Direct aan het begin van dit Bijbelboek zien we een even triest als snel optredend en voortgaand verval. Hoe komt dat? Hoofdzakelijk door het vergeten van de tegenwoordigheid van de HEERE. Er wordt niet meer gesproken over Gilgal, de plaats van zelfoordeel, waar de Engel des HEEREN was (hoofdstuk 2 vers 1). Als gevolg daarvan ontstaat er angst voor de macht van mensen. Hun ijzeren wagens jagen schrik aan.
Deze gebeurtenissen lijken op het eerste gezicht op de tijd van Jozua. De inname van Luz lijkt op die van Jericho. Maar nu is geen sprake van geloof, noch bij de zonen van Jozef noch bij de man die de ingang van de stad aanwijst. Rachab werd op grond van haar geloof gespaard. Bij de verrader van Luz is het heel anders; hij blijft niet bij het volk Israël wonen, maar bouwt zijn stad ergens anders op. Een overwinning die geen vrucht is van vertrouwen op God, houdt nooit lang stand!
Het is een algemeen verval. Elke stam afzonderlijk wordt erdoor gekenmerkt, doordat de aanwezigheid van de vijand in zijn gebied â zij het ook met een zekere tegenstand âwordt toegelaten of voor lief genomen.
Ook in de christenheid is het gemeenschappelijk verslappen een gevolg van persoonlijk falen. Elke christen heeft hierin zijn persoonlijke verantwoordelijkheid. Laten we ons afvragen â u en ik: Wat is mijn verantwoordelijkheid? Hoe is mijn getuigenis sinds de dag van mijn bekering?'
God had een dubbele reden om de totale vernietiging van de vijanden van Israël te eisen. In de eerste plaats moest Hij hen straffen en oordelen vanwege hun ongerechtigheid (vergelijk Genesis 15 vers 16). Vervolgens wilde Hij Zijn volk beschermen tegen de verwoestende invloed van de afgodendienst van de Kanaänieten.
Moreel gezien bestaat voor ons hetzelfde gevaar. Een deel van onze tijd brengen we door in gezelschap van onbekeerde mensen: collega's en soms ook familieleden. Deze omgang is niet te vermijden. We moeten er echter wel voor waken dat zij geen invloed kunnen uitoefenen op ons geestelijke leven. Laten we oppassen voor slecht gezelschap (zie 1 Korinthe 15 vers 33).
Er zijn mensen die we onherroepelijk uit de weg moeten gaan, ook al zullen ze ons misschien uitlachen. Zij zullen er namelijk nooit voor terugdeinzen ons "in het gebergte" te dringen, zoals dat bij de kinderen van Dan gebeurde (vers 34). Dat betekent dat ze ons zullen verhinderen van de zegeningen die God ons gegeven heeft, te genieten.
De Engel des HEEREN, "de Vorst van het heer des HEEREN" (Jozua 5 vers 14), heeft erop gewacht dat Israël naar Gilgal, het uitgangspunt van roemrijke overwinningen, zou terugkeren. Tevergeefs! Dan gaat Hij naar Bochim, de plaats van tranen.
Als wij de tegenwoordige zwakheid vergelijken met het heerlijke begin van de christenheid, hebben we dan niet alle reden ons te verootmoedigen?
Jaren gingen voorbij en er staat "een ander geslacht na hen op, dat de HEERE niet kende, noch ook het werk, dat Hij aan Israël gedaan had" (vers 10).
Deze generatie had noch Gods trouw in de woestijn noch Zijn macht in Kanaän aan den lijve ondervonden.
Dit is iets waar wij, een nieuwe generatie van het volk van God, ernstig over mogen nadenken. Als kinderen van christelijke ouders hebben wij van het wonderbare gehoord dat God aan de vorige generaties gedaan heeft, maar kennen we Hem ook uit persoonlijke ervaring?
Helaas gaat het sinds de heerlijke opwekking in het begin van de negentiende eeuw bergafwaarts. De 'voorouders' van wie we gehoord hebben, zijn de een na de ander gestorven. En als de Heere ons hier nog een paar jaar laat, zullen de jongere broeders en zusters onder ons op hun beurt de verantwoordelijkheid voor het getuigenis op zich moeten nemen.
"Gedenkt uw voorgangers", staat er in Hebreeën 13 vers 7. Zij hebben ons hun schriftelijke dient en hun voorbeeld nagelaten. Laten we vooral hun geloof navolgen en er steeds aan denken dat de Heere altijd bij ons blijft, ook al zijn zij niet meer op aarde om ons hier nog voor te gaan! Zijn tegenwoordigheid is voldoende â ja, is er iets wat hoger is? â, zelfs in een tijd van zwakheid zoals nu!
We zullen zien dat er in het Boek Richteren steeds een bepaalde volgorde is in de loop van de gebeurtenissen. Het volk begint met het verlaten van de HEERE. Dan maakt de HEERE gebruik van vijanden die het volk overwinnen en onderdrukken, om hun geweten wakker te schudden. Uiteindelijk schreeuwt Israël tot God Die het vol medelijden bevrijdt door een richter te geven (zie ook Psalm 107 vers 6, 13, 19 en 28).
Helaas komt deze gang van zaken ook maar al te vaak voor in het leven van een ieder van ons. Als wij onder invloed komen van de wereld, omdat we de Heere vergeten hebben, gebruikt de Heere soms de vijandschap van de wereld om ons wakker te schudden.
Vers 2 herinnert ons eraan hoe God ons in staat van paraatheid houdt en ons voorbereidt op de strijd. Daarom laat Hij met opzet vijanden bestaan. Een militaire opleiding houdt noodzakelijkerwijs oefeningen in, want anders zou een soldaat, als het erop aan komt, niet in staat zijn de aanvallen van de vijand af te slaan en te overwinnen.
Elke gelovige moet steeds weer vermaand worden om de goede strijd van het geloof te strijden (1 Timotheüs 6 vers 12).
Het geloof heeft een dubbele zekerheid. Ten eerste weet het geloof dat de wereld een vijand is, en ten tweede dat de wereld een overwonnen vijand is.
"Ik heb de wereld overwonnen", was het laatste wat de Heere Jezus tegen de Zijnen zei, voordat Hij naar de hof Gethsémané en vandaar naar het kruis ging. Daarvan moet ook ons geloof doordrongen zijn om te kunnen overwinnen (Johannes 16 vers 33 en 1 Johannes 5 vers 4 en 5).
De roede die God nu gebruikt om Zijn volk te tuchtigen, is Moab. Hetzelfde volk dat de HEERE eens door de mond van Bileam heeft verhinderd om tegen Israël op te trekken.
Achttien jaren verstrijken, vóórdat het volk zich tot de HEERE keert. Eerder waren daar acht jaren voor nodig geweest (vers 8). In Zijn groot erbarmen gaf Hij hun een redder: Ehud, de Benjaminiet (vers 15).
Ehud heeft "een woord Gods" voor Eglon, de koning van de Moabieten. Dit ernstige woord is niets anders dan zijn tweesnijdend zwaard dat de dood betekent voor de onderdrukker.
In Hebreeën wordt het Woord van God dat levend en krachtig is, vergeleken met een tweesnijdend zwaard (Hebreeën 4 vers 12). Welgelukzalig allen die zich nu, vandaag, door Zijn Woord laten onderzoeken, want eens zal het Woord hen die niet geloofd hebben, oordelen en vernietigen (Openbaring 19 vers 13 tot en met 15).
Het wapen van Samgar â een ossenstok â is ook een beeld van het Woord van God, maar dan zoals de wereld het ziet: als een gereedschap dat ogenschijnlijk geen enkele waarde heeft. Ondanks dat heeft dit wapen grote macht en is het in staat Israël opnieuw te verlossen.
De zwakheid van de mensen (Ehud was linkshandig) en de uiterlijke zwakheid van het gereedschap (de ossenstok van Samgar) laten juist beide de macht van God zien. Hij redt en bevrijdt allen die tot Hem roepen.
De vroegere vijand is weer in het noorden van het land opgedoken, zelfs onder dezelfde naam: Jabin, en in dezelfde hoofdstad: Hazor (zie Jozua 11 vers 1). Hij onderdrukt Israël twintig jaar lang.
Laten wij ervoor oppassen dat we de vrucht van de overwinningen van hen die ons zijn voorgegaan, niet verliezen!
Opnieuw moet er gestreden worden. Deborah, een vrouw, een profetes, wordt door de HEERE gebruikt om het volk te richten en te bevrijden.
Gelovige vrouwen en meisjes, denk niet dat jullie in de dienst voor de gemeente terzijde gesteld zijn! Het is zeker niet naar Gods gedachten om als vrouw over de man te heersen, evenmin om openlijk het woord te voeren (1 Timotheüs 2 vers 12 en 1 Korinthe 14 vers 34). Toch hebben veel christinnen â misschien alleen al door middel van het gebed â opvallende bevrijdingen bewerkt!
Deborah laat Barak roepen, maar het ontbreekt hem aan de nodige moed. Hij moet op iemand anders kunnen steunen. Zijn vertrouwen op God is niet zó groot dat hij van elke vorm van menselijke hulp afziet (vergelijk Psalm 146 vers 3).
Onze moed is altijd afhankelijk van het vertrouwen dat we in de Heere hebben. Als we gebrek aan vertrouwen hebben, laten we dan handelen zoals de apostelen in Handelingen 4 deden. Zij baden God om "vrijmoedigheid" (vers 29) en kregen die door de Heilige Geest (vers 31).
SÃsera vlucht te voet; zijn negenhonderd ijzeren wagens hebben hem niet kunnen helpen. Hij denkt veilig te zijn in de tent van de Keniet Heber, maar wordt daar door de hand van diens vrouw Jaël, een vrouw van geloof, gedood.
Heber is iemand uit een heel interessante familie. Eens had één van z'n voorouders, Hobab, geweigerd met het volk Israël mee te trekken (Numeri 10 vers 29 en 30). Zijn nakomelingen volgden Israël later wel (Richteren 1 vers 16) en hadden deel aan de oorlogen èn de overwinningen van het volk.
Als Barak tenslotte ten tonele verschijnt, treft hij zijn vijand dood aan. Gedood door een vrouw! Daarmee verliest Barak â zoals Deborah voorzegd had â een deel van de eer van de overwinning.
Toch merkt God het geloof op, hoewel wij er misschien helemaal niets of maar heel weinig van zien! De naam van Barak wordt immers genoemd bij de trouwe getuigen in Hebreeën 11 vers 32. Wat een genade!
Het weinige dat wij voor de Heere mogen doen, ook al is dat soms zelfs nog vermengd met vertrouwen op mensen, heeft toch waarde voor Hem en Hij zal dat niet vergeten!
De dag waarop het hele volk aan de oever van de Rode Zee stond te zingen, in Exodus 15, is al lang voorbij. In deze tijd van zwakheid en verval horen we slechts twee stemmen zingen, die van Deborah en Barak, een man en een vrouw van geloof. Toch spreekt ook hun lied van zege en triomf! Het begint met het roemen van de HEERE Die alle eer toekomt.
Hoewel in het lied van Deborah en Barak de HEERE de eer wordt toegebracht voor de overwinning die Hem toekomt, moet ook elke stam afzonderlijk de eer óf de vermaning ontvangen voor zijn deel in de strijd.
Sommige stammen hebben actief aan de strijd deelgenomen. Zebulon en Nafthali hebben bijvoorbeeld hun leven gewaagd (vers 18; vergelijk hiermee Romeinen 16 vers 4 en Filippi 2 vers 30).
Anderen hebben zich daarentegen uit lafheid of traagheid afzijdig gehouden. Onder hen zijn ook de tweeënhalve stam: Ruben is, ondanks dat "de voornemens des harten groot" waren, bij zijn kudden gebleven (vers 15 en 16). Al eerder waren die kudden een verhindering voor hen; ze bleven immers aan de overzijde van de Jordaan wonen! Zo was het ook met Gilead (Gad en Manasse; vers 17). En Dan en Aser hadden het veel te druk met hun handel; zij hebben noch hun schepen noch de haven verlaten!
De Heere kan hen die besluiteloos zijn en weifelen, en ook hen die het veel te druk hebben met van alles en nog wat, niet gebruiken. Vroeg of laat zullen ook wij de gelegenheid krijgen om te tonen wat in ons leven de eerste plaats inneemt. Gaan onze harten uit naar het volk van God, naar het welzijn van de gemeente? Of lijken we op hen van wie Paulus in Filippi 2 vers 21 met grote droefheid moest zeggen: "Zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is"?
We kunnen vers 12 vergelijken met Psalm 68 vers 19 en het citaat in Efeze 4 vers 8. We worden daarin gewezen op Christus als Overwinnaar, als Degene Die de gevangenen bevrijdt van satan en dan in triomf naar de hemel opstijgt.
Weer doet Israël wat kwaad is in de ogen van de HEERE; dit maal maakt de HEERE gebruik van Midian om het volk te bestraffen, zoals ondermeer in Deuteronomium 28 vers 33 al was voorzegd. Elk jaar kwamen de Midianieten tijdens de oogsttijd als een zwerm sprinkhanen opzetten en namen zij de levensmiddelen en het vee in beslag. Het hele land werd geplunderd en verwoest.
Wat doet satan om de gelovigen te verzwakken, opdat ze in geestelijk opzicht verarmen? Hij doet alle moeite om hun voedsel weg te nemen!
Hebben we ook wel eens de indruk dat alles tegen lijkt te zitten, zodat we geen gelegenheid meer vinden om de Bijbel te lezen? Ja, dat we soms zelfs denken geen tijd te hebben om de samenkomsten te bezoeken? We kunnen er zeker van zijn dat dat het werk van de duivel is. Hij weet dat we juist daaruit onze kracht putten, en hij is bang voor die kracht. Daarom stelt hij alles in het werk om ons daarin te hinderen.
Veel jonge mensen dromen ervan sterk te zijn, ja, overwinnaars te worden. Laten we toch navolgers van Gideon zijn! Hij is een strijdbare en dappere held (vers 12) vol kracht. Hij doet alle moeite om het voedsel voor zijn levensonderhoud in veiligheid te brengen, om zichzelf en zijn familie van de hongerdood te redden.
Laten wij ook dappere helden zijn! Niet met onze lichaamskracht en onze eigen capaciteiten, maar met geloofsmoed, om met een voornemen van ons hart te strijden voor de Heere! God Die Zich tot ons keert (vers 14), ziet of wij dat in ons dagelijkse leven in praktijk brengen.
Als Gideon naar zichzelf kijkt, vindt hij niet de kracht waarover de Engel tot hem gesproken had. Integendeel zelfs! Hij zegt de kleinste (de jongste) in het huis van zijn vader te zijn, en ook dat zijn duizend het armste van de stam van Manasse is (vers 15)!
Zoals later Paulus â en ook u en ik in ons eigen leven âmoest ook Gideon leren: "Als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Korinthe 12 vers 10). En ook: "Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft" (Filippi 4 vers 13).
De kracht die Gideon bezat (vers 14), was de kracht van Godzelf: "Kracht, die God verleent" (1 Petrus 4 vers 11), die in de zwakheid van de dienstknecht wordt volbracht.
Deze ontmoeting met de Engel des HEEREN is ontzettend kostbaar! Het is een beeld van de ontmoeting die wij eens in ons leven met de Heere gehad moeten hebben, op grond van Zijn Offer aan het kruis!
Het gevolg van deze ontmoeting is niet de dood, maar vrede (vers 23)! En Gideon richt een altaar op tot eer van de God van de vrede Die Zich aan hem geopenbaard heeft.
Direct daarna wordt Gideon er door de HEERE Zelf op gewezen dat er dingen zijn die weggedaan moeten worden.
Moeten wij soms ook dingen wegdoen als we sterk willen zijn? De Heilige Geest Wiens tempel ons lichaam is, kan onmogelijk samen met een of andere afgod in ons hart wonen.
Gideon heeft de innerlijke vrede van God ervaren en tegelijkertijd begint van buitenaf de strijd. In de eerste plaats moet hij nu in zijn ouderlijk huis een duidelijke positie innemen.
Waar begint ons getuigenis? Thuis, in ons eigen gezin, onze eigen familie. Hoe geven wij aan ons getuigenis vorm? Door aan hen die wij het beste kennen en die het dichtste bij ons staan, onze verandering die God bewerkt heeft (Markus 5 vers 19), te laten zien. Bij velen zal deze stellingname alleen maar vreugde in de familie bewerken. In andere gevallen stuit men op geweldige weerstand en vijandschap. Er zijn landen waar een duidelijk getuigenis voor God vreselijke gevolgen heeft!
We kunnen er zeker van zijn dat Gideon, vóórdat hij gehoorzaamt, innerlijk heel wat strijd heeft doorgemaakt. Hij wist van te voren van de gevaren die hem zouden bedreigen (vers 30), ook al gaat hij 's nachts te werk. Maar God staat hem terzijde. Hij werkt aan het hart van zijn vader Joas en zorgt ervoor dat de mannen van de stad hun bloeddorstige plannen niet uitvoeren.
Nadat God in Gideon gewerkt heeft, wil Hij nu door hem handelen. Door de bazuin van Gideon worden de Israëlieten opgeroepen tot de strijd tegen Midian.
Maar dan ... zien we zijn gebrek aan vertrouwen! Hij verlangt een teken van de HEERE. In genade geeft God hem het dubbele teken van het wollen vlies.
God heeft veel geduld met ons. En als wij Hem oprecht vragen, zal Hij ons Zijn wil kenbaar maken.
Vergeleken met het grote leger van de Midianieten, de Amalekieten en de zonen van het oosten, was het leger van de Israëlieten met z'n tweeëndertigduizend man maar armzalig.
Het is dan best voor te stellen dat Gideon heel verwonderd was, toen de HEERE tegen hem zei: "Het volk is te veel, dat met u is" (vers 2 en 4). Het ging de HEERE erom dat zij ná de strijd niet zouden zeggen dat zijzelf de overwinning hadden behaald.
Bij de eerste schifting moeten, volgens Deuteronomium 20 vers 8, de vreesachtigen en die week van hart zijn, naar huis gaan. Daarna blijven er nog tienduizend mannen over die de proef met het water moeten ondergaan. De meesten nemen het er van en drinken op hun gemak, terwijl anderen snel een beetje water uit hun hand drinken.
Deze laatsten, slechts driehonderd mannen, zijn geschikt voor de strijd. Zij vinden het doel dat ze voor ogen hebben, belangrijker dan de bevrediging van hun eigen behoeften.
Daarin ligt ook een les voor ons die een hemels doel hebben! "Zo iemand achter Mij wil komen," zegt de Heere Jezus, "die verloochene zichzelf (Lukas 9 vers 23).
Is Hij het niet waard dat we afstand nemen van alles? Ook Hij heeft op Zijn weg "uit de beek" gedronken (Psalm 110 vers 7). Hier en daar vond Hij verkwikking voor Zijn hart, zonder daarbij ook maar één moment Zijn doel uit het oog te verliezen: de overwinning op het kruis en de verheerlijking van God, Zijn Vader (Lukas 9 vers 51).
Er komt nog een laatste bemoediging voor Gideon: de droom van de Midianiet, die door diens metgezel wordt uitgelegd. Daarbij leert Gideon ook een laatste les: hij is niet meer waard dan een armzalig gerstebrood.
Nu kan de strijd beginnen. 's Nachts stellen de drie groepen strijders van Gideon zich op rondom het vijandelijke kamp, een ieder op zijn eigen plaats.
Laten we goed op de wapens van deze bijzondere soldaten letten: in de ene hand een fakkel die binnen in een kruik brandt, en in de andere hand een bazuin, zoals destijds bij Jericho. Geen zwaard, geen speer; de HEERE strijdt voor hen. "Opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons", wordt in 2 Korinthe 4 vers 7 gezegd. Deze tekst vergelijkt de gelovigen met aarden vaten. Zijzelf moeten verbroken worden, opdat de stralende glans â Christus in hen â naar buiten toe zichtbaar wordt.
Door de luide klank van de bazuin midden in de nacht en dat ongewone lichtschijnsel op de berghelling wordt het hele legerkamp plotseling opgeschrikt. Door paniek bevangen, vluchten ze alle kanten op, zien elkaar in het donker voor vijanden aan en doden elkaar. Dan begint de achtervolging door Gideon en zijn mannen. Andere Israëlieten vatten door dit alles moed en sluiten zich bij de driehonderd bazuinblazers en fakkeldragers aan.
Deze gebeurtenis is een glorierijke overwinning in de geschiedenis van Israël (zie Psalm 83 vers 12). De rotssteen Oreb en de perskuip van Zeëb dienen de toekomstige geslachten te herinneren aan de bevrijding die de HEERE bewerkt had.
De lessen waardoor God Gideon bescheidenheid leerde, hebben vrucht gedragen. Hij is bereid het deel dat anderen aan de overwinning hebben gehad, te erkennen. En de toom van de mannen van Efraïm verdwijnt door het zachte antwoord van Gideon, als hij hen uitlegt wat ze gedaan hebben (vers 2 en 3).
Het werk van anderen naar voren brengen, hun capaciteiten hoogachten, in plaats van op eigen werk of capaciteit te wijzen, is een vrucht van het Goddelijke leven. Dat heeft niets te maken met de huichelarij van menselijk, diplomatiek handelen. Petrus herinnert ons eraan dat een zachtmoedige en stille geest waardevol is voor God (1 Petrus 3 vers 4).
God heeft die driehonderd strijders nauwkeurig uitgezocht. Ze houden nu evenmin rekening met hun vermoeidheid, als toen aan de oever van de beek met hun eigen gemak of dorst (hoofdstuk 7). Ze hebben één doel voor ogen en jagen dat na (vers 4). "Eén ding doe ik," zegt Paulus, "ik jaag naar het doelwit" (Filippi 3 vers 14). En ergens anders zegt hij: "Neergeworpen, doch niet verdorven" (2 Korinthe 4 vers 9).
Zoals Gideon met de mannen van Sukkoth en Pnuël, zo moest ook Paulus later ervaren dat allen hem hadden verlaten (2 Timotheüs 4 vers 16). Maar wat een tegenstelling tot de wraak van Gideon: Paulus kan, als ware volgeling van zijn Meester, erbij zeggen: "Het worde hun niet toegerekend!"
Na de overwinning verkeert de dienstknecht van God nog in een aantal hachelijke situaties. Er duiken gevaren op.
Gisteren zagen we de afgunst van de mannen van Efraïm die een zachtmoedig antwoord van Gideon kregen. Nu zien we de vleierij van de wereld. Maar de complimenten van Zebah en Zalmûna over zijn gedaante â als van een koningszoon â verhinderen Gideon niet hen te doden.
Dan volgt er een nieuwe valstrik, nu van de kant van de Israëlieten: "Heers over ons", zeggen ze, "zo gij als uw zoon ..., omdat gij ons ... verlost hebt". Daarop geeft Gideon een prachtig antwoord: "De HEERE zal over u heersen" (vers 22 en 23). De eerste reactie van Gideon op deze eer die hem aangeboden wordt, mag ons tot voorbeeld strekken. Hij wijst het aanbod om koning te worden, resoluut van de hand. Wat jammer is het dan dat hij zijn zoon de naam Abimélech geeft: 'Mijn vader is koning'!
Een dienstknecht moet ervoor oppassen dat hij niet de plaats inneemt die alleen zijn Meester toekomt. En de gelovigen moeten erop letten dat ze de dienstknechten van God niet gaan vleien (Mattheüs 23 vers 7 tot en met 10).
Na deze overwinningen van Gideon komt er nog een laatste valstrik (vers 27). Helaas komt hij daardoor nu ten val. Gideon stelt in de stad een efod op. Dat is een gouden voorwerp dat aan het priesterschap verbonden is. Heel Israël komt bijeen om de efod te bewonderen en vergeet daarbij dat Silo waar de ark van het verbond zich bevond (Jozua 18 vers 1), het enige centrum van de priesterdienst is.
Uiteindelijk sterft Gideon â en het volk keert tot de afgodendienst terug!
Dit verdrietige hoofdstuk beschrijft hoe snel en vreselijk de ondergang van het volk is. Gideon was eens zo verstandig geweest om de heerschappij voor hemzelf en zijn nageslacht af te wijzen, maar nu trekt juist één van zijn zonen, Abimélech, door list en geweld de macht naar zich toe.
Een tegenstelling hiermee vormt Jotham, de jongste van de zonen van Gideon. Hij is de enige die aan het bloedbad in Sichem was ontkomen. Jotham is niet bang om de waarheid te vertellen en voor de hele stad getuigenis af te leggen, zoals zijn vader in zekere zin ook gedaan had, toen hij het altaar voor de HEERE bouwde en het altaar van Baäl vernietigde.
De gelijkenis van de bomen die een koning over zich willen aanstellen, bevat voor ons een belangrijke les. Er worden drie dingen benadrukt die we nooit mogen opgeven, maar juist zorgvuldig moeten bewaren:
De olie van de olijfboom â een beeld van de Heilige Geest, de enige kracht van een christen;
De zoetheid van de goede vrucht van de vijgenboom â met andere woorden: de werken van het geloof; en
De most (of druivensap) die God en mensen verheugt âeen beeld van de vreugde van de gemeenschap met God en van die van de gelovigen onderling.
Als iemand ermee instemt hier beneden te regeren, dat wil zeggen, een prachtige positie in te nemen en zich voor de wereld in te zetten, dan zal hij onherroepelijk deze drie kostbare voorrechten moeten opgeven. De Heere beware ons hier allemaal voor!
De gebeurtenissen in dit hoofdstuk zijn een bevestiging van wat Jesaja met betrekking tot zulke mensen zegt: "Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten der ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen" (Jesaja 59 vers 7 en aangehaald in Romeinen 3 vers 15 en 16).
Is het in de wereld van vandaag anders? Beslist niet! Zelfs in de zogenaamde 'christelijke' landen wordt de politiek beheerst door (verkapt) geweld, leugen en bedrog.
Jotham had partij kunnen kiezen tegen Abimélech en mensen achter zich kunnen verzamelen om zo wraak te nemen voor zijn vermoorde broers, maar daar past hij wel voor op! Ver van alle strijd en achterbakse handelingen wacht hij rustig in Beër (vers 21; zie ook Numeri 21 vers 16) op de bevrijding door de HEERE.
We hebben gezien dat de vijandelijke Midianieten elkaar in hun eigen legerkamp ombrachten. Nu doen Abimélech en de bewoners van Sichem hetzelfde. Ze zijn voor elkaar als een verterend vuur; het is de vervulling van wat Jotham in vers 20 voorzegd had.
Daarmee gaat het woord dat ook steeds opnieuw in de geschiedenis van de mensheid bewaarheid wordt, in vervulling: "Wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien" (Galaten 6 vers 7; zie ook Galaten 5 vers 15).
Aan het begin van dit hoofdstuk worden twee richters genoemd: Thola en Jaïr, mannen van aanzien. Daarna komt er weer verval, nog erger dan te voren.
Op deze dwaalweg dient Israël allerlei afgoden van de volken. Weer maakt de HEERE gebruik van hun vijanden om de Israëlieten te tuchtigen. Nu zijn het de Filistijnen en de Ammonieten die door de HEERE gebruikt worden. Dat het volk Israël de afgoden van deze beide volken gediend heeft, levert hen geen enkel profijt.
Laten we erop letten dat de stammen aan de overzijde van de Jordaan (vers 8) de eersten van het volk Israël zijn die door hen aangepakt worden.
Achttien jaar lang worden ze onderdrukt. Uiteindelijk komen ze tot belijdenis: "Wij hebben tegen U gezondigd!" We weten dat deze uitspraak de oplossing is om tot de Heere terug te keren.
Desondanks antwoordt God hen streng, ja, we zouden zelfs kunnen zeggen, ironisch: 'Ga nu toch naar die goden die jullie zelf hebben uitgekozen, en roep hen aan om hulp; zij moeten jullie maar redden!'
Dit maakt duidelijk dat een belijdenis alleen niet voldoende is! Die afgoden moeten ook weggedaan worden (vergelijk hiermee Genesis 35 vers 2). Daaruit zal pas blijken dat het geweten werkelijk geraakt is. Het volk heeft dit goed begrepen. Dan horen we die troostrijke woorden: "Toen werd Zijn ziel verdrietig over de arbeid van Israël" (vers 16). Wat een groot erbarmen van God met Zijn volk in de ellende!
Zou Zijn erbarmen met Zijn kinderen vandaag de dag niet minstens zo groot zijn?
De HEERE is "een God van vergeving, genadig en barmhartig" (NehemÃa 9 vers 17). Hij wil Zijn volk opnieuw redden, nu door de hand van Jeftha.
Het begin van de geschiedenis van deze richter lijkt een beetje op het begin van Abimélech. Maar in plaats van in opstand te komen en zich op zijn broers te wreken, maakt Jeftha geen aanspraak op zijn rechten en trekt hij zich terug in het land Tob. Daar weet God hem, als het juiste moment is aangebroken, te vinden.
Beroofd van zijn erfdeel, verdreven door zijn broers en verbannen naar een ver land van waaruit hij uiteindelijk als bevrijder terugkeert â in dit alles is Jeftha een beeld van de Heere Jezus. Nadat Christus door Zijn volk Israël dat Zijn rechten niet wilde erkennen, verworpen werd, is Hij in de huidige tijd afwezig. Hij is opgestegen naar de hemel van waaruit Hij met macht en als Overwinnaar zal terugkeren (vergelijk Lukas 19 vers 12 tot en met 14).
Jeftha treedt de vijanden van Israël moedig tegemoet. Welk antwoord geeft hij op hun aanspraken en leugens? Hij herinnert hen aan de dingen zoals ze werkelijk vanaf het begin geweest waren, en hij steunt op vroegere zegeningen.
Laat ieder van ons het voorbeeld van deze Jeftha volgen! Als eerste is het nodig om de grondbeginselen van het Woord goed te leren kennen, waardoor de gelovigen uit vroegere generaties zich lieten leiden. En vervolgens moeten we die ook vasthouden en ernaar wandelen (zie 2 Thessalonika 2 vers 15).
Jeftha voelt zich gedwongen de HEERE door een offer te bedanken voor de overwinning op de Ammonieten. Dat betekent dat hij God slecht kent!
God wil de Zijnen graag zegenen. Hij verwacht van hun kant dan inderdaad ook liefde en dankbaarheid! Hij heeft daar recht op. Hij nam ook graag een offer van Jeftha aan. Onze dankbaarheid op zich is echter niet het enige wat van groot belang is, maar ook de vorm daarvan. Ook de vorm moet in overeenstemming met Zijn gedachten zijn.
De belofte van Jeftha was dwaasheid. Soms laat God ons dan ook de gevolgen dragen van hetgeen wij overhaast en zonder na te denken beloofd hebben. Laten we daarom voorzichtig zijn met onze woorden, want lichtzinnige beloften kunnen grote gevolgen hebben (Spreuken 20 vers 25).
Ook al ontbrak bij Jeftha voor een moment het geloof, bij zijn dochter is dit geloof heel duidelijk aanwezig.
Als enig kind, zeer geliefd door haar vader, herinnert haar onderwerping ons aan die van de Heere Jezus (Johannes 8 vers 29).
Zij hangt niet aan haar leven en is blij met de overwinning die de HEERE aan Israël gegeven heeft. Uit liefde tot de HEERE, tot haar vader en tot haar volk, is ze gehoorzaam tot de dood. Ook daarin is zij een aangrijpend beeld van Christus, hoewel Hij natuurlijk vele malen groter en heerlijker is dan zij.
Als de dochter van Jeftha het al waard was elk jaar herdacht en geëerd te worden, hoeveel meer is de Heere Jezus het dan waard nu hier op aarde en tot in alle eeuwigheid geloofd te worden!
In hoofdstuk 8 vers 2 en 3 heeft Gideon de waarheid van het Schriftwoord ervaren: "Een zacht antwoord keert de grimmigheid af". Tot zijn eigen schade leert Jeftha nu het vervolg van deze tekst kennen: "Een smartend woord doet de toom oprijzen" (Spreuken 15 vers 1).
Jeftha komt in aanvaring met dezelfde mannen van Efraïm die zo prikkelbaar en strijdlustig waren (hoofdstuk 8 vers 1 en Jozua 17 vers 14). Zij hoopten de vrucht van de overwinning te kunnen genieten zonder zelf gestreden te hebben. En tenslotte waren zij ook jaloers op het succes van anderen, hoewel ze zich met hen hadden kunnen verheugen in de bevrijding die door de HEERE bewerkt was.
De mannen van Efraïm verwijten Jeftha dat hij hen niet zou hebben opgeroepen tot de strijd. Nu moeten we goed opletten welke plaats het eigen 'ik' in het antwoord van Jeftha inneemt (vers 2 en 3).
Vervolgens wordt de strijd ontketend. Wat ontzettend triest: een strijd tussen broeders onderling!
Als er heftige woordenwisselingen in onze eigen familie zijn, doen wij eigenlijk precies hetzelfde, zij het dan in kleinere kring! De redenen waardoor het zover kon komen, zijn ook vaak dezelfde: egoïsme, jaloersheid en o zo snel geprikkeld zijn. Laten we toch meer aan het grote gebod van de Heere denken: "... dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb" (Johannes 13 vers 34 en 35; 15 vers 12 en 17).
Tenslotte worden er nog andere richters aan Israël gegeven, gekozen uit de verschillende stammen. Op hun dienst volgen steeds tijden van vrede! Als ons zulke tijden gegeven worden, laten we die dan goed benutten om krachten te verzamelen, en niet om in slaap te vallen!
Opnieuw gaat het mis met het volk Israël en opnieuw volgt de tuchtiging van de HEERE. Deze keer door de hand van de Filistijnen.
Werpt deze beproeving vruchten af? Helaas niet! Er verstrijken veertig jaren. Tevergeefs wacht God. Hij luistert, maar geen enkele noodkreet stijgt op tot Hem! Het volk is langzamerhand gewend geraakt aan de ellendige situatie van hun slavernij.
Toch zijn er hier en daar nog een paar trouwe getuigen die de HEERE vrezen, zoals Manóach en zijn vrouw. God laat ons kennis maken met dit echtpaar zonder kinderen, uit de stam van Dan.
Op een dag krijgt de vrouw bezoek. Deze hemelse bezoeker heeft een blijde boodschap voor haar: ze zal moeder worden van de man die Israël uit de hand van de Filistijnen zal redden!
Deze gebeurtenis brengt ons naar het begin van het Lukas evangelie waar de engel Gabriël Maria de komst van de Redder van de aarde aankondigt.
Het kind (en z'n moeder) moeten echter wel aan bepaalde voorwaarden voldoen. Als Nazireeër moest hij volgens Numeri 6 voor God afgezonderd zijn. Hij moest zich onthouden van bepaalde vormen van vermaak en vreugde zoals andere mensen die kenden, onder andere van de vrucht van de wijnstok.
Het is echt niet gemakkelijk en aangenaam om in een gezin zo'n afzondering in praktijk te brengen, toch ziet God dit ook graag bij de Zijnen (vergelijk hiermee Jeremia 35 vers 6 en verder).
Het zijn niet de machtigen in Israël aan wie de HEERE Zijn bevrijdingsplannen voor het volk bekendmaakt. Het zijn juist twee arme Israëlieten uit Dan, de zwakste van alle stammen (vergelijk hoofdstuk 1 vers 34).
Aan wie maakt God vandaag de dag Zijn heilsplan bekend? Wie vertelt Hij van de Verlosser Die Hij gegeven heeft? Aan kinderen en aan allen die op kinderen lijken, doordat ze eenvoudig geloven (Mattheüs 11 vers 25)!
Als de Engel voor de tweede keer komt, wordt er een brandoffer en een spijsoffer op de rots geofferd. We weten dat dit beelden van Christus zijn, van Zijn sterven en van Zijn leven.
Wie is die Engel? Hoe heet Hij? Manóach die er ontzettend naar verlangde Hem persoonlijk te leren kennen en niet alleen via z'n vrouw met Hem in verbinding te staan, krijgt het antwoord: "Waarom vraagt gij dus naar Mijn naam? Die is toch Wonderlijk" (vers 18).
Ook wij hoeven niet méér van Hem te kennen, om te weten Wie Hij is. In Jesaja 9 vers 5 lezen we: "... men noemt Zijn naam Wonderlijk"!
Omdat Hij wonderbaar is, kan Hij slechts wonderbaar handelen, waardoor Hij Zich ook aan ons bekendmaakt.
De Engel Die hier in de vlam van het altaar opvoer, en de Heere Jezus Die na het werk volbracht te hebben en "nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel" (Markus 16 vers 19), zijn één en dezelfde Persoon.
Het was een groot voorrecht voor Simson dat hij geboren werd in een familie waar God persoonlijk werd gekend en gevreesd. Misschien hebben wij datzelfde voorrecht gehad? Laten we daarom de geschiedenis van deze man nauwlettend volgen.
Het begin is goed (hoofdstuk 13 vers 24 en 25). Maar, o wee! Als hij de leeftijd bereikt heeft waarop hij kan trouwen, kiest hij, tegen de raad van z'n ouders in, een vrouw uit de Filistijnen. Dat wordt een bittere ervaring!
Veel jonge mensen hebben helaas hetzelfde gedaan! Ze hebben zich door een huwelijk verbonden aan een partner die "bevallig was" in eigen ogen (vers 3), zonder zich erom te bekommeren of het ook naar de wil van de Heere was!
Om de geschiedenis van Simson goed te kunnen begrijpen, moeten we het volgende goed voor ogen houden: bij Simson zien we wat de mens doet â en dat is heel verdrietig! Maar tegelijk zien we ook wat God door middel van hem doet, waarbij Hij zelfs gebruik maakt van Simson's fouten (zie vers 4) â en dat is heerlijk!
Wat God door Simson, deze sterke man die uitverkoren is om Israël te bevrijden, volbrengt, doet ons bij herhaling aan de Heere Jezus denken, de ware Nazireeër, de grote Overwinnaar op het kruis van Golgotha.
Satan, de brullende leeuw, heeft geprobeerd Christus de weg te versperren, maar Hij heeft hem overwonnen. Daarom heeft deze vreselijke tegenstander geen macht meer over de gelovigen die op de Heere vertrouwen, hoewel hij gegarandeerd alle pogingen in het werk zal stellen om hen van de Heere af te trekken.
De gelovige wordt niet vermoeid of verzwakt door overwinningen. Integendeel zelfs, zij geven hem voedsel en zoetigheid. Dat is de betekenis van de honing in het dode lichaam van de leeuw.
Het is een verborgenheid die de wereld niet kan begrijpen. De wereld vindt meer vreugde in allerlei feesten (vers 10). Voor een onbekeerde is het een raadsel dat een christen geluk en voedsel voor zijn ziel kan vinden op de plaats waar hij juist alleen maar iets vreselijks kan ontdekken: de dood. De macht van satan is door de dood van Christus te niet gedaan (zie Hebreeën 2 vers 14).
Simson geeft de Filistijnen een raadsel op dat ze zonder het verraad van zijn vrouw nooit hadden kunnen oplossen. Even later verbreekt zijn schoonvader zijn woord (hoofdstuk 15 vers 2).
De wereld doet niets anders dan bedriegen en illusies maken. Als wij haar, evenals Simson, vertrouwen of aan haar feesten deelnemen, zullen we alleen maar bitter teleurgesteld worden. Hoe anders is het als we ons aan de Heere Jezus toevertrouwen!
God bewaart Zijn knecht door het huwelijk met deze Filistijnse vrouw te verhinderen. Simson had zich alle zorgen en moeiten die nu op hem afkomen, kunnen besparen als hij naar zijn ouders geluisterd had. God zou hem dan heel zeker een andere gelegenheid geboden hebben om tegen de Filistijnen te strijden.
Israël is erg diep gezonken. Ze hebben nu niet alleen te lijden onder de heerschappij van de Filistijnen, maar hebben het bovendien te stellen met de bevrijder die God hen heeft gegeven.
De mannen van Juda trekken op om Simson te binden en zich van hem te ontdoen. "Wist gij niet, dat de Filistijnen over ons heersen?" (vers 11). Eigenlijk bedoelen ze hiermee: 'We zijn tevreden met de omstandigheden. Waarom heb je ons in moeilijkheden gebracht?' Wat ontstellend dat ze zó handelen met de door God gegeven verlosser! Z6 hebben wij mensen ook met de Heiland van de wereld gedaan.
Nu komt echter de gelegenheid voor Simson. Hij trekt de nieuwe touwen kapot en behaalt helemaal alleen een prachtige overwinning. Zoals de ossenstok van Samgar (hoofdstuk 3 vers 31) is de ezelskinnenbak ook een verachtelijk wapen. Dat onderstreept nog eens dat de uiteindelijke overwinning alleen van God komt.
Als Simson na de strijd dorst heeft, voorziet God hem van water. Het komt als antwoord op zijn gebed uit de gekloofde rots. De rots spreekt van Christus (1 Korinthe 10 vers 4).
Als wij God erom vragen, zal Hij ook ons de verkwikkende bronnen van Zijn Woord geven. De Heilige Geest zal daardoor in onze behoeften voorzien.
Door de overwinning op de leeuw had Simson voedsel ontvangen; na deze overwinning geeft God hem te drinken.
Als wij op de Heere wachten, zullen de overwinningen die Hij ons geeft, voor ons altijd gelegenheden zijn waardoor onze zielen gesterkt en verkwikt zullen worden, doordat wij genieten van Zijn liefde.
Simson is een man van tegenstellingen: lichamelijk heel sterk, maar moreel gezien uiterst zwak en gewend toe te geven aan zijn stemmingen. Uiterlijk was hij afgezonderd voor de HEERE. Dat laat zijn lange haar duidelijk zien. Innerlijk was zijn hart echter verdeeld. Het bewijs daarvoor is dat hij nu houdt van een vijandin van zijn volk.
Laten we onszelf afvragen of de kracht die wij uiterlijk vertonen, ook werkelijk overeenkomt met de toestand van ons hart. Lichamelijke training is niet altijd nutteloos, maar heeft geen enkele waarde voor de Heere. Vaak worden we, als we iets gepresteerd hebben, juist hoogmoedig. De overwinningen die wij, verborgen voor anderen, over onze hartstochten hebben behaald, dÃe zijn waardevol voor God.
Door het haar niet af te knippen, kan een meisje laten zien dat ze uiterlijk gehoorzaam is. Maar het is ook nodig dat deze gehoorzaamheid voortkomt uit haar hart!
We mogen ons erover verheugen dat het Schriftgedeelte voor vandaag ook een beeld bevat van Hem Die "de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendels in stukken gehouwen" heeft (Psalm 107 vers 16).
Simson rukte de deuren uit de stadspoort van Gaza en droeg ze op zijn sterke schouders weg. Dat doet ons denken aan Christus: Hij heeft de banden van de dood verbroken en daarmee "al degenen, die met vreze des doods, gedurende heel hun leven, aan de dienstbaarheid onderworpen waren", verlost (Hebreeën 2 vers 15). Hij is opgestaan in macht en bezit nu de sleutels van de dood en de hades (Openbaring 1 vers 18).
Er waren verschillende geheimen in het leven van Simson: het raadsel waarover we lezen in hoofdstuk 14, en het geheim van zijn nazireeërschap dat we hier in hoofdstuk 16 vinden. Maar ... hij kon niet één van die geheimen bewaren.
De verloste heeft zijn eigen geheimen met zijn Verlosser: persoonlijke ervaringen met Hem die hij misschien aan niemand kan vertellen. Natuurlijk is de bekering zelf een zaak die ook anderen moeten weten. Daarentegen kunnen we anderen niet altijd uitleggen waarom wij sommige dingen wel of juist niet doen (Daniël 3 vers 16). Dat vormt de reden van onze afzondering voor God, ons nazireeërschap, waarvan onze geestelijke kracht afhankelijk is.
Delila, de verleidster, laat Simson geen moment met rust. Dag en nacht probeert ze achter zijn geheim te komen. Uiteindelijk kan hij er niet meer tegen. Hij wordt verdrietig, "tot stervens toe" (vers 16), en verklapt het.
Dan staat er in vers 19: "Toen deed zij hem slapen ...". Een slaap die hem noodlottig is geworden!
De apostel Paulus vermaant ons: "Zo laat ons dan niet slapen, zoals de anderen, maar laat ons waken, en nuchter zijn" (1 Thessalonika 5 vers 6).
Simson, die sterke man die een leeuw overwon, kon tot twee maal toe z'n tong niet in bedwang houden, toen een vrouw hem smeekte (hoofdstuk 14 vers 17 en 16 vers 17). De menselijke natuur heeft allerlei dieren kunnen bedwingen, maar Jakobus zegt: "De tong kan geen mens temmen" (Jakobus 3 vers 8). Om dat te kunnen bereiken, hebben we de hulp van God nodig. Die hulp wil Hij geven aan iedereen die Hem wil gehoorzamen (1 Johannes 3 vers 22).
Arme Simson! Dit is het einde van zijn droevige levensgeschiedenis: blind en gevangen. Daarmee is hij het voorwerp van spot voor de vijanden van God en Zijn volk geworden. En, wat nog erger is: eigenlijk wordt Godzelf bespot, omdat het erop lijkt dat de afgoden van de Filistijnen sterker zijn dan de held van de HEERE. God maakt echter een einde aan deze aanmatiging van de vijand. Simson mag nog een laatste overwinning behalen, hoewel hij dan zelf tegelijk met duizenden Filistijnen omkomt.
Simson heeft zijn kracht, zijn vrijheid, het licht in zijn ogen en tenslotte zijn leven verloren.
Laat iedereen die van jongs af de Heere Jezus kent, goed over deze geschiedenis nadenken. Ook wij hebben veel ontvangen. We verkeren in een bijzondere positie en zijn ontzettend bevoorrecht. We moeten toegeven dat het voor ons ook niet altijd gemakkelijk is om ons nazireeërschap te bewaren. Het valt niet mee om ons van de wereld gescheiden te houden! De één begrijpt dit misschien beter of heeft er minder last van dan de ander, maar toch ... Op een gegeven moment wordt er aan ons getrokken en verlangen we misschien ook naar andere dingen.
Wat hebben we voor alles wat de wereld biedt, toch iets heerlijks wat al die dingen meer dan vervangt! We hebben een bovennatuurlijke kracht die uit de Goddelijke bron komt: de kracht van de Heilige Geest staat ons ter beschikking. Als wij ons op de weg naar Gods gedachten bevinden, kan niets die kracht verhinderen! O, dat wij toch ook mogen behoren bij die mensen aan wie de apostel Johannes kon schrijven: "Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt de boze overwonnen" (1 Johannes 2 vers 14).
Hier vinden we opnieuw een verdrietige geschiedenis. Een zoon steelt, zijn moeder zweert met een vloek en vervolgens komt uit diezelfde mond een zegen voor haar zoon (zie Jakobus 3 vers 10), terwijl zij hem had moeten bestraffen. Tenslotte laat ze ook nog voor hem een gesneden en een gegoten beeld maken. Hierdoor wordt de wet die deze dingen streng veroordeelt, helemaal terzijde geschoven, hoewel de vrouw nog wel de Naam van de HEERE gebruikt.
"Dit volk... eert Mij met de lippen," zei de Heere Jezus later, "maar hun hart houdt zich ver van Mij" (Mattheüs 15 vers 8; een citaat uit Jesaja 29 vers 13).
Dat is een ernstige waarschuwing voor ons allemaal! De Naam van de Heere uitspreken, betekent dat wij ons moeten onttrekken aan ongerechtigheid (2 Timotheüs 2 vers 19). Jezus Christus onze Heere noemen, betekent dat we Zijn autoriteit erkennen.
In het Boek Richteren doet ieder wat recht is in zijn eigen ogen. Is het in onze tijd beter? Het geldt voor Micha, voor zijn moeder en eveneens voor de jonge Leviet uit BethlehemâJuda, de man die Micha tot priester had aangesteld en ingewijd, zonder daartoe het recht te hebben. Dat is inâ en intriest!
Deze jongeling was een nakomeling van Mozes (vergelijk hoofdstuk 18 vers 30), de man die de wet gebracht, het gouden kalf vernietigd en het volk het indrukwekkende lied uit Deuteronomium 32 geleerd had.
Wat zou Mozes ervan gezegd hebben als hij had gezien dat één van zijn nakomelingen priester van een gesneden beeld werd?!
In dit hoofdstuk blijkt, dat een hele stam geïnfecteerd is door de eigenzinnigheid en de afgoderij in het huis van Micha. Zo gaat het altijd. Het kwaad begint in de gezinnen en strekt zich vervolgens uit tot het hele volk van God.
In het eerste vers lezen we, dat de Danieten nog geen erfdeel in het land in bezit hadden. In hun ongeduld besluiten ze zelf maar een deel uit te zoeken, zonder eerst de HEERE te raadplegen en het van Hem te verwachten. Dat toont een geest van onafhankelijkheid. Bovendien laat het zien, dat ze voor zichzelf een zo aangenaam mogelijke oplossing willen.
Eens hadden de kinderen van Dan zich in de bergen laten terugdringen (hoofdstuk 1 vers 34). Nu gaan ze op eigen initiatief op pad, tot aan de andere kant van het land. Ze hadden dat wat voor hen bestemd was, in bezit moeten nemen; dat lag binnen hun bereik, maar daarvoor hadden ze de kracht van het geloof nodig.
Misschien lijken wij vaker op hen dan we denken. De Heere heeft ons een opdracht gegeven in onze omgeving. Deinzen ook wij niet vaak terug voor de geloofs-oefeningen en de strijd die met deze dienst gepaard gaan? Verlangen we niet af en toe naar een taak, die meer in het oog springt? Dan kan het gebeuren, dat wijzelf een weg uitkiezen en het ook in een andere richting zoeken. Laten we daarvoor waakzaam zijn!
De inname van Laïs toont geen enkele overeenkomst met de geloofsoverwinningen in de dagen van Jozua. Wat zien we bij Dan? Begeerte naar alles "wat op de aarde is" (vers 10). Vertrouwen op eigen kracht en tegelijkertijd bedrog, ondankbaarheid, diefstal, trouweloosheid en als toppunt: het instellen van afgodendienst. Wat een trieste toestand!
De volgende hoofdstukken van Richteren maken dit beeld alleen maar triester. Je zou hier als opschrift boven kunnen zetten: "Een ieder deed, wat recht was in zijn ogen" (hoofdstuk 17 vers 6). Dit éne zinnetje vat de toestand van Israël in de dagen van de richters samen.
Dat is ook de samenvatting van de verdrietige toestand van de Christenheid in onze dagen. Wanneer je vergelijkingen mag maken tussen het Boek Jozua en de Brief aan de Efeziërs, dan mogen we wel zeggen, dat de Tweede Brief aan Timotheus (en dan vooral hoofdstuk 3) het meest op Richteren lijkt. Dat is immers een Brief waarin we de toestand zien van een Christenheid die is afgeweken van het Hoofd, en alleen nog maar uiterlijk Zijn Naam draagt.
Is deze gang van zaken: hoogten en diepten; verval en opwekking, ook niet vaak op ons van toepassing? Laten we er toch voor waken, dat we gaan handelen naar wat goed is in onze eigen ogen - ogen, die je niet kunt vertrouwen. En laten we juist veel meer dat doen, wat de Heere welgevallig is (Efeze 5 vers 10; Hebreeën 13 vers 21).
God laat als het ware na de donkere bladzijden van het Boek Richteren de geschiedenis van Ruth als een lichtstraal schijnen. Deze prachtige gebeurtenis laat ons zien dat persoonlijk geloof in alle tijden en onder alle volken aanwezig kan zijn. En ook dat God altijd bereid is grote dingen te doen, als antwoord op dat geloof.
Hier vinden we een Elimélech die, evenals alle anderen in de dagen van de richters, deed wat recht was in zijn eigen ogen. Hij verlaat het erfdeel van de HEERE om met zijn gezin naar de velden van Moab te gaan. Daar gaat hij wonen, te midden van de vijanden van zijn volk.
Je wint er niets mee, als je je van God verwijdert! Wat zijn de gevolgen voor dit gezin? De dood, tranen, ellende en bitterheid!
Dan zien we de weduwe Naomi met haar beide schoondochters die ook weduwe geworden zijn, op de terugweg naar Israël. Een verdrietige terugkeer? Ja, maar tegelijkertijd ook een blijde terugkeer voor ieder die met zichzelf aan het eind is gekomen en nu zijn gedachten en wandel op God richt!
De verloren zoon in de gelijkenis denkt in dat verre land ook aan de plaats waar brood in overvloed is, en maakt zich daarom op om terug te gaan naar het huis van zijn vader (vergelijk vers 6 met Lukas 15 vers 17 en 18). Dat is bekering.
We hopen dat elke lezer de betekenis van dit woord uit eigen ervaring mag kennen.
Orpa heeft niet lang overwogen welke keus ze zou maken. Aan de ene kant wachtte haar een leven als weduwe, ellende in het bijzijn van een verdrietige, oude vrouw, een onbekend volk en een onbekende God. Aan de andere kant was haar eigen volk, de genegenheid van haar familie en haar eigen goden.
Haar snel opdrogende tranen doen ons denken aan die jongeman die nog geen keus kon maken en bedroefd wegging, omdat hij zijn goederen liever had dan het navolgen van de Heere Jezus. Iemand anders zei tegen de Heere Jezus: "Ik zal u volgen, waar Gij ook heengaat". Waarop de Heere antwoordde: "De Zoon des mensen heeft niets, waar Hij het hoofd zal neerleggen" (Mattheüs 19 vers 22 en 8 vers 19 en 20).
Ruth had grondig nagedacht en goed overwogen wat haar te doen stond. Zij had de kosten berekend.
Haar besluit staat onherroepelijk vast. Dat is de keuze van het geloof. Ze wil bij Naomi blijven, ja, vooral bij haar volk en haar God.
Ze kijkt niet achterom en maakt zich ook geen zorgen over de toekomst. Ze gaat met haar schoonmoeder op pad en komt in Bethlehem. Deze naam betekent 'broodhuis'.
In de diepste zin van het woord is dit het toevluchtsoord voor een ieder die geestelijk honger heeft. Daar gaat Ruth, met toestemming van Naomi, op zoek naar haar levensonderhoud.
En God leidt haar "bij geval" (maar met zekere hand) naar het veld van Boaz. Deze man was door God voorbereid om haar troost en rust te geven.
Tot nu toe heeft Ruth alleen nog maar te maken gehad met de knechten van Boaz, maar nu ontmoet ze de machtige en rijke eigenaar van het land zelf.
Dit familielid van Elimélech is een mooi beeld van de Heere Jezus. Boaz herinnert ons aan onze grootste Vriend Die zachtmoedig en vol medelijden is. Van Hem zegt God in Psalm 89 vers 20: "Ik heb hulp besteld bij een Held".
We zien Boaz uit de stad Bethlehem komen, dezelfde stad waar de Heiland geboren zou worden. Hij zegent z'n knechten en geeft opdrachten. Hij waakt over alles, ziet de arme vrouw die aren leest (opraapt), en komt haar tenslotte met een fijngevoelige genade tegemoet, zodat hij het vertrouwen van de jonge vrouw wint. Hij roept haar bij zich, spreekt tot haar hart en troost haar.
De ervaring die Ruth heeft opgedaan, moet ieder van ons ook opdoen.
Het is niet genoeg dat we de dienstknechten van de Heere, herders, leraars of evangelisten, kennen om van hen af en toe wat lessen uit het Woord van God te leren. Iedereen moet persoonlijk een verbinding met de Heere Jezus hebben! Dan zal Hij Zelf tot onze harten spreken. Hij zal ons duidelijk maken wat Hij voor ons heeft doorgemaakt, toen Hij op aarde kwam om te lijden en te sterven. Daarvan spreekt het geroost koren (vers 14). Hij zal ons met de schatten van Zijn liefde verzadigen.
Bij de oogst mocht men in het land Israël de rand van het veld niet afmaaien. Die moest men voor de arme en de vreemdeling laten staan, opdat zij daar konden oprapen (Leviticus 19 vers 9 en 10 en 23 vers 22). Ruth was zowel een arme als een vreemdelinge. Daarom had zij er dus dubbel recht op om van deze genade gebruik te maken.
Oprapen spreekt van het noodzakelijk en actief bezig zijn, opdat onze ziel gevoed wordt door hetgeen de Heere geeft. Vaak gebeurt dat met ondersteuning van Zijn dienstknechten. Zij zijn ons behulpzaam bij het voorstellen van Gods gedachten.
Toch moeten we er wel wat moeite voor doen, maar de Heere, de ware Boaz, zal ons niet te kort doen en ons "een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat" geven (Lukas 6 vers 38).
Ruth sloeg uit wat zij opgelezen had, en bracht het naar huis. O, dat onze gezinsleden toch ook mogen delen in de kostbaarheden die de Heere ons Zelf in Zijn Woord heeft laten zien!
De aanhankelijkheid van Ruth aan Naomi hebben we al opgemerkt. Nu zien we ook haar onderwerping aan haar schoonmoeder.
Jonge zusters, Ruth geeft jullie een geweldig voorbeeld! Ze doet alles wat Naomi haar zegt. En Naomi heeft van haar kant alleen de rust en het beste op het oog voor haar schoondochter (hoofdstuk 3 vers 1). Waar zou dat anders te vinden zijn dan aan de voeten van Boaz die een beeld is van een Grotere dan hij? Hoeveel mensen zijn er al vermoeid en belast tot de Heere Jezus gegaan en hebben bij Hem rust voor hun ziel gevonden! (Mattheüs 11 vers 28 en 29).
"Er is niemand," zegt de Heere Jezus tegen Zijn discipelen, "die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil
of hij ontvangt honderdvoud, nu in deze tijd ..., en in de toekomende eeuw het eeuwige leven" (Markus 10 vers 29 en 30; vergelijk ook Hebreeën 6 vers 10).
Ruth had geen vergissing gemaakt bij haar keuze. Boaz die voor haar om de zegen van de HEERE had gevraagd (hoofdstuk 2 vers 12), zou zelf persoonlijk de beloning voor haar geloof zijn.
Dat is de Heere Jezus ook voor de Zijnen. De apostel Paulus schrijft dat hij al die "dingen schade gerekend" heeft âopdat hij een beloning zou krijgen? Nee, "opdat ik Christus moge gewinnen!" (Filippi 3 vers 8).
Eerst is er echter iets anders nodig. Ruth moet gelost, ofwel verlost, en daartoe gekocht worden. Daarmee gaat Boaz zich nu onmiddellijk bezighouden.
Hoewel de naaste bloedverwant dat ook wel wilde doen, was hij er niet toe in staat (vers 6). Dat doet ons denken aan de wet. De wet is niet in staat mensen te verlossen en hen in te voeren in de zegeningen van de Heere. In Boaz zien we echter de Goddelijke genade.
Als er geen enkel middel overblijft, openbaart de genade zich in een Persoon: de Heere Jezus, de Verlosser, Die ons gekocht heeft.
Namen hebben in de Bijbel, vooral in het Oude Testament, vaak een heel interessante betekenis. Zo ook in het Boek Ruth.
Naomi â 'vol hulde', 'de liefelijke' â wilde niet meer zo genoemd worden. Zij liet zich Mara noemen wat 'bitter' of 'bedroefd' betekent (hoofdstuk 1 vers 20).
Machlon, de eerste man van Ruth, betekent 'ziekelijk', 'zwak'. Boaz, haar tweede man, daarentegen betekent 'in Hem is sterkte of kracht' (vergelijk 1 Koningen 7 vers 21).
Ruth kan onder andere vertaald worden met 'verkwikking'. Wat een heerlijke naam!
Van nature gebonden in een toestand van ellende en totale zwakheid, wordt de zondaar door genade in verbinding gebracht met Christus, de hemelse Mens. In Hem is kracht en Hij alleen kan volmaakte verkwikking geven.
Deze genade wordt nog door een ander feit benadrukt: een Moabiet had geen recht in de vergadering des HEEREN te komen (Deuteronomium 23 vers 3).
Ruth werd echter niet alleen ingevoerd in Israël, maar behoorde zelfs tot de familie van de vorst van Juda. Als de moeder van Obed (wat 'dienstknecht' of 'aanbidder' betekent) werd ze de overgrootmoeder van David en kreeg ze zelfs een plaats in het geslachtsregister van de Heere Jezus!
Diezelfde genade voegt ook vandaag nog de zondaar, zonder dat hij daar recht op heeft, toe aan de familie van God, door hem een Verlosser te geven.
Vandaag beginnen we met de Boeken van Samuël. De tijdsperiode van de richters is echter nog niet helemaal ten einde. We zullen dan ook nog twee richters ontmoeten â Eli en Samuël vóórdat de periode begint waarin Israël door koningen geregeerd wordt.
Evenals bij de geboorte van Simson, begint God ook bij Samuël met het voorstellen van zijn ouders.
Elkana was een Leviet die op het gebergte van Efraïm woonde (vergelijk 1 Kronieken 6 vers 33 tot en met 38). Hij had twee vrouwen: Peninna en Hanna. Dat was niet naar de gedachten van God en we zien de gevolgen daarvan in zijn huis: voortdurende twist, zelfs zo erg dat Peninna gerust de vijandin van Hanna genoemd kan worden. In plaats van haar te troosten, omdat ze geen kind kreeg waar zij toch zó naar verlangde, tergde Peninna haar steeds opnieuw (vers 6).
Vijanden in één gezin? Wat ontzettend triest! Hoe staat het met onze verhoudingen?
Elkana ging elk jaar met zijn gezin naar Silo waar de ark van het verbond stond, de plaats die de HEERE had bepaald en waar ook de priesters waren.
Dáár gaat Hanna met haar verdriet naartoe en ze vertelt alles in gebed aan God. Was dat niet het beste wat ze kon doen?
Laten wij toch ook zo handelen in plaats van tegen hen die ons verdriet doen, in te gaan! Dan zullen we ervaren dat we te maken hebben met "de Vader der barmhartigheden, en de God aller vertroosting" (2 Korinthe 1 vers 3).
God kan niet antwoorden op gebeden waarin we alleen onze eigen verlangens tot uitdrukking brengen (Jakobus 4 vers 3). Als daarentegen Zijn verheerlijking ons doel is, zal Hij ons altijd horen en ook verhoren als het Zijn wil is (Johannes 14 vers 13).
Zo is het ook bij Hanna. Ze heeft om een zoon gebeden, niet om hem altijd voor haarzelf te willen houden, maar opdat hij "al de dagen van zijn leven" een dienstknecht van God zou zijn (vers 11).
Is het niet het grootste verlangen van gelovige ouders dat hun kinderen vanaf hun prille jeugd de Heere Jezus toegewijd zullen zijn? Ongetwijfeld is dat voor veel jongeren vanaf hun geboorte het gebed van hun ouders geweest. Het antwoord hangt echter ook van jullie eigen persoonlijke verlangen af, jongelui! Het is een groot voorrecht als jullie, zoals Samuël, een godvrezende moeder hebben die dag in dag uit voor jullie bidt. Maar ... het is tegelijkertijd ook een enorme verantwoordelijkheid!
Hanna had haar begeerte met gebed en smeking bij God bekendgemaakt waartoe ook Filippi 4 vers 6 ons oproept. Het vers dat daaraan vooraf gaat â "Uw bescheidenheid zij alle mensen bekend" â, heeft ze ook in praktijk gebracht door mild te antwoorden op de onrechtvaardige beschuldiging van Eli die dacht dat ze dronken was.
Haar gezicht, haar uitstraling verandert. De vrede van God bewaarde haar hart (Filippi 4 vers 7), al vóórdat haar gebed in vervulling was gegaan!
Het antwoord laat niet op zich wachten. "Van de HEERE gebeden", is de betekenis van de naam van de kleine Samuël.
Zoals we gisteren zagen in Filippi 4 vers 6, is de dankzegging absoluut noodzakelijk bij het gebed. Ook Hanna verzuimt niet de HEERE te danken voor de verhoring.
Laten wij ook niet vergeten te danken, als God ons heeft geantwoord!
Hanna gaat echter nog verder. Voor haar is dit een gelegenheid om de HEERE te roemen door middel van een prachtig lied.
Wat is de reden van haar lof? De heiligheid van God (vers 2), Zijn kennis (vers 3), Zijn macht (vers 6), Zijn gerechtigheid (vers 10).
Bovenal roemt zij de genade (Hanna betekent "genade"!) die haar ten deel is gevallen. Deze genade tilt de geringe en de arme (u en mij) uit het stof omhoog, uit het 'drek' van de zonde, om hem met de Heere Jezus een deel te geven in Zijn heerlijkheid en Zijn rijk.
De laatste woorden van dit gebed richten de aandacht op de machtige Koning, de "Gezalfde", de Heere Jezus Zelf. In het Woord van God is de hoorn een symbool van macht.
Verheugen wij ons, evenals Hanna, over het heil (vers 1), over die Redder?
Het is heel leerzaam de woorden van Maria uit Lukas 1 vers 46 tot en met 55 met dit gebed van Hanna te vergelijken. Ook Maria verheugde zich, niet alleen in God, haar Heiland, maar ook in wat Zijn macht en Zijn barmhartigheid voor heel Israël gedaan hebben (vers 54).
Zoals ze beloofd heeft, neemt Hanna afstand van haar zoontje dat voortaan bij Eli in Silo in de tegenwoordigheid van de HEERE zal verblijven.
De tegenstelling tussen deze jongen die dienstwerk in de tempel verricht, en de zonen van Eli â Hofni en PÃnehas â is opmerkelijk.
Deze beide zonen van de oude richter waren al volwassen mannen, maar hun doen en laten was een schandaal voor het priesterschap. Ze waren voor het hele volk, maar vooral voor de kleine Samuël die hen elke dag zag, een slecht voorbeeld!
Weest u, ouderen onder ons, er goed op bedacht welk voorbeeld u de jongeren geeft, want de jeugd houdt u in de gaten!
Denk aan de ernstige woorden van de Heere: "Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nuttiger, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee" (Mattheüs 18 vers 6).
En jullie jongeren, laat jullie door het slechte gedrag van sommige ouderen die alleen zogenaamd christen zijn, niet verkeerd beïnvloeden!
Denk aan het voorbeeld van de Heere Jezus! We kunnen in de mooie geschiedenis van Samuël opmerken dat een klein kind God al kan dienen en op de Heere Jezus kan lijken (vergelijk vers 26 met Lukas 2 vers 52).
De slechte levenswandel van de zonen van Eli was ten opzichte van het volk al schandalig, maar nog veel meer tegenover God. Ze deden daarmee Zijn Naam grote oneer aan!
Hofni en PÃnehas (laatstgenoemde droeg zelfs de naam van een trouwe priester; zie Numeri 25 vers 11) waren in de nabijheid van het heiligdom opgegroeid en kwamen zo in contact met de Goddelijke waarheden. Wat hadden ze een grote verantwoordelijkheid in vergelijking met het overige volk! Als wij door onze opvoeding dezelfde voorrechten mogen genieten, is ook onze verantwoordelijkheid tegenover de Heere om daarnaar te leven, heel groot!
Eli, zelf vroom en godvrezend, kon zijn kinderen niet in toom houden. Soms probeerde hij hen wel voorzichtig tot de orde te roepen (vers 23 tot en met 25), maar hij miste de geestelijke kracht om daadwerkelijk te handelen.
Er zijn heel wat kinderen die hun ouders veel te streng vinden. Zulke kinderen moeten maar eens naar de zonen van Eli kijken om te zien wat de gevolgen van een slappe opvoeding zijn. Bovendien zien we een tragisch gevolg voor Eli zelf: zijn huis, zijn nageslacht mocht het priesterschap niet meer uitoefenen en zijn zonen zouden uitgeroeid worden! Een profeet krijgt de opdracht om deze verdrietige boodschap aan Eli over te brengen.
Het Nieuwe Testament laat ons zien dat de kinderen van een dienstknecht van de Heere die zich niet onderwerpen en in toom gehouden kunnen worden, de kracht van de dienst van hun vader wegnemen (1 Timotheüs 3 vers 4 en 5), ja, dat zij die dienst zelfs verhinderen. Misschien is deze waarschuwing ook voor deze of gene jonge lezer?
Van jongs af aan behoorde Samuël de HEERE toe en diende hij Hem. Toch kende hij de Heere nog niet persoonlijk en had hij nog geen kennis van Zijn woord (vers 7). Je kunt het heil bezitten, ja, er zelfs van genieten, en toch de Persoon van de Verlosser Zelf maar weinig kennen.
Dat was ook het geval bij Job: "Met het gehoor van het oor heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog" (Job 42 vers 5).
Vandaag de dag is dat ook bij veel jonge (en ook bij niet weinig oudere) mensen die uiterlijk christenen zijn, het geval. Vraag dan de Heere Jezus om Zich aan jou te openbaren!
God spreekt! Niet meer door verhalen of gebeurtenissen, maar door Zijn heilig Boek. Dat Boek is aan ieder persoonlijk gericht. Lees het toch alsof het alleen voor jezelf is geschreven!
Telkens als wij onze Bijbel openen, zouden we dezelfde houding als Samuël moeten hebben: "Spreek, want Uw knecht hoort". Vervolgens moeten we ook bereid zijn om te doen wat de Heere gezegd heeft!
Dit prachtige antwoord laat ook directe gehoorzaamheid zien. Dat betekent, zich helemaal ter beschikking te stellen van hen die ons aanwijzingen geven.
Eli hoort de indrukwekkende woorden van Samuël en ook hij onderwerpt zich: "Hij is de HEERE; Hij doe, wat goed is in Zijn ogen!" (vers 18). Toch heeft deze onderwerping een nare bijsmaak: er wordt bij Eli geen berouw gevonden over de dingen die voor God de aanleiding waren om zo'n ernstig oordeel aan te kondigen. Eli wordt gekenmerkt door een stille gelatenheid: eerst ten aanzien van de schanddaden van zijn zonen, nu ten aanzien van Gods oordeel daarover.
De verdrietige toestand van het volk maakte opnieuw een tuchtigend ingrijpen van de HEERE noodzakelijk. De Filistijnen werden door God als werktuig gebruikt om het een pijnlijke les te leren. Israël trekt tegen hen op zonder de HEERE te raadplegen.
Wat zou het antwoord van God geweest zijn als ze Hem eerst om raad gevraagd hadden? 'Trek niet op! Ik kan jullie de overwinning niet laten behalen vanwege jullie zonden. Eerst moeten jullie je verootmoedigen!'
Ook bij de strijd tegen Ai was het gebeurd dat het volk niet eerst de HEERE had gevraagd en daarom de nederlaag had geleden (Jozua 7). Het volk heeft daarvan niet geleerd. Het bekommert zich er totaal niet om wat de HEERE ervan zou kunnen denken.
Ook van de eerste nederlaag leren ze niets. Integendeel zelfs! "Waarom heeft ons de HEERE heden geslagen?" â zeggen ze. 'Dat moet veranderen! We zullen Hem meenemen; dan zal Hij wel gedwongen zijn ons te helpen.'
Zo denken ook veel zogenaamde christenen dat ze met God op een manier kunnen omgaan die hen zelf past. Ze doen hun eigen zin en tegelijkertijd beroepen ze zich met luide stem op de Heere (zie Mattheüs 7 vers 21). Maar op een dag zal Hij tegen hen moeten zeggen: "Ik ken u niet" (Mattheüs 25 vers 12).
God zal echt niet alles wat in de christenheid in Zijn Naam gedaan wordt, goedkeuren! De kostbare Naam van Christus wordt vaak verbonden met kwaad waarvan men zich terdege bewust is, maar dat men niet wil loslaten. Hoe vreselijk is het om de heilige Naam van de Heere met zonde te verbinden!
Waarop het volk gehoopt had, is niet uitgekomen. De aanwezigheid van de ark van het verbond in het midden van het volk dat in zo'n slechte toestand verkeerde, heeft het onheil niet afgewend.
De ark is weggenomen (zie Psalm 78 vers 56 tot en met 64). Wat een grote smaad voor een regiment als de vijand hem zijn banier afneemt! Hoeveel te meer als het, zoals bij Israël, om de troon van zijn eigen God gaat!
Hoe zouden ze de verzoendag kunnen vieren (Leviticus 16 vers 14 en 15) zonder het heilige verzoendeksel van de ark waarop het bloed gebracht moest worden? Bovendien, hoe zouden ze zonder nakomelingen van Aäron deze voorschriften kunnen uitvoeren? Want met de ark was ook het priesterschap verdwenen. Hofni en PÃnehas stierven.
Misschien had Eli het Goddelijke oordeel over heel Israël op de een of andere manier kunnen afwenden. Volgens Deuteronomium 21 vers 18 tot en met 21 had hij zijn zonen voor het volk moeten brengen om hen te stenigen vanwege hun boos gedrag. Hij kon echter de moed en kracht daartoe niet opbrengen!
Nu zijn niet alleen Hofni en PÃnehas omgekomen, maar met hen nog ongeveer 34.000 mannen. En de heilige ark van het verbond, de heerlijkheid van Israël, is weg!
Als de grijsaard dit hoort, sterft ook hij. De ark ging hem meer aan het hart dan zijn kinderen. Zo verging het ook zijn schoondochter. Dat kunnen we opmaken uit haar woorden bij de geboorte van haar zoontje. Door hem de naam Ikabod te geven â "De eer is weggevoerd uit Israël" â, spreekt zij als het ware de grafrede uit over Israël.
De HEERE heeft het toegelaten dat de ark van het verbond in de handen van de Filistijnen is gekomen. Dit Filistijnse volk moest echter weten dat zij Israël niet door de macht van hun afgod verslagen hadden, maar dat het de wil van de Almachtige was.
Daarom laat God de vijanden van Zijn volk zien dat zij de ark van Zijn sterkte (Psalm 132 vers 8) bij zich hebben. Tot tweemaal toe valt de afgod van de Filistijnen voor de God van Israël ter aarde. Vervolgens worden de vijanden van de HEERE en van Israël, zoals eens in Egypte, met plagen geslagen.
Hier zien we ook het egoïsme van de wereld. Iedereen probeert zo'n gevaarlijk voorwerp naar anderen door te schuiven.
Nu willen we niet meer naar die verdrietige toestanden kijken, maar zien op de Heere Jezus, want de ark is altijd een prachtig beeld van Hem. In Johannes 18 wordt Hij gezocht door de oversten van het volk die Hem gevangen wilden nemen. Op Zijn woord: "Ik ben het", deinzen de mannen terug en vallen op de grond, zoals ook gebeurde met het afgodsbeeld van Dagon.
De Heere Jezus laat Zich echter gevangennemen. Hij wordt van Annas naar Kajafas gestuurd, van Kajafas naar Pilatus, van Pilatus naar Herodes en weer terug (zoals de ark van Asdod naar Gath en van Gath naar Ekron ging).
Maar zij die dachten zó met Hem te kunnen handelen, die Hem bespotten en veroordeelden, moesten het uit Zijn mond horen: "Van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, zittende ter rechterhand van de kracht Gods, en komende op de wolken des hemels" (Mattheüs 26 vers 64).
In plaats van hun machteloze god te verwerpen en voortaan de HEERE te vrezen en te dienen, hebben de Filistijnen slechts één gedachte: zich zo gauw mogelijk te ontdoen van deze vreselijke God.
Dat herinnert ons aan een gebeurtenis in de Evangeliën. De macht van de Heere had de bezetene in het land van de Gadarénen bevrijd van de onreine geesten die in hem woonden. De bewoners van die landstreek hadden het voorrecht de Zoon van God bij zich te hebben. Ze waren echter verblind door hun eigen belangen en dachten aan het verlies van hun varkens. In plaats van zich te verheugen en de Heere Jezus aan te nemen, vragen ze Hem hun gebied te verlaten (zie Markus 5 vers 1 tot en met 20)!
De wereld kon de aanwezigheid van de Heere niet verdragen, omdat Zijn volmaaktheid hen veroordeelde. Daarom wilden zij zich van Hem ontdoen.
De Filistijnen erkennen uiteindelijk de onoverwinnelijke macht van de God van Israël. Ze eren Hem in hun onwetendheid op hun eigen manier.
De ark wordt teruggestuurd naar het gebied van Israël, maar niet zonder dat God nogmaals Zijn macht toont. Voor de nieuwe, speciaal voor het vervoer van de ark gemaakte wagen, worden twee koeien gespannen. Het waren zogende koeien, dus koeien die kalveren hadden en hen moesten voeden. Het gaat volledig tegen de natuur van koeien in om zich vrijwillig van hun kalveren te verwijderen, maar desondanks trekken zij de wagen met daarop de ark rechtstreeks, zonder dat iemand hen leidt, naar en over de grens van Israël.
De bewoners van BethâSémes hebben de eer de ark van het verbond in ontvangst te mogen nemen. Ze wagen het het deksel daarvan op te heffen, en God bestraft hen daarom streng (vergelijk Numeri 4 vers 20).
Dit is een waarschuwing voor ons dat we heilige eerbied behoren te hebben voor de Persoon van de Heere Jezus. Wat Hem betreft, duldt God geen enkele onwaardige nieuwsgierigheid!
Helaas reageren de BethâSémieten op hun straf op dezelfde manier als de Filistijnen. Zij ontdoen zich van de ark, omdat die voor hen te heilig is.
Sommige christenen lijken op deze mensen. In plaats van zichzelf te veroordelen en hun zaken in orde te brengen, geven ze in hun leven de voorkeur aan het verwijderen van elke gedachte aan de Heere. Zijn tegenwoordigheid stoort hen. Is dat niet intriest?
Daarentegen brengt God nu hen voor de aandacht die Hem wel met vreugde opnemen. Het zijn de bewoners van KirjathâJeárim die de ark halen en hem plaatsen in het huis van Abinádab, op een heuvel.
Onze gedachten worden hierbij weer op de Heere Jezus gericht. Omdat Zijn volk Hem verwierp, had Hij geen plaats waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen. Maar bij een bepaalde gelegenheid nam "een zekere vrouw, met name Martha" Hem op in haar huis (Lukas 10 vers 38).
In het huis van Abinádab en in het huis in Bethanië is er vreugde en zegen voor hem en haar die de deur opent. Er is ook vreugde voor de Goddelijke Gast Die hierdoor geëerd wordt (vergelijk Openbaring 3 vers 20)!
"En de dagen werden vermenigvuldigd, en het werden twintig jaren" (vers 2). Voor wie is dit een lange tijd? Niet voor het volk; dat lijkt er helemaal niet onder te lijden. Ook niet voor Abinádab en de zijnen die gelukkig zijn met de aanwezigheid van de ark in hun huis! Maar God Die wachtte, heeft deze twintig jaren geteld.
Uiteindelijk gaat het geweten spreken. Het volk begint te weeklagen. Samuël spreekt de woorden van de HEERE tot hen. Ze moeten zich van de afgoden afwenden om de levende en waarachtige God te dienen (1 Thessalonika 1 vers 9).
Israël gehoorzaamt en mi kan Samuël voorbede voor hen doen bij de HEERE.
Deze bijeen vergadering van het volk van God is niet naar de zin van de vijand. De Filistijnen rukken op â en de HEERE laat Israël de overwinning behalen.
DM is het antwoord op de verootmoediging van het volk en de voorbede van de trouwe middelaar. Samuël stelde een steen tot gedenkteken en noemde die: 'EbenâHaëzer' ("Rots van de hulp"). Hij zei: "Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen" (vers 12).
Kan ieder van ons dat ook met dankbaarheid in zijn hart zeggen? Dat zijn gelukkige ervaringen tot verheerlijking van de Goddelijke genade. O, laten we daar toch veel meer aan denken en ons daar meer mee bezighouden!
Samuël was de laatste richter (Handelingen 13 vers 20). Dit ambt oefende hij uit voor het volk, maar tegelijkertijd bleef hij door middel van zijn altaar in gemeenschap met de HEERE. Op jonge leeftijd had hij al geleerd Hem te aanbidden (1 Samuël 1 vers 28).
De zonen van Samuël zijn, evenals de zonen van Eli, hun vader niet op zijn wegen gevolgd. Dat is een ernstige waarschuwing voor alle kinderen van gelovige ouders. Het is niet voldoende om, zoals de joden dachten, Abraham als vader te hebben om de gunst van God te kunnen genieten (vergelijk Mattheüs 3 vers 9).
Nu komt het volk bij de profeet met een verzoek waarover hij diep bedroefd wordt: het volk wil een koning hebben zoals de andere volken.
Net zo zijn als de anderen! Diep in ons hart willen wij dat soms ook graag, want we vinden het helemaal niet fijn om anders te zijn dan de mensen om ons heen. Als we niet precies zo spreken en handelen als ongelovige medemensen, heeft dat immers vaak bespotting tot gevolg. We worden niet begrepen en soms zelfs van hoogmoed beschuldigd.
En toch ..., als wij nu "kinderen Gods" zijn (1 Johannes 3 vers 2), dan is dà t juist het grote principiële verschil tussen ons en de mensen uit de wereld. Een verschil met grote gevolgen: de ongelovige wil de autoriteit van God niet accepteren, terwijl de gelovige daarentegen Jezus Christus als zijn Heere en Meester erkent.
Samuël krijgt de opdracht het volk over de wijze van regeren van de toekomstige koning te informeren. Terwijl de HEERE een Heerser was Die Zijn onderdanen met goede gaven overlaadde, zal de koning die het volk nu begeert, veeleisend zijn en ontzettend streng regeren.
Met dit hoofdstuk begint een nieuwe periode in de geschiedenis van Israël: de periode van het koningschap.
Het volk verlangde een koning. Het had behoefte aan een uiterlijke organisatie. De mens houdt van een monarchie, met al z'n pracht en praal (vergelijk Handelingen 25 vers 23), van een machtig leger, ja, van een koning waarop je trots kunt zijn.
God zal Israël geven waarnaar het verlangt. Hier vinden we Saul, de zoon van Kis. Een jongeman van de eerste klasse, de knapste en grootste in heel Israël! Is hij niet de aangewezen persoon om koning te zijn?
Z'n vader heeft hem op pad gestuurd om weggelopen ezelinnen te zoeken. Hij gehoorzaamt, maar al zijn zoeken heeft geen succes. "Kom en laat ons weerkeren", zegt hij tegen zijn metgezel.
Dat doet ons denken aan de noodzakelijke koersverandering in het leven van elk mens, de bekering. Als je ontdekt hoe teleurstellend en nutteloos het najagen van de dingen van deze wereld is, dan moet je tot jezelf komen, zoals eens die jongeman uit Lukas 15 vers 17. En dan moet je vervolgens naar het huis van je vader terugkeren.
De knecht die bij Saul is, geeft hem een goede raad: "Er is een man Gods in deze stad... laat ons nu daarheen gaan, misschien zal hij ons onze weg aanwijzen, waarop wij gaan zullen" (vers 6).
Deze "man Gods" is voor ons de Heere Jezus. Als we tot Hem gaan om de goede weg te vinden, zijn we aan het juiste adres!
Samuël heeft op de HEERE gewacht, zodat Hij hem de koning kon aanwijzen. Alles wordt door God bestuurd, opdat Samuël hem zal ontmoeten.
Tijdens de feestmaaltijd waarvoor Samuël is uitgenodigd, zal Saul ervaren dat "de ziener", de profeet, hem alles wat in zijn hart is, bekend zal maken (vers 19).
Welke verlangens koesteren wij in ons hart? Verlangen we ernaar iets te zijn of grote dingen te doen? Of willen we liever in alle nederigheid de Heere Jezus in ons leven eren?
Volgens de aanwijzingen van Samuël heeft de kok het beste stuk vlees voor Saul bewaard: de schouder, een beeld van de kracht die nodig zal zijn om het volk te dragen.
Laten we er acht op slaan dat â in tegenstelling tot de twee verschillende delen voor de priester (zie Leviticus 7 vers 31 en 32) â er bij Saul geen sprake is van de borst, een beeld van de noodzakelijke toewijding van het hart om de HEERE en het volk lief te hebben. Is die niet aanwezig in het hart van Saul?
De volgende dag regelt Samuël het zo dat hij de toekomstige koning even apart kan nemen, en zegt hij tot hem: "Sta gij nu stil, en ik zal u Gods woord doen horen" (vers 27).
Dezelfde oproep komt ook tot de zondaar die zijn eigen weg gaat, om hem de noodzaak te laten inzien zich nu te bekeren en de Heere Jezus aan te nemen.
Die oproep geldt echter ook voor elke christen. Het is nodig dat wij even stilstaan om te luisteren naar wat de Heere tegen ons te zeggen heeft, vooral in de drukke tijd waarin wij leven.
Samuël vervult trouw zijn plicht, hoewel dat tevens het einde van zijn taak als richter betekent. Hij giet de olie van de koninklijke zalving uit op het hoofd van Saul. Dan wijst hij hem de weg, zoals de knecht van Saul gehoopt had (hoofdstuk 9 vers 6). Het gaat nu niet meer om de ezelinnen, want die zijn al terecht. Nee, Saul moet nu de verschillende etappes van de weg die hem zal voorbereiden op het bestijgen van de troon, afleggen.
Als eerste moet hij naar het graf van Rachel gaan; de dood betekent het einde van de menselijke natuur en al zijn voordelen. Dat is de eerste grote les voor elke jonge christen. Het graf van Rachel bevond zich echter op de plaats waar Benjamin geboren werd tot wiens stam Saul behoorde. Benjamin is een beeld van de Heere Jezus in Wie de verloste zich mag verheugen als hij de oude mens voor dood houdt.
De tweede ontmoeting vindt plaats in ElonâThabor, met drie mannen die opgaan naar Bethel ("huis van God"). Dit spreekt ons van de aanbidding waaraan elke jonge gelovige met de twee of drie die tot de Naam van de Heere Jezus vergaderd zijn (Mattheüs 18 vers 20), mag deelnemen.
Tenslotte moet Saul in tegenwoordigheid van de vijanden en in gezelschap van de profeet, door de kracht van de Heilige Geest, een getuigenis afleggen.
Saul schijnt aan deze lessen voorbijgegaan te zijn zonder er iets van te leren, zoals uit het vervolg van zijn geschiedenis blijkt. Dat is een bewijs dat men zich onder de profeten kan bevinden (vers 12) en aan alle zegeningen van de kinderen van God deel kan hebben, zonder zelf een oprecht kind van God te zijn!
Nu, nádat God hem de koning die Hij aan het volk wil geven, heeft aangewezen, roept Samuël heel Israël bij elkaar om hen de koning voor te stellen.
Toch moet bewezen worden dat deze keuze van de HEERE is, waarbij we niet moeten vergeten dat het alleen op de uitdrukkelijke wens (of moeten we zeggen: eis?) van het volk gebeurt. Daarom wordt dit voor het oog van allen door het lot bevestigd. Saul wordt aangewezen en het hele volk jubelt: "De koning leve!"
Was het een blijde feestdag? Ach nee, eerder een heel verdrietige dag in de geschiedenis van Israël! "Gij hebt heden uw God verworpen", zegt de oude profeet (vers 19).
Deze gebeurtenis herinnert ons aan een moment, vele eeuwen later, waarop datzelfde volk de Zoon van God verwierp en tegenover Pilatus verklaarde: "Wij hebben geen koning, dan de keizer" (Johannes 19 vers 15).
Volgens de gelijkenis in Lukas 19 vers 11 tot en met 27 waren de woorden van de Israëlieten: "Wij willen niet, dat deze over ons koning is" (vers 14)!
Israël heeft zijn Messias wel verhoogd, echter niet op een troon, maar aan een kruis. Het opschrift stond boven Zijn hoofd geschreven: "Jezus de Nazaréner, de Koning der joden" (Johannes 19 vers 19).
Deze verachte, bespotte en met doornen gekroonde Koning zal spoedig als "de Koning der ere" (Psalm 24 vers 10) verschijnen. En dat niet alleen als de Messias van Israël, want "Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde" (ZacharÃa 9 vers 10).
Het gezag van koning Saul wordt bevestigd door de overwinning op één van de vijanden van het volk. Het gaat om een bekende vijand: de Ammonieten!
Vanwege de aanmatigende houding en de vreselijke dreigementen van de Ammonieten, bevinden de bewoners van Jabes in Gilead zich in een ongelukkige en bijna hopeloze situatie. Toch zien we niet dat zij zich tot de HEERE wenden om hulp. Integendeel, ze staan op het punt om een verbond te sluiten met de vijand! Toch bevrijdt God hen in Zijn grote barmhartigheid, en wel door middel van Saul.
Het gebeuren rond deze bewoners van Jabes geeft een treffend beeld van de angst, smaad en uiteindelijk de slavernij die ieder te wachten staat die zich verbindt met de wereld en haar vorsten (zie Hebreeën 2 vers 15).
Bij Saul, de overwinnaar, zien we een paar mooie karaktertrekken. Bij de ijver en de moed die hij toonde, zien we ook nog hoe edel, royaal en mild hij handelt (vers 13), en bovendien valt een zekere bescheidenheid op. Terecht schrijft hij de overwinning toe aan de HEERE. Dit alles is een veelbelovend begin!
Hoeveel jonge mensen hebben niet evenals Saul een goed begin gemaakt! Maar bij de eerste hindernis die op hun weg kwam om hun geloof te beproeven, zijn ze gestruikeld. Waarom? Eenvoudig, omdat dit geloof waarschijnlijk helemaal nooit aanwezig is geweest!
Voor de derde keer roept Samuël het volk bij elkaar.
Allen moeten naar Gilgal komen om het koningschap te vernieuwen (hoofdstuk 11 vers 14). Daar zal hij ook het richtersambt neerleggen. Een taak die hij trouw vervuld heeft, zoals het volk ook bevestigt.
Zijn woorden kunnen we vergelijken met de uitspraken van de apostel Paulus tegen de oudsten van Efeze (zie Handelingen 20 vers 18 tot en met 35, maar met name in de verzen 26, 27 en 33 tot en met 35). Het zijn woorden die niet bedoeld zijn om degene die ze uitspreekt, te verheerlijken, maar om aan hen die ze horen, hun eigen verantwoordelijkheid onder de aandacht te brengen.
Voor de derde keer maakt Samuël het volk opmerkzaam op het grote verlies dat het lijdt, omdat ze een koning hebben verlangd. Hij benadrukt hun ondankbaarheid en gebrek aan vertrouwen tegenover de HEERE.
De verzen 14 en 15 laten ons zien dat er nu een nieuwe beproeving voor het volk komt. Zonder de wet èn onder de wet, in de woestijn èn in het land, met èn zonder richter (of priester), telkens weer heeft het volk gefaald door de HEERE te verlaten, eigen begeerten te volgen en afgoden na te lopen!
Het is net alsof God hun nu zegt: 'Jullie willen een koning? Nu, goed dan! We zullen eens zien of het jullie met een koning beter vergaat!'
God staat hen in Zijn geduld en barmhartigheid deze nieuwe ervaring toe. En wat is het resultaat?
De donder en regen die na het gebed van Samuël neervalt tijdens de tarweoogst (een tijd waarin het daar normaal gesproken nooit regent; vergelijk Spreuken 26 vers 1), waren een wonder. Een wonder om te bewijzen dat de profeet inderdaad in opdracht van de HEERE sprak.
En wat zegt hij nog meer? Nadat het volk zich verootmoedigd heeft, vermaant hij het op aangrijpende wijze zich met hun hele hart af te keren van de ijdelheden die geen voordeel brengen, en God te dienen (vers 20 en 21; vergelijk Titus 2 vers 12 tot en met 14).
De dienst van Samuël als richter is ten einde. Maar hij gaat door met zijn taak als voorspraak en profeet om hen in opdracht van de HEERE "de goede en rechte weg" te leren (vers 23).
De Goddelijke genade blijft dit dubbele voorrecht â het gebed en het Woord van God â aan het volk geven in de persoon van Samuël.
Als geliefde kinderen van God bezitten wij een Persoon Die nog veel heerlijker is. De Heere Jezus zal zolang wij hier op aarde zijn, altijd voor ons bidden. En om ons de goede en rechte weg te wijzen, geeft Hij ons Zijn Geest en Zijn Woord.
Met deze 'hulpmiddelen' zijn wij nog veel minder te verontschuldigen dan het volk Israël, als wij niet tot Zijn eer en verheerlijking onze weg gaan!
De regering van Saul begint. Hij laat het volk ten overstaan
van zijn vijanden, de Filistijnen, in Gilgal bij elkaar komen.
De situatie is kritiek. Eigenlijk kan het niet erger worden. Talrijk als het zand aan de oever van de zee (vers 5), zó zijn de Filistijnen opgetrokken. Ze verdelen zich in drie groepen om het land te verwoesten (vers 17 en 18). Voor Israël betekent dit: Redde wie zich redden kan!
Slechts een paar honderd mannen volgen, al bevende, koning Saul. Ze hebben zelfs geen wapens meer om zich te verdedigen. Voor het smeden van wapens is het volk namelijk afhankelijk van de vijand.
Nu begint Saul ook bang te worden. Samuël die bij hem zou komen in Gilgal (hoofdstuk 10 vers 8), is er nog niet, hoewel de afgesproken tijd is aangebroken. Gedurende deze periode van wachten verlaat het ontmoedigde volk Saul en verspreidt zich. Het aantal strijders wordt steeds kleiner.
De koning verliest zijn geduld. Komt Samuël nu nog niet? Nu, daaraan zal het niet liggen! Dan brengt hij toch zelf het offer! Deze ontwijdende daad is nog niet volbracht of de profeet verschijnt ten tonele.
"Wat hebt gij gedaan?", roept hij verslagen uit. Tevergeefs probeert Saul zich te rechtvaardigen. "Gij hebt dwaas gedaan", antwoordt Samuël. En hij maakt hem het besluit van de HEERE bekend: Saul's koningschap zal niet blijven bestaan, zijn zoon zal niet na hem op de troon zitten.
Ongeduld - we kennen het zelf maar al te goed! - is de werking van het vlees dat niet kan wachten. Het geloof daarentegen volhardt; het wacht, totdat Gods tijd gekomen is (zie Jakobus 1 vers 4).
In hoofdstuk 13 hebben we gezien dat het vlees niet kan wachten met handelen tot het moment dat God daartoe aanwijst. Daarentegen laat het hoofdstuk van vandaag ons zien wat het geloof tot stand kan brengen.
Saul heeft alle menselijke hulpmiddelen tot zijn beschikking. De officiële macht van Israël zit daar onder de granaatappelboom in GÃbea. Maar het geloof, een persoonlijk geloof, vinden we bij Jónathan en zijn begeleider. Zij weten dat er alleen hulp te vinden is in God Die zij als Redder kennen (vers 6).
Dit tweevoudige beeld herinnert ons aan de christenheid van vandaag. De grote kerken menen dat zij alleen maar geestelijke autoriteit bezitten. Zij zien zichzelf als onmisbare schakels tussen God en mensen. Maar de Heere kent hen die de Zijnen zijn, en aan hen belooft Hij Zijn steun. Aan hen geeft Hij het voorrecht Zijn gedachten te begrijpen en te genieten van Zijn tegenwoordigheid, buiten alle door mensen gecontroleerde organisaties om.
Puur menselijk gezien was het waaghalzerij wat Jónathan, gevolgd door zijn wapendrager, wil doen en ook doet. De machtige Filistijnen hadden immers alle strategische posten bezet!
Maar Jónathan rekent op God en verwacht van Hem een teken om te gaan. Dat is een prachtig voorbeeld voor ons. En wat een tegenstelling zien we tussen Jónathan en zijn eigen vader in het vorige hoofdstuk!
Vanaf hun veilige posten boven op de berg zien de wachtposten van de Filistijnen de beide jonge Israëlieten aankomen.
Ze laten zich deze prachtige kans om hen belachelijk te maken, niet ontnemen. "Klimt op tot ons", roepen ze vol minachting.
Ze weten niet dat zij juist door dit te zeggen, aan deze beide dappere mannen het teken geven dat zij van de HEERE verwachten. De Filistijnen geven zó, zonder dat zij het zelf weten, het signaal tot hun eigen vernietiging.
Het geloof weet niet alleen te wachten, maar waagt het ook voorwaarts te gaan en te strijden als God dat zegt.
Met moed beklimmen de twee strijders de berg en bereiken de top. Ze denken niet aan het gevaar dat zij daarbij lopen, maar alleen aan de Goddelijke macht. En Hij brengt de vijanden van Israël voor hen ten val.
De spot van daarnet heeft plaatsgemaakt voor de angst die hand over hand toeneemt in de legerplaats van de Filistijnen. In blinde waanzin beginnen ze elkaar onderling uit te roeien, terwijl de Hebreeërs moed krijgen en van verschillende kanten komen om zich opnieuw bij elkaar te voegen.
Op deze manier kan een klein begin dat door het geloof wordt bewerkt, grote gevolgen hebben.
Als wij trouw zijn, kan God onze kleine overwinningen gebruiken om gelovigen in onze omgeving te bemoedigen en te versterken!
Er heerst totale verwarring onder de Filistijnen. Saul en het gezamenlijke volk vervolgen hen nu om hen totaal te vernietigen.
Toch zijn de Israëlieten niet bezield met dezelfde kracht als Gideon eens met zijn begeleiders in soortgelijke omstandigheden. Zij vervolgden toen de Midianieten zelfs nog toen ze vermoeid waren! (Richteren 8 vers 4 en vergelijk hoofdstuk 7 vers 6)!
Saul heeft het volk echter verboden om zich te versterken en voedsel te eten. Dit verbod geldt zelfs voor de hele dag, ondanks alle inspanningen die ze moeten leveren!
Dit verbod is het resultaat van een menselijke gedachtengang. Het doet ons denken aan veel menselijke 'uitvindingen' op religieus gebied.
Zoiets heeft alleen maar verdrietige gevolgen. Ten eerste is de nederlaag van de Filistijnen niet zó groot als ze geweest had kunnen zijn wanneer de mannen van het leger van Israël meer kracht hadden gehad.
En als de mannen 's avonds eindelijk eten tot zich mogen nemen, hebben ze vanwege hun honger zo'n haast dat ze het vlees van de geslachte dieren met het bloed erbij opeten. Daarmee begaan ze een doodzonde (Leviticus 17 vers 10 tot en met 14).
Deze ongehoorzaamheid tegenover de HEERE was veel erger dan de overtreding van het gebod van Saul!
Laten we goed op onze woorden letten en vooral voorzichtig zijn om iets te beloven. Het is niet goed om een belofte te doen en die niet te houden. Het is beter om in zo'n geval niets te beloven.
Gisteren hebben we gezien welke ongelukkige gevolgen de ondoordachte eed van Saul had. Hij heeft zijn leger onnodig verzwakt, daardoor de totale achtervolging en vernietiging van de vijand verhinderd en het volk er in zekere zin toe gebracht het verbod om bloed te eten, te overtreden.
Een laatste gevolg â dat echter evenmin de ogen van de arme koning opent â is de veroordeling van uitgerekend de enige man die geloof getoond had: de dappere Jónathan.
Hij raakt in levensgevaar, niet van de kant van de Filistijnen, maar van zijn eigen vader! We begrijpen wel dat satan zelf hier achter steekt. Op deze manier probeert hij zich van de man Gods te ontdoen. Maar de HEERE laat het niet toe en maakt gebruik van het volk om Jónathan te redden.
Deze gebeurtenis lijkt op de situatie die volgde op de nederlaag van Ai (zie Jozua 7). Maar hier is het hele onrecht aan de kant van Saul wiens dwaasheid en blinde hoogmoed aan iedereen openbaar wordt.
Saul is helemaal niet van plan om in het vervolg op de HEERE te rekenen Die uiteindelijk de overwinning had gegeven, maar vertrouwt verder op het vlees door alle strijdbare en dappere mannen tot zijn lijfwacht te maken.
Dit vijftiende hoofdstuk is in tweeërlei opzicht belangrijk. Aan de ene kant vinden we hier het Goddelijke oordeel over Amalek en aan de andere kant de definitieve beproeving van koning Saul.
Amalek, de laffe en gruwelijke tegenstander, had Israël overvallen, zodra het uit Egypte was getrokken. Dit kwaad kon hem niet vergeven worden.
De HEERE had gezegd dat Hij "de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel" (Exodus 17 vers 8 en 14). Vierhonderd jaren waren voorbijgegaan, maar God had dit niet vergeten. "De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan" (Mattheüs 24 vers 35).
Het volk Israël had het evenmin moeten vergeten: "Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft op de weg, toen gij uit Egypte uittrok ...", had Mozes eens gezegd, "... dat gij de gedachtenis van Amalek van onder de hemel zult uitdelgen; vergeet het niet!" (Deuteronomium 25 vers 17 tot en met 19).
Laten wij de vijanden die ons eens met hun listen overrompelden of probeerden te overrompelen, ook niet vergeten. Wie zijn dat dan? Toorn, leugen, onreinheid ...of welke zonde dan ook.
Als wij niet meer zo waakzaam zijn wat deze werken van het vlees betreft, moeten we misschien een les die we al eens geleerd hebben en waarvoor we al veel betaald hebben, overdoen. Dat is altijd pijnlijk. Laten we onszelf daarom niet ontzien en alles wat zich nog van de oude natuur openbaart, volkomen veroordelen.
Samuël heeft een kwellende nacht achter de rug die hem zeker aan een andere nacht zal hebben herinnerd: de nacht waarin God hem openbaarde dat hij het oordeel over het huis van Eli moest aankondigen (zie hoofdstuk 3).
Saul heeft de vernietiging van Amalek niet ten volle uitgevoerd en moet daarom als koning verworpen worden. Een ongehoorzame koning kan zijn volk slechts tot ongehoorzaamheid leiden. Daarom moet hem de macht ontnomen worden.
"Gehoorzamen is beter dan slachtoffer" (vers 22). De prachtigste daad in ons leven is waardeloos als zij niet in gehoorzaamheid aan God wordt volbracht!
Dit vers heeft betrekking op alle werken waarmee de christenheid tevergeefs probeert God tevreden te stellen, in plaats van eenvoudig naar Zijn Woord te luisteren en het aan te nemen.
Hier lezen we dat gehoorzamen beter is dan slachtoffers. Maar hetzelfde wordt ook gezegd van weldadigheid en de kennis van God (Hoséa 6 vers 6), van gerechtigheid en recht (Spreuken 21 vers 3), van een gebroken geest (Psalm 51 vers 18 en 19), van barmhartigheid (Mattheüs 9 vers 13 als citaat van Hoséa 6 vers 6) en van de liefde (Markus 12 vers 33).
Let op Saul! Wat het vlees nog meer bij hem voortbrengt, behalve ongehoorzaamheid, is een hoge dunk van zichzelf (vers 20), leugen en beschuldiging van anderen (vers 15 en 21), eigenzinnigheid, geen oprecht berouw en bovenal het verlangen naar ijdel aanzien (vers 30). Wat een triest beeld!
In de gedachten van God is de vleselijke koning Saul al terzijde gesteld, hoewel zijn regering nog een aantal jaren voortduurt.
Een andere koning komt naar voren van wie Samuël gezegd heeft: "De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart" (hoofdstuk 13 vers 14). Het is David wiens naam 'geliefde' betekent. Hij is een beeld van Christus Die volmaakt naar het hart van God is.
Samuël was in eerste instantie niet bereid dat te erkennen, want ondanks de ervaringen die hij met Saul had opgedaan, zag Samuël nog op uiterlijke dingen. Ook wij zijn geneigd de dingen te beoordelen naar hetgeen wij zien. Uiterlijke bekwaamheden (of gebreken) hebben immers vaak een grote invloed op de vorming van onze mening. Maar "God neemt de persoon des mensen niet aan", zegt Galaten 2 vers 6. God ziet wat in het hart is! Geen enkele schijn van vroomheid waarmee wij onszelf en anderen vaak voor de gek houden, kan God bedriegen.
Samuël bezoekt het gezin van Isaï. En het is de jongste zoon, de jonge herder, van wie gedacht werd dat hij niet bij het feest hoefde te zijn, die "in het midden van zijn broeders" tot koning wordt gezalfd.
Deze zalving met olie (een beeld van de Heilige Geest) herinnert ons eraan hoe de Heere Jezus, de Geliefde van de Vader, bij de Jordaan geopenbaard werd aan Johannes de Doper: "Op Wie gij de Geest zult zien neerdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met de Heilige Geest doopt" (Johannes 1 vers 33; vergelijk 1 Samuël 16 vers 12).
"De Geest des HEEREN werd vaardig over David" (vers 13), maar wijkt tegelijkertijd van de ongelukkige Saul. Daardoor maakt Hij plaats voor een boze geest die Saul nu angst aanjaagt.
Hiervan maakt God gebruik door de jonge David als harpspeler aan het hof van de koning te introduceren. David was een ervaren muzikant die later "liefelijk in psalmen van Israël" wordt (2 Samuël 23 vers 1).
Er wordt een mooi getuigenis van David gegeven (vers 18) waaruit blijkt dat er zelfs aan het hof van de koning mensen waren die de gezalfde van de HEERE kenden.
In Filippi 4 vers 22 vinden we iets dergelijks. In het huis van Caesar, dat wil zeggen, in de nabijheid van de Romeinse keizer, waren ook christenen. God ziet erop toe dat er in alle kringen getuigen voor Hem zijn.
Dit detail dat ons hier meegedeeld wordt, wijst ons op Hem van Wie David een beeld is: Christus. Hij is het ware "Rijsje uit Isaï". Van Hem lezen we dat "de Geest des HEEREN" op Hem zal rusten, "de Geest der kennis en der vreze des HEEREN" (zie Jesaja 11 vers 1 en 2).
Welk getuigenis leggen wij van onze Geliefde af aan de wereld rondom ons?
"Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat gij een voorganger zoudt zijn over Mijn volk, over Israël", zegt de HEERE later (2 Samuël 7 vers 8).
Door zijn werk met de schapen werd David voorbereid om het volk Israël trouw te weiden (Psalm 78 vers 70 tot en met 72).
Opnieuw zijn de Filistijnen opgetrokken tegen Israël. Deze keer hebben ze een prachtig middel in handen: een reus, een buitengewone held, bijna drie meter groot en bekleed met een wapenrusting van ongeveer 75 kilogram. Een geweldige kolos die je alleen maar hoeft te laten zien om de vijand doodsbenauwd te maken. Het is Goliath!
Vol trots treedt hij uit de slagorden naar voren en daagt de tegenstander, Israël, uit om iemand naar hem toe te sturen voor een tweegevecht.
Maar er komt geen tegenstander. Nee, in de legerplaats van de Israëlieten is iedereen doodsbang. Dat geeft deze reus keer op keer de gelegenheid om de legerscharen van de HEERE, en daarmee de HEERE Zelf, te bespotten!
Goliath roept hierdoor bij ons de herinnering op aan hetgeen van de Leviathan gezegd wordt: "Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijn doorbrekingen ontzondigen zij zich" (of, zoals in een andere vertaling staat: "... ze geraken buiten zichzelf van ontzetting"; Job 41 vers 16).
Maar bovenal gaan onze gedachten uit naar "de sterke" over wie de Heere Jezus spreekt (Markus 3 vers 27): satan zelf die door de angst voor de dood een vreselijke heerschappij uitoefent over de mensen en hen daardoor voorgoed tot zijn knechten wil maken (vers 9).
Zo rond dezelfde tijd dat Goliath z'n spel speelt, verlaat David zijn kudde, gaat naar het hof van de koning en keert een poosje later weer terug.
Zowel bij de kudde als aan het hof van de koning is hij een tevreden man. Hierin is hij een prachtig beeld van de Heere Jezus in Zijn vernedering en Zijn onvermoeibare overgave.
Zoals eens Jozef door zijn vader gestuurd werd om na te gaan hoe het zijn broeders verging (Genesis 37 vers 13), wordt David nu ook door zijn vader naar zijn broers gezonden. Hierin is hij een beeld van de Heere Jezus Die de hemel heeft verlaten om in genade in de wereld te komen. In het leger aangekomen, hoort David de uitdaging, de smaad, die de Israëlieten dagelijks door de held van de Filistijnen in het gezicht geslingerd wordt.
Ontdaan informeert hij naar de gang van zaken. ElÃab hoort het en geeft hem een standje vanwege zijn zogenaamde nieuwsgierigheid. Ook vandaag de dag gebeurt het nog wel eens dat ouderen onterecht en niets ontziend tegen hun jongere broeders en zusters uitvallen.
Hoewel hij aanwezig was bij de zalving van David, neemt ElÃab hem niet serieus. Dat doet ons denken aan de broers van de Heere Jezus die niet in Hem geloofden (Johannes 7 vers 5).
Veertig dagen zijn voorbijgegaan. Veertig is in de Heilige Schrift het getal dat spreekt van een voleindigde beproeving. Ach, het moet eerst duidelijk worden dat er niemand is die het tegen deze Filistijn kan opnemen.
Niemand kan Israël redden! ElÃab niet, ondanks zijn grootte (hoofdstuk 16 vers 6 en 7); hij had zich tegenover David moeten schamen voor zijn lafheid! Ook Saul zelf niet, die een hoofd groter was dan de anderen en dus eigenlijk geschapen voor de rol van kampvechter; maar de HEERE had hem verlaten! Voor het geloof van David is Goliath echter een Filistijn als alle andere. Bij voorbaat beschouwt hij hem al als overwonnen, omdat hij zich tegen de slagorden van de levende God had gekeerd en hen bespot.
David gaat voor Saul staan en deelt hem zijn plan mee. "Gij zult niet kunnen ..." is Saul's eerste reactie. Toch komt hij onder de indruk van de vastbeslotenheid en het vertrouwen van deze jongeling en stemt er tenslotte in toe hem te zullen helpen.
Hij wil zijn wapenrusting aan David uitlenen. Maar die kan David niet gebruiken, omdat hij er niet aan gewend is. Hij wordt erdoor gehinderd en kan zich dan niet meer vrij bewegen. Nee, zijn wapens moeten bestaan uit de eenvoudige hulpmiddelen van een herder! Die zijn waardeloos in de ogen van de mens, maar daardoor laten ze juist nog meer de macht van de HEERE naar voren komen.
De wapenrusting van Saul spreekt ons van alle hulpmiddelen en voorzorgsmaatregelen van de menselijke wijsheid. Het geloof ziet dat alles echter als een hindernis!
Door God in het verborgen voor de voor hem bestemde taak toebereid (zoals dat bij veel dienstknechten en ook bij de Heere Jezus Zelf het geval was), treedt David nu in het openbaar te voorschijn, klaar voor de strijd.
Om de macht van de HEERE aan te tonen, vertelt hij een ervaring uit zijn 'woestijnschool'. Hij heeft, zonder dat iemand het zag, een leeuw en een beer gedood en daardoor zijn schapen gered.
Dan denken we aan een andere Herder Die Zijn leven voor Zijn schapen heeft gegeven om hen van die afschuwelijke vijand, de satan, te bevrijden (Johannes 10 vers 11; 17 vers 12 en 18 vers 8).
Wat moet een enkel lam toch van ontzettend grote waarde zijn voor het hart van de goede Herder!
Opnieuw treedt de Filistijn met zijn uitdagingen naar voren. Wie komt hem daar tegemoet? Is dat de held die Israël tegenover hem wil stellen? Zo'n knaap met van die onbenullige wapens, met een staf en een slinger? Willen ze hem belachelijk maken?
Hij neemt die ellendige tegenstander die het niet waard is zich met hem te meten, eens van top tot teen op en bespot hem dan vol minachting! Maar David blijft rustig staan. Hij kon het eens uitroepen: "De HEERE is mijn levenskracht, voor wie zou ik vervaard zijn?" (Psalm 27 vers 1).
Met grote zekerheid wordt de steen weggeslingerd en dringt zich in het voorhoofd van de reus die daarop neerstort. Snel gaat David naar hem toe en slaat hem dan met zijn eigen zwaard het hoofd af!
Nu horen we het overwinningsgejubel in het leger van Israël, terwijl de Filistijnen in verwarring raken en alle kanten op vluchten. Wat een gedenkwaardige gebeurtenis!
Het is een illustratie van de macht van het geloof waardoor elke gelovige in staat is om op zijn knieën soortgelijke overwinningen te behalen!
Maar we weten dat het een nog veel grotere betekenis heeft. David heeft, als beeld van Christus, over Goliath, een beeld van satan, getriomfeerd! Door de dood heeft Christus hem te niet gedaan die de macht over de dood had, dat is de duivel (Hebreeën 2 vers 14). Dat is de overwinning van het kruis, het belangrijkste en onuitputtelijke onderwerp voor eeuwige lof.
Als winnaar staat David nu opnieuw voor de koning. In zijn hand houdt hij het hoofd van de reus.
Met verbazing moeten we vaststellen dat Saul niet eens meer weet van wie David een zoon is, ja, wie hijzelf is!
Met betrekking tot de Heere Jezus zien we bij de mensen een soortgelijke blindheid. De joden kenden noch Hem, noch Zijn Vader (Johannes 8 vers 19).
Vandaag de dag is dat nog precies zo. Zelfs in de zogenaamd christelijke landen weten velen niet wie de Heere Jezus is, omdat zij hem niet echt als de Zoon van God erkennen (vergelijk 1 Johannes 4 vers 14 en 15).
Bij Jónathan bestaat er daarentegen over David geen enkele twijfel. Hij die zo'n geweldige bevrijding voor Israël bewerkt heeft, kan niemand anders zijn dan de gezalfde van de HEERE!
En zijn ziel verbindt zich met hem, niet zozeer uit dankbaarheid of bewondering, maar door de band van innige en persoonlijke liefde.
Wat een prachtig voorbeeld voor een gelovige die zich niet alleen verheugt in zijn heil, maar ook Hem Die hem gered heeft, liefheeft.
Liefde is een zaak van het hart. Dat wordt ook hier zichtbaar. Voor David, de geliefde, doet Jónathan afstand van alle voorwerpen die zijn eigen kracht en eer openbaarden.
Zijn wij bereid hetzelfde te doen? Hebben wij de Heere Jezus, onze Heiland, erkend als Degene Die alle rechten heeft op ons hart en op alles wat wij hebben of zijn?
Zó sterk als de liefde van Jónathan, zó sterk werd ook de haat van Saul jegens David.
Het begon met boosheid en afgunst (vers 8). Daarna maakte hij het plan hem te vermoorden. Uiteindelijk ging hij over tot de daad en deed een moordaanslag, een poging tot moord, waarop in de volgende hoofdstukken nog vele andere zullen volgen.
Dat is precies wat de Schrift "de weg van Kaïn" noemt (Judas 11). Bij hem begon het ook zo, zoals we lezen in Genesis 4 vers 5: "Toen ontstak Kaïn zeer ...". En daarna doodde hij zijn broer.
Hieruit blijkt dat toorn en afgunst de eerste twee stappen zijn op deze afschuwelijke weg.
Saul had beloofd dat de overwinnaar van de Filistijn Goliath zijn dochter tot vrouw zou krijgen (hoofdstuk 17 vers 25), maar hij houdt geen woord.
Dan probeert hij via zijn jongere dochter Michal David door zijn vijanden te laten doden. Hij had toch kunnen weten dat de overwinnaar van Goliath nog veel gemakkelijker over die minder gevreesde Filistijnen zou triomferen!
Overigens is hem het geheim van de kracht van David niet onbekend en juist dat maakt hem bang: "De HEERE was met hem" (vers 12, 14 en 28). "Ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij", zegt David in Psalm 23 vers 4.
Kennen wij dat geheim ook en hebben wij zelf ervaren hoeveel moed het kan geven?
Jónathan heeft David lief gekregen. Nu krijgt hij de gelegenheid om bij zijn vader een getuigenis ten gunste van zijn vriend af te leggen.
Als wij de Heere liefhebben, zullen we ons niet schamen om in de eerste plaats in onze familie over Hem te praten. Zonder vrees zullen we tonen dat we Hem toebehoren Die zonder zonde is, Die de grote vijand heeft verslagen en door Wie God een wonderbare redding heeft gegeven (vergelijk vers 4 en 5).
Als antwoord op de tussenkomst van Jónathan zweert Saul in de Naam van de HEERE dat David niet gedood zal worden. O, wat heeft hij deze belofte gauw verbroken!
Juist op het moment dat David hem wat verlichting wil schenken, doet hij weer zo'n misdadige poging om David uit te schakelen. Wat is het menselijk hart toch ontzettend ondankbaar tegenover hen die goed doen, en bovenal tegenover de Redder van Wie David een beeld is en Die alleen het beste met ons voor heeft (Psalm 109 vers 4).
Gedreven door jaloezie vervolgt de ellendige koning zijn eigen schoonzoon tot in diens huis, ja, tot aan zijn bed. In sommige Bijbelvertalingen kunnen we dan ook het volgende opschrift boven Psalm 59 lezen: 'Gebed van de onschuldig vervolgde'.
Michal beschermt haar echtgenoot, echter helaas niet door een moedige bekentenis, zoals haar broer Jónathan deed, maar door list en bedrog.
David vlucht door het raam. Toen Paulus in Damascus was, ontkwam hij op dezelfde manier aan de haat van de joden (Handelingen 9 vers 25 en 2 Korinthe 11 vers 32 en 33).
Tot dusver heeft David het â menselijk gesproken â in zijn leven ver gebracht: hij is de schoonzoon van de koning, heeft een hoge positie in het leger en is een geliefde held. We zouden zeggen dat hij nu rustig het moment kan afwachten waarop hij Saul zal opvolgen.
Maar nee! In Gods plan wachtten hem nog veel moeilijke jaren, opdat hij voorbereid zou worden op de troon.
Beproevingen in het leven van een gelovige hebben hetzelfde doel, namelijk hem hier op aarde te vormen om later samen met de Heere Jezus te heersen.
Daarom moet David alles verlaten: zijn thuis, zijn positie, alles wat hij heeft. Vóórdat de vervolgingen komen, brengt hij nog enige tijd door bij Samuël in Najoth.
Wat een voorrecht voor deze jongeman om aan het begin van zijn loopbaan het onderwijs en de vermaningen van de oude Samuël te mogen ontvangen die aan het eind van zijn loopbaan is gekomen!
Jonge gelovigen, zoek toch ook het contact met oudere christenen! Leer van hun ervaring! Op die manier werd ook Timotheus onderwezen door de apostel Paulus. De lessen die jullie dan ontvangen, zullen, evenmin als dat bij David het geval was, niet bewerken dat jullie later niet ook zelf persoonlijke ervaringen op moeten doen. Maar ze kunnen en moeten jullie wel helpen, jullie eigen beproevingen te doorstaan zonder daarbij schade op te lopen. De Heere wil de ware gelovigen door deze moeilijke omstandigheden immers opvoeden en bekwaam maken voor een belangrijke en zegenrijke dienst!
Door de aankomst van Saul in Najoth zag David zich gedwongen te vluchten. Toch heeft hij de hoop dat hij zijn plaats aan het hof van de koning weer kan innemen, nog niet helemaal opgegeven. Daarom gaat hij naar zijn vriend Jónathan om raad.
"Een vriend heeft te allen tijde lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren" (Spreuken 17 vers 17). In gelukkige dagen waren David en Jónathan vrienden. Nu mogen ze ervaren hoe kostbaar en troostrijk hun wederzijdse genegenheid in tijden van beproeving is.
Dat geldt nog veel meer voor onze verhouding, onze gemeenschap met onze 'hoogste Vriend', de Heere Jezus. Zouden we ooit echt in staat zijn Zijn volkomen medelijden te leren kennen, als we dat nooit nodig zouden hebben? Vergelijk Hebreeën 4 vers 15 en 16.
David is blijkbaar alleen nog maar een arme, vogelvrij verklaarde man. Het lijkt erop dat de Goddelijke beloften van het koningschap voor hem niet meer in vervulling gaan. Maar het geloof van Jónathan ziet hem nog steeds als degene die zal gaan regeren en wiens vijanden vernietigd moeten worden (inclusief zijn eigen vader, maar van wie hij, uit respect, toch de naam niet noemt).
Het is heel opmerkelijk met hoeveel zekerheid Jónathan over de toekomst spreekt.
Zo zien de verlosten door het geloof de bewonderenswaardige heerlijkheden van de Heere Jezus en weten dat hun Redder Die vandaag nog door de wereld en haar leiders verworpen wordt, spoedig als de Koning van de heerlijkheid zal verschijnen. Dan zullen al Zijn vijanden aan Zijn voeten neervallen en Hem onderworpen zijn.
Hoe kan er toch zo'n wederzijdse liefde tussen David en Jónathan bestaan? Een innige band vereende hen: hetzelfde geloof. Zowel de één als de ander had dit geloof getoond door alleen een overwinning voor (en door) de HEERE te behalen op de Filistijnen (hoofdstuk 14 vers 1 tot en met 15 en 17 vers 49 tot en met 51).
De christenen herkennen elkaar wederzijds en hebben elkaar lief, omdat ze allen "een even dierbaar geloof' hebben (2 Petrus 1 vers 1). Laten we daaraan denken bij het kiezen van onze vrienden! Voor ons, kinderen van God, kan er buiten ditzelfde geloof in de Heere Jezus Christus geen enkele ware en innige vriendschap zijn.
Jónathan treedt bij zijn vader Saul niet zonder gevaar opnieuw op als voorspraak voor David. Vanwege zijn ongeloof heeft Saul het oordeel van de HEERE vergeten (hoofdstuk 13 vers 13 en 14). Hij wil toch graag het recht op de troon voor zijn zoon veilig stellen (vers 31).
Menigeen mag denken dat Jónathan tegen zijn eigen belangen in handelt, maar dat is juist het teken van ware liefde (1 Korinthe 13 vers 5). De liefde zoekt zichzelf niet. Jónathan is zelfs niet verdrietig over het feit dat zijn eigen vader hem probeert te doden, maar het bedroeft en vervult hem met grote zorg dat David door zijn vader gesmaad wordt (vers 34).
Beste vrienden, zijn wij bedroefd over de hoon die de Heere Jezus moet ervaren van de kant van de wereld? Hebben we daarover meer verdriet dan over het onrecht dat wij misschien zelf van de zijde van de wereld te lijden hebben?
Nu begint er een rusteloos leven voor David. Hij gaat naar Nob, naar Achimélech, de priester.
Later herinnert de Heere Jezus de joden aan deze gebeurtenis om hen te bewijzen dat alles (ook de wet) aan hun Messias van Wie David een beeld is, onderworpen moet zijn (Markus 2 vers 25 en 26).
Laten wij, vóórdat wij de moeilijkheden het hoofd moeten bieden, vóórdat we ook maar iets ondernemen, tot de Heere Jezus, onze Hogepriester, gaan! Laten we een voorbeeld nemen aan David en de Heere vragen om voedsel èn om het zwaard. Beide vinden we in Zijn Woord.
Maar ... wat horen we nu uit de mond van David? Een leugen (vers 2)! Vervolgens begaat hij nog een grote fout door toevlucht te zoeken bij de vijanden van Israël. En tenslotte doet hij zich bij Achis, de koning van Gath, voor als iemand die zijn verstand verloren heeft.
Wat een verdrietige episode! Is hij niet de gezalfde van de HEERE, de overwinnaar van Goliath en bij andere gelegenheden een beeld van de Heere Jezus?
Het is ook ontzettend triest als een christen vergeet dat hij Christus moet laten zien in zijn leven, als hij zich ten opzichte van de wereld gedraagt als iemand die geen verstand heeft!
Toch is het heel troostrijk dat we aan het begin van Psalm 34 mogen vernemen dat David, als hij na zijn misstappen weer hersteld is, door de Geest geleid dit opmerkelijke lied kon dichten: "Ik zal de HEERE loven te allen tijde ..." (Psalm 34 vers 2).
De spelonk van Adullam wordt een toevluchtsoord voor David. In werkelijkheid is de HEERE zijn Toevlucht, zoals blijkt uit een Psalm die hij in deze spelonk gedicht heeft: "Gij zijt mijn Toevlucht" (Psalm 142 vers 6; zie ook Psalm 57 vers 1 en 2). Hij voegt eraan toe: "De rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben" (Psalm 142 vers 8).
De rechtvaardigen? Kunnen dat de mannen zijn die in het tweede vers genoemd worden? Deze ogenschijnlijk zo oneerbare mannen, verdacht en vogelvrij, uitgestoten door de maatschappij? Ja, God noemt hen die Zijn gezalfde liefhebben en hem als hun leider erkennen, rechtvaardigen. Vanaf het moment dat ze bij David zijn gekomen, wordt er over hun verdrietig verleden niet meer gesproken.
Zo hebben zij die zich vandaag de dag rondom de Heere Jezus scharen, hun eigen morele ellende, hun ontzaglijk grote schuld tegenover God, de bitterheid van hun ziel (vers 2), ingeruild voor Zijn gerechtigheid. Vanaf het moment dat ze ingezien hebben dat ze nergens meer voor deugen, dat de wereld hen geen enkele bevrediging kan geven, hebben ze in Hem hun Leider gevonden. Hij is het Voorwerp van al hun genegenheid.
Wat had David zijn metgezellen te bieden? Voor het heden slechts lijden! Maar in de toekomst zouden ze deel hebben aan zijn koninklijke heerlijkheid. DÃ t is het deel van de gelovigen!
Wat een tegenstelling tot de mensen van de wereld die, zoals de knechten van Saul in vers 7, al hun voordeel en hun goederen al in dit leven ontvangen!
Terwijl David, de toekomstige koning, met zijn getrouwen ronddoolt en vogelvrij verklaard is, smeedt Saul zijn misdadige plannen tegen hem.
Tegelijkertijd drijft Saul's jaloezie hem ertoe de priesters van de HEERE te vermoorden. Wat hij ten aanzien van Amalek, de vijand van het volk, niet heeft uitgevoerd (daar hij Agag en het beste vee spaarde; hoofdstuk 15), voltrekt hij nu zonder blikken of blozen wel aan de inwoners van de stad Nob.
Hij laat de complete stad "met de scherpte des zwaards" uitroeien. Om zijn wraak uit te voeren, maakt Saul gebruik van de verrader zelf, Doëg, een Edomiet. Deze man is een vreselijk beeld van de antichrist die zich in de toekomst tegen de Heere en tegen Zijn volk Israël zal verheffen (zie Psalm 52).
In tegenstelling hiermee mogen we nu een beeld van grote genade zien: Abjathar sluit zich aan bij de gezalfde van de HEERE. "Blijf bij mij", zegt David tegen hem, "want wie mijn ziel zoeken zal, die zal uw ziel zoeken" (vers 23).
"Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft", brengt de Heere Jezus de discipelen in herinnering. En: "Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen" (Johannes 15 vers 18 en 20).
Zijn we diep in ons hart bang voor deze vervolging, deze haat van de wereld? Laten we dan luisteren naar de belofte die nooit is herroepen en die de Heere ook jegens ons waar wil maken: "Gij zult bij mij veilig zijn" (vers 23; vergelijk Mattheüs 28 vers 20).
Toen David hoorde van de aanval van de Filistijnen op KehÃla, had hij kunnen zeggen: 'Het is Saul's taak het land te beschermen!' Maar dat deed hij niet!
Ondanks het gevaar voor hemzelf, komt hij die eens zijn schapen redde uit de klauwen van een leeuw en een beer, toch deze bedreigde stad te hulp. Daarmee handelt David zoals het een ware koning betaamt.
Vóórdat hij tot daden overgaat, vergeet hij niet eerst God om raad te vragen (vers 2). Laten wij dat ook nooit nalaten, ook al lijken onze eigen plannen ons neg zo goed, want dat is echte afhankelijkheid van de Heere!
De mannen van David zijn bang. Ze doen ons denken aan de discipelen van de Heere Jezus: "Zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd" (Markus 10 vers 32). Om zijn mensen te bemoedigen, vraagt David de HEERE nog een keer om Zijn aanwijzing. Daarop krijgt hij een nog duidelijker antwoord. En inderdaad behalen ze de overwinning!
Maar wat verdrietig! David weet heel goed dat zij die hij nu net bevrijd heeft, de inwoners van KehÃla, in staat zijn hem zonder pardon aan Saul uit te leveren. Daarom vertrouwt hij hen niet.
Was dat bij de Heere Jezus ook niet het geval? Hij was gekomen om Zijn volk te bevrijden. Velen geloofden in Zijn Naam door het zien van de tekenen die Hij deed. Het bleek echter geen hartezaak te zijn, want de Schrift vervolgt: "Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelf niet, omdat Hij hen allen kende ... want Hijzelf wist, wat in de mens was" (Johannes 2 vers 23 tot en met 25). Hij kent ook onze harten!
Doordat hij verblind en verhard was, waagde Saul het in vers 7 van David te zeggen: "God heeft hem in mijn hand overgegeven". Vers 14 brengt echter met een zekere ironie de waarheid aan het licht: "God gaf hem niet over in zijn hand".
En toch moet de geliefde, de pas tot koning gezalfde, de man naar Gods hart, de bitterheid en onrechtvaardigheid van zijn situatie ervaren, als een door de maatschappij uitgestotene. Hij moet al het menselijke kwaad dat zich tegen hem keert, leren kennen: haat, afgunst, ondankbaarheid, ja, zelfs verraad.
Doen ons deze Zifieten niet denken aan Judas die zijn Meester heeft verraden? Ja, de Heere Jezus, de verworpen Koning, heeft deze stroom van kwaad nog meer dan David ervaren.
Hij is Degene "Die zulk een tegenspreken van de zondaren
tegen Zich heeft verdragen" (Hebreeën 12 vers 3). Zijn hart
dat zó heel gevoelig is, heeft hier ten diepste onder geleden!
Wat David doorgemaakt heeft, kunnen we uit bepaalde Psalmen die hij in de woestijn geschreven heeft, opmaken (Psalm 54, 63 enzovoorts).
Het bezoek van Jónathan bemoedigt hem en vestigt zijn ogen op de toekomst. Maar deze trouwe vriend "ging naar zijn huis" (vers 18; vergelijk Johannes 7 vers 53), terwijl David, een kostbaar beeld van een Grotere dan hij, samen met hen die alles verlaten hebben om hem na te volgen, de weg van verwerping verder gaat.
David en zijn mannen hebben een toevlucht gevonden in andere spelonken: de vestingen van Engedi.
In Hebreeën 11 vers 38 is sprake van deze geloofsmannen: "(Welker de wereld niet waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in holen der aarde".
En nu zien we hoe Saul nog dreiging en moord blaast, zoals zijn naamgenoot in Handelingen 9 vers 1. Tijdens zijn achtervolging gaat hij 'toevallig' dezelfde spelonk binnen als die waarin David zich verborgen houdt.
DM moet de hand van God zijn, denken de mannen van David direct: 'De HEERE geeft je hiermee een gelegenheid om je van je vijand te ontdoen en zijn plaats op de troon in te nemen'.
Maar David doet het niet. Hij eert "de gezalfde des HEEREN", ondanks diens boosheid (vergelijk 1 Petrus 2 vers 17). Hij brengt daarmee de vermaning uit Romeinen 12 vers 19 in praktijk: "Wreekt uzelf niet, beminden".
De waardigheid en zachtmoedigheid van David herinneren ons aan Hem Die Zich niet op Zijn vijanden heeft gewroken, maar juist voor hen bad: "Vader, vergeef het hun" (Lukas 23 vers 34).
Beschaamd en blijkbaar gebroken (vergelijk Psalm 35) moet Saul de rechten van David op het koningschap van Israël erkennen. De vijanden van Christus zullen zelf eens moeten erkennen dat Hij "Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader" (Filippi 2 vers 11; zie ook Jesaja 49 vers 7).
Samuël sterft. Met zijn dood is er ook een einde gekomen aan de gebeden die hij zo trouw voor het volk opzond tot God (hoofdstuk 12 vers 23).
Mozes en hij zijn twee grote voorbeelden voor ons wat de voorbede betreft (Jeremia 15 vers 1). Het is altijd ernstig als God een man of vrouw van het gebed van ons wegneemt, wanneer een stem verstomt die misschien veel voor ons gebeden heeft! De stem van de Heere zal echter nooit zwijgen! "... alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden" (Hebreeën 7 vers 25).
David, de echte koning, de redder van Israël, is hier te midden van zijn volk een trouwe herder. Hij heeft even zorgvuldig over de kudden van de rijke Nabal gewaakt als vroeger over de schapen van zijn eigen vader.
Nu stuurt hij jongelingen naar Nabal toe met woorden van vrede voor zijn huis (vers 6; vergelijk Lukas 10 vers 5).
Maar Nabal wil David niet kennen en veracht hem (vers 10). Nabal lijkt op de farizeeën die van de Heere zeiden: "Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar van Deze weten wij niet, van waar Hij is" (Johannes 9 vers 29).
Nabal verwerpt zowel de ware koning als diens boodschappers. Dat is wat de Heere Jezus tegen Zijn discipelen gezegd heeft: "Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij" (Lukas 10 vers 16).
"Zij vergelden mij kwaad voor goed", zegt David in Psalm 35 vers 12. Dat heeft Nabal gedaan. Dat had Saul ook gedaan, zoals hijzelf in het voorgaande hoofdstuk moest toegeven: "Gij hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden" (hoofdstuk 24 vers 18).
Maar deze keer wil David het kwaad dat hem is aangedaan, niet met goed vergelden. In een uitbarsting van toorn omgordt de leider zich met zijn zwaard om wraak te nemen.
Nu lijkt hij niet meer op zijn volkomen Voorbeeld, de Heere Jezus "Die, toen Hij gescholden werd, niet terugschold, en toen Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Hem, Die rechtvaardig oordeelt" (1 Petrus 2 vers 23).
In het huis van Nabal wonen wijsheid en dwaasheid naast elkaar. De dwaasheid had zich geopenbaard door de mond van de ongelovige Nabal (zijn naam betekent 'dwaas'). Nu is het de wijsheid die door middel van de godvrezende Abigáïl, een vrouw met een goed verstand (vers 3), ingrijpt.
Ze gaat met haar geschenken op pad om hem die zij als de gezalfde van de HEERE erkent, te ontmoeten. Ze valt aan zijn voeten neer, erkent haar onwaardigheid en roemt zijn huidige en toekomstige heerlijkheden. Haar geloof heeft haar dit laten zien in de koning naar Gods hart.
We mogen gerust stellen dat dwaasheid en ongeloof altijd hand in hand gaan, maar ook dat ware wijsheid en geloof niet van elkaar te scheiden zijn.
Terwijl Nabal een feestmaal viert, "als de maaltijd van een koning" (nádat hij de ware koning had afgewezen en verworpen!), wordt hijzelf door God geslagen.
Wij verliezen er niets bij als we de Heere in onze plaats laten handelen.
Abigáïl, de vrouw van het geloof, heeft zich door haar goed inzicht, haar haast (vers 18, 23 en 42), haar ootmoedige houding en haar toegenegenheid onderscheiden.
"Als de HEERE ... u gebieden zal een voorganger te zijn over Israël ..., zo zult gij aan uw dienstmaagd gedenken", had ze gevraagd (vers 30 en 31; vergelijk dit met het gebed van de misdadiger aan het kruis in Lukas 23 vers 42).
Het antwoord overtreft al haar verwachtingen: David neemt haar tot vrouw. Daarmee heeft zij zonder enige spijt afstand genomen van de rijkdommen van de aarde om in holen en woestijnen het lot te delen van de verworpen koning.
Vroeger was ze verbonden aan een dwaas, maar nu wordt ze tot de gelukkige echtgenote van de 'geliefde'. Nú. deelt ze nog in zijn lijden, maar later in zijn heerschappij.
Dit is een prachtig beeld van de gemeente, de bruid van het Lam, die de positie van haar Bruidegom en Heere deelt. Vandaag nog verworpen en veracht, zoals Hijzelf, zal deze bruid straks met Hem in heerlijkheid de heerschappij aanvaarden!
"Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen", zegt 2 Timotheüs 2 vers 12 (zie ook Romeinen 8 vers 17).
De onbaatzuchtigheid van David in hoofdstuk 24 leek eindelijk het hart van Saul geraakt te hebben. Maar helaas was het geen echt berouw!
Naar aanleiding van het gemene verraad van de Zifieten die zichzelf bij Saul geliefd willen maken, trekt de koning opnieuw op tegen hem die eens zijn plaats moet innemen.
Psalm 54 die bij deze gelegenheid geschreven werd, laat ons iets zien van de smart die David ervoer door deze schandelijke daad van de Zifieten. Hij smeekt tot God om hulp tegen deze vijanden die hem naar het leven staan. Zij hebben God niet voor hun ogen gesteld (Psalm 54 vers 5), maar hÃj roept wel tot God en als antwoord op dat gebed beschermt God Zijn gezalfde. En God geeft hem opnieuw een gelegenheid de oprechtheid in zijn handelen tegenover Saul te tonen.
Tijdens een nachtelijke expeditie krijgt hij de speer in handen waarmee de misdadige koning hem tot tweemaal toe wilde doorboren. Eén woord zou voldoende zijn om Saul te doden. AbÃsai staat erop te wachten. Maar ook nu weerhoudt de barmhartigheid jegens Saul en de gehoorzaamheid aan God David van deze daad.
Heeft ons volmaakte Voorbeeld niet precies zó gehandeld? Lees bijvoorbeeld eens Lukas 9 vers 54 en 55. De Heere Jezus Zelf bracht de woorden die Hij te voren tot de discipelen gezegd had, in praktijk: "Hebt uw vijanden lief; doet wel aan hen, die u haten ... Weest dan barmhartig ... oordeelt niet ... verdoemt niet" (Lukas 6 vers 27, 36 en 37).
Laten we deze woorden van de Heere toch altijd op onszelf toepassen!
Het valt ons misschien moeilijk het karakter van Saul te begrijpen. Hoe vallen zijn berouw, beloften en betuigingen van een zekere aanhankelijkheid toch te rijmen met de hernieuwde verbittering waarmee hij David vervolgt en probeert te doden?
We mogen geloof nooit verwarren met sentiment en emoties! Het sentiment kan tranen overvloedig laten vloeien en kan dan komen tot de uitspraak: "Ik heb gezondigd" (hoofdstuk 15 vers 30 en 26 vers 21). Ja, er kunnen zelfs plechtige beloften gedaan worden! Maar het geweten is niet altijd geraakt.
Dat blijkt ook duidelijk, want de vrucht is bij Saul niet van blijvende aard. Hij is een oppervlakkig iemand. Het gemoed schiet hem gauw vol, maar hij heeft geen kracht om zijn goede voornemens ten uitvoer te brengen, omdat hij geen geloof heeft.
David bewaart zijn waardigheid, ondanks zijn vernedering! Hij wordt vervolgd, "zoals men een veldhoen op de bergen najaagt", en toch toont hij zich heer en meester van de situatie. Hij berispt Abner en stelt bepaalde vragen aan Saul waarop deze geen antwoord kan geven (vers 18 tot en met 20).
Opnieuw gaan onze harten uit naar Hem Die, nádat Hij vernederd, veracht en verworpen werd, "verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden" zal. En er wordt aan toegevoegd: "Ja, de koningen zullen hun mond over Hem gesloten houden; want wie het niet verkondigd was, die zullen het zien" (Jesaja 52 vers 13 tot en met 15).
Het eerste bezoek van David aan Achis te Gath had hem alleen maar te schande gemaakt (zie hoofdstuk 21 vers 10 tot en met 15). Toch keert hij uit angst voor Saul daarnaar terug.
We herkennen in hem op dit ogenblik niet meer de man die zich in het voorgaande hoofdstuk zonder angst te midden van de vijanden begaf om de speer en de waterfles van de koning weg te nemen.
En we kunnen in de man die nu zijn toevlucht tot de Filistijnen neemt, al helemaal niet meer de overwinnaar van de reus Goliath herkennen!
Maar let op! Komt het bij ons soms ook niet voor dat de mensen niet meer aan ons kunnen zien dat we volgelingen van de Heere Jezus zijn?
Misschien hebben we, met Zijn hulp, een overwinning behaald. We hebben, evenals David, getoond vertrouwen in God te hebben. We stonden standvastig in ons getuigenis tegenover de mensen. Er was aan en in ons iets van Zijn grote genade te zien. En dan ... plotseling, van het éne moment op het andere, is er niets meer van te bespeuren! We staan weer aan de kant van de wereld, doordat we met de vijanden van de Heere gemene zaak maken!
Ja, David heeft in Gath de nederlaag van de Filistijn vergeten. Beste vrienden, laten wij het kruis nóóit vergeten! Dat houdt ons als een slagboom gescheiden van de wereld die de Heere Jezus gekruisigd heeft (vergelijk Galaten 6 vers 14).
Terwijl David in Gath in een twijfelachtige en gevaarlijke situatie verkeert, is het met Saul nog veel erger gesteld.
Hij is ontzettend bang voor de Filistijnen die zich voor een nieuwe oorlog verzamelen, want hij heeft geen enkelhouvast meer. Hij heeft de HEERE verlaten en zelf is hij nu door Hem verlaten.
Hij wringt zich in allerlei bochten. Maar het is tevergeefs; God antwoordt hem niet!
Dat is een ernstige illustratie van Spreuken 1 vers 24 tot en met 33 (met name de verzen 24 en 28)!
Laten we er altijd aan denken dat een gelovige niet hoeft te verwachten dat hij de wil van de Heere zal leren kennen, als zijn geweten in een slechte toestand verkeert.
Ook vandaag de dag bestaan er nog mensen die denken dat zij de geesten van overledenen kunnen oproepen. De duivel gebruikt hen om arme, bijgelovige zielen te verleiden. Zij worden dan inderdaad niet met de overledenen in verbinding gebracht, maar met demonen die zich voordoen als de gestorvenen.
Kinderen van God, blijf toch op een zo groot mogelijke afstand van deze dingen! Waak ervoor dat er niet een zekere nieuwsgierigheid naar deze dingen in het hart groeit! Dit alles is in het oog van God een gruwel (Deuteronomium 18 vers 9 tot en met 14 en Leviticus 19 vers 31).
Saul wist dit. In betere dagen had hij ervoor gewaakt dat de waarzeggers en duivelskunstenaars uit Israël uitgeroeid zouden worden (vers 3). Maar deze ontrouwe, vleselijke man neemt in zijn verwarring nu zelf de toevlucht tot de waarzegster van Endor.
Wat een angstaanjagende gebeurtenis! De vrouw is zelf ontzettend geschrokken en heeft het uitgeroepen van angst.
Zij heeft niet de macht door een toverwoord Samuël ten tonele te laten verschijnen. Haar meester, satan, was evenmin in staat dit voor elkaar te krijgen. Is het de hand van God Die voor een moment de deur van de verblijfplaats van de gestorvenen opent, om Zijn dienstknecht Samuël op te laten komen? Of is het een boze geest die zich voordoet als Samuël?
Wat Saul te horen krijgt, lijkt op de boodschap die Samuël als kleine jongen aan Eli moest meedelen (zie hoofdstuk 3 vers 11 tot en met 14). Het is een vreselijke bevestiging van het oordeel van de HEERE. Nog slechts één dag en het oordeel zou voltrokken worden. Dan zou het koninkrijk van Saul afgenomen en aan David gegeven worden. Dan zou Saul samen met zijn zonen gaan naar de plaats waar de doden op de opstanding wachten, op de opstanding ten leven of op die ten oordeel.
Het maakt een diepe indruk te zien hoe het einde van deze man was, terwijl zijn leven zó veelbelovend was begonnen.
Beste vrienden, laten we eraan denken dat ook alle nog zó goede eigenschappen â even onherroepelijk als de grofste zonden â tot het eeuwig oordeel zullen leiden, als er geen nieuw leven van God aanwezig is.
Het Goddelijke leven geeft de Heere Jezus aan hen die Hem daarom vragen. Bezit u, bezit jij het al?
Toen er nog geen openlijke oorlog tussen de Filistijnen en Israël was, was Davids aanwezigheid te midden van de Filistijnen misschien nog enigszins te verontschuldigen, want het huis van Saul had hem in feite in deze ballingschap gebracht.
Maar nu de strijd op het punt staat los te breken, blijkt dat de situatie onhoudbaar is en dat David zich op een verkeerde plaats bevindt. Hij had dat moeten inzien.
Helaas volhardt hij in een bedrieglijk dubbelleven. Hij laat zelfs merken dat hij bereid is aan de kant van de Filistijnen de wapens op te nemen tegen Israël! Maar God maakt, in Zijn grote genade, gebruik van het wantrouwen van de Filistijnse legerleiding om David ternauwernood uit de valstrik die hij voor zichzelf gespannen heeft, te bevrijden.
Laten we eraan denken dat de wereld voor de christen niet alleen vreemd terrein is, maar dat zij hem altijd vijandig gezind is. Met al haar tegemoetkomingen of vleierijen âzoals hier van een Achis tegenover David (vers 6 en 9) â is zij even gevaarlijk als met haar openlijke aanvallen.
De man die beroemd was geworden door het verslaan van zijn tienduizenden onder de Filistijnen, kon zijn eigen overwinningen misschien vergeten, maar zijn vijanden wisten het nog precies (vers 5; vergelijk hoofdstuk 18 vers 7 en 21 vers 11).
Ook als wij het kruis en ons vroegere getuigenis vergeten hebben, zal de wereld toch altijd nog met de vinger naar ons wijzen: 'Is dat niet die christen die dacht dat hij beter was dan wij?'
God heeft niet toegelaten dat David aan de strijd tegen Saul die hij tot twee keer toe zo grootmoedig had ontzien, zou deelnemen. En David mocht ook niet optrekken tegen Jónathan, zijn vriend, en tegen Israël waarover hij al kort daarna zou regeren.
Hoewel hij hiervoor bewaard gebleven is, moet hij nu zoals elke ongehoorzame dienstknecht, echter wel de Goddelijke tucht ervaren. Deze tucht is het onheil dat hij bij zijn terugkeer in Ziklag aantreft.
Wat een verdriet voor deze mannen, maar speciaal voor hun leider! Zijn geliefden zijn verdwenen. Hij weet niet of ze gedood of gevangengenomen zijn.
David heeft à lles verloren. Hij is verbannen uit Israël, vervolgd door Saul en verstoten door zijn verkeerde vrienden, de Filistijnen. Maar wat nog erger is: nu zijn het ook nog zijn ware vrienden die hem vanaf het begin bijgestaan hebben, die hij tegen zich krijgt en die hem zelfs willen stenigen!
David heeft niets meer ... of toch nog wel ? Alleen God blijft hem nog over!
En dan lezen we die gedenkwaardige woorden: "Doch David sterkte zich in de HEERE, zijn God" (vers 6). Als hij op niets en niemand meer kan rekenen, ervaart hij de tegenwoordigheid van de Heere, zoals wij dat in een lied zingen: 'Hij verlaat de Zijnen niet!'
Met deze wetenschap en in de kracht die David teruggevonden heeft in zijn God, volgt hij vastberaden het spoor van de roofzuchtige Amalekieten.
De arme Egyptische knecht die door zijn meester werd verlaten en nu wordt opgenomen en verzorgd door David, doet ons denken aan de man uit de geschiedenis van de barmhartige Samaritaan. De satan brengt de zondaar in een toestand van totale zwakheid en laat hem moreel gezien voor dood liggen. Maar dan komt de Heere Jezus als de barmhartige Samaritaan en geeft de verloren zondaar het leven en de kracht en stelt hem in staat Hem te dienen.
Geleid door deze jongeman verrast David met zijn mannen de Amalekieten die hun overwinning aan het vieren zijn.
God staat toe dat ze alles terugkrijgen wat hen ontroofd is, en bovendien dat ze nog een rijke buit bemachtigen.
Deze Goddelijke genade mogen allen genieten, ook zij die op het gereedschap hebben gepast. Dat is het antwoord van David aan zijn egoïstische en jaloerse begeleiders.
Is dat ook niet de les van het evangelie? De arbeider die pas rond het elfde uur gekomen is, zal even veel loon ontvangen als zijn medearbeiders die, ondanks hun onwilligheid, vanaf de morgen aanwezig waren. Waarom? Omdat hij het met een bovenmate goede meester te doen heeft (zie Mattheüs 20 vers 14 en 15).
Laten we niet denken dat een invalide of ziekelijke gelovige op de dag van Christus minder ten deel zal vallen, omdat hij in onze ogen niet 'in de frontlinie' heeft gestaan.
WÃj kunnen de dienst van onze medegelovigen niet beoordelen, noch hun beloning inschatten. De Heere alleen heeft hen die beloning naar de mate van Zijn volmaakte liefde toegedacht. En dat zal Hij hen ook geven.
Gedurende deze gebeurtenissen barst de strijd tussen de Israëlieten en de Filistijnen los. Al spoedig verloopt die in het voordeel van de Filistijnen, want zij hebben de beschikking over een afdeling boogschutters. De Israëlieten die vanaf een afstand getroffen worden, kunnen hun wapens niet tegen hen gebruiken.
Plotseling merkt Saul dat hij er alleen voor staat. Hij is door zijn soldaten verlaten en door vijanden omringd. In tegenstelling tot David in het voorgaande hoofdstuk (vers 6), laat ook God hem alleen.
De enige, tragische uitweg die hij nog ziet, is zichzelf van het leven te beroven. Judas heeft later hetzelfde gedaan.
Saul wilde zijn schande op aarde ontlopen. Maar zoals zo veel ongelukkige mensen door hun grote hopeloosheid tot zelfmoord werden gedreven (in plaats van in de armen van de Heere Jezus), zo stort ook Saul zich des te sneller in het eeuwige ongeluk.
Een beklagenswaardig iemand! Hij heeft het koningschap gehad en alles wat men zich in de wereld maar kan wensen. Maar wat heeft hij eraan, als hij daarbij zijn ziel verliest? (Markus 8 vers 36).
De mannen van Jabes in Gilead die bloedverwanten zijn van de stam Benjamin (Richteren 21 vers 14), tonen zich erkentelijk tegenover hem die hen eens bevrijd heeft (1 Samuël 11).
Nu wordt de hele oude orde weggedaan om plaats te maken voor de koning naar Gods hart: David, een voorbeeld van Christus, komt om in heerlijkheid te regeren.
Het gebeuren in Ziklag heeft David tot verootmoediging gebracht. Daar werd hij zich bewust van zijn eigen zwakheid. Maar dit heeft hem ook weer in de gelukkige verbinding met de HEERE gebracht.
Op deze manier werd hij klaargemaakt voor het koningschap waarmee het tweede Boek van Samuël begint.
De man die David komt vertellen van de dood van Saul, was "in zijn ogen als een, die goede boodschap bracht" (hoofdstuk 4 vers 10). Hij zal geredeneerd hebben: 'Betekent het einde van Saul voor David niet de dood van zijn vijand en de mogelijkheid om nu de troon te bestijgen?'
Maar deze man kent David die hij nu ontmoet, nog niet. In het hart van de geliefde van de HEERE straalt genade, onbaatzuchtigheid, de liefde tot het volk en het acht geven op de Goddelijke orde. Hoe zou hij zich dan kunnen verheugen als Israël is overwonnen en hun koning voor de ogen van de vijand is onteerd?
"Van waar zijt gij?" vraagt David (vers 13), waarop de man moet toegeven tot de vijanden van Israël te behoren. En het ergste is dat hij ook nog een Amalekiet is!
Met deze poging David door leugen te misleiden, heeft hij slechts zichzelf bedrogen (vergelijk ook Spreuken 11 vers 18).
De Amalekiet had graag gewild dat de nieuwe koning de kroon als het ware uit zijn hand zou aannemen. Daarmee lijkt hij op de grote vijand die probeerde de Heere Jezus te verleiden tot het uit zijn hand aannemen van alle koninkrijken van de wereld en haar heerlijkheid â maar ook zonder succes (Mattheüs 4 vers 8 tot en met 11)!
David kan zich niet verheugen over het ongeluk dat zijn rivaal en achtervolger, Saul, is overkomen. Integendeel zelfs, hij heft een aangrijpend klaaglied over hem aan.
In dit 'lied van de boog' worden de menselijke voortreffelijkheden van Saul geroemd: zijn kracht, zijn goedgeefsheid, zijn geliefdheid. David zwijgt over het slechte karakter van de koning waaronder hij toch zoveel te lijden heeft gehad.
David wil zelfs graag de nederlaag van Saul die bij de vijanden van de HEERE alleen maar blijdschap en verachting zou oproepen, geheim houden. "Verkondigt het niet te Gath" (vers 20).
Evenals voor de kinderen van Juda is het ook voor ons noodzakelijk dat we de lessen uit het 'lied van de boog' leren, namelijk om:
bedroefd te zijn over het ongeluk van een ander;
het goede naar voren te brengen, zelfs van hen die ons niet liefhebben;
ervoor op te passen dat we de nare dingen die we van iemand weten, niet verder vertellen; en
te zwijgen over de fouten van onze broeders en zusters als we denken aan het getuigenis van het volk van God ten aanzien van de wereld (1 Petrus 4 vers 8).
Dan geeft David in zijn lied nog uitdrukking aan de grote smart in zijn hart over zijn vriend Jónathan. Zijn verdriet getuigt van een wonderbare, aandoenlijke liefde.
Toch is dit slechts een zwak beeld van de liefde van de Heere Jezus, van Zijn ondoorgrondelijke liefde waarvan niets â zelfs geen dood â ons ooit zal kunnen scheiden (Romeinen 8 vers 38 en 39).
David had destijds, toen hij naar de Filistijnen trok, God niet om raad gevraagd. Dat leidde onherroepelijk tot een mislukking.
Toch was deze bittere ervaring niet tevergeefs. Nu vraagt hij tot twee keer toe de HEERE om raad!
Wij kunnen nooit genoeg vasthouden aan dit grote beginsel in het christelijke leven: het beginsel van afhankelijkheid! Dat is onze plicht, maar tegelijkertijd ook de bron van onze kracht en veiligheid.
De plaats Hebron waar God Zijn gezalfde naartoe leidt, spreekt van gemeenschap. Daar zijn ook de graven van de aartsvaders.
Christus, de Geliefde van God, de ware David, is in gehoorzaamheid aan God in de dood gegaan, vóórdat Hij openlijk Zijn rijk aanvaarden zal.
Dat is ook de grondslag waarop Hij de Zijnen leidt. De gelovige is met Christus gestorven.
David vergeet de bewoners van Jabes in Gilead die Saul goedertierenheid bewezen hebben, niet.
En de Heere, zou Hij dat kleine beetje barmhartigheid waartoe Hij ons in staat stelt, ooit vergeten (vergelijk Hebreeën 6 vers 10)?
Het koningschap van David wordt stap voor stap opgericht. Voorlopig wordt hij alleen door Juda als koning erkend. De rest van het volk onderwerpt zich nog aan Isbóseth, de zoon van Saul, die gesteund wordt door Abner, de voormalige overste van het leger van Saul.
We vinden nu tot aan het einde van hoofdstuk 4 de beschrijving van de strijd tussen David en Isbóseth. Of beter gezegd: tussen hun beide generaals, Joab en Abner.
Het is een strijd om aanzien, want deze beide hoogmoedige mannen willen elk de eerste plaats innemen. Zij eisen beiden voor zich de positie van legeroverste op.
Deze strijd wordt uiteindelijk beëindigd door de moord op Abner door Joab. En korte tijd later wordt ook Isbóseth gedood.
Deze verdrietige omstandigheden â het gaat tenslotte om een burgeroorlog â worden door de HEERE gebruikt om het rijk van Zijn koning stapsgewijs op te richten.
Geweld en wraakzucht nemen de vrije loop. De strijd om de macht begint bij de vijver van Gibeon nog als een spel. Men wil immers alleen maar zien wie het meest ervaren en de sterkste is.
De stap van hoogmoed naar moord is echter maar heel klein! Hoe gauw wordt de grens niet overschreden! In het heetst van het gevecht verliest men de zelfbeheersing en vóórdat men er goed over nadenkt, is de misdaad al begaan. De vierentwintig jonge mannen vallen gezamenlijk. De één steekt de ander neer.
We willen er nog op wijzen dat David zich afzijdig houdt van de strijd die Joab in de naam van de koning meent te moeten voeren.
We leren deze Joab kennen als een listige, gewetenloze man die de zaak van David alleen verdedigt, omdat hij er persoonlijk baat bij heeft.
David heeft tijdens deze gebeurtenissen geduldig in Hebron gewacht, totdat de HEERE hem als koning over heel Israël stelde. Zo wacht de Heere Jezus nu in de hemel op het moment dat God Hem Zijn allesomvattend rijk zal geven.
Hoe komt de grootheid van David naar voren in zijn klacht over Joab: "Deze mannen, de zonen van Zerúja, zijn harder dan ik". Hij was een strijdbaar held en werd door zijn vijanden gevreesd. Joab echter versloeg een edel man in een tijd van vrede en door middel van bedrog. Waarom? Enkel uit haat en wraakzucht, omdat Abner zijn broeder Asahel in de strijd had verslagen, na hem twee keer gewaarschuwd te hebben, en uit jaloezie, omdat Joab bang was dat Abner zijn plaats van generaal zou innemen! Wat is het hart van de mens toch verdorven! Tot alles is hij in staat, als het om zijn eigen voordeel gaat.
Gods gerechtigheid ziet echter alles. Op zijn sterfbed geeft David bevel dat Joab zijn straf niet mag ontlopen (zie 1 Koningen 2 vers 5 en 6 en 31 tot en met 34).
Uiteindelijk bestraft God iedere onrechtvaardigheid en beloont Hij iedere gerechtigheid, óf hier op aarde, óf straks in de eeuwigheid.
Isboseth wordt op dezelfde wijze gedood als zijn legeroverste Abner die hij beschuldigd had (vergelijk hoofdstuk 3 vers 27 met 4 vers 6).
Opnieuw wordt de afhankelijkheid van David aan de HEERE daarin openbaar dat hij alles werkelijk volledig aan Hem wil overgeven. Hij straft de moordenaars van Isboseth, evenals hij de man die de tijding van Sauls dood bracht, had gestraft (hoofdstuk 1 vers 14 tot en met 16).
We vinden hier een belangrijke verandering. De troon van David wordt overgeplaatst naar Jeruzalem, de stad die voortaan zo'n belangrijke plaats in de geschiedenis van het volk en in de raadsbesluiten van God zou innemen. Binnen de muren bevindt zich op de berg Sion echter een bijna onneembare vesting waar de Jebusieten zich sinds de dagen van Jozua konden handhaven. Ondanks hun grootspraak neemt David de burcht toch in. Helaas vergeet hij dan de genade die hem zó vaak heeft gekenmerkt. Hij geeft uitdrukking aan zijn haat door kreupelen de toegang tot het huis van God te ontzeggen. Wat een tegenstelling tot de Heere Jezus Die juist de blinden en verlamden in de tempel binnenliet om hen te genezen (Mattheus 21 vers 14).
We mochten Davids geloof en afhankelijkheid bewonderen, ook in de verzen 19 en 23 in de strijd tegen de Filistijnen. Helaas bereikt hij in zijn gezinsleven niet diezelfde hoogte. Ondanks het verbod voor koningen (Deuteronomium 17 vers 17), neemt David veel vrouwen. Als hij alleen de trouwe Abigáïl als echtgenote had gehad, zouden we drie namen die voor hem tot een oorzaak van grote ellende zijn geworden, niet lezen: Amnon, Absalom en Adónia (hoofdstuk 3 vers 2 tot en met 4).
Door de aanwijzingen van de HEERE op te volgen, kan de strijd tegen de Filistijnen met succes worden gestreden. Voor de tweede slag had David kunnen denken: 'Laten we het maar precies zó doen als de eerste keer, dat had immers succes!' Maar we zien juist dat hij de HEERE opnieuw om raad vraagt! Dat was maar goed ook, want het antwoord was dit maal heel anders dan de eerste keer!
Laten wij oppassen voor eigen wijsheid en steeds Hem om raad vragen. Dan zullen we overwinningen behalen.
De eerste gedachte van David ná de wijding tot zijn koningschap gaat uit naar de ark van God. Hij roept dertigduizend mannen op, "alle uitgelezenen in Israël". Nu niet om te strijden, maar om de ark op waardige wijze naar Jeruzalem te begeleiden.
Wij zullen de Persoon van de Heere Jezus nooit genoeg eer kunnen bewijzen. Maar de huldiging en aanbidding die we Hem brengen, moet wel in gehoorzaamheid aan Zijn Woord gebracht worden! We moeten goed beseffen waar we mee bezig zijn!
Volgens de Goddelijke aanwijzingen moest de ark op de schouders gedragen worden (Numeri 7 vers 9). Helaas hebben David en het volk hier geen waarde aan gehecht. Volgens hen was een nieuwe wagen, zoals de onwetende Filistijnen die ook gebruikt hadden, veel beter geschikt voor het transport. Dat was immers ook veel praktischer dan de ark te voet te vervoeren?
En dan wordt Uza door de dood getroffen. Wat een schrik!
We zijn misschien geneigd te denken dat de schuld van Uza toch niet zó groot was dat er zo'n zware straf op moest volgen. Toch blijkt God dat wèl zo te beoordelen! Hij wil ons, evenals David, laten zien dat het heel ernstig is als wij onze goede bedoelingen en aanwijzingen in de plaats stellen van ZÃjn aanwijzingen. Vooral als het om de dienst voor God gaat!
Wat een droevige onderbreking van deze mooie plechtigheid! David is tegelijkertijd diep onder de indruk èn vervuld van vrees. Hij laat de ark van de HEERE ergens onder dak brengen en verliest daarmee een zegen die nu aan het huis van ObedâEdom ten deel valt.
De ark van God is drie maanden bij ObedâEdom gebleven. Dat bracht hem en zijn gezin zegen wat niet onopgemerkt bleef (vers 12).
Dat is een aangrijpend beeld van de Heere Jezus Die in het huis van de gelovige aanwezig is. Als wij gewend zijn dicht bij Hem te leven, zullen zij die ons kennen, dat bij ons kunnen waarnemen. En dan zullen zij misschien ook de zegen die Hij ons gegeven heeft, willen genieten.
Nu handelt David die de les geleerd heeft, naar Gods gedachten: de ark wordt door de Levieten die zich geheiligd hebben, gedragen. En hij heeft zelf zijn koninklijke waardigheid afgelegd en geeft uitdrukking aan zijn vreugde door voor de ark te dansen.
In de Evangeliën vinden we geen ark meer, maar de Persoon van de Heere Jezus Zelf. Hij trekt te midden van de vreugde van hen die Hem bejubelen, dezelfde stad Jeruzalem binnen (Mattheüs 21 vers 9).
Na zes stappen wordt een offer gebracht. Dat doet ons denken aan de wandel en de dienst voor de Heere (de ware godsdienst) van de christen.
Deze beide dingen roepen bij de ongelovigen verachting op. Van hen is Michal een verdrietig beeld.
De wereld houdt van pracht en praal, maar de gelovige is gelukkig in zijn vernedering. David zegt: "Ook zal ik mij nog geringer houden" (vers 22), opdat de aandacht van hem afgewend en de ogen alleen op de Heere Jezus gevestigd worden (vergelijk Johannes 3 vers 30).
"Als iemands wegen de HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen" (Spreuken 16 vers 7). Dit wordt nu werkelijkheid voor David. De HEERE geeft hem "rust van al zijn vijanden rondom".
En omdat hijzelf in een mooi huis van cederhout woont, keurt hij het niet goed dat de ark van God slechts in een eenvoudige tent staat.
Dat is een prachtige karaktertrek van David! Zij die een veilig en goed leven hebben onder ons, mogen nooit vergeten dat hun Meester de wereld heeft doorwandeld als een Vreemdeling Die geen plaats had waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen!
David is van plan een waardig huis voor de HEERE te bouwen. De profeet Nathan is te snel met zijn positieve beoordeling van Davids plannen. Ook als alles goed lijkt, zullen we op de stem van de Heere moeten wachten!
Dan horen we wat God David door de mond van Nathan laat zeggen: 'Het karakter van een wandelaar door de woestijn heb Ik vrijwillig op Mij genomen om in genade te delen in het lot van Mijn volk. Het moment van Mijn rust is nog niet aangebroken. Maar wat jij niet kunt doen, zal één van je nakomelingen later volbrengen.'
In eerste instantie gaat het daarbij om Sálomo, Davids zoon, die de tempel mag bouwen. Maar vers 14 wordt in Hebreeën 1 vers 5 aangehaald en dan blijkt dat deze Koning profetisch gezien de Heere Jezus is, de Zoon van God. Alleen van Hem kan gezegd worden dat Zijn rijk "tot in eeuwigheid" zal zijn. Of er nu persoonlijke (vers 8 en 9) of gemeenschappelijke zegeningen zijn (vers 10), ze hebben allen hun oorsprong in deze onvergelijkbare Persoon.
David wilde graag iets voor de HEERE doen. Maar het Goddelijke antwoord was: 'Ik heb alles voor jou gedaan'. DM is een les die iedereen moet leren.
God heeft Zich Zelf met ons heil en onze rust beziggehouden, ja, met alles wat onze toekomst betreft (vers 19). Wonderbare raadsbesluiten van God waarin wij zonder enige eigen verdienste besloten zijn! "Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!" (Romeinen 11 vers 33).
Wat blijft er voor David dan nog over om te doen? Eenvoudig God danken! De koning komt in de tegenwoordigheid van God, zet zich neer en aanbidt. Precies zoals de gelovige het vandaag de dag mag doen in de samenkomsten van de gelovigen rondom de Heere, in de volle zekerheid dat hij het voorrecht heeft om daar aanwezig te zijn en deze Goddelijke rust nu al mag genieten.
"Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis?" Noch David, de eenvoudige schaapherder (vers 8), noch het volk Israël dat uit Egypteland werd uitgevoerd (vers 6), hebben deze positie verdiend of een recht daarop verworven! Alleen de genade heeft David en zijn volk "tot hiertoe gebracht".
En het gebed van de koning, de uitdrukking van volkomen gemeenschap, laat zich als volgt samenvatten: "Doe, zoals Gij gesproken hebt. En Uw Naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid" (vers 25 en 26).
We mogen gerust aannemen dat David op ditzelfde
moment ook gedachten heeft gehad zoals we die in Psalm
23 beschreven vinden, met name in het vijfde en zesde vers.
Gesterkt door de beloften van de HEERE, bevestigt de nieuwe koning zijn troon door de overwinningen waarmee hij zijn vijanden aan zich onderwerpt.
De Filistijnen zijn de eersten. Eindelijk kan deze vijand in toom gehouden worden. Dan volgt Moab waardoor de profetie van BÃleam gedeeltelijk in vervulling gaat (Numeri 24 vers 17). Hadadézer en de Syriërs die hem steunen, zijn daarna aan de beurt. En tenslotte wordt Edom onderworpen, zoals in een nog oudere profetie is voorzegd: in de zegen van Izak aan Jakob (Genesis 27 vers 29; zie ook Genesis 25 vers 23).
In beeld brengt David hier in praktijk wat van de Heere Jezus staat geschreven. Zijn rijk zal in heerlijkheid opgericht worden, wanneer al Zijn vijanden als een voetbank aan Zijn voeten zullen liggen, als ze Hem onderworpen zullen zijn (zie Psalm 110).
Nu de vrede is hersteld en de heerschappij van David overal erkend wordt, wordt het rijk verder geordend (vers 15 tot en met 18).
Het middelpunt wordt gevormd door de koning. Hij oefent recht en gerechtigheid uit.
Rondom hem vervult ieder op zijn plaats het ambt dat hem is opgedragen. En de priesters houden de betrekkingen tot God in stand.
Veiligheid, bestendigheid, gerechtigheid en vrede: deze dingen zullen op een nog veel volmaaktere wijze de kenmerken van het toekomstige rijk zijn.
In hoofdstuk 8 werd ons de koninklijke heerlijkheid van David getoond. Toch is er nog iets dat die heerlijkheid overtreft, namelijk zijn genade.
Die genade heeft David leren kennen in de school van God. Hij was zèlf het onderwerp van Gods genade.
Is het onder de mensen de gewoonte dat een koning aan zijn hof en zelfs aan zijn tafel de laatste afstamming van zijn rivaal, de erfgenaam van zijn vijand, ontvangt? Vergelijk 2 Samuël 4 vers 4. Nee, zeer zeker niet!
Hier gaat het om Gods weldadigheid. David stelt zich er niet mee tevreden zijn beloften tegenover Jónathan en Saul in te lossen (1 Samuël 20 vers 14 en 15; 24 vers 22 en 23), maar laat de Goddelijke genade ten opzichte van de arme Mefibóseth als het ware overvloedig stromen.
Deze Mefibóseth is zich zijn onwaardigheid heel goed bewust. Bovendien was hij kreupel, iets wat door de koning gehaat werd (hoofdstuk 5 vers 8). Toch zien we hoe hij opgehaald, bij zijn naam genoemd en gerustgesteld wordt. Hij wordt met rijkdom overladen en als een lid van de familie uitgenodigd om aan de tafel van de koning te eten. En tenslotte zorgt de koning voor altijd voor hem.
Dit is een prachtig beeld van het werk dat de Heere Jezus voor een arme en machteloze zondaar doet!
Mefibóseth blijft kreupel. Vers 13 herhaalt dit uitdrukkelijk. Maar als hij aan de tafel van de koning zit, is dat niet té zien.
Vergaat het de gelovige op aarde niet precies zo? Zijn oude natuur heeft hij nog. Maar als hij in gemeenschap met zijn Heere leeft, is hij in staat die onzichtbaar te houden.
Mefibóseth had de koninklijke genade aangenomen. In het Schriftgedeelte voor vandaag hebben we een beeld van hen die deze genade helaas niet begrijpen en niet willen aannemen.
David wil Hanun, de nieuwe koning van de Ammonieten, troosten en weldadigheid bewijzen, omdat zijn vader was overleden. Zo wil de Heere Jezus Zich vandaag ook aan de mensen openbaren als Degene Die meevoelt met hun lijden en Die hun smarten heeft gedragen (Jesaja 53 vers 4).
Bestaat er een grotere belediging dan deze liefde af te wijzen?
Hoezeer moet David de smaad hebben ondervonden die zijn knechten werd aangedaan! Hoeveel meer zal het volmaakt gevoelige hart van de Heiland dan de pijn voelen van de verachting van hen die elke dag opnieuw Zijn liefdevolle uitnodiging afwijzen (Johannes 5 vers 40; Mattheüs 22 vers 1 tot en met 6 en 23 vers 37).
Hanun en zijn volk zouden nog gelegenheid gehad hebben om zich te verootmoedigen, toen zij inzagen hoe slecht het er met hen voorstond. De gebeurtenis met Abigáïl geeft ons de zekerheid dat het welverdiende oordeel dan afgewend zou worden (1 Samuël 25).
Maar door hun hoogmoed en verblindheid trekken de Ammonieten op ten strijde tegen hem die het zó goed met hen voor had!
Dit stelde David echter in staat om een nog glorierijkere overwinning te behalen dan op Hadadézer en de Syriërs (hoofdstuk 8) die nu Hanun te hulp komen en opnieuw de nederlaag lijden.
Je zou graag bij de overwinning in hoofdstuk 10 willen blijven stilstaan en wat nu volgt, maar overslaan. Want in dit hoofdstuk heeft David de ergste nederlaag ten opzichte van de grote vijand van de zielen geleden.
Deze verdrietige gebeurtenis staat echter als een waarschuwing voor ons allen in het Boek van God. Ook de vroomste gelovige heeft nog een verdorven hart dat wijd openstaat voor allerlei begeerten. Elke gelovige moet waken bij de ingangen van zijn boze hart. Dat betekent vooral: waken over zijn ogen.
Deze tragische gebeurtenis laat ons een koning zien die tot slaaf wordt: slaaf van zijn eigen begeerte, iemand die niet meer los kan komen uit het afschuwelijke raderwerk van de zonde.
In plaats van samen met zijn soldaten ten strijde te trekken, rust David uit in Jeruzalem en wandelt hij zonder bezigheid rond over het dakterras van zijn paleis. Laten we er goed op bedacht zijn: 'Ledigheid is des duivels oorkussen'.
Door luiheid wordt het gevaar om te vallen, voor een kind van God vele malen vergroot. Bij ledigheid zal onze waakzaamheid afnemen. En de duivel die zelf nooit loslaat, zal er baat bij hebben. Laten we er dus altijd op toezien dat we onze tijd niet in ledigheid doorbrengen.
David neemt de vrouw van UrÃa en om deze zonde te bedekken, begaat hij met de hulp van Joab een volgende zonde. Hij bedenkt een plan waardoor UrÃa, deze edele en toegewijde soldaat, voorgoed zal verdwijnen.
De wet zegt:
"Gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste"; â "Gij zult niet echtbreken"; en
"Gij zult niet doodslaan" (Exodus 20 vers 17, 14 en 13).
David die in Psalm 19 vers 8 zegt: "De wet des HEEREN is volmaakt", heeft deze drie geboden overtreden. Toch is zijn geweten nog niet ontwaakt.
De HEERE moet eerst de profeet Nathan naar hem toesturen. De aangrijpende gebeurtenis van het gestolen lam waardoor het hart van de gewezen schaapherder wel getroffen moet worden, zal hem helpen de ernst van zijn vreselijke misstap in te zien.
Toch dringt het nog niet direct tot David door. Hij heeft geen enkel erbarmen met de rijke man.
Zo zijn wij! De splinter in het oog van onze broeder ontgaat ons niet, terwijl we de balk in ons eigen oog niet eens opmerken (vergelijk Mattheüs 7 vers 3 tot en met 5).
Maar nu wijst de vinger van God met grote ernst naar David: "Gij zijt die man!"
Vervolgens wordt de hele verdrietige en zo zorgvuldig geheim gehouden gebeurtenis geheel blootgelegd.
Om het hart van David te beschamen, herinnert God hem uiteindelijk aan wat Hij in Zijn genade allemaal voor hem gedaan heeft. Was dat slechts weinig? In hoofdstuk 7 vers 19 had David zelf het tegendeel beweerd.
Hoe meer wij ontvangen hebben, hoe minder onze eigen begeerten te verontschuldigen zijn. En ... wij hèbben veel ontvangen!
Het geweten van David dat lange tijd ingeslapen was, is nu aangegrepen door een diep zondebesef. Hij erkent dat zijn misdaad niet alleen UrÃa en zijn vrouw heeft getroffen, maar in eerste instantie een zonde tegen de HEERE is geweest.
Wij moeten ons ervan bewust zijn dat onze misstappen ten opzichte van onze broeders en zusters, onze ouders of wie dan ook, in de eerste plaats tegen God gericht zijn (vergelijk Lukas 15 vers 21). Daarom is het ook niet voldoende het verkeerde dat wij een ander hebben aangedaan, alleen bij zo iemand weer in orde te brengen, à ls dat nog mogelijk is (in Davids geval kon dit niet meer). We moeten het óók tegenover God belijden.
David doet dat in Psalm 51 die hij in een moment van grote vertwijfeling heeft geschreven (zie ook Psalm 32 vers 5, 1 en 2). Het is werkelijk waar: "Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten" (Psalm 51 vers 19).
God vergeeft Zijn arme knecht, Hij vergeeft hem volledig. David is weer "wit als sneeuw" (Jesaja 1 vers 18), want hij werd â vooruitziend â door het kostbare bloed van de Heere Jezus gewassen dat voor hem en voor u en mij vergoten werd.
Wat nÃet uitgewist kon worden, zijn de gevolgen van zijn verkeerde daad. Die zijn zeer pijnlijk. In de eerste plaats moet het kleine kind sterven. Daardoor zou iedereen weten dat God, hoewel Hij de berouwvolle zondaar vergeeft, de zonde absoluut veroordeelt; juist dan wanneer die begaan werd door één van Zijn dienstknechten.
Zijn de intrieste gebeurtenissen uit hoofdstuk 13 in wezen ook niet de bittere gevolgen van het falen van David?
'Verdorvenheid en geweld' â dat zouden we als opschrift boven de hoofdstukken 11 tot en met 13 kunnen zetten.
Al vanaf het begin, vanaf Genesis 3, zijn dat de kenmerken van de wereld. En ze gelden ook nog voor vandaag.
Maar wat is het erg dat deze kenmerken zich ook in het gezin van David, de man naar Gods hart, openbaren. David had deze beide vormen van kwaad hun gang laten gaan door Bathséba tot vrouw te nemen en de dood van UrÃa te bewerken. Nu komen ze ook in zijn eigen huis voor.
Amnon is gedood. Door bemiddeling van Joab keert Absalom, de moordenaar van zijn broer, terug naar Jeruzalem. Maar er is bij hem geen spoortje van berouw en geen enkel teken van verootmoediging te bespeuren.
Bij deze man zien we slechts list, hoogmoed, eerzucht, gebrek aan vreze Gods en natuurlijke neigingen. Het vervolg van zijn geschiedenis zal dit beeld alleen maar donkerder aftekenen.
Absalom is een man wiens moreel gedrag een enorm groot verschil vertoont met de schoonheid van zijn uiterlijke verschijning.
Hoe kan zo'n ellendig mens de zoon van de geliefde koning zijn? Toch is het waar! Het geloof van onze ouders kunnen wij niet beërven. Het is een persoonlijk bezit!
2 Timotheüs 3 vers 1 tot en met 5 levert ons het bewijs dat er ook in christelijke gezinnen mensen zoals Absalom kunnen voorkomen.
Laten we ook niet uit het oog verliezen welke invloed met name de moeder heeft bij de opvoeding van de kinderen.
Absalom had zijn staatsgreep goed voorbereid. Dag aan dag ging hij naar de weg bij de poort om mensen die een rechtsgeding hadden, te ontmoeten. Hij gaf hen de hand, kuste hen en vroeg naar de reden van hun komst. Daarna zei hij tegen hen dat z'n vader niet naar hen zou luisteren om op de juiste manier recht te spreken. Hijzelf daarentegen, zo voegde hij eraan toe, zou hen niet teleurstellen en hen recht verschaffen als hij aan de macht zou komen.
Eigen ouders bekritiseren en doen alsof je het beter weet dan zij, is over het algemeen een verontrustend teken.
Door huichelarij en vleierij gelukte het Absalom bij heel Israël in een goed blaadje te komen. Al gauw stond hij bekend om zijn weldaden, zijn liefelijkheid en rechtvaardigheid, en dat alles ten koste van de koning, zijn eigen vader.
Zo stal hij "het hart van de mannen van Israël" van hun ware heer (vers 6).
Vandaag de dag zijn er ook personen of dingen die onze harten stelen van de ware David. Laten we er altijd aan denken dat onze harten de Heere Jezus toebehoren. Hij heeft een buitengewoon hoge prijs betaald om onze harten zonder voorbehoud en voor altijd te bezitten.
In de verzen 7 tot en met 12 zien we hoe Absalom zijn achterbakse handelwijze van een religieuze dekmantel voorziet. En daarbij organiseert hij een samenzwering die hemzelf aan de macht zal brengen.
Zolang het met de koning en in zijn omgeving allemaal goed ging, was er geen verschil te bespeuren tussen hen die David werkelijk trouw waren, en hen die om persoonlijke redenen bij hem bleven.
Nu komt echter de beproeving die zal aantonen wat er werkelijk in de harten leeft. De éne groep volgt Absalom (vers 13) en anderen volgen David (vers 18). Neutraal blijven is er niet meer bij.
Hebben wij er wel eens over nagedacht wat we zullen doen als de gelovigen morgen vervolgd zullen worden? Wat doen we als we misschien zelfs, zoals vroeger en ook nu in sommige landen nog het geval is, in de gevangenis gegooid of ter dood veroordeeld zullen worden?
Pas dà n zou zichtbaar worden of we de Heere Jezus werkelijk liefhebben, en of we Hem niet alleen volgen als de weg gemakkelijk is, maar ook als alles verlaten en verdragen moet worden om bij Hem te blijven.
Ithaï was een vreemdeling die nog maar kort geleden bij de koning was gekomen.
Vaak valt het op dat pasbekeerden uit kringen waar men weinig licht heeft, toch een groot geloof en een grote overgave aan de Heere tonen. Andere christenen daarentegen van wie we vanwege hun kennis en opvoeding veel mochten verwachten, hebben op het moment van beproeving gefaald.
O, dat wij toch allemaal lijken op deze Ithaï, de Gethiet.
Ithaï was een Filistijn, een heiden. Zo zijn ook wij uit de volkeren geroepen om tot Christus en Zijn gemeente te behoren.
De pijn en de smart die David nu moet ervaren, is het gevolg van zijn eigen falen. Daarom kan zijn lijden nu niet vergeleken worden met het lijden van de Heere Jezus dat immers het gevolg was van onze zonden.
In een bepaald opzicht zijn we door het gebeuren van David echter wel beter in staat te begrijpen wat onze Heiland heeft moeten doormaken.
We zien David met een paar trouwe vrienden al wenende naar de hoogte met de olijfbomen klimmen.
Op diezelfde plaats, in de hof van Gethsémané, heeft later de Man van smarten in grote strijd onder smekingen en tranen Zijn begeerten bekendgemaakt aan Hem Die Hem uit de dood kon verlossen (Hebreeën 5 vers 7).
Daar hoort David van het verraad van Achitófel, zijn begeleider en raadsman (zijn naam betekent dan ook 'broeder van de dwaasheid'!).
Naar die plaats heeft Judas eeuwen later de soldaten en gerechtsdienaren geleid.
Ongetwijfeld heeft David toen die smartelijke uitroep van Psalm 55 vers 14 en 15 gedaan: "Gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende! Wij, die tezamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden".
Dat doet ons denken aan de verdrietige woorden van de Heere toen Hij Zijn discipel moest vragen: "Vriend! waartoe zijt gij hier!" (Mattheüs 26 vers 50).
Terwijl David zijn weg van smart en verwerping vervolgt, neemt de Benjaminiet Simeï de gelegenheid waar om hem met stenen te bekogelen en te vervloeken.
Tegen de Heere Jezus trok niet één enkele aanklager op, maar een hele menigte van "honden" (Psalm 22 vers 17).
Zij verzamelden zich rondom het kruis en maakten gebruik van Zijn vernedering om Hem te bespotten, hun hoofd te schudden en Hem te beledigen. Hij heeft hen echter niet geantwoord, maar Zich daarentegen tot Zijn God gericht (Psalm 22 vers 10 en 11).
David doet hetzelfde ten opzichte van de onrechtvaardige aanklachten en laat alles over zich heen gaan, zonder erop te reageren. Ook hij wendt zich tot Hem Die de waarheid kent (zie Psalm 7 vers 2, 5 en 6).
Bovendien ziet hij deze nieuwe beproeving als komend uit Gods hand. Hij neemt die onrechtvaardige vervloeking aan als iets wat God voor hem nodig achtte.
Daarom bestraft hij AbÃsai die bij zijn grote ijver voor de koning een geest van wraak openbaarde (vers 9; zie ook 1 Samuël 26 vers 8).
Onze Verlosser heeft hetzelfde gedaan, maar dan volmaakt, toen Hij in dezelfde hof van Gethsémané tegen Petrus zei: "Steek uw zwaard in de schede. De drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?" (Johannes 18 vers 11).
Husai was door David teruggestuurd naar Jeruzalem om te voorkomen dat de altijd wijze raad van Achitófel door Absalom opgevolgd zou worden. En als antwoord op het gebed van de koning (hoofdstuk 15 vers 31) grijpt God in door deze krijgslist van David te laten gelukken.
Vandaag zou God zo'n manier van handelen niet meer kunnen zegenen, want het komen van de Heere Jezus heeft ons een heel andere maatstaf van de waarheid en rechtschapenheid naar Gods gedachten geopenbaard.
Door de raad van Husai kan David tijdig geïnformeerd worden. Eveneens kan hij zich terugtrekken en zijn verdediging voorbereiden.
We hebben er nog niet op gewezen dat dit hele gebeuren ook een profetische betekenis heeft. Het wijst ons op een toekomstige tijd. Dan zal er in Israël een aantal getrouwen zijn: een overblijfsel dat gedwongen zal worden te vluchten en dat achtervolgd zal worden door de vijanden van Christus.
Deze vijanden â de keizer (van het dan herstelde WestâRomeinse rijk) en de valse profeet (ofwel: de antichrist) die we hier in beeld zien in de personen van de valse koning Absalom en zijn raadsman Achitófel â zullen oorlog voeren tegen dit arme overblijfsel.
De Psalmen laten ons iets zien van de doodsangst waarin de gelovige joden dan zullen verkeren. Maar na een korte tijd van vervolging zullen deze beide bondgenoten een vreselijk en plotseling einde vinden: De keizer, "het beest" genaamd, en de valse profeet zijn de eerste mensen die levend in de poel van vuur geworpen zullen worden, dat is de hel, de tweede dood (Openbaring 19 vers 20).
De Psalmen 3 tot en met 7 hebben betrekking op deze donkere bladzijde uit de geschiedenis van David. Te moeten vluchten voor Saul was niets vergeleken bij deze vlucht voor zijn eigen opstandige zoon.
Hoewel zijn hart verscheurd wordt, blijft zijn genegenheid voor en vertrouwen in God toch onwankelbaar. Luister maar naar de prachtige woorden: "Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij" (Psalm 3 vers 4).
En wat zegt David op het moment dat Achitófel besluit hem 's nachts vanuit een hinderlaag aan te vallen en hem te verschrikken (2 Samuël 17 vers 2)? "Ik lag neer en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij. Ik zal niet vrezen voor tienduizenden van volk, die zich rondom tegen mij zetten" (Psalm 3 vers 6 en 7).
Let ook op de overgave van hen die David trouw bleven. Vooral de beide jongemannen Ahimáäz en Jónathan vallen daarbij op. Wat zij hadden â hun benen en vastberadenheid â stelden ze in dienst van de koning die daar veel baat bij had!
Laten wij toch ook elke gelegenheid aangrijpen om anderen behulpzaam te zijn. Indirect gaat het daarbij om de dienst voor de grote Koning Die onze Bruidegom is.
Aan het einde van dit hoofdstuk vinden we nog meer voorbeelden hoe we iets voor de Heere en Zijn volk kunnen doen: zich bekommeren om het welzijn van en de voeding voor hen die vermoeid zijn, gastvrijheid beoefenen, enzovoorts.
Nu zal de strijd beginnen en weer is het een burgeroorlog!
De arme koning bevindt zich in een verdrietige positie. Hoe kan hij naar een overwinning verlangen als die tegelijkertijd de nederlaag en misschien zelfs de dood van zijn zoon betekent die hij ondanks alles nog liefheeft?
Het Nieuwe Testament zegt: "Wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien" (Galaten 6 vers 7). Voor de beklagenswaardige Absalom heeft het uur van de oogst geslagen.
De vreselijke woorden uit Spreuken 30 vers 17 zijn op hem van toepassing: "Het oog, dat de vader bespot, of de gehoorzaamheid aan de moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken en de jongen van de arend zullen het eten".
Zijn prachtige haardos waaraan hij zijn roem mede had te danken, wordt het middel tot zijn ondergang. En de gruwelijke Joab is het werktuig waardoor Gods oordeel voltrokken wordt.
Voor Joab is dit echter beslist geen verontschuldiging! Ondanks het bevel van de koning schrikt hij er niet voor terug om opnieuw een koelbloedige moord te begaan.
Toen Absalom een gedenkteken voor zichzelf oprichtte (vers 18), had hij niet voorzien dat er eens tot zijn schande nog een ander teken opgericht zou worden: de grote hoop stenen op de kuil waarin zijn lichaam was neergeworpen (zoals eens bij Achan; Jozua 7 vers 26). Het was een hoop stenen waar iedereen naartoe zou kunnen gaan om zijn eigen steen er bovenop te gooien, als teken van verachting en veroordeling.
De toewijding van Ahimáäz aan David is groot. In het voorgaande hoofdstuk hebben we gezien dat hij met gevaar voor eigen leven een boodschap van Husai overbracht aan David waar de koning veel profijt van had. Nu wil deze jongeman de koning ook per sé de mededeling van de overwinning op de vijanden overbrengen en hem vooral ook voorbereiden op het bericht van de dood van Absalom die hij zó liefhad. Of hem dit ook gelukt is, valt te betwijfelen.
Het is voor ons belangrijk om ons in de dienst voor onze Heere niet door eigen gevoelens te laten leiden, maar afhankelijk te blijven van Hem.
De overwinning die zojuist behaald is, maakt het hart van David niet blij. Wat betekent de troon, ja, zelfs het leven voor hem? Absalom is dood!
Dit smartelijke bericht doorboort als het ware het hart van deze arme vader die heel goed zijn deel in de verantwoordelijkheid voor het hele gebeuren aanvoelt.
"Absalom, mijn zoon, mijn zoon!" Dit is één van de smartelijkste uitroepen in de Schrift die het hart van gelovige ouders doet beven. Een schreeuw zonder echo, zonder hoop. Een schreeuw die uitdrukking geeft aan de zekerheid van een definitieve, eeuwige scheiding.
Bij het sterven van het kleine kind van Bathséba was het heel anders. Toen was David niet troosteloos, maar had hij de overtuiging dat er een weerzien zou zijn in de opstanding: "Ik zal wel tot hem gaan" (hoofdstuk 12 vers 23).
Voor Absalom zou het, evenals voor Judas, beter geweest zijn als hij niet geboren was (Mattheüs 26 vers 24).
Zij die David gevolgd zijn, hebben dit niet allemaal uit geloof gedaan. Dat zien we bijvoorbeeld bij Joab.
Deze man dacht alleen aan z'n eigen belangen. Hij was gewetenloos en deinsde niet terug voor een misdaad als iemand zijn plannen doorkruiste.
Het was niet aan hem om David verwijten te maken. Hij was immers zelf verantwoordelijk voor het verdriet van de koning, omdat hij en zijn wapendragers Absalom gedood hadden.
Toch komt David door Joabs opmerkingen tot inkeer. Nu denkt hij weer aan het belang van zijn volk in plaats van aan zijn eigen smart.
De tegenslagen die David zijn overkomen, hebben vrucht gedragen. De beproeving heeft bewerkt dat hij zijn God nog beter, nog inniger heeft leren kennen. Hij heeft verdrukking, angst, vervolging, gevaar en het zwaard ondervonden. Maar al die dingen zijn slechts gelegenheden geweest waardoor hij de onuitputtelijke bronnen van Gods liefde heeft leren begrijpen (zie Romeinen 8 vers 35).
Onder het volk valt nu twist op te merken (vers 9). Bij Juda is een verdrietig gebrek aan bereidheid om de koning terug naar Jeruzalem te begeleiden.
Maar David handelt in een geest van genade. Vervolgens zijn de harten hem toegenegen, zoals zij eens aan de Heere Jezus onderworpen zullen zijn, als Hij in de toekomst als de uiteindelijke Overwinnaar over Zijn vijanden zal verschijnen om in heerlijkheid te regeren.
Hier zien we hoe David zich als waardige overwinnaar gedraagt tegenover hen die hem niet zijn gevolgd.
Simeï die David vervloekt had, komt de koning om vergeving vragen. Die krijgt hij, hoewel David misschien mocht twijfelen aan de oprechtheid van zijn berouw.
Dan is Mefibóseth aan de beurt. Ziba heeft hem opzettelijk bij David in een kwaad daglicht gesteld (hoofdstuk 16 vers 3).
Komt het bij ons nooit voor dat wij, om zelf belangrijker te lijken, anderen slechte bedoelingen toeschrijven of hen vals beschuldigen? Dat is kwaadsprekerij (vers 27).
Mefibóseth heeft zijn aanhankelijkheid jegens de ware koning getoond door openlijk rouw te bedrijven gedurende diens afwezigheid (vers 24). Hoe had hij zich kunnen verblijden, terwijl zijn heer en weldoener veracht en verworpen was?
Hierbij denken we aan de woorden van de Heere Jezus tot Zijn discipelen, toen Hij op het punt stond hen te verlaten: "Een kleine tijd, en gij zult Mij niet zien ... gij zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden" (Johannes 16 vers 19 en 20; vergelijk ook Markus 2 vers 20).
De blijdschap van Mefibóseth verheft hem nu als het ware boven alle ongerechtigheid. Hij kan, zonder het te betreuren, afstand doen van al zijn bezittingen.
De aanwezigheid van de koning is voor hem voldoende (vers 30). Wat zou hij nog meer nodig hebben? Hij eet immers aan de tafel van de koning!
Barzillai is één van de trouwe mannen van wie aan het einde van hoofdstuk 17 gezegd wordt dat zij hun bezittingen ten gunste van het volk gebruikten. Dat heeft David niet vergeten.
En als de grote Koning in heerlijkheid zal verschijnen, zal Hij ook denken aan de "gezegenden" van Zijn Vader. Op de dag van de beloning zal Hij tegen hen zeggen: "Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven ..." (Mattheüs 25 vers 34 en 35).
Barzillai trekt zich met veel tact terug. Hij wil op zijn hoge leeftijd de koning niet tot last zijn, maar vertrouwt hem wel zijn zoon Kimham toe. DM is de grootste wens van gelovige ouders: dat hun kinderen de Heere Jezus volgen, opdat Hij voor hen zal zorgen en hen zal zegenen.
David belooft Barzillai: "Alles, wat gij van mij begeren zult, zal ik u doen" (vers 38). Vergelijk dit met Johannes 14 vers 14 waar de Heere Jezus tegen de Zijnen zegt: "Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen".
David trekt weer de Jordaan over. Opnieuw mag hij van het land Kanaän â een beeld van de hemelse gewesten met de geestelijke zegeningen â genieten. Dit was een vreugde die hem vanwege zijn zonde enige tijd ontzegd was.
Voor een kind van God geldt hetzelfde. Elke misstap berooft hem van de vreugde van de hemelse zegeningen die hij nu al mag genieten. Dan moet hij opnieuw die weg gaan: de Jordaan oversteken (een beeld van de dood) en in Gilgal vertoeven (de plaats van het zelfoordeel) om uiteindelijk de gelukkige gemeenschap met de Heere terug te vinden.
Zoals we aan het einde van hoofdstuk 19 gezien hebben, ontstaat er twist tussen Juda en de andere stammen van Israël.
Seba, een nieuwe vijand, maakt hier handig gebruik van door het volk mee te slepen in een nieuwe opstand (hoofdstuk 20). Op dezelfde manier behaalt satan voordeel uit onze onderlinge strijd en hij verheugt zich over onenigheid tussen de kinderen van God.
Seba sterft en alles komt weer in orde. De regering van het rijk wordt weer hersteld, volgens hoofdstuk 8 vers 15 tot en met 18, zij het met dit verschil, dat de zonen van David geen dienaars van de kroon meer zijn. Na het gebeuren met Absalom begrijpen we waarom.
Hoofdstuk 21 beschrijft een andere verdrietige gebeurtenis.
Saul had de eed die Israël eens aan de GÃbeonieten had gezworen, verbroken (Jozua 9 vers 15). Veel later wordt deze zonde in herinnering gebracht. Dit moest nu, volgens Numeri 35 vers 19, nog recht getrokken (ofwel: verzoend) worden.
We kunnen er zeker van zijn dat de tijd de begane zonden niet uitwist! Voor God blijven ze bestaan!
Maar voor de gelovigen heeft het bloed van Christus alle zonden volledig weggedaan. Hangend aan het hout (Handelingen 5 vers 30 en 10 vers 39), de vloek dragend, heeft de Heere Jezus het oordeel over onze zonden gedragen. Hij, de Rechtvaardige, stierf voor ons, de onrechtvaardigen. Hem komt al onze dank en aanbidding toe, nu en tot in eeuwigheid!
Hier zien we David opnieuw iets doen ter nagedachtenis aan Saul en zijn nakomelingen (vergelijk hoofdstuk 9). Hij bekommert zich persoonlijk om hun graven.
Vervolgens laat God ons nog iets zien van een glorierijke periode. Vier vreselijke vijanden, zonen van een reus, trekken achtereenvolgens op tegen Israël. Maar de één na de ander wordt door een metgezel van David neergeveld.
David heeft zijn mannen eerst zelf het voorbeeld gegeven, toen hij over Goliath, de grootste en gevaarlijkste van alle vijanden, triomfeerde. David heeft hen laten zien wat vertrouwen op God kan uitwerken.
De grote strijd aan het kruis hoeft niet opnieuw gevoerd te worden. Satan is overwonnen. Maar als wij volgelingen van Christus zijn, zullen ook wij strijd hebben.
In tegenstelling tot David is de Heere Jezus wèl altijd bij ons en zal Hij nooit moe worden. Hij zal ons de overwinning geven, want wij strijden voor Zijn Naam en voor Zijn eer âvaak slechts door eenvoudig en aanhoudend in geloof te bidden.
En de vijanden die ons vaak zó vreselijk en ontzettend groot lijken te zijn, zullen voor de almachtige Naam van de Heere Jezus waarin wij hen tegemoet treden, als een schaduw wegvluchten.
Kent ieder van ons uit eigen ervaring de macht van deze kostbare Naam?
De laatste vijanden van de koning zijn vernietigd. Zoals eens Israël ná hun doortocht door de Rode Zee (vers 16 is daarop een zinspeling; zie ook Exodus 15), Deborah en Barak ná hun overwinning op de vijanden (Richteren 5) en Hanna ná de verhoring van haar gebed (1 Samuël 2), zo kan David nu ook roemen in de bevrijdingen die de HEERE bewerkte.
Hij dankt zijn Redder met een lied. Zingen wij ook dankliederen? Allicht doen we dat in de samenkomsten en misschien ook wel thuis met anderen. Maar waarom zouden we het ook niet doen als we alleen zijn?
Dit lied bevat een groot deel van Psalm 18. En zoals alle Psalmen stijgt ook de inhoud van deze Psalm boven de ervaringen van de schrijver zelf uit.
Wat is het lijden van David vergeleken met wat de Heere Jezus moest ondergaan? Wat is alle geweld en kwaad van Saul vergeleken met de haat van satan, de sterke, die Hij moest ondervinden?
Satan heeft geprobeerd de Heere Jezus bang te maken door Hem te bepalen bij Gods oordeel dat Hem te wachten stond. Hij heeft gepoogd Hem in die "strikken des doods" te laten vallen, zodat Hij niet naar Golgotha zou willen gaan (vers 6). Maar in Gethsémané is Christus "verhoord" (Hebreeën 5 vers 7).
Natuurlijk kon God Zijn Zoon het kruis niet besparen, noch de "drinkbeker" van Hem wegnemen. Toch heeft God geantwoord en Hem van Zijn "sterke vijand" (vers 18), de duivel, bevrijd en Hem uit "grote wateren" opgetrokken (vers 17), uit die vreselijke "baren des dood'" (vers 5).
De bevrijdingen die God ons schenkt, en bovenal ons eeuwig heil, zijn niet van onze eigen verdienste afhankelijk, maar alleen van Zijn genade. Toen het daarentegen om Zijn Zoon ging, vond God in Hem zo'n voortreffelijkheid dat Hij niet anders kon dan Hem bevrijden.
Onder alle mensen is Christus de Enige, als we dat zo mogen zeggen, Die Zijn opstanding verdiend heeft! Zij die de Heere Jezus aan het kruis gezien hebben, dachten dat Zijn verlatenâzijn een teken van verwerping door God was. De spotters schudden hun hoofd: "... dat Hij Hem redde, daar Hij lust aan Hem heeft!" (Psalm 22 vers 9), of: "... dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil" (Mattheüs 27 vers 43).
God heeft geantwoord op deze uitdaging door de Heere Jezus op te wekken. En de Zoon Die het hart van de Vader kent, antwoordde aan de overkant van de dood: "Hij rukte Mij uit, want Hij had lust aan Mij" (vers 20).
Laten we die wonderbare oorzaken waarom God een welgevallen in de Heere Jezus gevonden heeft, eens samen overdenken:
Zijn gerechtigheid en reinheid (vers 21 en 25);
Zijn trouw (vers 22);
Zijn gehoorzaamheid (vers 23);
Zijn oprechtheid (vers 24);
Zijn goedheid (vers 26);
Zijn afhankelijkheid (vers 29 en 30);
Zijn vertrouwen (vers 31);
dit alles samenvattend: Zijn volkomenheid.
Het oog van de Vader kon werkelijk met volle bevrediging op deze "oprechte Held" (vers 26) rusten.
In dit bevrijdingslied hebben we de zijde van David gezien, als voorbeeld voor de gelovigen, maar ook als type van Christus. Nu rest ons nog Gods zijde te overdenken.
"Gods weg is volmaakt", zo begint vers 31. De Heere Jezus wil graag dat wij de Bewerker van Zijn bevrijding kennen (zie vers 17 en 18 en ook Psalm 40 vers 3).
Wat was de eerste boodschap die de Heere Jezus direct ná Zijn opstanding bij monde van Maria aan Zijn discipelen liet overbrengen? Vergelijk Psalm 22 vers 23 met Johannes 20 vers 17.
Het is alsof Hij hen hiermee zegt: 'De Vader Die Mij liefheeft, de machtige God Die Mij bevrijd heeft, wordt jullie Vader, jullie God. Hij heeft ook jullie lief en door dezelfde macht bevrijdt Hij ook jullie uit de macht van satan en dood. Alles wat de Vader voor Mij betekent, zal Hij voortaan ook voor jullie zijn'.
Vers 33 en verder laten ons zien dat God ook machtig is om hen die op Hem vertrouwen, kracht te geven voor hun wandel en voor hun strijd. Op dezelfde wijze heeft Hij ook de Heere Jezus geleid Die ook volledig op Hem vertrouwde.
Het slot van dit hoofdstuk vestigt onze ogen op de toekomst. Het laat ons zien wat God zal doen om de vijanden van Christus definitief te verslaan. Hij zal de volkeren onder Zijn heerschappij brengen en Hem uiteindelijk als Koning over het hele universum stellen.
Het leven van David loopt ten einde. Zijn laatste geïnspireerde woorden worden ons nog meegedeeld.
Hij die "liefelijk in psalmen van Israël" genoemd wordt, denkt terug aan het verleden: Hij weet dat hij zijn huis niet bestuurd heeft zoals het had gemoeten! Maar hij vertrouwt volkomen op de genade van God.
God heeft voor Israël en de rest van de wereld een toekomst in heerlijkheid onder de heerschappij van Christus, de Koning van de gerechtigheid en van de vrede, toebereid.
Dat zal zijn als de glans van een nieuwe morgen die doorbreekt na een donkere nacht. Alle duisternis die nu nog over de aarde heerst, zal dan verdwenen zijn. Onder deze heerschappij zullen de mensen God vrezen en Hem dienen. Zij zullen vruchten voortbrengen zoals een vruchtbare en goed bevochtigde aarde dat doet.
Voor ons is het noodzakelijk, zonder eerst het einde van ons leven af te wachten, dat wij van tijd tot tijd onze positie bepalen, zoals een kapitein dat doet op zijn schip.
Het verleden is mijn verdrietige geschiedenis, maar was tegelijkertijd die aangrijpende gelegenheid voor de Heere om mij genade te bewijzen.
Het heden wordt hoofdzakelijk door twee dingen gekenmerkt: de Heere gehoorzamen en alleen op Hem vertrouwen.
En wij weten dat de toekomst van de gelovigen de heerlijkheid zal zijn. Christus zal dan Zijn heerlijkheid met hen delen, zoals Hij tegen Zijn Vader gezegd heeft (Johannes 17 vers 22).
Hier vinden we een prachtige opsomming van de metgezellen van de koning. Eens hebben zij samen met hem gestreden en geleden, mi heersen zij ook met hem (vergelijk 2 Timotheüs 2 vers 12).
Een roemrijke bladzijde waarop elke naam en elke heldendaad naar waarheid beschreven staat! Zo zal er ook niets vergeten worden van wat de Heere ons toestaat voor Hem te doen. Heeft Hij het niet gezegd: "En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleen een beker koud water ... hij zal zijn loon geenszins verliezen" (Mattheüs 10 vers 42)?
Kijk eens naar het handelen van de drie helden, daar bij de bornput van Bethlehem. Zij wagen zelfs hun leven voor een beetje fris water! Het kleinste verlangen van hun leider die zij liefhebben, is in hun ogen zo'n offer waard. "Dit deden die drie helden" (vers 17).
Zijn wij uit liefde tot een veel grotere Meester ook bereid tot zo'n overgave en toewijding?
De Heere weet alles wat voor Hem gedaan wordt, precies op zijn waarde te schatten, al is het nog zo moeilijk. Twee leeuwen doden is al heel uitzonderlijk. Dat in de sneeuwtijd te doen, was voor de moedige Benája nog veel moeilijker. Daarom worden de slechte weersomstandigheden en het jaargetijde expres genoemd!
Dan volgt een lijst met namen van deze helden. Allen worden genoemd. Ze zijn stuk voor stuk kostbaar voor het hart van de koning.
Ook de trouwe Uria ontbreekt niet (vers 39).
Joab wordt daarentegen niet genoemd, ondanks zijn vele daden.
David begaat opnieuw een fout door een volkstelling te laten houden.
In vers 1 lijkt het alsof dat niet zijn schuld is, omdat de HEERE hem ertoe aanzette. Maar uit 1 Kronieken 21 vers 1 blijkt duidelijk dat het satan was die hem daartoe dreef. God had satan vrijheid van handelen gegeven, omdat Hij Israël wilde tuchtigen en daarna genade wilde bewijzen.
De vijand kan zijn doel alleen maar bereiken via de hoogmoed van de koning. David is er namelijk trots op dat hij over zo'n talrijk volk heerst en zo'n machtig leger tot zijn beschikking heeft.
Door hoogmoed gaan we onszelf belangrijk vinden, waarbij we vergeten dat we alles wat we zijn of hebben, te danken hebben aan de genade van God.
In betere dagen had David eens gezegd: "Wie ben ik, Heere HEERE? ... En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israël?" (hoofdstuk 7 vers 18 en 23).
Israël had zijn eer niet te danken aan eigen kracht, noch aan het aantal strijders. Het volk bestond enkel en alleen in de Naam van de HEERE Wiens volk het was (Psalm 20 vers 8)!
Hoewel hij God niet vreesde, blijkt Joab dit veel beter begrepen te hebben dan David. Hij probeert de koning van zijn plan te weerhouden. Tevergeefs!
De volkstelling vindt plaats, maar al spoedig ziet de koning zijn grote dwaasheid in!
Ondanks zijn berouw heeft hij te maken met de regeringswegen van God.
Het volk wordt getroffen door de Goddelijke straf. Het volk Israël wordt door een epidemie getroffen, zodat er zeventigduizend mannen sterven.
Het is alsof God tegen David wil zeggen: 'Het komt Mij toe, dit volk binnen drie dagen te vermeerderen of te verminderen, terwijl jij bijna tien maanden nodig hebt gehad om het te tellen'.
David geeft een mooi antwoord op de keuze die hem gesteld wordt: "Laat ons toch in de hand des HEEREN vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen" (vers 14).
Hij kent het hart van God en zelfs de tuchtiging kan zijn vertrouwen in de Goddelijke liefde niet aan het wankelen brengen. Dit vertrouwen zal niet beschaamd worden.
Ook nu neemt God de zonde van de mens tot aanleiding om de wonderbare bronnen van Zijn barmhartigheid en vergeving te openbaren. "Het is genoeg!" (vers 16), zegt Hij als de vrucht die Hij verwachtte, zichtbaar is geworden in de harten.
Dan wordt er een offer gebracht. En de dorsvloer die de koning van Arauna koopt, wordt later, zoals wij zullen zien, tot standplaats van de tempel.
David wil de HEERE geen offers brengen die hem niets gekost hebben. Daarbij gaan onze gedachten uit naar het offer van Maria in de Evangeliën. Ook zij wilde Hem Die zij boven alles achtte, eren met een welriekend offer dat haar heel veel gekost had (Johannes 12 vers 3).
David is nu een grijsaard. Hij is moe van al het lijden en strijden. Maar zoals wij uit de woorden van het gebed in Psalm 71 mogen opmaken, blijft hij op God vertrouwen: "O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan ... Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God" (Psalm 71 vers 17, 18 en ook vers 9).
De HEERE zal hem antwoorden en hem in de laatste beproeving die Hij hem zendt, te hulp komen.
Na Absalom is het nu Adónia, één van de andere zonen van David, die een samenzwering tegen hem smeedt om de troon te bemachtigen.
Deze Adónia heeft blijkbaar niets geleerd uit het noodlottige einde van zijn broer. Bovendien had de opvoeding van deze jongeman te wensen overgelaten. Zijn vader had hem nooit vermaand en hem nooit afgeremd, zodat Adónia van kinds af aan altijd gedaan had wat hijzelf wilde, en ook in alles zijn zin gekregen had.
Dat is ook een les voor onze jonge lezers om eerst eens goed na te denken, als ze menen dat hun ouders te veel van hen vragen!
Wees ervan overtuigd dat als je op zo'n manier 'bedroefd' wordt als je jong bent, je dit een heleboel leed in je verdere leven zal besparen! God handelt met Zijn kinderen niet anders (Hebreeën 12 vers 6).
Hoe vaak zullen Zijn wijsheid en liefde ons al niet verhinderd hebben een eigen weg te gaan. Dat is nu al tot ons heil en misschien zelfs ook voor de eeuwigheid!
Bij de fontein Rogel is het feest in volle gang. Iedereen die uitgenodigd is heeft zich rondom Adónia geschaard.
We zien daar de afvallige Joab, maar ook een Abjathar die de genadige woorden ("Blijf bij mij ..." â 1 Samuël 22 vers 23) van David vergeten heeft.
De andere zonen van David hebben zich ook bij hun broer aangesloten; zij het uit hoop er zelf beter van te worden of vanwege hun zwakke karakter.
Er is slechts één die een uitzondering vormt: Sálomo, die niet uitgenodigd is. Waarom niet? Is hij niet de door God verkozen koning, de opvolger van David?
Het hele, zo geraffineerd opgezette plan wordt door enkele getrouwe vrienden die zich onderwerpen aan Gods plannen, gedwarsboomd. Zodra David ervan hoort, gaat hij handelen: Sálomo zal nu de troon bestijgen. Alle aanwijzingen daarvoor worden nu gegeven.
Vandaag de dag verheft de mens zich op elk gebied om eigen eer te zoeken. Er is echter één gedachte waar hij zich nooit om bekommert: de wil van God te kennen.
Het is de Goddelijke wil om de wereld een Koning te geven Die Hij daarvoor bestemd heeft: Jezus Christus.
Deze Koning is nu nog verworpen en veracht. Hij wordt niet uitgenodigd op de vrolijke feesten van de wereld. En evenmin is daar een plaats voor hen die Hem vrezen.
Volgens de aanwijzingen van David wordt er nu een heel ander feest gevierd. Omgeven door de vreugde van het trouwe volk bestijgt de jonge Sálomo de troon van zijn vader.
Wat een groot verschil met Adónia! De nieuwe koning handelt niet uit zichzelf. Men laat hem op de muilezelin rijden, men leidt hem naar Gihon waar hij tot grote vreugde van de anderen door Zadok gezalfd wordt.
Intussen loopt het feest bij Rogel ten einde. Er klinkt een aanhoudend en ongewoon lawaai vanuit de richting van de stad.
Ook Joab, de ervaren soldaat, hoort dit en het geluid verontrust hem zeer. Tegelijkertijd verschijnt dan, geheel onverwacht, Jónathan ten tonele met een boodschap.
Wat hem betreft, is het een goede boodschap, want voor hem is er maar één koning gebleven: David, zijn heer. Maar wat een vreselijk bericht voor Adónia en zijn gasten!
De hele opstand valt op hetzelfde moment in duigen en de buiten zichzelf geraakte samenzweerders stuiven naar alle kanten uiteen. Geschrokken en doodsbang grijpt Adónia die de troon op onrechtmatige wijze voor zichzelf wilde opeisen, de hoornen van het altaar vast en smeekt de koning om zijn leven te sparen. De straf die hij verdiend had, wordt hem nu onthouden, maar toch is de hoogmoed en het kwaad in zijn hart niet veroordeeld.
Wat een dwaasheid, zich tegen God en Zijn gezalfde te verzetten! Toch zal de antichrist dat ook heel spoedig doen. Hij zal echter vernietigd worden en daardoor plaats moeten maken voor de Heere Jezus en Zijn heerschappij.
De laatste woorden die een stervende vader of moeder tegen zijn of haar kinderen zegt, zijn altijd van grote betekenis. De laatste aanwijzingen van David aan Sálomo laten zich in één zin samenvatten: Bewaar het Woord van God. Dat was ook het verlangen van de Heere Jezus, toen Hij op het punt stond de Zijnen te verlaten (Johannes 14 vers 23 en 24).
Daarbij is het ook nodig dat David over oordeel spreekt. Zonder oordeel kan het rijk van gerechtigheid en vrede niet worden opgericht.
Lange tijd bleef het kwaad ongestraft, maar nu komt de misdaad van Joab en het vervloeken van Simeï weer in herinnering. Maar wat Barzillai ooit voor de koning en de zijnen gedaan heeft, wordt evenmin vergeten.
Het tweede deel van dit hoofdstuk laat ons zien dat Sálomo een beeld is van Christus, de Koning van de gerechtigheid, en dat hij iedereen zal vergelden naar hetgeen hij gedaan heeft.
De dag waarop de Heere Zijn rijk in heerlijkheid zal aanvaarden, zal ook de dag van beloning en vergelding zijn (Mattheüs 25 vers 31 tot en met 46).
Sommigen zullen deel hebben aan het eeuwige leven en anderen aan het lijden dat ook eeuwig zal duren. Ja, er bestaat een Rechter, een oordeel en een hel (Openbaring 20 vers 11 tot en met 15).
Maar voor de gelovigen bestaat er een 'opstanding ten leven'. Daar wacht David nu op. Hij is ontslapen en begraven in de stad van David, nadat "hij in zijn tijd de raad Gods gediend had", zoals Handelingen 13 vers 36 ons zegt.
Als de Heere vannacht bij ons zou komen, zoals bij Sálomo, en zou vragen: "Begeer wat Ik u geven zal", wat zouden wij dan antwoorden?
Ik ben er nog niet zo zeker van dat iedereen als eerste graag "een verstandig hart" zou willen hebben.
Rijkdom, succes, ontspanning, reizen, een mooie auto â dat is het verlangen van de meeste jongeren (en soms ook ouderen) van deze wereld. Wat wensen u en ik?
"Een verstandig hart" â zo'n verlangen is welgevallig voor God en dat mogen wij altijd van Hem vragen!
"Indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een ieder mild geeft ... en zij zal hem gegeven worden" (Jakobus 1 vers 5). Als je echter al wijs bent in eigen ogen, dan kun je er niet meer om vragen (Spreuken 3 vers 7).
Sálomo had echter géén hoge dunk van zichzelf: "Ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan" (vers 7).
Laten we er goed aan denken dat het hierbij gaat om een wijs en verstandig hart en niet om het hoofd.
Liefde tot de Heere is de sleutel tot ware wijsheid. Denk maar aan ons volmaakte Voorbeeld, de Heere Jezus Zelf, Die bij monde van de profeet zegt: "De Heere HEERE ... wekt Mij het oor, dat Ik hoor, gelijk die geleerd worden" (Jesaja 50 vers 4).
In Israël was de koning tevens de hoogste rechter. Dat is een beeld van Christus Die ook beide ambten tegelijkertijd zal bekleden. De jonge koning Sálomo heeft juist de Goddelijke wijsheid nodig om die beide taken naar behoren te kunnen uitvoeren: het volk regeren en richten.
God lost Zijn belofte zonder meer in en door de bekende rechtsspraak in de zaak tussen deze beide vrouwen erkent heel Israël dat in Sálomo "de wijsheid Gods" is "om recht te doen" (vers 28).
Absalom heeft destijds op een heel andere manier geprobeerd bekendheid als rechter te verkrijgen (2 Samuël 15 vers 2 tot en met 4). Hoe had gerechtigheid kunnen heersen als deze goddeloze, opstandige en misdadige man de troon bemachtigd zou hebben die God voor zijn jongere broer Sálomo bestemd had?
Eén is er echter nog wijzer dan Sálomo. Kijk maar eens hoe de Heere Jezus als Kind "vervuld met wijsheid" was en de leraars verbaasd stonden over Zijn verstand (Lukas 2 vers 40 en 47).
En later in Zijn dienst antwoordde Hij een ieder naar gelang de toestand van zijn hart. Hij kende de valstrikken die men voor Hem spande. Hij beschaamde Zijn tegenstanders. Vooral in de gebeurtenis met de overspelige vrouw mogen we Hem bewonderen om de woorden die Hij tegen de aanklagers uitspreekt: "Wie van u zonder zonde is, werpe eerst de steen op haar" (Johannes 8 vers 1 tot en met 11).
"Wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is?" werd er van Hem gezegd (Markus 6 vers 2).
Het rijk van Sálomo wordt gegrondvest op gerechtigheid en vrede. Zoals al gezegd is het een beeld van de gelukkige tijd waarin niet alleen Israël, maar ook de hele wereld bevrijd zal zijn van oorlog en ongerechtigheid.
Ondanks alle inspanningen en alle vooruitgang op technisch en sociaal gebied, lukt het de mens vandaag de dag niet om deze gerechtigheid en vrede te creëren, hoewel iedereen er ontzettend naar verlangt.
Eerst moet de satan gebonden worden en de Zoon des mensen de allesomvattende heerschappij overnemen.
Let ook op de goede orde waarin alles in het rijk geregeld wordt. Er zijn twaalf aangestelden, opzieners, voor elke maand één, die afwisselend verantwoordelijk zijn voor de verzorging van het huis van de koning.
Zij doen ons denken aan die trouwe en verstandige knecht die een heer over het personeel van zijn huis aanstelde om hen op tijd eten te geven (Mattheüs 24 vers 45).
Herders en leraars die de opdracht hebben voor het geestelijke voedsel van de Zijnen te zorgen, worden door de Heere daartoe in staat gesteld.
In principe hoort elke gelovige een trouw opziener en een goed beheerder te zijn van de talenten die zijn Meester hem heeft toevertrouwd, opdat Hij daardoor verheerlijkt wordt.
Vergelijk de verzen 20 en 29 eens met elkaar. De grootte van het volk en het hart van de koning worden op dezelfde wijze omschreven: "Gelijk zand, dat aan de oever der zee is".
Anders gezegd: God heeft Zijn gezalfde een hart gegeven dat groot genoeg is om dit grote volk dat hij nu moet regeren, te bevatten en lief te hebben.
Zó is de liefde van de Heere ook volkomen toereikend voor allen die Hem toebehoren. De grootte van het aantal van de Zijnen kan de grootte van Zijn liefde nooit overtreffen! Het kruis is het bewijs!
Beste gelovige vriend(in), Hij heeft jou zó lief alsof je de enige bent die door Hem verlost is!
Wij zullen deze "liefde van Christus, die de kennis te boven gaat", nooit volledig kunnen bevatten en doorgronden (Efeze 3 vers 19).
Dit prachtige beeld van het duizendjarige rijk van Christus herinnert ons aan de rust die de schepping dan eindelijk zal genieten, nadat zij lang onder "de dienstbaarheid der verderfenis" gezucht heeft (Romeinen 8 vers 19 tot en met 22).
Sálomo heeft over het vee, de vogels, de reptielen en de vissen gesproken. Volgens Psalm 8 zal Christus, de Zoon des mensen, "met eer een heerlijkheid gekroond", over alle werken van God heersen: over "schapen en ossen, die alle; ook mede de dieren des velds. Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee ... O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!" (Psalm 8 vers 5 tot en met 10).
David is de koning van de genade geweest. Sálomo, zijn opvolger, mogen we zien als de koning van de heerlijkheid.
In de raadsbesluiten van God horen genade en heerlijkheid bij elkaar. Ze zijn niet van elkaar te scheiden. Elke gelovige die nu al de genade mag genieten, zal bij het komen van de Heere Jezus ook de heerlijkheid ontvangen.
Hiram, de koning van Tyrus, heeft altijd van David gehouden. Daarom neemt hij bij de troonsbestijging van Sálomo ook deel aan de heerlijkheid van de grote koning.
Wat Hiram nodig heeft, wordt hem in overvloed geschonken om zo in zijn eigen behoeften en in die van zijn volk te voorzien. Als tegenprestatie voor deze weldaden draagt Hiram nu bij aan de bouw van de tempel.
De tempelbouw zal de belangrijkste onderneming tijdens de regering van Sálomo zijn.
Nu de HEERE aan Israël rust heeft gegeven, kan Hijzelf ook rusten en de tent (van een reizende) verwisselen voor een vaste woonplaats.
Zoals eens bij de tabernakel, zal ons nu de tempel van Sálomo (zij het dan ook met wezenlijke verschillen) talloze beelden laten zien met betrekking tot de verhouding tussen God en Zijn volk.
Het eerste verschil wordt ons hier direct al getoond. Het huis in de woestijn werd opgesteld op het zand, maar de onwankelbare fundering van de tempel bestaat uit grote waardevolle stenen. "Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid" (Psalm 87 vers 1).
Bij de tabernakel werden planken gebruikt, maar bij de bouw van het nieuwe huis voor de Heere wordt gebruik gemaakt van stenen.
Dat is een prachtig beeld van de gelovigen die nu al als levende stenen opgebouwd worden tot een geestelijk huis (1 Petrus 2 vers 5).
Vers 7 laat ons zien dat de stenen voor de tempel al vóórdat ze getransporteerd worden, helemaal klaar zijn. Dat betekent voor ons dat de verlosten die uit de steengroeve van de wereld zijn gehaald, hier beneden nog voorwerpen van de tuchtiging van de Vader zijn om Zijn heiligheid in praktisch opzicht deelachtig te worden (Hebreeën 12 vers 4 tot en met 11).
Behalve het heiligdom en het heilige der heiligen bevatte de tempel ook nog zijkamers die niet in de tabernakel, het huis van God in de woestijn, gevonden werden. Die kamers waren bestemd voor de priesters.
Dat is een beeld van de "vele woningen" die in het huis van de Vader zijn, waar de Heere Jezus ons plaats heeft bereid. Hij wenst de Zijnen daar eens bij Zich te hebben!
Van tevoren klaargemaakte stenen en kamers! De Heere heeft de Zijnen toebereid, en doet dat vandaag nog, om hen eens in het huis van Zijn Vader een plaats te kunnen geven. Dat is de les uit Johannes 13.
Maar Hij heeft die plaats ook Zelf toebereid voor de Zijnen, zoals Johannes 14 ons zegt.
Wat is het werk van de liefde van onze Heere Jezus toch volmaakt!
De enige Psalm waarvan bekend is dat zij door Sálomo is geschreven, begint als volgt: "Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden zijn bouwlieden daaraan" (Psalm 127 vers 1).
Dat was de gelukzalige en noodzakelijke geestelijke houding van hem die het huis voor de HEERE bouwde.
Vóórdat wij iets gaan doen, moeten wij ook zeker weten dat de Heere met ons is om te handelen en te zegenen. Dat geldt vooral ook voor hen die graag een gezin willen stichten.
Het zou te ver voeren om elk detail van dit wonderbare huis te bespreken.
Ze bevatte â zoals eens de tabernakel, maar dan dubbel zo groot â een heiligdom en het heilige der heiligen, "de aan-spraakplaats" genaamd. Daar spreidden twee grote cherubs hun vleugels uit.
Er wordt niet gesproken over een voorhang tussen deze
beide ruimten, maar wel over "deuren van olieachtig hout".
Behalve stenen werd er ook gebruik gemaakt van:
â cederhout, een symbool van bestendigheid en majesteit; en
â gelouterd goud, een symbool van de Goddelijke gerechtigheid waarmee alles overtrokken werd.
Een wonderbare aanblik waardoor de woorden uit Psalm 29 vers 9 duidelijk bevestigd worden: "In Zijn tempel zegt Hem een ieder eer".
Sálomo heeft veel ijver getoond bij de bouw van de tempel. Zeven jaren waren voor hem voldoende, terwijl Herodes later voor de wederopbouw zesenveertig jaar nodig had (Johannes 2 vers 20)!
Daarna houdt de koning zich bezig met zijn eigen huis. Nu duurt het echter dertien jaar voor alles klaar is.
Moge dit voor ons een les zijn! Alles wat de Heere ons opdraagt voor Hem te doen, laten we dat direct, goed en snel doen, vóórdat we ons bezighouden met onze eigen aangelegenheden. Maar laten we wel meer tijd besteden aan het huis van God dan aan onze eigen woningen.
Als een wijs architect bouwt Sálomo na de tempel nog drie andere huizen: zijn eigen (vers 1), het huis van het woud van Libanon (vers 2 tot en met 7) en tenslotte het huis voor zijn vrouw, de dochter van Faraö (vers 8).
Elk huis afzonderlijk heeft voor ons een betekenis. Het spreekt van een bepaalde verhouding tussen God en mensen.
Zoals de tempel een beeld is van het huis van de Vader, zo doet het eigen huis ons denken aan het huis van de Zoon, dat wil zeggen: de gemeente (Hebreeën 3 vers 6).
Het huis van het woud van de Libanon spreekt van de toekomstige betrekkingen van Christus, de Koning van de heerlijkheid, met Israël. Dáár bevindt zich dan de troon van de Rechter.
En tenslotte herinnert het huis van de dochter van Faraö ons aan de betrekkingen van de Heere als Koning tot alle volkeren van de aarde.
Voor de bouw van de tabernakel en haar voorwerpen had de HEERE destijds Bezáleël voorbestemd. Hij was een bekwame arbeider, "vervuld met de Geest Gods, met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, namelijk in alle handwerk" (Exodus 31 vers 2 en 3).
Voor het vervaardigen van al het koperwerk laat Sálomo Hiram uit Tyrus halen. Hij was een kundig koperwerker die eveneens "vervuld was met wijsheid, en met verstand, en met wetenschap, om alle werk in het koper te maken" (vers 14).
O, dat wij toch ook zulke geestelijke eigenschappen mogen bezitten! Dan zal de Heere ons ook voor "alle werk" kunnen gebruiken, want er is werk in overvloed!
Het eerste werk van Hiram was de beide pilaren met de prachtige kapitelen te maken.
Daarbij denken we aan de belofte die de Heere gegeven heeft aan de gemeente te FiladelfÃa: "Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel Mijns Gods". Tegen deze zelfde gelovigen in FiladelfÃa had Hij gezegd: "Gij hebt kleine kracht" (Openbaring 3 vers 12 en 8).
De namen van deze beide pilaren van Sálomo, Jachin en Boaz, betekenen: 'Hij zal grondvesten' en 'In Hem is kracht'.
Wat een kostbaar antwoord op de tegenwoordige, zwakke toestand van de verlosten: kleine kracht op aarde, maar voor eeuwig standvastigheid en kracht in de hemel, in de heerlijkheid, waarvan de tempel een beeld is.
Hiram is een beeld van de Heilige Geest, de Goddelijke Arbeider, Die bezig is alles op aarde â vooral de harten van de gelovigen â voor te bereiden op de heerlijkheid van God.
Terwijl de priesters zich konden wassen in de "gegoten zee" (vers 23) â dat was een bak van ongeveer vijf meter doorsnee â, waren de tien wasvaten die op hun onderstellen rustten, bedoeld om het brandoffer te wassen (2 Kronieken 4 vers 6).
Vanaf vers 48 wordt ons een opsomming gegeven van de gouden voorwerpen die door Sálomo gemaakt werden.
Daarna bracht hij de geheiligde dingen van zijn vader David naar binnen (vers 51).
Dat doet ons denken aan de Heere Jezus, de Zoon, Die over alles kan beschikken wat van Zijn Vader is. "De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven" (Johannes 3 vers 35; vergelijk ook hoofdstuk 17 vers 10).
Laten we opmerken dat hier niet gesproken wordt over dingen die door het volk gebracht zijn. Dit in tegenstelling tot de dingen voor de tabernakel (zie Exodus 35 vers 21 tot en met 29).
We kunnen best begrijpen waarom dit zo is. Er zal niets de hemel binnenkomen wat van mensen afkomstig is. Daar is alles Goddelijk. Alles is uitsluitend en volmaakt het werk van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Deze drie Personen Die Zich samen bezighielden met de eerste schepping, houden Zich ook samen bezig met de toekomstige heerlijkheid en de nieuwe schepping!
Nu Zijn huis klaar is, maakt God het tot Zijn woonplaats.
Sálomo vergadert de oudsten van Israël. En de priesters brengen "de ark van het verbond des HEEREN" naar "de aanspraakplaats van het huis".
Die kostbare ark is een beeld van Christus. Die ark heeft alle omstandigheden van het volk meebeleefd en het volk gesteund in de strijd. Ze is vóór het volk door de doodsrivier, de Jordaan, gegaan. Ná gaat ze haar rust binnen.
Toch zal er altijd iets aan de woestijnreis blijven herinneren, namelijk de zichtbare handbomen. Hoewel die voortaan niet meer gebruikt zullen worden, mogen ze niet uit hun ringen verwijderd worden.
Te midden van alle pracht in de hemel zullen we de Heere Jezus in al Zijn schoonheid aanschouwen. Maar we zullen aan Zijn Persoon ook iets zien wat ons altijd zal ontroeren: de onuitwisbare sporen van Zijn kruislijden.
Zoals de handbomen aan de ark aan de woestijnreis herinneren, zó zullen in de hemelse heerlijkheid die tekenen in Zijn handen, in Zijn voeten en in Zijn zijde, tot in alle eeuwigheid getuigen van Zijn Goddelijke liefde.
Hoe liefelijk zijn de voeten van de Heiland die vermoeid waren van het gaan over de wegen om ons te zoeken (Jesaja 52 vers 7), vóórdat ze doorboord werden, toen Hij Zich aan het kruis liet nagelen om ons te redden!
In het gelukkige huis in Bethanië huldigde Maria deze heilige voeten met de kostbare nardus waarvan de geur het hele huis vervulde (Johannes 12 vers 3). Dat is een voorsmaak van het Vaderhuis dat de eeuwigheid door vervuld zal zijn van Zijn heerlijkheid!
Nu neemt koning Sálomo het woord. Hij treedt in de plaats van de nakomelingen van Aäron en oefent hier zelf het priesterambt uit, omdat hij een beeld is van Christus als Koning èn Priester.
Hij brengt het verleden in herinnering: Egypte, de aan David bewezen genade, het verbond en de beloften.
Vierhonderdtachtig jaar eerder hadden de Israëlieten aan de oever van de Rode Zee het lied van de bevrijding gezongen: "Deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken ... Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid ... Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o HEERE!" (Exodus 15 vers 2, 13 en 17).
Er waren bijna vijfhonderd jaar nodig, vóórdat deze woorden in vervulling gingen. Maar de tijd die verstrijkt, doet niets af aan de waarde en werkelijkheid van de beloften van God.
Met blijdschap kan Sálomo het zeggen: "... en heeft het met Zijn hand vervuld" (vers 15). "Zo heeft de HEERE bevestigd Zijn woord, dat Hij gesproken had" (vers 20).
En bij de woorden uit vers 29: "Deze plaats, waarvan Gij gezegd hebt: Mijn Naam zal daar zijn", gaan onze gedachten uit naar de woorden van de Heere Jezus: "Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen" (Mattheüs 18 vers 20).
Aan het begin van zijn gebed heeft Sálomo de trouw, de goedheid (vers 23) en de verhevenheid van de HEERE geprezen (vers 27).
Nu bevestigt hij waartoe het volk in staat is en wat de gevolgen van hun misstappen kunnen zijn.
Daarbij gaan onze gedachten van Sálomo naar Christus, de grote Hogepriester.
Hoe goed kent Hij de zwakheid van de harten van de Zijnen! En Hij wendt Zich al tot God, vóórdat satan hen probeert te ziften. Hij bidt voor de Zijnen dat hun geloof niet zal ophouden.
Dat heeft Hij eens voor Petrus gedaan, vóórdat deze Hem verloochende (zie Lukas 22 vers 31 en 32). En hoe vaak heeft Hij het al niet voor iemand van ons in het uur van verzoeking gedaan, zonder dat wij het wisten?!
God kent het hart van de mens door en door! Zie vers 39 (vergelijk ook JeremÃa 17 vers 9 en 10).
En waar heeft dit bedrieglijke hart dat "arglistig is ... meer dan enig ding", zich volledig geopenbaard? Wanneer heeft Christus de grootste boosheid van het menselijk hart ervaren? Was dat niet op het kruis waar alle haat van de mens tegen Hem tot uitdrukking kwam (Psalm 22 vers 17)?
Zelfs deze misdaad, de grootste van alle zonden van Israël, zal vergeven worden als het berouwvolle volk zich in "de Geest der genade en der gebeden" (niet meer tot dit huis, maar) tot Hem zal wenden "Die zij doorstoken hebben" (ZacharÃa 12 vers 10).
Het is niet voldoende alleen het menselijk hart te kennen, om voorbede te kunnen doen. Men moet ook, zoals Sálomo hier, vertrouwen hebben in het meeleven van het hart van God.
De Heere Jezus, onze Hogepriester en Voorspraak, kent het hart van de mens, maar bovenal het hart van Zijn Vader! En het is het verlangen van onze Heere dat we zelf tot de Vader gaan, opdat we persoonlijk diezelfde ervaring opdoen (vergelijk Johannes 16 vers 26 en 27).
"Hoor dan ... en vergeef!" Dit hoofdstuk leert ons dat we inderdaad in elke situatie tot God mogen gaan. Aan de voeten van de Heere Jezus was plaats voor de grootste zondares (Lukas 7 vers 37 en 38).
In getrouwheid aan Zijn belofte, zal Hij ook vandaag degene die tot Hem komt, niet verstoten (Johannes 6 vers 37).
De zonde is de ketting waarmee zelfs een gelovige "gevankelijk" weggevoerd kan worden "in het land van de vijand" (vers 46). God is echter bereid hem te bevrijden.
Maar ... aan vergeving gaat noodzakelijkerwijs wel belijdenis vooraf: "Mijn zonde maakte ik U bekend ... en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde" (Psalm 32 vers 5)!
God hoort, God vergeeft. Ja, Hij kan Mies vergeven, omdat de Heere Jezus het volledige verzoeningswerk heeft volbracht.
"Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid" (1 Johannes 1 vers 9).
De koning staat op van zijn geknielde houding (vers 54); het lange gebed is ten einde.
We hopen dat deze houding bij alle lezers bekend is! Niets is zó kostbaar, niets is zó werkzaam, als elke dag â al is het nog zo kort â op de knieën te gaan en tot God te naderen.
Indien mogelijk, is het goed om hardop te spreken om afleiding te voorkomen.
Ook al vergeten wij na die tijd weer wat we gebeden hebben, toch blijven onze woorden "nabij ... voor de HEERE, onze God, dag en nacht" (vers 59).
Er wordt ook nog gezegd dat Hij elke dag het recht uitvoert al naar gelang het nodig is.
Vandaag mogen we rekenen op een antwoord voor deze dag, maar niet voor morgen. God weet dat als Hij ons alles in één keer geeft, wij de volgende dag op deze 'voorraad' zullen teren en niet meer op Hem zullen vertrouwen.
Daarom is er in vers 59 sprake van "dagelijks". Dat is ook de les die de Heere Jezus ons geeft: "... elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad"(Mattheüs 6 vers 34).
De ceremonie van de inwijding van de tempel vond plaats tijdens het jaarlijkse, grote loofhuttenfeest (in de zevende maand) en werd afgesloten met offers en vreugde, zoals we dat vinden in Deuteronomium 16 vers 15.
Het werk dat Sálomo begonnen is, is nu klaar. Het eerste vers onderstreept heel duidelijk dat hij het fijn vond om dit werk te mogen doen.
Is dat ook geen belangrijke les voor ons? O, dat wij het ook fijn vinden om te doen wat de Heere van ons verlangt, omdat HÃj het is Die het van ons vraagt!
Nu antwoordt de HEERE op het gebed van de koning. Dit huis waarin Zijn heerlijkheid woont, is voor Hem de grootste aanleiding om Israël te zegenen, om naar hen te horen en hen te vergeven.
Gedurende de periode van het christendom verbindt God Zijn eigen heerlijkheid en de verhoring van de gebeden die tot Hem gericht worden, met de Naam van de Heere Jezus (Johannes 14 vers 13 en 14). Want in Hem is God gekomen â niet meer in een tempel â om onder ons te wonen (Johannes 1 vers 14; Kolosse 1 vers 19 en 2 vers 9).
Daarom zijn de ogen en het hart van de Vader altijd gericht op de volmaakte Mens (vergelijk vers 3). En wij mogen ons altijd in de Naam van de Heere Jezus tot Hem wenden om verhoord te worden.
"O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht van Uw Gezalfde" (Psalm 84 vers 10).
Dan wijst de HEERE Sálomo en het volk op hun verantwoordelijkheid. Zijn tegenwoordigheid in hun midden verlangt een strikte afzondering van het kwaad, want anders zal hen dit voorrecht ontnomen worden en Israël als natie ophouden te bestaan.
Sálomo begaat een ernstige fout door de koning van Tyrus steden te geven die bij het land Israël hoorden.
Het kan ons ook overkomen dat wij ten gunste van de wereld een deel van ons erfdeel afstaan. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de manier waarop wij de zondag doorbrengen.
Misschien bezoeken we de samenkomsten van de gelovigen eens een keertje minder om een vriend of familielid tegemoet te komen. We kunnen er dan zeker van zijn dat zulke concessies altijd een verlies betekenen voor ons, maar ook voor die ander.
Hoe zouden we ooit tegen iemand kunnen zeggen dat het goed is te verlangen naar de Goddelijke waarheden en de christelijke voorrechten, als hij ziet dat we er zelf zo weinig om geven?
Hoe was dat bij Hiram? De steden konden zijn goedkeuring niet wegdragen!
Aan het einde van dit hoofdstuk zien we dat de koning als een wijs beheerder zijn rijk versterkt en regeert. Aan de ene kant staat hij in verbinding met de HEERE (vers 25) en aan de andere kant met de verschillende volken en landen rondom hem.
En voor het eerst sinds de dagen van Jozua zijn alle Kanaänieten onderworpen.
Laten we eraan denken dat zij een beeld zijn van de vijanden van onze ziel. Bevinden die vijanden van mijn ziel zich in vrijheid of heb ik in Christus de kracht gevonden hen te overwinnen?
De Heere Jezus herinnert de farizeeën aan deze gebeurtenis om hun ongeloof te onderstrepen: "De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en het veroordelen; want zij is gekomen van het einde der aarde, om te horen, de wijsheid van Sálomo; en ziet, meer dan Sálomo is hier!" (Mattheüs 12 vers 42).
We zien hier in beeld de Zoon van God, de Koning van de heerlijkheid, voor ons.
Het is echter noch de heerlijkheid noch de rijkdom van de grote koning die aantrekkingskracht heeft op de koningin van Scheba en die aanleiding is tot haar bezoek.
Men heeft haar verteld van de wijsheid van Sálomo, in verbinding met de Naam van de HEERE. En om zichzelf hiervan te overtuigen, is ze met allerlei vragen die "in haar hart" waren, gekomen.
Laat het voor ons niet voldoende zijn, alleen iets van de Heere Jezus gehoord te hebben! Laten we zèlf tot Hem gaan!
Laten we alle eigen meningen en alle eigen gedachten terzijde leggen en Hem al onze moeilijkheden en problemen vertellen, ja, alles wat in ons hart is!
Dan zullen we persoonlijk Zijn grootheid en macht, Zijn rijkdom en wijsheid, maar ook Zijn wonderbare liefde ervaren.
Hij is bereid ons te geven naar ons verlangen, ja, alles wat wij van Hem begeren (vers 13; Johannes 15 vers 7).
Het moet een prachtige aanblik geweest zijn, de grote koning Sálomo in zijn kostbare en heerlijke kleding te zien zitten op zijn troon van ivoor en goud! Toch zegt de Heere Jezus, als Hij ons oproept de leliën van het veld te bezien, "dat ook Sálomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze" (Mattheüs 6 vers 29).
We kunnen ervan overtuigd zijn dat het mooiste werk van mensenhanden niets is, vergeleken bij het geringste van wat de Schepper heeft gedaan.
Psalm 72 die voor (of over) Sálomo geschreven is, beschrijft de regering van:
â de gerechtigheid (vers 1 tot en met 4);
â de vrede (vers 7);
â de macht (vers 8 tot en met 11);
â de genade (vers 12 tot en met 14);
de groei en bloei (vers 16); en
de zegen (vers 17).
"De koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren ... men zal hem geven van het goud van Scheba" (Psalm 72 vers 10 en 15).
In het hoofdstuk voor vandaag zien we meerdere illustraties van de rijkdom, wijsheid en macht van deze zoon van David, van hem die in gerechtigheid regeerde te Jeruzalem. Maar we begrijpen dat het ook hier, in beeld, gaat om Iemand Die "meer dan Sálomo" is.
Als het centrum van alle heerlijkheid, welvaart en zegening voor alle volken, is dit prachtige rijk slechts een zwak beeld van de toekomstige, allesomvattende heerschappij van onze Heere Jezus Christus.
Tot dusver was er haast geen enkele schaduw over de buitengewone glans van Sálomo's regering gevallen. Maar nu, in hoofdstuk 11, wordt ons getoond wat er onder die glans verborgen ligt: een erg slechte zedelijke toestand. Het kon nauwelijks erger.
De koning is in meerder opzicht ongehoorzaam aan de wet. Hij heeft onder andere "veel vreemde" vrouwen (Deuteronomium 17 vers 17 en 7 vers 3) genomen â vele èn vreemde. Zij verleiden zijn hart, nu hij op leeftijd is gekomen.
Had hij niet gebeden om een wijs en verstandig hart en dat ook gekregen? Ongetwijfeld was hij er toen van overtuigd dat hij dat nodig had â maar niet om zichzelf te leiden en in toom te houden! De HEERE gaf hem een hart dat zo wijd was "gelijk zand, dat aan de oever der zee is" (hoofdstuk 4 vers 29), om het grote volk lief te kunnen hebben. Maar Sálomo zelf was er niet door bewaard gebleven.
Hij heeft niet opgepast voor hetgeen in zijn eigen hart naar binnen drong. Duizend vreemde vrouwen met hun afgoden hebben plaats gevonden in zijn hart!
Sálomo werd door zijn eigen woorden veroordeeld: "Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens" (Spreuken 4 vers 23). Dat had hij anderen geleerd, maar het zelf nagelaten (zie Romeinen 2 vers 21 en 1 Korinthe 9 vers 27).
Eveneens heeft hij de vermaning van zijn vader (hoofdstuk 2 vers 3) en de tweevoudige waarschuwing van de HEERE in de wind geslagen (vers 9 en 10 van het hoofdstuk van vandaag).
Als het om de mens en zijn verantwoordelijkheid gaat, moeten we constateren dat hij keer op keer faalt. Dit blijkt duidelijk uit deze gebeurtenis van Sálomo; duidelijker dan uit welke geschiedenis dan ook.
Hij was de meest wijze, rijke en machtige man die ooit onder de zon geleefd heeft. Hij heeft een geweldige tempel voor God gebouwd, een werk dat nergens mee te vergelijken is.
Maar ... hoe hoger men geplaatst is, hoe dieper en opzienbarender de val zal zijn!
De verantwoordelijkheid van een vrome man die meent een zijweg te kunnen bewandelen, is extra groot. Hoe vromer âin positieve zin bedoeld â des te erger zijn de gevolgen van een eventuele misstap.
Denk maar aan het voorbeeld dat deze zwakke koning door zijn handelen aan het volk heeft gegeven. Laat dit ook een les voor ons zijn! Als onze wandel niet in overeenstemming is met onze geestelijke positie, zijn we voor anderen een aanleiding tot vallen.
Toen Sálomo op leeftijd gekomen was, verwekte God verschillende tegenstanders tegen hem. Ten eerste van buiten zijn rijk: Hadad en Rezon. Vervolgens van binnen uit het rijk: Jeróbeam.
Helaas wendt de koning zich niet tot de HEERE met het gebed: "Hoor dan ... en vergeef!" Was dà t niet juist de weg geweest die hij in zijn gebed had voorgehouden aan anderen die als gevolg van hun zonden met een vijand te maken kregen?
Zoals God David voorbereid heeft toen Saul nog leefde, zo verwekt God nu Jeróbeam nog tijdens het leven van Sálomo.
Zoals eens Saul, probeert nu ook Sálomo degene te doden die de HEERE als zijn opvolger heeft aangewezen (vers 40).
Maar wat een verschil tussen Jeróbeam die zijn hand opheft tegen de koning (vers 26), en David die weigerde dat te doen, tussen Jeróbeam die naar Egypte vlucht en daar de afgodendienst leert, en David die zich in de woestijn verbergt!
David is zijn leven goed begonnen, heeft daarna slechtere dagen gekend, maar is toch weer goed geëindigd. Sálomo is zijn loopbaan ook goed begonnen, heeft eerst goed geleefd, maar is vervolgens afgegleden.
Het tegenovergestelde zien we bij Jakob wiens dagen "weinig en kwaad" waren (Genesis 47 vers 9), maar die een onvergelijkbaar mooi einde had (Hebreeën 11 vers 21).
Deze poging tot moord is het laatste wat ons van Sálomo wordt meegedeeld! "Daarna ontsliep Sálomo met zijn vaderen, en werd begraven ..." (vers 43).
Zijn leven was voorbij. Volgens zijn eigen woorden was nu de "tijd om te sterven" gekomen (Prediker 3 vers 2).
Beste vriend(in), je weet niet wanneer die tijd voor jou zal komen. Wat je echter wel moet weten, is dat de tijd van het leven op aarde tevens de tijd is van het geloof en de tijd om voor Christus te leven!
Rehábeam wordt de opvolger van zijn vader.
Eens had Sálomo zich afgevraagd of de mens die na hem komen zou, wijs of dwaas zou zijn (Prediker 2 vers 18 en 19).
Voor de arme Rehábeam zijn er slechts drie dagen nodig om hier een antwoord op te geven: de zoon van de meest wijze man heeft geen inzicht. Evenmin zien we dat hij, zoals zijn vader, aan de HEERE om een wijs hart vraagt.
In zijn jeugd, de tijd waarin men normaal gesproken alles moet leren, heeft hij zich niet bekommerd om wijsheid, zoals die te vinden is in het Boek van de Spreuken, geschreven door zijn eigen vader Sálomo.
Toch staat er aan het begin van dit Boek: "Mijn zoon! hoor de tucht (of: onderwijzing) van uw vader" (hoofdstuk 1 vers 8).
Daarom mist hij op veertigjarige leeftijd, als hij de verantwoordelijkheid op zich moet nemen, elke ervaring, gezond mensenverstand en vooral alle nederigheid. Hij veracht de raad, het advies van de oudsten en luistert naar de onbezonnen woorden van jongeren.
Veel jonge mensen luisteren liever naar hun leeftijdgenoten dan naar hun ouders of andere oudere mensen. Dat is een heel gevaarlijke instelling. We zien in deze geschiedenis wat de gevolgen daarvan zijn.
Maar God gebruikt dit gebrek aan wijsheid bij Rehábeam, evenals de misstappen van het volk, om datgene uit te voeren wat Hij eens over het huis van David heeft besloten.
Ten gevolge van zijn ontoegeeflijkheid aan hun eisen hebben zich tien stammen van Rehábeam afgescheiden. Jeróbeam wordt hun koning. Rehábeam, de nakomeling van Sálomo, behoudt slechts de twee stammen Juda en Benjamin.
Vanaf nu zullen we de geschiedenis van deze beide rijken naast elkaar volgen. Tot aan het einde van 2 Koningen vinden we hoofdzakelijk het rijk Israël (de tien stammen) beschreven, terwijl in 2 Kronieken de draad van het rijk Juda weer opgenomen wordt.
Met één kort zinnetje voorkomt God de burgeroorlog die op het punt staat uit te breken: "Deze zaak is van Mij geschied" (vers 24).
Dit korte zinnetje is ook voor ons van groot belang! Worden onze plannen door een moeilijkheid doorkruist, duikt er een verhindering op? Laten we dan opmerkzaam zijn en goed luisteren! Ongetwijfeld zullen we dan dezelfde stem horen die zegt: "Deze zaak is van Mij geschied".
Vervolgens worden ons de eerste daden van Jeróbeam meeâ
gedeeld. Hij richt twee gouden kalveren op. Vergelijk zijn
woorden uit vers 28 met die van Aäron in Exodus 32 vers 4.
Dat zijn de typische kenmerken van een godsdienst die door mensen is uitgedacht. Eigenwil is nóóit goed, maar de schuld is nog vele malen groter als het daarbij om religieuze dingen gaat!
In het verloop van de geschiedenis zullen we dan ook steeds weer de woorden tegenkomen: "Jeróbeam, de zoon van Nebat, die Israël zondigen deed".
Op de dag "die hij in zijn hart bedacht had", viert Jeróbeam in BethâEl een feest ter ere van het gouden kalf. Dan komt iemand deze ceremonie verstoren.
Een profeet uit Juda spreekt strenge woorden: "Altaar, altaar, zo zegt de HEERE ...". Het altaar wordt vaneengescheurd en stort in elkaar; de koning wordt geslagen door de macht van God, maar later weer hersteld.
De profeet had de opdracht gekregen direct terug te keren als zijn werk klaar was. Hij mocht niet eten of drinken op het terrein van deze ongehoorzame stammen. Dat zou in tegenspraak zijn met de woorden van oordeel die hij had uitgesproken.
Wij kunnen evenmin gemeenschap hebben met religieuze systemen die zich niet in alle opzichten willen onderwerpen aan de Schrift.
De oude profeet wiens zonen blijkbaar aan het feest van het gouden kalf hebben deelgenomen, was in BethâEl niet op de juiste plaats. Daarom kon God hem ook geen opdracht geven, hoewel hij in die stad woonde en daar een dienst te vervullen was.
Door de man van God uit Juda bij zich te laten komen, wilde de oude profeet echter zijn verkeerde positie rechtvaardigen en zijn goede naam versterken. Hij bedroog de man van God.
De profeet uit Juda zou echter niet ingehaald zijn (vers 14) als hij van zijn kant zich wat meer gehaast had deze plaats te verlaten!
Nu is het de beurt van de man van God uit Juda om een woord van oordeel te vernemen. Hij was niet standvastig geweest in zijn gehoorzaamheid in de dienst voor de Heere, met alle tragische gevolgen van dien.
Met name voor de jeugd die van nature zo gemakkelijk te beïnvloeden is, is het een groot gevaar om zich mee te laten slepen.
Laten we eraan denken dat de duivel niet alleen gebruik maakt van grove verleidingen om de christen van de weg van gehoorzaamheid af te brengen! Hij weet ook heel goed gebruik te maken van middelen die achtenswaard lijken om iemand te overtuigen.
Alles leek immers ten gunste van de eerbiedwaardige profeet te spreken die deed voorkomen alsof hij door de mond van een engel een woord van de HEERE had ontvangen?
Maar kan God Zichzelf tegenspreken? Laten we alleen vertrouwen op wat de Bijbel ons zegt. Dan zullen we geen verkeerde weg inslaan (zie Galaten 1 vers 8 en 9).
De dood is het gevolg van de misstap van deze man van God. Zijn dode lichaam wordt niet door de leeuw verslonden: een duidelijk bewijs dat het oordeel van Gód hem heeft getroffen.
En wat een straf voor de oude profeet! Deze oude profeet uit Bethel was voor hem die hij zijn "broeder" noemde (vers 30), tot een valstrik geworden. Waarom? Omdat hijzelf absoluut niet als een broeder gehandeld had! Anderen verleiden tot ongehoorzaamheid is minstens even erg als zelf ongehoorzaam zijn. Het is immers onrecht tegenover God en bovendien tot schade van hem die verleid wordt.
Ondanks de ernstige waarschuwing die God te BethâEl aan Jeróbeam gegeven had, volhardt hij in zijn weg van ongerechtigheid.
Nu spreekt de HEERE voor de tweede keer tot hem en wel door de ziekte van zijn zoon AbÃa.
We zien dan dat de koning geen hulp zoekt bij zijn gouden kalf, want hij is ervan overtuigd dat dit hem niet zal baten. Hij wendt zich tot AhÃa, de profeet, die hem eens het koningschap had aangekondigd.
Mogen we nu denken dat hij is omgekeerd van zijn dwaalweg? Helaas niet! Het bedrog dat hij samen met zijn vrouw pleegt, laat duidelijk zien dat er in zijn hart geen oprechte verootmoediging heeft plaatsgevonden.
Wat een dwaasheid om te denken dat je God zou kunnen misleiden door het verdraaien van de feiten!
De koningin is nog maar nauwelijks over de drempel gestapt, of ze wordt al ontmaskerd. En in plaats van de aangename woorden die Jeróbeam eens uit de mond van de man van God had vernomen, moet zijn eigen ongelukkige vrouw hem nu een vreselijke boodschap overbrengen, juist op het moment dat de jonge AbÃa sterft.
Wij vragen ons misschien af of het niet rechtvaardiger was geweest dat de HEERE dit kind in leven had gelaten. God had immers iets goeds in hem gevonden (vers 13)?
DÃ t was juist de reden waarom God zo handelde! Hij wilde dit kind uit zo'n slecht milieu weghalen en tot Zich nemen! Dat lot was voor AbÃa vele malen beter! Vergelijk Jesaja 57 vers 1 en 2.
Rehábeam regeert dus gelijktijdig met Jeróbeam.
Hoewel zijn rijk kleiner is, bezit Rehábeam het betere deel. Zijn hoofdstad blijft Jeruzalem waar de tempel staat, de heilige woonplaats van de HEERE en het verzamelcentrum voor heel Israël.
Rehábeam zelf is de zoon van David, zijn rechtmatige nakomeling.
Maar zie toch hoe diep het volk, ondanks al deze voorrechten, al een paar jaar na de voorspoedige dagen van hoofdstuk 8 (vers 65 en 66) is gezonken!
Zoals onkruid binnen de kortste keren een prachtige tuin kan overwoekeren, zo heeft de door Sálomo ingevoerde afgodendienst het hele land in zijn greep.
En dat is nog niet alles! Omdat Rehábeam niet waakzaam is, maakt de vijand ook hier gebruik van. En de arme koning laat zich in één keer alle schatten en alles wat tot zijn bescherming moest dienen (schilden), ontnemen.
Dat is voor ons allemaal een ernstige waarschuwing!
Als wij niet waken over ons hart, zal de duivel daarin zo snel mogelijk het zaad van verschillende afgoden zaaien. En als dat eenmaal ontkiemd is, zal hij ons zonder enige moeite de kostbare schatten ontroven, het erfdeel dat onze ouders en grootouders ons misschien hebben nagelaten: Christus en Zijn Woord.
AbÃam wordt de opvolger van Rehábeam. Drie jaar regering is voldoende om aan te tonen dat hij in dezelfde zonden leeft als zijn vader. Het is alleen de genade van God dat zijn zoon nog op de troon in Jeruzalem mag zitten.
Na AbÃam neemt zijn zoon Asa de plaats op de troon van Juda in. In tegenstelling tot zijn voorgangers regeert hij een lange tijd: eenenveertig jaar.
Asa "deed wat recht was in de ogen des HEEREN". Doen wat recht is, betekende voor hem in de eerste plaats wegdoen, afzetten, uitroeien, verbranden.
Deze handeling was des te moeilijker èn moediger, omdat hij daardoor gedwongen was tegen zijn eigen grootmoeder Máächa (uit de eerste beide verzen van dit hoofdstuk blijkt dat zij de moeder van AbÃam was), een afgodendienares, te handelen!
We kennen de woorden van de Heere Jezus: "Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig" (Mattheus 10 vers 37).
Sinds de dagen van Asa zijn er veel gelovigen geweest â pas bekeerd of al langer op de weg â die stelling moesten en moeten nemen tegen hun eigen familie! Wat een groot voorrecht is het dan ouders te hebben die je bemoedigen en tot voorbeeld zijn! Wat heeft deze jonge koning dan een slecht voorbeeld gehad in zijn vader, grootvader en grootmoeder!
Helaas moeten we opmerken dat het einde van de regeringsperiode van Asa niet op dezelfde hoogte stond als het begin ervan. In plaats van bij de HEERE hulp te zoeken als Báësa, de koning van Israël, tegen hem ten strijde trekt, stelt Asa zijn vertrouwen op Benhadad, de koning van Syrië.
In het tweede Boek van de Kronieken hopen we wat dieper in te gaan op de details van deze regeringsperiode en op de lessen die daarin voor ons verborgen liggen.
Hier worden we veertig jaar teruggeplaatst om te zien hoe het ging met het rijk Israël, in de tijd dat Asa over Juda heerste.
In tegenstelling tot Asa lezen we hier van Nadab, de zoon van Jeróbeam, dat hij gedurende zijn korte regering van slechts twee jaar "wandelde in de weg van zijn vader, en in zijn zonde, waarmee hij Israël had doen zondigen" (vers 26).
Deze zonde is de valse godsdienst die Jeróbeam ingevoerd had om de aandacht van het volk af te leiden van de plaats die de HEERE verkozen had (Deuteronomium 12 vers 5 en 6).
Zoals eens in Israël zijn er in de christenheid ook veel mensen die, hoewel ze tot het volk van God behoren, van het enige Middelpunt, de Heere Jezus, afgetrokken zijn. Er zijn hen allerlei religieuze vormen aangeleerd die niet overeenstemmen met het Woord van God.
Nadab en de hele familie van Jeróbeam ondergaan het vreselijke lot dat AhÃa aangekondigd had.
Maar Báësa die dit oordeel van God uitvoert en opvolger van Nadab wordt, gaat zelf ook die zondige weg! En zijn weg eindigt op dezelfde manier.
De HEERE laat het door de profeet Jehu tegen Báësa zeggen. De profeet gaat moedig voor de boze koning staan en deelt hem deze ernstige woorden mee.
Zijn ook wij niet uit het stof verheven om vervolgens bij de vorsten plaats te nemen (vers 2; vergelijk 1 Samuël 2 vers 8)? Laten we daarom zorgvuldig nagaan welke weg we gaan en waar die zal eindigen (Spreuken 16 vers 25).
Ela, de zoon van Báësa, regeert twee jaar over Israël. Het enige wat wij van hem lezen, is dat hij zich bedrinkt te Thirza (vers 9).
Deze koning wordt beheerst door zijn begeerte. Hij is een slaaf van de alcohol, zoals er vandaag de dag veel van zulke ongelukkige mensen zijn.
De mens gelooft dat hij zijn medemens kan leiden, terwijl hij niet eens in staat is de begeerten van zijn eigen hart te beteugelen.
In Spreuken lezen we de woorden van een jonge koning die luisterde naar de naam Lemuël. Hij denkt terug aan wat zijn moeder hem leerde: "Het komt de koningen niet toe, O Lemuël! het komt de koningen niet toe wijn te drinken" (Spreuken 31 vers 4 â zie ook Spreuken 23 vers 20, 31, 32 en Efeze 5 vers 18).
Van het éne moment op het andere gaat Ela, zonder weer tot bezinning te komen, van de roes over in de dood.
Zó bedwelmen de mensen van de wereld zich door hun zondige 'pleziertjes' en worden dan plotseling, zonder erop voorbereid te zijn, in het eeuwige ongeluk gestort!
Voor Zimri, de man die Gods oordeel over Ela en het hele huis van Báësa voltrok, zijn zeven dagen voldoende om aan te tonen dat hij op dezelfde weg als Jeróbeam wandelt!
Zijn einde is niet minder vreselijk. Hij pleegt zelfmoord!
Vervolgens komt Omri aan de macht. Hij bouwt de stad Samaria en maakt het nog veel bonter dan zijn voorgangers. Wat ligt er een ontzettend diepe duisternis over het rijk Israël!
We zullen nu tot aan het einde van het Boek 1 Koningen over de regering van koning Achab lezen. Hij is de zoon van Omri en overtreft met zijn zondige leven al zijn voorgangers.
Door zijn vrouw, de vreselijke Izébel, wordt de afgodendienst aan Baäl in Israël openlijk ingevoerd.
En tegelijkertijd wordt ook Jericho weer opgebouwd. Dat is het uitdagen van de HEERE waarop de straf volgt die Jozua destijds had aangekondigd (Jozua 6 vers 26)!
Dan verwekt God een profeet, ElÃa, om tot het geweten van de koning en het volk te spreken.
ElÃa merkt echter dat er eerst een beproeving nodig is, vóórdat Israël in staat is het Woord van God aan te nemen. Daarom bidt hij vurig dat het niet zou gaan regenen (Jakobus 5 vers 17).
DÃ n gaat hij, zich bewust van het antwoord van de HEERE, met een zeker gezag naar koning Achab toe om hem dit mee te delen.
Als wij in geloof iets van God gevraagd hebben wat naar Zijn wil is, moeten we vervolgens handelen in de volle zekerheid van de verhoring van dat gebed.
Let vooral op de woorden van ElÃa: "De HEERE ...voor Wiens aangezicht ik sta". Met ontzag voor God staan, in Zijn licht, altijd bereid om Zijn aanwijzingen op te volgen, dà t is de juiste houding van een dienstknecht! Dat was ook de houding van de Heere Jezus, zoals we lezen in Psalm 16 vers 8.
Vervolgens verbergt God ElÃa aan de beek Krith en zorgt daar op wonderbare wijze voor hem.
ElÃa was noch van de beek Krith noch van de raven afhankelijk, maar alleen van het woord van Hem Die gezegd had: "Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen" (vers 4).
Daarom is hij ook niet verrast als de beek opdroogt en hij een nieuwe boodschap krijgt: "Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude" (vers 9).
Deze weduwe is tot de grootste armoede vervallen, maar moet ElÃa zich daar zorgen over maken als de HEERE Zelf gezegd heeft: "Daar"?
Deze vrouw van geloof â die de Heere Jezus later tot beschaming van de inwoners van Názareth onder hun aandacht brengt (Lukas 4 vers 25 en 26) â mag een buitengewone ervaring opdoen.
Als God van iemand een dienst verlangt (zoals hier om Zijn profeet eten te geven), geeft Hij tegelijkertijd dat wat nodig is om deze dienst uit te oefenen! Men moet alleen bereid zijn om direct en onvoorwaardelijk te doen wat Hij verlangd heeft. DÃ t is de les van die kleine koek.
Dat de weduwe gehoorzaamt aan het woord van ElÃa, is het bewijs van haar geloof en het begin van een Goddelijke overvloed in haar huis.
Daarna mag deze weduwe voor de tweede keer een ervaring opdoen, maar nu een nog veel grotere: de dood en de opwekking van haar zoon.
Daarbij worden onze gedachten van de profeet gericht op de Heere Jezus Die doden heeft opgewekt. Ook Hij heeft eens een weduwe haar enige zoon teruggegeven (Lukas 7 vers 11 tot en met 15).
Drie jaar eerder had de HEERE tegen ElÃa gezegd: "Ga weg van hier ... en verberg u" (hoofdstuk 17 vers 3). Mi beveelt Hij hem: "Ga heen, vertoon u aan Achab".
En in zowel het éne als in het andere geval is de profeet direct bereid te gehoorzamen.
Dat is ook een voorbeeld voor ons. Wij zijn, mede afhankelijk van ons karakter, misschien wel eens geneigd om ons te vertonen of in een ander geval ons te verbergen, terwijl God juist het tegenovergestelde van ons vraagt!
Wat doet Achab gedurende die vreselijke droogte? We zien dat hij zich bekommert om zijn paarden en muildieren in plaats van om de ellende van zijn volk!
Obadja, zijn hofmeester, vreesde wel de HEERE, maar had niet de moed om zich van zijn goddeloze meester af te keren. Dan had hij immers moeten afzien van aards voordeel en misschien zelfs zijn leven op het spel moeten zetten!
Veel christenen doen net als Obadja. Ze zijn niet bereid om de wereld de rug toe te keren en tot eer van de Heere te gaan leven, omdat deze keuze hen te veel kost!
Obadja is erg bang als hij aan Achab moet meedelen dat hij ElÃa is tegengekomen.
Hij beroemt zich graag op wat hij voor honderd profeten heeft gedaan. Maar als het gaat om het vervullen van een eenvoudige opdracht die ElÃa hem geeft, mist hij dat wat bij de weduwe van Zarfath juist zo duidelijk en mooi naar voren kwam: een eenvoudig vertrouwen op het Woord van de HEERE.
Tijdens de droogte had Achab tevergeefs al het mogelijke gedaan om de profeet te vinden. Volgens hem was ElÃa immers verantwoordelijk voor de situatie!
Als hij hem uiteindelijk ontmoet, zegt hij: "Zijt gij die beroerder van Israël?" Wat een (bewuste?) onwetendheid!
Dan zegt ElÃa dat Achab en het huis van zijn vader door hun zonden het oordeel over zichzelf hebben gehaald.
Zo reageren de mensen van de wereld â en misschien wij ook wel eens!
Als God ons een beproeving stuurt, zijn wij maar al te gauw geneigd anderen de schuld te geven van wat ons overkomt. We denken dat anderen hiervoor verantwoordelijk zijn, zonder de reden bij onszelf te zoeken.
Op het verzoek van ElÃa laat de koning het hele volk en al de valse profeten van Baäl op de berg Karmel bij elkaar komen.
Nu is het moment aangebroken om duidelijk tegen het volk te spreken en hen voor de keus te stellen. "Hoe lang hinkt gij op twee gedachten?"
Later sprak de Heere Jezus op een andere berg op soortgelijke wijze tegen mensen uit het volk Israël: "Niemand kan twee heren dienen" (Mattheüs 6 vers 24).
Aan alle lezers en lezeressen die nog geen keuze gemaakt hebben, willen wij ook indringend, maar liefdevol de vraag van ElÃa herhalen: 'Hoe lang blijft u op twee gedachten hinken? Waarom maakt u geen keuze tussen twee heren?'
Als antwoord op de uitdaging van ElÃa hebben de profeten van Baal tevergeefs hun bezweringen uitgeroepen en verwoede dansen opgevoerd. Hun god is doof gebleven. En wel omdat hij niet antwoorden kan!
Nu begint ElÃa in alle rust en met gezag met zijn voorbereidingen die in groot contrast staan met alle voorgaande commotie.
Hij bouwt een altaar van twaalf stenen, "naar het getal van de stammen van de kinderen Jakobs", waardoor de eenheid van het volk bekrachtigd wordt. Ondanks de verdrietige tweedeling van het volk is Israël in het oog van God nog steeds één volk.
Vandaag de dag is het precies hetzelfde met de gemeente. Ook al is zij in nog zoveel verschillende kerken en groeperingen versplinterd, God erkent slechts één enkele 'kerk', namelijke die welke uit alle gelovigen bestaat. Zo moeten wij dat ook zien.
Als alles klaar is voor het brandoffer, wendt ElÃa zich tot God: "Antwoord mij, HEERE, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij, o HEERE, die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt" (vers 37).
God verhoort Zijn dienstknecht niet alleen door het zenden van vuur, maar ook door het hart van het volk weer om te keren tot Hem.
Achab woont deze gebeurtenis die gevolgd wordt door de dood van al zijn profeten, ook bij. Maar hij bekommert zich om niets anders dan om eten en drinken, terwijl de man van God opnieuw bidt; "en de hemel gaf regen" (Jakobus 5 vers 18).
Wie zou in deze man die geen moed meer heeft en op de vlucht is voor een vrouw (met echter het hele leger van Israël achter zich!), nog de stralende getuige uit het voorgaande hoofdstuk kunnen herkennen?
God vertelt ons deze gebeurtenis niet, opdat wij Zijn geliefde dienstknecht veroordelen, maar opdat wij er iets uit zouden leren. Namelijk dat ook de meest opmerkelijke mens volledig zal falen als hij steunt op eigen middelen (vergelijk Spreuken 29 vers 25).
Het is één en al hopeloosheid bij ElÃa! En toch zorgt God voor hem! Dat is een kostbare gedachte. Zelfs als wij terneergeslagen of opstandig zijn, gaat God door met het tonen van Zijn goedheid voor ons.
ElÃa ging naar de berg Horeb die bij het gebergte Sinaï hoort, naar de plaats waar de wet gegeven werd.
"Wat maakt gij hier, ElÃa?" vraagt de HEERE hem. Een ernstige vraag voor hem die het volk heeft verlaten! Het antwoord van de profeet laat zien dat hij hier op de verkeerde plaats is. Hij is daar om een aanklacht uit te spreken!
Terwijl Mozes op diezelfde plaats voorbede deed voor het volk (Exodus 32 vers 11), spreekt ElÃa hier tot God ten nadele van het volk, zoals we in Romeinen 11 vers 2 kunnen lezen.
Laten we er altijd goed om denken: een aanklacht uitspreken aan het adres van broeders (wat ook gebeuren kan door het verder vertellen van een bepaalde mededeling), betekent het werk van satan doen (Openbaring 12 vers 10). Voorbede doen, betekent daarentegen handelen zoals de Heere Jezus (Romeinen 8 vers 34).
In tegenstelling tot wat ElÃa verwacht had, liet God niets horen over een oordeel over Israël.
De HEERE was noch in de wind, noch in de aardbeving, noch in het vuur. Hier zwijgt de geweldige, machtige en angstaanjagende stem uit Psalm 29 vers 3 tot en met 9 om plaats te maken voor de aangename en zachte stem van de genade.
Vandaag is het ook nog niet de tijd van het oordeel voor de wereld. Nu is het nog de genadetijd waarin de zondaar zich kan bekeren en vergeving kan ontvangen.
God kan de mens door het tonen van Zijn macht wakker schudden, maar alleen die liefelijke stem van de genade is in staat het hart aan te raken. En om genade te ontvangen, is het nodig dat men eerst zijn eigen onwaardigheid inziet en voelt.
Omdat ElÃa deze taal niet kon begrijpen, moest hij terzijde gesteld worden. ElÃsa wordt geroepen om zijn plaats in te nemen. Hij zal de stem van de liefde van de HEERE wèl aan het volk kunnen overbrengen.
Tenslotte leert God ElÃa nog een andere les. Toen hij de berg beklommen had, geloofde hij dat hij de enige was die nog trouw was.
Nu hij naar beneden klimt, ervaart hij dat hij slechts één onder zevenduizend is die God voor Zichzelf in Israël heeft overgelaten.
Ook al kon ElÃa hen nergens ontdekken, toch kende God ieder van hen persoonlijk (zie 2 Timotheüs 2 vers 19)!
De HEERE had aan ElÃa de opvolger van Benhadad, de koning van Syrië, en de opvolger van Achab, de koning van Israël, bekendgemaakt (hoofdstuk 19 vers 15 en 16). Maar deze beide koningen zijn nu nog aan de macht en hoofdstuk 20 laat ons hun onderlinge oorlog zien.
Zo is het ook in de huidige wereld. Voor haar is het oordeel slechts een kwestie van uitstel, hoewel dit de mensen niet verhindert om in hun verblindheid te handelen alsof de toekomst in hun eigen macht ligt.
Ze vergeten echter dat God Zijn eigen gedachten en plannen met betrekking tot de wereld heeft en dat Hij alleen de loop van de geschiedenis bepaalt.
Terwijl de mensen zich druk maken over wie de baas zal zijn, heeft God hen in Zijn raadsbesluiten al vervangen door de Koning Die Hij uitgekozen heeft: Jezus Christus.
Door Gods Woord mogen de gelovigen, evenals ElÃa, de gedachten van God met betrekking tot de wereld kennen. Daardoor komen ze niet onder de indruk van gebeurtenissen die de mensheid zo opgewonden, ongerust en bang maken (Jesaja 8 vers 12 en 13).
Achab staat machteloos tegenover de uitdagingen van Benhadad. Dat doet ons denken aan de mens in zijn zondige toestand, zoals hij overgeleverd is aan zijn machtige vijand, de duivel.
Heeft de satan niet in een paar tellen alles wat Adam in de hof van Eden bezat, van hem afgenomen? Maar door de genade van God heeft satan, de sterke, in Christus zijn Meerdere gevonden. De Heere Jezus is sterker en heeft hem overwonnen "en deelt zijn roof uit" (Lukas 11 vers 22).
Benhadad heeft geen rekening gehouden met de HEERE. Terwijl hij zich met de tweeëndertig koningen die hem helpen, bedrinkt, wordt het Goddelijke plan uitgevoerd.
We vragen ons misschien af waarom de HEERE deze boze Achab te hulp komt, zonder dat deze zich zelfs tot Hem gewend heeft. Maar is dit niet juist die milde en zachte stem van de genade waarmee God nog probeert iets te bereiken?
Door Achab en zijn volk te bevrijden, wil Hij hen graag tonen dat Hij nog steeds de God van Israël is, hoewel het volk niet naar Hem vraagt. De Syriërs wil Hij laten zien dat Hij geen god van de bergen noch een god van de laagten is, maar de "Heere des hemels en der aarde" (Handelingen 17 vers 24).
Laten we nu nog stilstaan bij twee belangrijke details uit vers 27.
Ten eerste: vóórdat ze ten strijde trekken, worden de kinderen van Israël van voorraad voorzien. Laten we niet denken dat we onze tegenstanders het hoofd kunnen bieden, zonder eerst de 'dagelijkse voorraad' van het Woord van God tot ons genomen te hebben!
Ten tweede: in dit vers staat dat de Israëlieten leken op twee onbeschermde geitenkudden. Dit kleine legertje van Israël moest nog ervaren dat het zonder kracht was en verachtelijk was in de ogen van de vijanden die in groten getale het land overspoelden. Op die manier zal God altijd handelen, zodat de bevrijding enkel en alleen aan Hemzelf wordt toegeschreven en alleen Hij erdoor verheerlijkt wordt. Zijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Korinthe 12 vers 9).
Het is verdrietig dat we bij Achab geen enkel gevoel van dankbaarheid opmerken voor de dubbele overwinning die de HEERE hem heeft geschonken.
Helaas handelen de meeste mensen precies zó! De genade van God laat hen koud. Ze verachten haar en beledigen daardoor God. Ze brengen op die manier hun eigen ongeluk over zich.
Christus heeft voor ons een veel machtiger en gruwelijker vijand dan Benhadad en zijn leger overwonnen. Hebben wij Hem vandaag al voor deze heerlijke bevrijding gedankt?
Achab heeft niet alleen verzuimd zich tot de HEERE te wenden, maar toont bovendien een onverantwoorde mildheid en vriendelijkheid ten aanzien van de vijand van God en Zijn volk. Ja, nog erger: hij noemt hem zelfs zijn broeder!
Dan grijpt God in en stuurt hem een andere profeet. Maar nu heeft de stem van de genade plaats moeten maken voor de stem van het oordeel.
Het kan gebeuren dat wij, evenals Achab, vergeten dat de wereld de vijand van God en Zijn volk is. De mensheid is echter slechts in twee groepen verdeeld: de familie van God en die van de duivel (Johannes 8 vers 41 tot en met 44).
Die twee mogen niet met elkaar vermengd worden! Als wij het voorrecht hebben tot de grote familie te behoren waarvan God de Vader is, dan zijn alle kinderen van God onze broeders en zusters. Maar ... alleen hen mogen we zó noemen en niemand anders!
Het had niet veel gescheeld of Achab was door de koning van Syrië van alles beroofd. In plaats van de HEERE Die alles voor hem bewaard had, dankbaar te zijn, probeert hij nu echter, gedreven door begeerte, zijn buurman Naboth van zijn wijngaard te beroven.
Volgens Leviticus 25 vers 23 kon Naboth, als trouwe Israëliet, zijn erfdeel niet afstaan. Tonen wij dezelfde trouw en houden wij ons geestelijke erfdeel vast dat ons misschien door onze ouders is overgeleverd?
Ja, laten we ervoor oppassen dat we de Bijbelse waarheden die met niets te vergelijken zijn en ons toevertrouwd zijn om te bewaren, niet veronachtzamen (1 Timotheüs 6 vers 20 en 2 Timotheüs 1 vers 14).
Op een laaghartige manier laat deze gemene koning nu zijn vrouw handelen. En onder de dekmantel van het koninklijke gezag wordt de afschuwelijkste ongerechtigheid uitgevoerd!
Naboth heeft echter het voorrecht dat hij een type mag zijn van Iemand Die groter is dan hij. In de gelijkenis waarin de Heere Jezus Zichzelf als de Erfgenaam van de wijngaard voorstelt, horen we de vreselijke woorden: "Komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden" (Mattheüs 21 vers 38).
En bijna aan het slot van hetzelfde Evangelie zien we dat er ook twee valse getuigen voor het Sanhedrin verschenen. Daar werd de Heere Jezus door de oversten van het volk van lastering beschuldigd (Mattheüs 26 vers 61, 65 en 66), vóórdat Hij "buiten de stad" leed en stierf (vers 13 van het hoofdstuk van vandaag en Hebreeën 13 vers 12).
Achab is een beeld van de mens die altijd alles wil hebben wat hij niet heeft. Het enige waarvoor de koning die in overvloed leefde, interesse had, was de wijngaard van zijn buurman!
Het hart van de mens is van nature nooit tevreden. "De godzaligheid met tevredenheid is een groot gewin", zo brengt Paulus het Timotheüs in herinnering (1 Timotheüs 6 vers 6).
Door leugen en moord is Achab in het bezit gekomen van wat hij begeerde. Nu zien we hoe hij vrolijk en opgewekt op stap gaat om zijn nieuwe bezit te bewonderen.
Maar plotseling is het gedaan met al zijn blijdschap! Iemand die hij maar al te goed kent, staat hem bij de wijngaard van Naboth op te wachten. Het is Elia!
De HEERE heeft ElÃa de opdracht gegeven om de koning de vreselijke straf die hem te wachten staat, aan te kondigen. Een straf die ons doet denken aan het verschrikkelijke einde van hem die "onschuldig bloed" heeft overgeleverd: de ongelukkige Judas (Handelingen 1 vers 18).
Nu is er bij Achab voor het eerst iets te merken van verootmoediging. Uit het voorbeeld van zijn voorgangers weet hij dat het Woord van de HEERE altijd vervuld wordt.
Gaat het bij hem nu om "een onberouwelijke bekering tot zaligheid" (2 Korinthe 7 vers 10)? Jammer genoeg niet, zoals we uit het vervolg van zijn geschiedenis zullen zien. Een echte bekering is altijd te herkennen aan de vruchten. Maar God Die op het geringste teken van omkering let, houdt rekening met de houding van Achab en stelt zijn straf uit (Ezechiël 33 vers 11).
Benhadad heeft geen woord gehouden (hoofdstuk 20 vers 34) en Ramoth in Gilead niet teruggegeven. Achab wil deze stad weer innemen en maakt Jósafat, de koning van Juda, die bij hem op visite is, deelgenoot van zijn plannen.
Wat moeten we van dit bezoek denken? Het is toch fijn als je ziet dat er vriendschap ontstaat tussen de koningen van deze beide Israëlische rijken die al zo lange tijd met elkaar op voet van oorlog leven? Mogen we dit niet zien als een eerste stap tot vereniging? Een zaak die tegenwoordig ook in de christenheid aan de orde van de dag is.
In werkelijkheid is Jósafat echter ontrouw aan God. Hij was koning in Jeruzalem waar de tempel van de HEERE stond. Achab was daarentegen een afgodendienaar.
De apostel vraagt: "Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden?" (2 Korinthe 6 vers 16).
Hoe is het mogelijk dat de koning van Juda zich zó ver verlaagd dat hij zegt: "Zo zal ik zijn gelijk gij zijt" (vers 4)?
Kijk toch eens hoe de arme Jósafat zich in de nesten heeft gewerkt! Omdat hij zich onbehaaglijk voelt, maakt hij tegenover Achab een paar schuchtere opmerkingen, maar hij heeft geen kracht meer om zich tegen diens plan te verzetten. Om het voorstel van Achab af te wijzen, was meer moed nodig dan om op te trekken tegen de Syriërs.
Ieder van ons weet waarschijnlijk uit eigen ervaring dat het ontzettend veel moeite kost om zulke aanbiedingen van de hand te wijzen, en dat de meeste moed nodig is om gewoon te weigeren je met het kwaad te verbinden (Psalm 1 vers 1).
De vierhonderd profeten hebben de koning eenstemmig aangekondigd wat hij graag wilde horen. Daaraan was voor hen immers geen enkel risico verbonden! Als Achab de oorlog zou winnen, ging hun voorzegging in vervulling. En zou hij niet meer terugkomen, dan zou hij hen ook geen enkel verwijt meer kunnen maken.
Behalve deze leugenprofeten is er slechts één enkele profeet van de HEERE, de trouwe Micha, die moedig de waarheid zegt en daarvoor moet lijden.
Zowel de geschiedenis van Elia op de Karmel (hoofdstuk 18) als het voorbeeld van Micha in dit hoofdstuk zijn een waarschuwing voor ons, omdat ook wij het gevaar lopen iets te beoordelen naar de mening van de meerderheid.
De mensen van vandaag handelen precies zoals Achab in zijn tijd: ze zoeken voor zichzelf leraars uit die zeggen wat hen bevalt (2 Timotheüs 4 vers 3). Ze willen liever niets horen over het oordeel en vinden tot hun eigen geruststelling predikers die hen verzekeren dat het uiteindelijk allemaal wel mee zal vallen en dat alles goed zal komen. Maar vroeg of laat zal God deze leugenaars te schande maken. Zijn Woord is de waarheid (Johannes 17 vers 17).
Door gebrek aan moed om 'nee' te zeggen, heeft Jósafat bijna zijn leven verloren. Hij is Achab gevolgd, omdat hij bang was hem tegen zich in het harnas te jagen. En deze Achab, zo laf als hij is, heeft geprobeerd de aandacht van de vijand van zichzelf af te wenden en op Jósafat te richten. Maar hij kon met zijn list de HEERE niet bedriegen, want God had Zijn oog op de éne koning gericht om hem te redden, en op de andere om aan hem Zijn onfeilbaar oordeel te voltrekken (zie Psalm 7 vers 13 en 14).
Er worden in het tweede Boek Kronieken nog meer details over de regeringsperiode van Jósafat beschreven. We zullen ons hier beperken tot één feit dat voor ons heel leerzaam is.
Jósafat heeft schepen gebouwd, want hij wil zijn knechten naar Ofir laten varen om goud te halen. Gods hand houdt hem echter tegen: zijn schepen worden vernietigd. Doet Jósafat nu hardnekkige pogingen om toch te gaan? Nee, integendeel! Hij onderwerpt zich.
Tevergeefs biedt de koning van Israël hem zijn hulp aan in de vorm van schepen. Deze keer blijft Jósafat echter standvastig en wijst het aanbod van de hand!
Hebben wij ook al eens meegemaakt dat we plannen gemaakt hadden die door onverwachte omstandigheden plotseling doorkruist werden? Job heeft dat wel ervaren en moest het uitroepen: "Uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten" (Job 17 vers 11).
God maakt gebruik van verschillende middelen om plannen te laten mislukken: slecht weer, ziekte, geldgebrek, zakken voor een examen, enzovoort! Voor ons is dat vaak moeilijk te verteren! In plaats van ons te ergeren, op ons standpunt te blijven staan en toch alles wat we van plan waren door te zetten, is het beter onszelf eerst eens af te vragen of onze plannen de goedkeuring van de Heere wel kunnen wegdragen. Een verbroken geest heeft in Zijn ogen meer waarde dan schepen die Hij moest vernietigen.
Het laatste Schriftgedeelte brengt ons terug naar het hof van de koning van Israël. We zien dat de nieuwe koning Aházia Baäl dient en zich voor hem neerbuigt. Met deze verdrietige mededeling besluit het eerste Boek Koningen.
Direct aan het begin van dit Boek zien we dat de ongelukkige Aházia nog een stap verder gaat in de afgodendienst dan zijn vader. Als hij ziek wordt, stuurt hij namelijk boden naar BaälâZebub om raad te vragen. BaälâZebub betekent 'heer van de vliegen of van de mest'.
Dit is des te erger, omdat achter de duistere macht van deze afgod satan zelf schuil gaat die zich laat aanbidden; hij die door de joden Beëlzebul, de overste van de boze geesten, werd genoemd (Mattheüs 12 vers 24)!
Door de HEERE is nu het lot van Aházia beslist en ElÃa krijgt de opdracht hem dat aan te kondigen, evenals dat eerder bij zijn vader gebeurde.
Terwijl er toen bij Achab sprake was van een zekere verootmoediging, denkt zijn zoon Aházia er slechts over na op welke wijze hij de profeet, met of zonder geweld, te pakken kan krijgen.
Dat doet ons denken aan de misdadige praktijken van een andere koning, de boze Herodes, tegen Johannes de Doper. Johannes wordt in de Schrift vaak vergeleken met ElÃa, bijvoorbeeld ook wat hun kleding betreft, zoals de vergelijking van vers 8 met Markus 1 vers 6 ons laat zien.
Op deze openlijke tegenstand tegen de HEERE volgt onmiddellijk een ernstige straf.
Hiermee overtreft deze Aházia zelfs zijn goddeloze vader Achab in het kwaad. Hij had dan ook een heel slecht voorbeeld gehad in z'n ouders, Achab en Izébel! Wat zullen we dan nog zeggen van de jeugd die opgevoed is door godvrezende ouders, en ondanks dat voorrecht toch de afgoden van de wereld is nagelopen?
In zijn hardnekkigheid heeft Aházia voor de tweede maal een hoofdman over vijftig gestuurd om ElÃa op te halen. De aanmatiging van deze man gaat nog verder dan die van z'n voorganger: "Kom haastig af!" Hierop volgt hetzelfde antwoord als bij de eerste hoofdman.
Op de berg Karmel was het vuur niet gevallen op de daar aanwezige mensen, maar op het brandoffer. Dat is een beeld van het Goddelijke oordeel dat over Christus is heengegaan om het hart van Zijn volk tot God terug te brengen. Maar nu, op deze andere berg, moet het vuur van het oordeel op de opstandige mensen neerdalen.
De Heere Jezus heeft als het heilige Offer destijds alleen, en tot nog toe als de Enige, de gloed van de Goddelijke toorn leren kennen. Maar later zullen allen die niet geloofd hebben, zelf deze vreselijke toorn voor eeuwig moeten ondergaan (Romeinen 1 vers 18).
De dag van het oordeel is nog niet gekomen. Daarom moest de Heere Zijn discipelen Jakobus en Johannes scherp bestraffen, toen zij met verwijzing naar Elia het voorstel deden om vuur uit de hemel te laten neerdalen op het dorp van de Samaritanen (zie Lukas 9 vers 52 tot en met 55).
De hoofdman van de derde groep is misschien één van die zevenduizend van wie de HEERE in 1 Koningen 19 vers 18 tot de profeet gesproken had. Deze man spreekt in ieder geval met hoogachting, in nederigheid en met liefde voor zijn soldaten. Met hem gaat ElÃa wèl mee naar de koning. Daar herhaalt hij woord voor woord zijn boodschap.
Deze voorzegging ging door de dood van Aházia al heel gauw in vervulling.
Terwijl de opname van Henoch slechts met twee verzen in de Bijbel wordt vermeld (Genesis 5 vers 24 en Hebreeën 11 vers 5), staat God het ElÃsa toe de wegneming van Elia tot in detail te zien.
Is dit geen heerlijke gebeurtenis die ons aan twee andere gebeurtenissen doet denken, één uit het verleden en één die nog in de toekomst ligt?
Met de gebeurtenis uit het verleden doelen we op de hemelvaart van de Heere Jezus en met die welke in de toekomst ligt, op de opname van de gelovigen van de aarde.
Evenals ElÃa is de Heere Jezus de weg van Zijn volk Israël gegaan waarvan we hier in beeld de verschillende etappes zien: Gilgal, BethâEl, Jericho en tenslotte de Jordaan.
Zoals ElÃsa weigerde achter te blijven en ElÃa alleen te laten gaan, zó hingen de discipelen ook aan de Heere Jezus. "Heere, tot Wie zullen wij heengaan?", zei Petrus tegen Hem (Johannes 6 vers 68; zie ook Johannes 11 vers 16).
En zij waren ook getuige van Zijn hemelvaart (zie Handelingen 1 vers 9). Toen daalde de Heilige Geest met Zijn kracht op hen neer zoals hen beloofd was. Dat doet ons denken aan de geest van ElÃa die kwam rusten op ElÃsa, nadat zijn meester was opgevaren.
Maar dit hoofdstuk richt ons oog ook op die toekomstige gebeurtenis: de opname van alle verlosten "in de wolken, de Heere tegemoet, in de lucht" (1 Thessalonika 4 vers 17).
Evenals ElÃa zijn ook wij onderweg en weten we wat ons te wachten staat. Is dat een hoop die onze harten verheugt?
De zonen van de profeten waren in werkelijkheid de volgelingen van de profeten, die bij hen woonden om in het Woord onderwezen en door de HEERE in Zijn dienst gebruikt te worden. Zij die uit Jericho kwamen, konden niet geloven dat die wonderbare opname van ElÃa had plaatsgevonden. Ook Thomas kon later niet geloven dat de Heere Jezus werkelijk uit de dood was opgestaan.
ElÃsa in Jericho is een beeld van Christus Die in genade in de door dood en onvruchtbaarheid gekenmerkte wereld is gekomen. Hij heeft haar door de reinigende kracht van genade (het zout) het leven gebracht dat in de nieuwe mens (de nieuwe schaal) aanwezig is en geopenbaard wordt. Daarom wordt van iedere gelovige verwacht dat hij in diezelfde wereld "een vat zij ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid" (2 Timotheüs 2 vers 21).
De vreselijke gebeurtenis die dan volgt, herinnert ons aan de oordelen die het deel zullen zijn van de spotters (Spreuken 19 vers 29). De jongens uit BethâEl bespotten de HEERE Zelf. "Kaalkop, ga op!" Daarmee daagden ze ElÃsa op spottende wijze uit, want volgens hen zou hij niet als ElÃa weggenomen kunnen worden. Petrus heeft gezegd dat er in de laatste dagen spotters zullen komen die naar hun eigen begeerten zullen wandelen en zeggen: "Waar is de belofte van Zijn toekomst?" (2 Petrus 3 vers 3 en 4). Plotseling verschijnen er twee beren! In de Bijbel wordt de beer vaak samen met de leeuw (beeld van de satan) genoemd. Dit is heel ernstig! God kan het toelaten dat kinderen die het Woord verachten, ten prooi vallen aan de wereld met haar vorst. Een lot dat vele malen erger is dan de dood, want het heil van hun ziel staat daarbij op het spel!
Nu wordt Joram, de broer van Aházia, koning van Israël. Hoewel hij eveneens doet wat kwaad is in de ogen van de HEERE, vinden we bij hem toch een verbetering ten opzichte van zijn vader en moeder. Hij maakt namelijk openlijk een einde aan de afgodendienst van Baäl.
In het eerste vers van dit Bijbelboek wordt de opstand van Moab al genoemd. Die opstand is voor Joram de aanleiding om tegen dit volk ten strijde te trekken. Daarbij maakt hij gebruik van de hulp van zijn naaste bondgenoten: de koning van Juda en de koning van Edom.
Helaas heeft Jósafat de ernstige les van Ramoth in Gilead niet ter harte genomen. Hij antwoordt met dezelfde woorden op het voorstel van Joram als destijds op het verzoek van Achab (vergelijk vers 7 met 1 Koningen 22 vers 4).
De veldtocht staat op het punt te mislukken door gebrek aan water. Volgens Joram is de HEERE daarvoor verantwoordelijk, maar hij draagt toch zeker zelf de schuld van deze hele onderneming!
Zo reageren veel mensen. In plaats van berouw te hebben, klagen ze God aan voor het ongeluk dat hen is overkomen.
Uiteindelijk komt Jósafat toch tot bezinning en wil hij de woorden van de HEERE horen.
Bij dit verdrietige bondgenootschap van deze drie koningen voelt ElÃsa zich echter helemaal niet op z'n gemak. Moeten we ook hier niet spreken over een ongelijk juk met ongelovigen waarvoor de christen gewaarschuwd wordt (zie 2 Korinthe 6 vers 14)?
De HEERE laat de enige oplossing voor een uitredding door ElÃsa bekendmaken. En zoals altijd is iedere bevrijding pas mogelijk door het geloof.
Vóórdat men tot daden kan overgaan, moeten er eerst grachten gegraven worden. Hoe meer er gegraven worden, des te meer water zal er zijn.
Het is heel opmerkelijk dat het water "des morgens, als men het spijsoffer offert", begint te stromen (vers 20). Werd dat offer niet gebracht in Jeruzalem, dus ver daar vandaan? Toch begint het water pas in verbinding met dit offer te stromen.
Voor ons betekent dit dat M onze zegeningen voortvloeien uit het werk van de Heere Jezus op het kruis.
Het water dat voor het leger van Israël redding uit de nood betekent, heeft tegelijkertijd de vernietiging van de Moabieten tot gevolg.
Zo betekent de dood van de Heere Jezus het heil voor de gelovigen en tegelijkertijd de veroordeling van de wereld, van hen die niet geloven (Johannes 16 vers 8).
Bedrogen door de schijn worden de Moabieten verslagen en wordt hun land verwoest. De daad van de Moabietische koning, het vreselijke offer van z'n oudste zoon, roept echter grote verontwaardiging op in het kamp van de overwinnaars.
Uiteindelijk scheiden de drie legers zich, zonder dat deze onverkwikkelijke veldtocht ook maar voor één van hen echt voordeel heeft opgeleverd.
Dat zal altijd het resultaat zijn als we iets buiten God om ondernemen!
Dit hoofdstuk toont ons ElÃsa, een beeld van de Heere Jezus, als de bron van zegeningen voor twee verschillende gezinnen.
Het eerste gezin is arm: een weduwe met haar twee kinderen die aan de willekeur van een onverbiddelijke schuldeiser zijn overgeleverd. Zij weet echter in geloof tot Wie zij zich kan wenden (Psalm 68 vers 6). Voor haar blijft de olie van de barmhartigheid net zo lang stromen, totdat alle lege vaten gevuld zijn.
Door onze ongerechtigheid zijn wij als het ware aan satan, de ergste schuldeiser die er bestaat, verkocht en daarmee heeft hij een recht op ons verworven (Jesaja 50 vers 1).
Maar gelukkig is er een uitweg! Wij mogen ons wenden tot de Heere Jezus. En we zullen naar de mate van ons geloof (daarvan spreken die lege vaten) de Goddelijke macht ervaren. Niet alleen wat de behoudenis betreft van hen die wij liefhebben, maar ook met betrekking tot de behoeften in ons dagelijks leven (vers 7).
Met het tweede gezin is het juist heel anders, dat zijn rijke mensen! Toch ontvangt men de man van God op heel eenvoudige wijze. Hij voelt zich daar thuis en dat gastgezin is blij als hij bij hen op bezoek komt. Dat is een prachtig voorbeeld voor ons!
Voelt de Heere Jezus Zich ook in ons huis, in ons hart, thuis? Kunnen we Hem alles laten zien, Hem alles zeggen en Hem onze diepste verlangens toevertrouwen? Om daar kennis van te nemen, heeft Hij geen tussenpersoon meer nodig, zoals hier nog wel het geval is met de profeet. En als onze verlangens in overeenstemming zijn met Zijn gedachten, dan zal Hij daarin voorzien (Psalm 37 vers 4).
De HEERE heeft de godvrezende Sunamietische een kind gegeven. Maar Hij wil nog meer voor haar doen. Hij wil ook dat ze Zijn macht leert kennen die in staat is doden op te wekken.
Als er een baby geboren wordt, is dat natuurlijk een reden om blij te zijn. Dat geldt voor de ouders, maar ook voor de eventuele broertjes of zusjes. Wat echter nog veel meer blijdschap geeft, is de wedergeboorte van een kind, de geboorte die van boven gegeven wordt en waarover de hele hemel zich verheugt.
Is deze overgang van de dood in het leven, de bekering, niet het allergrootste wonder? Ook vandaag wil de Heere Jezus dit nog bewerken in onze huizen! Hebben we dat al meegemaakt?
Laten we nu eens nadenken over de Verlosser Die in het huis van Martha in Bethanië binnenkomt. Hij werd daar altijd met de meeste hoogachting en liefde ontvangen, zoals ElÃsa dat ondervond bij de Sunamietische. Toch was het nodig dat dit gezin Hem onder een nieuwe Naam leerde kennen: "Ik ben de Opstanding en het Leven" (Johannes 11 vers 25). Op het moment dat er verdriet en rouw in hun leven kwam, was de Heere Jezus niet aanwezig. En dat Hij te laat kwam, had al gauw als onverschilligheid aangemerkt kunnen worden. Maar het was nodig, opdat het geloof op de proef gesteld kon worden.
Dat gebeurde ook met de Sunamietische. "Het is wel", zegt ze tegen iedereen. Laten wij die ons maar al te vaak beklagen over allerlei kleine dingen die weinig te betekenen hebben, in alle moeilijke situaties toch ook altijd vol vertrouwen op de Heere zeggen: "Het is wel!"
In Hebreeën 11, het hoofdstuk in de Bijbel dat spreekt van geloof, wordt gezegd: "De vrouwen hebben hun doden uit de opstanding wedergekregen" (Hebreeën 11 vers 35). Zó was het bij de weduwe van Zarfath en ook bij deze gelukkige Sunamietische.
Toch zien we hier een groot verschil met het gebeuren bij het graf van Lazarus. Daar was een enkel woord van de Levensvorst voldoende om iemand die al vier dagen dood was, weer tot leven te brengen.
Heel binnenkort zullen alle ontslapen verlosten de stem horen van Hem Die de dood heeft overwonnen. Dan zullen zij opstaan uit de doden (1 Thessalonika 4 vers 16).
De gebeurtenis met de kolokwinten in de moespot herinnert ons eraan dat de mens â soms met de beste bedoelingen â alles wat God graag wil geven, kan bederven.
Laten we er altijd voor oppassen dat we niets aan het Woord, het voedsel voor onze zielen, toevoegen. Laten we daarom ook alle 'vernieuwingen' met de nodige voorzichtigheid tegemoet treden (Galaten 1 vers 7 en 8). Er is zoveel godsdienstige lectuur in omloop waarin de Goddelijke waarheid wordt vermengd met een beetje vergif. Dus, pas op!
De man van BaälâSalisa â wiens weinige voedsel toereikend is voor honderd personen â doet ons denken aan de gebeurtenissen in het Evangelie van Mattheüs (hoofdstuk 14 vers 15 tot en met 21 en 15 vers 32 tot en met 38).
Maar ook hier zien we een groot verschil tussen de profeet en de Heere Jezus Die de mensen laat zitten en door Zijn macht duizenden kan verzadigen (Psalm 132 vers 15).
Hier zien we Náäman, de generaal van de koning van Syrië, een man die als een held vereerd wordt. Toch is er iets wat deze hooggeplaatste man tot één van de beklagenswaardigste mensen maakt: zijn mooie uniform bedekt een lichaam dat melaats is.
Zó heeft de ziekte van de zonde alle mensen, van hoog tot laag, verdorven.
In het huis van Náäman woont en werkt echter een dienstmeisje dat, hoe jong ze ook mag zijn, een goed bericht voor hem heeft. Dit meisje, een gevangene uit Israël, legt heel eenvoudig een getuigenis af van de macht van de man van God. Je bent nooit te jong om een getuige van de Heere Jezus te zijn!
Náäman gaat op weg en ontvangt langs een omweg, via het paleis van koning Joram, de boodschap van ElÃsa.
Ook vandaag heeft God nog een Boodschap voor zondaars: Zijn geschreven Woord, de Bijbel. Er zijn echter veel mensen die niet geloven dat God op deze manier tot hen spreekt. Zij nemen de Bijbel niet aan als het Woord van God. Er zijn er ook die denken dat het heil op deze manier veel te eenvoudig te verkrijgen is.
De aanwijzing die Náäman krijgt, is dezelfde als die de Heere Jezus aan de blindgeborene gaf: "Ga heen en was u" (vergelijk vers 10 met Johannes 9 vers 7).
God verlangt geen grote dingen van de mensen (vers 13). Alleen dit: je moet toegeven dat je onrein, dood in zonden en misdaden bent (Efeze 2 vers 1 en 5 en Kolosse 2 vers 13). De grote dingen heeft God Zelf voor arme zondaars volbracht, door het werk van de Heere Jezus!
Het eerste wat Náäman na zijn genezing doet, is terugkeren naar de man die het middel tot zijn genezing was, om hem te bedanken. Dit herinnert ons aan die tien melaatsen die door de Heere Jezus genezen werden, waarvan er echter slechts één bij Hem terugkwam; "ziende, dat hij genezen was, keerde weer, met grote stem God verheerlijkende" (Lukas 17 vers 15). Deze man was ook een vreemdeling, een Samaritaan.
Nu moet Náäman nog leren dat het heil helemaal gratis is, dat je het niet verdienen kunt. Er zijn veel mensen die dat niet kunnen accepteren. Dat het gratis is, wordt voor hen des te moeilijker om te begrijpen, als ze zien dat bepaalde personen in de godsdienstige wereld persoonlijke winst slaan uit de godsdienst. De Schrift noemt zulke mensen "vuilâgewinzoekers" (1 Timotheüs 3 vers 8; Titus 1 vers 7 en 1 Petrus 5 vers 2).
Bij Géhazi moeten we aan zulke mensen denken. Door zijn hebzuchtige houding zou hij Náäman de indruk kunnen geven dat de gave van God toch niet helemaal gratis is.
Het hart van de man van God dat bezorgd is over deze 'pasbekeerde', heeft alles gezien. De oneerlijke daad wordt aan het licht gebracht en de schuldige ontvangt zijn straf (vergelijk Handelingen 5 vers 1 tot en met 11).
"Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om klederen te nemen ...?", vraagt ElÃsa wiens hele bezit bestaat uit de profetenmantel. Dat is ook een ernstige vraag aan ons! Als volgelingen van de Meester Die om ons arm is geworden, hoeven wij ons, zo vlak vóór Zijn komst voor ons, niet te verrijken en het ons op aarde gemakkelijk te maken (zie ook Jakobus 5 aan het einde van vers 3)!
"De plaats, waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng", zeggen de zonen van de profeten tegen ElÃsa. Soortgelijke opmerkingen hoor je vaker in de christenheid.
In de ogen van de wereld is het leven van een christen zeker eng en bekrompen, want je 'moet' je volgens hen immers zoveel ontzeggen!
Als wij ook zó zouden denken, dan komt dat alleen, omdat we naar beneden kijken. In werkelijkheid behoort ons immers de hele hemel toe!
Het kleine incident dat dan volgt, is in al zijn eenvoud aangrijpend. ElÃsa is even zo goed bereid een man z'n gereedschap dat hij nodig heeft, terug te geven, als aan een moeder haar kind door de opstanding uit de dood.
Zo zien we de Heere van de heerlijkheid de voeten van Zijn discipelen wassen en het eten voor hen klaarmaken (Johannes 13 vers 5 en 21 vers 9 tot en met 13). Niets is de Heere Jezus te min of te gering. Heeft niet ieder van ons dat al eens ervaren?
De oorlog tussen Israël en Syrië breekt weer uit. Er bestaat echter nog een derde legermacht waarvan alleen de profeet het bestaan kent: het hemelse leger van strijders, de engelen, die God gebruikt om Zijn dienstknecht als met een muur te omringen (Psalm 34 vers 8).
Om hen te kunnen zien, heb je ogen van het geloof nodig.
Zoals ElÃsa hier, zó heeft de Heere Jezus in de hof van Gethsémané de gedachten van Zijn discipel Petrus gericht op de meer dan twaalf legioenen engelen die Zijn Vader Hem gegeven zou hebben als Hij erom gevraagd had (Mattheüs 26 vers 53).
In dit hoofdstuk worden op het gebed van de profeet tot driemaal toe de ogen van mensen geopend (vers 17 en 20) of verduisterd (vers 18).
Laten wij God bidden om geopende ogen. En laten we niet, zoals de knecht van ElÃsa, de Goddelijke macht die ons ter beschikking staat, uit het oog verliezen. "Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal", zegt de psalmist (Psalm 121 vers 1).
ElÃa was de profeet van het oordeel geweest. ElÃsa heeft daarentegen het voorrecht gehad een tweede en nog werkzamer wapen te mogen gebruiken: de genade. Hij is barmhartig tegenover zijn vijanden en overwint het kwaad door het goede.
Opnieuw gaan onze gedachten hierbij uit naar de Heere Jezus. Op volmaakte wijze maakte Hij gebruik van Zijn macht èn van Zijn genade. Nadat zij die in de hof Gethsémané gekomen waren om Hem gevangen te nemen, slechts door één enkel woord van Hem op de grond geworpen waren, genas Hij het oor van de slaaf van de hogepriester dat Zijn impulsieve discipel had afgeslagen (Johannes 18 vers 6 en Lukas 22 vers 51).
Deze grote maaltijd die ElÃsa voor de benden van de Syriërs laat bereiden, herinnert ons aan "een groot avondmaal" van de genade (Lukas 14 vers 16 en 17). God nodigt hen die (nog) Zijn vijanden zijn, daarvoor uit.
Helaas wordt de goede daad van ElÃsa door de Syriërs niet met goed vergolden! De Syriërs belegeren Samaria waardoor er een hongersnood met al z'n vreselijke gevolgen over de stad komt. Maar juist dat zal de HEERE als aanleiding nemen om zowel Zijn macht als Zijn genade te tonen.
Het volk van Samaria zit diep in de ellende. Op zo'n moment kan God handelen!
ElÃsa, de profeet van de genade, antwoordt op de moordpoging van de koning door de verlossing aan te kondigen. Die redding en bevrijding wordt vandaag de dag nog steeds verkondigd. Maar hoevelen zijn er niet die hier slechts met ongeloof en spot op antwoorden, evenals de hoofdman in dit Schriftgedeelte?
Vier melaatse mannen worden gebruikt om de verlossing bekend te maken (vergelijk 1 Korinthe 1 vers 28).
Zonder enig menselijk ingrijpen is het Syrische leger op de vlucht geslagen. Alleen de HEERE heeft overwonnen!
Zo is het ook met het kruis waardoor de Heere Jezus alleen over Zijn vijanden getriomfeerd heeft.
Wij waren zondaars, zoals deze beklagenswaardige melaatsen, en wij bevonden ons in een hopeloze situatie. We gingen de eeuwige dood tegemoet.
Maar voor de gelovigen is die dood nu door de Heere Jezus te niet gedaan! In plaats daarvan hebben we nu het leven, de vrede en de geestelijke zegeningen ontvangen. Bovendien hebben we een veilige toekomst voor ogen! Dat zijn de vruchten van de overwinning van Christus op het kruis.
De vijand is totaal beroofd. Ze hoefden alleen maar op pad te gaan en al deze dingen gewoon in bezit te nemen (vergelijk Lukas 15 vers 18).
Hebt u dat al gedaan? Of zit u nog "in duisternis ... en de schaduw des doods" (Mattheüs 4 vers 16)?
"Deze dag is een dag van goede boodschap" (vers 9).
O, als wij de goede boodschap van het evangelie persoonlijk hebben leren kennen, laten we het dan niet voor onszelf houden! Laten we er haast mee maken en deze blijde boodschap doorgeven aan hen die nog steeds in diepe ellende zitten en nog niets van deze Goddelijke bevrijding afweten!
"Ziet, nu is het de dag der zaligheid!" (2 Korinthe 6 vers 2). Zouden we niet schuldig staan als we zwegen (vergelijk Ezechiël 33 vers 6)?
Dat zegt het geweten van deze vier melaatse mannen ook. En zonder de morgen af te wachten, gaan ze naar de stad en vertellen de poortwachter wat er gebeurd is.
Zo'n blij bericht ... en zie nu eens hoe erop gereageerd wordt!
De koning en zijn knechten discussiëren over wat hen te doen staat, en komen met allerlei verklaringen, vóórdat ze het bericht in alle eenvoudigheid aannemen. Dit is immers de bevrijding waarover de profeet gesproken heeft! Zij komt van de HEERE!
"O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!", moest de Heere Jezus tot de Emmaüsgangers zeggen (Lukas 24 vers 25).
Het heil stond 'voor de poort'! Maar voor de ongelovige hoofdman was dat tegelijkertijd de plaats van het oordeel. Hij kon als enige in de stad niet genieten van de rijke buit.
Het Woord van de HEERE gaat precies in vervulling. Zo gaat het altijd!
Aan het begin van hoofdstuk 8 komen we een aantal bekende personen tegen: de vrouw uit Sunem voor wie de HEERE gezorgd had tijdens de hongersnood, en Géhazi die blijkbaar ondanks zijn melaatsheid (waarover hij het liefst gezwegen zal hebben) succes heeft.
Inderdaad komen we hem aan het hof van de koning tegen waar God hem gebruikt om de Sunamietische recht te verschaffen.
Daarna wordt over het bezoek van ElÃsa aan Damascus en over zijn ontmoeting met Házaël verteld. Házaël heeft, ná de moord op Benhadad, diens plaats op de troon van Syrië ingenomen. Benhadad was destijds getuige geweest van de genezing van Náäman, maar sterft zelf nu een ellendige dood.
In de verzen 16 tot en met 29 zien we tenslotte hoe de geschiedenis van de koningen van Israël en Juda parallel aan elkaar verder gaan. Joram, de zoon van Jósafat, volgt daarbij absoluut niet het goede voorbeeld van zijn vader. De reden daarvoor wordt duidelijk aangegeven: "... want de dochter van Achab was hem tot vrouw geworden" (vers 18).
Ook nu kunnen we weer zien hoe groot de invloed van een vrouw op een man, van een echtgenoot op de echtgenote kan zijn. Joram, de koning van Juda, is door zijn huwelijk de zwager van koning Joram van Israël die wij goed kennen, geworden. Zijn zoon Aházia wordt op zijn beurt "een schoonzoon van het huis van Achab" (vers 27). In de ogen van de wereld zijn dat misschien prachtige verbindingen, maar in de ogen van de HEERE is het grote ontrouw. De trieste gevolgen blijven dan ook niet uit.
Het was al lang geleden dat de HEERE op de berg Horeb aan ElÃa getoond had dat Jehu de opvolger van het huis van Achab zou zijn (1 Koningen 19 vers 16).
God haast Zich echter nooit als het om het uitvoeren van het oordeel gaat. Pas nadat Hij alle bronnen van Zijn genade als het ware heeft leeggeschept, besluit Hij te handelen.
ElÃsa moet deze nieuwe koning die het oordeel zal uitvoeren, niet zelf zalven, omdat juist hij de profeet van de genade is. Een jongeman uit de zonen van de profeten wordt voor deze opdracht uitgekozen.
Dat is een bewijs dat de Heere soms ook een belangrijke dienst aan een jongere wil toevertrouwen.
Hij moet naar de stafofficieren van het leger van Israël gaan die in Ramoth in Gilead hun hoofdkwartier hadden, en Jehu apart nemen. Dan moet hij de olie van de koninklijke zalving over het hoofd van Jehu die zelf waarschijnlijk een legeroverste was, uitgieten.
Nu, menselijkerwijs gesproken, was dat voor zo'n jongeman reden genoeg om bang te worden. Als men echter God gehoorzaamt, mag men ook in de belangrijkste en moeilijkste situaties op Zijn hulp rekenen.
Vers 7 laat ons zien dat God het lijden van de Zijnen niet vergeet. Hoeveel te meer zal Hij Zich het bloed van Zijn Zoon herinneren Die door de handen van schuldige mensen moest lijden en gedood worden.
Door de HEERE uitgekozen en door de officieren tot koning uitgeroepen, treedt de nieuwe koning nu handelend op, zonder ook maar één moment te verliezen.
Jehu wordt gekenmerkt door bezonnen en krachtdadig optreden. Zijn besluit is snel genomen. Het wordt ook direct uitgevoerd.
Gevolgd door vastberaden mannen, stuurt hij zijn wagen razendsnel naar Jizreël. Als je hem in gedachten zo ziet gaan, moet je onwillekeurig denken aan de Ruiter Die, gevolgd door de legerscharen van de hemel, zal optrekken om het oordeel "van de gramschap van de almachtige God" uit te oefenen. Zijn Naam is "het Woord Gods" of "Koning der koningen en Heere der heren", dus Christus Zelf. Dan zal de tijd van genade definitief voorbij zijn (zie Openbaring 19 vers 11 tot en met 16).
"Is het vrede?", laat Joram eerst achtereenvolgens door twee van z'n boden vragen. Even later vraagt hij het zelf ook nog een keer, wanneer hij de voltrekker van het oordeel ontmoet.
Welk antwoord op deze vraag lezen we in het Woord van God? "De goddelozen ... hebben geen vrede" (Jesaja 57 vers 21). Integendeel, "wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen" (1 Thessalonika 5 vers 3).
Voor de goddeloze koning is het moment aangebroken om verantwoording af te leggen. Vaak had de genade, bij monde van ElÃsa, tot hem gesproken, maar die taal had hij niet verstaan en hij hield zich er doof voor.
"Het is bedrog!", roept hij. Hij had beter kunnen roepen: 'Dit is mijn straf!', want het is de hand van God die hem op het land van Naboth doorboort. Hiermee ging de voorzegging over het lot van het met bloed bevlekte huis van Achab in vervulling.
Na de dood van Joram en van zijn neef Aházia blijft het ergste lid van de koninklijke familie nog over: koninginâmoeder Izébel.
Zij heeft gehoord hoe het haar zoon is vergaan, en ze behandelt Jehu als de moordenaar van zijn heer. In plaats van bedroefd te zijn, maakt de oude koningin zich op; een laatste daad van ijdelheid, zouden we kunnen zeggen.
Dan gaat ze voor het raam staan om uit te zien naar hem die zal komen, om hem met alle verachting te bespotten.
Op het bevel van Jehu duwen haar eigen dienstknechten haar uit het raam. Korte tijd later hebben de honden slechts weinig van haar lichaam overgelaten. Dat is het vreselijke einde van de persoon die in de Schrift de belichaming is van de verderfelijke macht binnen de gemeente (zie Openbaring 2 vers 20).
De oversten en oudsten van Samaria en Jizreël zijn uit angst voor Jehu bereid om de zonen van de koning te doden en daardoor bij hun nieuwe koning in een goed blaadje te komen.
Toch moeten we de hand van de Heere achter deze bloedige daad zien. We kunnen er zeker van zijn dat niet één van deze zeventig zonen het verdiend had, gespaard te blijven. Want volgens Ezechiël 18 vers 17 zal de zoon die het voorbeeld van zijn goddeloze vader niet volgt, maar in de inzettingen van de HEERE wandelt, "niet sterven om de ongerechtigheid van zijn vader; hij zal gewis leven".
Jehu gaat verder met zijn oordeelstocht en ontmoet een groep vrolijke jongelui. Zorgeloos gaan zij hun weg. Het zijn de tweeënveertig broers (of neven) van Aházia.
Deze jeugd van de koninklijke familie van Juda is van plan om de jongeren van de koninklijke familie van Israël te bezoeken. Ze weten echter niet wat er zojuist is voorgevallen, namelijk dat de zeventig hoofden van deze prinsen van Israël in twee hopen opgestapeld zijn aan de deur van de poort van Jizreël (vers 8)! Deze tweeënveertig prinsen volgen de zeventig in hun dood.
Deze gebeurtenis doet ons denken aan die talloze jongeren die slechts op één ding uit zijn: zoveel mogelijk van het leven genieten! Ze vergeten dat de dood hen plotseling kan overrompelen, zonder dat ze erop voorbereid zijn (Prediker 11 vers 9). Hoevelen hebben niet onverwacht de dood gevonden, bijvoorbeeld als gevolg van een verkeersongeluk, terwijl ze het vermaak najaagden?
In dit Schriftgedeelte lezen we van een interessante ontmoeting: die met Jónadab, de zoon van Rechab. Dit is een trouwe man. In Jeremia 35 lezen we de geschiedenis van zijn nageslacht.
Jehu doet er alles aan om een goede indruk op hem te maken, en nodigt hem uit om het uitroeien van de Baälpriesters bij te wonen.
De list die hij echter gebruikt, heeft weinig overeenkomst met de gebeurtenis op de berg Karmel waardoor het hart van het volk Israël tot de HEERE werd teruggebracht (zie 1 Koningen 18).
Als we zien hoe Jehu de wraak van de HEERE uitvoert, worden onze gedachten bepaald bij de Koning, de Held (Christus), aan Wie Psalm 45 gericht is:
"Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten" (vers 8; 2 Koningen 9 vers 6).
"En rijd voorspoedig in Uw heerlijkheid" (vers 5; 2 Koningen 9 vers 16).
"Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren. Uw pijlen zijn scherp ... in het hart van des Konings vijanden" (vers 5 en 6; 2 Koningen 9 vers 24).
Als gevolg daarvan zal Christus de troon ontvangen, maar niet slechts voor een bepaalde tijd. Het geslacht van Jehu zou vier generaties lang op de troon mogen zitten (2 Koningen 10 vers 30), maar Christus voor "eeuwig en altoos" (Psalm 45 vers 7).
Vers 31 laat een grote tegenstelling zien waaruit ook wij een heel belangrijke les kunnen leren. Je kunt grote ijver voor God ontplooien en opzienbarende dingen doen die de schijn van een groot geloof hebben, maar daarbij toch slechts aan je eigen belang denken.
Hoofdstuk 11 verplaatst ons vervolgens naar het koninkrijk van Juda waar we de vreselijke koningin Athália aan de macht zien.
Zij heeft zich van haar eigen mannelijke nakomelingen ontdaan door hen te vermoorden, en zo zelf de kroon te kunnen bemachtigen.
De complete koninklijke familie van het tienstammenrijk Israël is zojuist uitgeroeid. De koninklijke familie van Juda is hetzelfde lot beschoren, met uitzondering van een kleine jongen die door zijn tante, de vrouw van de hogepriester (2 Kronieken 22 vers 11), in de tempel wordt verstopt.
Vanaf die tijd zit de afschuwelijke Athália onrechtmatig op de troon.
In feite is de tijd van nu te vergelijken met die situatie. Nadat de Heere Jezus door de dood is gegaan (Joas werd er slechts door bedreigd), bevindt Hij Zich nu in het hemelse heiligdom waar Hij de priesterdienst uitoefent. Hij is in deze tijd verborgen voor het oog van de wereld, maar bevindt Zich in de tegenwoordigheid van God. Uiteindelijk zal Hij op de dag van Zijn verheerlijking als de ware Zoon van David verschijnen.
Er zijn mensen â zij die bij de familie van God horen â die Hem als ware Koning kennen en eren en Zijn verschijning verwachten (Titus 2 vers 13). Zij bezitten een kostbaar geheim en een gelukzalige hoop, zodat de voorbijgaande heerschappij van satan, de vorst van deze wereld, geen indruk op hen kan maken. Spoedig zal die macht immers definitief vernietigd worden, zoals het hier ook met de heerschappij van Athália gebeurt!
De kroning van Joas is in feite een beeld van de toekomst waar onze harten in geloof en met blijde verwachting naar uitzien.
De afgodendienst van Baäl wordt tenslotte, zonder list te gebruiken zoals Jehu deed, uit Juda uitgeroeid.
De dood van de hogepriester Jójada betekende een keerpunt in de regeringsperiode van Joas. Het tweede Boek van de Kronieken vertelt ons over het verdrietige einde van zijn leven. Zover is het hier nog niet.
Tot en met het zestiende vers zien we de gelukkige periode uit Joas' regering. Het lijkt erop dat slechts één ding het hart van de koning beheerst: de verbetering van het huis van de HEERE.
De tempel was sinds de dagen van Salomo in verval geraakt. Maar Joas die samen met de priester in de kamers naast het heiligdom is opgegroeid, heeft van kind af aan een grote en blijvende interesse gehad voor dit huis. Tegelijkertijd had hij toen alle gelegenheid om elke scheur in het gebouw te leren kennen.
En jullie, jongelui, die met de waarheid van het samenkomen zijn opgegroeid, heeft dit nog een plaats in jullie harten?
Ongetwijfeld zullen jullie ook 'scheuren' weten te vinden: meningsverschillen, onverschilligheid, gebrek aan ijver, wereldgelijkvormigheid, enzovoort. Doe dan als Joas en wordt iemand "die de bressen dicht" (Jesaja 58 vers 12)!
Is dat geen prachtige en begerenswaardige dienst voor de Heere? Zelfs een jonge christen kan deze taak leren uitoefenen.
En welk soort 'cement' moet je daarbij gebruiken en welke gereedschappen moet je kunnen hanteren? De liefde, verdraagzaamheid, lankmoedigheid, ootmoed en zachtmoedigheid, en vooral "de band des vredes" (Efeze 4 vers 2 en 3).
Házaël, de koning van Syrië, is tegen Jeruzalem ten strijde getrokken. Joas had op de HEERE moeten vertrouwen, maar wat doet hij?
Hij handelt precies zoals Asa vroeger gedaan heeft bij de ondergang van zijn rijk, toen Báësa tegen hem optrok (1 Koningen 15 vers 17 en 18). Hij geeft alle geheiligde voorwerpen die zijn voorouders en hijzelf aan het begin van hun loopbaan geheiligd hebben voor de dienst van God in de tempel, aan de Syrische koning.
Helaas zijn velen deze arme koning gevolgd! Aan het begin van hun christelijke leven hebben ze de Heere met blijdschap offers gebracht. Ze hebben bepaalde dingen gewijd of geheiligd (afgezonderd) voor de dienst van de Heere. Daarop ondervonden ze tegenwerking van de kant van de wereld en omdat ze niet bereid waren dit in geloof het hoofd te bieden, hebben ze liever alles overboord gezet.
Dat is precies wat de vijand wil bereiken! Vanaf dat moment laat hij hen misschien met rust. Ja, maar wat hebben ze er een hoge prijs voor moeten betalen!
Het is allemaal zó goed begonnen, maar het leven van deze arme Joas eindigt op tragische wijze. Hij wordt door zijn eigen knechten vermoord.
In zijn plaats komt nu Amázia aan de macht, terwijl in Israël Jehu opgevolgd wordt door Jóahaz. Deze Jóahaz is een slechte koning. Toch zien we opeens in de verzen 4 en 5 de genade van God naar voren komen, want ondanks alles geeft Hij Zijn volk een verlosser!
God heeft ons een grotere Verlosser gegeven! "Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave" (2 Korinthe 9 vers 15).
ElÃsa, wiens naam 'God is heil' betekent, blijft tot aan het einde van zijn lange dienst de profeet van de genade.
Hier maakt hij Joas, de nieuwe koning van Israël die bij hem op bezoek komt, bekend dat de bevrijding spoedig zal komen. Waar kunnen we vandaag genade en heil vinden dan alleen bij de Heere Jezus Die voor ons gestorven is?
Helaas is Joas niet in staat de grote genade die hem aangeboden wordt, te benutten. Het ontbreekt hem aan geloof.
Is dat bij ons ook niet vaak het geval? God houdt rijke zegeningen voor ons bereid die Hij ons maar wat graag zou willen geven. En wat doen wij? Wij vragen Hem vaak heel schuchter om die zegeningen, alsof God te arm zou zijn en ze daarom niet graag over ons zou willen uitstorten.
Dat betekent echter maar één ding, namelijk dat we de Vader nog maar heel slecht kennen. Hij stelt geen grenzen aan de zegeningen. Als we geen zegeningen (meer) ontvangen, moeten we de oorzaak daarvan bij onszelf zoeken. Het komt door ons gebrek aan geloof! Wij hebben niets, omdat wij er niet met vrijmoedigheid om bidden (Jakobus 4 vers 2).
ElÃsa sterft. Maar zelfs zijn dood wordt tot een bron van leven voor anderen.
Hiermee is deze opmerkelijke profeet zelfs tot in zijn graf een beeld van de Heere Jezus (zie Mattheüs 27 vers 52).
Aan het einde van dit hoofdstuk zien we dat de HEERE, hoewel Hij genoodzaakt is Zijn volk te tuchtigen, tegelijkertijd met Goddelijk medegevoel bewogen is (vergelijk Hebreeën 12 vers 6).
Amázia, de zoon van Joas, komt nu op de troon van Juda. Tegelijkertijd is de troon van Israël voor Joas, de zoon van Jóahaz. Ook nu zien we weer hoe groot de invloed kan zijn van een moeder die bij het volk van God hoort (vers 2). Er worden ons goede dingen over deze nieuwe koning meegedeeld, vooral wat de moeite betreft die hij doet om het Woord te gehoorzamen (vers 6; zie Deuteronomium 24 vers 16).
Hij handelde volgens de gedachten van God, "nochtans niet als zijn vader David" (vers 3). Dat wordt nauwkeurig opgemerkt door aan het voorbeeld van die geliefde koning te herinneren.
Wij mogen alles vergelijken met ons volmaakte Voorbeeld, de Heere Jezus. De eerste Brief van Johannes begint met de woorden: "Hetgeen van den beginne was"! Daarnaar moeten we terugkeren. En wat zijn de laatste woorden van die Brief? "Kinderkens, bewaart uzelf van de afgoden!"
Het tweede Boek van de Kronieken laat zo'n afval bij Amázia zien (hoofdstuk 25 vers 14). Niet lang na het begin van zijn regering stelt hij de goden van de Edomieten op als afgoden. Wat een ondankbaarheid tegenover de HEERE Die hem de overwinning op de Edomieten heeft doen behalen!
Het gevolg van deze afgodendienst en de hoogmoed van Amázia is de grote nederlaag die Juda lijdt in de strijd tegen Joas, de koning van Israël. Joas heeft zelfs gezien hoe het met Amázia gesteld was (vers 10).
Als wij menen dat we een overwinning aan onszelf te danken hebben, zal God toelaten dat we de volgende strijd verliezen, omdat Hij ons wil leren alleen op Hem te vertrouwen.
Over de laatste vijftien jaren van het leven van Amázia wordt niets meegedeeld. Het zijn verloren jaren! Geen enkele gebeurtenis uit die periode is het waard door God aangehaald te worden! Zijn er in ons leven soms ook niet van die periodes?
Evenals zijn vader sterft ook Amázia een gewelddadige dood: het verdrietige einde van een man die "afgeweken was van achter de HEERE"! (2 Kronieken 25 vers 27). Zijn zoon Azária (die op andere plaatsen soms Uzzia wordt genoemd) wordt op de leeftijd van zestien jaar zijn opvolger.
In Israël is in diezelfde periode de derde nakomeling van Jehu, Jeróbeam II, aan de macht. Deze blijft, evenals zijn voorouders, verbonden aan de afgoderij met de gouden kalveren van Jeróbeam I.
Toch werkt God in Zijn grote barmhartigheid verder aan de bevrijding van Zijn volk, zelfs door de hand van deze boze koning. Wat een geduld! En wat aangrijpend zijn de woorden: "En de HEERE had niet gesproken, dat hij de naam van Israël van onder de hemel verdelgen zou" (vers 27)!
Hoewel God gedwongen werd streng op te treden, grijpt Hij elke gelegenheid aan om genade te bewijzen, voor zover Zijn gerechtigheid dat toelaat.
Ook tijdens deze regering stuurt Hij profeten naar het volk: Hoséa, Amos en tenslotte Jona die in vers 25 aangehaald wordt. God waarschuwt Zijn volk steeds weer.
Later zegt Hij tegen de Hebreeën dat Hij "voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken" heeft. Tot ons spreekt Hij nu echter door de Zoon; letterlijk: in Zoon (Hebreeën 1 vers 1 en 2).
Over Azária (of Uzzia) worden ons in 2 Kronieken 26 veel meer details meegedeeld. Zijn goed begonnen loopbaan eindigt na een regeringsperiode van tweeënvijftig jaar heel verdrietig. Zo was het ook gegaan bij zijn vader en grootvader.
Laten we eraan denken dat een goed begin van ons christelijke leven geen garantie is voor een gelukkige voortgang tot aan het einde! Laten we nooit steunen op vroegere of huidige trouw, maar altijd en alleen vertrouwen op de Heere Die ons als Enige voor struikelen kan bewaren (Judas vers 24).
Gedurende de lange regeringstijd van Azária nemen achtereenvolgens ZacharÃa, de vierde en laatste nakomeling van Jehu, Sallum, Menáhem, Pekáhia en tenslotte Pekah de macht in Israël over.
"Hij deed wat kwaad was ...; hij week niet af van de zonden", is het verdrietige refrein in de samenvatting van deze opeenvolgende regeringsperioden.
Het is niet belangrijk wat er in de geschiedenisboeken van de wereld komt te staan. Nee, het enige dat telt in het leven van ieder mens, ook in uw en mijn leven, is de waarde die God aan de dingen hecht.
"Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij" (Hoséa 8 vers 4). Het is heel ernstig om op te merken dat de HEERE, als Hij de geschiedenis van het rijk Israël lange tijd heeft gadegeslagen, Zijn volk tenslotte aan zichzelf overlaat, omdat Hij vermoeid is van zoveel ontrouw (Hoséa 4 vers 17).
Alle waarschuwingen van God, inclusief Zijn zwijgen, zijn tevergeefs geweest. Het geweten van het volk is niet geraakt. Daarom is tenslotte het moment gekomen waarop God Zijn laatste strafmaatregel tegen dit volk moet nemen: de verstrooiing onder de volken. Dat was de strengste vorm van tuchtiging die overigens al aan het begin van de geschiedenis van Israël was voorzegd (Leviticus 26 vers 33 en Deuteronomium 28 vers 64). Door het grote geduld van God was de uitvoering ervan echter eeuwen lang uitgesteld.
We kunnen ons misschien indenken, maar nooit werkelijk peilen, hoeveel dit besluit God gekost moet hebben. Hij had het volk uit Egypte geleid. Hij had hen bijeenverzameld, afgezonderd en in een goed land gebracht. En nu moet Hij als het ware Zijn eigen werk te niet doen en dit arme volk weer onder het juk brengen waarvan Hij het bevrijd had (vergelijk Jeremia 45 vers 4). Toch is er nog steeds genade! Dit is nog maar het begin van de wegvoering, zodat er altijd nog gelegenheid tot berouw is.
Laten we erop letten dat de bewoners van Gilead bij de eerste slachtoffers behoren. In Numeri 32 wordt ons de beslissing van de tweeënhalve stam meegedeeld om zich, uit materiële overwegingen, aan de overzijde van de Jordaan te vestigen. Zij waren niet gericht op de zegeningen van het land, maar â in beeld â op de aardse dingen. Hun nakomelingen moeten nu de tragische gevolgen van deze stap ervaren.
In Juda regeren achtereenvolgens de trouwe Jotham en daarna zijn zoon Achaz die daarentegen juist één van de meest afschuwelijke koningen was.
Onder de regering van Achaz in Juda (alsook onder die van Pekah, gevolgd door die van Hoséa in Israël) duiken de Assyriërs in de geschiedenis op. God gebruikt hen om Israël te verstrooien en Juda te tuchtigen. "De Assyriër, die de roede van Mijn toorn is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand" (Jesaja 10 vers 5). Met het oog op deze angstaanjagende inval van de Assyriërs handelt Achaz ongetwijfeld als een bekwaam politicus. Maar ... daarbij bekommert hij zich niet om de gedachten van de HEERE! Toch was hem die wonderbare openbaring gegeven die Jesaja tijdens de heerschappij van Achaz had uitgesproken: "Ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn Naam IMMANUÃL heten" (Jesaja 7 vers 14).
Velen hebben vandaag deze blijde boodschap van de geboorte van de Verlosser gehoord. En toch verwerpen ze God Die gekomen is om 'met ons' te zijn (dat betekent namelijk de Naam Immanuël: 'God met ons')!
Achaz neemt de vrijheid om in het huis van de HEERE alles te veranderen. Hij laat een groter altaar maken. De mens vindt dat wat naar God gedachten is, altijd te eng en bekrompen. Daarna bepaalt de goddeloze koning dat het brandofferaltaar niet meer gebruikt hoeft te worden. Voor ons betekent dit dat de waarde van de verzoening door het werk aan het kruis wordt geloochend. Vervolgens neemt hij de stellingen van de zee en het wasvat weg. Dat betekent de afschaffing van het zelfoordeel. En tenslotte verandert hij het "deksel van de sabbat, dat zij in het huis gebouwd hadden" (de zogenaamde'Sabbatsgang'),, en de "buitenste ingang ... vanwege de koning van Assyrië" (vers 18). Dat is het beeld van een godsdienst die naar de gedachten van de wereld is en die zijn deuren wijd openzet.
Hoséa, de moordenaar en opvolger van Pekah, is de laatste koning van Israël. Het uitstel van een paar jaar dat de HEERE gegeven had, heeft geen uitwerking gehad.
In het negende jaar van de regering van Hoséa wordt Samaria ingenomen en het geheel van de tien stammen weggevoerd naar Assyrië.
Maar de rechtvaardige God wil deze maatregel niet nemen, vóórdat Hij nog één keer op onaanvechtbare wijze heeft vastgesteld hoe groot de schuld van Israël was.
De verzen 7 tot en met 18 vormen de onweerlegbare aanklacht van de HEERE tegen dit beklagenswaardige volk. Zo zal het later ook voor de grote witte troon zijn. De doden zullen niet geoordeeld worden, vóórdat de boeken geopend zijn waarin alle werken tot hun eigen beschaming zijn opgeschreven (Openbaring 20 vers 12 en 13)!
De koning van Assyrië besluit tot een uitwisseling van het volk. Wat een schande dat het prachtige land Kanaän voortaan weer bewoond zal worden door volken die de afgoden dienen, ook al leren ze uiterlijk de HEERE te vrezen en voegen ze Zijn dienst toe aan de dienst van hun afgoden (vers 24 tot en met 33)!
We zijn hier op het punt aangekomen waarop de HEERE bij monde van de profeet Hoséa met betrekking tot Israël de plechtige woorden uitspreekt: "LoâAmmi". Dat is: "Gij zijt Mijn volk niet" en omgekeerd ook: "... zo zal Ik ook de uwe niet zijn" (Hoséa 1 vers 9).
Tot aan het eind van dit Bijbelboek wordt nu alleen nog gesproken over de geschiedenis van Juda.
God heeft zojuist een verdrietige samenvatting van alle zonden van Zijn volk gegeven, maar nu heeft Hij de vreugde ons iets van een trouwe koning te kunnen meedelen. Vandaar ook dat de regeringsperiode van HizkÃa maar liefst elf hoofdstukken in de Bijbel beslaat (2 Koningen 18 tot en met 20; 2 Kronieken 29 tot en met 32; Jesaja 36 tot en met 39).
Het is net alsof God het fijn vindt om in een tijd van verval en vóórdat Hij Zich moet bezighouden met een nog donkerder bladzijde in de geschiedenis van Zijn volk, Zich een poosje te bepalen bij het leven van een trouwe dienstknecht.
Tot aan HizkÃa lezen we bij de berichtgeving van de beste regeringsperioden steeds dat éne 'maar': "Alleen werden de hoogten niet weggenomen". Deze hoogten waar de offers gebracht werden, of het nu aan de HEERE of aan de afgoden was, bleven in ongehoorzaamheid aan Deuteronomium 12 bestaan.
Daarbij moeten we denken aan alle tradities en het bijgeloof die in de christenheid de leer van de Bijbel over aanbidding vervangen hebben. De verering van de koperen slang herinnert ons eraan dat het kruis zelf tot een onderwerp van afgodendienst is geworden. HizkÃa echter verwijdert, slaat kapot, roeit uit en verbrijzelt!
Vervolgens werpt hij het juk van de Assyriërs van zich af en behaalt hij de overwinning op de Filistijnen, zoals Jesaja voorzegd had (Jesaja 14 vers 28 tot en met 32).
HizkÃa heeft moedig een positie ingenomen voor de HEERE. Zijn geloof is echter nog niet op de proef gesteld. Dat moet nog gebeuren.
Zo moet elke christen vroeg of laat tonen of zijn werken werkelijk werken uit geloof zijn, of dat hij het van zichzelf verwacht.
Bij HizkÃa begint het geloof te wankelen als de vreselijke aanval van de koning van Assyrië komt.
HizkÃa denkt zich hieruit te kunnen redden door Sanherib een enorm bedrag aan goud en zilver in het vooruitzicht te stellen. Het losgeld dat de koning van Assyrië hem oplegt, betaalt hij. Zó heeft Joas vroeger ook gehandeld.
God leert hem (en ook ons) dat bevrijding en echte vrede niet door concessies verkregen kunnen worden. De vijand bedriegt ons altijd!
Sanherib peinst er niet over, nu hij het geld ontvangen heeft, de wapens neer te leggen, maar stuurt juist een groot leger op HizkÃa en Jeruzalem af.
Tegelijkertijd stuurt hij drie gevaarlijke mannen, ieder met een speciale 'gave': zijn veldmaarschalk om hen te overwinnen, zijn overste van de lijfwacht (hofmaarschalk) om hen te onderdrukken, en zijn maarschalk om hen te verleiden.
Laten we oppassen voor bepaalde personen die soms door satan op ons afgestuurd worden met een soortgelijke opdracht! Hun taal zal hen verraden!
Dan begint Rabsaké met een toespraak waarin hij openlijk de spot drijft met het vertrouwen dat ze in de HEERE hebben.
Rabsaké gaat verder met zijn toespraak en maakt gebruik van bedreiging, bespotting en leugen. Hij durft zelfs te beweren dat hij een opdracht van de HEERE ontvangen heeft om tegen Juda op te trekken en het land te vernietigen (vers 25).
Daarna probeert hij het met verleiding. Hij probeert de taal van het volk na te doen (zoals satan precies onze woorden, onze taal kan gebruiken) en vertelt hen in geuren en kleuren van alle rijkdommen van Assyrië: koren, brood, wijngaarden, enzovoort. Dáár wil hij hen naartoe brengen. Eigenlijk zegt hij: 'Ik breng jullie in een land dat net zo mooi is als dat van jullie!'
Als we de rijkdommen van Assyrië vergelijken met die van het land Kanaän (Deuteronomium 8 vers 7 tot en met 9), dan is er zeker niet veel verschil op te merken.
Toch is er wèl een belangrijk verschil! Het land van de vijand is niet, zoals het land van de HEERE, "een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen ontspringen".
'Een land zoals jullie land'? Absoluut niet!
De Heere Jezus geeft niet zoals de wereld geeft (Johannes 14 vers 27). Als het de vijand niet lukt om de gelovigen zijn bedrieglijke schatten aan te laten nemen, probeert hij hen bij hun hoogste Krachtbron vandaan te halen, van hun sterke God (zie vers 33 tot en met 35).
Welk antwoord moet een christen hem dan geven? Heel eenvoudig zwijgen (vers 36). Je moet niet met de duivel gaan discussiëren, maar van hem wegvluchten.
Met het oog op de aanval van het Assyrische leger heeft HizkÃa een heel merkwaardige manier van oorlog voeren.
In plaats van zich te bewapenen, kleedt hij zich in zakken. En zijn hoofdkwartier slaat hij niet op in één of ander bolwerk, maar in het huis van de HEERE. Tenslotte wendt hij zich tot Jesaja, de profeet, in plaats van zijn elitetroepen te hulp te roepen!
Is dit echter tegenover de aanmatiging en hoogmoed van de koning van Assyrië niet juist de beste militaire strategie die ook de apostel Paulus ons leert?
Hij zegt immers: "De wapenen van onze krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot neerwerping der sterkten; daar wij de overleggingen terneer werpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God" (2 Korinthe 10 vers 4 en 5).
HizkÃa wiens naam 'sterkte van de HEERE' betekent, weet waar hij hulp kan vinden (Psalm 121 vers 2). Zijn vertrouwen wordt niet beschaamd.
"Vrees niet", laat de profeet hem antwoorden. Wat een kostbaar woord dat we vaak in de Bijbel tegenkomen en ook uit de mond van de Heere Jezus Zelf horen: "Vrees niet, geloof alleen" (Markus 5 vers 36).
De Heere Jezus heeft de "tong der geleerden" om de vermoeiden door een woord op te richten (Jesaja 50 vers 4).
De ziel die angstig is, maar toch vertrouwt op zijn Verlosser, krijgt al tijdens de beproeving door dit woord de nodige kracht en moed om de redding te verwachten.
Stilzwijgend standhouden en geen antwoord geven, dà t is â zoals we gezien hebben â de houding die een gelovige moet innemen tegenover de uitdagingen en verlokkende aanbiedingen van de wereld.
Maar de gelovige mag wel altijd tot zijn God spreken! Dat doet HizkÃa nu ook.
Het eerste wat hij doet, is de brief die hij zojuist gekregen heeft, voor de ogen van de HEERE neerleggen. Het is alsof hij hiermee wil zeggen dat hij het verder allemaal aan Hem wil overlaten. De Assyriër heeft immers Godzelf bespot, dus ZÃjn eer staat op het spel (vers 19).
HizkÃa maakt zijn verbazingwekkende militaire aanwijzingen compleet door de allerbeste tactiek toe te passen: hij trekt zich terug en blijft op de achtergrond om zó de vijand aan de HEERE, de Sterkere, over te laten!
'Laat Hem besturen, waken', zingen we in een lied. Zó mogen we in Hem rusten en zeker zijn van de overwinning. In kleinere en grotere moeilijkheden is het goed ons van onze eigen zwakheid bewust te zijn.
Laten we ervoor waken dat we niet zelf iets gaan ondernemen. Laten we alles in gebed voor onze Heere neerleggen en dan rustig op de uitredding van Boven wachten!
Dan zal de beproeving ook niet meer als een muur tussen de Heere en ons in staan, maar zal de Heere Zichzelf als een beschermend Schild tussen de beproeving en Zijn verlosten plaatsen.
De hoogmoed van de koning van Assyrië heeft z'n hoogtepunt bereikt. Tot nu toe heeft immers niets en niemand hem kunnen weerstaan!
"Ik" lezen we meerdere keren in de verzen 23 en 24. Deze hoogmoed is des te erger, omdat hij zich wil meten met Godzelf. De dwaze aanmatiging van de mens om God gelijk te willen zijn, kunnen we gemakkelijk in de wereld van vandaag herkennen. Door alle wetenschap, techniek en vooruitgang â die toegeschreven wordt aan eigen verdienste â, stormt deze wereld razendsnel af op het moment waarop de mensheid een 'supermens', dat is de antichrist, zal aanbidden.
In Filippi 2 vers 6 zien we bij de Heere Jezus Die Zelf God is, een heel andere gezindheid.
In de profetieën lezen we ook over de Assyriër. Hij is een vreselijke Aziatische macht die in de toekomst het land Israël zal overvallen en Jeruzalem zal belegeren.
Die macht zal echter door de verschijning van de Heere Jezus vernietigd worden. De Engel van de HEERE in ons Schriftgedeelte is een beeld van Hem.
De Assyrische legerplaats wordt in één nacht verwoest. Daarna wordt Sanherib door zijn eigen zonen in de tempel van zijn god Nisroch vermoord.
Hij die beweerde dat de HEERE niet in staat zou zijn HizkÃa te bevrijden, wordt in de tegenwoordigheid van zijn god die blijkbaar niet in staat is hem te beschermen, verslagen.
Op deze manier heeft God Zichzelf, door de bevrijding van Zijn trouwe dienstknecht, verheerlijkt. En we kunnen er zeker van zijn dat Hij dat altijd zal doen!
Nu wordt de bevrijde koning door een tweede, nog ergere beproeving getroffen: de dood klopt bij hem aan.
In zijn vertwijfeling neemt hij ook nu de toevlucht tot de HEERE. Ongetwijfeld zal hij niet meer in staat zijn geweest om zelf naar het heiligdom te gaan, zoals hij gewoon was.
Het is echter altijd mogelijk tot God te naderen, ook op het ziekbed! Veel mensen die al lang aan hun bed gebonden zijn, mogen dit elke dag opnieuw ervaren!
Achaz, de vader van HizkÃa, had geweigerd een teken van de HEERE aan te nemen (Jesaja 7 vers 10 tot en met 12). Op de wijzerplaat van de zonnewijzer die hij gemaakt had, komt het tijdstip van het oordeel sindsdien met grote snelheid dichterbij.
Maar hier krijgt de trouwe en godvrezende koning een buitengewoon teken en bewijs voor zijn genezing. Door het teruggaan van de schaduw op de klok laat God hem zien dat Hij bereid is het oordeel uit te stellen.
Bepaalde details uit deze gebeurtenis doen ons aan de Heere Jezus denken. In Psalm 102 lezen we Zijn gebed: "Mijn God! neem Mij niet weg in het midden Mijner dagen!" Daarop volgt het antwoord van Zijn Vader: "Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht" (vers 25).
Jesaja heeft de genezing van de koning vóór de derde dag aangekondigd. En Christus Die daadwerkelijk in de dood ging, is op de derde dag uit de doden opgestaan.
Uit twee beproevingen is hij als overwinnaar naar voren gekomen, maar bij de derde komt de arme HizkÃa ten val. Waarom? Juist omdat deze laatste op het eerste gezicht geen beproeving lijkt!
Wat is er aangenamer dan zo'n gezantschap van de koning van Babel te ontvangen? Ze komen met een brief en een geschenk bij HizkÃa.
Ach, waarom heeft hij deze brief ook niet eerst voor de HEERE neergelegd? Vanwege het geschenk voelt hij bepaalde verplichtingen tegenover deze vreemde mannen.
De vleierijen van de wereld zijn uiterst gevaarlijk voor een gelovige! Door de ijdelheid in ons hart vinden ze vaak een bereidwillig oor bij ons.
Was dit voor HizkÃa niet juist een prachtige gelegenheid om deze mannen iets van de goedheid en de macht van de HEERE te vertellen?
In plaats daarvan laat hij hen zijn eigen huis en z'n wapenhuis (waaraan hij zijn verlossing uit de hand van Sanherib zeker niet te danken had) zien. Bovendien toont hij zijn schatten waarvan de HEERE nu moet zeggen dat er niets van over zal blijven.
"Wat hebben zij gezien in uw huis?" Dat is een heel ernstige vraag, ook voor ons! Wat zien onze bezoekers bij ons? Zien ze alleen vergankelijke dingen in ons huis waar we zelf misschien trots op zijn? Of zien ze iets van Hem Die alles toebehoort?
HizkÃa ziet in dat hij het oordeel verdiend heeft. En daarmee eindigt het leven van deze trouwe koning.
HizkÃa was, sinds David, de trouwste koning geweest, maar zijn zoon Manasse was daarentegen de meest afschuwelijke. "Hij deed zeer veel kwaad in de ogen des HEEREN" (vers 6).
Als zoon van de godvrezende HizkÃa die zelf gezegd heeft: "De vader zal de kinderen Uw waarheid bekend maken" (Jesaja 38 vers 19), had hij bovendien een bijzonder grote verantwoordelijkheid.
Als we alleen dit éne hoofdstuk over Manasse zouden hebben, zouden we zeker zeggen: 'Deze man is voor eeuwig verloren'.
Maar 2 Kronieken 33 vers 12 en 13 waar we het einde van zijn geschiedenis lezen, laat ons zien dat de genade van God het laatste woord heeft gehad.
Wie had ooit gedacht dat zo'n slechte man berouw zou tonen, zou bidden en verhoord worden? Ja werkelijk, Gods gedachten zijn niet onze gedachten.
Ons heil is niet afhankelijk van onze meer of minder nette leefwijze. Het is het resultaat van de onvergelijkbare genade van de God van liefde.
Wat wij vóór onze bekering gedaan hebben, moet ons altijd voor ogen blijven staan als iets waar God een grote afkeer van heeft.
Paulus noemde zichzelf de voornaamste ofwel grootste zondaar, omdat hij de gemeente vervolgd had. "Maar daarom is mij barmhartigheid geschied," voegt hij eraan toe, "opdat Jezus Christus in mij ... al Zijn lankmoedigheid zou betonen" (1 Timotheüs 1 vers 16).
Amon wordt de opvolger van Manasse. Na twee jaren van goddeloze regering sterft hij een gewelddadige dood.
De kleine JosÃa, zijn zoon, komt nu op achtjarige leeftijd op de troon. We mogen eraan denken dat zijn naam al eeuwen eerder door een profeet is aangekondigd. Dat gebeurde door de profeet die naar BethâEl ging om in tegenwoordigheid van Jeróbeam tegen het altaar te getuigen (1 Koningen 13 vers 2).
Deze zoon zou uit het nageslacht van David geboren worden om in gerechtigheid te heersen en het oordeel uit te voeren.
We zien hier dus dat de gedachten van God in verband met het kwaad dat Hij duldde, sinds lange tijd op dit kind gericht waren. Maar van eeuwigheid af hebben Zijn gedachten volledige rust gevonden in het kleine Kind van Bethlehem Dat de Heiland van de wereld zou worden.
De regering van JosÃa komt in zekere zin overeen met een opwekking, evenals bij zijn grootvader HizkÃa het geval is geweest.
In de toestand van de slapende christenheid heeft de Heilige Geest hier en daar soortgelijke opwekkingen bewerkt.
De opwekking waarvan JosÃa het opmerkelijke werktuig is, draagt de volgende kenmerken: een nieuwe belangstelling voor het huis van God, een terugkeer tot het heilige Boek en tenslotte het zien van de noodzaak van afzondering van het kwaad.
We zullen nog de gelegenheid hebben om deze punten in detail te overdenken.
Het werk dat JosÃa aan het huis van God liet verrichten, heeft tot de ontdekking van het wetboek geleid. Dat was uit het oog geraakt en zelfs door de priesters vergeten die toch de opdracht hadden het te bewaren (Deuteronomium 31 vers 9 en 26)!
In de loop van de kerkgeschiedenis is door de grote opwekking van de reformatie de Heilige Schrift als het ware weer 'in ere hersteld'.
Na de duistere Middeleeuwen is het Boek van God uit de duisternis tevoorschijn gehaald, in de omgangstalen vertaald, gedrukt en onder alle lagen van de bevolking verspreid. Laten we nooit vergeten God hiervoor te danken!
Daarna heeft het lezen van de Bijbel bij velen de ogen geopend voor de toestand en het verval in de christenheid. Maar tegelijkertijd is het Goddelijke licht van het evangelie verschenen om de onwetende zielen te verlichten.
Dit Woord van het leven toont ons enerzijds, zoals het wetboek bij JosÃa, wat God van de mens verwacht en hoe hij totaal gefaald heeft (het Oude Testament). Anderzijds toont het ons wat Hij Zich in Christus, de nieuwe Mens, heeft voorgenomen en wat Christus volbracht heeft (de hele inhoud van het Nieuwe Testament).
Terwijl de Bijbel enerzijds een Boek is dat ons onze verantwoordelijkheid laat zien, brengt dit Boek anderzijds ook de boodschap van de genade van God voor arme, verloren zondaars.
Na de aankondiging van het oordeel door de HEERE had Josje tot de conclusie kunnen komen dat het nutteloos zou zijn om de tempel te reinigen. De toorn van de HEERE zou er immers toch over ontbranden!
Maar zó mag een trouwe gelovige nooit denken. Zelfs aan de vooravond van het definitieve oordeel scherpt Gods Woord ons nog in: "Die heilig is, dat hij nog geheiligd worde" (Openbaring 22 vers 11).
Denkend aan Deuteronomium 31 vers 11, wil de koning JosÃa die nu persoonlijk de waarde van het Woord van God heeft ingezien, "de woorden van het boek des verbonds" aan allen laten horen, "van de minste (= de kleinste) tot de meeste (= de grootste)".
Hebben wij ook dat verlangen om het levend en krachtig Woord in onze omgeving bekend te maken?
De ijver voor het huis van God 'verteerde' JosÃa, zoals dat later gebeurde bij Hem Die groter is dan hij (Johannes 2 vers 17).
In dit verband mogen we ook denken aan de vraag die Paulus de Korinthiërs stelde: "Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in u woont? ... Want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt" (1 Korinthe 3 vers 16 en 17 en 6 vers 19).
Zouden wij een belangrijke bezoeker in een huis vol rommel en vuil willen ontvangen? Zou hij zich daar op zijn gemak voelen? Hoeveel te meer als het dan gaat om de Goddelijke Gast Die in ons wil wonen! Hem eren, wil zeggen dat we eerst in ons hart orde op zaken stellen, dus alles wat Hem belet en ons bevuilt, eruit wegnemen.
JosÃa gaat moedig verder met de reiniging. Daarbij ontdekt hij te midden van de graven van de afgodenpriesters een ander graf: het graf van de man van God die de gebeurtenissen heeft aangekondigd die nu in vervulling gaan. De beenderen van de profeet van God en die van de afgoden-priesters rusten dus naast elkaar, hoewel hun eeuwig lot verschillend is.
De Heere zal bij Zijn komst dat verschil weten en de lichamen van de ontslapen gelovigen opwekken van tussen de anderen doden uit (1 Thessalonika 4 vanaf vers 13). De anderen zullen dan blijven liggen tot de opstanding ten oordeel.
JosÃa had begrepen dat elke verontreiniging uit het land verwijderd moest zijn, vóórdat het pascha op waardige wijze voor de HEERE gevierd kon worden.
De dienst van de heilige God gaat niet samen met iets wat aan de afgodendienst herinnert (2 Korinthe 6 vers 16 en 17).
Om de Naam van de Heere op waardige wijze te kunnen noemen, wordt de gelovige opgeroepen zich te onttrekken aan ongerechtigheid en zich te reinigen van vaten tot oneer (2 Timotheüs 2 vers 19 tot en met 21).
Afgezonderd zijn, zich afzijdig houden, zich reinigen, dat zijn allemaal moeilijke verplichtingen. Wie die verplichtingen nakomt, zal ongetwijfeld door anderen van hoogmoed beschuldigd en slecht beoordeeld worden. Maar God vraagt dat van ons, vóórdat wij enige dienst voor Hem kunnen doen.
Het gezegende gevolg is: "Gelijk dit pascha was er geen gehouden, van de dagen der richteren af" (vers 22).
Ondanks de trouw van hun koning is het volk zelf niet met zijn hele hart tot de HEERE teruggekeerd (Jeremia 3 vers 6 tot en met 12). Het "trouweloze Juda" heeft geen lering getrokken uit het oordeel dat het "afgekeerde Israël" heeft getroffen. Daarom zal ook voor deze twee stammen het moment aanbreken waarop ze uit het land verdreven zullen worden.
Om Zijn plannen ten uitvoer te brengen heeft God gebruik gemaakt van grote volken uit de oudheid. Eveneens gebruikt Hij ná volken die onbewust het middel in Zijn hand zijn om met Israël te handelen. Ook de wereldgebeurtenissen worden door Zijn hand bestuurd en Hij gebruikt ze om de Zijnen te beschermen of te tuchtigen.
Egypte en Assyrië waren twee wereldmachten ten tijde van JosÃa. Het éne volk woonde ten zuiden van het land Kanaän en het andere ten noorden. Beide volken waren constant in staat van oorlog met elkaar en moesten door het gebied van Israël trekken om tegen elkaar te kunnen vechten. JosÃa die liever de kant van Assyrië kiest, probeert farao Necho de doortocht te verhinderen, maar wordt in Megiddo zelf door hem gedood.
O, had hij zich van de wereld en haar bondgenoten ook maar z6 zorgvuldig afgezonderd als hij dat van het kwaad gedaan had! Hij koos partij in een strijd die hem niets aanging, en moest het dodelijke gevolg daarvan ondergaan (zie Spreuken 26 vers 17).
Na een slechte regeringsperiode van drie maanden valt Jóahaz, de zoon van JosÃa, ten prooi aan de macht van Necho. Deze neemt hem gevangen en stelt voor hem zijn broer Eljákim in de plaats die echter geen haar beter is.
Volgens de profetie in Jesaja 10 is de Assyrische macht vernietigd. Op de ruïnes daarvan heeft het Babylonische rijk zich gevestigd. Dat rijk omvatte de hele toenmalig bekende en beschaafde wereld, inclusief Egypte. Daarom wordt het Babylonische rijk het eerste grote wereldrijk van de volkeren genoemd.
Dit is een keerpunt in de wereldgeschiedenis. Israël is terzijde gesteld. Van nu af aan is zij niet meer het centrum van de regering van God hier op aarde. Deze regering is nu aan de (nietâjoodse) volken toevertrouwd. Dat wil zeggen dat "de tijden der heidenen" (ofwel van de volken) vanaf dat moment zijn begonnen (Lukas 21 vers 24). Tot op de dag van vandaag lopen deze tijden nog door.
Jójakim, de koning van Juda, die ook een onderdaan van Nebukadnézar geworden was, komt na verloop van drie jaar tegen hem in opstand.
Zijn zoon Jójachin (of Jojakin) volgt hierin de voetsporen van zijn vader. Het gevolg daarvan is de eerste wegvoering van Juda naar Babel.
Wat een trieste gebeurtenis! Toch wordt aan de armsten onder het volk die aan de wegvoering ontkomen, nog een laatste kans geboden.
Nebukadnézar zet de oom van Jójachin, een derde zoon van JosÃa, op de troon van Juda: ZedekÃa. Deze handelt echter niet anders dan zijn voorgangers.
De blindheid van deze laatste koningen verdient des te meer gestraft te worden, omdat JeremÃa niet opgehouden heeft hen tijdens hun regeringsperioden in de Naam van de HEERE te waarschuwen.
Omdat Nebukadnézar genoeg heeft van de tegenstand van de koningen van Juda, trekt hij voor de derde keer op tegen Jeruzalem en omsingelt de stad.
Na de stad een jaar belegerd te hebben, dringt hij eindelijk door de muren naar binnen. Deze keer is er geen barmhartigheid meer voor de hoogmoedige inwoners van de stad. Met de verwoesting wordt bij de tempel begonnen en uiteindelijk wordt de hele stad verbrand. De muren worden afgebroken en de inwoners gevangengenomen en weggevoerd.
ZedekÃa ondervindt de vreselijke gevolgen van zijn halsstarrigheid. Slechts enkele boeren blijven in het land achter.
Dan concentreren de troepen van de Chaldeeën zich helemaal op de tempel: in hun ogen hèt symbool van alle tegenstand. Met het verbranden zijn ze nog niet tevreden en het lukt hen de grote koperen pilaren te slopen. Samen met de stellingen, de koperen zee en ander gereedschap, voeren ze het koper daarvan af naar Babel.
Waarom worden in de verzen 16 en 17 eigenlijk de details van de versiering van deze pilaren nog eens genoemd, juist op het moment dat ze verdwijnen? Ongetwijfeld om een aangrijpende reden: er wordt nog een laatste blik geworpen op de voorwerpen die men liefheeft, in welker omgeving men graag wil vertoeven en waar men altijd naar zou willen kijken!
Nu was er ontzettend veel verloren! Deze pilaren waren prachtige symbolen van de standvastigheid en kracht die de HEERE nu bij Zijn ongehoorzaam en opstandig volk weghaalde (1 Koningen 7 vers 21)!
Dit is het einde van de beide Boeken van de Koningen. In het Hebreeuwse origineel vormen die samen overigens één geheel.
Ze beginnen met de heerlijkheid van de koning van Israël en eindigen met die van de koning van Babel.
Ze beginnen met de bouw van de tempel en sluiten af met de beschrijving van haar vernietiging.
In het begin bestijgt de eerste nakomeling van David de troon. Aan het slot wordt zijn laatste nakomeling gevangengezet in Babel.
Tussen het begin en het einde hebben we van hoofdstuk tot hoofdstuk de verdrietige achteruitgang kunnen volgen. Zó gaat het met wat de mens is toevertrouwd!
Het is werkelijk waar dat het hart van de mens bedrieglijk en onverbeterlijk is.
Ezechiël die in deze tijd van gevangenschap profeteerde, bevestigt dit door zijn verdrietige uitroep: "Hoe zwak is uw hart (spreekt de Heere HEERE) als gij al deze dingen doet" (Ezechiël 16 vers 30).
Het is echter heel troostrijk in de laatste verzen toch een klein begin van het herstel te zien ontkiemen.
God laat ons zien dat Zijn werk niet voltooid is. Hij heeft het laatste woord, als ná het falen van al deze koningen Christus, de Zoon van David, de ware Koning van Israël, zal verschijnen.
Nadat de mens, wat zijn verantwoordelijkheid betreft, totaal gefaald heeft, pakt de God van de genade in deze Boeken van de Kronieken het van begin af aan Zelf weer op. Hier vinden we de geschiedenis van de mensheid in zekere zin opnieuw voorgesteld. Nu wordt de nadruk echter niet meer gelegd op het kwaad dat de mens gedaan heeft (zoals in de Boeken Samuël en Koningen), maar op het goede waarmee God antwoordt op wat Hij heeft uitgedacht èn uitgevoerd.
De geschiedenis van de mensheid vanaf Adam wordt hier samengevat. Uit de betekenis van de eerste tien namen kunnen we een zin vormen waarin het evangelie wordt samengevat:
De Mens [Adam], in de plaats gesteld [Seth] (als) zwak, sterfelijk Mens [Enos], weeklagend [Kenan]. God zij lof [Mahalaleël] (voor Zijn) vernedering [Jered], toewijding en offerande [Henoch]. Laat uit Zijn dood ontspruiten [Methúsalah] (voor) overtreders [Lamech]: rust en troost [Noach].
Vinden we hier in de eerste plaats niet de eindconclusie van al het voorgaande? Dus de constatering dat het schepsel totaal verdorven en ongeneeslijk is? Maar tegelijkertijd worden we hier op wonderbare wijze ingeleid in de ontvouwing van de raadsbesluiten van God. Die zullen we in deze beide Boeken als een rode draad kunnen volgen.
Namen hebben in de Bijbel vaak een heel leerzame betekenis. Toch kunnen we hier niet op alles uitvoerig ingaan. De gedeelten met veel namen zullen we daarom niet behandelen. De lezer moge zelf beslissen of hij die gedeelten wel of niet leest.
We moeten bij de opsomming van deze namen geen bepaalde volgorde of perfectie verwachten, zoals bijvoorbeeld in het bevolkingsregister van een gemeente noodzakelijk is. Zoals nergens in het Woord van God, wordt ook hier niet de nieuwsgierigheid van de mens bevredigd evenmin als de onderzoekingsdrang van de menselijke intelligentie.
Opdat de bedoelingen van de Geest van God duidelijk worden, worden in deze hoofdstukken bepaalde dingen weggelaten, komen ze ergens anders voor in de plaats of zijn er bepaalde wijzigingen.
Wat zijn dan de bedoelingen van de Geest? Waarom worden er zulke ellenlange geslachtsregisters genoemd die zo moeilijk te lezen zijn?
In de eerste plaats gaat het erom aan te tonen dat de familie van Israël met recht aanspraak kan maken op de beloften die aan Abraham gegeven zijn. Elke Israëliet kon, als hij dat wilde, zijn verleden en zijn aanspraak op een bepaald erfdeel aantonen.
Wij weten hoe de joden zich in de tijd dat de Heere Jezus hier op aarde was, erop beroemden Abraham tot vader te hebben. Maar tegelijkertijd weigerden ze Hem Die in hun midden was, te erkennen als Degene Die vóór Abraham was (Johannes 8 vers 58).
Wat de christen betreft: hij behoort tot de familie van God, nadat hij door de wedergeboorte het Goddelijke leven ontvangen heeft. Zijn aardse afstamming heeft vanaf dat moment geen betekenis meer. God is nu in de Heere Jezus zijn Vader geworden en hij kan uitroepen: "Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden" (1 Johannes 3 vers 1).
Er is nog een andere reden waarom deze geslachtsregisters genoemd worden: de afstamming van de Messias moest op onweerlegbare wijze aangetoond worden.
Als we het verloop van de geschiedenis volgen, valt het op dat God stapje voor stapje één familie uit het hele mensengeslacht heeft afgezonderd. Eerst zette Hij de familie van Abraham apart. Uit zijn nageslacht nam Hij de stam van Juda en uit deze stam het huis van David. Zijn nakomelingen vinden we in hoofdstuk 3 beschreven.
We kunnen ons goed voorstellen hoe aandachtig God van geslacht tot geslacht de lijn waaruit "geboren is JEZUS, genaamd Christus" (Mattheüs 1 vers 16) vervolgd zal hebben.
De korte geschiedenis van Jabez (in hoofdstuk 4 vers 9 en 10) die meer geëerd werd dan zijn broeders, vinden we in de lijst van de zonen van Juda.
Deze Jabez voelt het gewicht van de smart als gevolg van de zonde zwaar op zich drukken en vraagt de God van Israël zijn gebied te vergroten. Hij wordt verhoord.
Laten we acht slaan op de vier verzoeken die hij doet. Laten we hem als voorbeeld nemen, hem navolgen en ook zonder vrees bidden
om het rijke genot van de geestelijke zegeningen;
om een groter 'gebied' voor ons verstand en hart;
dat de hand van God met ons zal zijn bij alles wat wij doen; en
om bewaring voor de zonde en de verzoeking (vergelijk Mattheüs 6 vers 13).
Hier worden onder de zonen van Juda â ná de koningen, de rijken en geëerde mannen zoals Jabez â ook de eenvoudige handwerkers genoemd (vers 14, 21 tot en met 23): de linnenwerkers, wevers, pottenbakkers en tuinmannen.
Ze leefden onder eenvoudige omstandigheden, maar hadden één groot voorrecht: ze woonden "bij de koning in zijn werk".
Laten we oppassen voor het verlangen naar een hoge positie in de wereld, als de Heere ons daartoe niet nadrukkelijk geroepen heeft!
Het volk van God bestaat uit "niet vele machtigen, niet vele edelen" (1 Korinthe 1 vers 26; zie ook JeremÃa 45 vers 5).
Elke belangrijke baan brengt onherroepelijk een evenredige verantwoordelijkheid met zich mee. Je kunt daardoor zó in beslag genomen worden dat er maar weinig tijd voor de Heere en Zijn werk over blijft.
Laten we daarom geen beroep kiezen dat ons belemmert of zelfs verhindert "bij de Koning" te wonen en Zijn werk uit te voeren.
Over de stam van Simeon was in het verleden een streng oordeel uitgesproken, vanwege de gewelddadigheid van hun stamvader in Genesis 34 (zie Genesis 49 vers 5 tot en met 7). Ook in de hoererij en afgodendienst bij BaalâPeor speelde de stam van Simeon geen mooie rol (Numeri 25).
In overeenstemming met de bedoeling van dit Boek wordt hier echter alleen over het goede gesproken. Daardoor wordt de genade naar voren gebracht: deze stam heeft z'n grenzen verruimd en prachtige overwinningen behaald.
In dit hoofdstuk wordt gesproken over de zonen van Ruben, van Gad en van de halve stam Manasse.
Destijds had hun eigen welstand in hun ogen meer waarde dan het bezit van het land van de belofte. Ze zijn een beeld van christenen voor wie het aardse en het zichtbare meer telt dan het hemelse en het geestelijke.
Daarom hebben de tweeënhalve stam zich ook aan de overzijde van de Jordaan gevestigd. Hun gebrek aan geloof en uithoudingsvermogen alsook hun liefde tot materiële dingen worden op andere Schriftplaatsen aangehaald.
Het is echter heel ontroerend op te merken dat ook hier het Woord alleen het goede naar voren haalt dat van hen gezegd kan worden (met uitzondering van vers 25 dat voor het begrijpen van dit gedeelte noodzakelijk is). Hier worden hun moed en vertrouwen in het bijzonder onderstreept.
Het hart van God blijft altijd gelijk.
De Heere Jezus kon over Zijn zwakke discipelen die Hem even later zouden verlaten, toch tegen de Vader zeggen: "Zij hebben Uw Woord bewaard ... en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt" (Johannes 17 vers 6 tot en met 8).
Zó is de liefde van onze trouwe Heiland! Daar waar wij slechts verval en ellende kunnen ontdekken, ziet Hij toch nog iets waar Hij een welgevallen in heeft.
Laten ook wij, vóórdat wij een oordeel vellen of kritiek hebben op de Zijnen als ze er zelf niet bij zijn, eerst denken aan de manier waarop de Heere over hen spreekt. Laten we Zijn volmaakte Voorbeeld navolgen!
Het zesde hoofdstuk is gewijd aan de Levieten en de priesters, de zonen van Aäron. Daarmee is dit hoofdstuk de tegenhanger van hoofdstuk 3 waarin we lazen over de koningen. Het gaat om bevoorrechte families in Israël!
In het tegenwoordige volk van God zijn deze diensten het deel van elke gelovige! De apostel Petrus herinnert ons eraan: "Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom ..., opdat gij zoudt verkondigen de deugden van Hem, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht" (1 Petrus 2 vers 9; zie ook Openbaring 1 vers 6).
Lof aan de Heere brengen en van Zijn deugden aan anderen vertellen, is de tweevoudige dienst van de christen. Daar doen de Levieten ons aan denken. De éne groep was voor het gezang bestemd (vers 31 en verder), de andere diende, onder leiding van Aäron en zijn zonen, in het huis van God (vers 48 en 49).
In de hoofdstukken 7 en 8 vinden we de geslachtsregisters van achtereenvolgens Issaschar, Benjamin, Nafthali, van de andere halve stam van Manasse en tenslotte van de stammen Efraïm en Aser. Daarbij moeten we letten op de gevolgen die de nalatigheid van de stam van Nafthali had. Deze stam bekommerde er zich namelijk zó weinig om zich steeds de voorrechten die ze hadden, in herinnering te roepen, dat hun hele geschiedenis slechts met één korte tekst in het Boek van God wordt weergegeven (hoofdstuk 7 vers 13). Dat mag voor ons een reden te meer zijn om met interesse de geschiedenis van de gemeente te vervolgen. Opdat we met dankbaarheid terugdenken aan hen die God heeft willen gebruiken om ons in geestelijk opzicht te zegenen (zie ook Hebreeën 13 vers 7).
In dit hoofdstuk worden nog meer Levieten genoemd, namelijk de poortwachters. Zij hebben een heel belangrijke opdracht!
Hun taak is in een paar woorden samen te vatten, in een kort bevel dat de Heere Jezus in een gelijkenis aanhaalt: "Gelijk een mens ... de deurwachter gebood, dat hij zou waken" (Markus 13 vers 34).
De wacht houden over de vaten, het gereedschap, de offers, het voedsel en de toegang tot het huis! In het Nieuwe Testament komt deze dienst overeen met de taak van opzieners, herders en oudsten.
Zij dragen in het bijzonder de zorg voor de zielen in de gemeente. En zij hebben erop toe te zien dat de gezonde leer verkondigd wordt.
Dat is een vertrouwelijke opdracht, maar ook een eerbare taak waarvan zij bij de openbaring voor de rechterstoel van Christus verantwoording zullen moeten afleggen!
Deze poortwachters waren nakomelingen van Korach, de oproerkraaier (zie Numeri 16).
De zonen van Korach wilden liever in de voorhoven van het huis van God verblijven, dan in de tenten van de goddelozen waarin hun vader gewoond had.
Kennen we die prachtige Psalm 84 die de zonen van Korach gedicht hebben? "Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heerscharen! ... Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders" (Psalm 84 vers 2 en 11).
Aan wie vertrouwt God de zorg voor Zijn huis, Zijn gemeente, toe? Aan hen die haar liefhebben en alles voor haar over hebben.
Vanaf hier wordt in de Boeken van de Kronieken de draad van de geschiedenis van David en zijn nakomelingen opgepakt, vanaf het moment waarop Saul gestorven is.
Toch verschilt de berichtgeving hier van die in de Boeken van Samuël en Koningen. Sommige feiten worden toegevoegd en andere weggelaten. Elke verandering komt echter overeen met het doel dat God Zich gesteld heeft, toen Hij deze Boeken liet optekenen.
Zijn doel was: deze geschiedenis vanuit een nieuw en ander gezichtspunt te beschrijven, namelijk dat van Zijn onbeperkte genade.
Om dezelfde reden heeft Hij ons in de vier Evangeliën vier maal de geschiedenis van Zijn Zoon meegedeeld, zodat wij Hem in Zijn verschillende heerlijkheden kunnen overdenken.
Laten we dus niet verslappen in het opnieuw lezen van bekende gebeurtenissen! Laten we juist aandachtig letten op wat de Geest heeft toegevoegd of wat Hij opzettelijk heeft weggelaten.
We hoeven ook niet ontmoedigd te zijn, maar mogen ons er juist over verheugen dat God met de mens in het vlees aan het eind is gekomen. Daarvan zijn Saul en zijn geslacht een beeld.
Saul sneuvelt door de hand van de Filistijnen en wordt op het gebergte Gilbóa van alles beroofd. Zijn verderfelijk werk is ten einde en zijn dood is geconstateerd, vóórdat David in het voetlicht treedt.
David is de mens die voortkomt uit het raadsbesluit van God, een kostbaar beeld van de Heere Jezus.
De lange jaren van lijden en verbanning zijn voor David ten
einde. Zijn recht op de troon wordt nu in heel Israël erkend.
Hij neemt de burcht Sion in die in zoveel Psalmen geprezen wordt (zie bijvoorbeeld Psalm 87 vers 2 tot en met 5) en die van de koninklijke genade spreekt.
De nieuwe koning zal daar echter niet alleen wonen. De mannen van geloof, zij die samen met hem in woestijnen en bergen rondgezworven hebben, met hem in spelonken en holen in de aarde gewoond hebben en door de wereld veracht werden, zullen nu voor altijd met hem in deze stad blijven (NehemÃa 3 vers 16; vergelijk Hebreeën 11 vers 16 en 38).
Kinderen van God, zien wij die gouden stad als het ware al aan de horizon verschijnen? De stad waarheen de Heere Jezus onze voetstappen richt? Dit vooruitzicht geeft ons kracht voor onze christelijke wandel en strijd!
De held Eleázer heeft tegen de Filistijnen gestreden om een stuk land vol met gerst uit hun handen te redden.
Dat doet ons denken aan de dienstknechten van God die moeten vechten om het geestelijke voedsel voor Gods volk in veiligheid te brengen. Velen van hen hebben de hardnekkige aanvallen van de vijanden op de waarheid afgeslagen.
We behoren hen daar ontzettend dankbaar voor te zijn. Van onze kant moeten wij bereid zijn om de gezonde leer die zij voor ons bewaakt en bewaard hebben, eveneens te verdedigen (Judas vers 3).
David heeft op en na de dag van zijn machtsovername zijn metgezellen van de spelonk van Adullam niet vergeten. Zou de Heere hen die Hem hier op aarde navolgen en willen dienen, ooit vergeten? We weten dat dat nooit zal gebeuren!
Wat zegt de Meester tegen Zijn discipelen, vlak vóór het moment waarop Hij Zijn leven voor hen zal geven, terwijl zij zich bezighouden met de vraag wie van hen de meeste is? "Gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen. En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijk Mijn Vader Mij dat verordineerd heeft" (Lukas 22 vers 28 en 29).
Er is onder deze vlijtige mannen een bepaalde rangorde. Niet gegrond op kracht, want het zijn allemaal sterke mannen, maar gegrond op hun opoffering.
Het maakt daarbij geen verschil of het nu gaat om een dienst, zoals bij de drie helden die water gingen halen, of om een strijd, zoals bij Benája.
Datzelfde geldt voor de gelovigen van vandaag. Sommigen uit alle christelijke kringen overtreffen anderen in ijver en toewijding aan de Heere.
In de hemel zullen we op zekere dag hun waardevolle daden leren kennen. Zou u dan ook niet graag bij hen willen staan?
"Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus" (2 Petrus 1 vers 11).
Saul heeft de nederlaag geleden, omdat hij niet in staat was de boogschutters van de Filistijnen terug te drijven (hoofdstuk 10 vers 3).
Toch mogen we hier opmerken dat hij onder zijn eigen broeders uit de stam Benjamin de juiste mannen had kunnen vinden die heel goed met pijl en boog en met de slinger wisten om te gaan.
Tot zijn grote spijt echter hebben zij de veroordeelde koning verlaten en zich aangesloten bij David in Ziklag.
Deze mannen hebben hun capaciteiten beschikbaar gesteld aan hem die zij in geloof als hun ware heer erkenden.
Wat doen wij met de talenten die God ons heeft toevertrouwd? In dienst van welke meester gebruiken wij die? Voor Christus of voor de vorst van de wereld?
Van de Gadieten hebben zich eveneens elf buitengewone strijders afgescheiden. Zij krijgen bepaalde verantwoordelijkheden van David.
Vervolgens komen er nog een paar mannen van Juda en Benjamin. En de koning gaat hun beweegredenen na.
Is het antwoord dat Amásai, het hoofd van de aanvoerders, geleid door de Geest aan de koning geeft, niet wonderbaar? "Wij zijn uwe, o David, en met u zijn wij, gij zoon van Isaï!" (vers 18).
O, dat ieder van ons door dezelfde Geest kan zeggen: 'Ik behoor U toe, Heere Jezus!'
"Uwe", maar ook "met U"! Helaas zijn er verlosten die bij de Heere Jezus horen, maar zich in Zijn tegenwoordigheid toch niet op hun gemak voelen.
Als het middelpunt van de verzamelplaats ziet David uit alle stammen trouwe mannen tot zich komen die hem erkennen als hun koning.
Van alle kanten komen ze; de één heeft meer haast dan de ander, totdat er een reusachtig leger bij elkaar is.
Zadok, een jongeman en dapper held, wordt hier speciaal genoemd. Wie zou de Heere vandaag uit het midden van Zijn volk zó naar voren kunnen halen?
De soldaten die daar bij elkaar gekomen zijn, hebben allen hun eigen karakter. De één heeft meer kracht en moed, de ander meer onderscheidingsvermogen en wijsheid. Er zijn er ook die ordelijker of rechtschapener zijn dan anderen.
Zó is het ook met de kinderen van God. Totaal verschillend van elkaar, zal op een zeker moment toch het een of andere karakterkenmerk naar voren komen: krachtdadig handelen, wijsheid, geduld, geloof, liefde, volharding, enzovoort.
Al deze deugden zijn bij de Heere bekend en Hij wil ze in ons bewerken. Hij is de Enige Die al die deugden in Zijn leven geopenbaard heeft!
De slotscène van dit hoofdstuk doet ons denken aan Lukas 12 vers 37. De Meester Die met niets of niemand te vergelijken is, zal het aan niemand anders overlaten Zich om Zijn trouwe knechten en vermoeide strijders te bekommeren. Hij zal Zichzelf omgorden en "hen doen aanzitten, en bijkomende, zal Hij hen dienen".
Er komt een gelukzalig verlangen op in het hart van de nieuwe koning. Hij wil de ark graag weer een ereplaats in Israël geven en het hele volk moet deelnemen aan deze gebeurtenis.
Alles lijkt naar wens te verlopen en er heerst algemene vreugde.
Helaas wordt één detail (dat echter van de allergrootste betekenis is!) over het hoofd gezien. Dat veroorzaakt de dood van Uza en zorgt voor een grote verwarring.
Direct slaat de vreugde in het hart van de koning om in vrees. Nu heerst er opwinding in plaats van dat er lofliederen gezongen worden.
Het Woord schreef de Levieten voor de ark op hun schouders te dragen, en dat is niet gebeurd!
Waarschijnlijk was het puur uit onwetendheid gebeurd! Men heeft niet anders gehandeld, omdat men niet beter wist.
Maar zowel de koning die het wetboek moest overschrijven, als de Levieten die het moesten leren, hadden de aanwijzingen hiervoor moeten kennen (Deuteronomium 17 vers 18; 31 vers 9 tot en met 12). Daarom waren ze niet te verontschuldigen.
Wij die de Bijbel in handen hebben, zijn er zelfverantwoordelijk voor om onze weg te gaan naar het onderwijs en de aanwijzingen van het Woord en z6 de Heere te dienen.
De ark wordt in het huis van Obed-Edom gebracht en blijft drie maanden "bij het huisgezin" van deze man.
De heerlijkheid, de voorspoed en het welzijn van David hebben invloed op zijn buren.
De één, zoals Hiram en zijn volk, zoekt de gunst en vriendschap van de koning van Israël; de ander, zoals het volk van de Filistijnen, legt zijn wapen niet neer.
Laten we erop letten dat hier, in overeenstemming met het karakter van het Boek Kronieken, niet gesproken wordt over de verkeerde samenwerking van David met Achis (1 Samuël 27 tot en met 29), op één terughoudende opmerking in 1 Kronieken 12 vers 19 na.
De overwinnaar van Goliath trekt twee keer tegen de Filistijnen op, maar niet voordat hij bij elke keer éérst God om raad gevraagd heeft.
Hieruit blijkt de nederige houding van David waar we de nadruk op willen leggen! David vertrouwt niet op zijn eigen capaciteiten als leider. Hij steunt ook niet op zijn militaire ervaringen om te besluiten welke tactiek hij nu moet toepassen.
Als de vijand op ons afkomt 'om ons te zoeken' (vers 8), is onze eerste reactie dan ook dat we het aangezicht van God zoeken om Hem te vragen hoe we hem het beste kunnen overwinnen?
Laten we toch niet op eigen wijsheid vertrouwen, maar de Heere Jezus vragen om Zijn leiding en hulp, vóórdat we de grote tegenstander tegemoet treden en vóórdat we een besluit nemen!
De meeste nederlagen voor de grote vijand laten zich maar op één manier verklaren: we hebben vergeten naar de gedachten van de Heere te vragen!
Laten ook wij, evenals David, de moed hebben om onze fouten voor de Heere en de mensen toe te geven!
We hebben God "niet gezocht naar het recht" (vers 13), belijdt David aan de Levieten die de opdracht hebben de ark te dragen.
Deze keer worden alle maatregelen genomen om de ark "naar het Woord des HEEREN" te vervoeren. Een blijde gebeurtenis met veel lofgezang!
Let daarbij op de plaats die ObedâEdom in dit gebeuren inneemt! Hij had zichzelf kunnen beklagen, toen hij zag dat de ark z'n huis verliet. Zou hij daardoor de bron van zegen niet gaan verliezen (hoofdstuk 13 vers 14)?
Die gedachte komt zelfs niet bij hem op. De zegen zal nu het deel van heel Israël zijn en hijzelf, een Leviet uit de zonen van Korach, mag tegelijkertijd verschillende ambten vervullen: muzikant, koorleider en poortwachter bij de ark.
Hij blijft dus bij de ark! Hij is in het geringste trouw geweest en nu wordt hem veel toevertrouwd (Lukas 16 vers 10 tot en met 12). Omdat hij ten goede over z'n eigen huis gewaakt heeft, wordt hem nu door God een opdracht toevertrouwd in ZÃjn huis (1 Timotheüs 3 vers 4 en 5).
In vers 22 lezen we dat Kenánja, de aanvoerder van de Levieten, hen onderwees in het opheffen (dat wil zeggen: in het transport) of, zoals andere vertalingen het zeggen, in het gezang.
Waarom kreeg hij die taak? We lezen verder: "... want hij was verstandig". Dat doet ons denken aan het woord van de apostel Paulus: "Ik zal wel met de geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen" (1 Korinthe 14 vers 15).
In de verzen 25 en 26 van Psalm 68 vinden we een zinspeling op het feest dat we hier voor onze aandacht hebben: "O God! zij hebben Uw gangen gezien (dat wil zeggen: de wandel van de Zoon van God van Wie de ark een beeld is) ... De zangers gingen voor, de speellieden achter".
Psalm 132 geeft ons echter vooral meer inzicht in de gedachten die David bij deze plechtige gebeurtenis had. Dat de ark in haar rust inging, was zijn groot verlangen (Psalm 132 vers 3 tot en met 5 en 8).
Mochten onze harten toch ook sneller kloppen als we aan de hemelse rust denken waarin de Heere Jezus ons al is voorgegaan!
De Goddelijke beloften van deze prachtige Psalm 132 gaan ver uit boven de gebeurtenis zoals die hier in Kronieken beschreven wordt:
"Haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen" (vergelijk 1 Kronieken 15 vers 27 en 28 met Psalm 132 vers 16).
En: "Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen" (vergelijk hoofdstuk 16 vers 3 met Psalm 132 vers 15).
Van de verlosten van de Heere wordt verwacht dat zij hun vreugde en hun lof tot uitdrukking brengen, zonder daarbij te wachten op de hemelse rust.
Hier op aarde bezitten ze al een Middelpunt van samenkomen: Christus. Zij zijn geroepen zowel de Vader als de Zoon te dienen, te gedenken, te prijzen en te roemen (vers 4).
De zangers en muzikanten zijn aangewezen. In onze dagen is de zang echter niet meer alleen voor de enkeling of voor een beperkte groep leden van Gods volk. We mogen ons immers allemaal verheugen, onze dankliederen zingen en vooral in de samenkomsten instemmen met liederen van aanbidding (Efeze 5 vers 19 en Kolosse 3 vers 16).
Nu draagt koning David Asaf "voor het eerst" op "de HEERE te loven".
Zijn Naam, Zijn werken, Zijn heerlijkheid, Zijn betrekkingen tot Zijn uitverkorenen â de Israëliet had talloze redenen om Hem te prijzen.
Maar hoeveel talrijker zijn onze redenen om Hem te aanbidden, omdat we de Heere Jezus en Zijn werk op het kruis kennen!
Ja, laten we met verstand zingen: de woorden die we uitspreken, overwegen in ons hart.
Onze liederen die aan de hand van de Bijbel geschreven zijn, ontvouwen veel aspecten van de heerlijkheden van de Vader en de Zoon. Het is heel belangrijk en opbouwend deze heerlijkheden afzonderlijk te overdenken.
Wat zijn de kinderen van God in vergelijking met de wereld die hen omgeeft? "Weinige mensen in getal; ja, weinigen en vreemdelingen daarin" (vers 19).
Behoren ze daarom tot de ellendigen? Integendeel! "Beroemt u in de Naam Zijner heiligheid", antwoordt vers 10. De Naam van de Heere Jezus door Wie wij in verbinding staan met de Vader, is onze heerlijkheid, onze rijkdom, onze vreugde en ook onze zekerheid!
Zoals het eerste 'couplet' van dit lied (vers 7 tot en met 22) overeenkomt met een deel van Psalm 105 (vers 1 tot en met 15), zo komt het tweede dat nu volgt, overeen met Psalm 96 en een deel van Psalm 106 (vers 1, 47 en 48).
Eén feit is daarbij heel opvallend: alles wat in deze drie Psalmen niet overeenkomt met het karakter van de genade, is hier in Kronieken weggelaten. Noch de fouten die begaan zijn, noch het verdiende oordeel worden hier genoemd.
Zou er iets van een terneerdrukkende herinnering aan de zonden aanwezig kunnen zijn, als de verlosten voor de troon van het Lam staan en het nieuwe lied klinkt (zoals Psalm 106 vers 6,7, 13 tot en met 43 voor Israël)?
Dat is onmogelijk, want God heeft beloofd: "Hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken" (Hebreeën 8 vers 12).
Anderzijds zullen we â mede door het zien van de wonden in het lichaam van onze Heiland â nooit vergeten dat wij zondaars waren. Het zal ons besef van de genade vergroten. Het bewustzijn dat Hij onze zonden gedragen heeft, zal ons ertoe brengen te zeggen: "Hem, Die ons heeft liefgehád, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed ... zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen" (Openbaring 1 vers 5 en 6).
Deze gebeurtenis wordt besloten met de definitieve instelling van de dienst bij de ark. Iedereen vervult in het vervolg op de plaats waar hij gesteld is, zijn heilige taken. Dat is een beeld van hen die nu al tot de ware aanbidders mogen behoren.
De woorden uit 2 Samuël 7 worden hier bijna woordelijk herhaald. Toch is het goed dit wonderbare 'gesprek' tussen God en een mens die het onderwerp van Zijn genade is, nog eens te lezen.
God spreekt via Nathan tot de geliefde koning en hij antwoordt Hem. Kent ieder van ons persoonlijk deze gesprekken met God en de Heere Jezus uit eigen ervaring?
Hij geeft ons door Zijn Woord talloze mededelingen. En wij hebben volle vrijmoedigheid om daarop door gebed te antwoorden.
Nog steeds in overeenstemming met het karakter van Kronieken is ook nu een gedeelte over de zoon van David weggelaten. De zin: "Als hij misdoet, zo zal Ik hem met een mensenroede en met plagen der mensenkinderen straffen" (2 Samuël 7 vers 14), vinden we in dit hoofdstuk niet terug.
Dit is een aanwijzing dat het hier om Iemand gaat Die groter is dan Salomo.
"Ik zal hem tot een Vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn" (vers 13). Dat dit vers in Hebreeën 1 vers 5 wordt aangehaald, maakt ons duidelijk dat deze Zoon de Heere Jezus is in Wie ons de genade geopenbaard is.
De Heere Jezus, Gods geliefde Zoon, is het kostbare Onderwerp van onze gesprekken met God. "Onze gemeenschap zij ... met de Vader". Dat betekent dat wij dezelfde gedachten mogen hebben als Hij â en Zijn gedachten hebben betrekking op Zijn Zoon, Jezus Christus â en dat wij die gedachten mogen delen met Hem door daarover met Hem te spreken (1 Johannes 1 vers 3).
David voelt aan dat hij Gods zegeningen niet verdiend heeft. Totaal overweldigd denkt hij terug aan de goedheid die God hem ondanks alles heeft bewezen, en brengt Hem daarvoor dank en eer.
Danken! Als iemand ons vergeet te bedanken, betitelen wij dat meestal al snel als onbeleefdheid of ondankbaarheid. Laten we niet denken dat God ongevoelig is als wij als Zijn kinderen Hem vergeten te danken!
En toch, als we er goed over nadenken, aan hoeveel van Zijn weldaden gaan wij dag in dag uit gewoon voorbij, zonder erbij stil te staan dat we Hem daarvoor zouden moeten danken?
Soms slaan we er zelfs helemaal geen acht meer op! Veel van Zijn genadegaven vinden we vanzelfsprekend, tenminste ... zolang we ze bezitten. Denk maar aan gezondheid, voedsel, onderdak, kleding, enzovoort!
Christelijke gezinnen hebben de gewoonte (en de plicht!) om voor het eten te danken. Maar onze harten moeten zich ook werkelijk éénwaken met de woorden die het hoofd van het gezin uitspreekt!
En meer nog dan voor materiële dingen behoren we God te danken voor de christelijke voorrechten die we mogen genieten: voor Zijn Woord, voor de samenkomsten van de gelovigen, dat we opgebouwd worden in de Heere (Efeze 5 vers 20).
Laten we vooral niet nalaten Hem te danken voor de grote Verlosser Die Hij ons gegeven heeft, en voor ons heil. We mogen het de apostel Paulus nazeggen: "Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave!" (2 Korinthe 9 vers 15).
De hoofdstukken 18, 19 en 20 hebben betrekking op de oorlogen die David gevoerd heeft.
Het is een samenvatting van feiten die in 2 Samuël op verschillende tijdstippen in de geschiedenis van de koning plaatsvonden.
Deze hebben wij destijds al overdacht en er bestaan geen wezenlijke verschillen tussen beide tekstgedeelten, zij het met één uitzondering: het totale stilzwijgen aan het begin van hoofdstuk 20 over de vreselijke zonde van David met Bathséba en over de tragische gevolgen.
Noch de schandelijke daad met UrÃa, noch de zonde van Amnon, gevolgd door zijn moord, noch de samenzwering van Absalom, noch de misdadige rol van Joab hebben een plaats gekregen in dit Boek van de Kronieken. Op deze wijze handelt de genade!
"Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is", kan David zeggen in Psalm 32.
Behoort ieder die dit leest, tot die gelukzaligen?
David behaalt de overwinning op achtereenvolgens de Filistijnen, de Moabieten, de Syriërs, de Edomieten en daarna nog op de kinderen van Ammon (hoofdstuk 19 en 20).
Alle traditionele vijanden van Israël worden onderworpen. Dat is een beeld van het moment waarop God alle dingen aan Christus zal onderwerpen en Zijn vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten zullen zijn (Hebreeën 1 vers 13 en 2 vers 8).
We kunnen ons afvragen waarom God de voorgaande fouten van David toedekt, maar hier zijn misstap met die volkstelling wel weer aanhaalt.
Deze zonde laat in eerste instantie zien hoe weinig de koning leek op Hem van Wie hij een zwak beeld is.
Israël mocht zijn Messias met niemand verwarren, zelfs niet met deze grote koning. De Zoon van David was tegelijkertijd zijn Heere (Mattheüs 22 vers 41 tot en met 45).
Anderzijds was het nodig om de Goddelijke straf te verklaren en de genade te tonen waardoor deze straf uiteindelijk beëindigd werd. Anders zouden we dit gedeelte niet goed begrijpen.
David verschijnt hier als schuldige; niet meer, maar ook niet minder. Dus zoals u en ik zijn.
Maar David kent het hart van God. Dat komt duidelijk naar voren in z'n antwoord aan God: "Laat mij toch in de hand des HEEREN vallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele" (vers 13).
Kent u deze Goddelijke barmhartigheid ook persoonlijk? Wij hebben voor de verzoening van onze zonden niet te kiezen uit drie jaren hongersnood, drie maanden oorlog of drie dagen ziekte. Christus heeft echter in onze plaats aan het kruis in die drie uren van duisternis de volle omvang van Gods toorn leren kennen. Hij heeft ons eeuwig oordeel gedragen!
Op dezelfde berg MorÃa had Abraham eens zijn zoon Izak geofferd (Genesis 22 vers 2; 2 Kronieken 3 vers 1).
God had toen de hand van Abraham tegengehouden, zodat hij zijn zoon niets zou doen. Zo houdt Hij nu de hand van de engel tegen.
Het afgewende oordeel viel in de vorm van vuur op het brandoffer dat David bracht (vers 26).
Nadat Abraham in de plaats van Izak een ander offer gebracht had, noemde hij die plaats "De HEERE zal het voorzien". Daarom werd gezegd: "Op de berg des HEEREN zal het voorzien worden" (Genesis 22 vers 14).
Wij weten op welke wijze er voor ons in een Offer voorzien moest worden. We weten Wie in onze plaats de slagen van het Goddelijke gericht heeft ontvangen.
De stem die hier tot de engel zegt: "Het is genoeg" en die hem bevel geeft het zwaard in de schede te steken, is dezelfde stem die op zekere dag moest zeggen: "Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man, Die Mijn Metgezel is ... sla die Herder" (ZacharÃa 13 vers 7).
Wat een ondoorgrondelijke en wonderbare heerlijkheid! Het oordeel dat wij verdiend hadden, is voor altijd afgewend. Het is neergekomen op Hem Die in onze plaats geslagen werd, op de Heere Jezus. Hij is de Herder. Hij is daartoe door God geroepen. Hij is onze goede Herder, de Metgezel van de HEERE!
Het huis waarover David vooruitziend spreekt en dat Salomo zal bouwen, is een beeld van de toekomstige woonplaats van God te midden van Israël.
De vele details die zowel bij de voorbereiding als bij de uiteindelijke bouw van de tempel genoemd worden, zijn een prachtig hulpmiddel om (in beeld natuurlijk) de grote waarheden in het Nieuwe Testament met betrekking tot de gemeente beter te begrijpen.
Zoals de dorsvloer van Oman waar het offer gebracht werd, het fundament van het huis werd, zó is het werk van Christus op het kruis de grondslag van de gemeente.
Dezelfde waarheid komt in andere vorm naar voren als we zien dat David en Salomo gezamenlijk één beeld van de Heere Jezus vormen.
In David zien we een beeld van de lijdende en verworpen Christus Die "in verdrukking" (vers 14) alles toebereid heeft wat voor de bouw van het huis van God noodzakelijk is.
Salomo is een beeld van de verheerlijkte Christus Die Zijn gemeente bouwt en Die bereid is om samen met haar te verschijnen om over de schepping te heersen.
De bouwstoffen, vooral de "levende stenen" die de gelovigen voorstellen, konden niet zonder het lijden en de dood van de Heere Jezus bijeen gebracht worden.
Zijn verhoging was echter eveneens nodig, opdat de gemeente opgebouwd kon worden. Deze bouw is tot op de dag van vandaag nog niet voltooid.
Misschien ontbreekt er nog maar één 'steen'. Bent u die steen?
David laat Salomo bij zich op de troon zitten.
Hier wordt niets vermeld van de samenzwering van AdonÃa en de omstandigheden waaronder de kroning van de nieuwe koning heeft plaatsgevonden.
Daarom stijgen we hier in zekere zin boven 1 Koningen uit. We mogen in beeld de Zoon met Zijn Vader op Zijn troon zien zitten (Openbaring 3 vers 21).
Eén van de taken van de Heere Jezus in de heerlijkheid wordt ons in Efeze 4 vers 8 tot en met 12 getoond: "Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij ... de mensen gaven gegeven ... En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars; tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus".
Hier en in de volgende hoofdstukken worden de verschillende arbeiders opgenoemd: opzieners, ambtslieden, rechters, poortwachters, zangers en muzikanten, verdeeld over de drie families van de Levieten.
Hun taken worden precies omschreven, vooral wat de belangrijke dienst van de lofzang betreft. Elke morgen en avond God prijzen en loven, is een begerenswaardige dienst die ook wij mogen doen (vers 30)!
In het volgende hoofdstuk worden de priesters, de zonen van Aäron, in vierentwintig afdelingen verdeeld.
Zoals gisteren is opgemerkt, worden de gaven en verschillende taken door het Hoofd van de gemeente toebedeeld.
De gelovige wordt echter opgeroepen deze taken te begeren en er de Heere om te vragen. "IJvert naar de geestelijke gaven, maar meest, dat gij moogt profeteren ... die profeteert, spreekt de mensen stichting, en vermaning en vertroosting" (1 Korinthe 14 vers 1 tot en met 3).
Is het werkelijk het verlangen van ieder van ons om zó door de Heere gebruikt te worden?
Laten we Hem dan vragen ons één van deze geestelijke gaven toe te vertrouwen. Niet, om daardoor zelf indruk te kunnen maken op anderen, maar in verbinding met het welzijn van de gemeente en tot verheerlijking van de Heere Jezus.
Na hen die profeteren (hoofdstuk 25), worden opnieuw de poortwachters en de opzieners genoemd (hoofdstuk 26). Deze dienst is ook begerenswaardig! "Zo iemand tot het ambt van een opziener lust heeft, die begeert een voortreffelijk werk" (1 Timotheüs 3 vers 1).
Hier zien we ook ObedâEdom met zijn acht zonen en tweeënzestig nakomelingen weer naar voren komen. Hij had de ark geëerd. Nu eert en zegent God hem (hoofdstuk 26 vers 4 tot en met 8 en 15).
Hij vertrouwt deze familie het toezicht op de voorraadâ of schatkamers toe. Zij hebben de zorg voor het voedsel van de priesters, een beeld van het geven van onderwijs aan de gemeente.
Wat een belangrijke taak, maar ook: wat een grote verantwoordelijkheid (zie Mattheüs 24 vers 45 en 46)!
Van de Levieten waren enkelen aangesteld als schatbewaarders in het huis van God en anderen als bewaarders van de heilige dingen.
Eén van hen, Sebúël, "overste over de schatten", was een nakomeling van Mozes.
Zijn wij ons ervan bewust dat ons ook veel schatten zijn toevertrouwd? De allergrootste schat is het Woord van God. Zijn rijkdommen zijn onuitputtelijk. Hoeveel waarde heeft de Bijbel voor ons? Is het werkelijk een schat voor ons?
"Bewaar het goede pand, dat u toevertrouwd is", zegt Paulus nadrukkelijk tegen de jonge Timotheüs (2 Timotheüs 1 vers 14).
En in zijn eerste Brief waarin hij de ijdele rijkdom van de wereld stelt tegenover de schat die een goede basis vormt voor de toekomst, vraagt de apostel zijn jonge leerling ook heel indringend: "O Timotheüs, bewaar het pand u toevertrouwd" (1 Timotheüs 6 vers 19 en 20).
O, laat ieder van ons dit laatste vers (vers 20) nog eens lezen en daarbij in de plaats van Timotheüs zijn eigen naam invullen!
In de verzen 29 tot en met 32 worden nog meer Levieten genoemd.
Zij waren ambtlieden, rechters en beheerders, ingezet "over al het werk des HEEREN" en "tot alle zaken Gods" (vers 30 en 32).
Dit doet ons denken aan Hem Die van Kind af aan de dingen van Zijn Vader op de eerste plaats stelde (Lukas 2 vers 49).
Hoofdstuk 27 laat ons zien dat er behalve ambachtsmensen ook soldaten nodig zijn.
Als we onze schatten goed willen bewaren, is het soms nodig om te strijden. Daartoe moeten we dan echter wel in staat zijn!
In de verzen 25 tot en met 31 wordt ons meegedeeld dat er ook nog andere schatten zijn. Ze zijn minder belangrijk dan die in het heiligdom, maar dat wil niet zeggen dat ze daarom minder zorgvuldig bewaard moeten worden.
Laten we niets over het hoofd zien van wat de Heere ons heeft toevertrouwd!
Zoals die heer die wegging en zijn knechten talenten gaf, zó heeft de Heere Jezus ieder van ons ook een aantal goederen en capaciteiten in bruikleen gegeven om voor Hem te gebruiken (Mattheüs 25 vanaf vers 14).
Het werk op het veld wordt hier nog speciaal onder de aandacht gebracht. Laten de lezers die op het platteland wonen en werken, het deel dat de Heere hun heeft gegeven, niet onderschatten! Wat hen toevertrouwd is, behoort evengoed tot de schatten, de talenten.
Het gaat er niet om deze taken met die van anderen te vergelijken, maar om ze trouw te vervullen en de schatten van onze Meester toegewijd te beheren.
Laten we ons daarom, waar we ook gesteld zijn, zó gedragen dat, wanneer de Meester terugkomt, Hij het woord van genade tot ons kan richten door te zeggen: "Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal Ik u zetten; ga in, in de vreugde van uw Heere" (Mattheüs 25 vers 21).
In hoofdstuk 22 vers 17 had David de vorsten van het volk al bijeen geroepen. Nu laat hij ook alle anderen die een bepaalde functie bekleden of verantwoording dragen in Israël, erbij komen.
Ongetwijfeld zullen alle mannen van wie de namen in de hoofdstukken 23 tot en met 27 opgetekend staan, bij elkaar gekomen zijn om naar hun koning te luisteren. Niemand zal deze bijeenkomst hebben willen missen.
De Heere nodigt ons ook uit de samenkomsten te bezoeken waar Hij ons wil onderwijzen en opbouwen. Zouden we niet schuldig staan tegenover Hem als wij om een of andere onbelangrijke reden weg zouden blijven (Hebreeën 10 vers 25)?
Aan al deze mannen die rondom hem verzameld zijn, deelt de koning zijn diepste geheimen en kostbaarste gedachten mee.
Hij vermaant hen alle geboden van de HEERE te zoeken en te onderhouden. Hij vertelt hen van het glorierijke huis dat gebouwd zal worden. En hij spreekt tot hen vooral over zijn zoon door wie al zijn plannen vervuld zullen worden.
Dat zijn in beeld ook de onderwerpen waarmee de Geest ons in de samenkomsten tot opbouwing wil bezighouden.
Dan richt David het woord tot Salomo. Laten we goed letten op de woorden van een vader aan zijn zoon. Ze worden namelijk ook aan ons gericht: "Mijn zoon ... ken de God uws vaders, en dien Hem met een volkomen hart en met een gewillige ziel ... indien gij Hem zoekt, Hij zal door u gevonden worden" (vers 9).
Nu draagt David alles wat hij voor het huis van God heeft klaargemaakt, op plechtige wijze over aan zijn zoon Salomo. Daarbij mogen we denken aan die ondoorgrondelijke uitspraak in het Johannesevangelie: "De Vader heeft de Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven" (Johannes 3 vers 35).
Van het voorhuis tot aan de kleinste beker, Mies wordt opgesomd en uitvoerig omschreven. De kennis hiervoor had David schriftelijk ontvangen, door de hand van de HEERE die op Hem was (vers 19). Om Zijn gedachten bekend te maken, heeft God gebruik gemaakt van door Hem uitverkoren en toegeruste schrijvers aan wie Hij Zijn gedachten woordelijk heeft geïnspireerd. De zesenzestig Boeken van de Bijbel zijn door ongeveer veertig verschillende auteurs geschreven gedurende een tijdsperiode van ongeveer zestienhonderd jaren. Maar één en dezelfde Geest heeft hen alle bladzijden van de Heilige Schrift ingegeven.
Laten we daarom bij het lezen in de Bijbel nooit vergeten dat het Godzelf is Die in dit Boek tot ons spreekt!
Aan het einde van dit hoofdstuk lezen we nog een aantal woorden van vader David aan zijn zoon Salomo. Salomo heeft alles gekregen wat nodig was. De verantwoordelijkheid rust nu op hem om in het vertrouwen op de hulp van de HEERE te handelen.
Wij hebben ook veel ontvangen. Laten we daarom overeenkomstig hetgeen de Heere van ons verwacht, handelen! Hij zal eens rekenschap van ons vragen over alles wat wij misschien uit schuchterheid of traagheid nagelaten hebben te doen. En Hij zal rijk belonen wat we uit liefde tot Hem hebben gedaan.
David heeft al zijn krachten ingezet (vers 2) om de bouw van een paleis voor de HEERE voor te bereiden.
Zo mogen we onszelf best eens afvragen of het paleis van ons hart "voor een mens" â meestal het eigen 'ik'! â of "voor God, de HEERE" is (vers 1)!
Het "welgevallen tot het huis van God" heeft David ertoe gebracht om grote rijkdommen uit zijn eigen bezittingen hiervoor af te staan.
Hoeveel groter is de liefde van de Heere Jezus! Het Evangelie vertelt ons van de Koopman Die alles wat Hij had, verkocht om die éne mooie, kostbare parel te kunnen kopen (Mattheüs 13 vers 45 en 46).
In Efeze 5 vers 25 lezen we de betekenis van deze gelijkenis: Christus heeft de gemeente liefgehad en Zichzelf voor haar overgegeven! (zie ook 2 Korinthe 8 vers 9).
Dat heeft alleen de Heere Jezus, HIJ alleen gedaan!
Wat echter de dienst van de liefde betreft, zegt Hij tot Zijn discipelen en ook tot ons: "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijk Ik u gedaan heb, gij ook doet" (Johannes 13 vers 15).
Het voorbeeld van David heeft vrucht gedragen. Alle mannen die naar hem geluisterd hebben, brengen nu ook vrijwillig goud, zilver en edelstenen voor de bouw van het huis van God (vergelijk 1 Korinthe 3 vers 12).
Dat is een grote vreugde voor David â alsook voor de Heere, als ons hart zo in overeenstemming is met Zijn hart!
Nadat David eerst tot het volk gesproken heeft, richt hij zich nu tot de HEERE.
Zal hij wat hijzelf en de vorsten gegeven hebben, sterk benadrukken? Nee, integendeel! Hij geeft God Die alles toebehoort, de eer en verootmoedigt zich voor Hem. Deze beide gevoelens gaan altijd samen.
"Het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand", zegt de koning (vers 14). De Heere vertrouwt ons goederen toe, zodat wij de vreugde mogen smaken daarvan iets aan Hem af te staan.
Hij heeft Zelf niets nodig (Psalm 50 vers 10 tot en met 12). Wat vrijwillig en met blijdschap aan Hem gegeven wordt, is echter waardevol voor Zijn hart. Wat daarentegen uit dwang of in een wettische gezindheid gegeven wordt, gebeurt niet uit liefde en door geloof.
Op die laatste manier betaalden de farizeeën destijds hun tienden (Mattheüs 23 vers 23). In tegenstelling tot hen hebben de Macedoniërs over wie Paulus spreekt, "boven vermogen gewillig" gehandeld. Zij zijn in "hun zeer diepe armoede overvloedig geweest ... tot de rijkdom van hun milddadigheid" (2 Korinthe 8 vers 1 tot en met 3).
Is de lofprijzing die David uitspreekt, niet wonderbaar (vers 10 tot en met 13)? Het is de moeite waard dit hardop te lezen en eraan te denken tot Wie wij ons richten. "Uw, o HEERE, is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit; want alles, wat in de hemel en op de aarde is, is het Uwe: Uw, o HEERE, is het Koninkrijk, en Gij hebt u verhoogd tot een Hoofd boven alles". Boven alles â ook over de harten van hen die Hem toebehoren!
Het is een grote feestdag en een hoogtepunt in de geschiedenis van Israël! Er worden slachtoffers gebracht; het volk eet, drinkt en verheugt zich in de tegenwoordigheid van God.
Dan wordt Salomo voor de tweede maal als koning voorgesteld en voor de HEERE gezalfd. Hij gaat "op de troon des HEEREN" zitten.
De majesteit en heerschappij die de zoon van David ontvangt, zijn een beeld van het duizendjarige rijk waarin Christus voor God over de hele aarde zal heersen.
De dood van David "in goede ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer" (vers 28), vormt het slot van het eerste Boek van de Kronieken.
We zouden eigenlijk het volgende opschrift uit Jesaja 55 vers 3 boven dit boek kunnen zetten: "De gewisse weldadigheden [of: genadebewijzen] van David".
Het verband waarin Paulus deze tekst in Handelingen 13 vers 34 citeert, laat zien dat het hierbij vooral gaat om de opstanding waarnaar deze geloofsman nu samen met alle ontslapen heiligen mag uitzien.
Is David daarenboven echter niet z'n hele leven lang een voorwerp geweest van de genade van God?
Beste lezers, ook wij mogen de genade die ons in Christus ten deel gevallen is, nu èn in de toekomst genieten. Want niet alleen David, maar "uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade" (Johannes 1 vers 16).
Hier worden we direct in de regering van de grote Salomo ingeleid.
Zijn naam betekent 'vredige', en dat richt ons oog op Christus, de "Vredevorst" (Jesaja 9 vers 5).
Christus' toekomstige heerschappij wordt ons rijk geïllustreerd door hetgeen we nu zullen lezen. Laten we daarbij steeds in gedachten houden dat het in deze hoofdstukken vooral gaat om het aardse rijk en de aardse godsdienst van de Messias van Israël!
Het gebeurt echter ook meerdere malen dat onze aandacht, door middel van bepaalde overeenkomsten of juist door tegenstellingen, gericht wordt op de gemeente en haar Hoofd.
Het verlangen dat de HEERE in het hart van de jonge koning leest, komt overeen met dat van de apostel Paulus voor de Efeziërs.
Hij bidt voor hen, opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, hen de Geest van wijsheid en openbaring van Zijn kennis mag geven en dat de ogen van hun hart verlicht mogen worden (Efeze 1 vers 16 tot en met 18).
"Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand", schrijft Salomo later in Spreuken 2 vers 6.
Laten ook wij verlangen naar die wijsheid van boven. We mogen er om vragen aan Hem "Die een ieder mild geeft, en niet verwijt" (Jakobus 1 vers 5).
De betrekkingen tussen Hyram, de koning van Tyrus, en Salomo zijn een beeld van de betrekkingen die alle volkeren gedurende het duizendjarige rijk met Israël zullen hebben
"Want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken. Want het zal geschieden te dien dage, dat de heidenen naar de Wortel van Isaï, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn" (zie Jesaja 11 vers 9 en 10).
Behalve alles wat David in zijn grote toewijding voor het huis van God bij elkaar gebracht had, had hij ook arbeiders voorbereid om het werk uit te voeren (vers 7, zie ook 1 Kronieken 22 vers 15 en 16).
Zó gaat het vandaag ook met het werk van de Heere. Elke arbeid voor Hem vereist van de dienstknechten een goede instelling, nauwgezetheid en zorgvuldigheid.
Als iemand te vroeg voor een bepaalde dienst meent geschikt te zijn, bestaat het gevaar dat er slecht werk geleverd wordt.
God Die de werken toebereidt, heeft ook de werkers tot een bepaalde taak geroepen en 'opgeleid'.
Efeze 2 vers 10 herinnert ons eraan dat wij Zijn maaksel zijn, "geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen".
Bij het overdenken van het Boek Koningen hebben we gezien dat Hyram Abi (of Hiram), de meest bekwame kunstenaar van alle arbeiders, een beeld van de Heilige Geest is.
Onder de tactvolle leiding van deze man moeten de andere bekwame mannen die daartoe door David 'gereserveerd' waren, hun opdrachten vervullen.
Zó zal de gelovige ook alleen maar een dienst kunnen vervullen als hij zich door de Geest van God laat leiden. In Handelingen zien we hoe de Geest de bevelen van de Heere aan de apostelen doorgeeft (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 1 vers 2; 8 vers 29 en 13 vers 2 en 4).
Laten wij ook steeds luisteren naar Zijn stem. Vaak zullen we dan, evenals Paulus en zijn begeleiders, horen: 'Doet dit niet!' of: 'Ga daar niet heen!' (Handelingen 16 vers 6 en 7).
Een groot aantal mannen, in totaal 153.600, wordt geregistreerd om het werk te doen. Sommigen waren lastdragers, anderen steenhouwers en tenslotte waren er ook nog opzichters. Daarbij mogen we denken aan drie verschillende vormen van christelijke dienst:
in het gebed de lasten dragen, daar begint het mee;
de levende stenen uit de steengroeve van de wereld halen en vorm geven: dat is het werk van de evangelisten en andere dienstknechten; en
over het werk en de kudde waken.
Verder willen we nog wijzen op één opvallend detail: de manschappen worden samengesteld uit Kanaänieten die eens vreemdelingen en tot een valstrik voor Israël waren. Onder de regering van de koning van de vrede zijn het geschikte knechten geworden.
De bouw van de tempel wordt ons in Kronieken vanuit een ander gezichtspunt voorgesteld dan in Koningen.
Dáár werd het meer als de woning van de HEERE te midden van Zijn volk gezien. Maar hÃer ligt de nadruk op de plaats waar de aanbidder de toegang heeft om zijn God te ontmoeten.
Het fundament van dit huis wordt gebouwd op de berg MorÃa waar de genade van God het oordeel tegenhield en het brandoffer verteerde.
Wat de gemeente betreft, weten we uit de woorden van Petrus en het antwoord van de Heere Jezus waarop zij is gegrondvest: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God ... en op deze Petra [= dat is: rots] zal Ik Mijn gemeente bouwen" (Mattheüs 16 vers 16 en 18).
Salomo bouwt achtereenvolgens het voorhuis, het eigenlijke huis en daarna het huis van het heilige der heiligen. Daarna maakt hij de beide grote cherubs, de voorhang en de twee pilaren, Jachin en Boaz.
De buitengewone hoogte van het voorhuis wordt alleen hier meegedeeld: honderdtwintig ellen. Dat is dus vier maal zo hoog als het huis zelf.
Is dat geen prachtige illustratie van Palm 24 vers 7 en 9 waar gezegd wordt: "Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!"?
Welke poort zou voor zo'n grote Persoon gepast zijn?
Het huis dat helemaal bekleed is met goud, spreekt ons van volmaakte en reine gerechtigheid. Daarom kon de aanbidder niet tot haar naderen zonder aan het koperen altaar voorbijgegaan te zijn. Dat altaar is vierkant: twintig el lang en twintig el breed. Dat zijn dus dezelfde afmetingen als bij de "aanspraakplaats" (1 Koningen 6 vers 20). Met andere woorden: de heerlijkheden van het heilige der heiligen komen overeen met de grootte en volmaaktheid van het offer waarvan het altaar een beeld is.
Daarna is er sprake van "de gegoten zee" die rustte op twaalf runderen. Deze runderen doen ons denken aan het geduldig en volhardend werk van Christus (Efeze 5 vers 26). Maar ze doen ook denken aan de standvastigheid die naar alle richtingen toe betracht moest worden om de invloeden van buitenaf te kunnen weerstaan en de reinheid te kunnen bewaren.
Dan pas worden de andere voorwerpen opgenoemd: de wasvaten, de kandelaars, de tafels, het gouden altaar en de verschillende gereedschappen voor de priesters. Het is net alsof ons hierdoor duidelijk gemaakt moet worden dat we de waarheden waarvan al deze voorwerpen een beeld zijn, pas kunnen genieten als we het koperen altaar gepasseerd zijn om ons in moreel opzicht te reinigen (Psalm 26 vers 6 en 2 Korinthe 7 vers 1).
Met uitzondering van de beker en het brood bij het avondmaal heeft de aanbidder van het Nieuwe Testament geen zichtbare voorwerpen meer voor zich staan. Ook geen sacramenten of bepaalde ceremoniën. Hij wordt opgeroepen in alle eenvoud aan de maaltijd des Heeren deel te nemen. Zijn godsdienst wordt in geest en waarheid uitgeoefend (Johannes 4 vers 24).
De bouw van het wonderbare huis is voltooid, maar het belangrijkste voorwerp ontbreekt nog: de heilige ark. We lezen in vers 7 dat zij op "haar plaats, tot de aanspraak-plaats van het huis, tot het heilige der heiligen, tot onder de vleugels van de cherubs" gebracht werd.
Hierdoor wordt ons oog gericht op de Heere Jezus in de hemelse gewesten Die door Godzelf verhoogd is, het Middelpunt van lofprijzing. Hij vervult de hemel en de aarde met Zijn heerlijkheid en is het Onderwerp van de bewondering van de engelen (de cherubs; vergelijk 1 Timotheüs 3 vers 16) en de aanbidding van Zijn gelukkige volk. Het is "een eenparige stem", voortgebracht door verschillende instrumenten (vers 13): een eenparig lied, het nieuwe lied, dat door alle verlosten samen gezongen zal worden. Ieder zal daar zijn persoonlijke noot toe bijdragen, maar desondanks zal het in volkomen harmonie met elkaar zijn.
Van de drie voorwerpen die oorspronkelijk in de ark lagen âhet manna in een gouden kruik, de staf van de priester Aäron en de stenen tafelen met de wet â, is alleen nog het laatste overgebleven (vers 10). Tijdens de woestijnreis die nu voorbij was, had God het manna gegeven en het volk door het priesterdom geleid. Nu is de ark in Sion aangekomen, in de rust van God Die Zijn belofte waargemaakt heeft.
Op de grondslag van een nieuw verbond, door de tafelen bevestigd, rust Hij nu Zelf in Zijn liefde te midden van Zijn verloste volk. "De HEERE, uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen [of: rusten] in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich" (Zefánja 3 vers 17).
Salomo prijst in het bijzijn van alle Israëlieten de God van Israël. Hij brengt Zijn genade in herinnering en ook de redenen waarom de tempel gebouwd werd.
De koning verlangt ernaar dat het hart van het volk op de HEERE gericht wordt. Dan denken we aan Hem Die ná Zijn dood kon zeggen: "Zo zal Ik Uw Naam Mijn broeders vertellen; in het midden der gemeente zal Ik U prijzen" (Psalm 22 vers 23).
Soms voelen we ons een beetje geremd om in onze gebeden Godzelf aan te spreken. We denken dan onbewust bij de Heere Jezus meer begrip en liefelijkheid te zullen vinden.
Is dat geen gebrek aan vertrouwen ten opzichte van God Die liefde is?
De Heere Jezus heeft Zelf uitdrukkelijk tot Zijn discipelen en tot ons gezegd: "De Vader Zelf heeft u lief' (Johannes 16 vers 27).
Christus verlangt ernaar dat wij Zijn Vader kennen zoals Hij Hem kent. Het kruis was echter noodzakelijk om deze verbinding tot stand te brengen.
Ná Zijn opstanding luidden daarom Zijn allereerste woorden die aan de Zijnen gericht waren: "Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God" (Johannes 20 vers 17).
Nu, nádat het werk van de verlossing volbracht is, jaagt de gedachte aan God ons geen vrees meer aan. We zien Hem niet meer als een rechter die men op allerlei manieren tot mildheid moet bewegen.
Nee, God is voor ons nu een Vader tot Wie wij zonder vrees kunnen naderen in de Naam van de Heere Jezus.
Als we vers 13 vergelijken met Exodus 27 vers 1, blijkt dat het koperen gestoelte waar de koning op knielde om tot de HEERE te bidden, even groot is als het koperen altaar in de woestijn. De vermelding van dit detail heeft een prachtige en belangrijke betekenis!
Op grond van Zijn volbrachte en door God aangenomen offer oefent Christus nu voor de Zijnen bij de Vader de taak van Priester en Voorspraak uit. "Indien wij onze zonden belijden", is God nu "getrouw en rechtvaardig" om ze te vergeven (1 Johannes 1 vers 9). Getrouw en rechtvaardig, omdat de Heere Jezus aan het kruis het oordeel over de zonden al heeft gedragen. Daarvan spreekt het altaar. God zal ons daarvoor nooit een tweede maal ter verantwoording roepen!
Er wordt niet gezegd dat wij om vergeving moeten vragen! Die vergeving hééft een kind van God immers al ontvangen! Er staat: "Indien wij onze zonden belijden"!
Even later, in het volgende hoofdstuk, lezen we dan ook: "En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een verzoening [of: het zoenoffer] voor onze zonden" (1 Johannes 2 vers 1 en 2).
Volgens de verzen 22 tot en met 42 â waarin weinig verschil valt op te merken met de verzen in 1 Koningen 8 vers 31 tot en met 53 die al eerder besproken zijn â besluit Salomo zijn gebed met de woorden uit Psalm 132 vers 8 tot en met 10.
"Hoor dan uit de hemel, uit de vaste plaats van Uw woning, hun gebed ..." (vers 39)! De christen die de liefde van de Heere uit eigen ervaring mag kennen, wéét dat Hij hoort (1 Johannes 5 vers 15)!
Als antwoord op het gebed van de koning daalt vuur uit de hemel neer op het brandoffer. Voor de tweede keer (zie hoofdstuk 5 vers 14) wordt het huis vervuld met de heerlijkheid van de HEERE.
Vanaf dit moment, tot aan de tijd van Ezechiël (Ezechiël 10 vers 18 en 11 vers 23), zal die heerlijkheid daar blijven wonen.
De vrees die deze heerlijkheid inboezemt, vormt voor de priesters een verhindering om het huis binnen te gaan (zie hoofdstuk 5 vers 14 en 7 vers 2).
In tegenstelling hiermee mogen wij aan ons eeuwig deel denken. De Heere wil de Zijnen graag bij Zich in de heerlijkheid hebben.
Op de heilige berg wordt Hij aan de discipelen voorgesteld. Mozes en ElÃa waren samen met Hem onder de lichte wolk die de "hoogwaardige heerlijkheid" genoemd wordt (Mattheüs 17 vers 5 en 2 Petrus 1 vers 17).
Het hele volk buigt zich neer en zet een lied in dat ook het lied van het duizendjarig rijk zal zijn: "Looft de HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" (vers 3 en Psalm 136).
Daarna wordt een groot aantal offers gebracht: tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Ook hier mogen we het grote contrast opmerken met dat éne offer waardoor wij geheiligd en volmaakt zijn geworden. "De offerande van het lichaam van Jezus Christus, eenmaal geschied" (Hebreeën 10 vers 10 en 14).
Hierop volgt voor het volk van deze grote koning de blijdschap van het door niets verstoorde loofhuttenfeest.
Het huis is voltooid en ingewijd. In Zijn antwoord aan Salomo verklaart de HEERE dat Hij het geheiligd heeft, opdat Zijn Naam er tot in eeuwigheid zal wonen (vers 16 en 20). Wat een geweldige toezegging!
Het kenmerk van het samenkomen van de gelovigen die de belofte van de tegenwoordigheid van de Heere hebben, is dat zij in Zijn Naam vergaderd zijn (Mattheus 18 vers 20).
Daarom rust op de gelovigen de ernstige plicht daar niets te dulden wat tot oneer van Zijn Naam en van Zijn aanwezigheid zou kunnen zijn!
Op soortgelijke wijze waarschuwt de HEERE Salomo ook vanaf vers 19.
De tegenwoordigheid van de Heere in het midden van de Zijnen is tegelijkertijd de garantie dat hun zielen daar alles zullen ontvangen wat ze nodig hebben.
Hoe komt het dan dat sommige samenkomsten zo koel en volgens een vast patroon verlopen? Daar ontbreekt iets!
Het mag duidelijk zijn dat het niet aan de vervulling van de belofte van de Heere ligt! Er is een gebrek aan geloof, aan mijn geloof in Zijn tegenwoordigheid die toereikend is om mij rijk te zegenen op deze plaats!
Laten we er goed op letten hoe het Goddelijke antwoord tot in detail overeenstemt met het gebed van de koning in voorgaande hoofdstukken. Vergelijk bijvoorbeeld vers 15 met hoofdstuk 6 vers 40.
Ja, wij mogen van God duidelijk omschreven zegeningen verwachten. Hij heeft er een welgevallen in ons die te schenken.
Salomo versterkt zijn rijk. Hij bouwt voorraadsteden en militaire steunpunten.
Bij het hoge BethâHóron en het lage BethâHóron (vers 5) denken we aan de buitengewone overwinning die Jozua (of beter gezegd: de HEERE) op de helling die deze beide steden van elkaar scheidde, heeft behaald (Jozua 10 vers 11).
Nu worden alle Kanaänieten die â door de ontrouw van Gods volk! â de verovering van 'hun' land door de Israëlieten overleefd hebben, tot slavendienst verplicht.
In tegenstelling tot hen zijn de Israëlieten die gehoorzaam gebleven zijn aan het Woord (Leviticus 25 vers 42), niet aan deze slavendienst onderworpen.
Op deze manier maakt de koning duidelijk onderscheid tussen hen die bij het volk van God horen, en hen die daar niet bij horen, zelfs als het om zijn eigen vrouw gaat (vers 11). Laten we nooit vergeten dat dit onderscheid vandaag ook nog bestaat!
Het is waar dat wij eens slaven van de zonde waren (Romeinen 6 vers 20). Nu heeft de Zoon ons echter vrijgemaakt; we zijn vrij (Johannes 8 vers 36).
We zijn vrij om "God te prijzen, en ... te dienen, naar de eis van elke dag" (vers 14). Maar niet vrij om te doen waar we zelf zin in hebben.
"Men week niet af van het gebod des konings" (vers 15). Vers 13 haalt het gebod van Mozes aan en vers 14 het gebod van David.
De ware vrijheid van een christen bestaat daarin, uit liefde tot Hem de wil van de Heere te doen.
Behalve het profetisch aspect, toont het bezoek van de koningin van Scheba ons ook de weg van de zondaar die tot de Heiland komt.
Dat geeft de gelegenheid om nu speciaal iets te zeggen tot hen die dit lezen en die die stap in het geloof tot de Heere Jezus nog niet gedaan hebben.
U kunt er zeker van zijn dat alles wat u tot nu toe over Hem gehoord en gelezen hebt, nog niets is vergeleken met een persoonlijke ontmoeting met Hem! Deze ontmoeting mag u hebben als u naar het kruis gaat!
Het enige wat we u zouden willen zeggen, doen we met de woorden van Filippus aan Nathanaël: "Kom en zie" (Johannes 1 vers 47; vergelijk dat met vers 6).
Weet u die de Heere Jezus al kortere of langere tijd mag kennen, ook wat het meest werkzame getuigenis is dat u voor Hem mag afleggen? Laten zien, dat u gelukkig bent!
Zonder het te willen toegeven, verlangen veel mensen om ons heen naar waar geluk.
Kunnen ze aan ons merken dat wij dat bezitten en dat het geheim daarvan in een persoonlijke verhouding met de Heere ligt? Benijden ze ons om ons lot, zoals dat ook het geval was bij de koningin van Scheba, toen ze de knechten van Salomo zag?
Als we er verdrietig en ontevreden uitzien, kan dat voor anderen een aanleiding zijn om te denken dat de Heere Jezus ons hart niet helemaal kan bevredigen. Dan verhinderen we anderen om tot Hem te komen, te zien en te geloven!
Roem, rijkdom, wijsheid en macht â daaruit bestaat de wonderbare grootheid van de regering van de zoon van David.
Niet alleen de koningin van Scheba, maar alle koningen van de aarde komen om de wijsheid van de grote Salomo te horen, geschenken te brengen en vooral zijn aangezicht te zoeken (vers 23).
Hoeveel te meer zal dat het geval zijn bij de verschijning van de Heere Jezus! "Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om de HEERE, Die getrouw is, om de Heilige Israëls, die U verkoren heeft" (Jesaja 49 vers 7).
Er staat ook geschreven: "Uw ogen zullen de Koning zien in Zijn schoonheid" (Jesaja 33 vers 17).
De vervulling van deze beloften zal voor Israël èn voor alle volken de hoogste zegen zijn. Maar Zijn gelukzalige verlosten zullen de eersten zijn die Hem zó mogen zien!
Ja, de Heere zien! Vervult deze gedachte onze harten met blijdschap of met vrees? Of laat het ons onverschillig?
De geschiedenis van Salomo is ten einde. Waar zijn dan die erge zonden die ons in Koningen van hem bekend zijn geworden? Is het mogelijk dat Kronieken daar niets over meedeelt?
Ja, inderdaad! De Goddelijke genade heeft alles uitgewist om door deze koning onze aandacht te vestigen op Iemand Die groter is dan hij.
Israël heeft zich in Sichem rondom de nieuwe koning verzameld en verzoekt hem: "Maak gij de harde dienst van uw vader, en zijn zwaar juk, dat hij ons opgelegd heeft, lichter" (vers 4).
Welke raad geven de oudsten aan Rehábeam? "Indien gij dit volk goedertieren en jegens hen goedwillend wezen zult ..." (vers 7). En in 1 Koningen 12 vers 7: "Indien gij heden knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen ...". Dat is zelfs voor een koning de enige manier om de genegenheid van anderen te winnen of te bewaren.
Dan gaan onze gedachten uit naar de Heere Jezus. Hij is gekomen, niet om "gediend te worden, maar om te dienen" (Mattheüs 20 vers 26 tot en met 28).
Zijn eretitels hebben Hem hiervan op Zijn weg van vernedering, liefde en overgave, niet weerhouden. Nee, door in deze gezindheid de minste te willen zijn, heeft Hij Zich juist het recht op de gehoorzaamheid van alle mensen verworven (zie Filippi 2 vers 6 tot en met 11).
Volgens dit grote Voorbeeld moeten degenen die belangrijke posities bekleden, juist de eersten zijn die anderen willen dienen. Hoe zou men gehoorzaamheid en toewijding kunnen verwachten van anderen, als men zelf niet het goede voorbeeld geeft?
Rehábeam wilde zijn volk niet dienen. Moeten we er dan nog verbaasd over zijn dat de tien stammen als antwoord op deze houding ook weigeren hem te dienen? Zijn hoogmoed heeft hem doen afwijken van een weg van ootmoedige onderwerping. En de scheuring van het rijk is het gevolg. Tot aan de verschijning van de Heere zullen de twaalf stammen nooit meer als één volk zichtbaar zijn.
Dat er in Israël een scheuring ontstond en het rijk verdeeld werd in twee delen, was een oordeel van God. Daarom is het tevergeefse moeite om honderdtachtigduizend uitgelezen strijders in beweging te brengen om deze situatie te veranderen.
Rehábeam wordt gewaarschuwd door Semája, de man van God, en komt op zijn besluit terug. Nu wijdt hij al zijn krachten aan de bouw van steden om verzekerd te zijn van de bescherming en verzorging van zijn kleine rijk.
Jeróbeam laat het er van zijn kant ook niet bij zitten. Helaas gaat hij echter op een heel andere manier te werk!
Uit vrees zijn invloed te zullen verliezen, als hij z'n onderdanen zou toestaan naar de feesten in Jeruzalem te gaan, richt hij een nationale godsdienst op die in de ogen van God een gruwel is.
Daarop tonen de priesters en de Levieten van de tien stammen dat ze vast willen houden aan de HEERE, aan Zijn geboden en aan Zijn dienst. Ze verlaten het verontreinigde gebied van de tien stammen en vestigen zich in Juda.
Ze geven liever al hun bezittingen op dan met ongerechtigheid in verbinding te blijven!
Veel christenen hebben hetzelfde moeten doen, ook vandaag nog, uit trouw aan de Heere!
Bemoedigd door het voorbeeld van de Levieten, zijn er andere getrouwen onder de tien stammen. Zij gaan â al blijven ze waarschijnlijk in hun steden wonen â in 't vervolg ook op naar Jeruzalem om daar in gehoorzaamheid aan het Woord hun offers te brengen.
Drie korte jaren! Zo kort heeft de trouw van Rehábeam en de twee stammen maar geduurd!
Nu moet God, evenals in de dagen van de Richteren, bewerken dat vijanden en tegenstanders tegen hen optrekken om hen in moeilijkheden te brengen, zodat zij op die manier naar Zijn stem zullen luisteren.
De aanval en de plundertocht van de Egyptische koning Sisak geven Rehábeam en het volk de gelegenheid om de dienst van de HEERE te vergelijken met de dienst van de koning van Egypte (vers 8). Wat was de eerste conclusie? Terwijl de HEERE Zijn knechten rijk maakt, berooft de vijand allen die onder zijn slavenjuk gebracht zijn.
Het woord van Semája, de profeet, heeft in het hart van de oversten van het volk en in dat van de koning verootmoediging bewerkt. Het brengt hen ertoe te zeggen: "De HEERE is rechtvaardig" (vers 6).
Deze gerechtigheid te erkennen, zelfs als ze tegen ons uitgeoefend moet worden, is altijd een gelukzalig teken (zie Lukas 23 vers 41). Dat geeft God gelegenheid om Zich niet alleen als een rechtvaardig God, maar ook als een barmhartig God, als HeilandâGod, te openbaren.
In Zijn genade ontdekt Hij "nog goede dingen" in het rijk van Juda en brengt dat naar voren.
Ondanks alles moet er van Rehábeam in het algemeen toch gezegd worden: "Hij deed wat kwaad was" (vers 14). De wortels hiervan liggen ver in het verleden, want zijn moeder, een Ammonietische, was al vóór de dood van David en de kroning van Salomo diens vrouw geworden (vergelijk hoofdstuk 9 vers 30 met 12 vers 13).
Tegen de aanwijzingen van het Woord in (Deuteronomium 21 vers 15 tot en met 17) benoemt Rehábeam zijn zoon AbÃa tot zijn erfgenaam en troonopvolger. Abiá is wel de zoon van zijn meest geliefde vrouw Máächa (of Michája; zie hoofdstuk 11 vers 20 en 21), maar niet zijn eerstgeboren zoon.
Bovendien dient de 'lievelingsvrouw' van Rehábeam de afgoden (hoofdstuk 15 vers 16). Zegt dit al niet iets van de geestelijke toestand van Rehábeam zelf? Zo'n grote ontrouw kan alleen maar een slechte regeringsperiode tot gevolg hebben.
Toch bevat de korte geschiedenis van deze koning ook iets goeds. In het Boek Koningen vinden we het niet terug, maar hier in het Boek van de genade kon de vermelding ervan niet verzwegen worden. Het gaat om de oorlog die tussen AbÃa en Jeróbeam uitbreekt.
Overeenkomstig Lukas 14 vers 31 was het een dwaasheid van de koning van Juda om met de helft minder strijders dan zijn tegenstander toch een oorlog te beginnen. Maar AbÃa heeft troeven in zijn hand die in zijn ogen opwegen tegen het geringere aantal soldaten. Daar spreekt hij ook over in zijn toespraak tot het leger van Israël: Juda heeft het koningschap van David, de ware godsdienst met het priesterschap, maar ook de tegenwoordigheid van de HEERE aan zijn kant.
AbÃa doet alsof hij Hem niet verlaten heeft (vers 10): een bewijs dat hij zichzelf niet kent.
En tenslotte bezat hij nog een geheim wapen dat buitengewoon werkzaam was. Morgen zullen we zien welke beslissende rol deze alarmtrompet zal spelen (vers 12).
In de toespraak van AbÃa tot de troepen van Israël klinkt een grote arrogantie.
De listige omsingeling door Jeróbeam is nodig om de trotse koning van Juda met zijn leger op de proef te stellen. Plotseling ontdekt hij dat hij van voren en van achteren bedreigd wordt en binnen de kortste keren overrompeld zal worden. Er blijft echter nog één richting over: de hemel.
Een schreeuw van vertwijfeling stijgt op tot de HEERE. Nu is alle aanmatiging verdwenen. Nu komt het geloof naar voren.
De koning maakt gebruik van een bijzonder oorlogswapen dat in de geschiedenis van Israël echter heel goed bekend was: de trompet (zie Jozua 6 vers 4 en Richteren 7 vers 18).
Dit wapen is niet te overwinnen, omdat het geloof dat ervan gebruik maakt, zich baseert op het Goddelijke Woord en op Zijn voor altijd geldende beloften (zie Numeri 10 vers 9).
De roep van het geloof wordt gehoord! Het lawaai dat spreekt van het gevaar waarin de Zijnen verkeren, spreekt tot het hart van God.
Ongetwijfeld heeft het ook op ernstige wijze gesproken tot de harten van de mannen van Jeróbeam die op het punt stonden tegen hun eigen broeders â en tegen de HEERE! â oorlog te voeren.
Het leger van Israël wordt overwonnen en vernederd (vers 18). Daardoor werd het bewijs geleverd dat noch sterkte (vers 3), noch list (vers 13), iets kunnen uitrichten tegen het vertrouwen op God!
De trouwe koning Asa, zoon en opvolger van AbÃa, reinigt Juda van de afgodendienst. De nadruk wordt hier dan ook gelegd op de rust en de vrede die het land in de eerste tijd van zijn regering mag genieten (vers 1, 5, 6 en 7).
Deze rust gebruikt Asa om steden te bouwen en de verdediging van zijn gebied te verbeteren. Hiermee leert hij ons een belangrijke les.
In ons leven kunnen ook perioden van rust voorkomen. Bijvoorbeeld vakantie of een vrije dag om zich wat te ontspannen. Laten we daar dan goed gebruik van maken door onze zielen te versterken door het lezen van de Bijbel waardoor we bevestigd worden in de Waarheid.
"De gehele wapenrusting Gods" moet voor de strijd al aangetrokken worden â en aangezien die strijd er altijd is, moet deze dus ook altijd gedragen worden (!) â "opdat gij kunt weerstaan in de boze dag" (Efeze 6 vers 11 en 13). Op zo'n boze dag, de dag waarop Zerah aanvalt, is Asa een goed voorbereid man!
"Bovenal" heeft hij "het schild des geloofs" opgenomen (Efeze 6 vers 16), met andere woorden: hij heeft het eenvoudige vertrouwen in zijn God. Dat komt naar voren in zijn prachtige gebed in vers 11. Er is geen kracht aan zijn kant. Hij heeft vijfhonderdtachtigduizend soldaten, maar er staan één miljoen tegenstanders tegenover hem! Uit menselijk oogpunt dus een scheve verhouding!
Toch blijft waar: "Als ik zwak ben, dan ben ik machtig" (2 Korinthe 12 vers 10). God beantwoordt het geloof van Asa door hem een grote overwinning en een grote buit te schenken.
Asa is trouw geweest. Door middel van Azária wordt hij door God nog meer bemoedigd. Zijn Woord is ná de strijd namelijk even hard nodig als voordien, want juist op zo'n moment bestaat het gevaar daarin nalatig te worden.
"Laat uw handen niet verslappen", zo luidt de oproep van de profeet en hij voegt er de belofte aan toe: "... want er is loon naar uw werk" (vers 7).
Deze woorden missen hun uitwerking niet. Asa treedt nu krachtdadig op, laat alle gruwelen uit het land wegdoen en stelt de dienst van het altaar weer in.
Dat is een opvallende ijver die niet alleen de mannen van Juda en Benjamin, maar ook een "menigte" Israëlieten uit de andere stammen in actie brengt (vers 9).
Dat zal altijd de uitwerking zijn van de toewijding die wij voor de Heere tonen. Andere gelovigen die misschien wat vreesachtig en traag zijn, zullen daardoor bemoedigd worden en ook hun geloof tonen.
Deze ervaring hebben al velen opgedaan, bijvoorbeeld op school of op het werk. Iemand heeft eens gezegd: 'Een oprecht hart dat vasthoudt aan zijn Heere, spreekt tot het geweten van anderen'.
Asa begrijpt dat hij van het volk geen volkomen reiniging kan verwachten als hijzelf niet in zijn eigen gezin het goede voorbeeld geeft.
Hij aarzelt dan ook niet streng op te treden tegen Máächa, de koninginmoeder, zijn eigen grootmoeder, door haar de kroon af te nemen en haar afgodsbeeld in stof en as te veranderen.
In vers 11 wordt de geschiedenis van Asa verdeeld in de eerste en de laatste. Het eerste deel is welgevallig voor God, met het laatste staat het helaas anders.
Báësa, de koning van het tienstammenrijk Israël, is jaloers op Asa, omdat veel van zijn onderdanen naar het land Juda trekken (hoofdstuk 15 vers 9). Daarom bouwt hij een stad om dit te verhinderen.
In plaats van nu op de HEERE te zien, sluit Asa een werelds verbond met de koning van Syrië om Báësa en zijn onderneming te weerstaan.
In eerste instantie lijkt deze politiek goed te werken, want aan het begin heeft het succes. God beoordeelt dit echter niet zo en wijst de koning, bij monde van een profeet, terecht.
Zijn gebrek aan vertrouwen en het vergeten van Gods vroegere hulp (vers 8), zijn er de oorzaak van dat hij geen overwinning behaalt op de Syriërs.
Geprikkeld, omdat hij zich zo'n mooie gelegenheid heeft
laten ontgaan, en aangetast in z'n eergevoel, zet Asa nu de
man van God gevangen en onderdrukt enkelen uit het volk.
God bestraft hem daarvoor met een ernstige ziekte. Tevergeefs! Hij blijft op mensen vertrouwen, in plaats van op God, en sterft een verdrietige dood, zonder ook maar iets van deze laatste les geleerd te hebben.
Asa had vijfendertig van de veertig jaren met God gewandeld. Nog maar een paar jaar en hij zou zijn loop goed geëindigd hebben.
Laten wij de Heere vragen ons tot aan onze laatste dag te bewaren (2 Timotheüs 1 vers 12 en 4 vers 18).
Nu komen we de vrome koning Jósafat weer tegen over wie ons in Koningen al zoveel verteld werd.
We moeten niet vergeten dat we in Kronieken, ná de dood van Salomo, voornamelijk de geschiedenis van de koningen van Juda volgen, terwijl in Koningen meer sprake is van de koningen van Israël.
Waarom nam de beschrijving van het leven van Jósafat daar zoveel plaats in? Omdat het helaas nauw verbonden was met het leven van Achab en Joram, de goddeloze koningen van Israël!
Dit hoofdstuk 17 vermeldt echter alleen maar goeds van deze koning. Hij sterkte zich, "wandelde in de vorige wegen van zijn vader David", "zocht de God van zijn vader en wandelde in Zijn geboden", kreeg moed en deed de afgoden weg (vers 1 tot en met 6).
Hij zondert zich niet alleen af van het kwaad, zoals zijn vader Asa gedaan had, maar stelt ook het goede in (vers 7 tot en met 11).
Dat zijn twee christelijke activiteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden moeten zijn (zie bijvoorbeeld Romeinen 12 vers 9 en 1 Petrus 3 vers 11)!
Van de oversten heeft Amásia zich vrijwillig als een nazireeër aan de HEERE gegeven (Numeri 6 vanaf vers 2; vergelijk ook 2 Korinthe 8 vers 5).
Het is mogelijk â en deze oproep richt zich tot elke gelovige afzonderlijk! â om de Heere toegewijd te zijn en tegelijkertijd het gewone beroep en de dagelijkse bezigheden uit te voeren.
De geschiedenis van Jósafat gaat verder. Deze trouwe man is uiteindelijk ten val gekomen door zijn verbindingen. De omgang met de wereld, het vriendschappelijk verkeer met mensen van gelijke sociale stand, is al veel gelovigen noodlottig geworden (1 Korinthe 15 vers 33). Laten we letten op de gevolgen die het voor Jósafat heeft gehad!
Ten eerste is hij daardoor zó ver gekomen dat hij voor zijn zoon een indrukwekkend huwelijk heeft gearrangeerd. Maar de echtgenote was niemand anders dan een dochter uit het koningshuis van Israël, niemand minder dan Athália! In het oog van de mensen was het ongetwijfeld een prachtige verbintenis, maar in werkelijkheid was dit het beginpunt van de ondergang van z'n hele gezin.
Ten tweede verloochent hij zijn getuigenis door zich op één en dezelfde bodem te plaatsen met de boze koning van Israël: "Zo zal ik zijn, gelijk gij zijt ..." (vers 3).
Ten derde laat hij zich, uit angst om z'n koninklijke 'vriend' niet te ergeren, meeslepen in de gewaagde onderneming om Ramoth in Gilead te heroveren.
Ja, daarom is het voor ons uitermate belangrijk de woorden uit Galaten 1 vers 10 nog eens goed te overdenken en ons die in te prenten!
Het verbond dat Jósafat met Israël tegen Syrië sloot, was niet beter dan het verbond dat zijn vader ooit gesloten had met de Syriërs tegen Israël. Het uiteindelijke gevolg is dat de ongelukkige koning in dezelfde dramatische situatie komt waarin eens Saul zich bevond op het gebergte Gilbóa. Een situatie waaruit alleen God hem nog kan redden als antwoord op zijn schreeuwen (zie Psalm 120 vers 1).
Jósafat krijgt een ernstige terechtwijzing van de HEERE vanwege zijn ongelukkige verbond met Israël. Jehu stelt hem een vraag waardoor duidelijk wordt wat er in zijn hart leeft. Tegelijkertijd zeggen de woorden van Jehu hem hoe God over Achab denkt: "Zoudt gij de goddeloze helpen, en die de HEERE haten, liefhebben?" (vers 2).
Christenen, laten we er altijd aan denken hoe het Woord hen die de wereld liefhebben, noemt: "Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld" (Jakobus 4 vers 4).
Het ontbrak Jehu niet aan moed, want hoewel hij wist dat een soortgelijke opdracht onder de regering van Asa zijn vader Hanáni destijds in de gevangenis had doen belanden (hoofdstuk 16 vers 7 tot en met 10), gaat hij toch tot de koning.
Jósafat luistert echter wèl naar de vermaning. Dat is het middel om "kloekzinnig" te worden en "verstand" te krijgen (Spreuken 15 vers 5 en 32).
Laten ook wij terechtwijzingen of opmerkingen die we krijgen, aannemen, want dat heeft voor ons dezelfde gelukkige uitwerking!
Terwijl zijn vader Asa niet hersteld werd, kan Jósafat na deze donkere periode zijn mooie taak uit hoofdstuk 17 weer opnemen. Deze keer stelt hij zich er niet tevreden mee zijn bode uit te zenden. Hij begeeft zich nu zelf onder het volk.
Als een ware herder van Israël doet hij er alles aan om het volk tot de HEERE terug te leiden (vers 4). Daarna stelt hij richters aan die uitdrukkelijke aanwijzingen van hem krijgen.
Plotseling komen er gelijktijdig drie tegenstanders tegen het kleine rijk. Juda opzetten. Het zijn de vijanden van oudsher: de Moabieten, de Ammonieten en een deel van de Meünieten. Deze laatste worden in sommige vertalingen ook Ammonieten genoemd; zie ook hoofdstuk 26 vers 7.
Met het oog op de grote bedreiging van deze invasie zoekt Jósafat het aangezicht van de HEERE en roept hij een vasten uit. Het volk verzamelt zich.
Zoals Salomo destijds uitsprak bij zijn gebed (hoofdstuk 6 vers 34 en 35), gaat de koning nu voor het heilige huis staan en roept Hem aan Die beloofd heeft te luisteren en recht te verschaffen (vers 8 en 9).
Als we de aantallen soldaten van de troepen die Jósafat ter beschikking staan (hoofdstuk 17 vers 14 tot en met 18), bij elkaar optellen, komen we op het indrukwekkende aantal van één miljoen honderdzestigduizend soldaten. Toch wordt er in dit lange hoofdstuk nauwelijks over hen gesproken!
Jósafat heeft de woorden uit Psalm 33 goed begrepen: "Een koning wordt niet behouden door een groot leger; een held wordt niet gered door grote kracht ... Onze ziel verbeidt de HEERE; Hij is onze Hulp en ons Schild" (Psalm 33 vers 16 en 20).
De koning erkent het gebrek aan kracht en wijsheid (vers 12). Maar hij voegt er aan toe: "Onze ogen zijn op U".
En omgekeerd: "Wat de HEERE betreft, Zijn ogen doorlopen de ganse aarde, om Zich sterk te bewijzen aan hen, wier hart volkomen is tot Hem" (hoofdstuk 16 vers 9).
Het gebed van Jósafat waaruit een groot vertrouwen weerklinkt, wordt direct en openlijk verhoord. In Naam van de HEERE stelt Jaháziël het volk en hun koning gerust.
Deze Goddelijke bemoediging is sindsdien al door veel gelovigen die in gevaar waren, gelezen en tot hulp geweest.
Laten we vers 17 eens vergelijken met de woorden die Mozes bij de doortocht door de Rode Zee tot Israël richtte: "Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN" (Exodus 14 vers 13).
Zonder op het handelen van God te wachten, buigen Jósafat en het hele volk zich neer om Hem te danken en te aanbidden.
Het geloof dat van tevoren niet alleen alle onrust kan wegnemen, maar God ook al kan danken voor het antwoord dat Hij zal geven, omdat Hij het beloofd heeft, verheerlijkt Hem.
Als we zó handelen, volgen wij daarin het Goddelijke Voorbeeld. Toen de Heere Jezus op het punt stond Lazarus in de kracht van God, Zijn Vader, op te wekken, richtte Hij Zich eerst in gebed tot Zijn Vader met de woorden: "Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt" (Johannes 11 vers 41).
Hoe prachtig is deze aanbidding die zelfs in tegenwoordigheid van vijanden gebracht wordt!
De zangers trekken op en lopen voor de troepen uit. Het triomfgezang geeft als het ware het signaal voor een buitengewone overwinning die zonder één enkele zwaardslag wordt behaald.
Terwijl het lied van de bevrijding weerklinkt, moorden de vijanden elkaar onderling uit! Het volk heeft nu niets anders meer te doen dan hun vernietiging vast te stellen en zich de rijke buit toe te eigenen.
Hoe vaak heeft God al niet op soortgelijke wijze de moeilijkheden die ons onoverwinnelijk leken, uit de weg geruimd!
Daarna komt het volk opnieuw in het dal van Berácha (dat betekent 'prijsâ of lofdal') samen om de HEERE te prijzen.
Daarbij denken we aan de triomf die de Heere Jezus op het kruis zonder één enkele daad van de kant van de gelovigen heeft behaald. Wat blijft er voor hen dan nog over om te doen?
Zij mogen de vruchten van deze overwinning genieten en Hem met een hart vol dankbaarheid loven in dit aardse dal, totdat zij dat voor eeuwig in de heilige stad zullen doen (vergelijk vers 28).
Het laatste gedeelte van dit hoofdstuk brengt ons terug bij de regering van Jósafat.
Ons wordt meegedeeld dat de koning van Juda, ná z'n verschrikkelijk militair bondgenootschap met koning Achab, opnieuw een verbond sluit.
Deze keer gaat Jósafat een verbinding aan met de zoon van Achab, Aházia, waarbij hij een maatschappelijk doel voor ogen heeft. Dit verbond is zeker niet minder triest dan het voorgaande.
God laat het echter mislukken. En uit de mond van Eliëzer horen we hoe Hij denkt over een verbinding met iemand uit de wereld om daar zelf beter van te worden.
Het lijkt erop dat het Boek Kronieken nu opeens het karakter als Boek van de genade verlaat! Met uitzondering van enkele feiten werden immers tot nu toe de fouten van het volk en hun koning bedekt; daarvoor in de plaats werd juist het goede dat er te vinden was, naar voren gehaald. Tussen twee haakjes: Dit is een manier van handelen die ons altijd zou moeten kenmerken (vergelijk 1 Petrus 4 vers 8)!
Het hoofdstuk dat we zojuist gelezen hebben, vormt echter een verdrietige tegenstelling tot de "goede dingen" die God ons tot dusver heeft meegedeeld (hoofdstuk 12 vers 12 en 19 vers 3).
Het is van nu af aan niet meer mogelijk om de boosheid van
de koningen, Joram en zijn opvolgers, verborgen te houden.
Deze koning, de schoonzoon van Achab en Izébel, is een moordenaar en afgodendienaar. En hij verleidt ook Juda tot het aanbidden van valse goden.
Een vreselijke toestand! Toch laat die het onvergelijkbare geduld van God met Zijn arme volk naar voren komen, want ook in het verdere verloop van dit Boek zien we de genade stralen. En juist des te meer, naarmate de duisternis in Juda meer en meer toeneemt.
De genade betoont zich overvloediger naarmate de zonde zich steeds verder uitbreidt (Romeinen 5 vers 20).
Joram krijgt een brief van ElÃa waarin zijn misdaden worden samengevat en hem het oordeel van God wordt aangekondigd. De vervulling hiervan laat niet lang op zich wachten.
Een verdrietig hoofdstuk! Aházia krijgt raad van zijn moeder en van de familie van Achab en maakt een verbond met Joram, de koning van Israël.
Hij onderneemt samen met hem een krijgstocht tegen de Syriërs. Deze onheilzame verbinding heeft zijn ondergang tot gevolg (vers 7). Hij sterft een gewelddadige dood.
Nu gaan we even terug in de geschiedenis.
De zes broers van Joram zijn door hem vermoord, toen Joram de macht in handen had gekregen (hoofdstuk 21 vers 4).
Daarna zijn al zijn zonen, met uitzondering van de jongste, Aházia, door de Arabieren vermoord (vers 1 van het hoofdstuk van vandaag).
Tenslotte blijft bij het door Athália aangerichte bloedbad in de derde generatie slechts één nakomeling van het koningshuis in leven: Joas, een zuigeling.
Welke verklaring is er voor deze elkaar opvolgende pogingen om het nageslacht van Josafat uit te roeien? Dat komt door de verbetenheid waarmee satan de lijn van het geslacht van David probeert te doorbreken, omdat die lijn Christus voort zou brengen!
En welke verklaring is er anderzijds voor dat er, ondanks alles, telkens een enkeling en dan ook nog de zwakste âmaar toch een nakomeling van de koninklijke familie! â, in leven blijft? DÃ t komt door de trouw van de genade van God!
Hij houdt Zijn belofte die Hij aan David gedaan heeft, door te zeggen dat Hij hem "een lamp" zou bewaren (2 Koningen 8 vers 19). Het is een lamp die uiteindelijk niet meer is dan een "rokende vlaswiek" (zie Mattheüs 12 vers 20)!
Het is net alsof er, te midden van de morele nacht in Juda, een schijnwerper op Joas, de waardevolle kleine prins, gericht wordt. Alle raadsbesluiten van God rusten voortaan op dit zwakke kind, de laatste 'zoon' van David.
Wat een overeenkomst met een andere tijd die nòg donkerder was, toen Herodes onrechtmatig bezit had genomen van de troon in Jeruzalem!
De ware, in Bethlehem geboren Koning der joden werd evenals Joas gespaard tijdens de massamoord die op bevel van deze rover van de troon werd gepleegd.
De Heere Jezus bleef als Degene Die werkelijk en als Enige rechten op de troon kon laten gelden, Zijn leven lang verborgen. Eerst in Nazareth, maar ook later in de vernederende gestalte als dienstknecht die Hij aangenomen had. En nu is Hij nog steeds voor de ogen van de wereld verborgen in de hemel. Alleen het geloofsoog ziet Hem daar nu en kent Hem.
In dit hoofdstuk mogen we een beeld zien van de dag van Zijn heerlijke openbaring. Zoals de Levieten en de oversten van het volk toen, zullen zij die mi de Heere Jezus dienen en verwachten, Hem op die dag vergezellen. Zij zullen samen met Hem in heerlijkheid verschijnen (zie Kolosse 3 vers 4 en 1 Thessalonika 3 vers 13). Wat een geweldig voorrecht om bij Zijn gelukkig gevolg te mogen behoren! Te zijn "bij de koning, als hij inkomt en uitgaat" (vers 7).
Omdat dà t ons deel zal zijn, mogen we ons nu al door het geloof in Zijn tegenwoordigheid bevinden en ons in onze harten met Hem bezighouden, terwijl Hij nog voor een korte tijd onzichtbaar in de hemel verblijft.
De kroning van Joas en zijn verschijning in het openbaar waren een streep door de rekening van de slechte Athália. Zó heeft de opstanding van de Heere Jezus de aanvallen van satan teniet gedaan.
De onrechtmatige koningin komt om door het zwaard.
De aan haar voltrokken straf duidt op de straf die de antichrist zal ontvangen bij het verschijnen van de Heere Jezus. Deze 'mens der zonde' zal levend in de vuurzee geworpen worden, samen met het hoofd van het herstelde WestâRomeinse rijk.
Evenals Izébel doet Athália, deze afschuwelijke vrouw en moordenares van haar eigen kleinkinderen, ons denken aan de valse kerk, het afvallige deel van de grote belijdende christenheid. Dat wil dus zeggen: de naamchristenen, zij die wel beweren bekeerd te zijn, maar het niet echt zijn.
De valse kerk wilde regeren en heeft daarvoor zielen voor wie ze verantwoordelijk was, opgeofferd.
Wat is het oordeel van de Heere? "Zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien. Daarom zullen haar plagen op één dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt" (Openbaring 18 vers 7 en 8).
Op de dood van Athália volgt de dood van Matthan, de priester van Baäl. Daarna wordt Joas op plechtige wijze op de troon gezet.
Zolang Jójada leefde om de jonge koning Joas te leiden, was er aanleiding genoeg om te denken dat hij tot de betere koningen behoorde.
Helaas vormt de dood van deze hogepriester een noodlottig keerpunt in het leven van de koning. Hoe komt dat?
In plaats van altijd zèlf op God te vertrouwen â wat een kenmerk van het geloof is â, steunt Joas op zijn 'pleegvader'. Zodra die er niet meer is, stort zijn trouw in één klap helemaal in. Hij had geen persoonlijk geloof!
Jonge mensen, jullie die gelovige ouders hebben, vergis je niet! Jullie christelijke opvoeding en goede gewoontes betekenen nog niet dat je werkelijk levendmakend geloof hebt! Het geloof van jullie ouders is niet jullie geloof. Vertrouwen jullie op de Heere en blijven jullie bij Hem, ook als jullie ouders er op een gegeven moment niet meer zijn?
De vorsten van het volk komen bij Joas en vleien hem. "Toen hoorde de koning naar hen" (vers 17).
En wat gaat hij onder hun invloed doen? Dingen waarbij de rillingen je over de rug lopen: hij beveelt dat de zoon van zijn weldoener vermoord moet worden.
De Heere herinnert de huichelachtige farizeeërs aan de dood van ZacharÃa (zijn naam betekent: 'de HEERE gedenkt hem'), als zijzelf op het punt staan een nog grotere misdaad te plegen (zie Mattheüs 23 vers 34 en 35 en 21 vanaf vers 35).
Amázia wordt de opvolger van zijn vader Joas. In grote lijnen begint hij te doen wat recht is in de ogen van de HEERE, maar er wordt aan toegevoegd: "... doch niet met een volkomen hart"!
Een volkomen, ongedeeld hart betekent niet dat er geen zonde in is, maar wel dat er een vaste wil is alléén te doen wat God welgevallig is, door Hem te gehoorzamen.
In dit verband is het goed om op het woord "volmaakt" te letten in Filippi 3 vers 14 en 15.
De eerste fout van Amázia is dat hij tegen Edom ten strijde wil trekken en daarvoor honderdduizend soldaten uit het tienstammenrijk Israël aanneemt om zijn eigen leger te versterken.
Gewaarschuwd door een man van God, onderwerpt hij zich aan Gods bevel en triomfeert dan over al zijn vijanden.
Maar daarna ... wat een val! In het gedeelde hart van Amázia vinden de goden van de Edomieten, de kinderen van Seïr, een plaats (vers 14).
Omdat het niet mogelijk is twee heren te dienen (Mattheüs 6 vers 24 en Lukas 16 vers 13) verdwijnt de HEERE nu uit Amázia's gedachten.
Amázia is van achter Hem afgeweken (vers 27). Als de Heere Jezus niet ons hele hart vult, weet de vijand wel waarmee hij de ontstane ruimte moet opvullen.
Na in de strijd tegen de koning van Israël een smartelijke nederlaag geleden te hebben, leeft de arme Amázia nog vijftien jaar en wordt daarna gedood, zonder ook maar een teken van berouw getoond te hebben.
Koning Uzzia wordt ons voorgesteld als een man met een buitengewone interesse voor de geestelijke dingen. Zijn bijzonder lange regeringsperiode van tweeënvijftig jaar wordt gekenmerkt door opmerkelijke bezigheden.
De koning zorgt ervoor dat zijn volk niets te kort komt aan putten, vee, bouwland en wijngaarden. Eveneens bewerkt hij dat dit allemaal in militair opzicht goed beveiligd wordt. Kortom, hij garandeert zijn volk succes en veiligheid.
Zijn alle menselijke inspanningen in feite niet hierop gericht? En waartoe brengt dit de mens in het algemeen? Tot een stukje dankbaarheid ten aanzien van God? Brengt het de mensen ertoe met blijdschap iets af te staan voor de dienst van de Heere? Helaas niet!
De mens denkt veelmeer dat hij zijn welvaart en voorspoed aan zichzelf te danken heeft en stelt meer vertrouwen in de rijkdom die hij voor zichzelf gebruikt!
Gelovigen die het in materieel opzicht voor de wind gaat, staan ook aan deze gevaren bloot! Ze lopen gevaar op eigen middelen te bouwen en zich sterk te voelen.
Tegelijkertijd wordt er dan niet meer gerekend op de wonderbare hulp van God (vers 15). De zegen die dit laatste met zich mee zou brengen, mist men.
Onder deze omstandigheden laat Uzzia's val niet lang op zich wachten.
Uzzia heeft alles voorbereid om een aanval van buitenaf af te kunnen slaan. Maar wat het gevaar van binnenuit betreft, dus het waken over zijn eigen hart, daarin is hij nalatig geweest.
Vijf koningen: Asa, Josafat, Joas, Amázia en Uzzia! Vijf geschiedenissen die een verdrietige overeenkomst vertonen! Vijfmaal komt er ná een gelukkige en door God gezegende regeringsperiode een valstrik â elke keer een andere
die tot een noodlottige val leidt.
Laten we goed voor deze valstrikken oppassen, want de listige vijand gebruikt ze nog steeds om kinderen van God te laten struikelen. Dit zijn de valstrikken:
Bij Asa ging het om de hulp van de wereld in de strijd;
Josafat sloot een verbond en vriendschap met de wereld;
Joas werd door vleierij van de wereld ten val gebracht;
Amázia liet zich in met haar afgoden van de wereld; en
Uzzia struikelt door de hoogmoed van het leven (zie 1 Johannes 2 vers 16) .
De naam van deze koning betekent 'God is mijn sterkte'. Maar het ogenblik kwam dat hij meende in zichzelf sterk genoeg te zijn. En dat werd hem noodlottig (vers 16).
Hij wil in zijn onbeschaamdheid de heilige handelingen die alleen door de priesters verricht mogen worden, zelf verrichten. Hij wordt nu in de tegenwoordigheid van alle priesters door de hand van de HEERE met melaatsheid geslagen.
Bij ons allemaal zit de hoogmoed al lang diep in ons hart verborgen, vóórdat zij aan de buitenkant als melaatsheid aan het voorhoofd zichtbaar wordt.
Als we onze hoogmoed oordelen, vóórdat anderen het met hun eigen ogen aan ons kunnen zien, voorkomen we dat God gedwongen wordt ons misschien openlijk aan de kaak te stellen en te vernederen.
Van Jotham, de zoon en opvolger van Uzzia, wordt ons in dit korte hoofdstuk alleen maar goeds verteld.
Hoewel ook hij sterk werd (vers 6), heeft hij de les geleerd uit wat zijn vader is overkomen, zoals vers 2 ons meedeelt. Dat is een teken van wijsheid!
Als wij onze lessen trekken uit de ervaringen van anderen, kunnen we voorkomen dat we persoonlijk door een pijnlijke leerschool moeten gaan. 'Door schade en schande wijs te worden', is dan niet nodig.
Jotham overwint de kinderen van Ammon. Wat is zijn geheim?
Het is goed om hierbij stil te staan, als wij die Goddelijke
kracht ook graag zouden willen ontvangen: "Hij richtte zijn
wegen voor het aangezicht van de HEERE, zijn God" (vers 6).
Zijn wegen richten, wil zeggen dat je je wandel in overeenstemming brengt met Gods Woord en Hem vraagt om Zijn leiding.
"Weeg de gang van uw voet, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn. Wijk niet ter rechterâ of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade" (Spreuken 4 vers 26 en 27).
Helaas zien we niet dat het volk het goede voorbeeld van deze trouwe koning volgt! "Het volk verdierf zich nog" (vers 2).
De tijd van Jotham komt daarom niet overeen met de opwekkingen zoals de Geest van God die bewerkte tijdens de regeringen van HizkÃa en JosÃa.
In tegenstelling tot Jotham over wie alleen maar goeds wordt meegedeeld, kan er niets goeds van zijn zoon, de goddeloze Achaz, gezegd worden.
De tijd van Achaz is een vreselijke regeringsperiode waarin niets wat de HEERE kan beledigen, ontbreekt! Wat is het volk Juda diep gezonken!
God maakt achtereenvolgens gebruik van de koningen van Syrië en Israël om Juda te bestraffen. De koning van Israël doodt op één dag honderdtwintigduizend man en neemt er tweehonderdduizend gevangen.
Maar zoals de profeet Oded gezegd heeft, is de les zowel voor de overwinnaar als voor de overwonnene bedoeld. En toch zeker ook voor ons?
Vóórdat wij ons met anderen bezighouden om hen te beoordelen, is het goed ons eerst af te vragen of wij zelf niet gezondigd hebben tegen God (vers 10)!
Op deze manier heeft Oded ook tot de mannen van Israël gesproken. Vier van hen die met name genoemd worden, zijn hierdoor diep geraakt en nemen het dan ook voor de arme gevangenen op.
Daarna, nog niet tevreden gesteld met hun bevrijding, zetten ze zich nog meer voor hen in en brengen hen terug naar Juda.
Hier wordt Romeinen 12 vers 20 en 21 in praktijk gebracht! Hiermee zijn zij een prachtig voorbeeld van liefde en overgave!
Moeten we daarbij niet denken aan de handelwijze van de barmhartige Samaritaan uit Lukas 10 vers 33 en 34?
Achaz is ongevoelig voor de genade die hem bewezen is, doordat de gevangenen uit zijn volk teruggebracht zijn. Hij zinkt dan ook steeds dieper weg in het kwaad.
Nu zoekt hij zijn hulp bij de koning van Assyrië. Er staat echter geschreven: "Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt" (JeremÃa 17 vers 5).
Ondanks alle rijkdommen die Achaz uit de tempel rooft en aan TiglathâPiléser geeft, is deze koning hem niet tot hulp (vers 21).
Nu stapelen de zonden van Achaz zich nog meer op. Hij zoekt de hulp die de mensen hem niet konden of wilden geven, nu bij de afgoden, met andere woorden: bij de demonen (1 Korinthe 10 vers 20)!
Van die kant hoeft hij helemaal geen hulp te verwachten. Wat hij doet, is eigenlijk niets meer dan zijn ondergang over zich uit te roepen. Het is het begin van het einde.
Om de maat vol te maken, sluit Achaz in die tijd de tempeldeuren, zoals dat gedaan wordt bij de verkoop of het verlaten van een huis.
Daarmee sluit hij de toegang tot het heiligdom af, nadat hij het eerst ontwijd en verontreinigd heeft (hoofdstuk 29 vers 5 en 16).
Het Woord zegt echter uitdrukkelijk: "Zo iemand de tempel
Gods schendt, die zal God schenden" (1 Korinthe 3 vers 17).
Ja, de maat is vol! Achaz sterft en wordt niet eens waardig bevonden om in het graf van zijn voorouders begraven te worden.
Hoewel ons hierover in Kronieken niets meegedeeld wordt, zijn we nu aangekomen bij het moment waarop de HEERE de tien stammen van Israël door de koning van Assyrië laat wegvoeren.
Achaz heeft God er alle reden voor gegeven om met het rijk Juda ook zo te handelen, maar de genade heeft nog 'iets gereserveerd' wat niemand kon voorzien. Dat middel is de trouwe koning HizkÃa.
Door de voorzienigheid van God is hij aan het vreselijke kinderoffer aan de Molech waaraan zijn broers ten prooi vielen, ontkomen (hoofdstuk 28 vers 3 en 2 Koningen 23 vers 10). Hij is als "een vuurbrand uit het vuur gerukt" (ZacharÃa 3 vers 2).
Het valt op te merken hoeveel deze jongeman onder de vreselijke regering van zijn vader geleden moet hebben. Als hij dan ook op de troon komt te zitten, laat hij geen dag meer voorbijgaan en begint direct, met behulp van de priesters en de Levieten die met name genoemd worden, met het werk van de reiniging.
Met de reiniging wordt op de eerste dag van de eerste maand in het eerste jaar begonnen (vers 3 en 17)!
Als u, lezer, het nog niet gedaan hebt, begin dan nu zonder uitstel orde op zaken te stellen in uw hart! Doe de deuren van uw hart wijd open voor Hem Die zo graag naar binnen ,wil. Gooi alle onreinheid eruit die u onder de vorige regering van de vorst van de duisternis nog hebt toegelaten of achtergelaten. Heilig uw hart voor de Heere Jezus! Hij wil daarin graag woning maken, voor nu en voor altijd!
De veertien Levieten en hun broeders hebben niet minder dan zestien dagen nodig gehad om het huis van de HEERE helemaal te reinigen en weer in orde te brengen.
Het is echter niet voldoende de tempel "leeg, met bezemen gekeerd en versierd" te hebben (Mattheüs 12 vers 44). De dienst voor de HEERE moet daarin nu ook weer hersteld worden.
Nauwelijks is de reiniging van het heiligdom voltooid, of HizkÃa komt weer in actie. Ook nu laat hij geen moment verloren gaan.
Hij staat 's morgens vroeg op om met de oversten van de stad en de priesters het offer te brengen â zonder daarbij zelf de plaats van priester in te nemen, zoals Uzzia wel gedaan had!
Laten we erop letten dat het brandoffer en het zondoffer voor heel Israël geofferd werden (vers 24). Laten we dan ook nooit vergeten dat de gelovigen die om de tafel van de Heere geschaard zijn om Zijn dood te verkondigen, slechts een zwakke uitdrukking zijn van het hele volk van God.
Het brood en de beker herinneren ons aan het offer dat niet alleen voor het kleine aantal aanwezigen, maar voor alle verlosten samen, voor de hele gemeente gebracht werd.
Tenslotte wordt het brandoffer begeleid door gezang. De zang gaat er niet aan vooraf!
Er is geen lofgezang, geen vreugde, vóórdat het werk van Golgotha volbracht is. Maar mi, nadat het verlossingsâ en verzoeningswerk eens en voor altijd volbracht is, kan de dienst van de ware aanbidders beginnen. En die dienst zal nooit eindigen (Psalm 84 vers 5)!
Het verstandige hart van HizkÃa begrijpt dat nu het pascha weer in ere hersteld moet worden. Het zal in de tweede maand plaatsvinden, in overeenstemming met de aanwijzingen in Numeri 9 vers 11.
In het ruime hart van HizkÃa is plaats voor heel Israël. Daarom stuurt hij een bericht door heel Israël en Juda (vers 6).
Zó laat de Heere ook vandaag nog Zijn genadige uitnodiging verkondigen om tot Zijn gedachtenis het avondmaal te eten. Bent u, ben ik een dienstknecht van Hem die Hij met deze kostbare boodschap op pad kan sturen?
Wat is de inhoud van deze boodschap?
"Bekeert u tot de HEERE", dat houdt in: berouw hebben;
"Geeft de HEERE de hand", dat wil zeggen: geloven;
"Komt tot Zijn heiligdom", dat is: zoeken naar de plaats waar Hij Zijn tegenwoordigheid beloofd heeft;
"Dient de HEERE"; en
Weet, dat Hij "genadig en barmhartig" is (vers 9).
Zo'n boodschap stuit op verzet en spot.
Het antwoord van de massa op deze genade is ongeloof en onverschilligheid. Desondanks is het de moeite waard deze boodschap te laten weerklinken, want enkelen verootmoedigen zich en komen naar Jeruzalem waar velen bij elkaar gekomen zijn.
Daar wordt de reiniging waar de Levieten mee begonnen zijn, voortgezet. De altaren die Achaz voor zichzelf "in alle hoeken te Jeruzalem" had laten maken (hoofdstuk 28 vers 24), worden, evenals de onreinheden van de tempel, in de beek Kidron geworpen (vergelijk hoofdstuk 29 vers 16).
Zoals de koning in de gelijkenis heeft ook HizkÃa de uitnodiging van de genade in het hele land laten verkondigen: "Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid ... alle dingen zijn gereed" (Mattheüs 22 vers 4).
Velen geven hier echter geen gehoor aan. En van hen die wel komen, heeft een groot deel zich nog niet geheiligd (vers 17).
Wat nu? Moeten ze weer naar huis teruggestuurd worden? Nee! Zoals de genodigden voor het grote feestmaal van de koning een bruiloftskleed kregen, houdt de genade van God zich hier bezig met de reiniging van deze Israëlieten om hen geschikt te maken voor Zijn heilige tegenwoordigheid.
Deze reiniging wordt juist bewerkt door het vieren van het pascha waarvoor ze naar Jeruzalem gekomen waren. Het bloed van het geslachte offer is het middel tot hun reiniging. Daarbij denken we aan het bloed van de Heere Jezus, het heilige Lam van God, Zijn Zoon, dat reinigt van alle zonde (1 Johannes 1 vers 7).
Wat de zwakken en onwetenden betreft, voor hen treedt HizkÃa op om voorbede te doen bij God. Hij is daarin een kostbaar beeld van Christus. En God vergeeft hen.
Daarna volgt het feest van de ongezuurde broden. Dat spreekt van praktische heiliging. Dit feest gaat met grote blijdschap gepaard. Dat is een bewijs dat de afzondering voor God juist helemaal geen verdrietige aangelegenheid is.
Het gebed van HizkÃa, de voorspraak voor het volk, bereikt zijn doel: het komt aan in de heilige woning van de HEERE in de hemel.
De Israëlieten die geantwoord hadden op de oproep van HizkÃa, hebben de tegenwoordigheid van de HEERE ervaren en de vreugde beleefd die dit met zich meebrengt.
Nu trekken ze vol ijver door het land en wissen alle sporen van de afgodendienst uit. Nadat zij persoonlijk de waarde van de ware godsdienst in Israël hebben leren kennen, kunnen ze zich ook indenken hoe ver zij zich daarvan verwijderd hadden.
Dat is een waarheid met een heel grote betekenis! Om in staat te zijn het kwaad weg te doen, moet men eerst een ontmoeting met de Heere gehad hebben!
Het is vergeefse moeite iemand eenvoudig te vermanen de wereld met haar afgoden op te geven. We moeten hem eerst bij de Heere brengen en daaruit zullen vruchten ontstaan. Dat is de les die HizkÃa ons hier geeft.
Het weldoen kan niet losgemaakt worden van andere offers (zie Hebreeën 13 vers 15 en 16).
De eerstelingen en de tienden worden ingezameld in verbinding met de twee grote jaarlijkse feesten die op het pascha volgen: het feest der weken (Pinksteren) in de derde maand en het loofhuttenfeest in de zevende maand (vers 7).
De koning neemt van zijn eigen goederen wat nodig is voor het brandoffer. En het volk volgt hem hierin, zoals het hem ook gevolgd is in het wegdoen van de afgoden.
Het voorbeeld heeft meer kracht dan woorden zouden hebben. Laten we dat voor onszelf nooit vergeten (zie 2 Thessalonika 3 vers 7 tot en met 9)!
De koning "ondervroeg de priester en de Levieten aangaande de hopen". Zo neemt de Heere ook kennis van alles wat wij Hem geven (of niet geven!).
Het zal altijd weinig zijn: "Vijf gerstebroden ... en twee visjes", maar Hij kan daaruit een grote overvloed bewerken. Er zullen resten overblijven, nadat iedereen verzadigd is (vers 10; zie Johannes 6 vers 9 en 12 en ook Maleáchi 3 vers 10).
Niets van wat God ons geeft, mag verloren gaan of verkwist worden.
Dan worden er opzieners en beheerders aangesteld. Hun taken bestaan uit enerzijds het waken over de voorraden, en anderzijds het "met getrouwheid ... aan hun broeders ...uitdelen" (vers 15).
"En voorts", zegt de apostel, "wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden wordt" (1 Korinthe 4 vers 2).
Paulus was hierin zelf een voorbeeld, toen hij naar Jeruzalem reisde om de opbrengst van een inzameling te brengen (zie Romeinen 15 vers 25 en 26; 1 Korinthe 16 vers 3 en 4).
Deze trouw is echter niet minder belangrijk, wanneer het om het geestelijke voedsel voor het volk van God gaat!
HizkÃa "deed wat goed, en recht, en waarachtig was, voor het aangezicht van de HEERE, zijn God". Hij was met zijn hele hart bij de zaak. Dat is een prachtige samenvatting van zijn bezigheden.
Geve de Heere dat Hij aan het einde van de loopbaan van een ieder van ons hetzelfde kan zeggen!
Het was te verwachten dat alles wat HizkÃa zó trouw deed en waarin God een welgevallen had, voor de vijand juist onverdraaglijk zou zijn. Dat prikkelde hem en daardoor leefde de vijandschap tegen Israël en zijn koning op.
Bij alle vreugde die wij in de Heere mogen genieten, moeten we nooit vergeten dat de vijand ook in de buurt is! Hij gaat rond als een brullende leeuw om te zoeken wie hij zou kunnen verslinden (1 Petrus 5 vers 8).
Satan blaast de aanval. Hij zet de machtige koning van Assyrië op tegen Jeruzalem. Die begint met het houden van een dreigende en huichelachtige toespraak tot het volk. Hij zegt dat HizkÃa hen zeker de dood in zal drijven door honger en dorst (vers 11).
Dat is een grote leugen! De voorraadkamers van het heiligdom waren immers rijk gevuld met voedsel dat in dagen van overvloed opgespaard was (hoofdstuk 31 vers 10 en 11)! En dankzij de waterleiding die de koning zojuist had laten aanleggen (vergelijk vers 4 met 2 Koningen 18 vers 17 en 20 vers 20), borrelde het frisse water zelfs midden in de stad op.
De grote leugenaar spreekt vandaag de dag nog op dezelfde wijze. Hij fluistert ons in dat wanneer we bij de Heere Jezus blijven, ons dit alleen maar gebrek en ontbering zal opleveren.
Wij weten dat juist het tegendeel het geval is! Christus is het Brood des levens (Johannes 6 vers 48 en 51). En Hij is de Bron van levend water (Johannes 7 vers 37), terwijl buiten Hem de dorst heerst die de mensen kwelt (vers 4).
In 2 Koningen 18 en 19 hebben we uitvoerig kunnen lezen over de smadelijke toespraak van Rabsaké. Zijn rede wordt gevolgd door de brief van de koning van Assyrië.
Hoe moet HizkÃa hierop antwoorden? Door gebed!
Samen met Jesaja roept hij tot God. Dat is, wat het aantal betreft, de kleinst mogelijke gemeenschappelijke bidstond. Bij de Heere vindt dit echter erkenning. En overeenkomstig Zijn belofte gaat er een onoverwinnelijke kracht vanuit: "Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is" (Mattheüs 18 vers 19).
Aan de éne kant zijn er twee mannen in gebed, aan de andere kant staat een enorm groot leger. De overwinning is echter voor die twee. De aanvallers worden verdelgd, zonder zelf te weten hoe!
"Zo is hij met schaamte des aangezichts in zijn land weergekeerd", om daar door zijn eigen zonen vermoord te worden.
Na de koning van Assyrië verschijnt de "koning der verschrikkingen" ten tonele, dat is de dood (Job 18 vers 14). Hij is een nog gruwelijker vijand die gekomen is om HizkÃa te verslinden.
Ook tegenover hem is het gebed echter een machtig wapen en God bevrijdt HizkÃa opnieuw.
Helaas eindigt deze gelukkige regeringsperiode niet zonder een donkere schaduw. De koning faalt vanwege z'n hoogmoed. Daarop verootmoedigt hij zich "om de verheffing van zijn hart", als resultaat van een tuchtiging van de HEERE.
De regeringsperiode van Manasse is in tweeërlei opzicht uitzonderlijk: wat de lengte ervan betreft (vijfenvijftig jaar), maar helaas ook als het gaat om het kwaad dat tijdens deze periode gevonden wordt.
Hoe kan het toch dat zijn regering zó buitengewoon lang geduurd heeft, terwijl de ongerechtigheid in de ogen van de HEERE toch uitermate onverdraaglijk moet zijn geweest?
Met bewondering moeten we constateren dat dit komt door Gods grote geduld dat door genade bewerkt wordt. Laten we niet vergeten dat het Boek Kronieken juist van A tot Z door genade wordt gekenmerkt!
Het voorbeeld van Manasse leert ons dat, hoe groot de zondaar ook mag zijn, God in staat is zijn hart te veranderen. En van alle gebeurtenissen die ons in de Schrift meegedeeld worden, is dit er één die ons het meest oproept tot voorbede. Laten we nooit denken dat iemand té diep in het kwaad weggezonken is om gered te kunnen worden. En laten we daarom ook nooit verslappen in ons gebed voor zo iemand!
In de goddeloze regering van Manasse zien we ook een korte weergave van de profetische geschiedenis van Israël. De naam van deze koning betekent: 'vergeten'. Dat doet ons denken aan de uitspraak van de HEERE: "Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal" (JeremÃa 2 vers 32).
Door deze grove nalatigheid is het volk Israël heden ten dage nog steeds verstrooid onder de volken en leeft het onder hun juk. Deze verstrooiing zal echter tegelijk het middel zijn waardoor het hart en geweten van dit volk uiteindelijk getroffen zal worden, evenals bij Manasse.
Op het smeken van Manasse handelt God in genade en Hij geeft hem zelfs de gelegenheid om van het kwaad dat hij bedreven had, iets tot op zekere hoogte weer goed te maken.
Dagelijks komen er bekeringen op het sterfbed voor. Ook al is er dan nog steeds de gelegenheid dat een ziel gered wordt, toch is het te laat om nog iets voor de Heere te kunnen doen. Er is geen tijd en gelegenheid meer om Hem te dienen. Dat is een groot verlies voor de eeuwigheid. Dat verlies kan nooit meer goedgemaakt worden (zie 2 Korinthe 5 vers 10 en 1 Korinthe 3 vers 15)!
Een bekering wordt zichtbaar aan de vruchten, de gevolgen en uitwerkingen in het leven. Heel Juda is getuige van de bekering van Manasse.
De afgoden die hij eerst zo ijverig gediend heeft, worden weggedaan. De afgodendienst wordt vervangen door de dienst van de HEERE. DM is het bijzondere kenmerk van een echte bekering (1 Thessalonika 1 vers 9).
Dit woord betekent: 'omkering', een totale en definitieve verandering van richting. De Heere Jezus wordt dan het levensdoel. En alle kracht die eerst verbruikt werd voor de wereld en de zonde, komt beschikbaar voor de overgave aan de Heere.
Amon heeft echter niets geleerd uit het voorbeeld van zijn vader. In zijn hart heeft geen verootmoediging plaatsgevonden.
Daarom vergaat hij "als een bloem des velds. ...als de Geest des HEEREN daarin blaast", zoals de profeet Jesaja dat zegt in Jesaja 40 vers 6 en 7.
De naam JosÃa betekent: 'die door de Heere gesteund wordt'. Wij hebben allemaal het recht om deze naam te dragen. Is het ook werkelijkheid bij ons?
Al vanaf zijn geboorte omringd door de zorg van de HEERE, begint JosÃa op zestienjarige leeftijd naar Hem te zoeken. Dan pakt hij het grote werk van de opwekking op, zoals we dat al overdacht hebben in 2 Koningen 22 en 23.
Misschien is één van onze lezers ook om en nabij de zestien jaar. Dan ben je geen klein kind meer en het hele leven met al z'n mogelijkheden ligt voor je open.
De tijd van de jeugd is iets kostbaars wat je van God hebt ontvangen. Hoe ga je daarmee om?
Sommigen verspillen hun 'jonge jaren' op een dwaze manier en moeten daar later de bittere vruchten van oogsten.
Er zijn er ook die, vanuit menselijk oogpunt bezien, verstandiger zijn en alles op alles zetten (met name door middel van een studie) om een goede positie in de samenleving te verwerven.
En dan zijn er ook nog jongeren die handelen zoals JosÃa. Zij zijn de verstandigsten van allemaal. Zij zoeken eerst de Heere en brengen daarna alles in overeenstemming met Zijn wil (zie Mattheus 6 vers 33).
Tijdens de werkzaamheden is het Goddelijke Woord teruggevonden in de tempel. JosÃa laat het hele volk dit Woord horen en brengt allen ertoe de HEERE te dienen (vers 33). In de genadetijd, nu dus, is dat niet meer zo. Niemand wordt gedwongen tot gehoorzaamheid aan de Heere. Dat moet voortkomen uit onze liefde voor Hem.
De viering van het pascha door JosÃa en het volk neemt hier bijna een heel hoofdstuk in beslag, terwijl er in 2 Koningen slechts drie verzen aan gewijd zijn (hoofdstuk 23 vers 21 tot en met 23).
De viering van het pascha is het gevolg van de terugkeer tot het Woord waarover we in het voorgaande hoofdstuk gelezen hebben. Het pascha was voor Israël de allereerste instelling van God. De HEERE had dit al vóór de uittocht uit Egypte aan het volk gegeven.
Het pascha was een herinnering aan de grote verlossing uit de slavernij die hun ten deel was gevallen.
Voor de kinderen van God is er ook zo'n 'gedachtenismaal' (zie 1 Korinthe 11 vers 24 en 25). Elke eerste dag van de week komen de verlosten samen rondom de tafel van de Heere. Dan gedenken ze Hem Die het werk dat voor de verlossing noodzakelijk was, volbracht heeft.
Wat is het kenmerk van dit pascha en ook van de christelijke eredienst? In de eerste plaats de aanwezigheid van de ark: Christus (vers 3).
Vervolgens is het noodzakelijk om in praktische heiligheid te leven. Omdat de ark heilig is, moeten de Levieten zich heiligen om passend te zijn voor deze omgeving.
Tenslotte is het brengen van offers het uiteindelijke doel van dit feest. Dat doet ons denken aan een ander offer. Iedere gelovige wordt ertoe opgeroepen dat aan God te geven. Niet alleen op zondag, maar altijd: "Een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden" (Hebreeën 13 vers 15).
Nog even en de geschiedenis van de koningen van Juda zal voorbij zijn. De vreselijke regeringsperioden van Manasse en Amon hebben de HEERE ertoe gedwongen om met betrekking tot Juda een definitief besluit te nemen.
Toch is het mooi te zien dat er in deze laatste regeringsperiode van JosÃa nog genade is waardoor er onder zijn regering een opwekking ontstaat.
Het oordeel over de huidige wereld staat voor de deur. Alles wijst daarop. Toch vindt de Heilige Geest er in deze tijd nog een welgevallen in hier en daar een opwekking in mensenlevens te bewerken. Het is Zijn wens die eerst in onze harten, van ieder persoonlijk, te laten plaatsvinden.
Het pascha herinnert aan voorgaande tijden. Niet alleen aan de dagen van David of Salomo, maar zelfs aan de tijd van Samuël!
Alles is goed geordend. Iedereen neemt de hem aangewezen plaats in. De broederliefde is werkzaam.
Deze gebeurtenis komt des te duidelijker en heerlijker naar voren als we eraan denken dat het precies plaatsvindt tussen de voorgaande goddeloze regeringen en de definitieve ondergang die nu staat te komen.
Het einde van JosÃa komt niet op het hoogtepunt van z'n loopbaan. Evenals HizkÃa, komt ook JosÃa ten val door zijn betrekkingen met de politieke machthebbers van zijn tijd.
Ondanks een waarschuwing van Godzelf, kiest hij de zijde van de vijanden van de farao van Egypte. In de veldslag waar hij zich niet mee had moeten bemoeien, wat overigens ook niet hoefde, komt hij om het leven.
Het volk van Juda volgde niet als geheel het voorbeeld van hun koning JosÃa. Daarvoor zijn veel aanwijzingen.
De gehoorzaamheid aan de wet was hen van hogerhand opgelegd.
Toen het pascha gevierd werd, was er veel minder vreugde en bereidwilligheid dan bij het pascha in de dagen van HizkÃa. De koning en de vorsten moesten zelf offers brengen (hoofdstuk 35 vers 7 tot en met 9).
Nu â nádat de trouwe JosÃa weggenomen is, omdat "de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad" (Jesaja 57 vers 1) â, wordt de HEERE door niets meer gehinderd in het voltrekken van het oordeel over Juda.
De gebeurtenissen volgen elkaar snel op. In korte tijd nemen vier koningen van elkaar de macht over: Jóahaz, Jójakim, Jójachin en ZedekÃa.
Met de één is het nog erger gesteld dan met de ander. De opstandige geest die zij aan de dag leggen, is eerst voor Egypte en daarna voor Babylon de aanleiding om in te grijpen in de aangelegenheden van dit kleine rijkje.
Tot drie keer toe vinden er kleine wegvoeringen naar Babel plaats. Met de gereedschappen uit de tempel verging het net als met de mensen zelf.
Vanaf vers 14 kunnen we duidelijk lezen dat de oversten van de priesters en het volk, evengoed als hun koning, medeverantwoordelijk zijn voor het oordeel dat hen nu treft.
Hoewel de Boeken Kronieken spreken van de genade, moet de eindconclusie hier toch zijn "dat er geen helen aan was" (vers 16). Waar de genade veracht wordt, blijft niets anders over dan "een schrikkelijke verwachting des oordeels" (Hebreeën 10 vers 27).
De woorden uit vers 15: "Hij spaarde Zijn volk", worden in vers 17 tot: "... spaarde ...niet; ... Hij gaf hen allen in zijn hand".
Op dezelfde wijze moest Hij Die "met ontferming bewogen" was over de volksmenigte, even later een niet te herroepen oordeel uitspreken over de steden waar deze mensen vandaan kwamen (Mattheüs 9 vers 36 en 11 vers 21 en 23).
Ondanks alles vinden we hier toch nog Goddelijk erbarmen. In tegenstelling tot de Boeken Koningen wordt er in de Boeken Kronieken niet veel gezegd over deze verdrietige eindtijd. Net alsof er snel overgegaan moet worden naar een ander onderwerp.
Deze Boeken besluiten dan ook niet met de eigenlijke wegvoering, maar met het decreet van Kores waardoor er zeventig jaar later een eind aan gemaakt werd! Hiermee heeft de ondoorgrondelijke genade van God ondanks alles toch het laatste woord!
Zoals we gezien hebben, zijn deze gebeurtenissen niet weergegeven op de manier zoals ze in gewone geschiedenisboeken vermeld staan. God geeft geen opsomming van feiten om onze interesse op te wekken of om onze gedachten mee te vullen. Nee, het is juist Zijn bedoeling om ons geweten te treffen en tot ons hart te spreken. Heeft Hij dit doel bij u bereikt?
Door JeremÃa had de HEERE van te voren aangekondigd dat de duur van de gevangenschap in Babel was vastgesteld op zeventig jaar. Zij die evenals Daniël de Schriften onderzochten, hadden dus de mogelijkheid om uit te rekenen wanneer de ballingschap zijn einde bereiken zou (Daniël 9 vers 2).
Het tellen van de zeventig jaar begint met het eerste jaar van Nebukadnézar die voor de wegvoering van Juda en Benjamin verantwoordelijk was, en eindigt met het eerste jaar van Kores die er een einde aan maakte (JeremÃa 25 vers 1 en 11).
Ongeveer tweehonderd jaar eerder had de HEERE deze koning al met name genoemd (Jesaja 44 vers 28 en 45 vers 1). Waarschijnlijk heeft Kores van deze profetie geweten. Hij is zich ervan bewust dat hij het door God uitgekozen werktuig is om Zijn eredienst weer in te voeren.
Tegelijkertijd heeft de HEERE van een aantal gevangen joden "de geest opgewekt". Het zijn diegenen van wie gezegd wordt dat zij onder geween aan Jeruzalem dachten en het verhieven "boven het hoogste" van hun blijdschap (Psalm 137 vers 1, 5 en 6).
Voelen wij het ook zo dat wij ons in een "vreemd land" bevinden? Verlangen wij ook naar de vreugde van de heilige stad? Is onze geest in ons opgewekt, zodat we de Heere Jezus verwachten?
Hij is de grote Koning, het Middelpunt van de profetie. Al heel spoedig zal God alle rijken van de aarde overgeven in Zijn macht (vers 2), opdat Hij Zijn lof en heerlijkheid zal herstellen.
De weg naar Jeruzalem staat open. Wie zal van de gelegenheid gebruik maken? Iets minder dan vijftigduizend personen uit verschillende lagen van de bevolking.
Bovendien bevindt zich bij dit zwakke overblijfsel een aantal mensen dat niet in staat is te bewijzen dat ze werkelijk bij Israël horen.
Een aantal van hen bevindt zich onder de priesters; het vormt echter voor hen een verhindering om deze heilige dienst uit te kunnen oefenen.
Helaas lijken veel christenen op deze Israëlieten! Ze kunnen niet met zekerheid zeggen dat ze een kind van God zijn!
Mocht dit bij één van onze lezers het geval zijn, laat hij of zij zich dan toch op het "geslachtsregister" beroepen (vers 62). Dat kunt u in de Bijbel terugvinden; zie bijvoorbeeld Johannes 1 vers 12 en 1 Johannes 5 vers 1 en 13. Daarop mogen wij ons vaste vertrouwen stellen.
Veel zielen die in onzekerheid waren, hebben in deze en andere teksten het onweerlegbare bewijs gevonden dat zij tot de familie van God behoren.
God heeft Zijn ogen op dit krachteloze overblijfsel gevestigd.
Hij heeft hen zorgvuldig geteld en waakt vol liefde over hen. Niet alleen vanwege Zijn barmhartigheid, maar ook omdat Hij veertien generaties later aan de nakomelingen van deze joden die naar het land teruggekeerd zijn, Christus, de Messias van Israël, wil voorstellen (vergelijk Mattheüs 1 vers 17).
Psalm 137 laat ons de gevangenen van Juda zien, zoals zij daar aan de stromen van Babel zaten en vanwege hun verdriet niet in staat waren te zingen.
Maar nu brengen ze Psalm 126 in praktijk: "Toen de HEERE de gevangenen Sions terugbracht ... werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich ... De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; daarom zijn wij verblijd" (Psalm 126 vers 1 tot en met 3).
Is dat trouwens geen Goddelijke opdracht? (Jesaja 48 vers 20).
Ze vieren het loofhuttenfeest, het feest van de vreugde. En in vers 11 lezen we dat ze ook zingen.
Hun eerste gedachte gaat uit naar het altaar van de HEERE dat zij "op zijn stelling" vestigden (vers 3).
Hun reden daarvoor is heel opmerkelijk: "... met verschrikking, die over hen was, vanwege de volken der landen".
De angst drijft hen ertoe zich niet alleen om hun eigen bescherming te bekommeren, maar zich ook nauw aan de HEERE te verbinden Die hen zal verdedigen.
Daarna wordt "de grond van de tempel des HEEREN" gelegd. Dat is de aanleiding tot een aangrijpend feest waar vreugde en tranen gevonden worden.
Wat een tegenstelling met de eerste tempel! Dezelfde tegenstelling zien we tussen het begin van de gemeente en het zwakke gemeenschappelijke getuigenis dat de gelovigen te midden van al het verval nu nog mogen vormen.
De activiteit van de mannen van Juda heeft de aandacht getrokken van de hun omringende volken. Het herstellen van de eredienst en de herbouw van de tempel kunnen niet onopgemerkt blijven.
Deze buurvolken komen nu met een verleidelijk aanbod. "Laat ons met u bouwen, want wij zullen uw God zoeken, gelijk gij" (vers 2).
Is dat niet prachtig? Het werk zou zo immers veel sneller gaan!
De hoofden van het volk trappen er echter niet in. Ze wijzen het voorstel resoluut van de hand, terwijl Jozua en zijn oversten ooit wel door een soortgelijke valstrik ten val kwamen (Jozua 9).
Om in het werk van God werkzaam te kunnen zijn, is het strikt noodzakelijk tot het volk van God te behoren. We moeten er niet voor terugschrikken om een duidelijke scheiding te maken tussen ons en religieuze kringen die aan allerlei onschriftuurlijke grondbeginselen vasthouden. Het is valse liefde als we ons met hen verbinden, omdat we voor hen op die weg nooit tot een voorbeeld kunnen zijn. Het verlangen om niemand te willen bezeren, is een goede zaak, maar iemand op zijn verkeerde weg te steunen door met hem samen te werken, is een boze zaak.
Ten gevolge van deze houding blijkt uiteindelijk wat deze gewillige helpers in werkelijkheid zijn: vijanden!
Nu ze met list niets kunnen bereiken, tonen ze hun ware gezicht en beginnen met dreigementen. Daarna veranderen ze nog een keer van tactiek en dienen een aanklacht in bij Arthahsasta, de nieuwe koning van het rijk.
Om het werk van de kinderen van Juda tot stilstand te brengen, hebben de vijanden gebruik gemaakt van achtereenvolgens list (hoofdstuk 4 vers 2), intimidatie (hoofdstuk 4 vers 4 en 5) en aanklacht (hoofdstuk 4 vers 6 tot en met 16).
Nu, nádat ze van de koning de nodige steun gekregen hebben, grijpen ze naar een vierde wapen: geweld. Ze haasten zich om naar de joden te gaan en "met arm en geweld" het werk te laten stoppen.
De werkelijke reden echter dat het werk gestaakt wordt, is een andere. De profeet Haggaï maakt ons dat in het eerste hoofdstuk van zijn Boek bekend: het is gebrek aan geloof en vertrouwen op God èn nalatigheid van het volk zelf.
In de loop van de ongeveer vijftien jaren die sinds het leggen van het eerste fundament voorbijgegaan zijn, is de interesse voor het huis van God langzamerhand afgenomen. Iedereen is begonnen met het bouwen van een eigen huis.
Moeten wij christenen niet toegeven dat ook wij zulke tijden van geestelijke achteruitgang kennen? De Heere en Zijn huis, de gemeente, hebben voor ons hart dan in waarde afgenomen. In dezelfde mate stijgt dan de zorg om eigen aangelegenheden.
God wil ons echter niet in zo'n toestand laten! Hij spreekt tot ons, zoals Hij het hier ook tot Juda doet. Door de woorden van de profeten Haggaï en ZacharÃa wordt het volk uit zijn onverschilligheid wakkergeschud en gaan ze weer vlijtig aan het werk.
Terwijl de joden onder het toeziend "oog van hun God" (vers 5) weer aan het werk gaan, proberen de tegenstanders het van hun kant opnieuw met gemene listen.
Zolang we wat ons geestelijke leven betreft, ingeslapen zijn en we ons inzetten voor onze eigen belangen, zitten we de duivel echt niet in de weg. Hij zal er dan wel voor oppassen ons wakker te maken. Dat komt hem juist van pas!
Maar als de Heere onze ijver voor Hem door middel van Zijn Woord opnieuw wil aanwakkeren en ons hart op Hem wil richten, dà n zullen we satan onmiddellijk op onze weg tegenkomen (vergelijk 1 Korinthe 16 vers 9).
De landvoogd en zijn gezelschap herhalen de tactiek die hen in het voorgaande hoofdstuk zo goed gelukt was: ze schrijven naar de nieuwe koning DarÃus.
Ze willen graag dat hij ingrijpt, maar in de brief verbergen ze hun eigen vijandschap onder een schijn van onverschilligheid. Het lijkt zelfs of ze heel tolerant zijn.
Ongewild vormt hun brief die de verklaringen van de oudsten van de joden weergeeft, een prachtig getuigenis ten gunste van de beklaagden (vers 11 en verder).
Deze oudsten hebben zich niet geschaamd om zich knechten van God te noemen, evenmin om uit te leggen wat de HEERE voor hen gedaan heeft, hoewel ze daardoor gedwongen worden de fouten van hun voorvaders toe te geven.
Er is opnieuw een brief van de aanklagers naar de hoofdstad van het grote wereldrijk verzonden. De uitwerking hiervan zal echter tot hun eigen beschaming dienen! De onderzoeken die DarÃus verricht, leiden er niet alleen toe dat de 'archiefrol' van Kores teruggevonden wordt, maar ook dat de koning in zijn antwoord de zaak van het overblijfsel uit Juda en de tempelbouw nu zelf ter hand neemt.
Bovendien geeft hij uitgerekend de vijanden van de joden het bevel om de joden alle hulp die ze nodig hebben, te verlenen! Tenslotte worden in de brief van DarÃus nog de ergste dreigementen geuit aan het adres van hen die het zouden wagen iets aan zijn bevelen te veranderen.
Dat was dus het gevolg van de eerlijke en moedige houding die de oudsten van de joden aangenomen hadden (hoofdstuk 5 vers 11 en 12; vergelijk Mattheüs 10 vers 32). Dit alles heeft de HEERE in de gelegenheid gesteld om openlijk voor hen uit te komen.
Het is ook mooi om in vers 10 te zien dat de werkzaamheid van de gebeden die tot de God van de hemel gericht worden, door de koning gezien en openlijk erkend wordt. Hij, de heidense koning, vraagt om gebed voor zichzelf en zijn kinderen!
Deze God van de hemel is nu onze Vader. Laten wij, als zo'n koning van het Perzische rijk al begrepen heeft hoeveel waarde de gebeden van leden van Gods volk hebben, niet verzuimen ons tot Hem te wenden. We worden trouwens vermaand te bidden "voor alle mensen" en speciaal "voor koningen alle autoriteiten], en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid" (1 Timotheüs 2 vers 1 en 2).
De aanklagers van de joden hebben blijkbaar begrepen dat het voor henzelf beter is zich niet te verzetten tegen de bevelen van koning DarÃus. Alles wordt punctueel uitgevoerd, maar inwendig zal dat zeker met veel ergernis gepaard zijn gegaan.
Gesteund door de overheid en met hulp van de nieuwe middelen, beëindigen de oudsten uit Juda uiteindelijk de bouw van de tempel.
Een heel opmerkelijk detail is echter dat zij het voltooien van de bouw niet toeschrijven aan het besluit en de bevelen van koning DarÃus, maar dat het "door de profetie van de profeet Haggaï en ZacharÃa, de zoon van Iddo" tot stand is gekomen (vers 14).
Met de christen gaat het precies zo. De werkelijke reden van zijn 'succes' ligt niet in de gunstige omstandigheden die God hem op aarde beschikt, maar in zijn eigen onderwerping aan het Woord van zijn God.
Het huis van God wordt met vreugde ingewijd. Toch is er een groot contrast met de inwijding van de eerste tempel waar tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen geofferd werden (2 Kronieken 7 vers 5).
Nu is er ook geen sprake van vuur dat van de hemel neerdaalt, noch van de heerlijkheid van God waarmee het huis vervuld wordt, want de ark van God is verloren gegaan; men heeft haar niet teruggevonden!
Daarna wordt het pascha en het feest van de ongezuurde broden gevierd in de eerste maand. Ondanks alle zwakheid heeft de HEERE deze arme, uit de gevangenschap teruggekeerde joden toch vreugde gegeven.
Er ligt ongeveer veertig jaar tussen de gebeurtenissen die in hoofdstuk 6 beschreven worden, en het begin van hoofdstuk 7. Dat begint met de reis van Ezra onder de regering van Arthahsasta.
In tegenstelling tot de nalatige priesters over wie we in hoofdstuk 2 (vers 61 en 62) lazen, is Ezra wèl in staat zijn afstamming die teruggaat tot op Aäron, aan te tonen. Bovendien is hij "een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes".
Het is heel wenselijk en zelfs noodzakelijk een goede kennis van het Woord van God te hebben. Maar het is niet voldoende dit Woord slechts in je hoofd op te nemen, dus met je verstand, zoals je een lesje op school leert. DÃe manier van het vergaren van kennis zal er alleen maar toe leiden dat je opgeblazen en hoogmoedig wordt (1 Korinthe 8 vers 1 en 13 vers 2). We moeten dit Woord en de Persoon Die ons daarin voorgesteld wordt, onze Heere Jezus Christus, ook liefhebben!
Ezra is ons tot een voorbeeld! Hij had "zijn hart gericht, om de wet des HEEREN te zoeken en te doen, en om in Israël te leren de inzettingen en de rechten". Hoe belangrijk zijn die drie dingen en ook de volgorde waarin ze plaatsvinden (vers 10)!
Zelfs met het hart weten wat de Bijbel ons leert, is niet voldoende, als het niet in de praktijk wordt omgezet (Jakobus 1 vers 22). Pas als deze voorwaarden vervuld zijn, kan men het zich veroorloven anderen te onderwijzen.
Arthahsasta heeft Ezra een 'aanbevelingsbrief" met volmachten meegegeven om zijn opdracht te makkelijker te maken.
Ezra heeft het Woord van God bewaard en Zijn Naam niet verloochend. Hij en de mannen die aan zijn oproep gehoor gegeven hebben en bijeengekomen zijn om ook naar het beloofde land terug te keren, moeten ervaren dat ze kleine kracht hebben; het zijn nauwelijks vijftienhonderd mannen. Tegelijkertijd beleven ze echter dat God hun "een geopende deur" gegeven heeft die niemand kan sluiten (vergelijk Openbaring 3 vers 8).
Arthahsasta (in de geschiedenis staat hij bekend onder de naam Artaxerxes I) is evenals zijn voorgangers Kores en DarÃus een werktuig in de hand van de HEERE om voor het gevangen overblijfsel uit Juda de deur tot de terugkeer naar Jeruzalem open te houden (vergelijk hoofdstuk 6 vers 14).
Welwillend en bijzonder vrijgevig heeft deze koning Arthahsasta alle noodzakelijke voorbereidingen getroffen om Ezra deze reis mogelijk te maken. Ook heeft hij ervoor gezorgd dat Ezra zich, ná zijn aankomst in Jeruzalem, met de dienst in het huis van de HEERE kan bezighouden.
"Het hart des konings is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil" (Spreuken 21 vers 1; zie ook Spreuken 8 vers 15 en 16).
Er wordt ons niet meegedeeld dat Ezra de koning Arthahsasta bedankt heeft, hoewel hij dat zeker niet nagelaten zal hebben. We lezen wèl dat hij de HEERE prijst als Diegene "Die alles in het hart des konings gegeven heeft" (vers 27).
Laten wij ons erin oefenen om ook in alles wat ons overkomt, "de goede hand" van God te zien (vers 6, 9, 28 en hoofdstuk 8 vers 18 en 31).
Allen die terugkeren, verzamelen zich bij de rivier die naar Ahava stroomt. Om de schare compleet te maken, is Ezra gedwongen Levieten te laten halen.
"De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinig", zei de Heere Jezus tegen Zijn discipelen (Mattheüs 9 vers 37). Ook vandaag is Zijn oog gericht op al Zijn verlosten hier op aarde en Hij telt allen die werkelijk bereid zijn Hem te dienen.
Is nu alles klaar voor vertrek? Nee, één belangrijk ding moet nog gebeuren! Zoals een reiziger niet op reis gaat alvorens de landkaart bestudeerd te hebben, zo houdt Ezra zich eerst bezig met de weg die hij moet volgen. Daarvoor bidt hij tot de HEERE.
Is de "rechte weg, voor ons, en voor onze kinderkens" (vers 21), niet de weg van volledige gehoorzaamheid aan God?
Christus heeft die weg als Eerste gebaand in deze wereld. Hij is ons Voorbeeld. De Bijbel die ons Zijn volmaakte voetsporen toont, is voor ons in zekere zin dan ook de 'wegatlas' voor het pad van het geloof.
Helaas raken wij vaak van de rechte en veilige weg af, omdat wij op de door onszelf gekozen wegen van eigenwilligheid verdwalen!
Verootmoediging, afhankelijkheid en vertrouwen op God in plaats van op mensen, dà t alles zijn gezegende lessen die we van Ezra â beter gezegd: van de Heere Jezus â mogen leren.
Bij de eerste terugkeer naar Jeruzalem (in hoofdstuk 1) had Kores de betreffende joden een aantal voorwerpen uit het huis van God mee laten geven.
Ezra en zijn reisgenoten zijn evenmin met lege handen vertrokken. De koning en zijn gevolg hebben hen, evenals de in ballingschap achtergebleven Israëlieten, geschenken voor het heiligdom meegegeven.
Met deze rijkdommen die een grote aantrekkingskracht op struikrovers uitoefenden, is de zwakke groep terugkerende ballingen zonder verdere begeleiding (maar onder de bescherming van de goede hand van God!) veilig in Jeruzalem aangekomen.
Hun eerste zorg is dan de hun toevertrouwde kostbare schat direct aan de verantwoordelijke priesters over te dragen. Vervolgens gaan ze offeren, zoals hen was opgedragen (hoofdstuk 7 vers 17).
Daarbij mogen we denken aan de talenten die ons voor onze weg zijn toevertrouwd (Mattheüs 25 vers 14 en 15). Wat doen wij met alle gaven die de Heere ons gegeven heeft: met onze gezondheid, capaciteiten, verstand, en vooral met Zijn Woord en onze christelijke opvoeding?
Als we in de hemelse stad aankomen, zal alles op de weegschaal van het heiligdom gelegd worden (zie vers 33 en Lukas 12 vers 48).
Plotseling wordt de terugkeer van Ezra echter overschaduwd door iets wat hij over het volk hoort. Vandaar dat we morgen kennis zullen moeten nemen van een gebeurtenis die smart en tranen bewerkt.
De houding van Ezra in dit hoofdstuk is werkelijk bijzonder opmerkelijk en navolgenswaard. Iemand anders had het volk misschien de grootste verwijten gemaakt. Ezra daarentegen stelt zich op voor God en klaagt zichzelf en heel Israël bij Hem aan.
Met het offeren van twaalf varren en twaalf bokken (zie hoofdstuk 8 vers 35) had hij de eenheid van het volk van God opnieuw tot uitdrukking gebracht, hoewel maar een gering aantal van slechts twee stammen in het land was teruggekeerd.
Het gevolg van deze eenheid is de gemeenschappelijke zegen, gepaard met verantwoordelijkheid en gemeenschap in het lijden (zie 1 Korinthe 12 vers 26).
Wat geeft deze dienstknecht van God ons hiermee een uitermate belangrijke les! Hij leert ons om niet zonder meer met de vinger naar de fouten van andere christenen te wijzen, maar ook dat we onszelf daarvoor moeten schamen en verootmoedigen voor de Heere.
De woorden van Ezra zijn heel aangrijpend. Zij stellen de barmhartigheid van de God van Israël tegenover de ondankbaarheid van het volk.
Ook al voelde Ezra ten diepste het gewicht van de zonde waarvoor hijzelf niet verantwoordelijk was, toch kon hij die voor de ogen van een heilig God niet wegdoen.
Er is er maar Eén in staat de verzoening te volbrengen; de Zoon van God Die onze zonden op Zich genomen heeft, kon in Zijn onuitsprekelijke smart zeggen: "Mijn ongerechtigheden hebben Mij aangegrepen" (Psalm 40 vers 13).
Het voorbeeld van Ezra had "allen, die voor de woorden van de God Israëls beefden", al zover gebracht dat ze zich verootmoedigden (hoofdstuk 9 vers 4).
Nu wordt, als antwoord op zijn gebed, hetzelfde gevoelen opgewekt in de harten van "een zeer grote gemeente van mannen, en vrouwen, en kinderen". Jong zijn, vormt geen enkele verhindering om bedroefd te zijn over wat tot oneer van God is.
Deze verbindingen met personen die deel uitmaken van vreemde en heidense volken, spreken tot ons christenen van dingen uit de wereld.
Hebben we die soms in onze huizen, in onze harten en in onze levens laten binnendringen?
In veel gevallen zijn het de kinderen die, als ze iets ouder worden, als eersten bepaalde dingen in het ouderlijk huis binnenbrengen. Het is niet voldoende dit kwaad in het licht van het Woord te constateren en zich daarover te verootmoedigen. Er moet gehandeld worden en men moet zich ervan afscheiden!
Dat zal ons ertoe aanzetten om constant onze gewoonten, onze boekenkast, onze klerenkast, ons uiterlijk vertoon en noem maar op, aan een strenge controle te onderwerpen en alle 'vreemde' dingen zonder voorbehoud weg te doen.
Dat is een heel onaangenaam gebeuren dat ons misschien ook wel wat tijd gaat kosten (vers 13), maar het herstel van de gelukkige verhouding met de Heere is deze prijs beslist waard!
Nu, aan het einde van het Boek, vinden we, evenals aan het begin (hoofdstuk 2), een lange lijst met namen!
Geschiedkundig is het Boek NehemÃa het laatste Boek van het Oude Testament waarin we lezen over de toestand van het volk Israël. De gebeurtenissen die ons hierin meegedeeld worden, beginnen ongeveer dertig jaar ná de dingen die in het Boek Esther beschreven worden, en dertien jaar ná de terugkeer van Ezra.
De lessen die we in NehemÃa vinden, zijn daarom ook voor ons christenen van belang "op wie de einden der eeuwen gekomen zijn" (1 Korinthe 10 vers 11).
Arm volk! Volgens de berichten van een paar reizigers bevinden ze zich "in grote ellende en smaad" (vers 3). God heeft echter iemand toebereid die deze situatie aan het hart gaat: NehemÃa!
Deze man ervaart het lijden en de vernedering van hen die uit de gevangenschap overgebleven en naar Jeruzalem teruggekeerd zijn. Hij belijdt de zonden van het volk en de schuld van dit alles aan de HEERE. Ezra had datzelfde ook al gedaan (hoofdstuk 9).
God kiest de werktuigen die Hij wil gebruiken voor Zijn bevrijdingen, altijd uit diegenen die Zijn volk werkelijk liefhebben.
Laten we echter zien op Iemand Die groter en volmaakter is dan NehemÃa. Wie is de hopeloze situatie van Israël en van de mensheid in het algemeen meer aan het hart gegaan dan de Zoon van God Zelf?
Hij heeft onze ellendige situatie tot op het diepst doorgrond. Hij voelde de afgrond van het kwaad waarin wij verzonken waren. En Hij is gekomen om ons daaruit te bevrijden en tot Zichzelf te trekken.
Terwijl de kinderen van Juda in ellende en smaad waren, nam NehemÃa aan het hof van de koning een eervolle positie in: hij was de schenker van de koning.
Hij had egoïstisch kunnen zijn en kunnen proberen die baan met al z'n voordelen te behouden.
Hij had zich kunnen rechtvaardigen door te zeggen: 'Omdat ik het vertrouwen van de koning geniet, zal ik hier misschien nog iets voor mijn volk kunnen betekenen; vandaar dat God mij op deze plaats gesteld heeft'.
Zo denkt NehemÃa echter niet! Zijn hart gaat, evenals dat destijds bij Mozes het geval geweest was, uit naar zijn broeders, de zonen van Israël, en hij wil hen opzoeken (Handelingen 7 vers 23).
Hij wenste liever "met het volk van God kwalijk behandeld te worden" dan te genieten van het tijdelijke vermaak aan het hof van de koning van Egypte (Hebreeën 11 vers 25).
Laten we erop letten dat hij niet alleen vóór (hoofdstuk 1 vers 11), maar ook tijdens het gesprek met de koning Arthahsasta bidt (hoofdstuk 2 vers 4).
Tussen de vraag van de koning en zijn eigen antwoord, vindt NehemÃa tijd om zich in zijn hart tot God te wenden. Een 'schietgebedje' dus!
Laten wij dit voorbeeld toch meer navolgen! Dan zullen ook wij, evenals deze dienstknecht van God (die voordien een dienaar van de koning was) meer de goede hand van God over ons en ons handelen ervaren.
Voorzien van de brieven van de koning, is NehemÃa in Jeruzalem aangekomen. Daar begint hij de muren, of beter gezegd: wat daarvan overgebleven is, te inspecteren.
Eén van zijn broeders, Hanáni, had hem al verteld hoe het met de muur van Jeruzalem gesteld was (hoofdstuk 1 vers 3), maar hij wil zich zelf een beeld vormen van de grootte van de schade. Hij is erg ontdaan over wat hij ziet en waaraan de bewoners van Jeruzalem al gewend waren geraakt!
Ook voor ons christenen bestaat het gevaar dat we gewend raken aan het verval waarin de verantwoordelijke christenheid zich heden ten dage bevindt, zodat we er niet meer bedroefd over zijn.
Er zijn geen muren meer die Gods volk beschermen tegen het binnendringen van de wereld. Zo'n toestand is de vijanden naar de zin!
Ten tijde van Zerubbábel en Ezra waren eerst Bislam, Mithredath en Tábeël (Ezra 4 vers 7), en daarna Thathnai, StharâBoznai en hun bondgenoten (Ezra 5 vers 3), de vijanden van Israël. In de tijd van NehemÃa zijn het Sanballat, Tobia en Gesem, de Arabier.
De duivel maakt gebruik van verschillende werktuigen. Af en toe vernieuwt hij zijn 'personeel', maar zijn doel blijft altijd hetzelfde: het volk van God in verval en in slavernij te brengen en te houden.
NehemÃa weet hoe hij met de mannen van Jeruzalem om moet gaan en hen moet vermanen. Zijn naam betekent: 'Getroost heeft de Heere'. Hij krijgt het blijde en bemoedigende antwoord: "Laten wij ons opmaken, dat wij bouwen" (vers 18).
Tegen de 'logische' volgorde in, is de herbouw van Jeruzalem begonnen met het herstellen van het altaar en daarna van de tempel (Ezra 3). Nu pas wordt de stadsmuur hersteld.
Het altaar en het heiligdom spreken tot ons van de dienst voor God die duidelijk de eerste verantwoordelijkheid van het volk van God is.
We zijn echter niet alleen 's zondags christenen! De rest van de stad doet ons denken aan ons dagelijkse leven in onze huizen en onze omstandigheden. Dat moet ook tegen de vijanden beschermd worden en duidelijk van de wereld die haar omringt, worden gescheiden. Iedereen is daar persoonlijk verantwoordelijk voor en moet daarover waken. Wij zijn in eerste instantie voor ons eigen huis verantwoordelijk (vers 10, 28 en 30).
Door de aansporing van NehemÃa is heel Juda aan het werk gegaan. In dit hoofdstuk maken we als het ware een ronde door de stad waarbij we de verschillende groepen arbeiders bij hun werk zien.
Iedereen is overeenkomstig zijn krachten en vooral zijn toewijding aan het werk. De één bij zijn poort, de ander bij zijn toren of bij zijn deel van de muur.
Terwijl menigeen voldoende ijver toont om ook nog een ander, volgend stuk te verbeteren (vers 11, 19, 24, 27 en 30), zijn er ook - juist onder de voorname mensen - die weigeren hun nek te buigen onder de dienst voor hun Heere (vergelijk Mattheüs 20 vers 27 en 28 en 2 Korinthe 5 vers 15).
Dat is een verdrietig getuigenis dat hier in het Boek van God opgeschreven staat!
Vanaf vers 16 gaat het om dat deel van de muur dat de stad van David en de voorhof van de tempel beschermt.
Het verbaast ons dat de hogepriester Eljásib niet voor zijn eigen huis aan het verbeteren is geweest (vergelijk 1 Timotheüs 3 vers 5). Anderen hebben dat voor hem moeten doen (vers 20 en 21).
Bovendien zien we nog een tweede ernstige nalatigheid: toen hij en z'n broers, de priesters, aan de Schaapspoort bouwden, hebben ze geen sloten en grendels geplaatst (vers 1). Daarmee gaven ze dieven en rovers dus de gelegenheid om binnen te sluipen en de schapen van Israël te bemachtigen (zie Johannes 10 vers 8 en 10).
Goudsmeden, apothekers en kruideniers deden het werk van metselaars (vers 8 en 32).
Eén van de oversten, Sallum genaamd (vers 12), is samen met zijn dochters aan het bouwen.
Door deze voorbeelden laat God ons zien dat wij voor Hem kunnen werken, ongeacht onze leeftijd, ons geslacht of ons beroep.
Laten we er daarbij op letten dat meerdere van deze mannen of hun vaders in de tijd van Ezra in goddeloze verbindingen met vreemde vrouwen verstrikt geraakt waren.
Dat was ook het geval met Baruch, de zoon van Zabbai (vers 20), en met Malchia, de zoon van Harim (vergelijk Ezra 10 vers 28 en 31).
Het is mooi nu hun ijver te zien om Jeruzalem juist tegen verkeerde invloeden te beschermen.
Terwijl de muren verbeterd worden, neemt de wrok van de vijanden tegen Juda steeds meer toe. Sanballat, hun woordvoerder, wordt kwaad en begint te spotten.
Wij zijn erg gevoelig voor spot. De wereld zal de kans nooit voorbij laten gaan om de afzondering van de christenen, de zwakheid van hun samenkomen, enzovoort, belachelijk te maken.
Laten we ons echter nooit door hun reacties in de war laten brengen. "Doch wij bouwden ...", was de conclusie van NehemÃa (vers 6)!
Daarna gaat de vijand over tot een openlijke oorlogsverklaring. De mannen van Juda dreigen daardoor ontmoedigd te worden.
Ze zien op hun eigen zwakheid (vers 10). In feite betekent dat dat ze instemmen met de vijand die de "amechtige (=machteloze) joden" bespot heeft (vers 2). Ze zien op het gewicht van de last die gedragen moet worden, en op de grote hoeveelheid stof of puin.
Er zijn er echter ook die samen met NehemÃa de twee hulpbronnen kennen (vers 9). Deze twee bronnen zijn tevens een opdracht van de Heere: "Waakt en bidt" (Mattheüs 26 vers 41 en 1 Petrus 4 vers 7).
Het gebed moet ons eerste antwoord zijn op alle moeite die de vijand zich getroost. Dat ontslaat ons echter niet van de verantwoordelijkheid om ook te waken!
Daarom neemt NehemÃa verschillende maatregelen om verzekerd te zijn van de bewaking en bescherming van het volk tot aan de voltooiing van het werk.
Bij alle moeilijkheden en problemen van de wederopbouw komen aan het einde van hoofdstuk 4 ook nog de moeiten van de strijd.
Inderdaad is de gelovige niet alleen een arbeider, maar ook een soldaat. Elke gelovige zou moeten lijken op één van de strijders uit het volksleger van NehemÃa. Zij houden in de ene hand het gereedschap en in de andere hun wapen vast (een beeld van het Woord van God; Efeze 6 vers 17).
Een christen heeft geen enkel recht één van beide ter zijde te leggen.
In hoofdstuk 4 zagen we een prachtige ijver bij het volk, maar dan volgt er in hoofdstuk 5 een pijnlijke verrassing. Deze 'ontkomenen' die uit de Babylonische ballingschap zijn teruggekeerd en die al vóór de aankomst van NehemÃa in grote ellende zaten (hoofdstuk 1 vers 3), bevinden zich nu in een nog veel slechtere situatie.
Zij hebben dingen uit hun bezittingen moeten verpanden en soms zelfs hun kinderen af moeten staan voor slavendienst om de belastingen te kunnen betalen en niet zelf te moeten verhongeren! Bovendien zijn het niet de vijanden die hen in deze situatie gebracht hebben. Het waren hun eigen broeders die daarmee de wet overtraden (Exodus 22 vers 25; Leviticus 25 vers 39 tot en met 43; Deuteronomium 15 vers 11 en 23 vers 19 en 20).
Hoe staat het bij ons met de broederliefde? Zonder de liefde heeft de mooiste christelijke dienst geen enkele waarde (1 Korinthe 13 vers 1 tot en met 3). Laten we in praktijk brengen wat de apostel Jakobus zegt in hoofdstuk 2 vers 15 en 16. Ja, laten we ons hart en ons gedrag in dit opzicht zorgvuldig beproeven!
Verontwaardigd en boos heeft NehemÃa de edelen en de overheden voor het overige volk laten verschijnen. Hij heeft dat gedaan om hen openlijk op de vingers te kunnen tikken, want dat hebben ze verdiend!
De schuldigen onderwerpen zich. Niet alleen, omdat NehemÃa landvoogd is, maar ook omdat hij zelf het voorbeeld geeft in onbaatzuchtige liefde:
Hij heeft zelf afstand genomen van de persoonlijke (voor)rechten die zijn positie met zich meebracht, en daarom is hij nu in staat om van de overheden hetzelfde te verlangen.
Zelf een voorbeeld zijn, is de gouden regel, wil men iets bij de naaste bereiken.
De apostel Paulus heeft ook alle moeite gedaan om een voorbeeld te zijn voor de gelovigen die hij onderwees (Handelingen 20 vers 35; 1 Korinthe 4 vers 16; 10 vers 32 en 33, enzovoort).
Laten we echter vooral naar de Goddelijke Meester kijken! Hij zei tegen Zijn discipelen: "Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijk Ik u gedaan heb, gij ook doet" (Johannes 13 vers 15).
Tegelijkertijd waarschuwde Hij hen echter voor de schriftgeleerden en farizeeën: "Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet" (Mattheüs 23 vers 3).
De volksmenigte merkte het verschil: de Heere Jezus leerde en gaf onderwijs "als Machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden" (Mattheüs 7 vers 29).
Ook al zijn hun voorgaande pogingen mislukt, toch zijn Sanballat, TobÃa en Gesem niet ontmoedigd. Ze proberen het opnieuw en doen NehemÃa nu een schijnheilig voorstel: "Kom en laat ons tezamen vergaderen".
Het dal Ono, het dal van de werkmeesters (zie hoofdstuk 11 vers 35), wordt als ontmoetingsplaats aangewezen. Hierin zien we een voorstel tot samenwerking met de vijanden van het volk van God.
Het aanbod wordt echter steeds weer afgewezen, ondanks alle dreigementen die bij de vijfde keer geuit worden.
Nu wordt door een jood, Semája, een andere valstrik gelegd. Door middel van een valse profetie probeert deze agent van de vijand NehemÃa â die geen priester was! â ertoe te brengen ongehoorzaam te zijn aan de HEERE en in de tempel zijn toevlucht te zoeken (vergelijk 2 Korinthe 11 vers 13 en 1 Johannes 4 vers 1).
Zó hebben de farizeeën ook met de Heere Jezus gehandeld. "Ga weg, en vertrek van hier; want Heródes wil U doden", zeiden ze tegen Hem (Lukas 13 vers 31). Zij â en de satan stond achter hen! â probeerden Hem Die Zijn aangezicht gericht had om naar Jeruzalem te reizen, angst aan te jagen en van de weg van het geloof af te brengen (vergelijk Lukas 9 vers 51).
De tweevoudige aanval die door de trouw van NehemÃa werd afgeslagen, waarschuwt de christen voor twee elkaar tegenovergestelde gevaren:
de weg te verbreden door hand in hand samen te werken met hen die zich niet aan het Woord onderwerpen;
zich in een aanmatigende en zelfzuchtige houding uit angst 'op te sluiten'.
De mannen van Juda hebben tweeënvijftig dagen nodig om de scheuren te dichten en de muren weer op te bouwen.
De meesten van hen waren onervaren in het hanteren van troffel en houweel. Maar ze waren ijverig en met heel hun hart bij het werk betrokken (zie hoofdstuk 3 vers 20 en 4 vers 6).
De Heere hecht meer waarde aan de toewijding van Zijn arbeiders dan aan hun capaciteiten en vaardigheden. Deze bekwaamheden geeft Hij overigens aan hen die toewijding tonen en alles van Hem verwachten!
De pogingen van TobÃa en zijn medestanders om NehemÃa bang te maken, en de ondersteuning die deze slechte mannen ondervinden van enkele 'edelen' uit Juda, zijn de laatste vijandige uitingen van de tegenstander.
Voortaan toont Jeruzalem met z'n herbouwde muren zich aan de volkeren die haar omringen, "als een stad, die wèl samengevoegd is" (Psalm 122 vers 3).
Toch blijft het nodig de bewaking van de stad te handhaven. NehemÃa bekommert zich erom de deuren te installeren en wachters aan te stellen (zie Jesaja 62 vers 6 en 7).
Ook andere ambten worden verdeeld. Er worden onder andere twee beheerders aangesteld (hoofdstuk 7 vers 1 en 2). Zowel de één als de ander heeft deze positie verdiend: Hanáni, vanwege zijn interesse voor het volk (hoofdstuk 1 vers 2), en Hanánja, door zijn trouw die hij getoond had, en zijn vrees voor God (hoofdstuk 7 vers 2).
NehemÃa heeft het in zijn hart het volk te tellen. Daarbij maakt hij gebruik van de geslachtsregisters die bij de eerste terugkeer naar Jeruzalem opgesteld waren.
De verzen 6 tot en met 73 zijn daarom bijna letterlijk een herhaling van hoofdstuk twee van het Boek Ezra. We vinden daarin bijvoorbeeld de afstamming terug van de man "die een vrouw van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, genomen had, en naar hun naam genoemd was" (vers 63 en Ezra 2 vers 61).
Barzillai was die ontzettend rijke en oude man van aanzien die David en zijn gevolg van het nodige voorzien had, toen deze in Mahanáïm was (2 Samuël 19 vers 32). Hier zien we dat zijn schoonzoon, hoewel hij priester was, in zijn tijd z'n eigen naam verzwegen had. Hij had zich naar de naam van z'n schoonvader laten noemen om meer indruk te kunnen maken! En wat zijn de ernstige gevolgen? Zijn nakomelingen worden als onreinen van het priesterschap uitgesloten!
Laten we ervoor oppassen dat we niet uit een bepaalde zorg om aanzien onze christelijke voorrechten opgeven!
Bestaat er een grotere waardigheid en is er iets edelers te bedenken dan het behoren tot de familie van God, tot het koninklijke priesterdom?
Deze volkstelling onderstreept de tegenstelling met de tijd van David! Alleen de stam Juda telde toen al vierhonderdzeventigduizend krijgslieden die het zwaard droegen, dus tien keer zoveel personen als er nu zijn. Het aantal is voor de Heere echter niet belangrijk, maar de trouw!
Voor de prachtige gebeurtenis die in dit hoofdstuk beschreven wordt, heeft NehemÃa de eerste plaats afgestaan aan de priester Ezra.
We weten dat deze "een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes" was en dat hij het al lange tijd in zijn hart had "Israël te leren de inzettingen en de rechten" (Ezra 7 vers 6 en 10).
Dat is een prachtig verlangen! En als het volk de wens daartoe uit, is het moment aangebroken waarop zijn verlangen in vervulling mag gaan!
Het gaat om het duidelijk lezen en uitleggen van het Woord van God. Ezra opent het Woord en vergeet daarbij niet de HEERE te prijzen Die dit Woord gegeven heeft.
Zo mag men ook vandaag met dankzegging beginnen, wanneer in een samenkomst de Bijbel geopend wordt om gelezen en overdacht te worden.
Wat de aanwezigen betreft, is het niet voldoende "verstandig" te zijn, maar men moet ook aandachtig luisteren (vers 4). Doen wij dat altijd, wanneer het Woord in de samenkomsten of thuis wordt voorgelezen?
Het Woord begrijpen, is hèt middel om zelf gevoed te worden en zich te verheugen in de gemeenschap met de Heere (vers 13). Laten we er echter ook aan denken "delen te zenden", dat wil zeggen: hun die niet aanwezig konden zijn, van het goede mee te delen dat wij zelf ontvangen hebben.
"De blijdschap des HEEREN, die is uw sterkte" (vers 11). Dit prachtige vers mogen we wel dik onderstrepen in onze Bijbel. Hopelijk mag een ieder van ons dit persoonlijk ervaren!
"Alzo zal Mijn Woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij weerkeren", zegt de HEERE (Jesaja 55 vers 11). Deze belofte gaat hier in vervulling.
Volgens de Goddelijke aanwijzingen viert het volk nu onder leiding van hun geestelijke leider het loofhuttenfeest. Het gebeurde nog prachtiger dan in de mooiste dagen van Salomo! Sinds de dagen van Jozua was het niet zó geweldig gevierd.
Het tegenwoordige verval zou ons christenen er steeds meer toe moeten aanzetten het karakter van ons vreemdelingschap duidelijker in praktijk te brengen. Dat betekent immers het wonen in tenten! Bovendien zouden we onze gedachten steeds meer moeten richten op de vreugde van het toekomstige rijk van Christus.
Aan het begin van hoofdstuk 9 vindt een verandering plaats. De kinderen van Israël komen opnieuw op eén bepaalde dag samen. Nu is belijdenis van zonden het doel van dit samenzijn.
Kennen wij als gelovigen ook speciale momenten waarop we de balans van ons leven opmaken en met schrik onze misstappen opmerken waarover we ons moeten verootmoedigen?
Sommigen menen dat dit 'orde op zaken stellen' op zaterdagavond moet gebeuren, vóór de dag van de Heere. Anderen denken dat het aan het einde van iedere dag moet.
Noch de een, noch de ander heeft gelijk. Zelfoordeel moeten
we voortdurend toepassen, op hetzelfde moment dat de
Heilige Geest ons een bepaalde zonde in ons leven laat zien.
Enkele met name genoemde Levieten roepen het volk op om op te staan en de HEERE te prijzen. En uit naam van allen richten zij het lange gebed tot Hem dat het resterende deel van dit hoofdstuk in beslag neemt.
De eerste woorden luiden: "Gij zijt die HEERE alleen". Vervolgens gaan de gedachten van de Levieten terug naar Gods machtige werken in de schepping en roemen zij de vervulling van de raadsbesluiten van God, de roeping van Abraham â wiens hart trouw bevonden werd â, de bevrijding uit Egypte, de doortocht door de Rode Zee, Zijn geduldige zorg voor Israël gedurende die lange woestijnreis, toen Hij hen de wet gaf, en tenslotte de intocht in het land.
Het woordje "Gij", in verbinding met een bepaalde daad of handeling van God, komt ongeveer twintig maal in deze paar verzen voor.
God prijzen voor wat Hij is en wat Hij gedaan heeft, is dat ook niet het voorrecht van allen die de Heere toebehoren?
Laten we in onze harten toch steeds weer overdenken wat Zijn genade heeft volbracht! Laten we onszelf erin oefenen om steeds meer redenen van dankbaarheid te ontdekken. Daardoor zullen er steeds nieuwe banden van liefde met onze hemelse Vader en de Heere Jezus ontstaan.
Laten we onszelf ertoe aansporen â zoals David gedaan heeft â om de HEERE te prijzen en Zijn weldaden niet te vergeten (Psalm 103 vers 2)! In werkelijkheid zijn deze weldaden echter niet te tellen!
Evenals deze Levieten, heeft ook Stefanus in Handelingen 7 een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis van de genade van God ten aanzien van het volk Israël gegeven. Hij vervolgt zijn toespraak met soortgelijke woorden: "Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij weerstaat altijd de Heilige Geest" (vers 51).
Halsstarrigheid, de nek niet willen buigen om zich aan het juk van de Heere te onderwerpen, is niet alleen een kenmerk van het volk Israël en ook niet alleen van onbekeerden! We hebben allemaal deze eigenzinnige natuur in ons die zich niet wil onderwerpen.
Iedere christen, op geen enkele uitzondering na, kan dit maar al te goed weten als hij eerlijk is voor zichzelf. En het is onmogelijk om daar in eigen kracht mee klaar te komen.
Maar kent ieder ook de bevrijding die God hem daarvan wil geven? Aan het kruis heeft Hij deze opstandige en onbuigzame wil overgegeven in de dood en ons in plaats daarvan de gehoorzame natuur van de Heere Jezus gegeven.
De oude natuur met al zijn begeerten is nog wel altijd in ons aanwezig, maar heeft niet meer het recht om ons te leiden en over ons te heersen.
Hoeveel te meer komen de zonden van Israël naar voren als die, zoals hier gebeurt, tegenover de Goddelijke genade gesteld worden! Ze verdubbelen als het ware de ondankbaarheid (zie Deuteronomium 32 vers 5 en 6).
Is dat ook niet het geval bij veel jongelui die opgevoed zijn door gelovige ouders?
In vers 33 vinden we een samenvatting van dit hele hoofdstuk: "Doch gij zijt rechtvaardig, in alles, wat ons overkomen is; want Gij hebt getrouw gehandeld, maar wij hebben goddeloos gehandeld".
Vergelijk deze tekst eens met een vers uit het Evangelie naar Johannes: "Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is" (Johannes 3 vers 33; zie ook Romeinen 3 vers 4).
Bezegelen wil zeggen dat men volledig instemt met een bepaalde verklaring, dat men ervoor instaat en zichzelf verplicht die te houden. De vorsten, Levieten en priesters zetten hun zegel eronder. Met andere woorden: ze ondertekenen deze verklaring. Ze geven daarmee aan het er helemaal mee eens te zijn.
Tot slot is het goed, ná deze lange belijdenis, nog twee belangrijke lessen voor de aandacht te brengen die we vast moeten houden. Ten eerste is het noodzakelijk om iets kwaads te oordelen en daarbij zover mogelijk terug te gaan naar de oorsprong van dat kwaad. De overtreding van de wet is begonnen met de gebeurtenis van het gouden kalf. Daarom kan er hier niet zonder meer aan voorbij worden gegaan (vers 18)!
Ten tweede moet een belijdenis duidelijk onder woorden gebracht worden. Simpelweg tegen God zeggen: 'Ik ben een zondaar en heb gezondigd' kost niet zo gek veel moeite en heeft in Zijn ogen niet zoveel waarde. Hij verwacht van ons dat we tegen Hem zeggen: 'Heere, Ik ben deze schuldige. DÃt heb Ãk gedaan en dát heb Ãk nagelaten, daarin heb Ãk gefaald' (zie Leviticus 5 vers 5). Dus: 'man en paard noemen'!
Aan het begin van dit hoofdstuk worden de namen genoemd van de mannen die hun zegel onder het verbond met de HEERE gezet hebben.
We weten dat God ook Zijn Zegel heeft: de Heilige Geest. Hij is het Eigendomsbewijs waarmee een gelovige verzegeld is (Efeze 1 vers 13 en 4 vers 30) en waarmee God aangeeft dat Hij hem kent. Hij zegt door dat zegel als het ware: 'Hier is iemand, die Mij toebehoort'.
Kan Hij dat van ieder die dit leest zeggen?
Hun eigen zegel kon de metgezellen van NehemÃa geen kracht geven om hetgeen waartoe zij zich verplicht voelden, te vervullen. De Heilige Geest daarentegen is niet alleen het Zegel, maar tegelijkertijd ook de Kracht waardoor de christen in staat is de wil van God te doen (Efeze 3 vers 16).
Het hele volk heeft zich eenparig achter de leiders geschaard.
De kennis van de wet die zij zich opnieuw eigen gemaakt hebben, is voor hen niet alleen maar theorie.
De één na de ander wordt daardoor ertoe aangezet zich te reinigen, de sabbat te houden en een rustjaar in acht te nemen (vers 31), de dienst van het huis van God uit te oefenen en de aanwijzingen met betrekking tot de eerstelingen en de tienden ter harte te nemen en gehoorzaam op te volgen.
"Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij ze doet", zei de Heere Jezus (Johannes 13 vers 17).
Zij die uit Babel teruggekeerd zijn, vormen slechts een gering aantal vergeleken met hen die vóór de wegvoering in het land gewoond hadden.
Ook in Jeruzalem waarvan de muren weer op de oude fundamenten opgebouwd waren, woonde nog maar een uiterst klein aantal burgers. En onder hen waren ook zij die tegenover hun eigen huis de muur verbeterd hadden!
Er wordt nu besloten dat men vrijwilligers uit Juda en Benjamin wil laten overkomen om de stad opnieuw te bevolken. Hún namen worden genoemd.
Inderdaad eert God iedereen die afstand kan doen van z'n akkers en z'n huis en die uit aanhankelijkheid aan Zijn heiligdom in de buurt daarvan gaat wonen!
Er zijn beloften met betrekking tot het Jeruzalem van het duizendjarige rijk (zie bijvoorbeeld ZacharÃa 2 vers 4; Jesaja 33 vers 20 en hoofdstuk 60). Maar er bestaan nog veel mooiere beloften voor de heilige stad, het hemelse Jeruzalem.
God Die het nieuwe Jeruzalem voor Christus "toebereid" heeft (Openbaring 21 vers 2), heeft het ook "toebereid" voor hen die Hem toebehoren en die op aarde afgezien hebben van een blijvende stad (Hebreeën 11 vers 16).
Deze wonderbare stad â een beeld van de gemeente â is niet gemaakt om onbewoond te blijven. God zal Zelf in het midden van de Zijnen wonen. Er bestaat echter wel één noodzakelijke voorwaarde om in deze stad te mogen ingaan: men moet de kleren door geloof in het bloed van het Lam gewassen hebben (Openbaring 22 vers 14)!
De inwijdingsceremonie van de muren die in vers 27 begint, is een gebeurtenis die gepaard gaat met grote blijdschap.
Er worden twee stoeten van dankkoren samengesteld die gelijktijdig vertrekken voor een tocht over de stadsmuur. Ze lopen echter in tegengestelde richting.
Het éne dankkoor wordt aangevoerd door Ezra (vers 36), terwijl NehemÃa aan het einde van het tweede dankkoor loopt (vers 38).
Deze twee groepen lofzangers ontmoeten elkaar weer in de buurt van de tempel, nadat ieder de helft van de rondgang om de stad heeft afgelegd.
Ze hebben hiermee de woorden uit de mooie Psalm 48 vervuld: "Gaat rondom Sion, en omringt haar; telt haar torens; Zet uw hart op haar vesting ..." (Psalm 48 vers 13 en 14).
Aangekomen bij het huis van God, wordt er één groot koor gevormd dat de stem luid laat weerklinken. Daarna worden er onder algehele vreugde "grote slachtoffers" gebracht.
In vers 43 worden ons drie dingen in verband met deze vreugde geleerd:
Ten eerste, dat de bron hiervan in God ligt: "God had hen vrolijk gemaakt".
Ten tweede, dat allen er deel aan hebben, ook de kinderen.
En ten derde, dat de vreugde "tot van verre gehoord werd". Kan de wereld om ons heen ook aan ons zien en horen dat we gelukkige mensen zijn?
NehemÃa was verplicht om naar de koning terug te keren. TobÃa, de bekende vijand van God en Zijn volk, maakt gebruik van zijn afwezigheid.
Het gelukt TobÃa, met de hulp van een priester, één van de kamers van het huis van God in bezit te krijgen!
Die priester was niemand minder dan Eljásib die ook bij de herbouw van de muur al getoond had erg onzorgvuldig te zijn.
De poortwachters, de mannen die in het voorgaande hoofdstuk de verantwoording gekregen hadden "over de kamers, voor de schatten", hadden echter eveneens hun plicht verzuimd met betrekking tot de dingen die God hun had toevertrouwd (hoofdstuk 12 vers 44).
Hevig verontwaardigd gooit NehemÃa bij zijn terugkeer al het huisraad van TobÃa naar buiten. Vervolgens laat hij de kamers reinigen en brengt hij het gereedschap van het huis van God weer op z'n plaats. Ook stelt hij het offer weer in (vergelijk Mattheüs 21 vers 12 en 13).
Onze harten lijken soms veel op deze kamers waar de wereld de plaats ingenomen heeft die God toekomt, en waar geofferd zou moeten worden!
Het is echter niet bij deze eerste nalatigheid gebleven. Zonde blijft nooit alleen, maar vermenigvuldigt zich in een angstaanjagend tempo.
Daarom moet NehemÃa zich nu ook bezighouden met het deel voor de Levieten, alsook met het beheer en de verdeling van de tienden die het volk gebracht had.
Ondanks de verplichting die het volk op zich genomen had (hoofdstuk 10 vers 31), wordt de sabbatsrust toch niet in acht genomen. NehemÃa neemt de strengste maatregelen om deze zaak weer in orde te brengen.
Zouden wij, geliefde kinderen van God, de dag van de Heere ook niet minstens even hoog moeten achten als Israël de sabbat behoorde te achten?
Het is waar, we zijn niet meer onder de wet, maar het is verdrietig als christenen de zondag gewoon als een vrije dag voor zichzelf beschouwen. Of deze dag gebruiken om huiswerk te maken of andere werkzaamheden te verrichten die ook de avond ervoor gedaan hadden kunnen worden!
Waaraan moeten we denken bij de poorten die 's nachts gesloten moesten zijn ter bescherming voor gevaren van buitenaf?
Is het niet opnieuw een beeld van de heilige stad waarvan gezegd wordt: "Haar poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn ... En in haar zal niet inkomen iets, dat verontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt" (Openbaring 21 vers 25 en 27).
Geschiedkundig valt nu het gordijn over Israël. Pas na vier eeuwen (om precies te zijn: vierhonderdveertig jaar later) zal het weer opgetrokken worden voor hun Bevrijder en Messias, zoals beschreven op de eerste bladzijden van het Nieuwe Testament.
De geschiedenis van Esther is een bijzonder verhaal dat, wat de chronologische volgorde betreft, past tussen hoofdstuk 6 en 7 van het Boek Ezra.
Aan de éne kant wordt er verteld over de joden die in het Perzische rijk zijn achtergebleven, nadat de eerste groep ballingen teruggekeerd was naar Jeruzalem. Aan de andere kant gaat het over de heerser van dit rijk: de machtige Ahasvéros en zijn gevolg.
Deze koning staat in de geschiedenis bekend onder de naam Xerxes, zoon van Darius. Hij is beroemd geworden door zijn veldtocht tegen Griekenland die gekenmerkt werd door de opzienbarende nederlaag die zijn vloot leed bij Salamis.
Daniël 11 vers 2 zinspeelt op deze monarch en zijn rijkdom, evenals op zijn veldtocht tegen Griekenland.
Het feest dat Ahasvéros hier organiseert, vol pracht en praal, vond vóór deze oorlog plaats. Misschien hield de feestelijkheid wel verband met de voorbereidingen voor de strijd.
Alles wat in dit hoofdstuk beschreven wordt, dient tot verheerlijking van de mens wiens hoogmoed geen grenzen kent. Ook al is alles vandaag de dag misschien wat minder luxe en niet meer zo groots als toen in het paleis van Ahasvéros, toch is er ook nu geen gebrek aan feesten en allerlei uiterlijk vertoon waarmee iemand (of een heel volk) zijn buurman wil imponeren en overtroeven. Een trouw kind van God kan, ja, mag niets van doen hebben met dit soort dingen. Waarom niet? Juist omdat de macht, het verstand en de 'liefelijkheid' (vers 8) van de mens hierbij zó centraal staan.
De weigering van koningin Vasthi, toen zij geroepen werd om haar schoonheid te tonen, wekt de toom van de koning, haar echtgenoot, op.
Ahasvéros is een driftig man. Maar toorn is nooit een teken van kracht of autoriteit. Gewoonlijk bewijst het juist het tegendeel: zwakheid van karakter en het niet in staat zijn zichzelf te beheersen.
Uit eigen ervaring weten we hoe moeilijk het is om onze emoties en opkomende gevoelens de baas te blijven als we onaangename dingen ondervinden die zich lijken op te stapelen.
Laten we de Heere steeds weer om kracht vragen om onszelf te kunnen beheersen.
Koningin Vasthi is hier een beeld van de verantwoordelijke christenheid die uit het midden van de volkeren genomen is.
Christus verwacht van Zijn gemeente dat ze haar schoonheid â die ze van Hem ontvangen heeft! â aan de wereld toont en daardoor Zijn eer verheft.
Hoe is echter de reactie van de christenheid op Zijn verlangen geweest? Ze heeft daarop met talloze minachtingen geantwoord! Daarom zal de dag komen waarop ze het vreselijke woord zal horen: "Ik zal u uit Mijn mond spuwen" (Openbaring 3 vers 16).
Wanneer de christenheid als geheel het getuigenis dat ze zou moeten afleggen, ook uit het oog heeft verloren, laten we dat als afzonderlijke gelovigen dan toch nooit vergeten!
God verwacht van elk van Zijn kinderen dat hij de wereld iets toont van de morele schoonheid van de Heere Jezus!
Hoofdstuk twee brengt ons buiten het paleis van Ahasvéros. Daar ontmoeten we in de burg Susan en in het koninkrijk een onderdrukt en lijdend volk: de joden.
De vernedering van dit volk staat in schril contrast met de drinkgelagen aan het hof van de koning. Zo'n tegenstelling komt ook naar voren bij de arme Lazarus en de rijkgevulde tafel van de rijke man (Lukas 16 vers 19 tot en met 21).
Het gaat hier om joden die door Nebukadnézar in ballingschap uit hun land zijn weggevoerd. Ze zijn hier ver van hun vaderland verwijderd: zonder tempel, zonder offerdienst, zonder koning en zonder nationale eenheid. Destijds verlangden zij er â om wat voor reden dan ook âniet naar om naar hun vaderland terug te keren (Ezra 1 vers 3). Het lijkt alsof de HEERE hen helemaal verlaten heeft. Zijn Naam wordt trouwens in dit Boek niet één keer genoemd. Hij kon hen niet openlijk als Zijn volk erkennen, omdat zij niet op de plaats waren waar ze hoorden en waar ze hadden kunnen zijn: in het beloofde land, bij de tempel.
Ook in ons leven kunnen er tijden zijn waarin wij, door eigen schuld, het genieten van de Persoon van Christus verloren hebben. Zijn offer heeft voor ons dan niet zoveel waarde meer. Niet Hij neemt meer de eerste plaats in onze harten in, maar de wereld. Dat is een heel verdrietige situatie! Is de Heere ons daarom dan ook vergeten? Het Boek Esther zal ons laten zien dat dit beslist niet het geval is!
Mórdechai bevindt zich bij de poort van het paleis. Hij is een Israëliet uit de stam van Benjamin. Hij heeft zijn nichtje die wees is, bij zich in huis genomen en waakt over haar met al z'n toewijding. Oók nadat zij tot mogelijke plaatsvervangster van koningin Vasthi was uitverkoren (vers 11).
De onzichtbare hand van God heeft de gebeurtenissen bestuurd en de harten toebereid.
Zonder dat Mórdechai of zijn nichtje Esther zelf iets zouden hebben kunnen ondernemen, wordt de jonge jodin de koningin van het machtige MedischâPerzische rijk.
Esther wordt ons getoond als een terughoudend en bescheiden meisje dat â in tegenstelling tot Vasthi â de autoriteit boven haar erkent.
Hierdoor is zij geschikt om die buitengewone rol waartoe zij geroepen (ofwel: voorbestemd) is, te vervullen.
Deze eigenschappen die in het algemeen zo weinig gevonden worden, hebben ertoe bijgedragen dat allen die haar zagen, haar graag mochten.
Jonge meisjes uit christelijke gezinnen, denk niet dat jullie hier op aarde een gelukkige toekomst zullen hebben als jullie het karakter, de kleding en het vrije gedrag van de wereld nadoen! Juist het tegendeel zal dan het geval zijn!
De enige belangrijke vraag, ook wat jullie toekomst betreft, is: Wie en wat neemt in jullie harten de eerste plaats in?
Vanuit profetisch oogpunt bezien, leert deze geschiedenis ons dat Christus, nádat Hij alle verbindingen met de belijdende christenheid (=Vasthi, de echtgenote uit de volkeren) verbroken heeft, Israël (=Esther) in haar plaats tot hoofd van de volkeren zal verheffen.
Dat zal echter niet gebeuren, vóórdat het joodse volk door de grote verdrukking is gegaan. Daarvan wordt ons in het volgende hoofdstuk een vreselijk beeld geschetst.
Nu verschijnt er een andere persoon ten tonele: Haman, de Agagiet. De invloed die deze verleidende man op de zwakke Ahasvéros heeft, heeft hem al gauw op het hoogtepunt van z'n eigen macht gebracht. Dit toont tevens het ware gezicht van Haman!
Waarschijnlijk is hij een nakomeling uit het koninklijke geslacht van de Amalekieten. Voor zo iemand kan Mórdechai zich nooit buigen, want God had immers aan het begin van de woestijnreis duidelijk gezegd: "Omdat de hand op de troon des HEEREN is, zo zal de oorlog des HEEREN tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht" (Exodus 17 vers 16). En later: "Gedenkt, wat u Amalek gedaan heeft ... vergeet het niet!" (Deuteronomium 25 vers 17 tot en met 19).
Dat is voor deze trouwe Israëliet voldoende reden om deze vijand van de HEERE ook niet het geringste teken van eer te bewijzen. De eeuwen die sinds deze Goddelijke uitspraken voorbijgegaan zijn, hebben voor hem de betekenis van deze woorden op geen enkele wijze aangetast. Wat ons betreft, laten ook wij met het oog op de wereld en haar leiders in geen enkel opzicht toegevender zijn dan de eerste christenen, zoals het onveranderlijke Woord ons voorschrijft!
Vanuit menselijk oogpunt bezien, lijkt de houding van Mórdechai op het eerste gezicht misschien dwaas. De gevolgen van zijn niet willen buigen voor Haman zijn voor hem en het hele volk immers dramatisch. Ze staan in geen enkele verhouding tot de misdaad waarvan hij beschuldigd wordt! Maar Mórdechai heeft het Woord gehoorzaamd, zonder zich zorgen te maken over de gevolgen! Dat zouden wij ook altijd moeten doen!
Terwijl de koning en Haman samen zitten te drinken, heerst er bij de arme joden de grootste ontsteltenis.
Profetisch gezien bevinden we ons hier in de toekomstige tijdsperiode die 'de grote verdrukking' genoemd wordt en die vlak ná de opname van de gelovigen zal plaatsvinden.
In die tijd zullen twee personen een geweldig grote rol spelen. Ten eerste: de koning, 'het beest' genaamd, het hoofd
van het Romeinse rijk. En ten tweede: de antichrist, die vreselijke persoon die zich in zijn verbitterde woede met al zijn wereldse macht op de getrouwen in Israël zal storten.
Op dat moment zal het overblijfsel van Israël zich met de woorden van Psalm 83 tot de HEERE richten: "Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken de kop op. Zij maken listig een heimelijke aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen tegen Uw verborgenen. Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan de naam van Israël niet meer gedacht worde" (vers 3 tot en met 5).
Waaruit komt deze haat van vroeger en ook nu tegen dit joodse volk toch voort? Een haat die zich ook in de toekomst op ongeëvenaarde wijze zal openbaren?
Dat is het gevolg van de vergeefse pogingen die satan doet om Christus, de Messias, te vernietigen. Het verschijnen van Christus betekent namelijk zijn ondergang.
Als we dan in Haman een beeld zien van deze grote tegenstander, begrijpen we ook dat we in Mórdechai een opmerkelijk beeld van de Heere Jezus mogen herkennen.
Dit is een vreselijk uur van diepe duisternis en angst voor het volk van Mórdechai! Er is nog één klein sprankje hoop: de voorspraak van Esther bij haar koninklijke echtgenoot.
Maar o, het gevaar is zo groot! De toegang tot het paleis is verboden en bovendien valt niet te verwachten dat deze trotse heerser een eerder genomen besluit zal terugdraaien!
Toch gebeurt het wonder: God heeft gewerkt in het hart van de koning en hij is dan ook mild gestemd tegenover Esther. Zij mag tot hem komen.
Wat een verschil tussen Ahasvéros en Hem van Wie de Hebreeënbrief ons meedeelt dat Hij volledig kan meelijden met onze zwakheden. Daarom mogen wij "met vrijmoedigheid" naderen "tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd" (Hebreeën 4 vers 15 en 16).
Zoals Mórdechai voorzien had (hoofdstuk 4 vers 14), was Esther door de Goddelijke voorzienigheid voor deze bijzondere dienst tot op de troon verheven.
Heeft elk christelijk meisje op de plaats waar de Heere haar gesteld heeft, ook niet een precies omschreven taak te vervullen?
Het slot van dit hoofdstuk leert ons dat, hoe groot de eer die Haman ontvangt, ook zijn mag, dat niet in staat is om de onverbiddelijke haat in zijn hart te blussen.
In een korte gelijkenis stelt de Heere Jezus het rijk van God als volgt voor: "Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp; en voorts sliep ..." (Markus 4 vers 26).
Zó lijkt het ook in het Boek Esther te gaan: de HEERE Die niet één maal genoemd wordt, lijkt te slapen.
Maar laten we eens verder lezen: "... en opstond, nacht en dag" (vers 27).
Een paar verzen verder lezen we dat de Heere slaapt, als de wind huilt en de golven zich op het schip storten, evenwel âdaarvan mogen we overtuigd zijn â zonder dat Hij nalaat over Zijn geliefde discipelen te waken (vers 38).
Zo zien we ook in dit hoofdstuk dat alles, die hele reeks van bijzondere gebeurtenissen, door God Die Zich niet laat zien, bestuurd wordt.
Denk maar aan de slapeloosheid van de koning, aan wat hem voorgelezen wordt, de vraag die hij stelt, het juiste moment waarop Haman binnenkomt â alles wordt als door een uiterst precies mechanisme, door een soevereine hand, geleid: door Gods hand.
Ongelovigen komt zo'n samenloop van omstandigheden vaak als heel erg onwaarschijnlijk voor. Wij christenen hoeven ons hierover echter helemaal niet te verbazen.
We weten uit eigen ervaring, uit wat we al vaker mee mochten maken, dat God ook door een almachtig ingrijpen alle dingen laat meewerken ten goede voor hen die Hem liefhebben (Romeinen 8 vers 28).
De gebeurtenissen volgen elkaar snel op. Nu komt het slot. Haman is dodelijk geschrokken, nadat de vinger van de koningin Esther hem aangewezen heeft. HÃj is de onderdrukker, de vijand, de boze: drie namen die in het Woord van God voor de duivel zelf gebruikt worden!
Op bevel van de koning wordt Haman nu zonder verder uitstel opgehangen aan de galg die hij voor Mórdechai had laten oprichten.
Dit doet ons denken aan enkele feiten die vele malen groter zijn. Zó groot zelfs dat je ze eigenlijk niet met de situatie hier kunt vergelijken. Toch willen we ze noemen, ook al is het beeld nog zo zwak.
Zoals Mórdechai zich niet voor de gunstgenoot van de koning gebogen heeft, zó is Christus de enige Mens Die Zich niet voor satan heeft neergebogen. We kennen Zijn antwoord op de verzoeking: "De Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen" (Mattheüs 4 vers 9 en 10).
Nadat de vijand deze volmaakte Mens niet aan het wankelen kon brengen, heeft hij zichzelf geen rust gegund, totdat hij meende voorgoed van Hem af te zijn. Met deze bedoeling heeft hij dan ook de mensen tegen de Heere Jezus opgezet en hen ertoe gebracht een kruis voor Hem op te richten, zoals Haman een galg maakte voor Mórdechai waar hij nooit aan kwam te hangen.
Juist dat kruis waardoor satan meende dat hij zou triomferen en voorgoed van Christus af zou zijn, betekende zijn definitieve nederlaag (Kolosse 2 vers 15 en Hebreeën 2 vers 14). Al z'n in grote haat verrichte pogingen hebben zijn eigen ondergang bewerkt â en zijn tegelijkertijd tot ons heil geworden!
De loop van de dingen is nu totaal veranderd. Zo'n grote ommekeer kan alleen God bewerken.
Toch is met de dood van Haman nog niet alles voorbij. De koning is namelijk door zijn eigen zegel gebonden en niet bij machte zijn vreselijke besluit ongedaan te maken.
Wat hij doet â en het is weer God Die hem deze wijsheid geeft! â, is de verantwoordelijkheid voor de te nemen maatregelen tegen het plan van Haman overdragen aan Esther en Mórdechai.
De vijanden worden niet ontwapend. De joden krijgen daarentegen de toestemming en worden er zelfs in bemoedigd zich te verdedigen en hen te vernietigen.
Waar doet ons dat aan denken? De gelovige heeft ook vijanden die hem proberen te onderdrukken. Hun aanvoerder, satan, is door het werk van Christus op het kruis overwonnen, zoals Haman zelf opgehangen werd aan de galg die hij voor een ander bestemd had.
Maar toch is hen de macht om iets tegen de kinderen van God te ondernemen, nog niet ontnomen. Maar de gelovige heeft nu wel de mogelijkheid om met succes tegen hen te strijden.
Ieder van ons kent deze vijanden maar al te goed. Als we hen terughoudend en met voorzichtigheid behandelen, zullen zÃj ons zeker niet sparen.
Laten we daarom de middelen van het geloof aangrijpen om hun pogingen teniet te doen. Daartoe is het ook nodig om gemeenschappelijk tot gebed samen te komen (zie vers 11).
De tijd van het in vernedering zitten in de poort van de koning, is voor Mórdechai nu voorbij. Ahasvéros, als vertegenwoordiger van de hoogste Macht, heeft hem roem, majesteit, eer en macht gegeven.
Dat is een beeld van de verhoging van Christus. Wij zien Hem nu reeds, zoals een dichter het uitdrukt:
Daarom heeft God U op het hoogst verheven
en U gekroond met heerlijkheid en eer.
Zo zien wij U, met majesteit omgeven,
U, Zoon des mensen, opgestane Heer'!
Laten we de loopbaan van Mórdechai en de overeenkomst met de Heere Jezus nog eens kort overdenken. Hij heeft zich om het jonge meisje uit Israël bekommerd, zoals Christus voortdurend over Zijn volk gewaakt heeft. Ondanks dat hij een trouwe dienstknecht van de koning was, heeft Mórdechai toch geweigerd zich neer te buigen voor de Amalekiet; zo heeft de Heere Jezus ook niet het geringste recht van de verzoeker erkend. En vanwege Zijn volmaaktheid en Zijn liefde tot Zijn volk heeft Christus inderdaad de schandpaal moeten leren kennen waarvan slechts een schaduw op Mórdechai is gevallen.
Na het lijden komt de heerlijkheid. Ja, in vers 15 van hoofdstuk 8 en vers 3 en 4 van hoofdstuk 9 zien we met bewondering, in beeld, de overwinning van de Heere Jezus die samengaat met de vernietiging of onderwerping van al Zijn vijanden (zie Psalm 66 vers 3 en 4).
De tien zonen van Haman op wie hij zo trots was (hoofdstuk 5 vers 11), komen ook om. "Het zaad der boosdoeners zal in eeuwigheid niet genoemd worden" (Jesaja 14 vers 20).
Deze dag, de dertiende dag van de maand Adar, had voor altijd het bloedbad en de uitroeiing van Israël (vers 1) moeten kenmerken. Hij is daarentegen de triomfdag over de vernietiging van de vijanden geworden.
Deze vijanden hebben het moeten ervaren dat men het volk van God niet ongestraft kan aanvallen. Wie dat aantast, "raakt Zijn oogappel aan" (ZacharÃa 2 vers 8; zie ook Psalm 105 vers 12 tot en met 15).
Zouden wij die tot het hemelse volk, de bruid van Christus, mogen behoren, Zijn liefdevolle zorg dan minder ervaren?
Israël in gevangenschap draagt inderdaad de kenmerken van een volk "dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding" (Jesaja 18 vers 2).
Voor God is dit een wonderbaar volk, omdat uit Israël de Heiland van de wereld geboren is. God zal daarom Zijn machtige middelen gebruiken om dit volk dat door bijna de hele rest van de wereld vertreden wordt, te bevrijden.
De inhoud van dit Boek Esther is ontzettend rijk aan lessen, hoewel we in het begin zouden kunnen denken dat er weinig opbouwends in zit!
Er wordt in de beelden veel plaats ingeruimd voor de vernederde èn de verhoogde Heere Jezus! En er wordt ver over de horizon gekeken naar de toekomst van Israël, naar de rust en de vreugde (vers 17). Dat wil zeggen: de vreugde van het rijk dat er zal zijn aan het einde van al het lijden!
Het volk moet hun grote bevrijding voortaan jaarlijks herdenken door het vieren van het Purimfeest.
De christenheid 'viert' elk jaar de geboorte en de dood van de Verlosser. Maar dat dit gebeurt, slaan we met gemengde gevoelens gade.
Natuurlijk zijn we blij dat er mensen zijn die daardoor in ieder geval nog éénâ of tweemaal aan deze wonderbare gebeurtenissen terugdenken. Ook de laatste dag van een jaar is een prachtige gelegenheid om God voor alle genade die Hij ons bewezen heeft, te danken.
Maar laten we dat niet bij één of twee keer per jaar laten! Laten we elke eerste dag van de week, ja, elke dag van ons leven onze grote verlossing en onze heerlijke Verlosser gedenken!
In het tiende hoofdstuk wordt in de karaktertrekken van Mórdechai nog eens de Heere Jezus voor de aandacht gestelt: "Groot bij de Joden, en aangenaam bij de menigte van zijn broeders, zoekende het beste voor zijn volk, en sprekende voor de welstand van zijn ganse zaad" (vers 3).
In dit alles mogen we de Heere Jezus zien Die als Dienstknecht wijs gehandeld heeft en daarom verhoogd is, verheven zal worden en zeer hoog zal zijn (Jesaja 52 vers 13; zie ook Psalm 45 vers 7 tot en met 9 en Filippi 2 vers 9 tot en met 11).
Hij is het echter ook waard om in al onze gedachten en toegenegenheid, ja, in alle dingen de eerste plaats in te nemen (Kolosse 1 vers 18).
O, dat ieder van ons Hem nu al deze plaats zal geven!
This document may be found online at the following URL: http://www.stempublishing.com/authors/koechlin/dbd/nl/localStorageYear2.html.
You are welcome to freely access and use this material for personal study or sending to other Bible students, compiling extracts for notes etc, but please do not republish without permission.
With the prayerful desire that the Lord Jesus Christ will use this God-given ministry in this form for His glory and the blessing of many in these last days before His coming. © Les Hodgett
.
Er bestaat een groot verschil tussen het Boek Jozua en het Boek Richteren. In Jozua zien we hoe het volk Israël het land Kanaän in bezit neemt. In Richteren lezen we hoe dit volk in zijn erfdeel woont.
Op het eerste gezicht lijkt het net alsof we gewoon verder gaan met de geschiedenis uit Jozua, maar sommige dingen wijzen er heel duidelijk op dat de tijd van Jozua voorbij is. Hoewel Juda met grote beslistheid tegen de Kanaänieten vecht, lijkt het erop dat hij meer op zijn broer Simeon dan op de HEERE vertrouwt. De vijandelijke koning AdóniâBézek wordt in leven gelaten en op mensonwaardige wijze behandeld.
Er is inderdaad een bladzijde omgeslagen; van roem is nu geen sprake meer. We zullen een neergaande lijn volgen.
Dat is ook gebeurd met de christenheid die een nog grotere verantwoordelijkheid draagt. De kracht â en voor een groot deel ook de gemeenschappelijke zegen â is vandaag de dag in grote mate verdwenen.
Toch is God niet veranderd! Zijn kracht staat nog steeds ter beschikking van een ieder die persoonlijk geloof toont. Othniël die Debir inneemt, is daarvan een mooi voorbeeld. De zegen is er ook voor ons. We hoeven er alleen maar om te vragen, zoals Achsa gedaan heeft (vers 15).
De Geest van God bewerkt die zegen voor ons. Hij verkwikt onze zielen door het Woord van God, zoals de "waterbeken" die beloofd zijn in Deuteronomium 8 vers 7, het land vruchtbaar maken.
Laten we aan het begin van een nieuw jaar deze zegen afsmeken van onze Vader!