen weg de stenen van Rama, en het hout daarvan, waarmede Baesa gebouwd had; en hij bouwde daarmede Geba en Mizpa.7En in denzelfden tijd kwam de ziener Hanani tot Asa, den koning van Juda, en hij zeide tot hem: Omdat gij gesteund hebt op den koning van Syrie, en niet gesteund hebt op den HEERE, uw God, daarom is het heir des konings van Syrie uit uw hand ontkomen.8Waren niet de Moren en de Libiers een groot heir met zeer veel wagenen en ruiteren? Toen gij nochtans op den HEERE steundet, heeft Hij hen in uw hand gegeven.9Want den HEERE aangaande, Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, om Zich sterk te bewijzen aan degenen, welker hart volkomen is tot Hem; gij hebt hierin zottelijk gedaan; want van nu af zullen oorlogen tegen u zijn.10Doch Asa werd toornig tegen den ziener, en leidde hem in het gevangenhuis; want hij was hierover tegen hem ontsteld; daartoe onderdrukte Asa enigen uit het volk ter zelfder tijd.11En ziet, de geschiedenissen van Asa, de eerste met de laatste, ziet, zij zijn beschreven in het boek der koningen van Juda en Israel.12Asa nu werd, in het negen en dertigste jaar van zijn koninkrijk, krank aan zijn voeten; tot op het hoogste toe was zijn krankheid; daartoe ook zocht hij den HEERE niet in zijn krankheid, maar de medicijnmeesters.13Alzo ontsliep Asa met zijn vaderen; en hij stierf in het een en veertigste jaar zijner regering.14En zij begroeven hem in zijn graf, dat hij voor zich gegraven had in de stad Davids, en legden hem op het bed, hetwelk hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar apothekerskunst toebereid; en zij brandden over hem een ganse grote branding.

In vers 11 wordt de geschiedenis van Asa verdeeld in de eerste en de laatste. Het eerste deel is welgevallig voor God, met het laatste staat het helaas anders.

Báësa, de koning van het tienstammenrijk Israël, is jaloers op Asa, omdat veel van zijn onderdanen naar het land Juda trekken (hoofdstuk 15 vers 9). Daarom bouwt hij een stad om dit te verhinderen.

In plaats van nu op de HEERE te zien, sluit Asa een werelds verbond met de koning van Syrië om Báësa en zijn onderneming te weerstaan.

In eerste instantie lijkt deze politiek goed te werken, want aan het begin heeft het succes. God beoordeelt dit echter niet zo en wijst de koning, bij monde van een profeet, terecht.

Zijn gebrek aan vertrouwen en het vergeten van Gods vroegere hulp (vers 8), zijn er de oorzaak van dat hij geen overwinning behaalt op de Syriërs.

Geprikkeld, omdat hij zich zo'n mooie gelegenheid heeft
laten ontgaan, en aangetast in z'n eergevoel, zet Asa nu de
man van God gevangen en onderdrukt enkelen uit het volk.

God bestraft hem daarvoor met een ernstige ziekte. Tevergeefs! Hij blijft op mensen vertrouwen, in plaats van op God, en sterft een verdrietige dood, zonder ook maar iets van deze laatste les geleerd te hebben.

Asa had vijfendertig van de veertig jaren met God gewandeld. Nog maar een paar jaar en hij zou zijn loop goed geëindigd hebben.

Laten wij de Heere vragen ons tot aan onze laatste dag te bewaren (2 Timotheüs 1 vers 12 en 4 vers 18).

2 Kronieken 17:1-19
1En zijn zoon Josafat werd koning in zijn plaats, en hij sterkte zich tegen Israel.2En hij legde krijgsvolk in alle vaste steden van Juda, en legde bezettingen in het land van Juda, en in de steden van Efraim, die zijn vader Asa ingenomen had.3En de HEERE was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Baals niet.4Maar hij zocht den God zijns vaders, en wandelde in Zijn geboden, en niet naar het doen van Israel.5En de HEERE bevestigde het koninkrijk in zijn hand, en gans Juda gaf Josafat geschenken; en hij had rijkdom en eer in menigte.6En zijn hart verhief zich in de wegen des HEEREN; en hij nam verder de hoogten en de bossen uit Juda weg.7In het derde jaar nu zijner regering zond hij tot zijn vorsten, tot Ben-chail, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nathaneel, en tot Michaja, opdat men zou leren in de steden van Juda.8En met hen de Levieten, Semaja en Nethanja, en Zebadja, en Asael, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonia, en Tobia, en Tob-Adonia de Levieten, en met hen de priesters Elisama en Joram.9En zij leerden in Juda, en het wetboek des HEEREN was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk.10En een verschrikking des HEEREN werd over alle koninkrijken der landen, die rondom Juda waren, dat zij niet krijgden tegen Josafat.11En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken.12Alzo nam Josafat toe, en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en schatsteden.13En hij had veel werks in de steden van Juda, en krijgslieden, kloeke helden in Jeruzalem.14Dit nu is hun telling, naar de huizen hunner vaderen. In Juda waren oversten der duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderd duizend kloeke helden.15Naast hem nu was de overste Johanan; en met hem waren tweehonderd tachtig duizend;16En naast hem was Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig den HEERE overgegeven had; en met hem waren tweehonderd duizend kloeke helden.17En uit Benjamin was Eljada, een kloek held; en met hem tweehonderd duizend, die met boog en schild gewapend waren.18En naast hem was Jozabad; en met hem waren honderd en tachtig duizend, ten krijge toegerust.19Dezen waren in den dienst des konings; behalve degenen, die de koning in de vaste steden door gans Juda gezet had.

Nu komen we de vrome koning Jósafat weer tegen over wie ons in Koningen al zoveel verteld werd.

We moeten niet vergeten dat we in Kronieken, ná de dood van Salomo, voornamelijk de geschiedenis van de koningen van Juda volgen, terwijl in Koningen meer sprake is van de koningen van Israël.

Waarom nam de beschrijving van het leven van Jósafat daar zoveel plaats in? Omdat het helaas nauw verbonden was met het leven van Achab en Joram, de goddeloze koningen van Israël!

Dit hoofdstuk 17 vermeldt echter alleen maar goeds van deze koning. Hij sterkte zich, "wandelde in de vorige wegen van zijn vader David", "zocht de God van zijn vader en wandelde in Zijn geboden", kreeg moed en deed de afgoden weg (vers 1 tot en met 6).

Hij zondert zich niet alleen af van het kwaad, zoals zijn vader Asa gedaan had, maar stelt ook het goede in (vers 7 tot en met 11).

Dat zijn twee christelijke activiteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden moeten zijn (zie bijvoorbeeld Romeinen 12 vers 9 en 1 Petrus 3 vers 11)!

Van de oversten heeft Amásia zich vrijwillig als een nazireeër aan de HEERE gegeven (Numeri 6 vanaf vers 2; vergelijk ook 2 Korinthe 8 vers 5).

Het is mogelijk — en deze oproep richt zich tot elke gelovige afzonderlijk! — om de Heere toegewijd te zijn en tegelijkertijd het gewone beroep en de dagelijkse bezigheden uit te voeren.

2 Kronieken 18:1-11; 28-34
1Josafat nu had rijkdom en eer in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab.2En ten einde van enige jaren toog hij af tot Achab naar Samaria; en Achab slachtte schapen en runderen voor hem in menigte, en voor het volk, dat met hem was; en hij porde hem aan, om op te trekken naar Ramoth in Gilead.3Want Achab, de koning van Israel, zeide tot Josafat, den koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Gilead? En hij zeide tot hem: Zo zal ik zijn, gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is, zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg.4Verder zeide Josafat tot den koning van Israel: Vraag toch als heden naar het woord des HEEREN.5Toen vergaderde de koning van Israel de profeten, vierhonderd mannen, en hij zeide tot hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want God zal hen in de hand des konings geven.6Maar Josafat zeide: Is hier niet nog een profeet des HEEREN, dat wij van hem vragen mochten?7Toen zeide de koning van Israel tot Josafat: Er is nog een man, om door hem den HEERE te vragen; maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad; deze is Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: de koning zegge niet alzo.8Toen riep de koning van Israel een kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla.9De koning van Israel nu en Josafat, de koning van Juda, zaten elk op zijn troon, bekleed met hun klederen, en zij zaten op het plein, aan de deur der poort van Samaria; en al de profeten profeteerden in hun tegenwoordigheid.10En Zedekia, de zoon van Kenaana, had zich ijzeren hoornen gemaakt, en hij zeide: Zo zegt de HEERE: Met deze zult gij de Syriers stoten, totdat gij hen gans verdaan zult hebben.11En al de profeten profeteerden alzo, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn, want de HEERE zal hen in de hand des konings geven.
28Alzo toog de koning van Israel, en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.29En de koning van Israel zeide tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van Israel, en zij kwamen in den strijd.30De koning nu van Syrie had geboden aan de oversten der wagens, die hij had, zeggende: Gijlieden zult niet strijden tegen kleinen noch groten, maar tegen den koning van Israel alleen.31Het geschiedde dan, als de oversten der wagenen Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de koning van Israel; en zij togen rondom hem, om te strijden; maar Josafat riep, en de HEERE hielp hem, en God wendde hen van hem af.32Want het geschiedde, als de oversten der wagenen zagen, dat het de koning van Israel niet was, dat zij van achter hem afkeerden.33Toen spande een man den boog in zijn eenvoudigheid, en schoot den koning van Israel tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zeide hij tot den voerman: Keer uw hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond.34En de strijd nam op dien dag toe, en de koning van Israel deed zich met den wagen staande houden tegenover de Syriers, tot den avond toe; en hij stierf ter tijd, als de zon onderging.

De geschiedenis van Jósafat gaat verder. Deze trouwe man is uiteindelijk ten val gekomen door zijn verbindingen. De omgang met de wereld, het vriendschappelijk verkeer met mensen van gelijke sociale stand, is al veel gelovigen noodlottig geworden (1 Korinthe 15 vers 33). Laten we letten op de gevolgen die het voor Jósafat heeft gehad!

Ten eerste is hij daardoor zó ver gekomen dat hij voor zijn zoon een indrukwekkend huwelijk heeft gearrangeerd. Maar de echtgenote was niemand anders dan een dochter uit het koningshuis van Israël, niemand minder dan Athália! In het oog van de mensen was het ongetwijfeld een prachtige verbintenis, maar in werkelijkheid was dit het beginpunt van de ondergang van z'n hele gezin.

Ten tweede verloochent hij zijn getuigenis door zich op één en dezelfde bodem te plaatsen met de boze koning van Israël: "Zo zal ik zijn, gelijk gij zijt ..." (vers 3).

Ten derde laat hij zich, uit angst om z'n koninklijke 'vriend' niet te ergeren, meeslepen in de gewaagde onderneming om Ramoth in Gilead te heroveren.

Ja, daarom is het voor ons uitermate belangrijk de woorden uit Galaten 1 vers 10 nog eens goed te overdenken en ons die in te prenten!

Het verbond dat Jósafat met Israël tegen Syrië sloot, was niet beter dan het verbond dat zijn vader ooit gesloten had met de Syriërs tegen Israël. Het uiteindelijke gevolg is dat de ongelukkige koning in dezelfde dramatische situatie komt waarin eens Saul zich bevond op het gebergte Gilbóa. Een situatie waaruit alleen God hem nog kan redden als antwoord op zijn schreeuwen (zie Psalm 120 vers 1).

2 Kronieken 19:1-11
1En Josafat, de koning van Juda, keerde met vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem.2En Jehu, de zoon van Hanani, de ziener, ging uit, hem tegen, en zeide tot den koning Josafat: Zoudt gij den goddeloze helpen, en die den HEERE haten, liefhebben? Nu is daarom over u van het aangezicht des HEEREN grote toornigheid.3Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want gij hebt de bossen uit het land weggedaan, en uw hart gericht om God te zoeken.4Josafat nu woonde in Jeruzalem; en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-seba af tot het gebergte van Efraim toe, en deed hen wederkeren tot den HEERE, hunner vaderen God.5En hij stelde richters in het land, in alle vaste steden van Juda, van stad tot stad.6En hij zeide tot de richters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mens, maar den HEERE; en Hij is bij u in de zaak van het gericht.7Nu dan, de verschrikking des HEEREN zij op ulieden; neemt waar, en doet het; want bij den HEERE, onzen God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken.8Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem enige van de Levieten, en van de priesteren, en van de hoofden der vaderen van Israel, over het gericht des HEEREN, en over rechtsgeschillen, als zij weder te Jeruzalem gekomen waren.9En hij gebood hun, zeggende: Doet alzo in de vreze des HEEREN, met getrouwheid en met een volkomen hart.10En in alle geschil, hetwelk van uw broederen, die in hun steden wonen, tot u zal komen, tussen bloed en bloed, tussen wet en gebod, en inzettingen en rechten, zo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan den HEERE, en een grote toornigheid over u en over uw broederen zij; doet alzo, en gij zult niet schuldig worden.11En ziet, Amarja, den hoofdpriester, is over u in alle zaak des HEEREN; en Zebadja, de zoon van Ismael, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak des konings; ook zijn de ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en de HEERE zal met den goede zijn.

Jósafat krijgt een ernstige terechtwijzing van de HEERE vanwege zijn ongelukkige verbond met Israël. Jehu stelt hem een vraag waardoor duidelijk wordt wat er in zijn hart leeft. Tegelijkertijd zeggen de woorden van Jehu hem hoe God over Achab denkt: "Zoudt gij de goddeloze helpen, en die de HEERE haten, liefhebben?" (vers 2).

Christenen, laten we er altijd aan denken hoe het Woord hen die de wereld liefhebben, noemt: "Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld" (Jakobus 4 vers 4).

Het ontbrak Jehu niet aan moed, want hoewel hij wist dat een soortgelijke opdracht onder de regering van Asa zijn vader Hanáni destijds in de gevangenis had doen belanden (hoofdstuk 16 vers 7 tot en met 10), gaat hij toch tot de koning.

Jósafat luistert echter wèl naar de vermaning. Dat is het middel om "kloekzinnig" te worden en "verstand" te krijgen (Spreuken 15 vers 5 en 32).

Laten ook wij terechtwijzingen of opmerkingen die we krijgen, aannemen, want dat heeft voor ons dezelfde gelukkige uitwerking!

Terwijl zijn vader Asa niet hersteld werd, kan Jósafat na deze donkere periode zijn mooie taak uit hoofdstuk 17 weer opnemen. Deze keer stelt hij zich er niet tevreden mee zijn bode uit te zenden. Hij begeeft zich nu zelf onder het volk.

Als een ware herder van Israël doet hij er alles aan om het volk tot de HEERE terug te leiden (vers 4). Daarna stelt hij richters aan die uitdrukkelijke aanwijzingen van hem krijgen.

2 Kronieken 20:1-13
1Het geschiedde nu na dezen, dat de kinderen Moabs, en de kinderen Ammons, en het hen anderen benevens de Ammonieten, kwamen tegen Josafat ten strijde.2Toen kwamen er, die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt een grote menigte tegen u van gene zijde der zee, uit Syrie, en zie, zij zijn te Hazezon-Thamar, hetwelk is Engedi.3Josafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om den HEERE te zoeken; en hij riep een vasten uit in gans Juda.4En Juda werd vergaderd, om van den HEERE hulp te zoeken; ook kwamen zij uit alle steden van Juda, om den HEERE te zoeken.5En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het huis des HEEREN, voor het nieuwe voorhof.6En hij zeide: O, HEERE, God onzer vaderen, zijt Gij niet de God in den hemel? Ja, Gij zijt de Heerser over alle koninkrijken der heidenen; en in Uw hand is kracht en sterkte, zodat niemand zich tegen U stellen kan.7Hebt Gij niet, onze God, de inwoners dezes lands van voor het aangezicht van Uw volk Israel verdreven, en dat aan het zaad van Abraham, Uw liefhebber, tot in eeuwigheid gegeven?8Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben U daarin een heiligdom gebouwd voor Uw Naam, zeggende:9Indien over ons enig kwaad komt, het zwaard des oordeels, of pestilentie, of honger, wij zullen voor dit huis, en voor Uw aangezicht staan, dewijl Uw Naam in dit huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot U roepen, en Gij zult verhoren en verlossen.10En nu, zie de kinderen Ammons, en Moab, en die van het gebergte Seir, door dewelken Gij Israel niet toeliet te trekken, als zij uit Egypteland togen, maar zij weken van hen, en verdelgden hen niet;11Zie dan, zij vergelden het ons, komende om ons uit Uw erve, die Gij ons te erven gegeven hebt, te verdrijven.12O, onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.13En gans Juda stond voor het aangezicht des HEEREN, ook hun kinderkens, hun vrouwen en hun zonen.

Plotseling komen er gelijktijdig drie tegenstanders tegen het kleine rijk. Juda opzetten. Het zijn de vijanden van oudsher: de Moabieten, de Ammonieten en een deel van de Meünieten. Deze laatste worden in sommige vertalingen ook Ammonieten genoemd; zie ook hoofdstuk 26 vers 7.

Met het oog op de grote bedreiging van deze invasie zoekt Jósafat het aangezicht van de HEERE en roept hij een vasten uit. Het volk verzamelt zich.

Zoals Salomo destijds uitsprak bij zijn gebed (hoofdstuk 6 vers 34 en 35), gaat de koning nu voor het heilige huis staan en roept Hem aan Die beloofd heeft te luisteren en recht te verschaffen (vers 8 en 9).

Als we de aantallen soldaten van de troepen die Jósafat ter beschikking staan (hoofdstuk 17 vers 14 tot en met 18), bij elkaar optellen, komen we op het indrukwekkende aantal van één miljoen honderdzestigduizend soldaten. Toch wordt er in dit lange hoofdstuk nauwelijks over hen gesproken!

Jósafat heeft de woorden uit Psalm 33 goed begrepen: "Een koning wordt niet behouden door een groot leger; een held wordt niet gered door grote kracht ... Onze ziel verbeidt de HEERE; Hij is onze Hulp en ons Schild" (Psalm 33 vers 16 en 20).

De koning erkent het gebrek aan kracht en wijsheid (vers 12). Maar hij voegt er aan toe: "Onze ogen zijn op U".

En omgekeerd: "Wat de HEERE betreft, Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, om Zich sterk te bewijzen aan hen, wier hart volkomen is tot Hem" (hoofdstuk 16 vers 9).

2 Kronieken 20:14-24
14Toen kwam de Geest des HEEREN in het midden der gemeente, op Jahaziel, den zoon van Zecharja, den zoon van Benaja, den zoon van Jehiel, den zoon van Matthanja, den Leviet, uit de zonen van Asaf;15En hij zeide: Merkt op, geheel Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem, en gij, koning Josafat! Alzo zegt de HEERE tot ulieden: Vreest gijlieden niet, en wordt niet ontzet vanwege deze grote menigte; want de strijd is niet uwe, maar Gods.16Trekt morgen tot hen af; ziet, zij komen op bij den opgang van Ziz; en gij zult hen vinden in het einde des dals, voor aan de woestijn van Jeruel.17Gij zult in dezen strijd niet te strijden hebben; stelt uzelven, staat en ziet het heil des HEEREN met u, o Juda en Jeruzalem! Vreest niet, en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegen, want de HEERE zal met u wezen.18Toen neigde zich Josafat met het aangezicht ter aarde; en gans Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezicht des HEEREN, aanbiddende den HEERE.19En de Levieten uit de kinderen der Kahathieten, en uit de kinderen der Korahieten, stonden op, om den HEERE, den God Israels, met luider stem ten hoogste te prijzen.20En zij maakten zich des morgens vroeg op, en togen uit naar de woestijn van Thekoa; en als zij uittogen, stond Josafat en zeide: Hoort mij, o Juda, en gij, inwoners van Jeruzalem! Gelooft in den HEERE, uw God, zo zult gij bevestigd worden; gelooft aan Zijn profeten, en gij zult voorspoedig zijn.21Hij nu beraadslaagde zich met het volk, en hij stelde den HEERE zangers, die de heilige Majesteit prijzen zouden, voor de toegerusten uitgaande en zeggende: Looft den HEERE, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid!22Ter tijd nu, als aanhieven met een vreugdegeroep en lofzang, stelde de HEERE achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seir, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen.23Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seir, om te verbannen en te verdelgen; en als zij met de inwoners van Seir een einde gemaakt hadden, hielpen zij de een den ander ten verderve.24Als nu Juda tot den wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte; en ziet, het waren dode lichamen, liggende op de aarde, en niemand was ontkomen.

Het gebed van Jósafat waaruit een groot vertrouwen weerklinkt, wordt direct en openlijk verhoord. In Naam van de HEERE stelt Jaháziël het volk en hun koning gerust.

Deze Goddelijke bemoediging is sindsdien al door veel gelovigen die in gevaar waren, gelezen en tot hulp geweest.

Laten we vers 17 eens vergelijken met de woorden die Mozes bij de doortocht door de Rode Zee tot Israël richtte: "Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN" (Exodus 14 vers 13).

Zonder op het handelen van God te wachten, buigen Jósafat en het hele volk zich neer om Hem te danken en te aanbidden.

Het geloof dat van tevoren niet alleen alle onrust kan wegnemen, maar God ook al kan danken voor het antwoord dat Hij zal geven, omdat Hij het beloofd heeft, verheerlijkt Hem.

Als we zó handelen, volgen wij daarin het Goddelijke Voorbeeld. Toen de Heere Jezus op het punt stond Lazarus in de kracht van God, Zijn Vader, op te wekken, richtte Hij Zich eerst in gebed tot Zijn Vader met de woorden: "Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt" (Johannes 11 vers 41).

Hoe prachtig is deze aanbidding die zelfs in tegenwoordigheid van vijanden gebracht wordt!

De zangers trekken op en lopen voor de troepen uit. Het triomfgezang geeft als het ware het signaal voor een buitengewone overwinning die zonder één enkele zwaardslag wordt behaald.

2 Kronieken 20:25-37
25Josafat nu en zijn volk kwamen, om hun buit te roven, en zij vonden bij hen in menigte, zowel have en dode lichamen, als kostelijk gereedschap, en namen voor zich weg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden den buit drie dagen, want dies was veel.26En op den vierden dag vergaderden zij zich in het dal van Beracha, want daar loofden zij den HEERE; daarom noemden zij den naam dierzelver plaats het dal van Beracha, tot op dezen dag.27Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weder, en Josafat in de voorspitse van hen, om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want de HEERE had hen verblijd over hun vijanden.28En zij kwamen te Jeruzalem, met luiten, en met harpen, en met trompetten, tot het huis des HEEREN.29En er werd een verschrikking Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden, dat de HEERE tegen de vijanden van Israel gestreden had.30Alzo was het koninkrijk van Josafat stil; en zijn God gaf hem rust rondom henen.31Zo regeerde Josafat over Juda; hij was vijf en dertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Azuba, een dochter van Silhi.32En hij wandelde in den weg van zijn vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de ogen des HEEREN.33Evenwel werden de hoogten niet weggenomen; want het volk had nog zijn hart niet geschikt tot den God zijner vaderen.34Het overige nu der geschiedenissen van Josafat, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu, den zoon van Hanani, die men hem optekenen deed in het boek der koningen van Israel.35Doch na dezen vergezelschapte zich Josafat, de koning van Juda, met Ahazia, den koning van Israel; die handelde goddelooslijk in zijn doen.36En hij vergezelschapte zich met hem, om schepen te maken, om naar Tharsis te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeon-Geber.37Maar Eliezer, de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft de HEERE uw werken verscheurd. Alzo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tharsis gaan.

Terwijl het lied van de bevrijding weerklinkt, moorden de vijanden elkaar onderling uit! Het volk heeft nu niets anders meer te doen dan hun vernietiging vast te stellen en zich de rijke buit toe te eigenen.

Hoe vaak heeft God al niet op soortgelijke wijze de moeilijkheden die ons onoverwinnelijk leken, uit de weg geruimd!

Daarna komt het volk opnieuw in het dal van Berácha (dat betekent 'prijs— of lofdal') samen om de HEERE te prijzen.

Daarbij denken we aan de triomf die de Heere Jezus op het kruis zonder één enkele daad van de kant van de gelovigen heeft behaald. Wat blijft er voor hen dan nog over om te doen?

Zij mogen de vruchten van deze overwinning genieten en Hem met een hart vol dankbaarheid loven in dit aardse dal, totdat zij dat voor eeuwig in de heilige stad zullen doen (vergelijk vers 28).

Het laatste gedeelte van dit hoofdstuk brengt ons terug bij de regering van Jósafat.

Ons wordt meegedeeld dat de koning van Juda, ná z'n verschrikkelijk militair bondgenootschap met koning Achab, opnieuw een verbond sluit.

Deze keer gaat Jósafat een verbinding aan met de zoon van Achab, Aházia, waarbij hij een maatschappelijk doel voor ogen heeft. Dit verbond is zeker niet minder triest dan het voorgaande.

God laat het echter mislukken. En uit de mond van Eliëzer horen we hoe Hij denkt over een verbinding met iemand uit de wereld om daar zelf beter van te worden.

2 Kronieken 21:1-20
1Daarna ontsliep Josafat met zijn vaderen, en werd begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en zijn zoon Joram werd koning in zijn plaats.2En hij had broederen, Josafats zonen, Azarja, en Jehiel, en Zecharja, en Azarjahu, en Michael, en Sefatja; deze allen waren zonen van Josafat, den koning van Israel.3En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver, en van goud, en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was.4Als Joram tot het koninkrijk zijns vaders opgekomen was, en zich versterkt had, zo doodde hij al zijn broederen met het zwaard, mitsgaders ook enige van de vorsten van Israel.5Twee en dertig jaar was Joram oud, toen hij koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.6En hij wandelde in de weg der koningen van Israel, gelijk als het huis van Achab deed; want hij had de dochter van Achab tot een vrouw; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.7Doch de HEERE wilde het huis Davids niet verderven, om des verbonds wil, dat Hij met David gemaakt had; en gelijk als Hij gezegd had, hem en zijn zonen te allen dage een lamp te zullen geven.8In zijn dagen vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich een koning.9Daarom toog Joram voort met zijn oversten, en al de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op, en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, en de oversten der wagenen.10Evenwel vielen de Edomieten af van onder het gebied van Juda, tot op dezen dag; toen ter zelfder tijd viel Libna af, van onder zijn gebied, want hij had den HEERE, den God zijner vaderen, verlaten.11Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda; en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoereren, ja, hij dreef Juda daartoe.12Zo kwam een schrift tot hem van den profeet Elia, zeggende: Alzo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Omdat gij in de wegen van uw vader Josafat, en in de wegen van Asa, den koning van Juda, niet gewandeld hebt;13Maar hebt gewandeld in den weg der koningen van Israel, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen hoereren, achtervolgens het hoereren van het huis van Achab; en ook uw broederen, van uws vaders huis, gedood hebt, die beter waren dan gij;14Zie, de HEERE zal u plagen met een grote plage aan uw volk, en aan uw kinderen, en aan uw vrouwen, en aan al uw have.15Gij zult ook in grote krankheden zijn, door de krankheid uwer ingewanden, totdat uw ingewanden uitgaan vanwege de krankheid, jaar op jaar.16Zo verwekte de HEERE tegen Joram den geest der Filistijnen en der Arabieren, die aan de zijde der Moren zijn.17Die togen op in Juda, en braken daarin, en voerden alle have weg, die in het huis des konings gevonden werd, zelfs ook zijn kinderen, en zijn vrouwen; zodat hem geen zoon overgelaten werd, dan Joahaz, de kleinste zijner zonen.18En na dit alles plaagde hem de HEERE in zijn ingewand met een krankheid, daar geen genezen aan was.19Dit geschiedde van jaar tot jaar, zodat, wanneer de tijd van het einde der twee jaren uitging, zijn ingewanden met de krankheid uitgingen, dat hij stierf van boze krankheden; en zijn volk maakte hem gene branding, als de branding zijner vaderen.20Hij was twee en dertig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde acht jaren te Jeruzalem; en hij ging henen zonder begeerd te zijn; en zij begroeven hem in de stad Davids, maar niet in de graven der koningen.

Het lijkt erop dat het Boek Kronieken nu opeens het karakter als Boek van de genade verlaat! Met uitzondering van enkele feiten werden immers tot nu toe de fouten van het volk en hun koning bedekt; daarvoor in de plaats werd juist het goede dat er te vinden was, naar voren gehaald. Tussen twee haakjes: Dit is een manier van handelen die ons altijd zou moeten kenmerken (vergelijk 1 Petrus 4 vers 8)!

Het hoofdstuk dat we zojuist gelezen hebben, vormt echter een verdrietige tegenstelling tot de "goede dingen" die God ons tot dusver heeft meegedeeld (hoofdstuk 12 vers 12 en 19 vers 3).

Het is van nu af aan niet meer mogelijk om de boosheid van
de koningen, Joram en zijn opvolgers, verborgen te houden.

Deze koning, de schoonzoon van Achab en Izébel, is een moordenaar en afgodendienaar. En hij verleidt ook Juda tot het aanbidden van valse goden.

Een vreselijke toestand! Toch laat die het onvergelijkbare geduld van God met Zijn arme volk naar voren komen, want ook in het verdere verloop van dit Boek zien we de genade stralen. En juist des te meer, naarmate de duisternis in Juda meer en meer toeneemt.

De genade betoont zich overvloediger naarmate de zonde zich steeds verder uitbreidt (Romeinen 5 vers 20).

Joram krijgt een brief van Elía waarin zijn misdaden worden samengevat en hem het oordeel van God wordt aangekondigd. De vervulling hiervan laat niet lang op zich wachten.

2 Kronieken 22:1-12
1En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia, zijn kleinsten zoon, koning in zijn plaats; want een bende, die met de Arabieren in het leger gekomen was, had al de eersten gedood. Ahazia dan, de zoon van Joram, de koning van Juda, regeerde.2Twee en veertig jaar was Ahazia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde een jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athalia, een dochter van Omri.3Hij wandelde ook in de wegen van het huis van Achab; want zijn moeder was zijn raadgeefster, om goddelooslijk te handelen.4En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want zij waren zijn raadgevers, na den dood zijns vaders, hem ten verderve.5Hij wandelde ook in hun raad, en toog henen met Joram, den zoon van Achab, den koning van Israel, tot den strijd tegen Hazael, den koning van Syrie, bij Ramoth in Gilead; en de Syriers sloegen Joram.6En hij keerde weder om zich te laten genezen te Jizreel; want hij had wonden, die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Hazael, den koning van Syrie; en Azarja, de zoon van Joram, den koning van Juda, kwam af, om Joram, den zoon van Achab, te Jizreel te bezien, want hij was krank.7De vertreding nu van Ahazia was van God, dat hij tot Joram kwam; want als hij gekomen was, toog hij met Joram uit tot Jehu, den zoon van Nimsi, denwelken de HEERE gezalfd had, om het huis van Achab uit te roeien.8Zo geschiedde het, als Jehu het oordeel uitvoerde tegen het huis van Achab, dat hij de vorsten van Juda en de zonen der broederen van Ahazia, die Ahazia dienden, vond, en die doodde.9Daarna zocht hij Ahazia, en zij kregen hem (want hij was verstoken in Samaria), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon van Josafat, die den HEERE met zijn ganse hart gezocht heeft. Zo had het huis van Ahazia niemand, die kracht behield tot het koninkrijk.10Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om.11Maar Jozabath, de dochter des konings, nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Jozabath, de dochter van den koning Joram, de huisvrouw van den priester Jojada (want zij was de zuster van Ahazia), voor Athalia, dat zij hem niet doodde.12En hij was bij hen verstoken in het huis Gods zes jaren; en Athalia regeerde over het land.

Een verdrietig hoofdstuk! Aházia krijgt raad van zijn moeder en van de familie van Achab en maakt een verbond met Joram, de koning van Israël.

Hij onderneemt samen met hem een krijgstocht tegen de Syriërs. Deze onheilzame verbinding heeft zijn ondergang tot gevolg (vers 7). Hij sterft een gewelddadige dood.

Nu gaan we even terug in de geschiedenis.

De zes broers van Joram zijn door hem vermoord, toen Joram de macht in handen had gekregen (hoofdstuk 21 vers 4).

Daarna zijn al zijn zonen, met uitzondering van de jongste, Aházia, door de Arabieren vermoord (vers 1 van het hoofdstuk van vandaag).

Tenslotte blijft bij het door Athália aangerichte bloedbad in de derde generatie slechts één nakomeling van het koningshuis in leven: Joas, een zuigeling.

Welke verklaring is er voor deze elkaar opvolgende pogingen om het nageslacht van Josafat uit te roeien? Dat komt door de verbetenheid waarmee satan de lijn van het geslacht van David probeert te doorbreken, omdat die lijn Christus voort zou brengen!

En welke verklaring is er anderzijds voor dat er, ondanks alles, telkens een enkeling en dan ook nog de zwakste —maar toch een nakomeling van de koninklijke familie! —, in leven blijft? Dàt komt door de trouw van de genade van God!

Hij houdt Zijn belofte die Hij aan David gedaan heeft, door te zeggen dat Hij hem "een lamp" zou bewaren (2 Koningen 8 vers 19). Het is een lamp die uiteindelijk niet meer is dan een "rokende vlaswiek" (zie Mattheüs 12 vers 20)!

2 Kronieken 23:1-11
1Doch in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten der honderden, Azarja, den zoon van Jeroham en Ismael, den zoon van Johanan, en Azarja, den zoon van Obed, en Maaseja, den zoon van Adaja en Elisafat, den zoon van Zichri, met zich in een verbond.2Die togen om in Juda, en vergaderden de Levieten uit alle steden van Juda, en de hoofden der vaderen van Israel, en zij kwamen naar Jeruzalem.3En die ganse gemeente maakte een verbond in het huis Gods, met den koning; en hij zeide tot hen: Ziet, de zoon des konings zal koning zijn, gelijk als de HEERE van de zonen van David gesproken heeft.4Dit is de zaak, die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, van de priesteren en van de Levieten, zullen tot poortiers der dorpelen zijn;5En een derde deel zal zijn aan het huis des konings; en een derde deel aan de Fondamentpoort; en al het volk zal in de voorhoven zijn van het huis des HEEREN.6Maar dat niemand kome in het huis des HEEREN, dan de priesteren en de Levieten, die dienen; die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht des HEEREN waarnemen.7De Levieten nu zullen de koning rondom omsingelen, een ieder met zijn wapenen in zijn hand; en die tot het huis inkomt, zal gedood worden; doch weest gijlieden bij den koning, als hij inkomt en uitgaat.8En de Levieten en gans Juda deden naar alles, wat de priester Jojada geboden had; en zij namen een ieder zijn mannen, die op den sabbat inkwamen, met degenen, die op den sabbat uitgingen; want de priester Jojada had aan de verdelingen geen verlof gegeven.9Verder gaf de priester Jojada aan de oversten der honderden de spiesen, en de rondassen, en de schilden, die van den koning David geweest waren, die in het huis Gods waren.10En hij stelde al het volk, en een ieder met zijn geweer in zijn hand, van de rechterzijde van het huis tot de linkerzijde van het huis, naar het altaar, en naar het huis, bij den koning rondom.11Toen brachten zij des Konings zoon voor, en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jojada en zijn zonen zalfden hem, en zeiden: De koning leve!

Het is net alsof er, te midden van de morele nacht in Juda, een schijnwerper op Joas, de waardevolle kleine prins, gericht wordt. Alle raadsbesluiten van God rusten voortaan op dit zwakke kind, de laatste 'zoon' van David.

Wat een overeenkomst met een andere tijd die nòg donkerder was, toen Herodes onrechtmatig bezit had genomen van de troon in Jeruzalem!

De ware, in Bethlehem geboren Koning der joden werd evenals Joas gespaard tijdens de massamoord die op bevel van deze rover van de troon werd gepleegd.

De Heere Jezus bleef als Degene Die werkelijk en als Enige rechten op de troon kon laten gelden, Zijn leven lang verborgen. Eerst in Nazareth, maar ook later in de vernederende gestalte als dienstknecht die Hij aangenomen had. En nu is Hij nog steeds voor de ogen van de wereld verborgen in de hemel. Alleen het geloofsoog ziet Hem daar nu en kent Hem.

In dit hoofdstuk mogen we een beeld zien van de dag van Zijn heerlijke openbaring. Zoals de Levieten en de oversten van het volk toen, zullen zij die mi de Heere Jezus dienen en verwachten, Hem op die dag vergezellen. Zij zullen samen met Hem in heerlijkheid verschijnen (zie Kolosse 3 vers 4 en 1 Thessalonika 3 vers 13). Wat een geweldig voorrecht om bij Zijn gelukkig gevolg te mogen behoren! Te zijn "bij de koning, als hij inkomt en uitgaat" (vers 7).

Omdat dàt ons deel zal zijn, mogen we ons nu al door het geloof in Zijn tegenwoordigheid bevinden en ons in onze harten met Hem bezighouden, terwijl Hij nog voor een korte tijd onzichtbaar in de hemel verblijft.

2 Kronieken 23:12-21
12Toen nu Athalia hoorde de stem des volks, dat toeliep en den koning roemde, kwam zij tot het volk in het huis des HEEREN.13En zij zag toe; en ziet, de koning stond bij zijn pilaar, aan de ingang; en de oversten en de trompetten waren bij den koning; en al het volk des lands was blijde, en blies met de trompetten; en de zangers waren er met muzikale instrumenten, en gaven te kennen, dat men lofzingen zou; toen verscheurde Athalia haar klederen, en zij riep: Verraad, verraad!14Maar de priester Jojada bracht de oversten der honderden, die over het heir gesteld waren, uit, en zeide tot hen: Brengt ze uit tot buiten de ordeningen, en die haar volgt, zal met het zwaard gedood worden; want de priester had gezegd: Gij zult ze in het huis des HEEREN niet doden.15En zij legden de handen aan haar, en zij ging naar den ingang van de Paardenpoort, naar het huis des konings; en zij doodden ze daar.16En Jojada maakte een verbond tussen zich, en tussen al het volk, en tussen den koning, dat zij den HEERE tot een volk zouden zijn.17Daarna ging al het volk in het huis van Baal, en braken dat af; en zijn altaren en zijn beelden verbraken zij, en Matthan, den priester van Baal, sloegen zij dood voor de altaren.18Jojada nu bestelde de ambten in het huis des HEEREN, onder de hand der Levietische priesteren, die David in het huis des HEEREN afgedeeld had, om de brandofferen des HEEREN te offeren, gelijk in de wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, naar de instelling van David.19En hij stelde de poortiers aan de poorten van het huis des HEEREN, opdat niemand, in enig ding onrein zijnde, inkwame.20En hij nam de oversten der honderden, en de machtigen, en die heerschappij hadden onder het volk, en al het volk des lands, en bracht den koning van het huis des HEEREN af, en zij kwamen door het midden der hoge poort in het huis des konings; en zij zetten den koning op den troon des koninkrijks.21En al het volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met het zwaard gedood hadden.

De kroning van Joas en zijn verschijning in het openbaar waren een streep door de rekening van de slechte Athália. Zó heeft de opstanding van de Heere Jezus de aanvallen van satan teniet gedaan.

De onrechtmatige koningin komt om door het zwaard.

De aan haar voltrokken straf duidt op de straf die de antichrist zal ontvangen bij het verschijnen van de Heere Jezus. Deze 'mens der zonde' zal levend in de vuurzee geworpen worden, samen met het hoofd van het herstelde West—Romeinse rijk.

Evenals Izébel doet Athália, deze afschuwelijke vrouw en moordenares van haar eigen kleinkinderen, ons denken aan de valse kerk, het afvallige deel van de grote belijdende christenheid. Dat wil dus zeggen: de naamchristenen, zij die wel beweren bekeerd te zijn, maar het niet echt zijn.

De valse kerk wilde regeren en heeft daarvoor zielen voor wie ze verantwoordelijk was, opgeofferd.

Wat is het oordeel van de Heere? "Zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien. Daarom zullen haar plagen op één dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt" (Openbaring 18 vers 7 en 8).

Op de dood van Athália volgt de dood van Matthan, de priester van Baäl. Daarna wordt Joas op plechtige wijze op de troon gezet.

2 Kronieken 24:1-3, 15-27
1Joas was zeven jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja, van Ber-seba.2En Joas deed dat recht was in de ogen des HEEREN, al de dagen van den priester Jojada.3En Jojada nam voor hem twee vrouwen; en hij gewon zonen en dochteren.
15En Jojada werd oud en zat van dagen, en stierf; hij was honderd en dertig jaren oud, toen hij stierf.16En zij begroeven hem in de stad Davids, bij de koningen; want hij had goed gedaan in Israel, beide aan God en zijn huize.17Maar na den dood van Jojada kwamen de vorsten van Juda, en bogen zich neder voor den koning; toen hoorde de koning naar hen.18Zo verlieten zij het huis des HEEREN, des Gods hunner vaderen, en dienden de bossen en de afgoden; toen was een grote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hun schuld.19Doch Hij zond profeten onder hen, om hen tot den HEERE te doen wederkeren; die betuigden tegen hen, maar zij neigden de oren niet.20En de Geest Gods toog Zacharia aan, den zoon van Jojada, den priester, die boven het volk stond, en hij zeide tot hen: Zo zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des HEEREN? Daarom zult gij niet voorspoedig zijn; dewijl gij den HEERE verlaten hebt, zo zal Hij u verlaten.21En zij maakten een verbintenis tegen hem, en stenigden hem met stenen door het gebod des konings, in het voorhof van het huis des HEEREN.22Zo gedacht de koning Joas niet der weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; dewelke, als hij stierf, zeide: De HEERE zal het zien en zoeken!23Daarom geschiedde het met den omgang des jaars, dat de heirkracht van Syrie tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en verdierven uit het volk al de vorsten des volks; en zij zonden al hun roof tot den koning van Damaskus.24Hoewel de heirkracht van Syrie met weinig mannen kwam, evenwel gaf de HEERE in hun hand een heirkracht van grote menigte, dewijl zij den HEERE, den God hunner vaderen, verlaten hadden; alzo voerden zij de oordelen uit tegen Joas.25En toen zij van hem getogen waren (want zij lieten hem in grote krankheden), maakten zijn knechten, om het bloed der zonen van den priester Jojada, een verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf; en zij begroeven hem in de stad Davids, maar zij begroeven hem niet in de graven der koningen.26Dezen nu zijn, die een verbintenis tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Simeath, de Ammonietische, en Jozabad, de zoon van Simrith, de Moabietische.27Aangaande nu zijn zonen, en de grootheid van den last, hem opgelegd, en het gebouw van het huis Gods, ziet, zij zijn geschreven in de historie van het boek der koningen; en zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats.

Zolang Jójada leefde om de jonge koning Joas te leiden, was er aanleiding genoeg om te denken dat hij tot de betere koningen behoorde.

Helaas vormt de dood van deze hogepriester een noodlottig keerpunt in het leven van de koning. Hoe komt dat?

In plaats van altijd zèlf op God te vertrouwen — wat een kenmerk van het geloof is —, steunt Joas op zijn 'pleegvader'. Zodra die er niet meer is, stort zijn trouw in één klap helemaal in. Hij had geen persoonlijk geloof!

Jonge mensen, jullie die gelovige ouders hebben, vergis je niet! Jullie christelijke opvoeding en goede gewoontes betekenen nog niet dat je werkelijk levendmakend geloof hebt! Het geloof van jullie ouders is niet jullie geloof. Vertrouwen jullie op de Heere en blijven jullie bij Hem, ook als jullie ouders er op een gegeven moment niet meer zijn?

De vorsten van het volk komen bij Joas en vleien hem. "Toen hoorde de koning naar hen" (vers 17).

En wat gaat hij onder hun invloed doen? Dingen waarbij de rillingen je over de rug lopen: hij beveelt dat de zoon van zijn weldoener vermoord moet worden.

De Heere herinnert de huichelachtige farizeeërs aan de dood van Zacharía (zijn naam betekent: 'de HEERE gedenkt hem'), als zijzelf op het punt staan een nog grotere misdaad te plegen (zie Mattheüs 23 vers 34 en 35 en 21 vanaf vers 35).

2 Kronieken 25:1-13, 25-28
1Amazia, vijf en twintig jaren oud zijnde, werd koning, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Joaddan, van Jeruzalem.2En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, doch niet met een volkomen hart.3Het geschiedde nu, als het koninkrijk aan hem gesterkt was, dat hij zijn knechten, die den koning, zijn vader, geslagen hadden, doodde.4Doch hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.5En Amazia vergaderde Juda, en stelde hen, naar de huizen der vaderen, tot oversten van duizenden en tot oversten van honderden, door gans Juda en Benjamin; en hij monsterde hen, van twintig jaren oud en daarboven, en vond hen driehonderd duizend uitgelezenen, uittrekkende ten heire, handelende spies en rondas.6Daartoe huurde hij uit Israel honderd duizend kloeke helden, voor honderd talenten zilvers.7Maar er kwam een man Gods tot hem, zeggende: O, koning! laat het heir van Israel met u niet gaan; want de HEERE is niet met Israel, met alle kinderen van Efraim.8Maar zo gij gaat, doe het, wees sterk ten strijde; God zal u doen vallen voor den vijand; want in God is kracht, om te helpen en om te doen vallen.9En Amazia zeide tot den man Gods: Maar wat zal men doen met de honderd talenten, die ik aan de benden van Israel gegeven heb? En de man Gods zeide: De HEERE heeft meer dan dit, om u te geven.10Toen scheidde Amazia die af, te weten de benden, die uit Efraim tot hem gekomen waren, dat zij naar hun plaats gingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen Juda, en zij keerden weder tot hun plaats in hittigheid des toorns.11Amazia nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en toog in het Zoutdal, en sloeg van de kinderen van Seir tien duizend.12Daartoe vingen de kinderen van Juda tien duizend levend, en brachten ze op de hoogte der steenrots, en stieten hen van de spits der steenrots af, dat zij allen barstten.13Maar de mannen der benden, die Amazia had doen wederkeren, dat zij met hem in den strijd niet zouden trekken, die deden een inval in de steden van Juda, van Samaria af tot Beth-horon toe, en sloegen van hen drie duizend, en roofden veel roofs.
25Amazia nu, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Joahaz, den koning van Israel, vijftien jaren.26Het overige nu der geschiedenissen van Amazia, de eerste en de laatste, ziet, zijn die niet geschreven in het boek der koningen van Juda en Israel?27Van den tijd nu af, dat Amazia afgeweken was van achter den HEERE, zo maakten zij in Jeruzalem een verbintenis tegen hem; doch hij vluchtte naar Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar.28En zij brachten hem op paarden, en begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van Juda.

Amázia wordt de opvolger van zijn vader Joas. In grote lijnen begint hij te doen wat recht is in de ogen van de HEERE, maar er wordt aan toegevoegd: "... doch niet met een volkomen hart"!

Een volkomen, ongedeeld hart betekent niet dat er geen zonde in is, maar wel dat er een vaste wil is alléén te doen wat God welgevallig is, door Hem te gehoorzamen.

In dit verband is het goed om op het woord "volmaakt" te letten in Filippi 3 vers 14 en 15.

De eerste fout van Amázia is dat hij tegen Edom ten strijde wil trekken en daarvoor honderdduizend soldaten uit het tienstammenrijk Israël aanneemt om zijn eigen leger te versterken.

Gewaarschuwd door een man van God, onderwerpt hij zich aan Gods bevel en triomfeert dan over al zijn vijanden.

Maar daarna ... wat een val! In het gedeelde hart van Amázia vinden de goden van de Edomieten, de kinderen van Seïr, een plaats (vers 14).

Omdat het niet mogelijk is twee heren te dienen (Mattheüs 6 vers 24 en Lukas 16 vers 13) verdwijnt de HEERE nu uit Amázia's gedachten.

Amázia is van achter Hem afgeweken (vers 27). Als de Heere Jezus niet ons hele hart vult, weet de vijand wel waarmee hij de ontstane ruimte moet opvullen.

Na in de strijd tegen de koning van Israël een smartelijke nederlaag geleden te hebben, leeft de arme Amázia nog vijftien jaar en wordt daarna gedood, zonder ook maar een teken van berouw getoond te hebben.

2 Kronieken 26:1-15
1Toen nam het ganse volk van Juda Uzzia (die nu zestien jaren oud was), en maakte hem koning in de plaats van zijn vader Amazia.2Dezelve bouwde Eloth, en bracht ze weder aan Juda, nadat de koning met zijn vaderen ontslapen was.3Zestien jaren was Uzzia oud, toen hij koning werd, en hij regeerde twee en vijftig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jecholia, van Jeruzalem.4En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Amazia gedaan had.5Want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Zacharia, die verstandig was in de gezichten Gods; in de dagen nu, dat hij den HEERE zocht, maakte hem God voorspoedig.6Want hij toog uit, en krijgde tegen de Filistijnen, en brak den muur van Gath, en den muur van Jabne, en den muur van Asdod; daartoe bouwde hij steden in Asdod, en onder de Filistijnen.7En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren, die te Gur-Baal woonden, en tegen de Meunieten.8En de Ammonieten gaven Uzzia geschenken; en zijn naam ging tot den ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste.9Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort, en aan de hoeken; en hij sterkte ze.10Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hieuw vele putten uit, overmits hij veel vee had, beide in de laagten en in de effene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op de vruchtbare velden; want hij was een liefhebber van den land bouw.11Verder had Uzzia een heirkracht van geoefenden ten oorlog, uittrekkende ten heire bij benden, naar het getal hunner monstering, daar de hand van Jeiel, den schrijver, en Mahaseja, den ambtman; onder de hand van Hananja, een van de vorsten des konings.12Het gehele getal van de hoofden der vaderen, der strijdbare helden, was twee duizend en zeshonderd.13En onder hun hand was een krijgsheir van driehonderd zeven duizend en vijfhonderd, die met strijdbare kracht zich ten oorlog oefenden, om den koning tegen den vijand te helpen.14En Uzzia bereidde voor hen, voor het ganse heir, schilden, en spiesen, en helmen, en pantsieren, en bogen, zelfs tot de slingerstenen toe.15Hij maakte ook te Jeruzalem kunstige werken, bedenking van kunstige werkmeesters, dat zij op de torens en op de hoeken zijn zouden, om met pijlen en met grote stenen, te schieten; zo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was.

Koning Uzzia wordt ons voorgesteld als een man met een buitengewone interesse voor de geestelijke dingen. Zijn bijzonder lange regeringsperiode van tweeënvijftig jaar wordt gekenmerkt door opmerkelijke bezigheden.

De koning zorgt ervoor dat zijn volk niets te kort komt aan putten, vee, bouwland en wijngaarden. Eveneens bewerkt hij dat dit allemaal in militair opzicht goed beveiligd wordt. Kortom, hij garandeert zijn volk succes en veiligheid.

Zijn alle menselijke inspanningen in feite niet hierop gericht? En waartoe brengt dit de mens in het algemeen? Tot een stukje dankbaarheid ten aanzien van God? Brengt het de mensen ertoe met blijdschap iets af te staan voor de dienst van de Heere? Helaas niet!

De mens denkt veelmeer dat hij zijn welvaart en voorspoed aan zichzelf te danken heeft en stelt meer vertrouwen in de rijkdom die hij voor zichzelf gebruikt!

Gelovigen die het in materieel opzicht voor de wind gaat, staan ook aan deze gevaren bloot! Ze lopen gevaar op eigen middelen te bouwen en zich sterk te voelen.

Tegelijkertijd wordt er dan niet meer gerekend op de wonderbare hulp van God (vers 15). De zegen die dit laatste met zich mee zou brengen, mist men.

Onder deze omstandigheden laat Uzzia's val niet lang op zich wachten.

Uzzia heeft alles voorbereid om een aanval van buitenaf af te kunnen slaan. Maar wat het gevaar van binnenuit betreft, dus het waken over zijn eigen hart, daarin is hij nalatig geweest.

2 Kronieken 26:16-23
16Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen den HEERE, zijn God; want hij ging in den tempel des HEEREN, om te roken op het reukaltaar.17Doch Azaria, de priester, ging hem na, en met hem des HEEREN priesters, tachtig kloeke mannen.18En zij wederstonden den koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, den HEERE te roken, maar den priesteren, Aarons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van den HEERE God.19Toen werd Uzzia toornig, en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesteren, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht der priesteren in het huis des HEEREN, van boven het reukaltaar.20Alstoen zag de hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesteren en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij stieten hem met der haast van daar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat de HEERE hem geplaagd had.21Alzo was de koning Uzzia melaats tot aan den dag zijns doods; en melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis des HEEREN afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis des konings, richtende het volk des lands.22Het overige nu der geschiedenissen van Uzzia, de eerste en de laatste, heeft de profeet Jesaja, de zoon van Amos, beschreven.23En Uzzia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem bij zijn vaderen, in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats; en zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.

Vijf koningen: Asa, Josafat, Joas, Amázia en Uzzia! Vijf geschiedenissen die een verdrietige overeenkomst vertonen! Vijfmaal komt er ná een gelukkige en door God gezegende regeringsperiode een valstrik — elke keer een andere

die tot een noodlottige val leidt.

Laten we goed voor deze valstrikken oppassen, want de listige vijand gebruikt ze nog steeds om kinderen van God te laten struikelen. Dit zijn de valstrikken:

Bij Asa ging het om de hulp van de wereld in de strijd;

Josafat sloot een verbond en vriendschap met de wereld;

Joas werd door vleierij van de wereld ten val gebracht;

Amázia liet zich in met haar afgoden van de wereld; en

Uzzia struikelt door de hoogmoed van het leven (zie 1 Johannes 2 vers 16) .

De naam van deze koning betekent 'God is mijn sterkte'. Maar het ogenblik kwam dat hij meende in zichzelf sterk genoeg te zijn. En dat werd hem noodlottig (vers 16).

Hij wil in zijn onbeschaamdheid de heilige handelingen die alleen door de priesters verricht mogen worden, zelf verrichten. Hij wordt nu in de tegenwoordigheid van alle priesters door de hand van de HEERE met melaatsheid geslagen.

Bij ons allemaal zit de hoogmoed al lang diep in ons hart verborgen, vóórdat zij aan de buitenkant als melaatsheid aan het voorhoofd zichtbaar wordt.

Als we onze hoogmoed oordelen, vóórdat anderen het met hun eigen ogen aan ons kunnen zien, voorkomen we dat God gedwongen wordt ons misschien openlijk aan de kaak te stellen en te vernederen.

2 Kronieken 27:1-9
1Jotham was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, een dochter van Zadok.2En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader Uzzia gedaan had, behalve dat hij in den tempel des HEEREN niet ging; en het volk verdierf zich nog.3Dezelve bouwde de hoge poorten aan het huis des HEEREN; hij bouwde ook veel aan den muur van Ofel.4Daartoe bouwde hij steden op het gebergte van Juda; en in de wouden bouwde hij burchten en torens.5Hij krijgde ook tegen den koning der kinderen Ammons, en had de overhand over hen, zodat de kinderen Ammons in datzelfde jaar hem gaven honderd talenten zilvers, en tien duizend kor tarwe, en tien duizend gerst; dit brachten hem de kinderen Ammons wederom, ook in het tweede en in het derde jaar.6Alzo versterkte zich Jotham; want hij richtte zijn wegen voor het aangezicht des HEEREN, zijns Gods.7Het overige nu der geschiedenissen van Jotham, en al zijn krijgen, en zijn wegen, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en Juda.8Hij was vijf en twintig jaren oud, toen hij koning werd; en hij regeerde zestien jaren te Jeruzalem.9En Jotham ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.

Van Jotham, de zoon en opvolger van Uzzia, wordt ons in dit korte hoofdstuk alleen maar goeds verteld.

Hoewel ook hij sterk werd (vers 6), heeft hij de les geleerd uit wat zijn vader is overkomen, zoals vers 2 ons meedeelt. Dat is een teken van wijsheid!

Als wij onze lessen trekken uit de ervaringen van anderen, kunnen we voorkomen dat we persoonlijk door een pijnlijke leerschool moeten gaan. 'Door schade en schande wijs te worden', is dan niet nodig.

Jotham overwint de kinderen van Ammon. Wat is zijn geheim?

Het is goed om hierbij stil te staan, als wij die Goddelijke
kracht ook graag zouden willen ontvangen: "Hij richtte zijn
wegen voor het aangezicht van de HEERE, zijn God" (vers 6).

Zijn wegen richten, wil zeggen dat je je wandel in overeenstemming brengt met Gods Woord en Hem vraagt om Zijn leiding.

"Weeg de gang van uw voet, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn. Wijk niet ter rechter— of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade" (Spreuken 4 vers 26 en 27).

Helaas zien we niet dat het volk het goede voorbeeld van deze trouwe koning volgt! "Het volk verdierf zich nog" (vers 2).

De tijd van Jotham komt daarom niet overeen met de opwekkingen zoals de Geest van God die bewerkte tijdens de regeringen van Hizkía en Josía.

2 Kronieken 28:1-15
1Achaz was twintig jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de ogen des HEEREN, gelijk zijn vader David;2Maar hij wandelde in de wegen der koningen van Israel; daartoe maakte hij ook gegotene beelden voor de Baals.3Dezelve rookte ook in het dal des zoons van Hinnom; en hij brandde zijn zonen in het vuur, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.4Ook offerde hij en rookte op de hoogten en op de heuvelen, mitsgaders onder alle groen geboomte.5Daarom gaf hem de HEERE, zijn God, in de hand des konings van Syrie, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden een grote menigte van gevangenen, die zij te Damaskus brachten. En hij werd ook gegeven in de hand des konings van Israel, die hem sloeg met een groten slag.6Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen, omdat zij den HEERE, den God hunner vaderen, verlaten hadden.7En Zichri, een geweldig man van Efraim, sloeg Maaseja, den zoon des konings, dood, en Azirkam, den huisoverste, mitsgaders Elkana, den tweede na den koning.8En de kinderen Israels voerden van hun broederen gevankelijk weg tweehonderd duizend, vrouwen, zonen en dochteren, en plunderden ook veel roofs van hen; en zij brachten den roof te Samaria.9Aldaar nu was een profeet des HEEREN, wiens naam was Oded; die ging uit, het heir tegen, dat naar Samaria kwam, en zeide tot hen: Ziet, door de grimmigheid des HEEREN, des Gods uwer vaderen, over Juda, heeft Hij hen in uw hand gegeven, en gij hebt hen doodgeslagen in toornigheid, die tot aan den hemel raakt.10Daartoe denkt gij nu de kinderen van Juda en Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen; zijt gij het niet alleenlijk? Bij ulieden zijn schulden tegen den HEERE, uw God.11Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weder, die gij van uw broederen gevankelijk weggevoerd hebt; want de hitte van des HEEREN toorn is over u.12Toen maakten zich mannen op van de hoofden der kinderen van Efraim, Azaria, de zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesillemoth en Jehizkia, de zoon van Sallum, en Amasa, de zoon van Hadlai, tegen degenen, die uit het heir kwamen.13En zij zeiden tot hen: Gij zult deze gevangenen hier niet inbrengen, tot een schuld over ons tegen den HEERE; denkt gijlieden toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij vele schulden hebben, en de hitte des toorns over Israel is?14Toen lieten de toegerusten de gevangenen en de roof voor het aangezicht der oversten en der ganse gemeente.15De mannen nu, die met namen uitgedrukt zijn, maakten zich op, en grepen de gevangenen, en kleedden van den roof al hun naakten; en zij kleedden hen, en schoeiden hen, en spijsden hen, en drenkten hen, en zalfden hen, en voerden ze op ezelen, allen die zwak waren, en brachten hen te Jericho, de Palmstad, bij hun broederen; daarna keerden zij weder naar Samaria.

In tegenstelling tot Jotham over wie alleen maar goeds wordt meegedeeld, kan er niets goeds van zijn zoon, de goddeloze Achaz, gezegd worden.

De tijd van Achaz is een vreselijke regeringsperiode waarin niets wat de HEERE kan beledigen, ontbreekt! Wat is het volk Juda diep gezonken!

God maakt achtereenvolgens gebruik van de koningen van Syrië en Israël om Juda te bestraffen. De koning van Israël doodt op één dag honderdtwintigduizend man en neemt er tweehonderdduizend gevangen.

Maar zoals de profeet Oded gezegd heeft, is de les zowel voor de overwinnaar als voor de overwonnene bedoeld. En toch zeker ook voor ons?

Vóórdat wij ons met anderen bezighouden om hen te beoordelen, is het goed ons eerst af te vragen of wij zelf niet gezondigd hebben tegen God (vers 10)!

Op deze manier heeft Oded ook tot de mannen van Israël gesproken. Vier van hen die met name genoemd worden, zijn hierdoor diep geraakt en nemen het dan ook voor de arme gevangenen op.

Daarna, nog niet tevreden gesteld met hun bevrijding, zetten ze zich nog meer voor hen in en brengen hen terug naar Juda.

Hier wordt Romeinen 12 vers 20 en 21 in praktijk gebracht! Hiermee zijn zij een prachtig voorbeeld van liefde en overgave!

Moeten we daarbij niet denken aan de handelwijze van de barmhartige Samaritaan uit Lukas 10 vers 33 en 34?

2 Kronieken 28:16-27
16Ter zelfder tijd zond de koning Achaz tot de koningen van Assyrie, dat zij hem helpen zouden.17Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen gevankelijk weggevoerd.18Daartoe waren de Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-Semes, en Ajalon, en Gederoth, en Socho en haar onderhorige plaatsen, en Timna en haar onderhorige plaatsen, en Gimzo en haar onderhorige plaatsen; en zij woonden aldaar.19Want de HEERE vernederde Juda, om der wille van Achaz, den koning Israels; want hij had Juda afgetrokken, dat het gans zeer overtrad tegen den HEERE.20En Tiglath-Pilneser, de koning van Assyrie, kwam tot hem; doch hij benauwde hem, en sterkte hem niet.21Want Achaz nam een deel van het huis des HEEREN, en van het huis des konings en der vorsten, hetwelk hij den koning van Assyrie gaf; maar hij hielp hem niet.22Ja, ter tijd, als men hem benauwde, zo maakte hij des overtredens tegen den HEERE nog meer; dit was de koning Achaz.23Want hij offerde den goden van Damaskus, die hem geslagen hadden, en zeide: Omdat de goden der koningen van Syrie hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij ook helpen; maar zij waren hem tot zijn val, mitsgaders aan gans Israel.24En Achaz verzamelde de vaten van het huis Gods, en hieuw de vaten van het huis Gods in stukken, en sloot de deuren van het huis des HEEREN toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken van Jeruzalem.25Ook maakte hij in elke stad van Juda hoogten, om anderen goden te roken; alzo verwekte hij den HEERE, zijner vaderen God, tot toorn.26Het overige nu der geschiedenissen, en al zijn wegen, de eerste en de laatste, ziet, zij zijn geschreven in het boek der koningen van Juda en Israel.27En Achaz ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in de stad te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der koningen van Israel; en zijn zoon Jehizkia werd koning in zijn plaats.

Achaz is ongevoelig voor de genade die hem bewezen is, doordat de gevangenen uit zijn volk teruggebracht zijn. Hij zinkt dan ook steeds dieper weg in het kwaad.

Nu zoekt hij zijn hulp bij de koning van Assyrië. Er staat echter geschreven: "Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt" (Jeremía 17 vers 5).

Ondanks alle rijkdommen die Achaz uit de tempel rooft en aan Tiglath—Piléser geeft, is deze koning hem niet tot hulp (vers 21).

Nu stapelen de zonden van Achaz zich nog meer op. Hij zoekt de hulp die de mensen hem niet konden of wilden geven, nu bij de afgoden, met andere woorden: bij de demonen (1 Korinthe 10 vers 20)!

Van die kant hoeft hij helemaal geen hulp te verwachten. Wat hij doet, is eigenlijk niets meer dan zijn ondergang over zich uit te roepen. Het is het begin van het einde.

Om de maat vol te maken, sluit Achaz in die tijd de tempeldeuren, zoals dat gedaan wordt bij de verkoop of het verlaten van een huis.

Daarmee sluit hij de toegang tot het heiligdom af, nadat hij het eerst ontwijd en verontreinigd heeft (hoofdstuk 29 vers 5 en 16).

Het Woord zegt echter uitdrukkelijk: "Zo iemand de tempel
Gods schendt, die zal God schenden" (1 Korinthe 3 vers 17).

Ja, de maat is vol! Achaz sterft en wordt niet eens waardig bevonden om in het graf van zijn voorouders begraven te worden.

2 Kronieken 29:1-19
1Jehizkia werd koning, vijf en twintig jaren oud zijnde, en regeerde negen en twintig jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Abia, een dochter van Zacharia.2En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat zijn vader David gedaan had.3Dezelve deed in het eerste jaar zijner regering, in de eerste maand, de deuren van het huis des HEEREN open, en beterde ze.4En hij bracht de priesteren en de Levieten in, en hij verzamelde ze in de Ooststraat.5En hij zeide tot hen: Hoort mij, o Levieten; heiligt nu uzelven, en heiligt het huis des HEEREN, des Gods uwer vaderen, en brengt de onreinigheid uit van het heiligdom.6Want onze vaders hebben overtreden, en gedaan dat kwaad was in de ogen des HEEREN, onzes Gods, en hebben Hem verlaten, en zij hebben hun aangezichten van den tabernakel des HEEREN omgewend, en hebben den nek toegekeerd.7Ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgeblust en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het heiligdom aan de God Israels niet geofferd.8Daarom is een grote toorn des HEEREN over Juda en Jeruzalem geweest; en Hij heeft hen overgegeven ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, gelijk als gij ziet met uw ogen.9Want ziet, onze vaders zijn door het zwaard gevallen; daartoe onze zonen, en onze dochteren, en onze vrouwen zijn daarom in gevangenis geweest.10Nu is het in mijn hart een verbond te maken met den HEERE, den God Israels, opdat de hitte Zijns toorns van ons afkere.11Mijn zonen, weest nu niet traag; want de HEERE heeft u verkoren, dat gij voor Zijn aangezicht staan zoudt, om Hem te dienen; en opdat gij Hem dienaars en wierokers zoudt wezen.12Toen maakten zich de Levieten op, Mahath, de zoon van Amasai, en Joel, de zoon van Azarja, van de kinderen der Kahathieten; en van de kinderen van Merari, Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehaleel; en van de Gersonieten, Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah;13En van de kinderen van Elizafan, Simri en Jeiel; en van de kinderen van Asaf, Zecharja en Mattanja;14En van de kinderen van Heman, Jehiel en Simei; en van de kinderen van Jeduthun, Semaja en Uzziel.15En zij verzamelden hun broederen, en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod des konings, door de woorden des HEEREN, om het huis des HEEREN te reinigen.16Maar de priesteren gingen binnen in het huis des HEEREN, om dat te reinigen, en zij brachten uit in het voorhof van het huis des HEEREN al de onreinigheid, die zij in den tempel des HEEREN vonden; en de Levieten namen ze op, om naar buiten uit te brengen, in de beek Kidron.17Zij begonnen nu te heiligen op den eersten der eerste maand, en op den achtsten dag der maand kwamen zij in het voorhuis des HEEREN, en heiligden het huis des HEEREN in acht dagen; en op den zestienden dag der eerste maand maakten zij een einde.18Daarna kwamen zij binnen tot den koning Hizkia, en zeiden: Wij hebben het gehele huis des HEEREN gereinigd, mitsgaders het brandofferaltaar met al zijn gereedschap, en de tafel der toerichting met al haar gereedschap.19Alle gereedschap ook, dat de koning Achaz, onder zijn koninkrijk, door zijn overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd; en zie, zij zijn voor het altaar des HEEREN.

Hoewel ons hierover in Kronieken niets meegedeeld wordt, zijn we nu aangekomen bij het moment waarop de HEERE de tien stammen van Israël door de koning van Assyrië laat wegvoeren.

Achaz heeft God er alle reden voor gegeven om met het rijk Juda ook zo te handelen, maar de genade heeft nog 'iets gereserveerd' wat niemand kon voorzien. Dat middel is de trouwe koning Hizkía.

Door de voorzienigheid van God is hij aan het vreselijke kinderoffer aan de Molech waaraan zijn broers ten prooi vielen, ontkomen (hoofdstuk 28 vers 3 en 2 Koningen 23 vers 10). Hij is als "een vuurbrand uit het vuur gerukt" (Zacharía 3 vers 2).

Het valt op te merken hoeveel deze jongeman onder de vreselijke regering van zijn vader geleden moet hebben. Als hij dan ook op de troon komt te zitten, laat hij geen dag meer voorbijgaan en begint direct, met behulp van de priesters en de Levieten die met name genoemd worden, met het werk van de reiniging.

Met de reiniging wordt op de eerste dag van de eerste maand in het eerste jaar begonnen (vers 3 en 17)!

Als u, lezer, het nog niet gedaan hebt, begin dan nu zonder uitstel orde op zaken te stellen in uw hart! Doe de deuren van uw hart wijd open voor Hem Die zo graag naar binnen ,wil. Gooi alle onreinheid eruit die u onder de vorige regering van de vorst van de duisternis nog hebt toegelaten of achtergelaten. Heilig uw hart voor de Heere Jezus! Hij wil daarin graag woning maken, voor nu en voor altijd!

2 Kronieken 29:20-36
20Toen maakte zich de koning Jehizkia vroeg op, en verzamelde de oversten der stad, en hij ging op in het huis des HEEREN.21En zij brachten zeven varren, en zeven rammen, en zeven lammeren, en zeven geitenbokken ten zondoffer voor het koninkrijk, en voor het heiligdom, en voor Juda; en hij zeide tot de zonen van Aaron, de priesteren, dat zij die op het altaar des HEEREN zouden offeren.22Zo slachtten zij de runderen, en de priesters ontvingen het bloed, en sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; insgelijks slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar.23Daarna brachten zij de bokken bij, ten zondoffer, voor het aangezicht des konings en der gemeente, en zij legden hun handen op dezelve.24En de priesteren slachtten ze, en ontzondigden met derzelver bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het ganse Israel; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor gans Israel bevolen.25En hij stelde de Levieten in het huis des HEEREN, met cimbalen, met luiten en harpen, naar het gebod van David, en van Gad, den ziener des konings, en van Nathan, den profeet; want dit gebod was van de hand des HEEREN, door de hand Zijner profeten.26De Levieten nu stonden met de instrumenten van David, en de priesters met de trompetten.27En Hizkia beval, dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu, als dat brandoffer begon, begon het gezang des HEEREN met de trompetten en met de instrumenten van David, den koning van Israel.28De ganse gemeente nu boog zich neder, als men het gezang zong, en met trompetten trompette; dit alles totdat het brandoffer voleind was.29Als men nu geeindigd had te offeren, bukten de koning en allen, die bij hem gevonden waren, en bogen zich neder.30Daarna zeide de koning Jehizkia, en de oversten, tot de Levieten, dat zij den HEERE loven zouden, met de woorden van David en van Asaf, den ziener; en zij loofden tot blijdschap toe; en neigden hun hoofden, en bogen zich neder.31En Jehizkia antwoordde en zeide: Nu hebt gij uw handen den HEERE gevuld, treedt toe, en brengt slachtofferen en lofofferen tot het huis des HEEREN; en de gemeente bracht slachtofferen en lofofferen en alle vrijwilligen van harte brandofferen.32En het getal der brandofferen, die de gemeente bracht, was zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd lammeren; deze alle den HEERE ten brandoffer.33Nog waren der geheiligde dingen zeshonderd runderen en drie duizend schapen.34Doch van de priesteren waren er te weinig, en zij konden al den brandofferen de huid niet aftrekken; daarom hielpen hen hun broederen, de Levieten, totdat het werk geeindigd was, en totdat de andere priesters zich geheiligd hadden; want de Levieten waren rechter van hart, om zich te heiligen, dan de priesteren.35En ook waren de brandofferen in menigte, met het vet der dankofferen, en met de drankofferen, voor de brandofferen; alzo werd de dienst van het huis des HEEREN besteld.36Jehizkia nu en al het volk verblijdden zich over hetgeen God het volk voorbereid had; want deze zaak geschiedde haastelijk.

De veertien Levieten en hun broeders hebben niet minder dan zestien dagen nodig gehad om het huis van de HEERE helemaal te reinigen en weer in orde te brengen.

Het is echter niet voldoende de tempel "leeg, met bezemen gekeerd en versierd" te hebben (Mattheüs 12 vers 44). De dienst voor de HEERE moet daarin nu ook weer hersteld worden.

Nauwelijks is de reiniging van het heiligdom voltooid, of Hizkía komt weer in actie. Ook nu laat hij geen moment verloren gaan.

Hij staat 's morgens vroeg op om met de oversten van de stad en de priesters het offer te brengen — zonder daarbij zelf de plaats van priester in te nemen, zoals Uzzia wel gedaan had!

Laten we erop letten dat het brandoffer en het zondoffer voor heel Israël geofferd werden (vers 24). Laten we dan ook nooit vergeten dat de gelovigen die om de tafel van de Heere geschaard zijn om Zijn dood te verkondigen, slechts een zwakke uitdrukking zijn van het hele volk van God.

Het brood en de beker herinneren ons aan het offer dat niet alleen voor het kleine aantal aanwezigen, maar voor alle verlosten samen, voor de hele gemeente gebracht werd.

Tenslotte wordt het brandoffer begeleid door gezang. De zang gaat er niet aan vooraf!

Er is geen lofgezang, geen vreugde, vóórdat het werk van Golgotha volbracht is. Maar mi, nadat het verlossings— en verzoeningswerk eens en voor altijd volbracht is, kan de dienst van de ware aanbidders beginnen. En die dienst zal nooit eindigen (Psalm 84 vers 5)!

2 Kronieken 30:1-14
1Daarna zond Jehizkia tot het ganse Israel en Juda, en schreef ook brieven tot Efraim en Manasse, dat zij zouden komen tot het huis des HEEREN te Jeruzalem, om den HEERE, den God Israels, pascha te houden.2Want de koning had raad gehouden met zijn oversten en de ganse gemeente te Jeruzalem, om het pascha te houden, in de tweede maand.3Want zij hadden het niet kunnen houden te dierzelfder tijd, omdat de priesteren zich niet genoeg geheiligd hadden, en het volk zich niet verzameld had te Jeruzalem.4En deze zaak was recht in de ogen des konings, en in de ogen der ganse gemeente.5Zo stelden zij zulks, dat men een stem door gans Israel, van Ber-seba tot Dan, zou laten doorgaan, opdat zij zouden komen om het pascha den HEERE, den God Israels, te houden in Jeruzalem; want zij hadden het in lang niet gehouden, gelijk het geschreven was.6De lopers dan gingen henen met de brieven van de hand des konings en zijner vorsten, door gans Israel en Juda, en naar het gebod des konings, zeggende: Gij, kinderen Israels, bekeert u tot den HEERE, den God van Abraham, Izak en Israel, zo zal Hij Zich keren tot de ontkomenen, die ulieden overgebleven zijn uit de hand der koningen van Assyrie.7En zijt niet als uw vaders en als uw broeders, die tegen den HEERE, den God hunner vaderen, overtreden hebben; waarom Hij hen tot verwoesting overgegeven heeft, gelijk als gij ziet.8Verhardt nu ulieder nek niet, gelijk uw vaderen; geeft den HEERE de hand, en komt tot Zijn heiligdom, hetwelk Hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient den HEERE, uw God; zo zal de hitte Zijns toorns van u afkeren.9Want als gij u bekeert tot den HEERE, zullen uw broederen en uw kinderen barmhartigheid vinden voor het aangezicht dergenen, die hen gevangen hebben, zodat zij in dit land zullen wederkomen; want de HEERE, uw God, is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden, zo gij u tot Hem bekeert.10Zo gingen de lopers door, van stad tot stad, door het land van Efraim en Manasse, tot Zebulon toe; doch zij belachten hen, en bespotten hen.11Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser, en Manasse, en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem.12Ook was de hand Gods in Juda, hun enerlei hart gevende, dat zij het gebod des konings en der vorsten deden, naar het woord des HEEREN.13En te Jeruzalem verzamelde zich veel volks, om het feest der ongezuurde broden te houden, in de tweede maand, een zeer grote gemeente.14En zij maakten zich op, en namen de altaren weg, die te Jeruzalem waren; daartoe namen zij alle rooktuig weg, hetwelk zij in de beek Kidron wierpen.

Het verstandige hart van Hizkía begrijpt dat nu het pascha weer in ere hersteld moet worden. Het zal in de tweede maand plaatsvinden, in overeenstemming met de aanwijzingen in Numeri 9 vers 11.

In het ruime hart van Hizkía is plaats voor heel Israël. Daarom stuurt hij een bericht door heel Israël en Juda (vers 6).

Zó laat de Heere ook vandaag nog Zijn genadige uitnodiging verkondigen om tot Zijn gedachtenis het avondmaal te eten. Bent u, ben ik een dienstknecht van Hem die Hij met deze kostbare boodschap op pad kan sturen?

Wat is de inhoud van deze boodschap?

"Bekeert u tot de HEERE", dat houdt in: berouw hebben;

"Geeft de HEERE de hand", dat wil zeggen: geloven;

"Komt tot Zijn heiligdom", dat is: zoeken naar de plaats waar Hij Zijn tegenwoordigheid beloofd heeft;

"Dient de HEERE"; en

Weet, dat Hij "genadig en barmhartig" is (vers 9).

Zo'n boodschap stuit op verzet en spot.

Het antwoord van de massa op deze genade is ongeloof en onverschilligheid. Desondanks is het de moeite waard deze boodschap te laten weerklinken, want enkelen verootmoedigen zich en komen naar Jeruzalem waar velen bij elkaar gekomen zijn.

Daar wordt de reiniging waar de Levieten mee begonnen zijn, voortgezet. De altaren die Achaz voor zichzelf "in alle hoeken te Jeruzalem" had laten maken (hoofdstuk 28 vers 24), worden, evenals de onreinheden van de tempel, in de beek Kidron geworpen (vergelijk hoofdstuk 29 vers 16).

2 Kronieken 30:15-27
15Toen slachtten zij het pascha, op den veertienden der tweede maand; en de priesters en de Levieten waren beschaamd geworden, en hadden zich geheiligd, en hadden brandofferen gebracht in het huis des HEEREN.16En zij stonden in hun stand, naar hun wijze, naar de wet van Mozes, den man Gods; de priesters sprengden het bloed, dat nemende uit de hand der Levieten.17Want een menigte was in die gemeente, die zich niet geheiligd hadden; daarom waren de Levieten over de slachting der paaslammeren, voor iedereen, die niet rein was, om die den HEERE te heiligen.18Want een menigte des volks, velen van Efraim en Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het pascha, niet gelijk geschreven is. Doch Jehizkia bad voor hen, zeggende: De HEERE, die goed is, make verzoening voor dien.19Die zijn ganse hart gericht heeft, om God den HEERE, den God zijner vaderen, te zoeken, hoewel niet naar de reinigheid des heiligdoms.20En de HEERE verhoorde Jehizkia, en heelde het volk.21Zo hielden de kinderen Israels, die te Jeruzalem gevonden werden, het feest der ongezuurde broden, zeven dagen, met grote blijdschap. De Levieten nu en de priesteren prezen den HEERE, dag op dag, met sterk luidende instrumenten des HEEREN.22En Jehizkia sprak naar het hart van alle Levieten, die verstand hadden in de goede kennis des HEEREN; en zij aten de offeranden des gezetten hoogtijds zeven dagen, offerende dankofferen, en lovende den HEERE, den God hunner vaderen.23Als nu de ganse gemeente raad gehouden had, om andere zeven dagen te houden, hielden zij nog zeven dagen met blijdschap.24Want Jehizkia, de koning van Juda, gaf de gemeente duizend varren en zeven duizend schapen; en de vorsten gaven de gemeente duizend varren en tien duizend schapen; de priesteren nu hadden zich in menigte geheiligd.25En de ganse gemeente van Juda verblijdde zich, mitsgaders de priesteren en de Levieten, en de gehele gemeente dergenen, die uit Israel gekomen waren; ook de vreemdelingen, die uit het land van Israel gekomen waren, en die in Juda woonden.26Zo was er grote blijdschap te Jeruzalem; want van de dagen van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel, was desgelijks in Jeruzalem niet geweest.27Toen stonden de Levietische priesteren op, en zegenden het volk; en hun stem werd gehoord; want hun gebed kwam tot Zijn heilige woning in den hemel.

Zoals de koning in de gelijkenis heeft ook Hizkía de uitnodiging van de genade in het hele land laten verkondigen: "Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid ... alle dingen zijn gereed" (Mattheüs 22 vers 4).

Velen geven hier echter geen gehoor aan. En van hen die wel komen, heeft een groot deel zich nog niet geheiligd (vers 17).

Wat nu? Moeten ze weer naar huis teruggestuurd worden? Nee! Zoals de genodigden voor het grote feestmaal van de koning een bruiloftskleed kregen, houdt de genade van God zich hier bezig met de reiniging van deze Israëlieten om hen geschikt te maken voor Zijn heilige tegenwoordigheid.

Deze reiniging wordt juist bewerkt door het vieren van het pascha waarvoor ze naar Jeruzalem gekomen waren. Het bloed van het geslachte offer is het middel tot hun reiniging. Daarbij denken we aan het bloed van de Heere Jezus, het heilige Lam van God, Zijn Zoon, dat reinigt van alle zonde (1 Johannes 1 vers 7).

Wat de zwakken en onwetenden betreft, voor hen treedt Hizkía op om voorbede te doen bij God. Hij is daarin een kostbaar beeld van Christus. En God vergeeft hen.

Daarna volgt het feest van de ongezuurde broden. Dat spreekt van praktische heiliging. Dit feest gaat met grote blijdschap gepaard. Dat is een bewijs dat de afzondering voor God juist helemaal geen verdrietige aangelegenheid is.

Het gebed van Hizkía, de voorspraak voor het volk, bereikt zijn doel: het komt aan in de heilige woning van de HEERE in de hemel.

2 Kronieken 31:1-8
1Als zij nu voleind hadden, togen alle Israelieten, die er gevonden werden, uit, tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bossen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit gans Juda en Benjamin, ook in Efraim en Manasse, totdat zij alles te niet gemaakt hadden; daarna keerden al de kinderen Israels weder, een ieder tot zijn bezitting in hun steden.2En Hizkia bestelde de verdelingen der priesteren en der Levieten, naar hun verdelingen, een ieder naar zijn dienst, de priesteren en de Levieten tot het brandoffer en tot de dankofferen, om te dienen, en om te loven, en om te prijzen in de poort van de legers des HEEREN;3Ook het deel des konings van zijn have tot de brandofferen, tot de brandofferen des morgens en des avonds, en de brandofferen der sabbatten, en der nieuwe maanden, en der gezette hoogtijden; gelijk geschreven is in de wet des HEEREN.4En hij zeide tot het volk, tot de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel der priesteren en Levieten geven zouden, opdat zij versterkt mochten worden in de wet des HEEREN.5Toen nu dat woord uitbrak, brachten de kinderen Israels vele eerstelingen van koren, most, en olie, en honig, en van al de inkomsten des velds; ook brachten zij de tienden van alles in met menigte.6En de kinderen van Israel en Juda, die in de steden van Juda woonden, brachten ook tienden der runderen en der schapen, en tienden der heilige dingen, die den HEERE, hun God, geheiligd waren, en maakten vele hopen.7In de derde maand begonnen zij den grond van die hopen te leggen, en in de zevende maand voleindden zij.8Toen nu Jehizkia en de vorsten kwamen en die hopen zagen, zegenden zij den HEERE en Zijn volk Israel.

De Israëlieten die geantwoord hadden op de oproep van Hizkía, hebben de tegenwoordigheid van de HEERE ervaren en de vreugde beleefd die dit met zich meebrengt.

Nu trekken ze vol ijver door het land en wissen alle sporen van de afgodendienst uit. Nadat zij persoonlijk de waarde van de ware godsdienst in Israël hebben leren kennen, kunnen ze zich ook indenken hoe ver zij zich daarvan verwijderd hadden.

Dat is een waarheid met een heel grote betekenis! Om in staat te zijn het kwaad weg te doen, moet men eerst een ontmoeting met de Heere gehad hebben!

Het is vergeefse moeite iemand eenvoudig te vermanen de wereld met haar afgoden op te geven. We moeten hem eerst bij de Heere brengen en daaruit zullen vruchten ontstaan. Dat is de les die Hizkía ons hier geeft.

Het weldoen kan niet losgemaakt worden van andere offers (zie Hebreeën 13 vers 15 en 16).

De eerstelingen en de tienden worden ingezameld in verbinding met de twee grote jaarlijkse feesten die op het pascha volgen: het feest der weken (Pinksteren) in de derde maand en het loofhuttenfeest in de zevende maand (vers 7).

De koning neemt van zijn eigen goederen wat nodig is voor het brandoffer. En het volk volgt hem hierin, zoals het hem ook gevolgd is in het wegdoen van de afgoden.

Het voorbeeld heeft meer kracht dan woorden zouden hebben. Laten we dat voor onszelf nooit vergeten (zie 2 Thessalonika 3 vers 7 tot en met 9)!

2 Kronieken 31:9-21
9En Jehizkia ondervraagde de priesteren en de Levieten aangaande die hopen.10En Azaria, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zeide: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het huis des HEEREN te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja, over te houden tot overvloed toe; want de HEERE heeft Zijn volk gezegend, zodat deze veelheid overgebleven is.11Toen zeide Jehizkia, dat men kameren aan het huis des HEEREN bereiden zou; en zij bereidden ze.12Daarin brachten zij die heffing, en de tienden, en de geheiligde dingen, in getrouwigheid; en daarover was Chonanja, de Leviet, overste, en Simei, zijn broeder, de tweede.13Maar Jehiel, en Azazja, en Nahath, en Asahel, en Jerimoth, en Jozabad, en Eliel, en Jismachja, en Mahath, en Benaja, waren opzieners, onder de hand van Chonanja en Simei, zijn broeder; door het bevel van den koning Jehizkia en van Azaria, den overste van het huis Gods.14En Kore, de zoon van Jimna, de Leviet, de poortier tegen het oosten, was over de vrijwillige gaven Gods, om het hefoffer des HEEREN en het allerheiligste uit te delen.15En aan zijn hand waren Eden, en Minjamin, en Jesua, en Semaja, Amarja en Sechanja, in de steden der priesteren, met getrouwigheid, om aan hun broederen in de verdelingen, zowel aan de kleinen als de groten, uit te delen:16(Benevens die gesteld waren in het geslachtsregister der manspersonen, drie jaren oud en daarboven) allen, die in het huis des HEEREN gingen, tot het dagelijkse werk op elken dag, voor hun dienst, in hun wachten, naar hun verdelingen.17En met die gesteld waren in het geslachtsregister der priesteren naar het huis hunner vaderen, ook de Levieten van twintig jaren oud en daarboven, in hun wachten, naar hun verdelingen;18Ook tot de geslachtsrekening met al hun kinderkens, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochteren, door de ganse gemeente; want zij hadden zich in hun ambt in heiligheid geheiligd.19Ook waren onder de kinderen van Aaron, de priesteren, op de velden der voorsteden hunner steden, in elke stad, mannen, die met namen uitgedrukt waren, om aan alle manspersonen onder de priesteren en aan allen, die in het geslachtsregister onder de Levieten gesteld waren, delen te geven.20En alzo deed Jehizkia in geheel Juda; en hij deed dat goed, en recht, en waarachtig was, voor het aangezicht des HEEREN, zijns Gods.21En in alle werk, dat hij begon in den dienst van het huis Gods, en in de wet en in het gebod, om zijn God te zoeken, deed hij met zijn ganse hart, en had voorspoed.

De koning "ondervroeg de priester en de Levieten aangaande de hopen". Zo neemt de Heere ook kennis van alles wat wij Hem geven (of niet geven!).

Het zal altijd weinig zijn: "Vijf gerstebroden ... en twee visjes", maar Hij kan daaruit een grote overvloed bewerken. Er zullen resten overblijven, nadat iedereen verzadigd is (vers 10; zie Johannes 6 vers 9 en 12 en ook Maleáchi 3 vers 10).

Niets van wat God ons geeft, mag verloren gaan of verkwist worden.

Dan worden er opzieners en beheerders aangesteld. Hun taken bestaan uit enerzijds het waken over de voorraden, en anderzijds het "met getrouwheid ... aan hun broeders ...uitdelen" (vers 15).

"En voorts", zegt de apostel, "wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden wordt" (1 Korinthe 4 vers 2).

Paulus was hierin zelf een voorbeeld, toen hij naar Jeruzalem reisde om de opbrengst van een inzameling te brengen (zie Romeinen 15 vers 25 en 26; 1 Korinthe 16 vers 3 en 4).

Deze trouw is echter niet minder belangrijk, wanneer het om het geestelijke voedsel voor het volk van God gaat!

Hizkía "deed wat goed, en recht, en waarachtig was, voor het aangezicht van de HEERE, zijn God". Hij was met zijn hele hart bij de zaak. Dat is een prachtige samenvatting van zijn bezigheden.

Geve de Heere dat Hij aan het einde van de loopbaan van een ieder van ons hetzelfde kan zeggen!

2 Kronieken 32:1-15
1Na deze geschiedenissen en derzelver bevestiging, kwam Sanherib, de koning van Assyrie, en toog in Juda, en legerde zich tegen de vaste steden, en dacht ze tot zich af te scheuren.2Jehizkia nu ziende, dat Sanherib kwam, en zijn aangezicht was tot den krijg tegen Jeruzalem;3Zo hield hij raad met zijn vorsten en zijn helden, om de fonteinwateren te stoppen, die buiten de stad waren; en zij hielpen hem.4Want veel volks werd vergaderd, dat al de fonteinen stopte, mitsgaders de beek, die door het midden des lands henenvloeide, zeggende: Waarom zouden de koningen van Assyrie komen, en veel waters vinden?5Zo versterkte hij zich, en bouwde den gehelen muur op, die gebroken was, dien hij optrok tot aan de torens, met een anderen muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad Davids; en hij maakte geweer en schilden in menigte.6En hij stelde krijgsoversten over het volk, en hij vergaderde hen tot zich in de straat der stadspoort, en sprak naar hun hart, zeggende:7Zijt sterk, en hebt een goeden moed, vreest niet, en ontzet u niet, voor het aangezicht des konings van Assyrie, noch voor het aangezicht der ganse menigte, die met hem is; want met ons is er meer, dan met hem.8Met hem is een vreselijke arm, maar met ons is de HEERE, onze God, om ons te helpen, en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizkia, den koning van Juda.9Na dezen zond Sanherib, de koning van Assyrie, zijn knechten naar Jeruzalem,, doch hij zelf was voor Lachis, en al zijn heerschappij met hem) tot Jehizkia, den koning van Juda, en tot het ganse Juda, dat te Jeruzalem was, zeggende:10Zo zegt Sanherib, de koning van Assyrie: Waarom vertrouwt gij, dat gij te Jeruzalem blijft in de vesting?11Ruit u Jehizkia niet op, dat hij u overgeve, om door honger en door dorst te sterven, zeggende: De HEERE, onze God, zal ons uit de hand des konings van Assyrie redden?12Heeft niet dezelfde Jehizkia Zijn hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tot Juda en tot Jeruzalem gesproken, zeggende: Voor het enige altaar zult gij u nederbuigen, en daarop roken?13Weet gij niet, wat ik gedaan heb, en mijn vaderen aan alle volken der landen? Hebben de goden van de natien dier landen hun land enigszins kunnen redden uit mijn hand?14Wie is er onder alle goden derzelver natien, dewelke mijn vaders verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijn hand, dat uw God u uit mijn hand zou kunnen redden?15Nu dan, dat Jehizkia ulieden niet bedriege, en dat hij u op zulk een wijze niet opruie, en gelooft hem niet; want geen god van enige natie en koninkrijk heeft zijn volk uit mijn hand en mijner vaderen hand kunnen redden; hoeveel te min zal uw God u uit mijn hand kunnen redden?

Het was te verwachten dat alles wat Hizkía zó trouw deed en waarin God een welgevallen had, voor de vijand juist onverdraaglijk zou zijn. Dat prikkelde hem en daardoor leefde de vijandschap tegen Israël en zijn koning op.

Bij alle vreugde die wij in de Heere mogen genieten, moeten we nooit vergeten dat de vijand ook in de buurt is! Hij gaat rond als een brullende leeuw om te zoeken wie hij zou kunnen verslinden (1 Petrus 5 vers 8).

Satan blaast de aanval. Hij zet de machtige koning van Assyrië op tegen Jeruzalem. Die begint met het houden van een dreigende en huichelachtige toespraak tot het volk. Hij zegt dat Hizkía hen zeker de dood in zal drijven door honger en dorst (vers 11).

Dat is een grote leugen! De voorraadkamers van het heiligdom waren immers rijk gevuld met voedsel dat in dagen van overvloed opgespaard was (hoofdstuk 31 vers 10 en 11)! En dankzij de waterleiding die de koning zojuist had laten aanleggen (vergelijk vers 4 met 2 Koningen 18 vers 17 en 20 vers 20), borrelde het frisse water zelfs midden in de stad op.

De grote leugenaar spreekt vandaag de dag nog op dezelfde wijze. Hij fluistert ons in dat wanneer we bij de Heere Jezus blijven, ons dit alleen maar gebrek en ontbering zal opleveren.

Wij weten dat juist het tegendeel het geval is! Christus is het Brood des levens (Johannes 6 vers 48 en 51). En Hij is de Bron van levend water (Johannes 7 vers 37), terwijl buiten Hem de dorst heerst die de mensen kwelt (vers 4).

2 Kronieken 32:16-33
16Daartoe spraken zijn knechten nog meer tegen God, den HEERE, en tegen Zijn knecht Jehizkia.17Ook schreef hij brieven, om den HEERE, den God Israels, te honen en om tegen Hem te spreken, zeggende: Gelijk de goden van de natien der landen, die hun volk uit mijn hand niet gered hebben, alzo zal de God van Jehizkia Zijn volk uit mijn hand niet redden.18En zij riepen met luider stem, in het Joods, tegen het volk van Jeruzalem, dat op den muur was, om die bevreesd te maken en die te beroeren, opdat zij de stad mochten innemen.19En zij spraken van den God van Jeruzalem, als van de goden der volkeren der aarde, een werk van mensenhanden.20Maar de koning Jehizkia en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, baden daartegen, en zij riepen naar den hemel.21En de HEERE zond een engel, die alle strijdbare helden, en vorsten, en oversten in het leger des konings van Assyrie verdelgde. Zo is hij met schaamte des aangezichts in zijn land wedergekeerd; en als hij in het huis zijns gods ingegaan was, zo velden hem daar met het zwaard, die uit zijn lijf voortgekomen waren.22Alzo verloste de HEERE Jehizkia en de inwoners van Jeruzalem, uit de hand van Sanherib, den koning van Assyrie, en uit de hand van allen; en Hij geleidde hen rondom heen.23En velen brachten geschenken tot den HEERE te Jeruzalem, en kostelijkheden tot Jehizkia, den koning van Juda, zodat hij daarna voor de ogen van alle heidenen verheven werd.24In die dagen werd Jehizkia krank tot stervens toe, en hij bad tot den HEERE, Die sprak tot hem, en Hij gaf hem een wonderteken.25Maar Jehizkia deed gene vergelding, naar de weldaad aan hem geschied, dewijl zijn hart verheven werd; daarom werd over hem, en over Juda en Jeruzalem, een grote toornigheid.26Doch Jehizkia verootmoedigde zich om de verheffing zijns harten, hij en de inwoners van Jeruzalem, zodat de grote toornigheid des HEEREN over hen niet kwam in de dagen van Jehizkia.27Jehizkia nu had zeer veel rijkdom en eer; en hij maakte zich schatkameren voor zilver en voor goud, en voor kostelijk gesteente, en voor specerijen, en voor schilden, en voor alle begeerlijk gereedschap;28Ook schathuizen voor de inkomsten van koren, en most, en olie; en stallen voor allerlei beesten, en kooien voor de kudden.29Daartoe had hij zich steden gemaakt, mitsgaders bezitting van schapen en runderen in menigte; want God gaf hem zeer grote have.30Doch Jehizkia stopte ook den opperuitgang der wateren van Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen der stad Davids; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk.31Maar het is alzo, als de gezanten der vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land geschied was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.32Het overige nu der geschiedenissen van Jehizkia, en zijn goeddadigheden, ziet, die zijn geschreven in het gezicht van den profeet Jesaja, den zoon van Amoz, en in het boek der koningen van Juda en Israel.33En Jehizkia ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in het hoogste van de graven der zonen van David; daartoe deden gans Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eer aan in zijn dood; en zijn zoon Manasse werd koning in zijn plaats.

In 2 Koningen 18 en 19 hebben we uitvoerig kunnen lezen over de smadelijke toespraak van Rabsaké. Zijn rede wordt gevolgd door de brief van de koning van Assyrië.

Hoe moet Hizkía hierop antwoorden? Door gebed!

Samen met Jesaja roept hij tot God. Dat is, wat het aantal betreft, de kleinst mogelijke gemeenschappelijke bidstond. Bij de Heere vindt dit echter erkenning. En overeenkomstig Zijn belofte gaat er een onoverwinnelijke kracht vanuit: "Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is" (Mattheüs 18 vers 19).

Aan de éne kant zijn er twee mannen in gebed, aan de andere kant staat een enorm groot leger. De overwinning is echter voor die twee. De aanvallers worden verdelgd, zonder zelf te weten hoe!

"Zo is hij met schaamte des aangezichts in zijn land weergekeerd", om daar door zijn eigen zonen vermoord te worden.

Na de koning van Assyrië verschijnt de "koning der verschrikkingen" ten tonele, dat is de dood (Job 18 vers 14). Hij is een nog gruwelijker vijand die gekomen is om Hizkía te verslinden.

Ook tegenover hem is het gebed echter een machtig wapen en God bevrijdt Hizkía opnieuw.

Helaas eindigt deze gelukkige regeringsperiode niet zonder een donkere schaduw. De koning faalt vanwege z'n hoogmoed. Daarop verootmoedigt hij zich "om de verheffing van zijn hart", als resultaat van een tuchtiging van de HEERE.

2 Kronieken 33:1-13
1Manasse was twaalf jaren oud, als hij koning werd, en regeerde vijf en vijftig jaren te Jeruzalem.2En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar de gruwelen der heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.3Want hij bouwde de hoogten weder op, die zijn vader Jehizkia afgebroken had, en richtte den Baals altaren op, en maakte bossen, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze;4En bouwde altaren in het huis des HEEREN, van hetwelk de HEERE gezegd had: Te Jeruzalem zal Mijn Naam zijn tot in eeuwigheid.5Daartoe bouwde hij altaren voor al het heir des hemels, in beide de voorhoven van het huis des HEEREN.6En hij deed zijn zonen door het vuur gaan, in het dal des zoons van Hinnom, en pleegde guichelarij, en gaf op vogelgeschrei acht, en toverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren; en hij deed zeer veel kwaads in de ogen des HEEREN, om Hem tot toorn te verwekken.7Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, die hij gemaakt had, in het huis Gods, van hetwelk God gezegd had tot David en tot zijn zoon Salomo: In dit huis, en te Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israel verkoren heb, zal Ik Mijn Naam zetten tot in eeuwigheid.8En Ik zal den voet van Israel niet meer doen wijken van het land, dat Ik uw vaderen besteld heb; alleenlijk zo zij waarnemen te doen, al hetgeen Ik hun geboden heb, naar de ganse wet, en inzettingen, en rechten, door de hand van Mozes.9Zo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de HEERE voor het aangezicht der kinderen Israels verdelgd had.10De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk; maar zij merkten daar niet op.11Daarom bracht de HEERE over hen de krijgsoversten, die de koning van Assyrie had, dewelke Manasse gevangen namen onder de doornen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.12En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des HEEREN, zijns Gods, ernstelijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen,13En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is.

De regeringsperiode van Manasse is in tweeërlei opzicht uitzonderlijk: wat de lengte ervan betreft (vijfenvijftig jaar), maar helaas ook als het gaat om het kwaad dat tijdens deze periode gevonden wordt.

Hoe kan het toch dat zijn regering zó buitengewoon lang geduurd heeft, terwijl de ongerechtigheid in de ogen van de HEERE toch uitermate onverdraaglijk moet zijn geweest?

Met bewondering moeten we constateren dat dit komt door Gods grote geduld dat door genade bewerkt wordt. Laten we niet vergeten dat het Boek Kronieken juist van A tot Z door genade wordt gekenmerkt!

Het voorbeeld van Manasse leert ons dat, hoe groot de zondaar ook mag zijn, God in staat is zijn hart te veranderen. En van alle gebeurtenissen die ons in de Schrift meegedeeld worden, is dit er één die ons het meest oproept tot voorbede. Laten we nooit denken dat iemand té diep in het kwaad weggezonken is om gered te kunnen worden. En laten we daarom ook nooit verslappen in ons gebed voor zo iemand!

In de goddeloze regering van Manasse zien we ook een korte weergave van de profetische geschiedenis van Israël. De naam van deze koning betekent: 'vergeten'. Dat doet ons denken aan de uitspraak van de HEERE: "Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal" (Jeremía 2 vers 32).

Door deze grove nalatigheid is het volk Israël heden ten dage nog steeds verstrooid onder de volken en leeft het onder hun juk. Deze verstrooiing zal echter tegelijk het middel zijn waardoor het hart en geweten van dit volk uiteindelijk getroffen zal worden, evenals bij Manasse.

2 Kronieken 33:14-25
14En na dezen bouwde hij den buitenmuur aan de stad Davids, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot den ingang van de Vispoort, en omsingelde Ofel, en verhief dien zeer; hij legde ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda.15En hij nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het huis des HEEREN weg, mitsgaders al de altaren, die hij gebouwd had op den berg van het huis des HEEREN, en te Jeruzalem; en hij wierp ze buiten de stad.16En hij richtte het altaar des HEEREN toe, en offerde daarop dankofferen en lofofferen, en zeide tot Juda, dat zij den HEERE, den God Israels, dienen zouden.17Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel aan den HEERE, hun God.18Het overige nu der geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijn God, ook de woorden der zieners, die tot hem gesproken hebben in den Naam van den HEERE, den God Israels, ziet, die zijn in de geschiedenissen der koningen van Israel;19En zijn gebed, en hoe God Zich van hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonde, en zijn overtreding, en de plaatsen, waarop hij hoogten gebouwd, en bossen en gesneden beelden gesteld heeft, eer hij vernederd werd, ziet, dat is beschreven in de woorden der zieners.20En Manasse ontsliep met zijn vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amon werd koning in zijn plaats.21Amon was twee en twintig jaren oud, als hij koning werd, en regeerde twee jaren te Jeruzalem.22En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde al den gesneden beelden, die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze.23Maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des HEEREN, gelijk Manasse, zijn vader, zich vernederd had; maar deze Amon vermenigvuldigde de schuld.24En zijn knechten maakten een verbintenis tegen hem, en doodden hem in zijn huis.25Maar het volk des lands sloeg hen allen, die de verbintenis tegen den koning Amon gemaakt hadden; en het volk des lands maakte zijn zoon Josia koning in zijn plaats.

Op het smeken van Manasse handelt God in genade en Hij geeft hem zelfs de gelegenheid om van het kwaad dat hij bedreven had, iets tot op zekere hoogte weer goed te maken.

Dagelijks komen er bekeringen op het sterfbed voor. Ook al is er dan nog steeds de gelegenheid dat een ziel gered wordt, toch is het te laat om nog iets voor de Heere te kunnen doen. Er is geen tijd en gelegenheid meer om Hem te dienen. Dat is een groot verlies voor de eeuwigheid. Dat verlies kan nooit meer goedgemaakt worden (zie 2 Korinthe 5 vers 10 en 1 Korinthe 3 vers 15)!

Een bekering wordt zichtbaar aan de vruchten, de gevolgen en uitwerkingen in het leven. Heel Juda is getuige van de bekering van Manasse.

De afgoden die hij eerst zo ijverig gediend heeft, worden weggedaan. De afgodendienst wordt vervangen door de dienst van de HEERE. DM is het bijzondere kenmerk van een echte bekering (1 Thessalonika 1 vers 9).

Dit woord betekent: 'omkering', een totale en definitieve verandering van richting. De Heere Jezus wordt dan het levensdoel. En alle kracht die eerst verbruikt werd voor de wereld en de zonde, komt beschikbaar voor de overgave aan de Heere.

Amon heeft echter niets geleerd uit het voorbeeld van zijn vader. In zijn hart heeft geen verootmoediging plaatsgevonden.

Daarom vergaat hij "als een bloem des velds. ...als de Geest des HEEREN daarin blaast", zoals de profeet Jesaja dat zegt in Jesaja 40 vers 6 en 7.

2 Kronieken 34:1-7; 29-33
1Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.2En hij deed dat recht was in de ogen des HEEREN, en wandelde in de wegen van zijn vader David, en week niet af ter rechter hand, noch ter linkerhand.3Want in het achtste jaar zijner regering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bossen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.4En men brak voor zijn aangezicht af de altaren der Baals; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bossen ook, en de gesneden en gegoten beelden verbrak, en vergruisde, en strooide hij op de graven dergenen, die hun geofferd hadden.5En de beenderen der priesteren verbrandde hij op hun altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.6Daartoe in de steden van Manasse, en Efraim, en Simeon, ja, tot Nafthali toe, in haar woeste plaatsen rondom,7Brak hij ook de altaren af en de bossen, en de gesneden beelden stampte hij, die vergruizende, en al de zonnebeelden hieuw hij af in het ganse land van Israel; daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.
29Toen zond de koning henen, en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem.30En de koning ging op in het huis des HEEREN, en al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, mitsgaders de priesters en de Levieten, en al het volk, van den grote tot den kleine toe; en men las voor hun oren al de woorden van het boek des verbonds, dat in het huis des HEEREN gevonden was.31En de koning stond in zijn standplaats, en maakte een verbond voor des HEEREN aangezicht, om den HEERE na te wandelen, en om Zijn geboden, en Zijn getuigenissen, en Zijn inzettingen, met zijn ganse hart en met zijn ganse ziel, te onderhouden, doende de woorden des verbonds, die in datzelve boek geschreven zijn.32En hij deed allen, die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, staan; en de inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond van God, den God hunner vaderen.33Josia dan deed alle gruwelen weg uit alle landen, die der kinderen Israels waren, en maakte allen, die in Israel gevonden werden, te dienen; te dienen den HEERE, hun God; al zijn dagen weken zij niet af van den HEERE, den God hunner vaderen, na te volgen.

De naam Josía betekent: 'die door de Heere gesteund wordt'. Wij hebben allemaal het recht om deze naam te dragen. Is het ook werkelijkheid bij ons?

Al vanaf zijn geboorte omringd door de zorg van de HEERE, begint Josía op zestienjarige leeftijd naar Hem te zoeken. Dan pakt hij het grote werk van de opwekking op, zoals we dat al overdacht hebben in 2 Koningen 22 en 23.

Misschien is één van onze lezers ook om en nabij de zestien jaar. Dan ben je geen klein kind meer en het hele leven met al z'n mogelijkheden ligt voor je open.

De tijd van de jeugd is iets kostbaars wat je van God hebt ontvangen. Hoe ga je daarmee om?

Sommigen verspillen hun 'jonge jaren' op een dwaze manier en moeten daar later de bittere vruchten van oogsten.

Er zijn er ook die, vanuit menselijk oogpunt bezien, verstandiger zijn en alles op alles zetten (met name door middel van een studie) om een goede positie in de samenleving te verwerven.

En dan zijn er ook nog jongeren die handelen zoals Josía. Zij zijn de verstandigsten van allemaal. Zij zoeken eerst de Heere en brengen daarna alles in overeenstemming met Zijn wil (zie Mattheus 6 vers 33).

Tijdens de werkzaamheden is het Goddelijke Woord teruggevonden in de tempel. Josía laat het hele volk dit Woord horen en brengt allen ertoe de HEERE te dienen (vers 33). In de genadetijd, nu dus, is dat niet meer zo. Niemand wordt gedwongen tot gehoorzaamheid aan de Heere. Dat moet voortkomen uit onze liefde voor Hem.

2 Kronieken 35:1-14
1Daarna hield Josia het pascha den HEERE te Jeruzalem; en zij slachtten het pascha op den veertienden der eerste maand.2En hij stelde de priesteren op hun wachten; en hij sterkte hen tot den dienst van het huis des HEEREN.3En hij zeide tot de Levieten, die gans Israel onderwezen, die den HEERE heilig waren: Zet de heilige ark in het huis, hetwelk Salomo, de zoon van David, de koning van Israel, gebouwd heeft; gij hebt geen last op de schouderen; dient nu den HEERE, uw God, en Zijn volk Israel;4En bereidt u naar de huizen uwer vaderen, naar uw verdelingen, naar het voorschrift van David, den koning van Israel, en naar de beschrijving van zijn zoon Salomo;5En staat in het heiligdom, naar de onderscheiding der vaderlijke huizen, voor uw broederen, het volk, en naar de afdeling van de vaderlijke huizen der Levieten;6En slacht het pascha, en heiligt u, en bereidt dat voor uw broederen, doende naar het woord des HEEREN, door de hand van Mozes.7En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken, die alle tot paasofferen, naar al hetgeen er gevonden werd, in getal dertig duizend; maar van runderen drie duizend; dit was van des konings have.8Ook gaven zijn vorsten tot een vrijwillig offer voor het volk, voor de priesteren, en voor de Levieten; Hilkia, en Zacharia, en Jehiel, de oversten van het huis Gods, gaven den priesteren tot paasofferen, twee duizend en zeshonderd klein vee, en driehonderd runderen.9Daartoe Chonanja, en Semaja, en Nethaneel, zijn broeders, mitsgaders Hasabja, en Jeiel, en Jozabad, de oversten der Levieten, gaven den Levieten tot paasofferen, vijf duizend klein vee en vijfhonderd runderen.10Alzo werd de dienst toebereid; en de priesteren stonden in hun standplaats, en de Levieten in hun verdelingen, naar het gebod des konings.11Daarna slachtte men het pascha, en de priesters sprengden het bloed uit hun handen, en de Levieten trokken de huiden af.12En zij namen het brandoffer daar af, opdat zij die naar de verdelingen der vaderlijke huizen, aan het volk geven mochten, om den HEERE te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; en alzo met de runderen.13En zij kookten het pascha bij het vuur, naar het recht; maar de andere heilige dingen kookten zij in potten, en in ketels, en in pannen; en zij deelden het haastelijk onder al het volk.14Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de priesteren; want de priesters, de zonen van Aaron, waren tot aan den nacht in het offeren der brandofferen en des vets; daarom bereidden de Levieten voor zichzelven, en voor de priesteren, de zonen van Aaron.

De viering van het pascha door Josía en het volk neemt hier bijna een heel hoofdstuk in beslag, terwijl er in 2 Koningen slechts drie verzen aan gewijd zijn (hoofdstuk 23 vers 21 tot en met 23).

De viering van het pascha is het gevolg van de terugkeer tot het Woord waarover we in het voorgaande hoofdstuk gelezen hebben. Het pascha was voor Israël de allereerste instelling van God. De HEERE had dit al vóór de uittocht uit Egypte aan het volk gegeven.

Het pascha was een herinnering aan de grote verlossing uit de slavernij die hun ten deel was gevallen.

Voor de kinderen van God is er ook zo'n 'gedachtenismaal' (zie 1 Korinthe 11 vers 24 en 25). Elke eerste dag van de week komen de verlosten samen rondom de tafel van de Heere. Dan gedenken ze Hem Die het werk dat voor de verlossing noodzakelijk was, volbracht heeft.

Wat is het kenmerk van dit pascha en ook van de christelijke eredienst? In de eerste plaats de aanwezigheid van de ark: Christus (vers 3).

Vervolgens is het noodzakelijk om in praktische heiligheid te leven. Omdat de ark heilig is, moeten de Levieten zich heiligen om passend te zijn voor deze omgeving.

Tenslotte is het brengen van offers het uiteindelijke doel van dit feest. Dat doet ons denken aan een ander offer. Iedere gelovige wordt ertoe opgeroepen dat aan God te geven. Niet alleen op zondag, maar altijd: "Een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden" (Hebreeën 13 vers 15).

2 Kronieken 35:15-27
15En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, den ziener des konings, mitsgaders de poortiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor hen bereidden.16Alzo werd de ganse dienst des HEEREN op denzelfden dag beschikt, om pascha te houden, en brandofferen op het altaar des HEEREN te offeren, naar het gebod van den koning Josia.17En de kinderen Israels, die er gevonden werden, hielden het pascha ter zelfder tijd, en het feest der ongezuurde broden, zeven dagen.18Daar was ook geen pascha als dat in Israel gehouden, van de dagen van Samuel, den profeet, af; en geen koningen van Israel hadden zulk een pascha gehouden, gelijk dat Josia hield met de priesters en de Levieten, en gans Juda en Israel, dat er gevonden werd, en de inwoners van Jeruzalem.19In het achttiende jaar van het koninkrijk van Josia, werd dit pascha gehouden.20Na dit alles, toen Josia het huis toebereid had, toog Necho, de koning van Egypte, op, om te krijgen tegen Karchemis, aan den Frath; en Josia toog uit hem tegemoet.21Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.22Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem; maar hij verstelde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond van God; maar hij kwam om te strijden in het dal Megiddo.23En de schutters schoten den koning Josia. Toen zeide de koning tot zijn knechten: Voert mij weg, want ik ben zeer gewond.24En zijn knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen, dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen; en gans Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.25En Jeremia maakte een klaaglied over Josia; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hun klaagliederen van Josia, tot op dezen dag; want zij gaven ze tot een inzetting in Israel; en ziet, zij zijn geschreven in de klaagliederen.26Het overige nu der geschiedenissen van Josia, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN;27Zijn geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, ziet, die zijn geschreven in het boek der koningen van Israel en van Juda.

Nog even en de geschiedenis van de koningen van Juda zal voorbij zijn. De vreselijke regeringsperioden van Manasse en Amon hebben de HEERE ertoe gedwongen om met betrekking tot Juda een definitief besluit te nemen.

Toch is het mooi te zien dat er in deze laatste regeringsperiode van Josía nog genade is waardoor er onder zijn regering een opwekking ontstaat.

Het oordeel over de huidige wereld staat voor de deur. Alles wijst daarop. Toch vindt de Heilige Geest er in deze tijd nog een welgevallen in hier en daar een opwekking in mensenlevens te bewerken. Het is Zijn wens die eerst in onze harten, van ieder persoonlijk, te laten plaatsvinden.

Het pascha herinnert aan voorgaande tijden. Niet alleen aan de dagen van David of Salomo, maar zelfs aan de tijd van Samuël!

Alles is goed geordend. Iedereen neemt de hem aangewezen plaats in. De broederliefde is werkzaam.

Deze gebeurtenis komt des te duidelijker en heerlijker naar voren als we eraan denken dat het precies plaatsvindt tussen de voorgaande goddeloze regeringen en de definitieve ondergang die nu staat te komen.

Het einde van Josía komt niet op het hoogtepunt van z'n loopbaan. Evenals Hizkía, komt ook Josía ten val door zijn betrekkingen met de politieke machthebbers van zijn tijd.

Ondanks een waarschuwing van Godzelf, kiest hij de zijde van de vijanden van de farao van Egypte. In de veldslag waar hij zich niet mee had moeten bemoeien, wat overigens ook niet hoefde, komt hij om het leven.

2 Kronieken 36:1-14
1Toen nam het volk des lands Joahaz, den zoon van Josia, en zij maakten hem koning, in zijns vaders plaats, te Jeruzalem.2Drie en twintig jaren was Joahaz oud, als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem.3Want de koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem; en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilvers en een talent gouds.4En de koning van Egypte maakte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijn naam in Jojakim; maar zijn broeder Joahaz nam Necho, en bracht hem in Egypte.5Vijf en twintig jaren was Jojakim oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods.6Nebukadnezar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem te voeren naar Babel.7Nebukadnezar bracht ook van de vaten van het huis des HEEREN naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel.8Het overige nu van de geschiedenissen van Jojakim, en zijn gruwelen, die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, ziet, dat is geschreven in het boek der koningen van Israel en Juda; en Jojachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.9Acht jaren was Jojachin oud, als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN.10En met de wederkomst des jaars zond de koning Nebukadnezar henen, en liet hem naar Babel halen, met de kostelijke vaten van het huis des HEEREN; en hij maakte zijn broeder Zedekia koning over Juda en Jeruzalem.11Een en twintig jaren was Zedekia oud, als hij koning werd, en regeerde elf jaren te Jeruzalem.12En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, zijns Gods; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van den profeet Jeremia, sprekende uit den mond des HEEREN.13Daartoe werd hij ook afvallig tegen den koning Nebukadnezar, die hem beedigd had bij God; en verhardde zijn nek, en verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den HEERE, den God Israels.14Ook maakten alle oversten der priesteren, en het volk, der overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen; en zij verontreinigden het huis des HEEREN, dat Hij geheiligd had te Jeruzalem.

Het volk van Juda volgde niet als geheel het voorbeeld van hun koning Josía. Daarvoor zijn veel aanwijzingen.

De gehoorzaamheid aan de wet was hen van hogerhand opgelegd.

Toen het pascha gevierd werd, was er veel minder vreugde en bereidwilligheid dan bij het pascha in de dagen van Hizkía. De koning en de vorsten moesten zelf offers brengen (hoofdstuk 35 vers 7 tot en met 9).

Nu — nádat de trouwe Josía weggenomen is, omdat "de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad" (Jesaja 57 vers 1) —, wordt de HEERE door niets meer gehinderd in het voltrekken van het oordeel over Juda.

De gebeurtenissen volgen elkaar snel op. In korte tijd nemen vier koningen van elkaar de macht over: Jóahaz, Jójakim, Jójachin en Zedekía.

Met de één is het nog erger gesteld dan met de ander. De opstandige geest die zij aan de dag leggen, is eerst voor Egypte en daarna voor Babylon de aanleiding om in te grijpen in de aangelegenheden van dit kleine rijkje.

Tot drie keer toe vinden er kleine wegvoeringen naar Babel plaats. Met de gereedschappen uit de tempel verging het net als met de mensen zelf.

Vanaf vers 14 kunnen we duidelijk lezen dat de oversten van de priesters en het volk, evengoed als hun koning, medeverantwoordelijk zijn voor het oordeel dat hen nu treft.

2 Kronieken 36:15-23
15En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.16Maar zij spotten met de boden Gods, en verachtten Zijn woorden; zij verleidden zichzelven tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen helen aan was.17Want Hij deed tegen hen opkomen den koning der Chaldeen, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns heiligdoms doodde, en hij verschoonde de jongelingen niet, noch de maagden, de oudsten noch de stokouden; Hij gaf hen allen in zijn hand.18En alle vaten van het huis Gods, de grote en de kleine, en de schatten van het huis des HEEREN, en de schatten des konings en zijner vorsten, dit alles voerde hij naar Babel.19En zij verbrandden het huis Gods, en zij braken den muur van Jeruzalem af, en al de paleizen daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle kostelijke vaten derzelve.20En wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en zijn zonen tot knechten, tot het regeren des koninkrijks van Perzie;21Opdat het woord des HEEREN vervuld wierd, door den mond van Jeremia, totdat het land aan zijn sabbatten een welgevallen had; het rustte al de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.22Maar in het eerste jaar van Kores, koning van Perzie, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, door den mond van Jeremia, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van Perzie, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:23Zo zegt Kores, koning van Perzie: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is; wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE, zijn God, zij met hem, en hij trekke op.

Hoewel de Boeken Kronieken spreken van de genade, moet de eindconclusie hier toch zijn "dat er geen helen aan was" (vers 16). Waar de genade veracht wordt, blijft niets anders over dan "een schrikkelijke verwachting des oordeels" (Hebreeën 10 vers 27).

De woorden uit vers 15: "Hij spaarde Zijn volk", worden in vers 17 tot: "... spaarde ...niet; ... Hij gaf hen allen in zijn hand".

Op dezelfde wijze moest Hij Die "met ontferming bewogen" was over de volksmenigte, even later een niet te herroepen oordeel uitspreken over de steden waar deze mensen vandaan kwamen (Mattheüs 9 vers 36 en 11 vers 21 en 23).

Ondanks alles vinden we hier toch nog Goddelijk erbarmen. In tegenstelling tot de Boeken Koningen wordt er in de Boeken Kronieken niet veel gezegd over deze verdrietige eindtijd. Net alsof er snel overgegaan moet worden naar een ander onderwerp.

Deze Boeken besluiten dan ook niet met de eigenlijke wegvoering, maar met het decreet van Kores waardoor er zeventig jaar later een eind aan gemaakt werd! Hiermee heeft de ondoorgrondelijke genade van God ondanks alles toch het laatste woord!

Zoals we gezien hebben, zijn deze gebeurtenissen niet weergegeven op de manier zoals ze in gewone geschiedenisboeken vermeld staan. God geeft geen opsomming van feiten om onze interesse op te wekken of om onze gedachten mee te vullen. Nee, het is juist Zijn bedoeling om ons geweten te treffen en tot ons hart te spreken. Heeft Hij dit doel bij u bereikt?

Ezra 1:1-11
1In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzie, opdat volbracht wierd het woord des HEEREN, uit den mond van Jeremia, verwekte de HEERE den geest van Kores, koning van Perzie, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:2Zo zegt Kores, koning van Perzie: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is.3Wie is onder ulieden van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis des HEEREN, des Gods van Israel; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont.4En al wie achterblijven zou in enige plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, dien zullen de lieden zijner plaats bevorderlijk zijn met zilver, en met goud, en met have, en met beesten; benevens een vrijwillige gave, voor het huis Gods, Die te Jeruzalem woont.5Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de priesteren en de Levieten, benevens een iegelijk, wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis des HEEREN, die te Jeruzalem woont.6Allen nu, die rondom hen waren, sterkten hunlieder handen met zilveren vaten, met goud, met have, en met beesten, en met kostelijkheden; behalve alles, wat vrijwillig gegeven werd.7Ook bracht de koning Kores uit, de vaten van het huis des HEEREN, die Nebukadnezar uit Jeruzalem had uitgevoerd, en had gesteld in het huis zijns gods.8En Kores, de koning van Perzie, bracht ze uit door de hand van Mithredath, den schatmeester, die ze aan Sesbazar, den vorst van Juda, toetelde.9En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negen en twintig messen;10Dertig gouden bekers, vierhonderd en tien andere zilveren bekers; andere vaten, duizend.11Alle vaten van goud en van zilver waren vijf duizend en vierhonderd; deze alle voerde Sesbazar op, met degenen, die van de gevangenis opgevoerd werden, van Babel naar Jeruzalem.

Door Jeremía had de HEERE van te voren aangekondigd dat de duur van de gevangenschap in Babel was vastgesteld op zeventig jaar. Zij die evenals Daniël de Schriften onderzochten, hadden dus de mogelijkheid om uit te rekenen wanneer de ballingschap zijn einde bereiken zou (Daniël 9 vers 2).

Het tellen van de zeventig jaar begint met het eerste jaar van Nebukadnézar die voor de wegvoering van Juda en Benjamin verantwoordelijk was, en eindigt met het eerste jaar van Kores die er een einde aan maakte (Jeremía 25 vers 1 en 11).

Ongeveer tweehonderd jaar eerder had de HEERE deze koning al met name genoemd (Jesaja 44 vers 28 en 45 vers 1). Waarschijnlijk heeft Kores van deze profetie geweten. Hij is zich ervan bewust dat hij het door God uitgekozen werktuig is om Zijn eredienst weer in te voeren.

Tegelijkertijd heeft de HEERE van een aantal gevangen joden "de geest opgewekt". Het zijn diegenen van wie gezegd wordt dat zij onder geween aan Jeruzalem dachten en het verhieven "boven het hoogste" van hun blijdschap (Psalm 137 vers 1, 5 en 6).

Voelen wij het ook zo dat wij ons in een "vreemd land" bevinden? Verlangen wij ook naar de vreugde van de heilige stad? Is onze geest in ons opgewekt, zodat we de Heere Jezus verwachten?

Hij is de grote Koning, het Middelpunt van de profetie. Al heel spoedig zal God alle rijken van de aarde overgeven in Zijn macht (vers 2), opdat Hij Zijn lof en heerlijkheid zal herstellen.

Ezra 2:1-2, 59-70
1Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis, van de weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had naar Babel, die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk naar zijn stad;2Dewelken kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reelaja, Mordechai, Bilsan, Mizpar, Bigvai, Rehum en Baena. Dit is het getal der mannen des volks van Israel.
59Dezen togen ook op van Tel-melah, Tel-harsa, Cherub, Addan en Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israel waren.60De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.61En van de kinderen der priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, een vrouw genomen had, en naar hun naam genoemd was.62Dezen zochten hun register, onder degenen, die in het geslachtsregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.63En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en met thummim.64Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend driehonderd en zestig.65Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.66Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;67Hun kemelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezelen, zes duizend zevenhonderd en twintig.68En sommigen van de hoofden der vaderen, als zij kwamen ten huize des HEEREN, die te Jeruzalem woont, gaven vrijwilliglijk ten huize Gods, om dat te zetten op zijn vaste plaats.69Zij gaven naar hun vermogen tot den schat des werks, aan goud, een en zestig duizend drachmen, en aan zilver, vijf duizend ponden, en honderd priesterrokken.70En de priesters en de Levieten, en sommigen uit het volk, zo de zangers als de poortiers, en de Nethinim woonden in hun steden, en gans Israel in zijn steden.

De weg naar Jeruzalem staat open. Wie zal van de gelegenheid gebruik maken? Iets minder dan vijftigduizend personen uit verschillende lagen van de bevolking.

Bovendien bevindt zich bij dit zwakke overblijfsel een aantal mensen dat niet in staat is te bewijzen dat ze werkelijk bij Israël horen.

Een aantal van hen bevindt zich onder de priesters; het vormt echter voor hen een verhindering om deze heilige dienst uit te kunnen oefenen.

Helaas lijken veel christenen op deze Israëlieten! Ze kunnen niet met zekerheid zeggen dat ze een kind van God zijn!

Mocht dit bij één van onze lezers het geval zijn, laat hij of zij zich dan toch op het "geslachtsregister" beroepen (vers 62). Dat kunt u in de Bijbel terugvinden; zie bijvoorbeeld Johannes 1 vers 12 en 1 Johannes 5 vers 1 en 13. Daarop mogen wij ons vaste vertrouwen stellen.

Veel zielen die in onzekerheid waren, hebben in deze en andere teksten het onweerlegbare bewijs gevonden dat zij tot de familie van God behoren.

God heeft Zijn ogen op dit krachteloze overblijfsel gevestigd.

Hij heeft hen zorgvuldig geteld en waakt vol liefde over hen. Niet alleen vanwege Zijn barmhartigheid, maar ook omdat Hij veertien generaties later aan de nakomelingen van deze joden die naar het land teruggekeerd zijn, Christus, de Messias van Israël, wil voorstellen (vergelijk Mattheüs 1 vers 17).

Ezra 3:1-13
1Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in de steden waren, verzamelde zich het volk, als een enig man, te Jeruzalem.2En Jesua, de zoon van Jozadak, maakte zich op, en zijn broederen, de priesters en Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en zijn broederen, en zij bouwden het altaar des Gods van Israel, om daarop brandofferen te offeren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes, den man Gods.3En zij vestigden het altaar op zijn stelling, maar met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den HEERE, brandofferen des morgens en des avonds.4En zij hielden het feest der loofhutten, gelijk geschreven is; en zij offerden brandofferen dag bij dag in getal, naar het recht, van elk dagelijks op zijn dag.5Daarna ook het gedurig brandoffer, en van de nieuwe maanden, en van alle gezette hoogtijden des HEEREN, die geheiligd waren; ook van een ieder, die een vrijwillige offerande den HEERE vrijwilliglijk offerde.6Van den eersten dag af der zevende maand begonnen zij den HEERE brandofferen te offeren; doch de grond van den tempel des HEEREN was niet gelegd.7Zo gaven zij geld aan de houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie, aan de Sidoniers en aan de Tyriers, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, koning van Perzie, aan hen.8In het tweede jaar nu hunner aankomst ten huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en de overige hunner broederen, de priesters en de Levieten, en allen, die uit de gevangenis te Jeruzalem gekomen waren; en zij stelden de Levieten, van twintig jaren oud en daarboven, om opzicht te nemen over het werk van des HEEREN huis.9Toen stond Jesua, zijn zonen en zijn broederen, en Kadmiel met zijn zonen, kinderen van Juda, als een man, om opzicht te hebben over degenen, die het werk deden aan het huis Gods, met de zonen van Henadad, hun zonen en hun broederen, de Levieten.10Als nu de bouwlieden den grond van des HEEREN tempel legden, zo stelden zij de priesteren, aangekleed zijnde, met trompetten, en de Levieten, Asafs zonen, met cimbalen, om den HEERE te loven, naar de instelling van David, den koning van Israel.11En zij zongen bij beurten, met den HEERE te loven en te danken, dat Hij goedig is, dat Zijn weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israel. En al het volk juichte met groot gejuich, als men den HEERE loofde over de grondlegging van het huis des HEEREN.12Maar velen van de priesteren, en de Levieten, en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste huis gezien hadden, dit huis in zijn grondlegging voor hun ogen zijnde, weenden met luider stem; maar velen verhieven de stem met gejuich en met vreugde.13Zodat het volk niet onderkende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des geweens van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, dat de stem tot van verre gehoord werd.

Psalm 137 laat ons de gevangenen van Juda zien, zoals zij daar aan de stromen van Babel zaten en vanwege hun verdriet niet in staat waren te zingen.

Maar nu brengen ze Psalm 126 in praktijk: "Toen de HEERE de gevangenen Sions terugbracht ... werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich ... De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; daarom zijn wij verblijd" (Psalm 126 vers 1 tot en met 3).

Is dat trouwens geen Goddelijke opdracht? (Jesaja 48 vers 20).

Ze vieren het loofhuttenfeest, het feest van de vreugde. En in vers 11 lezen we dat ze ook zingen.

Hun eerste gedachte gaat uit naar het altaar van de HEERE dat zij "op zijn stelling" vestigden (vers 3).

Hun reden daarvoor is heel opmerkelijk: "... met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen".

De angst drijft hen ertoe zich niet alleen om hun eigen bescherming te bekommeren, maar zich ook nauw aan de HEERE te verbinden Die hen zal verdedigen.

Daarna wordt "de grond van de tempel des HEEREN" gelegd. Dat is de aanleiding tot een aangrijpend feest waar vreugde en tranen gevonden worden.

Wat een tegenstelling met de eerste tempel! Dezelfde tegenstelling zien we tussen het begin van de gemeente en het zwakke gemeenschappelijke getuigenis dat de gelovigen te midden van al het verval nu nog mogen vormen.

Ezra 4:1-16
1Toen nu de wederpartijders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen der gevangenis den HEERE, den God Israels, den tempel bouwden;2Zo kwamen zij aan tot Zerubbabel, en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gijlieden ook hebben wij Hem geofferd sinds de dagen van Esar-Haddon, den koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.3Maar Zerubbabel, en Jesua, en de overige hoofden der vaderen van Israel zeiden tot hen: Het betaamt niet, dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij alleen zullen het den HEERE, den God Israels, bouwen, gelijk als de koning Kores, koning van Perzie, ons geboden heeft.4Evenwel maakte het volk des lands de handen des volks van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen;5En zij huurden tegen hen raadslieden, om hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzie, tot aan het koninkrijk van Darius, den koning van Perzie.6En onder het koninkrijk van Ahasveros, in het begin zijns koninkrijks, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.7En in de dagen van Arthahsasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeel, en de overigen van zijn gezelschap, aan Arthahsasta, koning van Perzie; en de schrift des briefs was in het Syrisch geschreven, en in het Syrisch uitgelegd.8Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan den koning Arthahsasta, op deze manier:9Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniers, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,10En de overige volkeren, die de grote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd, en doen wonen in de stad van Samaria, ook de overigen, aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.11Dit is een afschrift des briefs, dien zij aan hem, aan den koning Arthahsasta, zonden: Uw knechten, de mannen aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.12Den koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle en die boze stad, waarvan zij de muren voltrekken, en de fondamenten samenvoegen.13Zo zij nu den koning bekend, indien dezelve stad zal worden opgebouwd, en de muren voltrokken, dat zij den cijns, ouden impost, en tol niet zullen geven, en gij zult aan de inkomsten der koningen schade aanbrengen.14Nu, omdat wij salaris uit het paleis trekken, en het ons niet betaamt des konings oneer te zien, daarom hebben wij gezonden, en dit den koning bekend gemaakt;15Opdat men zoeke in het boek der kronieken uwer vaderen, zo zult gij vinden in het boek der kronieken, en weten, dat dezelve stad een rebelle stad geweest is, en den koningen en landschappen schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af; daarom is dezelve stad verwoest.16Wij maken dan de koning bekend, dat, zo dezelve stad zal worden opgebouwd, en haar muren voltrokken, gij daardoor geen deel zult hebben aan deze zijde der rivier.

De activiteit van de mannen van Juda heeft de aandacht getrokken van de hun omringende volken. Het herstellen van de eredienst en de herbouw van de tempel kunnen niet onopgemerkt blijven.

Deze buurvolken komen nu met een verleidelijk aanbod. "Laat ons met u bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gij" (vers 2).

Is dat niet prachtig? Het werk zou zo immers veel sneller gaan!

De hoofden van het volk trappen er echter niet in. Ze wijzen het voorstel resoluut van de hand, terwijl Jozua en zijn oversten ooit wel door een soortgelijke valstrik ten val kwamen (Jozua 9).

Om in het werk van God werkzaam te kunnen zijn, is het strikt noodzakelijk tot het volk van God te behoren. We moeten er niet voor terugschrikken om een duidelijke scheiding te maken tussen ons en religieuze kringen die aan allerlei onschriftuurlijke grondbeginselen vasthouden. Het is valse liefde als we ons met hen verbinden, omdat we voor hen op die weg nooit tot een voorbeeld kunnen zijn. Het verlangen om niemand te willen bezeren, is een goede zaak, maar iemand op zijn verkeerde weg te steunen door met hem samen te werken, is een boze zaak.

Ten gevolge van deze houding blijkt uiteindelijk wat deze gewillige helpers in werkelijkheid zijn: vijanden!

Nu ze met list niets kunnen bereiken, tonen ze hun ware gezicht en beginnen met dreigementen. Daarna veranderen ze nog een keer van tactiek en dienen een aanklacht in bij Arthahsasta, de nieuwe koning van het rijk.

Ezra 4:17-24; Ezra 5:1-5
17De koning zond antwoord aan Rehum, den kanselier, en Simsai, den schrijver, en de overigen van hun gezelschappen, die te Samaria woonden; mitsgaders aan de overigen van deze zijde der rivier aldus: Vrede, en op zulken tijd.18De brief, dien gij aan ons geschikt hebt, is duidelijk voor mij gelezen.19En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat dezelve stad zich van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is.20Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven.21Geeft dan nu bevel, om diezelve mannen te beletten, dat diezelve stad niet opgebouwd worde, totdat van mij bevel zal worden gegeven.22Weest gewaarschuwd, van feil in dezen te begaan; waarom zou het verderf tot schade der koningen aanwassen?23Toen, van dat het afschrift des briefs van den koning Arthahsasta voor Rehum, en Simsai, den schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, togen zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hen met arm en geweld.24Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, den koning van Perzie.
1Haggai nu, de profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo, profeteerden tot de Joden, die in Juda en te Jeruzalem waren; in den naam Gods van Israel profeteerden zij tot hen.2Toen maakten zich op Zerubbabel, de zoon van Sealthiel, en Jesua, de zoon van Jozadak, en begonnen te bouwen het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en met hen de profeten Gods, die hen ondersteunden.3Te dier tijd kwam tot hen Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, en Sthar-Boznai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?4Toen zeiden wij aldus tot hen, en welke de namen waren der mannen, die dit gebouw bouwden.5Doch het oog huns Gods was over de oudsten der Joden, dat zij hun niet beletten, totdat de zaak aan Darius kwam, en zij alsdan daarover een brief wederbrachten.

Om het werk van de kinderen van Juda tot stilstand te brengen, hebben de vijanden gebruik gemaakt van achtereenvolgens list (hoofdstuk 4 vers 2), intimidatie (hoofdstuk 4 vers 4 en 5) en aanklacht (hoofdstuk 4 vers 6 tot en met 16).

Nu, nádat ze van de koning de nodige steun gekregen hebben, grijpen ze naar een vierde wapen: geweld. Ze haasten zich om naar de joden te gaan en "met arm en geweld" het werk te laten stoppen.

De werkelijke reden echter dat het werk gestaakt wordt, is een andere. De profeet Haggaï maakt ons dat in het eerste hoofdstuk van zijn Boek bekend: het is gebrek aan geloof en vertrouwen op God èn nalatigheid van het volk zelf.

In de loop van de ongeveer vijftien jaren die sinds het leggen van het eerste fundament voorbijgegaan zijn, is de interesse voor het huis van God langzamerhand afgenomen. Iedereen is begonnen met het bouwen van een eigen huis.

Moeten wij christenen niet toegeven dat ook wij zulke tijden van geestelijke achteruitgang kennen? De Heere en Zijn huis, de gemeente, hebben voor ons hart dan in waarde afgenomen. In dezelfde mate stijgt dan de zorg om eigen aangelegenheden.

God wil ons echter niet in zo'n toestand laten! Hij spreekt tot ons, zoals Hij het hier ook tot Juda doet. Door de woorden van de profeten Haggaï en Zacharía wordt het volk uit zijn onverschilligheid wakkergeschud en gaan ze weer vlijtig aan het werk.

Ezra 5:6-17
6Afschrift des briefs, dien Thathnai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, met Sthar-Boznai, en zijn gezelschap, de Afarsechaieten, die aan deze zijde der rivier waren, aan den koning Darius zond.7Zij zonden een verhaal aan hem; en daarin was aldus geschreven: Den koning Darius zij alle vrede.8Den koning zij bekend, dat wij getogen zijn naar het landschap Juda, ten huize des groten Gods, hetwelk gebouwd wordt met grote stenen, en het hout wordt gelegd in de wanden; en datzelve werk wordt ras gedaan, en gaat voorspoediglijk door hun handen voort.9Toen hebben wij denzelven oudsten gevraagd, en aldus tot hen gezegd: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit huis te bouwen, en dezen muur te voltrekken?10Wijders hebben wij hun ook hun namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten; dat wij mochten overschrijven de namen der mannen, die hoofden onder hen zijn.11En zij hebben ons dusdanig antwoord wedergegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en bouwen het huis, dat vele jaren voor dezen is gebouwd geweest; want een groot koning van Israel had het gebouwd en voltrokken.12Maar nadat onze vaders den God des hemels hadden vertoornd, heeft Hij hen gegeven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, den Chaldeeer; dewelke dat huis heeft vernield, en het volk naar Babel weggevoerd.13Doch in het eerste jaar van Kores, koning van Babel, heeft de koning Kores bevel gegeven dit huis Gods te bouwen.14Ja, de vaten van Gods huis, welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, had weggenomen en dezelve gebracht in den tempel van Babel, die heeft de koning Kores uitgehaald uit den tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan een, wiens naam was Sesbazar, dien hij tot een landvoogd had gesteld.15En hij zeide tot hem: Neem deze vaten, ga ze afvoeren in den tempel, die te Jeruzalem is, en laat het huis Gods gebouwd worden op zijn plaats.16Toen kwam dezelve Sesbazar; hij legde de fondamenten van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont; en er is van toen af tot nu toe gebouwd, doch niet volbracht.17Zo het dan nu den koning goeddunkt, laat er gezocht worden in het schathuis des konings aldaar, dat te Babel is, of het zij, dat een bevel van den koning Kores gegeven zij, om dit huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men des konings believen hiervan tot ons zende.

Terwijl de joden onder het toeziend "oog van hun God" (vers 5) weer aan het werk gaan, proberen de tegenstanders het van hun kant opnieuw met gemene listen.

Zolang we wat ons geestelijke leven betreft, ingeslapen zijn en we ons inzetten voor onze eigen belangen, zitten we de duivel echt niet in de weg. Hij zal er dan wel voor oppassen ons wakker te maken. Dat komt hem juist van pas!

Maar als de Heere onze ijver voor Hem door middel van Zijn Woord opnieuw wil aanwakkeren en ons hart op Hem wil richten, dàn zullen we satan onmiddellijk op onze weg tegenkomen (vergelijk 1 Korinthe 16 vers 9).

De landvoogd en zijn gezelschap herhalen de tactiek die hen in het voorgaande hoofdstuk zo goed gelukt was: ze schrijven naar de nieuwe koning Daríus.

Ze willen graag dat hij ingrijpt, maar in de brief verbergen ze hun eigen vijandschap onder een schijn van onverschilligheid. Het lijkt zelfs of ze heel tolerant zijn.

Ongewild vormt hun brief die de verklaringen van de oudsten van de joden weergeeft, een prachtig getuigenis ten gunste van de beklaagden (vers 11 en verder).

Deze oudsten hebben zich niet geschaamd om zich knechten van God te noemen, evenmin om uit te leggen wat de HEERE voor hen gedaan heeft, hoewel ze daardoor gedwongen worden de fouten van hun voorvaders toe te geven.

Ezra 6:1-12
1Toen gaf de koning Darius bevel; en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd, in Babel.2En te Achmetha, in de burcht, die in het landschap Medie is, werd een rol gevonden; en daarin was aldus geschreven: GEDACHTENIS:3In het eerste jaar van den koning Kores, gaf de koning Kores dit bevel: Het huis Gods te Jeruzalem, dat huis zal gebouwd worden, ter plaatse, waar zij offeranden offeren, en de fondamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijn hoogte van zestig ellen, en zijn breedte van zestig ellen;4Met drie rijen van groten steen, en een rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des konings huis gegeven worden.5Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het huis Gods, die Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem was, heeft weggevoerd, en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar den tempel, die te Jeruzalem is, aan zijn plaats, en men zal ze afvoeren ten huize Gods.6Nu, gij Thathnai, landvoogd aan gene zijde der rivier, gij Sthar-Boznai, met ulieder gezelschap, gij Afarsechaieten, die aan gene zijde der rivier zijt, weest verre van daar!7Laat hen aan den arbeid van dit huis Gods; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit huis Gods bouwen aan zijn plaats.8Ook wordt van mij bevel gegeven, wat gijlieden doen zult aan de oudsten dezer Joden, om dit huis Gods te bouwen; te weten, dat uit des konings goederen, van den cijns aan gene zijde der rivier, de onkosten dezen mannen spoediglijk gegeven worden, opdat men hen niet belette.9En wat nodig is, als jonge runderen, en rammen, en lammeren, tot brandofferen aan den God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der priesteren, die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen feil zij;10Opdat zij offeranden van liefelijken reuk aan den God des hemels offeren, en bidden voor het leven des konings en zijner kinderen.11Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al dengene, die dit woord zal veranderen, een hout uit zijn huis zal gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen; en zijn huis zal om diens wille tot een drekhoop gemaakt worden.12De God nu, die Zijn Naam aldaar heeft doen wonen, werpe ter neder alle koningen en volken, die hun hand zullen uitstrekken, om te veranderen en te verderven dit huis Gods, dat te Jeruzalem is. Ik, Darius, heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde.

Er is opnieuw een brief van de aanklagers naar de hoofdstad van het grote wereldrijk verzonden. De uitwerking hiervan zal echter tot hun eigen beschaming dienen! De onderzoeken die Daríus verricht, leiden er niet alleen toe dat de 'archiefrol' van Kores teruggevonden wordt, maar ook dat de koning in zijn antwoord de zaak van het overblijfsel uit Juda en de tempelbouw nu zelf ter hand neemt.

Bovendien geeft hij uitgerekend de vijanden van de joden het bevel om de joden alle hulp die ze nodig hebben, te verlenen! Tenslotte worden in de brief van Daríus nog de ergste dreigementen geuit aan het adres van hen die het zouden wagen iets aan zijn bevelen te veranderen.

Dat was dus het gevolg van de eerlijke en moedige houding die de oudsten van de joden aangenomen hadden (hoofdstuk 5 vers 11 en 12; vergelijk Mattheüs 10 vers 32). Dit alles heeft de HEERE in de gelegenheid gesteld om openlijk voor hen uit te komen.

Het is ook mooi om in vers 10 te zien dat de werkzaamheid van de gebeden die tot de God van de hemel gericht worden, door de koning gezien en openlijk erkend wordt. Hij, de heidense koning, vraagt om gebed voor zichzelf en zijn kinderen!

Deze God van de hemel is nu onze Vader. Laten wij, als zo'n koning van het Perzische rijk al begrepen heeft hoeveel waarde de gebeden van leden van Gods volk hebben, niet verzuimen ons tot Hem te wenden. We worden trouwens vermaand te bidden "voor alle mensen" en speciaal "voor koningen alle autoriteiten], en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid" (1 Timotheüs 2 vers 1 en 2).

Ezra 6:13-22
13Toen deden Thathnai, de landvoogd aan gene zijde der rivier, Sthar-Boznai, en hun gezelschap, spoediglijk alzo, naar hetgeen de koning Darius gezonden had.14En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggai en Zacharia, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israels, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Arthahsasta, koning van Perzie.15En dit huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; datzelve was het zesde jaar van het koninkrijk van den koning Darius.16En de kinderen Israels, de priesteren en Levieten, en de overige kinderen der gevangenis deden de inwijding van dit huis Gods met vreugde.17En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israel, naar het getal der stammen Israels.18En zij stelden de priesteren in hun onderscheidingen, en de Levieten in hun verdelingen, tot den dienst Gods, Die te Jeruzalem is, naar het voorschrift des boeks van Mozes.19Ook hielden de kinderen der gevangenis het pascha, op den veertienden der eerste maand.20Want de priesters en de Levieten hadden zich gereinigd als een enig man; zij waren allen rein; en zij slachtten het pascha voor alle kinderen der gevangenis, en voor hun broederen, de priesteren, en voor zichzelven.21Alzo aten de kinderen Israels, die uit de gevangenis wedergekomen waren, mitsgaders al wie zich van de onreinigheid der heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den HEERE, den God Israels, te zoeken.22En zij hielden het feest der ongezuurde broden zeven dagen, met blijdschap; want de HEERE had hen verblijd, en het hart des konings van Assur tot hen gewend, om hun handen te sterken in het huis Gods, des Gods van Israel.

De aanklagers van de joden hebben blijkbaar begrepen dat het voor henzelf beter is zich niet te verzetten tegen de bevelen van koning Daríus. Alles wordt punctueel uitgevoerd, maar inwendig zal dat zeker met veel ergernis gepaard zijn gegaan.

Gesteund door de overheid en met hulp van de nieuwe middelen, beëindigen de oudsten uit Juda uiteindelijk de bouw van de tempel.

Een heel opmerkelijk detail is echter dat zij het voltooien van de bouw niet toeschrijven aan het besluit en de bevelen van koning Daríus, maar dat het "door de profetie van de profeet Haggaï en Zacharía, de zoon van Iddo" tot stand is gekomen (vers 14).

Met de christen gaat het precies zo. De werkelijke reden van zijn 'succes' ligt niet in de gunstige omstandigheden die God hem op aarde beschikt, maar in zijn eigen onderwerping aan het Woord van zijn God.

Het huis van God wordt met vreugde ingewijd. Toch is er een groot contrast met de inwijding van de eerste tempel waar tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen geofferd werden (2 Kronieken 7 vers 5).

Nu is er ook geen sprake van vuur dat van de hemel neerdaalt, noch van de heerlijkheid van God waarmee het huis vervuld wordt, want de ark van God is verloren gegaan; men heeft haar niet teruggevonden!

Daarna wordt het pascha en het feest van de ongezuurde broden gevierd in de eerste maand. Ondanks alle zwakheid heeft de HEERE deze arme, uit de gevangenschap teruggekeerde joden toch vreugde gegeven.

Ezra 7:1-18
1Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Arthahsasta, koning van Perzie: Ezra, de zoon van Seraja, den zoon van Azarja, den zoon van Hilkia,2Den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, den zoon van Ahitub,3Den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Merajoth,4Den zoon van Zerahja, den zoon van Uzzi, den zoon van Bukki,5Den zoon van Abisua, den zoon van Pinehas, den zoon van Eleazar, den zoon van Aaron, den hoofdpriester.6Deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de HEERE, de God Israels, gegeven heeft; en de koning gaf hem, naar de hand des HEEREN, zijns Gods, over hem, al zijn verzoek.7Ook sommigen van de kinderen Israels, en van de priesteren en de Levieten, en de zangers, en de poortiers, en de Nethinim, togen op naar Jeruzalem, in het zevende jaar van den koning Arthahsasta.8En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand; dat was het zevende jaar dezes konings.9Want op den eersten der eerste maand was het begin des optochts uit Babel, en op den eersten der vijfde maand kwam hij te Jeruzalem, naar de goede hand zijns Gods over hem.10Want Ezra had zijn hart gericht, om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in Israel te leren de inzettingen en de rechten.11Dit is nu het afschrift des briefs, dien de koning Arthahsasta gaf aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde; den schriftgeleerde van de woorden der geboden des HEEREN, en Zijn inzettingen over Israel:12Arthahsasta koning der koningen, aan Ezra, den priester, den schriftgeleerde der wet van den God des hemels, volkomen vrede en op zulken tijd.13Van mij wordt bevel gegeven, dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van het volk van Israel, en van deszelfs priesteren en Levieten, om te gaan naar Jeruzalem, dat hij met u ga.14Dewijl gij van voor den koning en zijn zeven raadsheren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Judea, en te Jeruzalem, naar de wet uws Gods, die in uw hand is;15En om henen te brengen het zilver en goud, dat de koning en zijn raadsheren vrijwilliglijk gegeven hebben aan den God Israels, Wiens woning te Jeruzalem is;16Mitsgaders al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het ganse landschap van Babel, met de vrijwillige gave des volks en der priesteren, die vrijwilliglijk geven, ten huize huns Gods, dat te Jeruzalem is;17Opdat gij spoediglijk voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hun spijsofferen, en hun drankofferen, en die offert op het altaar van het huis van ulieder God, dat te Jeruzalem is.18Daartoe, wat u en uw broederen goeddunken zal, met het overige zilver en goud te doen, zult gijlieden doen naar het welgevallen uws Gods.

Er ligt ongeveer veertig jaar tussen de gebeurtenissen die in hoofdstuk 6 beschreven worden, en het begin van hoofdstuk 7. Dat begint met de reis van Ezra onder de regering van Arthahsasta.

In tegenstelling tot de nalatige priesters over wie we in hoofdstuk 2 (vers 61 en 62) lazen, is Ezra wèl in staat zijn afstamming die teruggaat tot op Aäron, aan te tonen. Bovendien is hij "een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes".

Het is heel wenselijk en zelfs noodzakelijk een goede kennis van het Woord van God te hebben. Maar het is niet voldoende dit Woord slechts in je hoofd op te nemen, dus met je verstand, zoals je een lesje op school leert. Díe manier van het vergaren van kennis zal er alleen maar toe leiden dat je opgeblazen en hoogmoedig wordt (1 Korinthe 8 vers 1 en 13 vers 2). We moeten dit Woord en de Persoon Die ons daarin voorgesteld wordt, onze Heere Jezus Christus, ook liefhebben!

Ezra is ons tot een voorbeeld! Hij had "zijn hart gericht, om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in Israël te leren de inzettingen en de rechten". Hoe belangrijk zijn die drie dingen en ook de volgorde waarin ze plaatsvinden (vers 10)!

Zelfs met het hart weten wat de Bijbel ons leert, is niet voldoende, als het niet in de praktijk wordt omgezet (Jakobus 1 vers 22). Pas als deze voorwaarden vervuld zijn, kan men het zich veroorloven anderen te onderwijzen.

Arthahsasta heeft Ezra een 'aanbevelingsbrief" met volmachten meegegeven om zijn opdracht te makkelijker te maken.

Ezra 7:19-28
19En geef de vaten, die u gegeven zijn tot den dienst van het huis uws Gods, weder voor den God van Jeruzalem.20Het overige nu, dat van node zal zijn voor het huis uws Gods, dat u voorvallen zal uit te geven, zult gij geven uit het schathuis des konings.21En van mij, mij, koning Arthahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesters, die aan gene zijde der rivier zijt, dat alles, wat Ezra, de priester, de schriftgeleerde der wet van den God des hemels, van u zal begeren, spoediglijk gedaan worde;22Tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift.23Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde, voor het huis van den God des hemels; want waartoe zou er grote toorn zijn over het koninkrijk des konings en zijner kinderen?24Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle priesteren en Levieten, zangers, poortiers, Nethinim en dienaars van het huis dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen.25En gij, Ezra, naar de wijsheid uws Gods, die in uw hand is, stel regeerders en richters, die al het volk richten, dat aan gene zijde der rivier is, allen, die de wetten Gods weten, en die ze niet weet, zult gijlieden die bekend maken.26En al wie de wet uws Gods en de wet des konings niet zal doen, over dien laat spoediglijk recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot uitbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden.27Geloofd zij de HEERE, de God onzer vaderen, Die alzulks in het hart des konings gegeven heeft, om te versieren het huis des HEEREN, dat te Jeruzalem is.28En heeft tot mij weldadigheid geneigd, voor het aangezicht des konings en zijner raadsheren, en aller geweldige vorsten des konings! Zo heb ik mij gesterkt, naar de hand des HEEREN, mijns Gods, over mij, en de hoofden uit Israel vergaderd, om met mij op te trekken.

Ezra heeft het Woord van God bewaard en Zijn Naam niet verloochend. Hij en de mannen die aan zijn oproep gehoor gegeven hebben en bijeengekomen zijn om ook naar het beloofde land terug te keren, moeten ervaren dat ze kleine kracht hebben; het zijn nauwelijks vijftienhonderd mannen. Tegelijkertijd beleven ze echter dat God hun "een geopende deur" gegeven heeft die niemand kan sluiten (vergelijk Openbaring 3 vers 8).

Arthahsasta (in de geschiedenis staat hij bekend onder de naam Artaxerxes I) is evenals zijn voorgangers Kores en Daríus een werktuig in de hand van de HEERE om voor het gevangen overblijfsel uit Juda de deur tot de terugkeer naar Jeruzalem open te houden (vergelijk hoofdstuk 6 vers 14).

Welwillend en bijzonder vrijgevig heeft deze koning Arthahsasta alle noodzakelijke voorbereidingen getroffen om Ezra deze reis mogelijk te maken. Ook heeft hij ervoor gezorgd dat Ezra zich, ná zijn aankomst in Jeruzalem, met de dienst in het huis van de HEERE kan bezighouden.

"Het hart des konings is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil" (Spreuken 21 vers 1; zie ook Spreuken 8 vers 15 en 16).

Er wordt ons niet meegedeeld dat Ezra de koning Arthahsasta bedankt heeft, hoewel hij dat zeker niet nagelaten zal hebben. We lezen wèl dat hij de HEERE prijst als Diegene "Die alles in het hart des konings gegeven heeft" (vers 27).

Laten wij ons erin oefenen om ook in alles wat ons overkomt, "de goede hand" van God te zien (vers 6, 9, 28 en hoofdstuk 8 vers 18 en 31).

Ezra 8:1, 15-30
1Dit nu zijn de hoofden hunner vaderen, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van den koning Arthahsasta.
15En ik vergaderde hen aan de rivier, gaande naar Ahava, en wij legerden ons aldaar drie dagen; toen lette ik op het volk en de priesteren, en vond aldaar geen van de kinderen van Levi.16Zo zond ik tot Eliezer, tot Ariel, tot Semaja, en tot Elnathan, en tot Jarib, en tot Elnathan, en tot Nathan, en tot Zacharja, en tot Mesullam, de hoofden; en tot Jojarib en tot Elnathan, de leraars;17En ik gaf hun bevel aan Iddo, het hoofd in de plaats Chasifja; en ik legde de woorden in hun mond, om te zeggen tot Iddo, zijn broeder, en de Nethinim, in de plaats Chasifja, dat zij ons brachten dienaars voor het huis onzes Gods.18En zij brachten ons, naar de goede hand onzes Gods over ons, een man van verstand, van de kinderen van Mahli, den zoon van Levi, den zoon van Israel; namelijk Serebja, met zijn zonen en broederen, achttien;19En Hasabja, en met hem Jesaja, van de kinderen van Merari, met zijn broederen, en hun zonen, twintig;20En van Nethinim, die David en de vorsten ten dienste der Levieten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Nethinim, die allen bij namen genoemd werden.21Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van Hem te verzoeken een rechten weg, voor ons, en voor onze kinderkens, en voor al onze have.22Want ik schaamde mij van den koning een heir en ruiters te begeren, om ons te helpen van den vijand, op den weg; omdat wij tot den koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen, die Hem zoeken, maar Zijn sterkte en Zijn toorn over allen, die Hem verlaten.23Alzo vastten wij; en verzochten zulks van onzen God; en Hij liet zich van ons verbidden.24Toen scheidde ik twaalf uit van de oversten der priesteren: Serebja Hasabja, en tien van hun broederen met hen.25En ik woog hun toe het zilver, en het goud, en de vaten, zijnde de offering van het huis onzes Gods die de koning en zijn raadsheren, en zijn vorsten, en gans Israel, die er gevonden werden, geofferd hadden;26Ik woog dan aan hun hand zeshonderd en vijftig talenten zilvers, en honderd zilveren vaten in talenten; aan goud, honderd talenten;27En twintig gouden bekers, tot duizend drachmen; en twee vaten van blinkend goed koper, begeerlijk als goud.28En ik zeide tot hen: Gij zijt heilig den HEERE, en deze vaten zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave, den HEERE, den God uwer vaderen.29Waakt en bewaart het, totdat gij het opweegt, in tegenwoordigheid van de oversten der priesteren en Levieten, en der vorsten der vaderen van Israel, te Jeruzalem, in de kameren van des HEEREN huis.30Toen ontvingen de priesters en de Levieten het gewicht des zilvers en des gouds, en der vaten, om te brengen te Jeruzalem, ten huize onzes Gods.

Allen die terugkeren, verzamelen zich bij de rivier die naar Ahava stroomt. Om de schare compleet te maken, is Ezra gedwongen Levieten te laten halen.

"De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinig", zei de Heere Jezus tegen Zijn discipelen (Mattheüs 9 vers 37). Ook vandaag is Zijn oog gericht op al Zijn verlosten hier op aarde en Hij telt allen die werkelijk bereid zijn Hem te dienen.

Is nu alles klaar voor vertrek? Nee, één belangrijk ding moet nog gebeuren! Zoals een reiziger niet op reis gaat alvorens de landkaart bestudeerd te hebben, zo houdt Ezra zich eerst bezig met de weg die hij moet volgen. Daarvoor bidt hij tot de HEERE.

Is de "rechte weg, voor ons, en voor onze kinderkens" (vers 21), niet de weg van volledige gehoorzaamheid aan God?

Christus heeft die weg als Eerste gebaand in deze wereld. Hij is ons Voorbeeld. De Bijbel die ons Zijn volmaakte voetsporen toont, is voor ons in zekere zin dan ook de 'wegatlas' voor het pad van het geloof.

Helaas raken wij vaak van de rechte en veilige weg af, omdat wij op de door onszelf gekozen wegen van eigenwilligheid verdwalen!

Verootmoediging, afhankelijkheid en vertrouwen op God in plaats van op mensen, dàt alles zijn gezegende lessen die we van Ezra — beter gezegd: van de Heere Jezus — mogen leren.

Ezra 8:31-36; Ezra 9:1-4
31Alzo verreisden wij van de rivier Ahava, op den twaalfden der eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand des vijands, en desgenen, die ons lagen legde op den weg.32En wij kwamen te Jeruzalem; en wij bleven aldaar drie dagen.33Op den vierden dag nu werd gewogen het zilver, en het goud, en de vaten, in het huis onzes Gods, aan de hand van Meremoth, den zoon van Uria, den priester, en met hem Eleazar, de zoon van Pinehas; en met hem Jozabad, de zoon van Jesua, en Noadja, de zoon van Binnui, de Levieten.34Naar het getal en naar het gewicht van dat alles; en het ganse gewicht werd ter zelfder tijd opgeschreven.35En de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden den God Israels brandofferen; twaalf varren voor gans Israel, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer den HEERE.36Daarna gaven zij de wetten des konings aan des konings stadhouders en landvoogden aan deze zijde der rivier; en zij bevorderden het volk en het huis Gods.
1Als nu deze dingen voleind waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israels, en de priesters, en de Levieten, zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hun gruwelen, namelijk van de Kanaanieten, de Hethieten, de Ferezieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en Amorieten.2Want zij hebben van hun dochteren genomen voor zichzelven en voor hun zonen, zodat zich vermengd hebben het heilig zaad met de volken dezer landen; ja, de hand der vorsten en overheden is de eerste geweest in deze overtreding.3Als ik nu deze zaak hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel; en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder.4Toen verzamelden zich tot mij allen, die voor de woorden van den God Israels beefden, om de overtreding der weggevoerden; doch ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer.

Bij de eerste terugkeer naar Jeruzalem (in hoofdstuk 1) had Kores de betreffende joden een aantal voorwerpen uit het huis van God mee laten geven.

Ezra en zijn reisgenoten zijn evenmin met lege handen vertrokken. De koning en zijn gevolg hebben hen, evenals de in ballingschap achtergebleven Israëlieten, geschenken voor het heiligdom meegegeven.

Met deze rijkdommen die een grote aantrekkingskracht op struikrovers uitoefenden, is de zwakke groep terugkerende ballingen zonder verdere begeleiding (maar onder de bescherming van de goede hand van God!) veilig in Jeruzalem aangekomen.

Hun eerste zorg is dan de hun toevertrouwde kostbare schat direct aan de verantwoordelijke priesters over te dragen. Vervolgens gaan ze offeren, zoals hen was opgedragen (hoofdstuk 7 vers 17).

Daarbij mogen we denken aan de talenten die ons voor onze weg zijn toevertrouwd (Mattheüs 25 vers 14 en 15). Wat doen wij met alle gaven die de Heere ons gegeven heeft: met onze gezondheid, capaciteiten, verstand, en vooral met Zijn Woord en onze christelijke opvoeding?

Als we in de hemelse stad aankomen, zal alles op de weegschaal van het heiligdom gelegd worden (zie vers 33 en Lukas 12 vers 48).

Plotseling wordt de terugkeer van Ezra echter overschaduwd door iets wat hij over het volk hoort. Vandaar dat we morgen kennis zullen moeten nemen van een gebeurtenis die smart en tranen bewerkt.

Ezra 9:5-15
5En omtrent het avondoffer stond ik op uit mijn bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijn mantel gescheurd had; en ik boog mij op mijn knieen, en breidde mijn handen uit tot den HEERE, mijn God.6En ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel.7Van de dagen onzer vaderen af zijn wij in grote schuld tot op dezen dag; en wij zijn om onze ongerechtigheden overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen der landen, in zwaard, in gevangenis, en in roof, en in schaamte des aangezichts, gelijk het is te dezen dage.8En nu is er, als een klein ogenblik, een genade geschied van den HEERE, onzen God, om ons een ontkoming over te laten, en ons een nagel te geven in Zijn heilige plaats, om onze ogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid.9Want wij zijn knechten; doch in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten; maar Hij heeft weldadigheid tot ons geneigd voor het aangezicht der koningen van Perzie, dat Hij ons een weinig levens gave, om het huis onzes Gods te verhogen, en de woestigheden van hetzelve op te richten, en om ons een tuin te geven in Juda en te Jeruzalem.10En nu, wat zullen wij zeggen, o onze God! na dezen? Want wij hebben Uw geboden verlaten,11Die Gij geboden hadt door den dienst Uwer knechten, de profeten, zeggende: Het land, waar gijlieden inkomt, om dat te erven, is een vuil land, door de vuiligheid van de volken der landen, om hun gruwelen, waarmede zij dat vervuild hebben, van het ene einde tot het andere einde, met hun onreinigheid.12Zo zult gij nu uw dochteren niet geven aan hun zonen, en hun dochteren niet nemen voor uw zonen, en zult hun vrede en hun best niet zoeken, tot in eeuwigheid; opdat gij sterk wordt, en het goede des lands eet, en uw kinderen doet erven tot in eeuwigheid.13En na alles, wat over ons gekomen is, om onze boze werken, en om onze grote schuld, omdat Gij, o onze God! belet hebt, dat wij niet te onder zijn vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons een ontkoming gegeven, als deze is;14Zullen wij nu wederkeren, om Uw geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken dezer gruwelen? Zoudt Gij niet tegen ons toornen tot verterens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij?15O HEERE, God van Israel! Gij zijt rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming, als het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor Uw aangezicht in onze schuld; want er is niemand, die voor Uw aangezicht zou kunnen bestaan, om zulks.

De houding van Ezra in dit hoofdstuk is werkelijk bijzonder opmerkelijk en navolgenswaard. Iemand anders had het volk misschien de grootste verwijten gemaakt. Ezra daarentegen stelt zich op voor God en klaagt zichzelf en heel Israël bij Hem aan.

Met het offeren van twaalf varren en twaalf bokken (zie hoofdstuk 8 vers 35) had hij de eenheid van het volk van God opnieuw tot uitdrukking gebracht, hoewel maar een gering aantal van slechts twee stammen in het land was teruggekeerd.

Het gevolg van deze eenheid is de gemeenschappelijke zegen, gepaard met verantwoordelijkheid en gemeenschap in het lijden (zie 1 Korinthe 12 vers 26).

Wat geeft deze dienstknecht van God ons hiermee een uitermate belangrijke les! Hij leert ons om niet zonder meer met de vinger naar de fouten van andere christenen te wijzen, maar ook dat we onszelf daarvoor moeten schamen en verootmoedigen voor de Heere.

De woorden van Ezra zijn heel aangrijpend. Zij stellen de barmhartigheid van de God van Israël tegenover de ondankbaarheid van het volk.

Ook al voelde Ezra ten diepste het gewicht van de zonde waarvoor hijzelf niet verantwoordelijk was, toch kon hij die voor de ogen van een heilig God niet wegdoen.

Er is er maar Eén in staat de verzoening te volbrengen; de Zoon van God Die onze zonden op Zich genomen heeft, kon in Zijn onuitsprekelijke smart zeggen: "Mijn ongerechtigheden hebben Mij aangegrepen" (Psalm 40 vers 13).

Ezra 10:1-19
1Als Ezra alzo bad, en als hij deze belijdenis deed, wenende en zich voor Gods huis nederwerpende, verzamelde zich tot hem uit Israel een zeer grote gemeente van mannen, en vrouwen, en kinderen; want het volk weende met groot geween.2Toen antwoordde Sechanja, de zoon van Jehiel, een van de zonen van Elam, en zeide tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onzen God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken des lands bij ons doen wonen; maar nu, er is hope voor Israel, dezen aangaande.3Laat ons dan nu een verbond maken met onze God, dat wij al die vrouwen, en wat van haar geboren is, zullen doen uitgaan, naar den raad des HEEREN, en dergenen, die beven voor het gebod onzes Gods; en laat er gedaan worden naar de wet.4Sta op, want deze zaak komt u toe; en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het.5Toen stond Ezra op, en deed de oversten der priesteren, de Levieten en gans Israel zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren.6En Ezra stond op van voor Gods huis, en ging in de kamer van Johanan, den zoon van Eljasib; als hij daar kwam, at hij geen brood, en dronk geen water, want hij bedreef rouw over de overtreding der weggevoerden.7En zij lieten een stem doorgaan door Juda en Jeruzalem, aan al de kinderen der gevangenis, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen.8En al wie niet kwam in drie dagen, naar den raad der vorsten en der oudsten, al zijn have zou verbannen zijn; en hij zelf zou afgezonderd wezen van de gemeente der weggevoerden.9Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand op den twintigsten in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods huis, sidderende om deze zaak, en vanwege de plasregenen.10Toen stond Ezra, de priester, op en zeide tot hen: Gijlieden hebt overtreden, en vreemde vrouwen bij u doen wonen, om Israels schuld te vermeerderen.11Nu dan, doet den HEERE, uwer vaderen God, belijdenis en doet Zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken des lands, en van de vreemde vrouwen.12En de ganse gemeente antwoordde en zeide met luider stem: Naar uw woorden, alzo komt het ons toe te doen.13Maar des volks is veel, en het is een tijd van plasregen, dat men hier buiten niet staan kan; en het is geen werk van een dag noch van twee; want velen onzer hebben overtreden in deze zaak.14Laat toch onze vorsten der ganse gemeente hierover staan, en allen, die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen bij zich hebben doen wonen, op gezette tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en derzelver rechters; totdat wij van ons afwenden de hittigheid des toorns onzes Gods, om dezer zaken wil.15Alleenlijk Jonathan, de zoon van Asahel, en Jehazia, de zoon van Tikva, stonden hierover; en Mesullam, en Sabbethai, de Leviet, hielpen hen.16En de kinderen der gevangenis deden alzo; en Ezra, de priester, met de mannen, de hoofden der vaderen, naar het huis hunner vaderen, en zij allen, bij namen genoemd, scheidden zich af, en zij zaten op den eersten dag der tiende maand, om deze zaak te onderzoeken.17En zij voleindden het met alle mannen, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen, tot op den eersten dag der eerste maand.18En er werden gevonden van de zonen der priesteren, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen; van de zonen van Jesua, den zoon van Jozadak, en zijn broederen, Maaseja, en Eliezer, en Jarib, en Gedalja.19En zij gaven hun hand, dat zij hun vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, offerden zij een ram van de kudde voor hun schuld.

Het voorbeeld van Ezra had "allen, die voor de woorden van de God Israëls beefden", al zover gebracht dat ze zich verootmoedigden (hoofdstuk 9 vers 4).

Nu wordt, als antwoord op zijn gebed, hetzelfde gevoelen opgewekt in de harten van "een zeer grote gemeente van mannen, en vrouwen, en kinderen". Jong zijn, vormt geen enkele verhindering om bedroefd te zijn over wat tot oneer van God is.

Deze verbindingen met personen die deel uitmaken van vreemde en heidense volken, spreken tot ons christenen van dingen uit de wereld.

Hebben we die soms in onze huizen, in onze harten en in onze levens laten binnendringen?

In veel gevallen zijn het de kinderen die, als ze iets ouder worden, als eersten bepaalde dingen in het ouderlijk huis binnenbrengen. Het is niet voldoende dit kwaad in het licht van het Woord te constateren en zich daarover te verootmoedigen. Er moet gehandeld worden en men moet zich ervan afscheiden!

Dat zal ons ertoe aanzetten om constant onze gewoonten, onze boekenkast, onze klerenkast, ons uiterlijk vertoon en noem maar op, aan een strenge controle te onderwerpen en alle 'vreemde' dingen zonder voorbehoud weg te doen.

Dat is een heel onaangenaam gebeuren dat ons misschien ook wel wat tijd gaat kosten (vers 13), maar het herstel van de gelukkige verhouding met de Heere is deze prijs beslist waard!

Nu, aan het einde van het Boek, vinden we, evenals aan het begin (hoofdstuk 2), een lange lijst met namen!

Nehemia 1:1-11
1De geschiedenissen van Nehemia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Chisleu, in het twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was;2Zo kwam Hanani, een van mijn broederen, hij en sommige mannen uit Juda, en ik vraagde hen naar de Joden, die ontkomen waren (die overgebleven waren van de gevangenis), en naar Jeruzalem.3En zij zeiden tot mij: De overgeblevenen, die van de gevangenis aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in grote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en haar poorten zijn met vuur verbrand.4En het geschiedde, als ik deze woorden hoorde, zo zat ik neder, en weende, en bedreef rouw, enige dagen; en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels.5En ik zeide: Och, HEERE, God des hemels, Gij, grote en vreselijke God! Die het verbond en de goedertierenheid houdt dien, die Hem liefhebben, en Zijn geboden houden.6Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.7Wij hebben het ganselijk tegen U verdorven; en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uw knecht Mozes geboden hebt.8Gedenk toch des woords, dat Gij Uw knecht Mozes geboden hebt, zeggende: Gijlieden zult overtreden, Ik zal u onder de volken verstrooien.9En gij zult u tot Mij bekeren, en Mijn geboden houden, en die doen; al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, Ik zal hen vandaar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb, om Mijn Naam aldaar te doen wonen.10Zij zijn toch Uw knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.11Och, HEERE, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.

Geschiedkundig is het Boek Nehemía het laatste Boek van het Oude Testament waarin we lezen over de toestand van het volk Israël. De gebeurtenissen die ons hierin meegedeeld worden, beginnen ongeveer dertig jaar ná de dingen die in het Boek Esther beschreven worden, en dertien jaar ná de terugkeer van Ezra.

De lessen die we in Nehemía vinden, zijn daarom ook voor ons christenen van belang "op wie de einden der eeuwen gekomen zijn" (1 Korinthe 10 vers 11).

Arm volk! Volgens de berichten van een paar reizigers bevinden ze zich "in grote ellende en smaad" (vers 3). God heeft echter iemand toebereid die deze situatie aan het hart gaat: Nehemía!

Deze man ervaart het lijden en de vernedering van hen die uit de gevangenschap overgebleven en naar Jeruzalem teruggekeerd zijn. Hij belijdt de zonden van het volk en de schuld van dit alles aan de HEERE. Ezra had datzelfde ook al gedaan (hoofdstuk 9).

God kiest de werktuigen die Hij wil gebruiken voor Zijn bevrijdingen, altijd uit diegenen die Zijn volk werkelijk liefhebben.

Laten we echter zien op Iemand Die groter en volmaakter is dan Nehemía. Wie is de hopeloze situatie van Israël en van de mensheid in het algemeen meer aan het hart gegaan dan de Zoon van God Zelf?

Hij heeft onze ellendige situatie tot op het diepst doorgrond. Hij voelde de afgrond van het kwaad waarin wij verzonken waren. En Hij is gekomen om ons daaruit te bevrijden en tot Zichzelf te trekken.

Nehemia 2:1-8
1Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van den koning Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat ik den wijn opnam, en gaf hem den koning; nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht.2Zo zeide de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten. Toen vreesde ik gans zeer.3En ik zeide tot de koning: De koning leve in eeuwigheid! Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de stad, de plaats der begravenissen mijner vaderen, woest is, en haar poorten met vuur verteerd zijn?4En de koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? Toen bad ik tot God van den hemel.5En ik zeide tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, en zo uw knecht voor uw aangezicht aangenaam is, dat gij mij zendt naar Juda, naar de stad der begravenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe.6Toen zeide de koning tot mij, daar de koningin nevens hem zat: Hoe lang zal uw reis wezen, en wanneer zult gij wederkomen? En het behaagde den koning, dat hij mij zond, als ik hem zekeren tijd gesteld had.7Voorts zeide ik tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier, dat zij mij overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn;8Ook een brief aan Asaf, den bewaarder van den lusthof, denwelken de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis, dat aan het huis is, en tot de stadsmuur, en tot het huis, waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, naar de goede hand mijns Gods over mij.

Terwijl de kinderen van Juda in ellende en smaad waren, nam Nehemía aan het hof van de koning een eervolle positie in: hij was de schenker van de koning.

Hij had egoïstisch kunnen zijn en kunnen proberen die baan met al z'n voordelen te behouden.

Hij had zich kunnen rechtvaardigen door te zeggen: 'Omdat ik het vertrouwen van de koning geniet, zal ik hier misschien nog iets voor mijn volk kunnen betekenen; vandaar dat God mij op deze plaats gesteld heeft'.

Zo denkt Nehemía echter niet! Zijn hart gaat, evenals dat destijds bij Mozes het geval geweest was, uit naar zijn broeders, de zonen van Israël, en hij wil hen opzoeken (Handelingen 7 vers 23).

Hij wenste liever "met het volk van God kwalijk behandeld te worden" dan te genieten van het tijdelijke vermaak aan het hof van de koning van Egypte (Hebreeën 11 vers 25).

Laten we erop letten dat hij niet alleen vóór (hoofdstuk 1 vers 11), maar ook tijdens het gesprek met de koning Arthahsasta bidt (hoofdstuk 2 vers 4).

Tussen de vraag van de koning en zijn eigen antwoord, vindt Nehemía tijd om zich in zijn hart tot God te wenden. Een 'schietgebedje' dus!

Laten wij dit voorbeeld toch meer navolgen! Dan zullen ook wij, evenals deze dienstknecht van God (die voordien een dienaar van de koning was) meer de goede hand van God over ons en ons handelen ervaren.

Nehemia 2:9-20
9Toen kwam ik tot de landvoogden aan gene zijde der rivier, en gaf hun de brieven des konings. En de koning had oversten des heirs en ruiteren met mij gezonden.10Toen nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen was, om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israels.11En ik kwam te Jeruzalem, en was daar drie dagen.12Daarna maakte ik mij des nachts op, ik en weinig mannen met mij, en ik gaf geen mens te kennen, wat mijn God in mijn hart gegeven had, om aan Jeruzalem te doen; en er was geen dier met mij, dan het dier, waarop ik reed.13En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Drakenfontein, en naar de Mistpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem, dewelke verscheurd waren, en haar poorten met vuur verteerd.14En ik ging voort naar de Fonteinpoort, en naar des konings vijver; doch daar was geen plaats voor het dier, om onder mij voort te gaan.15Toen ging ik op, des nachts, door de beek, en ik brak aan den muur; en ik keerde weder, en kwam in de Dalpoort; alzo keerde ik wederom.16En de overheden wisten niet, waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had tot nog toe den Joden, en den priesteren, en den edelen, en overheden, en den anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.17Toen zeide ik tot hen: Gijlieden ziet de ellende, waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest is, en haar poorten met vuur verbrand zijn; komt, en laat ons Jeruzalems muur opbouwen; opdat wij niet meer een versmaadheid zijn.18En ik gaf hun te kennen de hand mijns Gods, Die goed over mij geweest was, als ook de woorden des konings, die hij tot mij gesproken had. Toen zeiden zij: Laat ons op zijn, dat wij bouwen; en zij sterkten hun handen ten goede.19Als nu Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische knecht, en Gesem, de Arabier, dit hoorden, zo bespotten zij ons, en verachtten ons; en zij zeiden: Wat is dit voor een ding, dat gijlieden doet? Wilt gijlieden tegen den koning rebelleren?20Toen gaf ik hun tot antwoord, en zeide tot hen: God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen; maar gijlieden hebt geen deel, noch gerechtigheid, noch gedachtenis in Jeruzalem.

Voorzien van de brieven van de koning, is Nehemía in Jeruzalem aangekomen. Daar begint hij de muren, of beter gezegd: wat daarvan overgebleven is, te inspecteren.

Eén van zijn broeders, Hanáni, had hem al verteld hoe het met de muur van Jeruzalem gesteld was (hoofdstuk 1 vers 3), maar hij wil zich zelf een beeld vormen van de grootte van de schade. Hij is erg ontdaan over wat hij ziet en waaraan de bewoners van Jeruzalem al gewend waren geraakt!

Ook voor ons christenen bestaat het gevaar dat we gewend raken aan het verval waarin de verantwoordelijke christenheid zich heden ten dage bevindt, zodat we er niet meer bedroefd over zijn.

Er zijn geen muren meer die Gods volk beschermen tegen het binnendringen van de wereld. Zo'n toestand is de vijanden naar de zin!

Ten tijde van Zerubbábel en Ezra waren eerst Bislam, Mithredath en Tábeël (Ezra 4 vers 7), en daarna Thathnai, Sthar—Boznai en hun bondgenoten (Ezra 5 vers 3), de vijanden van Israël. In de tijd van Nehemía zijn het Sanballat, Tobia en Gesem, de Arabier.

De duivel maakt gebruik van verschillende werktuigen. Af en toe vernieuwt hij zijn 'personeel', maar zijn doel blijft altijd hetzelfde: het volk van God in verval en in slavernij te brengen en te houden.

Nehemía weet hoe hij met de mannen van Jeruzalem om moet gaan en hen moet vermanen. Zijn naam betekent: 'Getroost heeft de Heere'. Hij krijgt het blijde en bemoedigende antwoord: "Laten wij ons opmaken, dat wij bouwen" (vers 18).

Nehemia 3:1-15
1En Eljasib, de hogepriester, maakte zich op met zijn broederen, de priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden ze, en richtten haar deuren op; ja, zij heiligden ze tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hananeel.2En aan zijn hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijn hand Zacchur, de zoon van Imri.3De Vispoort nu bouwden de kinderen van Senaa; zij zolderden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.4En aan hun hand verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, den zoon van Koz; en aan hun hand verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, den zoon van Mesezabeel; en aan hun hand verbeterde Zadok, zoon van Baena.5Voorts aan hun hand verbeterden de Thekoieten; maar hun voortreffelijken brachten hun hals niet tot den dienst huns Heeren.6En de Oude poort verbeterden Jojada, de zoon van Paseah, en Mesullam, de zoon van Besodja; deze zolderden zij, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.7En aan hun hand verbeterden Melatja, de Gibeoniet, en Jadon, de Meronothiet, de mannen van Gibeon en van Mizpa; tot aan den stoel des landvoogds aan deze zijde der rivier.8Aan zijn hand verbeterde Uzziel, de zoon van Harhoja, een der goudsmeden, en aan zijn hand verbeterde Hananja, de zoon van een der apothekers; en zij lieten Jeruzalem tot aan den breden muur.9En aan hun hand verbeterde Refaja, de zoon van Hur, overste des halven deels van Jeruzalem.10Voorts aan hun hand verbeterde Jedaja, de zoon van Herumaf, en tegenover zijn huis; en aan zijn hand verbeterde Hattus, de zoon van Hasabneja.11De andere mate verbeterden Malchia, de zoon van Harim, en Hassub, de zoon van Pahath-Moab; daartoe den Bakoventoren.12En aan zijn hand verbeterde Sallum, de zoon van Lohes, overste van het andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijn dochteren.13De Dalpoort verbeterden Hanun, en de inwoners van Zanoah; zij bouwden die, en richtten haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe duizend ellen aan den muur, tot aan de Mistpoort.14De Mistpoort nu verbeterde Malchia, de zoon van Rechab, overste van het deel Beth-Cherem; hij bouwde ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen.15En de Fonteinpoort verbeterde Sallum, de zoon van Kol-Hoze, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde ze, en overdekte ze, en richtte haar deuren op, met haar sloten en haar grendelen; daartoe den muur des vijvers Schelah bij des konings hof, en tot aan de trappen, die afgaan van Davids stad.

Tegen de 'logische' volgorde in, is de herbouw van Jeruzalem begonnen met het herstellen van het altaar en daarna van de tempel (Ezra 3). Nu pas wordt de stadsmuur hersteld.

Het altaar en het heiligdom spreken tot ons van de dienst voor God die duidelijk de eerste verantwoordelijkheid van het volk van God is.

We zijn echter niet alleen 's zondags christenen! De rest van de stad doet ons denken aan ons dagelijkse leven in onze huizen en onze omstandigheden. Dat moet ook tegen de vijanden beschermd worden en duidelijk van de wereld die haar omringt, worden gescheiden. Iedereen is daar persoonlijk verantwoordelijk voor en moet daarover waken. Wij zijn in eerste instantie voor ons eigen huis verantwoordelijk (vers 10, 28 en 30).

Door de aansporing van Nehemía is heel Juda aan het werk gegaan. In dit hoofdstuk maken we als het ware een ronde door de stad waarbij we de verschillende groepen arbeiders bij hun werk zien.

Iedereen is overeenkomstig zijn krachten en vooral zijn toewijding aan het werk. De één bij zijn poort, de ander bij zijn toren of bij zijn deel van de muur.

Terwijl menigeen voldoende ijver toont om ook nog een ander, volgend stuk te verbeteren (vers 11, 19, 24, 27 en 30), zijn er ook - juist onder de voorname mensen - die weigeren hun nek te buigen onder de dienst voor hun Heere (vergelijk Mattheüs 20 vers 27 en 28 en 2 Korinthe 5 vers 15).

Dat is een verdrietig getuigenis dat hier in het Boek van God opgeschreven staat!

Nehemia 3:16-32
16Na hem verbeterde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-Zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan den gemaakten vijver, en tot aan het huis der helden.17Na hem verbeterden de Levieten, Rehum, de zoon van Bani; aan zijn hand verbeterde Hasabja, de overste van het halve deel van Kehila, in zijn deel.18Na hem verbeterden hun broederen, Bavai, de zoon van Henadad, de overste van het andere halve deel van Kehila.19Aan zijn hand verbeterde Ezer, de zoon van Jesua, de overste van Mizpa, een ander maat; tegenover den opgang naar het wapenhuis, aan den hoek.20Na hem verbeterde zeer vuriglijk Baruch, de zoon van Zabbai, een andere maat; van den hoek tot aan de deur van het huis van Eljasib, den hogepriester.21Na hem verbeterde Meremoth, de zoon van Uria, den zoon van Koz, een ander maat; van de huisdeur van Eljasib af, tot aan het einde van Eljasibs huis.22En na hem verbeterden de priesteren, wonende in de vlakke velden.23Daarna verbeterden Benjamin, en Hassub, tegenover hun huis; na hem verbeterde Azaria, de zoon van Maaseja, den zoon van Hananja, bij zijn huis.24Na hem verbeterde Binnui, de zoon van Henadad, een ander maat; van het huis van Azarja tot aan den hoek en tot aan het punt;25Palal, de zoon van Uzai, tegen den hoek, en den hogen toren over, die van des konings huis uitsteekt, die bij den voorhof der gevangenis is; na hem Pedaja, de zoon van Paros;26De Nethinim nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het oosten, en den uitstekenden toren.27Daarna verbeterden de Thekoieten een ander maat; tegenover den groten uitstekenden toren, en tot aan den muur van Ofel.28Van boven de Paardenpoort verbeterden de priesteren, een iegelijk tegenover zijn huis.29Daarna verbeterde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. En na hem verbeterde Semaja, de zoon van Sechanja, de bewaarder van de Oostpoort.30Na hem verbeterden Hananja, de zoon van Selemja, en Hanun, de zoon van Zalaf, de zesde, een andere maat. Na hem verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja, tegenover zijn kamer.31Na hem verbeterde Malchia, de zoon eens goudsmids, tot aan het huis der Nethinim en der kruideniers, tegenover de poort van Mifkad, en tot de opperzaal van het punt.32En tussen de opperzaal van het punt tot de Schaapspoort toe, verbeterden de goudsmeden en de kruideniers.

Vanaf vers 16 gaat het om dat deel van de muur dat de stad van David en de voorhof van de tempel beschermt.

Het verbaast ons dat de hogepriester Eljásib niet voor zijn eigen huis aan het verbeteren is geweest (vergelijk 1 Timotheüs 3 vers 5). Anderen hebben dat voor hem moeten doen (vers 20 en 21).

Bovendien zien we nog een tweede ernstige nalatigheid: toen hij en z'n broers, de priesters, aan de Schaapspoort bouwden, hebben ze geen sloten en grendels geplaatst (vers 1). Daarmee gaven ze dieven en rovers dus de gelegenheid om binnen te sluipen en de schapen van Israël te bemachtigen (zie Johannes 10 vers 8 en 10).

Goudsmeden, apothekers en kruideniers deden het werk van metselaars (vers 8 en 32).

Eén van de oversten, Sallum genaamd (vers 12), is samen met zijn dochters aan het bouwen.

Door deze voorbeelden laat God ons zien dat wij voor Hem kunnen werken, ongeacht onze leeftijd, ons geslacht of ons beroep.

Laten we er daarbij op letten dat meerdere van deze mannen of hun vaders in de tijd van Ezra in goddeloze verbindingen met vreemde vrouwen verstrikt geraakt waren.

Dat was ook het geval met Baruch, de zoon van Zabbai (vers 20), en met Malchia, de zoon van Harim (vergelijk Ezra 10 vers 28 en 31).

Het is mooi nu hun ijver te zien om Jeruzalem juist tegen verkeerde invloeden te beschermen.

Nehemia 4:1-14
1Maar het geschiedde, als Sanballat gehoord had, dat wij den muur bouwden, zo ontstak hij, en werd zeer toornig; en hij bespotte de Joden.2En sprak in de tegenwoordigheid zijner broederen en van het heir van Samaria, en zeide: Wat doen deze amechtige Joden? Zal men hen laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in een dag voleinden? Zullen zij de steentjes uit de stofhopen levend maken, daar zij verbrand zijn?3En Tobia, den Ammoniet, was bij hem, en zeide: Al is het, dat zij bouwen, zo er een vos opkwame, hij zou hun stenen muur wel verscheuren.4Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn, en keer hun versmaadheid weder op hun hoofd, en geef hen over tot een roof in een land der gevangenis.5En dek hun ongerechtigheid niet toe; en hun zonde worde niet uitgedelgd van voor Uw aangezicht, want zij hebben U getergd, staande tegenover de bouwlieden.6Doch wij bouwden den muur, zodat de ganse muur samengevoegd werd tot zijn helft toe; want het hart des volks was om te werken.7En het geschiedde, als Sanballat, en Tobia, en de Arabieren, en de Ammonieten, en de Asdodieten hoorden, dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zo ontstaken zij zeer;8En zij maakten allen te zamen een verbintenis, dat zij zouden komen om tegen Jeruzalem te strijden, en een verbijstering daarin te maken.9Maar wij baden tot onzen God, en zetten wacht tegen hen, dag en nacht, hunnenthalve.10Toen zeide Juda: De kracht der dragers is vervallen, en des stofs is veel, zodat wij aan den muur niet zullen kunnen bouwen.11Nu hadden onze vijanden gezegd: Zij zullen het niet weten, noch zien, totdat wij in het midden van hen komen, en slaan hen dood; alzo zullen wij het werk doen ophouden.12En het geschiedde, als de Joden, die bij hen woonden, kwamen, dat zij het ons wel tienmaal zeiden, uit al de plaatsen, door dewelke gij tot ons wederkeert.13Daarom zette ik in de benedenste plaatsen achter den muur, en op de hoogten, en ik zette het volk naar de geslachten, met hun zwaarden, hun spiesen en hun bogen.14En ik zag toe, en maakte mij op, en zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Vreest niet voor hun aangezicht; denkt aan dien groten en vreselijken HEERE, en strijdt voor uw broederen, uw zonen en uw dochteren, uw vrouwen en uw huizen.

Terwijl de muren verbeterd worden, neemt de wrok van de vijanden tegen Juda steeds meer toe. Sanballat, hun woordvoerder, wordt kwaad en begint te spotten.

Wij zijn erg gevoelig voor spot. De wereld zal de kans nooit voorbij laten gaan om de afzondering van de christenen, de zwakheid van hun samenkomen, enzovoort, belachelijk te maken.

Laten we ons echter nooit door hun reacties in de war laten brengen. "Doch wij bouwden ...", was de conclusie van Nehemía (vers 6)!

Daarna gaat de vijand over tot een openlijke oorlogsverklaring. De mannen van Juda dreigen daardoor ontmoedigd te worden.

Ze zien op hun eigen zwakheid (vers 10). In feite betekent dat dat ze instemmen met de vijand die de "amechtige (=machteloze) joden" bespot heeft (vers 2). Ze zien op het gewicht van de last die gedragen moet worden, en op de grote hoeveelheid stof of puin.

Er zijn er echter ook die samen met Nehemía de twee hulpbronnen kennen (vers 9). Deze twee bronnen zijn tevens een opdracht van de Heere: "Waakt en bidt" (Mattheüs 26 vers 41 en 1 Petrus 4 vers 7).

Het gebed moet ons eerste antwoord zijn op alle moeite die de vijand zich getroost. Dat ontslaat ons echter niet van de verantwoordelijkheid om ook te waken!

Daarom neemt Nehemía verschillende maatregelen om verzekerd te zijn van de bewaking en bescherming van het volk tot aan de voltooiing van het werk.

Nehemia 4:15-23; Nehemia 5:1-5
15Daarna geschiedde het, als onze vijanden hoorden, dat het ons bekend was geworden, en God hun raad te niet gemaakt had, zo keerden wij allen weder tot den muur, een iegelijk tot zijn werk.16En het geschiedde van dien dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen, en de schilden, en de bogen, en de pantsiers; en de oversten waren achter het ganse huis van Juda.17Die aan den muur bouwden, en die den last droegen, en die oplaadden, waren een ieder met zijn ene hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer.18En de bouwers hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijn lenden gegord, en bouwden; maar die met de bazuin blies, was bij mij.19En ik zeide tot de edelen, en tot de overheden, en tot het overige des volks: Het werk is groot en wijd; en wij zijn op den muur afgezonderd, de een ver van den ander;20Ter plaatse, waar gij het geluid der bazuin zult horen, daarheen zult gij u tot ons verzamelen; onze God zal voor ons strijden.21Alzo waren wij doende aan het werk; en de helft van hen hielden de spiesen, van het opgaan des dageraads tot het voortkomen der sterren toe.22Ook zeide ik te dier tijd tot het volk: Een iegelijk vernachte met zijn jongen binnen Jeruzalem, opdat zij ons des nachts ter wacht zijn, en des daags aan het werk.23Voorts noch ik, noch mijn broederen, noch mijn jongelingen, noch de mannen van de wacht, die achter mij waren, wij trokken onze klederen niet uit; een iegelijk had zijn geweer en water.
1Maar het geroep des volks en hunner vrouwen was groot, tegen hun broederen, de Joden.2Want er waren, die zeiden: Onze zonen, en onze dochteren, wij zijn velen; daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven.3Ook waren er, die zeiden: Wij verpanden onze akkers, en onze wijngaarden, en onze huizen, opdat wij in dezen honger koren mogen opnemen.4Desgelijks waren er, die zeiden: Wij hebben geld ontleend tot des konings cijns, op onze akkers en onze wijngaarden.5Nu is toch ons vlees als het vlees onzer broederen, onze kinderen zijn als hun kinderen; en ziet, wij onderwerpen onze zonen en onze dochteren tot dienstknechten; ja, er zijn enige van onze dochteren onderworpen, dat zij in de macht onzer handen niet zijn; en anderen hebben onze akkers en onze wijngaarden.

Bij alle moeilijkheden en problemen van de wederopbouw komen aan het einde van hoofdstuk 4 ook nog de moeiten van de strijd.

Inderdaad is de gelovige niet alleen een arbeider, maar ook een soldaat. Elke gelovige zou moeten lijken op één van de strijders uit het volksleger van Nehemía. Zij houden in de ene hand het gereedschap en in de andere hun wapen vast (een beeld van het Woord van God; Efeze 6 vers 17).

Een christen heeft geen enkel recht één van beide ter zijde te leggen.

In hoofdstuk 4 zagen we een prachtige ijver bij het volk, maar dan volgt er in hoofdstuk 5 een pijnlijke verrassing. Deze 'ontkomenen' die uit de Babylonische ballingschap zijn teruggekeerd en die al vóór de aankomst van Nehemía in grote ellende zaten (hoofdstuk 1 vers 3), bevinden zich nu in een nog veel slechtere situatie.

Zij hebben dingen uit hun bezittingen moeten verpanden en soms zelfs hun kinderen af moeten staan voor slavendienst om de belastingen te kunnen betalen en niet zelf te moeten verhongeren! Bovendien zijn het niet de vijanden die hen in deze situatie gebracht hebben. Het waren hun eigen broeders die daarmee de wet overtraden (Exodus 22 vers 25; Leviticus 25 vers 39 tot en met 43; Deuteronomium 15 vers 11 en 23 vers 19 en 20).

Hoe staat het bij ons met de broederliefde? Zonder de liefde heeft de mooiste christelijke dienst geen enkele waarde (1 Korinthe 13 vers 1 tot en met 3). Laten we in praktijk brengen wat de apostel Jakobus zegt in hoofdstuk 2 vers 15 en 16. Ja, laten we ons hart en ons gedrag in dit opzicht zorgvuldig beproeven!

Nehemia 5:6-19
6Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer.7En mijn hart beraadslaagde in mij; daarna twistte ik met de edelen, en met de overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert een last, een iegelijk van zijn broeder. Voorts belegde ik een grote vergadering tegen hen.8En ik zeide tot hen: Wij hebben onze broederen, de Joden, die aan de heidenen verkocht waren, naar ons vermogen wedergekocht; en zoudt gijlieden ook uw broederen verkopen, of zouden zij aan ons verkocht worden? Toen zwegen zij, en vonden geen antwoord.9Voorts zeide ik: De zaak is niet goed, die gijlieden doet; zoudt gij niet wandelen in de vreze onzes Gods, om de versmading der heidenen, onze vijanden?10Ik, mijn broederen, en mijn jongens, vorderen wij ook geld en koren van hen? Laat ons toch dezen last nalaten.11Geeft hun toch als heden weder hun akkers, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen; en het honderdste deel van het geld, en van het koren, den most en de olie, die gij hun hebt afgevorderd.12Toen zeiden zij: Wij zullen het wedergeven, en van hen niets zoeken; wij zullen alzo doen, als gij zegt. En ik riep de priesteren, en deed hen zweren, dat zij doen zouden naar dit woord.13Ook schudde ik mijn boezem uit, en zeide: Alzo schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen, uit zijn huis en uit zijn arbeid, en hij zij alzo uitgeschud en ledig. En de ganse gemeente zeide: Amen! En zij prezen de HEERE. En het volk deed naar dit woord.14Ook van dien dag af, dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af, tot het twee en dertigste jaar van den koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijn broederen, het des landvoogds niet gegeten.15En de vorige landvoogden, die voor mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren sikkelen; ook heersten hun jongens over het volk; maar ik heb alzo niet gedaan, om der vreze Gods wil.16Daartoe heb ik ook aan het werk dezes muurs verbeterd, en wij hebben geen land gekocht; en al mijn jongens zijn aldaar verzameld geweest tot het werk.17Ook zijn van de Joden en van de overheden honderd en vijftig man, en die van de heidenen, die rondom ons zijn, tot ons kwamen, aan mijn tafel geweest.18En wat voor een dag bereid werd, was een os en zes uitgelezen schapen; ook werden mij vogelen bereid, en binnen tien dagen van allen wijn zeer veel; nog heb ik bij dezen het brood des landvoogds niet gezocht, omdat de dienstbaarheid zwaar was over dit volk.19Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles, wat ik aan dit volk gedaan heb.

Verontwaardigd en boos heeft Nehemía de edelen en de overheden voor het overige volk laten verschijnen. Hij heeft dat gedaan om hen openlijk op de vingers te kunnen tikken, want dat hebben ze verdiend!

De schuldigen onderwerpen zich. Niet alleen, omdat Nehemía landvoogd is, maar ook omdat hij zelf het voorbeeld geeft in onbaatzuchtige liefde:

Hij heeft zelf afstand genomen van de persoonlijke (voor)rechten die zijn positie met zich meebracht, en daarom is hij nu in staat om van de overheden hetzelfde te verlangen.

Zelf een voorbeeld zijn, is de gouden regel, wil men iets bij de naaste bereiken.

De apostel Paulus heeft ook alle moeite gedaan om een voorbeeld te zijn voor de gelovigen die hij onderwees (Handelingen 20 vers 35; 1 Korinthe 4 vers 16; 10 vers 32 en 33, enzovoort).

Laten we echter vooral naar de Goddelijke Meester kijken! Hij zei tegen Zijn discipelen: "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijk Ik u gedaan heb, gij ook doet" (Johannes 13 vers 15).

Tegelijkertijd waarschuwde Hij hen echter voor de schriftgeleerden en farizeeën: "Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet" (Mattheüs 23 vers 3).

De volksmenigte merkte het verschil: de Heere Jezus leerde en gaf onderwijs "als Machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden" (Mattheüs 7 vers 29).

Nehemia 6:1-14
1Voorts is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem, den Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik den muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten; ook had ik tot dezen tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten;2Zo zond Sanballat, en Gesem, tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons te zamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono. Maar zij dachten mij kwaad te doen.3En ik zond boden tot hen, om te zeggen: Ik doe een groot werk, zodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zou dit werk ophouden, terwijl ik het zou nalaten, en tot ulieden afkomen?4Zij zonden nu wel viermaal tot mij, op dezelfde wijze. En ik antwoordde hun op dezelfde wijze.5Toen zond Sanballat tot mij op dezelfde wijze, ten vijfden male, zijn jongen, met een open brief in zijn hand.6Daarin was geschreven: Het is onder de volken gehoord, en Gasmu zegt: Gij en de Joden denkt te rebelleren, daarom bouwt gij den muur, en gij zult hun ten koning zijn; naar dat deze zaken zijn.7Dat gij ook profeten hebt besteld, om van u te Jeruzalem uit te roepen, zeggende: Hij is koning in Juda. Nu zal het van den koning gehoord worden, naar dat deze zaken zijn; kom dan nu, en laat ons te zamen raadslaan.8Doch ik zond tot hem, om te zeggen: Er is van al zulke zaken, als gij zegt, niets geschied; maar gij versiert ze uit uw hart.9Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hun handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden; nu dan, sterk mijn handen!10Als ik nu kwam in het huis van Semaja, den zoon van Delaja, den zoon van Mehetabeel (hij nu was besloten), zo zeide hij: Laat ons samenkomen in het huis Gods, in het midden des tempels, en laat ons de deuren des tempels toesluiten; want zij zullen komen om u te doden, ja, bij nacht zullen zij komen, om u te doden.11Maar ik zeide: Zou een man, als ik, vlieden? En wie is er, zijnde als ik, die in den tempel zou gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet ingaan.12Want ik merkte, en ziet, God had hem niet gezonden; maar hij sprak deze profetie tegen mij, omdat Tobia en Sanballat hem gehuurd hadden.13Daarom was hij gehuurd, opdat ik zou vrezen, en alzo doen, en zondigen; opdat zij iets zouden hebben tot een kwaden naam, opdat zij mij zouden honen.14Gedenk, mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noadja, en aan de andere profeten, die mij gezocht hebben vreesachtig te maken.

Ook al zijn hun voorgaande pogingen mislukt, toch zijn Sanballat, Tobía en Gesem niet ontmoedigd. Ze proberen het opnieuw en doen Nehemía nu een schijnheilig voorstel: "Kom en laat ons tezamen vergaderen".

Het dal Ono, het dal van de werkmeesters (zie hoofdstuk 11 vers 35), wordt als ontmoetingsplaats aangewezen. Hierin zien we een voorstel tot samenwerking met de vijanden van het volk van God.

Het aanbod wordt echter steeds weer afgewezen, ondanks alle dreigementen die bij de vijfde keer geuit worden.

Nu wordt door een jood, Semája, een andere valstrik gelegd. Door middel van een valse profetie probeert deze agent van de vijand Nehemía — die geen priester was! — ertoe te brengen ongehoorzaam te zijn aan de HEERE en in de tempel zijn toevlucht te zoeken (vergelijk 2 Korinthe 11 vers 13 en 1 Johannes 4 vers 1).

Zó hebben de farizeeën ook met de Heere Jezus gehandeld. "Ga weg, en vertrek van hier; want Heródes wil U doden", zeiden ze tegen Hem (Lukas 13 vers 31). Zij — en de satan stond achter hen! — probeerden Hem Die Zijn aangezicht gericht had om naar Jeruzalem te reizen, angst aan te jagen en van de weg van het geloof af te brengen (vergelijk Lukas 9 vers 51).

De tweevoudige aanval die door de trouw van Nehemía werd afgeslagen, waarschuwt de christen voor twee elkaar tegenovergestelde gevaren:

de weg te verbreden door hand in hand samen te werken met hen die zich niet aan het Woord onderwerpen;

zich in een aanmatigende en zelfzuchtige houding uit angst 'op te sluiten'.

Nehemia 6:15-19; Nehemia 7:1-7
15De muur nu werd volbracht, op den vijf en twintigsten van Elul, in twee en vijftig dagen.16En het geschiedde, als al onze vijanden dit hoorden, zo vreesden al de heidenen, die rondom ons waren, en zij vervielen zeer in hun ogen; want zij merkten, dat dit werk van onzen God gedaan was.17Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobia gingen; en die van Tobia kwamen tot hen.18Want velen in Juda hadden hem gezworen, omdat hij was een schoonzoon van Sechanja, den zoon van Arah; en zijn zoon Johanan had genomen de dochter van Mesullam, den zoon van Berechja.19Ook verhaalden zij zijn goeddadigheden voor mijn aangezicht, en mijn woorden brachten zij uit tot hem. Tobia dan zond brieven, om mij vreesachtig te maken.
1Voorts geschiedde het, als de muur gebouwd was, dat ik de deuren oprichtte, en de poortiers, en de zangers, en de Levieten werden besteld.2En ik gaf bevel aan mijn broeder Hanani, en aan Hananja, den overste van den burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen.3En ik zeide tot hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden, totdat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan, laat hen de deuren sluiten, betast gij ze dan; en dat men wachten zette, inwoners van Jeruzalem, een iegelijk op zijn wacht, en een iegelijk tegenover zijn huis.4De stad nu was wijd van ruimte en groot; doch des volks was weinig daarbinnen; en de huizen waren niet gebouwd.5Zo gaf mijn God in mijn hart, dat ik de edelen, en de overheden, en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtsregister dergenen, die in het eerst waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:6Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenis der weggevoerden, die Nebukadnezar, koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda, een iegelijk tot zijn stad;7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.

De mannen van Juda hebben tweeënvijftig dagen nodig om de scheuren te dichten en de muren weer op te bouwen.

De meesten van hen waren onervaren in het hanteren van troffel en houweel. Maar ze waren ijverig en met heel hun hart bij het werk betrokken (zie hoofdstuk 3 vers 20 en 4 vers 6).

De Heere hecht meer waarde aan de toewijding van Zijn arbeiders dan aan hun capaciteiten en vaardigheden. Deze bekwaamheden geeft Hij overigens aan hen die toewijding tonen en alles van Hem verwachten!

De pogingen van Tobía en zijn medestanders om Nehemía bang te maken, en de ondersteuning die deze slechte mannen ondervinden van enkele 'edelen' uit Juda, zijn de laatste vijandige uitingen van de tegenstander.

Voortaan toont Jeruzalem met z'n herbouwde muren zich aan de volkeren die haar omringen, "als een stad, die wèl samengevoegd is" (Psalm 122 vers 3).

Toch blijft het nodig de bewaking van de stad te handhaven. Nehemía bekommert zich erom de deuren te installeren en wachters aan te stellen (zie Jesaja 62 vers 6 en 7).

Ook andere ambten worden verdeeld. Er worden onder andere twee beheerders aangesteld (hoofdstuk 7 vers 1 en 2). Zowel de één als de ander heeft deze positie verdiend: Hanáni, vanwege zijn interesse voor het volk (hoofdstuk 1 vers 2), en Hanánja, door zijn trouw die hij getoond had, en zijn vrees voor God (hoofdstuk 7 vers 2).

Nehemia 7:61-73
61Ook togen dezen op van Thel-melah, Thel-harsa, Cherub, Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis, en hun zaad niet tonen, of zij uit Israel waren;62De kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.63En van de priesteren, de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai, die een vrouw van de dochteren van Barzillai, den Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was.64Dezen zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het priesterdom geweerd.65En Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een priester stond met urim en thummim.66Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;67Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.68Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;69Kemelen, vierhonderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend, zevenhonderd en twintig.70Een deel nu van de hoofden der vaderen gaven tot het werk. Hattirsatha gaf tot den schat, aan goud, duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken.71En anderen van de hoofden der vaderen gaven tot den schat des werks, aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend en tweehonderd ponden.72En wat de overigen des volks gaven, was aan goud, twintig duizend drachmen, en aan zilver, twee duizend mijnen, en zeven en zestig priesterrokken.73En de priesters, en de Levieten, en de poortiers, en de zangers, en sommigen van het volk, en de Nethinim, en gans Israel, woonden in hun steden.

Nehemía heeft het in zijn hart het volk te tellen. Daarbij maakt hij gebruik van de geslachtsregisters die bij de eerste terugkeer naar Jeruzalem opgesteld waren.

De verzen 6 tot en met 73 zijn daarom bijna letterlijk een herhaling van hoofdstuk twee van het Boek Ezra. We vinden daarin bijvoorbeeld de afstamming terug van de man "die een vrouw van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was" (vers 63 en Ezra 2 vers 61).

Barzillai was die ontzettend rijke en oude man van aanzien die David en zijn gevolg van het nodige voorzien had, toen deze in Mahanáïm was (2 Samuël 19 vers 32). Hier zien we dat zijn schoonzoon, hoewel hij priester was, in zijn tijd z'n eigen naam verzwegen had. Hij had zich naar de naam van z'n schoonvader laten noemen om meer indruk te kunnen maken! En wat zijn de ernstige gevolgen? Zijn nakomelingen worden als onreinen van het priesterschap uitgesloten!

Laten we ervoor oppassen dat we niet uit een bepaalde zorg om aanzien onze christelijke voorrechten opgeven!

Bestaat er een grotere waardigheid en is er iets edelers te bedenken dan het behoren tot de familie van God, tot het koninklijke priesterdom?

Deze volkstelling onderstreept de tegenstelling met de tijd van David! Alleen de stam Juda telde toen al vierhonderdzeventigduizend krijgslieden die het zwaard droegen, dus tien keer zoveel personen als er nu zijn. Het aantal is voor de Heere echter niet belangrijk, maar de trouw!

Nehemia 8:1-12
1Als nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israels in hun steden waren,2Zo verzamelde zich al het volk als een enig man op de straat voor de Waterpoort; en zij zeiden tot Ezra, den schriftgeleerde, dat hij het boek der wet van Mozes zou halen, die de HEERE Israel geboden had.3En Ezra, de priester, bracht de wet voor de gemeente, beiden mannen en vrouwen, en allen, die verstandig waren om te horen, op den eersten dag der zevende maand.4En hij las daarin voor de straat, die voor de Waterpoort is, van het morgen licht aan tot op den middag, voor de mannen en vrouwen, en de verstandigen; en de oren des gansen volks waren naar het wetboek.5En Ezra, de schriftgeleerde, stond op een hogen houten stoel, dien zij tot die zaak gemaakt hadden, en nevens hem stond Mattithja, en Sema, en Anaja, en Uria, en Hilkia, en Maaseja, aan zijn rechterhand; en aan zijn linkerhand Pedaja, en Misael, en Malchia, en Hasum, en Hasbaddana, Zacharja en Mesullam.6En Ezra opende het boek voor de ogen des gansen volks, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk.7En Ezra loofde den HEERE, den groten God; en al het volk antwoordde: Amen, amen! met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den HEERE, met de aangezichten ter aarde.8Jesua nu, en Bani, en Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maaseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja, en de Levieten onderwezen het volk in de wet. En het volk stond op zijn standplaats.9En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen.10En Nehemia (dezelve is Hattirsatha) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde, en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: Deze dag is den HEERE, uw God, heilig; bedrijft dan geen rouw, en weent niet; want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden.11Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen Heere heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap des HEEREN, die is uw sterkte.12En de Levieten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet.

Voor de prachtige gebeurtenis die in dit hoofdstuk beschreven wordt, heeft Nehemía de eerste plaats afgestaan aan de priester Ezra.

We weten dat deze "een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes" was en dat hij het al lange tijd in zijn hart had "Israël te leren de inzettingen en de rechten" (Ezra 7 vers 6 en 10).

Dat is een prachtig verlangen! En als het volk de wens daartoe uit, is het moment aangebroken waarop zijn verlangen in vervulling mag gaan!

Het gaat om het duidelijk lezen en uitleggen van het Woord van God. Ezra opent het Woord en vergeet daarbij niet de HEERE te prijzen Die dit Woord gegeven heeft.

Zo mag men ook vandaag met dankzegging beginnen, wanneer in een samenkomst de Bijbel geopend wordt om gelezen en overdacht te worden.

Wat de aanwezigen betreft, is het niet voldoende "verstandig" te zijn, maar men moet ook aandachtig luisteren (vers 4). Doen wij dat altijd, wanneer het Woord in de samenkomsten of thuis wordt voorgelezen?

Het Woord begrijpen, is hèt middel om zelf gevoed te worden en zich te verheugen in de gemeenschap met de Heere (vers 13). Laten we er echter ook aan denken "delen te zenden", dat wil zeggen: hun die niet aanwezig konden zijn, van het goede mee te delen dat wij zelf ontvangen hebben.

"De blijdschap des HEEREN, die is uw sterkte" (vers 11). Dit prachtige vers mogen we wel dik onderstrepen in onze Bijbel. Hopelijk mag een ieder van ons dit persoonlijk ervaren!

Nehemia 8:13-18; Nehemia 9:1-4
13Toen ging al het volk henen om te eten, en om te drinken, en om delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt.14En des anderen daags verzamelden zich de hoofden der vaderen van het ganse volk, de priesters en de Levieten, tot Ezra, den schriftgeleerde, en dat, om verstand te bekomen in de woorden der wet.15En zij vonden in de wet geschreven, dat de HEERE door de hand van Mozes geboden had, dat de kinderen Israels in loofhutten zouden wonen, op het feest in de zevende maand;16En dat zij het zouden luidbaar maken, en een stem laten doorgaan door al hun steden, en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte, en haalt takken van olijfbomen, en takken van andere olieachtige bomen, en takken van mirtebomen, en takken van palmbomen, en takken van andere dichte bomen, om loofhutten te maken, als er geschreven is.17Alzo ging het volk uit en haalden ze, en maakten zich loofhutten, een iegelijk op zijn dak, en in hun voorhoven, en in de voorhoven van Gods huis, en op de straat der Waterpoort, en op de straat van Efraimspoort.18En de ganse gemeente dergenen, die uit de gevangenis waren wedergekomen, maakten loofhutten, en woonden in die loofhutten; want de kinderen Israels hadden alzo niet gedaan sinds de dagen van Jesua, den zoon van Nun, tot op dezen dag toe; en er was zeer grote blijdschap. [ (Nehemiah 8:19) En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van den eersten dag tot den laatsten dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op den achtsten dag den verbodsdag, naar het recht. ]
1Voorts op den vier en twintigsten dag dezer maand verzamelden zich de kinderen Israels met vasten en met zakken, en aarde was op hen.2En het zaad Israels scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden, en deden belijdenis van hun zonden en hunner vaderen ongerechtigheden.3Want als zij opgestaan waren op hun standplaats, zo lazen zij in het wetboek des HEEREN, huns Gods, een vierendeel van den dag; en op een ander vierendeel deden zij belijdenis, en aanbaden den HEERE, hun God.4Jesua nu, en Bani, Kadmiel, Sebanja, Bunni, Serebja, Bani en Chenani, stonden op het hoge gestoelte der Levieten, en riepen met luider stem tot den HEERE, hun God;

"Alzo zal Mijn Woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij weerkeren", zegt de HEERE (Jesaja 55 vers 11). Deze belofte gaat hier in vervulling.

Volgens de Goddelijke aanwijzingen viert het volk nu onder leiding van hun geestelijke leider het loofhuttenfeest. Het gebeurde nog prachtiger dan in de mooiste dagen van Salomo! Sinds de dagen van Jozua was het niet zó geweldig gevierd.

Het tegenwoordige verval zou ons christenen er steeds meer toe moeten aanzetten het karakter van ons vreemdelingschap duidelijker in praktijk te brengen. Dat betekent immers het wonen in tenten! Bovendien zouden we onze gedachten steeds meer moeten richten op de vreugde van het toekomstige rijk van Christus.

Aan het begin van hoofdstuk 9 vindt een verandering plaats. De kinderen van Israël komen opnieuw op eén bepaalde dag samen. Nu is belijdenis van zonden het doel van dit samenzijn.

Kennen wij als gelovigen ook speciale momenten waarop we de balans van ons leven opmaken en met schrik onze misstappen opmerken waarover we ons moeten verootmoedigen?

Sommigen menen dat dit 'orde op zaken stellen' op zaterdagavond moet gebeuren, vóór de dag van de Heere. Anderen denken dat het aan het einde van iedere dag moet.

Noch de een, noch de ander heeft gelijk. Zelfoordeel moeten
we voortdurend toepassen, op hetzelfde moment dat de
Heilige Geest ons een bepaalde zonde in ons leven laat zien.

Nehemia 9:5-15
5En de Levieten, Jesua, en Kadmiel, Bani, Hasabneja; Serebja, Hodia, Sebanja, Petahja, zeiden: Staat op, looft den HEERE, uw God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid; en men love den Naam Uwer heerlijkheid, die verhoogd is boven allen lof en prijs!6Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeen en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U.7Gij zijt die HEERE, de God, Die Abram hebt verkoren, en hem uit Ur der Chaldeen uitgevoerd; en Gij hebt zijn naam gesteld Abraham.8En Gij hebt zijn hart getrouw gevonden voor Uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat Gij zoudt geven het land der Kanaanieten, der Hethieten, der Amorieten, en der Ferezieten, en der Jebusieten, en der Girgasieten, dat Gij het zijn zade zoudt geven; en Gij hebt Uw woorden bevestigd, omdat Gij rechtvaardig zijt.9En Gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee;10En Gij hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al het volk zijns lands; want Gij wist, dat zij trotselijk tegen hen handelden; en Gij hebt U een Naam gemaakt, als het is te dezen dage.11En Gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan; en hun vervolgers hebt Gij in de diepten geworpen, als een steen in sterke wateren.12En Gij hebt ze des daags geleid met een wolkkolom, en des nachts met een vuurkolom, om hen te lichten op den weg, waarin zij zouden wandelen.13En Gij zijt neergedaald op den berg Sinai, en hebt met hen gesproken uit den hemel; en Gij hebt hun gegeven rechtmatige rechten, en getrouwe wetten, goede inzettingen en geboden.14En Gij hebt Uw heiligen sabbat bekend gemaakt; en Gij hebt hun geboden, en inzettingen en een wet bevolen, door de hand van Uw knecht Mozes.15En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij Uw hand ophieft, dat Gij het hun zoudt geven.

Enkele met name genoemde Levieten roepen het volk op om op te staan en de HEERE te prijzen. En uit naam van allen richten zij het lange gebed tot Hem dat het resterende deel van dit hoofdstuk in beslag neemt.

De eerste woorden luiden: "Gij zijt die HEERE alleen". Vervolgens gaan de gedachten van de Levieten terug naar Gods machtige werken in de schepping en roemen zij de vervulling van de raadsbesluiten van God, de roeping van Abraham — wiens hart trouw bevonden werd —, de bevrijding uit Egypte, de doortocht door de Rode Zee, Zijn geduldige zorg voor Israël gedurende die lange woestijnreis, toen Hij hen de wet gaf, en tenslotte de intocht in het land.

Het woordje "Gij", in verbinding met een bepaalde daad of handeling van God, komt ongeveer twintig maal in deze paar verzen voor.

God prijzen voor wat Hij is en wat Hij gedaan heeft, is dat ook niet het voorrecht van allen die de Heere toebehoren?

Laten we in onze harten toch steeds weer overdenken wat Zijn genade heeft volbracht! Laten we onszelf erin oefenen om steeds meer redenen van dankbaarheid te ontdekken. Daardoor zullen er steeds nieuwe banden van liefde met onze hemelse Vader en de Heere Jezus ontstaan.

Laten we onszelf ertoe aansporen — zoals David gedaan heeft — om de HEERE te prijzen en Zijn weldaden niet te vergeten (Psalm 103 vers 2)! In werkelijkheid zijn deze weldaden echter niet te tellen!

Nehemia 9:16-27
16Maar zij en onze vaders hebben trotselijk gehandeld, en zij hebben hun nek verhard, en niet gehoord naar Uw geboden;17En zij hebben geweigerd te horen, en niet gedacht aan Uw wonderen, die Gij bij hen gedaan hadt, en hebben hun nek verhard, en in hun wederspannigheid een hoofd gesteld, om weder te keren tot hun dienstbaarheid. Doch Gij, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig, en groot van weldadigheid, hebt hen evenwel niet verlaten.18Zelfs, als zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden, en gezegd: Dit is uw God, Die u uit Egypte heeft opgevoerd; en grote lasteren gedaan hadden;19Hebt Gij hen nochtans door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de wolkkolom week niet van hen des daags, om hen op den weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts, om hen te lichten, en dat, op den weg, waarin zij zouden wandelen.20En Gij hebt Uw goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen; en Uw Manna hebt Gij niet geweerd van hun mond, en water hebt Gij hun gegeven voor hun dorst.21Alzo hebt Gij hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun klederen zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen.22Voorts hebt Gij hun koninkrijken en volken gegeven, en hebt hen verdeeld in hoeken. Alzo hebben zij erfelijk bezeten het land van Sihon, te weten, het land des konings van Hesbon, en het land van Og, koning van Basan.23Gij hebt ook hun kinderen vermenigvuldigd, als de sterren des hemels; en Gij hebt hen gebracht in het land, waarvan Gij tot hun vaderen hadt gezegd, dat zij zouden ingaan om het erfelijk te bezitten.24Alzo zijn de kinderen daarin gekomen, en hebben dat land erfelijk ingenomen; en Gij hebt de inwoners des lands, de Kanaanieten, voor hun aangezicht ten ondergebracht, en hebt hen in hun hand gegeven, mitsgaders hun koningen en de volken des lands, om daarmede te doen naar hun welgevallen.25En zij hebben vaste steden en een vet land ingenomen, en erfelijk bezeten, huizen, vol van alle goed, uitgehouwen bornputten, wijngaarden, olijfgaarden en bomen van spijze, in menigte; en zij hebben gegeten, en zijn zat en vet geworden, en hebben in wellust geleefd, door Uw grote goedigheid.26Maar zij zijn wederspannig geworden, en hebben tegen U gerebelleerd, en Uw wet achter hun rug geworpen, en Uw profeten gedood die tegen hen betuigden, om hen te doen wederkeren tot U; alzo hebben zij grote lasteren gedaan.27Daarom hebt Gij hen gegeven in de hand hunner benauwers, die hen benauwd hebben; maar als zij in den tijd hunner benauwdheid tot U riepen, hebt Gij van den hemel gehoord, en hun naar Uw grote barmhartigheden verlossers gegeven, die hen uit de hand hunner benauwers verlosten.

Evenals deze Levieten, heeft ook Stefanus in Handelingen 7 een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis van de genade van God ten aanzien van het volk Israël gegeven. Hij vervolgt zijn toespraak met soortgelijke woorden: "Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij weerstaat altijd de Heilige Geest" (vers 51).

Halsstarrigheid, de nek niet willen buigen om zich aan het juk van de Heere te onderwerpen, is niet alleen een kenmerk van het volk Israël en ook niet alleen van onbekeerden! We hebben allemaal deze eigenzinnige natuur in ons die zich niet wil onderwerpen.

Iedere christen, op geen enkele uitzondering na, kan dit maar al te goed weten als hij eerlijk is voor zichzelf. En het is onmogelijk om daar in eigen kracht mee klaar te komen.

Maar kent ieder ook de bevrijding die God hem daarvan wil geven? Aan het kruis heeft Hij deze opstandige en onbuigzame wil overgegeven in de dood en ons in plaats daarvan de gehoorzame natuur van de Heere Jezus gegeven.

De oude natuur met al zijn begeerten is nog wel altijd in ons aanwezig, maar heeft niet meer het recht om ons te leiden en over ons te heersen.

Hoeveel te meer komen de zonden van Israël naar voren als die, zoals hier gebeurt, tegenover de Goddelijke genade gesteld worden! Ze verdubbelen als het ware de ondankbaarheid (zie Deuteronomium 32 vers 5 en 6).

Is dat ook niet het geval bij veel jongelui die opgevoed zijn door gelovige ouders?

Nehemia 9:28-38
28Maar als zij rust hadden, keerden zij weder om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet Gij hen in de hand hunner vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt Gij hen van den hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt.29En Gij hebt tegen hen betuigd, om hen te doen wederkeren tot Uw wet; maar zij hebben trotselijk gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, tegen dezelve hebben zij gezondigd, door dewelke een mens, die ze doet, leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetogen, en hun nek verhard, en niet gehoord.30Doch Gij vertoogt het vele jaren over hen, en betuigdet tegen hen door Uw Geest, door den dient Uwer profeten, maar zij neigden het oor niet; daarom hebt Gij hen gegeven in de hand van de volken der landen.31Doch door Uw grote barmhartigheden hebt Gij hen niet vernield, noch hen verlaten; want Gij zijt een genadig en barmhartig God.32Nu dan, o onze God, Gij grote, Gij machtige, en Gij vreselijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt; laat voor Uw aangezicht niet gering zijn al de moeite, die ons getroffen heeft, onze koningen, onze vorsten, en onze priesteren; en onze profeten, en onze vaderen, en Uw ganse volk, van de dagen der koningen van Assur af tot op dezen dag.33Doch Gij zijt rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want Gij hebt trouwelijk gehandeld, maar wij hebben goddelooslijk gehandeld.34En onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaders hebben Uw wet niet gedaan; en zij hebben niet geluisterd naar Uw geboden, en naar Uw getuigenissen, die Gij tegen hen betuigdet.35Want zij hebben U niet gediend in hun koninkrijk, en in Uw menigvuldig goed, dat Gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat Gij voor hun aangezicht gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd van hun boze werken.36Zie, wij zijn heden knechten; ja, het land, dat Gij onzen vaderen gegeven hebt, om de vrucht daarvan, en het goede daarvan te eten, zie, daarin zijn wij knechten.37En het vermenigvuldigt zijn inkomste voor den koningen, die Gij over ons gesteld hebt, om onzer zonden wil; en zij heersen over onze lichamen en over onze beesten, naar hun welgevallen; alzo zijn wij in grote benauwdheid.38En in dit alles maken wij een vast verbond en schrijven het; en onze vorsten, onze Levieten en onze priesteren zullen het verzegelen.

In vers 33 vinden we een samenvatting van dit hele hoofdstuk: "Doch gij zijt rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want Gij hebt getrouw gehandeld, maar wij hebben goddeloos gehandeld".

Vergelijk deze tekst eens met een vers uit het Evangelie naar Johannes: "Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is" (Johannes 3 vers 33; zie ook Romeinen 3 vers 4).

Bezegelen wil zeggen dat men volledig instemt met een bepaalde verklaring, dat men ervoor instaat en zichzelf verplicht die te houden. De vorsten, Levieten en priesters zetten hun zegel eronder. Met andere woorden: ze ondertekenen deze verklaring. Ze geven daarmee aan het er helemaal mee eens te zijn.

Tot slot is het goed, ná deze lange belijdenis, nog twee belangrijke lessen voor de aandacht te brengen die we vast moeten houden. Ten eerste is het noodzakelijk om iets kwaads te oordelen en daarbij zover mogelijk terug te gaan naar de oorsprong van dat kwaad. De overtreding van de wet is begonnen met de gebeurtenis van het gouden kalf. Daarom kan er hier niet zonder meer aan voorbij worden gegaan (vers 18)!

Ten tweede moet een belijdenis duidelijk onder woorden gebracht worden. Simpelweg tegen God zeggen: 'Ik ben een zondaar en heb gezondigd' kost niet zo gek veel moeite en heeft in Zijn ogen niet zoveel waarde. Hij verwacht van ons dat we tegen Hem zeggen: 'Heere, Ik ben deze schuldige. Dít heb ík gedaan en dát heb ík nagelaten, daarin heb ík gefaald' (zie Leviticus 5 vers 5). Dus: 'man en paard noemen'!

Nehemia 10:28-39
28En het overige des volks, de priesteren, de Levieten, de poortiers, de zangers, de Nethinim, en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden tot Gods wet, hun vrouwen, hun zonen en hun dochteren, al wie wetenschap en verstand had;29Die hielden zich aan hun broederen, hun voortreffelijken, en kwamen in den vloek en in den eed, dat zij zouden wandelen in de wet Gods, die gegeven is door de hand van den knecht Gods, Mozes; en dat zij zouden houden, en dat zij zouden doen al de geboden des HEEREN, onzes Heeren, en Zijn rechten en Zijn inzettingen;30En dat wij onze dochteren niet zouden geven aan de volken des lands, noch hun dochteren nemen voor onze zonen.31Ook als de volken des lands waren en alle koren op den sabbatdag ten verkoop brengen, dat wij op den sabbat, of op een anderen heiligen dag van hen niet zouden nemen; en dat wij het zevende jaar zouden vrij laten, mitsgaders allerhande bezwaarnis.32Voorts zetten wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van een sikkel in het jaar, tot den dienst van het huis onzes Gods;33Tot het brood der toerichting, en het gedurig spijsoffer, en tot het gedurig brandoffer, der sabbatten, der nieuwe maanden, tot de gezette hoogtijden, en tot de heilige dingen, en tot de zondofferen, om verzoening te doen over Israel; en tot alle werk van het huis onzes Gods.34Ook wierpen wij de loten, onder de priesters, de Levieten en het volk, over het offer van het hout, dat men brengen zou ten huize onzes Gods, naar het huis onzer vaderen, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar des HEEREN, onzes Gods, gelijk het in de wet geschreven is;35Dat wij ook de eerstelingen onzes lands en de eerstelingen van alle vrucht van al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen ten huize des HEEREN;36En de eerstgeborenen onzer zonen en onzer beesten, gelijk het in de wet geschreven is; en dat wij de eerstgeborenen onzer runderen en onzer schapen zouden brengen ten huize onzes Gods, tot de priesteren, die in het huis onzes Gods dienen.37En dat wij de eerstelingen onzes deegs, en onze hefofferen, en de vrucht aller bomen, most en olie, zouden brengen tot de priesteren, in de kameren van het huis onzes Gods, en de tienden onzes lands tot de Levieten; en dat dezelfde Levieten de tienden zouden hebben in alle steden onzer landbouwerij;38En dat er een priester, een zoon van Aaron, bij de Levieten zou zijn, als de Levieten de tienden ontvangen; en dat de Levieten de tienden zouden opbrengen ten huize onzes Gods, in de kameren van het schathuis.39Want de kinderen Israels en de kinderen van Levi moeten hefoffer van koren, most en olie in die kameren brengen, omdat aldaar de vaten des heiligdoms zijn, en de priesteren, die dienen, en de poortiers, en de zangers; dat wij alzo het huis onzes Gods niet zouden verlaten.

Aan het begin van dit hoofdstuk worden de namen genoemd van de mannen die hun zegel onder het verbond met de HEERE gezet hebben.

We weten dat God ook Zijn Zegel heeft: de Heilige Geest. Hij is het Eigendomsbewijs waarmee een gelovige verzegeld is (Efeze 1 vers 13 en 4 vers 30) en waarmee God aangeeft dat Hij hem kent. Hij zegt door dat zegel als het ware: 'Hier is iemand, die Mij toebehoort'.

Kan Hij dat van ieder die dit leest zeggen?

Hun eigen zegel kon de metgezellen van Nehemía geen kracht geven om hetgeen waartoe zij zich verplicht voelden, te vervullen. De Heilige Geest daarentegen is niet alleen het Zegel, maar tegelijkertijd ook de Kracht waardoor de christen in staat is de wil van God te doen (Efeze 3 vers 16).

Het hele volk heeft zich eenparig achter de leiders geschaard.

De kennis van de wet die zij zich opnieuw eigen gemaakt hebben, is voor hen niet alleen maar theorie.

De één na de ander wordt daardoor ertoe aangezet zich te reinigen, de sabbat te houden en een rustjaar in acht te nemen (vers 31), de dienst van het huis van God uit te oefenen en de aanwijzingen met betrekking tot de eerstelingen en de tienden ter harte te nemen en gehoorzaam op te volgen.

"Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij ze doet", zei de Heere Jezus (Johannes 13 vers 17).

Nehemia 11:1-2; Nehemia 12:22-30
1Voorts woonden de oversten des volks te Jeruzalem; maar het overige des volks wierpen loten, om uit tien een uit te brengen, die in de heilige stad Jeruzalem zou wonen, en negen delen in de andere steden.2En het volk zegende al de mannen, die vrijwilliglijk aanboden te Jeruzalem te wonen.
22Van de Levieten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, en Johanan, en Jaddua, de hoofden der vaderen beschreven; mitsgaders de priesteren, tot het koninkrijk van Darius, den Perziaan.23De kinderen van Levi, de hoofden der vaderen, werden beschreven in het boek der kronieken, tot de dagen van Johanan, den zoon van Eljasib, toe.24De hoofden dan der Levieten waren Hasabja, Serebja, en Jesua, de zoon van Kadmiel, en hun broederen tegen hen over, om te prijzen en te danken, naar het gebod van David, den man Gods, wacht tegen wacht.25Matthanja en Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub, waren poortiers, de wacht waarnemende bij de schatkamers der poorten.26Dezen waren in de dagen van Jojakim, den zoon van Jesua, den zoon van Jozadak, en in de dagen van Nehemia, den landvoogd, en van den priester Ezra, den schriftgeleerde.27In de inwijding nu van Jeruzalems muur, zochten zij de Levieten uit al hun plaatsen, dat zij hen te Jeruzalem brachten, om de inwijding te doen met vreugde, en met dankzeggingen, en met gezang, cimbalen, luiten, en met harpen.28Alzo werden de kinderen der zangers verzameld, zo uit het vlakke veld rondom Jeruzalem, als uit de dorpen van de Netofathieten;29En uit het huis van Gilgal, en uit de velden van Geba en Asmaveth; want de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem.30En de priesters en de Levieten reinigden zichzelven; daarna reinigden zij het volk, en de poorten, en den muur.

Zij die uit Babel teruggekeerd zijn, vormen slechts een gering aantal vergeleken met hen die vóór de wegvoering in het land gewoond hadden.

Ook in Jeruzalem waarvan de muren weer op de oude fundamenten opgebouwd waren, woonde nog maar een uiterst klein aantal burgers. En onder hen waren ook zij die tegenover hun eigen huis de muur verbeterd hadden!

Er wordt nu besloten dat men vrijwilligers uit Juda en Benjamin wil laten overkomen om de stad opnieuw te bevolken. Hún namen worden genoemd.

Inderdaad eert God iedereen die afstand kan doen van z'n akkers en z'n huis en die uit aanhankelijkheid aan Zijn heiligdom in de buurt daarvan gaat wonen!

Er zijn beloften met betrekking tot het Jeruzalem van het duizendjarige rijk (zie bijvoorbeeld Zacharía 2 vers 4; Jesaja 33 vers 20 en hoofdstuk 60). Maar er bestaan nog veel mooiere beloften voor de heilige stad, het hemelse Jeruzalem.

God Die het nieuwe Jeruzalem voor Christus "toebereid" heeft (Openbaring 21 vers 2), heeft het ook "toebereid" voor hen die Hem toebehoren en die op aarde afgezien hebben van een blijvende stad (Hebreeën 11 vers 16).

Deze wonderbare stad — een beeld van de gemeente — is niet gemaakt om onbewoond te blijven. God zal Zelf in het midden van de Zijnen wonen. Er bestaat echter wel één noodzakelijke voorwaarde om in deze stad te mogen ingaan: men moet de kleren door geloof in het bloed van het Lam gewassen hebben (Openbaring 22 vers 14)!

Nehemia 12:31-47
31Toen deed ik de vorsten van Juda opgaan op den muur; en ik stelde twee grote dankkoren en omgangen, een ter rechterhand op den muur, naar de Mistpoort toe.32En achter hen ging Hosaja, en de helft der vorsten van Juda.33En Azarja, Ezra, en Mesullam,34Juda, en Benjamin, en Semaja, en Jeremia;35En van de priesters kinderen met trompetten: Zecharja, de zoon van Jonathan, den zoon van Semaja, den zoon van Matthanja, den zoon van Michaja, den zoon van Zakkur, den zoon van Asaf;36En zijn broeders, Semaja, en Azareel, Milalai, Gilalai, Maai, Nethaneel, en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van David, den man Gods; en Ezra, de schriftgeleerde, ging voor hun aangezicht heen.37Voorts naar de Fonteinpoort, en tegen hen over, gingen zij op bij de trappen van Davids stad, door den opgang des muurs, boven Davids huis, tot aan de Waterpoort, tegen het oosten.38Het tweede dankkoor nu ging tegenover, en ik achter hetzelve, met de helft des volks, op den muur, van boven den Bakoventoren, tot aan den breden muur;39En van boven de poort van Efraim, en boven de Oude poort, en boven de Vispoort, en den toren Hananeel, en den toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort.40Daarna stonden de beide dankkoren in Gods huis; ook ik en de helft der overheden met mij.41En de priesters, Eljakim, Maaseja, Minjamin, Michaja, Eljoenai, Zacharja, Hananja, met trompetten;42Voorts Maaseja, en Semaja, en Eleazar, en Uzzi, en Johanan, en Malchia, en Elam, en Ezer; ook lieten zich de zangers horen, met Jizrahja, den opziener.43En zij offerden deszelven daags grote slachtofferen, en waren vrolijk; want God had hen vrolijk gemaakt met grote vrolijkheid; en ook waren de vrouwen en de kinderen vrolijk; zodat de vrolijkheid van Jeruzalem tot van verre gehoord werd.44Ook werden ten zelfden dage mannen gesteld over de kameren, tot de schatten, tot de hefofferen, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers der steden te verzamelen de delen der wet, voor de priesteren en voor de Levieten; want Juda was vrolijk over de priesteren en over de Levieten, die daar stonden.45En de wacht huns Gods waarnamen, en de wacht der reiniging, ook de zangers, en de poortiers, naar het gebod van David en zijn zoon Salomo.46Want in de dagen van David en Asaf, van ouds, waren er hoofden der zangers, en des lofgezangs, en der dankzeggingen tot God.47Daarom gaf gans Israel, in de dagen van Zerubbabel, en in de dagen van Nehemia, de delen der zangers en der poortiers, van elk dagelijks op zijn dag; en zij heiligden voor de Levieten, en de Levieten heiligden voor de kinderen van Aaron.

De inwijdingsceremonie van de muren die in vers 27 begint, is een gebeurtenis die gepaard gaat met grote blijdschap.

Er worden twee stoeten van dankkoren samengesteld die gelijktijdig vertrekken voor een tocht over de stadsmuur. Ze lopen echter in tegengestelde richting.

Het éne dankkoor wordt aangevoerd door Ezra (vers 36), terwijl Nehemía aan het einde van het tweede dankkoor loopt (vers 38).

Deze twee groepen lofzangers ontmoeten elkaar weer in de buurt van de tempel, nadat ieder de helft van de rondgang om de stad heeft afgelegd.

Ze hebben hiermee de woorden uit de mooie Psalm 48 vervuld: "Gaat rondom Sion, en omringt haar; telt haar torens; Zet uw hart op haar vesting ..." (Psalm 48 vers 13 en 14).

Aangekomen bij het huis van God, wordt er één groot koor gevormd dat de stem luid laat weerklinken. Daarna worden er onder algehele vreugde "grote slachtoffers" gebracht.

In vers 43 worden ons drie dingen in verband met deze vreugde geleerd:

Ten eerste, dat de bron hiervan in God ligt: "God had hen vrolijk gemaakt".

Ten tweede, dat allen er deel aan hebben, ook de kinderen.

En ten derde, dat de vreugde "tot van verre gehoord werd". Kan de wereld om ons heen ook aan ons zien en horen dat we gelukkige mensen zijn?

Nehemia 13:1-14
1Te dien dage werd er gelezen in het boek van Mozes, voor de oren des volks; en daarin werd geschreven gevonden, dat de Ammonieten en Moabieten niet zouden komen in de gemeente Gods, tot in eeuwigheid;2Omdat zij den kinderen Israels niet waren tegengekomen met brood en met water, ja, Bileam tegen hen gehuurd hadden, om hen te vloeken, hoewel onze God den vloek omkeerde in een zegen.3Zo geschiedde het, als zij deze wet hoorden, dat zij alle vermengeling van Israel afscheidden.4Eljasib nu, de priester, die gesteld was over de kamer van het huis onzes Gods, was voor dezen nabestaande van Tobia geworden.5En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij te voren henenleiden het spijsoffer, den wierook en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor de Levieten, en de zangers, en de poortiers, mitsgaders het hefoffer der priesteren.6Doch in dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het twee en dertigste jaar van Arthahsasta, koning van Babel, kwam ik tot den koning; maar ten einde van sommige dagen verkreeg ik weder verlof van den koning.7En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad, dat Eljasib voor Tobia gedaan had, makende hem een kamer in de voorhoven van Gods huis.8En het mishaagde mij zeer; zo wierp ik al het huisraad van Tobia buiten, uit de kamer.9Voorts gaf ik bevel, en zij reinigden de kameren; en ik bracht daar weder in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en den wierook.10Ook vernam ik, dat der Levieten deel hun niet gegeven was; zodat de Levieten en de zangers, die het werk deden, gevloden waren, een iegelijk naar zijn akker.11En ik twistte met de overheden, en zeide: Waarom is het huis Gods verlaten? Doch ik vergaderde hen, en herstelde ze in hun stand.12Toen bracht gans Juda de tienden van het koren, en van den most, en van de olie, in de schatten.13En ik stelde tot schatmeesters over de schatten, Selemja, den priester, en Zadok, den schrijver, en Pedaja, uit de Levieten; en aan hun hand Hanan, den zoon van Zakkur, den zoon van Matthanja; want zij werden getrouw geacht, en hun werd opgelegd aan hun broederen uit te delen.14Gedenk mijner, mijn God, in dezen; en delg mijn weldadigheden niet uit, die ik aan het huis mijns Gods en aan Zijn wachten gedaan heb.

Nehemía was verplicht om naar de koning terug te keren. Tobía, de bekende vijand van God en Zijn volk, maakt gebruik van zijn afwezigheid.

Het gelukt Tobía, met de hulp van een priester, één van de kamers van het huis van God in bezit te krijgen!

Die priester was niemand minder dan Eljásib die ook bij de herbouw van de muur al getoond had erg onzorgvuldig te zijn.

De poortwachters, de mannen die in het voorgaande hoofdstuk de verantwoording gekregen hadden "over de kamers, voor de schatten", hadden echter eveneens hun plicht verzuimd met betrekking tot de dingen die God hun had toevertrouwd (hoofdstuk 12 vers 44).

Hevig verontwaardigd gooit Nehemía bij zijn terugkeer al het huisraad van Tobía naar buiten. Vervolgens laat hij de kamers reinigen en brengt hij het gereedschap van het huis van God weer op z'n plaats. Ook stelt hij het offer weer in (vergelijk Mattheüs 21 vers 12 en 13).

Onze harten lijken soms veel op deze kamers waar de wereld de plaats ingenomen heeft die God toekomt, en waar geofferd zou moeten worden!

Het is echter niet bij deze eerste nalatigheid gebleven. Zonde blijft nooit alleen, maar vermenigvuldigt zich in een angstaanjagend tempo.

Daarom moet Nehemía zich nu ook bezighouden met het deel voor de Levieten, alsook met het beheer en de verdeling van de tienden die het volk gebracht had.

Nehemia 13:15-31
15In dezelfde dagen zag ik in Juda, die persen traden op den sabbat, en die garven inbrachten, die zij op ezels laadden; als ook wijn, druiven en vijgen, en allen last, dien zij te Jeruzalem inbrachten op den sabbatdag; en ik betuigde tegen hen ten dage, als zij eetwaren verkochten.16Daar waren ook Tyriers binnen, die vis aanbrachten, en alle koopwaren, die zij op den sabbat verkochten aan de kinderen van Juda en te Jeruzalem.17Zo twistte ik met de edelen van Juda, en zeide tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat gijlieden doet, en ontheiligt den sabbatdag?18Deden niet uw vaders alzo, en onze God bracht al dit kwaad over ons en over deze stad? En gijlieden maakt de hittige gramschap nog meer over Israel, ontheiligende den sabbat.19Het geschiedde nu, als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, voor den sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval, dat zij ze niet zouden opendoen tot na den sabbat; en ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op den sabbatdag.20Toen vernachtten de kramers, en de verkopers van alle koopwaren, buiten voor Jeruzalem, eens of tweemaal.21Zo betuigde ik tegen hen, en zeide tot hen: Waarom vernacht gijlieden tegenover den muur? Zo gij het weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd af kwamen zij niet op den sabbat.22Voorts zeide ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen wachten, om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God! en verschoon mij naar de veelheid Uwer goedertierenheid.23Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonietische en Moabietische vrouwen bij zich hadden doen wonen.24En hun kinderen spraken half Asdodisch, en zij konden geen Joods spreken, maar naar de taal eens iegelijken volks.25Zo twistte ik met hen, en vloekte hen, en sloeg sommige mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: Indien gij uw dochteren hun zonen zult geven, en indien gij van hun dochteren voor uw zonen of voor u zult nemen!26Heeft niet Salomo, de koning van Israel, daarin gezondigd, hoewel er onder vele heidenen geen koning was, gelijk hij, en hij zijn God lief was, en God hem ten koning over gans Israel gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen.27Zouden wij dan naar ulieden horen, dat gij al dit grote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onzen God, doende vreemde vrouwen bij u wonen?28Ook was er een van de kinderen van Jojada, den zoon van Eljasib, den hogepriester, schoonzoon geworden van Sanballat, den Horoniet; daarom jaagde ik hem van mij weg.29Gedenk aan hen, mijn God, omdat zij het priesterdom hebben verontreinigd, ja, het verbond des priesterdoms en der Levieten.30Alzo reinigde ik hen van alle vreemden; en ik bestelde de wachten der priesteren en der Levieten, elk op zijn werk;31Ook tot het offer des houts, op bestemde tijden, en tot de eerstelingen. Gedenk mijner, mijn God, ten goede.

Ondanks de verplichting die het volk op zich genomen had (hoofdstuk 10 vers 31), wordt de sabbatsrust toch niet in acht genomen. Nehemía neemt de strengste maatregelen om deze zaak weer in orde te brengen.

Zouden wij, geliefde kinderen van God, de dag van de Heere ook niet minstens even hoog moeten achten als Israël de sabbat behoorde te achten?

Het is waar, we zijn niet meer onder de wet, maar het is verdrietig als christenen de zondag gewoon als een vrije dag voor zichzelf beschouwen. Of deze dag gebruiken om huiswerk te maken of andere werkzaamheden te verrichten die ook de avond ervoor gedaan hadden kunnen worden!

Waaraan moeten we denken bij de poorten die 's nachts gesloten moesten zijn ter bescherming voor gevaren van buitenaf?

Is het niet opnieuw een beeld van de heilige stad waarvan gezegd wordt: "Haar poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn ... En in haar zal niet inkomen iets, dat verontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt" (Openbaring 21 vers 25 en 27).

Geschiedkundig valt nu het gordijn over Israël. Pas na vier eeuwen (om precies te zijn: vierhonderdveertig jaar later) zal het weer opgetrokken worden voor hun Bevrijder en Messias, zoals beschreven op de eerste bladzijden van het Nieuwe Testament.

Esther 1:1-9
1Het geschiedde nu in de dagen van Ahasveros, (hij is die Ahasveros, dewelke regeerde van Indie af tot aan Morenland toe, honderd zeven en twintig landschappen).2In die dagen, als de koning Ahasveros op den troon zijns koninkrijks zat, die op den burg Susan was;3In het derde jaar zijner regering maakte hij een maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten; de macht van Perzie en Medie, de grootste heren en de oversten der landschappen waren voor zijn aangezicht;4Als hij vertoonde den rijkdom der heerlijkheid zijns rijks, en de kostelijkheid des sieraads zijner grootheid, vele dagen lang, honderd en tachtig dagen.5Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de koning een maaltijd al den volke, dat gevonden werd op den burg Susan, van den grootste tot den kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van den hof van het koninklijk paleis.6Er waren witte, groene en hemelsblauwe behangselen, gevat aan fijn linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren; de bedsteden waren van goud en zilver, op een vloer van porfier steen, en van marmer, en albast, en kostelijke stenen.7En men gaf te drinken in vaten van goud, en het ene vat was anders dan het andere vat; en er was veel koninklijke wijn, naar des konings vermogen.8En het drinken geschiedde naar de wet, dat niemand dwong; want alzo had de koning vastelijk bevolen aan alle groten zijns huizes, dat zij doen zouden naar den wil van een iegelijk.9De koningin Vasthi maakte ook een maaltijd voor de vrouwen in het koninklijk huis, hetwelk de koning Ahasveros had.

De geschiedenis van Esther is een bijzonder verhaal dat, wat de chronologische volgorde betreft, past tussen hoofdstuk 6 en 7 van het Boek Ezra.

Aan de éne kant wordt er verteld over de joden die in het Perzische rijk zijn achtergebleven, nadat de eerste groep ballingen teruggekeerd was naar Jeruzalem. Aan de andere kant gaat het over de heerser van dit rijk: de machtige Ahasvéros en zijn gevolg.

Deze koning staat in de geschiedenis bekend onder de naam Xerxes, zoon van Darius. Hij is beroemd geworden door zijn veldtocht tegen Griekenland die gekenmerkt werd door de opzienbarende nederlaag die zijn vloot leed bij Salamis.

Daniël 11 vers 2 zinspeelt op deze monarch en zijn rijkdom, evenals op zijn veldtocht tegen Griekenland.

Het feest dat Ahasvéros hier organiseert, vol pracht en praal, vond vóór deze oorlog plaats. Misschien hield de feestelijkheid wel verband met de voorbereidingen voor de strijd.

Alles wat in dit hoofdstuk beschreven wordt, dient tot verheerlijking van de mens wiens hoogmoed geen grenzen kent. Ook al is alles vandaag de dag misschien wat minder luxe en niet meer zo groots als toen in het paleis van Ahasvéros, toch is er ook nu geen gebrek aan feesten en allerlei uiterlijk vertoon waarmee iemand (of een heel volk) zijn buurman wil imponeren en overtroeven. Een trouw kind van God kan, ja, mag niets van doen hebben met dit soort dingen. Waarom niet? Juist omdat de macht, het verstand en de 'liefelijkheid' (vers 8) van de mens hierbij zó centraal staan.

Esther 1:10-22
10Op den zevenden dag, toen des konings hart vrolijk was van den wijn, zeide hij tot Mehuman, Biztha, Charbona, Bigtha en Abagtha, Zethar en Charchas, de zeven kamerlingen, dienende voor het aangezicht van den koning Ahasveros,11Dat zij Vasthi, de koningin, zouden brengen voor het aangezicht des konings, met de koninklijke kroon, om den volken en den vorsten haar schoonheid te tonen; want zij was schoon van aangezicht.12Doch de koningin Vasthi weigerde te komen op het woord des konings, hetwelk door den dienst der kamerlingen haar aangezegd was. Toen werd de koning zeer verbolgen, en zijn grimmigheid ontstak in hem.13Toen zeide de koning tot de wijzen, die de tijden verstonden (want alzo moest des konings zaak geschieden, in de tegenwoordigheid van al degenen, die de wet en het recht wisten;14De naasten nu bij hem waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres, Marsena, Memuchan, zeven vorsten der Perzen en der Meden, die het aangezicht des konings zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk),15Wat men naar de wet met de koningin Vasthi doen zou, omdat zij niet gedaan had het woord van den koning Ahasveros, door den dienst der kamerlingen?16Toen zeide Memuchan voor het aangezicht des konings en der vorsten: De koningin Vasthi heeft niet alleen tegen den koning misdaan, maar ook tegen al de vorsten, en tegen al de volken, die in al de landschappen van den koning Ahasveros zijn.17Want deze daad der koningin zal uitkomen tot alle vrouwen, zodat zij haar mannen verachten zullen in haar ogen, als men zeggen zal: De koning Ahasveros zeide, dat men de koningin Vasthi voor zijn aangezicht brengen zou; maar zij kwam niet.18Te dezen zelfden dage zullen de vorstinnen van Perzie en Medie ook alzo zeggen tot al de vorsten des konings, als zij deze daad der koningin zullen horen, en er zal verachtens en toorns genoeg wezen.19Indien het den koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, hetwelk geschreven worde in de wetten der Perzen en Meden, en dat men het niet overtrede: dat Vasthi niet inga voor het aangezicht van den koning Ahasveros, en de koning geve haar koninkrijk aan haar naaste, die beter is dan zij.20Als het bevel des konings, hetwelk hij doen zal in zijn ganse koninkrijk, (want het is groot) gehoord zal worden, zo zullen alle vrouwen aan haar mannen eer geven, van de grootste tot de kleinste toe.21Dit woord nu was goed in de ogen des konings en der vorsten; en de koning deed naar het woord van Memuchan.22En hij zond brieven aan al de landschappen des konings, aan een iegelijk landschap naar zijn schrift, en aan elk volk naar zijn spraak, dat elk man overheer in zijn huis wezen zou, en spreken naar de spraak zijns volks.

De weigering van koningin Vasthi, toen zij geroepen werd om haar schoonheid te tonen, wekt de toom van de koning, haar echtgenoot, op.

Ahasvéros is een driftig man. Maar toorn is nooit een teken van kracht of autoriteit. Gewoonlijk bewijst het juist het tegendeel: zwakheid van karakter en het niet in staat zijn zichzelf te beheersen.

Uit eigen ervaring weten we hoe moeilijk het is om onze emoties en opkomende gevoelens de baas te blijven als we onaangename dingen ondervinden die zich lijken op te stapelen.

Laten we de Heere steeds weer om kracht vragen om onszelf te kunnen beheersen.

Koningin Vasthi is hier een beeld van de verantwoordelijke christenheid die uit het midden van de volkeren genomen is.

Christus verwacht van Zijn gemeente dat ze haar schoonheid — die ze van Hem ontvangen heeft! — aan de wereld toont en daardoor Zijn eer verheft.

Hoe is echter de reactie van de christenheid op Zijn verlangen geweest? Ze heeft daarop met talloze minachtingen geantwoord! Daarom zal de dag komen waarop ze het vreselijke woord zal horen: "Ik zal u uit Mijn mond spuwen" (Openbaring 3 vers 16).

Wanneer de christenheid als geheel het getuigenis dat ze zou moeten afleggen, ook uit het oog heeft verloren, laten we dat als afzonderlijke gelovigen dan toch nooit vergeten!

God verwacht van elk van Zijn kinderen dat hij de wereld iets toont van de morele schoonheid van de Heere Jezus!

Esther 2:1-11
1Na deze geschiedenissen, toen de grimmigheid van den koning Ahasveros gestild was, gedacht hij aan Vasthi, en wat zij gedaan had, en wat over haar besloten was.2Toen zeiden de jongelingen des konings, die hem dienden: Men zoeke voor den koning jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht.3En de koning bestelle toezieners in al de landschappen zijns koninkrijks, dat zij vergaderen alle jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht, tot den burg Susan, tot het huis der vrouwen, onder de hand van Hegai, des konings kamerling, bewaarder der vrouwen; en men geve haar haar versierselen.4En de jonge dochter, die in des konings oog schoon wezen zal, worde koningin in stede van Vasthi. Deze zaak nu was goed in de ogen des konings, en hij deed alzo.5Er was een Joods man op den burg Susan, wiens naam was Mordechai, een zoon van Jair, den zoon van Simei, den zoon van Kis, een man van Jemini;6Die weggevoerd was van Jeruzalem met de weggevoerden, die weggevoerd waren met Jechonia, den koning van Juda, denwelken Nebukadnezar, de koning van Babel, had weggevoerd.7En hij was het, die opvoedde Hadassa (deze is Esther, de dochter zijns ooms); want zij had geen vader noch moeder; en zij was een jonge dochter, schoon van gedaante, en schoon van aangezicht; en als haar vader en haar moeder stierven, had Mordechai ze zich tot een dochter aangenomen.8Het geschiedde nu, toen het woord des konings en zijn wet ruchtbaar was, en toen vele jonge dochters samenvergaderd werden op den burg Susan, onder de hand van Hegai, werd Esther ook genomen in des konings huis, onder de hand van Hegai, den bewaarder der vrouwen.9En die jonge dochter was schoon in zijn ogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met haar versierselen en met haar delen haar te geven, en zeven aanzienlijke jonge dochters haar te geven uit het huis des konings; en hij verplaatste haar en haar jonge dochters naar het beste van het huis der vrouwen.10Esther had haar volk en haar maagschap niet te kennen gegeven; want Mordechai had haar geboden, dat zij het niet zou te kennen geven.11Mordechai nu wandelde allen dag voor het voorhof van het huis der vrouwen, om te vernemen naar den welstand van Esther, en wat met haar geschieden zou.

Hoofdstuk twee brengt ons buiten het paleis van Ahasvéros. Daar ontmoeten we in de burg Susan en in het koninkrijk een onderdrukt en lijdend volk: de joden.

De vernedering van dit volk staat in schril contrast met de drinkgelagen aan het hof van de koning. Zo'n tegenstelling komt ook naar voren bij de arme Lazarus en de rijkgevulde tafel van de rijke man (Lukas 16 vers 19 tot en met 21).

Het gaat hier om joden die door Nebukadnézar in ballingschap uit hun land zijn weggevoerd. Ze zijn hier ver van hun vaderland verwijderd: zonder tempel, zonder offerdienst, zonder koning en zonder nationale eenheid. Destijds verlangden zij er — om wat voor reden dan ook —niet naar om naar hun vaderland terug te keren (Ezra 1 vers 3). Het lijkt alsof de HEERE hen helemaal verlaten heeft. Zijn Naam wordt trouwens in dit Boek niet één keer genoemd. Hij kon hen niet openlijk als Zijn volk erkennen, omdat zij niet op de plaats waren waar ze hoorden en waar ze hadden kunnen zijn: in het beloofde land, bij de tempel.

Ook in ons leven kunnen er tijden zijn waarin wij, door eigen schuld, het genieten van de Persoon van Christus verloren hebben. Zijn offer heeft voor ons dan niet zoveel waarde meer. Niet Hij neemt meer de eerste plaats in onze harten in, maar de wereld. Dat is een heel verdrietige situatie! Is de Heere ons daarom dan ook vergeten? Het Boek Esther zal ons laten zien dat dit beslist niet het geval is!

Mórdechai bevindt zich bij de poort van het paleis. Hij is een Israëliet uit de stam van Benjamin. Hij heeft zijn nichtje die wees is, bij zich in huis genomen en waakt over haar met al z'n toewijding. Oók nadat zij tot mogelijke plaatsvervangster van koningin Vasthi was uitverkoren (vers 11).

Esther 2:12-23
12Als nu de beurt van elke jonge dochter naakte, om tot den koning Ahasveros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschied was; want alzo werden vervuld de dagen harer versieringen, zes maanden met mirre-olie, en zes maanden met specerijen, en met andere versierselen der vrouwen;13Daarmede kwam dan de jonge dochter tot den koning; al wat zij zeide, werd haar gegeven, dat zij daarmede ging uit het huis der vrouwen tot het huis des konings.14Des avonds ging zij daarin, en des morgens ging zij weder naar het tweede huis der vrouwen, onder de hand van Saasgaz, den kamerling des konings, bewaarder der bijwijven, zij kwam niet weder tot den koning, ten ware de koning lust tot haar had, en zij bij name geroepen werd.15Als de beurt van Esther, de dochter van Abichail, den oom van Mordechai, (die hij zich ter dochter genomen had) naakte, dat zij tot den koning komen zou, begeerde zij niet met al, dan wat Hegai, des konings kamerling, de bewaarder der vrouwen, zeide; en Esther verkreeg genade in de ogen van allen, die haar zagen.16Alzo werd Esther genomen tot den koning Ahasveros, tot zijn koninklijk huis, in de tiende maand, welke is de maand Tebeth, in het zevende jaar zijns rijks.17En de koning beminde Esther boven alle vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor zijn aangezicht, boven alle maagden; en hij zette de koninklijke kroon op haar hoofd, en hij maakte haar koningin in de plaats van Vasthi.18Toen maakte de koning een groten maaltijd al zijn vorsten en zijn knechten, den maaltijd van Esther; en hij gaf den landschappen rust, en hij gaf geschenken naar des konings vermogen.19Toen ten anderen male maagden vergaderd werden, zo zat Mordechai in de poort des konings.20Esther nu had haar maagschap en haar volk niet te kennen gegeven, gelijk als Mordechai haar geboden had; want Esther deed het bevel van Mordechai, gelijk als toen zij bij hem opgevoed werd.21In die dagen, als Mordechai in de poort des konings zat, werden Bigthan en Theres, twee kamerlingen des konings van de dorpelwachters, zeer toornig, en zij zochten de hand te slaan aan den koning Ahasveros.22En deze zaak werd Mordechai bekend gemaakt, en hij gaf ze de koningin Esther te kennen; en Esther zeide het den koning in Mordechai's naam.23Als men de zaak onderzocht, is het zo bevonden, en zij beiden werden aan een galg gehangen; en het werd in de kronieken geschreven voor het aangezicht des konings.

De onzichtbare hand van God heeft de gebeurtenissen bestuurd en de harten toebereid.

Zonder dat Mórdechai of zijn nichtje Esther zelf iets zouden hebben kunnen ondernemen, wordt de jonge jodin de koningin van het machtige Medisch—Perzische rijk.

Esther wordt ons getoond als een terughoudend en bescheiden meisje dat — in tegenstelling tot Vasthi — de autoriteit boven haar erkent.

Hierdoor is zij geschikt om die buitengewone rol waartoe zij geroepen (ofwel: voorbestemd) is, te vervullen.

Deze eigenschappen die in het algemeen zo weinig gevonden worden, hebben ertoe bijgedragen dat allen die haar zagen, haar graag mochten.

Jonge meisjes uit christelijke gezinnen, denk niet dat jullie hier op aarde een gelukkige toekomst zullen hebben als jullie het karakter, de kleding en het vrije gedrag van de wereld nadoen! Juist het tegendeel zal dan het geval zijn!

De enige belangrijke vraag, ook wat jullie toekomst betreft, is: Wie en wat neemt in jullie harten de eerste plaats in?

Vanuit profetisch oogpunt bezien, leert deze geschiedenis ons dat Christus, nádat Hij alle verbindingen met de belijdende christenheid (=Vasthi, de echtgenote uit de volkeren) verbroken heeft, Israël (=Esther) in haar plaats tot hoofd van de volkeren zal verheffen.

Dat zal echter niet gebeuren, vóórdat het joodse volk door de grote verdrukking is gegaan. Daarvan wordt ons in het volgende hoofdstuk een vreselijk beeld geschetst.

Esther 3:1-15
1Na deze geschiedenissen maakte de koning Ahasveros Haman groot, den zoon van Hammedatha, den Agagiet, en hij verhoogde hem, en hij zette zijn stoel boven al de vorsten, die bij hem waren.2En al de knechten des konings, die in de poort des konings waren, neigden en bogen zich neder voor Haman; want de koning had alzo van hem bevolen; maar Mordechai neigde zich niet, en boog zich niet neder.3Toen zeiden de knechten des konings, die in de poort des konings waren, tot Mordechai: Waarom overtreedt gij des konings gebod?4Het geschiedde nu, toen zij dit van dag tot dag tot hem zeiden, en hij naar hen niet hoorde, zo gaven zij het Haman te kennen, opdat zij zagen, of de woorden van Mordechai bestaan zouden; want hij had hun te kennen gegeven, dat hij een Jood was.5Toen Haman zag, dat Mordechai zich niet neigde, noch zich voor hem nederboog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid.6Doch hij verachtte in zijn ogen, dat hij aan Mordechai alleen de hand zou slaan (want men had hem het volk van Mordechai aangewezen); maar Haman zocht al de Joden, die in het ganse koninkrijk van Ahasveros waren, namelijk het volk van Mordechai, te verdelgen.7In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van den koning Ahasveros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand tot maand, tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar.8Want Haman had tot den koning Ahasveros gezegd: Er is een volk, verstrooid en verdeeld onder de volken in al de landschappen uws koninkrijks; en hun wetten zijn verscheiden van de wetten aller volken; ook doen zij des konings wetten niet; daarom is het den koning niet oorbaar hen te laten blijven.9Indien het den koning goeddunkt, laat er geschreven worden, dat men hen verdoe; zo zal ik tien duizend talenten zilvers opwegen in de handen dergenen, die het werk doen, om in des konings schatten te brengen.10Toen trok de koning zijn ring van zijn hand, en hij gaf hem aan Haman, den zoon van Hammedatha, den Agagiet, der Joden tegenpartijder.11En de koning zeide tot Haman: Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk, om daarmede te doen, naar dat het goed is in uw ogen.12Toen werden de schrijvers des konings geroepen, in de eerste maand, op den dertienden dag derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Haman beval, aan de stadhouders des konings, en aan de landvoogden, die over elk landschap waren, en aan de vorsten van elk volk, elk landschap naar zijn schrift, en elk volk naar zijn spraak; er werd geschreven in den naam van den koning Ahasveros, en het werd met des konings ring verzegeld.13De brieven nu werden gezonden door de hand der lopers tot al de landschappen des konings, dat men zou verdelgen, doden en verdoen al de Joden, van den jonge tot den oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op een dag, op den dertienden der twaalfde maand (deze is de maand Adar), en dat men hun buit zou roven.14De inhoud van het schrift was, dat er een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken, dat zij tegen denzelfden dag zouden gereed zijn.15De lopers gingen uit, voortgedrongen zijnde door het woord des konings, en de wet werd uitgegeven in den burg Susan. En de koning en Haman zaten en dronken, doch de stad Susan was verward.

Nu verschijnt er een andere persoon ten tonele: Haman, de Agagiet. De invloed die deze verleidende man op de zwakke Ahasvéros heeft, heeft hem al gauw op het hoogtepunt van z'n eigen macht gebracht. Dit toont tevens het ware gezicht van Haman!

Waarschijnlijk is hij een nakomeling uit het koninklijke geslacht van de Amalekieten. Voor zo iemand kan Mórdechai zich nooit buigen, want God had immers aan het begin van de woestijnreis duidelijk gezegd: "Omdat de hand op de troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht" (Exodus 17 vers 16). En later: "Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft ... vergeet het niet!" (Deuteronomium 25 vers 17 tot en met 19).

Dat is voor deze trouwe Israëliet voldoende reden om deze vijand van de HEERE ook niet het geringste teken van eer te bewijzen. De eeuwen die sinds deze Goddelijke uitspraken voorbijgegaan zijn, hebben voor hem de betekenis van deze woorden op geen enkele wijze aangetast. Wat ons betreft, laten ook wij met het oog op de wereld en haar leiders in geen enkel opzicht toegevender zijn dan de eerste christenen, zoals het onveranderlijke Woord ons voorschrijft!

Vanuit menselijk oogpunt bezien, lijkt de houding van Mórdechai op het eerste gezicht misschien dwaas. De gevolgen van zijn niet willen buigen voor Haman zijn voor hem en het hele volk immers dramatisch. Ze staan in geen enkele verhouding tot de misdaad waarvan hij beschuldigd wordt! Maar Mórdechai heeft het Woord gehoorzaamd, zonder zich zorgen te maken over de gevolgen! Dat zouden wij ook altijd moeten doen!

Esther 4:1-17
1Als Mordechai wist al wat er geschied was, zo verscheurde Mordechai zijn klederen, en hij trok een zak aan met as; en hij ging uit door het midden der stad, en hij riep met een groot en bitter geroep.2En hij kwam tot voor de poort des konings; want niemand mocht in des konings poort inkomen, bekleed met een zak.3En in alle en een ieder landschap en plaats, waar het woord des konings en zijn wet aankwam, was een grote rouw onder de Joden, met vasten, en geween, en misbaar; vele lagen in zakken en as.4Toen kwamen Esthers jonge dochters en haar kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond klederen om Mordechai aan te doen, en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan.5Toen riep Esther Hatach, een van de kamerlingen des konings, welke hij voor haar gesteld had, en zij gaf hem bevel aan Mordechai, om te weten wat dit, en waarom dit ware.6Als Hatach uitging tot Mordechai, op de straat der stad, die voor de poort des konings was,7Zo gaf Mordechai hem te kennen al wat hem wedervaren was, en de verklaring van het zilver, hetwelk Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten des konings, voor de Joden, om deszelve om te brengen.8En hij gaf hem het afschrift der geschrevene wet, die te Susan gegeven was, om hen te verdelgen, dat hij het Esther liet zien, en haar te kennen gaf, en haar gebood, dat zij tot den koning ging, om hem te smeken, en van hem te verzoeken voor haar volk.9Hatach nu kwam, en gaf Esther de woorden van Mordechai te kennen.10Toen zeide Esther tot Hatach, en gaf hem bevel aan Mordechai:11Alle knechten des konings, en het volk, der landschappen des konings, weten wel dat al wie tot den koning ingaat, in het binnenste voorhof, die niet geroepen is, hij zij man of vrouw, zijn enig vonnis zij, dat men hem dode, tenzij dat de koning den gouden scepter hem toereike, opdat hij levend blijve; ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot den koning in te komen.12En zij gaven de woorden van Esther aan Mordechai te kennen.13Zo zeide Mordechai, dat men Esther wederom zeggen zou: Beeld u niet in, in uw ziel, dat gij zult ontkomen in het huis des konings, meer dan al de andere Joden.14Want indien gij enigszins zwijgen zult te dezer tijd, zo zal den Joden verkwikking en verlossing uit een andere plaats ontstaan; maar gij en uws vaders huis zult omkomen; en wie weet, of gij niet om zulken tijd als deze is, tot dit koninkrijk geraakt zijt.15Toen zeide Esther, dat men Mordechai weder aanzeggen zou:16Ga, vergader al de Joden, die te Susan gevonden worden, en vast voor mij, en eet of drinkt niet, in drie dagen, nacht noch dag; ik en mijn jonge dochters zullen ook alzo vasten, en alzo zal ik tot den koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zo kom ik om.17Toen ging Mordechai henen, en hij deed naar alles, wat Esther aan hem geboden had.

Terwijl de koning en Haman samen zitten te drinken, heerst er bij de arme joden de grootste ontsteltenis.

Profetisch gezien bevinden we ons hier in de toekomstige tijdsperiode die 'de grote verdrukking' genoemd wordt en die vlak ná de opname van de gelovigen zal plaatsvinden.

In die tijd zullen twee personen een geweldig grote rol spelen. Ten eerste: de koning, 'het beest' genaamd, het hoofd

van het Romeinse rijk. En ten tweede: de antichrist, die vreselijke persoon die zich in zijn verbitterde woede met al zijn wereldse macht op de getrouwen in Israël zal storten.

Op dat moment zal het overblijfsel van Israël zich met de woorden van Psalm 83 tot de HEERE richten: "Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken de kop op. Zij maken listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen tegen Uw verborgenen. Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan de naam van Israël niet meer gedacht worde" (vers 3 tot en met 5).

Waaruit komt deze haat van vroeger en ook nu tegen dit joodse volk toch voort? Een haat die zich ook in de toekomst op ongeëvenaarde wijze zal openbaren?

Dat is het gevolg van de vergeefse pogingen die satan doet om Christus, de Messias, te vernietigen. Het verschijnen van Christus betekent namelijk zijn ondergang.

Als we dan in Haman een beeld zien van deze grote tegenstander, begrijpen we ook dat we in Mórdechai een opmerkelijk beeld van de Heere Jezus mogen herkennen.

Esther 5:1-14
1Het geschiedde nu aan den derden dag, dat Esther een koninklijk kleed aantrok, en stond in het binnenste voorhof van des konings huis, tegenover het huis des konings; de koning nu zat op zijn koninklijken troon, in het koninklijke huis, tegenover de deur van het huis.2En het geschiedde, toen de koning de koningin Esther zag, staande in het voorhof, verkreeg zij genade in zijn ogen, zodat de koning den gouden scepter, die in zijn hand was, Esther toereikte; en Esther naderde, en roerde de spits des scepters aan.3Toen zeide de koning tot haar: Wat is u, koningin Esther! of wat is uw verzoek? Het zal u gegeven worden, ook tot de helft des koninkrijks.4Esther nu zeide: Indien het den koning goeddunkt, zo kome de koning met Haman heden tot den maaltijd, dien ik hem bereid heb.5Toen zeide de koning: Doet Haman spoeden, dat hij het bevel van Esther doe. Als nu de koning met Haman tot den maaltijd, dien Esther bereid had, gekomen was,6Zo zeide de koning tot Esther op den maaltijd des wijns: Wat is uw bede? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks.7Toen antwoordde Esther, en zeide: Mijn bede en verzoek is:8Indien ik genade gevonden heb in de ogen des konings, en indien het den koning goeddunkt, mij te geven mijn bede, en mijn verzoek te doen, zo kome de koning met Haman tot den maaltijd, dien ik hem bereiden zal; zo zal ik morgen doen naar het bevel des konings.9Toen ging Haman ten zelfden dage uit, vrolijk en goedsmoeds; maar toen Haman Mordechai zag in de poort des konings, en dat hij niet opstond, noch zich voor hem bewoog, zo werd Haman vervuld met grimmigheid op Mordechai.10Doch Haman bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis; en hij zond henen, en liet zijn vrienden komen, en Zeres, zijn huisvrouw.11En Haman vertelde hun de heerlijkheid zijns rijkdoms, en de veelheid zijner zonen, en alles, waarin de koning hem groot gemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de vorsten en knechten des konings.12Verder zeide Haman: Ook heeft de koningin Esther niemand met den koning doen komen tot den maaltijd, dien zij bereid heeft, dan mij; en ik ben ook tegen morgen van haar met den koning genodigd.13Doch dit alles baat mij niet, zo langen tijd als ik den Jood Mordechai zie zitten in de poort des konings.14Toen zeide zijn huisvrouw Zeres tot hem, mitsgaders al zijn vrienden: Men make een galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen aan den koning, dat men Mordechai daaraan hange; ga dan vrolijk met den koning tot dien maaltijd. Deze raad nu dacht Haman goed, en hij deed de galg maken.

Dit is een vreselijk uur van diepe duisternis en angst voor het volk van Mórdechai! Er is nog één klein sprankje hoop: de voorspraak van Esther bij haar koninklijke echtgenoot.

Maar o, het gevaar is zo groot! De toegang tot het paleis is verboden en bovendien valt niet te verwachten dat deze trotse heerser een eerder genomen besluit zal terugdraaien!

Toch gebeurt het wonder: God heeft gewerkt in het hart van de koning en hij is dan ook mild gestemd tegenover Esther. Zij mag tot hem komen.

Wat een verschil tussen Ahasvéros en Hem van Wie de Hebreeënbrief ons meedeelt dat Hij volledig kan meelijden met onze zwakheden. Daarom mogen wij "met vrijmoedigheid" naderen "tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd" (Hebreeën 4 vers 15 en 16).

Zoals Mórdechai voorzien had (hoofdstuk 4 vers 14), was Esther door de Goddelijke voorzienigheid voor deze bijzondere dienst tot op de troon verheven.

Heeft elk christelijk meisje op de plaats waar de Heere haar gesteld heeft, ook niet een precies omschreven taak te vervullen?

Het slot van dit hoofdstuk leert ons dat, hoe groot de eer die Haman ontvangt, ook zijn mag, dat niet in staat is om de onverbiddelijke haat in zijn hart te blussen.

Esther 6:1-14
1In denzelfden nacht was de slaap van den koning geweken, en hij zeide, dat men het boek der gedachtenissen, de kronieken, brengen zou; en zij werden in de tegenwoordigheid des konings gelezen.2En men vond geschreven, dat Mordechai had te kennen gegeven van Bigthana en Theres, twee kamerlingen des konings, uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan den koning Ahasveros.3Toen zeide de koning: Wat eer en verhoging is Mordechai hierover gedaan? En de jongelingen des konings, zijn dienaars, zeiden: Aan hem is niets gedaan.4Toen zeide de koning: Wie is in het voorhof? (Haman nu was gekomen in het buitenvoorhof van het huis des konings, om den koning te zeggen, dat men Mordechai zou hangen aan de galg, die hij hem had doen bereiden.)5En des konings jongelingen zeiden tot hem: Zie, Haman staat in het voorhof. Toen zeide de koning: Dat hij inkome.6Als Haman ingekomen was, zo zeide de koning tot hem: Wat zal men met dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft? Toen zeide Haman in zijn hart: Tot wien heeft de koning een welbehagen, om hem eer te doen, meer dan tot mij?7Daarom zeide Haman tot den koning: Den man, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft,8Zal men het koninklijke kleed brengen, dat de koning pleegt aan te trekken, en het paard, waarop de koning pleegt te rijden; en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde.9En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een uit de vorsten des konings, van de grootste heren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft; en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal voor hem roepen: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!10Toen zeide de koning tot Haman: Haast u, neem dat kleed, en dat paard, gelijk als gij gesproken hebt, en doe alzo aan Mordechai, den Jood, dien aan de poort des konings zit; en laat niet een woord vallen van alles, wat gij gesproken hebt.11En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mordechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep voor hem: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!12Daarna keerde Mordechai wederom tot de poort des konings; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis, treurig en met bedekten hoofde.13En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw: Indien Mordechai, voor wiens aangezicht gij hebt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zo zult gij tegen hem niet vermogen; maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.14Toen zij nog met hem spraken, zo kwamen des konings kamerlingen nabij, en zij haastten Haman tot den maaltijd te brengen, dien Esther bereid had.

In een korte gelijkenis stelt de Heere Jezus het rijk van God als volgt voor: "Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp; en voorts sliep ..." (Markus 4 vers 26).

Zó lijkt het ook in het Boek Esther te gaan: de HEERE Die niet één maal genoemd wordt, lijkt te slapen.

Maar laten we eens verder lezen: "... en opstond, nacht en dag" (vers 27).

Een paar verzen verder lezen we dat de Heere slaapt, als de wind huilt en de golven zich op het schip storten, evenwel —daarvan mogen we overtuigd zijn — zonder dat Hij nalaat over Zijn geliefde discipelen te waken (vers 38).

Zo zien we ook in dit hoofdstuk dat alles, die hele reeks van bijzondere gebeurtenissen, door God Die Zich niet laat zien, bestuurd wordt.

Denk maar aan de slapeloosheid van de koning, aan wat hem voorgelezen wordt, de vraag die hij stelt, het juiste moment waarop Haman binnenkomt — alles wordt als door een uiterst precies mechanisme, door een soevereine hand, geleid: door Gods hand.

Ongelovigen komt zo'n samenloop van omstandigheden vaak als heel erg onwaarschijnlijk voor. Wij christenen hoeven ons hierover echter helemaal niet te verbazen.

We weten uit eigen ervaring, uit wat we al vaker mee mochten maken, dat God ook door een almachtig ingrijpen alle dingen laat meewerken ten goede voor hen die Hem liefhebben (Romeinen 8 vers 28).

Esther 7:1-10
1Toen de koning met Haman gekomen was, om te drinken met de koningin Esther;2Zo zeide de koning tot Esther, ook op den tweeden dag, op den maaltijd des wijns: Wat is uw bede, koningin Esther? en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? Het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks.3Toen antwoordde de koningin Esther, en zeide: Indien ik, o koning, genade in uw ogen gevonden heb, en indien het den koning goeddunkt, men geve mij mijn leven, om mijner bede wil, en mijn volk, om mijns verzoeks wil.4Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, dat men ons verdelge, dode en ombrenge. Indien wij nog tot knechten en tot dienstmaagden waren verkocht geweest, ik zou gezwegen hebben, ofschoon de onderdrukker de schade des konings geenszins zou kunnen vergoeden.5Toen sprak de koning Ahasveros, en zeide tot de koningin Esther: Wie is die, en waar is diezelve, die zijn hart vervuld heeft, om alzo te doen?6En Esther zeide: De man, de onderdrukker en vijand, is deze boze Haman! Toen verschrikte Haman voor het aangezicht des konings en der koningin.7En de koning stond op in zijn grimmigheid van den maaltijd des wijns, en ging naar den hof van het paleis. En Haman bleef staan, om van de koningin Esther, aangaande zijn leven verzoek te doen; want hij zag, dat het kwaad van de koning over hem ten volle besloten was.8Toen de koning wederkwam uit den hof van het paleis in het huis van den maaltijd des wijns, zo was Haman gevallen op het bed, waarop Esther was. Toen zeide de koning: Zou hij ook wel de koningin verkrachten bij mij in het huis? Het woord ging uit des konings mond, en zij bedekten Hamans aangezicht.9En Charbona, een van de kamerlingen, voor het aanschijn des konings staande, zeide: Ook zie, de galg, welke Haman gemaakt heeft voor Mordechai, die goed voor den koning gesproken heeft, staat bij Hamans huis, vijftig ellen hoog. Toen zeide de koning: Hang hem daaraan.10Alzo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mordechai had doen bereiden; en de grimmigheid des konings werd gestild.

De gebeurtenissen volgen elkaar snel op. Nu komt het slot. Haman is dodelijk geschrokken, nadat de vinger van de koningin Esther hem aangewezen heeft. Híj is de onderdrukker, de vijand, de boze: drie namen die in het Woord van God voor de duivel zelf gebruikt worden!

Op bevel van de koning wordt Haman nu zonder verder uitstel opgehangen aan de galg die hij voor Mórdechai had laten oprichten.

Dit doet ons denken aan enkele feiten die vele malen groter zijn. Zó groot zelfs dat je ze eigenlijk niet met de situatie hier kunt vergelijken. Toch willen we ze noemen, ook al is het beeld nog zo zwak.

Zoals Mórdechai zich niet voor de gunstgenoot van de koning gebogen heeft, zó is Christus de enige Mens Die Zich niet voor satan heeft neergebogen. We kennen Zijn antwoord op de verzoeking: "De Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen" (Mattheüs 4 vers 9 en 10).

Nadat de vijand deze volmaakte Mens niet aan het wankelen kon brengen, heeft hij zichzelf geen rust gegund, totdat hij meende voorgoed van Hem af te zijn. Met deze bedoeling heeft hij dan ook de mensen tegen de Heere Jezus opgezet en hen ertoe gebracht een kruis voor Hem op te richten, zoals Haman een galg maakte voor Mórdechai waar hij nooit aan kwam te hangen.

Juist dat kruis waardoor satan meende dat hij zou triomferen en voorgoed van Christus af zou zijn, betekende zijn definitieve nederlaag (Kolosse 2 vers 15 en Hebreeën 2 vers 14). Al z'n in grote haat verrichte pogingen hebben zijn eigen ondergang bewerkt — en zijn tegelijkertijd tot ons heil geworden!

Esther 8:1-14
1Te dienzelfden dage gaf de koning Ahasveros aan de koningin Esther het huis van Haman, den vijand der Joden; en Mordechai kwam voor het aangezicht des konings, want Esther had te kennen gegeven, wat hij voor haar was.2En de koning toog zijn ring af, dien hij van Haman genomen had, en gaf hem aan Mordechai; en Esther stelde Mordechai over het huis van Haman.3En Esther sprak verder voor het aangezicht des konings, en zij viel voor zijn voeten, en zij weende, en zij smeekte hem, dat hij de boosheid van Haman, den Agagiet, en zijn gedachte, die hij tegen de Joden gedacht had, zou wegnemen.4De koning nu reikte den gouden scepter Esther toe. Toen rees Esther op, en zij stond voor het aangezicht des konings.5En zij zeide: Indien het den koning goeddunkt, en indien ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb en deze zaak voor den koning recht is, en ik in zijn ogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat de brieven en de gedachte van Haman, den zoon van Hammedatha, den Agagiet, wederroepen worden, welke hij geschreven heeft, om de Joden om te brengen, die in al de landschappen des konings zijn.6Want hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het kwaad, dat mijn volk treffen zal? En hoe zal ik vermogen, dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht?7Toen zeide de koning Ahasveros tot de koningin Esther en tot Mordechai, den Jood: Ziet, het huis van Haman heb ik Esther gegeven, en hem heeft men aan de galg gehangen, omdat hij zijn hand aan de Joden geslagen had.8Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zoals het goed is in uw ogen, in des konings naam, en verzegelt het met des konings ring; want het schrift, dat in des konings naam geschreven, en met des konings ring verzegeld is, is niet te wederroepen.9Toen werden des konings schrijvers geroepen, ter zelfder tijd, in de derde maand (zij is de maand Sivan), op den drie en twintigsten derzelve, en er werd geschreven naar alles, wat Mordechai gebood, aan de Joden, en aan de stadhouders, en landvoogden, en oversten der landschappen, die van Indie af tot aan Morenland strekken, honderd zeven en twintig landschappen, een ieder landschap naar zijn schrift, een ieder volk naar zijn spraak; ook aan de Joden naar hun schrift en naar hun spraak.10En men schreef in den naam van den koning Ahasveros, en men verzegelde het met des konings ring; en men zond de brieven door de hand der lopers te paard, rijdende op snelle kemelen, op muildieren, van merrien geteeld;11Dat de koning den Joden toeliet, die in elke stad waren, zich te vergaderen, en voor hun leven te staan, om te verdelgen, om te doden en om om te brengen alle macht des volks en des landschaps, die hen benauwen zou, de kleine kinderen en de vrouwen, en hun buit te roven;12Op een dag in al de landschappen van den koning Ahasveros, op den dertienden der twaalfde maand; deze is de maand Adar.13De inhoud van dit schrift was: dat een wet zou gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken; en dat de Joden gereed zouden zijn tegen dien dag, om zich te wreken aan hun vijanden.14De lopers, die op snelle kemelen reden en op muildieren, togen snellijk uit, aangedreven zijnde door het woord des konings. Deze wet nu werd gegeven op den burg Susan.

De loop van de dingen is nu totaal veranderd. Zo'n grote ommekeer kan alleen God bewerken.

Toch is met de dood van Haman nog niet alles voorbij. De koning is namelijk door zijn eigen zegel gebonden en niet bij machte zijn vreselijke besluit ongedaan te maken.

Wat hij doet — en het is weer God Die hem deze wijsheid geeft! —, is de verantwoordelijkheid voor de te nemen maatregelen tegen het plan van Haman overdragen aan Esther en Mórdechai.

De vijanden worden niet ontwapend. De joden krijgen daarentegen de toestemming en worden er zelfs in bemoedigd zich te verdedigen en hen te vernietigen.

Waar doet ons dat aan denken? De gelovige heeft ook vijanden die hem proberen te onderdrukken. Hun aanvoerder, satan, is door het werk van Christus op het kruis overwonnen, zoals Haman zelf opgehangen werd aan de galg die hij voor een ander bestemd had.

Maar toch is hen de macht om iets tegen de kinderen van God te ondernemen, nog niet ontnomen. Maar de gelovige heeft nu wel de mogelijkheid om met succes tegen hen te strijden.

Ieder van ons kent deze vijanden maar al te goed. Als we hen terughoudend en met voorzichtigheid behandelen, zullen zíj ons zeker niet sparen.

Laten we daarom de middelen van het geloof aangrijpen om hun pogingen teniet te doen. Daartoe is het ook nodig om gemeenschappelijk tot gebed samen te komen (zie vers 11).

Esther 8:15-17; Esther 9:1-10
15En Mordechai ging uit van voor het aangezicht des konings in een hemelsblauw en wit koninklijk kleed, en met een grote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vrolijk.16Bij de Joden was licht, en blijdschap, en vreugde, en eer;17Ook in alle en een ieder landschap, en in alle en een iedere stad, ter plaatse, waar des konings woord en zijn wet aankwam, daar was bij de Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vrolijke dagen; en velen uit de volken des lands werden Joden, want de vreze der Joden was op hen gevallen.
1In de twaalfde maand nu (dezelve is de maand Adar), op den dertienden dag derzelve, toen des konings woord en zijn wet nabij gekomen was, dat men het doen zou, ten dage, als de vijanden der Joden hoopten over hen te heersen, zo is het omgekeerd, want de Joden heersten over hun haters.2Want de Joden vergaderden zich in hun steden, in al de landschappen van den koning Ahasveros, om de hand te slaan aan degenen, die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunlieder schrik was op al die volken gevallen.3En al de oversten der landschappen, en de stadhouders, en landvoogden, en die het werk des konings deden, verhieven de Joden; want de vreze van Mordechai was op hen gevallen.4Want Mordechai was groot in het huis des konings, en zijn gerucht ging uit door alle landschappen; want die man, Morde chai, werd doorgaans groter.5De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met den slag des zwaards, en der doding, en der verderving; en zij deden met hun haters naar hun welbehagen.6En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen.7En Parsandatha, en Dalfon, en Asfata,8En Poratha, en Adalia, en Aridatha,9En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha,10De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedatha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof.

De tijd van het in vernedering zitten in de poort van de koning, is voor Mórdechai nu voorbij. Ahasvéros, als vertegenwoordiger van de hoogste Macht, heeft hem roem, majesteit, eer en macht gegeven.

Dat is een beeld van de verhoging van Christus. Wij zien Hem nu reeds, zoals een dichter het uitdrukt:

Daarom heeft God U op het hoogst verheven
en U gekroond met heerlijkheid en eer.
Zo zien wij U, met majesteit omgeven,
U, Zoon des mensen, opgestane Heer'!

Laten we de loopbaan van Mórdechai en de overeenkomst met de Heere Jezus nog eens kort overdenken. Hij heeft zich om het jonge meisje uit Israël bekommerd, zoals Christus voortdurend over Zijn volk gewaakt heeft. Ondanks dat hij een trouwe dienstknecht van de koning was, heeft Mórdechai toch geweigerd zich neer te buigen voor de Amalekiet; zo heeft de Heere Jezus ook niet het geringste recht van de verzoeker erkend. En vanwege Zijn volmaaktheid en Zijn liefde tot Zijn volk heeft Christus inderdaad de schandpaal moeten leren kennen waarvan slechts een schaduw op Mórdechai is gevallen.

Na het lijden komt de heerlijkheid. Ja, in vers 15 van hoofdstuk 8 en vers 3 en 4 van hoofdstuk 9 zien we met bewondering, in beeld, de overwinning van de Heere Jezus die samengaat met de vernietiging of onderwerping van al Zijn vijanden (zie Psalm 66 vers 3 en 4).

De tien zonen van Haman op wie hij zo trots was (hoofdstuk 5 vers 11), komen ook om. "Het zaad der boosdoeners zal in eeuwigheid niet genoemd worden" (Jesaja 14 vers 20).

Esther 9:11-22
11Ten zelfden dage kwam voor den koning het getal der gedoden op den burg Susan.12En de koning zeide tot de koningin Esther: Te Susan op den burg hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen van Haman; wat hebben zij in al de andere landschappen des konings gedaan? Wat is nu uw bede? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek? het zal geschieden.13Toen zeide Esther: Dunkt het den koning goed, men late ook morgen den Joden, die te Susan zijn, toe, te doen naar het gebod van heden; en men hange de tien zonen van Haman aan de galg.14Toen zeide de koning, dat men alzo doen zou; en er werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen van Haman op.15En de Joden, die te Susan waren, vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.16De overige Joden nu, die in de landschappen des konings waren, vergaderden, opdat zij stonden voor hun leven, en rust hadden van hun vijanden, en zij doodden onder hun haters vijf en zeventig duizend; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.17Dit geschiedde op den dertienden dag der maand Adar; en op de veertienden derzelve rustten zij, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.18En de Joden, die te Susan waren, vergaderden op den dertienden derzelve, en op den veertienden derzelve; en zij rustten op den vijftienden derzelve, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.19Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden, den veertienden dag der maand Adar ter vreugde en maaltijden, en een vrolijken dag, en der zending van delen aan elkander.20En Mordechai beschreef deze geschiedenissen; en hij zond brieven aan al de Joden, die in al de landschappen van den koning Ahasveros waren, dien, die nabij, en dien, die verre waren,21Om over hen te bevestigen, dat zij zouden onderhouden den veertienden dag der maand Adar, en den vijftienden dag derzelve, in alle en in ieder jaar;22Naar de dagen, in dewelke de Joden tot rust gekomen waren van hun vijanden, en de maand, die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in een vrolijken dag; dat zij dezelve dagen maken zouden tot dagen der maaltijden, en der vreugde, en der zending van delen aan elkander, en der gaven aan de armen.

Deze dag, de dertiende dag van de maand Adar, had voor altijd het bloedbad en de uitroeiing van Israël (vers 1) moeten kenmerken. Hij is daarentegen de triomfdag over de vernietiging van de vijanden geworden.

Deze vijanden hebben het moeten ervaren dat men het volk van God niet ongestraft kan aanvallen. Wie dat aantast, "raakt Zijn oogappel aan" (Zacharía 2 vers 8; zie ook Psalm 105 vers 12 tot en met 15).

Zouden wij die tot het hemelse volk, de bruid van Christus, mogen behoren, Zijn liefdevolle zorg dan minder ervaren?

Israël in gevangenschap draagt inderdaad de kenmerken van een volk "dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding" (Jesaja 18 vers 2).

Voor God is dit een wonderbaar volk, omdat uit Israël de Heiland van de wereld geboren is. God zal daarom Zijn machtige middelen gebruiken om dit volk dat door bijna de hele rest van de wereld vertreden wordt, te bevrijden.

De inhoud van dit Boek Esther is ontzettend rijk aan lessen, hoewel we in het begin zouden kunnen denken dat er weinig opbouwends in zit!

Er wordt in de beelden veel plaats ingeruimd voor de vernederde èn de verhoogde Heere Jezus! En er wordt ver over de horizon gekeken naar de toekomst van Israël, naar de rust en de vreugde (vers 17). Dat wil zeggen: de vreugde van het rijk dat er zal zijn aan het einde van al het lijden!

Esther 9:23-32; Esther 10:1-3
23En de Joden namen aan te doen, wat zij begonnen hadden, en dat Mordechai aan hen geschreven had.24Omdat Haman, de zoon van Hammedatha, den Agagiet, aller Joden vijand, tegen de Joden gedacht had hen om te brengen; en dat hij het Pur, dat is, het lot had geworpen, om hen te verslaan, en om hen om te brengen.25Maar als zij voor den koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijn boze gedachte, die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou wederkeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen.26Daarom noemt men die dagen Purim, van den naam van dat Pur. Hierom, vanwege al de woorden van dien brief, en hetgeen zij zelven daarvan gezien hadden, en wat tot hen overgekomen was,27Bevestigden de Joden, en namen op zich en op hun zaad, en op allen, die zich tot hen vervoegen zouden, dat men het niet overtrade, dat zij deze twee dagen zouden houden, naar het voorschrift derzelve, en naar den bestemden tijd derzelve, in alle en ieder jaar;28Dat deze dagen gedacht zouden worden en onderhouden, in alle en elk geslacht, elk huisgezin, elk landschap en elke stad; en dat deze dagen van Purim niet zouden overtreden worden onder de Joden, en dat de gedachtenis derzelve geen einde nemen zou bij hun zaad.29Daarna schreef de koningin Esther, de dochter van Abichail, en Mordechai, de Jood, met alle macht, om dezen brief van Purim ten tweeden male te bevestigen.30En hij zond de brieven aan al de Joden, in de honderd zeven en twintig landschappen van het koninkrijk van Ahasveros, met woorden van vrede en trouw;31Dat zij deze dagen van Purim bevestigen zouden op hun bestemde tijden, gelijk als Mordechai, de Jood, over hen bevestigd had, en Esther, de koningin, en gelijk als zij het bevestigd hadden voor zichzelven en voor hun zaad; de zaken van het vasten en hunlieder geroep.32En het bevel van Esther bevestigde de geschiedenissen van deze Purim, en het werd in een boek geschreven.
1Daarna legde de koning Ahasveros schatting op het land, en de eilanden der zee.2Al de werken nu zijner macht en zijns gewelds, en de verklaring der grootheid van Mordechai, denwelken de koning groot gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Medie en Perzie?3Want de Jood Mordechai was de tweede bij den koning Ahasveros, en groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte zijner broederen, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor den welstand van zijn ganse zaad.

Het volk moet hun grote bevrijding voortaan jaarlijks herdenken door het vieren van het Purimfeest.

De christenheid 'viert' elk jaar de geboorte en de dood van de Verlosser. Maar dat dit gebeurt, slaan we met gemengde gevoelens gade.

Natuurlijk zijn we blij dat er mensen zijn die daardoor in ieder geval nog één— of tweemaal aan deze wonderbare gebeurtenissen terugdenken. Ook de laatste dag van een jaar is een prachtige gelegenheid om God voor alle genade die Hij ons bewezen heeft, te danken.

Maar laten we dat niet bij één of twee keer per jaar laten! Laten we elke eerste dag van de week, ja, elke dag van ons leven onze grote verlossing en onze heerlijke Verlosser gedenken!

In het tiende hoofdstuk wordt in de karaktertrekken van Mórdechai nog eens de Heere Jezus voor de aandacht gestelt: "Groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte van zijn broeders, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor de welstand van zijn ganse zaad" (vers 3).

In dit alles mogen we de Heere Jezus zien Die als Dienstknecht wijs gehandeld heeft en daarom verhoogd is, verheven zal worden en zeer hoog zal zijn (Jesaja 52 vers 13; zie ook Psalm 45 vers 7 tot en met 9 en Filippi 2 vers 9 tot en met 11).

Hij is het echter ook waard om in al onze gedachten en toegenegenheid, ja, in alle dingen de eerste plaats in te nemen (Kolosse 1 vers 18).

O, dat ieder van ons Hem nu al deze plaats zal geven!


This document may be found online at the following URL: http://www.stempublishing.com/authors/koechlin/dbd/nl/localStorageYear2.html.

You are welcome to freely access and use this material for personal study or sending to other Bible students, compiling extracts for notes etc, but please do not republish without permission.

With the prayerful desire that the Lord Jesus Christ will use this God-given ministry in this form for His glory and the blessing of many in these last days before His coming. © Les Hodgett contact at stempublishing dot com.