Job 1:1-12
1Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.2En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren.3Daartoe was zijn vee zeven duizend schapen, en drie duizend kemelen, en vijfhonderd juk ossen, en vijfhonderd ezelinnen; ook was zijn dienstvolk zeer veel; zodat deze man groter was dan al die van het oosten.4En zijn zonen gingen, en maakten maaltijden in ieders huis op zijn dag; en zij zonden henen, en nodigden hun drie zusteren, om met hen te eten en te drinken.5Het geschiedde dan, als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond, en hen heiligde en des morgens vroeg opstond, en brandofferen offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijn kinderen gezondigd, en God in hun hart gezegend. Alzo deed Job al die dagen.6Er was nu een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam.7Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.8En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?10Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is in menigte uitgebroken in den lande.11Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?12En de HEERE zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.

Het boek Job is heel verschillend van het voorgaande gedeelte uit Gods Woord. Het is een poëtisch boek en is zeer oud; bovendien behoren de personen om wie het gaat, niet tot het volk Israël. De lessen die dit boek bevat, gelden niet alleen voor de afstammelingen van Abraham, maar voor elk schepsel. Laten we God vragen of Hij ons deze lessen wil leren.

Het was niet nodig om een lange beschrijving te geven van de welstand van Job. De Heilige Geest deelt ons daarentegen wel uitvoerig mee wat er gedurende zijn beproevingen is gebeurd. Dat is nogal wat en deze geschiedenis zal nuttig zijn voor alle kinderen van God tot aan het einde van de tijden.

In de eerste verzen (1-5) wordt ons in het kort verteld wie deze man is, wat hij bezit en wat hij voor de zijnen doet. De volgende verzen laten ons zien wat er met betrekking tot Job in de hemel gaande is. De gevreesde aanklager verschijnt op het toneel (Openbaring 12 vers 10).

Laten we echter op twee heel geruststellende feiten zien:

God handelt als Eerste.

De toestemming die satan van Hem ontvangt, kent z'n grenzen.

En laten we bovendien nooit de vraag uit Romeinen 8 vers 33 noch vers 28 van datzelfde hoofdstuk vergeten! We zullen zien dat "alle dingen" (ook de beproevingen) meewerken ten goede voor hen die God liefhebben.

Job 1:13-22
13Er was nu een dag, als zijn zonen en zijn dochteren aten, en wijn dronken in het huis van hun broeder, den eerstgeborene.14Dat een bode tot Job kwam, en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hun zijden.15Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.16Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel, en ontstak onder de schapen en onder de jongeren, en verteerde ze; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.17Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.18Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: Uw zonen en uw dochteren aten, en dronken wijn, in het huis van hun broeder, den eerstgeborene;19En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;21En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.

Tot nu toe had God Zijn knecht Job en alles wat hij bezat, met "een omtuining" omgeven (vers 10). Zo worden ook de gelovigen nu nog met een onzichtbare muur beschermd tegen de aanvallen van buiten, maar ook tegen de eigen neiging om de plaats van zegen te verlaten. Kinderen van christelijke ouders worden bijvoorbeeld door het waakzame gezag van hun ouders en ook door de lessen in de samenkomsten voor veel dingen bewaard. Laten ze deze muur toch niet opzettelijk kapot maken (Prediker 10 vers 8).

Satan heeft toestemming gekregen om te handelen (vergelijk Lukas 22 vers 31). Hij kiest een geschikte dag uit en slaat de ongelukkige Job met vier opeenvolgende slagen. De heftigheid waarmee dit gebeurt, getuigt van zijn grote haat. In één ogenblik, zonder ook maar gelegenheid te hebben om op adem te komen (hoofdstuk 9 vers 18), verliest deze patriarch zijn hele welstand en z'n tien kinderen. Te midden van deze ruïne blijft Job echter staande; door dit alles wankelt hij niet. Dat bewijst dat hij zijn vertrouwen niet op de ontvangen goederen maar op de Gever daarvan gesteld heeft. "Is het om niet, dat Job God vreest?", had de duivel gezegd (vers 9). Zijn tegenwerping was fout. Door genade is Job, zelfs toen hij niets meer bezat, nog steeds in staat God te vrezen. Satan had erop gerekend dat Job God de rug zou toekeren (vers 11). In plaats daarvan roept hij het echter uit: "De Naam des HEEREN zij geloofd!" (vers 21).

Job 2:1-13
1Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich voor den HEERE te stellen.2Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.3En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.4Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.5Doch strek nu Uw hand uit, en tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen!6En de HEERE zeide tot den satan: Zie, hij zij in uw hand, doch verschoon zijn leven.7Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.8En hij nam zich een potscherf, om zich daarmede te schrabben, en hij zat neder in het midden der as.9Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtigheid? Zegen God, en sterf.10Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.11Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.12En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op, en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn mantel, en strooiden stof op hun hoofden naar den hemel.13Alzo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen, dat de smart zeer groot was.

Met toestemming van God stormt satan opnieuw op Job los. Deze keer betreft het een aanval op hemzelf. Dat is te veel voor de vrouw van Job. "Zegen God (zeg God vaarwel) en sterf", roept zij uit. Dat is opnieuw een beproeving voor de patriarch! Zijn eigen vrouw wordt tot een werktuig van satan, om hem zover te krijgen dat hij openlijk afstand zal nemen van God (zoals satan verwacht had: hoofdstuk 1 vers 11 en 2 vers 5). Job blijft echter standvastig en neemt zowel het kwade als het goede uit Gods hand aan (vers 10; Klaagliederen 3 vers 38).

Laten wij, die vaak al door een kleinigheid geïrriteerd en van slag raken, toch een voorbeeld nemen aan deze Godsman en hem bewonderen en navolgen. Wij zijn altijd geneigd ons alleen bezig te houden met de zichtbare oorzaken van onze moeilijkheden. Maar Job stelt noch de Sabeeërs, noch de Chaldeeën, ja zelfs satan niet verantwoordelijk voor het ongeluk dat hem is overkomen. In dit alles ziet hij de hand van God (hij weet alleen nog niet dat het een hand van liefde is).

Wij hebben een onvergelijkbaar hoger Voorbeeld: Jezus Christus, Die alles uit de hand van Zijn Vader aannam, zelfs de drinkbeker gevuld met de toom van God over de zonde (Johannes 18 vers 11).

Het hoofdstuk eindigt met een indrukwekkende gebeurtenis: overmand door een smart die z'n weerga niet kent en erg onder de indruk van het grote geheim waar ze geen raad mee weten, zitten Job en zijn drie vrienden zeven dagen lang zwijgend bij elkaar.

Job 3:1-26
1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.2Want Job antwoordde en zeide:3De dag verga, waarin ik geboren ben, en de nacht, waarin men zeide: Een knechtje is ontvangen;4Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;5Dat de duisternis en des doods schaduw hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des dags!6Diezelve nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich niet verheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome!7Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;8Dat hem vervloeken de vervloekers des dags, die bereid zijn hun rouw te verwekken;9Dat de sterren van zijn schemertijd verduisterd worden; hij wachte naar het licht, en het worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads!10Omdat hij niet toegesloten heeft de deuren mijns buiks, noch verborgen de moeite van mijn ogen.11Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven, als ik uit den buik voortkwam?12Waarom zijn mij de knieen voorgekomen, en waartoe de borsten, opdat ik zuigen zou?13Want nu zou ik nederliggen, en stil zijn; ik zou slapen, dan zou voor mij rust wezen;14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.17Daar houden de bozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;18Daar zijn de gebondenen te zamen in rust; zij horen de stem des drijvers niet.19De kleine en de grote is daar; en de knecht vrij van zijn heer.20Waarom geeft Hij den ellendigen het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?21Die verlangen naar den dood, maar hij is er niet; en graven daarnaar meer dan naar verborgene schatten;22Die blijde zijn tot opspringens toe, en zich verheugen, als zij het graf vinden;23Aan den man, wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.25Want ik vreesde een vreze, en zij is mij aangekomen; en wat ik schroomde, is mij overkomen.26Ik was niet gerust; en was niet stil, en rustte niet; en de beroering is gekomen.

Zoals de ene golf op de andere volgt, zo zijn er achtereenvolgens zeven beproevingen over Job heen gegaan. De vijand (wiens haat altijd geprikkeld wordt door de liefde die God de Zijnen bewijst) heeft de patriarch vijf keer geslagen: door het verlies van zijn bezittingen (drie keer), zijn kinderen en zijn gezondheid. De zesde, een heel arglistige, slag kwam via zijn eigen vrouw, maar de man van God bleef standvastig. Nu komt de laatste van de zeven "benauwdheden" (hoofdstuk 5 vers 19), van een onverwachte kant. Drie vrienden hebben met elkaar afgesproken om Job te bezoeken om hun medeleven te tonen. En wat de verwoestende aanvallen van satan niet voor elkaar konden krijgen, gebeurt nu door het gedrag van deze troosters. Laten we er in dit verband op letten hoe moeilijk het is om bij iemand die beproefd wordt, een nuttig bezoek te brengen, maar ook hoe belangrijk het is zo'n bezoek voor te bereiden met gebed.

Stilzwijgend kijken deze mannen naar Job in al z'n troosteloosheid, de man die ze in zijn welstand gekend en geëerd hebben. Bij al zijn ellende ook nog blootgesteld te worden aan hun oordeel en hun manier van medelijden tonen, is meer dan Job kan verdragen. De tot dusver uitgebleven verbittering komt nu ten slotte toch aan het daglicht. In hartverscheurende bewoordingen vervloekt Job de dag waarop hij geboren is; was hij maar nooit geboren. Hij wilde liever dood zijn.

In Zijn grote wijsheid en liefde had God satan echter geen toestemming gegeven hem het leven te benemen.

Job 4:1-21
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?3Zie, gij hebt velen onderwezen, en gij hebt slappe handen gesterkt;4Uw woorden hebben den struikelende opgericht, en de krommende knieen hebt gij vastgesteld;5Maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?7Gedenk toch, wie is de onschuldige, die vergaan zij; en waar zijn de oprechten verdelgd?8Maar gelijk als ik gezien heb: die ondeugd ploegen, en moeite zaaien, maaien dezelve.9Van den adem Gods vergaan zij, en van het geblaas van Zijn neus worden zij verdaan.10De brulling des leeuws, en de stem des fellen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.11De oude leeuw vergaat, omdat er geen roof is, en de jongens eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.12Voorts is tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn oor heeft een weinigje daarvan gevat;13Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;14Kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid mijner beenderen.15Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleses te berge rijzen.16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:17Zou een mens rechtvaardiger zijn dan God? Zou een man reiner zijn dan zijn Maker?18Zie, op Zijn knechten zou Hij niet vertrouwen; hoewel Hij in Zijn engelen klaarheid gesteld heeft.19Hoeveel te min op degenen, die lemen huizen bewonen, welker grondslag in het stof is? Zij worden verbrijzeld voor de motten.20Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.

De vrienden van Job nemen ieder op hun beurt het woord. Welke troost zullen deze troosters hem brengen? Met welke wijsheid zullen deze wijze mannen hun ongelukkige vriend beleren en hem in z'n vertwijfeling proberen te kalmeren? Zullen zij, net als later de Goddelijke Leraar, "een tong der geleerden" hebben, waardoor "de moede een woord ter rechter tijd" gegeven wordt (Jesaja 50 vers 4)?

Het tegendeel blijkt waar te zijn. Door hun uitspraken verergert de situatie van de arme Job meer en meer! Niet dat hun argumenten fout waren! Ze bevatten grote waarheden, die deel uitmaken van het geïnspireerde Woord van God. Bepaalde verzen worden zelfs in het Nieuwe Testament aangehaald (zoals bijvoorbeeld het dertiende vers van hoofdstuk 5 in 1 Korinthe 3 vers 19), maar Elifaz, Bildad en Zofar passen deze waarheden in het geval van Job verkeerd toe.

Net als deze drie vrienden kennen wij misschien ook veel waarheden, maar ook wij kunnen die op het verkeerde moment toepassen! "Hoe goed is een woord op zijn tijd!" (Spreuken 15 vers 23).

In de verzen 3 en 4 geeft Elifaz een goed getuigenis van Job: voordat hij zelf onder tucht kwam te staan, had hij "de trage handen, en de slappe knieën" weer opgericht (Hebreeën 12 vers 12). En nu zegt z'n vriend op een brute toon als het ware dat het de beurt aan Job zelf is om door het ongeluk getroffen te worden. Breng nu maar in de praktijk wat je anderen geleerd hebt (zie Romeinen 2 vers 21)!

Job 5:1-27
1Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?2Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.3Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.4Verre waren zijn zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poort, en er was geen verlosser.5Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.6Want uit het stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde;7Maar de mens wordt tot moeite geboren; gelijk de spranken der vurige kolen zich verheffen tot vliegen.8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;9Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; wonderen, die men niet tellen kan;10Die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;11Om de vernederden te stellen in het hoge; dat de rouwdragenden door heil verheven worden.12Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.13Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.14Des daags ontmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts tasten zij in de middag.15Maar Hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hun mond, en van de hand des sterken.16Zo is voor den arme verwachting; en de boosheid stopt haar mond toe.17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.18Want Hij doet smart aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en Zijn handen helen.19In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.20In den honger zal Hij u verlossen van den dood, en in den oorlog van het geweld des zwaards.21Tegen den gesel der tong zult gij verborgen wezen, en gij zult niet vrezen voor de verwoesting, als zij komt.22Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vrezen.23Want met de stenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.24En gij zult bevinden, dat uw tent in vrede is; en gij zult uw woning verzorgen, en zult niet feilen.25Ook zult gij bevinden, dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uw spruiten als het kruid der aarde.26Gij zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt.27Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzo; hoor het, en bemerk gij het voor u.

Het hoofdthema dat de drie vrienden in hun redevoering duidelijk naar voren laten komen, is: God is rechtvaardig. Hij zou Job niet zo streng geslagen hebben als deze het niet verdiend zou hebben. Al zijn beproevingen zijn een straf, een oordeel. Hij zou z'n zonden moeten belijden en dan zou alles weer hersteld worden!

Uit het begin van de geschiedenis weten wij echter dat Job zich niet schuldig gemaakt had aan een of andere fout. God zei Zelf tegen satan dat hij God "tegen hem opgehitst" heeft "om hem te verslinden zonder oorzaak" (hoofdstuk 2 vers 3). Daarom was het fout om de beproeving van Job als een tuchtiging, in de zin van straf, te zien. Met uitzondering van deze woorden zijn de verzen 17 en 18 echter een bewonderenswaardige samenvatting van zijn hele geschiedenis. Laten we deze verzen eens bezien in het licht van Spreuken 3 vers 11 en 12 en Hebreeën 12 vers 6: "Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding (in de zin van onderwijs); Want de HEERE kastijdt hem, die Hij liefheeft".

De Heere had bij Zijn dienstknecht inderdaad een reden gevonden om hem terecht te wijzen: een geest van eigengerechtigheid. God moest hem pijn doen, maar verbond en heelde de wonden die Hij geslagen had ook weer, tot vreugde van Job.

Wie de Heere liefheeft! Wat een wonderbare troost! De storm die satan ontketent, is voor de gelovige uiteindelijk een bewijs van Goddelijke liefde.

Job 6:1-30
1Maar Job antwoordde en zeide:2Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!3Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.4Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?6Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?7Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.8Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.11Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?12Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal?13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?14Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.15Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door;16Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt.17Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.18De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.19De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar.20Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood.21Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.22Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen?23Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?26Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?27Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.28Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.29Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.30Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?

Op elke redevoering van zijn vrienden ziet Job zich genoodzaakt een antwoord te geven. Hij voelt goed aan dat het grote leed dat hij heeft ondervonden, hem ondoordachte woorden doet uitspreken (vers 3). Laten we ervoor oppassen dat ons geen verkeerde dingen uit de mond glippen als we opgewonden of toornig zijn (Spreuken 29 vers 20)!

"Welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?", vraagt Job in vers 11. "De verdraagzaamheid (volharding) van Job", waarvan Jakobus in zijn brief spreekt, heeft slechts stand gehouden tot aan de zesde beproeving. En voordat hij kon weten hoe zijn "einde", of beter gezegd het wonderbare einde dat de Heere met hem voorhad, zou zijn, was het juist nodig dat deze volharding in hem "een volmaakt werk" zou hebben. De beproeving van het geloof brengt dit voort (Jakobus 1 vers 3, 4 en 5 vers 11).

Wij willen, net als Job, ook altijd graag gauw weten hoe iets zal aflopen. God laat ons dit in Zijn wijsheid meestal niet vooruit weten. Hij wil ons geduld, echt geduld leren, zodat we het niet meer nodig vinden alles te weten alvorens we ons aan Hem onderwerpen en op Hem rekenen.

Job heeft een eerste les geleerd: dat hij zichzelf niet kan helpen en alle kracht uit hem verdreven is (vers 13).

Job 7:1-21
1Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners?2Gelijk de dienstknecht hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon;3Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.4Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.5Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.6Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.7Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.8Het oog desgenen, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.9Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.10Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;14Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij;15Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen.16Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?18En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?19Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.

Het slot van de rede van Job is niet meer aan Elifaz, maar aan God gericht. Het geeft een korte beschrijving van de erbarmelijke omstandigheden van de mens hier op aarde. Strijd, verlangen, ijdelheid, moeite, vergankelijkheid, het leven als een ademtocht, benauwdheid, bitterheid, angst, moedeloosheid; allemaal uitdrukkingen die hij gebruikt en die maar al te duidelijk weergeven hoe de mens zich voelt en wat hij ervaart in dit leven. Het sleutelwoord is echter nog niet gevallen. En dat is — of je het nu wilt toegeven of niet — toch oorzaak nummer één van al het ongeluk van de mens. Uiteindelijk roept Job het uit: "Heb ik gezondigd?" (vers 20).

Inderdaad, het is de zonde — niet alleen de zonde van Adam of iemand anders, maar ook die van mij — die voor alle ellende van de mensheid verantwoordelijk is. Job voegt er echter aan toe: "Wat zal ik U doen?" (of: "wat doe ik U daarmee aan?"), alsof de zonde alleen een bron van ellende voor de mens zou zijn. In eerste instantie is het immers bovenal een belediging van God!

Als God iemand beproeft, dan wil Hij daardoor over het algemeen het volgende in iemand bewerken: het constateren van de eigen ongelukkige toestand, het overtuigd raken van zonde in eigen leven en dat belijden voor God.

Op de vertwijfelde uitroep in vers 17 en 18 geeft Psalm 8 een prachtig antwoord, door ons Christus, de Zoon des mensen, de laatste Adam, voor te stellen (1 Korinthe 15 vers 22 en 45).

Job 8:1-22
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:2Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?4Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.5Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;6Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.7Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.8Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.9Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?11Verheft zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water?12Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het voor alle gras.13Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan.14Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spinnekop.15Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.16Hij is sappig voor de zon, en zijn scheuten gaan over zijn hof uit.17Zijn wortelen worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats.18Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.19Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.20Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.22Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent der goddelozen zal niet meer zijn.

Laten we nu eens luisteren naar wat Bildad te zeggen heeft. Hij waagt het nog niet om te zeggen dat alles wat Job is overkomen, een gevolg van zijn eigen zonden is; hij begint juist te spreken over zijn zonen. Voor hem is de zaak duidelijk: de dood van Jobs kinderen is te wijten aan hun eigen overtredingen (vers 4). Zij hebben gezondigd en God heeft hen daarom geslagen. Wat een vreselijke woorden tegen een vrome man als Job, van wie we weten dat hij de gewoonte had om 's morgens vroeg op te staan om brandoffers voor zijn kinderen te brengen (hoofdstuk 1 vers 5). Het is net alsof zijn vriend tegen hem zegt: jouw gebeden hebben niets geholpen; God heeft niet naar jou geluisterd en wilde jouw kinderen niet redden.

De drie vrienden kennen God slechts als een rechtvaardige Rechter. De gerechtigheid van de Almachtige is zeer zeker één kant van de waarheid. Die is zelfs zo volmaakt dat God, toen Zijn eigen Zoon onze zonden op Zich nam, Hem in Zijn toorn niet kon ontzien en Hem moest slaan. Maar het kruis, waar het grootste bewijs van Gods gerechtigheid gegeven werd, is tegelijkertijd het wonderbaarste bewijs van Zijn liefde. Als men tegen de mensen alleen maar zou spreken over gerechtigheid en niet ook over liefde, dan maakt men hen moedeloos. Dan brengt men hen er zelfs toe zichzelf te rechtvaardigen. Deze twee uitwerkingen zien we ook heel duidelijk bij Job, naar aanleiding van de conclusies die deze drie vrienden trekken.

Job 9:1-21
1Maar Job antwoordde en zeide:2Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?3Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.4Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?5Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;6Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;7Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;8Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;9Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;10Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.11Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.12Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?13God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.16Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.17Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?20Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.21Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.

Bildad heeft de nadruk gelegd op de onbuigzame gerechtigheid van God. Job kan niet anders dan hem gelijk geven. Maar dan spreekt hij die grote vraag uit: "Hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?" (vers 2).

Wat is deze vraag vanaf het ontstaan van de aarde al vaak door wijze mensen gesteld en wat hebben ze zichzelf daarmee gekweld! Het antwoord is echter niet te vinden in conclusies die de filosofie, of welke andere wetenschap dan ook, trekt. Het is zelfs niet te ontdekken in alle geweldige werken van de Schepper, waarvan Job ons hier een paar voorbeelden noemt. Nee, het antwoord is alleen te vinden in het Woord van God! Na de conclusie, "Er is niemand rechtvaardig, ook niet één", horen we de blijde boodschap dat we "om niet gerechtvaardigd" kunnen worden "uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is". En ook, "dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt" (Romeinen 3 vers 10, 24, 28 - zie ook 1 Korinthe 6 vers 11; Galaten 3 vers 24; Titus 3 vers 7).

Vanaf vers 15 brengt Job zijn totale onmacht tot uitdrukking. Het is een ongelijke strijd tussen God en hem. Hij meent dat hij door een onverbiddelijke Rechter, Die hem zonder reden steeds meer wonden toebrengt, vermorzeld wordt (vers 15 en 17). Een verdrietige gedachte voor een gelovige!

Door de Heere Jezus bezitten wij een liefdevolle Vader. Laten we dat, hoe moeilijk de omstandigheden ook mogen zijn, nooit vergeten!

Job 9:22-35
22Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.23Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.24De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?25En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.26Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.27Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.29Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?30Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;31Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.33Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.34Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;35Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.

In hoofdstuk 7 vers 6 had Job het voorbijgaan van zijn dagen vergeleken met een weversspoel. Hier haalt hij eerst het beeld aan van een loper (ijlbode), daarna dat van jachtschepen die op een rivier voorbijdrijven en ten slotte dat van een arend die zich op z'n buit stort (vergelijk dit met Jakobus 4 vers 14 en Psalm 39 vers 6). Als je jong bent, dan realiseer je je het nog niet zo, maar ouderen zijn het er vaak over eens, dat het leven razendsnel voorbijgaat.

Nee, de tijd die voorbijgegaan is, kun je niet laten terugkeren. We kunnen onze dagen daarentegen wel waarde geven voor de eeuwigheid, door de manier waarop wij onze tijd besteden. Als we onze tijd voor de wereld gebruiken, dan is ze voor bedrieglijke, ijdele dingen gebruikt, en dus verbruikt. Gebruiken we onze dagen echter voor de Heere, dan kan die korte tijd dat we hier op aarde zijn, blijvende vrucht brengen (Johannes 15 vers 16).

We willen, nu we het over tijd hebben, hier aan alle lezers die de Heere nog niet toebehoren, een oproep doen. Doordat de tijd zo vlug voorbijgaat, willen veel mensen zoveel mogelijk van het leven genieten. Je hoort vaak zeggen: 'Pluk de dag! Je bent maar één keer jong. Grijp wat je te pakken kunt krijgen'. En iemand heeft eens gezegd dat er voor de mens geen haven is en dat de tijd geen oever kent. Dat is pure leugen! Zeer zeker is er een oever (Markus 4 vers 35) en ook een haven (Psalm 107 vers 30). Je moet echter niet aarzelen om daar naar toe te vluchten! Doe het nu direct! Vlucht naar Jezus Christus voordat je je tijd voorbij hebt laten gaan!

Job 10:1-22
1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?5Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans?6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.8Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.9Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren.10Hebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen?11Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed; met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;12Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.13Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is.14Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.15Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.16Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij.17Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!19Ik zou zijn, alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;21Eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods;22Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduwe des doods, en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.

"Is het U goed, dat Gij verdrukt?", zou Job in al zijn verbittering aan God willen vragen (vers 3). De Schrift antwoordt hem met een tekst die ook wij in een tijd van beproevingen nooit mogen vergeten: "Want Hij plaagt of bedroeft de mensenkinderen niet van harte" (Klaagliederen 3 vers 33). Dat geldt juist als het om Zijn kinderen gaat!

Net als David in Psalm 139 vers 14 -16, zo verbaast ook Job zich over de wonderbare wijze waarop hij geschapen is (vers 8 - 12). En Job komt tot dezelfde conclusie: Hij Die mij zo "gemaakt" heeft, Die mij "met beenderen en zenuwen" heeft "samengevlochten", kent mij tot in het diepst van mijn ziel. Het is onmogelijk om iets voor Hem te verbergen! Nu Gods oog, dat naar zonde zoekt, zo op Job gericht is, voelt hij zich onbehaaglijk (vers 6; hoofdstuk 13 vers 9). Voor God voelt hij zich als een stuk wild dat door een leeuw wordt opgejaagd (vers 16). Op dezelfde manier probeert de schrijver van Psalm 139 zich in eerste instantie ook voor de blikken van God te beschermen. Maar aan het slot van die Psalm verlangt hij ernaar om door Hem doorgrond en gekend te worden. Wat een vooruitgang!

Job 11:1-20
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;6En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?8Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?9Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.10Indien Hij voorbijgaat, opdat Hij overlevere of vergadere, wie zal dan Hem afkeren?11Want Hij kent de ijdele lieden en Hij ziet de ondeugd; zou Hij dan niet aanmerken?12Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mens als het veulen eens woudezels geboren is.13Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.14Indien er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen.15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.16Want gij zult de moeite vergeten, en harer gedenken als der wateren, die voorbijgegaan zijn.17Ja, uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; gij zult uitvliegen, als de morgenstond zult gij zijn.18En gij zult vertrouwen, omdat er verwachting zal zijn; en gij zult graven, gerustelijk zult gij slapen;19En gij zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smeken.20Maar de ogen der goddelozen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan; en hun verwachting zal zijn de uitblazing der ziel.

Nu neemt Zofar het woord. Hij heeft wel een heel aparte manier van 'troosten'! Hij begint er nota bene, nog strenger dan die andere twee, direct mee Job een "klapachtig man" (of: woordenkramer; vers 2), leugenaar en spotter (vers 3) te noemen. Daarna praat hij over zijn "ongerechtigheid" (vers 6). En vanaf vers 13 noemt hij een aantal dingen op die volgens hem gedaan moeten worden, opdat God je kan zegenen: als je zus en zo doet...! Zo'n instelling noemt men wetticisme.

Elifaz had Job al eerder zover willen brengen dat hij z'n vertrouwen alleen zou stellen op z'n eigen Godvrezendheid en de volmaaktheid van z'n eigen wegen, maar hij zei niet dat Job op God moest vertrouwen (hoofdstuk 4 vers 6)! Sowieso was Job ertoe geneigd om meer op zichzelf dan op de Heere te vertrouwen.

Daaruit blijkt hoe diep het hart van de mens doordrongen is van eigen gerechtigheid. Zelfs een gelovige ontkomt vaak niet aan deze wettische geest. Dat leidt er echter alleen maar toe dat je goed van jezelf gaat denken, met als gevolg dat de oneindige genade van God onderschat wordt.

De verzen 7 - 9 stellen juist vragen die betrekking hebben op de oneindigheid van God in al haar dimensies: hoogte, diepte, lengte en breedte. Welk sterfelijk mens zou dat kunnen bevatten? Het antwoord vinden we in Efeze 3 vers 18 en 19: door de Heilige Geest zijn alle heiligen in staat "ten volle" te begrijpen "welke de breedte en lengte, en diepte, en hoogte is" en te "kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat".

Job 12:1-25
1Maar Job antwoordde en zeide:2Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?4Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.5Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.6De tenten der verwoesters hebben rust, en die Gode tergen, hebben verzekerdheden, om hetgene God met Zijn hand toebrengt.7En waarlijk, vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het u leren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te kennen geven.8Of spreek tot de aarde, en zij zal het u leren; ook zullen het u de vissen der zee vertellen.9Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet?10In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.11Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.14Ziet, Hij breekt af, en het zal niet herbouwd worden; Hij besluit iemand, en er zal niet opengedaan worden.15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.16Bij Hem is kracht en wijsheid; Zijns is de dwalende, en die doet dwalen.17Hij voert de raadsheren beroofd weg, en de rechters maakt Hij uitzinnig,18Den band der koningen maakt Hij los, en Hij bindt den gordel aan hun lenden.19Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert Hij om.20Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.21Hij giet verachting over de prinsen uit, en Hij verslapt den riem der geweldigen.22Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduwe brengt Hij voort in het licht.23Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze.24Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.25Zij tasten in de duisternis, waar geen licht is; en Hij doet hen dwalen, als een dronkaard.

De grove uitspraken die Zofar zojuist gebruikte — alsof hij meer kennis zou hebben dan Job — hebben ertoe geleid dat Job zich vernederd voelt en zich kwaad maakt. Zijn vrienden hebben hem geen weldadigheid (medelijden) gebracht, wat hij toch eigenlijk wel van hen mocht verwachten (hoofdstuk 6 vers 14). Nee, Job moet zelfs constateren dat hij voor hen tot een onderwerp van bespotting is geworden (vers 4; zie ook hoofdstuk 17 vers 2; 21 vers 3; 30 vers 1; Psalm 35 vers 15)!

Onwillekeurig gaan onze gedachten dan uit naar hen die hoofdschuddend aan de Gekruisigde, de volmaakt Rechtvaardige, voorbijgingen en spotten: "Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil" (Mattheüs 27 vers 43). Met andere woorden: als God Hem niet bevrijdt, dan is dat toch zeker het duidelijke bewijs dat Hij Zijn toorn verdiend heeft. (In feite denken de drie vrienden ook zo over Job.) "Wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, door God geslagen en verdrukt was" — zal het joodse volk zeggen, wanneer het berouw heeft en tot de Heere Jezus, hun Redder, zal terugkeren (Jesaja 53 vers 4). Ja, Christus heeft, juist omdat Hij volkomen rechtvaardig was, de bitterheid van de onterechte aanklachten meer dan iemand anders gekend en ervaren. Zijn vertrouwen op Zijn God en Zijn volledige onderwerping bleven echter onwankelbaar (Psalm 56 vers 6,7 en 12).

Wat een tegenstelling met Job, die de spot en valse aanklachten niet kon verdragen en zijn "recht" (hoofdstuk 13 vers 18) in drie hoofdstukken (12 tot en met 14) verdedigt.

Job 14:1-22
1De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.2Hij komt voort als een bloem, en wordt afgesneden; ook vlucht hij als een schaduw, en bestaat niet.3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.4Wie zal een reine geven uit den onreine? Niet een.5Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal;6Wend U van hem af, dat hij rust hebbe, totdat hij als een dagloner aan zijn dag een welgevallen hebbe.7Want voor een boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen, en zijn scheut niet zal ophouden.8Indien zijn wortel in de aarde veroudert, en zijn stam in het stof versterft;9Hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal een tak maken, gelijk een plant.10Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan?11De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;12Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden.13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!14Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.16Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.17Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld, en Gij pakt mijn ongerechtigheid opeen.18En voorwaar, een berg vallende vergaat, en een rots wordt versteld uit haar plaats;19De wateren vermalen de stenen, het stof der aarde overstelpt het gewas, dat van zelf daaruit voortkomt; alzo verderft Gij de verwachting des mensen.20Gij overweldigt hem in eeuwigheid, en hij gaat heen; veranderende zijn gelaat, zo zendt Gij hem weg.21Zijn kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let niet op hen.22Maar zijn vlees, nog aan hem zijnde, heeft smart; en zijn ziel, in hem zijnde, heeft rouw.

Er zijn veel mensen die zich eenzelfde beeld over God vormen als Job: een almachtig Wezen, Die volgens willekeur handelt, zonder daarover rekenschap aan iemand af te leggen en Wiens wegen onbegrijpelijk zijn. De mens is totaal aan Hem overgeleverd, zoals een blad dat door de wind wordt voortgedreven (hoofdstuk 13 vers 25). Het enige wat de mens kan doen, is proberen zich zo goed mogelijk tegen Zijn slagen te beschermen. Dit fatalistische denken vinden we ook terug in veel oosterse religies.

Het is zeker waar dat God almachtig is en Hem geen grenzen gesteld zijn aan Zijn manier van handelen. Ook is het waar, dat de mens zwak en afhankelijk is, dat hij "als een bloem wordt afgesneden" (vers 2; 1 Petrus 1 vers 24). Maar het is niet waar dat God een spelletje speelt met de mens en naar Zijn believen over hem heerst (vers 20). Integendeel, Hij zorgt voor Zijn schepsel en "het gekrookte riet zal Hij niet verbreken" (Jesaja 42 vers 3; Mattheüs 12 vers 20).

"Wie zal een reine geven uit de onreine?", vraagt Job (vers 4). En in vers 17 roept hij het uit: "Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld". Hij is zich de volheid van genade niet bewust. Dat is altijd het geval als men zich slechts bezighoudt met eigen gerechtigheid.

Kent ieder van ons Hem, Die de bevlekte zondaar volkomen rein kan maken en Die dat zware "bundeltje" met al onze zonden "in de diepten der zee" geworpen heeft (Micha 7 vers 19)?

Job 15:1-16
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:2Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.7Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij voor de heuvelen voortgebracht?8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?10Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.14Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?15Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen.16Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water?

Er vindt opnieuw een twistgesprek plaats. Elke deelnemer neemt weer het woord en dat gebeurt in dezelfde volgorde als de eerste keer. Slag op slag, zoals een spijker in het hout geslagen wordt, zo hameren de drie vrienden hun aanklacht in het geweten van Job: jij bent een huichelaar, een arglistig man. Als je niet schuldig zou zijn, dan zou je je niet met zoveel woorden verdedigen (vers 5 en 6).

De drie vrienden van Job zijn moralisten, met ieder voor zich een eigen theorie of methode. Elifaz steunt op de menselijke ervaring: wat hij weet (vers 9) en gezien heeft (vers 17). Bildad daarentegen houdt het meer op hetgeen vroeger al zo was (lees bijvoorbeeld maar eens vers 8 van hoofdstuk 8). Bij Zofar hebben we gezien dat zijn bewijsvoering meer opgebouwd wordt uit wettische dingen. Geen van deze drie mannen staven hun uitspraken echter aan hetgeen God gezegd heeft!

Bij zulke onzekere fundamenten hoeft het ons niet te verbazen dat ze dwalen, "niet wetende de Schriften" (Mattheüs 22 vers 29). Het Woord van God is de enige Bron die wij kunnen vertrouwen. Dat geldt voor onszelf, maar ook voor anderen die wij ontmoeten en proberen te helpen. Een jong iemand — ja zelfs een kind — die Gods Woord kent, is verstandiger dan een oudere met grijze haren (vers 10) die zijn wijsheid slechts baseert op eigen ervaringen (Psalm 119 vers 99 en 100).

Job 16:1-22
1Maar Job antwoordde en zeide:2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?4Zou ik ook, als gijlieden, spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden?5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.9Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij.10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.11God heeft mij den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.12Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht.13Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten.14Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.15Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan.16Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw.17Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is.18O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.19Ook nu, zie, in den hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogten.20Mijn vrienden zijn mijn bespotters; doch mijn oog druipt tot God.21Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.22Want weinige jaren in getal zullen er nog aankomen, en ik zal het pad henengaan, waardoor ik niet zal wederkeren.

"Gij allen zijt moeilijke vertroosters!", antwoordt Job zijn bezoekers (vers 2). Als de rollen omgekeerd en ik in jullie en jullie in mijn plaats zouden staan, dan zou ik anders handelen (vers 4 en 5). Om werkelijk mee te kunnen voelen met iemand die beproefd wordt, moet je je zo in diens omstandigheden inleven, alsof je het zelf moet ondergaan (Hebreeën 13 vers 3). De Heere Jezus genas geen enkele zieke zonder eerst Zelf het volle gewicht van zijn lijden gevoeld te hebben. "Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen" (Mattheüs 8 vers 17). Daarom verdient Hij terecht de naam 'Vriend' (Mattheüs 11 vers 19), een naam die eigenlijk niet van toepassing is op de drie bezoekers van Job.

In vers 9 lezen we dat Job zich geslagen voelt door de toorn van God. In vers 10 geeft hij uitdrukking aan hetgeen hij van de kant van de mensen te verdragen heeft. De beproeving van Job is veelvoudig. Maar wat is zijn lijden vergeleken bij het lijden dat Christus heeft ondergaan, Hij Die "geen onrecht gedaan heeft" (Jesaja 53 vers 9; vergelijk dit met vers 17)? Hij heeft ontzettend veel lijden moeten verdragen, zowel van de kant van de mensen, die opgehitst werden door satan, alsook van de kant van God in de drie uren van duisternis op het kruis. Zijn vergoten bloed redt nu de gelovigen en klaagt tevens de wereld aan. Hij is nu Zelf als Getuige voor onze rechtvaardiging voor ons in de hemel (vers 19). Daar, bij God, is Hij onze Scheidsman (Scheidsrechter) of Middelaar (hoofdstuk 9 vers 33). Ook Job voelde heel duidelijk aan dat hij dit nodig had (vers 21).

Job 17:1-16
1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?3Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.4Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.5Die met vleiing den vrienden wat aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten.6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.7Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en al mijn ledematen zijn gelijk een schaduw.8De oprechten zullen hierover verbaasd zijn, en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken;9En de rechtvaardige zal zijn weg vasthouden, en die rein van handen is, zal in sterkte toenemen.10Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.11Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten.12Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis.13Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden.14Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster!15Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?16Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.

In zijn grote smart ziet Job geen andere uitweg meer dan de dood. Uit zijn woorden spreekt het verlangen naar de dood. Dat zou zijn vrienden er toch van hebben moeten overtuigen dat Job geen slecht geweten had! Als hun aanklacht juist geweest zou zijn en Job inderdaad schuldig geweest was, zou hij dan nu niet bang moeten zijn om voor God te verschijnen?

Zijn woorden worden steeds hartverscheurender: "... zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht", of zoals een andere vertaling het zegt: "Ik ben iemand, die men in het aangezicht spuwt" (vers 6). Deze afschuwelijke en onterende belediging heeft onze Heiland wel ondervonden en over Zich heen laten gaan (Jesaja 50 vers 6; Markus 14 vers 65 en 15 vers 19). De mens heeft getoond tot welke valsheid hij in staat is, door Hem Die weerloos was en Zich al vrijwillig in de diepste vernedering bevond, zo gemeen te beledigen.

"De oprechten zullen hierover verbaasd zijn", zegt Job vervolgens in vers 8. Het was inderdaad onbegrijpelijk, de Rechtvaardige verlaten te zien! (Psalm 37 vers 25). Zo'n aanblik vormde een gevaar voor sommigen om hun geloof in de gerechtigheid van God te doen wankelen (Psalm 69 vers 7).

Job roept uit: "Uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten" (vers 11). Het gebeurt inderdaad wel eens dat God ons de weg verspert, opdat wij onze harten onderzoeken en daar plannen ontdekken die wij liefdevol koesteren, maar die Zijn toestemming niet hebben (Spreuken 16 vers 9; 19 vers 21).

Job 18:1-21
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?4O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?5Ja, het licht der goddelozen zal uitgeblust worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.6Het licht zal verduisteren in zijn tent, en zijn lamp zal over hem uitgeblust worden.7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.8Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen.9De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen.10Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad.11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.12Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.13De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren.14Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen.15Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden.16Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden.17Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten.18Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.19Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn.20Over zijn dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden.21Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats desgenen die God niet kent.

Met hun uitspraken belasten Elifaz, Bildad en Zofar hun vriend en brengen daardoor onbewust zijn geloof aan het wankelen.

Iemand aanklagen betekent in feite niets anders dan het gebruikelijke werk van satan doen. Hij klaagt de gelovigen niet alleen voor God aan, zoals we in hoofdstuk 1 en 2 gezien hebben, maar hij klaagt iemand ook in z'n eigen binnenste aan door hem twijfel in te fluisteren: "Je hebt niet het juiste geloof! Je bent niet gered! Als je een kind van God zou zijn, dan zou je je anders gedragen!"

Als de eerste twijfels gezaaid zijn, dan komen de volgende op. De vijand gaat dan steeds meer influisteren: "Je twijfels zijn het bewijs dat je geen geloof hebt; een gelovige kan niet twijfelen."

Laten we deze 'vurige pijlen van de boze' met kracht afweren! Hoe dat mogelijk is? Met 'het schild des geloofs', dat betekent dat we eenvoudig moeten vertrouwen op God en de beloften die Hij ons in Zijn Woord gegeven heeft (Efeze 6 vers 16).

Bildad haalt "de koning der verschrikkingen" aan (vers 14). Dat is de dood, die een voortdurende bedreiging vormt. Ieder mens gaat hem onherroepelijk tegemoet, zonder te weten wanneer hij hem zal ontmoeten. Voor de gelovige is hij echter geen onderwerp van verschrikking meer! De Heere Jezus is de dood vrijwillig tegemoet getreden en heeft daardoor satan, die de dood beheerste, deze macht ontnomen (Hebreeën 2 vers 14).

Job 19:1-20
1Maar Job antwoordde en zeide:2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?3Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.4Maar ook het zij waarlijk, dat ik gedwaald heb, mijn dwaling zal bij mij vernachten.5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;6Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij met Zijn net omsingeld.7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.9Mijn eer heeft Hij van mij afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heeft Hij weggenomen.10Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.11Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken, en mij bij Zich geacht als Zijn vijanden.12Zijn benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij haar weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijn tent.13Mijn broeders heeft Hij verre van mij gedaan; en die mij kennen, zekerlijk, zij zijn van mij vervreemd.14Mijn nabestaanden houden op, en mijn bekenden vergeten mij.15Mijn huisgenoten en mijn dienstmaagden achten mij voor een vreemde; een uitlander ben ik in hun ogen.16Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.17Mijn adem is mijn huisvrouw vreemd; en ik smeek om der kinderen mijns buiks wil.18Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.19Alle mensen mijns heimelijken raads hebben een gruwel aan mij; en die ik liefhad, zijn tegen mij gekeerd.20Mijn gebeente kleeft aan mijn huid en aan mijn vlees; en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.

"Hoe lang?", vroeg Bildad in hoofdstuk 18 vers 2. "Hoe lang?", antwoordt Job geprikkeld. Het lijkt inderdaad zinloos de dialoog nog voort te zetten, omdat ieder voor zich aan z'n eigen ideeën vasthoudt. Job denkt dat God Zich zonder oorzaak tegen hem gekeerd heeft. Z'n vrienden denken dat God juist wel een reden had om zo tegen Job te zijn. In werkelijkheid vergissen ze zich allemaal, want God is voor Job.

De meesten onder ons worden omringd door de liefde en het begrip van anderen. En wat te denken van het meeleven van onze hemelse Vriend! Daarom kunnen we ons goed indenken hoe eenzaam Job zich in dit grote verdriet, in deze grote smart moet voelen. Voor hem is er niemand bij wie hij zijn hart eens kan uitstorten!

De verzen 13 - 19 vormen als het ware een hartverscheurende echo van dat gevoel van verlatenheid. Dit gevoel is des te erger omdat Job ook nog meent dat God tegen hem is. In vers 11 roept hij het dan ook uit: "Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken".

Nee Job! De Goddelijke toom die wij — jij en ik — verdiend hadden, trof een Ander in onze plaats. Zij die de Heere Jezus toebehoren, zullen deze toorn nooit en te nimmer meer ervaren (1 Thessalonicenzen 5 vers 9)!

Christus is op het kruis door God verlaten geweest en kon Zijn smart met niemand delen. Hij werd door de mensen niet begrepen en door de Zijnen verlaten (Markus 14 vers 37 en 50). In dat grote lijden, dat door geen ander overtroffen zal worden, was niemand zo alleen als Hij.

Job 19:21-29; Job 20:1-29
21Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.22Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?23Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!24Dat zij met een ijzeren griffie en lood voor eeuwig in een rots gehouwen wierden!25Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan;26En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen;27Denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot.28Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.29Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:2Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,5Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik?6Wanneer zijn hoogheid tot den hemel toe opklomme, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte;7Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij?8Hij zal wegvlieden als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts.9Het oog, dat hem zag, zal het niet meer doen; en zijn plaats zal hem niet meer aanschouwen.10Zijn kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten weder uitkeren.11Zijn beenderen zullen vol van zijn verborgene zonden zijn; van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.12Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,13Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;14Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.15Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.16Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden.17De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.18Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.19Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;20Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden.21Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.22Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.23Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte Zijns toorns zenden, en over hem regenen op zijn spijze.24Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen, de stalen boog zal hem doorschieten.25Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterende uit zijn gal voortkomen; verschrikkingen zullen over hem zijn.26Alle duisternis zal verborgen zijn in zijn schuilplaatsen; een vuur, dat niet opgeblazen is, zal hem verteren; den overigen in zijn tent zal het kwalijk gaan.27De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.28De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in den dag Zijns toorns.29Dit is het deel des goddelozen mensen van God, en de erve zijner redenen van God.

De hevigheid die uit Jobs woorden naar voren komt, staat in schril contrast met de koude uitspraken van z'n drie metgezellen. Zij konden hem in zijn grote smart geen enkele hulp bieden. We ontdekken nu echter dat Job toch een onwankelbaar houvast bezit: zijn geloof in een levende Verlosser. De verzen 25 - 27 van hoofdstuk 19 laten ons zien dat Job, net als de andere patriarchen, een Goddelijke openbaring over de opstanding ontvangen heeft. "Ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen" (Psalm 17 vers 15).

Hoe veel meer dan zij toen wisten, mogen wij nu weten, omdat wij de hele toekomst in het volle licht van het Nieuwe Testament zien. En toch gaan veel kinderen van God niet verder dan het kruis, waar ze zien op de Redder Die voor hun zonden gestorven is. Natuurlijk is dat een kostbare waarheid! Maar zijn we ons ook allemaal bewust dat onze Verlosser leeft (Openbaring 1 vers 18)? "Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt" (Romeinen 8 vers 34).

Op de opmerkelijke woorden van geloof, die de Geest van God in Job gewerkt heeft, antwoordt Zofar echter met z'n eigen gedachten (hoofdstuk 20 vers 2). Door hetzelfde aan te halen als Elifaz en Bildad (hoofdstuk 15 vers 20 - 35; 18 vers 5 - 21), praat hij uitvoerig over het lot dat een goddeloze te wachten staat. Indirect en zonder enig erbarmen doet hij hiermee een aanval op zijn arme vriend (Spreuken 12 vers 18).

Job 21:1-34
1Maar Job antwoordde en zeide:2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.6Ja, wanneer ik daaraan gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.7Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen?8Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.9Hun huizen hebben vrede zonder vreze, en de roede Gods is op hen niet.10Zijn stier bespringt, en mist niet; zijn koe kalft, en misdraagt niet.11Hun jonge kinderen zenden zij uit als een kudde, en hun kinderen huppelen.12Zij heffen op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.13In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.14Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust.15Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij Hem aanlopen zouden?16Doch ziet, hun goed is niet in hun hand; de raad der goddelozen is verre van mij.17Hoe dikwijls geschiedt het, dat de lamp der goddelozen uitgeblust wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God hun smarten uitdeelt in Zijn toorn!18Dat zij gelijk stro worden voor den wind, en gelijk kaf, dat de wervelwind wegsteelt;19Dat God Zijn geweld weglegt, voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;20Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!21Want wat lust zou hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?23Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gans stil en gerust was;24Zijn melkvaten waren vol melk, en het merg zijner benen was bevochtigd.25De ander daarentegen sterft met een bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.26Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.27Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, waarmede gij tegen mij geweld doet.28Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?29Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?30Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.31Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?32Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.33De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.34Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?

Job staat voor een ondoorgrondelijk geheim: waarom slaat God, Die rechtvaardig is, juist hem die probeert Hem welgevallig te zijn? (Komt dat niet overeen met de grootste vraag aller tijden, die de Heere Jezus aan het kruis stelde: Psalm 22 vers 2?) Waarom hebben daarentegen — in tegenstelling tot wat Elifaz, Bildad en Zofar beweerden (!) — de goddelozen juist wel succes op deze aarde? Ze beledigen God door te zeggen: "Wijk van ons, want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust" (vers 14) en tóch blijven ze ongestraft (vers 7 - 15; Maleachi 3 vers 18)!

Het zwijgen van God — het lijkt alsof Hij onverschillig blijft tegenover de uitdagingen van de mens — is voor veel gelovigen een raadsel (Psalm 50 vers 21). Met dit moeilijke probleem heeft bijvoorbeeld ook een Asaf zich afgetobd in Psalm 73. Met bitterheid in z'n hart vraagt hij zich af: wat heeft het voor zin dat ik mijn hart reinig als ik toch elke morgen opnieuw getuchtigd word? De ongelovigen hebben het veel beter en gemakkelijker dan ik. In vers 17 van deze Psalm lezen we echter: "Totdat ik... op hun einde merkte"!

Laten we absoluut niet jaloers zijn op de mensen van deze wereld! God spreekt Zijn laatste woord niet aan deze kant van het graf.

De tegenstelling tussen het vreselijke einde dat de onbekeerden te wachten staat en de heerlijke toekomst die de Heere voor Zijn geliefde verlosten heeft bewaard, kan niet groter zijn (Johannes 14 vers 3; 17 vers 24; Romeinen 8 vers 17 en 18).

Job 22:1-30
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:2Zal ook een man Gode voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn.3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?5Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?6Want gij hebt uw broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de klederen der naakten hebt gij uitgetogen.7Den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en van den hongerige hebt gij het brood onthouden.8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.12Is niet God in de hoogte der hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.13Daarom zegt gij: Wat weet er God van? Zal Hij door de donkerheid oordelen?14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?16Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;17Die zeiden tot God: Wijk van ons! En wat had de Almachtige hun gedaan?18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.19De rechtvaardigen zagen het, en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen;20Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.23Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.24Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken;25Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;26Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.27Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.28Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen.29Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden.30Ja, Hij zal dien bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen.

De derde gespreksronde begint. Tot nu toe hebben de drie vrienden in het algemeen gesproken over de wettelozen: hij doet dit, hij verdient dat (hoofdstuk 15 vers 20 en verder). Nu legt Elifaz echter de achtergrond van zijn gedachten door directe beschuldigingen bloot: uw boosheid, uw ongerechtigheden (vers 5). Deze man, maar ook z'n beide kameraden, zijn ver verwijderd van de leringen van de Heere, Die ons zegt dat we eerst onszelf moeten (be)oordelen voordat we de splinter uit het oog van een broeder trekken (Mattheüs 7 vers 1 - 5). En ook Zijn voorbeeld volgen ze bij lange na nog niet na: Hij heeft Zich vernederd om Zijn discipelen de voeten te wassen (Johannes 13 vers 14 en 15).

Als we vers 3 vergelijken met hetgeen God tegen satan gezegd heeft (hoofdstuk 1 vers 8; 2 vers 3), dan zien we hoe slecht Elifaz God kende. Niets is Hem immers meer welgevallig dan dat een mens gerechtigheid doet (Handelingen 10 vers 35)!

Laten we bij het lezen van deze verzen echter ook luisteren naar hetgeen de Geest van God óns door deze woorden wil zeggen. Als bijvoorbeeld één van onze lezers nog geen vrede met God heeft, laat hij of zij dan de opdracht uit vers 21 ter harte nemen: "Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen". Voor het woordje "gewen" zouden we ook "verzoen" kunnen invullen (zie 2 Korinthe 5 vers 20).

En geldt het volgende vers niet voor ons allemaal? "Ontvang toch de wet (het Woord) uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart"!

Job 23:1-17
1Maar Job antwoordde en zeide:2Ook heden is mijn klacht wederspannigheid; mijn plage is zwaar boven mijn zuchten.3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.8Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet.9Als Hij ter linkerhand werkt, zo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij Zich ter rechterhand, zo zie ik Hem niet.10Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.12Het gebod Zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.13Maar is Hij tegen iemand, wie zal dan Hem afkeren? Wat Zijn ziel begeert, dat zal Hij doen.14Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem.15Hierom word ik voor Zijn aangezicht beroerd; aanmerk het, en vrees voor Hem;16Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;17Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.

Job is al bij zijn achtste toespraak aangekomen en de kloof tussen hem en zijn vrienden wordt steeds groter. Laatstgenoemden vergaat het als zoveel mensen vandaag de dag: ze zien God als een verheven Schepper, te hoog om Zich neer te buigen en Zich met de details van hun omstandigheden bezig te houden en rekening te houden met hun gevoelens (zie hoofdstuk 22 vers 2, 3 en 12).

Job daarentegen beschikt over meer kennis. Hij weet dat God Zich voor hem interesseert — meer zelfs dan hemzelf lief is (hoofdstuk 7 vers 19) — maar hij denkt dat God onbereikbaar is. "Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou", roept hij het uit in vers 3.

Weet ieder van ons waar God te vinden is? Hij is in de Persoon van de Heere Jezus naar ons toegekomen, opdat wij van onze kant vrijmoedig in het gebed tot Hem mogen naderen en toegang hebben tot de plaats waar Christus nu aan de rechterhand van God zit (vers 3; Hebreeën 4 vers 16).

Vers 10 herinnert ons aan het doel van de beproeving: "Als goud zal ik uitkomen", bevestigt Job. Hoewel het bewustzijn van de genade, die ten gunste van hem werkzaam is, hem nog ontbreekt, stemt onze patriarch toch in met de woorden van de apostel Petrus. Deze schrijft: "Nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; Opdat de beproeving van uw geloof, die veel kostbaarder is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus" (1 Petrus 1 vers 6 en 7).

Job 25:1-6; Job 26:1-14
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:2Heerschappij en vreze zijn bij Hem, Hij maakt vrede in Zijn hoogten.3Is er een getal Zijner benden? En over wien staat Zijn licht niet op?4Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is?5Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven; en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen.6Hoeveel te min de mens, die een made is, en des mensen kind, die een worm is!
1Maar Job antwoordde en zeide:2Hoe hebt gij geholpen dien, die zonder kracht is, en behouden den arm, die zonder sterkte is?3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?5De doden zullen geboren worden van onder de wateren, en hun inwoners.6De hel is naakt voor Hem, en geen deksel is er voor het verderf.7Hij breidt het noorden uit over het woeste; Hij hangt de aarde aan een niet.8Hij bindt de wateren in Zijn wolken; nochtans scheurt de wolk daaronder niet.9Hij houdt het vlakke Zijns troons vast; Hij spreidt Zijn wolk daarover.10Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.11De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.12Door Zijn kracht klieft Hij de zee, en door Zijn verstand verslaat Hij haar verheffing.13Door Zijn Geest heeft Hij de hemelen versierd; Zijn hand heeft de langwemelende slang geschapen.14Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord? Wie zou dan den donder Zijner mogendheden verstaan?

(Hoofdstuk 24 is een deel van de achtste toespraak van Job, waarover we gisteren al iets gelezen hebben.)

Bildad betekent 'zoon van de strijd'. Inderdaad, deze man doet z'n naam eer aan! Maar wat gebiedt het Woord? "Een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leren, ... Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan ..." (2 Timotheüs 2 vers 24 en 25). Deze karaktertrekken zijn bij geen van de drie vrienden naar voren gekomen. Ze konden goed bepaalde vragen stellen, maar waren niet in staat antwoorden te geven. Ze konden verwonden, maar niet herstellen; afbreken, maar niet opbouwen.

Na een korte toespraak zwijgt Bildad definitief. Al waren de woorden nog zo hard, ze bewerkten bij Job geen overtuiging van zonde. Hoe meer hij aangeklaagd werd, hoe meer hij zich genoodzaakt zag zichzelf te rechtvaardigen. Alleen de Geest van God kan het bewustzijn van zonde in het geweten bewerken. Heeft Hij dat bij u, bij jou gedaan?

Bovendien heeft het hart van Job geen enkel troostrijk woord ontvangen. Daarbij moeten we denken aan Hem, Die zo ontzettend veel heeft moeten verdragen en het uitriep: "Ik heb gewacht naar medelijden, maar er is er geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden" (Psalm 69 vers 21).

De arme Job werd niet geholpen door een wijze raad (hoofdstuk 26 vers 2 en 3), maar juist het tegenovergestelde werd bereikt: de drie vrienden hebben hem met hun uitspraken tot het uiterste geprikkeld. Daarom lucht Job nu zijn hart in een lange en vertwijfelde alleenspraak.

Job 27:1-23
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:2Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!3Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!5Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.6Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden, en zal ze niet laten varen; mijn hart zal die niet versmaden van mijn dagen.7Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.8Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijn ziel zal uittrekken?9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?10Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?11Ik zal ulieden leren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is, zal ik niet verhelen.12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?13Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.14Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.15Zijn overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen.16Zo hij zilver opgehoopt zal hebben als stof, en kleding bereid als leem;17Hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver delen.18Hij bouwt zijn huis als een motte, en als een hoeder de hutte maakt.19Rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijn ogen open, zo is hij er niet.20Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.21De oostenwind zal hem wegvoeren, dat hij henengaat, en zal hem wegstormen uit zijn plaats.22En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.23Een ieder zal over hem met zijn handen klappen, en over hem fluiten uit zijn plaats.

Job heeft niet minder dan zes hoofdstukken nodig om zijn eigen gerechtigheid te beklemtonen. Dat is te veel — en toch niet genoeg! Dat zou zelfs in honderd hoofdstukken niet lukken, want niets wat van de mens komt, stemt volledig overeen met de Goddelijke gerechtigheid. Gods rechtvaardiging is daarentegen een voldongen feit en geheel, buiten elke inspanning van de kant van de mens zelf, volbracht.

Laten we erop letten dat de zelfrechtvaardiging van Job slechts tot gevolg heeft dat hij deze God — van Wie Job denkt dat Hij hem onterecht geslagen heeft — van ongerechtigheid beschuldigt (vergelijk hoofdstuk 40 vers 3). Bovendien neemt hij de vrijheid om de Almachtige openlijk terecht te wijzen, omdat Hij hem het recht weggenomen heeft en hem zo onnodig plaagt (vers 2).

Deze houding getuigt van hoogmoed. "Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden", zegt Job, "mijn hart zal die niet versmaden mijn leven lang" (vers 6).

Maar wat is het antwoord van God? "Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelf, en de waarheid is in ons niet" (1 Johannes 1 vers 8).

Als ons eigen hart ons niet veroordeelt, wil dat echter nog niet zeggen dat wij zonder zonde zijn. God is veel fijngevoeliger voor het kwaad dan ons geweten (1 Korinthe 4 vers 4). In het schemerdonker menen wij misschien dat onze kleren schoon zijn, terwijl in de felle zon (het licht van God) zelfs de kleinste vlek zichtbaar wordt (Spreuken 4 vers 18).

Job 28:1-28
1Gewisselijk, er is voor het zilver een uitgang, en een plaats voor het goud, dat zij smelten.2Het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.3Het einde, dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste onderzoekt hij; het gesteente der donkerheid en der schaduw des doods.4Breekt er een beek door, bij dengene, die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mens uitgeput, en gaan weg.5Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.6Haar stenen zijn de plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.8De jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet heengegaan.9Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.10In de rotsstenen houwt hij stromen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.14De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.15Het gesloten goud kan voor haar niet gegeven worden, en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.16Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken Schoham, en den Saffier.17Men kan het goud of het kristal haar niet gelijk waarderen; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.18De Ramoth en Gabisch zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan der Robijnen.19Men kan de Topaas van Morenland haar niet gelijk waarderen; en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?21Want zij is verholen voor de ogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.22Het verderf en de dood zeggen: Haar gerucht hebben wij met onze oren gehoord.23God verstaat haar weg, en Hij weet haar plaats.24Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.25Als Hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;26Als Hij den regen een gezette orde maakte, en een weg voor het weerlicht der donderen;27Toen zag Hij haar, en vertelde ze; Hij schikte ze, en ook doorzocht Hij ze.28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.

Job heeft één belangrijk ding al goed begrepen: uit deze beproeving, waar God hem doorheen laat gaan, zal zijn geloof als glanzend goud uit de smeltkroes van de goudsmid tevoorschijn komen (hoofdstuk 23 vers 10).

Hij weet echter nog niet hoeveel slakken daarvoor eerst nog bij hem verwijderd moeten worden: "er is ... een plaats voor het goud, dat zij smelten" (vers 1; zie ook Zacharia 13 vers 9 en Maleachi 3 vers 3). En deze plaats is de smeltkroes van beproeving!

Net als een goed goudsmid kent ook de Heere de hitte en de duur van het vuur dat nodig is om zilver en goud — dat wil zeggen: Zijn kostbare verlosten — te reinigen. De volmaakte 'Diamantslijper' weet hoeveel pijnlijke slagen er nodig zijn om Zijn onyx, saffier, robijn en topaas in de mooiste kleuren te laten schitteren.

Op het gebied van de weg- en waterbouwkunde brengt de mens veel tot stand. Denk maar aan de bouw van dammen, tunnels, autosnelwegen enz. De mens is zelfs in staat waardevolle dingen aan de aardbodem te onttrekken (vers 9 -11). Toch is er één ding waar de mens nauwelijks moeite voor doet om die te doorgronden: dat is de wijsheid van God. Toch is zij meer waard dan alle robijnen (vers 18) of koralen. Ook in Spreuken, waar zo veel over de Goddelijke wijsheid gesproken wordt, wordt dit vaak benadrukt (lees maar eens hoofdstuk 3 vers 15; 8 vers 11). En vergelijk ook het belangrijke feit van vers 28 met de woorden van Spreuken 9 vers 10 en Psalm 111 vers 10.

Job 29:1-25
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:2Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!3Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;5Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;6Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;7Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.8De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden.9De oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hun mond.10De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte.11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.12Want ik bevrijdde den ellendige, die riep, en den wees, die geen helper had.13De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen.14Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.15Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.16Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil, dat ik niet wist, dat onderzocht ik.17En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit zijn tanden.18En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand.19Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak.20Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand.21Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad.22Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen.23Want zij wachtten naar mij, gelijk naar den regen, en sperden hun mond open, als naar den spaden regen.24Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen.25Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost.

Aan het begin van het Boek Job geeft God ons een korte beschrijving van de levenswijze van Job. De verzen die we nu gelezen hebben, maken dit beeld compleet. Maar nu is het Job zelf die een beschrijving daarvan geeft. Alles wat hij van zijn werken vertelt, klopt precies. En daarmee waren de beschuldigingen van Zofar (hoofdstuk 20 vers 19) en Elifaz (hoofdstuk 22 vers 6, 7 en 9) in feite pure laster (vergelijk vers 12 en 13).

Wie zou vandaag zoveel kunnen opnoemen wat door God gewaardeerd en waar ook door de mensen tegenop gekeken wordt? De zelfingenomenheid waarmee Job z'n vroegere leven beschrijft, laat echter zien dat zijn hele hart daarnaar uitgaat. Job had nog niet geleerd, zoals de apostel, om tevreden te zijn met de omstandigheden waarin hij zich bevond; Job kon het niet goed verwerken zo "vernederd te worden", "gebrek te lijden" of "overvloed te hebben" (Filippensen 4 vers 11 en 12).

Bovendien is het opmerkelijk hoe vaak de woorden "ik", "mijn", en "mij" in deze verzen voorkomen (ongeveer vijftig keer in hoofdstuk 29). Het zijn maar kleine woordjes, die echter duidelijk aangeven welk een hoge dunk Job van zichzelf had. Dit gevoel had hij tot hiertoe steeds verborgen weten te houden, door de schijn op te houden dat hij bescheiden van hart was. Nu komt het echter openlijk aan het licht. Gelukkig maar, want dat geeft God de gelegenheid hem hiervan te bevrijden. Dat gebeurt echter pas nadat Job dit kwaad aan Hem beleden heeft!

Job 30:1-31
1Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.2Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.3Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.4Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren.5Zij werden uit het midden uitgedreven; (men jouwde over hen, als over een dief),6Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.7Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich.8Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.9Maar nu ben ik hun een snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord.10Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.11Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt, en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.12Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen.13Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.14Zij komen aan, als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan.15Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.17Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet.18Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks.19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.20Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.21Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.23Want ik weet, dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden.24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?26Nochtans toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid.27Mijn ingewand ziedt, en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen.28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.29Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen.30Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid.31Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden.

Wat een tegenstelling tussen dit hoofdstuk en het voorgaande! Eerst mocht Job zich erin verheugen geëerd en geliefd te zijn, maar nu wordt hij van de ene dag op de andere veracht en met de nek aangekeken. Zo gaat het toe in de wereld; ze is vol van huichelarij en bedrog.

Gelovigen die meenden toch op dit systeem te kunnen vertrouwen, hebben dit op een gegeven moment op een pijnlijke manier moeten ontdekken. Van nature vindt het hart van de mens een welgevallen in het ongeluk van een ander. Hoe heeft de mens immers niet genoten van de vernedering van de Heere Jezus (vergelijk vers 9 met Psalm 69 vers 13)?

De aardse zegeningen van Job bleken vergankelijk te zijn. De gelovige daarentegen bezit "alle geestelijke zegening in de hemel (hemelse gewesten) in Christus" (Efeze 1 vers 3). Noch satan, noch de wereld, ja zelfs de dood is niet in staat hem die te ontroven.

Doordat Job meende vanwege zijn godsdienstigheid recht te hebben op een zekere welstand, gaat hij nu zover dat hij over God klaagt. Weten wij zeker van onszelf, dat wij dat nooit doen? Zeker wíj hebben daartoe geen enkele reden!

"Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet" (vers 20). Dat zijn woorden die overeenkomen met Psalm 22 vers 3. Maar wat een verschil tussen de verbittering van Job, die God zelfs gevoelens van wreedheid toeschrijft (vers 21), en de volmaakte overgave van de Heere Jezus, Die Zijn vertrouwen in God geen enkel moment opgeeft!

Job 31:1-12, 29-40
1Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?3Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;6Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten.7Zo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft;8Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!9Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb;10Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen!11Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.12Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.
29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).31Zo de lieden mijner tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden;32De vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar den weg;33Zo ik, gelijk Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende!34Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn.35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.36Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.37Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.38Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;39Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen;40Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid! De woorden van Job hebben een einde.

In hoofdstuk 29 heeft Job uitvoerig verteld over al het goede dat hij gedaan heeft. En nu volgt er een evenzo gedetailleerde beschrijving van al het kwaad dat hij niet gedaan heeft: onzedelijkheid (vers 1- 12), ongerechtigheid (vers 13 -15), egoïsme (vers 15 - 23), afgodendienst (vers 24 - 28). Men kan zich in het ene of het andere beroemen, maar vergeet dan dat het alleen God is Die iemand ertoe aanzet het goede te doen en dat alleen Hij iemand voor het kwaad bewaart!

Mocht iemand al het recht hebben om op eigen werken te vertrouwen, dan was dat zeker Job.

Paulus schrijft dat ook over zichzelf in de Brief aan de Filippensen. "Maar," voegt hij er aan toe, "hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht" (Filippensen 3 vers 4 en 7). Zijn natuurlijke eigenschappen als goede Israëliet, zijn eenmalige gerechtigheid en dat hij een voortreffelijke farizeeër was, dat alles acht hij voortaan voor drek. Daarom hoefde God hém ook niets meer te ontnemen, wat bij Job nog wel nodig was. Door de genade had Paulus alles wat niet "Christus" was, al opzijgezet.

Let eens op de manier waarop Job de dingen opnoemt. Het lijkt alsof hij in z'n gedachten bepaalde dingen onderstreept. Stilzwijgend legt hij daardoor de nadruk op al het goede dat hij gedaan heeft en op zijn eigen verdiensten. En aan het eind van deze opsomming zet Job als het ware plechtig zijn handtekening eronder en daagt hij God uit hem hierop te antwoorden (vers 35).

Job 32:1-22
1Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was.2Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.3Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.4Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.5Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.6Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.8Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.11Ziet, ik heb gewacht op ulieder woorden; ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen, totdat gij redenen uitgezocht hadt.12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.15Zij zijn ontzet, zij antwoorden niet meer; zij hebben de woorden van zich verzet.16Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet; want zij staan stil; zij antwoorden niet meer.17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.18Want ik ben der woorden vol; de geest mijns buiks benauwt mij.19Ziet, mijn buik is als de wijn, die niet geopend is; gelijk nieuwe lederen zakken zou hij bersten.20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.21Och, dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot den mens geen bijnamen gebruike!22Want ik weet geen bijnamen te gebruiken; in kort zou mijn Maker mij wegnemen.

De bewijsvoeringen van Elifaz, Bildad en Zofar zijn uitgeput. Ook Job zelf zwijgt! Nu komt er iemand anders naar voren: Elihu. Die naam betekent 'God Zelf'. De Geest van God zal door zijn mond spreken (1 Petrus 4 vers 11).

Het totale onvermogen van de mens is duidelijk gebleken. Kijk maar naar Job, die niet in staat was de beproeving te verdragen; bij zijn vrienden zagen we dat alle menselijke troost pure ijdelheid is. Nu dus duidelijk gebleken is dat deze aardse wijsheid tot niets in staat was, zal Elihu "de wijsheid, die van boven is" uitspreken (Jakobus 3 vers 14 -17). En de vier oude mannen worden door een veel jongere beschaamd.

Elihu weet hoe hij zich gedragen moet. Hij heeft geduldig gewacht tot de voorgaande toespraken beëindigd waren. Hierin is hij een voorbeeld voor ons, ook voor jullie, jongeren! Vooral jongeren moeten namelijk kunnen luisteren en wachten. Juist dat is een kenmerk van wijsheid (Jakobus 1 vers 19). Normaal gesproken mag je ervan uitgaan dat de kennis en ervaring van ouderen groter is dan die van jongeren! Bovendien is het wachten van een jongere gewoon een stukje beleefdheid!

Ondanks deze achting van Elihu belemmert dit hem niet om nu met heilige toom te spreken. De heerlijkheid van God was namelijk door Job en zijn vrienden in twijfel getrokken en deze trouwe man van God kan hen daarom niet ontzien. Hij gebruikt geen vleiende woorden en kiest geen partij voor hen — twee gevaren waaraan ook wij soms blootgesteld worden (vers 21).

Job 33:1-22
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.4De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.6Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden.7Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;9Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad.10Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand.11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.14Maar God spreekt eens of tweemaal; doch men let niet daarop.15In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;16Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding;17Opdat Hij den mens afwende van zijn werk, en van den man de hovaardij verberge;18Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.19Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;20Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze;21Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die niet gezien werden, uitsteken;22En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen, die doden.

Job heeft al twee keer aangegeven dat hij naar de bemiddeling van een scheidsrechter verlangt (hoofdstuk 9 vers 33 en 16 vers 21). Nu gaat zijn wens in vervulling! Elihu zal hem de gedachten van God uitleggen. Job dacht dat deze rol niet door een mens als hij vervuld zou kunnen worden (hoofdstuk 9 vers 32). "Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden", antwoordt Elihu echter (vers 6). En het Woord van God leert ons dat er "één Middelaar Gods en der mensen" is, "de Mens Christus Jezus" (1 Timotheüs 2 vers 5). O, dit diepe geheimenis van de Mensheid van de Heere Jezus; zonder dat zou Hij Zich nooit tot de Voorspraak voor de mensen bij God hebben kunnen maken!

"Maar God spreekt eens of tweemaal" (vers 14). Nadat Hij door de profeten gesproken had, heeft Hij gesproken door de Zoon. Had de wereld er maar acht op geslagen en geluisterd! (Hebreeën 1 vers 1 en 2; 2 vers 1). In vers 14 lezen we: "Doch men let niet daarop". Zo onverschillig en verhard is het menselijk hart! Daarom waarschuwt dezelfde Brief heel indringend: "Ziet toe, dat gij Hem, Die spreekt, niet verwerpt ..., Die van de hemelen is" (Hebreeën 12 vers 25).

Met een korte uitspraak veegt Elihu alle verstandelijke redeneringen en conclusies aan de kant: "God is meer dan een mens" (vers 12). Hij is geen verantwoording schuldig aan schepselen (vers 13).

Job 33:23-33; Job 34:1-15
23Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen;24Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden.25Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren.26Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.27Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat;28Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet.29Zie, dit alles werkt God tweemaal of driemaal met een man;30Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.4Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is.5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.6Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.7Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water;8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.9Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.10Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!11Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden.12Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet.13Wie heeft Hem gesteld over de aarde, en wie heeft de ganse wereld geschikt?14Indien Hij Zijn hart tegen hem zette, zijn geest en zijn adem zou Hij tot Zich vergaderen;15Alle vlees zou tegelijk den geest geven, en de mens zou tot stof wederkeren.

De verzen 23 en 24 van hoofdstuk 33 richten onze gedachten op de Heere Jezus, dé "Uitlegger" in de ware zin van het woord, dé Gezant van Goddelijke liefde. Hij is gekomen om aan zondige mensen de juiste weg bekend te maken, met andere woorden: hen hun toestand te laten inzien en in het Goddelijk licht tot zelfoordeel te brengen. Het leven van Christus hier op aarde heeft onder andere tot doel de ware toestand van de mensen te tonen, mensen die overigens zelf hun vreselijke toestand tot in alle toonaarden ontkennen. Er moest een middel tot verzoening komen, opdat God genade kon bewijzen. En die verzoening heeft plaatsgevonden door de dood van Christus! Door Hem zijn wij van de diepe kuil van het verderf verlost.

En dat is nog niet alles! De verzen 25 en 26 doen ons denken aan het nieuwe leven, de gemeenschap, de vreugde, de gerechtigheid, die ons deel zijn geworden. Allemaal gevolgen van de opstanding van Christus, onze Middelaar, en Zijn aanwezigheid nu in heerlijkheid.

Vers 27 en 28 herinneren ons er ten slotte nog aan, dat er van ons verwacht wordt dat we voor "de mensen" getuigenis afleggen van hetgeen God voor ons gedaan heeft. Laten we dat nooit vergeten!

In hoofdstuk 34 moet Elihu op ernstige toon spreken. Omdat Job zichzelf wilde rechtvaardigen, had hij God van ongerechtigheid beschuldigd (hoofdstuk 32 vers 2). Dat was veel ernstiger dan hij dacht en zich bewust was! Daardoor had hij zich in feite één gemaakt met ongelovigen en wettelozen en daarom moest hij scherp terechtgewezen worden (Romeinen 9 vers 14).

Job 34:16-37
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.17Zou hij ook, die het recht haat, den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer Rechtvaardige verdoemen?18Zou men tot een koning zeggen: Gij Belial; tot de prinsen: Gij goddelozen!19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.20In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand.21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.22Er is geen duisternis, en er is geen schaduw des doods, dat aldaar de werkers der ongerechtigheid zich verbergen mochten.23Gewisselijk, Hij legt den mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.24Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hun plaats.25Daarom dat Hij hun werken kent, zo keert Hij hen des nachts om, en zij worden verbrijzeld.26Hij klopt hen samen als goddelozen, in een plaats, waar aanschouwers zijn;27Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen Zijner wegen verstaan hebben;28Opdat Hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhore.29Als Hij stilt, wie zal dan beroeren? Als Hij het aangezicht verbergt, wie zal Hem dan aanschouwen, zowel voor een volk, als voor een mens alleen?30Opdat de huichelachtige mens niet meer regere, en geen strikken des volks zijn.31Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.33Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, dewijl gij Hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? Wat weet gij dan? Spreek.34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.37Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God.

De mens is niet in staat zich met z'n verstandelijke vermogens een juist beeld over God te vormen. De mens kan zich immers alleen maar vergelijken met z'n medeschepselen. God moet Zichzelf openbaren, opdat Zijn schepsel Hem kan erkennen.

Evenmin is ons verstand in staat om deze Goddelijke openbaring te bevatten. Dat kan alleen het geloof!

God openbaart Zich nu door Zijn Geest. "Alzo weet ook niemand wat van God is, dan de Geest Gods" (1 Korinthe 2 vers 11). Hij leidt de gelovigen in de hele waarheid (Johannes 16 vers 13).

Elihu, die Job onderwijst, is een beeld van de Heilige Geest. Elihu laat Job zien dat hij helemaal op het verkeerde spoor zit, omdat hij zijn kennis over God alleen gebaseerd heeft op eigen ervaringen en gedachten (vers 33). Was hij daardoor immers ook niet zover gekomen de Rechtvaardige te veroordelen? (vers 17).

Wat had Job dan moeten doen in plaats van deze verkeerde gedachten te voeden en uit te spreken? Hij had ootmoedig aan God moeten vragen: "Behalve wat ik zie (of: "wat ik niet inzie"), leer Gij mij!" (vers 32).

Ook voor ons is het uitermate belangrijk dit korte gebed in de loop van de dag steeds opnieuw tot de Heere te richten!

Job 35:1-16
1Elihu antwoordde verder, en zeide:2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?3Want gij hebt gezegd: Wat zou zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen, dan met mijn zonde?4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.5Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?7Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij Hem, of wat ontvangt Hij uit uw hand?8Uw goddeloosheid zou zijn tegen een man, gelijk gij zijt, en uw gerechtigheid voor eens mensen kind.9Vanwege hun grootheid doen zij de onderdrukten roepen; zij schreeuwen vanwege den arm der groten.10Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, Die de psalmen geeft in den nacht?11Die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?12Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der bozen.13Gewisselijk zal God de ijdelheid niet verhoren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.14Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.15Maar nu, dewijl het niets is, dat Zijn toorn Job bezocht heeft, en Hij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft;16Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.

Uit de ongelukken die hem overkomen waren, trok Job uiteindelijk de verdrietige conclusie dat het niet de moeite loonde om rechtvaardig en oprecht te zijn. Uiteindelijk zou hij er immers toch niet beter voor staan dan wanneer hij gezondigd zou hebben (hoofdstuk 9 vers 22; 34 vers 9; 35 vers 3)! Met deze gedachte legt hij in feite z'n hele hart bloot! Het is net alsof hij satan in het gelijk stelt, die gezegd heeft: "Is het om niet, dat Job God vreest?" (hoofdstuk 1 vers 9). Het lijkt bijna op de overleggingen van "mensen, die een verdorven verstand hebben" - en van wie de apostel spreekt - "menende, dat de godzaligheid een gewin is" (1 Timotheüs 6 vers 5; lees ook Maleáchi 3 vers 14).

Tot hiertoe had deze patriarch niet geweten dat er zulke gedachten in zijn hart aanwezig waren. Hij kende zijn goede daden, maar niet hun geheime drijfveren. En juist die waren helemaal niet zo goed!

O, dat de Geest ons toch door het Woord tot onderzoek moge brengen, om onze gedachten en de overleggingen van ons hart te beoordelen en bloot te leggen (Hebreeën 4 vers 12)! Dat is ook de dienst die Elihu hier aan Job verricht, door hem de waarheid te zeggen. Sommige dingen zijn helemaal niet zo fijn om te horen, maar "de wonden van de liefhebber zijn getrouw". Dus een echte vriend 'verwondt' je misschien door zijn woorden of daden, maar dat kan gebeuren uit liefde voor jou! Die vriend wil je daardoor juist helpen de juiste weg terug te vinden (Spreuken 27 vers 6; zie ook Colossenzen 4 vers 6)!

Als de noodzakelijke lessen eenmaal geleerd zijn, dan zullen de tranen en noodkreten (hoofdstuk 19 vers 21) veranderen in "Psalmen in de nacht" (vers 9 en 10).

Job 36:1-21
1Elihu ging nog voort, en zeide:2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.4Want voorwaar, mijn woorden zullen geen valsheid zijn; een, die oprecht is van gevoelen, is bij u.5Zie, God is geweldig, nochtans versmaadt Hij niet; geweldig is Hij in kracht des harten.6Hij laat den goddeloze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt Hij.7Hij onttrekt Zijn ogen niet van den rechtvaardige, maar met de koningen zijn zij in den troon; daar zet Hij hen voor altoos, en zij worden verheven.8En zo zij, gebonden zijnde in boeien, vast gehouden worden met banden der ellende;9Dan geeft Hij hun hun werk te kennen, en hun overtredingen, omdat zij de overhand genomen hebben;10En Hij openbaart het voor hunlieder oor ter tucht, en zegt, dat zij zich van de ongerechtigheid bekeren zouden.11Indien zij horen, en Hem dienen, zo zullen zij hun dagen eindigen in het goede, en hun jaren in liefelijkheden.12Maar zo zij niet horen, zo gaan zij door het zwaard door, en zij geven den geest zonder kennis.13En die met het hart huichelachtig zijn, leggen toorn op; zij roepen niet, als Hij hen gebonden heeft.14Hun ziel zal in de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens.15Hij zal den ellendige in zijn ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal Hij het voor hunlieder oor openbaren.16Alzo zou Hij ook u afgekeerd hebben van den mond des angstes tot de ruimte, onder dewelke geen benauwing zou geweest zijn; en het gerecht uwer tafel zou vol vettigheid geweest zijn.17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.19Zou Hij uw rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?20Haak niet naar dien nacht, als de volken van hun plaats opgenomen worden.21Wacht u, wend u niet tot ongerechtigheid; overmits gij ze in dezen verkoren heb, uit oorzake van de ellende.

Elihu praat verder en rechtvaardigt God (vers 3). Dit doet hij door twee verkeerde gedachten over Hem te weerleggen: ondanks Zijn macht bekommert de Schepper Zich wel om Zijn schepselen én Hij veracht hen nooit (vers 5). De rechtvaardige, dus de gelovige, is voortdurend het onderwerp van Zijn zorg. Of Hij hem nu verhoogt (vers 7) of hem juist beproevingen op z'n weg brengt (vers 8), altijd zijn Zijn ogen zijn op hem gericht.

Bovendien is het ook niet zo, zoals Job meende, dat God handelt naar dat Zijn stemming is. Als God beproevingen toelaat in iemands leven, dan heeft Hij daarmee een bepaald doel voor ogen. Hij wil de Zijnen hun manier van doen laten zien, opent hun oor voor de onderwijzing (tucht) en bewerkt, indien nodig, dat ze het kwaad de rug toekeren.

Tuchtiging is een onderdeel van de opvoeding. Hebreeën 12 vers 7 zegt ons dat het speciaal bedoeld is voor de zonen van God. Normaal gesproken wijzen ouders immers alleen hun eigen kinderen terecht en niet die van anderen. De tucht van God geeft dan ook duidelijk de verbinding met Hem als Vader aan!

Hebreeën 12 vers 5 en 6 laat ons echter ook zien dat de ziel die de tucht ondergaat, deze kan minachten door er niet naar te luisteren of er geen waarde aan te hechten (vers 12; vergelijk hoofdstuk 5 vers 17). En het kan zelfs zover komen dat men "bezwijkt", dus de moed verliest en vergeet dat het de trouwe liefde van de Heere is die dit nodig acht en toelaat (Psalm 119 vers 75).

Job 36:22-33; Job 37:1-4
22Zie, God verhoogt door Zijn kracht; wie is een Leraar, gelijk Hij?23Wie heeft Hem gesteld over Zijn weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?24Gedenk, dat gij Zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen.25Alle mensen zien het aan; de mens schouwt het van verre.26Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;28Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.29Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen Zijner hutte?30Zie, Hij breidt over hem Zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt Hij.31Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.32Met handen bedekt Hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door dengene, die tussen doorkomt.33Daarvan verkondigt Zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp
1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!3Dat zendt Hij rechtuit onder den gansen hemel, en Zijn licht over de einden der aarde.4Daarna brult Hij met de stem; Hij dondert met de stem Zijner hoogheid, en vertrekt die dingen niet, als Zijn stem zal gehoord worden.

"Wie is een Leraar, gelijk Hij?", vraagt Elihu in vers 22. God heeft een leerschool. In tegenstelling tot de gewone scholen van mensen duurt die school van God je hele leven lang. Als we Zijn lessen willen volgen, dan zullen we wijzer en verstandiger worden dan we ooit op een universiteit zouden kunnen bereiken (Psalm 94 vers 10 en 12; Jesaja 48 vers 17).

Nadat de volksmenigte de Bergrede gehoord had, moesten de mensen toegeven dat de Heere Jezus hen leerde "als Machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden" (Markus 1 vers 22). Autoriteit en wijsheid, onuitputtelijk geduld, zachtmoedigheid zelfs in terechtwijzing, dat waren de karaktertrekken van de "Leraar van God gekomen" (Johannes 3 vers 2) om de mensen te beleren. Hij is nu niet meer hier op aarde, maar heeft ons Zijn Woord gegeven, de Bron waaruit alle leringen voor onze ziel voortkomen.

Elihu roemt de kracht van God (vers 22), Zijn doen (vers 24), Zijn grootheid (vers 26), Zijn gerechtigheid en goedheid (vers 31). Wij verheugen ons, samen met hem te mogen zeggen: "Zie, God is geweldig - zie, God verhoogt door Zijn kracht - zie, God is groot, en wij begrijpen het niet!"

De Vader te openbaren en Zijn Naam te verheerlijken, dat was voor de Heere Jezus het doel van Zijn hele dienst en de samenvatting van Zijn onderwijzing, zolang Hij hier beneden was (Johannes 17 vers 4, 6 en 26).

Job 37:5-24
5God dondert met Zijn stem zeer wonderlijk; Hij doet grote dingen, en wij begrijpen ze niet.6Want Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregens des regens; dan is er de plasregen Zijner sterke regenen.7Dan zegelt Hij de hand van ieder mens toe, opdat Hij kenne al de lieden Zijns werks.8En het gedierte gaat in de loerplaatsen, en blijft in zijn holen.9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.10Door zijn geblaas geeft God de vorst, zodat de brede wateren verstijfd worden.11Ook vermoeit Hij de dikke wolken door klaarheid; Hij verstrooit de wolk Zijns lichts.12Die keert zich dan naar Zijn wijzen raad door ommegangen, dat zij doen al wat Hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde.13Hetzij dat Hij die tot een roede, of tot Zijn land, of tot weldadigheid beschikt.14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.15Weet gij, wanneer God over dezelve orde stelt, en het licht Zijner wolk laat schijnen?16Hebt gij wetenschap van de opwegingen der dikke wolken; de wonderheden Desgenen, Die volmaakt is in wetenschappen?17Hoe uw klederen warm worden, als Hij de aarde stil maakt uit het zuiden?18Hebt gij met Hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn, als een gegoten spiegel?19Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordentelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis.20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.21En nu ziet men het licht niet als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat, en dien zuivert;22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!23Den Almachtige, Dien kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch door gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet.24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.

Elihu gebruikt het beeld van de lucht op een onweersdag, om de toestand van de ziel van de patriarch en de wegen die God met hem ging, duidelijk te maken (hoofdstuk 36 vers 27 - 29, 32 en 33; 37 vers 2 en verder). De donkere wolken illustreren het verdriet en de beproeving die een tijd lang het licht van het aangezicht van God voor Job verborgen hebben gehouden. Voor het natuurlijke hart is het moeilijk om het geheimzinnige voorbijtrekken van de wolken te begrijpen (vers 16).

Eén ding mag Job echter weten: God heeft deze wolken vol geladen met zegen voor hem (vers 11 en hoofdstuk 26 vers 8). De regen kan op verschillende manieren stromen: in goedheid, om gestaag de aarde te bevochtigen (Psalm 65 vers 11), of juist tot tuchtiging, als een roede (vers 13; vergelijk Psalm 148 vers 7 en 8). De druppels kunnen rijkelijk vallen en een weldaad zijn (hoofdstuk 36 vers 27 en 28), in de vorm van vruchtbare plasregens (vers 6). Maar er kunnen ook zulke geweldige regenbuien vallen, dat de aardbodem erdoor verwoest wordt in plaats van dat het water erin kan doordringen! Dit laatste mogen we vergelijken met een oordeel dat geen uitwerking heeft op de ziel.

Dit heeft God echter niet met Zijn knecht Job voor. Zijn plan is hem juist te zegenen, hem "met mate" te kastijden (Jeremia 10 vers 24) en hem zover te brengen dat hij God gaat loven als hij Zijn licht opnieuw ziet schijnen (vergelijk vers 21).

Job 38:1-18
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.5Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?6Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd?7Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.8Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam?9Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;10Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;11En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.12Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats aangewezen;13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?14Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?15En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?17Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?18Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.

"Dat de Almachtige mij zou antwoorden!", had Job uitgeroepen (hoofdstuk 31 vers 35); vergelijk dit eens met de woorden van Elifaz in hoofdstuk 5 vers 1. Nu vervult God, van Wie Job dacht dat Hij doof en onbereikbaar was, zijn wens. Maar op een andere manier dan Job gedacht had! Want in plaats van hem direct te antwoorden, stelt de Eeuwige hem een heleboel vragen. De Heere Jezus handelde vaak precies zo met Zijn gesprekpartners (kijk bijvoorbeeld maar in Lukas 10 vers 25 en 26; 20 vers 2 - 4 en 21 - 24).

Omdat Job zo'n hoge dunk van zichzelf had (hoofdstuk 31 vers 37), was het nodig dat hij vernederd werd. En God wilde met Zijn vragen bewerken dat hij de juiste maatstaf zou aanleggen en zou inzien hoe klein en totaal onwetend hijzelf was. Onder hen die wetenschappelijk onderzoek verrichten - als ze het tenminste op een objectieve manier doen - kom je het soms ook tegen, dat de grootste geleerden heel bescheiden van zichzelf denken.

Iemand heeft eens gezegd: 'Als de mens luistert, dan spreekt God'. En God heeft geduld. Hij heeft Job en zijn vrienden alle tijd gelaten om hun verkeerde gedachten in te zien en te veranderen; daarna heeft Hij Elihu de opdracht gegeven deze te weerleggen. Als er dan ten slotte een stilte ontstaat, dan kan God Zelf gaan spreken en natuurlijk zal Hij het laatste woord hebben.

O, dat wij dat ook kunnen: stil zijn, ons opstandig gemoed tot zwijgen brengen, opdat God tot ons kan spreken!

Job 38:19-38
19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?21Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.22Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?23Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs!24Waar is de weg, daar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?25Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?26Om te regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is;27Om het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.28Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen des dauws?29Uit wiens buik komt het ijs voort, en wie baart den rijm des hemels?30Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgrond wordt omvat.31Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Orions losmaken?32Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?35Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij henenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?37Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flessen des hemels nederleggen?38Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

De schepping is het eerste getuigenis dat God over Zichzelf geeft. En elk mens heeft, zonder één uitzondering, de verantwoordelijkheid om, met behulp van zijn verstand, "Zijn onzienlijke dingen... Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid" te erkennen. Als de mens alles wat geschapen is, ziet, zonder Hem Die het geschapen heeft, te erkennen en te vereren, dan is zo iemand niet te verontschuldigen (Romeinen 1 vers 19 en 20).

God nodigt ons, samen met Job, uit om Zijn prachtig heelal te bewonderen. En wie zou beter over alle wonderen van de schepping kunnen vertellen dan de Schepper Zelf?

Maar Hij, Die het licht geschapen heeft, Die "de liefelijkheden van het Zevengesternte" bindt en "de verordeningen des hemels" bepaald heeft, is Dezelfde Die Zich neerbuigt om Zich met één afzonderlijke ziel bezig te houden. In dit geval gaat het om Job, maar God houdt Zich ook met u en mij bezig! Een ellendige zondaar heeft in Zijn ogen meer waarde dan alle sterren aan het firmament.

De mensen hebben altijd al geprobeerd het wereldruim te onderzoeken. Sommigen zijn hun hele leven lang hier mee bezig en alle tijd die ze hebben besteden ze aan dat onderzoek. Maar is het niet veel belangrijker om onze tijd te gebruiken om de Schriften te onderzoeken? (Johannes 5 vers 39). "De hemelen vertellen Gods eer" (Psalm 19 vers 1), maar... Zijn Woord spreekt ons van Zijn genade!

Job 38:39-41; Job 39:1-18
39 40 41
1Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?2Als zij nederbukken in de holen, en in den kuil zitten, ter loering?3Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?4Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?5Zult gij de maanden tellen, die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren?6Als zij zich krommen, haar jongen met versplijting voortbrengen, haar smarten uitwerpen?7Haar jongen worden kloek, worden groot door het koren; zij gaan uit, en keren niet weder tot dezelve.8Wie heeft den woudezel vrij henengezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels gelost?9Dien Ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige tot zijn woningen.10Hij belacht het gewoel der stad; het menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.11Dat hij uitspeurt op de bergen, is zijn weide; en hij zoekt allerlei groensel na.12Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uw kribbe?13Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?14Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?15Zult gij hem geloven, dat hij uw zaad zal wederbrengen, en vergaderen tot uw dorsvloer?16Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?17Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.18En vergeet, dat de voet die drukken kan, en de dieren des velds die vertrappen kunnen?

Job heeft niets weten te zeggen op Gods schildering van de grote natuurverschijnselen en de wetmatigheden die nu nog steeds het evenwicht in de schepping bewaren. Nu wordt deze onkundige leerling door de Leraar, Die alle wijsheid bezit, ondervraagd naar zijn kennis op het gebied van de dierkunde. Maar ook dit keer zal hij geen hoog cijfer behalen.

Sinds de tijd waarin deze patriarch leefde en ondanks alle inspanningen van de mens alles te doorgronden, zijn er in de schepping nog talloze raadselen. Deze geheimen bezorgen de wetenschappers hoofdbrekens, misschien juist wel omdat ze verblind zijn in hun eigen theorieën. Denk alleen maar aan de oorsprong van het leven!

God spreekt in deze vier hoofdstukken over vele dingen, grote en kleine, maar allemaal dingen die Hij gemaakt heeft. Er wordt echter geen enkel woord gezegd over de werken die Job gedaan heeft. Geen enkele verdienste, waarvoor hij zoveel moeite deed om die allemaal op te noemen, telt voor God. Zonder het kruis, waarop God al van te voren Zijn blik gericht had (Romeinen 3 vers 25), zou zo iemand verloren zijn.

Beste vriend(in), vertrouw je nog op je eigen inspanningen en je eigen kunnen? Kijk toch naar de Heere! Hij heeft Zelf grote dingen volbracht, waaruit Zijn wijsheid naar voren komt - maar boven dit alles staat het grote werk dat Hij tot jouw heil heeft volbracht, het werk dat getuigt van Zijn oneindig grote liefde!

Job 39:19-30; Job 40:1-5
19Zij verhardt zich tegen haar jongen, alsof zij de hare niet waren; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vreze is.20Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niet medegedeeld.21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.22Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijn hals met donder bekleden?23Zult gij het beroeren als een sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is een verschrikking.24Het graaft in den grond, en het is vrolijk in zijn kracht; en trekt uit, den geharnaste tegemoet.25Het belacht de vreze, en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.26Tegen hem ratelt de pijlkoker, het vlammig ijzer des spies en der lans.27Met schudding en beroering slokt het de aarde op, en gelooft niet, dat het is het geluid der bazuin.28In het volle geklank der bazuin, zegt het: Heah! en ruikt den krijg van verre, den donder der vorsten en het gejuich.29Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijn vleugelen uit naar het zuiden?30Is het naar uw bevel, dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt? [ (Job 39:31) Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaats. ] [ (Job 39:32) Van daar speurt hij de spijze op; zijn ogen zien van verre af. ] [ (Job 39:33) Ook zuipen zijn jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij. ] [ (Job 39:34) En de HEERE antwoordde Job, en zeide: ] [ (Job 39:35) Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop. ] [ (Job 39:36) Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide: ] [ (Job 39:37) Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. ] [ (Job 39:38) Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren. ]
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!

Job had gedacht dat de eeuwige God Zich niet interesseerde voor zijn welzijn. Zou er ook maar één schepsel, van de kleine raaf tot aan het paard of de adelaar toe, bestaan waar God Zich niet om zou bekommeren? Als Hij al bezorgd is om alle levende wezens, hoeveel te meer zorg heeft Hij dan om over Job te waken, over de mens, de kroon van Zijn schepping, een mens die zelfs een leven bezat dat over het graf heen reikte!

In de verschillende Evangeliën geeft de Heere Jezus de Zijnen precies dezelfde lessen (vergelijk Job 39 vers 3 maar eens met Lukas 12 vers 24). En de Heere roept ook ons op ons geen zorgen te maken voor de dagelijkse behoeften; God kent ze. Aan één ding kunnen we wel gebrek hebben -en dat komt helaas maar al te vaak voor - namelijk het vertrouwen op deze trouwe God!

De Eeuwige heeft tegen Job gesproken over de schepping, waaruit Job de enig juiste conclusie trekt: "Zie, ik ben te gering" (vers 37). Nu weet hij niets meer te zeggen. Eerder had hij zich voorgenomen als gelijkwaardige met God te discussiëren (hoofdstuk 10 vers 2; 13 vers 3; 23 vers 3 en 4). Maar nu hij deze gelegenheid krijgt, begrijpt hij in het licht van de grootheid van Zijn Schepper, dat dit nooit mogelijk zal zijn.

Dat is de eerste les die Job leert, maar er volgt nog een tweede. God zal voor de tweede keer tegen Job spreken, om hem tot een volledige en oprechte belijdenis van zonde te brengen.

Job 40:6-24; Job 41:1-8
6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.10Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.11Zie toch, zijn kracht is in zijn lenden, en zijn macht in den navel zijns buiks.12Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.13Zijn beenderen zijn als vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen.14Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.15Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar.16Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks.17De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem.18Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt, dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken.19Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen?20Zult gij den Leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord, dat gij laat nederzinken?21Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren?22Zal hij aan u veel smekingen maken? Zal hij zachtjes tot u spreken?23Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf?24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]
1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?2Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne.3Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis.4Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen?5Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking.6Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel.7Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen.8Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.

Het beeld van de schepping zou niet compleet zijn, als er geen beschrijving gegeven zou worden van twee geheimzinnige en vreselijke dieren. Het eerste is de Behémoth. Het gaat om een indrukwekkend dier, van wie de kracht aan de macht van de dood doet denken.

Een ernstig feit: deze dood moest "het voornaamste stuk van de wegen Gods" zijn tegen de zondige mens. Ten gevolge van de zondeval werd de dood een onoverwinnelijk zwaard, tot bestraffing van de zonde gegeven (vers 14; zie ook Genesis 3 vers 24). Niet alleen wordt ieder mens een buit van hem, maar ook alle dieren van het veld dienen hem tot voedsel (vers 15). Ook de Jordaan, de doodsrivier (vers 18), is een onderdeel van dit beeld.

Maar er bestaat nog zo'n vreselijk monster. De dood heeft slechts macht over het tegenwoordige leven, terwijl satan, van wie de Leviathan een beeld is, zijn slachtoffers meesleept in de tweede dood (Jesaja 27 vers 1). Tegenover zo'n vijand staan we even machteloos als een kind dat met een hengel een krokodil probeert te vangen! (vers 20). Bovendien staat het vast, dat je niet ongestraft met de macht van de boze kunt spelen.

Zijn we dan totaal aan zijn macht overgeleverd? Nee, door Gods genade niet! Christus heeft aan het kruis over deze vreselijke vijand getriomfeerd! Laten we toch altijd aan deze beslissende strijd denken en vast verbonden blijven aan Hem, Die de overwinning behaald heeft (vers 27; Colossenzen 2 vers 15).

Job 41:9-34
9Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads.10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.11Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel.12Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort.13In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.14De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.15Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen.16Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.17Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier.18Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout.19De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd.20De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.22Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij.23Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden.24Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.25Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren.26 27 28 29 30 31 32 33 34

Door middel van het angstaanjagende beeld van de Leviathan heeft God aan Job laten zien wie zijn aanklager en vijand is (hoofdstuk 1 en 2). Een strijder moet zijn tegenstander goed kennen, opdat hij hem niet onderschat. De gelovige moet eveneens de macht van satan kennen (vers 3). Hij werd weliswaar aan het kruis overwonnen, maar is nog altijd actief en zijn gedachten zijn ons niet onbekend (2 Korinthe 2 vers 11).

Laten we eens zien wat zijn kenmerken zijn. Als eerste wordt dan zijn dubbele breidel genoemd (soms vertaald door: gebit) (vers 4; vergelijk 1 Petrus 5 vers 8); vervolgens is zijn hart als steen (vers 15), want Goddelijke liefde is hem totaal vreemd. Hij is door geen enkele vorm van menselijke macht te verwonden (vers 17 - 20). Hij zaait angst met zijn wapen: de dood, die zelfs afrekent met de sterkste mens (vers 16).

Maar satan is ook "de leugenaar" en de verleider; laten we oppassen voor zijn misleidingen (vers 9; Johannes 8 vers 44; 2 Korinthe 11 vers 14).

Hij trekt zielen de wereld in, die zee van alle menselijke hartstochten, door de bronnen hiervan voor te stellen als waardevol voedsel (pot) of als geneesmiddel voor wonden (apothekerskokerij). Onder een schijn van wijsheid en ervaring (grijsheid) leidt hij hen naar de afgrond om hen, deze dwazen die hem navolgen op zijn verlichte pad, daar te verslinden (vers 22 en 23).

Er wordt hem een angstaanjagende titel gegeven: "koning over alle jonge hoogmoedige (= trotse) dieren" (vers 25; zie 1 Timotheüs 3 vers 6).

Job 42:1-17
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:2Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden.3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.5Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.6Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.8Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.9Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan.10En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.11Ook kwamen tot hem al zijn broeders, en al zijn zusters, en allen, die hem te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem, en vertroostten hem over al het kwaad, dat de HEERE over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk gelds, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel.12En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.13Daartoe had hij zeven zonen en drie dochteren.14En hij noemde den naam der eerste Jemima, en den naam der tweede Kezia, en den naam der derde Keren-Happuch.15En er werden zo schone vrouwen niet gevonden in het ganse land, als de dochteren van Job; en haar vader gaf haar erfdeel onder haar broederen.16En Job leefde na dezen honderd en veertig jaren, dat hij zag zijn kinderen, en de kinderen zijner kinderen, tot in vier geslachten.17En Job stierf, oud en der dagen zat.

We zijn nu bij de beslissende afloop van dit Boek aangekomen, bij de grote les die Job eindelijk geleerd en begrepen heeft. Dat wordt de bevrijding van het afschuwelijke 'eigen ik' genoemd (Galaten 2 vers 20).

Terwijl God tegen Job sprak, verdween meer en meer de hoge dunk die hij nog van zichzelf had. Langzamerhand, stapje voor stapje, moest hij met schrik de boosheid van z'n eigen hart vaststellen. Hij, die zich eerder voorgenomen had niets meer te zeggen (hoofdstuk 39 vers 37), roept het nu uit: "Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as" (vers 6). Dat is het wat een mens die "oprecht en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad" (hoofdstuk 1 vers 1) is, moet zeggen, wanneer hij zich in de tegenwoordigheid van God bevindt!

Job was gezift als de tarwe. Dat was een moeizaam werk, dat hem echter - net zoals later bij een Petrus het geval was - van z'n zelfvertrouwen bevrijdde. Nu kan hij zijn broeders versterken en bidden voor z'n vrienden (vers 10; vergelijk Lukas 22 vers 32).

God noemt hem vier keer "Mijn knecht Job" en berispt de drie "moeilijke" troosters (zoals ze in hoofdstuk 16 vers 2 genoemd worden). Hij stuurt Job andere troosters, die hem oprecht meeleven tonen en hem echt troosten (vers 11). En Hij herstelt niet alleen de vroegere situatie van de patriarch, maar geeft hem zelfs het dubbele van alles wat hij voordien bezat.

Tegelijkertijd heeft Job iets verkregen wat kostbaarder is dan al het andere: hij heeft God leren kennen - en eveneens zichzelf.

Psalm 1
1Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;2Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht.3Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken.4Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.5Daarom zullen de goddelozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.6Want de HEERE kent den weg der rechtvaardigen; maar de weg der goddelozen zal vergaan.

De Psalmen of 'Lofgezangen' worden wel eens 'het hart van de Schriften' genoemd, omdat ze door hun poëtische vormgeving vooral bepaalde gevoelens weergeven. Dat zullen de gevoelens zijn van de trouwe Israëlieten, tijdens en na de heerschappij van de antichrist. Gevoelens van lijden, doodsangst, vrees ..., maar ook van vertrouwen, vreugde en dankbaarheid. Ze spreken echter ook van de gevoelens en genegenheden van de Heere Jezus, Die bij voorbaat al vol meeleven op de ellende van het joodse "overblijfsel" ingaat. En ten slotte gaat het om gevoelens die de gelovigen van alle tijden in hun omstandigheden kunnen ervaren.

De eerste verzen geven een beschrijving van de kenmerken van de gelukzaligen, die deze Psalmen kunnen zingen. En het belangrijkste wat God van ons vraagt is: afzondering en scheiding van alle kwaad.

Het eerste vers is op allerlei situaties in ons dagelijks leven van toepassing. En het is de onvermijdelijke voorwaarde om zich in het Woord te kunnen verheugen (vers 2) en vrucht te brengen (vers 3; vergelijk Jeremia 17 vers 7 en 8; Johannes 15 vers 5).

De boom, geplant aan waterbeken, is een beeld van de gelovige die in Christus geworteld is en zijn levenskracht van Hem ontvangt.

De Heere Jezus heeft als Mens deze afzondering volkomen in praktijk gebracht. Hij vond Zijn lust in de wet van de HEERE en bracht ten slotte een volheid van vrucht voort tot verheerlijking van God.

Psalm 2
1Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?2De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:3Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.4Die in den hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.5Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.6Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.7Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.8Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.9Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.10Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!11Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.12Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.

De Psalmen 1 en 2 vormen een inleiding op het hele Boek en vullen elkaar aan. Ze stellen de twee grote zonden van Israël vast, de verwerping van het tweevoudige getuigenis van God, door het volk: de ongehoorzaamheid ten opzichte van de wet (Psalm 1) en de verwerping van Zijn Zoon (Psalm 2).

In Psalm 2 vinden we de gedachten van God beschreven over Hem, Die "Zijn Gezalfde" (vers 2), Zijn "Koning" (vers 6), Zijn "Zoon" (vers 7; geciteerd in Handelingen 13 vers 33) is.

God zal erop toezien dat de Heere Jezus hier op aarde, waar Hij veracht werd, toch geëerd zal worden. Eens hebben "Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en de volken Israëls" samengespannen tegen Hem (Handelingen 4 vers 25 - 28). Zijn kruis droeg het beledigende opschrift: "Jezus de Nazaréner, de Koning der Joden" (Johannes 19 vers 19). Het was alsof ze tegen God wilden zeggen: 'Hier ziet U wat wij met Uw Koning gedaan hebben'. Maar eens, in de toekomst, bij de openlijke opstand van de volkeren, zal de rechtvaardige Koning, Die God voor de aarde voorbestemd heeft, verschijnen (Psalm 89 vers 28 en 29).

Op deze manier stelt God Zich direct aan het begin van dit Bijbelboek al voor, als Degene Die alle gebeurtenissen beheerst en ze tot een heerlijk einddoel zal leiden.

Door dit alles wordt hij die getrouw wil blijven, bemoedigd in al zijn nood. Laten ook wij altijd denken aan vers 11: "Dient de HEERE met vreze". "Met blijdschap" zegt Psalm 100 vers 2, en "met uw ganse hart" vult 1 Samuël 12 vers 20 verder aan.

Psalm 3
1Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.2O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.3Velen zeggen van mijn ziel: Hij heeft geen heil bij God. Sela.4Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.5Ik riep met mijn stem tot den HEERE, en Hij verhoorde mij van den berg Zijner heiligheid. Sela.6Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.7Ik zal niet vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten.8Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt al mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken. [ (Psalms 3:9) Het heil is des HEEREN; Uw zegen is over Uw volk. Sela. ]

Veel Psalmen werden onder bijzondere omstandigheden geschreven, die gedeeltelijk dan ook van invloed waren op de inhoud.

De vlucht van David voor Absalom heeft God als gelegenheid aangegrepen om ons deze Psalm te geven (2 Samuël hoofdstuk 15 - 18). Terwijl de nietsnut van een zoon een samenzwering tegen zijn vader beraamt, brengt hij die "liefelijk in psalmen van Israël" genoemd wordt (2 Samuël 23 vers 1), in een lied zijn vertrouwen in God tot uitdrukking, in plaats van zijn verdediging voor te bereiden. Is het nog belangrijk te weten hoe groot het aantal vijanden is, als de God van Israël Zich als een beschermend Schild tussen de "tienduizenden van volk" en Zijn geliefde opgesteld heeft? (vers 7; zie ook Genesis 15 vers 1; Deuteronomium 33 vers 29).

Daarom kan de psalmist zich te midden van de grootste gevaren toch verheugen in een rustige slaap, omdat hij weet dat de HEERE over hem waakt (vers 6).

Een gebeurtenis uit het leven van de Heere Jezus geeft deze rust volkomen weer. Op het moment dat de storm hevig tekeergaat en het schip vol dreigt te lopen, ligt Hij "in het achterschip, slapende op een oorkussen" (Markus 4 vers 37 en 38; zie ook het voorbeeld van Petrus in Handelingen 12 vers 6). Een gelukzalig vertrouwen! Geve God, dat ook wij het in praktijk kunnen brengen!

Vers 9 laat ons zien dat de zegen voor het volk meer waarde voor David heeft dan z'n eigen veiligheid. Ondanks de opstand van Israël tegen Zijn gezalfde blijft Israël toch altijd het volk van God.

Psalm 4
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.2Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.3Gij, mannen, hoe lang zal mijn eer tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.4Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal horen, als ik tot Hem roep.5Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.6Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.7Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o HEERE!8Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. [ (Psalms 4:9) Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen. ]

In Psalm 3 was de God van Israël de Beschermer voor de gelovige en in Psalm 4 is Hij zijn deel. De oprechte gelovige bezit de zekerheid dat God hem voor Zichzelf heeft afgezonderd (vers 4) en dat hij bij Hem in de gunst staat. Toch bevindt hij zich nog te midden van een wereld waar ijdelheid en leugen regeren (vers 3) en dat brengt alleen maar lijden voor hem met zich mee. De vraag die in zo'n wereld vaak gesteld wordt, is: "Wie zal ons het goede doen zien?" (vers 7). Dit goede zullen we niet rondom ons, noch in onszelf vinden! Het enige wat echt goed is, brengt God voort. Het volmaakte voorbeeld daarvan laat God ons zien in het leven van Zijn Zoon, de "Gunstgenoot" in de ware zin van het woord, de Enige van Wie gezegd kon worden: "Hij heeft alles wel gedaan" (Markus 7 vers 37).

God is de Bron van al het goede, maar ook van alle ware vreugde. "Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven", zegt de psalmist (vers 8). En zoals het slot van dit vers bewijst, is deze vreugde niet afhankelijk van een overvloed aan materiële dingen (vergelijk dit met Habakuk 3 vers 17 en 18).

In één en hetzelfde hoofdstuk van Filippensen worden we enerzijds vermaand ons altijd in de Heere te verblijden en anderzijds eraan herinnerd dat een gelovige, zowel in gebrek als overvloed, gelukkig kan zijn (Filippensen 4 vers 4 en 12). De ziel kan zelfs te midden van de grootste droefheid toch vervuld zijn met de Goddelijke blijdschap. Daar hebben omstandigheden juist geen enkele invloed op, omdat Hij, Die onveranderlijk is, de Bron is (Hebreeën 13 vers 8).

Psalm 5
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.2O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.3Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.4Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.5Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.6De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.7Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.8Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.9HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.10Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.11Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.12Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben. [ (Psalms 5:13) Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas. ]

We zagen aan het eind van Psalm 4, dat de gelovige rustig kon gaan slapen. In deze Psalm zien we hem bij het wakker worden.

Alle momenten van ons leven moeten gekenmerkt worden door de vreze des Heeren, ook de momenten waarop we alleen in onze kamer zijn!

Het eerste wat de psalmist 's morgens deed, was bidden tot zijn Koning en God (Psalm 63 vers 2). Laten we zijn voorbeeld toch navolgen, geliefde vrienden, maar dan met nog meer ijver en vrijmoedigheid dan David, omdat wij God, in de Heere Jezus, als Vader mogen kennen!

In Psalm 4 werd het gebed gekenmerkt door een bepaalde aandrang en was het beperkt tot een eenvoudig roepen (vers 2 en 4). Dat is voldoende voor God om te horen.

In Psalm 5 wordt het verlangen echter duidelijk onder woorden gebracht. Nu kan de gelovige rustig op een antwoord wachten, en hij moet niet proberen dat antwoord op een andere manier te verkrijgen.

In het verdere verloop van deze Psalm zien we weer het vertrouwen ten opzichte van de samenzwering van de goddelozen, de wettelozen.

Het is heel opvallend dat vers 10, dat betrekking heeft op de vijanden, in Romeinen 3 vers 13 wordt aangehaald om een beschrijving te geven van alle mensen. Als we Romeinen 5 vers 10 daarbij lezen, dan blijkt duidelijk dat wij allemaal vijanden van God waren, door onze gezindheid, onze boze werken (zie ook Colossenzen 1 vers 21).

Psalm 6
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.2O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!3Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.4Ja, mijn ziel is zeer verschrikt; en Gij, HEERE, hoe lange?5Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil.6Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?7Ik ben moede van mijn zuchten; ik doe mijn bed den gansen nacht zwemmen; ik doornat mijn bedstede met mijn tranen.8Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is veroud, vanwege al mijn tegenpartijders.9Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.10De HEERE heeft mijn smeking gehoord; de HEERE zal mijn gebed aannemen. [ (Psalms 6:11) Al mijn vijanden zullen zeer beschaamd en verbaasd worden; zij zullen terugkeren, zij zullen in een ogenblik beschaamd worden. ]

Beproevingen in het leven van een gelovige zijn vaak het directe gevolg van z'n eigen misstappen. Dan komt hij onder de regering van God te staan, Die hem terechtwijst en bestraft (vers 2, vergelijk Jeremia 31 vers 18).

Dat was ook bij David het geval, na die vreselijke gebeurtenis met Uria, de Hethiet, en eveneens bij de volkstelling (2 Samuël 11 en 24). Dan kan er geen sprake meer zijn van vreugde en vrede, zoals in Psalm 4 (vers 8 en 9). In plaats van rustig op het rustbed te liggen en in zijn hart hierover na te denken (Psalm 4 vers 5), wordt het bed van de schuldige juist doorweekt met tranen (vers 7). Omdat hij weet dat hij verdiend heeft wat hem overkomt, wordt hij overvallen door berouw en geplaagd door het gevoel dat hij God beledigd heeft. Hij kan zelfs overrompeld worden door een doodsangst (vers 6). Het onbevangen gevoel van geluk dat een rustig geweten aan iemand geeft, is totaal verdwenen.

Maar gelukkig laat God Zich ook in deze situatie vinden, want Hij heeft Zijn verloste veel te lief om hem in vertwijfeling achter te laten. Hij hoort zijn smeken en neemt zijn gebed aan (vers 10).

Bij koning Hizkia, die met de dood voor ogen onrustig in bed ligt te woelen, spreekt Hij de vertroostende woorden: "Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien, ... Ik zal u... verlossen" (Jesaja 38 vers 5 en 6; en vergelijk Psalm 6 vers 6 eens met Jesaja 38 vers 18). Ja, plotseling ontvangt ook David de zekerheid dat zijn gebed verhoord is. De omstandigheden zijn nog niet veranderd, maar toch triomfeert zijn geloof al in hoop.

Psalm 7
1Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.2HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.3Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.4HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;5Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered die mij zonder oorzaak benauwde!)6Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.7Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.8Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.9De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is.10Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!11Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.12God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt.13Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid.14En heeft dodelijke wapenen voor hem gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.15Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.16Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.17Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen. [ (Psalms 7:18) Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen. ]

Om de Psalmen goed te kunnen begrijpen - en om ons niet te verbazen over de soms bijzonder scherpe bewoordingen -moeten we één ding niet uit het oog verliezen: de gelovigen die hier spreken, behoren niet tot de Gemeente van Jezus Christus.

Profetisch gezien hebben de Psalmen betrekking op de tijdsperiode die na de opname van de gemeente komt.

Natuurlijk zijn er veel verzen die we ook op onszelf kunnen toepassen, zoals bijvoorbeeld de teksten die uitdrukking geven aan het vertrouwen (zie vers 2), het lijden ten gevolge van de ongerechtigheid (vers 10), de lof (vers 18) en nog vele andere uitingen van onze gevoelens.

Maar nu is het niet de tijd om Gods oordeel af te smeken, zoals in de Psalmen wel het geval is (zie vers 7).

Ons gebed als christenen is niet: "Verklaar hen schuldig, o God" (Psalm 5 vers 11), maar in navolging van ons Goddelijk Voorbeeld leren wij juist zeggen: "Vader, vergeef het hun" (Lukas 23 vers 34).

Als de genadetijd echter voorbij is en de antichrist het zwakke, getrouwe overblijfsel uit Israël zal onderdrukken, dan is het gebed om de bozen te verderven naar Gods gedachten (Lukas 18 vers 7). Immers, alleen op die manier en pas na het oordeel over de goddelozen kan het aardse rijk - het duizendjarig vrederijk - van de Zoon des mensen, waarover onder andere Psalm 8 spreekt, opgericht worden.

Psalm 8
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Gitthith.2O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.3Uit de mond der kinderkens en der zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, om Uwer tegenpartijen wil, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.4Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;5Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt?6En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.9Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeen doorwandelt. [ (Psalms 8:10) O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! ]

Deze Psalm begint met het constateren van het feit dat, in vergelijking met de schepping, de mens maar heel klein is. Ieder van ons heeft dat waarschijnlijk zelf al eens ervaren wanneer hij bijvoorbeeld de grootheid en onmetelijkheid van de sterrenhemel bewonderde. "Wat is de mens?"

Maar dan, nadat wij erkend hebben hoe gering we zijn, leren wij dat God toch iets groots en heerlijks voor en door de mensen voorzien heeft. Maar hoe zou Hij dat ooit met een zondig en sterfelijk wezen kunnen verwerkelijken? Het was ten enen male onmogelijk om een schepsel dat in ellende en verderf gevallen was, met eer en heerlijkheid te kronen.

God heeft echter dat wat Hij niet voor noch door de eerste Adam kon doen, in Christus, de tweede Mens, volbracht. Ja, de Schepper heeft Zichzelf met het lichaam bekleed dat Hij geschapen had. "Gij hebt Hem een weinig minder gemaakt dan de engelen".

Hebreeën 2 vers 6 - 9 haalt de verzen 5 - 7 van deze Psalm aan en geeft ons een aanvulling op deze ondoorgrondelijke daad: "vanwege het lijden des doods", de dood die Hij moest ondergaan. En in deze menselijke natuur heeft de Zoon de allesomvattende heerschappij gekregen. In Hem vindt de mens meer terug dan Adam verloren heeft (vers 6 - 9; 1 Korinthe 15 vers 27 en verder). Met eer en heerlijkheid gekroond zal Christus, als de opgestane Mens, andere mensen samen met Hem de hemel binnenleiden en hen aan Zijn heerlijkheid laten deel hebben (Johannes 17 vers 22 en 24).

Psalm 9
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Muth-Labben.2Ik zal den HEERE loven met mijn ganse hart; ik zal al Uw wonderen vertellen.3In U zal ik mij verblijden, en van vreugde opspringen; ik zal Uw Naam psalmzingen, o Allerhoogste!4Omdat mijn vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van Uw aangezicht.5Want Gij hebt mijn recht en mijn rechtszaak afgedaan; Gij hebt gezeten op den troon, o Rechter, der gerechtigheid.6Gij hebt de heidenen gescholden, den goddeloze verdaan, hun naam uitgedelgd, tot in eeuwigheid en altoos.7O vijand! zijn de verwoestingen voleind in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hunlieder gedachtenis is met hen vergaan.8Maar de HEERE zal in eeuwigheid zitten; Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte.9En Hij Zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordelen in rechtmatigheden.10En de HEERE zal een Hoog Vertrek zijn voor de verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.11En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, HEERE, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.12Psalmzingt den HEERE, Die te Sion woont; verkondigt onder de volken Zijn daden.13Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.14Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;15Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.16De heidenen zijn gezonken in de groeve, die zij gemaakt hadden; hunlieder voet is gevangen in het net, dat zij verborgen hadden.17De HEERE is bekend geworden; Hij heeft recht gedaan; de goddeloze is verstrikt in het werk zijner handen! Higgajon, Sela.18De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle godvergetende heidenen.19Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.20Sta op, HEERE, laat de mens zich niet versterken; laat de heidenen voor Uw aangezicht geoordeeld worden. [ (Psalms 9:21) O HEERE! jaag hun vreze aan; laat de heidenen weten, dat zij mensen zijn. Sela. ]

Vanuit profetisch oogpunt gezien, zijn de Psalmen 9 en 10 nauw met elkaar verbonden. In Psalm 9 komt de vijand van buitenaf in de gedaante van de volkeren die samen tegen Israël optrekken. Psalm 10 daarentegen spreekt van de vijand die van binnenuit opereert, vanuit het eigen volk: de goddeloze onderdrukkers die het getrouwe overblijfsel vervolgen.

Deze aanvallen duren echter maar een bepaalde tijd. De namen van hen die kwaad bedrijven, zullen voor altijd uitgedelgd worden (vers 6), de verwoestingen voor altijd ten einde zijn (vers 7), maar de arme of nooddruftige zal niet voor altijd vergeten zijn (vers 19). De HEERE troont wel voor altijd (in eeuwigheid); "Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte" (vers 8; Psalm 58 vers 12). Hij zal onderzoek doen naar het vergoten bloed en de tranen van de gelovigen aller tijden en de schuldigen ter verantwoording roepen. Hij zal wraak nemen voor de verdrukten (vers 10), voor de ellendigen wiens roepen Hij niet kan vergeten (vers 13).

Het eerste vers, eigenlijk het opschrift boven deze Psalm, geeft echter de hoofdaanklacht tegen de mensheid aan. Dat is de dood van de Zoon van God (Mûth-Labbeen betekent 'dood van de Zoon'), de belediging die de wereld God heeft aangedaan door Zijn Veelgeliefde te kruisigen. Het hele geslacht van Zijn moordenaars staat een vreselijke straf te wachten!

In de gelijkenis van de schapen en de bokken beschrijft de Heere Jezus het oordeel over de volken aan het begin van Zijn heerschappij. Hij zegt daar dat ieder geoordeeld zal worden naar hetgeen hij Hem heeft aangedaan of juist heeft nagelaten (Mattheüs 25 vers 31- 46).

Psalm 10
1O HEERE! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.3Want de goddeloze roemt over den wens zijner ziel; hij zegent den gierigaard, hij lastert den HEERE.4De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is.5Zijn wegen maken ten allen tijde smarte; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan.6Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.8Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme.9Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.11Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.12Sta op, HEERE God! hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.13Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?14Gij ziet het immers; want Gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geve; op U verlaat zich de arme, Gij zijt geweest een Helper van den wees.15Breek den arm des goddelozen en bozen. zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt.16De HEERE is Koning eeuwiglijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit Zijn land.17HEERE! Gij hebt den wens der zachtmoedigen gehoord; Gij zult hun hart sterken, Uw oor zal opmerken;18Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.

De "tijden van benauwdheid", zoals die in hoofdstuk 9 vers 10 en 10 vers 1 beschreven worden, zullen vreselijk zijn. Begeerte, hoogmoed, ongeloof, valsheid, geweld ..., dat zijn de kenmerken die we ook nu al zien, maar die dan in hun volle omvang tot ontplooiing zullen komen. Dan kan het ook, omdat Hij, "Die hem nu weerhoudt" (de Heilige Geest), van deze aarde weggenomen zal zijn. Dat gebeurt in de dagen van de antichrist, van wie de verzen hier een duidelijk beeld schetsen (2 Thessalonicenzen 2 vers 7).

Tegen de mening van de goddeloze in, die denkt dat God geen onderzoek zal doen (vers 4 en 13), zal echter alles wat in het geheim met list en bedrog gedaan is, openbaar worden. Alles wat hij "in zijn hart" zegt (vers 6, 11 en 13) zal door Hem, Die de harten doorzoekt, bekend gemaakt worden (Lukas 12 vers 2 en 3).

"Ik zal niet wankelen", zo spreekt de goddeloze (vers 6); toch kan de gelovige dat ook zeggen (Psalm 62 vers 3)! De gedachte dat God alles ziet, bemoedigt de gelovige juist in tijden van beproeving; hij kan zich daarom vol vertrouwen aan Hem overgeven (vers 14). En vers 2 geeft hem rust, want de goddeloze zal altijd verstrikt raken in zijn eigen netten (vergelijk Psalm 7 vers 16; 9 vers 17).

Aan het eind van Psalm 9 hebben we gelezen dat de volkeren "mensen zijn"; het slot van Psalm 10 noemt de vervolger "een mens van de aarde".

Gelovige vriend(n), laten wij nooit vergeten dat wij burgers van een rijk in de hemel zijn en daarom buiten de macht van de wereld en haar vorst staan (Filippensen 3 vers 20).

Psalm 11
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. Ik betrouw op den HEERE; hoe zegt gijlieden tot mijn ziel: Zwerft henen naar ulieder gebergte, als een vogel?2Want ziet, de goddelozen spannen den boog, zij schikken hun pijlen op de pees, om in het donkere te schieten naar de oprechten van harte.3Zekerlijk, de fondamenten worden omgestoten; wat heeft de rechtvaardige bedreven?4De HEERE is in het paleis Zijner heiligheid, des HEEREN troon is in den hemel; Zijn ogen aanschouwen, Zijn oogleden proeven de mensenkinderen.5De HEERE proeft den rechtvaardige; maar den goddeloze, en dien, die geweld liefheeft, haat Zijn ziel.6Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.7Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft gerechtigheden lief; Zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.

Vandaag de dag houdt God nog bepaalde vormen van menselijk gezag in stand zoals: regeringen, overheden, politie..., om in deze wereld voor orde, gerechtigheid en vrede te zorgen. Maar gedurende de grote verdrukking zal alles wat nu nog bijdraagt tot de veiligheid van de mensen ("de fundamenten"), wankelen.

De vraag uit vers 3 zal de rechtvaardige dan op de proef stellen. Zullen ze aan de verleiding om op de vlucht te slaan toegeven en dan lijken op een vogel die wegvliegt om het gevaar te ontlopen? Nee, ze stellen hun vertrouwen niet op een aardse toekomst (het gebergte), maar op Hem Die onwankelbaar is, omdat Zijn troon in de hemel is (vers 4).

Vrienden, hoe staat het met ons geloof? Als de Heere die vertrouwde steunpilaren zoals familie, vrienden, gezondheid, materiële goederen, nu eens zou wegnemen, is dan ook aan ons te zien op Wie we vertrouwen?

En als we aan de grondbeginselen van de waarheid denken, moeten we vaststellen dat er in de christenheid, op alle mogelijke manieren, aan getornd wordt. Wat moet de rechtvaardige dan doen? Hij moet zich afzonderen (afscheiden) van alles wat de fundamenten van de Goddelijke waarheid aantast en wil verstoren (Openbaring 18 vers 4).

De blik van God onderzoekt de mensenkinderen (vers 4; Psalm 7 vers 10; zie bijvoorbeeld Lukas 7 vers 39 en 40; 11 vers 17; 22 vers 61). Dat is een verontrustende en onverdraaglijke gedachte voor "de goddeloze". Maar "de rechtvaardige" verheugt zich daar juist over! Voor hem is het juist heel goed als hij door Hem doorgrond wordt (Psalm 139 vers 23 en 24).

Psalm 12
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith.2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.3Zij spreken valsheid, een ieder met zijn naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.4De HEERE snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.5Die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze! Wie is heer over ons?6Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nooddruftigen, zal Ik nu opstaan, zegt de HEERE; Ik zal in behoudenis zetten, dien hij aanblaast.7De redenen des HEEREN zijn reine redenen, zilver, gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.8Gij, HEERE, zult hen bewaren; Gij zult hen behoeden voor dit geslacht, tot in eeuwigheid. [ (Psalms 12:9) De goddelozen draven rondom, wanneer de snoodsten van des mensenkinderen verhoogd worden. ]

Deze Psalm geeft uitdrukking aan het lijden van een ziel die, door de ongerechtigheid die hem omringd, terneergedrukt wordt. David, de schrijver van deze Psalm, heeft dit bij talloze gelegenheden ervaren. Denk maar aan de valsheid en jaloerse haat van Saul (1 Samuël 18 vers 17 en verder), de laaghartige bedoelingen van de inwoners van Kehila (hoofdstuk 23 vers 12) en die van Doëg de Edomiet die zo mogelijk nog laaghartiger waren (hoofdstuk 22 vers 9 en 10). En wat te denken van de verachtelijke ondankbaarheid van Nabal (hoofdstuk 25 vers 10 en 11). Dit alles ging David niet in de koude kleren zitten en liet hem zeker niet onverschillig, maar hij kon bij elke gelegenheid ook het kostbare, Goddelijk antwoord ervaren! "Ik zal in behoudenis zetten, die hij aanblaast", of zoals een andere vertaling het zegt: "Ik stel in veiligheid die daarnaar smacht" (vers 6; vergelijk dit met Psalm 10 vers 5). God kwam hem te hulp.

Helaas moeten we ook zeggen dat de eigen maatstaven die David aanlegde met betrekking tot de waarheid, ook niet altijd goed waren (zie 1 Samuël 20 vers 6; 21 vers 2 en verder). Bij de Heere Jezus zien we daarentegen dat Hij door Zijn heiligheid precies de valsheid en arglistigheid van Zijn tegenstanders aanvoelde (Lukas 20 vers 20 geeft ons daarvan een voorbeeld). Hoe meer een christen zich ophoudt in het licht, hoe meer hij te lijden heeft onder de verdorven atmosfeer van deze wereld. In tegenstelling tot de verdrietige ervaring met de leugenachtige, huichelachtige en hoogmoedige taal van de mensen (vers 3 en 4) zal hij de reinheid en de praktische waarde van het Woord van zijn God (vers 7) meer waarderen. "Uw Woord is de waarheid" (Johannes 17 vers 17; Psalm 119 vers 140).

Psalm 13
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.2Hoe lang, HEERE, zult Gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult Gij Uw aangezicht voor mij verbergen?3Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijn ziel, droefenis in mijn hart bij dag? Hoe lang zal mijn vijand over mij verhoogd zijn?4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;5Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.6Maar ik vertrouw op Uw goedertierenheid; mijn hart zal zich verheugen in Uw heil; ik zal den HEERE zingen, omdat Hij aan mij welgedaan heeft.

De Heere Jezus zegt over deze verdrukking - waar het overblijfsel van Juda in de eindtijd doorheen moet gaan - dat er vanaf het begin van de schepping niet zo'n verdrukking geweest is en ook nooit meer zijn zal (Markus 13 vers 19).

Daarom kunnen we die angstkreet heel goed begrijpen: "Hoe lang?" Aan het begin van deze Psalm worden die woorden tot vier maal toe uitgesproken en we komen ze ook in andere Psalmen tegen. Als antwoord daarop zal de Heere "een afgesneden zaak doen op aarde"; de Heere zal die dagen inkorten (Markus 13 vers 20; Romeinen 9 vers 28).

Hoewel een christen, naar de belofte van de Heere (Openbaring 3 vers 10), nooit door die grote verdrukking zal behoeven te gaan, kan hij zich toch voor langere tijd in een ontmoedigende en benarde situatie bevinden. Hij kan zelfs op de gedachte komen dat God hem vergeten is of dat Hij Zijn aangezicht opzettelijk voor hem verborgen houdt (vers 2). Misschien hebben wij dat zelf ook al eens ervaren. Hoe komen we dan weer uit zo'n donkere tunnel? In ieder geval moeten we onszelf niet plagen met zulke gedachten en onmiddellijk stoppen door bij onszelf te rade te gaan (vers 3). Doen we dat niet, dan zullen we echt geen antwoord krijgen op onze vragen, maar juist nog meer vermoeid en angstig worden (1 Samuël 27 vers 1). Laten we in plaats van zo te reageren, toch denken aan die triomferende uitroep: "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid of vervolging..." (Romeinen 8 vers 35 en verder).

De herinnering aan Zijn goedheid en redding is het grote geheim waardoor ons vertrouwen en onze vreugde opnieuw opgewekt zullen worden (vers 6).

Psalm 14, Psalm 15
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.2De HEERE heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.3Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand, die goed doet, ook niet een.4Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen den HEERE niet aan.5Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard; want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.6Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de HEERE zijn Toevlucht is.7Och, dat Israels verlossing uit Sion kwam! Als de HEERE de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn.
1Een psalm van David. HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op den berg Uwer heiligheid?2Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;3Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;4In wiens ogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen, die den HEERE vrezen; heeft hij gezworen tot zijn schade, evenwel verandert hij niet;5Die zijn geld niet geeft op woeker, en geen geschenk neemt tegen den onschuldige. Die deze dingen doet, zal niet wankelen in eeuwigheid.

Wie voor alle bewijzen die God van Zijn macht en liefde geeft, zijn ogen toesluit, zijn hart verhardt en zegt: "Er is geen God!", die mag gerust een dwaas genoemd worden (vers 2; Psalm 10 vers 4; Jeremia 5 vers 12).

Ook al kunnen we niet zeggen dat alle mensen atheïsten zijn, toch missen ze zeker het juiste verstand, het juiste begrip. Er is immers niemand die uit zichzelf God zoekt, ook al moet hij soms toegeven dat Hij wel bestaat - tenzij... God dit in zijn hart bewerkt! Het beeld van de mensheid, zoals God dat vanuit de hemel ziet, is vreselijk. Laten we echter niet vergeten dat wij - u en ik - van nature ook bij dit opstandige en verdorven mensenras behoorden. Lees maar eens wat de apostel Paulus daarover schrijft aan Titus: "Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende" (Titus 3 vers 3).

Als we eerlijk durven zijn, dan moeten we toegeven dat we onszelf, of iets van onszelf, in deze beschrijving herkennen. Of niet dan? Wat stond het er ontzettend triest met ons voor! Gelukkig gaat Paulus verder: "Maar wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest; Die Hij rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker" (Titus 3 vers 4 - 6).

Wat een verschil! Wat een reden om op onze knieën neer te vallen en de Heere te danken! Hebt u dat vandaag al gedaan?

Gisteren hebben we in Psalm 14 gelezen: "Er is niemand die goed doet". En in Psalm 15 mag dan ook terecht de vraag gesteld worden: "Wie zal verkeren in Uw tent?"

De eerste drie verzen van Psalm 14 worden in Romeinen 3 aangehaald en daar wordt die heerlijke waarheid, die ook ons betreft, geopenbaard. Uit zulke mensen, die slechts hebben laten zien zondaars te zijn, wil God, zonder voorbehoud, hen rechtvaardigen die geloven (Romeinen 3 vers 10 -12 en 22 - 26).

Zagen we gisteren dat ons barmhartigheid bewezen is, dan mogen we vandaag zien dat God als het ware nog een stapje verder gaat. Hij rechtvaardigt! Dat betekent dat er van ons vroegere leven als zondaar niets, maar dan ook werkelijk niets meer zichtbaar is voor Hem. God ziet ons alsof wij nooit gezondigd hebben! Alle vuiligheid is volledig weggewassen! "Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, ... Hem... zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen!" (Openbaring 1 vers 5 en 6).

En dan mag je verkeren in Zijn tent en wonen op de berg van Zijn heiligheid (vers 1). Is dat niet kostbaar?

De karaktereigenschappen die de trouwe Israëliet openbaart, zoals we die in deze Psalm vinden, zijn dezelfde die de genade bij een christen wil bewerken. Dat zijn: gerechtigheid en waarheid in de wandel, in daden en woorden; welwillend tegenover je naaste staan; onderscheiding van goed en kwaad naar de Goddelijk maatstaf (lees Jesaja 33 vers 15 en 16).

Psalm 16
1Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.2O mijn ziel! gij hebt tot den HEERE gezegd: Gij zijt de HEERE, mijn goedheid raakt niet tot U;3Maar tot de heiligen, die op de aarde zijn, en de heerlijken, in dewelke al mijn lust is.4De smarten dergenen, die een anderen God begiftigen, zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hun drankofferen van bloed niet offeren, en hun namen op mijn lippen niet nemen.5De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot.6De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.7Ik zal den HEERE loven, Die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijn nieren.8Ik stel den HEERE geduriglijk voor mij, omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen.9Daarom is mijn hart verblijd, en mijn eer verheugt zich; ook zal mijn vlees zeker wonen.10Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.11Gij zult mij het pad des levens bekend maken; verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht; liefelijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.

Uit de teksten die in Handelingen 2 vers 25 en 13 vers 35 aangehaald worden, blijkt dat deze Psalm direct betrekking heeft op de Mens Christus Jezus. Wie anders dan Hij zou durven en kunnen zeggen: "Ik stel de HEERE gedurig voor mij" (vers 8)?

In deze Psalm zien we Hem niet als de Verlosser (dat vinden we in Psalm 22), maar als het Voorbeeld; niet als de Zoon van God, maar als de Man van geloof. Als Zoon is het voor Hem immers niet nodig om bewaard te blijven (vers 1), en Zijn goedheid is gelijk aan de goedheid van God Zelf (vers 2; zie ook Markus 10 vers 18).

Maar het vertrouwen, de afhankelijkheid, de volharding, het geloof, kortom alle gevoelens die we in deze Psalm naar voren zien komen, zijn menselijke gevoelens met betrekking tot een God die gekend en geëerd wordt. Om dit in volmaaktheid te openbaren, is Christus op deze aarde gekomen om hier als Mens te leven (en onder wat voor omstandigheden!) — maar als een Mens zonder zonde!

Hij toont hier aan God de HEERE onderworpen te zijn (vers 2). En Zijn vreugde vindt Hij in de gelovigen (vers 3), in het deel dat de Vader voor Hem bewaard heeft (vers 5 en Hebreeën 12 vers 2) en ten slotte in God Zelf (vers 8, 9 en 11). Hij heeft vertrouwen, zelfs tot in de dood (vers 10).

Wonderbare weg, waarin Zijn God een welgevallen had! De weg die Hij ons gebaand heeft, opdat wij in Zijn voetsporen zullen treden.

Psalm 17
1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.4Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.7Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!8Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,9Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.10Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.12Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.13Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;14Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.15Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.

In Psalm 16 hebben wij het vertrouwen van de volmaakte Mens bewonderd. In Psalm 17 wordt ons Zijn gerechtigheid onder de aandacht gebracht. Maar bovenal wordt dit natuurlijk voor Gods aangezicht gebracht, Die daarin Zijn volledige bevrediging vindt.

Mensen kunnen alleen maar de wandel zien, maar God gaat verder en beoordeelt de beweegredenen die deze wandel bepalen.

Psalm 11 vers 5 leerde ons: "de HEERE proeft de rechtvaardige". Hier vinden we het resultaat van de zorgvuldige beproeving van het hart van de Heere Jezus: "Gij vindt niets; hetgeen Ik gedacht heb, overtreedt Mijn mond niet" (vers 3; vergelijk Johannes 8 vers 25). Onvergelijkbaar Voorbeeld! Laten wij erom denken dat onze gedachten altijd in volmaakte overeenstemming zijn met onze woorden en omgekeerd ook!

Laten we anderzijds ook het Woord van God leren kennen en leren toepassen, zoals Hij het gedaan heeft! Hij heeft het Woord gebruikt om Zich tegen gewelddadigheden, tegen satan zelf, te beschermen (vers 4; Mattheüs 4 vers 4, 7 en 10).

De verzen 14 en 15 onderstrepen de tegenstelling tussen "lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is" en de Rechtvaardige (Christus, maar dit geldt ook voor de gelovige), Wiens deel hemels is (Psalm 16 vers 5). Hoewel Hij hier lijdt ter wille van de gerechtigheid, denkt Hij aan de opstanding en aan het Onderwerp van Zijn genegenheden: "Ik zal verzadigd worden met Uw beeld" (vers 15; vergelijk Psalm 16 vers 11).

Psalm 18:1-29
1Voor den opperzangmeester, een psalm van David, de knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.2Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!3De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.4Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.5Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.6Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.7Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.10En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.11En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.12Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.13Van den glans, die voor Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.14En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.15En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.16En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.17Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.18Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.19Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.20En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.24Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.25Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen.26Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.27Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.28Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.29Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.

Deze Psalm bevat een grote profetie die de dood, opstanding, verhoging, definitieve overwinning en het koningschap van de Messias omvat. De verzen 2 - 4 geven het thema aan dat nadien uitvoerig behandeld zal worden: hoe de Knecht des HEEREN (zie het opschrift in vers 1) gered werd.

De Heere Jezus leert ons door Zijn eigen ervaring wat God betekent voor iedereen die op Hem vertrouwt. "De uitnemende grootheid van Zijn kracht is aan ons, die geloven" bewezen in de opstanding van Christus, Zijn hemelvaart en de plaats die Hem gegeven is, over al Zijn vijanden (lees Efeze 1 vers 19 - 21). Wat God voor de Heere Jezus in het uur van Zijn benauwdheid (vers 7), in Zijn ongeval (ongeluk) (vers 19) geweest is, dat is Hij ook voor ons. En de beproevingen die wij ondergaan, zijn ook gelegenheden waardoor we Hem op een nieuwe wijze mogen leren kennen.

Ben ik moe en voel ik me uitgeput? Hij is mijn Kracht. Begint mijn geloof te wankelen? Hij is mijn Rots.

Bedreigt mij gevaar? Hij is mijn Burg, een Hoog Vertrek, waar ik altijd toevlucht kan vinden (Psalm 9 vers 10).

Ben ik in strijd verwikkeld met de vijand? Hij is mijn Schild, Die mij tegen de aanvallen beschermt.

Voor de Heere Jezus was deze redding het gevolg van Zijn gerechtigheid (vers 20 en 25). En alleen op grond van het feit dat wij met Hem verbonden zijn, mogen ook wij verzekerd zijn van uitredding.

Psalm 18:30-50
30Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.31Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.32Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?33Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.34Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.35Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.36Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.37Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.38Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.39Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.40Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.42Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.43Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.44Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.45Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.46Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.47De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils!48De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;49Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.50Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen; [ (Psalms 18:51) Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid. ]

De Heere Jezus vindt er een welgevallen in, om ons God voor te stellen, Wiens weg volmaakt en Wiens Woord gelouterd is (vers 31; Spreuken 30 vers 5).

In het eerste gedeelte van deze Psalm heeft Hij ons door Zijn voorbeeld geleerd God aan te roepen in onze nood. Hier onderwijst Hij ons om in onze wandel (vers 34 en 37) en strijd (vers 35, 36 en 40) op Hem te vertrouwen.

Weten we uit eigen ervaring wat het wil zeggen, op hoogten te staan (vergelijk Habakuk 3 vers 19)? Vanaf de top van een berg geniet je een vrij en ver uitzicht (zie Jesaja 33 vers 17). Laten we ons eens bezighouden met het uitzicht dat het slot van deze Psalm ons geeft.

De blikken richten zich op de toekomst, op het moment waarop God de vijanden van Zijn Zoon zal vernietigen. Aan de horizon verschijnt al het morgenrood van Zijn heerschappij. Hij zal als Vorst over Zijn volk Israël heersen, maar ook tot Hoofd over de volken gesteld worden. Laten we toch eens nadenken over deze Koning der koningen, Die in macht over het hele aardrijk zal regeren en door Zijn tegenwoordigheid alle ketenen zal verbreken. Dat de volken Hem eren — en allen zullen dat doen tijdens Zijn heerschappij — dient tot verheerlijking van God (Filippensen 2 vers 11).

Maar wij, die uit het midden van de volken uitgenomen zijn, hebben nu al het grote voorrecht tot eer van Zijn grote Naam lofliederen te mogen zingen (vers 50; aangehaald in Romeinen 15 vers 9). Laten we Hem deze lof niet onthouden!

Psalm 19
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.2De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.3De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.4Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.5Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.6En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.7Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.8De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechten wijsheid gevende.9De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.10De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.11Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.12Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.13Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.14Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding. [ (Psalms 19:15) Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser! ]

God heeft Zich door middel van twee getuigenissen geopenbaard. Het eerste getuigenis is dat van Zijn schepping (vers 2 - 7). Ook al kan de schepping geen woorden uitspreken, toch is door haar taal Gods macht en wijsheid tot aan de uiteinden van de aarde bekendgemaakt (Handelingen 14 vers 17). Dat de zon met regelmaat opkomt en ondergaat en haar weldadige licht en warmte uitstraalt over de hele schepping, is het voortdurende bewijs van Gods goedheid voor al Zijn schepselen (Psalm 136 vers 8; Mattheüs 5 vers 45).

Het tweede getuigenis dat God gegeven heeft, is dat van Zijn Woord (vers 8 - 12). Het is heilig, rechtvaardig, goed en geestelijk. Dat geldt zelfs voor de tijd waarin het alleen nog maar om de wet ging, die aan Israël gegeven werd (Romeinen 7 vers 12 en 14). Hoe veel meer waarde moet dat Woord dan nu voor ons hebben, nu het compleet is!

Dit voortreffelijke Woord beleert de knecht (vers 12) en treft zijn geweten. (Dit geweten vormt in ieder mens het derde getuigenis.) Het brengt de verborgen zonden (die per vergissing zijn begaan, vers 13) aan het licht, maar ook de bewuste zonden: de eigen wil, een vrucht van de trots en hoogmoed van de mens. (Over het onderscheid tussen deze beide vormen van zondigen, kunnen we ook iets lezen in Numeri 15 vers 27 - 30.)

Aan het begin van de Brief aan de Romeinen vinden we dit drievoudige getuigenis ook vermeld: de schepping (hoofdstuk 1 vers 20), het geweten (hoofdstuk 2 vers 15) en de wet (hoofdstuk 2 vers 17). Dit is om de toestand waarin de mensen zich bevinden, duidelijk te openbaren en tevens om hen tot het heil te leiden.

Psalm 20
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.2De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.3Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion.4Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela.5Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad.6Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De HEERE vervulle al uw begeerten.7Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden.8Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods.9Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven. [ (Psalms 20:10) O HEERE! behoud; die Koning verhore ons ten dage van ons roepen. ]

God heeft deze wereld nog een ander getuigenis gegeven dan die welke al in Psalm 19 genoemd zijn, een levende Getuige: Jezus Christus. Psalm 16 vers 3 toont ons de volmaakte Mens Die al Zijn lust in de gelovigen, "de heiligen" en "de heerlijken" op aarde, heeft. We kunnen zeggen dat Zijn hele hart naar hen uit gaat.

In Psalm 20 zien we juist het tegenovergestelde; daar lezen we dat de Heere Jezus het Middelpunt van alle aandacht en genegenheid van de Zijnen is. Zij zeggen tegen Hem, Die het op het kruis moest uitroepen "Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet" (Psalm 22 vers 3): "De HEERE verhore U! ...De HEERE vervulle al Uw begeerten!" (vers 2 en 6). En dan volgt de zekerheid van het geloof: "Hij zal Hem verhoren!" (vers 7). (In sommige Bijbelvertalingen zien we aan het eind van Psalm 22 vers 22 de glorieuze uitroep van Zijn bevrijding: "Gij hebt Mij geantwoord!")

Daarna denken de gelovigen pas aan zichzelf en smeken: "Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen" (vers 10). O, dat wij het ons ook meer bewust mogen zijn wat dit alles voor de Heere Jezus geweest is: Zijn eenzaamheid, aansluitend Zijn bevrijding en de heerlijke gevolgen hiervan voor ons.

"Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden de Naam van de HEERE, onze God" (vers 8). De moderne mens beroemt zich meer en meer op alles wat hij presteert, de snelle middelen van vervoer die ze hebben ontworpen en dergelijke. Voor de christen is het echter een eer Christus te mogen toebehoren en Zijn "goede Naam" te dragen (Jakobus 2 vers 7).

Psalm 21
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.2O HEERE! de koning is verblijd over Uw sterkte; en hoezeer is hij verheugd over Uw heil!3Gij hebt hem zijns harten wens gegeven, en de uitspraak zijner lippen hebt Gij niet geweerd. Sela.4Want Gij komt hem voor met zegeningen van het goede; op zijn hoofd zet Gij een kroon van fijn goud.5Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.6Groot is zijn eer door Uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt Gij hem toegevoegd.7Want Gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid; Gij vervrolijkt hem door vreugde met Uw aangezicht.8Want de koning vertrouwt op den HEERE, en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.9Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden.10Gij zult hen zetten als een vurige oven ter tijd uws toornigen aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren.11Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.12Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen.13Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen. [ (Psalms 21:14) Verhoog U, HEERE! in Uw sterkte; zo zullen wij zingen, en Uw macht met psalmen loven. ]

In Psalm 20 wenden de gelovigen zich tot hun Koning. Nu spreken ze tot God over deze Koning (vers 2 - 8). Dat is een onderwerp — of beter gezegd: Hij is het Onderwerp — in Wie het hart van God een welgevallen heeft! Het hoofddoel van echte christelijk godsdienst is: het aan de Vader voorstellen van Hem in Wie Hij al Zijn welgevallen heeft, Zijn Zoon Jezus Christus! Laten we dat nooit vergeten!

De "zegeningen van het goede" (vers 4), die Hij nu geniet, komen juist naar voren wanneer ze in verbinding met het lijden en de smaad die Zijn deel waren, gezien worden.

Op de doornenkroon volgt een kroon van gedegen goud; op het verdelen van Zijn kleding, de majesteit en pracht waarmee God Hem bekleed heeft (Psalm 45 vers 7 - 9). Op de smaadheid van het kruis volgt de heerlijkheid van Zijn opstanding (vers 5). Ja, Hij Die voor ons tot een vloek gemaakt werd, is nu voor altijd tot zegen gesteld. En Hij van Wie God Zelf Zich drie uren moest afwenden, is opnieuw vervuld met vreugde van Zijn aangezicht (vers 7).

Waarom heeft de Geest van God de volgorde van Psalm 21 en 22 niet omgewisseld? Zou het niet juist daarom zijn, dat God Zijn Zoon met deze zegeningen 'voor wilde zijn'? God had deze zegeningen al voor Hem toebereid en Hem die al van tevoren gegeven (vergelijk Johannes 17 vers 4 en 5). En Hij wil ook niet dat wij ons met het ernstige thema van het verlaten zijn van Zijn Geliefde bezighouden (Psalm 22) zonder ons eerst een zeker begrip van Zijn heerlijkheden te geven.

Psalm 22:1-21
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.2Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?3Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.4Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels.5Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.6Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.8Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:9Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!10Gij zijt het immers, Die mij uit den buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.11Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.12Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.13Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.14Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.15Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.17Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.18Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.19Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.20Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.21Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.

Wanneer we op deze plaats in de Heilige Schrift zijn aangekomen, past het ons de opdracht van Mozes na te volgen: "Trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land" (Exodus 3 vers 5). Deze Psalm geeft namelijk iets weer van de gevoelens en gebeden van de Heere Jezus, terwijl Hij aan het kruis hangt.

Na overgeleverd te zijn aan alle boosheid van de mensen en geleden te hebben ter wille van de gerechtigheid, moest Hij in die drie uren van diepe duisternis het verlaten zijn van Zijn sterke God ervaren. Helemaal alleen gaat de volmaakte Mens door deze onvergelijkbare beproeving. Het enige houvast dat Hij heeft, is Zijn onvergelijkbare liefde. Geen enkel moment wankelt Zijn vertrouwen in Hem, Die Hem voor een korte tijd niet kán antwoorden.

Openlijk spreekt de HEERE over Zijn schande en zwakheid (vers 2, 3 en 7), zonder echter ook maar een enkel teken van ongeduld, hopeloosheid of verdediging te tonen.

De mens is bij het kruis tot het uiterste gegaan. Hij heeft getoond waartoe hij in staat is in al zijn haat, gewelddadigheid, verachting en gemeenheid (vers 7 - 9, 13,14, 17 - 19).

Maar ook God heeft ten volle getoond Wie Hij is: volmaakt rechtvaardig tegenover de zonde, volmaakt in liefde voor de zondaar. Dat is de roem van het kruis!

Moge het overdenken van de Heere Jezus, hoe Hij daar aan het kruis stierf, in onze harten diepe verootmoediging en dankbaarheid, eerbied en aanbidding bewerken.

Psalm 22:22-31
22Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.23Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.24Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!25Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.26Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.27De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.28Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.29Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.30Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.31Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten. [ (Psalms 22:32) Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft. ]

In vers 22 staat: "verhoor Mij"; in andere Bijbelvertalingen: "Gij hebt Mij geantwoord". Daar krijgt Hij, Die tussen "de hoornen der eenhoornen" is, antwoord op Zijn smeken (vergelijk vers 3 met 22). Dat is de opstanding en tegelijkertijd de vreugde van de herwonnen gemeenschap. In Zijn grote liefde haast de Heere Zich om deze vreugde met anderen te delen. Zijn eerste gedachte gaat uit naar Zijn "broeders"; Hij wil hen bekend maken met de nieuwe betrekking waarin zij nu door Zijn werk op het kruis gebracht zijn. Hij spreekt tot hen over Zijn Vader, Die hun Vader geworden is en van Zijn God, Die hun God is (vers 23; Johannes 20 vers 17).

In tegenstelling tot de andere Psalmen die het lijden van Christus als onderwerp hebben, is hier geen sprake van oordeel. De Heere Jezus draagt hier de zonden, en ten gevolge daarvan is alles slechts genade en zegen: zegen

- voor de gemeente (in het begin bestaande uit joodse
discipelen: vers 23, aangehaald in Hebreeën 2 vers 12);

- voor het herstelde Israël, in vers 26 aangeduid als "een grote gemeente";

- voor "alle geslachten der heidenen", in het duizend jarig rijk (vers 28 en 29);

- en ten slotte voor allen die in de tijd van deze heerlijke heerschappij geboren zullen worden.

Zoals de kring van golven vanuit het midden steeds wijder wordt, zo verspreiden de wonderbare en veelvoudige gevolgen van het werk op het kruis zich uit over de hele schepping.

En nu kunnen we misschien iets meer begrijpen waarom de Heere Jezus verlaten werd (vergelijk vers 2).

Psalm 23
1Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.2Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.3Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.4Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.5Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.6Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns levens; en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen.

De goede Herder heeft Zijn leven gegeven voor Zijn schapen (Psalm 22; Johannes 10 vers 11). Nu gaat Hij voor hen uit en weidt hen vol liefde; ze zullen aan niets gebrek hebben, omdat Hij bij hen is en voor hen zorgt. De schapen, deze zwakke en afhankelijke schepsels — een beeld van onszelf (!) —ervaren elke dag opnieuw de zorg van de Herder (Jesaja 40 vers 11 en 49 vers 10).

Terugblikkend moeten we constateren dat we nergens gebrek aan hebben gehad (Lukas 22 vers 35), maar het geloof zegt ook: "mij zal niets ontbreken" (tenminste niets van dat wat mijn ziel nodig heeft, want die wordt verkwikt -vers 3).

De Heere Jezus leidt mij aan stille wateren, maar ook "in het spoor der gerechtigheid". Dat is Hij aan Zijn Naam verplicht.

Vanaf vers 4 richt het schaap zich direct tot Hem: "Gij zijt met mij...". In zulk Gezelschap jaagt zelfs "een dal van schaduw des doods" geen angst meer aan. De stok en staf van de goede Herder verzekeren mij, dat Hij mij zal beschermen, ook voor afdwalingen.

Zonder bang te hoeven zijn voor de aanwezigheid van machtige vijanden, mag ik aan de koninklijke tafel gaan zitten, waar een plaats voor mij bereid is. Die uitnodiging geldt niet alleen af en toe, maar voor "al de dagen mijns levens" (vergelijk 2 Samuël 9 vers 13). En dát in het Huis van de God van goedheid en genade, in het Huis van mijn Vader! In het geloof mag ik mij nu al in Zijn nabijheid bevinden, in de verwachting straks voor altijd bij Hem te zullen wonen.

Psalm 24
1Een psalm van David. De aarde is des HEEREN, mitsgaders haar volheid, de wereld, en die daarin wonen.2Want Hij heeft ze gegrond op de zeeen, en heeft ze gevestigd op de rivieren.3Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?4Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;5Die zal den zegen ontvangen van den HEERE, en gerechtigheid van den God zijns heils.6Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.7Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!8Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.9Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!10Wie is Hij, deze Koning der ere? De HEERE der heirscharen, Die is de Koning der ere. Sela.

In Psalm 22 vinden we de Verlosser. Dat is verleden tijd; het kruis, waarmee alles is begonnen.

Psalm 23 spreekt van de tegenwoordige tijd. We doen ervaringen op met de Herder.

Psalm 24 ontvouwt de toekomst; daar bewonderen we de Koning der heerlijkheid.

Al deze Psalmen zijn geschreven door David, de man die verwerping en lijden kende, maar die ook de herder van Israël (2 Samuël 5 vers 2) en de heerlijke koning van Sion was.

Psalm 24 begint met het bevestigen van het recht van de Heere over deze aarde. Het kruis werd op deze aarde opgericht (Psalm 22). Nu is deze aarde nog "een dal van schaduw des doods" (Psalm 23). Maar al heel spoedig zal God Zijn troon hier oprichten." De aarde... en die daarin wonen" zullen dan Hem, Wiens eigendom ze zijn, erkennen en zich aan Zijn heerschappij onderwerpen. Sommigen zullen slechts onder dwang daartoe besluiten, "geveinsd" zoals Psalm 18 vers 45 het zegt. Maar wij, laten wij nu al, vandaag, de Heere Jezus uit liefde gehoorzamen!

Om aan het koninkrijk deel te kunnen hebben, moeten de burgers de karaktertrekken van dit koninkrijk vertonen (vers 4 - 7). De Heere Jezus heeft die vanaf het begin van Zijn openbare dienst bekendgemaakt (vergelijk vers 5 met Mattheüs 5 vers 8). Hij was de Koning, de Messias van Israël, maar Zijn volk heeft Hem verworpen en daarom is Hij uitgegaan, Zijn kruis dragende (Johannes 19 vers 5 en 17). Wij zien Hem nu al, hoe Hij als de HEERE Zelf, als Koning der heerlijkheid in het rijk van zegen is ingegaan (Hebreeën 1 vers 3 en 2 vers 9).

Psalm 25
1Een psalm van David. Aleph. Tot U, o HEERE! hef ik mijn ziel op.2Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.3Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.4Daleth. HEERE! maak mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden.5He. Vau. Leid mij in Uw waarheid, en leer mij, want Gij zijt de God mijns heils; U verwacht ik den ganse dag.6Zain. Gedenk, HEERE! Uwer barmhartigheden en Uwer goedertierenheden, want die zijn van eeuwigheid.7Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid, noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar Uw goedertierenheid, om Uwer goedheid wil, o HEERE!8Teth. De HEERE is goed en recht; daarom zal Hij de zondaars onderwijzen in den weg.9Jod. Hij zal de zachtmoedigen leiden in het recht, en Hij zal den zachtmoedigen Zijn weg leren.10Caph. Alle paden des HEEREN zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijn getuigenissen bewaren.11Lamed. Om Uws Naams wil, HEERE! zo vergeef mijn ongerechtigheid, want die is groot.12Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.13Nun. Zijn ziel zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beerven.14Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.15Ain. Mijn ogen zijn geduriglijk op den HEERE, want Hij zal mijn voeten uit het net uitvoeren.16Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.17Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt; voer mij uit mijn noden.18Resch. Aanzie mijn ellende, en mijn moeite, en neem weg al mijn zonden.19Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.20Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.21Thau. Laat oprechtigheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht U.22O God! verlos Israel uit al zijn benauwdheden.

De Psalmen 16 tot en met 24 hebben ons hoofdzakelijk Christus, de Messias, onder de aandacht gebracht. Psalm 25 is als het ware het begin van een nieuwe 'serie' (de Psalmen 25 tot en met 39), waarin over het 'overblijfsel' en de gelovigen in het algemeen gesproken worden. De Psalmen kunnen in verschillende groepen ingedeeld worden, die alle een bepaald hoofdthema hebben.

Bij de Psalm voor vandaag willen we speciaal de aandacht richten op twee gebeden: het eerste in vers 4 tot en met 7 en het tweede in vers 16 tot en met 22. Laten we ons in het bijzonder de woorden van vers 4 en 5 eigen maken: "Leid mij in Uw waarheid" (vergelijk met Psalm 43 vers 3). Voor de apostel Johannes is het een oorzaak van grote vreugde, in het gezin van "de uitverkoren vrouw" kinderen aan te treffen "die in de waarheid wandelen" (2 Johannes vers 4).

Maar hoe kun je voorwaarts gaan zonder de weg en de paden te kennen? Die leert God ons en de verzen 8 tot en met 10 en vers 12 laten zien hoe je vooruitgang kunt boeken. In ieder geval is daarbij één ding noodzakelijk: "De verborgenheid des HEEREN is voor hen, die Hem vrezen" (vers 12 en 14). "Verborgenheid des HEEREN" betekent hier dat je een vertrouwde omgang met de Heere hebt en dat Hij je Zijn gedachten kan meedelen. Met andere woorden: God openbaart Zijn gedachten en maakt Zijn Woord bekend aan hen die bereid zijn zich aan Hem te onderwerpen.

Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom er zoveel onwetendheid in de christenheid — en vaak ook bij onszelf —gevonden wordt.

Psalm 26
1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.2Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.3Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.4Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.5Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.6Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!7Om te doen horen de stem des lofs, en om te vertellen al Uw wonderen.8HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.9Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;10In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is.11Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.12Mijn voet staat op effen baan; ik zal den HEERE loven in de vergaderingen.

In Psalm 25 had de gelovige zonden te belijden (vers 7, 11 en 18) en zijn gebed was: "Leid mij in Uw waarheid".

In Psalm 26 verandert zijn toon van spreken. Nu staat hij met een goed geweten voor God (vers 1 en 2) en kan hij zeggen: "Ik wandel in Uw waarheid" (vers 3). Hij is één van de gelukzaligen die zich, volgens Psalm 1 vers 1, niet gevoegd hebben bij de goddelozen (vers 4 en 5). Al zijn gedachten worden nu in beslag genomen door, en concentreren zich op, heilige dingen (zoals we die in vers 6 en 7 vinden). Nadat hij zijn handen in een koperen wasvat gewassen heeft, met andere woorden: nadat hij zelfoordeel heeft toegepast, gaat hij nu rondom het altaar. Daar beziet hij 'van alle kanten' het werk aan het kruis en Hem Die het volmaakte offer was. Daarna opent hij zijn mond "om te doen horen de stem des lofs", en spreekt hij van "al Uw wonderen", die in genade bewerkt zijn (vers 7).

Het christelijke leven bestaat niet alleen uit het zich verre houden van ongerechtigheid. Nadat het kind van God zich gereinigd heeft van de vaten tot oneer, vindt hij anderen die samen met hem de Heere aanroepen uit een rein hart (2 Timotheüs 2 vers 21 en 22). Dan mag de gelovige, die "de vergadering des boosdoeners" (vers 5) verlaten heeft, zich verheugen over de woonplaats van de heerlijkheid van zijn God (vers 8) en Hem "loven in de vergaderingen" (vers 12).

Is de tegenwoordigheid van de Heere Jezus in het midden van de twee of drie die in Zijn Naam vergaderd zijn, ook een vreugde voor ons hart (Mattheüs 18 vers 20)?

Psalm 27
1Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?2Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.3Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.4Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.5Want Hij versteekt mij in Zijn hut, ten dage des kwaads; Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent; Hij verhoogt mij op een rotssteen.6Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.7Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.8Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!9Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!10Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.11HEERE! leer mij Uw weg, en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.12Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.13Zo ik niet had geloofd, dat ik het goede des HEEREN zou zien in het land der levenden, ik ware vergaan.14Wacht op den HEERE, zijt sterk, en Hij zal uw hart versterken, ja, wacht op den HEERE.

Uit deze Psalm straalt het volle vertrouwen dat de gelovige heeft in Hem, Die zijn Licht, zijn Heil en levenskracht is (vers 1; vergelijk Psalm 18 vers 28 tot en met 30). De Brief aan de Efeziërs bevestigt dat de Heere zowel het Licht als ook de Sterkte van de christen is (Efeze 5 vers 14 en 6 vers 10).

Wie heeft dit vertrouwen op God meer getoond en in praktijk gebracht dan de Heere Jezus? Zoals Psalm 22 'de Psalm van het kruis' genoemd kan worden, zo kunnen we Psalm 27 'de Psalm van Gethsémané' noemen. Het is heel aangrijpend om te zien hoe vers 2 onze aandacht bepaalt bij de gevangenneming van de Heere Jezus. Hoe men toen, onder leiding van Judas en gewapend met zwaarden en stokken, op de Heere der heerlijkheid afkwam, maar ook hoe ze allemaal terugdeinsden en op de grond vielen toen Hij die woorden uitsprak: "Ik ben het" (Johannes 18 vers 6).

De Psalmist vindt toevlucht in het huis van de God van Israël (vers 3 tot en met 5; vergelijk 2 Koningen 19 vers 1 en 14). Dat is een prachtig beeld van gemeenschap, "één ding" waarnaar we zouden moeten verlangen en streven. En deze gemeenschap is niet beperkt tot het uur van beproeving, maar is voor "al de dagen mijns levens". Dat is de noodzakelijke 'atmosfeer' waarin we ons moeten bevinden om de liefelijkheid van de Heere te kunnen aanschouwen en vorderingen te kunnen maken in de kennis van Hem.

Het laatste vers is als een antwoord van 'boven', om de onrust in een gelovige te kalmeren: "Wacht op de HEERE".

Psalm 28
1Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.2Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.4Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.5Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.6Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.7De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.8De HEERE is hunlieder Sterkte, en Hij is de Sterkheid der verlossingen Zijns Gezalfden.9Verlos Uw volk, en zegen Uw erve, en weid hen, en verhef hen tot in eeuwigheid.

Het smeken zoals we dat in deze Psalm horen, heeft niets te maken met de gebeden die een christen vandaag de dag in het volste vertrouwen tegen zijn God en Vader kan uitspreken. De angst geen antwoord te zullen krijgen, de angst voor de dood, de angst om samen met de goddelozen weggenomen te zullen worden, dat zijn allemaal gevoelens van de gelovige Israëliet in de eindtijd. Deze grote nood laat juist het antwoord dat hij krijgt en de vreugde die hij daarover ondervindt, des te meer naar voren komen (vers 6 tot en met 9). "De HEERE is mijn Sterkte", zegt hij in vers 7.

Dat herinnert ons aan een gebeurtenis uit de geschiedenis van David. Bij zijn terugkeer in Ziklag komt hij in een uitgebrande stad, de inwoners zijn als gevangenen weggevoerd en het volk wil hem zelfs stenigen. Hij is in grote nood! En dan sterkt hij zich in de HEERE zijn God (1 Samuël 30 vers 6).

Het is voor ons soms ook nodig, net zoals bij David het geval was, dat we eerst onze eigen grote zwakheid ervaren, voordat we het willen toegeven dat onze sterkte alleen in de Heere te vinden is (2 Korinthe 12 vers 10).

Laten we er eveneens op letten dat het antwoord van God in het hart van de gelovige lof voortbrengt. En laten we dan ook nooit vergeten Hem deze lof te brengen (Jesaja 25 vers 1)!

Psalm 29
1Een psalm van David. Geeft den HEERE, gij kinderen der machtigen! geeft den HEERE eer en sterkte.2Geeft den HEERE de eer Zijns Naams, aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms.3De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.4De stem des HEEREN is met kracht, de stem des HEEREN is met heerlijkheid.5De stem des HEEREN breekt de cederen; ja, de HEERE verbreekt de cederen van Libanon.6En Hij doet ze huppelen als een kalf, de Libanon en Sirjon als een jongen eenhoorn.7De stem des HEEREN houwt er vlammen vuurs uit.8De stem des HEEREN doet de woestijn beven; de HEERE doet de woestijn Kades beven.9De stem des HEEREN doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in Zijn tempel zegt Hem een iegelijk eer.10De HEERE heeft gezeten over den watervloed; ja, de HEERE zit, Koning in eeuwigheid.11De HEERE zal Zijn volk sterkte geven; de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.

Vanuit profetisch oogpunt gezien, kondigt deze Psalm het moment aan waarop de machtigen van deze aarde zich zullen moeten onderwerpen aan de God van Israël. De eer en de macht die de mens zichzelf graag wil toe-eigenen, komen alleen God toe. En ze zullen Hem dan daadwerkelijk gegeven worden, wanneer Hij het goed acht Zijn stem te verheffen en Zijn rechten op te eisen (de stem van God wordt in deze Psalm zeven keer genoemd). De heerschappij van de volken (deze "kinderen der machtigen") over Israël zal een einde hebben, want "de HEERE zal Zijn volk sterkte geven", wanneer Hij "Koning in eeuwigheid" zal zijn (vers 10 en 11).

Is deze stem van de Schepper niet geweldig en wonderbaar? Alle mensen zijn in staat deze stem te horen. God spreekt tot hen door natuurverschijnselen: wind, onweer, lawines of aardbevingen..., waardoor zij van Zijn grootsheid overweldigd en met vrees vervuld worden. Helaas... is dat meestal maar van korte duur!

God heeft Zich echter vooral door Jezus Christus, het Mens-geworden Woord, tot deze wereld gericht (Johannes 1 vers 14 en 18 vers 37). Die stem van Goddelijke macht "op de grote wateren" (vers 3) weerklonk, toen Hij met een paar woorden de storm tot zwijgen bracht (Markus 4 vers 39). Het is echter ook die zachte stem van liefde, de stem van de goede Herder.

Ook vandaag kunnen we deze stem nog steeds horen in Zijn Woord. Laten we er toch naar luisteren!

Psalm 30
1Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis.2Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.3HEERE, mijn God! ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.4HEERE! Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.5Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.6Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.7Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.8Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.9Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot den HEERE:10Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?11Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper.12Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord; [ (Psalms 30:13) Opdat mijn eer U psalmzinge, en niet zwijge. HEERE, mijn God! in eeuwigheid zal ik U loven. ]

Hoewel de verzen 2 tot en met 6 waar zullen zijn voor het overblijfsel van Israël, mogen ze ook dienen tot bemoediging van alle verlosten. Deze woorden herinneren hen er aan, wanneer ze door een "lichte verdrukking" hebben te gaan, dat dit voor hen "een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid" bewerkt (2 Korinthe 4 vers 17). Op de tranen, die in de donkere nacht van deze wereld nog het deel van velen zijn, zal spoedig het gejuich in de morgen van de eeuwige dag volgen.

Zelfs in de nacht, te midden van beproevingen, bezit hij die de Heere kent, een innerlijke vreugde, waardoor hij in staat is te zingen (Psalm 42 vers 9; Job 35 vers 10). Op die manier mag hij voor zijn omgeving nog een geweldig getuigenis afleggen (Handelingen 16 vers 24 en 25).

Het gevaar bestaat echter ontmoedigd te worden in de beproeving! Aan de andere kant loopt een gelovige die het voor de wind gaat, het risico dat hij daarop gaat vertrouwen ("mijn berg", zegt de Psalmist in vers 8). Dan voelt God Zich gedwongen om in te grijpen en laat Hij de fundamenten van deze "berg" wankelen, opdat de gelovige weer naar Hem gaat zoeken (vers 7 tot en met 9).

De welvaart in deze wereld wordt maar al te gauw tot een verhindering voor ware gemeenschap met de Heere. Daarom kan het nuttig zijn voor ons dat die welvaart ons ontnomen wordt. Wat is het middel om aan deze gevaren te ontkomen? We moeten als het ware uitstijgen boven de tegenwoordige nacht en verder kijken dan onze "berg" en alle dingen bezien in het licht van de gelukzalige eeuwigheid die ons wacht.

Psalm 31:1-14
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.2Op U, o HEERE! betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw gerechtigheid.3Neig Uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot een sterke Rotssteen, tot een zeer vast Huis, om mij te behouden.4Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg; leid mij dan, en voer mij, om Uws Naams wil.5Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.6In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.8Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt aangezien, en mijn ziel in benauwdheden gekend;9En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.10Wees mij genadig, HEERE! want mij is bange; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.11Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.12Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg.13Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.14Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.

"Op U, o HEERE! betrouw ik", zegt de gelovige nu vol overtuiging (vers 2), in vers 7: "...en ik betrouw op de HEERE" en in vers 15 nog een keer: "Maar ik vertrouw op U, o HEERE!"

Te midden van de stormen die mensen ontketenen, klampt de gelovige zich vast aan deze zekerheid. Hij heeft zijn toevlucht niet meer gezocht bij zijn eigen "berg" (Psalm 30 vers 8), maar vertrouwt op God, zijn onwankelbare Rots (vers 4). "Wees mij tot een sterke Rotssteen", zegt hij in vers 3 en vervolgens in vers 4: "Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg". Niemand zal ooit in staat zijn een gelovige, die op dit Fundament staat, te doen wankelen (Mattheüs 7 vers 25). Beste vriend(in), hebt u op deze Rots gebouwd?

In ons bestaan komt misschien een moment waarop we dit vertrouwen meer nodig zullen hebben dan ooit tevoren. Dat is op het laatste ogenblik van ons leven, wanneer we alles los moeten laten en door de dood zullen gaan. Onze ziel kan in die donkere gang geen enkel steunpunt vinden dan alleen bij God, op Wie wij hier en voor altijd ons vertrouwen gesteld hebben (Spreuken 14 vers 32).

Laten we naar ons onvergelijkbaar Voorbeeld kijken. Op het moment van Zijn sterven brengt Christus Zijn grote vertrouwen tot uitdrukking in de woorden aan het kruis: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest" (vers 6; Lukas 23 vers 46; zie ook Psalm 31 vers 16).

Psalm 31:15-24
15Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.16Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers.17Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.19Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.20O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen, die U vrezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen, die op U betrouwen, in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!21Gij verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in een hut voor de twist der tongen.22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.23Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen, als ik tot U riep.24Hebt den HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten! want de HEERE behoedt de gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene, die hoogmoed bedrijft. [ (Psalms 31:25) Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij, die op den HEERE hoopt! ]

"...alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd. Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven... Een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen..." (Prediker 3 vers 1 tot en met 8). Al onze tijden zijn echter in de hand van onze God! Hij heeft van tevoren de gevolgen en de duur van iets bepaald, vooral als het gaat om een bepaalde tijd van beproeving. En laten we vers 16 ook altijd in gedachten houden bij het maken van onze plannen.

Behalve bescherming en redding vindt de ziel bij de Heere nog iets kostbaars: een grote, wonderbare goedheid of goedertierenheid (vers 20 en 22). Dat is bestemd voor hen die God vrezen en op Hem vertrouwen (Psalm 34 vers 10). We hoeven niet bang te zijn dat deze Goddelijke goedertierenheid ooit op zal raken.

Maar hoe beantwoorden wij deze goedertierenheid? Vers 24 leert ons: "Hebt de HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten!" Dat is "het eerste en het grote gebod" van de wet (Mattheüs 22 vers 37 en 38) en dat is niet moeilijk (zie 1 Johannes 5 vers 2 en 3), want de goedertierenheid van de Heere begrijpen, betekent al dat we Hem liefhebben! Ja, laten we ons veel met Zijn liefde voor ons bezighouden (1 Johannes 4 vers 19), opdat onze liefde tot Hem in onze harten wordt aangewakkerd en gevoed. Uit Zijn eigen liefde zal onze liefde voortkomen en leven.

Psalm 32
1Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.2Welgelukzalig is de mens, dien de HEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.3Toen ik zweeg, werden mijn beenderen verouderd, in mijn brullen den gansen dag.4Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.5Mijn zonde maakte ik U bekend, en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.6Hierom zal U ieder heilige aanbidden in vindenstijd; ja, in een overloop van grote wateren zullen zij hem niet aanraken.7Gij zijt mij een Verberging; Gij behoedt mij voor benauwdheid; Gij omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding. Sela.8Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.9Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel, hetwelk geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toom en gebit, opdat het tot u niet genake.10De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.11Verblijdt u in den HEERE, en verheugt u, gij rechtvaardigen! en zingt vrolijk, alle gij oprechten van harte!

Hoe meer de ziel heeft gezucht onder de last van de zonden, hoe meer zij nadien ook het geluk zal genieten, zoals we dat in de verzen 1 en 2 vinden. Hoort u bij die gelukzaligen?

Zo niet, dan laat vers 5 u de weg zien hoe u gelukkig kunt worden (vergelijk Lukas 15 vers 18). "Mijn ongerechtigheid bedekte ik niet", wil zeggen dat je alles beleden hebt. Aan deze voorwaarde moet worden voldaan, opdat God mijn zonden kan bedekken (vers 1).

Probeer ik ze echter te verbergen, dan zal God ze vroeg of laat aan het licht moeten brengen (Mattheüs 10 vers 26).

Het eerste werk dat God aan ons doet, is ons geweten wakker schudden. Zijn hand rust daar heel zwaar op, totdat de zondaar tot bekering komt, waarop God dan onmiddellijk vergeving schenkt.

Dit laatste begrip wordt ons in deze verzen vanuit drie verschillende gezichtspunten duidelijk gemaakt. Ten eerste het wegnemen van een last, dan het toedekken van de zonde en ten slotte het opheffen van de schuld.

Daarna volgt de wandel. Laten we toch niet lijken op redeloze lastdieren, zonder verstand, die door druk van buitenaf geleid moeten worden. Toom en bit zijn beelden van de moeizame middelen die God moet gebruiken als we niet tot Hem willen naderen (vers 9; vergelijk Spreuken 26 vers 3).

Hoe veel beter is het als wij ons direct door het Woord en in gemeenschap met de Heere laten onderwijzen, beleren en raad laten geven (vers 8)!

Psalm 33
1Gij rechtvaardigen! zingt vrolijk in den HEERE; lof betaamt den oprechten.2Looft den HEERE met de harp; psalmzingt Hem met de luit, en het tiensnarig instrument.3Zingt Hem een nieuw lied; speelt wel met vrolijk geschal.4Want des HEEREN woord is recht, en al Zijn werk getrouw.5Hij heeft gerechtigheid en gericht lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des HEEREN.6Door het Woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt, en door den Geest Zijns monds al hun heir.7Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.8Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.9Want Hij spreekt, en het is er; Hij gebiedt, en het staat er.10De HEERE vernietigt den raad der heidenen; Hij breekt de gedachten der volken.11Maar de raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht.12Welgelukzalig is het volk, welks God de HEERE is; het volk, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft.13De HEERE schouwt uit den hemel, en ziet alle mensenkinderen.14Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde.15Hij formeert hun aller hart; Hij let op al hun werken.16Een koning wordt niet behouden door een groot heir; een held wordt niet gered door grote kracht;17Het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijn grote sterkte.18Ziet, des HEEREN oog is over degenen, die Hem vrezen, op degenen, die op Zijn goedertierenheid hopen.19Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.20Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.21Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen.22Uw goedertierenheid, HEERE! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.

Vers 1 begint weer met de eindconclusie van het laatste vers van de voorgaande Psalm. Hij die door de vergeving van zijn zonden tot een rechtvaardige geworden is, wordt opgeroepen om zich te verheugen en de Heere te loven. Dat is het deel, ja, de opdracht aan elke gelovige.

Deze Psalm heeft echter direct betrekking op het toekomstige Israël, als hen de verwerping van de Messias zal zijn vergeven. Hun lofgezang zal in verbinding staan met drie belangrijke onderwerpen:

De trouw van God (vers 4 tot en met 9): Hij is de Schepper van alle dingen;

De wijsheid van God (vers 10 tot en met 17): Hij neemt nota van alles en regeert de volkeren;

De goedertierenheid van God (vers 18 tot en met 22): Deze goedertierenheid is er voor allen die op Hem vertrouwen.

Het nieuwe lied (vers 3) staat hier in verbinding met een nieuwe aarde, die God van ongerechtigheid gereinigd en met Zijn goedertierenheid vervuld zal hebben. De beraadslagingen van de heidenen en de gedachten van de volken zullen teniet gedaan zijn, opdat de eeuwige raadsbesluiten van God en de gedachten van Zijn hart in vervulling kunnen gaan (vers 10 en 11). Door Zijn Woord zijn de hemelen geschapen (vergelijk vers 6 en Hebreeën 11 vers 3). Dit Woord vormt ons en werkt nu in ons, en in de toekomst zal Het ook op een herstelde aarde in vervulling gaan. God kijkt vanuit de hemel neer naar alle bewoners van de aarde (vers 13 en 14). Maar volgens Zijn belofte in Psalm 32 vers 8 gaat Zijn waakzaam oog vooral uit naar hen die Hem toebehoren en die op Zijn goedertierenheid vertrouwen (vers 18; zie ook Psalm 34 vers 16).

Psalm 34
1Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.2Aleph. Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.3Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.4Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.5Daleth. Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.6He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.7Zain. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.8Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.9Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.10Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.11Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.12Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.15Samech. Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek den vrede, en jaag dien na.16Ain. De ogen des HEEREN zijn op de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun geroep.17Pe. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.18Tsade. Zij roepen, en de HEERE hoort, en Hij redt hen uit al hun benauwdheden.19Koph. De HEERE is nabij de gebrokenen van harte, en Hij behoudt de verslagenen van geest.20Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen; maar uit alle die redt hem de HEERE.21Schin. Hij bewaart al zijn beenderen; niet een van die wordt gebroken.22Thau. De boosheid zal den goddeloze doden; en die den rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden. [ (Psalms 34:23) De HEERE verlost de ziel Zijner knechten; en allen, die op Hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden. ]

De Geest van God heeft gebruik gemaakt van een droevige periode in de geschiedenis van David om hem later de woorden van deze Psalm te dicteren. Hij laat ons daardoor zien dat al onze omstandigheden, ook de meest vernederende in ons leven, uiteindelijk daartoe kunnen leiden dat we God prijzen. Laten we "deze ellendige" navolgen, door altijd en overal de Naam van onze God te verheffen.

In vers 12 lijkt het net alsof de Heere ons met liefelijke woorden bij Zich wil laten komen: "Komt, gij, kinderen! Hoort naar Mij!" Hij heeft voor ieder van ons persoonlijk een woord van bemoediging. Wie omringd is door gevaren, krijgt weer vertrouwen door de verzen 8, 16 en 18 (zie ook Jesaja 63 vers 9). Heeft iemand verdriet of is hij in rouw? De Heere laat zien waar troost te vinden is (vers 19).

De Heere wil graag ons vertrouwen in Zijn Vader versterken, opdat wij, samen met de Heere, de Vader zullen grootmaken (vers 4).

"Smaakt", zegt Hij, "dat de HEERE goed is" (vers 9; vergelijk 1 Petrus 2 vers 3).

De Heere weet echter ook dat wij Zijn vermaning nodig hebben: "Bewaar uw tong van het kwaad... Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek de vrede, en jaag die na" (vers 14 en 15; zie ook 1 Petrus 3 vers 10 tot en met 12). Petrus haalt het slot van deze Psalm niet aan, want vandaag is het nog de dag van genade. Het oordeel dat aan het eind aangekondigd wordt, is nu nog toekomst.

Psalm 35:1-16
1Een psalm van David. Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.2Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.3En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.4Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.5Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.6Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.7Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.8De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.9Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.10Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.11Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.12Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel.13Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.14Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.15Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.16Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.

"De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen en rukt hen uit" (Psalm 34 vers 8). Hier wordt Hij opgeroepen de vijanden van de rechtvaardige te verjagen en te vervolgen (vers 5 en 6). Na een tijd van onvermoeibare geduld en genade, een genade die voor velen zonder gevolgen bleef, zal het overblijfsel zich, in plaats van zichzelf te wreken, aan God overgeven om door Hem bevrijd te worden. De bevrijding voor de gelovige joden zal onherroepelijk gepaard gaan met het oordeel over hen die het kwade bedrijven.

Wat ons christenen betreft, zo weten wij dat onze bevrijding niet vervuld zal worden door het omkomen van de onrechtvaardigen. Nee, onze bevrijding zal zijn als we door de Heere opgenomen worden om voor eeuwig bij Hem te zijn! De ware gelovigen en de onbekeerden blijven niet voor altijd bij elkaar. Wanneer de Heere van de hemel zal neerdalen, zullen allen die in Hem geloven, van de aarde weggenomen worden en de anderen zullen hier voor die vreselijke "ure der verzoeking" achterblijven op aarde (Openbaring 3 vers 10).

In tegenstelling daarmee zullen bij Zijn tweede komst, bij Zijn verschijnen in heerlijkheid, de gelovigen van die tijd hier juist achterblijven en dan zullen de ongelovigen verlaten worden (Lukas 17 vers 34 tot en met 36).

Wat is de natuurlijke mens toch ondankbaar. David heeft dit zelf vaak meegemaakt en spreekt dan ook uit ervaring (vers 12 tot en met 15). De Heere Jezus heeft deze ondankbaarheid echter nog veel sterker gevoeld en ondervonden: "En zij hebben Mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor Mijn liefde" (vers 12; Psalm 109 vers 5).

Psalm 35:17-28
17HEERE! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.18Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.19Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.20Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.21En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!22HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.23Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak.24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.25Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!26Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.27Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!28Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.

Ook al hebben wij niet zoveel met de boosheid van de mensen te maken als de gelovigen in deze Psalm, toch moeten we niet vergeten dat vervolging het deel was en is van veel christenen. Wat mogen we dankbaar zijn dat we in dit land nog steeds de gewetensvrijheid kennen en de vrijheid hebben om samen te komen! Te midden van Zijn volk van verlosten de Heere prijzen, mag het oprechte verlangen van de gelovigen zijn (vers 18). Waarderen wij dit grote voorrecht nog?

In Johannes 15 vers 25 verwijst de Heere Jezus naar de woorden "zonder oorzaak haten", haat die Hijzelf heeft ondervonden (vers 19). Zonder oorzaak, dat is zeker! Toch moeten wij ons niet verbazen over de haat van de wereld tegenover Christus en de Zijnen (1 Johannes 3 vers 13). Het is de haat die satan in de mensen bewerkt tegen Hem Die hem heeft overwonnen.

Kunnen we ons vreselijker gevoelens voorstellen dan die genoemd worden in de verzen 21, 25 en 26? Er bestaan maar weinig uitdrukkingen die duidelijker kunnen aangeven hoe groot de boosheid in het menselijk hart is. Er is leedvermaak bij het zien van het lijden van een Onschuldige... namelijk de Zoon van God, Die gekomen is om de mensen te redden. "Ha, ha, ons oog heeft het gezien!", roepen de spotters (vers 21). Er komt echter nog zo'n gelegenheid, zoals Openbaring 1 vers 7 ons dat zegt: "alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben." Dan wordt Hij echter niet meer gezien op het kruis, maar in Zijn volle heerlijkheid als Rechter.

Psalm 36
1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.2De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.4De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.5Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.6O HEERE! Uw goedertierenheid is tot in de hemelen; Uw waarheid tot de bovenste wolken toe.7Uw gerechtigheid is als de bergen Gods; Uw oordelen zijn een grote afgrond; HEERE! Gij behoudt mensen en beesten.8Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! Dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.9Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.10Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.12De voet der hovaardigen kome niet over mij, en de hand der goddelozen doe mij niet omzwerven. [ (Psalms 36:13) Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan. ]

Vergelijk het slot van vers 5 eens met de vermaning in Romeinen 12 vers 9: "Heb een afkeer van het boze!" De mens van deze wereld staat onverschillig tegenover de zonde (want dat te veroordelen zou immers betekenen het oordeel over jezelf uitspreken). Het tegenovergestelde is juist het geval: de mens schept behagen in de zonde en maakt het zelfs tot een geliefd onderwerp in de lectuur en films. Deze ongevoeligheid tegenover het kwaad brengt hem ertoe zich te beroemen en "hij vleit zichzelf in zijn ogen", zelfs nog ten opzichte van de grootste ongerechtigheid (vers 3; Deuteronomium 29 vers 19)!

Omdat wij als christenen gedwongen zijn in deze atmosfeer te leven, is het gevaar voor ons aanwezig dat we op een gegeven moment afgestompt raken. We zullen echter altijd een afkeer van de zonde ervaren, wanneer we terugdenken aan het kruis en de hoge prijs die daar betaald moest worden om de zonde teniet te doen (Hebreeën 9 vers 26).

De goedertierenheid van God reikt tot in de hemel, onbereikbaar voor kwade bedoelingen (vers 6 en 8). Tegelijkertijd breidt zij haar beschermende vleugels uit over de mensenkinderen (zie Psalm 17 vers 8). Maar zoals de bewoners van Jeruzalem, in de tijd dat de Heere Jezus hier op aarde was, Zijn liefde afwezen, zo willen ook nu veel mensen niets van deze toevlucht die hun aangeboden wordt, weten (Mattheüs 23 vers 37).

De bronnen van leven en het Goddelijk licht — die in vers 10 met elkaar verbonden worden — duiden op Christus, het Woord, van Wie geschreven staat: "In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen" (Johannes 1 vers 4).

Psalm 37:1-22
1Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.2Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.3Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.4En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.5Gimel. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;6En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.7Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.9Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.10Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.11De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.12Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.13De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.14Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.15Hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.16Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.17Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.18Jod. De HEERE kent de dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.19Zij zullen niet beschaamd worden in den kwade tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.20Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen.21Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.22Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.

Psalm 37 is geen gebed van de gelovige in verband met het kwaad dat hem overkomt, zoals bij de meeste voorgaande Psalmen wel het geval was. Het is juist het antwoord van boven dat hem ten deel valt. Hij ervaart weliswaar nog geen bevrijding waar hij zo naar verlangt, maar hij ontvangt wel de noodzakelijke hulpbronnen en aanwijzingen, waardoor hij het kwaad dat hem omringd, kan weerstaan!

Ervaren wij vaak niet hetzelfde? Als antwoord op ons gebed wordt de beproeving niet altijd direct weggenomen, maar geeft de Heere ons wel wat nodig is om die beproeving te doorstaan!

Volgens de belofte van Psalm 32 vers 8: "Ik zal u onderwijzen, en u leren... Ik zal raad geven", herkennen we dan de stem van onze liefdevolle Meester. Hij heeft het onderwijs die Hij hier geeft, Zelf doorleefd.

En omdat Hij onze arme harten kent, weet Hij heel goed dat er met het oog op het kwaad dat ons omgeeft, twee verkeerde gevoelens bij ons kunnen opkomen: toom en afgunst (vers 1, 7 en 8; Spreuken 24 vers 1 en 19). Daarom geeft Hij ons deze vermaningen, die wij vaker zouden moeten lezen: "Ontsteekt u niet' (drie keer), "vertrouw...".

Daar zijn rijke beloften aan verbonden: "Zo zal Hij u geven de begeerten van uw hart... Hij zal het maken". Ja, laten we in alles op Hem vertrouwen en Hem alleen laten handelen! De God van de vrede zal spoedig de satan onder onze voeten vertreden (vergelijk de verzen 10, 17 en 20 met Romeinen 16 vers 20).

Psalm 37:23-40
23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.24Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand.25Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.26Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.28Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.29De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.32Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.33Maar de HEERE laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt.34Koph. Wacht op den HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.35Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.36Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.37Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.38Maar de overtreders worden te zamen verdelgd. het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.39Thau. Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid.40En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.

"De gangen van die man worden door de HEERE bevestigd" (vers 23). Van nature worden wij gekenmerkt door onafhankelijkheid. Dat wij God echter voor elke stap in ons dagelijks leven nodig hebben, is een waarheid die we niet graag willen toegeven. Laten we toch niet wachten totdat we eindelijk, na steeds opnieuw gestruikeld te zijn, hiervan overtuigd zijn en pas dan aanspraak maken op de hulp van de Heere!

Deze Psalm spreekt van de rechtvaardige (zowel in enkelvoud als meervoud). Dat is de naam die aan het getrouwe joodse overblijfsel gegeven zal worden. Dit overblijfsel zal het land bezitten (vers 9, 11, 22, 29 en 34), nadat de goddelozen uitgeroeid zijn (ook dit wordt vijf maal genoemd en wel in de verzen 9, 22, 28, 34 en 38).

Een kind van God heeft vandaag het recht dezelfde titel, rechtvaardige, te dragen (Romeinen 5 vers 19).

En hoe kan een rechtvaardige nu herkend worden? Hij is genadig en geeft (vers 21). Zijn mond spreekt wijsheid en zijn tong recht; "De wet van zijn God is in zijn hart" (vers 30 en 31). Liefde, wijsheid, waarheid en vasthouden aan het Woord — zijn deze kenmerken in onze dagelijkse wandel waarneembaar?

Daartoe mogen wij rekenen op de sterkte, hulp en uitredding van God (vers 39 en 40). Het is inderdaad ondenkbaar dat de rechtvaardige verlaten zou zijn (vers 25; 2 Korinthe 4 vers 9).

En toch weten we dat "de zeer Rechtvaardige" dit wel moest overkomen (Job 34 vers 17; Psalm 22 vers 2).

Psalm 38
1Een psalm van David, om te doen gedenken.2O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.3Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.4Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.5Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.6Mijn etterbuilen stinken, zij zijn vervuild, vanwege mijn dwaasheid.7Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen; ik ga den gansen dag in het zwart.8Want mijn darmen zijn vol van een verachtelijke plage, en er is niets geheels in mijn vlees.9Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.10HEERE! voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen.11Mijn hart keert om en om, mijn kracht heeft mij verlaten; en het licht mijner ogen, ook zij zelven zijn niet bij mij.12Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.13En die mijn ziel zoeken, leggen mij strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken den gansen dag listen.14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.15Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.18Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij.19Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.20Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.21En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.22Verlaat mij niet, o HEERE, mijn God! wees niet verre van mij. [ (Psalms 38:23) Haast U tot mijn hulp, HEERE, mijn Heil! ]

Het lijkt erop, dat de lessen uit Psalm 37 begrepen zijn. De gelovige verlangt nu niet meer naar de uitroeiing van de goddelozen, die hem toch uitdrukkelijk beloofd is. In plaats van zich kwaad te maken over de bedrijvers van het kwaad, heeft hij nu een diep besef van zijn eigen zonde (vers 4 tot en met 6).

Tegelijkertijd is hij zich ervan bewust dat hij in de hand van God is, Die hem terechtwijst en tuchtigt. En zo stelt hij al zijn hoop op Hem (vers 16).

Het komt hem niet toe om degenen die hem vervolgen, zelf te antwoorden, laat staan zich op hen te wreken. "Gij zult verhoren (antwoorden), HEERE, mijn God!"

Hier herkennen wij de lessen van het Nieuwe Testament. "Vergeldt niemand kwaad voor kwaad... Wreekt uzelf niet, beminden... Ik zal het vergelden, zegt de Heere" (Romeinen 12 vers 17 en 19). Het enige antwoord waartoe wij het recht hebben om te geven, is : het goede te doen, in tegenstelling tot de "vijanden" (vers 20) die "kwaad voor goed vergelden" (vers 21).

Hun opmerkelijke beweegreden wordt ons hier bekend gemaakt: "...omdat ik het goede najaag". Het is de afgunst, het boze verlangen om juist dat weg te nemen wat in schrille tegenstelling met henzelf staat en hun eigen boosheid zo duidelijk naar voren brengt.

Dat is het ook wat die vreselijke gevoelens bij de mensen opriep om de Heilige en Rechtvaardige te doden (Johannes 10 vers 32; lees ook 1 Johannes 3 vers 12).

Psalm 39
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.3Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.4Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:5HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.6Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.7Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.8En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.9Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.11Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.12Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.13Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. [ (Psalms 39:14) Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij. ]

Om de eigen wil van een gelovige te beteugelen, moet God soms gebruik maken van toom en bit (Psalm 32 vers 9). Om zijn tong, dit kleine onbedwingbare lid, in toom te houden, zou echter vaak een muilkorf nodig zijn (vers 2; zie Jakobus 3 vers 2 en verder).

Laten wij, die vooral zoveel moeite hebben met zwijgen als ons onrecht wordt aangedaan, steeds aan het volmaakte Voorbeeld denken, aan het Lam Dat Zijn mond niet open deed (vers 10; Psalm 38 vers 14; Jesaja 53 vers 7; 1 Petrus 2 vers 23).

"Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld..." (vers 6). Ons bestaan is slechts van korte duur. Toch wordt deze tijd door veel mensen op een dwaze manier verspild met ijdele bezigheden om aardse goederen te verzamelen (vers 7; Prediker 2 vers 21 en 23).

Het leven van de mens is niet alleen een ademtocht (vers 6 en 12), maar hij wandelt hier ook "als in een beeld", als een schaduw (vers 7). De personen en coulissen van het toneel van deze wereld, waar zich het menselijke drama afspeelt, zullen al heel gauw verdwijnen. Wat bij deze wereld hoort, vergaat. Wat waar en onvergankelijk is, dat behoort tot het onzichtbare en hemelse (1 Petrus 1 vers 4).

Wanneer de gelovige begrijpt dat hij van zo'n wereld niets hoeft te verwachten, komt onwillekeurig de vraag bij hem op: "En nu, waar kan ik nu dan nog op vertrouwen, wat verwacht ik hier dan nog, Heere?" En hij geeft zelf het antwoord: "Mijn hoop, die is op U!" (vers 8).

Psalm 40
1Davids psalm, voor den opperzangmeester.2Ik heb den HEERE lang verwacht; en Hij heeft Zich tot mij geneigd, en mijn geroep gehoord.3En Hij heeft mij uit een ruisenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijn voeten op een rotssteen gesteld, Hij heeft mijn gangen vastgemaakt.4En Hij heeft een nieuw lied in mijn mond gegeven, een lofzang onzen Gode; velen zullen het zien, en vrezen, en op den HEERE vertrouwen.5Welgelukzalig is de man, die den HEERE tot zijn vertrouwen stelt, en niet omziet naar de hovaardigen, en die tot leugen afwijken.6Gij, o HEERE, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.7Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; Gij hebt mij de oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt Gij niet geeist.8Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven.9Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.10Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.11Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.12Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.13Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.14Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.15Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.16Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!17Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: De HEERE zij groot gemaakt! [ (Psalms 40:18) Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God! vertoef niet. ]

Een heerlijke Psalm! Christus, de opgestane Mens, neemt hier het woord om ons de "wonderen" en "gedachten" van God voor ons (Hij maakt Zich één met de Zijnen; vers 6) bekend te maken. Hij doet dit door ons vier opeenvolgende beelden onder de aandacht te brengen. Het eerste brengt ons terug bij de eeuwigheid die al voorbij is (vers 7 en 8, aangehaald in Hebreeën 10 vers 5 tot en met 9). Als de Enige Die in staat was het zondeprobleem op te lossen, stelt de Zoon Zich aan ons voor als de gehoorzame Knecht: "Zie, Ik kom..." "En komende..." (of zoals een andere vertaling het zegt: "Hij is gekomen"), zegt Efeze 2 vers 17.

Het volgende beeld laat ons de Heere Jezus hier op aarde zien, hoe Hij "alle gerechtigheid" verkondigde en vervulde (Mattheüs 3 vers 15), hoe Hij getuigde van de goedertierenheid en waarheid van God en sprak van Zijn trouw en Zijn redding. Het hele leven van de Heere Jezus wordt als het ware samengevat in de verzen 9 tot en met 11.

Dan zien we de Verlosser op het indrukwekkende moment waarop Hij het moest uitroepen: "Mijn ongerechtigheden hebben Mij aangegrepen" (vers 13). Mijn ongerechtigheden...? Het waren immers die van mij en u! Te talrijk om op te noemen. In Psalm 38 vers 5 waren ze "te zwaar" geworden (zie ook 1 Petrus 2 vers 24).

Tot slot gaan we voor het laatste beeld terug naar de verzen 2 tot en met 4. De "ruisende kuil" (kuil van het verderf) en het "modderig slijk" zijn veranderd in "de rotssteen". De Rots van de opstanding, Christus, Die door de macht van God, op Wie hij met volharding vertrouwd heeft, werd bevrijd van de dood, zingt een nieuw lied. En Hij nodigt mensen uit, in te stemmen met dit lofgezang voor God (vers 4).

Psalm 41
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.2Welgelukzalig is hij, die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige; de HEERE zal hem bevrijden ten dage des kwaads.3De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.4De HEERE zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijn krankheid verandert Gij zijn ganse leger.5Ik zeide: O HEERE! wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.6Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?7En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.8Al mijn haters mompelen te zamen tegen mij; ze bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is, zeggende:9Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan.10Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.11Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden.12Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.13Want mij aangaande, Gij onderhoudt mij in mijn oprechtigheid, en Gij stelt mij voor Uw aangezicht in eeuwigheid. [ (Psalms 41:14) Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid! Amen, ja, amen. ]

Profetisch gezien heeft Christus aan het eind van Psalm 40 gezegd: "Ik ben wel ellendig en nooddruftig". Dat was vrijwillige armoede, om ons rijk te maken (2 Korinthe 8 vers 9). Gelukzalig hij die acht geslagen heeft op deze Arme en tevens begrepen heeft wat het betekent de plaats van armen, nederigen en lijdenden in te nemen. Gelukzalig hij die in de geest, niet in werkelijkheid, net als zijn Meester de plaats van armen inneemt (Mattheüs 5 vers 3).

Wat is vers 4 een geweldige bemoediging voor hen die ziek zijn! In eerste instantie vinden we daar de belofte van Goddelijke hulp! Al raakt de uiterlijke mens in verval, de innerlijke wordt van dag tot dag vernieuwd door de zorg en toewijding van de grote Arts van de zielen (2 Korinthe 4 vers 16).

Bovendien zal zijn "ziekbed" op wonderbare wijze veranderd worden, want de aanwezigheid van de Heere, Die aan zijn hoofdeinde 'zit', heeft de macht om de terneergeslagenheid van de patiënt te veranderen in vreugde. De weldaad van de gemeenschap zal hem al het onbegrip en de onverschilligheid, waarvan hij misschien het mikpunt is (vers 9), doen vergeten!

We weten wanneer vers 10 in vervulling is gegaan. Wat zal de Heere een verdriet gehad hebben, toen Hij dit gedeelte aanhaalde voordat Hij de verrader Judas "de bete" als teken van herkenning aanreikte (Johannes 13 vers 18 en 26).

Dit eerste boek van de Psalmen besluit met een eeuwig lofgezang. Wij, als gelovigen, mogen uit het diepst van ons hart hier ons "Amen, ja, amen" aan toevoegen!

Spreuken 1:1-19
1De spreuken van Salomo, den zoon van David, den koning van Israel,2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;4Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;9Want zij zullen uw hoofd een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uw hals.10Mijn zoon! indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;11Indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;12Laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja, geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen;13Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.14Gij zult uw lot midden onder ons werpen; wij zullen allen een buidel hebben.15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.17Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;18En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen.19Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.

God heeft Salomo, de grootste van alle wijzen (1 Koningen 4 vers 29 en verder), gebruikt om ons "De Spreuken", dit Boek van de wijsheid, te geven. Hoewel de inhoud geldt voor iedereen, is het toch speciaal voor de jongeren bedoeld (vers 4). Ja, dit Boek werd vooral voor jou, gelovige jonge vriend, geschreven. Jij bent op een leeftijd gekomen waarop je je eigen gedachten ontwikkelt en je eigen mening begint te vormen. Voor jou is het moment aangebroken dat je je eigen richting gaat bepalen en dat je zelf beslissingen moet nemen. In de school van God, waar je christelijke opvoeding onder het gezag en naar het voorbeeld van je ouders verder gaat (vers 7 tot en met 9), is dit Boek van de Spreuken één van je belangrijkste 'schoolboeken'. Je kunt er van alles in vinden: verklaringen, regels met toepassingen, oefeningen, voorbeelden om na te volgen en andere om juist niet na te doen. Maar de Wijsheid (evenals het Woord, waarmee Zij Zich identificeert), is tegelijkertijd een levende Persoon, Die iedereen die "zoon" genoemd wordt, onderwijst in de wandel en hem ook leidt op de weg.

Het Boek van de Psalmen begon met de afzondering van de gelovigen (Psalm 1 vers 1). Hier is dat ook het geval! De eerste onderwijzing aan de zoon maakt hem duidelijk dat hij de weg van de zondaars moet mijden. Die zondaars proberen hem namelijk te verleiden door hem uit te nodigen: "Ga met ons" (vers 11). En er wordt hem ook getoond waar deze weg heenleidt en hij wordt gewaarschuwd: "Mijn zoon! wandel niet met hen op de weg" (vers 15; Efeze 5 vers 11).

Spreuken 1:20-33
20De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.21Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;22Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten?23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.24Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;25En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;26Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.27Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt;28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;29Daarom, dat zij de wetenschap gehaat hebben, en de vreze des HEEREN niet hebben verkoren.30Zij hebben in Mijn raad niet bewilligd; al Mijn bestraffingen hebben zij versmaad;31Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.

De Wijsheid heeft Zich de opvoeding van Haar zonen, met andere woorden Haar discipelen (dat betekent: volgelingen), tot een opgave gesteld. Maar Zij richt Zich ook tot de buitenstaanders, om ook anderen uit te nodigen een discipel te worden. God heeft Zijn Woord niet alleen tot onderwijzing van de gelovigen gegeven. Het is ook het evangelie van de genade, dat de onbekeerden de weg van het heil laat zien.

Let er toch op, hoe de Wijsheid - en door Haar ook de Heere Jezus - volhardend overal naar de zielen zoekt, daar waar ze verdwaald zijn. Wij kennen deze woelige en rumoerige plaatsen waar de mensen van deze wereld zich als het ware laten verdoven, misschien zelf ook wel, omdat wij daar voor onze bekering ook zelf verkeerd hebben. De Wijsheid "roept overluid", om al dit lawaai te 'overstemmen' (vergelijk Johannes 7 vers 37 en 12 vers 44). En dit Woord, Dat God overal laat verkondigen, heeft een tweevoudige uitwerking: heil voor de een en verdoemenis voor de ander (vergelijk Handelingen 17 vers 32 tot en met 34).

Dezelfde stem die vandaag nog door de indringende oproep van de genade tot ons komt, zal op zekere dag ironisch en vreselijk klinken voor hen die niet wilden horen (vers 26), maar dan zal het te laat zijn (vergelijk vers 28 met Amos 8 vers 12). Wie nu echter wel naar die stem luistert, zal in veiligheid wonen, zonder angst voor het komende gericht (vers 33). Voor hen geldt de belofte van vers 23: "Ik zal Mijn Geest u overvloedig uitstorten; Ik zal Mijn Woorden u bekend maken".

Spreuken 2:1-22
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;4Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.7Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen;8Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren.9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.10Als de wijsheid in uw hart zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uw ziel zal liefelijk zijn;11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;12Om u te redden van den kwaden weg, van den man, die verkeerdheden spreekt;13Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;16Om u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende, die met haar redenen vleit;17Die den leidsman harer jonkheid verlaat, en het verbond haars Gods vergeet;18Want haar huis helt naar den dood, en haar paden naar de overledenen.19Allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen, en zullen de paden des levens niet aantreffen;20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.21Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven;22Maar de goddelozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouwelozen zullen er van uitgerukt worden.

Voordat de Wijsheid opnieuw de opvoeding van Haar zoon ter hand neemt, onderzoekt Zij eerst waar zijn genegenheid naar uitgaat. Is hij wel vastbesloten om zich te laten beleren, om "de kennis van God te vinden" (vers 5)? Onderwerpt hij zich gewillig aan de discipline van deze 'school'?

Inderdaad, geen enkele les heeft werkelijk zin wanneer men er niet naar verlangt om kennis te verkrijgen en er niet van doordrongen is hoe belangrijk de lessen zijn. Het gebeurt wel eens dat een matige basisschoolleerling juist heel goed mee kan komen op de middelbare school. Dat kan gebeuren, omdat hij dan pas ingezien heeft dat zijn toekomst mede afhankelijk is van z'n inzet op school.

In het Schriftgedeelte van vandaag zien we dus dat de Wijsheid en het Inzicht ons aangeboden worden. God stelt nooit grenzen aan de gaven van Zijn Geest (Johannes 3 vers 34). Maar tegelijkertijd moeten wij er zelf naar streven en ons in het gebed ernaar uitstrekken (vers 3; vergelijk 1 Korinthe 14 vers 1).

De verzen 1 tot en met 4 roepen de gelovige op tot een grote inspanning. Ook jij moet jezelf ervoor inzetten, jonge vriend. Zelfs de beste opvoeding zal je niet lang kunnen bewaren wanneer je eigen hart niet volkomen instemt met deze dingen (vergelijk vers 10 en 11; Daniël 1 vers 8). Als het niet jouw persoonlijk verlangen is, dan is het gevaar groot dat je je gaat aanpassen aan de omgeving waarin je bent. Daardoor zul je je dan blootstellen aan verkeerde invloeden (vers 12 tot en met 22). De dag waarop je misschien het ouderlijk huis hebt verlaten, zal dan uiteindelijk tot een definitief keerpunt in je leven worden, maar niet in positieve zin (lees 1 Korinthe 15 vers 33)!

Spreuken 3:1-20
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.2Want langheid van dagen, en jaren van leven, en vrede zullen zij u vermeerderen.3Dat de goedertierenheid en de trouw u niet verlaten; bind ze aan uw hals, schrijf zij op de tafel uws harten.4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.5Vertrouw op den HEERE met uw ganse hart, en steun op uw verstand niet.6Ken Hem in al uw wegen, en Hij zal uw paden recht maken.7Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.8Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.9Vereer den HEERE van uw goed, en van de eerstelingen al uwer inkomsten;10Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen.11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;12Want de HEERE kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja, gelijk een vader den zoon, in denwelken hij een welbehagen heeft.13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!14Want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en haar inkomst dan het uitgegraven goud.15Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.19De HEERE heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen door verstandigheid bereid.20Door Zijn wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en de wolken druipen dauw.

Deze liefdevolle woorden van jouw hemelse Vader zijn voor jou, gelovige jonge vriend: "Mijn zoon! vergeet... niet". De uitdrukking "Mijn zoon" wordt in de hoofdstukken 1 tot en met 7 veertien keer herhaald. In de Hebreeënbrief, waar de verzen 11 en 12 door de apostel aangehaald worden, moet hij helaas zeggen: "En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt". Laten we de waarschuwingen in deze hoofdstukken dus goed overwegen! En laten we ons er goed van bewust zijn Wie dit tegen ons zegt! (Hebreeën 12 vers 5 en 25).

Goedertierenheid en waarheid (trouw) zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zij komen overeen met de natuur en het wezen van de God van liefde en licht, Wiens kinderen wij zijn. O, dat ze beiden toch ook in ons hart liggen opgesloten! (vers 3).

Zoals hoofdstuk 2 ons heeft laten zien, is het de bedoeling om door gebed verstandigheid te verkrijgen (2 vers 2), waardoor de Heilige Geest ons laat indringen in de gedachten van God. Gelukzalig die mens die het verkrijgt (vers 13).

Mijn eigen verstand staat hier echter lijnrecht tegenover en daarom moet ik oppassen (vers 5). Ik kan niet tegelijkertijd op mijn eigen inzicht bouwen en tevens van ganser harte op God vertrouwen. Ik kan niet volgens mijn eigen gedachten gaan handelen en tegelijkertijd de aanwijzingen van Boven opvolgen. "Weest niet wijs bij uzelf", zo vermaant ons Romeinen 12 vers 16 in navolging van vers 7 uit het Schriftgedeelte van vandaag.

Spreuken 3:21-35
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.22Want zij zullen het leven voor uw ziel zijn, en een aangenaamheid voor uw hals.23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.24Zo gij nederligt, zult gij niet schrikken; maar gij zult nederliggen en uw slaap zal zoet wezen.25Vrees niet voor haastigen schrik, noch voor de verwoesting der goddelozen, als zij komt.26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.27Onthoud het goed van zijn meesters niet, als het in het vermogen uwer hand is te doen.28Zeg niet tot uw naaste: Ga heen, en kom weder, en morgen zal ik geven, dewijl het bij u is.29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.30Twist met een mens niet zonder oorzaak, zo hij u geen kwaad gedaan heeft.31Zijt niet nijdig over een man des gewelds, en verkies geen van zijn wegen.32Want de afwijker is den HEERE een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.33De vloek des HEEREN is in het huis des goddelozen; maar de woning der rechtvaardigen zal Hij zegenen.34Zekerlijk, de spotters zal Hij bespotten, maar den zachtmoedigen zal Hij genade geven.35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.

Voor het leven van mijn ziel is het in eerste instantie nodig het onderwijs van de wijsheid te bewaren. "De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woord, dat door de mond Gods uitgaat" Mattheüs 4 vers 4). Tegenover anderen zal dat tegelijkertijd als een sieraad van de genade zijn (vers 22; hoofdstuk 1 vers 19; 4 vers 9). Overdag zal mijn wandel erdoor bevestigd worden, terwijl ik 's nachts veilig zal wonen. Mijn slaap zal zoet zijn (vers 24).

Waar komen toch de onzekerheid en de foutieve beoordelingen vandaan, die mij in de loop van de dag zo vaak ten val brengen? Vanwaar die angst en dat aftobben, waardoor zelfs 's nachts mijn geest overvallen kan worden? Dat komt doordat ik het onderwijs van de Heere uit het oog verloren heb en niet meer eenvoudig alleen op Hem vertrouw (vers 26), maar m'n eigen gedachten navolg.

En vervolgens gaat God, Die mijn zelfzuchtig hart kent, verder en Hij herinnert mij aan hetgeen ik de ander verschuldigd ben (vers 27; Lukas 6 vers 30). Omdat ik Zijn kind ben, verwacht Hij van mij oprechtheid, dat ik geen halve waarheden verkondig door mijn daden, woorden en in mijn bedoelingen. Bovendien mag ik de christelijke zachtmoedigheid, die niet op haar rechten staat (vers 30 en 31), ook niet vergeten.

Zou dat overigens ook niet het middel zijn om "meerdere genade" te ontvangen, zoals Jakobus ons dat belooft in zijn Brief, door vers 34 aan te halen? (Jakobus 4 vers 6).

Spreuken 4:1-19
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.3Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.8Verhef ze, en zij zal u verhogen; zij zal u vereren, als gij haar omhelzen zult.9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.16Want zij slapen niet, zo zij geen kwaad gedaan hebben; en hun slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen.17Want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld.18Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.

Het kind van gelovige ouders ontvangt binnen het gezin al het begin van de wijsheid van God. Deze "goede leer" weerstaan, verachten of verlaten (vers 2), is een instelling die, nooit gezegend kan zijn. En maar al te vaak is zo'n instelling het beginpunt geweest van een leven dat verloren is voor het getuigenis (vergelijk vers 10 met Exodus 20 vers 12).

"... de vader zal de kinderen Uw waarheid bekend maken" (Jesaja 38 vers 19). Het christelijk onderwijs valt onder de verantwoording van de vaders. Zij mogen hun kinderen datgene doorgeven wat ze vaak zelf ook weer van hun eigen ouders ontvangen hebben (Psalm 78 vers 4 tot en met 6). Salomo, de geïnspireerde schrijver van de Spreuken, zal hierbij ongetwijfeld gedacht hebben aan de laatste woorden van zijn vader David (vers 3; 1 Koningen 2 vers 1 tot en met 3).

De verzen 11 tot en met 13 onderwijzen ons wat onze wandel betreft en de verzen 14 tot en met 19 wat de weg betreft. De weg van de kwaden wordt ons beschreven, opdat wij die zullen mijden en getrouw op het pad van de rechtvaardigen zullen voortgaan. "Het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe" (vers 18).

De Wijsheid is iets waarin je stapje voor stapje vooruitgang kunt boeken (vergelijk Lukas 2 vers 52). Het is dan ook zeker niet normaal, dat deze groei verhinderd wordt door een slechte toestand van ons geweten.

O, dat vers 18 toch voor een ieder van ons de samenvatting van ons leven mag zijn.

Spreuken 4:20-27; Spreuken 5:1-23
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.22Want zij zijn het leven dengenen, die ze vinden, en een medicijn voor hun gehele vlees.23Behoed uw hart boven al wat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.3Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie.4Maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard.5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;10Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;11En gij in uw laatste brult, als uw vlees, en uw lijf verteerd is;12En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!13En heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oren geneigd tot mijn leraars!14Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering!15Drink water uit uw bak, en vloeden uit het midden van uw bornput;16Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;17Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.18Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;19Een zeer liefelijke hinde, en een aangenaam steengeitje; laat u haar borsten te allen tijd dronken maken; dool steeds in haar liefde.20En waarom zoudt gij, mijn zoon, in een vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen?21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.22Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.23Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.

Alle zintuigen, alle organen van de gelovige, die nodig zijn om in leven te blijven, moeten beheerst worden door de wijsheid. Deze wijsheid heeft God aan jou, gelovige vriend, ter beschikking gesteld (Jakobus 1 vers 5). Door deze wijsheid ben je er zelf verantwoordelijk voor te waken over je oren (vers 20), je ogen (vers 21 en 25), je voeten (vers 26 en 27; Psalm 119 vers 101), je gedachten en je lippen (hoofdstuk 5 vers 2), maar bovenal je hart, omdat je vandaar uit gestuurd wordt (vers 23). Als dat hart gevangen genomen wordt door verkeerde gedachten, dan ga je afwijken van Gods weg. En bij hoevelen is dat al niet gebeurd; bittere tranen hebben ze gehuild, omdat ze in hun jeugd iets in hun innerlijk hebben toegelaten wat niet naar de gedachten van de Heere was!

Als de lippen de uitgangspoort van het hart zijn, dan zijn de ogen de belangrijkste deur waardoor iets naar binnen komt. Laten we er daarom voor waken dat onze ogen altijd de juiste richting uit kijken. Dat ze toch constant op de Heere Jezus, het doel van ons geloofsleven, gericht mogen zijn (Hebreeën 12 vers 2). Als dat zo is, dan zal er bij ons geen andere begeerte ingang kunnen vinden.

Vers 8 en de daaropvolgende verzen beschrijven de ellende van iemand die zich door een vreemde liet verleiden. Daarmee heeft hij zijn jaren aan "de wrede" overgegeven (vers 9). Voor onze bekering hebben we al veel te veel van onze jaren aan de satan overgegeven. Wie zou dan nu weer opnieuw in zijn macht willen terugkeren?

Spreuken 6:1-19
1Mijn zoon! zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, voor een vreemde uw hand toegeklapt hebt;2Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.4Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering.5Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;7Dewelke, geen overste, ambtman noch heerser hebbende,8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.9Hoe lang zult gij, luiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?10Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens, al nederliggende;11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;13Wenkt met zijn ogen, spreekt met zijn voeten, leert met zijn vingeren;14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.15Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.16Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:17Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.

Borg staan voor iemand wil zeggen dat je kunt instaan voor iemand of dat je de verantwoordelijkheid voor verplichtingen die een ander is aangegaan, overneemt. Voor ons lijkt dit iets heel goeds te zijn, maar in het oog van God is dit juist een gruwel. Ten eerste omdat daardoor het vertrouwen op een mens gesteld wordt. En ten tweede omdat men onnadenkend over de toekomst meent te beschikken, hetgeen alleen God toekomt (Jeremia 17 vers 5; Jakobus 4 vers 13 en 14).

Luie mensen worden in de verzen 6 tot en met 8 opgeroepen om eens een bezoekje te brengen bij de mieren. Van dat kleine, werkzame volkje kun je enorm veel leren: ijver, doorzettingsvermogen, voorzichtigheid, orde, wederzijdse hulp, zelfdiscipline. Bij hen hangt geen enkel diertje doelloos rond. En mocht de last voor de enkeling te zwaar worden, dan komt een ander te hulp. Dat het bij ons toch zo mag zijn, dat we acht slaan op de levende lessen die God ons overal in de schepping wil meedelen!

We hebben al gezien dat alle zintuigen en gedachten van een gelovige voor God bewaard en geheiligd zouden moeten worden (hoofdstuk 4 vers 21 tot en met 27; 5 vers 1 en 2). De verzen 12 tot en met 19 laten ons nu zien hoezeer deze leden bij de natuurlijke mens in dienst van de boze kunnen staan. Dat was ook onze situatie, toen wij nog slaven van de zonde waren! Maar Romeinen 6 vers 18 en 19 herinnert ons eraan dat wij vrijgemaakt zijn en vermaant ons heel indringend om onze leden nu ten dienste van "de gerechtigheid, tot heiligmaking" te stellen.

Spreuken 6:20-35
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.21Bind ze steeds aan uw hart, hecht ze aan uw hals.22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;24Om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.25Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat ze u niet vangen met haar oogleden.26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.27Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?28Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?29Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;31En gevonden zijnde, vergeldt hij het zevenvoudig; hij geeft al het goed van zijn huis.32Maar die met een vrouw overspel doet, is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, die dat doet;33Plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uitgewist worden.34Want jaloersheid is een grimmigheid des mans; en in den dag der wraak zal hij niet verschonen.35Hij zal geen verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.

Aan het begin van dit Bijbelboek worden jonge christenen direct al op één van hun eerste plichten gewezen, die onmiddellijk volgt op het vrezen van de Heere, namelijk naar de ouders te luisteren en hen te gehoorzamen (hoofdstuk 1 vers 8 en 9). De verzen 20 tot en met 22 van het Schriftgedeelte voor vandaag komen op dit belangrijke onderwerp terug, door aan de onderwijzingen van de ouders evenveel waarde te hechten als — volgens Deuteronomium 11 vers 18 en 19 — het Woord van God Zelf (zie ook Spreuken 23 vers 22). Je ouders gehoorzamen, die je Gods Woord onderwijzen, betekent dus in feite God gehoorzamen. Dat is niet alleen "recht" (Efeze 6 vers 1), maar ook "de Heere welbehagelijk" (Colossenzen 3 vers 20). O, dat deze gehoorzaamheid toch zichtbaar mag zijn in de huizen van de gelovigen. En juist des te meer nu dit in de huidige wereld steeds minder gevonden wordt (2 Timotheüs 3 vers 2).

De invloed van het gezin staat lijnrecht tegenover die van de vreemde, die de zonde in eigen persoon voorstelt (hoofdstuk 2 vers 16; 5 vers 3 en 20; 7 vers 5). We hoeven ons niet te verwonderen dat we steeds opnieuw hiervoor gewaarschuwd worden. Uit eigen ervaring weten we immers, dat de verzoekingen ook steeds opnieuw de kop op zullen steken. Die zullen voor ons des te gevaarlijker zijn, wanneer ze in onze gedachten of gewoonten ook nog ongeoordeelde onreinheid tegenkomen!

Ook luiheid zet een deur open voor vleselijke begeerten, zoals de geschiedenis van David en zijn vreselijke zonde ons laat zien (2 Samuël 11).

Spreuken 7:1-27
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.2Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.3Bind ze aan uw vingeren, schrijf ze op de tafels uws harten.4Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;5Opdat zij u bewaren voor een vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit.6Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;7En ik zag onder de slechten; ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling;8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.9In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid;10En ziet, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede;11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;13En zij greep hem aan, en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht, en zeide tot hem:14Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald;15Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden.16Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte;17Ik heb mijn leger met mirre, aloe en kaneel welriekende gemaakt;18Kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe; laat ons ons vrolijk maken in grote liefde.19Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;20Hij heeft een bundel gelds in zijn hand genomen; ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen.21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.22Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien.23Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.25Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaalt niet op haar paden.26Want zij heeft veel gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele.27Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods.

Dit hoofdstuk illustreert op heel indringende wijze hoe groot het gevaar van de vreemde vrouw is voor de jonge zoon van de wijsheid. Het gaat regelrecht om een jacht op z'n ziel (vergelijk hoofdstuk 6 vers 26). Deze onreine, hartstochtelijke en losbandige vrouw ligt op de loer. Haar verderfelijke bedoelingen camoufleert ze met een godsdienstige dekmantel (vers 14). Dan duikt ze hier, dan daar weer op en de nacht helpt haar bij het loeren op haar slachtoffer. Haar wapens zijn: vleiende woorden, schoonheid en oogopslag (hoofdstuk 2 vers 16; 5 vers 3; 6 vers 25). Haar slachtoffer is de lichtzinnige, niets uitvoerende jongere, die bij voorbaat al is overwonnen, omdat hij geen enkele wilskracht toont en door zijn eigen lusten beheerst wordt.

Alles gaat vlug in zijn werk: onwetend en dwaas liep hij haar achterna (vers 22). De strik van de vogelvanger - dat is satan - heeft hem binnen de kortste keren gevangen (vers 23; Psalm 91 vers 3). Te laat!, hij kan niet meer terug; hij heeft een tijdje genoten, maar wat heeft hij daar een hoge prijs voor moeten betalen! Het ging om "zijn leven"... maar hij wist het niet.

Jullie zijn nu gewaarschuwd, jonge christenen! Daarom is jullie verantwoording nu nog groter! Maar jullie weten ook waar hulp te vinden is: "Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw Woord" (Psalm 119 vers 9). Denk maar aan het voorbeeld van Jozef, aan zijn standvastigheid (Genesis 39 vers 9). En roep op het moment van gevaar tot Hem, Die altijd "degenen die verzocht worden, te hulp" zal komen (Hebreeën 2 vers 18).

Spreuken 8:1-21
1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?2Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;3Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:4Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.8Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.9Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.11Want wijsheid is beter dan robijnen, en al wat men begeren mag, is met haar niet te vergelijken.12Ik, Wijsheid, woon bij de kloekzinnigheid, en vinde de kennis van alle bedachtzaamheid.13De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.14Raad en het wezen zijn Mijne; Ik ben het Verstand, Mijne is de Sterkte.15Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid.16Door Mij heersen de heersers, en de prinsen, al de rechters der aarde.17Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.18Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.19Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver.20Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;21Opdat Ik Mijn liefhebbers doe beerven dat bestendig is, en Ik zal hun schatkameren vervullen.

Net als in het eerste hoofdstuk richt de Wijsheid Zich ook hier tot de verlorenen en laat Ze Haar roep van genade weerklinken. Deze keer staat Zij "op de spits der hoge plaatsen, aan de weg", daar waar de wegen samenkomen, bij de toegangspoort van de stad, overal waar de wereld voorbijgaat. Die kruising van wegen is de plaats waar gelegenheid is om van richting te veranderen. De knechten in de gelijkenis van de koning werden daar ook naar toe gestuurd, om zoveel mogelijk uit te nodigen (Mattheüs 22 vers 9). In het negende hoofdstuk zullen we zien dat ook de Wijsheid een feestmaaltijd heeft klaargemaakt en Haar dienstmaagden uitgezonden heeft om uit te nodigen.

Misschien wandel jij nog op die brede weg, maar geef nu toch eindelijk eens antwoord op die indringende stem die je vanaf die kruising hoort. Deze stem is de stem van de Heere Jezus, Die jou gelukkig wil maken. Allen die naar Hem luisteren, zullen vorstelijke dingen, billijkheid en waarheid vernemen (vers 6 tot en met 9). Hij bezit schatten die op geen enkele manier te vergelijken zijn bij al het goud en het zilver van deze wereld. Hij laat ons wat "duurzaam" en "bestendig is" beërven (vers 18 en 21), "de toekomende goederen", "een beter en blijvend goed" zoals het in Hebreeën 10 vers 1 en 34 ook genoemd wordt.

Dat wat "God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben", is inderdaad ontzettend heerlijk en kostbaar! (1 Korinthe 2 vers 9; vergelijk vers 17 tot en met 21).

Spreuken 8:22-36
22De HEERE bezat Mij in het beginsel Zijns wegs, voor Zijn werken, van toen aan.23Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.24Ik was geboren, als de afgronden nog niet waren, als nog geen fonteinen waren, zwaar van water;25Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.26Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld.27Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;28Toen Hij de opperwolken van boven vestigde; toen Hij de fonteinen des afgronds vastmaakte;29Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;30Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;31Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.34Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.35Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.36Maar die tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan; allen, die Mij haten, hebben den dood lief.

"Hetgeen God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben", vindt zijn oorsprong in Christus. Hij is "de Wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was" (1 Korinthe 2 vers 7 en 9; zie ook 1 Korinthe 1 vers 30).

De verzen 22 tot en met 31 laten ons de loop van de tijd — tot voor de aanvang van de geschapen dingen — zien, verder dan onze gedachten terug kunnen gaan.

Toen was de Wijsheid er al, een Persoon aan Gods zijde: de Zoon bij de Vader, in een atmosfeer van wederzijdse liefde en vreugde, om het werk van de schepping te plannen en daarna uit te voeren.

Bovendien horen we hier nog iets heel opmerkelijks: Voordat er maar een mens bestond, voordat de aarde er was om deze mens te dragen, ja, zelfs voor "de aanvang van de stofjes der wereld" (vers 26), waren wij, jij en ik, door Hem gekend en geliefd! "Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen" (vers 31), is de uitspraak van de zo liefhebbende God, al voordat de tijd begon. Hij wilde deze liefde van de Vader echter niet alleen genieten! En het grote werk, dat Hij wilde volbrengen, had dan ook dit ene doel: geredde en volmaakte mensen in te voeren in Zijn geluk, tot verheerlijking van God, Zijn Vader.

Spreuken 9:1-18
1De opperste Wijsheid heeft Haar huis gebouwd; Zij heeft Haar zeven pilaren gehouwen.2Zij heeft Haar slachtvee geslacht. Zij heeft Haar wijn gemengd; ook heeft Zij Haar tafel toegericht.3Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:5Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb.6Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.7Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande; en die den goddeloze bestraft, zijn schandvlek.8Bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben.9Leer den wijze, zo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zo zal hij in leer toenemen.10De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.11Want door Mij zullen uw dagen vermenigvuldigen, en de jaren des levens zullen u toegedaan worden.12Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven; en zijt gij een spotter, gij zult het alleen dragen.13Een zotte vrouw is woelachtig, de slechtigheid zelve, en weet niet met al.14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;15Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:17De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk.18Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel.

Het Woord, Dat "in den beginne" bij God was en Dat God was, is neergedaald om tot de mensen te spreken en hen de Vader te openbaren. (Dat is het grote onderwerp in het evangelie naar Johannes). Zo is het ook met de Wijsheid. Zij is niet aan Gods zijde gebleven. Zij heeft Haar huis in het midden van de mensen gebouwd (Johannes 1 vers 14; in de betekenis van een tent plaatsen), en nodigt hen uit, "Komt... eet... en drinkt..." (vers 5; vergelijk Johannes 6 vers 51 en 21 vers 12). Eerst verzadigt Zij en daarna volgt het onderwijs. De Heere Jezus vervult eerst het hart, voordat Hij Zich gaat bezighouden met de geest en het verstand. Want als de liefde tot Hem niet voorafgegaan wordt door het erkennen van "Zijn geboden", zullen we niet in staat zijn deze te houden.

Bovendien moet de onderwijzing door de Wijsheid bij het begin beginnen, dat is met "de vreze des HEEREN" (vers 10), in het zich bewust zijn van het gezag van Hem Die het onderwijs geeft. Men heeft ontzag voor God als men ervan doordrongen is dat ieder Woord van Hem belangrijk is. Nooit zouden we de Bijbel op een andere manier moeten lezen!

In de wereld probeert een andere stem de mensen te verleiden: de stem van de dwaasheid (en de zonde)! Uiterlijk lijkt die op wijsheid (vergelijk vers 4 en 16) en er wordt ons "voor een tijd de genieting der zonde" aangeboden (Hebreeën 11 vers 25). Echter, laten we de gezichten van hen die uitgenodigd zijn, maar eens van wat dichterbij bekijken. Dan blijkt dat er aan die onheilsnolle tafel alleen maar schaduwen des doods zitten ! (vers 18; hoofdstuk 2 vers 18 en 19).

Spreuken 10:1-15
1De spreuken van Salomo. Een wijs zoon verblijdt den vader; maar een zot zoon is zijner moeder droefheid.2Schatten der goddeloosheid doen geen nut; maar de gerechtigheid redt van den dood.3De HEERE laat de ziel des rechtvaardigen niet hongeren; maar de have der goddelozen stoot Hij weg.4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.5Die in den zomer vergadert, is een verstandig zoon; maar die in den oogst vast slaapt, is een zoon die beschaamd maakt.6Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.7De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn; maar de naam der goddelozen zal verrotten.8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.10Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.12Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.13In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden; maar op den rug des verstandelozen de roede.14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.

Vanaf dit hoofdstuk vinden we in het Boek van de Spreuken een aantal uitspraken die door de Wijsheid ingegeven werden. Het is niet altijd even eenvoudig om de betekenis te begrijpen en de hoofdgedachte eruit naar voren te halen. Een uitvoerige behandeling is in de opzet van dit dagboek ook niet mogelijk. De ruimte ontbreekt om al te diep op alle teksten in te gaan en daarom zullen we ons elke dag beperken tot een klein aantal. Met Gods hulp willen we proberen bepaalde hoofdlijnen aan te geven.

De eerste uitspraak die we tegenkomen, is eigenlijk een algemene inleiding: "Een wijs zoon verblijdt de vader". Vers 24 van hoofdstuk 23 geeft hierop een aanvulling: "De vader van de rechtvaardige zal zich zeer verheugen" (zie ook hoofdstuk 15 vers 20; 17 vers 21 en 25; 29 vers 3). Denk er eens aan hoe blij het onze ouders maakt als de karaktertrekken van de gerechtigheid en wijsheid van God bij ons zichtbaar zijn. Dat is een fijne ervaring, maar helaas zijn die karaktertrekken bij ons niet altijd van blijvende aard, zijn ze niet altijd even goed zichtbaar. Maar dan dé Zoon! We mogen Hem bewonderen, want Hij was voortdurend de volmaakte vreugde van Zijn Vader. Niet alleen in de verre eeuwigheid van het verleden, maar ook op Zijn weg hier beneden (hoofdstuk 4 vers 3; Mattheüs 3 vers 17; 17 vers 5).

De volgende verzen laten ons tot in detail zien hoe de wijze zoon zijn vader eert en verheugt: door praktische gerechtigheid in zijn handelen (vers 4 en 5), in de wandel (vers 9) en in woorden (vers 11, 13 en 14). Dat is wat de Heere Jezus in Zijn leven geopenbaard heeft en wat het hart van Zijn Vader zo oneindig veel vreugde bereidde (zie Johannes 8 vers 29).

Spreuken 10:16-32
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.24De vreze des goddelozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte der rechtvaardigen zal God geven.25Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzo is de goddeloze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvest.26Gelijk edik den tanden, en gelijk rook den ogen is zo is de luie dengenen, die hem uitzenden.27De vreze des HEEREN vermeerdert de dagen; maar de jaren der goddelozen worden verkort.28De hoop der rechtvaardigen is blijdschap; maar de verwachting der goddelozen zal vergaan.29De weg des HEEREN is voor den oprechte sterkte; maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.30De rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden; maar de goddelozen zullen de aarde niet bewonen.31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.

Je herkent een rechtvaardige vooral aan zijn taalgebruik (vergelijk Mattheüs 26 vers 73). Letten wij genoeg op wat wij zeggen? Grove en onfatsoenlijke woorden of dom geklets passen ons niet (Efeze 4 vers 29; 5 vers 4). Als wij de gewoonte hebben om alles wat in ons hoofd opkomt, er maar uit te flappen, dan zijn de verzen 19 en 20 speciaal voor ons bedoeld. Maar "de tong van de rechtvaardige is uitgelezen zilver", een filter voor alle onreinheid, dat alleen datgene doorlaat wat ook werkelijk waarde heeft.

Het hart van de gelovige bevat twee bronnen, die beide dezelfde afvoer hebben: onze lippen (Jakobus 3 vers 9 tot en met 11). De eerste bron is "een springader des levens" (vers 11; vergelijk Johannes 4 vers 14), die in staat is velen te voeden (vers 21). De tweede is de onreine bron van het vlees, die alle mogelijke onreine gedachten laat opkomen (Mattheüs 15 vers 18 en 19; zie ook Spreuken 12 vers 18). De lessen van de Wijsheid zullen ons zowel het spreken als het zwijgen bijbrengen (lees het gebed in Psalm 141 vers 3).

In vers 24 tot en met 30 wordt het lot van de rechtvaardige tegenover dat van de goddeloze gesteld. De goddeloze kent vrees (vers 24), niet de vreze des Heeren, maar een onbestemde en bijgelovige angst. De achtergrond hiervan is de dood, waar hij niet op voorbereid is (Job 15 vers 20 en 21). Het deel van de christen is echter heel anders! In de tegenwoordige tijd geeft God hem "de begeerte der rechtvaardigen"! (vers 24). En zijn hart mag zich nu ook al verheugen in wat hem in de toekomst te wachten staat (vers 28).

Spreuken 11:1-17
1Een bedriegelijke weegschaal is den HEERE een gruwel; maar een volkomen weegsteen is Zijn welgevallen.2Als de hovaardigheid komt, zal de schande ook komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.4Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.5De gerechtigheid des oprechten maakt zijn weg recht; maar de goddeloze valt door zijn goddeloosheid.6De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.7Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan.8De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd; en de goddeloze komt in zijn plaats.9De huichelaar verderft zijn naaste door den mond; maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.10Een stad springt op van vreugde over het welvaren der rechtvaardigen; en als de goddelozen vergaan, is er gejuich.11Door den zegen der oprechten wordt een stad verheven; maar door den mond der goddelozen wordt zij verbroken.12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.13Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.14Als er geen wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.15Als iemand voor een vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat, die in de hand klappen, is zeker.16Een aangename huisvrouw houdt de eer vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.17Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees.

We hebben al gezien dat de karaktertrekken van de rechtvaardige en van de goddeloze in bijna alle teksten van dit hoofdstuk tegenover elkaar gezet worden. Zo vergaat het een kind van God ook in het dagelijks leven. Zijn weg hier beneden gaat hij zij aan zij met de mensen van deze wereld. En door zijn trouw wordt juist de ongerechtigheid van de ander openbaar. Maar omgekeerd is dat ook het geval.

In vers 9 tot en met 14 wordt vooral de kant van het maatschappelijk leven belicht. De rechtvaardige is niet geroepen om helemaal alleen te leven, hij moet zich niet opsluiten. Zijn aanwezigheid te midden van de mensen van deze wereld, die hem nauwlettend in de gaten houden, is bedoeld tot een getuigenis voor hen. De Brief aan Titus vermaant ons dat wij in deze tijd rechtvaardig hebben te leven, opdat wij, net als plaatjes in een boek, "de leer van God, onze Zaligmaker, in alles mogen versieren" (Titus 2 vers 10 tot en met 12).

"Met de ootmoedigen is wijsheid" (vers 2). De gelovige die zich voor God stelt, heeft nooit een hoge dunk van zichzelf. Het beste geneesmiddel tegen hoogmoed is denken aan de grootheid van de Heere Jezus. Deze hoogmoed, die altijd gepaard gaat met minachting van de naaste, is precies het tegenovergestelde van verstand (vers 12). En juist dit verstand zal mij steeds weer oproepen om de ander hoger te achten dan mijzelf (Filippensen 2 vers 3).

Spreuken 11:18-31
18De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.20De verkeerden van hart zijn den HEERE een gruwel; maar de oprechten van weg zijn Zijn welgevallen.21Hand aan hand zal de boze niet onschuldig zijn; maar het zaad der rechtvaardigen zal ontkomen.22Een schone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden bagge in een varkenssnuit.23De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede; maar de verwachting der goddelozen is verbolgenheid.24Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.25De zegenende ziel zal vet gemaakt worden; en die bevochtigt, zal ook zelf een vroege regen worden.26Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk; maar de zegening zal zijn over het hoofd des verkopers.27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.28Wie op zijn rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullen groenen als loof.29Wie zijn huis beroert, zal wind erven; en de dwaas zal een knecht zijn desgenen, die wijs van hart is.30De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens; en wie zielen vangt, is wijs.31Ziet, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer den goddeloze en zondaar!

Ons egoïstische hart heeft altijd de neiging om meer naar zichzelf toe te trekken en voor zichzelf te houden (vers 24 en 26). Maar lees dan eens wat de Heere Jezus zegt in Lukas 6 vers 38! Het ware middel om zelf gezegend te worden is zich bekommeren om het welzijn van de ander. Soms gaat dat tegen alle menselijke wijsheid en inzicht in, maar God denkt anders dan de mens. De berekeningen en voorzorgsmaatregelen van de mens gaan vaak precies in de andere, in z'n eigen richting. Rijkdom is echter altijd een valstrik voor hen die erop vertrouwen (vers 28; vergelijk Markus 10 vers 24 en 1 Timotheüs 6 vers 17 en 18). We zouden er juist altijd naar moeten streven rijk te zijn in goede werken!

Toch bestaat er in de wereld ook iets wat van ontzettend grote waarde is, iets wat wij zouden moeten zoeken en proberen te winnen. Immers, wat is er kostbaarder dan een ziel? Om onze ziel te winnen, heeft de Heere Jezus alles verkocht (Mattheüs 13 vers 44 tot en met 46). Ja, "wie zielen vangt, is wijs" (vers 30). Is deze heerlijke dienst ons bekend? Dat was de dienst, het werk van de discipel Andréas (Johannes 1 vers 41 en 42) en het mag ook de onze zijn, ongeacht onze leeftijd of kennis. Wat heeft iemand die een ziel voor de Heere Jezus wil winnen, namelijk heel in het bijzonder nodig? Wijsheid, die bereid is om de gelegenheid uit te kopen (Efeze 5 vers 15 en 16), maar ook liefde, die in staat is om de weg naar het hart te vinden (1 Korinthe 9 vers 19 en 22).

Spreuken 12:1-16
1Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.3De mens zal niet bevestigd worden door goddeloosheid; maar de wortel der rechtvaardigen zal niet bewogen worden.4Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.5Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.6De woorden der goddelozen zijn om op bloed te loeren; maar de mond der oprechten zal ze redden.7De goddelozen worden omgekeerd, dat zij niet meer zijn; maar het huis der rechtvaardigen zal bestaan.8Een ieder zal geprezen worden, naardat zijn verstandigheid is; maar die verkeerd van hart is, zal tot verachting wezen.9Beter is, die zich gering acht, en een knecht heeft, dan die zichzelven eert, en des broods gebrek heeft.10De rechtvaardige kent het leven van zijn beest; maar de barmhartigheden der goddelozen zijn wreed.11Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.12De goddeloze begeert het net der bozen; maar de wortel der rechtvaardigen zal uitgeven.13In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.16De toorn des dwazen wordt ten zelven dage bekend; maar die kloekzinnig is, bedekt de schande.

Nu willen we nadenken over de rechtvaardige in zijn gezinsleven. De aandacht wordt gericht op zijn vrouw (vers 4), zijn huis (vers 7), zijn knecht (vers 9), zijn vee (vers 10), zijn werk (vers 11 en verder). Waar anders dan in zijn huiselijke omstandigheden en in zijn dagelijks werk zou de trouw van de gelovige beter en eerder zichtbaar worden?

Deze lessen van de Wijsheid moeten we niet verwarren met wat in de wereld 'moraal' genoemd wordt. Moraal is het geheel van regels hoe men zich heeft te gedragen, en die door de mensen zelf opgesteld zijn. Vaak wordt dit tot uitdrukking gebracht door bepaalde principes of uitspraken. Sommige daarvan zijn aan het christendom ontleend, andere zijn ingegeven door gezond mensenverstand of zijn ontstaan uit de ervaringen die de maatschappij leert. Maar God wordt helemaal buiten deze menselijke moraal gelaten!

Daartegenover hebben we de Goddelijke principes, die door God Zelf meegedeeld werden. Jakobus 3 vers 15 maakt onderscheid tussen de wijsheid die van Boven komt en de wijsheid die van deze aarde is. De laatste is "natuurlijk, duivels". Door deze 'wijsheid' kwam Petrus tot de uitspraak die we lezen in Mattheüs 16 vers 22, waardoor de Heere Jezus hem 'satan' moest noemen.

Vers 15 laat ons zien dat de mens niet in staat is zelf te beoordelen of zijn weg goed is of niet. De wereld is vol met zulke dwaze mensen, die hun weg aanpassen aan de menselijke moraal, in plaats van te luisteren naar de raad van God.

Spreuken 12:17-28; Spreuken 13:1-6
17Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.18Daar is een, die woorden als steken van een zwaard onbedachtelijk uitspreekt; maar de tong der wijzen is medicijn.19Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik.20Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.21Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.22Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.25Bekommernis in het hart des mensen buigt het neder; maar een goed woord verblijdt het.26De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste; maar de weg der goddelozen doet hen dwalen.27Een bedrieger zal zijn jachtvang niet braden; maar het kostelijk goed des mensen is des vlijtigen.28In het pad der gerechtigheid is het leven; en in den weg van haar voetpad is de dood niet.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.5De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.6De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg; maar de goddeloosheid zal den zondaar omkeren.

"Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel" (hoofdstuk 13 vers 3). Daarom hoeven we ons er niet over te verwonderen dat wij in Spreuken zoveel vermaningen tegenkomen in verband met het gebruik van onze tong. In vers 17 gaat het om de waarheid. Een christen zou erom bekend moeten staan dat hij altijd, koste wat het kost, de waarheid zegt (Efeze 4 vers 25)! "Een waarachtige lip" (vers 19) is het tegenovergestelde van "valse lippen", die de Heere een gruwel zijn (vers 22).

Vers 25 wijst ons op een ander gebruik van onze tong. We kunnen iemand die terneergedrukt is, door een goed woord bemoedigen en verblijden.

En is het evangelie niet het voortreffelijkste woord?
Daardoor zal ik mijn naaste de weg kunnen wijzen (vers

De weg wijzen betekent: de Heere Jezus voor de aandacht stellen (Johannes 14 vers 6), door mijn woorden, maar vooral door mijn daden! Hij was die wijze Zoon, Die luisterde naar de onderwijzingen van Zijn Vader (hoofdstuk 13 vers 1; Johannes 8 vers 49).

In het gedeelte voor vandaag zien we ook weer een beschrijving van de luiaard en diens tegenpool, de vlijtige (vers 24 en 27 en hoofdstuk 13 vers 4). Doordat de luiaard het nalaat op wild te jagen (of het te braden, zoals in sommige Bijbelvertalingen staat), heeft hij gebrek aan voedsel (vers

Laten we er goed om denken, dat er persoonlijke inzet nodig is om ons de waarheden die we uit de Bijbel gehoord of gelezen hebben, eigen te maken en te bewaren. (Dat wil zeggen aantekeningen maken, herlezen, uit het hoofd leren van teksten, enzovoort.) Laten we toch niet traag zijn in het horen (Hebreeën 5 vers 11)!

Spreuken 13:7-25
7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.8Het rantsoen van ieders ziel is zijn rijkdom; maar de arme hoort het schelden niet.9Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden; maar de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.10Door hovaardigheid maakt men niet dan gekijf; maar bij de beradenen is wijsheid.11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.12De uitgestelde hoop krenkt het hart; maar de begeerte, die komt, is een boom des levens.13Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar wie het gebod vreest, dien zal vergolden worden.14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.17Een goddeloze bode zal in het kwaad vallen; maar een trouw gezant is medicijn.18Armoede en schande is desgenen, die de tucht verwerpt; maar die de bestraffing waarneemt; zal geeerd worden.19De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.20Die met de wijzen omgaat, zal wijs worden; maar die der zotten metgezel is, zal verbroken worden.21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.22De goede zal zijner kinders kinderen doen erven; maar het vermogen des zondaars is voor de rechtvaardige weggelegd.23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.24Die zijn roede inhoudt, haat zijn zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.25De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.

"Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden" (vers 9; vergelijk Psalm 97 vers 11). Blijdschap, in overeenstemming met Gods gedachten, is een onderdeel van het getuigenis van de kinderen van het licht. Een christen die verdrietig is, is vaak een droevige getuige. Een vervelend humeur werkt als een paraplu die het licht dat een gelovige zou kunnen uitstralen, tegenhoudt.

"De lamp der goddelozen" zal daarentegen geblust worden (vers 9; hoofdstuk 24 vers 20). De olie ontbreekt, net als bij de dwaze maagden in de gelijkenis (Mattheüs 25 vers 8), want het leven van de Geest ontbreekt, om het licht brandende te houden.

"Door hovaardigheid maakt men niets dan gekijf" (vers 10). Wij geven vaak een andere reden op voor onze strijd. Een ieder van ons zal hoogstens bij z'n tegenstander hoogmoed constateren. Dit vers opent mij echter de ogen! Een strijd verraadt juist mijn eigen hoogmoed; ik wil gelijk hebben. Als ik toegeef, dan word ik vernederd.

Het is vaak al genoeg om de gezindheid van Christus te vertonen, waardoor de strijd onmiddellijk bijgelegd zal worden - en in principe zul je dan zelf de 'winnaar' zijn (Mattheüs 5 vers 39 en 40; Genesis 13 vers 8 en 9).

"De leer van de wijze is een springader des levens" (vers 14). Luister dus naar hen bij wie wij deze wijsheid van Boven mogen opmerken. En bovendien is het erg nuttig voor ons om met hen om te gaan (vers 20).

Daarom is het goed ons telkens af te vragen: Wie is mijn metgezel?'

Spreuken 14:1-16
1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.2Die in zijn oprechtheid wandelt, vreest den HEERE; maar die afwijkt in zijn wegen, veracht Hem.3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.4Als er geen ossen zijn, zo is de krib rein; maar door de kracht van den os is der inkomsten veel.5Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.6De spotter zoekt wijsheid, en er is gene; maar de wetenschap is voor den verstandige licht.7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.10Het hart kent zijn eigen bittere droefheid; en een vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen.11Het huis der goddelozen zal verdelgd worden; maar de tent der oprechten zal bloeien.12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.13Het hart zal ook in het lachen smart hebben; en het laatste van die blijdschap is droefheid.14Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar een goed man van zichzelven.15De slechte gelooft alle woord; maar de kloekzinnige merkt op zijn gang.16De wijze vreest, en wijkt van het kwade; maar de zot is oplopende toornig, en zorgeloos.

De wijsheid van de vrouwen staat in verbinding met hun huis (vers 1). In onze tijd, waarin de getrouwde vrouw graag een belangrijke rol wil vervullen op allerlei gebied behalve in haar eigen huishouding, is het goed om de nadruk te leggen op hetgeen Gods Woord hierover zegt (Titus 2 vers 5). Hebben we niet alle Goddelijke wijsheid nodig om onze kinderen een christelijke opvoeding te geven? Zelfs de gewone dagelijkse dingen in huis, die bij sommigen misschien helemaal niet in tel zijn en eentonig lijken te zijn, hebben een grote waarde in het oog van de Heere.

Meerdere teksten geven aan wat God onder dwaasheid verstaat. God beoordeelt de dingen niet naar de maatstaven van deze wereld (1 Korinthe 1 vers 19 en 20). Eén van de kenmerken van een dwaas is, dat hij zich niet druk maakt over de schuld (zonde), ja, er zelfs om lacht (vers 9). Dat staat gelijk met het verachten van het kruis. Dat kruis was immers nodig om de zonde teniet te doen. Daarom bestaat er ook geen grotere belediging van God dan zo te handelen.

Vers 13 beschrijft de blijdschap van de ongelovige in tegenstelling tot die van de gelovige (hoofdstuk 13 vers 9). De hoop houdt de vreugde in het hart van de gelovige in stand, zelfs in moeilijke tijden. De gelovige kan tegelijkertijd bedroefd zijn en zich toch altijd verheugen (2 Korinthe 6 vers 10).

Bij de mensen van deze wereld is het juist andersom: "Het hart zal ook in het lachen smart hebben" (vers 13). Dit is een arme en ongelukkige blijdschap, die slechts voor een heel klein poosje het uitzicht op het vreselijke oordeel van de toekomst kan verbergen.

Spreuken 14:17-35
17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.18De slechten erven dwaasheid; maar de kloekzinnigen zullen zich met wetenschap kronen.19De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen.20De arme wordt zelfs van zijn vriend gehaat; maar de liefhebbers des rijken zijn vele.21Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.22Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten.23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.25Een waarachtig getuige redt de zielen; maar die leugens blaast, is een bedrieger.26In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen.27De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.29De lankmoedige is groot van verstand; maar die haastig is van gemoed, verheft de dwaasheid.30Een gezond hart is het leven des vleses; maar nijd is verrotting der beenderen.31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.32De goddeloze zal heengedreven worden in zijn kwaad; maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijn dood.33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.34Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natien.35Het welbehagen des konings is over een verstandigen knecht; maar zijn verbolgenheid zal zijn over dengene, die beschaamd maakt.

"Die haastig is tot toom, zal dwaasheid doen" (vers 17; vergelijk Prediker 7 vers 9). Het tegenovergestelde hiervan is: "De lankmoedige is groot van verstand" (vers 29; zie ook Jakobus 1 vers 19). En dat is een karaktereigenschap die vaak aan God Zelf wordt toegeschreven (Exodus 34 vers 6; Numeri 14 vers 18, enzovoort).

Hoeveel bedreven daden of woorden die uitgesproken zijn in een opwelling van toorn, werden later diep betreurd! Laat ons daarom in plaats van snel toornig te zijn, juist meer verstand tonen; laten we voordat er toom bij ons opkomt toch eerst eens rustig nadenken (of nog beter: eerst gaan bidden). Dan zullen we in veel gevallen moeten constateren dat er helemaal geen reden was om zo geprikkeld te raken. Hij die weet dat zijn handelen de goedkeuring van God kan wegdragen, is ook in staat in alles rustig op Hem te vertrouwen, alles geduldig aan Hem over te geven (vergelijk 1 Koningen 22 vers 24 en 25).

"... die zich over de nederigen ontfermt, die is welgelukzalig" (vers 21). Onder het voorwendsel dat goede werken toch waardeloos zijn om ons heil te bewerken, zouden we geneigd kunnen zijn deze werken na te laten. Maar juist kinderen van God worden opgeroepen om "goede werken voor te staan" (Titus 3 vers 14), zonder daarbij echter uit het oog te verliezen dat de toestand van de zielen altijd voorrang behoort te hebben boven de materiële behoeften.

Vers 25 herinnert ons aan "de trouwe, en waarachtige Getuige" (Openbaring 3 vers 14) — maar ook aan dat wat elk trouw getuigenis zou moeten kenmerken: zielen de weg tot behoudenis te tonen.

Spreuken 15:1-15
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.3De ogen des HEEREN zijn in alle plaatsen, beschouwende de kwaden en de goeden.4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.6In het huis des rechtvaardigen is een grote schat; maar in des goddelozen inkomst is beroerte.7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.8Het offer der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar het gebed der oprechten is Zijn welgevallen.9De weg der goddelozen is den HEERE een gruwel; maar dien, die de gerechtigheid najaagt, zal Hij liefhebben.10De tucht is onaangenaam voor dengene die het pad verlaat; en die de bestraffing haat, zal sterven.11De hel en het verderf zijn voor den HEERE; hoeveel te meer de harten van des mensenkinderen?12De spotter zal niet liefhebben, die hem bestraft; hij zal niet gaan tot de wijzen.13Een vrolijk hart zal het aangezicht blijde maken; maar door de smart des harten wordt de geest verslagen.14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.15Al de dagen des bedrukten zijn kwaad; maar een vrolijk hart is een gedurige maaltijd.

Gisteren hebben we geleerd wat het middel is om onze eigen toom te kalmeren: geduld en gebed. Vandaag lezen we over een middel om de toorn van anderen af te wenden. Het 'wondermiddel' heet: "een zacht antwoord". Het nederige en rustige antwoord dat Gideon de mannen van Efraïm gaf, in Richteren 8 vers 1 tot en met 3, heeft hun toom overwonnen. En dat is zeker niet de kleinste van alle overwinningen van deze geloofsman geweest. Een "smartend (krenkend) woord" daarentegen zal, zoals dit woord al aangeeft, een wond veroorzaken die naderhand heel moeilijk te genezen is.

Laten we nu eens nadenken over de verzen 5, 10 en 12 (maar ook vers 31 en 32). Acht slaan op de tuchtiging en de terechtwijzing stelt ons in staat wijs te worden. En als we daarmee rekening houden, dan zullen we proberen te voorkomen dat we opnieuw kwaad doen.

Hoofdstuk 13 vers 24 en Hebreeën 12 vers 6 (in verbinding met God) laten ons zien dat onze ouders ons hun liefde betoond hebben door ons te tuchtigen! Het geheim van het aannemen van een terechtwijzing ligt daarin, dat wij begrijpen dat het uit oprechte liefde voor ons gebeurd is en dat het bedoeld is voor ons eigen bestwil, tot 'winst' voor onszelf. Laten we toch niet op die spotters lijken, die de terechtwijzingen niet liefhebben (vers 12).

"Het gebed der oprechten is Zijn (Gods) welgevallen", zegt vers 8. Oprechtheid is inderdaad het ontbreken van eigenwil, volledige onderwerping aan de gedachten van God, Die daarom zo'n gebed kan verhoren (1 Johannes 5 vers 14 en 15).

Spreuken 15:16-33
16Beter is weinig met de vreze des HEEREN, dan een grote schat, en onrust daarbij.17Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.18Een grimmig man zal gekijf verwekken; maar de lankmoedige zal den twist stillen.19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.22De gedachten worden vernietigd, als er geen raad is; maar door veelheid der raadslieden zal elkeen bestaan.23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.25Het huis der hovaardigen zal de HEERE afrukken; maar de landpale der weduwe zal Hij vastzetten.26Des bozen gedachten zijn den HEERE een gruwel; maar der reinen zijn liefelijke redenen.27Die gierigheid pleegt, beroert zijn huis; maar die geschenken haat, zal leven.28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.29De HEERE is ver van de goddelozen; maar het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoren.30Het licht der ogen verblijdt het hart; een goed gerucht maakt het gebeente vet.31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.32Die de tucht verwerpt, die versmaadt zijn ziel; maar die de bestraffing hoort, krijgt verstand.33De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.

De verzen 16 en 17 onderwijzen ons over hetgeen werkelijk waarde heeft hier beneden: God vrezen met de liefde die van Hem komt. "Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging", zegt de apostel, "... als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd (tevreden) zijn" (1 Timotheüs 6 vers 6 tot en met 8).

Laten we maar een dikke streep onder vers 23 zetten: "Hoe goed is een woord op zijn tijd!" Wat zwijgen wij vaak, juist als wij iets zouden moeten zeggen! Gewoonlijk is dat een gebrek aan moed of afhankelijkheid van de Heilige Geest (Mattheus 10 vers 19 en 20). Als wij echter, met de hulp van de Heere, de gelegenheid wel aangegrepen hebben om van Hem te spreken, dan zullen we ook het eerste deel van deze tekst ervaren: vreugde zal onze harten vervullen.

Dit hoofdstuk besluit met het spreekwoord waarover de Heere Jezus zo vaak gesproken heeft: "De nederigheid gaat voor de eer" (zie Mattheüs 18 vers 4; 19 vers 30; 20 vers 27 en 28; 23 vers 11 en 12, enzovoort). Hij heeft er echter niet alleen genoegen mee genomen deze woorden te leren. Hij bracht ze Zelf in praktijk! Wie heeft zich immers ooit zo diep vernederd als Hij? Daarom zal ook nooit iemand hoger verheven worden dan Hij!

"Christus Jezus... Die in de gestaltenis Gods zijnde, het geen roof geacht heeft Gode gelijk te zijn; Maar heeft Zichzelf vernietigd, de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is" (Filippensen 2 vers 5 tot en met 9).

Jesaja 1:1-17
1Het gezicht van Jesaja, den zoon van Amoz, hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de koningen van Juda.2Hoort, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij overtreden.3Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib zijns heren; maar Israel heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.4Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben den HEERE verlaten, zij hebben den Heilige Israels gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts.5Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken; het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat.6Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden, en striemen, en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht.7Uw aardrijk is een verwoesting, uw steden zijn met het vuur verbrand; uw land verteren de vreemden in uw tegenwoordigheid, en een verwoesting is er, als een omkering door de vreemden.8En de dochter van Sion is overgebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den komkommerhof als een belegerde stad.9Zo niet de HEERE der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.10Hoort des HEEREN woord, gij oversten van Sodom! neemt ter ore de wet onzes Gods, gij volk van Gomorra!11Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de HEERE; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken.12Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geeist, dat gij Mijn voorhoven betreden zoudt?13Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen.14Uw nieuwe maanden en uw gezette hoogtijden haat Mijn ziel, zij zijn Mij tot een last; Ik ben moede geworden, die te dragen.15En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed.16Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.17Leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.

Zoals de Heere Jezus Zelf aangeeft, bestaat het Oude Testament in feite uit drie delen: de wet van Mozes (de Pentateuch), de profeten (die bovendien de geschiedkundige Boeken omvatten) en de Psalmen met de poëtische Boeken (Lukas 24 vers 27 en 44).

Vandaag beginnen we met het overdenken van de profetie van een belangrijk gedeelte uit de Bijbel. Soms wordt dit Boek, omdat men meent dat het zo moeilijk te begrijpen is, maar overgeslagen bij het Bijbellezen. Maar laten we de Heere toch vragen of Hij ons wil helpen om ook in dit Boek te ontdekken "hetgeen van Hem geschreven" is.

Een profeet spreekt namens God tot Zijn volk, om haar terecht te wijzen, te waarschuwen, terug te brengen en te troosten. In het eerste hoofdstuk krijgt Jesaja als inleiding de taak van een arts toebedeeld. Hij moet zijn bevindingen over de hopeloze toestand van een patiënt meedelen. In de verzen 5 en 6 horen we zijn vreselijke diagnose! Deze conclusie is voor de mens van vandaag nog even geldig als destijds voor de Israëlieten. "Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat". Het verstand is verdorven, omdat men zich van God heeft afgewend (Romeinen 1 vers 21), de toewijding tot en genegenheid voor Hem bestaan niet meer. Onder deze omstandigheden is het in stand houden van een uiterlijke godsdienstige vorm niets anders dan pure huichelarij, ja zelfs een gruwel (vers 13; vergelijk Spreuken 21 vers 27).

Jesaja 1:18-31
18Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.19Indien gijlieden willig zijt en hoort, zo zult gij het goede dezes lands eten.20Maar indien gij weigert, en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.21Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde daarin, maar nu doodslagers.22Uw zilver is geworden tot schuim; uw wijn is vermengd met water.23Uw vorsten zijn afvalligen, en metgezellen der dieven, een ieder van hen heeft de geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; den wezen doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwen komt voor hen niet.24Daarom spreekt de Heere, HEERE der heirscharen, de Machtige Israels: O wee! Ik zal Mij troosten van Mijn wederpartijders. Ik zal Mij wreken van Mijn vijanden.25En Ik zal Mijn hand tegen u keren, en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en Ik zal al uw tin wegnemen.26En Ik zal u uw rechters wedergeven, als in het eerste, en uw raadslieden als in den beginne; daarna zult gij een stad der gerechtigheid, een getrouwe stad, genoemd worden.27Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid.28Maar er zal verbreking zijn der overtreders, en der zondaars te zamen; en die den HEERE verlaten, zullen omkomen.29Want zij zullen beschaamd worden om der eiken wil, die gijlieden begeerd hebt, en gij zult schaamrood worden, om der hoven wil, die gij verkoren hebt.30Want gij zult zijn als een eik, welks bladeren afvallen, en als een hof, die geen water heeft.31En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot een vonk, en zij zullen beiden te zamen branden, en er zal geen uitblusser wezen.

In dit gedeelte komt de volheid van de Goddelijke genade ten opzichte van het ellendige volk duidelijk naar voren (maar dat geldt ook nu nog voor elke zondaar die weet dat hij verloren is!). Gisteren hebben we Israël, overdekt met wonden en striemen, 'achtergelaten'. Precies zoals dat het geval was bij die man in de gelijkenis, die in handen van de rovers gevallen was (Lukas 10 vers 30). Hier roept God het volk op om samen met Hem te richten. Wat kan het tot zijn verdediging in brengen? Het schuldige volk zwijgt.

In plaats van zijn vervloeking mag het hier echter, aangesproken door zijn eigen Rechter, de onvergelijkbare belofte van vers 18 horen, een belofte die sindsdien al ontelbare harten vrede geschonken heeft: "Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw". Wij weten dat deze reiniging kan plaatsvinden door het bloed van Jezus Christus (1 Johannes 1 vers 7). Aan de andere kant zullen zij die de aangeboden vergeving geminacht hebben, zelf de straf moeten ondergaan.

Vanaf vers 21 wordt beschreven wat er van Jeruzalem, "de getrouwe stad", geworden is: een schuilplaats voor moordenaars. Het was nodig dat God deze stad reinigde. Dat zal echter niet gebeuren door het bloed van de Verlosser — dat wilde men immers niet — maar door het oordeel, het oordeel dat de overtreders zal treffen, nadat God zoveel geduld met dit opstandige volk gehad heeft.

Jesaja 2:1-22
1Het woord, dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.2En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien.3En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.4En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.5Komt, gij huis van Jakob, en laat ons wandelen in het licht des HEEREN.6Maar Gij hebt Uw volk, het huis van Jakob, verlaten, want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden tonen zij hun behagen.7En hun land is vervuld met zilver en goud, en hunner schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en hunner wagenen is geen einde.8Ook is hun land vervuld met afgoden; voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgeen hun vingeren gemaakt hebben.9Daar bukt zich de gemene man, en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult Gij het hun niet vergeven.10Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.11De hoge ogen de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn.12Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;13En tegen alle hoge en verhevene cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan;14En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen;15En tegen allen hogen toren, en tegen allen vasten muur;16En tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle gewenste schilderijen.17En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn.18En elkeen der afgoden zal ganselijk vergaan.19Dan zullen zij in de spelonken der rotsstenen gaan, en in de holen der aarde, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde te verschrikken.20In dien dag zal de mens zijn zilveren afgoden, en zijn gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden, om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en de vledermuizen;21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.22Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?

Ondanks het verval en de zichtbare ellende waren Jeruzalem en Juda opgeblazen door hoogmoed en aanmatiging. Maar wanneer zal de dag aanbreken waarvan de verzen 12 - 21 spreken, waarop de hoogmoed van de man verbroken en alleen God verheven zal worden (vers 11 - 17)? God zal openlijk bekend maken hoe Hij over de menselijke heerlijkheid en geestelijke capaciteiten (met al hun kostbare vertoningen — vers 16) denkt.

Vers 22 gaat echter nog veel verder: "Laat gij dan af van de mens". Dit is niet alleen de slotconclusie van dit tweede hoofdstuk van Jesaja, maar van het hele Oude Testament. Dit is de onherroepelijke mening van God over het hele mensengeslacht, waarvan Israël slechts een voorbeeld is. Het kruis zou binnenkort een punt zetten achter de beproeving van de mensen die in Adam zijn. Voortaan "acht" God de mensen niet meer. En in overeenstemming daarmee hebben wij als gelovigen nu het voorrecht om onszelf voor de zonde dood te houden, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heere (Romeinen 6 vers 11).

Het Boek Jesaja begint net zo als de Romeinenbrief. De eerste drie hoofdstukken van dat Boek stellen de schuld van de mensen en daarmee de noodzakelijkheid van diens rechtvaardiging vast. Het heil van de HEERE (dat is de betekenis van de naam Jesaja) zal nu in de Persoon van Jezus Christus, de Verlosser, zoals we verderop in dit Boek lezen, geopenbaard kunnen worden (hoofdstuk 40 en volgende).

Jesaja 3:1-15
1Want ziet, de Heere, HEERE der heirscharen, zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen stok des broods, en allen stok des waters;2Den held en den krijgsman, den rechter en den profeet, en den waarzegger, en den oude;3Den overste van vijftig, en den aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters, en dien, die kloek ter tale is.4En Ik zal jongelingen stellen tot hun vorsten, en kinderen zullen over hen heersen;5En het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den eerlijke.6Wanneer iemand zijn broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons ten overste, laat toch dezen aanstoot onder uw hand wezen;7Zo zal hij in dien dag zijn hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen; er is ook geen brood en geen kleed in mijn huis; zet mij niet tot een overste des volks.8Want Jeruzalem heeft aangestoten, en Juda is gevallen, dewijl hun tong en handelingen tegen den HEERE zijn, om de ogen Zijner heerlijkheid te verbitteren.9Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.10Zegt den rechtvaardige, dat het hem wel gaan zal; dat zij de vrucht hunner werken zullen eten.11Wee den goddeloze, het zal hem kwalijk gaan, want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.12De drijvers Mijns volks zijn kinderen, en vrouwen heersen over hetzelve. O Mijn volk! die u leiden, verleiden u, en den weg uwer paden slokken zij in.13De HEERE stelt Zich om te pleiten, en Hij staat, om de volken te richten.14De HEERE komt ten gerichte tegen de oudsten Zijns volks en deszelfs vorsten, want gijlieden hebt dezen wijngaard verteerd; de roof des ellendigen is in uwe huizen.15Wat is ulieden, dat gij Mijn volk verbrijzelt, en de aangezichten der ellendigen vermaalt? spreekt de Heere, HEERE der heirscharen.

Tot en met hoofdstuk 12 zal het hoofdzakelijk gaan over het oordeel over Israël en Juda. Vanaf hoofdstuk 13 - 27 lezen we over het oordeel over de volken. God begint het oordeel altijd bij Zijn eigen huis — de meest verantwoordelijke omgeving — en dat zal ook het geval zijn bij de belijdende christenheid (Romeinen 2 vers 9; 1 Petrus 4 vers 17). De aankondiging van het totale faillissement van de mensen is altijd een harde slag voor hen die verantwoording dragen en een voorname positie bekleden. Ondanks de uitdrukkelijke waarschuwing van God wordt er onder hen toch een waarzegger gevonden (In sommige Bijbelvertalingen wordt "die kloek ter tale is" bovendien vertaald met bezweerder, iemand die toverkunsten doet) (vers 3; Deuteronomium 18 vers 10). Wat is Israël toch diep in het verderf gevallen! Desalniettemin weet God onderscheid te maken tussen de rechtvaardige en de goddeloze en Hij vergeldt een ieder naar zijn werken. "Wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien", zegt Galaten 6 vers 7 (vergelijk Job 4 vers 8 en Hoséa 8 vers 7;10 vers 12 en 13).

Eén van de meest verderfelijke vruchten die het volk oogst, is de maatschappelijke wanorde, de val van de ingestelde orde. Er bestaat geen discipline meer, kinderen komen in opstand tegen het gezag van de ouders en leraars, "de jongeling zal trots zijn tegen de oude" (vers 5). Het zedelijk verval neemt meer en meer toe en bepaalde grenzen worden steeds verder overschreden.

Wat is er toch enorm veel overeenkomst te bespeuren tussen het diepe verval in Israël destijds en hetgeen wij vandaag de dag in onze zogenaamde christelijke landen meemaken!

Jesaja 3:16-26; Jesaja 4:1-6
16Verder zegt de HEERE: Daarom dat de dochteren van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof haar voeten gebonden waren.17Zo zal de HEERE den schedel der dochteren van Sion schurftig maken, en de HEERE zal haar schaamte ontbloten.18Ten zelfden dage zal de HEERE wegnemen het sieraad der kousebanden, en de netjes, en de maantjes.19De reukdoosjes, en de kleine ketentjes, en de glinsterende kledingen,20De hoofdkroning, en de armversierselen, en de bindselen, en de reukballetjes, en de oorringen,21De ringen en de voorhoofdsierselen,22De wisselklederen, en de manteltjes, en de hoedjes, en de buidels,23De spiegels, en de fijn-linnen deksels, en de hulledoeken, en de sluiers.24En het zal geschieden, dat er voor specerij stank zal zijn, en lossigheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording eens zaks in plaats van een wijden rok, en verbranding in plaats van schoonheid.25Uw mannen zullen door het zwaard vallen, en uw helden in den strijd.26En haar poorten zullen treuren, en leed dragen, en zij zal, ledig gemaakt zijnde, op de aarde zitten.
1En te dien dage zullen zeven vrouwen een man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze klederen zullen wij bekleed zijn, laat ons alleenlijk naar uw naam genoemd worden, neem onze smaadheid weg.2Te dien dage zal des HEEREN SPRUIT zijn tot sieraad en tot heerlijkheid, en de vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen, die het ontkomen zullen in Israel.3En het zal geschieden, dat de overgeblevene in Sion, en de overgelatene in Jeruzalem zal heilig geheten worden, een iegelijk, die geschreven is ten leven te Jeruzalem;4Als de Heere zal afgewassen hebben den drek der dochteren van Sion, en de bloedschulden van Jeruzalem zal verdreven hebben uit derzelver midden, door den Geest des oordeels, en door den Geest der uitbranding.5En de HEERE zal over alle woning van den berg Sions, en over haar vergaderingen, scheppen een wolk des daags, en een rook, en den glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over alles wat heerlijk is, zal een beschutting wezen.6En daar zal een hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht, en tot een verberging tegen den vloed en tegen den regen.

De verzen 18 - 23 leren jullie "dochters" dat al die uitspattingen in de mode niet iets is wat alleen nu voorkomt. Bestaat er iets wat meer onuitstaanbaar en tegelijkertijd zo belachelijk is (zie vers 16) als dat overdreven bezig zijn met je eigen persoon, en al die pogingen om de aandacht en de bewondering van anderen op jezelf te vestigen? God veegt als het ware alle sieraden en schoonheidsmiddelen onvoorwaardelijk op één hoop en noemt het de "drek van de dochters van Sion" (hoofdstuk 4 vers 4).

Betekent dat, dat een christin zich niet mag sieren? Integendeel! Het Woord van God laat zelfs zien waaruit die versiering moet bestaan! De goede werken (1 Timotheüs 2 vers 9 en 10) en een zachtmoedige en stille geest zijn zedelijke versieringen waarin God een welgevallen heeft. En we moeten daarbij niet vergeten dat Hij er zeer zeker ook acht op slaat hoe wij ons verzorgen en kleden.

De tussenkomst van God ten gunste van Zijn volk aan het eind van hun geschiedenis herinnert ons aan de zorg die Hij aan het begin al had getoond (vergelijk vers 5 met Exodus 13 vers 21 en 22). Het is net alsof God het volk nog eens wil zeggen: Mijn ogen waren altijd op jullie gericht!

Hier eindigt de inleiding van dit Boek. Het heeft ons het zedelijk verval van Juda en Jeruzalem en de oordelen die hen zullen treffen, laten zien. Toch eindigt deze inleiding niet negatief, want er wordt al gesproken over het herstel en de heerlijkheid van Christus ("de SPRUIT des HEEREN, de Bron en Kracht des levens - vers 2).

Jesaja 5:1-17
1Nu zal ik mijn Beminde een lied mijns Liefsten zingen van Zijn wijngaard; Mijn Beminde heeft een wijngaard op een vetten heuvel.2En Hij heeft dien omtuind, en van stenen gezuiverd, en Hij heeft hem beplant met edele wijnstokken; en Hij heeft in deszelfs midden een toren gebouwd, en ook een wijnbak daarin uitgehouwen; en Hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.3Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem, en gij mannen van Juda, oordeelt toch tussen Mij en tussen Mijn wijngaard.4Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?5Nu dan, Ik zal ulieden nu bekend maken, wat Ik Mijn wijngaard doen zal; Ik zal zijn tuin wegnemen, opdat hij zij tot afweiding; zijn muur zal Ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding.6En Ik zal hem tot woestheid maken; hij zal niet besnoeid, noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en Ik zal den wolken gebieden, dat zij geen regen daarop regenen.7Want de wijngaard van den HEERE der heirscharen is het huis van Israel, en de mannen van Juda zijn een plant Zijner verlustigingen; en Hij heeft gewacht naar recht, maar ziet, het is schurftheid, naar gerechtigheid, maar ziet, het is geschreeuw.8Wee dengenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaats meer zij, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in het midden des lands!9Voor mijn oren heeft de HEERE der heirscharen gesproken: Zo niet vele huizen tot verwoesting zullen worden, de grote en de treffelijke zonder inwoner!10Ja, tien bunderen wijngaards zullen een enig bath geven, en een homer zaads zal een efa geven.11Wee dengenen, die, zich vroeg opmakende in den morgenstond, sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit!12En harpen en luiten, trommelen en pijpen, en wijn zijn in hun maaltijden; maar zij aanschouwen het werk des HEEREN niet, en zij zien niet op het maaksel Zijner handen.13Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geen wetenschap heeft; en deszelfs heerlijken zullen honger lijden, en hun menigte zal verdorren van dorst.14Daarom zal het graf zichzelf wijd opensperren, en zijn mond opendoen, zonder maat; opdat nederdale haar heerlijkheid, en haar menigte, met haar gedruis, en die in haar van vreugde opspringt.15Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.16Doch de HEERE der heirscharen zal verhoogd worden door het recht; en God, die Heilige, zal geheiligd worden door gerechtigheid.17En de lammeren zullen weiden naar hun wijze, en de vreemdelingen zullen de woeste plaatsen der vetten eten.

Een aangrijpende gelijkenis toont ons de grote zorg van de HEERE ten opzichte van Zijn volk. Israël is de wijngaard, de Beminde van God. Deze wijngaard, Israël (vers 7), werd met uiterste zorg geplant, bewerkt en verzorgd, maar had uiteindelijk slechts wilde, onsmakelijke en waardeloze druiven opgebracht. In Zijn gelijkenis van de slechte wijngaardenier geeft de Heere uitdrukking aan de teleurstelling die de Beminde van Zijn wijngaard, Israël, waar Hij toch alle recht op had, heeft ondervonden (Lukas 20 vers 9 -16).

Deze verzen leggen echter ook de vinger op onze eigen ondankbaarheid. Het is alsof de Heere ons oproept om alle genade die Hij ons heeft doen ervaren vanaf onze kindheid, eens op te tellen. Maar vervolgens is het net alsof Hij deze of gene onder ons de verdrietige vraag moet stellen: "Wat is er meer te doen... hetwelk Ik... niet gedaan heb?" (vers 4). Terecht mocht de Heere toch enkele goede vruchten van ons verwachten? En toch waren die niet te vinden! We weten toch hoe we vrucht kunnen dragen? Door te blijven in de ware Wijnstok.

Nu Israël, de onvruchtbare wijngaard, terzijde gesteld is, is Christus de ware Wijnstok geworden en Zijn Vader is de Landman (Johannes 15 vers 1 en verder ).

Vanaf vers 8 horen we Jesaja verschillende keren een "wee..." uitspreken. Hij laat de verdrietige gevolgen zien van de weigering om God te gehoorzamen. En het maakt geen verschil of het daarbij nu om Israël of om de mensen in het algemeen gaat.

Jesaja 5:18-30
18Wee dengenen, die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid, en de zonde als met dikke wagenzelen!19Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israel, dat wij het vernemen!20Wee dengenen, die het kwade goed heten, en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen, en het licht tot duisternis; die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid!21Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!22Wee dengenen, die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen!23Die den goddeloze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van dezelven afwenden.24Daarom, gelijk de tong des vuurs den stoppel verteert, en het kaf door de vlam verdaan wordt, alzo zal hun wortel als een uittering wezen; en hun bloem zal als stof opvaren; omdat zij verwerpen de wet des HEEREN der heirscharen, en de rede des Heiligen van Israel versmaden.25Daarom is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft tegen hetzelve Zijn hand uitgestrekt, en Hij heeft het geslagen, zodat de bergen hebben gebeefd, en hun dode lichamen zijn geworden als drek in het midden der straten. Om dit alles keert zich Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.26Want Hij zal een banier opwerpen onder de heidenen van verre, en Hij zal hen herwaarts sissen van het einde der aarde; en ziet, haastelijk, snellijk zullen zij aankomen.27Geen moede, en geen struikelende zal onder hen wezen; niemand zal sluimeren noch slapen, noch de gordel zijner lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem zijner schoenen afgescheurd worden.28Welker pijlen scherp zullen zijn, en al hun bogen gespannen; hunner paarden hoeven zullen als een rots geacht zijn, en hun raderen als een wervelwind.29Hun gebrul zal zijn als van een ouden leeuw, en zij zullen brullen als de jonge leeuwen, en zij zullen briesen, en den roof aangrijpen en wegvoeren; en er zal geen verlosser zijn.30En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruisen, als het bruisen der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar ziet, er zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduisterd worden in hun verwoestingen.

De begeerten van de mensen en de doelen die zij najagen, zijn verschillend, al naar gelang hun sociale verhoudingen en hun temperament. De één doet alle moeite om akkers samen te voegen en huis aan huis te voegen (uiteraard zonder in alle tegelijk te kunnen wonen - vers 8). Wee hen, want al deze aardse dingen zullen ze eens op aarde moeten achterlaten en dan zullen ze met lege handen voor God verschijnen.

Anderen proberen hun vertier te zoeken in wereldse feesten en in de bedrieglijke opwinding van de alcohol (vers 11, 12 en 22). Wee hen wanneer zij — te laat — in de eeuwige werkelijkheid zullen ontwaken.

In hun gezelschap vind je ook allen die een losbandig leven leiden, die zich in de zonde beroemen en daardoor God openlijk uitdagen (vers 18 en 19), maar ook hen die door een verhard geweten alle besef van goed en kwaad verloren hebben (vers 20), en hen die wijs zijn in eigen ogen (vers 21; dit in tegenstelling tot Spreuken 3 vers 7). Ja, daar zien we allen, van de dronkenlap tot de grootste filosoof, allemaal mensen die gezamenlijk, maar tevergeefs, op zoek zijn naar geluk (Prediker 8 vers 13). Het woord dat God over hen uitspreekt en dat tevens het einde van al hun gedachten en inspanningen is — of die nu edel of gemeen zijn — is: wee, wee, wee!

In de volgende hoofdstukken zullen we zien op welke manier God een volk (de Assyriërs) als een gesel gebruikt om Zijn volk te tuchtigen.

Jesaja 6:1-13
1In het jaar, toen de koning Uzzia stierf, zo zag ik den Heere, zittende op een hogen en verheven troon, en Zijn zomen vervullende den tempel.2De serafs stonden boven Hem; een iegelijk had zes vleugelen; met twee bedekte ieder zijn aangezicht, en met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.3En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol!4Zodat de posten der dorpels zich bewogen van de stem des roependen; en het huis werd vervuld met rook.5Toen zeide ik: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben, en ik woon in het midden eens volks, dat onrein van lippen is; want mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heirscharen gezien.6Maar een van de serafs vloog tot mij, en had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met de tang van het altaar genomen had.7En hij roerde mijn mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uw lippen aangeroerd; alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend.8Daarna hoorde ik de stem des Heeren, dewelke zeide: Wien zal Ik zenden, en wie zal voor Ons henengaan? Toen zeide ik: Zie, hier ben ik, zend mij henen.9Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.10Maak het hart dezes volks vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze.11Toen zeide ik: Hoe lang, Heere? En Hij zeide: Totdat de steden verwoest worden, zodat er geen inwoner zij, en de huizen, dat er geen mens zij, en dat het land met verwoesting verstrooid worde.12Want de HEERE zal die mensen verre wegdoen, en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands.13Doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal wederkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik, en gelijk de haageik, in dewelke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, alzo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.

De jonge Jesaja ziet zich hier, in een heerlijk visioen, verplaatst in de tegenwoordigheid van de driemaal heilige God. Deze tegenwoordigheid heeft de ernstige uitwerking dat de profeet van zonde overtuigd wordt en hij ertoe gebracht wordt zeven keer "wee" uit te roepen, maar nu over zichzelf (vergelijk Lukas 5 vers 8).

De genade van God is echter werkzaam om aan Zijn eigen heiligheid tegemoet te kunnen komen. Het altaar staat naast de troon. De reiniging van de zondaar gebeurt door datgene wat spreekt van het offer van Christus. En zie eens, met welk een ijver Jesaja zich daarna direct beschikbaar stelt voor het dienen van Hem, Die zijn zonde van hem afgenomen heeft.

Zijn wij ook bereid om op deze manier op de roepstem van de Heere te antwoorden: "Zie, hier ben ik, zend mij heen"?

De jonge profeet krijgt eerst een eigenaardige opdracht: hij moet "dit volk" gaan zeggen dat God Zijn boodschap voor hen onbegrijpelijk zal maken. Dit is de zogenaamde verharding die vaker genoemd wordt (Mattheus 13 vers 14 en verder). Maar laten we erom denken dat die pas bewerkt werd nadat het volk zelf "de rede van de Heilige van Israël" versmaad had (hoofdstuk 5 vers 24). God liet deze verharding toe, opdat de volken (de heidenen) deel zouden kunnen krijgen aan het heil (Romeinen 11 vers 25).

Het jaar waarin koning Uzzia stierf, was van grote betekenis, was beslissend, voor de jonge Jesaja. Bestaat er in uw en jouw leven ook zo'n bepaalde datum, die dag van de bekering?

Jesaja 7:1-25
1Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van Uzzia, den koning van Juda, dat Rezin, de koning van Syrie, en Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israel, optoog naar Jeruzalem, ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.2Als men den huize Davids boodschapte, zeggende: De Syriers rusten op Efraim, zo bewoog zich zijn hart en het hart zijns volks, gelijk de bomen des wouds bewogen worden van den wind.3En de HEERE zeide tot Jesaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon, Schear-Jaschub, aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers;4En zeg tot hem: Wacht u, en zijt gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week, vanwege die twee staarten dezer rokende vuurbranden; vanwege de ontsteking des toorns van Rezin en der Syriers, en van den zoon van Remalia;5Omdat de Syrier kwaad tegen u beraadslaagd heeft, met Efraim en den zoon van Remalia, zeggende:6Laat ons optrekken tegen Juda, en het verdriet aandoen, en het onder ons delen, en den zoon van Tabeal koning maken in het midden van hen.7Alzo zegt de Heere HEERE: Het zal niet bestaan, en het zal niet geschieden.8Maar Damaskus zal het hoofd van Syrie zijn, en Rezin het hoofd van Damaskus; en in nog vijf en zestig jaren zal Efraim verbroken worden, dat het geen volk zij.9Ondertussen zal Samaria Efraims hoofd zijn, en de zoon van Remalia het hoofd van Samaria. Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden.10En de HEERE voer voort te spreken tot Achaz, zeggende:11Eis u een teken van den HEERE, uw God; eis beneden in de diepte, of eis boven uit de hoogte.12Doch Achaz zeide: Ik zal het niet eisen, en ik zal den HEERE niet verzoeken.13Toen zeide hij: Hoort gijlieden nu, gij, huis van David! is het ulieden te weinig, dat gij de mensen moede maakt, dat gij ook mijn God moede maakt?14Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUEL heten.15Boter en honig zal Hij eten, totdat Hij wete te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede.16Zekerlijk, eer dit Knechtje weet te verwerpen het kwade, en te verkiezen het goede, zal dat land, waarover gij verdrietig zijt, verlaten zijn van zijn twee koningen.17Doch de HEERE zal over u, en over uw volk, en over uws vaders huis, dagen doen komen, hoedanige niet gekomen zijn van dien dag af, dat Efraim van Juda is afgeweken, door den koning van Assyrie.18Want het zal te dien dage geschieden, dat de HEERE zal toesissen de vliegen, die aan het einde der rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land van Assur zijn.19En zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven der steenrotsen, en in al de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen.20Te dien dage zal de Heere door een gehuurd scheermes, hetwelk aan gene zijde der rivier is, door den koning van Assyrie, afscheren het hoofd, en het haar der voeten; ja, het zal ook den baard gans wegnemen.21En het zal geschieden te dien dage, dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en twee schapen;22En het zal geschieden, dat hij vanwege de veelheid der melk, die zij geven zullen, boter zal eten; ja, een ieder, die overgebleven zal zijn in het midden des lands, die zal boter en honig eten.23Ook zal het te dienzelfden dage geschieden, dat iedere plaats, alwaar duizend wijnstokken geweest zijn, van duizend zilverlingen, tot doornen en distelen zal zijn;24Dat men met pijlen en met den boog aldaar zal moeten gaan; want het ganse land zal doornen en distelen zijn.25Ook al de bergen, die men met houwelen pleegt om te hakken, daar zal men niet komen uit vrees der doornen en der distelen; maar die zullen wezen tot inzending van den os, en tot vertreding van het kleinvee.

Nadat Jesaja gereageerd had op de oproep van God, lijkt het dat hij lang heeft moeten wachten (minstens 16 jaar —de tijd dat Jotham regeerde) voordat hij met zijn openlijke dienst kon beginnen.

Als wij een soortgelijke leerschool van geduld hebben te doorlopen, laten we dan de moed niet verliezen. Laten we de Heere het tijdstip en de manier laten kiezen die Hij goed en nodig acht om ons te kunnen gebruiken. Onze enige verantwoording is ons aan Hem ter beschikking te stellen en te gehoorzamen (vergelijk Mattheus 8 vers 9).

Jesaja wordt nu eerst naar de koning van Juda, de slechte Achaz, gestuurd. Het is een heel ernstige tijd voor het koninkrijk. Het rijk wordt namelijk bedreigd door Rezin, de koning van Syrië en — hoe verdrietig om te zeggen — ook door Pekah, de koning van Israël. Satan probeert van hen gebruik te maken om de troon van David ten val te brengen en zich op die manier tegen de regering van de beloofde Messias te verheffen. Maar de profeet krijgt als opdracht een goed bericht mee: de beide aanvallers zullen hun slechte bedoelingen niet kunnen uitvoeren.

Daarna mag Achaz, ondanks zijn onwaardigheid en zijn valse ootmoed, een nog veel heerlijker en hogere openbaring horen: de geboorte van Immanuël. Deze geboorte zal tot heil dienen voor het huis van David, voor het volk Israël en de hele wereld. Deze prachtige naam Immanuël betekent: God met ons (Mattheüs 1 vers 23). Het schijnt hier als een eerste lichtstraal door de profetische lamp in de diepe zedelijke duisternis (2 Petrus 1 vers 19).

Jesaja 8:1-22
1Verder zeide de HEERE tot mij: Neem u een grote rol, en schrijf daarop met eens mensen griffel: Haastende tot den roof, is hij spoedig tot den buit!2Toen nam ik mij getrouwe getuigen, Uria, den priester, en Zacharia, den zoon van Jeberechja.3En ik was tot de profetesse genaderd, die werd zwanger, en baarde een zoon; en de HEERE zeide tot mij: Noem zijn naam MAHER-SCHALAL, CHAZ-BAZ.4Want eer dat knechtje zal kunnen roepen: Mijn vader! of, mijn moeder! zal men den rijkdom van Damaskus, en den buit van Samaria dragen voor het aangezicht van den koning van Assur.5En de HEERE sprak nog verder tot mij, zeggende:6Dewijl dit volk veracht de wateren van Siloa, die zachtjes gaan, en er vreugde is bij Rezin en den zoon van Remalia;7Daarom ziet, zo zal de Heere over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren der rivier, den koning van Assyrie en al zijn heerlijkheid; en hij zal opkomen over al zijn stromen, en gaan over al zijn oevers;8En hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstromen, en er doorgaan, hij zal tot aan den hals reiken; en de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuel!9Vergezelt u te zamen, gij volken! doch wordt verbroken; en neemt ter ore, allen gij, die in verre landen zijt, omgordt u, doch wordt verbroken; omgordt u, doch wordt verbroken!10Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons!11Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met een sterke hand, en Hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende:12Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles, waar dit volk van zegt: Het is een verbintenis; en vreest gijlieden hun vreze niet, en verschrikt niet.13Den HEERE der heirscharen, Dien zult gijlieden heiligen, en Hij zij uw vreze, en Hij zij uw verschrikking.14Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israel, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.15En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.16Bind de getuigenis toe; verzegel de wet onder mijn leerlingen.17Daarom zal ik den Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten.18Ziet, ik en de kinderen, die mij de HEERE gegeven heeft, zijn tot tekenen en tot wonderen in Israel, van den HEERE der heirscharen, Die op den berg Sion woont.19Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen, en binnensmonds mompelen; zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? zal men voor de levenden de doden vragen?20Tot de wet en tot de getuigenis! zo zij niet spreken naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen dageraad zullen hebben.21En een ieder van hen zal daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden, wanneer hem hongert, en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijn koning en op zijn God, als hij opwaarts zal zien;22Als hij de aarde aanschouwen zal, ziet, er zal benauwdheid en duisternis zijn; hij zal verduisterd zijn door angst, en voortgedreven door donkerheid. [ (Isaiah 8:23) Maar het land, dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan gelegen over de Jordaan, aan Galilea der heidenen. ]

De hele profetie van Jesaja wordt als het ware beheerst door twee personen, twee thema's. Het ene is oneindig kostbaar en troostrijk: de Messias Zelf. Het andere daarentegen is het vreselijke Assyrië, de machtige vijand van Israël in de laatste dagen.

Omdat het volk de Eerste verworpen heeft, zal het met de tweede te doen krijgen. Het volk heeft het water van de genade van hem die tot hen gestuurd werd (Silóa betekent 'uitgezonden'; Johannes 9 vers 7), afgewezen. Daarom zal het door het oordeel van de machtige en grote wateren van die vreselijke koning van Assyrië overspoeld worden. Maar omdat God eraan terugdenkt dat het om het land van Immanuël gaat, zal Hij uiteindelijk allen vernietigen die zich verenigd hebben om dit land te overvallen. Vers 9 doet ons ook denken aan hetgeen al heel spoedig het lot van dit samengaan van de volken, dat vandaag de orde van de dag is, zal zijn (hoofdstuk 54 vers 15).

Om de rode draad in deze profetische woorden te kunnen volgen, moeten we niet vergeten dat het zowel om het opstandige en afvallige volk als geheel (vers 11, 14, 15, 19 en verder) gaat, alsook om het gelovig overblijfsel, tot wie de Geest hier eveneens spreekt.

De aanhaling van vers 18 in Hebreeën 2 vers 13 staat ons toe om in de profeten en zijn zonen (hoofdstuk 7 vers 3 en 8 vers 3) een beeld van Christus te zien, zoals Hij Zich met Zijn "leerlingen" (vers 16) voor God stelt. Hij schaamt Zich niet hen te erkennen en hen Zijn broeders te noemen (zie Johannes 17 vers 6; 20 vers 17).

Jesaja 9:1-21
1Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.2Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans blijde wezen voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is, wanneer men de buit uitdeelt.3Want het juk van hun last, en den stok hunner schouders, en den staf desgenen, die hen dreef, hebt Gij verbroken, gelijk ten dage der Midianieten;4Toen de ganse strijd dergenen, die streden, met gedruis geschiedde, en de klederen in het bloed gewenteld en verbrand werden, tot een voedsel des vuurs.5Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst;6Der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen.7De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, en het is gevallen in Israel.8En al dit volk zal het gewaar worden, Efraim en de inwoner van Samaria; in hoogmoed en grootsheid des harten, zeggende:9De tichelstenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen stenen zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgebomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen;10Want de HEERE zal Rezins tegenpartijders tegen hem verheffen, en Hij zal zijn vijanden samen vermengen:11De Syriers van voren, en de Filistijnen van achteren, dat zij Israel opeten met vollen mond. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.12Want dit volk keert zich niet tot Dien, Die het slaat, en den HEERE der heirscharen zoeken zij niet.13Daarom zal de HEERE afhouwen uit Israel den kop en den staart, den tak en de bieze, op een dag.14(De oude en aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die valsheid leert, die is de staart.)15Want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van hen geleid worden, worden ingeslokt.16Daarom zal zich de Heere niet verblijden over hun jongelingen, en hunner wezen en hunner weduwen zal Hij zich niet ontfermen, want zij zijn allen te zamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.17Want de goddeloosheid brandt als vuur, doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken des wouds, die zich verheven hebben als de verheffing des rooks.18Vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel des vuurs: de een zal den ander niet verschonen.19Zo hij ter rechterhand snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; een iegelijk zal het vlees zijns arms eten;20Manasse Efraim, en Efraim Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn. Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.21

Aan het eind van hoofdstuk 8 hebben we gelezen van duisternis en donkerheid. Israël is "het volk, dat in duisternis wandelt". Maar nu zien we dat er een licht voor hun voeten gaat schijnen. De aanhaling van deze Schriftplaats in Mattheüs 4 vers 15 en 16 verplaatst ons in de tijd van het evangelie, om daarin Hem te zien schijnen Die het Licht van de wereld is (Johannes 9 vers 5). In dit verachte, maar ook zo bevoorrechte Galilea heeft de Heere Jezus het grootste deel van Zijn dienst vervuld. Het ware Licht is echter niet voorbehouden aan één bepaald gebied of volk. Het "verlicht een ieder mens", maar "de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos" (Johannes 1 vers 9; 3 vers 19).

De verzen van vandaag gaan verder dan de tijd van de verwerping van de Heere Jezus. Over de tegenwoordige tijd van de Gemeente is overigens nooit sprake in de Profeten. Deze verzen laten ons direct de vreugde van Israël zien (vers 2) op het moment dat, na eeuwenlange duisternis, de heerlijke zon van de gerechtigheid zal opgaan (vergelijk hoofdstuk 60 vers 1, 19 en 20).

Vers 5 van het hoofdstuk dat we vandaag gelezen hebben, openbaart ons een aantal prachtige namen en titels van de Zoon. Deze namen zijn stuk voor stuk een gezegend onderwerp voor onze zielen en daarom de moeite waard om te overdenken.

Jesaja 10:1-23
1Wee dengenen, die ongerechte inzettingen inzetten, en den schrijvers, die moeite voorschrijven;2Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen Mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!3Maar wat zult gijlieden doen ten dage der bezoeking, en der verwoesting, die van verre komen zal? Tot wien zult gij vlieden om hulp, en waar zult gij uw heerlijkheid laten?4Dat elkeen zich niet zou buigen onder de gevangenen, en vallen onder de gedoden? Om dit alles keert Zijn toorn zich niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.5Wee den Assyrier, die de roede Mijns toorns is, en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand!6Ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en Ik zal hem bevel geven tegen het volk Mijner verbolgenheid; opdat hij den roof rove, en plundere de plundering, en stelle het ter vertreding, gelijk het slijk der straten.7Hoewel hij het zo niet meent, en zijn hart alzo niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen, en uit te roeien niet weinige volken.8Want hij zegt: Zijn niet mijn vorsten al te zamen koningen?9Is niet Kalno gelijk Karchemis? Is Hamath niet gelijk Arfad? Is niet Samaria gelijk Damaskus?10Gelijk als mijn hand gevonden heeft de koninkrijken der afgoden, ofschoon hun gesneden beelden beter zijn, dan die van Jeruzalem, en dan die van Samaria;11Gelijk als ik gedaan heb aan Samaria en aan haar afgoden, zou ik alzo niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan haar afgoden?12Want het zal geschieden, als de HEERE een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op den berg Sion en te Jeruzalem, dan zal Ik te huis zoeken de vrucht van de grootsheid des harten van den koning van Assyrie, en de pracht van de hoogheid zijner ogen.13Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan, en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb de landpalen der volken weggenomen, en heb hun voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen;14En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte.15Zal een bijl zich beroemen tegen dien, die daarmede houwt? Zal een zaag pochen tegen dien, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout?16Daarom zal de Heere HEERE der heirscharen onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als den brand des vuurs.17Want het Licht van Israel zal tot een vuur zijn, en zijn Heilige tot een vlam, welke in brand steken en verteren zal zijn doornen en zijn distelen, op een dag.18Ook zal Hij verteren de heerlijkheid zijns wouds en zijns vruchtbaren velds; van de ziel af, tot het vlees toe; en hij zal zijn, gelijk als wanneer een vaandrager versmelt.19En de overgebleven bomen zijns wouds zullen weinig in getal zijn, ja, een jongen zou ze opschrijven.20En het zal geschieden te dien dage, dat het overblijfsel van Israel, en de ontkomenen van het huis Jakobs niet meer steunen zullen op dien, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op den HEERE, den Heilige Israels, oprechtelijk.21Het overblijfsel zal wederkeren, het overblijfsel van Jakob, tot den sterken God!22Want ofschoon uw volk, o Israel! is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid.23Want een verdelging, die vastelijk besloten is, zal de Heere HEERE der heirscharen doen in het midden dezes gansen lands.

De laatste gedeelten van hoofdstuk 9 en het eerste gedeelte van hoofdstuk 10 laten ons de redenen zien waarom de toorn van God over Israël niet afgewend wordt en Zijn hand nog uitgestrekt is (hoofdstuk 9 vers 11, 16 en 20; 10 vers 4). Deze hand houdt een gevreesde roede vast om het schuldige volk te tuchtigen: de Assyriërs, die al eerder aangehaald zijn. In de geschiedenis kwam al eerder een Assyriër voor: Sanherib en zijn legers; zie hoofdstuk 36 vers 1. Hij is echter nog maar een zwak beeld van de vreselijke profetische Assyriër die het land Israël, vlak voor de heerschappij van Christus, zal overvallen. In Zijn toom zal God deze overrompeling van Zijn volk bepalen. De aanvaller zal zijn successen echter aan eigen kunnen toeschrijven en zich zelfs tegen God verheffen (vers 13 en 15; vergelijk 2 koningen 19 vers 23 en verder). Wat een grote dwaasheid! Het werktuig is niets zonder de hand die haar leidt. Daarom zal God deze roede, nadat Hij haar gebruikt heeft, aansteken en als een gewoon stuk hout laten verbranden (vers 16; hoofdstuk 30 vers 31 - 33).

Laat dit buitengewone voorbeeld ons er toch aan doen denken wie wij zijn, zelfs als christenen: eenvoudige werktuigen, zonder eigen kracht en wijsheid (vergelijk vers 13), werktuigen die de Heere terzijde kan zetten of vervangen, naar het Hem behaagt.

De eindgedachte van God is niet het oordeel, maar de genade: "Het overblijfsel zal weerkeren" (vers 21 en 22, aangehaald in Romeinen 9 vers 27).

Jesaja 11:1-16; Jesaja 12:1-6
1Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isai, en een Scheut uit zijn wortelen zal Vrucht voortbrengen.2En op Hem zal de Geest des HEEREN rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en der sterkte, de Geest der kennis en der vreze des HEEREN.3En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen.4Maar Hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zachtmoedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch Hij zal de aarde slaan met de roede Zijns monds, en met den adem Zijner lippen zal Hij den goddeloze doden.5Want gerechtigheid zal de gordel Zijner lendenen zijn; ook zal de waarheid de gordel Zijner lendenen zijn.6En de wolf zal met het lam verkeren, en de luipaard bij den geitenbok nederliggen; en het kalf, en de jonge leeuw, en het mestvee te zamen, en een klein jongske zal ze drijven.7De koe en de berin zullen te zamen weiden, haar jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stro eten, gelijk de os.8En een zoogkind zal zich vermaken over het hol van een adder; en een gespeend kind zal zijn hand uitsteken in de kuil van den basilisk.9Men zal nergens leed doen noch verderven op den gansen berg Mijner heiligheid; want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.10Want het zal geschieden ten zelven dage, dat de heidenen naar den Wortel van Isai, Die staan zal tot een banier der volken, zullen vragen, en Zijn rust zal heerlijk zijn.11Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male Zijn hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel Zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrie, en van Egypte, en van Pathros, en van Morenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee.12En Hij zal een banier oprichten onder de heidenen, en Hij zal de verdrevenen van Israel verzamelen, en de verstrooiden uit Juda vergaderen, van de vier einden des aardrijks.13En de nijd van Efraim zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden; Efraim zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraim niet benauwen.14Maar zij zullen den Filistijnen op den schouder vliegen tegen het westen, en zij zullen te zamen die van het oosten beroven; aan Edom en Moab zullen zij hun handen slaan, en de kinderen Ammons zullen hun gehoorzaam zijn.15Ook zal de HEERE den inham der zee van Egypte verbannen, en Hij zal Zijn hand bewegen tegen de rivier, door de sterkte Zijns winds; en Hij zal dezelve slaan in de zeven stromen, en Hij zal maken, dat men met schoenen daardoor zal gaan.16En er zal een gebaande weg zijn voor het overblijfsel Zijns volks, dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israel geschiedde ten dage, toen het uit Egypteland optoog.
1En te dienzelfden dage zult gij zeggen: Ik dank U, HEERE! dat Gij toornig op mij geweest zijt, maar Uw toorn is afgekeerd, en Gij troost mij.2Ziet, God is mijn Heil, ik zal vertrouwen en niet vrezen; want de Heere HEERE is mijn Sterkte en mijn Psalm, en Hij is mij tot Heil geworden.3En gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils;4En zult te dienzelfden dage zeggen: Dankt den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken! vermeldt, dat Zijn Naam verhoogd is.5Psalmzingt den HEERE, want Hij heeft heerlijk dingen gedaan; zulks zij bekend op den gansen aardbodem.6Juich en zing vrolijk, gij inwoneres van Sion! want de Heilige Israels is groot in het midden van u.

In de verzen 18 en 19, 33 en 34 van hoofdstuk 10 wordt Israël vergeleken met een bos, waarin de bijl en de zaag (de Assyriërs in de hand van de HEERE, vers 15) grote open plekken hebben doen ontstaan. Ook de koninklijke boom, Juda, zal geveld worden, want al spoedig zal er geen nakomeling van David meer op de troon zitten.

In de natuur komt het echter voor dat er jonge scheuten vol sap uit een pas afgezaagde boomstronk opschieten. Uit de ogenschijnlijk afgestorven "tronk van Isaï" is een heel nieuw Rijsje voortgekomen, opgeschoten voor God en rijke vrucht van de Geest voortbrengend (hoofdstuk 11 vers 2)!

De Scheut, de Wortel en het geslacht van David (vers 1 en 10; Openbaring 22 vers 16) zijn namen die de Heere Jezus draagt in verbinding met de zegening van Israël en de wereld. Dan zal er gerechtigheid en vrede heersen op aarde, zelfs onder de dieren. Wat een tegenstelling tussen dit verrukkelijke beeld van het duizendjarig rijk en de toestand die we nu tegenkomen in de schepping, een schepping die "zucht" en "in barensnood" is, in de verwachting van de toekomstige rust en heerlijkheid (Romeinen 8 vers 19 - 22)! Alle verbannenen uit Israël zullen daaraan deel hebben. Ze zullen terugkeren uit de verstrooiing, zoals dit volk eens teruggekeerd is uit de gevangenschap in Egypte.

En hoofdstuk 12 legt hen dan de definitieve lofzang in de mond, die ons doet denken aan het eerste lied dat Israël zong (vergelijk vers 2 met Exodus 15 vers 2).

Jesaja 13:1-22
1De last van Babel, dien Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft.2Heft op een banier, op een hogen berg; verheft een stem tot hen; beweegt de hand omhoog, dat zij intrekken door de deuren der prinsen.3Ik heb aan Mijn geheiligden bevel gegeven; ook heb Ik tot Mijn toorn geroepen Mijn helden, de vrolijken Mijner hoogheid.4Er is een ruisende stem op de bergen, gelijk eens groten volks; een stem van gedruis der koninkrijken, der verzamelde heidenen; de HEERE der heirscharen monstert het krijgsheir.5Zij komen uit verren lande, van het einde des hemels; de HEERE en de instrumenten Zijner gramschap, om dat ganse land te verderven.6Huilt gijlieden, want de dag des HEEREN is nabij; hij komt als een verwoesting van den Almachtige.7Daarom zullen alle handen slap worden, en aller mensen hart zal versmelten;8En zij zullen verschrikt worden, smarten en weeen zullen hen aangrijpen, zij zullen bang zijn als een barende vrouw; een iegelijk zal over zijn naaste verbaasd zijn; hun aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn.9Ziet, de dag des HEEREN komt, gruwelijk, met verbolgenheid en hittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en deszelfs zondaars daaruit te verdelgen.10Want de sterren des hemels en zijn gesternten zullen haar licht niet laten lichten; de zon zal verduisterd worden, wanneer zij zal opgaan, en de maan zal haar licht niet laten schijnen.11Want Ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddelozen hun ongerechtigheid; en Ik zal den hoogmoed der stouten doen ophouden, en de hovaardij der tirannen zal Ik vernederen.12Ik zal maken, dat een man dierbaarder zal zijn dan dicht goud, en een mens dan fijn goud van Ofir.13Daarom zal Ik den hemel beroeren, en de aarde zal bewogen worden van haar plaats, vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, en vanwege den dag Zijns hittigen toorns.14En een iegelijk zal zijn als een verjaagde ree, en als een schaap, dat niemand vergadert; een iegelijk zal naar zijn volk omzien, en een iegelijk zal naar zijn land vluchten.15Al wie gevonden wordt, zal doorstoken worden, en al wie daarbij gevoegd is, zal door het zwaard vallen.16Ook zullen hun kinderkens voor hun ogen verpletterd worden; hun huizen zullen geplunderd, en hun vrouwen geschonden worden.17Ziet, Ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geen lust hebben.18Maar hun bogen zullen de jongelingen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht des buiks; hun oog zal de kinderen niet verschonen.19Alzo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de hovaardigheid der Chaldeen, zijn gelijk als God Sodom en Gomorra omgekeerd heeft.20Daar zal geen woonplaats zijn in der eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen er niet legeren.21Maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijnen, en hun huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en de duivelen zullen er huppelen.22En wilde dieren der eilanden zullen in zijn verlaten plaatsen elkander toeroepen, mitsgaders de draken in de wellustige paleizen; hun tijd toch is nabij om te komen, en hun dagen zullen niet vertogen worden.

God zal vanaf hier tot hoofdstuk 27 tot ons spreken over Zijn oordelen over de volken. Dit wordt "de last" of "de Godsspraak" genoemd. Dat woordje "last" is kenmerkend. Wanneer de man Gods — en dat geldt evengoed voor nu als voor toen — het toekomstig oordeel van God moest aankondigen, dan was het onmogelijk dat zijn hart daaronder niet diep terneergedrukt was.

Geschiedkundig gaat het hier in eerste instantie om de volken die leefden in de tijd van Jesaja. En de verschillende profetieën zijn wat hen betreft al letterlijk in vervulling gegaan. Reisverslagen bevestigen tot op vandaag dat de plaats waar Babylon lag, een eenzame, verlaten en angstaanjagende omgeving is, waar slechts woestijndieren wonen (vers 17 - 22). Het is echter "geen profetie der Schrift... van eigen uitlegging" (2 Petrus 1 vers 20). Met andere woorden: het heeft niet alleen betrekking op dit ene feit en wordt niet achteraf door de geschiedenis verklaard. Met het inzicht dat de Heilige Geest geeft, moeten wij altijd een verbinding met de centrale eindgedachte van God zoeken, namelijk tot Christus en Zijn toekomstig rijk.

Er zal een profetisch Babylon bestaan: de valse en afvallige kerk (zie Openbaring 17 vers 5 en hoofdstuk 18). Dat zal voor de oprichting van het rijk ten val komen, tot vreugde van de heiligen , "de vrolijken van Mijn hoogheid" (vers 3; Openbaring 18 vers 20; vergelijk Psalm 35 vers 15 en 26).

Jesaja 14:1-27
1Want de HEERE zal Zich over Jakob ontfermen, en Hij zal Israel nog verkiezen, en Hij zal hen in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen het huis van Jakob aanhangen.2En de volken zullen hen aannemen, en in hun plaats brengen; en het huis Israels zal hen erfelijk bezitten in het land des HEEREN tot knechten en tot maagden; en zij zullen gevangen houden degenen, die hen gevangen hielden, en zij zullen heersen over hun drijvers.3En het zal geschieden ten dage, wanneer u de HEERE rust geven zal van uw smart, en van uw beroering, en van de harde dienstbaarheid, waarin men u heeft doen dienen;4Dan zult gij deze spreuk opnemen tegen den koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op? Hoe houdt de goudene op?5De HEERE heeft den stok der goddelozen gebroken, den scepter der heersers.6Die de volken plaagde in verbolgenheid met een plaag zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerste, die wordt vervolgd, zonder dat het iemand afweren kan.7De ganse aarde rust, zij is stil; zij maken groot geschal met gejuich.8Ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds dat gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op, die ons afhouwe.9De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tegemoet te gaan, als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de doden op, al de bokken der aarde; zij doet al de koningen der heidenen van hun tronen opstaan.10Die altegader zullen antwoorden, en tot u zeggen: Gij zijt ook krank geworden, gelijk wij, gij zijt ons gelijk geworden.11Uw hovaardij is in de hel nedergestort, met het geklank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken.12Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!13En zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijn troon boven de sterren Gods verhogen; en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het noorden.14Ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden.15Ja, in de hel zult gij nedergestoten worden, aan de zijden van den kuil!16Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man, die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven?17Die de wereld als een woestijn stelde, en derzelver steden verstoorde, die zijn gevangenen niet liet los gaan naar huis toe?18Al de koningen der heidenen, zij allen liggen neder met eer, een iegelijk in zijn huis;19Maar gij zijt verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, als een kleed der gedoden, die met het zwaard doorstoken zijn; als die nederdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam.20Gij zult bij dezelve niet gevoegd worden in de begrafenis; want gij hebt uw land verdorven, en uw volk gedood; het zaad der boosdoeners zal in der eeuwigheid niet genoemd worden.21Maakt de slachting voor zijn kinderen gereed, om hunner vaderen ongerechtigheid wil; dat zij niet opstaan, en de aarde erven, en de wereld vervullen met steden;22Want Ik zal tegen hen opstaan, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal van Babel uitroeien den naam en het overblijfsel, en den zoon en den zoonszoon, spreekt de HEERE.23En Ik zal hen stellen tot een erve der nachtuilen, en tot waterpoelen; en Ik zal hen met een bezem des verderfs uitvagen, spreekt de HEERE der heirscharen.24De HEERE der heirscharen heeft gezworen, zeggende: Indien niet, gelijk Ik gedacht heb, het alzo geschiede, en gelijk Ik beraadslaagd heb, het bestaan zal!25Dat Ik Assur in Mijn land zal verbreken, en hem op Mijn bergen vertreden; opdat zijn juk van hen afwijke, en zijn last van hun schouder wijke.26Dit is de raadslag, die beraadslaagd is over dat ganse land; en dit is de hand, die uitgestrekt is over alle volken.27Want de HEERE der heirscharen heeft het in Zijn raad besloten, wie zal het dan breken? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keren?

Vanwege Zijn erbarmen met het geringe overblijfsel van Zijn volk, zal God de grootste koninkrijken ten val brengen (hoofdstuk 43 vers 3 - 5). Voor Hem is niets te moeilijk, wanneer het erom gaat om hen die Hij liefheeft, te redden. Laten we daarom niet bang zijn! Hij heeft alle middelen in Zijn hand om Zijn kinderen te hulp te komen; niet om onze, maar vanwege Zijn eigen trouw.

Na iets over Babylon gehoord te hebben, is het nu de beurt aan diens koning. En we zijn hier getuigen van een heel aangrijpende gebeurtenis. In gedachten verplaatst Jesaja ons naar de verblijfplaats van de doden. Hij laat ons de grote opschudding zien, die veroorzaakt wordt door de aankomst van zo'n belangrijke persoonlijkheid. "Wat! U bent ook hier?", zo zullen zij die hem gekend hebben op het hoogtepunt van zijn macht, zich verwonderen!

In deze koning van Babel herkennen wij het hoofd van het vierde, het Romeinse wereldrijk, ook 'het beest' genoemd. Vanaf vers 12 gaat de gedachte van de Heilige Geest echter uit boven deze gevolmachtigde van satan, om laatstgenoemde zelf aan ons te openbaren. "Hoe zijt gij uit de hemel gevallen...!" Hier wordt ons onthuld dat het om de hoogmoed bij Lucifer (morgenster) gaat; deze was een cherub des lichts. Hij is geworden tot de vorst der duisternis en kan als verleider ook vandaag nog de gestalte van een engel des lichts aannemen (2 Korinthe 11 vers 14). Nu laat hij de aarde nog sidderen door de macht van de duisternis en laat hij zijn gevangenen niet los (vers 17 en hoofdstuk 49 vers 24 en 25). Maar al heel spoedig zal God hem onder onze voeten verpletteren (Romeinen 16 vers 20; Ezechiël 28 vers 16 -19).

Jesaja 14:28-32; Jesaja 16:1-14
28In het jaar, toen de koning Achaz stierf, geschiedde deze last.29Verheug u niet, gij gans Palestina! dat de roede die u sloeg, gebroken is; want uit de wortel der slang zal een basilisk voortkomen, en haar vrucht zal een vurige vliegende draak zijn.30En de eerstgeborenen der armen zullen weiden, en de nooddruftigen zullen zeker nederliggen; uw wortel daarentegen zal Ik door den honger doden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen.31Huil, gij poort, schreeuw, gij stad! gij zijt gesmolten, gij gans Palestina! want van het noorden komt een rook, en er is geen eenzame in zijn samenkomsten.32Wat zal men dan antwoorden den boden des volks? Dat de HEERE Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten Zijns volks een toevlucht daarin hebben zouden.
1Zendt de lammeren van den heerser des lands van Sela af, naar de woestijn henen, tot den berg der dochter van Sion.2Anderszins zal het geschieden, dat de dochteren van Moab aan de veren van Arnon zullen zijn, als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde.3Brengt een raad aan, houdt gericht, maakt uw schaduw op het midden van den middag, gelijk van den nacht; verbergt de verdrevenen, en meldt den omzwervende niet.4Laat mijn verdrevenen onder u verkeren, o Moab! wees gij hun een schuilplaats voor het aangezicht des verstoorders; want de onderdrukker heeft een einde, de verstoring is te niet geworden, de vertreders zijn van de aarde verdaan.5Want er zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid, en op denzelven zal bestendig een zitten in de tent van David, een, die oordeelt en het recht zoekt, en vaardig is ter gerechtigheid.6Wij hebben gehoord de hovaardij van Moab, hij is zeer hovaardig; zijn hoogmoed, en zijn hovaardij, en zijn verbolgenheid, zijn alzo zijn grendelen niet.7Daarom zal Moab over Moab huilen, altemaal zullen zij huilen; over de fondamenten van Kir-Hareseth zult gijlieden zuchten, gewisselijk, zij zijn gebroken.8Want de velden van Hesbon zijn verflauwd, ook de wijnstok van Sibma, de heren der heidenen hebben zijn uitgelezen planten verpletterd; zij reiken tot Jaezer toe, zij dwalen door de woestijn; hun scheuten zijn uitgespreid, zij zijn gegaan over zee.9Daarom beween ik, in de wening over Jaezer, den wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijn tranen, o Hesbon en Eleale! want het vreugdegeschrei over uw zomervruchten en over uw oogst is gevallen;10Alzo dat de blijdschap en vrolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen, noch enig gejuich gemaakt; de druiven treder treedt geen wijn uit in de wijnbakken, ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden.11Daarom rommelt mijn ingewand over Moab, als een harp, en mijn binnenste over Kir-heres.12En het zal geschieden, als men zien zal, dat Moab vermoeid is geworden op de hoogten, dan zal hij in zijn heiligdom gaan om te aanbidden, maar hij zal niet vermogen.13Dit is het woord, dat de HEERE tegen Moab gesproken heeft, van toen af.14Maar nu spreekt de HEERE, zeggende: Binnen drie jaren (als de jaren eens huurlings), dan zal de eer van Moab verachtzaam gemaakt worden, met al die grote menigte; en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.

Na het oordeel over Babylon en de Assyriër volgt nu het oordeel over de buren van Israël. Zoals de aangeklaagden, de één na de ander, in het beklaagdenbankje moeten verschijnen, zo zullen deze traditionele vijanden van het joodse volk, de één na de ander, de indrukwekkende en ernstige uitspraak tegen zich horen.

Palestina (Filistea), dat door Uzzia, de vader van Achaz, overrompeld werd (2 Kronieken 26 vers 6), had geen gelegenheid om zich over de dood van Achaz te verheugen (vers 28 en 29), want ook diens zoon Hizkia sloeg hen (2 Koningen 18 vers 8).

Moab wordt "zeer hovaardig" genoemd (hoofdstuk 16 vers 6). Dit volk werd gekenmerkt door trots, iets waarvan de HEERE zegt dat Hij "de hovaardigheid, en de hoogmoed" haat. Vervolgens zegt Hij: "Hovaardigheid is vóór de verbreking, en hoogheid van de geest vóór de val" (Spreuken 8 vers 13; 16 vers 18). Deze val van Moab maken we als het ware van dichtbij mee. Zijn verwoesting is met geen pen te beschrijven. De hoofdstukken 15 en 16 zijn gevuld met hun jammerklacht en het uithuilen van al hun hopeloosheid.

In de verzen 3 en 4 van hoofdstuk 16 zien we dat de gelovigen die op de vlucht zijn voor de vervolging van de Antichrist in Juda, op het grondgebied van Moab een toevlucht zullen vinden. En na het voltrekken van de oordelen zal er dan uiteindelijk Eén zijn Die in goedheid en waarheid, in recht en gerechtigheid zal regeren (hoofdstuk 16 vers 5). Psalm 72 vers 1 - 4 kondigt deze heerlijke tijd aan, waarin Christus, de ware Salomo, het volk naar gerechtigheid en recht zal richten.

Jesaja 17:1-14; Jesaja 18:1-7
1De last van Damaskus. Ziet, Damaskus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn.2De steden van Aroer zullen verlaten worden; voor de kudden zullen zij wezen, die zullen daar nederliggen, en niemand zal ze verschrikken.3En de vesting zal ophouden van Efraim, en het koninkrijk van Damaskus, en het overblijfsel der Syriers; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israels, spreekt de HEERE der heirscharen.4En het zal geschieden te dien dage, dat de heerlijkheid van Jakob verdund zal worden, en dat de vettigheid van zijn vlees mager worden zal.5Want hij zal zijn, gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait; ja, hij zal zijn, gelijk wanneer iemand aren leest in het dal Refraim.6Doch een nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfbooms, twee of drie bezien in den top der opperste twijg, en vier of vijf aan zijn vruchtbare takken, spreekt de HEERE, de God Israels.7Te dien dage zal de mens zien naar Dien, Die hem gemaakt heeft, en zijn ogen zullen op den Heilige Israels zien.8En hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk zijner handen, ook hetgeen zijn vingeren gemaakt hebben, zal hij niet aanzien, noch de bossen, noch de zonnebeelden.9Te dien dage zullen zijn sterke steden zijn, als een verlaten struik, en opperste tak, welke zij verlaten hebben, om der kinderen Israels wil, hoewel daar verwoesting zal wezen.10Want gij hebt den God uws heils vergeten, en niet gedacht aan den Rotssteen uwer sterkte; daarom zult gij wel liefelijke planten planten, en gij zult hem met uitlandse ranken bezetten;11Ten dage, als gij ze zult geplant hebben, zult gij die doen wassen, en in den morgenstond zult gij uw zaad doen bloeien; doch het zal maar een hoop van het gemaaide zijn, in den dag der krankheid en der pijnlijke smart.12Wee der veelheid der grote volken, die daar bruisen, gelijk de zeeen bruisen; en wee het geruis der natien, die daar ruisen, gelijk de geweldige wateren ruisen!13De natien zullen wel ruisen, gelijk grote wateren ruisen; doch Hij zal hem schelden, zo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden, als het kaf der bergen van den wind, en gelijk een kloot van den wervelwind.14Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.
1Wee het land, dat schaduwachtig is aan de frontieren, dat aan de zijde der rivieren van Morenland is;2Dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren! Gaat henen, gij snelle boden! tot een volk, dat getrokken is en geplukt, tot een volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven.3Allen gij ingezetenen der wereld, en gij inwoners der aarde! als men de banier zal oprichten op de bergen, zult gijlieden het zien, en als de bazuin zal blazen, zult gijlieden het horen.4Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ik zal stil zijn, en zien in Mijn woning, als de glinsterende hitte op den regen, als een wolk des dauws in de hitte des oogstes;5Want voor den oogst, als de botte volkomen is, en de onrijpe druif rijp wordt na den bloesem, zo zal Hij de ranken met snoeimessen afsnijden, en de takken wegdoen, en afkappen.6Zij zullen te zamen gelaten worden den roofvogelen der bergen, en den dieren der aarde; en de roofvogelen zullen op hen overzomeren, en alle dieren der aarde zullen daarop overwinteren.7Te dien tijd zal den HEERE der heirscharen een geschenk gebracht worden van het volk, dat getrokken is en geplukt, en van het volk, dat vreselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren beroven; tot de plaats van den Naam des HEEREN der heirscharen, tot den berg Sion.

In hoofdstuk 7 vers 1 hebben we gezien dat Rezin, de koning van Syrië, samen met zijn bondgenoot Pekah, de zoon van Remália, Juda aanvalt. In 2 Koningen 16 vers 5 - 9 wordt dit bericht gecompleteerd door ons de afloop mee te delen: de inneming van Damaskus door Tiglath-Pilézer en de dood van Rezin. Net als de voorgaande oordelen heeft deze "last van Damaskus" echter ook betrekking op de toekomst. Het moderne Syrië zal blijkbaar tot deze "veelheid der grote volken" behoren (vers 12; Openbaring 17 vers 15), dat als een bruisende zee Israël zal overrompelen. Maar... "eer het morgen is, is hij er niet meer" (vers 14; Psalm 37 vers 36).

In tegenstelling daarmee laat hoofdstuk 18 ons een land aan de zee zien, dat zijn beschermende macht uitstrekt (schaduw) om het uitverkoren volk te hulp te komen. Zo maakt God onderscheid tussen de volken van deze aarde, al naar gelang ze voor of tegen Israël zijn. En zie eens hoe Hij over Zijn arme aardse volk denkt, terwijl het veracht wordt door de wereld en met voeten getreden. In Zijn ogen is Israël "het volk, dat vreselijk (soms vertaald met: wonderbaar) is van dat het was en voortaan" (vers 7). Is het niet het volk van Hem Die Zelf "Wonderlijk" genoemd wordt (hoofdstuk 9 vers 6)? Een volk dat altijd nog wacht...

En wij, gelovige vrienden, wachten wij op Hem, Die niet onze Koning, maar de hemelse Bruidegom van de hemelse Bruid, de Gemeente, is?

Jesaja 19:1-15, 22-25
1De last van Egypte. Ziet, de HEERE rijdt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen; en de afgoden van Egypte zullen bewogen worden van Zijn aangezicht, en het hart der Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen.2Want Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden een iegelijk tegen zijn broeder, en een iegelijk tegen zijn naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk.3En de geest der Egyptenaren zal uitgeledigd worden in het binnenste van hen, en hun raad zal Ik verslinden; dan zullen zij hun afgoden vragen, en den bezweerders, en den waarzeggers, en den duivelskunstenaars.4En Ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand van harde heren, en een strenge koning zal over hen heersen, spreekt de Heere HEERE der heirscharen.5En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdrogen.6Zij zullen ook de rivieren verre terugdrijven, zij zullen ze uithozen, en de gedamde stromen opdrogen; het riet en het schilf zullen verwelken.7Het papiergewas bij de stromen, aan de oevers der stromen, en al het gezaaide aan de stromen, zal verdrogen; het zal weggestoten worden, en niet meer zijn.8En de vissers zullen treuren, en allen, die den angel in de stromen werpen, zullen rouw maken; en die het werpnet uitbreiden op de wateren, zullen kwijnen.9En de werkers in het fijne vlas zullen beschaamd worden, ook de wevers van de witte stof.10En zij zullen met hun fondamenten verbrijzeld worden, allen, die voor loon lustige staande wateren maken.11Gewisselijk, de vorsten van Zoan zijn dwazen, de raad der wijzen, der raadgevers van Farao, is onvernuftig geworden; hoe kunt gijlieden dan zeggen tot Farao; Ik ben een zoon der wijzen, een zoon der oude koningen?12Waar zijn nu uw wijzen? Dat zij u nu te kennen geven of vernemen, wat de HEERE der heirscharen beraadslaagd heeft tegen Egypte.13De vorsten van Zoan zijn zot geworden, de vorsten van Nof zijn bedrogen; zij zullen ook Egypte doen dwalen, tot den uitersten hoek zijner stammen.14De HEERE heeft een zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om en om wentelt in zijn uitspuwsel.15En er zal geen werk wezen voor de Egyptenaren, hetwelk het hoofd of de staart, de tak of de bieze doen mag.
22En de HEERE zal de Egyptenaars dapper slaan, en genezen; en zij zullen zich tot den HEERE bekeren, en Hij zal Zich van hen verbidden laten, en Hij zal hen genezen.23Te dien dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte in Assyrie, dat de Assyriers in Egypte, en de Egyptenaars in Assyrie komen zullen; en de Egyptenaars zullen met de Assyriers den Heere dienen.24Te dien dage zal Israel de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriers, een zegen in het midden van het land.25Want de HEERE der heirscharen zal hen zegenen, zeggende: Gezegend zij Mijn volk, de Egyptenaars, en de Assyriers, het werk Mijner handen, en Israel, Mijn erfdeel!

Nu is het de beurt aan Egypte om een dreigende uitspraak te horen: burgeroorlog, verdrukking door een tiranniserende overheerser, zoals Farao er destijds één was. Maar ook de uitdroging van de Nijl, die de levensader, de rijkdom en de trots van het land is, wordt voorzegd (Ezechiël 29 vers 3). Dat is het wat deze aartsvijand van Israël allemaal te wachten staat.

De vorsten van Zoan en Nof zijn een typisch voorbeeld van de mensen van deze wereld. Ze denken van zichzelf dat ze wijs zijn, maar in feite zijn ze niets anders dan dwazen (vers 11; vergelijk Romeinen 1 vers 22). Ze weigeren immers naar God, Die Zich geopenbaard heeft, te luisteren. Tegelijkertijd doen ze echter ijverig mee aan elke vorm van bijgeloof (vergelijk vers 3). Hoe ongerijmd het ook mag klinken, maar het is heel opmerkelijk dat juist de ergste ongelovigen vaak de meest lichtgelovige mensen zijn! Aan de andere kant is dit toch ook heel goed te verklaren, want zonder er zelf bij stil te staan, worden ze door satan verblind en verleid. Hij is een harde heer en een "strenge koning" (vers 4; 2 Timotheüs 3 vers 13), die over hen heerst en hen om de tuin leidt.

Maar de genade van God spreekt ook hier een woordje mee, zelfs ten opzichte van Egypte. Behalve Israël, het speciale erfdeel van de HEERE, zal er in de zegeningen van het duizendjarig rijk ook een plaats zijn voor Egypte en Assyrië. Eertijds waren ze vijanden van het volk van God, maar dan zijn het voorbeelden voor de wereld, die uiteindelijk als geheel onderworpen zal zijn aan de Zoon des mensen (Genesis 22 vers 18).

Jesaja 20:1-6; Jesaja 21:1-10
1In het jaar, toen Tartan naar Asdod kwam, als hem Sargon, de koning van Assyrie gezonden had, toen hij krijg voerde tegen Asdod, en het innam;2Ter zelfder tijd sprak de HEERE, door den dienst van Jesaja, den zoon van Amoz, zeggende: Ga heen, en ontbind den zak van uw lendenen, en doe uw schoenen van uw voeten. En hij deed alzo, gaande naakt en barrevoets.3Toen zeide de HEERE: Gelijk als Mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren, tot een teken en wonder over Egypte en over Morenland;4Alzo zal de koning van Assyrie voortdrijven de gevangenen der Egyptenaren, en de Moren, die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets, en met blote billen, den Egyptenaren tot schaamte.5En zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Moren, op dewelke zij zagen, en van de Egyptenaars, hun roem.6En de inwoners van dit eiland zullen te dien dage zeggen: Ziet, alzo is het gegaan dien, op welken wij zagen, werwaarts wij henenvloden om hulp, om gered te worden van het aangezicht des konings van Assyrie; hoe zullen wij dan ontkomen?
1De last der woestijn aan de zee. Gelijk de wervelwinden in het zuiden henen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreselijk land.2Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouweloze handelt trouwelooslijk, en die verstoorder verstoort; trek op, o Elam! beleger ze, o Media! Ik heb al haar zuchting doen ophouden.3Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeen hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeen van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.4Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.5Bereid de tafel, zie toe, gij wachter! eet, drink; maakt u op, gij vorsten, bestrijkt het schild!6Want aldus heeft de Heere tot mij gezegd: Ga heen, zet een wachter, laat hem aanzeggen, wat hij ziet.7En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kemels; en hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking.8En hij riep: Een leeuw, Heere! ik sta op den wachttoren geduriglijk bij dag, en op mijn hoede zet ik mij ganse nachten.9En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zeide: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden harer goden heeft Hij verbroken tegen de aarde.10O mijn dorsing, en de tarwe mijns dorsvloers! wat ik gehoord heb van den HEERE der heirscharen, den God Israels, dat heb ik ulieden aangezegd.

Hoofdstuk 20 maakt de Godsspraak over Egypte compleet. Naakt en op blote voeten kondigt de profeet aan hoe de gevangenen uit Egypte en Ethiopië (Morenland) in een treurende stoet voorbij zullen trekken. De koning van Assyrië, een expert in het wegvoeren van volken, zal hen verbannen. Dan zal Israël (de bewoners van dit kustland) met schrik en ontzetting zien dat het tevergeefs was om bij het volk van Farao toevlucht te zoeken, om zo van de gevreesde Assyriër bevrijd te worden (Psalm 60 vers 13).

Hoofdstuk 21 begint met "de last der woestijn aan de zee". Het gaat het hier om Babel. (In Assyrië werd het zuiden van Babel, na de overstromingen door de Eufraat, 'land aan de zee' genoemd). Tijdens "de schemering", waar men naar verlangde (vers 4), hadden de Meden en de Perzen (Elam) al een eind gemaakt aan dit koninkrijk met z'n grote rijkdom (zie Daniël 5 vers 28 - 30). Deze profetie heeft echter ook een toekomstige toepassing, zoals die van hoofdstuk 13 (Lukas 21 vers 35).

In vers 6 wordt de profeet opgeroepen om een wachter op te stellen. Het was diens opdracht om aandachtig en zorgvuldig te luisteren en te roepen. In een leger bekleedt de wachter een vertrouwenspositie en hij draagt dan ook een grote verantwoordelijkheid. Hij heeft zich aan twee opdrachten te houden: waken en waarschuwen (zie Ezechiël 3 vers 17 en 18, en in tegenstelling daarmee Jesaja 56 vers 10).

Heeft niet iedere gelovige deze verantwoordelijkheid? Zijn wij trouw in het vervullen van onze opdrachten, zowel ten opzichte van de mensen van deze wereld als ten opzichte van onze broeders?

Jesaja 21:11-17; Jesaja 22:1-11
11De last van Duma. Men roept tot mij uit Seir: Wachter! wat is er van den nacht? Wachter! wat is er van den nacht?12De wachter zeide: De morgenstond is gekomen, en het is nog nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder, komt.13De last tegen Arabie. In het woud van Arabie zult gijlieden vernachten, o gij reizende gezelschappen van Dedanieten!14Komt den dorstige tegemoet met water; de inwoners des lands van Thema zijn den vluchtende met zijn brood bejegend.15Want zij vluchten voor de zwaarden, voor het uitgetrokken zwaard, en voor den gespannen boog, en voor de zwarigheid des krijgs.16Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Nog binnen een jaar, gelijk de jaren eens dagloners zijn, zo zal de heerlijkheid van Kedar ten ondergaan.17En het overgebleven getal der schutters, de helden der Kedarenen, zullen minder worden, want de HEERE, de God Israels, heeft het gesproken.
1De last van het dal des gezichts. Wat is u nu, dat gij altegader op de daken klimt?2Gij, die vol van groot gedruis waart, gij woelige stad, gij, vrolijk huppelende stad! Uw verslagenen zijn niet verslagen met het zwaard, noch gestorven in den strijd.3Al uw oversten zijn te zamen weggevlucht; zij zijn van de schutters gebonden, allen, die in u gevonden zijn, zijn samengebonden, zij zijn van verre gevloden.4Daarom zeg ik: Wendt het gezicht van mij af; laat mij bitterlijk wenen; dringt niet aan, om mij te troosten over de verstoring der dochteren mijns volks.5Want het is een dag van beroering, en van vertreding, en van verwarring van den Heere, den HEERE der heirscharen, in het dal des gezicht, een dag van ontmuring des muurs, en van geschreeuw naar het gebergte toe.6Want Elam heeft den pijlkoker genomen, de man is op den wagen, er zijn ruiters; en Kir ontbloot het schild.7En het zal geschieden, dat uw uitgelezen dalen vol wagenen zullen zijn, en dat de ruiters zich gewisselijk zullen zetten ter poorten aan.8En hij zal het deksel van Juda ontdekken; en te dien dage zult gij zien naar de wapenen in het huis des wouds.9En gijlieden zult bezien de reten der stad Davids, omdat zij vele zijn; en gij zult de wateren des ondersten vijvers vergaderen.10Gij zult ook de huizen van Jeruzalem tellen; en gij zult huizen afbreken, om de muren te bevestigen.11Ook zult gij een gracht maken tussen beide de muren, voor de wateren des ouden vijvers; maar gij zult niet opwaarts zien op Dien, Die zulks gedaan heeft, noch aanmerken Dien, Die dat van verre tijden geformeerd heeft.

Het was te verwachten dat ook Edom (hier Duma genoemd) op de lijst van de vijanden van Israël zou staan. De uitspraak over Duma is kort maar ernstig. De trouwe wachter, die volgens de aanwijzingen van God opgesteld was (hoofdstuk 21 vers 6), wordt door de spotters uit Seïr gevraagd: "Wachter! wat is er van de nacht?", dus "hoe ver is de nacht al gevorderd?" (vers 11; vergelijk 2 Petrus 3 vers 3 en 4). En het antwoord is even ernstig als indringend: "De morgenstond is gekomen...". De morgen komt voor hen die het verwachten (zie Romeinen 13 vers 12). "... en het is nog nacht", dat is de eeuwige nacht voor de verlorenen!

Christenen, laten we toch waakzame wachters zijn en ons bewust zijn van onze opdracht ten opzichte van zondaren en hen vermanen: "Keert weer, komt!" Laten we de dorstigen tegemoet gaan om hen water te brengen (vers 14).

Na de "last tegen Arabië", wiens heerlijkheid eveneens moet verdwijnen, richt hoofdstuk 22 zich tot "het dal van het gezicht". Deze keer kunnen we hierin Jeruzalem zelf herkennen, in haar toestand van ongeloof. Wat een tragische en aangrijpende beschrijving! De hele stad is in oproer; men verdringt zich op de daken om deze vernietiging bij te wonen. Waren niet alle te bedenken voorzorgsmaatregelen genomen (vers 8 - 11)? Jazeker, behalve één die het meest noodzakelijk was, namelijk te zien op Hem "Die zulks gedaan heeft", de HEERE hun God.

Jesaja 22:12-25
12En te dien dage zal de Heere, de HEERE der heirscharen, roepen tot geween, en tot rouwklage, en tot kaalheid, en tot omgording des zaks.13Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven.14Maar de HEERE der heirscharen heeft Zich voor mijn oren geopenbaard, zeggende: Indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt, totdat gij sterft! zegt de Heere, de HEERE der heirscharen.15Alzo zegt de Heere, de HEERE der heirscharen: Ga heen, ga in tot dien schatmeester, tot Sebna, den hofmeester, en spreek:16Wat hebt gij hier, of wien hebt gij hier, dat gij u hier een graf uitgehouwen hebt als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die een woning voor zich op een rotssteen laat aftekenen?17Zie, de HEERE zal u wegwerpen met een mannelijke wegwerping, en Hij zal u ganselijk overdekken.18Hij zal u gewisselijk voortrollen, gelijk men een bal rolt, in een land, wijd van begrip; aldaar zult gij sterven, en aldaar zullen uw heerlijke wagenen zijn, o gij schandvlek van het huis uws heren!19En Ik zal u afstoten van uw staat, en van uw stand zal Hij u verstoren.20En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Mijn knecht, Eljakim, den zoon van Hilkia, roepen zal.21En Ik zal hem met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal den inwoneren te Jeruzalem en den huize van Juda tot een vader zijn.22En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen.23En Ik zal hem als een nagel inslaan in een vaste plaats; en hij zal wezen tot een stoel der eer voor het huis zijns vaders.24En men zal aan hem hangen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, der uitspruitelingen en der afkomelingen, ook alle kleine vaten, van de vaten der bekers af, zelfs tot al de vaten der flessen.25Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zal die nagel, die aan een vaste plaats gestoken was, weggenomen worden; en hij zal afgehouwen worden, en hij zal vallen, en de last, die daaraan is, zal afgesneden worden; want de HEERE heeft het gesproken.

Als er een catastrofe dreigt te ontstaan, dan is de reactie van de mensen van deze wereld meestal dat ze zelf allerlei menselijke voorzorgsmaatregelen gaan nemen (zie vers 8 -11). Een andere instelling is echter nog erger: het zich volledig laten gaan. Hier roept God Israël door middel van een beproeving op, te wenen en zich te verootmoedigen. In zekere zin wordt hier het zingen van Klaagliederen, zoals we dat lezen in Mattheüs 11 vers 17, bedoeld. Maar helaas heeft het volk niet geweeklaagd, maar geeft het zich juist over aan "vreugde en blijdschap"! Deze zogenaamde materialistische filosofie kent ook in onze beangstigende eeuw talloze aanhangers! Als ons bestaan dan al zo kort is, zeggen deze dwazen, en wij een onafwendbare ramp tegemoet gaan, laten we dan tenminste deze ogenblikken nog zo plezierig mogelijk doorbrengen! Dit wordt in die korte zin samengevat: "Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven".

De apostel haalt deze tekst aan bij de Korinthiërs, als het ware om hen te zeggen: 'Als er dan toch geen opstanding bestaat, dan zouden we inderdaad als dieren kunnen leven en ons op dit moment, dat voorbij gaat, verheugen' (1 Korinthe 15 vers 32; Lukas 17 vers 27).

De verzen 15 en 25 zetten de ontrouwe beheerder, een beeld van de Antichrist, terzijde, waarna we vervolgens de zoon van David, Eljakim, zien opkomen (die naam betekent: 'hij die door God opgericht wordt'), een prachtig voorbeeld van de Heere Jezus (vers 22 - 24; vergelijk Openbaring 3 vers 7).

Jesaja 25:1-12
1HEERE! Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want Gij hebt wonder gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid.2Want Gij hebt van de stad een steenhoop gemaakt; de vaste stad tot een vervallen hoop; het paleis der vreemdelingen, dat het geen stad meer zij, in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.3Daarom zal U een machtig volk eren, de stad der tirannische volken zal U vrezen.4Want Gij zijt den arme een Sterkte geweest, een Sterkte den nooddruftige, als hem bange was; een Toevlucht tegen den vloed, een Schaduw tegen de hitte; want het blazen der tirannen is als een vloed tegen een wand.5Gelijk de hitte in een dorre plaats, zult Gij de onstuimigheid der vreemdelingen nederdrukken; gelijk de hitte door de schaduw ener dikke wolk, zal het gezang der tirannen vernederd worden.6En de HEERE der heirscharen zal op dezen berg allen volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen, die gezuiverd zijn.7En Hij zal op dezen berg verslinden het bewindsel des aangezichts, waarmede alle volken bewonden zijn, en het deksel, waarmede alle natien bedekt zijn.8Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen; en Hij zal de smaadheid Zijns volks van de ganse aarde wegnemen; want de HEERE heeft het gesproken.9En men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.10Want de hand des HEEREN zal op dezen berg rusten; maar Moab zal onder Hem verdorst worden, gelijk het stro verdorst wordt tot mest.11En Hij zal Zijn handen uitbreiden in het midden van hen, gelijk als een zwemmer die uitbreidt om te zwemmen, en Hij zal hun hoogmoed vernederen met de lagen hunner handen.12En Hij zal de hoge vesten uwer muren buigen, vernederen, ja, Hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken.

Tyrus, het bloeiende handelscentrum uit de oudheid, is in hoofdstuk 23 de laatste stad waartegen een 'last' wordt uitgesproken. In elke 'last' of 'Godspraak' hebben we de mensheid vanuit een ander zedelijke oogpunt bezien en gelezen over diens vervloeking.

In hoofdstuk 24 zien we hoe de apocalyptische oordelen, die een einde moeten maken aan de macht van de boze, over de aarde worden uitgegoten. Hierdoor wordt de aarde totaal verwoest.

In hoofdstuk 25 lezen we echter dat er zelfs te midden van zo'n ruïne nog een aangrijpend lofgezang weerklinkt: het 'arme' overblijfsel van Israël, dat op wonderbare wijze gespaard gebleven is voor deze verwoesting, roemt in hetgeen God voor hem in deze tijd van verdrukking geweest is. Nu is 'de zangtijd' aangebroken (Hooglied 2 vers 12 — vergelijk hoofdstuk 24 vers 14).

Vers 4 spreekt van de troost die al talloze gelovigen die door beproevingen gingen, ervaren hebben. Maar vers 8 laat ons een nog grotere macht zien: "Hij zal de dood verslinden tot overwinning". In 1 Korinthe 15 vers 54, waar dit vers aangehaald wordt, zien we de vervulling hiervan ten gunste van de gelovigen. Het kruis en de triomferende opstanding van de Overwinnaar van Golgotha staan tussen deze beide verzen in. Bij de opstanding van de onrechtvaardigen zal de dood definitief tenietgedaan worden (1 Korinthe 15 vers 26).

Jesaja 26:1-13; Jesaja 27:1-5
1Te dien dage zal dit lied gezongen worden in het land van Juda; Wij hebben een sterke stad, God stelt heil tot muren en voorschansen.2Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart.3Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd.4Vertrouwt op den HEERE tot in der eeuwigheid; want in den Heere HEERE is een eeuwige rotssteen.5Want Hij buigt de hooggezetenen neder, de verheven stad; Hij vernedert ze, Hij vernedert ze tot de aarde toe, Hij doet ze tot aan het stof reiken.6De voet zal ze vertreden, de voeten des ellendigen, de treden der armen.7Het pad des rechtvaardigen is geheel effen, den gang des rechtvaardigen weegt Gij recht.8Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel.9Met mijn ziel heb ik U begeerd in den nacht, ook zal ik met mijn geest, die in het binnenste van mij is, U vroeg zoeken; want wanneer Uw gerichten op de aarde zijn, zo leren de inwoners der wereld gerechtigheid.10Wordt den goddeloze genade bewezen, hij leert evenwel geen gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gans richtig land, en hij ziet de hoogheid des HEEREN niet aan.11HEERE! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege den ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren.12HEERE! Gij zult ons vrede bestellen, want Gij hebt ons ook al onze zaken uitgericht.13HEERE, onze God! andere heren, behalve Gij, hebben over ons geheerst; doch door U alleen gedenken wij Uws Naams.
1Te dien dage zal de HEERE met Zijn hard, en groot, en sterk zwaard bezoeken den Leviathan, de langwemelende slang, ja, den Leviathan, de kromme slomme slang; en Hij zal den draak, die in de zee is, doden.2Te dien dage zal er een wijngaard van roden wijn zijn; zingt van denzelven bij beurte.3Ik, de HEERE, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.4Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou?5Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.

De hoofdstukken 1-12, die het gericht over Israël als onderwerp hebben, werden afgesloten met een heerlijk beeld van het duizendjarig rijk. Het tweede deel van het Boek Jesaja (hoofdstuk 13 - 27), dat over de tuchtiging van de volken gaat, wordt op dezelfde manier afgesloten. Er wordt een lied gezongen, en we doen er goed aan een aantal verzen dik te onderstrepen.

De verzen 3 en 4 van hoofdstuk 26 hebben al vele generaties lang de kinderen van God gesterkt (vergelijk Psalm 16 vers 1).

In de verzen 8 en 9 wordt het smekende zuchten van de gelovigen tot uitdrukking gebracht.

Vers 13 herinnert aan de slavenkettingen van vroeger. Ja, wij kennen ze maar al te goed, die "andere heren": satan, de wereld en onze begeerten. Ze hebben over ons geheerst, totdat wij bevrijd werden door de Heere, Die wij nu toebehoren (2 Kronieken 12 vers 8)!

In hoofdstuk 27 wordt de Leviathan, een beeld van de duivel (de oude slang), onschadelijk gemaakt (Psalm 74 vers 14; Openbaring 20 vers 1- 3).

Vervolgens wordt Israël vergeleken met een wijngaard (vergelijk hoofdstuk 5). Deze keer bestaat de opbrengst niet meer uit wilde druiven, maar uit de zuivere wijn van ongestoorde vreugde. En het hele aardoppervlak wordt vervuld met vruchten, tot verheerlijking van God, want nu zijn het niet meer de slechte wijngaardeniers die voor haar zorgen. Nee, de HEERE Zelf behoedt haar dag en nacht!

Jesaja 28:1-22
1Wee de hovaardige kroon der dronkenen van Efraim, welker heerlijk sieraad is een afvallende bloem, die daar is op het hoofd der zeer vette vallei, der geslagenen van den wijn.2Ziet, de Heere heeft een sterke en machtige, er is gelijk een hagelvloed, een poort des verderfs; gelijk een vloed der sterke wateren; die overvloeien, zal Hij ze ter aarde nederwerpen met de hand.3De hovaardige kronen der dronkenen van Efraim zullen met voeten vertreden worden.4En de afvallende bloem zijns heerlijken sieraads, die op het hoofd der zeer vette vallei is, zal zijn gelijk een vroegrijpe vrucht voor den zomer, welke, wanneer ze iemand ziet, terwijl zij nog in zijn hand is, slokt hij ze op.5Te dien dage zal de HEERE der heirscharen tot een heerlijke Kroon en tot een sierlijken Krans zijn den overgeblevenen Zijns volks.6En tot een Geest des oordeels dien, die ten oordeel zit, en tot een sterkte dengenen, die den strijd afkeren tot de poort toe.7En ook dwalen dezen van den wijn, en zij dolen van den sterken drank; de priester en de profeet dwalen van den sterken drank; zij zijn verslonden van den wijn, zij dolen van sterken drank; zij dwalen in het gezicht; zij waggelen in het gericht.8Want alle tafels zijn vol van uitspuwsel en van drek, zodat er geen plaats schoon is.9Wien zou Hij dan de kennis leren, en wien zou Hij het gehoorde te verstaan geven? Den gespeenden van de melk, den afgetrokkenen van de borsten?10Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig.11Daarom zal Hij door belachelijke lippen, en door een andere tong tot dit volk spreken;12Tot dewelken Hij gezegd heeft: Dit is de rust, geeft den moeden rust, en dit is de verkwikking; doch zij hebben niet willen horen.13Zo zal hun het woord des HEEREN zijn; gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig; opdat zij heengaan, en achterwaarts vallen, en verbreken, en verstrikt en gevangen worden.14Daarom, hoort des HEEREN woord, gij bespotters, gij heersers over dit volk, dat te Jeruzalem is!15Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.16Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik leg een grondsteen in Sion, een beproefden steen, een kostelijken hoeksteen, die wel vast gegrondvest is; wie gelooft, die zal niet haasten.17En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht der leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen.18En ulieder verbond met den dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met de hel zal niet bestaan; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van denzelven vertreden worden.19Van den tijd af, als hij doortrekt, zal hij ulieden wegnemen, want allen morgen zal hij doortrekken, bij dag en bij nacht; en het zal geschieden, dat het gerucht te verstaan, enkel beroering wezen zal.20Want het bed zal korter zijn, dan dat men zich daarop uitstrekken kunne; en het deksel zal te smal wezen, als men zich daaronder voegt.21Want de HEERE zal Zich opmaken, gelijk op den berg Perazim, Hij zal beroerd zijn, gelijk in het dal van Gibeon, om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen, Zijn daad zal vreemd zijn!22Nu dan, drijft den spot niet, opdat uw banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van den Heere HEERE der heirscharen gehoord een verdelging, ja, een, die vast besloten is over het ganse land.

Met hoofdstuk 28 begint het derde deel van het Boek Jesaja. Dit brengt ons terug bij de inneming van Efraïm (de tien stammen) en vervolgens die van Juda door de gevreesde profetische Assyriër; nu wordt er op de details ingegaan. De hoogmoed zal als een roes werken, om het ongelukkige joodse volk te misleiden. Men meent voldoende beschermd te zijn, doordat er een verbond met de dood gesloten is (dat wil zeggen met het hoofd van het Romeinse rijk), maar juist dat zal hun ondergang zijn. Als een wervelstorm zal de Assyriër Jeruzalem verwoesten. De God van Israël zal deze "overvloeiende gesel" gebruiken "om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen", het oordeel. Dit werk is Hem 'vreemd', want Zijn 'gewone werk' is juist te redden en te zegenen (Johannes 3 vers 17).

De ineenstorting van alle menselijke waarden en steunpilaren biedt God echter de gelegenheid om de "kostbare Hoeksteen", Die Hij in Sion gelegd heeft, te openbaren. Dat Hij Hem met liefde beziet, blijkt uit de manier waarop God aandacht besteedt en als het ware de nadruk legt op elke uitdrukking waarmee deze Steen omschreven wordt. Een "grondsteen..., een beproefde steen, een kostbare hoeksteen, die wel vast gegrondvest is" (vers 16).

Ja, deze Steen is een beeld van Christus, Die "door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren" is. En Hij heeft ook voor ons als gelovigen een onnoemelijk grote waarde en is ons dierbaar (lees 1 Petrus 2 vers 4, 6 en 7)! En werkelijk, de Heere Jezus is voor iedereen letterlijk de Toetssteen. Is Hij kostbaar voor onze harten of niet?

Jesaja 29:1-24
1Wee Ariel, Ariel! de stad, waarin David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar; laat ze feestofferen slachten.2Evenwel zal Ik Ariel beangstigen, en er zal treuring en droefheid wezen, en die stad zal Mij gelijk Ariel zijn.3Want Ik zal een leger in het rond om u slaan, en Ik zal u belegeren met bolwerken, en Ik zal vestingen tegen u opwerpen.4Dan zult gij vernederd worden, gij zult uit de aarde spreken, en uw spraak zal uit het stof zachtjes voortkomen; en uw stem zal zijn uit de aarde als van een tovenaar, en uw spraak zal uit het stof piepen.5En de menigte uwer vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte der tirannen als voorbijvliegend kaf; en het zal in een ogenblik haastelijk geschieden.6Gij zult van den HEERE der heirscharen bezocht worden met donder, en met aardbeving, en groot geluid, met wervelwind, en onweder, en de vlam eens verterenden vuurs.7En gelijk de droom van een nachtgezicht is, alzo zal de veelheid aller heidenen zijn, die tegen Ariel strijden zullen; zelfs allen, die tegen haar en haar vestingen strijden, en haar beangstigen zullen.8Het zal alzo zijn, gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zo is zijn ziel ledig; of, gelijk als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, ziet, zo is hij nog mat, en zijn ziel is begerig; alzo zal de menigte aller heidenen zijn, die tegen den berg Sion krijgen.9Zij vertoeven, daarom verwondert u; zij zijn vrolijk, derhalve roept gijlieden; zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet van sterken drank.10Want de HEERE heeft over ulieden uitgegoten een geest des diepen slaaps, en Hij heeft uw ogen toegesloten; de profeten, en uw hoofden, en de zieners heeft Hij verblind.11Daarom is ulieden alle gezicht geworden als de woorden van een verzegeld boek, hetwelk men geeft aan een, die lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld.12Of men geeft het boek aan een, die niet lezen kan, zeggende: Lees toch dit; en hij zegt: Ik kan niet lezen.13Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmede zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;14Daarom, ziet, Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijner wijzen zal vergaan, en het verstand zijner verstandigen zal zich verbergen.15Wee dengenen, die zich diep versteken willen voor den HEERE, hun raad verbergende; en welker werken in duisterheid geschieden, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons?16Ulieder omkeren is, alsof de pottenbakker geacht werd als leem, dat het maaksel zeide van zijn maker: Hij heeft mij niet gemaakt; en het geformeerde vat van zijn pottenbakker zeide: Hij verstaat het niet.17Is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld voor een woud geacht zal worden?18En te dien dage zullen de doven horen de woorden des Boeks; en de ogen der blinden, zijnde uit de donkerheid en uit de duisternis, zullen zien.19En de zachtmoedigen zullen vreugde op vreugde hebben in den HEERE; en de behoeftigen onder de mensen zullen zich in de Heilige Israels verheugen.20Wanneer de tiran een einde zal hebben, en dat het met den bespotter uit zal zijn, en dat allen, die tot ongerechtigheid waken, uitgeroeid zullen zijn;21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.22Daarom zegt de HEERE, Die Abraham verlost heeft, tot het huis van Jakob alzo: Jakob zal nu niet meer beschaamd worden, en nu zal zijn aangezicht niet meer bleek worden;23Want als hij zijn kinderen, het werk Mijner handen, zien zal in het midden van hen, zullen zij Mijn Naam heiligen; en zij zullen den Heilige Jakobs heiligen, en den God van Israel vrezen.24En die dwalende van geest zijn, zullen tot verstand komen, en de murmureerders zullen de lering aannemen.

Na de overval in hoofdstuk 28 is de kwestie met Jeruzalem echter nog niet ten einde (zie hoofdstuk 40 vers 2). Het krijgt een nieuwe aanval te verduren en wel van de kant van een vreselijke volkerenbond. Deze keer zullen de vijanden echter als in een droom verdwijnen, omdat ze het gewaagd hebben zich aan "Ariër (de leeuw van God), de stad van de ware David, te vergrijpen. Tegelijkertijd met de bevrijding zal God een ander werk, dat Hem waardig is, volbrengen: het werk in het geweten van Zijn volk (vers 18 - 24).

De verstopte oren en gesloten ogen (volgens de profetie in hoofdstuk 6 vers 10) zullen geopend worden. Er zal weer inzicht zijn en de woorden van het Boek, Dat voordien verzegeld was (vers 11), zullen dan wel begrepen en aangenomen worden. Het is goed om er bij deze gelegenheid aan te herinneren dat de Bijbel ook nu een gesloten Boek is voor het natuurlijk verstand. Je hebt de Heilige Geest nodig om het Woord van God te kunnen begrijpen.

De Heere haalt vers 13 aan als Hij in gesprek is met de Schriftgeleerden en Farizeeën. Daarmee beschrijft Hij hun toestand (Mattheüs 15 vers 7 - 9). De Heere eren met de lippen, terwijl het hart ver van Hem verwijderd is, is een toestand waarin ook wij ons kunnen bevinden als wij onszelf niet oordelen. Bij anderen kunnen we ons met deze vorm van huichelarij misschien nog vromer voordoen dan we in werkelijkheid zijn, maar Hem Die onze harten door en door kent, kunnen we niets wijsmaken (Ezechiël 33 vers 31 en 32)!

Jesaja 30:15-21; Jesaja 31:4-9
15Want alzo zegt de Heere HEERE, de Heilige Israels: Door wederkering en rust zoudt gijlieden behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn; doch gij hebt niet gewild.16En gij zegt: Neen, maar op paarden zullen wij vlieden; daarom zult gij vlieden! En: Op snelle paarden zullen wij rijden; daarom zullen uw vervolgers ook snel zijn!17Een duizend van het schelden van een enige, van het schelden van vijf zult gij allen vlieden; totdat gij overgelaten wordt, gelijk een mast op den top van een berg, en als een banier op een heuvel.18En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme, want de HEERE is een God des gerichts; welgelukzalig zijn die allen, die Hem verwachten.19Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem; gij zult ganselijk niet wenen; gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem uws geroeps; zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden.20De Heere zal ulieden wel brood der benauwdheid, en wateren der verdrukking geven; maar uw leraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen, maar uw ogen zullen uw leraars zien;21En uw oren zullen horen het woord desgenen, die achter u is, zeggende: Dit is de weg, wandelt in denzelven; als gij zoudt afwijken ter rechterhand of ter linkerhand.
4Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Gelijk als een leeuw, en een jonge leeuw over zijn roof brult, wanneer schoon een volle menigte der herderen samengeroepen wordt tegen hem, verschrikt hij voor hun stem niet, en vernedert zich niet vanwege hun veelheid; alzo zal de HEERE der heirscharen nederdalen, om te strijden voor den berg Sions en voor haar heuvel.5Gelijk vliegende vogelen, alzo zal de HEERE der heirscharen Jeruzalem beschutten, beschuttende zal Hij haar ook verlossen, doorgaande zal Hij haar ook uithelpen.6Bekeert u tot Hem, van Denwelken de kinderen Israels diep afgeweken zijn.7Want te dien dage zullen zij verwerpen, een ieder zijn zilveren afgoden en zijn gouden afgoden, welke u uw handen tot zonde gemaakt hadden;8En Assur zal vallen door het zwaard, niet eens mans, en het zwaard, niet eens mensen, zal hem verteren; en hij zal voor het zwaard vlieden, en zijn jongelingen zullen versmelten.9En hij zal van vreze doorgaan naar zijn rotssteen, en zijn vorsten zullen voor de banier verschrikken, spreekt de HEERE, die te Sion vuur, en te Jeruzalem een oven heeft.

De hoofdstukken 30 en 31 roepen een tweevoudig "wee" uit over het opstandige volk, omdat het in Egypte hulp gezocht heeft.

We kunnen het nooit te vaak herhalen, zoals het Woord van God ook duidelijk aangeeft, dat het vertrouwen op mensen een dwaasheid is. In feite kun je voor jezelf en anderen niets slechters bedenken! We mogen gerust zeggen dat zoiets niets anders dan ongeloof is, want God heeft al aan het begin van dit Boek gezegd dat de mens niets is (hoofdstuk 2 vers 22). En bovendien is het een belediging van God, een minachting van Zijn macht en Zijn liefde. Alsof Hij niet in staat zou zijn om ons te bewaren en het voor Hem juist geen vreugde zou zijn om dát te doen!

De weg tot bevrijding en kracht wordt ons in het prachtige vers 15 van hoofdstuk 30 getoond: omkeren tot de Heere, in plaats van naar de wereld (Egypte) te gaan. Bovendien is "stilheid" en "vertrouwen" noodzakelijk om de leiding van de Heere te kunnen waarnemen. "En uw oren (dat is persoonlijk) zullen horen het woord van Hem, Die achter u is, zeggende: "Dit is de weg, wandelt daarin; als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhand" (vers 21). Hoe vaak zijn we al niet van de weg afgeweken, eenvoudig omdat we verzuimd hebben opmerkzaam en met ons hele hart naar deze trouwe en o zo bekende stem te luisteren (Spreuken 5 vers 13 en 14)!

Jesaja 32:1-8; Jesaja 33:17-24
1Ziet, een koning zal regeren in gerechtigheid, en de vorsten zullen heersen naar recht.2En die man zal zijn als een verberging tegen den wind, en een schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zwaren rotssteen in een dorstig land.3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.4En het hart der onbedachtzamen zal de wetenschap verstaan, en de tong der stamelenden zal vaardig zijn, om bescheidenlijk te spreken.5De dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en de gierige zal niet meer mild geheten worden.6Want een dwaas spreekt dwaasheid, en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen, en om dwaling te spreken tegen den HEERE, om de ziel des hongerigen ledig te laten, en den dorstige drank te doen ontbreken.7En eens gierigaards ganse gereedschap is kwaad; hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt.8Maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden, en staat op milddadigheden.
17Uw ogen zullen den Koning zien in Zijn schoonheid; zij zullen een ver gelegen land zien.18Uw hart zal de verschrikking overdenken, zeggende: Waar is de schrijver? Waar is de betaalsheer? Waar is hij, die de torens telt?19Gij zult niet meer dat stuurse volk zien, het volk, dat zo diep van spraak is, dat men het niet horen kan, van belachelijke tong, hetwelk men niet verstaan kan.20Schouwt Sion aan, de stad onzer bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een geruste woonplaats, een tent, die niet ter neder geworpen zal worden, welker pinnen in der eeuwigheid niet zullen uitgetogen worden, en van welker zelen geen verscheurd worden.21Maar de HEERE zal aldaar bij ons heerlijk zijn, het zal zijn een plaats van rivieren, van wijde stromen; geen roeischuit zal daar doorvaren, en geen treffelijk schip zal daar overvaren.22Want de HEERE is onze Rechter, de HEERE is onze Wetgever, de HEERE is onze Koning. Hij zal ons behouden.23Uw touwen zijn slap geworden, zij zullen hun mastboom niet kunnen recht stijf houden, zij zullen het zeil niet uitspannen; dan zal de roof van een overvloedigen buit uitgedeeld worden, zelfs zullen de lammen den roof roven.24En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.

We mogen in deze hoofdstukken geen chronologische volgorde verwachten van de dingen die in de toekomst staan te gebeuren. Hier wordt ons veel meer een beschrijving gegeven van afzonderlijke gebeurtenissen in het profetische gebeuren. Als we opmerkzaam lezen, dan valt het op dat één en dezelfde gebeurtenis meerdere keren vanuit verschillende gezichtspunten, hetzij afzonderlijk of groepsgewijs, bezien wordt. Zo kunnen we bijvoorbeeld in de hoofdstukken 32 en 33 voor de derde keer die stralende morgen van het duizendjarig rijk bewonderen.

Na de vreselijke vernietiging van de Assyriër en de valse koning of Antichrist (hoofdstuk 30 vers 31 - 33), zal er plaats gemaakt worden voor de ware Koning. Dat is Christus, Die in gerechtigheid regeren zal. Juist op deze gerechtigheid wordt hier de nadruk gelegd (hoofdstuk 32 vers 16 en 17; hoofdstuk 33 vers 5 en 15).

Daarna zullen de ontkomenen van het volk met ogen "die zien" (hoofdstuk 32 vers 3), "de Koning zien in Zijn schoonheid". Bovendien zullen ze in Hem een "Man" vinden, Die voor hen bescherming, rust en tot leven voor hun ziel zal zijn (hoofdstuk 32 vers 2).

Wat zijn deze beloften, die aan Israël gericht zijn, toch kostbaar, ook voor onze harten, geliefde kinderen van God! Wij leven immers in diezelfde onrechtvaardige wereld. En wij mogen deze Zelfde Heere verwachten; Hij Die "veel schoner dan de mensenkinderen" is (Psalm 45 vers 3)!

Jesaja 34:9-17; Jesaja 35:1-10
9En hun beken zullen in pek verkeerd worden, en hun stof in zwavel; ja, hun aarde zal tot brandend pek worden.10Het zal des nachts of des daags niet uitgeblust worden, tot in der eeuwigheid zal zijn rook opgaan; van geslacht tot geslacht zal het woest zijn, tot in eeuwigheid der eeuwigheden zal niemand daar doorgaan.11Maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten, en de schuifuit, en de raaf zal daarin wonen; want Hij zal een richtsnoer der woestigheid over hen trekken, en een richtlood der ledigheid.12Hun edelen (doch zij zijn er niet) zullen zij tot het koninkrijk roepen, maar al hun vorsten zullen niets zijn.13En in hun paleizen zullen doornen opgaan, netelen en distelen in hun vestingen; en het zal een woning der draken zijn, een zaal voor de jongen der struisen.14En de wilde dieren der woestijnen zullen de wilde dieren der eilanden daar ontmoeten, en de duivel zal zijn metgezel toeroepen; ook zal het nachtgedierte zich aldaar nederzetten, en het zal een rustplaats voor zich vinden.15Daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en haar jongen uitbikken, en onder haar schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkaar verzameld worden.16Zoekt in het boek des HEEREN, en leest; niet een van dezen zal er feilen, het een noch het ander zal men missen; want mijn mond zelf heeft het geboden, en Zijn Geest Zelf zal ze samenbrengen.17Want Hij Zelf heeft voor hen het lot geworpen, en Zijn hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer; tot in der eeuwigheid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslacht tot geslacht zullen zij daarin wonen.
1De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vrolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen, en zal bloeien als een roos.2Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraard van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des HEEREN, het sieraad onzes Gods.3Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieen vast.4Zegt den onbedachtzamen van harte: Weest sterk, en vreest niet; ziet, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods. Hij zal komen en ulieden verlossen.5Alsdan zullen der blinden ogen opengedaan worden, en der doven oren zullen geopend worden.6Alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis.7En het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren; in de woningen der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn.8En aldaar zal een verheven baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; de onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal voor deze zijn; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen.9Er zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch aldaar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen.10En de vrijgekochten des HEEREN zullen wederkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden.

Hoofdstuk 34 heeft betrekking op het oordeel over Edom, het vervloekte volk dat van Ezau afstamt. Het zal totaal verwoest worden en hun land, het gebergte Seïr, zal voor altijd en eeuwig tot een woestenij zijn. Moderne predikers wagen het soms te zeggen dat God in Zijn liefde niemand kan vervloeken, maar een passage als deze weerlegt deze gedachte op een ernstige wijze voor eens en altijd.

In tegenstelling hiermee geeft hoofdstuk 35 ons een kort overzicht wat er van de erfgenaam Israël (de broer van Ezau) worden zal. Zelfs de woestijn zal daar tot een prachtige tuin worden, waar "de heerlijkheid des HEEREN, het sieraad van onze God" ongehinderd zal stralen (vers 2). Vandaar ook dat het gejubel en de vreugde zo uitdrukkelijk naar voren komen in dit korte hoofdstuk. Is zo'n vooruitzicht niet in staat om de terneergeslagen harten weer moed in te spreken? (vers 3).

En de eenmalige christelijke hoop die wij hebben, geeft ons nog veel meer reden om te juichen! Ons heerlijk vooruitzicht is immers de komst van de Heere om Zijn Gemeente op te halen. Laten we dat toch nooit uit het oog verliezen en er veel met andere gelovigen over praten! Er is niets waardoor onze slappe handen meer versterkt en onze knikkende knieën meer verstevigd worden. Met andere woorden: er is niets wat ons beter kan bemoedigen in de dienst voor Hem, in het gebed en in een onberispelijke wandel (vers 3; vergelijk Hebreeën 12 vers 12). "Zo dan, vertroost elkander met deze woorden" (1 Thessalonicenzen 4 vers 18).

Jesaja 36:1-10, 22; Jesaja 37:1-4
1En het geschiedde in het veertiende jaar van den koning Hizkia, dat Sanherib, de koning van Assyrie, optoog tegen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.2En de koning van Assyrie zond Rabsake van Lachis naar Jeruzalem tot den koning Hizkia, met een zwaar heir; en hij stond aan den watergang des oppersten vijvers, aan den hogen weg van het veld des vollers.3Toen ging tot hem uit Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier.4En Rabsake zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrie: Wat vertrouwen is dit, waarmede gij vertrouwt;5Ik mocht zeggen (doch het is een woord der lippen): Er is raad en macht tot den oorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?6Zie, gij vertrouwt op dien gebrokenen rietstaf, op Egypte; op denwelken zo iemand leunt, zo zal hij in zijn hand gaan en die doorboren; alzo is Farao, de koning van Egypte, al dengenen, die op hem vertrouwen.7Maar zo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den HEERE, onzen God; is Hij Die niet, Wiens hoogten en Wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en Die tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u nederbuigen?8Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrie; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.9Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een enigen vorst, van de geringste knechten mijns heren, afkeren? Maar gij vertrouwt op Egypte, om de wagenen en om de ruiteren.10En nu ben ik zonder den HEERE opgetogen tegen dit land, om dat te verderven. De HEERE heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land, en verderf het.
22Toen kwam Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, en Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, tot Hizkia met gescheurde klederen; en zij gaven hem de woorden van Rabsake te kennen.
1En het geschiedde, als de koning Hizkia dat hoorde, zo scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak, en ging in het huis des HEEREN.2Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja, den profeet, den zoon van Amoz;3En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkia: Deze dag is een dag der benauwdheid, en der schelding, en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren.4Misschien zal de HEERE, uw God, horen de woorden van Rabsake, denwelken zijn heer, de koning van Assyrie, gezonden heeft, om den levenden God te honen, en te schelden met woorden, die de HEERE, uw God, gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel, dat gevonden wordt.

De hoofstukken 36 - 39 vormen een geschiedkundig gedeelte dat als het ware ingelast is tussen de beide grote profetische gedeelten van het Boek Jesaja. Het gaat hier om een bericht dat wij ook kennen uit 2 Koningen 18 vers 13 - 21 en 2 Kronieken 32. God brengt dit gedeelte voor de derde keer onder onze aandacht, als een levendige illustratie van het vertrouwen in Hem enerzijds en anderzijds om Zijn barmhartig antwoorden op dit vertrouwen te tonen.

Geheel onverwacht verschijnt er hier in dit Boek die prachtige geschiedenis van Hizkia, een gebeurtenis die moet bewerken dat de slappe handen versterkt en de knikkende knieën verstevigd worden (hoofdstuk 35 vers 3). Uiteindelijk is het een beeld van de situatie waarin het gelovig overblijfsel van Israël zich bij de overval van de Assyriërs zal bevinden.

De vijand, die tot nu toe zoveel overwinningen behaalde, verschijnt "aan de watergang van de bovenste vijver, aan de hoge weg van het veld des vollers". Dat is dezelfde plaats waar de profeet en zijn zoon Schear-Jaschub bij de overval van Rezin naar toe gestuurd werden met een boodschap van genade voor Achaz (hoofdstuk 7 vers 3 en 4). Met het oog op de uitdaging van deze nieuwe vijand mag ook Hizkia denken aan de belofte die zijn vader toen op die plaats ontving: "Wacht u, en wees gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week..."

Jesaja 37:5-20
5En de knechten van den koning Hizkia kwamen tot Jesaja.6En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gijlieden tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet voor de woorden, die gij gehoord hebt, waarmede Mij de dienaars des konings van Assyrie gelasterd hebben.7Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en Ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.8Zo kwam Rabsake weder, en hij vond den koning van Assyrie strijdende tegen Libna; want hij had gehoord, dat hij van Lachis vertrokken was.9Als hij nu hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen, om tegen u te strijden; toen hij zulks hoorde, zo zond hij weder boden tot Hizkia, zeggende:10Zo zult gijlieden spreken tot Hizkia, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrie niet gegeven worden.11Zie, gij hebt gehoord, wat de koningen van Assyrie aan alle landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?12Hebben de goden der volken die mijn vaders verdorven hebben, dezelven gered, als Gozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden, die in Telasser waren?13Waar is de koning van Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarvaim, Hena en Ivva?14Als nu Hizkia de brieven uit der boden hand ontvangen, en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN; en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.15En Hizkia bad tot den HEERE, zeggende:16O HEERE der heirscharen, Gij, God van Israel, Die tussen de cherubim woont! Gij Zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde; Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt!17O HEERE! neig Uw oor en hoor, HEERE! doe Uw ogen open, en zie; en hoor al de woorden van Sanherib, die gezonden heeft om den levenden God te honen.18Waarlijk, HEERE! hebben de koningen van Assyrie al de landen, mitsgaders derzelver landerijen verwoest;19En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.20Nu dan, HEERE, onze God, verlos ons uit zijn hand, zo zullen alle koninkrijken der aarde weten, dat Gij alleen de HEERE zijt.

De knechten van Hizkia hebben hun koning gehoorzaamd en de vijand geen antwoord gegeven. In getrouwheid brengen ze hem daarna de woorden van de aanvaller over (hoofdstuk 36 vers 21 en 22). Dan voeren ze bij Jesaja de opdracht uit die ze ontvangen hebben en brengen daarmee de Spreuk, die ze voor zichzelf goed onthouden hebben, in praktijk (Spreuken 25 vers 1 en 13). Laten we erop letten dat ze aangevoerd worden door Eljakim, de zoon van Hilkia. Deze Eljakim is de getrouwe, door God aangestelde beheerder, die een beeld is van de Heere Jezus (hoofdstuk 22 vers 20).

Hizkia werd door het eerste antwoord van de profeet gerustgesteld. Nu krijgt hij echter van de koning van Assyrië een brief die een dreigement voor hemzelf, alsook een verachting van de God van Israël inhoudt. In het bewustzijn van zijn eigen machteloosheid, maar er ook goed van doordrongen dat de God van Israël hier beledigd wordt, gaat de koning weer naar de tempel en legt deze aanmatigende brief voor Gods aangezicht neer. Deze keer neemt hij geen genoegen met een gebed van Jesaja (vers 4). Hij richt zich nu persoonlijk tot de HEERE. Let er dan eens goed op wat hij zegt! Hij spreekt niet over zichzelf, noch over zijn volk. Nee, het belangrijkste voor Hizkia is de eer van Hem, "Die tussen de cherubs woont". De "goden der volken", die door Assyrië overwonnen werden, mochten absoluut niet met "de God van alle koninkrijken der aarde" verward worden (vers 12 en 16 — vergelijk ook vers 17 met Psalm 74 vers 10 en 18)!

Jesaja 37:21-38
21Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, om te zeggen: Alzo zegt de HEERE, de God Israels: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrie, heb Ik gehoord.22Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u.23Wien hebt gij gehoond, en gij gelasterd, en tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israels!24Door middel uwer dienstknechten hebt gij den HEERE gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogte der bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen tot zijn uiterste hoogte, in het woud zijns schonen velds.25Ik heb gegraven en de wateren gedronken; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.26Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb, en dat van de oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.27Daarom waren haar inwoners handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des velds en de groene grasscheutjes, als het hooi der daken, en het brandkoren, eer het overeind staat.28Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.29Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik Mijn haak in uw neus leggen, en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg, door denwelken gij gekomen zijt.30En dat zij u een teken, dat men in dit jaar, wat van zelf gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.31Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en het zal opwaarts vrucht dragen.32Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den berg Sion; de ijver des HEEREN der heirscharen zal dit doen.33Daarom, zo zegt de HEERE van den koning van Assyrie: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; ook zal hij met geen schild daarvoor komen, en zal geen wal daartegen opwerpen.34Door den weg, dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.35Want Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen, om Mijnentwil, en om Davids, Mijns knechts wil.36Toen voer de engel des HEEREN uit, en sloeg in het leger van Assyrie honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, ziet, die allen waren dode lichamen.37Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrie, en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Nineve.38Het geschiedde nu, als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adramelech en Sarezer, zijn zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.

Hizkia heeft vers 15 van hoofdstuk 30 in praktijk gebracht: "In stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn". En hij is hierin niet beschaamd. Met zijn geloof heeft hij de HEERE vereerd en als antwoord daarop eert God zijn geloof. God is vandaag nog Dezelfde (Psalm 102 vers 28). Ook al is het geloof bij ons misschien nog zo zwak, God kan niet anders dan hierop antwoorden, want dat dient tot Zijn eigen verheerlijking.

Hizkia gaf deze aangelegenheid als het ware uit handen en God nam het op Zich om Zelf op de brief van de koning van Assyrië te antwoorden. Dat gebeurde op een manier die deze koning zelf niet had kunnen bedenken. Bij hem leefde de gedachte dat de God van Israël niet in staat was om Jeruzalem te redden (hoofdstuk 36 vers 20). En nu? Eén enkele engel van deze, door hem zo verachte, God was voldoende om honderdvijfentachtigduizend man van zijn leger te verslaan! Daarna keert Sanherib, die ertoe gedwongen werd zijn veldtocht op te geven, met schande beladen en vol ergernis terug naar Ninevé. Vervolgens wordt hij ook zelf neergeveld en wel door het zwaard van z'n eigen zonen. Wat een tegenstelling tussen deze trotse en hoogmoedige veroveraar, die in de tempel van zijn eigen goden zijn einde vindt, en de ootmoedige koning van Juda, die zich gehuld in zakken in het huis van zijn God bevindt om daar bevrijding te ontvangen (zie Psalm 118 vers 5)!

Laten we de genade van God bewonderen, Die aan deze uitredding bovendien nog een teken toevoegt. Hij kent de behoeften van de Zijnen en belooft voor hun onderhoud te zullen zorgen (vers 30; Mattheus 6 vers 31 - 33).

Jesaja 38:1-16
1In die dagen werd Hizkia krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Alzo zegt de HEERE: Geef bevel aan uw huis; want gij zult sterven, en niet leven.2Toen keerde Hizkia zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den HEERE.3En hij zeide: Och HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb. En Hizkia weende gans zeer.4Toen geschiedde het woord des HEEREN tot Jesaja, zeggende:5Ga henen, en zeg tot Hizkia: Zo zegt de HEERE, de God van uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien; zie, Ik zal vijftien jaren tot uw dagen toedoen;6En Ik zal u uit de hand des konings van Assyrie verlossen, mitsgaders deze stad; en Ik zal deze stad beschermen.7En dit zal u een teken zijn van den HEERE, dat de HEERE het woord, dat Hij gesproken heeft, doen zal:8Zie, Ik zal de schaduw der graden, die met de zon in de graden van Achaz' zonnewijzer nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doen keren. Dies is de zon tien graden teruggekeerd, in de graden, die zij nederwaarts gegaan was.9Dit is het schrift van Hizkia, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was.10Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.11Ik zeide: Ik zal den HEERE niet meer zien, den HEERE, in het land der levenden; ik zal de mensen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld.12Mijn levenstijd is weggetogen, en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut; ik heb mijn leven afgesneden, gelijk een wever zijn web; Hij zal mij afsnijden, als van den drom; van den dag tot den nacht zult Gij mij ten einde gebracht hebben.13Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe; gelijk een leeuw, alzo zal Hij al mijn beenderen breken; van den dag tot den nacht, zult Gij mij ten einde gebracht hebben.14Gelijk een kraan of zwaluw, alzo piepte ik; ik kirde als een duif; mijn ogen verhieven zich omhoog; o HEERE! ik word onderdrukt, wees Gij mijn Borg.15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.16Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven van mijn geest; want Gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.

Het geloof van Hizkia krijgt hier van de kant van de HEERE een nog indringender antwoord dan dat in het voorgaande hoofdstuk.

De dood dient zich aan in het leven van Hizkia. De hopeloosheid van de koning, die oog in oog komt te staan met de dood, maakt ons iets duidelijk. Het lijkt erop dat Hizkia de belofte die God door de mond van Jesaja gegeven had, niet kent: "Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen" (hoofdstuk 25 vers 8). Hizkia, die leeft in de tijd van de aardse beloften (Psalm 116 vers 9), ziet niet uit naar een verlenging van zijn dagen. De zekerheid van de opstanding, zoals de gelovigen vandaag mogen bezitten, kent hij niet. Hij weet niet dat "het sterven gewin" is, omdat "ontbonden te worden en met Christus te zijn" verreweg het beste is (Filippensen 1 vers 21 en 23). Maar toch hoort God zijn gebed, ziet Hij zijn tranen... en Hij komt, met eerbied gesproken, in actie (Psalm 34 vers 7).

Ook deze keer wordt er aan Zijn antwoord weer een teken van genade toegevoegd: de schaduw van de graden van de zonnewijzer gaat tien graden achteruit, een beeld dat het oordeel opgeschoven wordt.

Vers 3 herinnert ons aan Hebreeën 5 vers 7 en aan de tranen van Gethsémané. Wie anders dan de Heere Jezus zou deze woorden ten volle in praktijk kunnen brengen?

Dit prachtige bericht wordt ons al in 2 Koningen 20 vers 1 - 11 meegedeeld. Maar wat wij nu hier vinden is het aangrijpende "schrift van Hizkia" zelf, dat volgt op zijn genezing.

Jesaja 38:17-22; Jesaja 39:1-8
17Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwame; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen.18Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.19De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.20De HEERE was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen; al de dagen onzes levens, in het huis des HEEREN.21Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen.22En Hizkia had gezegd: Welk zal het teken zijn, dat ik ten huize des HEEREN zal opgaan?
1Te dien tijd zond Merodach Baladan, de zoon van Baladan, de koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat hij krank geweest en weder sterk geworden was.2En Hizkia verblijdde zich over hen, en hij toonde hun zijn schathuis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn ganse wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijn schatten; er was geen ding in zijn huis, noch in zijn ganse heerschappij, dat Hizkia hun niet toonde.3Toen kwam de profeet Jesaja tot den koning Hizkia, en zeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en van waar zijn zij tot u gekomen? En Hizkia zeide: Zij zijn uit verren lande tot mij gekomen, uit Babel.4En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zeide: Zij hebben alles gezien, wat in mijn huis is; geen ding is er in mijn schatten, dat ik hun niet getoond heb.5Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor het woord des HEEREN der heirscharen.6Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uw vaders opgelegd hebben tot een schat tot op dezen dag, naar Babel weggevoerd zal worden; er zal niets overgelaten worden, zegt de HEERE.7Daartoe zullen zij van uw zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des konings van Babel.8Maar Hizkia zeide tot Jesaja: Het woord des HEEREN, dat gij gesproken hebt, is goed. Ook zeide hij: Doch het zij vrede en waarheid in mijn dagen!

"Het schrift van Hizkia" besluit met een dankzegging. Hij heeft om uitstel van de dood gebeden — nu bidt hij om Hem Die hem verhoord heeft, te danken.

Het lot van de onbekeerden hier op aarde kan in enkele woorden samengevat worden: "bitterheid" of "al zijn dagen zijn smarten" (vers 17; Prediker 2 vers 23). Ook al lukt hen hier alles en hebben ze voorspoed, toch kunnen ze zich niet aan een diep verborgen angst in hun binnenste onttrekken. De verloste daarentegen richt zich tot zijn Redder en roept het uit: "Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwam; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen". "De HEERE was gereed om mij te verlossen". Als dit onze geschiedenis is, dan mogen we niet nalaten vers 19 in praktijk te brengen: "De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe".

Verder is dit ook de geschiedenis van Israël, dat als volk van God eens weer tot leven zal komen, nadat al hun zonden vergeven zullen zijn.

Hoofdstuk 39 vertelt ons van de listige verzoeking waar Hizkia door de gezanten van de koning van Babel aan blootgesteld wordt. En hij bezwijkt... Ook ons zal het altijd zo vergaan als wij datgene wat God ons tot Zijn verheerlijking heeft toevertrouwd, voor onze eigen eer gebruiken. "Wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen?" — wordt ons in 1 Korinthe 4 vers 7 gevraagd — "En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij...?" De woorden "Ik ben rijk, en verrijkt geworden..." zijn niets anders dan een onverdraaglijke en afschuwelijke aanmatiging van Laodicéa (Openbaring 3 vers 17).

Jesaja 40:1-17
1Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen.2Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.3Een stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des HEEREN, maakt recht in de wildernis een baan voor onzen God!4Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden.5En de heerlijkheid des HEEREN zal geopenbaard worden; en alle vlees te gelijk zal zien, dat het de mond des HEEREN gesproken heeft.6Een stem zegt: Roept! En hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds.7Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.8Het gras verdort, de bloem valt af; maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid.9O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uw stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg den steden van Juda: Zie hier is uw God!10Ziet, de Heere HEERE zal komen tegen den sterke, en Zijn arm zal heersen; ziet, Zijn loon is bij Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.11Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.12Wie heeft de wateren met Zijn vuist gemeten, en van de hemelen met de span de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in een waag, en de heuvelen in een weegschaal?13Wie heeft den Geest des HEEREN bestierd, en wie heeft Hem als Zijn raadsman onderwezen?14Met wien heeft Hij raad gehouden, die Hem verstand zou geven, en Hem zou leren van het pad des rechts, en Hem wetenschap zou leren, en Hem zou bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?15Ziet, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; ziet, Hij werpt de eilanden henen als dun stof!16En de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer.17Alle volken zijn als niets voor Hem; en zij worden bij Hem geacht minder dan niet, en ijdelheid.

De hoofdstukken 40 - 60 vormen duidelijk één geheel, dat soms wel eens 'het tweede Boek van Jesaja' genoemd wordt. Het hoofdthema van het eerste deel was de geschiedenis van Israël in het verleden en in de toekomst, maar ook de geschiedenis van de volken waarmee dit volk te maken had (en zal hebben). In het deel waar we nu aan toegekomen zijn, is hoofdzakelijk sprake van het werk van God in de harten om die om te doen keren tot Hem. Ons gebed aan het begin van dit dagboek was dat dit werk van Hem in het hart van ons allemaal zou mogen plaatsvinden. Dit is iets wat alleen de Goddelijke genade kan bewerken en daarom begint God ook hier met het spreken over troost en vergeving.

Onder de stemmen die we aan het begin van dit hoofdstuk horen (vers 2, 3, 6 en 9), horen we ook een boodschap die we kennen: die van Johannes de Doper (Johannes 1 vers 23). De evangeliën laten ons zien op welke manier hij de weg van de Heere Jezus bereid heeft.

Dan is er nog de roepstem (die in 1 Petrus 1 vers 24 en 25 aangehaald wordt) die een vergelijking maakt tussen het zwakke en vergankelijke karakter van het vlees, dat mogelijk nog iets moois kan voortbrengen (de bloem), en het eeuwig blijvend Woord van God (vergelijk Mattheus 24 vers 35).

Ten slotte wordt Jeruzalem opgeroepen om het volgende te verkondigen: "Zie hier is uw God!"

Zijn wij ook boodschappers van goede berichten (vergelijk 2 Koningen 7 vers 9)?

Jesaja 40:18-31
18Bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op Hem toepassen?19De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toe.20Die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit, dat niet verrotte; hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden, dat niet wankele.21Weet gijlieden niet? Hoort gij niet? Is het u van den beginne aan niet bekend gemaakt! Hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet?22Hij is het, Die daar zit boven den kloot der aarde, en derzelver inwoners zijn als sprinkhanen; Hij is het, Die de hemelen uitspant als een dunnen doek, en breidt ze uit als een tent, om te bewonen;23Die de vorsten te niet maakt; de richters der aarde maakt Hij tot ijdelheid.24Ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel wegnemen.25Bij wien dan zult gijlieden Mij vergelijken, dien Ik gelijk zij? zegt de Heilige.26Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist.27Waarom zegt gij dan, o Jakob! en spreekt, o Israel! mijn weg is voor den HEERE verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?28Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de HEERE, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van Zijn verstand.29Hij geeft den moeden kracht, en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft.30De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;31Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.

In de hoofdstukken 40 - 48, die we nu overdenken, moet een belangrijke kwestie besproken worden: de afgodendienst van het volk. Het is volkomen normaal dat dit onderwerp met een duidelijke verklaring begint: "Wie is de God van de schepping?" (vers 12 en verder). Voordat de profeet spreekt over de valse goden, brengt hij eerst het bestaan en de grootheid van de onvergelijkbare God duidelijk naar voren (vers 18 en 25; vergelijk Psalm 147 vers 5).

Dat is ook de beste manier om het evangelie te verkondigen. Laten we toch altijd eerst beginnen de Heere Jezus voor te stellen! Daarna zullen er nog maar een paar woorden nodig zijn om de ijdelheid van de afgoden van deze wereld aan te tonen. Als een klein kind een gevaarlijk voorwerp in handen krijgt, moet je dat dan uit z'n handjes trekken? Nee, je moet dat kind juist iets veel mooiers laten zien, opdat het dat andere uit zichzelf loslaat.

God bezit niet alleen macht in Zichzelf, maar Hij is ook de Bron van elke ware kracht. Ook voor jullie jongelui, al menen jullie misschien over genoeg eigen kracht en capaciteiten te beschikken! Denk toch steeds opnieuw aan de verzen 29 - 31! Dat dit volkomen waar is, hebben al talloze gelovigen ervaren in hun leven toen ze het even niet meer zagen zitten en moedeloos waren. Neem die woorden toch in jullie harten op. Een langeafstandsloper of iemand die op reis gaat, neemt uit voorzorg een noodvoorraadje mee, voor het geval hij moe mocht worden. Laten wij dat in geestelijk opzicht ook doen!

Jesaja 41:1-16
1Zwijgt voor Mij, gij eilanden! en laat de volken de kracht vernieuwen; laat ze toetreden, laat ze dan spreken; laat ons samen ten gerichte naderen.2Wie heeft van den opgang dien rechtvaardige verwekt? heeft hem geroepen op zijn voet? de heidenen voor zijn aangezicht gegeven, en gemaakt, dat hij over koningen heerste? heeft ze zijn zwaard gegeven als stof, zijn boog als een voortgedreven stoppel?3Dat hij ze najaagde en doortrok met vrede, door een pad, hetwelk hij met zijn voeten niet gegaan had?4Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van den beginne? Ik, de HEERE, Die de Eerste ben, en met den Laatste ben Ik Dezelfde.5De eilanden zagen het, en zij vreesden; de einden der aarde beefden; zij naderden en kwamen toe;6De een hielp den ander, en zeide tot zijn metgezel: Wees sterk!7En de werkmeester versterkte den goudsmid; die met den hamer glad maakt, dien, die op het aambeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.8Maar gij, Israel, Mijn knecht! gij Jakob, dien Ik verkoren heb! het zaad van Abraham, Mijn liefhebber!9Gij, welken Ik gegrepen heb van de einden der aarde, en uit haar bijzonderste geroepen heb; en zeide tot u: Gij zijt Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren, en heb u niet verworpen.10Vrees niet, want Ik ben met u; zijt niet verbaasd, want Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand Mijner gerechtigheid.11Ziet, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen, die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niet, en die lieden, die met u twisten, zullen vergaan.12Gij zult hen zoeken, maar zult hen niet vinden; de lieden, die met u kijven, zullen worden als niet, en die lieden, die met u oorlogen, als een nietig ding.13Want Ik, de HEERE, uw God, grijp uw rechterhand aan, Die tot u zeg: Vrees niet, Ik help u.14Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israels! Ik help u, spreekt de HEERE, en uw Verlosser is de Heilige Israels!15Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; gij zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult gij stellen gelijk kaf.16Gij zult ze wannen, en de wind zal ze wegnemen, en de stormwind zal ze verstrooien; maar gij zult u verheugen in den HEERE; in den Heilige Israels zult gij u roemen.

God heeft Zich niet alleen in de schepping geopenbaard. Hij heeft ook laten zien dat Hij Zich om de mensen bekommert. Aan de volken heeft Hij Zich in gerechtigheid en oordeel geopenbaard (vers 1 - 4). Aan Israël heeft Hij Zijn genade bewezen. Gaat het bij dit volk niet om de nakomelingen van Jakob, Zijn knecht, en Abraham, Zijn vriend? Deze nakomelingen zijn de "beminden, om der vaderen wil. Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk" (Romeinen 11 vers 28 en 29; Psalm 105 vers 6 -10).

De zwakheid van dit arme volk — een wormpje — vormt voor Hem geen verhindering om hen te zegenen. In feite is dat juist de voorwaarde om de wonderbare beloften te kunnen genieten (Deuteronomium 7 vers 7), beloften zoals we die vinden in vers 10 en die ook ons kunnen bemoedigen: "Vrees niet, want Ik ben met u; ...Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u...".

Het slot van dit hoofdstuk gaat verder met de beschrijving van de verschillen tussen God en de afgoden. Deze laatstgenoemden worden hier uitgedaagd. Hebben ze ook maar de geringste kennis van wat er in het verleden gebeurd is en van de toekomstige dingen (vers 22 en 23)? Dan moeten ze dat maar bewijzen! De Schepper, de God Die Zich voor de mensen interesseert, is ook de God Die alles weet!

Jesaja 42:1-18
1Ziet, Mijn Knecht, Dien Ik ondersteun, Mijn Uitverkorene, in Denwelken Mijn ziel een welbehagen heeft! Ik heb Mijn geest op Hem gegeven; Hij zal het recht den heidenen voortbrengen.2Hij zal niet schreeuwen, noch Zijn stem verheffen, noch Zijn stem op de straat horen laten.3Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen; met waarheid zal Hij het recht voortbrengen.4Hij zal niet verdonkerd worden, en Hij zal niet verbroken worden, totdat Hij het recht op aarde zal hebben besteld; en de eilanden zullen naar Zijn leer wachten.5Alzo zegt God, de HEERE, Die de hemelen geschapen, en dezelve uitgebreid heeft, Die de aarde uitgespannen heeft, en wat daaruit voortkomt; Die den volke, dat daarop is, den adem geeft, en den geest dengenen, die daarop wandelen:6Ik, de HEERE, heb u geroepen in gerechtigheid, en Ik zal u bij uw hand grijpen; en Ik zal u behoeden, en Ik zal u geven tot een Verbond des volks, tot een Licht der heidenen.7Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis, die in duisternis zitten.8Ik ben de HEERE, dat is Mijn Naam; en Mijn eer zal Ik geen anderen geven, noch Mijn lof den gesneden beelden.9Ziet, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig Ik; eer dat zij uitspruiten, doe Ik ulieden die horen.10Zingt den HEERE een nieuw lied, Zijn lof van het einde der aarde; gij, die ter zee vaart, en al wat daarin is, gij eilanden en hun inwoners.11Laat de woestijn en haar steden de stem verheffen, met de dorpen, die Kedar bewoont; laat hen juichen, die in de rotsstenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen.12Laat ze den HEERE de eer geven, en Zijn lof in de eilanden verkondigen.13De HEERE zal uittrekken als een held; Hij zal den ijver opwekken als een krijgsman; Hij zal juichen, ja, Hij zal een groot getier maken; Hij zal Zijn vijanden overweldigen.14Ik heb van ouds gezwegen, Ik heb Mij stil gehouden en Mij ingehouden; Ik zal uitschreeuwen, als een, die baart, Ik zal ze verwoesten, en te zamen opslokken.15Ik zal bergen en heuvelen woest maken, en al hun gras zal Ik doen verdorren; en Ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen.16En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.17Maar die zich op gesneden beelden verlaten, die tot de gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden; die zullen achterwaarts keren, en met schaamte beschaamd worden.18Hoort, gij doven! en schouwt aan, gij blinden! om te zien.

God gaat voort om Zichzelf op een wonderbare wijze te openbaren. Aan het begin van hoofdstuk 42 wordt ons een Persoon voorgesteld: "Ziet, Mijn Knecht..." In Jesaja is zo vaak sprake van de Heere Jezus, dat dit Boek ook wel eens let evangelie van het Oude Testament' genoemd wordt. We zijn al eerder verzen tegengekomen waarin Zijn geboorte en daarna Zijn optreden in Galilea aangekondigd werden (hoofdstuk 7 vers 14; 9 vers 1, 2 en 6).

Nu worden we als het ware naar de Jordaan verplaatst. De machtige stem van Johannes de Doper heeft in de woestijn geklonken (hoofdstuk 40 vers 3). En dan verschijnt de volmaakte Knecht. Overeenkomstig de belofte die we hier in vers 1 vinden, legt God terstond Zijn Geest op Hem. In de gestalte van een duif daalt de Heilige Geest neer op de geliefde Zoon, in Wie de Vader Zijn welbehagen heeft (Mattheüs 3 vers 16 en 17). Gezalfd met de Heilige Geest en met kracht, begint Hij dan Zijn onvermoeibare dienst van genade en waarheid (vers 1- 4; aangehaald in Mattheus 12 vers 18 - 21).

"Mijn eer zal Ik geen anderen geven", zegt de Heere (vers 8). Dit vers maakt ons ook de noodzaak van zoveel tuchtigingen en verootmoedigingen duidelijk. En dat gold niet alleen voor Israël (vers 12 en verder), maar geldt ook voor de christenen van vandaag (zie ook hoofdstuk 48 vers 11).

Jesaja 42:19-25; Jesaja 43:1-7
19Wie is er blind als Mijn knecht, en doof, gelijk Mijn bode, dien Ik zende? Wie is blind, gelijk de volmaakte, en blind, gelijk de knecht des HEEREN?20Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.21De HEERE had lust aan hem, om Zijner gerechtigheid wil; Hij maakte hem groot door de wet, en Hij maakte hem heerlijk.22Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk; zij zijn allen verstrikt in de holen, en verstoken in de gevangenhuizen; zij zijn tot een roof geworden, en er is niemand, die ze redt; tot een plundering, en niemand zegt: Geeft ze weder.23Wie onder ulieden neemt zulks ter oren? Wie merkt op en hoort, wat hierna zijn zal?24Wie heeft Jakob tot een plundering overgegeven, en Israel den rovers? Is het niet de HEERE, Hij, tegen Wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in Zijn wegen, en zij hoorden niet naar Zijn wet.25Daarom heeft Hij over hen uitgestort de grimmigheid Zijns toorns en de macht des oorlogs; en Hij heeft ze rondom in vlam gezet, doch zij merken het niet; en Hij heeft ze in brand gestoken, doch zij nemen het niet ter harte.
1Maar nu, alzo zegt de HEERE, uw Schepper, o Jakob! en uw Formeerder, o Israel! vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn.2Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.3Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israels, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.4Van toen af, dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en Ik heb u liefgehad; daarom heb Ik mensen in uw plaats gegeven, en volken in plaats van uw ziel.5Vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal uw zaad van den opgang brengen, en Ik zal u verzamelen van den ondergang.6Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde;7Een ieder, die naar Mijn Naam genoemd is, en dien Ik geschapen heb tot Mijn eer, dien Ik geformeerd heb, dien Ik ook gemaakt heb.

Het is heel belangrijk om goed te begrijpen tot wie de Geest van God Zich, in dit gedeelte van de Heilige Schrift, richt. Veel mensen raken namelijk in verwarring, vooral als het om de uitlegging van de Profeten gaat, doordat men datgene wat betrekking heeft op het joodse volk, toepast op de Gemeente. We moeten goed onthouden dat in al onze hoofdstukken er alleen maar sprake is van Israël of van hun Messias! De Gemeente was toen nog een verborgenheid (Efeze 3 vers 5).

Anderzijds is het voor ons toch goed om deze Schriftplaatsen niet over te slaan, met de gedachte dat ze immers niet direct op de christenen van toepassing zijn, want hoeveel aangrijpende woorden lezen we hier, woorden die het kind van God kent en zich eigen maakt, omdat hij of zij ze al zo vaak heeft gelezen: "Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. ...Ik zal bij u zijn, ...wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken" (hoofdstuk 43 vers 1 en 2). Dit hebben ook de drie vrienden van Daniël ervaren (Daniël 3). En als ook wij door het vuur van de beproeving moeten gaan, zullen we niet alleen zijn. De Heere heeft Zijn aanwezigheid uitdrukkelijk beloofd. De "smeltkroes" (Spreuken 17 vers 3) is een bevoorrechte ontmoetingsplaats van Christus met de Zijnen (2 Timotheüs 4 vers 17).

"Vrees niet" (hoofdstuk 41 vers 10, 13 en 14; 44 vers 2 en verder). Dat is het korte, maar o zo bekende zinnetje waarmee de Heere Jezus, Die onze nood en angst zo goed kent, ons op een hele zachte, liefelijke manier wil troosten!

Jesaja 43:8-28
8Breng voort het blinde volk, hetwelk ogen heeft, en de doven, die oren hebben.9Laat al de heidenen samen vergaderd worden, en laat de volken verzameld worden; wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat hen ons doen horen de vorige dingen, laat hen hun getuigen voortbrengen, opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hore en zegge: Het is de waarheid.10Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, dat voor Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.11Ik, Ik ben de HEERE, en er is geen Heiland behalve Mij.12Ik heb verkondigd, en Ik heb verlost, en Ik heb het doen horen, en geen vreemd god was onder ulieden; en gij zijt Mijn getuigen, spreekt de HEERE, dat Ik God ben.13Ook eer de dag was, ben Ik, en er is niemand, die uit Mijn hand redden kan; Ik zal werken, en wie zal het keren?14Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Om ulieder wil heb Ik naar Babel gezonden, en heb hen allen vluchtig doen nederdalen, te weten de Chaldeen, in de schepen, op welke zij juichten.15Ik ben de HEERE, uw Heilige; de Schepper van Israel, ulieder Koning.16Alzo zegt de HEERE, Die in de zee een weg, en in de sterke wateren een pad maakte;17Die wagenen en paarden, heir en macht voortbracht; te zamen zijn zij nedergelegen, zij zullen niet weder opstaan, zij zijn uitgeblust, gelijk een vlaswiek zijn zij uitgegaan.18Gedenkt der vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet.19Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis.20Het gedierte des velds zal Mij eren, de draken en de jonge struisen; want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven.21Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.22Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob! als gij u tegen Mij vermoeid hebt, o Israel!23Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en met uw slachtofferen hebt gij Mij niet geeerd; Ik heb u Mij niet doen dienen met spijsoffer, en Ik heb u niet vermoeid met wierook.24Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, en met het vette uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt; maar gij hebt Mij arbeid gemaakt, met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden.25Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg, om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.26Maakt Mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertelt gij uw redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden.27Uw eerste vader heeft gezondigd, en uw uitleggers hebben tegen Mij overtreden.28Daarom zal Ik de oversten des heiligdoms ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israel tot beschimpingen.

Laten we eens rustig nadenken over de prachtige Namen Die God Zich hier in de verzen 11 - 15 geeft: Heere, Heiland, Dezelfde (in sommige vertalingen), uw Verlosser, uw Heilige, de Schepper van Israël, uw Koning. Behalve Hij is er geen Redder. De apostel Petrus zegt in Handelingen 4 vers 12: "En de zaligheid is in geen ander".

Het christelijke leven is echter niet alleen beperkt tot het heil. God heeft een recht op ons verworven, net zoals dat het geval was bij Zijn aardse volk: "Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen" (vers 21). Israël heeft dit recht zeer zeker niet erkend (vers 22 en verder), maar in de christelijke wereld wordt de ware betekenis van de lof en aanbidding eveneens misacht!

"Om Mijnentwil!" (vers 25). Het is ook om Hemzelf dat God onze zonden wegdoet. Zijn heerlijkheid eist onze heiligheid. Hij zorgt daar Persoonlijk voor, hoewel wij Hem beledigd hebben: "Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg". En Hij neemt er geen genoegen mee ze 'alleen maar' weg te nemen. Hij belooft: "Ik gedenk uw zonden niet". Wat een genade! En Hij voegt er nog aan toe: "Maakt Mij indachtig... vertelt gij..." God laat het aan ons over om onze toestand bekend te maken, onze eigen overtredingen te belijden, opdat het volbrachte verzoeningswerk ten volle zichtbaar zal worden. Dat is een deel van de roem die wij hebben door te geven.

Jesaja 44:1-13
1Maar hoor nu Mijn knecht Jakob, en Israel, dien Ik verkoren heb!2Zo zegt de HEERE, uw Maker, en uw Formeerder van den buik af, Die u helpt: Vrees niet, o Jakob, Mijn knecht, en gij, Jeschurun, dien Ik uitverkoren heb!3Want Ik zal water gieten op de dorstigen, en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten, en Mijn zegen op uw nakomelingen.4En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken.5Deze zal zeggen: Ik ben des HEEREN; en die zal zich noemen met den naam van Jakob; en gene zal met zijn hand schrijven: Ik ben des HEEREN, en zich toenoemen met den naam van Israel.6Zo zegt de HEERE, de Koning van Israel, en zijn Verlosser, de HEERE der heirscharen: Ik ben de Eerste, en Ik ben de Laatste, en behalve Mij is er geen God.7En wie zal, gelijk als Ik, roepen en het verkondigen, en het ordentelijk voor Mij stellen, sedert dat Ik een eeuwig volk gesteld heb? en laat ze de toekomstige dingen, en die komen zullen, hun verkondigen.8Verschrikt niet, en vreest niet; heb Ik het u van toen af niet doen horen en verkondigd? Want gijlieden zijt Mijn getuigen: is er ook een God behalve Mij? Immers, er is geen andere rotssteen: Ik ken er geen?9De formeerders van gesneden beelden zijn al te zamen ijdelheid, en hun gewenste dingen doen geen nut; ja, zij zelven zijn hun getuigen; zij zien niet, en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden.10Wie formeert een god, en giet een beeld, dat geen nut doet?11Ziet, al hun medegenoten zullen beschaamd worden, want de werkmeesters zijn uit de mensen; dat zij zich altemaal vergaderen, dat zij opstaan, zij zullen verschrikken, zij zullen te zamen beschaamd worden.12De ijzersmid maakt een bijl, en werkt in den gloed, en formeert het met hamers, en werkt het met zijn sterken arm; ook lijdt hij honger, totdat hij krachteloos wordt, hij drinkt geen water, totdat hij amechtig wordt.13De timmerman trekt het richtsnoer uit, hij tekent het af met den draad, hij maakt het effen met de schaven, en tekent het met den passer, en maakt het naar de beeltenis eens mans, naar de schoonheid van een mens, dat het in het huis blijve.

Deze hoofdstukken vertellen ons iets over het begin van de geschiedenis van Israël. De HEERE had dit volk geformeerd en afgezonderd voor Zichzelf (hoofdstuk 43 vers 21 en 44 vers 2). Ze waren Zijn eigendom en Hij was hun God (vers 5). Daarna had Hij hen de wet gegeven, die als volgt begon: "Ik ben de Heere uw God... Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken..." (Exodus 20 vers 2 - 5). De geschiedenis van Israël leert ons echter in welke mate deze geboden overtreden werden.

Afgodendienst is echter niet alleen de zonde van Israël en de heidense volken (1 Korinthe 10 vers 14). Als wij alles opnoemen wat wij bezitten en wij onze verborgen gedachten nagaan, dan ontdekken we bij onszelf misschien wel meer dan één afgod die zich (ongemerkt) bij ons ingenesteld heeft. Daarom is de Geest van God zo vaak bedroefd en wordt de zegen onthouden (vergelijk vers 3).

In verband met de afgoden is het goed om ook nog over de twee laatste uitdrukkingen in het gedeelte voor vandaag na te denken. Deze afgoden zijn "naar de schoonheid van een mens" gemaakt (vers 13; vergelijk hoofdstuk 1 vers 6). Deze mens stelt een welbehagen in zichzelf. Hij eert en dient het schepsel in plaats van Hem Die hem geschapen heeft (Romeinen 1 vers 25).

Het volgende is dat hij het beeld maakt, opdat "het in het huis blijve" (vers 13). Wij hebben over ons hart, die verborgen plaats (vergelijk Deuteronomium 27 vers 15), maar ook over ons huis te waken!

Jesaja 44:14-28
14Als hij zich cederen afhouwt, zo neemt hij een cypressenboom of een eik, en hij versterkt zich onder de bomen des wouds; hij plant een olmboom, en de regen maakt dien groot.15Dan is het voor den mens om te verbranden, dan neemt hij daarvan, en warmt er zich bij; ook ontsteekt hij het, en bakt er brood bij; daarenboven maakt hij er een god van, en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van, en knielt er voor neder.16Zijn helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vlees; hij braadt een gebraad, en hij wordt verzadigd; ook warmt hij zichzelven, en hij zegt: Hei! ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien!17Het overige nu daarvan maakt hij tot een god, tot zijn gesneden beeld; hij knielt er voor neder, en buigt zich, en bidt het aan, en zegt: Red mij, want gij zijt mijn god!18Zij weten niet, en verstaan niet, want het heeft hun ogen bestreken, dat zij niet zien, en hun harten, dat zij niet verstaan.19En niemand van hen brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zou: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja, ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vlees daarbij gebraden, en heb het gegeten; en zou ik het overblijfsel daarvan tot een gruwel maken, zou ik nederknielen voor hetgeen van een boom gekomen is?20Hij voedt zich met as, het bedrogen hart heeft hem ter zijde afgeleid; zodat hij zijn ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet een leugen in mijn rechterhand?21Gedenk aan deze dingen, o Jakob, en Israel! Want gij zijt Mijn knecht, Ik heb u geformeerd; gij zijt Mijn knecht, Israel, gij zult van Mij niet vergeten worden.22Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.23Zingt met vreugde, gij hemelen! want de HEERE heeft het gedaan; juicht, gij benedenste delen der aarde! gij bergen! maakt een groot gedreun met vreugdegezang, gij bossen, en alle geboomte daarin! Want de HEERE heeft Jakob verlost, en Zich heerlijk gemaakt in Israel.24Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, en die u geformeerd heeft van den buik af: Ik ben de HEERE, Die alles doet, Die den hemel uitbreidt, Ik alleen, en Die de aarde uitspant door Mijzelven;25Die de tekenen der leugendichters vernietigt, en de waarzeggers dol maakt; Die de wijzen achterwaarts doet keren, en Die hun wetenschap verdwaast;26Die het woord Zijns knechts bevestigt, en den raad Zijner boden volbrengt; Die tot Jeruzalem zegt: Gij zult bewoond worden; en tot de steden van Juda: Gij zult herbouwd worden, en Ik zal haar verwoeste plaatsen oprichten.27Die tot de diepte zegt: Verdroog, en uw rivieren zal Ik verdrogen.28Die van Cores zegt: Hij is Mijn herder, en hij zal al Mijn welgevallen volbrengen; zeggende ook tot Jeruzalem: Word gebouwd; en tot den tempel: Word gegrond.

Om een goed geweten te hebben, maakt de wereld maar wat graag een verbinding tussen godsdienst en datgene wat tot haar vreugde en bevrediging dient (vergelijk Exodus 32 vers 6). Zo handelde ook de mens, die hetzelfde hout gebruikt om een vuur aan te steken, om brood te bakken en zich te warmen... en om er een afgodsbeeld uit te maken. Deze beschrijving is toch duidelijk genoeg om de onzinnigheid van zo'n afgodendienst aan te tonen. In plaats van Hem te aanbidden Die hem geschapen heeft, knielt de dwaas voor een dood voorwerp neer dat uit zijn eigen handen is voortgekomen!

De verzen 9 - 20 worden gevuld met de bezigheid van de mensen. Hij maakt dit, hij maakt dat, en doet daar ontzettend veel moeite voor. Het is echter één grote illusie, want wie zich met as voedt, kan zijn ziel niet redden (vers 20).

Vanaf vers 22 lezen we echter over hetgeen God doet. "Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk... Ik heb u verlost". Zoals de wind in een mum van tijd de wolken in de lucht kan wegblazen, zo verdrijft God met Zijn machtige adem alles wat zich tussen Hem, Die Licht is, en onze ziel opgehoopt heeft. Onze ziel heeft dat Licht namelijk nodig, net zoals de aarde niet zonder het licht van de zon kan. Hij, Die de hemelen uitbreidt, de aarde uitspant en de mensen geformeerd heeft, Hij zal ook datgene doen wat nodig is tot het herstel van Zijn volk en tot heil van een ieder die gelooft.

Jesaja 45:1-13
1Alzo zegt de HEERE tot Zijn gezalfde, tot Cores, wiens rechterhand Ik vat, om de volken voor zijn aangezicht neder te werpen; en Ik zal de lendenen der koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:2Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.3En Ik zal u geven de schatten, die in de duisternissen zijn, en de verborgene rijkdommen; opdat gij moogt weten, dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept, de God van Israel;4Om Jakobs, Mijns knechts wil, en Israels, Mijns uitverkorenen; ja, Ik riep u bij uw naam, Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kendet.5Ik ben de HEERE, en niemand meer, buiten Mij is er geen God; Ik zal u gorden, hoewel gij Mij niet kent.6Opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben de HEERE, en niemand meer.7Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik, de HEERE, doe al deze dingen.8Drupt, gij hemelen! van boven af, en dat de wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse, en gerechtigheid te zamen uitspruiten; Ik, de HEERE, heb ze geschapen.9Wee dien, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven! Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt gij? of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen?10Wee dien, die tot den vader zegt: Wat genereert gij? en tot de vrouw: Wat baart gij?11Alzo zegt de HEERE, de Heilige Israels, en deszelfs Formeerder: Zij hebben Mij van toekomende dingen gevraagd; van Mijn kinderen, zoudt gij Mij van het werk Mijner handen bevel geven?12Ik heb de aarde gemaakt, en Ik heb den mens daarop geschapen; Ik ben het! Mijn handen hebben de hemelen uitgebreid, en Ik heb al hun heir bevel gegeven.13Ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en al zijn wegen zal Ik recht maken; hij zal Mijn stad bouwen, en hij zal Mijn gevangenen loslaten, niet voor prijs, noch voor geschenk, zegt de HEERE der heirscharen.

God heeft aangekondigd dat Hij Kores (Cyrus) zou gebruiken om dat te volbrengen waarin Hij een welgevallen had (hoofdstuk 44 vers 28). Deze koning, die een eind zou moeten maken aan de gevangenschap van het volk in Babel, werd al voordat deze gevangenschap begon, dus lang voor zijn geboorte, bij name genoemd! De Goddelijke genade hield deze 'verlosser' als het ware al voortdurend achter de hand, gedurende deze hele periode van tuchtiging. God gebruikt een persoonlijke openbaring aan Kores om hem duidelijk te maken dat er geen andere God is dan Hij alleen (vers 5; vergelijk 1 Korinthe 8 vers 4 - 6 en Efeze 4 vers 6).

God heeft Zich dus niet alleen aan de Joden bekendgemaakt, maar ook aan de volken, waartoe ook wij behoren. Al lang voor onze geboorte, voor de grondlegging van de wereld, voor de tijden van de eeuwigheid, waren uw, jouw en mijn naam al in Zijn gedachten. Hij nam Zich ook voor om door de Gemeente van Jezus Christus Zijn veelvuldige wijsheid op de juiste tijd — en dat is nu — ten uitvoer te brengen (Efeze 3 vers 8 - 10). Beantwoorden wij aan hetgeen God van ons verwacht? Ieder op de plaats waar Hij hem gesteld heeft en naar de mate die hem toebedeeld is (vergelijk Handelingen 13 vers 36 met betrekking tot David)?

De verzen 9 en 10, waar de apostel bij het schrijven van Romeinen 9 vers 20 waarschijnlijk ook aan gedacht heeft, stellen de grote dwaasheid vast van hen die met deze almachtige Schepper-God menen te kunnen twisten.

Jesaja 45:14-25
14Alzo zegt de HEERE: De arbeid der Egyptenaren en de koophandel der Moren en der Sabeers, der mannen van grote lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen de uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zich voor u buigen, zij zullen u smeken, zeggende: Gewisselijk, God is in u, en er is anders geen God meer.15Voorwaar, Gij zijt een God, Die Zich verborgen houdt, de God Israels, de Heiland.16Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; te zamen zullen zij met schande heengaan, die de afgoden maken.17Maar Israel wordt verlost door den HEERE, met een eeuwige verlossing; gijlieden zult niet beschaamd noch tot schande worden, tot in alle eeuwigheden.18Want alzo zegt de HEERE, Die de hemelen geschapen heeft, Die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij ledig zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben de HEERE, en niemand meer.19Ik heb niet in het verborgene gesproken, in een donkere plaats der aarde; Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij te vergeefs; Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt, Die rechtmatige dingen verkondigt.20Verzamelt u, en komt, treedt hier toe samen, gijlieden, die van de heidenen ontkomen zijt! Zij weten niets, die hun houten gesneden beelden dragen, en een god aanbidden, die niet verlossen kan.21Verkondigt en treedt hier toe, ja, beraadslaagt samen: wie heeft dat laten horen van ouds her? Wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben Ik het niet, de HEERE? en er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik.22Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.23Ik heb gezworen bij Mijzelven, er is een woord der gerechtigheid uit Mijn mond gegaan, en het zal niet wederkeren: dat Mij alle knie zal gebogen worden, alle tong Mij zal zweren.24Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in den HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen; maar zij zullen beschaamd worden allen, die tegen Hem ontstoken zijn.25Maar in den HEERE zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen, het ganse zaad van Israel.

Dat wat de Heere voor het herstel van Zijn volk zal gaan doen, zal Hem tegenover allen bekendmaken als "de God Israëls, de Heiland" (vers 15).

In tegenstelling tot de afgoden, die niet kunnen redden (vers 20), verkondigt Hij Zelf met grote kracht: "Een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik. Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, al gij einden der aarde!" (vers 20 en 21). Deze oproep klinkt ook vandaag nog in de wereld. Heeft iedereen die dit leest, hier al antwoord op gegeven?

Wij herkennen hier de stem van onze Heiland-God, "onze Zaligmaker, Die wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen" (1 Timotheüs 2 vers 4 en 5). Maar we weten ook wat er nodig was, opdat Hij Zich tegelijkertijd als rechtvaardige en reddende God kon openbaren. De straf die Zijn gerechtigheid met betrekking tot de zonde bevredigen moest, heeft Hem getroffen, Die in 1 Timotheüs 2 vers 5 en 6 genoemd wordt: "Eén Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus; Die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen".

Terecht moet elke knie zich voor de Heere buigen en elke tong God belijden (vers 23; aangehaald in Romeinen 14 vers 11 en Filippensen 2 vers 10).

Jesaja 46:1-13
1Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hun afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide beesten.2Samen zijn zij nedergebogen, zij zijn gekromd, zij hebben den last niet kunnen redden, maar zijzelven zijn in de gevangenis gegaan.3Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israels! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af.4En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.5Wien zoudt gijlieden Mij nabeelden, en evengelijk maken, en Mij vergelijken, dat wij elkander gelijken zouden?6Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de waag; zij huren een goudsmid, en die maakt het tot een god, zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor.7Zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem, en zetten hem aan zijn plaats; daar staat hij, hij wijkt van zijn stede niet; ja, roept iemand tot hem, zo antwoordt hij niet, hij verlost hem niet uit zijn benauwdheid.8Gedenkt hieraan, en houdt u kloekelijk, brengt het weder in het hart, o gij overtreders!9Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af, dat Ik God ben, en er is geen God meer, en er is niet gelijk Ik;10Die van den beginne aan verkondigt het einde, en van ouds af die dingen, die nog niet geschied zijn; Die zegt: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen.11Die een roofvogel roept van het oosten, een man Mijns raads uit verren lande; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen opkomen; Ik heb het geformeerd, Ik zal het ook doen.12Hoort naar Mij, gij stijven van harte, gij, die verre van de gerechtigheid zijt!13Ik breng Mijn gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en Mijn heil zal niet vertoeven; maar Ik zal heil geven in Sion, aan Israel Mijn heerlijkheid.

De profeet gaat verder met zijn vergelijking en haalt een ander aangrijpend beeld aan. Aan de ene kant staan de ijdele afgoden, die een zware last zijn voor hen die met hen beladen zijn! Aan de andere kant staat de sterke en getrouwe God, Die juist vanaf het begin van de geschiedenis Zelf Zijn volk gedragen heeft (vers 3; Deuteronomium 1 vers 31 en 32 vers 11 en 12). In plaats van zich te verblijden in deze bevoorrechte positie, gaf het ondankbare Israël zich echter over aan het dienen van valse en belachelijke afgoden, die tot niets in staat zijn (vers 6 en 7). Deze afgoden hebben dit volk echter laten struikelen, het onder hun last laten bezwijken en uiteindelijk vormden zij de aanleiding tot haar gevangenschap.

De naar wereldse maatstaven gemeten edele goden (de hier genoemden waren van goud en zilver, terwijl die uit hoofdstuk 44 van hout gemaakt waren), storten allen die hen dienen, onherroepelijk in het verderf. En wat is de macht die het goud over het hart van de mens heeft, ontzettend groot, ook nu nog!

Maar wat zegt de Heere daarentegen tot ons, wat wij moeten doen? Hem van kinds af aan vertrouwen. Jaar in jaar uit, ons hele leven, alleen op Hem steunen. En als we oud geworden zijn en de krachten afnemen, ons verheugen in die prachtige belofte: "En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja tot de grijsheid toe zal Ik u dragen!" (vers 4).

Jesaja 47:1-15
1Daal af, en zit in het stof, gij jonkvrouw, dochter van Babel! zit op de aarde, er is geen troon meer, gij dochter der Chaldeen! want gij zult niet meer genaamd worden de tedere, noch de wellustige.2Neem de molen, en maal meel; ontdek uw vlechten, ontbloot de enkelen, ontdek de schenkelen, ga door de rivieren.3Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; Ik zal wraak nemen, en Ik zal op u niet aanvallen als een mens.4Onzes Verlossers Naam is HEERE der heirscharen, de Heilige Israels.5Zit stilzwijgende, en ga in de duisternis, gij dochter der Chaldeen! want gij zult niet meer genoemd worden koningin der koninkrijken.6Ik was op Mijn volk zeer toornig, Ik ontheiligde Mijn erve, en Ik gaf hen over in uw hand; doch gij beweest hun geen barmhartigheden, ja, zelfs over den oude maaktet gij uw juk zeer zwaar.7En gij zeidet: Ik zal koningin zijn in eeuwigheid; tot nog toe hebt gij deze dingen niet in uw hart genomen, gij hebt aan het einde daarvan niet gedacht.8Nu dan, hoor dit, gij weelderige! die zo zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik: ik zal geen weduwe zitten, noch de beroving van kinderen kennen.9Doch deze beide dingen zullen u in een ogenblik overkomen, op een dag, de beroving van kinderen en weduwschap; volkomenlijk zullen zij u overkomen, vanwege de veelheid uwer toverijen, vanwege de menigte uwer bezweringen.10Want gij hebt op uw boosheid vertrouwd; gij hebt gezegd: Niemand ziet mij; uw wijsheid en uw wetenschap heeft u afkerig gemaakt; en gij hebt in uw hart gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik.11Daarom zal er over u een kwaad komen, gij zult den dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen, hetwelk gij niet zult kunnen verzoenen; want er zal snellijk een onstuimige verwoesting over u komen, dat gij het niet weten zult.12Sta nu met uw bezweringen, en met de veelheid uwer toverijen, waarin gij gearbeid hebt van uw jeugd af; of gij misschien voordeel kondet doen, of gij misschien u kondet sterken.13Gij zijt moede geworden in de veelheid uwer raadslagen; laat nu opstaan, die den hemel waarnemen, die in de sterren kijken, die naar de nieuwe manen voorzeggen; en laat ze u verlossen van die dingen, die over u komen zullen.14Ziet, zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zichzelven niet kunnen rukken uit de macht der vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neder te zitten.15Alzo zullen zij u zijn, met dewelke gij gearbeid hebt, uw handelaars van uw jeugd aan, elk zal zijns weegs dwalen, niemand zal u verlossen.

Nu gaat het over Babel (Babylon). Al voordat deze stad in de geschiedenis voorkomt, wordt hier haar ondergang aangekondigd. God heeft haar gebruikt om Zijn volk te tuchtigen. Maar ze heeft tegenover dit volk "geen barmhartigheden" bewezen en heeft zelf "deze dingen niet ter harte genomen", maar ook "aan het einde daarvan niet gedacht" (vers 7; Deuteronomium 32 vers 29). Door de mond van Daniël had God dit einde aan de koning van Babel tevoren aangekondigd (zie Daniël 2 vers 45). En toch heeft deze hoogmoedige stad gezegd: "Ik zal koningin zijn in eeuwigheid" (vers 7). We weten hoe plotseling haar vreselijk einde is gekomen, tijdens die verdrietige nacht van het feestgelag van Belsazar (Daniël 5 vers 30).

In het Nieuwe Testament is Babylon het beeld van de christenheid, van de verantwoordelijke kerk. Deze christenheid had er genoeg van om hier beneden als vreemdeling te vertoeven en te lijden. Ze heeft liever een kroon dan het kruis. Ze heeft alle barmhartigheid vergeten, heeft over de zielen geheerst, de rechten van de Heere misacht en Zijn wederkomst uit het oog verloren. Er is een groot aantal afgoden en bijgeloof bij haar binnengelaten (vers 12 en 13), maar het moment van haar val zal aanbreken (Openbaring 18). Dan zal Christus Zijn ware Bruid aan hemel en aarde voorstellen: de Gemeente, bestaande uit alle verlosten die Hij zo lief heeft en die, voordat dit alles gaat gebeuren, al door Hem opgenomen zullen zijn.

Zult u, zul jij daarbij zijn?

Jesaja 48:1-8
1Hoort dit, gij huis van Jakob, die genoemd wordt met den naam van Israel, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijt! die daar zweert bij den Naam des HEEREN, en vermeldt den God Israels, maar niet in waarheid, noch in gerechtigheid.2Ja, van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israels; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.3De vorige dingen heb Ik verkondigd van toen af, en uit Mijn mond zijn zij voortgekomen, en Ik heb ze doen horen; Ik heb ze snellijk gedaan, en zij zijn gekomen;4Omdat Ik wist, dat gij hard zijt, en uw nek een ijzeren zenuw is, en uw voorhoofd koper;5Daarom heb Ik het u van toen af verkondigd, eer dat het kwam, heb Ik het u doen horen; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld, of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.6Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt.7Nu zijn zij geschapen, en niet van toen af, en voor dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord; opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Ziet, ik heb ze geweten.8Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt.

Het aantal van hen "die de hemel waarnemen, die in de sterren kijken" (hoofdstuk 47 vers 13) en andere astrologen was in een tijd waarin de mensen erg lichtgelovig zijn, altijd al groot. Ondanks hun beweringen ligt het echter niet in de macht van de mensen om de toekomst te voorspellen. God alleen heeft weet van deze dingen en Hij openbaart ons in Zijn Woord wat wij van die tijd zouden moeten weten (hoofdstuk 46 vers 10; Handelingen 1 vers 7).

Veel gebeurtenissen die van tevoren door de profeten werden aangekondigd, hebben al plaatsgevonden. Ze zijn daarmee ook een bewijs van het bestaan en de almacht van God (vers 5; zie Johannes 13 vers 19). "De vorige dingen" die van tevoren verkondigd werden, zijn uitgekomen (vers 3). Dat bewijst dat ook de "nieuwe dingen" het werk van God is en zal zijn (vers 6; Mattheüs 13 vers 52).

Vandaag de dag is iedereen in de gelegenheid, en dat geldt vooral voor de Joden, om de Schriften te onderzoeken en zich hiervan te overtuigen. De verwerping van hun Messias werd al eeuwen voordat Hij zou komen, door de grootste profeten duidelijk aangekondigd, vooral in de hoofdstukken die we nu lezen.

Maar niet alleen Israël, de mens in het algemeen is "hard". Zijn nek is "een ijzeren zenuw", zijn "voorhoofd koper" en zijn oor heeft hij toegesloten (vers 4 en 8). En bovenal is zijn hart ontzettend trots (hoofdstuk 46 vers 12).

Jesaja 48:9-22
9Om Mijns Naams wil zal Ik Mijn toorn langer uitstellen, en om Mijns roems wil zal Ik, u ten goede, Mij bedwingen, opdat Ik u niet afhouwe.10Ziet, Ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, Ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende.11Om Mijnentwil, om Mijnentwil zal Ik het doen, want hoe zou Hij ontheiligd worden? en Ik zal Mijn eer aan geen ander geven.12Hoor naar Mij, o Jakob! en gij Israel, Mijn geroepene! Ik ben Dezelfde; Ik ben de Eerste, ook ben Ik de Laatste.13Ook heeft Mijn hand de aarde gegrond, en Mijn rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten; wanneer Ik ze roep, staan zij daar te zamen.14Vergadert u, gij allen, en hoort; wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De HEERE heeft hem lief, Hij zal Zijn welbehagen tegen Babel doen, en Zijn arm zal tegen de Chaldeen zijn.15Ik, Ik heb het gesproken, ook heb Ik hem geroepen; Ik zal hem doen komen, en hij zal voorspoedig zijn op zijn weg.16Nadert gijlieden tot Mij, hoort dit: Ik heb van den beginne niet in het verborgene gesproken, maar van dien tijd af, dat het geschied is, ben Ik daar; en nu, de Heere HEERE, en Zijn Geest heeft Mij gezonden.17Alzo zegt de HEERE, uw Verlosser, de Heilige Israels: Ik ben de HEERE, uw God, Die u leert, wat nut is, Die u leidt op den weg, dien gij gaan moet.18Och, dat gij naar Mijn geboden geluisterd hadt! zo zou uw vrede geweest zijn als een rivier, en uw gerechtigheid als de golven der zee.19Ook zou uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uw ingewanden voortkomen als deszelfs steentjes; wiens naam niet zou worden afgehouwen, noch verdelgd van voor Mijn aangezicht.20Gaat uit van Babel, vliedt van de Chaldeen, verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks horen, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: De HEERE heeft Zijn knecht Jakob verlost!21En: Zij hadden geen dorst, toen Hij hen leidde door de woeste plaatsen; Hij deed hun water uit den rotssteen vlieten; als Hij den rotssteen kliefde, zo vloeiden de wateren daarhenen.22Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.

"Om Mijnentwil, om Mijnentwil...!" Maar al te vaak vergeten we deze reden waarom God soms moet ingrijpen. Door het volk Israël aan te nemen als Zijn volk — en ons christenen als Zijn zonen en Zijn dochters — voelt God Zich, om het zo maar te zeggen, Persoonlijk verplicht, zoals een vader tegenover vreemden verantwoordelijk is voor de daden van zijn kinderen! Vanwege de eer van de Vader, Wiens kinderen wij zijn, worden wij, al naar gelang de omstandigheden, bevrijd, gereinigd of getuchtigd (zie Jozua 7 vers 9).

God heeft echter nog een andere reden waarom Hij ons beleert en terechtwijst: tot ons eigen nut, voor onze eigen bestwil (vers 17).

Vrede in het hart, zo rustig en krachtig als "een rivier", is een gevolg van de gehoorzaamheid van de gelovige (vers 18). Dat is ook best te begrijpen: in de 'rivierbedding' van de wil van God bestaan geen onrust of draaikolken, zoals bij een wilde beek die van de bergen afstroomt. Nee, dan brengt men vers 3 van hoofdstuk 26 in praktijk, waar staat: "Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd".

Laten we er goed op letten dat de Heere pas nadat Hij de Zijnen ingescherpt heeft Zijn geboden en Zijn Woord te bewaren, hen Zijn vrede geeft (Johannes 14 vers 15, 21, 23 en 27), deze ondoorgrondelijke vrede die van onschatbaar grote waarde is voor de verlosten van de Heere! Dat is de goddelozen totaal onbekend (vers 22).

Jesaja 49:1-13
1Hoort naar Mij, gij eilanden! en luistert toe, gij volken van verre! De HEERE heeft Mij geroepen van den buik af, van Mijner moeders ingewand af heeft Hij Mijn Naam gemeld.2En Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard, onder de schaduw Zijner hand heeft Hij Mij bedekt; en Hij heeft Mij tot een zuiveren pijl gesteld, in Zijn pijlkoker heeft Hij Mij verborgen.3En Hij heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Knecht, Israel, door Welken Ik verheerlijkt zal worden.4Doch Ik zeide: Ik heb te vergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en ijdelijk toegebracht; gewisselijk, Mijn recht is bij den HEERE, en Mijn werkloon is bij Mijn God.5En nu zegt de HEERE, Die Mij Zich van moeders buik af tot een Knecht geformeerd heeft, dat Ik Jakob tot Hem wederbrengen zou; maar Israel zal zich niet verzamelen laten; nochtans zal Ik verheerlijkt worden in de ogen des HEEREN, en Mijn God zal Mijn Sterkte zijn.6Verder zeide Hij: Het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob, en om weder te brengen de bewaarden in Israel; Ik heb U ook gegeven tot een Licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.7Alzo zegt de HEERE, de Verlosser van Israel, Zijn Heilige, tot de verachte ziel, tot Dien, aan Welken het volk een gruwel heeft, tot den Knecht dergenen, die heersen: Koningen zullen het zien en opstaan, ook vorsten, en zij zullen zich voor U buigen; om des HEEREN wil, Die getrouw is, om den Heilige Israels, Die U verkoren heeft.8Alzo zegt de HEERE: In dien tijd des welbehagens heb Ik U verhoord, en ten dage des heils heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond des volks, om het aardrijk op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beerven;9Om te zeggen tot de gebondenen: Gaat uit; tot hen, die in duisternis zijn: Komt te voorschijn; zij zullen op de wegen weiden, en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen.10Zij zullen niet hongeren, noch dorsten, en de hitte en de zon zal hen niet steken; want hun Ontfermer zal ze leiden, en Hij zal hen aan de springaders der wateren zachtjes leiden.11En Ik zal al Mijn bergen tot een weg maken, en Mijn banen zullen verhoogd zijn.12Zie, deze zullen van verre komen; en zie, die van het noorden en van het westen, en geen uit het land van Sinim.13Juicht, gij hemelen! en verheug u, gij aarde! en gij bergen! maakt gedreun met gejuich; want de HEERE heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.

We zijn hier aangekomen bij een belangrijk punt in dit Boek. Hier wordt eigenlijk het bewijs geleverd en een duidelijke streep gezet onder het feit dat Israël een ontrouwe knecht geweest is. Daarom vervangt God het volk door Christus, de ware Israël (vers 3), de gehoorzame Knecht, in Wie Hij Zichzelf zal verheerlijken.

Op het eerste oog leek alle moeite de Heere misschien, met eerbied gesproken, tevergeefs (vers 4). Niet alleen dat Israël niet bijeen vergaderd werd, maar het heeft zelfs zijn Messias verworpen. En toch verzekeren de verzen 5 en 6, zoals we ook lezen in Jesaja 53 vers 11, dat Christus, ondanks het feit dat het eerst misschien — weer met eerbied gesproken (!) — op een mislukking leek, "de arbeid van Zijn ziel" zal zien.

Vandaag worden de verstrooide kinderen van God bijeengebracht, om samen de hemelse familie van God te vormen (Johannes 11 vers 51 en 52). De verwerping van de Heere door Zijn volk heeft God de gelegenheid geboden om Zijn heil "tot aan het einde der aarde" te verbreiden.

Is dit gesprek tussen God en Zijn "heilig Kind (heilige Knecht) Jezus" niet bijzonder kostbaar? (vers 7; Handelingen 4 vers 27). God richt Zich tot "de verachte Ziel, tot Hem aan Wie het volk een gruwel heeft" (vergelijk Jesaja 53 vers 3), maar Die voor Zijn eigen hart zo bijzonder waardevol is! God belooft Hem dat de dingen al gauw omgekeerd zullen zijn: wanneer Hij in Zijn wonderbare heerlijkheid zal verschijnen, dan zal het de beurt zijn aan hen "die heersen", om Hem te eren en zich voor Hem neer te buigen. "Koningen zullen... opstaan, ook vorsten" en zullen zich voor Hem neerwerpen (vergelijk Filippensen 2 vers 6 - 11).

Jesaja 49:14-26
14Doch Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, en de HEERE heeft mij vergeten.15Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten.16Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij.17Uw zonen zullen zich haasten; maar uw verstoorders en uw verwoesters zullen van u uitgaan.18Hef uw ogen op rondom, en zie, alle deze vergaderen zich, zij komen tot u; Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, zekerlijk, gij zult u met alle dezen als met een sieraad bekleden, en gij zult ze u aanbinden, gelijk een bruid.19Want in uw woeste en uw eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk, nu zult gij benauwd worden van inwoners; en die u verslonden, zullen zich verre van u maken.20Nog zullen de kinderen, waarvan gij beroofd waart, zeggen voor uw oren: De plaats is mij te nauw, wijk van mij, dat ik wonen moge.21En gij zult zeggen in uw hart: Wie heeft mij dezen gegenereerd, aangezien ik van kinderen beroofd en eenzaam was? Ik was in de gevangenis gegaan, en weggeweken; wie heeft mij dan deze opgevoed? Ziet, ik was alleen overgelaten, waar waren dezen?22Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Mijn hand opheffen tot de heidenen, en tot de volken zal Ik Mijn banier opsteken; dan zullen zij uw zonen in de armen brengen, en uw dochters zullen op den schouders gedragen worden.23En koningen zullen uw voedsterheren zijn, hun vorstinnen uw zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht ter aarde, en zij zullen het stof uwer voeten lekken; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, dat zij niet beschaamd zullen worden die Mij verwachten.24Zou ook een machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen?25Doch alzo zegt de HEERE: Ja, de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst des tirans zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen.26En Ik zal uw verdrukkers spijzen met hun eigen vlees, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden, als van zoeten wijn; en alle vlees zal gewaar worden, dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige Jakobs.

Bij de eerste komst van de Heere werd Israël niet bijeen-vergaderd (vers 5). Maar eens zal het uur aanbreken dat ze bijeen verzameld zullen worden. Dan zullen niet alleen Juda en Benjamin, maar ook de tien stammen die nu nog verstrooid zijn, terugkeren. Uit alle windrichtingen, uit de hele wereld, zullen ze dan optrekken naar Israël. God heeft meer dan twintig eeuwen lang, op een wonderbare wijze, de eenheid van het volk bewaard. Wat een heerlijk vooruitzicht. Dan zal de Heere in Jeruzalem eindelijk de kuikens onder Zijn vleugels bijeenbrengen, iets wat de Heere Jezus destijds zo graag gedaan zou hebben, toen Hij hier op aarde was (Lukas 13 vers 34). Zoals bij een grote familiereünie zullen dan de zonen en dochters van Jakob, die zo'n lange tijd van elkaar gescheiden waren, elkaar weer herkennen en zich samen verheugen.

Van deze aardse gebeurtenis gaan onze gedachten eigenlijk automatisch naar de grote hemelse samenkomst, die binnenkort zal plaatsvinden. Van alle verlosten van de Heere, van hen die Hij van Zijn Vader ontvangen heeft, zal er daar niet één ontbreken. Elk schaap van Zijn kudde bevindt zich nu al in Zijn beschermende hand; zijn naam staat, in zekere zin, in Zijn handpalmen gegraveerd (vers 16; Johannes 10 vers 28 en 17 vers 12), deze handen die op zo'n gruwelijke wijze doorboord werden. Zij die eerder 'gevangenen van de machtige' waren, zijn door de overwinning op het kruis voor eens en altijd aan die macht ontnomen (vers 25; Lukas 11 vers 21 en 22).

Jesaja 50:1-11
1Alzo zegt de HEERE: Waar is de scheidbrief van ulieder moeder, waarmede Ik haar weggezonden heb? Of wie is er van Mijn schuldeisers, aan wien Ik u verkocht heb? Ziet, om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht, en om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.2Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus gans kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst.3Ik bekleed den hemel met zwartheid, en stel een zak tot zijn deksel.4De Heere HEERE heeft Mij een tong der geleerden gegeven, opdat Ik wete met den moede een woord ter rechter tijd te spreken; Hij wekt allen morgen, Hij wekt Mij het oor, dat Ik hore, gelijk die geleerd worden.5De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend, en Ik ben niet wederspannig, Ik wijk niet achterwaarts.6Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.7Want de Heere HEERE helpt Mij, daarom word Ik niet te schande; daarom heb Ik Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden.8Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons te zamen staan; wie heeft een rechtzaak tegen Mij? hij kome herwaarts tot Mij.9Ziet, de Heere HEERE helpt Mij, wie is het, die Mij zal verdoemen? Ziet, zij zullen altemaal als een kleed verouden, die mot zal hen eten.10Wie is er onder ulieden, die den HEERE vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt, en geen licht heeft, dat hij betrouwe op den Naam des HEEREN, en steune op zijn God.11Ziet, gij allen, die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt! wandelt in de vlam van uw vuur, en in de spranken, die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt u van Mijn hand, in smart zult gijlieden liggen.

Tevergeefs liet God Zijn roepstem klinken. "Hoort naar Mij!", heeft Hij keer op keer gezegd (hoofdstuk 44 vers 1; 46 vers 3 en 12; 48 vers 1 en 12; 49 vers 1). Of het nu de roepstem van Johannes de Doper was (hoofdstuk 40 vers 3) of de stem van de Messias Zelf — "niemand antwoordde" (vers 2). Wat heeft deze onverschilligheid — die ook het kenmerk is van de mens van deze tijd — de Heere Jezus toch ontzettend veel verdriet gedaan! Hij is gekomen met "een tong der geleerden", met woorden van liefde (Johannes 7 vers 46), maar niemand wilde ernaar luisteren, laat staan eraan gehoorzamen. "Ook hebt gij ze niet gehoord... ook van toen af is uw oor niet geopend geweest" (hoofdstuk 48 vers 8). En toch... welk een voorbeeld heeft Hij Zelf gegeven: elke morgen had deze gehoorzame Mens Zijn oren geopend voor de woorden van Zijn Vader, om te horen wat Zijn wil voor die dag was. (En als Hij deze behoefte al voelde, hoe veel te meer zou dat dan bij ons gevonden moeten worden!)

Daarna is de onverschilligheid tegenover de Heere Jezus omgeslagen in haat. Vers 6 herinnert ons aan de smaad die Hem werd aangedaan en die Hij heeft verdragen. Maar ondanks dat Hij wist wat Hem te wachten stond, is Hij niet teruggeweken; Hij heeft Zijn "aangezicht gesteld als een keisteen" (vers 5 en 7; Lukas 9 vers 51).

Wat ons betreft: laten wij goed op de woorden van vers 10 letten. Wij, die kinderen van het Licht zijn, zouden ons niet moeten laten verblinden door die vluchtige vonken waarmee de wereld zich probeert te verlichten en te vermaken (vers 11).

Jesaja 51:1-11
1Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid najaagt, gij, die den HEERE zoekt! aanschouwt den rotssteen, waaruit gijlieden gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs, waaruit gij gegraven zijt.2Aanschouwt Abraham, ulieder vader, en Sara, die ulieden gebaard heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende hem, en Ik vermenigvuldigde hem.3Want de HEERE zal Sion troosten, Hij zal troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal haar woestijn maken als Eden, en haar wildernis als den hof des HEEREN; vreugde en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en een stem des gezangs.4Luistert naar Mij, Mijn volk! en Mijn lieden, neigt naar Mij het oor! want een wet zal van Mij uitgaan, en Ik zal Mijn recht doen rusten tot een licht der volken.5Mijn gerechtigheid is nabij, Mijn heil trekt uit, en Mijn armen zullen de volken richten; op Mij zullen de eilanden wachten, en op Mijn arm zullen zij hopen.6Heft ulieder ogen op naar den hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.7Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van den mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.8Want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar Mijn gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en Mijn heil van geslacht tot geslachten.9Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, Gij arm des HEEREN! ontwaak als in de verledene dagen, als in de geslachten van ouds; zijt Gij het niet, Die Rahab uitgehouwen hebt, Die den zeedraak verwond hebt?10Zijt Gij het niet, Die de zee, de wateren des groten afgronds, droog gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een weg, opdat de verlosten daardoor gingen?11Alzo zullen de vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en met gejuich tot Sion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden.

In hoofdstuk 46 vers 12 richtte de Heere Zich tot hen die "ver van de gerechtigheid" verwijderd waren, maar hier spreekt Hij in Zijn grote genade tot hen "die de gerechtigheid" najagen (vers 1) en haar kennen (vers 7). Omwille van deze gerechtigheid hebben ze te lijden in deze wereld vol ongerechtigheid en hebben daarom een bemoediging nodig: "Vreest niet de smaadheid van de mens, en ontzet u voor hun smaadbeden niet" (vers 7). Christus heeft deze hoon en deze smaad van de kant van de mens het eerst ervaren en verdragen (hoofdstuk 50 vers 6). Daarom heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij in Zijn voetstappen zouden treden (1 Petrus 2 vers 20 - 24; 3 vers 14).

Net als in het voorbeeld van de Heere Jezus (zie Psalm 40 vers 9) kan God hier over een volk spreken dat Zijn wet in het hart heeft! Kan Hij dit vandaag de dag ook van ons zeggen? Woont het Woord van Christus werkelijk rijkelijk in ons (Kolosse 3 vers 16; Johannes 15 vers 7)?

Het gebed van vers 9 roept de machtige "arm des HEEREN" aan (hoofdstuk 53 vers 1). Deze arm heeft destijds Egypte doen verschrikken en "de zee, de wateren van de grote afgrond" drooggelegd. En opnieuw zal deze arm Israël aan de gevangenschap onttrekken. Net als aan de oever van de Rode Zee zal de Geest dan een gejuich in de mond van de verlosten leggen "en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen" (vers 11; vergelijk hoofdstuk 35 vers 10).

Jesaja 51:12-23
12Ik, Ik ben het, Die u troost; wie zijt gij, dat gij vreest voor den mens, die sterven zal? en voor eens mensen kind, dat hooi worden zal?13En vergeet den HEERE, Die u gemaakt heeft, Die de hemelen heeft uitgebreid, en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk den gansen dag, vanwege de grimmigheid des benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid des benauwers?14De omzwevende gevangene zal haastelijk los gelaten worden; en hij zal in den kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken.15Want Ik ben de HEERE, uw God, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.16En Ik leg Mijn woorden in uw mond, en bedek u onder de schaduw Mijner hand; om den hemel te planten, en om de aarde te gronden, en om te zeggen tot Sion: Gij zijt Mijn volk.17Waak op, waak op, sta op, Jeruzalem! gij, die gedronken hebt van de hand des HEEREN den beker Zijner grimmigheid; den droesem van den beker der zwijmeling hebt gij gedronken, ja, uitgezogen.18Er is niemand van al de kinderen, die zij gebaard heeft, die haar zachtjes leidt; en niemand van al de kinderen, die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt.19Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wien zal Ik u troosten?20Uw kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, gelijk een wilde os in het net; zij zijn vol van de grimmigheid des HEEREN, van de schelding uws Gods.21Daarom hoort nu dit, gij bedrukten! en gij dronkenen, maar niet van wijn!22Alzo zegt uw Heere, de HEERE en uw God, Die Zijns volks zaak twisten zal: Zie, Ik neem den beker der zwijmeling van uw hand, den droesem van den beker Mijner grimmigheid; gij zult dien voortaan niet meer drinken.23Maar Ik zal hem dien, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neder, dat wij over u gaan; en gij legdet uw rug neder als aarde, en als een straat dergenen, die daarover gaan.

"Ik, Ik ben het, Die u troost" (vers 12). Vele gelovigen hebben dit al ervaren in tijden van beproeving. Ze hebben ondervonden dat er buiten de troost van God geen andere ware troost te vinden is. Hij is inderdaad "de God aller vertroosting" (2 Korinthe 1 vers 3). Soms vergaat het ons echter als de Psalmist die zegt: "Mijn ziel weigerde getroost te worden" (Psalm 77 vers 3). De aangrijpende roepstem van de God van Israël heeft bij Zijn volk geen weerklank gevonden. "Niemand antwoordde", behalve een zwak overblijfsel dat gerechtigheid najoeg (hoofdstuk 50 vers 2; 66 vers 4).

Nu weerklinkt een sterkere, een indringender stem: "Waak op, waak op, sta op... trek uw sierlijke klederen aan" (vers 17 en hoofdstuk 52 vers 1). Het is de bedoeling om Jeruzalem uit haar slaap wakker te schudden, want de Messias zal verschijnen.

En hoofdstuk 53 zal ons de ontvangst laten zien die Hem bij Zijn eerste komst bereid werd. Christus werd verworpen en is weer in de heerlijkheid teruggekeerd.

Nu zijn we echter aangekomen bij de vooravond van Zijn wederkomst. De Heere Jezus herinnert ons aan Zijn belofte: "Zie, Ik kom haastig!". Hij stelt Zichzelf voor als "Ik ben... de blinkende Morgenster" (Openbaring 22 vers 12, 16 en 17). Wakker geschud en vol hoop roepen Bruid en Geest samen: "Kom!"

O, dat de echo op deze woorden toch in de harten van ons allemaal mag klinken: "Amen. Ja, kom, Heere Jezus!"

Jesaja 52:1-15
1Waak op, waak op, trek uw sterkte aan, o Sion! trek uw sierlijke klederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad? want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.2Schud u uit het stof, maak u op, zit neder, o Jeruzalem! maak u los van de banden van uw hals, gij gevangene dochter van Sion!3Want zo zegt de HEERE; Gijlieden zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden.4Want zo zegt de Heere HEERE: In vorige tijden trok Mijn volk af in Egypte, om als vreemdeling aldaar te verkeren; en Assur heeft hetzelve om niet onderdrukt.5En nu, wat heb Ik hier te doen? spreekt de HEERE, dewijl Mijn volk om niet weggenomen is, en degenen die over hetzelve heersen, het doen huilen, spreekt de HEERE, en Mijn Naam geduriglijk den gansen dag gelasterd wordt;6Daarom zal Mijn volk, daarom zal het Mijn Naam in dien dag kennen, dat Ik het Zelf ben, Die spreekt: Zie, hier ben Ik.7Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die den vrede doet horen; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen, die tot Sion zegt: Uw God is Koning.8Er is een stem uwer wachters; zij verheffen de stem, zij juichen te zamen; want zij zullen oog aan oog zien, als de HEERE Sion wederbrengen zal.9Maakt een geschal, juicht te zamen, gij woeste plaatsen van Jeruzalem! want de HEERE heeft Zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost.10De HEERE heeft Zijn heiligen arm ontbloot voor de ogen aller heidenen; en al de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods.11Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, gij, die de vaten des HEEREN draagt!12Want gijlieden zult niet met haast uitgaan, noch met der vlucht henengaan; want de HEERE zal voor ulieder aangezicht henentrekken, en de God van Israel zal uw achtertocht wezen.13Ziet, Mijn Knecht zal verstandelijk handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden.14Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, alzo verdorven was Zijn gelaat, meer dan van iemand, en Zijn gedaante, meer dan van andere mensenkinderen;15Alzo zal Hij vele heidenen besprengen, ja, de koningen zullen hun mond over Hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welken het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.

De Heilige Geest heeft hier op aarde een heel speciale opdracht: de blikken van de gelovigen richten op de Heere Jezus en Zijn lijden. Alle vermaningen om te luisteren, om wakker te worden en zich af te zonderen, hebben ook hier slechts dat ene doel: ons een Persoon voor de aandacht te brengen, namelijk Christus, de Messias van Israël. Hij is de Brenger van "die goede boodschap", Die vrede en heil verkondigt (vers 7). Hij is ook de Knecht Die verstandig zal handelen (vers 13). We zien hier dus als het ware een samenvatting van Zijn woorden en Zijn werken.

Inderdaad is er veel reden om ontzet te zijn en vol verbazing de mond gesloten te houden, wanneer men bepaald wordt bij en nadenkt over die onuitsprekelijk grote vernedering van de Zoon van God (vers 14, aangevuld door hoofdstuk 53 vers 3). Zijn "verdorven.... gelaat" getuigde tegen de goddeloze wereld van datgene wat het deze volmaakte Mens gekost moet hebben om dit door te maken. Daarom heeft God Hem nu terecht ook verhoogd; Hij is boven alles verheven, in de verwachting van het moment dat Hij in heerlijkheid zal verschijnen. "De koningen zullen" dan "hun mond over Hem gesloten houden", wanneer zij Hem zullen zien.

De verlosten zullen echter nooit zwijgen. Net als de wachters uit vers 8 zullen zij na alle moeiten van de nachtwake hun stemmen juichend verheffen, want dan zullen zij "oog aan oog" Hem zien!

Jesaja 53:1-12
1Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wien is de arm des HEEREN geopenbaard?2Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.3Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.4Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.5Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.6Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg; doch de HEERE heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.7Als dezelve geeist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open.8Hij is uit den angst en uit het gericht weggenomen; en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land der levenden; om de overtreding Mijns volks is de plage op Hem geweest.9En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.10Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.11Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien, en verzadigd worden; door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen.12Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.

Dit is ook het Schriftgedeelte dat de kamerling van Candacé, "de koningin der Moren" (Ethiopië), zat te lezen op zijn wagen. "En Filippus... beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus" (Handelingen 8 vers 27 en verder).

Daar ligt ook voor ons het begin van alle wijsheid en kennis: de Heere Jezus, de Redder. We hadden ons allemaal, stuk voor stuk, op de weg van ongehoorzaamheid begeven (vers 6). Maar om ons te kunnen verlossen is het Lam van God de weg van volmaakte gehoorzaamheid en volledige onderwerping gegaan.

Op deze weg werd Hij veracht, verlaten, mishandeld en uiteindelijk afgesneden van de mensen (vers 3, 7 en 8). Maar... God Zelf heeft Hem verwond, geslagen en Hem laten lijden (vers 5 en 10)! Wie zou ooit de volgende uitdrukking ten volle kunnen doorgronden: "Het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen"?

Onze krankheden en onze smarten (vers 4), onze overtredingen en onze ongerechtigheden (vers 5), onze zonden — in welke vorm dan ook, zowel de kleinste als de grootste — met alle vreselijke gevolgen van dien, dat was die onuitsprekelijk zware last die de "Man van smarten" op Zich heeft genomen.

Dat was de moeite van de ziel van onze geliefde Heiland! Maar aan de overzijde van de dood, waarin Hij Zichzelf heeft overgegeven, geniet Hij nu en tot in alle eeuwigheid van de vrucht van Zijn lijden: de onuitsprekelijke vreugde van de verzadigde liefde (Hebreeën 12 vers 2).

Jesaja 54:1-17
1Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt! maak geschal met vrolijk gezang, en juich, die geen barensnood gehad hebt! want de kinderen der eenzame zijn meer, dan de kinderen der getrouwde, zegt de HEERE.2Maak de plaats uwer tenten wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uw koorden lang, en steek uw pinnen vast in.3Want gij zult uitbreken ter rechterhand en ter linkerhand; en uw zaad zal de heidenen erven, en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen.4Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden, en word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; maar gij zult de schaamte uwer jonkheid vergeten, en den smaad uws weduwschaps zult gij niet meer gedenken.5Want uw Maker is uw Man, HEERE der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israels is uw Verlosser; Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden.6Want de HEERE heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God.7Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen.8In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser.9Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.10Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen; maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer.11Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten.12En uw glasvensters zal Ik kristallijnen maken, en uw poorten van robijnstenen, en uw ganse landpale van aangename stenen.13En al uw kinderen zullen van den HEERE geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn.14Gij zult door gerechtigheid bevestigd worden; wees verre van verdrukking, want gij zult niet vrezen; en verre van verschrikking, want zij zal tot u niet naken.15Ziet, zij zullen zich zekerlijk vergaderen, doch niet uit Mij; wie zich tegen u vergaderen zal, die zal om uwentwil vallen.16Zie, Ik heb den smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast, en die het instrument voortbrengt tot zijn werk; ook heb Ik den verderver geschapen, om te vernielen.17Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dit is de erve der knechten des HEEREN, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE.

Nadat het werk dat in hoofdstuk 53 beschreven werd, volbracht is, worden de gelovigen opgeroepen om zich te verheugen en te zingen. In hoofdstuk 53 vers 10 werd gezegd: "Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien". De Heere Jezus bevestigt het: "Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft het alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort" (Johannes 12 vers 24). Hoofdstuk 54 laat ons iets van deze oogst bespeuren. Het gaat daar om Israël, het aardse zaad. Het Nieuwe Testament brengt deze Schriftplaats echter ook in verband met de kinderen van de hemelse familie door de woorden: "Jeruzalem, dat boven is" (Galaten 4 vers 26 en 27).

Om haar zonen en dochters te ontvangen, wordt Jeruzalem, dat lange tijd weduwe en onvruchtbaar was, opgeroepen om ruimte te maken, zich uit te breiden. Dankzij het werk van de Heere Jezus op het kruis kan God erbarming met haar hebben en hen bijeenbrengen. De toorn was slechts voor een ogenblik, de goedertierenheid zal echter eeuwig duren (vers 7 en 8; Psalm 30 vers 6).

"En al uw kinderen zullen van de HEERE geleerd zijn", belooft vers 13, dat in Johannes 6 vers 45 aangehaald wordt. Het werk van de Heere kent twee belangrijke aspecten: Hij heeft onze ongerechtigheden gedragen, en Hij onderwijst velen in de gerechtigheid (hoofdstuk 53 vers 11). Laten we dit tweede aspect nooit vergeten. Als we met onze zondelast tot Hem gegaan zijn, laten we ons dan nu ook door Hem laten onderwijzen! Want dan zullen we de vruchten van de gerechtigheid voortbrengen, tot Zijn verheerlijking (2 Korinthe 9 vers 10).

Jesaja 55:1-13
1O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!2Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen.3Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort, en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David.4Ziet, Ik heb hem tot een getuige der volken gegeven, een vorst en gebieder der volken.5Ziet, gij zult een volk roepen, dat gij niet kendet, en het volk, dat u niet kende, zal tot u lopen, om des HEEREN uws Gods wil, en om des Heiligen Israels wil, want Hij heeft u verheerlijkt.6Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.7De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.8Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de HEERE.9Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, alzo zijn Mijn wegen hoger dan uw wegen, en Mijn gedachten dan ulieder gedachten.10Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den eter;11Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende.12Want in blijdschap zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid worden; de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht, en alle bomen des velds zullen de handen samenklappen.13Voor een doorn zal een denneboom opgaan, voor een distel zal een mirteboom opgaan; en het zal den HEERE wezen tot een naam, tot een eeuwig teken, dat niet uitgeroeid zal worden.

Zoals er eens uit de geslagen rots in de woestijn water stroomde (hoofdstuk 48 vers 21), zo komt de stroom van leven en zegening voort uit het werk aan het kruis, de onuitputtelijke bron voor iedereen die dorst heeft!

Hier gaat het om de oproep van de profeet, maar de Heere Jezus drukt Zich op dezelfde wijze uit: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke" (Johannes 7 vers 37). De genade is er voor iedereen (zie ook Johannes 3 vers 15 en 16; 11 vers 26; 12 vers 46).

Het grote heil van God kent twee kenmerken. Het eerste kenmerk is dat het kosteloos is. De mensen getroosten zich alle moeite en betalen een vermogen voor iets "wat niet verzadigen kan". Daarbij kan het voortreffelijkste van alles juist "zonder geld en zonder prijs" verkregen worden, want God heeft Zelf alle kosten daarvoor betaald (vergelijk hoofdstuk 52 vers 3).

Het tweede kenmerk is dat het heil nu aangegrepen moet worden. "Zoekt de HEERE, terwijl Hij te vinden is" (vers 6). God is nabij en rijk aan vergeving! Maar haast je! Er komt een moment dat Hij niet meer bereikbaar zal zijn (Johannes 7 vers 34; 8 vers 21).

Van dit prachtige hoofdstuk willen we nog graag één ding onder de aandacht brengen. Laten we eens nadenken over hetgeen over de liefdevolle gedachten en over de ondoorgrondelijke wegen van God gezegd wordt (vers 8 en 9; zie ook Romeinen 11 vers 33 - 36). Van Zijn Woord wordt in vers 11 beloofd: "Het zal niet ledig tot Mij weerkeren".

Wat heeft dit Woord in onze harten bewerkt?

Jesaja 56:1-57:2; Jesaja 57:15-21
1Alzo zegt de HEERE: Bewaart het recht, en doet gerechtigheid; want Mijn heil is nabij om te komen, en Mijn gerechtigheid om geopenbaard te worden.2Welgelukzalig is de mens, die zulks doet, en des mensen kind, dat daaraan vasthoudt; die den sabbat houdt, zodat gij dien niet ontheiligt, en die zijn hand bewaart van enig kwaad te doen.3En de vreemde, die zich tot den HEERE gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De HEERE heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Ziet, ik ben een dorre boom.4Want alzo zegt de HEERE van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond;5Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.6En de vreemden, die zich tot den HEERE voegen, om Hem te dienen, en om den Naam des HEEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie den sabbat houdt, dat hij dien niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden;7Die zal Ik ook brengen tot Mijn heiligen berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken.8De Heere HEERE, Die de verdrevenen van Israel vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, nevens hen, die tot hem vergaderd zijn.9Al gij gedierten des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierten in het woud!10Hun wachters zijn allen blind, zij weten niet; zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen; zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.11En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders, die niet verstaan kunnen; zij allen keren zich naar hun weg, elkeen naar zijn gewin, elk uit zijn einde.12Komt herwaarts, zeggen zij: ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze, ja, groter, veel treffelijker.1De rechtvaardige komt om, en er is niemand, die het ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let, dat de rechtvaardige weggeraapt wordt voor het kwaad.2Hij zal ingaan in den vrede; zij zullen rusten op hun slaapsteden, een iegelijk, die in zijn oprechtheid gewandeld heeft.
15Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.16Want Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de geest zou van voor Mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen, die Ik gemaakt heb.17Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg hen; Ik verborg Mij, en was verbolgen; evenwel gingen zij afkerig henen in den weg huns harten.18Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hun treurigen.19Ik schep de vrucht der lippen, vrede, vrede dengenen, die verre zijn, en dengenen, die nabij zijn, zegt de HEERE, en Ik zal hen genezen.20Doch de goddelozen zijn als een voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en haar wateren werpen slijk en modder op.21De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.

Deze beide hoofdstukken spreken over een donkere tijd in de toekomstige geschiedenis van Israël. De overgrote meerderheid van het door blinde wachters misleide volk (vers 10 en verder) zal de Antichrist nalopen (de koning: hoofdstuk 57 vers 9). Gedurende deze tijd zal Gods oog echter waken over hen die getrouw zijn en Zijn sabbat nog houden en Hij zal hen door Zijn beloften bemoedigen.

De tempel is, nadat deze eerst ontwijd werd, nu vernietigd. Maar tot vreugde van het overblijfsel zal de tempel zijn naam en karakter van "bedehuis" weer terugkrijgen. En bovendien zal hij dan openstaan voor alle volken (hoofdstuk 56 vers 7). Wat ons christenen betreft, zo hebben wij nu al vrije toegang tot God om te bidden en Hem te loven. Laten we van dit grote voorrecht toch ook veel gebruik maken!

De verzen 1 en 2 van hoofdstuk 57 laten ons de ware betekenis zien van de dood van een rechtvaardige en "de weldadige lieden" (vromen). God neemt hen in bescherming voor het oordeel dat Hij voor andere mensen bereid heeft (zie het voorbeeld in 1 Koningen 14 vers 12 en 13).

In hoofdstuk 57 vers 19 zegt de HEERE, dat Hij de vrucht van de lippen zal scheppen. Uit Hebreeën 13 vers 15 weten wij dat het hierbij gaat om de "offerande des lofs". Dat wordt God gebracht, maar Hijzelf is het Die dit door Zijn Geest in de harten van de Zijnen bewerkt.

Vers 20 schetst ons ten slotte nog het beeld van de bezigheid van de goddelozen, zonder ook maar enige moraal en met alle gevolgen van dien (Judas 13).

Jesaja 58:1-14
1Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden.2Hoewel zij Mij dagelijks zoeken, en een lust hebben aan de kennis Mijner wegen, als een volk, dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods niet verlaat, vragen zij Mij naar de rechten der gerechtigheid; zij hebben een lust tot God te naderen;3Zeggende: Waarom vasten wij, en Gij ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziel, en Gij weet het niet? Ziet, ten dage, wanneer gijlieden vast, zo vindt gij uw lust, en gij eist gestrengelijk al uw arbeid.4Ziet, tot twist en gekijf vast gijlieden, en om goddelooslijk met de vuist te slaan; vast niet gelijk heden, om uw stem te doen horen in de hoogte.5Zou het zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mens zijn ziel een dag kwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk een bieze, en een zak en as onder zich spreide? Zoudt gij dat een vasten heten, en een dag den HEERE aangenaam?6Is niet dit het vasten, dat Ik verkies: dat gij losmaakt de knopen der goddeloosheid, dat gij ontdoet de banden des juks, en dat gij vrij loslaat de verpletterden, en alle juk verscheurt?7Is het niet, dat gij den hongerige uw brood mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt? Als gij een naakte ziet, dat gij hem dekt, en dat gij u voor uw vlees niet verbergt?8Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uw genezing zal snellijk uitspruiten; en uw gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en de heerlijkheid des HEEREN zal uw achtertocht wezen.9Dan zult gij roepen, en de HEERE zal antwoorden; gij zult schreeuwen, en Hij zal zeggen: Ziet, hier ben Ik. Zo gij uit het midden van u wegdoet het juk, het uitsteken des vingers, en het spreken der ongerechtigheid;10En zo gij uw ziel opent voor den hongerige, en de bedrukte ziel verzadigt; dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uw donkerheid zal zijn als de middag.11En de HEERE zal u geduriglijk leiden, en Hij zal uw ziel verzadigen in grote droogten, en uw beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als een gewaterde hof, en als een springader der wateren, welker wateren niet ontbreken.12En die uit u voortkomen, zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fondamenten, van geslacht tot geslacht verwoest, zult gij oprichten; en gij zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt, om te bewonen.13Indien gij uw voet van den sabbat afkeert, van te doen uw lust op Mijn heiligen dag; en indien gij den sabbat noemt een verlustiging, opdat de HEERE geheiligd worde, Die te eren is; en indien gij dien eert, dat gij uw wegen niet doet, en uw eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt;14Dan zult gij u verlustigen in den HEERE, en Ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en Ik zal u spijzigen met de erve van uw vader Jakob; want de mond des HEEREN heeft het gesproken.

Dit is een nieuw gedeelte in dit Bijbelboek en het begint ermee ons te tonen hoe het volk vast en zichzelf kastijdt. Omdat God juist ziet op hem "die van een verbrijzelde en nederige geest is" (hoofdstuk 57 vers 15 en 66 vers 2), zou men zich kunnen afvragen wat God dan toch tegen heeft op dit vasten en deze kastijding. De verzen 3 tot en met 7 zeggen ons dat God geen genoegen neemt met uiterlijke godsdienstige vormen, noch met vrome uitspraken. Door de mond van een andere profeet stelt Hij aan iedereen de directe vraag: "Hebt gij Mij, Mij enigszins gevast?" (Zacharia 7 vers 5). Wat er allemaal niet achter een fraaie schijn van vroomheid verborgen kan blijven! Denk maar aan het jagen naar vermaak, zelfs op de heilige dag van de Heere; hardheid van het hart en egoïsme; twist en ruzie (vers 3 en 4), maar ook het veroordelen en het kritiek hebben (met de vinger naar anderen wijzen) of een vloed van ijdele woorden (vers 9 en 13).

Wat zijn daarentegen de ware eisen van God? In eerste instantie dat wij met alle gewoonten van de zonde breken. Het zijn kettingen waarmee we aan de macht van de vijand vastgeklonken zijn (vers 6; Daniël 4 vers 27). Vervolgens moeten we bij elke gelegenheid die zich voordoet, de liefde in praktijk brengen (vers 7 en 10).

Wat zijn er prachtige beloften aan zo'n wandel verbonden!

Jesaja 59:1-21
1Ziet, de hand des HEEREN is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen.2Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort.3Want uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingeren met ongerechtigheid; uw lippen spreken valsheid, uw tong dicht onrecht.4Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft; zij vertrouwen op ijdelheid, en spreken leugen; met moeite zijn zij zwanger, en zij baren ongerechtigheid.5Zij broeden basiliskus-eieren uit, en zij weven spinnewebben; die van hun eieren eet, moet sterven, en als het in stukken gedrukt wordt, er berst een adder uit.6Hun webben deugen niet tot klederen, en zij zullen zichzelven niet kunnen dekken met hun werken; hun werken zijn werken der ongerechtigheid, en een maaksel des wrevels is in hun handen.7Hun voeten lopen tot het kwade, en zij haasten om onschuldig bloed te vergieten; hun gedachten zijn gedachten der ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hun banen.8Den weg des vredes kennen zij niet; en er is geen recht in hun gangen; hun paden maken zij verkeerd voor zich zelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet.9Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar ziet, er is duisternis, op een groten glans, maar wij wandelen in donkerheden.10Wij tasten naar den wand, gelijk de blinden, en, gelijk die geen ogen hebben, tasten wij; wij stoten ons op den middag, als in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de doden.11Wij brommen allen gelijk als de beren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven; wij wachten naar recht, maar er is geen, naar heil, maar het is verre van ons.12Want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij;13Het overtreden en het liegen tegen den HEERE, en het achterwaarts wijken van onzen God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart.14Daarom is het recht achterwaarts geweken, en de gerechtigheid staat van verre; want de waarheid struikelt op de straat, en wat recht is, kan er niet ingaan.15Ja, de waarheid ontbreekt er, en wie van het boze wijkt, stelt zich tot een roof; en de HEERE zag het, en het was kwaad in Zijn ogen, dat er geen recht was.16Dewijl Hij zag, dat er niemand was, zo ontzette Hij Zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem.17Want Hij trok gerechtigheid aan als een pantser, en den helm des heils zette Hij op Zijn hoofd, en de klederen der wraak trok Hij aan tot kleding, en Hij deed den ijver aan als een mantel.18Even naar de werken, even daarnaar zal Hij vergelden, grimmigheid aan Zijn wederpartijders, vergelding aan Zijn vijanden; den eilanden zal Hij het loon vergelden.19Dan zullen zij den Naam des HEEREN vrezen van den nedergang, en Zijn heerlijkheid van den opgang der zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal de Geest des HEEREN de banier tegen hen oprichten.20En er zal een Verlosser tot Sion komen, namelijk voor hen, die zich bekeren van de overtreding in Jakob, spreekt de HEERE.21Mij aangaande, dit is Mijn Verbond met hen, zegt de HEERE: Mijn Geest, Die op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van den mond van uw zaad, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de HEERE, van nu aan tot in eeuwigheid toe.

De misdaden van het volk vormen een ondoordringbare barrière tussen de God van Israël en het volk zelf. Deze dingen verhinderen God om welke religieuze dienst dan ook van het volk aan te nemen. Maar omgekeerd kan Hij evenmin iets ten gunste van de Zijnen volbrengen zolang deze muur blijft bestaan. Misschien is dat ook de reden waarom er soms geen antwoord komt op onze gebeden (Spreuken 15 vers 8 en 29).

De indrukwekkende lijst van zonden die het volk heeft opgestapeld, wordt in de verzen 3 tot en met 8 aan het volk voorgelegd, in de hoop dat dit zal helpen om zich hiervan bewust te worden. Romeinen 3 vers 10 tot en met 18 herinnert aan enkele van deze zonden, om de boosheid van het hele mensengeslacht onweerlegbaar vast te stellen.

In vers 9 nemen de getrouwen van het overblijfsel het woord. Ootmoedig erkennen ze dat het beeld dat zojuist geschetst is, volkomen waar is. "Onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij", zeggen ze. En bovendien voegen ze nog een aantal misdaden toe aan datgene wat de profeet al had opgenoemd (vers 13 tot en met 15). Kortom, de getrouwen van dit overblijfsel geven hiermee duidelijk aan dat ze "van een verbrijzelde en nederige geest" zijn (hoofdstuk 57 vers 15). Daarom kan God hen nu overeenkomstig de belofte troosten, hen door Zijn Geest opnieuw opwekken en hen door de bemiddeling van de Messias, hun Verlosser en Bevrijder, rechtvaardigen.

En Hij zal tevens de Verlosser van de volken zijn (vers 20; Romeinen 11 vers 26).

Jesaja 60:1-14
1Maak u op, word verlicht, want uw Licht komt, en de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op.2Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken, en donkerheid de volken; doch over u zal de HEERE opgaan, en Zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.3En de heidenen zullen tot uw licht gaan, en koningen tot den glans, die u is opgegaan.4Hef uw ogen rondom op, en zie, die allen zijn vergaderd, zij komen tot u; uw zonen zullen van verre komen, en uw dochters zullen aan uw zijde gevoedsterd worden.5Dan zult gij het zien en samenvloeien, en uw hart zal vervaard zijn en verwijd worden; want de menigte de zee zal tot u gekeerd worden, het heir der heidenen zal tot u komen.6Een hoop kemelen zal u bedekken, de snelle kemelen van Midian en Hefa; zij allen uit Scheba zullen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen, en zij zullen den overvloedigen lof des HEEREN boodschappen.7Al de schapen van Kedar zullen tot u verzameld worden; de rammen van Nebajoth zullen u dienen; zij zullen met welgevallen komen op Mijn altaar, en Ik zal het huis Mijner heerlijkheid heerlijk maken.8Wie zijn deze, die daar komen gevlogen als een wolk, en als duiven tot haar vensters?9Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uw kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot den Naam des HEEREN uws Gods, en tot den Heilige Israels, dewijl Hij u heerlijk gemaakt heeft.10En de vreemden zullen uw muren bouwen, en hun koningen zullen u dienen; want in Mijn verbolgenheid heb Ik u geslagen, maar in Mijn welbehagen heb Ik Mij over u ontfermd.11En uw poorten zullen steeds openstaan, zij zullen des daags of des nachts niet toegesloten worden; opdat men tot u inbrenge het heir der heidenen, en hun koningen tot u geleid worden.12Want het volk en het koninkrijk, welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan; en die volken zullen gans verwoest worden.13De heerlijkheid van Libanon zal tot u komen, de denneboom, de beukeboom en de busboom te gelijk, om te versieren de plaats Mijns heiligdoms, en Ik zal de plaats Mijner voeten heerlijk maken.14Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen dergenen, die u onderdrukt hebben, en allen, die u gelasterd hebben zullen zich nederbuigen aan de planten uwer voeten; en zij zullen u noemen de stad des HEEREN, het Sion van den Heilige Israels.

Bij het vergelijken van dit eerste vers met Efeze 5 vers 14 valt een opmerkelijke wijziging op. Hier in Jesaja staat: "de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op", terwijl in Efeze 5 staat: "Christus zal over u lichten". De heerlijkheid van God maakt zich dus één met de Persoon van Zijn Zoon (zie ook 2 Korinthe 4 vers 6). En zij is met de plaats verbonden waar Hij woont: "Ik zal de plaats van Mijn voeten heerlijk maken" (vers 13). "Het Sion van de Heilige Israëls" (vers 14) heeft zijn tegenhanger in het hemelse Jeruzalem, zoals dat in Openbaring 21 beschreven wordt. Vergelijk de verzen 3, 11 en 19 van het hoofdstuk voor vandaag maar eens met Openbaring 21 vers 23 tot en met 26.

Opnieuw wordt, net als in hoofdstuk 49, de grote bijeenkomst van Israël op een aangrijpende en heerlijke wijze beschreven. Dit vooruitzicht, deze belofte zal de gelovigen van het overblijfsel staande houden in hun verdrukking.

Wat ons christenen betreft — die soms ook ontmoedigd kunnen zijn — wij mogen onze ogen ook opheffen (vers 4) en in geloof denken aan het volk van God, zoals Abraham dat deed (Genesis 15 vers 5). We zijn niet alleen! Een ontelbare schare van pelgrims wandelt met ons mee in de richting van het hemelse Vaderland! Vaak wordt dit gaan echter vertraagd door vermoeidheid en lijden, maar kijk eens hoe hun gezichten desondanks stralen! Hun harten zijn ontroerd en staan ver open voor de eeuwige liefde (vers 5).

Jesaja 61:1-11
1De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis;2Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des HEEREN, en den dag der wraak onzes Gods; om alle treurigen te troosten;3Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde.4En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vorige verstoringen weder oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen, die verstoord waren van geslacht tot geslacht.5En uitlanders zullen staan, en uw kudden weiden; en vreemden zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn.6Doch gijlieden zult priesters des HEEREN heten, men zal u dienaren onzes Gods noemen; gij zult het vermogen der heidenen eten, en in hun heerlijkheid zult gij u roemen.7Voor uw dubbele schaamte en schande zullen zij juichen over hun deel; daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten; zij zullen eeuwige vreugde hebben.8Want Ik, de HEERE, heb het recht lief, Ik haat den roof in het brandoffer, en Ik zal geven, dat hun werk in der waarheid zal zijn; en Ik zal een eeuwig verbond met hen maken.9En hun zaad zal onder de heidenen bekend worden, en hun nakomelingen in het midden der volken; allen, die hen zien zullen, zullen hen kennen, dat zij zijn een zaad, dat de HEERE gezegend heeft.10Ik ben zeer vrolijk in den HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap.11Want gelijk de aarde haar spruit voortbrengt, en gelijk een hof, hetgeen in hem gezaaid is, doet uitspruiten; alzo zal de Heere HEERE gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor al de volken.

Het begin van dit hoofdstuk is heel interessant. Het is de Schriftplaats die de Heere Jezus uitkoos toen Hij in de synagoge van Nazareth ging staan om voor te lezen (Lukas 4 vers 16 tot en met 21). Laten we goed op één heel bijzonder detail letten. De Heere Jezus stopt midden in de zin met voorlezen, precies voordat er sprake is van "de dag der wraak". Alleen het eerste deel van Zijn dienst (die van de genade) was in hun "oren vervuld" (Lukas 4 vers 21). Dat wat daarna komt, dus het oordeel, werd opgeschoven — en dat geldt ook nu nog. Daar waar in onze tekst bij wijze van spreken zelfs nog geen komma staat, heeft God een tijdsperiode van al bijna tweeduizend jaar van geduld ingelast.

Toch zal ook deze wraak niet het laatste woord hebben. Hij wordt namelijk opgevolgd door troost en vreugde voor de getrouwen van het overblijfsel. Net als Job uiteindelijk zullen ook zij "het dubbele bezitten" (vers 7), deze dubbele vruchtbaarheid die al door de naam Efraïm aangekondigd werd (zie Genesis 41 vers 52). "Zij zullen eeuwige vreugde hebben" (vers 7).

Als antwoord op deze beloften verheft het overblijfsel zijn stem: "Ik ben zeer vrolijk in de HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan..." (vers 10).

Heeft de christen van vandaag niet dezelfde redenen om de Heere te loven en zich in Hem te verheugen?

Jesaja 62:1-12
1Om Sions wil zal ik niet zwijgen, en om Jeruzalems wil zal ik niet stil zijn; totdat haar gerechtigheid voortkome als een glans, en haar heil als een fakkel, die brandt.2En de heidenen zullen uw gerechtigheid zien, en alle koningen uw heerlijkheid; en gij zult met een nieuwen naam genoemd worden, welken des HEEREN mond uitdrukkelijk noemen zal.3En gij zult een sierlijke kroon zijn in de hand des HEEREN, en een koninklijke hoed in de hand uws Gods.4Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar! en uw land: Het getrouwde; want de HEERE heeft een lust aan u, en uw land zal getrouwd worden.5Want gelijk een jongeling een jonkvrouw trouwt, alzo zullen uw kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo zal uw God over u vrolijk zijn.6O Jeruzalem! Ik heb wachters op uw muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij, die des HEEREN doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen!7En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestige, en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde.8De HEERE heeft gezworen bij Zijn rechterhand, en bij den arm Zijner sterkte: indien Ik uw koren meer zal geven tot spijs voor uw vijanden, en indien de vreemden zullen drinken uw most, waaraan gij gearbeid hebt!9Maar die het inzamelen zullen, die zullen het eten, en zij zullen den HEERE prijzen; en die hem vergaderen zullen, zullen hem drinken in de voorhoven Mijns heiligdoms.10Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt den weg des volks; verhoogt, verhoogt een baan, ruimt de stenen weg, steekt een banier omhoog tot de volken!11Ziet, de HEERE heeft doen horen, tot aan het einde der aarde: zegt de dochter van Sion: Zie, uw Heil komt; zie, Zijn loon is met Hem, en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht.12En zij zullen hen noemen het heilige volk, de verlosten des HEEREN; en gij zult genoemd worden de gezochte, de stad, die niet verlaten is.

Jeruzalem, deze eens zo doodse, onvruchtbare en eenzame vrouw, de weduwe uit hoofdstuk 54, zal worden tot "het getrouwde" (vers 4), "de gezochte, de stad, die niet verlaten is" (vers 12). De HEERE, haar Bruidegom, zal Zich dan opnieuw in haar kunnen verheugen.

Intussen worden waakzame wachters op de muren gesteld. Zij hebben de opdracht om uit te roepen: "0 gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij u wezen". In gehoorzaamheid aan dit bevel zullen de gelovige joden van de eindtijd tot God roepen: "Gedenkt aan Uw vergadering, die Gij vanouds verworven hebt; de roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt" (Psalm 74 vers 2).

Beste gelovige vrienden, een ieder van ons is door de Heere op een bepaalde plaats gesteld met een soortgelijke opdracht, die in drie woorden samengevat kan worden: "Waakt en bidt" (Mattheus 26 vers 41; 1 Petrus 4 vers 7). Onze gebeden worden Boven verwacht en Daar liggen als het ware de rijke verhoringen al klaar. Hebben ook wij niet de opdracht en het voorrecht om het hart van onze hemelse Vader aan belangrijke dingen te 'herinneren'? Denk maar aan de wereldwijde Gemeente, of aan hen die in onze woonplaats bij deze Gemeente behoren. Laten we niet zwijgen, want het is een groot voorrecht vandaag bij diegene te mogen behoren die dit bij God 'in herinnering' mogen roepen. Is het niet heel aangrijpend, dat God spreekt op een manier alsof Hij onze gebeden nodig heeft, opdat Hij aan Zijn beloften herinnerd wordt? Wat een grote genade van Zijn kant!

Jesaja 63:1-14
1Wie is Deze, Die van Edom komt met besprenkelde klederen, van Bozra? Deze, Die versierd is in Zijn gewaad? Die voorttrekt in Zijn grote kracht? Ik ben het, Die in gerechtigheid spreek, Die machtig ben te verlossen.2Waarom zijt Gij rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van een, die in de wijnpers treedt?3Ik heb de pers alleen getreden, en er was niemand van de volken met Mij; en Ik heb hen getreden in Mijn toorn, en heb hen vertrapt in Mijn grimmigheid; en hun kracht is gesprengd op Mijn klederen, en al Mijn gewaad heb Ik bezoedeld.4Want de dag der wraak was in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten was gekomen.5En Ik zag toe, en er was niemand die hielp; en Ik ontzette Mij, en er was niemand, die ondersteunde; daarom heeft Mijn arm Mij heil beschikt, en Mijn grimmigheid heeft Mij ondersteund,6En Ik heb de volken vertreden in Mijn toorn, en Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid; en Ik heb hun kracht ter aarde doen nederdalen.7Ik zal de goedertierenheden des HEEREN vermelden, den veelvoudigen lof des HEEREN, naar alles, wat de HEERE ons heeft bewezen, en de grote goedigheid aan het huis van Israel, die Hij hun bewezen heeft, naar Zijn barmhartigheden, en naar de veelheid Zijner goedertierenheden.8Want Hij zeide: Zij zijn immers Mijn volk, kinderen, die niet liegen zullen? Alzo is Hij hun geworden tot een Heiland.9In al hun benauwdheid was Hij benauwd, en de Engel Zijns aangezichts heeft hen behouden; door Zijn liefde en door Zijn genade heeft Hij hen verlost; en Hij nam hen op, en Hij droeg hen al de dagen van ouds.10Maar zij zijn wederspannig geworden, en zij hebben Zijn Heiligen Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.11Nochtans dacht Hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en Zijn volk; maar nu, waar is Hij, Die hen uit de zee opgebracht heeft, met de herders Zijner kudde? Waar is Hij, Die Zijn Heiligen Geest in het midden van hen stelde?12Die den arm Zijner heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; Die de wateren voor hunlieder aangezichten kliefde opdat Hij Zich een eeuwigen Naam maakte?13Die hen leidde door de afgronden; als een paard in de woestijn, struikelden zij niet.14Gelijk een beest, dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest des HEEREN rust gegeven. Alzo hebt Gij Uw volk geleid, opdat Gij U een heerlijken Naam zoudt maken.

Wie is Deze en vanwaar komt Hij, Die hier zo plotseling met pracht, maar tegelijkertijd zo angstaanjagend verschijnt? Waarom zit er bloed aan Zijn kleren? O, het is Degene Die de vreselijke "dag der wraak" (Lukas 21 vers 22) voltrokken heeft en na Zijn opdracht vervuld te hebben, weer terugkeert! (vers 4; hoofdstuk 61 vers 2). De volkeren hebben zich hoogst verontwaardigd op het grondgebied van Edom samengetrokken om de laatste aanval tegen God en de Zijnen te doen (zie hoofdstuk 34 vers 6). Maar ze zullen daar verpletterd worden op de wijze zoals de wijngaardenier de druiven kapot trapt in de persbak.

Misschien hebben we er moeite mee om in deze Voorvechter van gerechtigheid onze zachtmoedige Verlosser te herkennen? Maar Zijn dienst om God te verheerlijken omvat twee karakterkenmerken. Hij Die alleen was op het kruis van Golgotha, is hier alleen om het oordeel uit te voeren (vers 3). Machtig (vers 1) zal Hij door Zijn heerlijke arm handelen (vers 12), Zich een heerlijke Naam maken (vers 14) en wonen in Zijn heerlijkheid (vers 15). "En rijd voorspoedig in Uw heerlijkheid...", zegt Psalm 45 vers 5 met betrekking tot ditzelfde oordeel.

Met het gedenken van de goedertierenheden en roemvolle daden van de HEERE, begint er in vers 7 een nieuw — en dit is tevens het laatste — gedeelte van dit Bijbelboek.

Het is ook onze persoonlijke opdracht om de goedertierenheden en roemvolle daden van de Heere, aan ons bewezen, nooit te vergeten!

Jesaja 63:15-19; Jesaja 64:1-12
15Zie van den hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in.16Gij zijt toch onze Vader, want Abraham weet van ons niet, en Israel kent ons niet; Gij, o HEERE! zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam.17HEERE! waarom doet Gij ons van Uw wegen dwalen, waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vrezen? Keer weder om Uwer knechten wil, de stammen Uws erfdeels.18Uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten; onze wederpartijders hebben Uw heiligdom vertreden.19Wij zijn geworden als die, over welke Gij van ouds niet hebt geheerst, en die naar Uw Naam niet zijn genoemd.
1Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;2Gelijk een smeltvuur brandt, en het vuur de wateren doet opbobbelen, om Uw Naam aan Uw wederpartijders bekend te maken! Laat alzo de heidenen voor Uw aangezicht beven.3Toen Gij vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; Gij kwaamt neder, van Uw aangezicht vervloten de bergen.4Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht.5Gij ontmoet den vrolijke, en die gerechtigheid doet dengenen, die Uwer gedenken op Uw wegen; zie, Gij waart verbolgen, omdat wij gezondigd hebben; in dezelve is de eeuwigheid, opdat wij behouden wierden.6Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind.7En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe; want Gij verbergt Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten, door middel van onze ongerechtigheden.8Doch nu, HEERE! Gij zijt onze Vader; wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk.9HEERE! wees niet zo zeer verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk.10Uw heilige steden zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem een verwoesting.11Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden, is met vuur verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden.12HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?

Het getrouwe overblijfsel gedenkt "de grote goedheid" die de God van Israël aan Zijn volk bewezen heeft (hoofdstuk 63 vers 7). Zou Hij hen nu kunnen verlaten, terwijl Hij hen zulke bewijzen van Zijn liefde gegeven heeft? Daarom richten zij zich tot het hart van deze behulpzame God, Die hun Vader is (hoofdstuk 63 vers 16; 64 vers 8). "Zie van de hemel af...". Maar dat is nog niet voldoende voor hen. "Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij neerkwaamt...", roepen ze uit.

Dat is het wat Christus de eerste keer tot ons heil gedaan heeft. Maar later zal Hij nog een keer neerdalen, om de Zijnen, die beproefd zijn, te bevrijden, doordat Hij hun vijanden zal vernietigen (Psalm 18 vers 10; 144 vers 5).

Vers 6 vergelijkt "al onze gerechtigheden" met een bevlekt kleed. We kunnen begrijpen dat zonden verontreinigen. Maar geldt dat ook voor onze gerechtigheden? Toch is het zo! Alles wat wij voor onze bekering aan goeds en rechtvaardige dingen konden doen, lijkt slechts op lompen, lompen die onze ellende alleen maar bevestigen in plaats van haar te verbergen. De Heere vervangt deze vieze kleren echter door de klederen des heils en de mantel der gerechtigheid (hoofdstuk 61 vers 10; Zacharia 3 vers 1 tot en met 5).

Wij werden gevormd zoals het leem op de schijf van een pottenbakker (vers 8). Van onszelf bezitten we niet meer waarde dan het stof waaruit we zijn voortgekomen (Psalm 100 vers 3). Alleen het werk van de Goddelijke Formeerder telt! Hij heeft Zich alle moeite getroost om van ons 'vaten tot eer' te maken (2 Timotheüs 2 vers 21).

Jesaja 65:1-12
1Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.2Ik heb Mijn handen uitgebreid, den gansen dag tot een wederstrevig volk, die wandelen op een weg, die niet goed is, naar hun eigen gedachten.3Een volk, Mij geduriglijk tergende in Mijn aangezicht, in hoven offerende, en rokende op tichelstenen;4Zittende bij de graven, zo vernachten zij bij degenen, die bewaard worden, etende zwijnenvlees, en er is sap van gruwelijke dingen in hun vaten.5Die daar zeggen: Houd u tot uzelven, en naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij. Dezen zijn een rook in Mijn neus, een vuur, den gansen dag brandende.6Ziet, het is voor Mijn aangezicht geschreven; Ik zal niet zwijgen, maar Ik zal vergelden, ja, in hun boezem zal Ik vergelden;7Uw ongerechtigheden, en uwer vaderen ongerechtigheden tegelijk, zegt de HEERE, die gerookt hebben op de bergen, en Mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen; daarom zal Ik hun vorig werkloon in hun boezem weder toemeten.8Alzo zegt de HEERE: Gelijk wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want er is een zegen in; alzo zal Ik het om Mijner knechten wil doen, dat Ik hen niet allen verderve.9En Ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda een erfbezitter van Mijn bergen; en Mijn uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten, en Mijn knechten zullen aldaar wonen.10En Saron zal tot een schaapskooi worden, en het dal van Achor tot een runderleger, voor Mijn volk, dat Mij gezocht heeft.11Maar gij verlaters des HEEREN, gij vergeters van den berg Mijner heiligheid, gij aanrichters ener tafel voor die bende, en gij opvullers des dranks voor dat getal!12Ik zal ulieden ook ten zwaarde tellen, dat gij allen u ter slachting zult krommen, omdat Ik geroepen heb, maar gij hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar gij hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen, en hebt verkoren hetgeen, waaraan Ik geen lust heb.

"Ik ben gevonden door hen, die naar Mij niet vroegen...", waagt Jesaja hier te schrijven. Zo zegt Paulus dat tenminste als hij dit vers in Romeinen 10 vers 20 aanhaalt. Geleid door de Geest zet de profeet hier inderdaad duidelijk de deur open voor de volken die God niet zochten en niet naar Hem vernoemd werden (hoofdstuk 49 vers 6).

Wat een onbeschaamde, om niet te zeggen ergerlijke verklaring in de oren van de Israëlieten, die zo trots op hun voorrechten waren! Het vormde echter een onderdeel van de nog niet gehoorde dingen die in het voorgaande hoofdstuk genoemd werden (vers 4).

De belijdenis en het smeken van het arme overblijfsel besluiten met de angstige vraag: "Zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?" (hoofdstuk 64 vers 12). Nee, een berouwvol hart richt zich nooit tevergeefs tot de Heere (Psalm 51 vers 19). Dat kent een ieder van ons toch uit eigen ervaring?

God zal dus niet zwijgen. Hij neemt het woord en zal, zogezegd, tot aan het eind van het Boek blijven spreken. Voordat Hij echter kan openbaren wat Hij voor hen die op Hem vertrouwen, bereid heeft (Zijn uitverkorenen en Zijn knechten; vers 9 en hoofdstuk 64 vers 4), moet Hij de definitieve verdoemenis aankondigen. En dat geldt niet alleen voor de volken die Israël vijandig gezind zijn, maar ook voor de meerderheid van dit opstandige en afvallige volk zelf.

Jesaja 65:13-25
13Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Mijn knechten zullen eten, doch gijlieden zult hongeren; ziet, Mijn knechten zullen drinken, doch gijlieden zult dorsten; ziet, Mijn knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijn.14Ziet, Mijn knechten zullen juichen van goeder harte, maar gijlieden zult schreeuwen van weedom des harten, en van verbreking des geestes zult gij huilen.15En gijlieden zult uw naam Mijn uitverkorenen tot een vervloeking laten; en de Heere HEERE zal ulieden doden, maar Zijn knechten zal Hij met een anderen naam noemen;16Zodat, wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in den God der waarheid; en wie zal zweren op aarde, die zal zweren bij den God der waarheid, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat zij voor Mijn ogen verborgen zijn.17Want ziet, Ik schep nieuwe hemelen en een nieuwe aarde; en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zullen in het hart niet opkomen.18Maar weest gijlieden vrolijk, en verheugt u tot in der eeuwigheid in hetgeen Ik schep; want ziet, Ik schep Jeruzalem een verheuging, en haar volk een vrolijkheid.19En Ik zal Mij verheugen over Jeruzalem, en vrolijk zijn over Mijn volk; en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der wening, noch de stem des geschreeuws.20Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen, noch een oud man, die zijn dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven, honderd jaren oud zijnde, maar een zondaar, honderd jaren oud zijnde, zal vervloekt worden.21En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten, en derzelver vrucht eten.22Zij zullen niet bouwen, dat het een ander bewone; zij zullen niet planten, dat het een ander ete, want de dagen Mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, en Mijn uitverkorenen zullen het werk hunner handen verslijten.23Zij zullen niet tevergeefs arbeiden, noch baren ter verstoring; want zij zijn het zaad der gezegenden des HEEREN, en hun nakomelingen met hen.24En het zal geschieden, eer zij roepen, zo zal Ik antwoorden; terwijl zij nog spreken, zo zal Ik horen.25De wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stro eten als een rund, en stof zal de spijze der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op Mijn gansen heiligen berg zegt de HEERE.

De trouwe Israëlieten zullen lange tijd verbonden (vermengd) zijn met het volk als geheel dat de Antichrist zal navolgen. Maar het moment zal aanbreken waarop God hen weet te vinden en hen als Zijn knechten zal belonen. Dan zullen ze al het lijden vergeten zijn en zullen ze "juichen van goeder harte" (vers 14).

De wereld kent ons, de ware kinderen van God, nu niet, net zoals men Hem niet gekend heeft. Maar eens zullen wij door en met de Heere openbaar worden bij Zijn heerlijke verschijning (1 Johannes 3 vers 1 en 2). Zou onze vreugde daarom nu minder groot zijn?

God zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde scheppen. Het gaat daarbij nog niet om een totale vervanging van het tegenwoordige heelal door nieuwe elementen, zoals dat in 2 Petrus 3 vers 13 en Openbaring 21 vers 1 gezegd wordt. Maar tijdens het duizendjarig rijk zullen toch zowel de hemel — bevrijd van de tegenwoordigheid van satan — als ook de aarde — die dan aan de Heere onderworpen is — zich in een nieuwe toestand bevinden. De schepping zal dan bevrijding ervaren (Romeinen 8 vers 22). Het menselijke leven zal verlengd worden; de leeftijd van honderd jaar zal gelijk zijn aan dat van een jongeman in zijn volle kracht; de dood zal dan nog slechts een uitzonderlijke straf zijn (Spreuken 2 vers 22; Psalm 37 vers 9). Zelfs bij de dieren zullen de natuurlijke driften om te doden verdwenen zijn (vers 25).

Jesaja 66:10-24
10Verblijdt u met Jeruzalem, en verheugt u over haar, al haar liefhebbers! Weest vrolijk over haar met vreugde, gij allen, die over haar zijt treurig geweest!11Opdat gij moogt zuigen, en verzadigd worden van de borsten harer vertroostingen; opdat gij moogt uitzuigen, en u verlusten met den glans harer heerlijkheid.12Want alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal den vrede over haar uitstrekken als een rivier, en de heerlijkheid der heidenen als een overlopende beek; dan zult gijlieden zuigen; gij zult op de zijden gedragen worden, en op de knieen zeer vriendelijk getroeteld worden.13Als een, dien zijn moeder troost, alzo zal Ik u troosten; ja, gij zult te Jeruzalem getroost worden.14En gij zult het zien, en uw hart zal vrolijk zijn, en uw beenderen zullen groenen als het tedere gras; dan zal de hand des HEEREN bekend worden aan Zijn knechten, en Hij zal Zijn vijanden gram worden.15Want ziet, de HEERE zal met vuur komen, en Zijn wagenen als een wervelwind; om met grimmigheid Zijn toorn hiertoe te wenden, en Zijn schelding met vuurvlammen.16Want met vuur, en met Zijn zwaard zal de HEERE in het recht treden met alle vlees; en de verslagenen des HEEREN zullen vermenigvuldigd zijn.17Die zichzelven heiligen, en zichzelven reinigen in de hoven, achter een in het midden derzelve, die zwijnenvlees eten, en verfoeisel, en muizen; te zamen zullen zij verteerd worden, spreekt de HEERE.18Hun werken en hun gedachten! Het komt, dat Ik vergaderen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen, en zij zullen Mijn heerlijkheid zien.19En Ik zal een teken aan hen zetten, en uit hen, die het ontkomen zullen zijn, zal Ik zenden tot de heidenen naar Tarsis, Pul, en Lud, de boogschutters, naar Tubal en Javan, tot de ver gelegen eilanden, die Mijn gerucht niet gehoord, noch Mijn heerlijkheid gezien hebben; en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.20En zij zullen al uw broeders uit alle heidenen den HEERE ten spijsoffer brengen, op paarden, en op wagenen, en op rosbaren, en op muildieren, en op snelle lopers, naar Mijn heiligen berg toe, naar Jeruzalem, zegt de HEERE, gelijk als de kinderen Israels het spijsoffer in een rein vat brengen ten huize des HEEREN.21En ook zal Ik uit dezelve enigen tot priesters en tot Levieten nemen, zegt de HEERE.22Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de HEERE, alzo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan.23En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van den enen sabbat tot den anderen, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.24En zij zullen henen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen der lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen allen vlees een afgrijzing wezen.

Jeruzalem zal een onderwerp van vreugde zijn voor de getrouwen van het volk. "Verheugt u over haar, al haar liefhebbers!" (vers 10). Psalm 122 richt zich tot hen: "Bidt om de vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen" (vers 6). Als antwoord op dit gebed verspreidt zich de vrede over de stad, die het uitgangspunt van de kennis van de heerlijkheid van God voor alle volken van de aarde zal zijn.

De Heere luistert vandaag nog precies zo naar de gebeden van hen die Zijn Gemeente liefhebben (Psalm 122 vers 6; 2 Korinthe 11 vers 28). Laten we toch bidden dat de Gemeente in vrede bewaard mag blijven en dat Zij de heerlijkheid van Christus hier beneden op aarde mag openbaren.

Zelfs te midden van het geluk van het duizendjarig rijk moet een zichtbaar getuigenis van het aardse oordeel over de onrechtvaardigen blijven bestaan. Een ernstig gedenkteken zal iedereen hieraan herinneren, zoals dat ook gebeurde door de grote hoop stenen op het graf van Absalom (2 Samuël 18 vers 17).

Zo besluit het prachtige Boek Jesaja, het langste van alle profetische Boeken en in het Nieuwe Testament het meest aangehaald (ongeveer zestig keer), en ook het Boek waarin de Heere Jezus in Zijn lijden en heerlijkheid zo'n grote plaats heeft!

Mattheüs 1:1-17
1Het boek des geslachts van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van David, den zoon van Abraham.2Abraham gewon Izak, en Izak gewon Jakob, en Jakob gewon Juda, en zijn broeders;3En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram;4En Aram gewon Aminadab, en Aminadab gewon Nahasson, en Nahasson gewon Salmon;5En Salmon gewon Booz bij Rachab, en Booz gewon Obed bij Ruth, en Obed gewon Jessai;6En Jessai gewon David, den koning; en David, den koning, gewon Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest;7En Salomon gewon Roboam, en Roboam gewon Abia, en Abia gewon Asa;8En Asa gewon Josafat, en Josafat gewon Joram, en Joram gewon Ozias;9En Ozias gewon Joatham, en Joatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekias;10En Ezekias gewon Manasse, en Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josias;11En Josias gewon Jechonias, en zijn broeders, omtrent de Babylonische overvoering.12En na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiel, en Salathiel gewon Zorobabel;13En Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor;14En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud;15En Eliud gewon Eleazar, en Eleazar gewon Matthan, en Matthan gewon Jakob;16En Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is JEZUS, gezegd Christus.17Al de geslachten dan, van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en van David tot de Babylonische overvoering, zijn veertien geslachten; en van de Babylonische overvoering tot Christus, zijn veertien geslachten.

De stemmen van de profeten hebben al vier eeuwen lang gezwegen. Nu is echter voor God "de volheid van de tijd gekomen" (Galaten 4 vers 4). Hij zal "door de Zoon" (of zoals een andere vertaling het zegt "in Zoon") spreken en Zijn volk, de aarde, alsook ieder van ons persoonlijk, de goede boodschap van het evangelie brengen (Hebreeën 1 vers 1 en 2). Die boodschap kunnen we in een paar woorden samenvatten: het is de gave van deze Zoon.

Maar hoe kunnen wij, met ons beperkte verstand, indringen in de kennis van zo'n verheven Persoon? Daar heeft God voor gezorgd! Hij heeft ons de vier evangeliën gegeven, waarin wij de heerlijkheid van Zijn Zoon, vanuit verschillende gezichtspunten, mogen bezien. Het is net als met een kostbaar voorwerp dat je om en om draait, om het van alle kanten te bekijken en te bewonderen.

Mattheus is het evangelie van de Koning. Hier is een geslachtsregister nodig, om te laten zien dat de Messias past in het geheel van de beloften die Abraham ontvangen heeft en om Zijn aanspraak als Erfgenaam op de troon van David onweerlegbaar aan te tonen (Galaten 3 vers 16 en Johannes 7 vers 42). In deze lange lijst zijn de namen van een aantal beruchte personen (Achaz, Manasse, Amon...), niet uitgewist. Voordat God de Redder openbaart, laat Hij nog een keer duidelijk zien dat iedereen, in elke generatie —of het nu gaat om een patriarch, een koning of een oneerbare vrouw —persoonlijk hetzelfde heil en hetzelfde evangelie nodig heeft.

Beste lezer, dat geldt evengoed voor jou als voor ieder ander mens!

Mattheüs 1:18-25; Mattheüs 2:1-6
18De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, Zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest.19Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar heimelijk te verlaten.20En alzo hij deze dingen in den zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest;21En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.22En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is, door den profeet, zeggende:23Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.24Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen;25En bekende haar niet, totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.
1Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judea, in de dagen van den koning Herodes, ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen.2Zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien Zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.3De koning Herodes nu, dit gehoord hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem.4En bijeenvergaderd hebbende al de overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zou geboren worden.5En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judea gelegen; want alzo is geschreven door den profeet:6En gij Bethlehem, gij land Juda! zijt geenszins de minste onder de vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israel weiden zal.

De Heere Jezus wilde op dezelfde wijze op deze aarde komen als ieder ander mens, dat wil zeggen door de geboorte. Als het voorwerp van een bijzondere genade werden Jozef en Maria uitgekozen om het Goddelijke Kind te ontvangen en groot te brengen. De raadsbesluiten van God gingen in vervulling; in overeenstemming met de profetieën vindt de geboorte van de Erfgenaam van de troon van David plaats in de koninklijke stad Bethlehem.

We lezen in dit evangelie niets over een kribbe die diende als wieg voor Hem, noch van iets anders wat herinnert aan Zijn armoede. Integendeel, God waakt erover dat Zijn Zoon door een aantal voorname bezoekers, de wijzen uit het Morgenland, uit het Oosten, geëerd wordt.

Wat de leiders van de Joden betreft, was er onder hen niemand in zo'n geestelijke toestand dat hij in staat zou zijn de Messias van Israël te aanbidden. Zij zagen niet uit naar Zijn komst. We bevinden ons hier overigens in één van de donkerste tijdsperioden uit de geschiedenis van dit volk. De wrede Herodes regeerde in Jeruzalem, hetgeen niet in overeenstemming was met de wet, omdat hij een Edomiet was (Deuteronomium 17 vers 15).

Met uitzondering van een klein aantal Godvrezende mensen, over wie we in het Lukasevangelie lezen, verwachtte niemand in Israël de Christus. En vandaag? Hoevelen van hen die zich christenen noemen, zien nu werkelijk uit naar Zijn wederkomst?

Mattheüs 2:7-23
7Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en vernam naarstiglijk van hen den tijd, wanneer de ster verschenen was;8En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk naar dat Kindeken, en als gij Het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik ook kome en Datzelve aanbidde.9En zij, den koning gehoord hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het Kindeken was.10Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer grote vreugde.11En in het huis gekomen zijnde, vonden zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken: goud en wierook, en mirre.12En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeren tot Herodes, vertrokken zij door een anderen weg weder naar hun land.13Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden.14Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte;15En was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.16Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en enigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had.17Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende:18Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!19Toen Herodes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte.20Zeggende: Sta op, neem het Kindeken en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israels; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten.21Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kindeken en Zijn moeder, en is gekomen in het land Israels.22Maar als hij hoorde, dat Archelaus in Judea koning was, in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de delen van Galilea.23En daar gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazarener zal geheten worden.

Na een lange reis, die in Psalm 72 vers 10 werd aangeduid, zijn deze wijzen door een ster naar het Kind geleid. Wat een vreugde voor hen! Zij ontmoeten Hem, huldigen Hem en geven Hem offeranden. Daarna "vertrokken zij door een andere weg weer naar hun land" (vers 12). Is dat niet de geschiedenis van iedereen die tot de Verlosser komt?

De moordlustige plannen van Herodes zijn verijdeld. En hetzelfde geldt voor de plannen van satan, die probeerde om Hem, Die hem zou overwinnen, vanaf Zijn intrede in deze wereld uit de weg te ruimen. De reis naar Egypte, in opdracht van God, zodat het Kind zou ontkomen aan deze misdadige bedoelingen, laat ook duidelijk de genade zien van Hem, Die dezelfde weg wilde gaan als eens Zijn volk.

In het voorgaande hoofdstuk heeft het Goddelijke Kind al twee Namen ontvangen: de Naam Jezus (Heiland-God; hoofdstuk 1 vers 21), die voor het hart van elke gelovige zo kostbaar is, en de Naam Emmanuël (God met ons; hoofdstuk 1 vers 23). In vers 23 (van het hoofdstuk voor vandaag) ontvangt Hij de Naam Nazarener. Deze heeft een drievoudige betekenis. Ten eerste is de Heere Jezus in moreel opzicht, als de ware Nazireeër, volkomen afgezonderd voor en toegewijd aan God (Numeri 6). Vervolgens is Hij ook het vruchtdragende nieuwe Rijsje uit de tronk van Isaï (de vader van David), zie Jesaja 11 vers 1 (in het Hebreeuws wordt spruit of rijsje vertaald met 'nezer'). En ten slotte zal Hij gedurende dertig jaren een onbekende Burger van de verachte stad Nazareth zijn (Johannes 1 vers 46 en 47).

Mattheüs 3:1-17
1En in die dagen kwam Johannes de Doper, predikende in de woestijn van Judea,2En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.3Want deze is het, van denwelken gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!4En dezelve Johannes had zijn kleding van kemelshaar, en een lederen gordel om zijn lenden; en zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.5Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judea, en het gehele land rondom de Jordaan;6En werden van hem gedoopt in de Jordaan, belijdende hun zonden.7Hij dan, ziende velen van de Farizeen en Sadduceen tot zijn doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?8Brengt dan vruchten voort, der bekering waardig.9En meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.10En ook is alrede de bijl aan den wortel der bomen gelegd; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.11Ik doop u wel met water tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur dopen.12Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusselijk vuur verbranden.13Toen kwam Jezus van Galilea naar de Jordaan, tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.14Doch Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij is nodig van U gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?15Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van Hem af.16En Jezus, gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en ziet, de hemelen werden Hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen, gelijk een duive, en op Hem komen.17En ziet, een stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!

De komst van een belangrijk persoon wordt meestal voorafgegaan door een gezant. Op die manier maakt Johannes de Doper hier bekend dat de Koning spoedig zal verschijnen. Maar Hij kan Zijn plaats, te midden van een volk dat onverschillig staat tegenover haar zondige toestand, niet innemen. Daarom is de prediking van Johannes een oproep tot berouw. De Farizeeën en de Sadduceeën, die zichzelf goed vonden en gekomen waren om zich te laten dopen, kondigt hij daarentegen het oordeel aan.

We kunnen ons best indenken dat Johannes in verwarring raakte toen Hij, "wiens schoenen" hij zichzelf niet waardig achtte "Hem na te dragen" (vers 11), bij hem kwam om gedoopt te worden. Maar in vers 15 horen we de eerste woorden die de Heere Jezus in dit evangelie uitspreekt: "Laat nu af", of zoals andere vertalingen het zeggen: "Laat Mij nu begaan (geworden)". De mens kon niet anders dan kwaad doen; voortaan betaamt het om God in Christus te laten handelen, om zo "alle gerechtigheid te vervullen" (Romeinen 10 vers 3). "Toen liet hij van Hem af", met andere woorden: 'toen liet hij Hem begaan', wordt er dan van Johannes gezegd, hoewel het Johannes was die doopte. Is het voor ons ook niet altijd het beste om de Heere Jezus te laten begaan?

We lezen dat de Heere Jezus "terstond" opklom uit het water, want Hij had immers niets te belijden. En dan lezen wij dat de hemel opengaat en er een tweevoudig getuigenis van Hem gegeven wordt: de Heilige Geest daalt op Hem neer, zoals eens de zalfolie waarmee de koning aangeduid werd (vergelijk 1 Samuël 16 vers 13). Tegelijkertijd hoort Hij Zijn Vader die kostbare woorden van liefde en erkenning uitspreken.

Mattheüs 4:1-11
1Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.2En als Hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde Hem ten laatste.3En de verzoeker, tot Hem gekomen zijnde, zeide: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze stenen broden worden.4Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door den mond Gods uitgaat.5Toen nam Hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde Hem op de tinne des tempels;6En zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp Uzelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, en dat zij U op de handen zullen nemen, opdat Gij niet te eniger tijd Uw voet aan een steen aanstoot.7Jezus zeide tot hem: Er is wederom geschreven: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.8Wederom nam Hem de duivel mede op een zeer hogen berg, en toonde Hem al de koninkrijken der wereld, en hun heerlijkheid;9En zeide tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, indien Gij, nedervallende, mij zult aanbidden.10Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: Den Heere, uw God, zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen.11Toen liet de duivel van Hem af; en ziet, de engelen zijn toegekomen, en dienden Hem.

Voorzien van de kracht van de Heilige Geest, is de Heere Jezus gereed om Zijn dienst te vervullen. Maar zoals elke dienstknecht van God moet ook Hij eerst op de proef gesteld worden. Daarom wordt Hij hier met de grote vijand geconfronteerd.

Satan past hoofdzakelijk twee verschillende tactieken toe, om een man van God van de weg van gehoorzaamheid af te brengen. Of hij stelt hem de angstaanjagende dingen op die weg voor ogen (voor Christus was dat in het bijzonder de strijd in de hof van Gethsémané), of hij biedt daarentegen juist allerlei aantrekkelijke dingen aan die niet op die weg voorkomen, die dus als het ware naast de weg liggen. En dat is wat de duivel hier bij de Heere Jezus doet.

Het is goed erop te letten dat hij er zelf voor oppast om bij de aanhaling van Psalm 91 vers 11 en 12, vers 13 niet te noemen! Dat vers spreekt namelijk van zijn eigen vernietiging: "Op de felle leeuw en de adder zult gij treden, gij zult de jonge leeuw en de draak vertreden". Genesis 3 vers 15 kondigt aan dat Christus, het zaad van de vrouw, de kop van de slang zal vermorzelen. Terwijl de eerste Adam in de Hof van Eden, waar hij aan niets gebrek had, door de lust van het vlees, de lust van de ogen en de hoogmoed van het leven een drievoudige nederlaag leed, triomfeert de volmaakte Mens door het onfeilbare Woord van Zijn God in de woestijn over de oude slang (1 Johannes 2 vers 16; Psalm 17 vers 4). En waarin Hijzelf geleden heeft, toen Hij verzocht werd, is Hij in staat om hen die nu verzocht worden, te hulp te komen (Hebreeën 2 vers 18).

Mattheüs 4:12-25
12Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd naar Galilea;13En Nazareth verlaten hebbende, is komen wonen te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpale van Zebulon en Nafthali;14Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:15Het land Zebulon en het land Nafthali aan den weg der zee over de Jordaan, Galilea der volken;16Het volk, dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien; en dengenen, die zaten in het land en de schaduwe des doods, denzelven is een licht opgegaan.17Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken en te zeggen: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.18En Jezus, wandelende aan de zee van Galilea, zag twee broeders, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers);19En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken.20Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.21En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder, in het schip met hun vader Zebedeus, hun netten vermakende, en heeft hen geroepen.22Zij dan, terstond verlatende het schip en hun vader, zijn Hem nagevolgd.23En Jezus omging geheel Galilea, lerende in hun synagogen en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.24En Zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrie; en zij brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en geraakten; en Hij genas dezelve.25En vele scharen volgden Hem na, van Galilea en van Dekapolis, en van Jeruzalem, en van Judea, en van over de Jordaan.

In vers 16 worden de woorden uit Jesaja 9 vers 1 en 2 aangehaald, maar... met een klein verschil! Ten tijde van de profeet 'wandelde' het volk nog in duisternis, maar nu 'zit' het. Het heeft namelijk een plaats ingenomen ver verwijderd van het licht van God en heeft alle moed en hoop verloren. Dát is juist het moment waarop God kan ingrijpen! Hij, Die het Licht is, verschijnt, brengt de bevrijding en gaat verder.

Naar aanleiding van Zijn oproep worden sommigen door Zijn liefde getroffen, komen tot Hem en volgen Hem. Hier twee, daar twee: Simon en Andreas, Jakobus en Johannes. Voor deze mannen is dit het beslissende ogenblik, dat plotseling hun hele leven veranderde en dat ze nooit zullen vergeten (hoofdstuk 19 vers 27). Ja, "terstond" verlaten zij hun vader, het schip en de netten. Daarvoor in de plaats vinden ze echter een Meester, zoals er nog nooit eerder geweest is. Bovendien ontvangen ze de belofte van een nieuwe opdracht: ze zullen vissers van mensen worden. Wanneer het moment daarvoor is aangebroken, zal de Heere evangelisten en apostelen van hen maken.

Er wordt niet van alle christenen verwacht dat zij hun broodwinning eraan geven of zich het genot van familiebanden moeten ontzeggen. Maar allen hebben toch ooit diep in hun hart die bekende stem gehoord die sprak: Volg Mij! Heb jij daar al op geantwoord?

De verzen 23 en 24 geven op een bewonderenswaardige wijze een samenvatting van de liefdevolle werken van de Heere Jezus.

Mattheüs 5:1-16
1En Jezus, de schare ziende, is geklommen op een berg, en als Hij nedergezeten was, kwamen Zijn discipelen tot Hem.2En Zijn mond geopend hebbende, leerde Hij hen, zeggende:3Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.4Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.5Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven.6Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.7Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.8Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.9Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.10Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.11Zalig zijt gij, als u de mensen smaden, en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken, om Mijnentwil.12Verblijdt en verheugt u; want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de profeten, die voor u geweest zijn.13Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen, en van de mensen vertreden te worden.14Gij zijt het licht der wereld; een stad boven op een berg liggende, kan niet verborgen zijn.15Noch steekt men een kaars aan, en zet die onder een koornmaat, maar op een kandelaar, en zij schijnt allen, die in het huis zijn;16Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

De Heere Jezus volgen betekent in de eerste plaats Hem gehoorzamen (Johannes 12 vers 26). Daarbij kan men dezelfde karakterkenmerken als Hij gaan openbaren. In deze kenmerken onderwijst de Heere nu Zijn discipelen. Zalig zij die een eenvoudig geloof hebben en niet meer op hun eigen verstand vertrouwen. Zalig zij die bedroefd zijn over al het kwaad hier op aarde, zonder daarbij vermoeid te worden van het beoefenen van goedertierenheid en barmhartigheid ten opzichte van de bewoners van deze aarde. Zalig zij die ter wille van de Naam van de Heere allerlei onrechtvaardigheid en vervolgingen te verduren hebben... En dat is absoluut niet het soort geluk dat de meeste mensen zichzelf graag toewensen. Maar om echt gelukkig te zijn, is het voor de gelovigen voldoende te weten de erkenning van de Heere te bezitten. En de vreugden van het rijk staan hen te wachten.

In de verzen 13 en 14 gaat het om hun huidige situatie. Als de christen zich verre houdt van het kwaad, dan vervult hij hier op aarde de rol van "het zout", dat het bederf weert; hij heeft dan de werking van het zout in zich, dat hij dient door te geven (zie Job 6 vers 6). Bovendien is hij ook "licht". En daarmee is hij ervoor verantwoordelijk om de kenmerken van God te laten schijnen voor de mensen — en allereerst voor de ogen van hen "die in het huis zijn", dat wil zeggen: voor het eigen gezin, maar ook voor hen die in het huis van God zijn, dus de medegelovigen.

De korenmaat is een symbool voor het handelen en zakendoen van de mens. Het bed spreekt daarentegen van luiheid. Laten we erom denken dat beide dingen in staat zijn om het licht dat kinderen van God moeten laten schijnen, uit te schakelen!

Mattheüs 5:17-30
17Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen, om die te ontbinden, maar te vervullen.18Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.19Zo wie dan een van deze minste geboden zal ontbonden, en de mensen alzo zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen; maar zo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.20Want Ik zeg u: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden en der Farizeen, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.21Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; maar zo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.22Doch Ik zeg u: Zo wie te onrecht op zijn broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht; en wie tot zijn broeder zegt: Raka! die zal strafbaar zijn door den groten raad; maar wie zegt: Gij dwaas! die zal strafbaar zijn door het helse vuur.23Zo gij dan uw gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw broeder iets tegen u heeft;24Laat daar uw gave voor het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave.25Weest haastelijk welgezind jegens uw wederpartij, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.26Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.27Gij hebt gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.28Maar Ik zeg u, dat zo wie een vrouw aan ziet, om dezelve te begeren, die heeft alrede overspel in zijn hart met haar gedaan.29Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.30En indien uw rechterhand u ergert, houwt ze af, en werpt ze van u; want het is u nut, dat een uwer leden verga, en niet uw gehele lichaam in de hel geworpen worde.

Je kunt de verzen 17 en volgende niet lezen zonder daarbij een zekere angst te voelen. De Heere maakt niet alleen duidelijk dat Hij niet alleen gekomen is om de wet van God, die ons allen veroordeelde, te ontbinden, maar geeft hier juist een veel strengere uitleg van de Goddelijke wil. Tot hiertoe kon een gewetensvolle Israëliet erop hopen het eeuwige leven te zullen verwerven wanneer hij in meer of mindere mate "al deze dingen" van jongs af aan heeft onderhouden (zie Markus 10 vers 20). Nu laten de woorden van de Heere Jezus echter geen hoop meer voor hem bestaan. Als dát de heilige eisen van God zijn, wie kan dan gered worden? Ja, alleen in Hem, in deze onvergelijkbare Mens, was de Goddelijke gerechtigheid ten volle aanwezig. Dezelfde Persoon, Die gekomen was om het ons bekend te maken, is ook gekomen om het in onze plaats te vervullen (vers 17; Psalm 40 vers 8 - 10).

Het oude Jodendom bekommerde zich er niet om, hoe God over toorn of onreine blikken dacht. Het veroordeelde daarvan alleen de slechtste vruchten: moord en echtbreuk. De geboden van de Heere gaan daarentegen terug tot op de bron van deze strafbare daden. Zijn geboden maken ons ervan bewust dat deze daden voortkomen uit ons hart, dat tot hetzelfde in staat is (hoofdstuk 15 vers 19). Want voordat wij iets van de genade kunnen begrijpen, moeten we inzien hoezeer wij die nodig hebben!

Mattheüs 5:31-48
31Er is ook gezegd: Zo wie zijn vrouw verlaten zal, die geve haar een scheidbrief.32Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaten zal, anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt, dat zij overspel doet; en zo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel.33Wederom hebt gij gehoord, dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar gij zult den Heere uw eden houden.34Maar Ik zeg u: Zweert ganselijk niet, noch bij den hemel, omdat hij is de troon Gods;35Noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank Zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groten Konings;36Noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet een haar kunt wit of zwart maken;37Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen; wat boven deze is, dat is uit den boze.38Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog om oog, en tand om tand.39Maar Ik zeg u, dat gij den boze niet wederstaat; maar, zo wie u op de rechterwang slaat, keert hem ook de andere toe;40En zo iemand met u rechten wil, en uw rok nemen, laat hem ook den mantel;41En zo wie u zal dwingen een mijl te gaan, gaat met hem twee mijlen.42Geeft dengene, die iets van u bidt, en keert u niet af van dengene, die van u lenen wil.43Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben, en uw vijand zult gij haten.44Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen;45Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is; want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.46Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?47En indien gij uw broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzo?48Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, Die in de hemelen is, volmaakt is.

Laten we niet vergeten Wie het is Die hier tot ons spreekt: de Messias, de Koning van Israël. Zijn lessen worden vaak de grondwet van het rijk genoemd, want zij geven de voorwaarden weer waaraan de burgers van dat rijk hebben te voldoen. Er bestaat echter een groot verschil tussen Zijn lessen en de condities en wetten van de volken van deze aarde, die gebaseerd zijn op de verdediging van de mensenrechten en het zelfzuchtige principe: 'ieder het zijne'! De lessen van de Heere spreken daarentegen niet alleen over het principe van geweldloosheid, maar ook over liefde, ootmoed en zelfverloochening, dingen die de geest van deze wereld volkomen vreemd zijn! Er zijn mensen die menen dat zulke geboden hier op aarde niet toegepast kunnen worden. Zouden christenen die ze letterlijk in praktijk willen brengen, dan immers niet als weerloze slachtoffers aan de mensheid overgeleverd zijn? We kunnen er zeker van zijn dat God hen dan zal beschermen. Bovendien zou zo'n gedrag van christenen tot een geweldig getuigenis zijn, waardoor anderen, die de gelovigen zouden willen benadelen, beschaamd zullen worden en misschien zou het mogen bijdragen tot hun bekering.

De verzen 38 - 48 maken ons nederig en wijzen ons terecht. Wat is er bij ons toch vaak maar weinig zichtbaar van hetgeen over de Heere Jezus gezegd wordt in 1 Petrus 2 vers 22 en 23, Jakobus 5 vers 6 en andere Schriftgedeelten. Laten we er meer aan denken dat we geroepen zijn om Zijn voetstappen na te volgen (1 Petrus 2 vers 21).

Mattheüs 6:1-18
1Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is.2Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geeerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: Zij hebben hun loon weg.3Maar als gij aalmoes doet, zo laat uw linker hand niet weten, wat uw rechter doet;4Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.5En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.6Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.7En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden.8Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt.9Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd.10Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde.11Geef ons heden ons dagelijks brood.12En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.13En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.14Want indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader ook u vergeven.15Maar indien gij den mensen hun misdaden niet vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven.16En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht, gelijk de geveinsden; want zij mismaken hun aangezichten, opdat zij van de mensen mogen gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben.17Maar gij, als gij vast, zalft uw hoofd, en wast uw aangezicht;18Opdat het van de mensen niet gezien worde, als gij vast, maar van uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.

De aalmoezen (vers 1 - 4), de gebeden (vers 5 - 15) en het vasten (vers 16 - 18) worden door veel mensen als de drie hoofdzaken gezien waardoor zij menen verder geen 'godsdienstige verplichtingen' meer te hebben. Als men deze dingen echter doet om in aanzien te komen bij anderen, dan staat dat aanzien gelijk aan de beloning die men oogst (Johannes 5 vers 44). Ach, het hart van de mens is zo arglistig dat het gebruik maakt van de beste dingen om zelf belangrijk te zijn. De royaalste gave, vooropgesteld dat anderen ervan weten, kan dan hand in hand gaan met de ergste zelfzuchtigheid. Op iemands gezicht kan berouw te lezen zijn, terwijl hij op hetzelfde moment, diep in z'n hart, erg tevreden met zichzelf is.

De Heere leert ons bidden. Daarbij gaat het in geen enkel opzicht om een bepaalde verdienste, maar om het ootmoedig voorleggen van alle behoeften aan de hemelse Vader. En... dat gebeurt in het verborgen. Lijken onze gebeden soms echter niet op woorden die automatisch uitgesproken worden? Zijn het niet vaak herhalingen, zonder er verder echt bij stil te staan wat we zeggen (zie Prediker 5 vers 2)? Ja, zelfs het mooiste gebed dat de Heere Jezus leerde aan Zijn discipelen en dat volkomen aangepast was aan hun omstandigheden van toen (vers 9 - 13), is voor velen tot een zinloze herhaling geworden. Het kind van God heeft voorrechten die de Israëliet niet bezat. Ieder kind van God mag, door de Geest, in de Naam van de Heere Jezus, ten allen tijde tot de troon van de genade naderen (Hebreeën 4 vers 16). Maken we daar ook gebruik van?

Mattheüs 6:19-34
19Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen;20Maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen;21Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.22De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zo zal uw gehele lichaam verlicht wezen;23Maar indien uw oog boos is, zo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijn!24Niemand kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen en den anderen verachten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.25Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult; noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding?26Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt nochtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?27Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?28En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet;29En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze.30Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen?31Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden?32Want al deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft.33Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.34Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen; want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad.

Het eenvoudige oog richt zich slechts op één onderwerp. Voor de gelovige is dat ene Onderwerp: Christus, die grote "Schat" (vers 21). Hem mogen we in het Woord van God aanschouwen, "met onbedekte aangezicht", en door dit aanschouwen wordt ons hart verlicht (lees 2 Korinthe 3 vers 18 en 4 vers 6 en 7). Ons hart kan zich niet tegelijkertijd in de hemel en op aarde bevinden. Een hemelse Schat in ere houden en tegelijkertijd aardse schatten verzamelen, zijn daarom twee onverenigbare dingen. Eveneens is het onmogelijk om twee heren te dienen (vers 24). De bevelen die je zou ontvangen, zouden verschillend en zelfs tegenstrijdig kunnen zijn. Als je dan afstand neemt van de Mammon (rijkdommen; zie Lukas 16 vers 13), moet je dan niet bepaalde dingen missen? Loop je dan niet het gevaar dat je op een gegeven moment te kort komt? De Heere Jezus voorkomt deze zwakke uitvluchten door Zijn woorden: "Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd" (vers 25). Laten we onze ogen openen voor de oproep van de Heere. Kijk toch eens om je heen naar de schepping (vers 26) en ontdek de talloze kleine getuigen van de zorg en goedheid van de hemelse Vader. De bloemen, de vogels..., Hij zorgt ervoor (vergelijk Psalm 147 vers 9).

Nee, God zal iemand die Zijn belangen hoger acht dan de eigen belangen, en die Hem de eerste plaats in het hart geeft (Lukas 10 vers 42), nooit iets schuldig blijven. Deze keuze van het hart is echter de eerste stap die gezet moet worden!

Mattheüs 7:1-14
1Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.2Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden; en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden.3En wat ziet gij den splinter, die in het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog is, merkt gij niet?4Of, hoe zult gij tot uw broeder zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, er is een balk in uw oog?5Gij geveinsde! werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.6Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eniger tijd dezelve met hun voeten vertreden, en zich omkerende, u verscheuren.7Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.8Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.9Of wat mens is er onder u, zo zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een steen zal geven?10En zo hij hem om een vis zou bidden, die hem een slang zal geven?11Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal uw Vader, Die in de hemelen is, goede gaven geven dengenen, die ze van Hem bidden!12Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.13Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan;14Want de poort is eng, en de weg is nauw, die tot het leven leidt, en weinigen zijn er, die denzelven vinden.

De verzen 1 - 6 en 12 brengen ons de dingen voor de aandacht waardoor onze betrekkingen tot onze medemensen, onze broeders en zusters, bepaald zouden moeten worden. Met hun pogingen oplossingen aan te dragen voor de onderlinge omgang, hebben grote denkers uit alle civilisaties complete bibliotheken gevuld met hun sociale, politieke, morele en godsdienstige lessen. Voor de Heere is echter één kort vers voldoende om op Zijn Goddelijk wijze de volmaakte en definitieve oplossing tot uitdrukking te brengen en te omvatten: "Alle dingen dan, die gij wilt dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo" (vers 12; vergelijk Romeinen 13 vers 10). Elke dag zijn er voor ons talloze gelegenheden om deze gouden regel in praktijk te brengen. Laten we leren ons altijd te verplaatsen in de situatie van hen met wie wij te doen hebben.

De verzen 13 en 14 herinneren ons eraan dat als er twee heren zijn, er ook twee wegen en eveneens twee poorten bestaan. De brede weg is die waarop de meeste mensen gaan, ondanks die wegwijzer, waarvan de rillingen je over de rug lopen, die aangeeft dat deze weg "tot het verderf leidt" (vers 13)! Er zijn daarentegen maar weinigen die de weg "die tot het leven leidt" vinden (omdat er maar weinigen zijn die ernaar zoeken; zie vers 7). "De poort is eng", en je kunt er pas doorheen gaan wanneer je alle bagage van zelfgerechtigheid hebt afgelegd.

Beste lezer, welke weg bewandelt u, welke weg ga jij?

Mattheüs 7:15-29
15Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven.16Aan hun vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook een druif van doornen, of vijgen van distelen?17Alzo een ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.18Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.19Een ieder boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.20Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen.21Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is.22Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan?23En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!24Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft;25En er is slagregen nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangevallen, en het is niet gevallen, want het was op de steenrots gegrond.26En een iegelijk, die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heeft;27En de slagregen is nedergevallen, en de waterstromen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen hetzelve huis aangeslagen, en het is gevallen, en zijn val was groot.28En het is geschied, als Jezus deze woorden geeindigd had, dat de scharen zich ontzetten over Zijn leer;29Want Hij leerde hen, als macht hebbende, en niet als de Schriftgeleerden.

Als je de goede bomen aan hun goede vruchten kunt herkennen, dan zou je toch ook kunnen zeggen dat zij die in vers 22 genoemd worden, prima mensen zijn? Zoals het lijkt, kunnen zij immers een aantal lovenswaardige bezigheden opnoemen. Ze hebben geprofeteerd, wonderen gedaan, demonen uitgedreven — en bij elke gelegenheid is de Naam van de Heere op hun lippen. "Ik heb u nooit gekend", klinkt daarop het ernstige antwoord van de Heere Jezus. Jullie vruchten komen niet voort uit gehoorzaamheid aan God.

Al deze lessen zijn niet moeilijk te begrijpen. Dat is voor ons ook niet het probleem. Het probleem is, dat wij deze lessen maar zo weinig in praktijk brengen. Daarom illustreert de Heere aan het slot van Zijn toespraken door middel van een korte gelijkenis het verschil tussen hen die alleen horen, en hen die het gehoorde ook omzetten in daden. We zien hier twee huizen, die aan de buitenkant precies op elkaar lijken. Maar kijk nu eens naar de fundering. Wat zien we dan? Het ene huis is gebouwd op de rots van het geloof in de Heere Jezus (1 Korinthe 3 vers 11); de bouwer van dit huis heeft diep gegraven (Lukas 6 vers 48). Het fundament van het andere huis rust echter slechts op het beweeglijke en zwakke zand van de menselijke gevoelens. Totdat het bouwwerk beproefd wordt — en dat is absoluut noodzakelijk! — is er geen verschil te bespeuren, maar dan... Zie eens, wat er van het tweede huis is overgebleven!

En hoe worden de beide bouwers genoemd? De ene heet "voorzichtig" (of "wijs") en de andere "een dwaze". Welke naam past bij jou?

Mattheüs 8:1-17
1Toen Hij nu van den berg afgeklommen was, zijn Hem vele scharen gevolgd.2En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.3En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd.4En Jezus zeide tot hem: Zie, dat gij dit niemand zegt; maar ga heen, toon uzelven den priester, en offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.5Als nu Jezus te Kapernaum ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem,6En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.7En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen.8En de hoofdman over honderd, antwoordende, zeide: Heere! ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.9Want ik ben ook een mens onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten; en ik zeg tot dezen: Ga! en hij gaat; en tot den anderen: Kom! en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.10Jezus nu, dit horende, heeft Zich verwonderd, en zeide tot dengenen, die Hem volgden: Voorwaar zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israel zo groot een geloof niet gevonden.11Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen;12En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.13En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te diezelver ure.14En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijn vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts.15En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende henlieden.16En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met den woorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren;17Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door Jesaja, den profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.

De lessen van de Heere Jezus worden gevolgd door Zijn dienst van liefde en gerechtigheid. Allereerst wordt er melding gemaakt van drie genezingen. De melaatse in vers 2 kent de macht van de Heere Jezus, maar twijfelt aan Zijn liefde: "Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen". De Heere Jezus wilde dat en genas hem (Hosea 11 vers 3).

De hoofdman uit Kapernaüm is zich enerzijds bewust van z'n eigen onwaardigheid en is anderzijds overtuigd van de almacht van de Heere. "Spreek alleen een woord" (vers 8). Dit buitengewone geloof verbaast en verblijdt de Heere Jezus. Hij zegt dat deze man een voorbeeld is voor hen die Hem volgen. En... is zijn voorbeeld voor ons ook vaak niet beschamend?

Ten slotte is het nodig dat de Meester ook werkzaam is in de gezinnen van de Zijnen. Hij geneest de schoonmoeder van Petrus.

De Heere Jezus heeft Zich niet op dezelfde manier beziggehouden met patiënten als een 'gewone' dokter. Zo'n dokter onderzoekt, stelt een diagnose, schrijft een recept voor, ontvangt z'n geld en verdwijnt. Voor de Heere Jezus was het echter niet voldoende alleen te genezen. "Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze ziekten gedragen" (vers 17), doordat Hij Zich bezighield met de wortel van al het kwaad, met de zonde. Hij heeft het volle gewicht, alle bitterheid daarvan Zelf ondervonden (Johannes 11 vers 35). Is zo'n meeleven niet veel kostbaarder dan de eigenlijke genezing? Dat is de ervaring van vele zieke christenen.

Mattheüs 8:18-34
18En Jezus, vele scharen ziende rondom Zich, beval aan de andere zijde over te varen.19En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem, en zeide tot Hem: Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook henengaat.20En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.21En een ander uit Zijn discipelen zeide tot Hem: Heere! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave.22Doch Jezus zeide tot hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.23En als Hij in het schip gegaan was, zijn Hem Zijn discipelen gevolgd.24En ziet, er ontstond een grote onstuimigheid in de zee, alzo dat het schip van de golven bedekt werd; doch Hij sliep.25En Zijn discipelen, bij Hem komende, hebben Hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, wij vergaan!26En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingelovigen? Toen stond Hij op, en bestrafte de winden en de zee; en er werd grote stilte.27En de mensen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is Deze, dat ook de winden en de zee Hem gehoorzaam zijn!28En als Hij over aan de andere zijde was gekomen in het land der Gergesenen, zijn Hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzo dat niemand door dien weg kon voorbij gaan.29En ziet, zij riepen, zeggende: Jezus, Gij Zone Gods! wat hebben wij met U te doen? Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen voor den tijd?30En verre van hen was een kudde veler zwijnen, weidende.31En de duivelen baden Hem, zeggende: Indien Gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen.32En Hij zeide tot hen: Gaat heen. En zij uitgaande, voeren heen in de kudde zwijnen; en ziet, de gehele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in het water.33En die ze weidden, zijn gevlucht; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij al deze dingen, en wat den bezetenen geschied was.34En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken.

De Heere verzwijgt de schriftgeleerde die Hem overal wil navolgen, niet dat Zijn weg een weg is van afzien. Zelfs de vogels van de hemel, die door de hemelse Vader verzorgd worden (hoofdstuk 6 vers 26), zijn beter af dan hun Schepper toen Hij hier op aarde was. Hoe diep heeft Hij Zich vernederd! Hij heeft hier op aarde geen enkele plek gehad waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen en kon uitrusten. Pas op het kruis, nadat het werk volbracht was, kon Hij eindelijk Zijn hoofd neerleggen — of neerbuigen (in het Grieks wordt in vers 20 hiervoor hetzelfde werkwoord gebruikt als in Johannes 19 vers 30).

In vers 21 reageert iemand anders op de oproep van de Heere met, zoals het lijkt, een terechte verontschuldiging. Wat zou rechtmatiger geweest zijn dan aan de begrafenis van z'n eigen vader deel te nemen? Hoe dringend een bepaalde opgave ook mag lijken, nooit mogen onze eigen "eerste belangen" de plaats innemen van het "eerst" van de Heere uit hoofdstuk 6 vers 33! Zijn belangen, ja Hijzelf, gaat voor alles! Er wordt niet meegedeeld waartoe deze beide mannen later besloten hebben. Voor ons is het alleen belangrijk om te weten hoe wij zelf op de oproep van de Heere geantwoord hebben.

Die welbekende en prachtige gebeurtenis van de overtocht in de storm is een beeld van de reis van de gelovige door deze wereld. Hij maakt veel stormen mee, maar zijn Redder is ook de Heere, Die heerst over alle natuurgeweld, en Hij is bij hem (Psalm 23 vers 4). Hij beveelt de wind en de golven, de ziekte en de dood en de satanische machten, zoals de bevrijding van de twee bezetenen "in het land der Gergesénen" ons laat zien.

Mattheüs 9:1-17
1En in het schip gegaan zijnde, voer Hij over en kwam in Zijn stad. En ziet, zij brachten tot Hem een geraakte, op een bed liggende.2En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven.3En ziet, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelven: Deze lastert God.4En Jezus, ziende hun gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uw harten?5Want wat is lichter te zeggen: De zonden zijn u vergeven? of te zeggen: Sta op en wandel?6Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven (toen zeide Hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga heen naar uw huis.7En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.8De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt, die zodanige macht den mensen gegeven had.9En Jezus, van daar voortgaande, zag een mens in het tolhuis zitten, genaamd Mattheus; en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.10En het geschiedde, als Hij in het huis van Mattheus aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan, met Jezus en Zijn discipelen.11En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren?12Maar Jezus, zulks horende, zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.13Doch gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.14Toen kwamen de discipelen van Johannes tot Hem, zeggende: Waarom vasten wij en de Farizeen veel, en Uw discipelen vasten niet?15En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren, zolang de Bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.16Ook zet niemand een lap ongevold laken op een oud kleed; want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt een ergere scheur.17Noch doet men nieuwen wijn in oude leder zakken; anders zo bersten de leder zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de leder zakken verderven, maar men doet nieuwen wijn in nieuwe leder zakken, en beide te zamen worden behouden.

De verschillende soorten ziekten die de Heere Jezus tegenkomt en die Hij geneest, laten de verschillende kanten van de verdrietige situatie zien, waarin Zijn schepselen zich bevinden.

De melaatsheid benadrukt de onreinheid van de zonde; de koorts geeft de voortdurende onrust weer van de mensen van deze wereld. De bezetene staat onder directe invloed en macht van satan, terwijl de stomme en dove (vers 32; hoofdstuk 11 vers 5) zijn zintuigen afgesloten heeft voor de roepstem van de Heere en niet tot Hem kan bidden. De verlamde, ten slotte, die hier bij de Heere gebracht wordt, laat de totale machteloosheid van de mens zien, die geen enkele beweging in de richting van God kan maken (vergelijk Johannes 5 vers 7). Hij zegt niets; hij wacht en hoopt. De Goddelijke Geneesheer (vers 12) weet als geen ander, dat er een veel ergere ziekte aan de ziel van de verlamde knaagt en daarvan bevrijdt Hij hem in eerste instantie: "Uw zonden zijn u vergeven" (vers 2). Wat zou ons onrustiger moeten maken — dat geldt zowel voor onszelf alsook voor anderen — een ziekte of een zonde?

Daarna vertelt Mattheüs hoe hij zelf geroepen werd. Hij behoorde eveneens tot de zondaren, voor wie Christus gekomen was.

Ten slotte is de vraag van de discipelen van Johannes aanleiding voor een nieuwe les: De "oude leren zakken" (vers 17) van de joodse godsdienst waren niet meer geschikt om de nieuwe wijn van het evangelie op te nemen.

Mattheüs 9:18-38
18Als Hij deze dingen tot hen sprak, ziet, een overste kwam en aanbad Hem, zeggende: Mijn dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg Uw hand op haar, en zij zal leven.19En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en Zijn discipelen.20(En ziet, een vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot Hem van achteren, raakte den zoom Zijns kleeds aan;21Want zij zeide in zichzelven: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden.22En Jezus, Zich omkerende, en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter! uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van dezelve ure af.)23En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare,24Zeide Hij tot hen: Vertrekt; want het dochtertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem.25Als nu de schare uitgedreven was, ging Hij in, en greep haar hand; en het dochtertje stond op.26En dit gerucht ging uit door dat gehele land.27En als Jezus van daar voortging, zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm U onzer!28En als Hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot Hem. En Jezus zeide tot hen: Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!29Toen raakte Hij hun ogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.30En hun ogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer gestrengelijk verboden, zeggende: Ziet, dat het niemand wete.31Maar zij, uitgegaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt door dat gehele land.32Als dezen nu uitgingen, ziet, zo brachten zij tot Hem een mens, die stom en van den duivel bezeten was.33En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er is nooit desgelijks in Israel gezien!34Maar de Farizeen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen.35En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle kwale onder het volk.36En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben.37Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot; maar de arbeiders zijn weinige;38Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.

In de evangeliën worden lang niet alle wonderen die de Heere Jezus gedaan heeft, vermeld (zie ook Johannes 21 vers 25). God heeft ons in Zijn Woord alleen die wonderen nagelaten waardoor Hij ons een bijzondere les wil leren.

Zo kent de opwekking van het dochtertje van de overste van de synagoge onder andere ook een profetische toepassing. De Heere wordt daarin gezien als zijnde op de weg, om Zijn volk Israël in de toekomst het leven weer te geven. Gedurende de tussenliggende tijdsperiode is Hij er voor allen die in geloof tot Hem komen, zoals ook die vrouw deed (vers 20).

De Heere Jezus had genoeg macht om "alle ziekte en alle kwaal" te genezen (vers 35). En Hij had genoeg liefde in Zijn hart om, als de ware Herder van Israël, Zijn hele volk te dragen (vers 36). Maar ach, ook al vond Hij enerzijds hier en daar geloof (vooral bij de twee blinden; vers 28 en 29), anderzijds stootte Hij toch op een vreselijk ongeloof (vers 34).

Laten wij die dezelfde wereld te doorwandelen hebben en dezelfde behoeften tegenkomen (maar helaas soms zulke gevoelloze harten hebben; Jakobus 2 vers 15 en 16), de Heere toch vragen of Hij ons een breed en duidelijk zicht wil geven op Zijn grote oogst (Johannes 4 vers 35). En laten we Hem vragen om nieuwe arbeiders uit te zenden.

Mattheüs 10:1-23
1En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen.2De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder;3Filippus en Bartholomeus; Thomas en Mattheus, de tollenaar; Jakobus, de zoon van Alfeus, en Lebbeus, toegenaamd Thaddeus;4Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.5Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in enige stad der Samaritanen.6Maar gaat veel meer heen tot de verloren schapen van het huis Israels.7En heengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.8Geneest de kranken; reinigt de melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.9Verkrijgt u noch goud, noch zilver, noch koper geld in uw gordels;10Noch male tot den weg, noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardig.11En in wat stad of vlek gij zult inkomen, onderzoekt, wie daarin waardig is; en blijft aldaar, totdat gij daar uitgaat.12En als gij in het huis gaat, zo groet hetzelve.13En indien dat huis waardig is, zo kome uw vrede over hetzelve, maar indien het niet waardig is, zo kere uw vrede weder tot u.14En zo iemand u niet zal ontvangen, noch uw woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit dezelve stad, schudt het stof uwer voeten af.15Voorwaar zeg Ik u: Het zal den lande van Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan dezelve stad.16Ziet, Ik zend u als schapen in het midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.17Maar wacht u voor de mensen; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in hun synagogen zullen zij u geselen.18En gij zult ook voor stadhouders en koningen geleid worden, om Mijnentwil, hun en den heidenen tot getuigenis.19Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult.20Want gij zijt het niet, die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders, Die in u spreekt.21En de ene broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.22En gij zult van allen gehaat worden om Mijn Naam; maar die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden.23Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zeg ik u: Gij zult uw reis door de steden Israels niet geeindigd hebben, of de Zoon des mensen zal gekomen zijn.

De twaalf discipelen zijn apostelen geworden (vers 2). Bij het opnoemen van de namen vermeldt Mattheüs, de tollenaar, zijn eigen afkomst (zie hoofdstuk 21 vers 31). Onderwezen door de woorden en het voorbeeld van de Goddelijke Leraar, komt het moment waarop zij als arbeiders in de oogst uitgezonden zullen worden (apostel betekent gezondene'). Een kind gaat niet zijn hele leven naar school, dat is duidelijk — hoewel de gelovige in zekere zin altijd in de school van God blijft. Maar vroeg of laat moeten wij het wezenlijke van de lessen geleerd hebben. Daartoe hoort ook de erkenning van de totale machteloosheid van onze eigen natuur. Pas dan zal de Heere Jezus ons kunnen gebruiken.

Laten we een aantal belangrijke punten opnoemen, die de moeite waard zijn om te overdenken:

Het is de Heere Die Zijn dienstknechten roept, toebereidt, uitzendt, leidt, ondersteunt, bemoedigt en beloont. Ze gaan niet uit eigen beweging op pad en worden evenmin door mensen uitgezonden. Zij verwachten geen loon voor hun werk, maar geven dat wat zij "om niet ontvangen" hebben, ook door "om niet" (vers 8).

Deze eenvoudige waarheden zijn in het christendom van vandaag helaas grotendeels uit het oog verloren. In de vorm van commissies, besturen en allerlei organisaties hebben de mensen zich vaak — hoe goed bedoeld ook — tussen de Heere en Zijn arbeiders gesteld. En dat is tot grote schade van de dienstknechten, maar vooral voor het werk dat hun toevertrouwd werd.

Mattheüs 10:24-42
24De discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijn heer.25Het zij den discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den Heere des huizes Beelzebul hebben geheten, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!26Vreest dan hen niet; want er is niets bedekt, hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen, hetwelk niet zal geweten worden.27Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht; en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.28En vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.29Worden niet twee musjes om een penningsken verkocht? En niet een van deze zal op de aarde vallen zonder uw Vader.30En ook uw haren des hoofds zijn alle geteld.31Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.32Een iegelijk dan, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal Ik ook belijden voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.33Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is.34Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.35Want Ik ben gekomen, om den mens tweedrachtig te maken tegen zijn vader, en de dochter tegen haar moeder, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.36En zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn.37Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.38En die zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.39Die zijn ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijn ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden.40Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.41Die een profeet ontvangt in den naam eens profeten, zal het loon eens profeten ontvangen; en die een rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen.42En zo wie een van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk een beker koud water, in den naam eens discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.

De discipel staat niet boven zijn Meester (vers 24); hij hoeft niet verwachten beter behandeld te zullen worden dan Hij. Of het nu gaat om de christen van vandaag of om de Jood later in de grote verdrukking, de ware discipel moet ervanuit gaan dat hij dezelfde tegenstand van de kant van een onrechtvaardige en boze wereld ondervindt als de Heere Jezus heeft meegemaakt (zie vers 17 en 18). Dat zal hem echter de gelegenheid geven te genieten van de rijkdom van genade, die grenzeloze genade die de verloste kent en die hem bewaart en zelfs zijn haren telt (vers 30; zie 2 Korinthe 12 vers 9).

Het is niet alleen de haat van de wereld waardoor de trouwe gelovige getroffen wordt, maar hij heeft ook vaak met de vijandschap van z'n eigen familie te maken (vers 36). Laat hij zich toch niet laten ontmoedigen! De Heere heeft uitdrukkelijk gezegd dat het zo zou zijn en heeft hem ook in zulke gevallen verzekerd van Zijn hulp.

Zijn kruis opnemen betekent: het duidelijke teken van een ter dood veroordeelde te dragen. Anders gezegd: men laat daardoor zien dat men afgedaan heeft met het vermaak van deze wereld en z'n eigen wil heeft opgegeven. Vanuit menselijk standpunt bezien, komt dat overeen met het verliezen van je eigen leven. Nee, zegt de Meester, dat is, integendeel, juist de enige manier waarop je het leven kunt winnen! De reden daarvoor is eveneens heel belangrijk: "om Mij", zegt de Heere Jezus er uitdrukkelijk bij (vers 39; zie 2 Korinthe 5 vers 14 en 15).

Mattheüs 11:1-19
1En het is geschied, toen Jezus geeindigd had Zijn twaalf discipelen bevelen te geven, dat Hij van daar voortging, om te leren en te prediken in hun steden.2En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus, zond twee van zijn discipelen;3En zeide tot hem: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?4En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weder, hetgeen gij hoort en ziet:5De blinden worden ziende, en de kreupelen wandelen; de melaatsen worden gereinigd, en de doven horen; de doden worden opgewekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.6En zalig is hij, die aan Mij niet zal geergerd worden.7Als nu dezen heengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt?8Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens, met zachte klederen bekleed? Ziet, die zachte klederen dragen, zijn in der koningen huizen.9Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.10Want deze is het, van denwelken geschreven staat: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg bereiden zal voor U heen.11Voorwaar zeg Ik u: onder degenen, die van vrouwen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Doper; doch die de minste is in het Koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij.12En van de dagen van Johannes den Doper tot nu toe, wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de geweldigers nemen hetzelve met geweld.13Want al de profeten en de wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd.14En zo gij het wilt aannemen, hij is Elias, die komen zou.15Wie oren heeft om te horen, die hore.16Doch waarbij zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan de kinderkens, die op de markten zitten, en hun gezellen toeroepen,17En zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend.18Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft den duivel.19De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en zij zeggen: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren. Doch de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van Haar kinderen.

De Heere stelt Zich er niet tevreden mee om discipelen uit te zenden. Hij gaat ook met Zijn eigen dienst verder. De dienst van Johannes de Doper is daarentegen, sinds hoofdstuk 4 vers 12, in de gevangenis van Herodes, ten einde gekomen. De vraag waarmee hij zijn discipelen naar de Heere Jezus stuurt, laat zijn moedeloosheid en verwarring duidelijk naar voren komen. Hij, van Wie hijzelf zo'n vurige voorbode geweest was, richt Zijn rijk niet op en ondernam niets tot zijn bevrijding. Was Hij dan niet de beloofde Messias? De Heere Jezus antwoordt hierop met een boodschap waarin Hij zijn neerslachtigheid, op zachtmoedige wijze, terechtwijst (vers 6). Tegenover de volksmenigte legt Hij echter in duidelijke bewoordingen een getuigenis af over de grootste van alle profeten (vers 7 - 15).

Als het gaat om het ingaan in het rijk, dan is geweld niet te vermijden (vers 12). God geeft ons toegang tot alle schatten, maar wij, van onze kant, moeten een brandend verlangen hebben om hetgeen Hij ons aanbiedt, in bezit te nemen. De heilige ijver van het geloof is nodig, die met vrijmoedigheid bezit neemt van alle Goddelijke beloften. Veel jonge mensen zijn echter uit gebrek aan beslistheid en wilskracht, uit angst voor strijd en zelfverloochening, aan de andere kant van de deur blijven staan. Laten we niet vergeten dat de lafhartigen (vreesachtigen) zich in het gezelschap van de ongelovigen, moordenaars en allerlei andere berouwloze zondaren bevinden (Openbaring 21 vers 8).

Mattheüs 11:20-30
20Toen begon Hij de steden, in dewelke Zijn krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat zij zich niet bekeerd hadden.21Wee u, Chorazin! wee u Bethsaida! want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben.22Doch Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan ulieden.23En gij, Kapernaum! die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden. Want zo in Sodom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op den huidigen dag gebleven zijn.24Doch Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels, dan u.25In diezelve tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard.26Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U.27Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren.28Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.29Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen.30Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.

De meeste wonderen heeft de Heere Jezus in de steden van Galilea gedaan. Maar zoals Jesaja al voorzegd had, bleven de harten toegesloten: "Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard?" (Jesaja 53 vers 1). Op deze vraag kan de Heere Jezus echter "in diezelfde tijd" toch een antwoord geven en de Vader prijzen: "Ik dank U, Vader! Heere van de hemel en van de aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze de kinderkens geopenbaard" (vers 25). Daarna richt Hij Zich tot de mensen en zegt: "Komt tot Mij"; komt met het eenvoudige geloof van een kind. Niemand anders dan Ik kan jullie de Vader openbaren. En leer niet alleen Mijn woorden, maar leer ook van Mijzelf. Neem Mij tot voorbeeld, want Ik ben "zachtmoedig... en nederig van hart" (Efeze 4 vers 20 en 21).

We vinden bij de Heere Jezus twee dingen die ogenschijnlijk tegenstrijdig zijn met elkaar: de rust en het juk. Een juk is een zwaar stuk hout, om ossen in te spannen. Het is een symbool van gehoorzaamheid en van de dienst. Maar het juk van de Heere is licht. Zijn juk was de wil van Zijn Vader, en dát te volbrengen was een lust voor Hem. Door zo te handelen wisselt de verloste zondaar de vermoeidheid en de last van de zonde (vers 28) in tegen de overgave van de liefde (2 Korinthe 8 vers 3 - 5). "Zalig zijn de zachtmoedigen", had de Heere Jezus gezegd (hoofdstuk 5 vers 5). Is het voor hen geen voorrecht, op Hem te mogen lijken?

Mattheüs 12:1-21
1In dien tijd ging Jezus, op een sabbatdag, door het gezaaide, en Zijn discipelen hadden honger, en begonnen aren te plukken, en te eten.2En de Farizeen, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie, Uw discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.3Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat David gedaan heeft, toen hem hongerde, en hun, die met hem waren?4Hoe hij gegaan is in het huis Gods, en de toonbroden gegeten heeft, die hem niet geoorloofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren, maar den priesteren alleen.5Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de priesters den sabbat ontheiligen in den tempel, op de sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn?6En Ik zeg u, dat Een, meerder dan de tempel, hier is.7Doch zo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.8Want de Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.9En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.10En ziet, er was een mens, die een dorre hand had, en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij Hem mochten beschuldigen).11En Hij zeide tot hen: Wat mens zal er zijn onder u, die een schaap heeft, en zo datzelve op een sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen?12Hoe veel gaat nu een mens een schaap te boven? Zo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.13Toen zeide Hij tot dien mens: Strek uw hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond gelijk de andere.14En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hielden te zamen raad tegen Hem, hoe zij Hem doden mochten.15Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze allen.16En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet openbaar maken zouden;17Opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken is door Jesaja, den profeet, zeggende:18Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn ziel een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.19Hij zal niet twisten, noch roepen, noch zal er iemand Zijn stem op de straten horen.20Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en het rokende lemmet zal Hij niet uitblussen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.21En in Zijn Naam zullen de heidenen hopen.

Nadat de Heere Jezus ware rust aangeboden heeft aan de ziel (hoofdstuk 11 vers 28 en 29), maakt Hij duidelijk dat de wettische rust van de sabbat geen reden van bestaan meer heeft. Met die vraag over de sabbat proberen de Farizeeën eerst de discipelen (vers 2) en daarna de Meester Zelf (vers 10) op een fout te betrappen. Hij grijpt deze gelegenheid echter aan om hen duidelijk te maken dat door Zijn komst in genade het hele systeem dat op de wet en de offers berustte, terzijde gesteld was. Voor de tweede keer haalde Hij daarvoor Hosea 6 vers 6 aan (vers 7; zie hoofdstuk 9 vers 13 en Micha 6 vers 6 - 8). Wat had het voor zin het vierde gebod te houden, als alle andere overtreden werden? De barmhartigheid eiste ook haar recht. En wat een aanmatiging, om het houden van de sabbat te willen opleggen aan Hem Die deze had ingesteld! In werkelijkheid kon, zolang de zonde heerste, niemand tot rust komen, noch de mens, die de last droeg, noch God de Vader en de Zoon, Die samen aan het werk waren om zowel het kwaad alsook de gevolgen daarvan weg te nemen (Johannes 5 vers 16 en 17). Daarom zet de volmaakte Dienstknecht Zijn werk voort, zonder Zich daarvan door de overleggingen van de wettelozen te laten weerhouden. Hij vervult dit werk in een geest van nederigheid, genade en zachtmoedigheid. Volgens Jesaja 42 vers 1 - 4 zou het daardoor mogelijk worden Hem te erkennen. Bovendien is deze houding van Hem zo ontzettend kostbaar voor het hart van God (vergelijk 1 Petrus 3 vers 4).

Mattheüs 12:22-37
22Toen werd tot Hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.23En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David?24Maar de Farizeen, dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, den overste der duivelen.25Doch Jezus, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan.26En indien de satan den satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?27En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn.28Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.29Of hoe kan iemand in het huis eens sterken inkomen, en zijn vaten ontroven, tenzij dat hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis beroven.30Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.31Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal den mensen vergeven worden; maar de lastering tegen den Geest zal den mensen niet vergeven worden.32En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.33Of maakt den boom goed en zijn vrucht goed; of maakt den boom kwaad en zijn vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.34Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen spreken, daar gij boos zijt? want uit den overvloed des harten spreekt de mond.35De goede mens brengt goede dingen voort uit den goede schat des harten, en de boze mens brengt boze dingen voort uit den boze schat.36Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.37Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.

De Farizeeën haten de Heere Jezus, omdat zij jaloers zijn op Zijn macht en Zijn gezag over de volksmenigte. Zij vechten de herkomst van deze macht aan, omdat zij de wonderen op zich niet kunnen ontkennen. Evenals eerder (hoofdstuk 9 vers 34; 10 vers 25) schrijven zij de macht van de Heilige Geest, Die God op Zijn Geliefde gelegd heeft (vers 18; vergelijk Markus 3 vers 29 en 30), toe aan de macht van de overste van de demonen. Dat was lastering tegen de Heilige Geest, een zonde die niet vergeven zou kunnen worden. Nee, het werk van de Heere was daarentegen juist een bewijs van Zijn overwinning op satan, "de sterke" (vers 29). Hij had hem in de woestijn al door het Woord "gebonden" (hoofdstuk 4 vers 3 - 10), en nu ontrukte Hij hem z'n gevangenen (zie Jesaja 49 vers 24 en 25). Daarna maakt de Heere Jezus aan de Farizeeën duidelijk dat zijzelf onder de macht van satan stonden: slechte bomen brengen slechte vruchten voort.

"Uit de overvloed van het hart spreekt de mond" (vers 34). Wanneer ons hart vervuld is van Christus, zal het voor ons onmogelijk zijn om over Hem te zwijgen. De zonen van Korach riepen het uit: "Mijn hart geeft een goede rede op; ik spreek mijn gedichten uit van een Koning" (Psalm 45 vers 2). Ze konden het niet voor zich houden!

Omgekeerd is het ook zo, dat de slechte gedachten die in ons binnenste verborgen liggen, vroeg of laat over onze lippen komen. En van elk woord, ook al was het nutteloos, zal ieder voor zich op zekere dag rekenschap moeten afleggen.

Mattheüs 12:38-50
38Toen antwoordden sommigen der Schriftgeleerden en Farizeen, zeggende: Meester! wij willen van U wel een teken zien.39Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.40Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde.41De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!42De koningin van het zuiden zal opstaan in het oordeel met dit geslacht, en hetzelve veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen, de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier!43En wanneer de onreine geest van den mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.44Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.45Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van denzelven mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn.46En als Hij nog tot de scharen sprak, ziet, Zijn moeder en broeders stonden buiten, zoekende Hem te spreken.47En iemand zeide tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders staan daar buiten, zoekende U te spreken.48Maar Hij, antwoordende, zeide tot dengene die Hem dat zeide: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders?49En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.50Want zo wie den wil Mijns Vaders doet Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder.

Met hoofdstuk 12 eindigt het eerste gedeelte van dit evangelie. Nadat de Messias verworpen was door hen die Hem als eersten hadden moeten aannemen, begint de Heere Jezus te spreken over Zijn dood en opstanding. Dat was het grote wonder ("teken"; vers 38) dat nog volbracht moest worden en waarvan de Joden al een voorbeeld hadden ontvangen in de geschiedenis van Jona, toen deze in de buik van de vis zat.

Tegelijkertijd wijst de Heere Jezus deze Schriftgeleerden en Farizeeën op hun eigen grote verantwoordelijkheid. Zij waren immers veel beter onderwezen dan eens de heidenen van Ninevé of de koningin van Scheba! En Salomo en Jona werden immers door Hemzelf ver overtroffen. Hij was gekomen om te wonen in het huis van Israël, nadat Hij daaruit de demonen had uitgedreven en de afgodendienst had verwijderd (vergelijk hoofdstuk 8 vers 31 en 21 vers 12 en 13). Maar men had Hem niet willen aannemen, Hem niet willen toelaten in dat huis, en het huis bleef dan ook leeg. Daardoor was het huis geschikt geworden om door een macht die nog veel erger was dan de eerste, bewoond te worden. Dat is het wat Israël eens onder de heerschappij van de antichrist zal overkomen.

De verzen 46 - 50 laten ons zien dat de Heere Jezus zelfs hen die Hem het meest na staan, niet meer kan erkennen. Voortaan onderbreekt Hij de aardse en natuurlijke betrekkingen met Zijn volk en zal door de gelijkenissen van hoofdstuk 13 duidelijk maken, wat het hemelse rijk betekent en wie daarin wordt opgenomen.

Mattheüs 13:1-17
1En te dien dage Jezus, uit het huis gegaan zijnde, zat bij de zee.2En tot Hem vergaderden vele scharen, zodat Hij in een schip ging en nederzat, en al de schare stond op den oever.3En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.4En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op.5En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.6Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden; en omdat het geen wortel had, is het verdord.7En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve.8En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-, het ander zestig-, en het ander dertig voud.9Wie oren heeft om te horen, die hore.10En de discipelen tot Hem komende, zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door gelijkenissen?11En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het u gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.12Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.13Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien, en horende niet horen, noch ook verstaan.14En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.15Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zich bekeren, en Ik hen geneze.16Doch uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen.17Want voorwaar zeg Ik u, dat vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die gij ziet, en hebben ze niet gezien; en te horen de dingen, die gij hoort, en hebben ze niet gehoord.

Het hart van het volk was "dik geworden" en men had de ogen en oren toegesloten (vers 15). Vandaar dat de Heere Jezus voortaan tot hen spreekt in gelijkenissen, dus op een verborgen wijze. Zijn lessen gelden alleen nog voor Zijn discipelen, voor hen die Hem werkelijk willen volgen. Ja, de verzen 18 , 36 en 37 bewijzen ons dat de Heere altijd bereid is de Zijnen uit te leggen wat ze niet begrijpen. De Bijbel bevat veel wat voor ons beperkte natuurlijke verstand verborgen en moeilijk te begrijpen is (Deuteronomium 29 vers 29). Maar wanneer wij er werkelijk naar verlangen de betekenis te kennen, dan zal ons dat op het juiste moment bekendgemaakt worden (zie Spreuken 28 vers 5). Laten we ons daarom niet door bepaalde Schriftplaatsen of uitdrukkingen die we niet onmiddellijk begrijpen, laten ontmoedigen. Laten we de Heere vragen om Zijn Woord te verklaren.

Dat Israël de Messias heeft verworpen, heeft nog iets anders tot gevolg: Omdat Hij in het midden van Zijn volk geen vrucht kon oogsten, gaat de Heere nu uit in de wereld, om daar het zaad van Zijn Woord, het evangelie, te zaaien. In Jakobus 1 vers 21 wordt dit overigens aangeduid als: "het Woord, dat in u geplant wordt". Er bestaat slechts één goed Zaad, maar niet iedereen neemt het Woord op dezelfde wijze op!

Hoe hebt u, heb jij dat gedaan?

Mattheüs 13:18-30
18Gij dan, hoort de gelijkenis van den zaaier.19Als iemand dat Woord des Koninkrijks hoort, en niet verstaat, zo komt de boze, en rukt weg, hetgeen in zijn hart gezaaid was; deze is degene, die bij den weg bezaaid is.20Maar die in steenachtige plaatsen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt;21Doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor een tijd; en als verdrukking of vervolging komt, om des Woords wil, zo wordt hij terstond geergerd.22En die in de doornen bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar.23Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het Woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd-, de ander zestig-, en de ander dertig voud.24Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mens, die goed zaad zaaide in zijn akker.25En als de mensen sliepen, kwam zijn vijand, en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.26Toen het nu tot kruid opgeschoten was, en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid.27En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zeiden tot hem: Heere! hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Van waar heeft hij dan dit onkruid?28En hij zeide tot hen: Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan, dat wij heengaan en datzelve vergaderen?29Maar hij zeide: Neen, opdat gij, het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.30Laat ze beiden te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst dat onkruid, en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe samen in mijn schuur.

De Heere Jezus, in Zijn volmaakte kennis van het hart van de mens, onderscheidt onder hen die Zijn Woord horen, vier verschillende groepen mensen.

De eerste groep kan worden vergeleken met een vast ingelopen pad, waar iedereen overheen loopt. Lijkt ons hart misschien ook op zo'n weg, waarover de wereld 'heen en weer loopt', zodat het Woord er niet in kan dringen?

Anderen zijn oppervlakkig en lijken op "steenachtige plaatsen" (vers 20). Het bewustzijn van de zonde is niet tot diep in hun geweten doorgedrongen. Bij deze groep mensen, die slechts tijdelijk geraakt zijn door het horen van het evangelie, zien we een schijngeloof.

Als het ware geloof (onzichtbaar) wortel geschoten heeft —en zo moet dat ook gebeuren — dan kun je dat merken aan de zichtbare vruchten. Een geloof zonder werken is dood. Dat wordt verstikt, net als het zaad dat midden tussen de doornen opkomt (Jakobus 2 vers 17).

Het zaad is echter ook in goede aarde gevallen, waar de aren te zijner tijd rijp kunnen worden.

De gelijkenis van het onkruid leert ons dat de vijand niet alleen, zo vaak hij kan, het goede zaad wegrooft (vers 19), maar ook dat hij, terwijl de mensen slapen, onkruid zaait tussen het goede zaad. De geestelijke slaap stelt ons bloot aan allerlei slechte invloeden. Daarom worden we opgeroepen altijd waakzaam te zijn (Markus 13 vers 37; 1 Petrus 5 vers 8, enzovoort).

Mattheüs 13:31-43
31Een andere gelijkenis heeft Hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan het mosterdzaad, hetwelk een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid;32Hetwelk wel het minste is onder al de zaden, maar wanneer het opgewassen is, dan is 't het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken.33Een andere gelijkenis sprak Hij tot hen, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.34Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet.35Opdat vervuld zou worden, wat gesproken is door den profeet, zeggende: Ik zal Mijn mond opendoen door gelijkenissen; Ik zal voortbrengen dingen, die verborgen waren van de grondlegging der wereld.36Toen nu Jezus de scharen van Zich gelaten had, ging Hij naar huis. En Zijn discipelen kwamen tot Hem, zeggende: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid des akkers.37En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen;38En de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen des Koninkrijks; en het onkruid zijn de kinderen des bozen;39En de vijand, die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers zijn de engelen.40Gelijkerwijs dan het onkruid vergaderd, en met vuur verbrand wordt, alzo zal het ook zijn in de voleinding dezer wereld.41De Zoon des mensen zal Zijn engelen uitzenden, en zij zullen uit Zijn Koninkrijk vergaderen al de ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid doen;42En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal wening zijn en knersing der tanden.43Dan zullen de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders. Die oren heeft om te horen, die hore.

In de zes 'gelijkenissen van het koninkrijk', die volgen op de gelijkenis van de zaaier, laat de Heere zien wat het resultaat van het zaaien in deze wereld zal zijn. De gelijkenis van het mosterdzaadje dat uitgroeit tot een grote boom, beschrijft de uiterlijke vorm die het koninkrijk der hemelen, na de verwerping van de Koning, aangenomen heeft, terwijl de gelijkenis van het zuurdeeg dat in het meel verborgen is, de nadruk legt op een verborgen werking die het karakter van het koninkrijk verandert. Dat spreekt van de tijd van de verantwoordelijke christenheid. Na een heel klein begin (enkele discipelen) zien we dat het christendom zich verder uitgebreid heeft. Maar haar 'succes' en uitbreiding over deze aarde is beslist niet het bewijs van de zegen van erkenning door God, net zo min als deze enorme verbreiding haar kan beschermen voor de aanvallen van satan. Integendeel! Al heel vroeg is het kwaad binnengedrongen (de vogels, zie vers 4 en 19, en het zuurdeeg).

De vermenging waardoor de belijdende christenheid gekenmerkt wordt, wordt op een andere wijze uitgebeeld in de gelijkenis van het onkruid in de akker, die de Heere Jezus hier uitlegt. Wij weten dat allen die gedoopt zijn, zich vandaag de dag 'christenen' noemen, of ze nu ware kinderen van God zijn of niet. De Heere verdraagt deze toestand tot aan de dag van de oogst (Openbaring 14 vers 15 en 16). Dan zal Hij door het definitieve lot, zowel aan de één als aan de ander, laten zien hoe Hij over iedereen gedacht heeft.

Mattheüs 13:44-58
44Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat, in den akker verborgen, welken een mens gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven, gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dienzelven akker.45Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone parelen zoekt;46Dewelke, hebbende een parel van grote waarde gevonden, ging heen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve.47Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt;48Hetwelk, wanneer het vol geworden is, de vissers aan den oever optrekken, en nederzittende, lezen het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg.49Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden;50En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden.51En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere!52En Hij zeide tot hen: Daarom, een iegelijk Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.53En het is geschied, als Jezus deze gelijkenissen geeindigd had, vertrok Hij van daar.54En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Dezen die wijsheid en die krachten?55Is Deze niet de Zoon des timmermans? en is Zijn moeder niet genaamd Maria, en Zijn broeders Jakobus en Joses, en Simon en Judas?56En Zijn zusters, zijn zij niet allen bij ons? Van waar komt dan Dezen dit alles?57En zij werden aan Hem geergerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeeerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis.58En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan, vanwege hun ongeloof.

De korte gelijkenissen van de schat in de akker en de parel brengen twee wonderbare waarheden naar voren.

Ten eerste: de bijzonder grote waarde die Christus hecht aan Zijn Gemeente en waarvoor Hij betaald heeft om Haar te verwerven. Hij heeft alles wat Hij had, verkocht; ja, Hij heeft zelfs Zijn leven voor Haar gegeven!

Ten tweede zien we de blijdschap die de Gemeente Hem geeft.

In vers 47 wordt het net van het evangelie in de volkeren-zee geworpen. De Heere Jezus had tegen Zijn discipelen gezegd dat Hij hen tot vissers van mensen zou maken (hoofdstuk 4 vers 19). Hier zien we Zijn dienstknechten aan het werk. Maar... niet alle vissen zijn goed; evenmin zijn allen die zich christenen noemen, ware gelovigen! Door het Woord kan men het verschil tussen hen onderscheiden: de goede vis herkent men aan de schubben en de vinnen (Leviticus 11 vers 9 - 11); de ware christen aan zijn morele wapenrusting, waarmee hij de wereld kan afweren en zich niet door de stroom van deze wereld zal laten meesleuren.

Behalve de schat die de Heere in de Zijnen gevonden heeft (vers 44), laat vers 52 de schat zien die de discipelen in Zijn Woord bezitten. Is het Woord voor ons allen een kostbare Schat waaruit wij "nieuwe en oude dingen" kunnen putten?

Helaas eindigt dit hoofdstuk, evenals het voorgaande, met het ongeloof van de volksmenigte. Men ziet de Heere Jezus slechts als "de Zoon van de timmerman". Daarom kan Hij Zijn genade ook niet aan hen kenbaar maken.

Mattheüs 14:1-21
1Te dierzelver tijd hoorde Herodes, de viervorst, het gerucht van Jezus;2En zeide tot zijn knechten: Deze is Johannes de Doper; hij is opgewekt van de doden, en daarom werken die krachten in Hem.3Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden, en in den kerker gezet, om Herodias' wil, de huisvrouw van Filippus, zijn broeder.4Want Johannes zeide tot hem: Het is u niet geoorloofd haar te hebben.5En willende hem doden, vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een profeet.6Maar als de dag der geboorte van Herodes gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde aan Herodes.7Waarom hij haar met ede beloofde te geven, wat zij ook eisen zou.8En zij, te voren onderricht zijnde van haar moeder, zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Doper.9En de koning werd bedroefd; doch om de eden, en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het haar zou gegeven worden;10En zond heen, en onthoofdde Johannes in den kerker.11En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en het dochtertje gegeven; en zij droeg het tot haar moeder.12En zijn discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelve; en gingen en boodschapten het Jezus.13En als Jezus dit hoorde, vertrok Hij van daar te scheep, naar een woeste plaats alleen; en de scharen, dat horende, zijn Hem te voet gevolgd uit de steden.14En Jezus uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hun kranken.15En als het nu avond werd, kwamen Zijn discipelen tot Hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan; laat de scharen van U, opdat zij heengaan in de vlekken en zichzelven spijs kopen.16Maar Jezus zeide tot hen: Het is hun niet van node heen te gaan, geeft gij hun te eten.17Doch zij zeiden tot Hem: Wij hebben hier niet, dan vijf broden en twee vissen.18En Hij zeide: Brengt Mij dezelve hier.19En Hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf broden en de twee vissen, en opwaarts ziende naar den hemel, zegende dezelve; en als Hij ze gebroken had, gaf Hij de broden den discipelen, en de discipelen aan de scharen.20En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, twaalf volle korven.21Die nu gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.

Het was Herodes (de zoon van degene die in hoofdstuk 2 genoemd wordt) die Johannes de Doper in de gevangenis had laten werpen (hoofdstuk 11 vers 2). En waarom? Omdat Johannes er niet voor teruggeschrokken was hem terecht te wijzen. Herodes had namelijk de vrouw die door zijn broer verstoten was, tot vrouw genomen. Johannes, deze trouwe getuige, moest, omdat hij de moed had gehad de koning de waarheid te zeggen, dit betalen met zijn leven. Hij werd gedood tijdens het vermaak en de feestelijkheden aan het koninklijk hof. Dat is de vreselijke beloning van het vermaak dat de goddeloze zich permitteert (vergelijk Jakobus 5 vers 5 en 6). Ook al deed Herodes op een gegeven moment alsof hij bedroefd was, toch had hij al langere tijd de stille wens gekoesterd Johannes te doden (vers 5). Haat tegen de waarheid en tegen hen die haar verkondigen, gaan namelijk altijd hand in hand (Galaten 4 vers 16). Vanuit menselijke oogpunt gezien is dit einde van Johannes tragisch en vreselijk; in de ogen van God is het de zegevierende voleinding van zijn wandel (Handelingen 13 vers 25).

Tussen de regels door kan men lezen wat het bericht over de dood van Zijn voorloper voor de Heere Jezus betekende. Was dat immers al niet een voorteken van Zijn eigen verwerping en Zijn kruis? Het lijkt erop, dat het verdriet in Hem de behoefte opwekte om alleen te zijn (vers 13). Maar al spoedig wordt Hij door de mensenmenigte gevolgd en Zijn hart, dat alleen aan anderen denkt, ondervindt medelijden met hen. Ten gunste van hen doet Hij vervolgens het grote wonder van de vermenigvuldiging van de broden.

Mattheüs 14:22-36
22En terstond dwong Jezus Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor Hem af te varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen van Zich zou laten.23En als Hij nu de scharen van Zich gelaten had, klom Hij op den berg alleen, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zo was Hij daar alleen.24En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen.25Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.26En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen, werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! En zij schreeuwden van vrees.27Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.28En Petrus antwoordde Hem, en zeide: Heere! indien Gij het zijt, zo gebied mij tot U te komen op het water.29En Hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water, om tot Jezus te komen.30Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken, riep hij, zeggende: Heere, behoud mij!31En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem aan, en zeide tot hem: Gij kleingelovige! waarom hebt gij gewankeld?32En als zij in het schip geklommen waren, stilde de wind.33Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!34En overgevaren zijnde, kwamen zij in het land Gennesaret.35En als de mannen van die plaats Hem werden kennende, zonden zij in dat gehele omliggende land, en brachten tot Hem allen, die kwalijk gesteld waren;36En baden Hem, dat zij alleenlijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zovelen als Hem aanraakten, werden gezond.

De gebeurtenis van het schip in de storm is een beeld van de huidige situatie waarin de verlosten van de Heere zich bevinden. Terwijl Hij niet meer lichamelijk bij hen aanwezig is, maar Zich in de hemel bevindt en daar voor hen bidt en voor hen klaarstaat, moeten zij de onrustige zee van deze wereld oversteken. Daar is het in moreel opzicht nacht: de vijand veroorzaakt weerstand bij de mensen en werkt als de wind en de golven, waardoor alle inspanningen van de roeiers bijna tenietgedaan worden. Maar komt de Heere Jezus de Zijnen dan niet tegemoet? Zijn welbekende stem kalmeert de arme discipelen. En door het geloof, dat zich baseert op Zijn woord ("kom"!), wordt Petrus als het ware naar Hem, Die hij liefheeft, toegedragen. Plotseling wankelt dit geloof echter en begint Petrus te zinken. Wat is er gebeurd? Petrus had zijn ogen afgewend van zijn Meester, en zag op de hoge golven en het geweld van de wind. Alsof het gemakkelijker zou zijn om op rustig water te lopen dan op een onstuimige zee! Maar dan roept hij tot de Heere, Die hem direct te hulp komt.

'Op d'ongewisse baren van d' oceaan, in stormen en gevaren, grijp Heer' mij aan. Ik zie Uw aanschijn blinken in de duist'-re nacht, behoed mij dan voor zinken door Uwe macht.'

En blijft m' ook soms verborgen Uw grote macht, Gij voert mij tot de morgen ook door de nacht. Neem dan mijn beide handen en leid Uw kind, tot ik aan d' eeuw'ge stranden de ruste vind.

Daarna wordt de Heere Jezus ontvangen in de buurt van Gennésaret. Dat is een beeld van het tijdstip waarop Zijn volk dat Hem verworpen heeft, Hem zal erkennen en aanbidden en door Hem bevrijd zal worden.

Mattheüs 15:1-20
1Toen kwamen tot Jezus enige Schriftgeleerden en Farizeen, die van Jeruzalem waren, zeggende:2Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten.3Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uw inzetting?4Want God heeft geboden, zeggende: Eert uwen vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven.5Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, die voldoet.6En gij hebt alzo Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting.7Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:8Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij;9Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden van mensen zijn.10En als Hij de schare tot Zich geroepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat.11Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mens niet; maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mens.12Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de Farizeen deze rede horende, geergerd zijn geweest?13Maar Hij, antwoordende zeide: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.14Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.15En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Verklaar ons deze gelijkenis.16Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende?17Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?18Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.19Want uit het hart komen voort boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen.20Deze dingen zijn het, die den mens ontreinigen; maar het eten met ongewassen handen ontreinigt den mens niet.

De godsdienstige ijver van de Farizeeën beperkte zich tot het streng in acht nemen van een bepaald aantal vormen en tradities. En onder de dekmantel van deze schijnheiligheid (waardoor men mensen kan misleiden, maar God absoluut niet) volgden zij alle lusten van hun natuurlijk hart na. Hun inhaligheid dreef hen zelfs zo ver, dat ze zich aan de elementaire verplichtingen, zoals de zorg voor de ouders, onttrokken (vers 5; vergelijk Spreuken 28 vers 24). De vraag van de Heere Jezus (vers 3) is een slagvaardig antwoord op de vraag van de Farizeeën (vers 2). Door hun overleveringen verklaarden zij de geboden van God voor ongeldig. De Heere Jezus, Die juist een welgevallen had in het doen van Gods geboden, brengt deze huichelaars nu door hun eigen geschriften in verlegenheid. Zelfs de discipelen raken in verwarring door Zijn woorden. Maar dan openbaart de Heere hun alle boosheid van het menselijk hart en laat hun zien dat het totaal verdorven is. Ja, de handen kunnen zorgvuldig gewassen zijn, terwijl het hart nog vol vuil zit.

Beste vrienden, laten we toch toegeven dat het de volle waarheid is dat het hart van de mens er zo slecht uitziet. Dat kan ook in ons hart zo zijn! Want ook wij kunnen ons soms verstoppen achter een schijn van vleiende en achtenswaardige dingen.

Mattheüs 15:21-39
21En Jezus van daar gaande, vertrok naar de delen van Tyrus en Sidon.22En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.23Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.24Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.25En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij!26Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.27En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel hunner heren.28Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.29En Jezus, van daar vertrekkende, kwam aan de zee van Galilea, en klom op den berg, en zat daar neder.30En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en Hij genas dezelve.31Alzo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten den God Israels.32En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij eten zouden; en Ik wil hen niet nuchteren van Mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken.33En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Van waar zullen wij zovele broden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een grote schare zouden verzadigen?34En Jezus zeide tot hen: Hoevele broden hebt gij? Zij zeiden: Zeven, en weinige visjes.35En Hij gebood den scharen neder te zitten op de aarde.36En Hij nam de zeven broden en de vissen, en als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen; en de discipelen gaven ze aan de schare.37En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen op, het overschot der brokken, zeven volle manden.38En die daar gegeten hadden, waren vier duizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.39En de scharen van Zich gelaten hebbende, ging Hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala.

De Heere Jezus bezoekt de omgeving van Tyrus en Sidon. Hij had gezegd dat deze heidense steden minder schuldig zouden zijn dan die van Galilea, waar Hij de meeste wonderen gedaan had (hoofdstuk 11 vers 21 en 22). Maar zij hadden geen deel aan de zegeningen van de "Zoon van David" (vers 22); ze waren "vreemdelingen van de verbonden der belofte" (Efeze 2 vers 12). Aan het begin van Zijn gesprek met de arme Kananese vrouw, die voor haar dochter bij Hem was gekomen, maakt de Heere haar dit, zo op het eerste oog, met een streng antwoord duidelijk. En deze vrouw erkent ook dat zij totaal onwaardig is.

Wanneer wij de juiste positie innemen voor God, dan kan de genade in zijn volle glans stralen. Zou de mens immers ergens de geringste aanspraak op kunnen maken of zou iets een verdienste zijn, dan ging het niet meer om genade, maar om een schuld (Romeinen 4 vers 4). Laten we onze ellende nooit vergeten en er altijd aan denken, dat we voor God totaal onwaardig zijn. Dan zullen we ook steeds meer de grootheid van Zijn genade op zijn waarde weten te schatten!

Vervolgens richt de Heere Zich opnieuw tot Zijn volk. Volgens Psalm 132 vers 15 wil Hij de spijze, die van Hem komt, rijkelijk zegenen en de armen met brood verzadigen. En net zoals bij het eerste wonder, is het Zijn hart, dat overstroomt van medelijden met de volksmenigte, dat Hem tot handelen aanzet (vers 32; hoofdstuk 14 vers 14).

Mattheüs 16:1-12
1En de Farizeen en Sadduceen tot Hem gekomen zijnde, en Hem verzoekende, begeerden van Hem, dat Hij hun een teken uit den hemel zou tonen.2Maar Hij antwoordde, en zeide tot hen: Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder; want de hemel is rood;3En des morgens: Heden onweder; want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden! het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de tekenen der tijden niet onderscheiden?4Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teken; en hun zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jona, den profeet. En hen verlatende, ging Hij weg.5En als Zijn discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten broden mede te nemen.6En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuurdesem der Farizeen en Sadduceen.7En zij overlegden bij zichzelven, zeggende: Het is omdat wij geen broden mede genomen hebben.8En Jezus, dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzelven, gij kleingelovigen! dat gij geen broden mede genomen hebt?9Verstaat gij nog niet? en gedenkt gij niet aan de vijf broden der vijf duizend mannen; en hoevele korven gij opnaamt?10Noch aan de zeven broden der vier duizend mannen, en hoevele manden gij opnaamt?11Hoe verstaat gij niet, dat Ik u van geen brood gesproken heb, als Ik zeide, dat gij u wachten zoudt van den zuurdesem der Farizeen en Sadduceen.12Toen verstonden zij, dat Hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuurdesem des broods, maar van de leer der Farizeen en Sadduceen?

Opnieuw verlangen de Farizeeën een teken (hoofdstuk 12 vers 38 en verder); en ook deze keer wijst de Heere Jezus hen, in verbinding met de dood die Hij zou vervullen, op het teken van Jona. De christenen die nu aan de vooravond van de wederkomst van de Heere Jezus zijn aangekomen, hoeven geen ander teken meer voor Zijn komst te verwachten. Hun geloof berust op Zijn belofte en niet op zichtbare bewijzen, want anders was het geen geloof meer (Johannes 20 vers 29)!

En toch... hoeveel tekenen zijn er niet die erop wijzen dat wij aan het eind van de geschiedenis van de Gemeente hier op aarde zijn aangekomen! De hoogmoed van de mens is groter dan ooit; de christelijke wereld openbaart de kenmerken van 2 Timotheüs 3 vers 1 - 5. Verder zijn er ook uiterlijke tekenen: het Joodse volk keert terug in haar land; de volken proberen zich, binnen het kader van het Romeinse rijk van vroeger, te verenigen... Laten we onze ogen toch openen en opzien naar de hemel: de Heere Jezus komt eraan!

De Heere verlaat de ongelovigen en gaat weg (vers 4). Nu zijn het echter Zijn eigen discipelen die Hem bedroeven door hun gebrek aan vertrouwen en hun vergeetachtigheid, net zoals ze dit al eerder hadden gedaan door hun gebrek aan begrip (hoofdstuk 15 vers 16 en 17). Maar ach, lijken wij soms niet op hen? Laten we de vermaning die God ons —juist door de mond van Petrus (!) — geeft, toch ter harte nemen en laten we onze zorg op Hem werpen, want Hij zorgt voor ons (1 Petrus 5 vers 7).

Mattheüs 16:13-28
13Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben?14En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Jeremia of een van de profeten.15Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?16En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.17En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.18En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.19En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.20Toen verbood Hij Zijn discipelen, dat zij iemand zeggen zouden, dat Hij was Jezus, de Christus.21Van toen aan begon Jezus Zijn discipelen te vertonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.22En Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden.23Maar Hij, Zich omkerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter Mij, satanas! gij zijt Mij een aanstoot, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.24Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.25Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden.26Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?27Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen.28Voorwaar zeg Ik u: Er zijn sommigen van die hier staan, dewelke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des mensen zullen hebben zien komen in Zijn Koninkrijk.

Uit het antwoord op de vraag die de Heere Jezus aan Zijn discipelen stelt, blijkt dat de meningen over Hem verdeeld zijn. Vandaag de dag is dat nog net zo. En jij, kun jij zeggen Wie Hij is en wat Hij voor jou persoonlijk betekent?

De Vader geeft Simon die wonderbare belijdenis in de mond: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God" (vers 16). Dat is het onwankelbare Fundament waarop de Heere Zijn Gemeente bouwt en daarvan is elke gelovige, net als Simon, een levende steen. Hoe zouden de boze machten ooit hetgeen Christus toebehoort en wat Hij Zelf opbouwt, kunnen overweldigen?

En dan zien we dat de Heere Jezus Zijn discipel wil vereren met een speciale opdracht: hij mag, zowel voor de Joden als de volken, de poorten van het rijk openen (door zijn prediking; Handelingen 2 vers 36 — tot de Joden en Handelingen 10 vers 43 — tot de volken).

"Van toen aan" (vers 21) moest de Heere Jezus, nadat Hij gesproken had over Zijn Gemeente, spreken over de prijs die Hij Zelf zou betalen om haar te verwerven: Zijn lijden en sterven.

Helaas wordt de arme Petrus, die kort tevoren nog een uitspraak van God deed, tot een spreekbuis van satan. De duivel probeert Christus van Zijn weg van gehoorzaamheid af te brengen, maar hij wordt direct herkend en terechtgewezen.

De Heere Jezus, Die als Eerste voorop gaat op de weg van volkomen zelfverloochening, laat er geen onduidelijkheid over bestaan wat de gevolgen zijn als men Hem wil volgen (vergelijk hoofdstuk 10 vers 38 - 40). Zijn wij bereid Hem, koste wat het kost, te volgen (Filippensen 3 vers 8)?

Mattheüs 17:1-13
1En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hoge berg alleen.2En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht.3En ziet, van hen werden gezien Mozes en Elias, met Hem samensprekende.4En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Heere! het is goed, dat wij hier zijn; zo Gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en een voor Elias.5Terwijl hij nog sprak, ziet, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en ziet, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem!6En de discipelen, dit horende, vielen op hun aangezicht, en werden zeer bevreesd.7En Jezus, bij hen komende, raakte hen aan, en zeide: Staat op en vreest niet.8En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen.9En als zij van de berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende: Zegt niemand dit gezicht, totdat de Zoon des mensen zal opgestaan zijn uit de doden.10En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat zeggen dan de Schriftgeleerden, dat Elias eerst moet komen?11Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprichten.12Maar Ik zeg u, dat Elias nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend; doch zij hebben aan hem gedaan, al wat zij hebben gewild; alzo zal ook de Zoon des mensen van hen lijden.13Toen verstonden de discipelen dat Hij hun van Johannes de Doper gesproken had.

Hoofdstuk 16 besloot met een opmerking over het lijden en de dood van de Heere Jezus. Als antwoord op de belofte die aan de discipelen was gegeven (hoofdstuk 16 vers 28), begint hoofdstuk 17 met Zijn verschijning in heerlijkheid. Na de verachting die Gods Zoon van de kant van Zijn volk Israël had ondervonden, en na alle openbaringen van ongeloof die Hij in het voorgaande hoofdstuk ontmoette, wilde God een aantal uitverkoren getuigen onder de mensen een voorproef geven van Zijn koninklijke majesteit. Wat een verheven gebeurtenis!

De drie discipelen konden deze kostbare gebeurtenis helaas niet verdragen. De angst overviel hen (na de slaap; Lukas 9 vers 32). En ten slotte moest God het woord nemen, om te verhinderen dat Zijn veelgeliefde Zoon op dezelfde hoogte gesteld zou worden als de twee andere mannen, Mozes en Elia. Pas later, na de opstanding, begrepen de discipelen de volle draagwijdte van deze wonderbare verschijning en waren ze in staat daarover te vertellen. Petrus deed dit in zijn tweede Brief (hoofdstuk 1 vers 17 en 18). Maar nu, terwijl Mozes en Elia naar hun rust terugkeerden, neemt de Zoon van God weer de nederige gestalte van een slaaf aan, die Hij slechts voor een kort moment had afgelegd. Hij daalt van de berg af en gaat alleen verder op weg naar het kruis.

Mattheüs 17:14-27
14En als zij bij de schare gekomen waren, kwam tot Hem een mens, vallende voor Hem op de knieen, en zeggende:15Heere! ontferm U over mijn zoon; want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in het vuur, en menigmaal in het water.16En ik heb hem tot Uw discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.17En Jezus, antwoordende, zeide: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.18En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.19Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?20En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wil; want voorwaar zeg Ik u: Zo gij een geloof hadt als een mosterdzaad, gij zoudt tot deze berg zeggen: Ga heen van hier derwaarts, en hij zal heengaan; en niets zal u onmogelijk zijn.21Maar dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten.22En als zij in Galilea verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen;23En zij zullen Hem doden, en ten derden dage zal Hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd.24En als zij te Kapernaum ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt Hij de didrachmen niet?25Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon! de koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hun zonen, of van de vreemden?26Petrus zeide tot Hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zo zijn dan de zonen vrij.27Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga heen naar de zee, werp de angel uit, en de eerste vis, die opkomt, neem, en zijn mond geopend hebbende, zult gij een stater vinden; neem die, en geef hem aan hen voor Mij en u.

De aanbidding van de christen verplaatst hem in de geest "op een hoge berg" (vers 1), in gemeenschap met de verheerlijkte Heere. O, dat wij toch meer van die momenten in ons leven mochten kennen en beleven!

We moeten echter ook weer samen met Hem naar beneden kunnen klimmen, in de levensomstandigheden van de wereld, een wereld die door satan geregeerd wordt. Deze ervaring doen de discipelen nu ook op. De genezing van de maanzieke knaap biedt de Heere Jezus de gelegenheid de almacht van het geloof te benadrukken.

De gebeurtenis in de verzen 24 - 27 is zowel ontroerend als leerzaam. Petrus is de verschijning in heerlijkheid en de stem van de Vader al vergeten. Altijd bereid om zonder overleg te werk te gaan, verplicht hij zich in Naam van zijn Meester de tempelbelasting te betalen. De Heere Jezus vraagt hem vriendelijk of hij ooit gehoord heeft dat de zoon van een koning belasting betaalt aan z'n eigen vader. Simon had immers kort tevoren erkend dat Hij de Zoon van de levende God was! Nadat de Heere hem dit duidelijk gemaakt heeft, krijgt Petrus desondanks de opdracht om het bedrag, dat Hij niet schuldig was, te betalen. Tegelijkertijd openbaart Hij echter Zijn macht: Hij is Degene aan Wie de hele schepping onderdanig is, ook de vissen van de zee (Psalm 8 vers 7 - 9). Tevens openbaart Hij Zijn liefde: Hij verbindt Zich met de zwakke discipel, door ook voor hem te betalen.

Mattheüs 18:1-14
1Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen?2En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen;3En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.4Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.5En zo wie zodanig een kindeken ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.6Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.7Wee der wereld van de ergernissen, want het is noodzakelijk, dat de ergernissen komen; doch wee dien mens, door welken de ergernis komt!8Indien dan uw hand of uw voet u ergert, houwt ze af en werpt ze van u. Het is u beter, tot het leven in te gaan, kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende, in het eeuwige vuur geworpen te worden.9En indien uw oog u ergert, trekt het uit, en werpt het van u. Het is u beter, maar een oog hebbende, tot het leven in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden.10Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is.11Want de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was.12Wat dunkt u, indien enig mens honderd schapen had, en een uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negen en negentig laten, en op de bergen heengaande, het afgedwaalde zoeken?13En indien het geschiedt, dat hij hetzelve vindt, voorwaar zeg Ik u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negen en negentig, die niet afgedwaald zijn geweest.14Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.

De mensen van deze wereld houden van grootse dingen, van pracht en praal en een hoge positie. De discipelen ontkomen niet aan deze invloed. Zij willen graag weten wie "de meeste" is "in het Koninkrijk der hemelen". De Heere Jezus antwoordt hen, dat het belangrijkste is te weten hoe men daar kan ingaan — en om dat te kunnen, moet men juist klein zijn! Om hun deze les goed in te prenten, roept Hij een klein kind bij Zich en "stelde dat in het midden van hen". In onze omgeving bevinden zich misschien ook kleine kinderen. Zij zijn ons gegeven tot een voorbeeld van vertrouwen en onbevangenheid. Laten we er voor oppassen, hen vanwege hun zwakheid, onwetendheid en eenvoud te verachten. En laten we er nog meer voor oppassen, hun een aanstoot te zijn. Het slechte voorbeeld van een oudere is de ergste valstrik voor de voeten van de jongeren! Daarom herhaalt de Heere Jezus hier nog eens, wat Hij al eerder over het aanstoot geven heeft gezegd (vergelijk vers 8 en 9 en hoofdstuk 5 vers 29 en 30).

God is absoluut niet van plan deze kleinen te minachten. Integendeel, Hij gaat juist heel zorgvuldig en liefdevol met hen om, vanwege hun zwakheid. Engelen hebben de opdracht om over hen te waken. En laten we niet vergeten dat de Heere Jezus gekomen is om hen te "zalig te maken" (vers 11). Wanneer zij sterven voordat zij de leeftijd bereikt hebben dat ze zelf verantwoordelijk zijn, zullen ze het genot van Zijn werk mogen smaken! De gelijkenis van het verloren schaap laat ons zien welk een grote waarde zo'n klein lammetje heeft voor de goede Herder.

Mattheüs 18:15-35
15Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.16Maar indien hij u niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta.17En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar.18Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.19Wederom zeg Ik u: Indien er twee van u samenstemmen op de aarde, over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is.20Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.21Toen kwam Petrus tot Hem, en zeide: Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven! Tot zevenmaal?22Jezus zeide tot hem: Ik zeg u, niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zeven maal.23Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker koning, die rekening met zijn dienstknechten houden wilde.24Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een, die hem schuldig was tien duizend talenten.25En als hij niet had, om te betalen, beval zijn heer, dat men hem zou verkopen, en zijn vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zou betaald worden.26De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem, zeggende: Heer! wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.27En de heer van dezen dienstknecht, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hem ontslagen, en de schuld hem kwijtgescholden.28Maar dezelve dienstknecht, uitgaande, heeft gevonden een zijner mededienstknechten, die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende, greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij, wat gij schuldig zijt.29Zijn mededienstknecht dan, nedervallende aan zijn voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.30Doch hij wilde niet, maar ging heen, en wierp hem in de gevangenis, totdat hij de schuld zou betaald hebben.31Als nu zijn mededienstknechten zagen, hetgeen geschied was, zijn zij zeer bedroefd geworden; en komende, verklaarden zij hunnen heer al wat er geschied was.32Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hem: Gij boze dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gebeden hebt;33Behoordet gij ook niet u over uw mededienstknecht te ontfermen, gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?34En zijn heer, vertoornd zijnde, leverde hem den pijnigers over, totdat hij zou betaald hebben al wat hij hem schuldig was.35Alzo zal ook Mijn hemelse Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden.

Hier maakt de Heere Jezus duidelijk hoe het onrecht tussen broeders in orde gemaakt moet worden (vers 15 - 17). Zijn lessen over vergeving sluiten daarop aan (vers 22; vergelijk Efeze 4 vers 32 en Colossenzen 3 vers 13).

Dit biedt Hem echter ook de gelegenheid om het onderwerp van de Gemeente weer op te pakken. En Hij geeft ons een vers, beter gezegd een belofte, van de allergrootste betekenis: "Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen" (vers 20). Uit deze tegenwoordigheid komt alles wat de zwakste gemeente van gelovigen die in de Naam van de Heere Jezus vergaderd is, nodig heeft. Zou de zegen uit kunnen blijven wanneer Hij, de Bron van alle zegen, in het midden is van hen die op Hem wachten? Deze belofte heeft in het bijzonder betrekking op de volmacht die aan de gemeente overgedragen is (te binden en te ontbinden) en op de verhoring van het gebed van de twee of drie, die daarin overeenstemmen (vers 19). Helaas vergeten zoveel christenen dat de bidstonden zo ontzettend belangrijk zijn.

De gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht die tienduizend talenten schuldig was (een enorm bedrag!), herinnert ons aan de onmetelijk grote schuld die God ons in Christus vergeven heeft (Ezra 9 vers 6). Wat zijn, in vergelijking daarmee, de kleine ongerechtigheden die wij misschien te verdragen hebben? De Goddelijke vergeving, waarvan wij het onderwerp zijn geworden, legt ons de verantwoording op om, van onze kant, ook barmhartigheid te tonen.

Mattheüs 19:1-26
1En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geeindigd had, dat Hij vertrok van Galilea, en kwam over de Jordaan, in de landpalen van Judea.2En vele scharen volgden Hem, en Hij genas ze aldaar.3En de Farizeen kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak?4Doch Hij, antwoordende, zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne den mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw?5En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn;6Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.7Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten?8Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van den beginne is het alzo niet geweest.9Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet ook overspel.10Zijn discipelen zeiden tot Hem: Indien de zaak des mensen met de vrouw alzo staat, zo is het niet oorbaar te trouwen.11Doch Hij zeide tot hen: Allen vatten dit woord niet, maar dien het gegeven is.12Want er zijn gesnedenen, die uit moeders lijf alzo geboren zijn; en er zijn gesnedenen, die van de mensen gesneden zijn; en er zijn gesnedenen, die zichzelven gesneden hebben, om het Koninkrijk der hemelen. Die dit vatten kan, vatte het.13Toen werden kinderkens tot Hem gebracht, opdat Hij de handen hun zou opleggen en bidden; en de discipelen bestraften dezelve.14Maar Jezus zeide: Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot Mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.15En als Hij hun de handen opgelegd had, vertrok Hij van daar.16En ziet, er kwam een tot Hem, en zeide tot Hem: Goede Meester! wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?17En Hij zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed dan Een, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.18Hij zeide tot Hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven;19Eer uw vader en moeder; en: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.20De jongeling zeide tot Hem: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog?21Jezus zeide tot hem: Zo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, volg Mij.22Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen.23En Jezus zeide tot Zijn discipelen: Voorwaar, Ik zeg u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan.24En wederom zeg Ik u: Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods.25Zijn discipelen nu, dit horende, werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden?26En Jezus, hen aanziende, zeide tot hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

Aan het begin van dit hoofdstuk beantwoordt de Heere Jezus een vraag van de Farizeeën, doordat Hij echtscheiding opnieuw uitdrukkelijk veroordeelt (zie hoofdstuk 5 vers 31 en 32).

Daarna zegent Hij de kinderen die bij Hem gebracht werden, en tikt Hij Zijn discipelen, die dit wilden verhinderen, op de vingers. Hoe is het bij ons? Brengen wij de jonge zielen in het gebed tot onze Heere? Of behoren wij daarentegen tot degenen die hen juist verhinderen om tot Hem te komen?

In vers 16 zien we een jongeman bij de Heere Jezus komen met een groot verlangen: hij wil graag het eeuwige leven bezitten. Zijn vraag was echter slecht gesteld. En dát wil de Heere Zijn bezoeker duidelijk maken. Jij wilt dus goed doen? Prima, hier zijn de geboden! Het antwoord van de jongeman laat ons zien dat hij noch zijn eigen toestand als verloren zondaar, noch zijn onmacht om iets goeds te kunnen doen, inzag. Dan wijst de Heere hem erop, dat er in zijn hart een afgod woont. Zijn rijkdom vormt een verhindering — iets wat bij zoveel mensen in de weg staat — om tot Christus te komen en Hem te volgen!

Nee, het eeuwige leven verkrijgt men niet door goed te doen. En de beste voornemens, ook al bezit je nog zulke goede capaciteiten, kunnen je niet helpen het eeuwige leven te verwerven. Dat leven kun je namelijk niet verdienen! Het is een geschenk dat de Heere Jezus geeft aan hen die Hem volgen (Johannes 10 vers 28).

Mattheüs 19:27-30; Mattheüs 20:1-16
27Toen antwoordde Petrus, en zeide tot Hem: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd, wat zal ons dan geworden?28En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israels.29En zo wie zal verlaten hebben, huizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beerven.30Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.
1Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging, om arbeiders te huren in zijn wijngaard.2En als hij met de arbeiders eens geworden was, voor een penning des daags, zond hij hen heen in zijn wijngaard.3En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen, ledig staande op de markt.4En hij zeide tot dezelve: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zal ik u geven. En zij gingen.5Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks.6En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig staande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den gehele dag ledig?7Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen: Gaat ook gij heen in den wijngaard, en zo wat recht is, zult gij ontvangen.8Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards, tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten.9En als zij kwamen, die ter elfder ure gehuurd waren, ontvingen zij ieder een penning.10En de eersten komende, meenden, dat zij meer ontvangen zouden; en zij zelven ontvingen ook elk een penning.11En dien ontvangen hebbende, murmureerden zij tegen den heer des huizes,12Zeggende: Deze laatsten hebben maar een uur gearbeid, en gij hebt ze ons gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.13Doch hij, antwoordende, zeide tot een van hen: Vriend! ik doe u geen onrecht; zijt gij niet met mij eens geworden voor een penning?14Neem het uwe en ga heen. Ik wil deze laatsten ook geven, gelijk als u.15Of is het mij niet geoorloofd, te doen met het mijne, wat ik wil? Of is uw oog boos, omdat ik goed ben?16Alzo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

Deze vraag die de discipelen zo sterk bezighoudt, namelijk: wie de eerste en wie de laatste in het rijk der hemelen zou zijn, wordt geïllustreerd door een nieuwe gelijkenis.

Wij zouden misschien geneigd zijn om partij te kiezen voor de ontevreden arbeiders. Wij zouden de manier waarop zij door hun baas behandeld werden, misschien ook wel onrechtvaardig vinden. Daarom is het goed om wat beter na te denken over dit verhaal. De arbeiders die vroeg in de morgen kwamen, waren het met de "heer des huizes" "eens geworden" (vers 2 en 13). Zij schatten hun werk in op een bepaalde waarde. Zij die later kwamen, lieten het in het volste vertrouwen over aan de "heer des huizes" om zelf te bepalen "wat recht is" (vers 4 en 7). Dat zouden ze niet betreuren!

In het Koninkrijk der hemelen is de beloning nooit een recht. Volgens Lukas 17 vers 10 zijn wij allemaal "onnutte dienstknechten", en niemand is een beloning waardig. Alles hangt af van de grenzeloze genade van God. Zijn de arbeiders die ter elfder ure kwamen, anderzijds, niet het meest benadeeld? Zij hebben immers het overgrote deel van de dag geen gelegenheid gehad om te genieten van de vreugde die het geeft deze goede meester te dienen. En voor ons geldt: de allerbeste Meester is de Heere Jezus! Dienen wij Hem van jongs af aan? Je kunt Hem nooit genoeg, nooit te vroeg en nooit te lang toebehoren!

In deze geschiedenis met betrekking tot de wegen van God, zijn de eerste arbeiders, die het met de meester eens geworden waren, een beeld van Israël onder het verbond. In de arbeiders die ter elfder ure kwamen, mogen we een beeld zien van de volken, als het onderwerp van de genade van God.

Mattheüs 20:17-34
17En Jezus, opgaande naar Jeruzalem, nam tot Zich de twaalf discipelen alleen op de weg, en zeide tot hen:18Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen;19En zij zullen Hem den heidenen overleveren, om Hem te bespotten en te geselen, en te kruisigen; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.20Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeus tot Hem met haar zonen, Hem aanbiddende, en begerende wat van Hem.21En Hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de een tot Uw rechter- en de ander tot Uw linker hand in Uw Koninkrijk.22Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden, waarmede Ik gedoopt worde? Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen.23En Hij zeide tot hen: Mijn drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop, waarmede Ik gedoopt worde, zult gij gedoopt worden; maar het zitten tot Mijn rechter- en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven, maar het zal gegeven worden dien het bereid is van Mijn Vader.24En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders.25En als Jezus hen tot Zich geroepen had, zeide Hij: Gij weet, dat de oversten der volken heerschappij voeren over hen, en de groten gebruiken macht over hen.26Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar;27En zo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht.28Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.29En als zij van Jericho uitgingen, is Hem een grote schare gevolgd.30En ziet, twee blinden, zittende aan den weg, als zij hoorden, dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, Gij Zone Davids! ontferm U onzer.31En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden; maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm U onzer, Heere, Gij Zone Davids!32En Jezus, stil staande, riep hen en zeide: Wat wilt gij, dat Ik u doe?33Zij zeiden tot Hem: Heere! dat onze ogen geopend worden.34En Jezus, innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hun ogen aan; en terstond werden hun ogen ziende, en zij volgden Hem.

De Heere Jezus zoekt hier bij Zijn discipelen naar begrip voor een bijzonder ernstig onderwerp, dat Hemzelf betreft: het lijden en sterven dat Hem te wachten stond in Jeruzalem. En juist dát moment kiest de moeder van Jakobus en Johannes uit, om Hem iets te vragen uit eigenbelang. Ze zou er maar wat trots op geweest zijn, als haar beide zonen een ereplaats zouden mogen innemen in het rijk van de Messias! De tien andere discipelen waren hevig verontwaardigd over zo'n verzoek! Ongetwijfeld niet omdat deze vraag zo zelfzuchtig of ongepast was, maar omdat ze diep in hun eigen hart graag zelf die eerste plaats wilden hebben. Hadden ze dan niets geleerd van alles wat de Heere Jezus tegen hen gezegd had? Hadden ze dan niets begrepen en onthouden van het voorbeeld van dat kind, dat de Heere in hun midden geplaatst had?

Laten we hen niet veroordelen! Hoeveel moeite hebben wij soms zelf met het leren van dezelfde lessen, die ook voor ons gelden! Wat lijken wij toch vaak op de discipelen! Of niet soms?

Daarna gaat de Meester, zonder ook maar één enkel verwijt te maken, met een oneindig geduld verder met Zijn onderwijs. Deze keer ondersteunt Hij de lessen met het voorbeeld van Hemzelf (vers 28) — het Onderwerp van eeuwige aanbidding voor de verlosten!

Terwijl de Heere Jezus Zijn weg naar Jeruzalem vervolgt, geneest Hij bij de poort van Jericho twee blinden. De volharding van deze beiden, maar ook het oneindige erbarmen van de Heere, zijn geweldig om op te merken.

Mattheüs 21:1-17
1En als zij nu Jeruzalem genaakten, en gekomen waren te Beth-fage, aan de Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen:2Gaat heen in het vlek, dat tegen u over ligt, en gij zult terstond een ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar; ontbindt ze, en brengt ze tot Mij.3En indien u iemand iets zegt, zo zult gij zeggen, dat de Heere deze van node heeft, en hij zal ze terstond zenden.4Dit alles nu is geschied, opdat vervuld worde, hetgeen gesproken is door den profeet, zeggende:5Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong ener jukdragende ezelin.6En de discipelen heengegaan zijnde, en gedaan hebbende, gelijk Jezus hun bevolen had,7Brachten de ezelin en het veulen, en legden hun klederen op dezelve, en zetten Hem daarop.8En de meeste schare spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de bomen, en spreidden ze op den weg.9En de scharen, die voorgingen en die volgden, riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!10En als Hij te Jeruzalem inkwam, werd de gehele stad beroerd, zeggende: Wie is Deze?11En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galilea.12En Jezus ging in den tempel Gods, en dreef uit allen, die verkochten en kochten in den tempel, en keerde om de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten.13En Hij zeide tot hen: Er is geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt.14En er kwamen blinden en kreupelen tot Hem in den tempel, en Hij genas dezelve.15Als nu de overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderheden, die Hij deed, en de kinderen, roepende in den tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk;16En zeiden tot Hem: Hoort Gij wel, wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit de mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt Gij U lof toebereid?17En hen verlatende, ging Hij van daar uit de stad, naar Bethanie, en overnachtte aldaar.

In de eerste drie evangeliën betekenen de doortocht door Jericho en de intocht in Jeruzalem het begin van de laatste etappe van de weg van onze Heiland, hier op aarde. De vervulling van Zacharia 9 vers 9 was opnieuw een bewijs voor Israël, dat het werkelijk de Messias was Die was gekomen om hen op te zoeken. Het was onmogelijk Hem te verwarren met iemand anders, want de volgende kenmerken waren op Hem van toepassing: "rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel". Je zou toch veel eerder denken dat Hij zou komen als een machtig en verheven vorst, die op een paard aan de spits van zijn troepen zijn intrede houdt in de hoofdstad. Maar een nederige en zachtmoedige Koning... dat gaat het menselijk voorstellingsvermogen ver te boven.

Deze karakterkenmerken van genade en zachtmoedigheid vormen voor de Heere op geen enkele wijze een verhindering om toch streng in te grijpen, toen Hij zag dat de rechten van God met voeten getreden werden (vers 12 en verder). Zo moet het ook bij Zijn discipelen zijn. De zachtmoedigheid die hen — en ons! — zou moeten kenmerken, mag de vastbeslotenheid niet uitsluiten (1 Korinthe 15 vers 58).

De aanwezigheid van de Heere Jezus in de tempel heeft verschillende uitwerkingen: in de eerste plaats een zorgvuldige reiniging; tegelijkertijd geneest Hij in genade de zieken die bij Hem komen. Dan horen wij de lof opklinken van de kleine kinderen. En ten slotte zien we de onwil en weerstand van de vijanden van de waarheid.

Mattheüs 21:18-32
18En des morgens vroeg, als Hij wederkeerde naar de stad, hongerde Hem.19En ziende, een vijgeboom aan den weg, ging Hij naar hem toe, en vond niets aan denzelven, dan alleenlijk bladeren; en zeide tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid! En de vijgeboom verdorde terstond.20En de discipelen, dat ziende, verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zo terstond verdord?21Doch Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij geloof hadt, en niet twijfeldet, gij zoudt niet alleenlijk doen, hetgeen den vijgeboom is geschied; maar indien gij ook tot deze berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen! het zou geschieden.22En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen.23En als Hij in den tempel gekomen was, kwamen tot Hem, terwijl Hij leerde, de overpriesters en de ouderlingen des volks, zeggende: Door wat macht doet Gij deze dingen? En Wie heeft U deze macht gegeven?24En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, hetwelk indien gij Mij zult zeggen, zo zal Ik u ook zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe.25De doop van Johannes, van waar was die, uit de hemel, of uit de mensen? En zij overlegden bij zichzelven en zeiden: Indien wij zeggen: Uit de hemel; zo zal Hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?26En indien wij zeggen: Uit de mensen: zo vrezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een profeet.27En zij, Jezus antwoordende, zeiden: Wij weten het niet. En Hij zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik dit doe.28Maar wat dunkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot den eersten, zeide: Zoon! ga heen, werk heden in mijn wijngaard.29Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen.30En gaande tot den tweeden, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet.31Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.32Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en de hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.

Op de weg naar Jeruzalem volbrengt de Heere Jezus nog een ander wonder. Deze keer gaat het, bij wijze van uitzondering, niet om een wonder van liefde, maar om een waarschuwing. Het betreft een waarschuwingssignaal voor het oordeel dat over het volk zou komen. Aan de vijgenboom is niets anders dan bladeren te ontdekken! Alle uiterlijke vormen van Godzaligheid zijn aanwezig, maar er is geen enkele vrucht zichtbaar! Dat was de toestand van het volk Israël — en ook die van alle naamchristenen!

Dit wonder biedt de Heere Jezus de gelegenheid Zijn discipelen te herinneren aan de kracht van een gebed in geloof. Daarna gaat Hij weer de tempel binnen, waar de verantwoordelijken onder het volk bij Hem komen en Zijn volmacht aanvechten. Door Zijn vraag maakt de Heere hun duidelijk dat ze Zijn volmacht niet kunnen erkennen, wanneer ze eerder de opdracht van Johannes de Doper ook niet erkend hebben. Net zoals het tweede kind in de gelijkenis (vers 28 - 30), zo gaan de leiders van het volk er openlijk prat op, dat zij de wil van God doen. In werkelijkheid was Hij voor hen echter slechts als een dode letter (Titus 1 vers 16).

Anderen daarentegen, die vroeger bekend stonden als oproerkraaiers en zondaars, hebben wel naar de stem van Johannes geluisterd, berouw getoond en nadien de wil van God vervuld.

Kinderen van gelovige ouders, je loopt het gevaar dat mensen die jij vandaag misschien minacht en op wie je neerziet, je op de weg naar de hemel voorgaan (zie hoofdstuk 20 vers 16). Denk daarom aan je eigen verantwoordelijkheid!

Mattheüs 21:33-46
33Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak daarin, en bouwde een toren, en verhuurde dien den landlieden, en reisde buiten 's lands.34Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijn dienstknechten tot de landlieden, om zijn vruchten te ontvangen.35En de landlieden, nemende zijn dienstknechten, hebben den een geslagen, en den anderen gedood, en den derden gestenigd.36Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eersten, en zij deden hun desgelijks.37En ten laatste zond hij tot hen zijn zoon, zeggende: Zij zullen mijn zoon ontzien.38Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam, komt, laat ons hem doden, en zijn erfenis aan ons behouden.39En hem nemende, wierpen zij hem uit, buiten de wijngaard, en doodden hem.40Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen?41Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aandoen, en zal den wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op haar tijden zullen geven.42Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks; van de Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen?43Daarom zeg Ik ulieden, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt.44En wie op deze steen valt, die zal verpletterd worden; en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.45En als de overpriesters en Farizeen deze Zijn gelijkenissen hoorden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak.46En zoekende Hem te vangen, vreesden zij de scharen, dewijl deze Hem hielden voor een profeet.

De vreselijke toestand van het volk en hun leiders wordt door een andere gelijkenis nog eens geïllustreerd. God verwacht vrucht van Zijn wijngaard Israël. Hij heeft er alles aan gedaan en niets nagelaten om die in ontvangst te kunnen nemen (vergelijk Jesaja 5 vers 1 en 2). De Joden (en de mensen in het algemeen) hebben echter niet alleen duidelijk hun eigen onmacht getoond, maar hebben ook een geest van opstand en haat ten opzichte van de rechtmatige Eigenaar van alle dingen geopenbaard. Ze hebben Zijn knechten, de profeten, veracht en verworpen. En nu stonden zij zelfs op het punt de Erfgenaam buiten te werpen —en op wat voor manier! — om zodoende zelf de erfenis — dat wil zeggen: de wereld — te verkrijgen (1 Thessalonicenzen 2 vers 15).

De Heere brengt deze mannen ertoe hun eigen oordeel uit te spreken (vers 40 en 41). Daarna laat Hij hen zien dat Hij Zelf de uitverkoren en kostbare Hoeksteen ("Hoofd des hoeks") is, Die God in Israël gesteld heeft. De bouwlieden (de leiders van de Joden) hebben Hem niet gewild (Psalm 118 vers 22 en 23). Nu is Hij zowel tot Hoeksteen van "een geestelijk huis" (de Gemeente) als tot "een Steen des aanstoots" voor hen die ongehoorzaam zijn, geworden (1 Petrus 2 vers 4 - 8). Overeenkomstig deze Schriftplaats is Christus de feitelijke Toetssteen van het geloof. Hij is kostbaar voor God en ons die geloven. Maar door de ongelovige mensen is Hij verworpen en wordt Hij tot "een Steen des aanstoots".

Mattheüs 22:1-22
1En Jezus, antwoordende, sprak tot hen wederom door gelijkenissen, zeggende:2Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had;3En zond zijn dienstknechten uit, om de genoden ter bruiloft te roepen; en zij wilden niet komen.4Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genoden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.5Maar zij, zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap.6En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen.7Als nu de koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijn krijgsheiren zendende, heeft die doodslagers vernield, en hun stad in brand gestoken.8Toen zeide hij tot zijn dienstknechten: De bruiloft is wel bereid, doch de genoden waren het niet waardig.9Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zovelen als gij er zult vinden, roept ze tot de bruiloft.10En dezelve dienstknechten, uitgaande op de wegen, vergaderden allen, die zij vonden, beiden kwaden en goeden; en de bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten.11En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed;12En zeide tot hem: Vriend! hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde.13Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.14Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.15Toen gingen de Farizeen heen, en hielden te zamen raad, hoe zij Hem verstrikken zouden in Zijn rede.16En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en de weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan;17Zeg ons dan: wat dunkt U? Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven of niet?18Maar Jezus, bekennende hun boosheid, zeide:19Gij geveinsden, wat verzoekt gij Mij? Toont Mij de schattingpenning. En zij brachten Hem een penning.20En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift?21Zij zeiden tot Hem: Des keizers. Toen zeide Hij tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.22En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan.

De gelijkenis van de bruiloft van de koningszoon is een aanvulling op die van de slechte wijngaardeniers. Het laat zien wat er, na de verwerping van de Erfgenaam, gebeuren zal. De Joden, die het eerst zijn uitgenodigd, wijzen de genade die hen door de apostelen (de knechten uit vers 3) verkondigd werd, af. Daarna richten de dienstknechten van de Koning zich tot de volken (Handelingen 13 vers 46).

Het zou een eer voor de mensen moeten zijn, door God uitgenodigd te worden. Jij hebt die uitnodigingsbrief op dit moment ook in handen! Maar ach! De reacties die Hij gewoonlijk hierop krijgt, zijn tegenstand en verachting (Hebreeën 2 vers 3). Het is namelijk niet voldoende uitgenodigd te zijn (vers 3). Je moet die uitnodiging ook aannemen en komen, op een wijze die God Zelf voorgeschreven heeft. Dat wil zeggen: gekleed in het "bruiloftskleed", dat is het kleed van de gerechtigheid, waar de Koning Zelf voor zorgt (vergelijk Filippensen 3 vers 9).

De man in vers 11 dacht dat zijn eigen kleding goed genoeg was. Dat is een beeld van hen die menen met hun eigen gerechtigheid in de hemel te kunnen komen; ze sluiten zich aan bij een of andere kerk, maar nemen Christus niet aan als hun persoonlijke Verlosser (hoofdstuk 5 vers 20; Romeinen 10 vers 3 en 4). Zij zullen beschaamd worden en hun definitieve lot is vreselijk!

Doof voor al deze lessen, komen de Farizeeën en Herodianen met een uitgekookte vraag bij de Heere Jezus, om Hem in een val te lokken. Hij herkent echter onmiddellijk de valstrik die achter hun vleiende taal verborgen ligt. En Zijn onverwachte antwoord laat de pijl die Hem had moeten treffen, terugkeren naar hen die hem afgeschoten hebben.

Mattheüs 22:23-46
23Te dienzelfden dage kwamen tot Hem de Sadduceen, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,24Zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft, geen kinderen hebbende, zo zal zijn broeder deszelfs vrouw trouwen, en zijn broeder zaad verwekken.25Nu waren er bij ons zeven broeders; en de eerste, een vrouw getrouwd hebbende, stierf; en dewijl hij geen zaad had, zo liet hij zijn vrouw voor zijn broeder.26Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot de zevende toe.27Ten laatste na allen, is ook de vrouw gestorven.28In de opstanding dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven, want zij hebben ze allen gehad?29Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods.30Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in de hemel.31En wat aangaat de opstanding der doden, hebt gij niet gelezen, hetgeen van God tot ulieden gesproken is, Die daar zegt:32Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs! God is niet een God der doden, maar der levenden.33En de scharen, dit horende, werden verslagen over Zijn leer.34En de Farizeen, gehoord hebbende, dat Hij de Sadduceen den mond gestopt had, zijn te zamen bijeenvergaderd.35En een uit hen, zijnde een Wetgeleerde, heeft gevraagd, Hem verzoekende, en zeggende:36Meester! welk is het grote gebod in de wet?37En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.38Dit is het eerste en het grote gebod.39En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven.40Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.41Als nu de Farizeen samenvergaderd waren, vraagde hun Jezus,42En zeide: Wat dunkt u van den Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Davids Zoon.43Hij zeide tot hen: Hoe noemt Hem dan David, in de Geest, zijn Heere? zeggende:44De Heere heeft gezegd tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.45Indien Hem dan David noemt zijn Heere, hoe is Hij zijn Zoon?46En niemand kon Hem een woord antwoorden; noch iemand durfde Hem van dien dag aan iets meer vragen.

Nu komen de Sadduceeën op de proppen met hun tegenstand en stellen de Heere Jezus een nodeloze vraag. Zij menen dat zij met hun verhaal de opstanding als onzinnig kunnen weerleggen. Voordat de Heere Jezus hun daarop echter het bewijs vanuit de Schriften geeft, richt Hij Zich eerst tot het geweten van deze mannen. Hij laat hun zien dat zij zonder kennis van het Woord discussiëren. Zij baseren zich bij hun uitspraken namelijk op de onzekere (en altijd verkeerde) basis van hun eigen gedachten. Dat doen veel mensen vandaag de dag, vooral de aanhangers van verderfelijke sekten en allerlei andere dwaalleren.

Hoewel zij op grond van de Schrift volkomen verslagen zijn, proberen de vijanden van de waarheid toch nog een aanval te doen (vers 34 - 40). Als antwoord ontvangen zij echter een meesterlijke samenvatting van de gehele wet, dat hen ten slotte zelf veroordeelt.

Nu is het de beurt aan de Heere Jezus om Zijn gesprekspartners een vraag te stellen, waardoor hun de mond gesnoerd wordt.

Hoewel momenteel nog verworpen, zal Hij, Die zowel de Zoon als de Heere van David is, in de toekomst een glorierijke positie innemen. En zij die ondanks alles Zijn vijanden willen blijven, zullen dan de plaats ontvangen die voor hen bestemd is — als voetbank voor Zijn voeten (vers 44).

Het doet verdriet mensen te zien die zo vastbesloten zijn hun eigen weg te volgen dat zij weigeren zich te buigen voor de duidelijke lessen uit de Bijbel (2 Timotheüs 3 vers 8).

Mattheüs 23:1-22
1Toen sprak Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen,2Zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeen zijn gezeten op de stoel van Mozes;3Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hun werken; want zij zeggen het, en doen het niet.4Want zij binden lasten, die zwaar zijn en kwalijk om te dragen, en leggen ze op de schouderen der mensen; maar zij willen die met hun vinger niet verroeren.5En al hun werken doen zij, om van de mensen gezien te worden; want zij maken hun gedenkcedels breed, en maken de zomen van hun klederen groot.6En zij beminnen de vooraanzitting in de maaltijden, en de voorgestoelten in de synagogen;7Ook de begroetingen op de markten, en van de mensen genaamd te worden: Rabbi, Rabbi!8Doch gij zult niet Rabbi genaamd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus; en gij zijt allen broeders.9En gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Een is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is.10Noch zult gij meesters genoemd worden; want Een is uw Meester, namelijk Christus.11Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.12En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.13Maar wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden! want gij sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, overmits gij daar niet ingaat, noch degenen, die ingaan zouden, laat ingaan.14Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.15Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij omreist zee en land, om een Jodengenoot te maken, en als hij het geworden is, zo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt.16Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zo wie gezworen zal hebben bij den tempel, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij het goud des tempels, die is schuldig.17Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, het goud, of de tempel, die het goud heiligt?18En zo wie gezworen zal hebben bij het altaar, dat is niets; maar zo wie gezworen zal hebben bij de gave, die daarop is, die is schuldig.19Gij dwazen en blinden, want wat is meerder, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?20Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve, en bij al wat daarop is.21En wie zweert bij den tempel, die zweert bij denzelven, en bij Dien, Die daarin woont.22En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Dien, Die daarop zit.

De Heere Jezus heeft alle aanvallen van de godsdienstige leiders verijdeld. Nu waarschuwt Hij de discipelen en de volksmenigte voor zulke mannen. Wat zij zeiden dat gedaan moest worden, klopte over het algemeen wel, maar helaas waren hun eigen daden er helemaal niet mee in overeenstemming (zie hoofdstuk 21 vers 30).

Wij die zoveel Bijbelse waarheden geleerd hebben en anderen vaak heel goed op deze dingen weten te wijzen, zijn wij er ook zeker van, dat wij ze zelf in praktijk brengen (Johannes 13 vers 17; Romeinen 2 vers 17 en verder)?

Wat vinden we hier een grote tegenstelling tussen deze leiders en Christus, de enige en ware Meester of Leider (vers 8 en 10; Rabbi betekent namelijk leermeester of leider)! Zij gingen prat op de wet; Hij vervulde die (hoofdstuk 5 vers 17). Zij legden anderen zware en moeilijk te dragen lasten op (vers 4); Hij riep allen die vermoeid en belast waren, tot Zich, om hun rust te geven (hoofdstuk 11 vers 28). Zij kozen de eerste plaatsen voor zichzelf uit (vers 6); Hij heeft echter altijd de laagste plaats ingenomen, vanaf de kribbe tot het kruis. Hij was Dienstknecht, voordat Hij Meester werd (vers 11). Niemand zal ooit hoger verheven worden dan Hij, want niemand heeft zich ooit dieper vernederd dan Hij. Deze Schriftgeleerden en Farizeeën echter, die alleen hun eigen eer zochten, zullen hun ondergang en verderf tegemoet gaan. In plaats van de zaligsprekingen aan het begin van Zijn dienst, moet de Heere Jezus nu zeven maal dat vreselijke woord "wee" tegen deze mannen, die zoveel verantwoordelijkheid droegen, uitspreken.

Mattheüs 23:23-39
23Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij vertient de munte, en de dille, en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen, en de andere niet nalaten.24Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt, en den kemel doorzwelgt.25Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij reinigt het buitenste des drinkbekers, en des schotels, maar van binnen zijn zij vol van roof en onmatigheid.26Gij blinde Farizeer, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat ook het buitenste derzelve rein worde.27Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinigheid.28Alzo ook schijnt gij wel den mensen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.29Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij bouwt de graven der profeten op, en versiert de graftekenen der rechtvaardigen;30En zegt: Indien wij in de tijden onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der profeten.31Aldus getuigt gij tegen uzelven, dat gij kinderen zijt dergenen, die de profeten gedood hebben.32Gij dan ook, vervult de mate uwer vaderen!33Gij slangen, gij adderengebroedsels! hoe zoudt gij de helse verdoemenis ontvlieden?34Daarom ziet, Ik zend tot u profeten, en wijzen, en schriftgeleerden, en uit dezelve zult gij sommigen doden en kruisigen, en sommigen uit dezelve zult gij geselen in uw synagogen, en zult hen vervolgen van stad tot stad;35Opdat op u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia, den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tussen den tempel en het altaar.36Voorwaar zeg Ik u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.37Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild.38Ziet, uw huis wordt u woest gelaten.39Want Ik zeg u: Gij zult Mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!

Met deze heftige woorden veroordeelt de Heere hen die men de 'geestelijkheid' van Israël zou kunnen noemen. Deze blinde leiders waren dubbel schuldig. Ze vormden niet alleen een verhindering voor hun eigen ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar misbruikten hun machtspositie ook om anderen de toegang te beletten (vers 13). Ten opzichte van allerlei kleinigheden waren ze heel spitsvondig, maar ze verwaarloosden de hoofdzaken: het oordeel, de barmhartigheid, het geloof (of de trouw; vers 23). Bovendien misbruikten zij, door hun huichelachtige masker, het vertrouwen van de eenvoudige mensen. Vol verontwaardiging laat de Heere Jezus hun ware gezicht zien: zij zijn "witgepleisterde graven" (van binnen dood), "slangen", moordenaars en zonen van moordenaars (vers 27, 31 en 33).

Voordat de Heere Jezus de tempel verlaat en dit huis, waarin God geen plaats meer had, woest laat liggen, vertelt Hij met aangrijpende woorden over het oordeel dat over Jeruzalem zou komen.

We kunnen er misschien iets van begrijpen, wat deze grote verachting van de aangeboden genade voor Zijn Goddelijk gevoelig hart geweest moet zijn: "gij hebt niet gewild" (vers 37; hoofdstuk 22 vers 3; Hosea 11 vers 7). Wat een vreselijke uitspraak! Zou hij die dit op zekere dag zal moeten horen, ooit God verantwoordelijk kunnen, ja durven stellen, voor het eeuwig ongeluk dat hem dan zal treffen? Het heil in Christus is hem aangeboden — en hij heeft niet gewild.

`Kom tot de Heiland, wacht langer niet! Kom nu tot Hem, Die redding u biedt; Die ook voor u de hemel verliet; hoor naar Zijn roepstem: Kom!'

Mattheüs 24:1-14
1En Jezus ging uit en vertrok van den tempel; en Zijn discipelen kwamen bij Hem, om Hem de gebouwen des tempels te tonen.2En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet al deze dingen? Voorwaar zeg Ik: Hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.3En als Hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot Hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en welk zal het teken zijn van Uw toekomst, en van de voleinding der wereld?4En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ziet toe, dat u niemand verleide.5Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zij zullen velen verleiden.6En gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen; ziet toe, wordt niet verschrikt; want al die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.7Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.8Doch al die dingen zijn maar een beginsel der smarten.9Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking, en zullen u doden, en gij zult gehaat worden van alle volken, om Mijns Naams wil.10En dan zullen er velen geergerd worden, en zullen elkander overleveren, en elkander haten.11En vele valse profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.12En omdat de ongerechtigheid vermenigvuldigd zal worden, zo zal de liefde van velen verkouden.13Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.14En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.

Met trots laten de discipelen de tempel aan de Heere Jezus zien, de tempel die tot dusver lange tijd standgehouden heeft, maar die spoedig verwoest zou worden! Daarom neemt de Heere Jezus hen apart en legt Hij hun in de hoofdstukken 24 en 25 de volgorde van de profetische gebeurtenissen uit.

Allereerst spreekt Hij tot hun geweten (vers 4), daarna geeft Hij achtereenvolgens antwoord op hun drie vragen: 'Wanneer zal dat zijn?'; vers 15 - 28. Wat is het teken van Uw komst?'; vers 29 - 31. Wat is het teken van de voleinding van de eeuw?'; vers 32 - 51.

Een waarheid moet een morele uitwerking hebben, dus bijvoorbeeld de vrucht voor God of de liefde tot de Heere vermeerderen. Zonder deze uitwerking zal alleen de nieuwsgierigheid gevoed worden, maar het geweten verharden. Hier geldt voor de discipelen dat ze goed op hun hoede moeten zijn. Ze zijn nog kinderen in het geloof. Ze kennen de Vader, Die de Heere Jezus hun geopenbaard heeft (hoofdstuk 11 vers 27; 1 Johannes 2 vers 13), maar ze zijn nog niet bewapend tegen hen die in 1 Johannes 2 vers 18 "vele antichristen" worden genoemd. Met andere woorden: ze zijn nog niet opgewassen tegen de vele verspreiders van dwaalleren, en daarom moeten ze gewaarschuwd worden. Satan probeert de mensen door bedrieglijke imitaties te verleiden (2 Thessalonika 2 vers 9 en 10).

Ook wij zijn gewaarschuwd en daarom hoeven we niet te schrikken (vers 6). En laten we ervoor oppassen dat de liefde tot God en tot onze broeders en zusters niet verkilt.

Mattheüs 24:15-31
15Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniel, de profeet, staande in de heilige plaats; (die het leest, die merke daarop!)16Dat alsdan, die in Judea zijn, vlieden op de bergen;17Die op het dak is, kome niet af, om iets uit zijn huis weg te nemen;18En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn klederen weg te nemen.19Maar wee de bevruchten, en den zogenden vrouwen in die dagen!20Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters, noch op een sabbat.21Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.22En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.23Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet.24Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.25Ziet, Ik heb het u voorzegd!26Zo zij dan tot u zullen zeggen: Ziet, hij is in de woestijn; gaat niet uit; Ziet, hij is in de binnenkameren; gelooft het niet.27Want gelijk de bliksem uitgaat van het oosten, en schijnt tot het westen, alzo zal ook de toekomst van den Zoon des mensen wezen.28Want alwaar het dode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.29En terstond na de verdrukking dier dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.30En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid.31En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.

De dingen die in deze verzen aangekondigd worden, hebben betrekking op Israël en zullen pas na de opname van de Gemeente plaatsvinden. Om echter duidelijk aan te tonen dat ze een gevolg zijn van Zijn verwerping, zoals die in de voorgaande hoofdstukken beschreven werd, richt de Heere Jezus Zich nu tot de discipelen, alsof hun generatie door die vreselijke tijd zou hebben te gaan. In werkelijkheid zullen de christenen van de huidige bedeling (de tijdsperiode van de Gemeente) niet meer op aarde zijn als de Antichrist de volken zal verleiden, de tempel zal verontreinigen (vers 15) en de getrouwen zal vervolgen (vers 16 en verder). Daarom zijn de waarschuwingen en bemoedigingen ook niet direct op ons van toepassing.

De Heere Jezus toont echter een grote belangstelling voor deze omstandigheden die aan Zijn komen in heerlijkheid voorafgaan (vers 30). En Hij denkt met een groot meeleven aan de gelovigen die dan te lijden zullen hebben. Tevens neemt Hij aan dat zij die Hij Zijn "vrienden" noemt, deze belangstelling en dit meeleven met Hem delen (Johannes 15 vers 15). Dat Hij daarover tevoren tot ons spreekt (vers 25), is een teken van groot vertrouwen en liefde van Zijn kant (vergelijk Genesis 18 vers 17). Is dat al niet een reden te meer voor ons, om te proberen deze profetische onderwerpen te begrijpen? Bovendien zijn deze profetieën een bron van nuttige vermaningen voor alle tijden en alle getuigen van de Heere. Wat hebben wij de volgende vermaningen ontzettend hard nodig: volhardt (vers 13); bidt (vers 20); waakt (vers 42)!

Mattheüs 24:32-51
32En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.33Alzo ook gijlieden, wanneer gij al deze dingen zult zien, zo weet, dat het nabij is, voor de deur.34Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.35De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.36Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.37En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.38Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging;39En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van de Zoon des mensen.40Alsdan zullen er twee op den akker zijn, de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.41Er zullen twee vrouwen malen in den molen, de ene zal aangenomen, en de andere zal verlaten worden.42Waakt dan; want gij weet niet, in welke ure uw Heere komen zal.43Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had, in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.44Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.45Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijn dienstboden gesteld heeft, om hunlieder hun voedsel te geven ter rechter tijd?46Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer, komende, zal vinden alzo doende.47Voorwaar, Ik zeg u, dat hij hem zal zetten over al zijn goederen.48Maar zo die kwade dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen;49En zou beginnen zijn mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards;50Zo zal de heer van dezen dienstknecht komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet;51En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

De Heere Jezus onderbreekt Zijn profetische beschrijving, om de Zijnen te vermanen waakzaam en tot de dienst bereid te zijn. Het oordeel zal plotseling over de wereld losbreken en zal de ongelovigen en spotters treffen. Maar ook de onverschilligen, de besluitelozen en de kinderen van gelovige ouders die zelf geen kinderen van God zijn, zullen er niet aan ontkomen.

Behoor jij misschien nog tot de laatstgenoemden? De Heere Jezus zegt tegen iedereen: "Daarom, weest ook gij bereid" (vers 44). Neem dan nu, op dit moment, de toevlucht tot de Heere Jezus, voordat het te laat is!

In vers 45 wordt een mooie dienst genoemd, die de dienstknechten mogen volbrengen: in hun eigen omgeving voedsel, het Woord, uitdelen (Handelingen 20 vers 28; 1 Timotheüs 1 vers 12). Daarvoor moet men echter aan twee voorwaarden voldoen. Ten eerste moet men getrouw zijn in het kennen van het Woord en daar niet van afwijken. Ten tweede moet men wijsheid bezitten om het Woord toe te passen, al naar gelang de behoefte en de omstandigheden van de ander.

In de grote christenheid zijn er echter ook slechte knechten. Zij hebben streng over de zielen geheerst; zij zijn zich te buiten gegaan aan het vermaak van de wereld (vergelijk 1 Thessalonicenzen 5 vers 7 en verder). En waarom? Diep in hun binnenste geloven ze niet in de wederkomst van de Meester. De dienstknecht van Christus kan namelijk alleen trouw en wijs zijn wanneer hij een blij geheim bewaart: elke dag de Heere te verwachten. "Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen", roept de Psalmist uit (Psalm 130 vers 6).

Mattheüs 25:1-13
1Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen gelijk zijn aan tien maagden, welke haar lampen namen, en gingen uit, den bruidegom tegemoet.2En vijf van haar waren wijzen, en vijf waren dwazen.3Die dwaas waren, haar lampen nemende, namen geen olie met zich.4Maar de wijzen namen olie in haar vaten, met haar lampen.5Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig, en vielen in slaap.6En ter middernacht geschiedde een geroep: Ziet, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet!7Toen stonden al die maagden op, en bereidden haar lampen.8En de dwazen zeiden tot de wijzen: Geeft ons van uw olie; want onze lampen gaan uit.9Doch de wijzen antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkopers, en koopt voor uzelven.10Als zij nu heengingen om te kopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren, gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.11Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Heer, heer, doe ons open!12En hij, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg ik u: Ik ken u niet.13Zo waakt dan; want gij weet den dag niet, noch de ure, in welke de Zoon des mensen komen zal.

Wanneer, naar Oosters gebruik, een bruidegom 's nachts op weg ging naar de bruiloft, werd hij door jonge meisjes, vriendinnen van de bruid, begeleid met lampen (vergelijk Psalm 45 vers 10 - 15). De Heere Jezus gebruikte dit prachtige beeld om ons te laten zien op welke wijze Hij, de hemelse Bruidegom, verwacht zou moeten worden. Helaas is de christenheid als geheel moe geworden van het wachten. Ze is door de geestelijke slaap overvallen en dat heeft al eeuwen geduurd. Het was nodig dat er een moment in de geschiedenis van de Kerk kwam, terecht een opwekking genoemd, dat deze middernachtsroep weerklonk: "Ziet, de Bruidegom komt!" (vers 6). De Heere Jezus komt terug! Zie Hem!

Ten gevolge daarvan werd het verschil zichtbaar: de wijze maagden hadden olie in hun lampen. Zo zijn de ware gelovigen bereid voor de komst van hun Heere en hun licht, dat van de Heilige Geest, kan schijnen in de nacht van deze wereld. Anderen mensen, waarvan de dwaze maagden spreken, zijn zij die misschien wel toegeven de Heere te verwachten, maar Zijn leven niet bezitten. Zij droegen ten onrechte de prachtige naam 'christen'. Wat een vreselijke vergissing en wat een afschuwelijk ontwaken!

Laat iedereen zich toch afvragen, zo lang het nog kan en er nog tijd voor is: 'Zit er olie in mijn lamp? Ben ik bereid voor de komst van de Heere?' (Romeinen 8 vers 9).

Mattheüs 25:14-30
14Want het is gelijk een mens, die buiten 's lands reizende, zijn dienstknechten riep, en gaf hun zijn goederen over.15En den ene gaf hij vijf talenten, en den anderen twee, en den derden een, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.16Die nu de vijf talenten ontvangen had, ging heen, en handelde daarmede, en won andere vijf talenten.17Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee.18Maar die het ene ontvangen had, ging heen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heren.19En na een langen tijd kwam de heer van dezelve dienstknechten, en hield rekening met hen.20En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen.21En zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.22En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.23Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.24Maar die het ene talent ontvangen had, kwam ook en zeide: Heer, ik kende u, dat gij een hard mens zijt, maaiende, waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt;25En bevreesd zijnde, ben ik heengegaan, en heb uw talent verborgen in de aarde; zie, gij hebt het uwe.26Maar zijn heer, antwoordende, zeide tot hem: Gij boze en luie dienstknecht! gij wist, dat ik maai, waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb.27Zo moest gij dan mijn geld den wisselaren gedaan hebben, en ik, komende, zou het mijne wedergenomen hebben met woeker.28Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengene, die de tien talenten heeft.29Want een iegelijk, die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengene, die niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.30En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden.

De gelijkenis van de tien maagden heeft betrekking op het verwachten van de komst van de Heere.

De gelijkenis van de talenten belicht de kant van het dienen. Het leven van de christen, na zijn bekering, draagt twee kenmerken: "de levende en waarachtige God te dienen" en "Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten" (1 Thessalonicenzen 1 vers 9 en 10). De Heere verwachten betekent niet dat je de handen in de schoot kunt leggen totdat Hij komt. Integendeel, elke verloste heeft het voorrecht voor Hem te kunnen werken. De gelovige heeft voor dit doel een aantal talenten ontvangen, waarvoor hij zelf verantwoordelijk is ze ook winstgevend te gebruiken. Daarbij mogen we denken aan: gezondheid, geheugen, verstand, vrije tijd, materiële goederen, enzovoort. Bovenal bezit de gelovige het Goddelijke Woord, dat hem voorziet van de nodige kennis (1 Korinthe 2 vers 12).

Beste vrienden, zelfs wanneer wij gered zijn, kunnen we toch in meer of mindere mate lijken op die "boze en luie dienstknecht". Zijn we er zeker van, dat we niet uit zelfzucht, luiheid of onoprechtheid de één of andere gave, die de Heere toebehoort, weggestopt hebben? Ja, wat hebben wij Hem te geven, wanneer Hij komt? Zal Hij ons in Zijn vreugde kunnen laten ingaan, in de vreugde van het volbrachte werk en de bevredigde liefde, in de vreugde die voor Hem lag (zie Hebreeën 12 vers 2)?

Laten we eraan denken dat de eerste beide knechten dezelfde beloning krijgen. Wat voor de Heere telt, zijn niet zo zeer de successen (die altijd klein zijn), maar veel meer de getrouwheid!

Mattheüs 25:31-46
31En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid.32En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.33En Hij zal de schapen tot Zijn rechter hand zetten, maar de bokken tot Zijn linker hand.34Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn rechter hand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beerft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld.35Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd.36Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen.37Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere! wanneer hebben wij U hongerig gezien, en gespijzigd, of dorstig, en te drinken gegeven?38En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien, en geherbergd, of naakt en gekleed?39En wanneer hebben wij U krank gezien, of in de gevangenis, en zijn tot U gekomen?40En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.41Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linker hand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is.42Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven;43Ik was een vreemdeling; en gij hebt Mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt Mij niet gekleed; krank, en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht.44Dan zullen ook dezen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank, of in de gevangenis, en hebben U niet gediend?45Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zeg Ik u: Voor zoveel gij dit een van deze minsten niet gedaan hebt, zo hebt gij het Mij ook niet gedaan.46En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.

In vers 31 wordt het verloop van de profetie die wij in vers 30 en 31 van hoofdstuk 24 verlaten hadden, weer opgepakt, dus op het punt van de komst van de Heere in heerlijkheid voor Zijn aardse volk. Voor de mensen uit de overige volken, die in die tijd op aarde zullen leven (vers 32), heeft dan het uur van beloning of bestraffing geslagen. En waardoor dit onderscheid aangebracht wordt? Dat is de manier waarop zij de gezanten van de Koning (Zijn broeders — hier de Joden — vers 40) opgenomen hebben, toen deze hun het evangelie van het rijk verkondigden (hoofdstuk 24 vers 14).

Sommige mensen willen deze gelijkenis nog wel eens gebruiken als grondslag voor hun leer van verlossing door werken. Maar het is duidelijk dat wij ons hier in dit gedeelte niet in de tijd van de Gemeente en het christelijk geloof, in de eigenlijke zin, bevinden.

Ook al moeten we de vraag met betrekking tot het heil hier dan achterwege laten, toch bevat de uitleg van de Koning rijke lessen voor ons christenen. Wanneer de Heere Jezus vandaag hier op aarde zou zijn, welke ijver zouden wij dan aan de dag leggen om Hem te ontvangen, te dienen, en de kleinste wens van Hem te vervullen? Ook al is Hij nu niet meer lichamelijk aanwezig, toch geeft Hij ons ook nu elke dag de gelegenheid ijver voor Hem te tonen! Iemand bijspringen, gastvrij zijn, bezoeken maken, en noem maar op, ja alles wat wij uit liefde voor iemand anders doen, doen wij in eerste instantie voor Hem (vergelijk Johannes 13 vers 20; 1 Korinthe 12 vers 12)! Anderzijds weigeren we de Heere iets, wanneer wij nalaten iets voor een ander te doen.

Mattheüs 26:1-16
1En het is geschied, als Jezus al deze woorden geeindigd had, dat Hij tot Zijn discipelen zeide:2Gij weet, dat na twee dagen het pascha is, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden, om gekruisigd te worden.3Toen vergaderden de overpriesters en de Schriftgeleerden, en de ouderlingen des volks, in de zaal des hogepriesters, die genaamd was Kajafas;4En zij beraadslaagden te zamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en doden zouden.5Doch zij zeiden: Niet in het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk.6Als nu Jezus te Bethanie was, ten huize van Simon, de melaatse,7Kwam tot Hem een vrouw, hebbende een albasten fles met zeer kostelijke zalf, en goot ze uit op Zijn hoofd, daar Hij aan tafel zat.8En Zijn discipelen, dat ziende, namen het zeer kwalijk, zeggende: Waartoe dit verlies?9Want deze zalf had kunnen duur verkocht, en de penningen den armen gegeven worden.10Maar Jezus, zulks verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gij deze vrouw moeite aan? want zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.11Want de armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.12Want als zij deze zalf op Mijn lichaam gegoten heeft, zo heeft zij het gedaan tot een voorbereiding van Mijn begrafenis.13Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.14Toen ging een van de twaalven, genaamd Judas Iskariot, tot de overpriesters,15En zeide: Wat wilt gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penningen.16En van toen af zocht hij gelegenheid, opdat hij Hem overleveren mocht.

De Heere Jezus heeft Zijn onderwijs beëindigd. Nu zullen de laatste gebeurtenissen in vervulling gaan. Terwijl Zijn tegenstanders in Jeruzalem beraadslagen (vers 3 - 5), speelt zich in Bethanië een heel andere gebeurtenis af.

Verworpen en gehaat door de groten van Zijn volk, wordt de Heere Jezus door de eenvoudige getrouwen aangenomen. Door hen wordt Hij geliefd en, we mogen gerust zeggen, is er aanbidding, hetgeen Hem ook toekomt! Hij heeft geen plaats meer in de tempel, maar wordt in het huis van Simon, de melaatse, opgenomen. Het koningschap is Hem geweigerd, maar "een albasten fles met zeer kostbare zalf" wordt op Zijn hoofd leeggegoten, hetgeen een beeld is van de koninklijke zalving (vers 7). Deze vrouw erkent en eert de Messias van Israël. "Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk" (Hooglied 1 vers 12). Alleen de Heere begrijpt en waardeert haar handeling. Maar dat is voldoende! Als Hij er een welgevallen in heeft, heeft niemand anders het recht zich te ergeren aan deze

vrouw.

Met vers 14 gaan we weer over tot een ontzettend trieste en donkere gebeurtenis. De verrader Judas, die zojuist nog de geur van de zalfolie ingeademd had, volvoert hier zijn schandalige daad en krijgt daarvoor zijn beloning. "Dertig zilveren penningen" is de prijs die voor een slaaf betaald werd (vers 15; Exodus 21 vers 32), maar de profeet Zacharia noemt het — niet zonder hoon — "een heerlijke prijs", omdat het spreekt van de waarde waarop de Zoon van God geschat zou worden (Zacharia 11 vers 13).

Mattheüs 26:17-30
17En op den eerste dag der ongehevelde broden kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij U bereiden het pascha te eten?18En Hij zeide: Gaat heen in de stad, tot zulk een, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, Ik zal bij u het pascha houden met Mijn discipelen.19En de discipelen deden, gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het pascha.20En als het avond geworden was, zat Hij aan met de twaalven.21En toen zij aten, zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u Mij zal verraden.22En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere?23En Hij, antwoordende, zeide: Die de hand met Mij in den schotel indoopt, die zal Mij verraden.24De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt; het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geweest.25En Judas, die Hem verried, antwoordde en zeide: Ben ik het, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.26En als zij aten, nam Jezus het brood, en gezegend hebbende, brak Hij het, en gaf het den discipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.27En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien, zeggende: Drinkt allen daaruit;28Want dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden.29En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik met u dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Mijns Vaders.30En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.

Misschien kunnen we ons er een voorstelling van maken, welke gevoelens de Heere Jezus gehad moet hebben toen Hij samen met Zijn discipelen dit pascha at. Het was namelijk een beeld van wat Hij in werkelijkheid zou zijn. Nog een klein poosje en het heilige Paaslam zou geslacht worden (1 Korinthe 5 vers 7). Toch was het Hem Zijn grootste wens (Lukas 22 vers 15), Zijn discipelen een heel bijzonder teken van Zijn liefde te geven. Sinds die gedenkwaardige nacht van de uittocht uit Egypte werd er elk jaar door het pascha een voorbeeld gegeven van een toekomstig werk. Voortaan zou het avondmaal op elke eerste dag van de week de gelovigen eraan herinneren dat dit werk volbracht is. Elke keer opnieuw wanneer wij het avondmaal vieren, verkondigen wij de dood van de Heere, totdat Hij komt (1 Korinthe 11 vers 26).

Nadat de Heere Jezus het brood uitgedeeld had aan de Zijnen, geeft Hij hun ook de beker en zegt: "Drinkt allen daaruit" (vers 27). Ja, Hij wil dat ieder van hen, samen met Hem, deelneemt aan deze maaltijd der liefde (behalve Judas, die al weggegaan was; Johannes 13 vers 30). Zijn zij waardig dat te doen? Petrus zal Hem verloochenen; alle anderen zullen vluchten. Desondanks zegt de Heere Jezus tegen hen — en Hij zegt het nu nog steeds tegen Zijn verlosten: "Drinkt allen daaruit". Dan vertelt Hij hen over de onmetelijke waarde van Zijn bloed, "dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden" (vers 28).

Beste lezer, behoort u tot die "velen"? Als dat zo is, wat is
dan uw antwoord op de wens die de Heere Jezus tot uit‑
drukking gebracht heeft (vergelijk Psalm 116 vers 12 - 14)?

Mattheüs 26:31-46
31Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geergerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.32Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.33Doch Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Al werden zij ook allen aan U geergerd, ik zal nimmermeer geergerd worden.34Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.35Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.36Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemane, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder, totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden hebben.37En met Zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebedeus, begon Hij droevig en zeer beangst te worden.38Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij.39En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op Zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan? doch niet, gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.40En Hij kwam tot de discipelen en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Kunt gij dan niet een uur met Mij waken?41Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.42Wederom ten tweeden male heengaande, bad Hij, zeggende: Mijn Vader! Indien deze drinkbeker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, Uw wil geschiede!43En komende bij hen, vond Hij hen wederom slapende; want hun ogen waren bezwaard.44En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden male, zeggende dezelfde woorden.45Toen kwam Hij tot Zijn discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; ziet, de ure is nabij gekomen, en de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.46Staat op, laat ons gaan; ziet, hij is nabij, die Mij verraadt.

Vol zelfvertrouwen heeft Petrus gezegd dat hij bereid is om samen met de Heere Jezus te sterven. We zullen zien dat zijn belofte niet lang standhield.

Dan gaat de Heere Jezus, nadat Hij Zijn discipelen ingescherpt heeft met Hem te waken en te bidden, alleen verder deze tuin in, die tuin waarin Hij het hoogste bewijs van Zijn overgave aan de wil van de Vader zou geven. Deze wil, die voor de Zoon altijd een lust was om te doen, hield een tweevoudige en vreselijke consequentie in. Ten eerste betekende dit voor Hem dat Hij van God verlaten zou zijn — hetgeen een grote smart voor het hart van Zijn veelgeliefde was. En ten tweede zou Hij de zonden moeten dragen, met als loon: de dood — hetgeen ontzettend beangstigend was voor deze volmaakte Mens. Daarom werd Hij zo uitermate bedroefd en beangst (vers 37). O, Hij is Zich ervan bewust wat de vreselijke weg van het kruis allemaal met zich meebrengt. En satan doet op dat moment alle moeite Hem hiervan af te brengen. De Heere Jezus neemt de kelk echter uit de hand van Zijn Vader aan en zegt: "Uw wil geschiede" (vers 42).

In Zijn grote genade heeft God het ons vergund om deze strijd van de Verlosser 'bij te wonen' en Zijn ernstig en smartelijk gebed te horen. O, dat wij er toch voor bewaard mogen blijven ten opzichte van Zijn lijden in te slapen en onverschillig in het hart te worden, zoals die drie discipelen, die zo nauw met Hem verbonden waren. Dat het toch meer tot diep in onze harten zou mogen doordringen en dat het ons meer tot dankbaarheid en aanbidding mag brengen.

Mattheüs 26:47-58
47En als Hij nog sprak, ziet, Judas, een van de twaalven, kwam, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters en ouderlingen des volks.48En die Hem verried, had hun een teken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, Dezelve is het, grijpt Hem.49En terstond komende tot Jezus, zeide hij: Wees gegroet, Rabbi! en hij kuste Hem.50Maar Jezus zeide tot hem: Vriend! waartoe zijt gij hier! Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem.51En ziet, een van degenen, die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des hogepriesters, hieuw zijn oor af.52Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijn plaats; want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.53Of meent gij, dat Ik Mijn Vader nu niet kan bidden, en Hij zal Mij meer dan twaalf legioenen engelen bijzetten?54Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet?55Ter zelfder ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen een moordenaar, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen; dagelijks zat Ik bij u, lerende in den tempel, en gij hebt Mij niet gegrepen;56Doch dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten al de discipelen, Hem verlatende.57Die nu Jezus gevangen hadden, leidden Hem heen tot Kajafas, den hogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd waren.58En Petrus volgde Hem van verre tot aan de zaal des hogepriesters, en binnengegaan zijnde, zat hij bij de dienaren, om het einde te zien.

Eén van de discipelen heeft niet geslapen zoals de anderen en dat was Judas. Nu komt hij aan de spits van een dreigende schare naar de Heere Jezus toe, om Hem te grijpen. Welk teken heeft deze ellendige man uitgekozen om zijn Meester te verraden? Een huichelachtige kus! "Vriend", antwoordt de Heere Jezus hem, "waartoe zijt gij hier?" (vers 50). Dat was een laatste vraag aan de ongelukkige Judas, om zijn hart te doorgronden. Maar het is te laat voor deze "zoon van de verderfenis" (Johannes 17 vers 12). Deze pijlen voor het geweten (zie ook vers 55) zijn de enige 'verdedigingsmiddelen' van Hem, Die Zichzelf overgeeft.

De discipelen staan machteloos. Tegelijkertijd staan Hem echter twaalf legioenen van engelen ter beschikking. Ze staan klaar om op Zijn verzoek aan de Vader in te grijpen. De hele macht van God staat Hem ter beschikking, wanneer Hij er gebruik van zou willen maken. Maar Zijn uur is gekomen. Hij is helemaal niet van plan Zich terug te trekken of Zich te verdedigen. Integendeel zelfs, Hij weerhoudt de arm van Zijn voorbarige discipel, deze discipel die korte tijd later zijn ware moed laat zien, door te vluchten met zijn metgezellen.

De Schriftgeleerden en ouderlingen waren inmiddels al, midden in de nacht, in het paleis van de Hogepriester samengekomen, om daar de hoogste ongerechtigheid ten uitvoer te brengen (Psalm 94 vers 21).

Mattheüs 26:59-75
59En de overpriesters, en de ouderlingen, en de gehele grote raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten; en vonden niet.60En hoewel er vele valse getuigen toegekomen waren, zo vonden zij toch niet.61Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzelven opbouwen.62En de hogepriester, opstaande, zeide tot Hem: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?63Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God?64Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.65Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt gij Zijn gods lastering gehoord.66Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.67Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten.68En anderen gaven Hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft?69En Petrus zat buiten in de zaal; en een dienstmaagd kwam tot hem, zeggende: Gij waart ook met Jezus, den Galileer.70Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij zegt.71En als hij naar de voorpoort uitging, zag hem een andere dienstmaagd, en zeide tot degenen, die aldaar waren: Deze was ook met Jezus den Nazarener.72En hij loochende het wederom met een eed, zeggende: Ik ken den Mens niet.73En een weinig daarna, die er stonden, bijkomende, zeiden tot Petrus: Waarlijk, gij zijt ook van die, want ook uw spraak maakt u openbaar.74Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den Mens niet.75En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig het woord van Jezus, Die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande, weende hij bitterlijk.

De leiders van het volk hebben de Heere Jezus in hun macht gekregen. Het ontbreekt hen echter aan een geldige reden om Hem te kunnen veroordelen. In de volmaakte Mens is namelijk geen enkel aanknopingspunt te vinden voor hun aanklachten. Daarom zien zij zich gedwongen om een "vals getuigenis" tegen Hem op te stellen (Psalm 27 vers 12; Psalm 35 vers 11 en 12). En zelfs dat is uitermate moeilijk, want het moet immers toch de schijn van waarheid hebben. Uiteindelijk komen er twee getuigen naar voren, met een uitspraak die zij verdraaid hebben (vergelijk vers 61 met Johannes 2 vers 19). Wat als een voorwendsel voor Zijn veroordeling moet dienen, is Zijn plechtige verklaring dat Hij de Zoon van God is, Die bestemd is om in macht en heerlijkheid te komen! Het doodvonnis wordt geveld. En onmiddellijk daarop laten de mensen hun ruwheid en gemeenheid de vrije loop (vers 67 en 68). Het eerste deel van hetgeen de Heere Jezus meerdere keren aan de Zijnen voorzegd heeft, is in vervulling gegaan (hoofdstuk 16 vers 21; 17 vers 22; 20 vers 18 en 19).

Ook voor Petrus zijn dit donkere ogenblikken in zijn leven, maar wel om een heel andere reden. Satan, die de Meester niet kon doen wankelen, lukt het om nu de discipel te laten struikelen. Tot drie maal toe verloochent de arme Petrus Hem, tegen Wie hij gezegd had dat hij voor Hem zou willen sterven. Om de anderen te misleiden, komt Petrus er nu zelfs toe om harde uitdrukkingen te gebruiken. Zonder dat hij het zich bewust was, had men hem echter eerder al aan zijn spraakgebruik herkend als een discipel van de Heere Jezus.

Mattheüs 27:1-18
1Als het nu morgenstond geworden was, hebben al de overpriesters en de ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij Hem doden zouden.2En Hem gebonden hebbende, leidden zij Hem weg, en gaven Hem over aan Pontius Pilatus, den stadhouder.3Toen heeft Judas, dien Hem verraden had, ziende, dat Hij veroordeeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren penningen den overpriesters en den ouderlingen wedergebracht,4Zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.5En als hij de zilveren penningen in den tempel geworpen had, vertrok hij, en heengaande verworgde zichzelven.6En de overpriesters, de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd, dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.7En te zamen raad gehouden hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot een begrafenis voor de vreemdelingen.8Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds, tot op den huidigen dag.9Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren penningen genomen, de waarde des Gewaardeerden van de kinderen Israels, Denwelken zij gewaardeerd hebben;10En hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens hetgeen mij de Heere bevolen heeft.11En Jezus stond voor den stadhouder; en de stadhouder vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Jezus zeide tot hem: Gij zegt het.12En als Hij van de overpriesters en de ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde Hij niets.13Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoevele zaken zij tegen U getuigen?14Maar Hij antwoordde hem niet op een enig woord, alzo dat de stadhouder zich zeer verwonderde.15En op het feest was de stadhouder gewoon den volke een gevangene los te laten, welke zij wilden.16En zij hadden toen een welbekende gevangene, genaamd Bar-abbas.17Als zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij, dat ik u zal loslaten, Bar-abbas, of Jezus, Die genaamd wordt Christus?18Want hij wist, dat zij Hem door nijdigheid overgeleverd hadden.

Langzamerhand wordt het dag, een dag zoals er geen tweede in de geschiedenis van deze aarde en in de eeuwigheid zal bestaan! Als het licht begint te worden, zijn de overpriesters en de ouderlingen bezig met het vastleggen van het vonnis waartoe zij besloten hadden. Op dat moment komt er echter iemand bij hen binnen die zij maar al te goed kennen. Het is de verrader, aan wie zij het te danken hebben dat zij hun doel nu eindelijk bereikt hebben. Wat wil hij? Judas bevestigt de onschuld van zijn Meester, en omdat hij geplaagd wordt door zijn geweten, brengt hij het geld terug. De anderen zeggen dat het zijn eigen zaak is en niet de hunne. Ze hebben geen enkel medelijden met hem. Daarna gaat deze ellendige man naar buiten en berooft zich van het leven. Hij verliest zijn leven, zijn ziel en zelfs het geld waarvoor hij zijn leven en ziel verkocht had.

De overpriesters hadden, zonder te aarzelen, onschuldig bloed gekocht. Nu het er echter om ging de prijs die zij voor dit bloed betaald hadden, in de offerkist te werpen, voelden ze zich bezwaard in hun geweten!

De Heere Jezus werd voor Pilatus, de stadhouder, gebracht. Het zou voor Hem niet moeilijk geweest zijn om bij deze Romeinse ambtenaar steun te vinden tegen de haat van Zijn volk. Hij antwoordt echter alleen om Zijn titel als Koning van de Joden te bevestigen, verder zwijgt Hij. "Als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open" (Jesaja 53 vers 7; vergelijk vers 12,14 en hoofdstuk 26 vers 63).

Mattheüs 27:19-31
19En als hij op de rechterstoel zat, zo heeft zijn huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niet te doen met dien Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in den droom om Zijnentwil.20Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben den scharen aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden.21En de stadhouder, antwoordende, zeide tot hen: Welke van deze twee wilt gij, dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Bar-abbas.22Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat Hem gekruisigd worden.23Doch de stadhouder zeide: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat Hem gekruisigd worden!24Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.25En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.26Toen liet hij hun Bar-abbas los, maar Jezus gegeseld hebbende, gaf hij Hem over om gekruisigd te worden.27Toen namen de krijgsknechten des stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden over Hem de ganse bende.28En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om;29En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieen voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!30En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd.31En toen zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den mantel af, en deden Hem Zijn klederen aan, en leidden Hem heen om te kruisigen.

Pilatus verkeert in grote verlegenheid tegenover de Aangeklaagde, Die de leiders van de Joden bij hem gebracht hebben. Nooit eerder heeft hij een zaak als deze moeten behandelen; nooit eerder heeft hij met iemand te doen gekregen als Hij. En een tweevoudig getuigenis — dat van zijn vrouw (vers 19) en van zijn eigen geweten (vers 24) — overtuigt hem ervan, dat hij met een Rechtvaardige te doen heeft. Bovendien weet hij van de verdorvenheid van hen die Hem uit afgunst hebben overgeleverd (vers 18). Wat moet hij doen? Het is zeker dat hij een onrechtmatigheid begaat als hij Hem veroordeelt. Laat hij Hem echter vrij, dan zal dat zeer zeker zijn geliefdheid niet ten goede komen. Door de symbolische handeling van het wassen van de handen (maar niet van zijn geweten!) wentelt hij de verantwoording af op het volk. En omdat dit volk verblind is, neemt het deze verantwoording op zich.

Achter deze volksmenigte, die gedreven wordt door de laagste instincten, en achter hun leiders, die hen daartoe opstoken, gaat satan verder met zijn werk van haat. Maar God gaat ook verder met Zijn werk! Een werk van genade en heil!

De Heere Jezus is nu overgeleverd in de handen van de ruwe soldaten. Voordat zij Hem wegleiden om Hem te kruisigen, doen ze Hem spottend een purperen mantel om, hetgeen een koninklijk kleed moet voorstellen. Er zal echter een dag komen dat de Heere voor de ogen van allen werkelijk in Zijn grote majesteit zal verschijnen als de Koning der koningen. En eens zal Hij Zijn machtige hand, de hand die destijds de rietstok vasthield, in het oordeel opheffen tegen Zijn vijanden (vergelijk vers 29 met Psalm 21 vers 4, 6 en 9).

Mattheüs 27:32-49
32En uitgaande, vonden zij een man van Cyrene, met name Simon; deze dwongen zij, dat hij Zijn kruis droeg.33En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,34Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.35Toen zij nu Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, het lot werpende; opdat vervuld zou worden, hetgeen gezegd is door den profeet: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over Mijn kleding geworpen.36En zij, nederzittende, bewaarden Hem aldaar.37En zij stelden boven Zijn hoofd Zijn beschuldiging geschreven: DEZE Is JEZUS, De KONING DER JODEN.38Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-, en een ter linker zijde.39En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden,40En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis.41En desgelijks ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en Farizeen, Hem bespottende, zeiden:42Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israels is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven.43Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.44En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren.45En van de zesde ure aan werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.46En omtrent de negende ure riep Jezus met een grote stem zeggende: ELI, ELI, LAMA SABACHTHANI! dat is: Mijn God! Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten!47En sommigen van die daar stonden, zulks horende, zeiden: Deze roept Elias.48En terstond een van hen toe lopende, nam een spons, en die met edik gevuld hebbende, stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken.49Doch de anderen zeiden: Houd op, laat ons zien, of Elias komt, om Hem te verlossen.

De Heere Jezus wordt vervolgens vanuit het Pretorium naar Golgotha gebracht. Simon van Cyréne wordt gedwongen om Zijn kruis te dragen. Hijzelf neemt echter vrijwillig een andere, onvergelijkbaar zware last op Zich: de last van onze zonden, die niemand anders in Zijn plaats op zich kon nemen. Hij wordt gekruisigd tussen twee misdadigers. "Zijn beschuldiging" bovenaan het kruis is in werkelijkheid een aanklacht tegen het volk dat zijn Koning kruisigt. Aan de korte boodschap in dit Schriftgedeelte worden verder geen details toegevoegd. De mensen zouden dit echter maar wat graag gedaan hebben, om de gevoelens nog meer te prikkelen. Uit de onopgesmukte taal van de Geest kunnen we echter heel goed opmaken, dat de veelgeliefde Verlosser geen enkel leed bespaard bleef. De lichamelijke pijnen bij een kruisiging zijn vreselijk. Voor de Heere Jezus was de grote smart voor Zijn ziel echter nog vele malen erger.

De spotters daagden de Heere Jezus uit, door Zijn macht om Zichzelf te kunnen bevrijden, in twijfel te trekken (vers 40). (Maar bleef Hij niet juist aan het kruis, om anderen te kunnen redden?) God wordt uitgedaagd, door Zijn liefde tot Christus in twijfel te trekken. Wat moet de Heere Jezus dit alles als een grote smaad ervaren hebben (vers 43; Psalm 69 vers 10). Het ergste lijden voor Hem was echter het verlaten worden door God Zelf, in de drie uren van duisternis. God moest Zijn aangezicht afwenden, toen de Heere Jezus uw en mijn zonden verzoende.

`Met doornen gekroond, bespot en gehoond, droeg Christus aan 't kruis onze zonden.

Hij heeft in 't gericht het volle gewicht van 't Goddelijk recht ondervonden.

Onpeilbare smart vervulde Zijn hart, toen Hij door Zijn God werd verlaten.'

Mattheüs 27:50-66
50En Jezus, wederom met een grote stem roepende, gaf den geest.51En ziet, het voorhangsel des tempels scheurde in tweeen, van boven tot beneden; en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden.52En de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, werden opgewekt;53En uit de graven uitgegaan zijnde, na Zijn opstanding, kwamen zij in de heilige stad, en zijn velen verschenen.54En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden, ziende de aardbeving, en de dingen, die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk, Deze was Gods Zoon!55En aldaar waren vele vrouwen, van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Galilea, om Hem te dienen.56Onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus en Joses, en de moeder der zonen van Zebedeus.57En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathea, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was.58Deze kwam tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus, dat hem het lichaam gegeven zou worden.59En Jozef, het lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad.60En legde dat in zijn nieuw graf, hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een grote steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg.61En aldaar was Maria Magdalena, en de andere Maria, zittende tegenover het graf.62Des anderen daags nu, welke is na de voorbereiding, vergaderden de overpriesters en de Farizeen tot Pilatus,63Zeggende: Heer, wij zijn indachtig, dat deze verleider, nog levende, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik opstaan.64Beveel dan, dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat Zijn discipelen misschien niet komen bij nacht, en stelen Hem, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de doden; en zo zal de laatste dwaling erger zijn, dan de eerste.65En Pilatus zeide tot henlieden: Gij hebt een wacht; gaat heen, verzekert het, gelijk gij het verstaat.66En zij heengaande, verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.

Het verzoeningswerk is volbracht; de overwinning is behaald! Met luid triomfgeroep is Christus in de dood gegaan. God geeft onmiddellijk Zelf verschillende bewijzen van deze overwinning. Hij scheurt de voorhang van de tempel "van boven tot beneden" (vers 51) en heeft daardoor "de nieuwe en levende weg" ingewijd, waardoor de mens voortaan met "vrijmoedigheid" in Zijn tegenwoordigheid mag en kan verkeren (Hebreeën 10 vers 19 - 21). Vervolgens opent Hij de graven, en de overwonnen dood moet veel van zijn gevangenen loslaten.

Vervolgens waakt God over de eer die Zijn Zoon toekomt. In overeenstemming met de profetie wordt het lichaam van de Heere Jezus in het graf van een rijke, Godvrezende man gelegd, iemand die uiterst zorgvuldig omgaat met Zijn begrafenis (Jesaja 53 vers 9). Enkele vrouwen, die de Heere toegewijd waren, zijn bij deze begrafenis aanwezig. Vol liefde wordt Hij, Die door haat gekruisigd werd, in het graf gelegd. Vanaf het begin tot aan het eind van dit evangelie zien we dat de verbitterde haat van de mensen tegen de Heere Jezus niet is afgenomen. Bij Zijn kribbe kwam deze haat van Herodes al duidelijk naar voren. En deze haat vervolgde Hem tot in het graf, dat de leiders van de Joden zorgvuldig lieten verzegelen en bewaken. De soldaten, de verzegeling, de steen... al deze voorzorgsmaatregelen waren echter tevergeefs! In werkelijkheid wordt de opstanding er alleen maar des te duidelijker door kenbaar gemaakt.

Het is verdrietig te moeten constateren dat de vijanden van de Heere Jezus wel dachten aan de woorden van de Heere, die Zijn eigen discipelen blijkbaar vergeten waren (vers 63)!

Mattheüs 28:1-20
1En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen den eersten dag der week, kwam Maria Magdalena, en de andere Maria, om het graf te bezien.2En ziet, er geschiedde een grote aardbeving; want een engel des Heeren, nederdalende uit den hemel, kwam toe, en wentelde de steen af van de deur, en zat op denzelven.3En zijn gedaante was gelijk een bliksem, en zijn kleding wit gelijk sneeuw.4En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als doden.5Maar de engel, antwoordende, zeide tot de vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet, dat gij zoekt Jezus, Die gekruisigd was.6Hij is hier niet; want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats, waar de Heere gelegen heeft.7En gaat haastelijk heen, en zegt Zijn discipelen, dat Hij opgestaan is van de doden; en ziet, Hij gaat u voor naar Galilea, daar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb het ulieden gezegd.8En haastelijk uitgaande van het graf, met vreze en grote blijdschap, liepen zij heen, om hetzelve Zijn discipelen te boodschappen.9En als zij heengingen, om Zijn discipelen te boodschappen, ziet, Jezus is haar ontmoet, zeggende: Weest gegroet! En zij, tot Hem komende, grepen Zijn voeten, en aanbaden Hem.10Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt Mijn broederen, dat zij heengaan naar Galilea, en aldaar zullen zij Mij zien.11En als zij heengingen, ziet, enigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten den overpriesters al de dingen, die geschied waren.12En zij vergaderd zijnde met de ouderlingen, en te zamen raad genomen hebbende, gaven zij den krijgsknechten veel gelds,13En zeiden: Zegt: Zijn discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben Hem gestolen, als wij sliepen.14En indien zulks komt gehoord te worden van den stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen, en maken, dat gij zonder zorg zijt.15En zij, het geld genomen hebbende, deden, gelijk zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op den huidigen dag.16En de elf discipelen zijn heengegaan naar Galilea, naar den berg, waar Jezus hen bescheiden had.17En als zij Hem zagen, baden zij Hem aan; doch sommigen twijfelden.18En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.19Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb.20En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.

Hier lezen we over de triomferende opstandingsmorgen! Door de opstanding van de Heere Jezus geeft God de volmaaktheid van het offer en Zijn volledige bevrediging in het volbrachte werk weer.

De wachters bij het graf kunnen zich niet verweren tegen deze geweldige en wonderbare gebeurtenis. Ze zijn hierdoor juist tot onvrijwillige — en ontstelde — getuigen geworden (Psalm 48 vers 6). De volkomen verharde overpriesters kopen echter het geweten van deze mannen om, net zoals zij eerder bij Judas gedaan hadden.

De vrouwen bij het graf horen de boodschap van de engel. Met een hart vol vrees en vreugde gaan ze er vervolgens gauw op uit om dit bericht aan anderen door te geven. En dan... ontmoeten zij de Heere Jezus Zelf!

Vervolgens verschijnt de Heere Jezus ook aan Zijn elf discipelen en wel op de plaats die Hij met hen in Galilea afgesproken had. Hij geeft hun dan een opdracht om eropuit te gaan (vers 19 en 20), een opdracht die des te belangrijker is omdat het Zijn laatste wil betreft.

Er zijn twee dingen die ook wij niet mogen vergeten. Enerzijds, dat wij de verantwoording hebben om ook getuigen te zijn van het evangelie. En anderzijds dat ook wij hebben te bewaren, wat Hij ons in Zijn Woord heeft geboden (vers 20). De Heere Jezus geeft Zijn discipelen echter ook nog een belofte! En die geldt ook voor elke verloste en voor alle tijden: "Ik ben met u al de dagen".

Dit evangelie van de Emmanuël — dat is: 'God met ons' (hoofdstuk 1 vers 23) — wordt hiermee op dezelfde wijze besloten als het ook is begonnen.

Jeremia 1:1-19
1De woorden van Jeremia, den zoon van Hilkia, uit de priesteren, die te Anathoth waren, in het land van Benjamin;2Tot welken het woord des HEEREN geschiedde, in de dagen van Josia, zoon van Amon, koning van Juda, in het dertiende jaar zijner regering.3Ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, totdat voleind werd het elfde jaar van Zedekia, zoon van Josia, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand.4Het woord des HEEREN dan geschiedde tot mij, zeggende:5Eer Ik u in moeders buik formeerde, heb Ik u gekend, en eer gij uit de baarmoeder voortkwaamt, heb Ik u geheiligd; Ik heb u den volken tot een profeet gesteld.6Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.7Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken.8Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE.9En de HEERE stak Zijn hand uit, en roerde mijn mond aan; en de HEERE zeide tot mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.10Zie, Ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken, om uit te rukken, en af te breken, en te verderven, en te verstoren; ook om te bouwen en te planten.11Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Ik zie een amandelroede.12En de HEERE zeide tot mij: Gij hebt wel gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen.13En des HEEREN woord geschiedde ten tweeden male tot mij, zeggende: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie een ziedenden pot, welks voorste deel tegen het noorden is.14En de HEERE zeide tot mij: Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners des lands.15Want zie, Ik roep alle geslachten der koninkrijken van het noorden, spreekt de HEERE; en zij zullen komen, en zetten een iegelijk zijn troon voor de deur der poorten van Jeruzalem, en tegen al haar muren rondom, en tegen alle steden van Juda.16En Ik zal Mijn oordelen tegen hen uitspreken over al hun boosheid; dat zij Mij verlaten hebben, en anderen goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de werken hunner handen.17Gij dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.18Want zie, Ik stel u heden tot een vaste stad, en tot een ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het ganse land; tegen de koningen van Juda, tegen haar vorsten, tegen haar priesteren, en tegen het volk van het land.19En zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen; want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u uit te helpen.

Het Boek Jeremia brengt ons terug naar de tijd van de laatste koningen van Juda, voor de gevangenschap. Het verschijnen van een profeet is altijd een teken van de slechte toestand van het volk Israël, maar ook een bewijs van Gods genade. De HEERE had deze jonge priester al voor zijn geboorte afgezonderd voor de dienst waarvoor Hij hem bestemd had (vergelijk Galaten 1 vers 15).

Jeremia is schuchter en z'n eerste reactie is dan ook dat hij tegen de roepstem van God in gaat: "Ik ben jong". "Zeg dat niet!", zegt God tegen hem. "Het gaat niet om jouw capaciteiten, waartoe jij meent wel of niet in staat te zijn, je hoeft immers niets anders te doen of te zeggen dan wat Ik je gebied!" Deze zelfde gedachte kwam ook bij de apostel Paulus naar voren, toen de Heere tegen hem zei: "Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2 Korinthe 12 vers 9).

Om Zijn jonge boodschapper te bemoedigen, laat God hem echter twee opmerkelijke dingen zien. Ten eerste de amandelroede (de 'waakzame' boom), die ons herinnert aan de staf van Aäron, die destijds uitgelopen was, gebloeid en amandelen voortgebracht had (Numeri 17 vers 8). Door dit beeld wordt het besluit van de waakzame en trouwe God duidelijk bevestigd. Gods besluit staat vast en zal ten uitvoer gebracht worden.

Daarom was het nodig haast te maken. Het volk moet dringend gewaarschuwd en tot bekering opgeroepen worden, want de kokende pot (het tweede beeld) geeft aan dat de bedreiging voor de deur staat. De vijand uit het noorden is in aantocht. Wat een moeilijke opdracht! Maar Jeremia ontvangt kracht van Boven (vers 18) door de belofte: "Ik ben met u" (vers 19; zie ook hoofdstuk 15 vers 20).

Jeremia 2:1-18
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:2Ga en roep voor de oren van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ik gedenk der weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij Mij nawandeldet in de woestijn, in onbezaaid land.3Israel was den HEERE een heiligheid, de eerstelingen Zijner inkomste; allen, die hem opaten, werden voor schuldig gehouden; kwaad kwam hun over, spreekt de HEERE.4Hoort des HEEREN woord, gij huis van Jakob, en alle geslachten van het huis Israels!5Zo zegt de HEERE: Wat voor onrecht hebben uw vaders aan Mij gevonden, dat zij verre van Mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ijdel geworden?6En zeiden niet: Waar is de HEERE, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw des doods, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?7En Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht van hetzelve en het goede er van te eten; maar toen gij daarin kwaamt, verontreinigdet gij Mijn land, en steldet Mijn erfenis tot een gruwel.8De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE? en die de wet handelden, kenden Mij niet; en de herders overtraden tegen Mij; en de profeten profeteerden door Baal, en wandelden naar dingen, die geen nut doen.9Daarom zal Ik nog met ulieden twisten, spreekt de HEERE; ja, met uw kindskinderen zal Ik twisten.10Want, gaat over in de eilanden der Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?11Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelve geen goden zijn? Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in hetgeen geen nut doet.12Ontzet u hierover, gij hemelen, en zijt verschrikt, wordt zeer woest, spreekt de HEERE.13Want Mijn volk heeft twee boosheden begaan; Mij, den Springader des levenden waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden.14Is dan Israel een knecht, of is hij een ingeborene des huizes? Waarom is hij dan ten roof geworden?15De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hun stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijn steden zijn verbrand, dat er niemand in woont.16Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachpanhes den schedel afgeweid.17Doet gij dit niet zelven, doordien gij den HEERE, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op den weg leidt?18En nu, wat hebt gij te doen met den weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken? En wat hebt gij te doen met den weg van Assur, om de wateren der rivier te drinken?

De eerste woorden die God in de mond van Jeremia legt, zijn bedoeld om het hart van Zijn vergeetachtig volk terug te winnen.

Herkennen we hierin niet een getrouw beeld van ons eigen hart? Het is alsof de Heere ook ons heel lieflijk vraagt: "Herinner je je nog die gelukkige tijd, die op je bekering volgde? Hoe je toen brandde van ijver en hoe dankbaar je was? Natuurlijk ging je wandel door deze wereld als door een woestijn, 'in onbezaaid land'. Maar je had toen genoeg aan Mij! Misschien ben jij deze tijd vergeten, maar Ik weet het nog heel goed! Want Ik had een welgevallen in jouw toegenegenheid voor Mij en verheugde Mij in je eerste liefde" (Openbaring 2 vers 4).

Helaas moet God echter zeggen: "Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in hetgeen geen nut doet" (vers 11; zie ook het eind van vers 8). Voor allen die zich op dit moment ook van de Heere verwijderd hebben, willen we zeggen: "Wees eens eerlijk! Wat heeft het je opgeleverd? Wat heeft het voor nut gehad? Hij is 'de Springader van het levende water'! Wat een dwaasheid om Hem te verlaten en zichzelf 'bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden'! Of om naar de rivieren van Egypte en Assur te gaan (beelden van de wereld) om daar water te drinken."

De Heere zegt heel duidelijk: "Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorsten", maar wie drinkt van het water dat de Heere Jezus geeft, zal tot in eeuwigheid geen dorst meer hebben (Johannes 4 vers 10, 13 en 14).

Jeremia 2:19-37
19Uw boosheid zal u kastijden, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat gij den HEERE, uw God, verlaat, en Mijn vreze niet bij u is, spreekt de Heere, de HEERE der heirscharen.20Als Ik van ouds uw juk verbroken, en uw banden verscheurd had, zo zeidet gij: Ik zal niet dienen; maar op allen hogen heuvel en onder allen groenen boom loopt gij om, hoererende.21Ik had u toch geplant, een edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad; hoe zijt gij Mij dan veranderd in verbasterde ranken van een vreemden wijnstok?22Want, al wiest gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zo is toch uw ongerechtigheid voor Mijn aangezicht getekend, spreekt de Heere HEERE.23Hoe zegt gij: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baals niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat gij gedaan hebt, gij lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait!24Zij is een woudezelin, gewend in de woestijn, naar den lust harer ziel schept zij den wind, wie zou haar ontmoeting afkeren? Allen, die haar zoeken, zullen niet moede worden, in haar maand zullen zij haar vinden.25Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar gij zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen!26Gelijk een dief beschaamd wordt, wanneer hij gevonden wordt, alzo zijn die van het huis Israels beschaamd; zij, hun koningen, hun vorsten, en hun priesters, en hun profeten;27Die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader; en tot een steen: Gij hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij den nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons.28Waar zijn dan uw goden, die gij u gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of zij u ten tijde uws kwaads zullen verlossen; want naar het getal uwer steden zijn uw goden, o Juda!29Waarom twist gij tegen Mij? Gij hebt allen tegen Mij overtreden, spreekt de HEERE.30Tevergeefs heb Ik uw kinderen geslagen; zij hebben de tucht niet aangenomen; ulieder zwaard heeft uw profeten verteerd, als een verdorven leeuw.31O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des HEEREN woord! Ben Ik Israel een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?32Vergeet ook een jonkvrouw haar versiersel, of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal.33Wat maakt gij uw weg goed, daar gij boelering zoekt? Waarom gij ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt.34Ja, het bloed van de zielen der onschuldige nooddruftigen is in uw zomen gevonden; Ik heb dat niet met opgraven gevonden, maar aan alle die.35Nog zegt gij: Zeker, ik ben onschuldig; Zijn toorn is immers van mij afgekeerd. Ziet, Ik zal met u rechten, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd.36Wat reist gij veel uit, veranderende uw weg? Gij zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als gij van Assur beschaamd zijt.37Gij zult ook van hier uitgaan met uw handen op uw hoofd; want de HEERE heeft al uw vertrouwen verworpen, zodat gij daarmede niet zult gedijen.

Het verlaten van de eerste liefde is altijd het startpunt —ook al is het eerst nog verborgen — van veel ander kwaad. God had Israël uit Egypte geroepen, opdat men Hem zou dienen (Exodus 4 vers 23). En hier horen we dit volk op een onbeschaamde manier de woorden uitspreken: "Ik zal niet dienen" (vers 20; vergelijk dit met het voorbeeld van de voornaamsten onder de Thekoieten in Nehemia 3 vers 5).

Maar helaas antwoorden ook veel christenen van vandaag Hem Die hen verlost heeft, op dezelfde verdrietige manier, ook al wagen ze het misschien nog niet om dit zo duidelijk onder woorden te brengen! We kunnen hen echter alleen maar zeggen dat ze zichzelf bedriegen, want het is onmogelijk geen enkele meester te dienen. Weigeren om de Heere gehoorzaam te zijn, betekent dat men direct vervalt in afgodendienst (vers 28).

Dit volk ging in hun opstand tegen de HEERE echter nog verder en keerde Hem zelfs opzettelijk de rug toe (vers 27). Door middel van de ergste ondankbaarheid heeft men Hem vergeten Die alleen maar goeds aan hen heeft bewezen (vers 32). Arm volk! God probeert hen de ogen te openen. Hij roept hen op om terug te keren en te letten op de kromme wegen die ze hebben achtergelaten (vers 23; zie hoofdstuk 14 vers 10).

Beste gelovige vrienden, ook voor ons is het soms nodig ons standpunt te bepalen en eens na te denken over de wegen die we gegaan zijn. Hoeveel misstappen, omwegen en doodlopende wegen ontdekken we dan! We zijn vaak 'verdwaald' omdat we niet eenvoudig de rechte en gemakkelijke weg van de wil van de Heere wilden volgen!

Jeremia 3:11-25; Jeremia 4:1-2
11Dies de HEERE tot mij zeide: De afgekeerde Israel heeft haar ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouweloze Juda.12Gij henen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij afgekeerde Israel! spreekt de HEERE, zo zal Ik Mijn toorn op ulieden niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de HEERE. Ik zal den toorn niet in eeuwigheid behouden.13Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den HEERE, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen groenen boom, maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de HEERE.14Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.15En Ik zal ulieden herders geven naar Mijn hart; die zullen u weiden met wetenschap en verstand.16En het zal geschieden, wanneer gij vermenigvuldigd en vruchtbaar zult geworden zijn in het land, in die dagen, spreekt de HEERE, zullen zij niet meer zeggen: De ark des verbonds des HEEREN, ook zal zij in het hart niet opkomen; en zij zullen aan haar niet gedenken, en haar niet bezoeken, en zij zal niet weder gemaakt worden.17Te dier tijd zullen zij Jeruzalem noemen, des HEEREN troon; en al de heidenen zullen tot haar vergaderd worden, om des HEEREN Naams wil, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.18In die dagen zal het huis van Juda gaan tot het huis van Israel; en zij zullen te zamen komen uit het land van het noorden, in het land, dat Ik uw vaderen ten erve gegeven heb.19Ik zeide wel: Hoe zal Ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenste land, de sierlijke erfenis van de heirscharen der heidenen? Maar Ik zeide: Gij zult tot Mij roepen: Mijn Vader! en gij zult van achter Mij niet afkeren.20Waarlijk, gelijk een vrouw trouwelooslijk scheidt van haar vriend, alzo hebt gijlieden trouwelooslijk tegen Mij gehandeld, gij huis Israels! spreekt de HEERE.21Er is een stem gehoord op de hoge plaatsen, een geween en smekingen der kinderen Israels, omdat zij hun weg verkeerd, en den HEERE, hun God, vergeten hebben.22Keert weder, gij afkerige kinderen! Ik zal uw afkeringen genezen. Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de HEERE, onze God!23Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in den HEERE, onzen God, is Israels heil!24Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd aan; hun schapen en hun runderen, hun zonen en hun dochteren.25Wij liggen in onze schaamte, en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen den HEERE, onzen God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd aan tot op dezen dag; en wij zijn der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaam geweest.
1Zo gij u bekeren zult, Israel! spreekt de HEERE, bekeer u tot Mij; en zo gij uw verfoeiselen van Mijn aangezicht zult wegdoen, zo zwerft niet om.2Maar zweer: Zo waarachtig als de HEERE leeft! in waarheid, in recht en in gerechtigheid; zo zullen zich de heidenen in Hem zegenen, en zich in Hem beroemen.

Hoofdstuk 3 laat Israël zien als een ontrouwe bruid, die de banden die haar met de HEERE, haar Bruidegom, verenigden, vergeten is. En op deze weg van ongerechtigheid is Juda nog verder gegaan, nog verder dan de tien stammen van Israël. Juda voegde aan deze ontrouw bovendien nog valsheid toe, dat wil zeggen verraad, dat door huichelarij nog erger gemaakt werd. Toch bevinden we ons hier, geschiedkundig gezien, in de regeringsperiode van de vrome koning Josia. Het hart van het volk is hun koning echter niet oprecht nagevolgd in de weg waartoe hij zelf het voorbeeld gaf (zie vers 10 en 2 Kronieken 34 vers 33). Ogenschijnlijk keerde Juda terug tot zijn God. De schijn werd hoog gehouden en dat is een valsheid die in de ogen van God nog veel erger is dan Hem gewoonweg verlaten!

Hoe aangrijpend zijn de oproepen: "Bekeer u", "Bekeert u, gij afkerige kinderen"; "Ik ben goedertieren en zal jullie genezen" (vers 12, 14; hoofdstuk 4 vers 1)!

Hoeveel tijd, hoeveel eeuwen liggen er echter in vers 22 tussen de oproep van God en het antwoord van het volk, want op dit antwoord wacht God vandaag de dag nog steeds!

"Want ik heb u toebereid (of: verloofd), om u als een reine maagd aan een Man voor te stellen, namelijk aan Christus", schrijft Paulus aan de Korinthiërs (2 Korinthe 11 vers 2). Zo'n innige verbinding met de Heere vraagt om ongedeelde harten! De Gemeente, de Bruid van Christus, is nog meer bevoorrecht dan Israël; zij heeft als het onderwerp van zo'n grote liefde een nog grotere verantwoordelijkheid om de genegenheden van het hart alleen voor Hem te bewaren!

Jeremia 5:1-6; 20-31
1Gaat om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe, en verneemt, en zoekt op haar straten, of gij iemand vindt, of er een is, die recht doet, die waarheid zoekt, zo zal Ik haar genadig zijn.2En of zij al zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft! zo zweren zij toch valselijk.3O HEERE! zien Uw ogen niet naar waarheid? Gij hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; Gij hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren.4Doch ik zeide: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des HEEREN, het recht hun Gods niet weten.5Ik zal gaan tot de groten, en met hen spreken, want die weten den weg des HEEREN, het recht huns Gods; maar zij hadden te zamen het juk verbroken, en de banden verscheurd.6Daarom heeft hen een leeuw uit het woud verslagen, een wolf der wildernissen zal hen verwoesten; een luipaard waakt tegen hun steden; al wie uit dezelve uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden.
20Verkondigt dit in het huis van Jakob, en laat het horen in Juda, zeggende:21Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk! die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet.22Zult gijlieden Mij niet vrezen? spreekt de HEERE; zult gij voor Mijn aangezicht niet beven? Die der zee het zand tot een paal gesteld heb, met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan.23Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan;24En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu den HEERE, onzen God, vrezen, Die den regen geeft, zo vroegen regen als spaden regen, op Zijn tijd; Die ons de weken, de gezette tijden van den oogst, bewaart.25Uw ongerechtigheden wenden die dingen af, en uw zonden weren dat goede van ulieden.26Want onder Mijn volk worden goddelozen gevonden; een ieder van hen loert, gelijk zich de vogelvangers schikken; zij zetten een verderfelijken strik, zij vangen de mensen.27Gelijk een kouw vol is van gevogelte, alzo zijn hun huizen vol van bedrog; daarom zijn zij groot en rijk geworden.28Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak des wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der nooddruftigen niet.29Zou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de HEERE; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?30Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land.31De profeten profeteren valselijk, en de priesters heersen door hun handen; en Mijn volk heeft het gaarne alzo; maar wat zult gij ten einde van dien maken?

Ondanks hun prachtige geloofsbelijdenis had men in Jeruzalem moeite om iemand te vinden "die recht doet, die waarheid zoekt" (vers 1; zie ook Ezechiël 22 vers 30). De God van alle barmhartigheid zou bereid geweest zijn om ter wille van één enkel rechtvaardig mens deze schuldige stad te vergeven (vers 1; vergelijk Genesis 18 vers 23 en verder). Helaas werd deze trouwe mens die God welgevallig was, niet gevonden, noch onder het gewone volk, noch onder de groten die meer geleerd en daarom meer verantwoordelijk waren (vergelijk Psalm 62 vers 10). Het eind van het hoofdstuk, maar in feite de hele geschiedenis van Jeremia, laat dit duidelijk zien.

"Voorzeker, deze zijn arm; zij handelen dwaas" (vers 4). Is dit ook niet van toepassing op het overgrote deel van de mensheid, die vandaag onbewust het verderf tegemoet gaat?

Tevergeefs heeft God Zijn volk getuchtigd. "Zij hebben geen pijn gevoeld... zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen..." (vers 3; Zefanja 3 vers 2). Wat kan een arts beginnen als de patiënt weigert de medicijnen in te nemen, met de smoes dat hem niets mankeert? Laten we ons toch nooit aan de noodzakelijke tucht onttrekken! O, dat we toch altijd een fijngevoelig geweten hebben voor hetgeen de Heere ons daardoor wil zeggen!

Zo niet, "wat zult gij aan het einde ervan maken?", vraagt de profeet (vers 31).

Jeremia 6:16-30
16Zo zegt de HEERE: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.17Ik heb ook wachters over ulieden gesteld, zeggende: Luistert naar het geluid der bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren.18Daarom hoort, gij heidenen! en verneem, o gij vergadering! wat onder hen is.19Hoor toe, gij aarde! Zie, Ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht hunner gedachten; want zij merken niet op Mijn woorden, en Mijn wet verwerpen zij.20Waartoe zal dan de wierook voor Mij uit Scheba komen, en de beste kalmus uit verren lande? Uw brandofferen zijn Mij niet behagelijk, en uw slachtofferen zijn Mij niet zoet.21Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal dit volk allerlei aanstoot stellen; en daaraan zullen zich stoten te zamen vaders en kinderen, de nabuur en zijn metgezel, en zullen omkomen.22Zo zegt de HEERE: Ziet, er komt een volk uit het land van het noorden, en een grote natie zal opgewekt worden uit de zijden der aarde.23Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn; hun stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust, als een man ten oorlog tegen u, o dochter van Sion!24Wij hebben zijn gerucht gehoord, onze handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als van een barende vrouw.25Gaat niet uit in het veld, noch wandelt op den weg; want des vijands zwaard is er, schrik van rondom!26O dochter Mijns volks! gord een zak aan, en wentel u in de as, maak u rouw eens enigen zoons, een zeer bitter misbaar; want de verstoorder zal ons snellijk overkomen.27Ik heb u onder Mijn volk gesteld, tot een wachttoren, tot een vesting; opdat gij hun weg zoudt weten en proeven.28Zij zijn allen de afvalligsten der afvalligen, wandelende in achterklap; zij zijn koper en ijzer; zij zijn altemaal verdervers.29De blaasbalg is verbrand, het lood is van het vuur verteerd; te vergeefs heeft de smelter zo vlijtiglijk gesmolten, dewijl de bozen niet afgetrokken zijn.30Men noemt ze een verworpen zilver; want de HEERE heeft hen verworpen.

Van lieverlee is de toon waarop de profeet spreekt, anders geworden. Na de taal van de Goddelijke liefde volgt die van de toom. De Heere maakt Zich als het ware gereed om Zijn volk met het oordeel te 'bezoeken' (vers 6 en 15; Jesaja 10 vers 3). Hij zal daarbij gebruik maken van een vijand die uit het noorden komt (vers 22), zoals in het beeld van de kokende pot in hoofdstuk 1 al werd aangekondigd, om zijn vreselijke inhoud uit te gieten en het land Israël te overstromen. Maar tussen deze straffen in wordt als het ware opnieuw een oproep van genade geschoven. Laten we ernaar luisteren, want het geldt ook voor een ieder van ons! "Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel" (vers 16; hoofdstuk 7 vers 23). Deze oude paden van trouw en afzondering van de wereld zijn niet de gemakkelijkste; soms wandel je helemaal alleen op die wegen. Maar het zijn wel de veilige wegen van vroeger, aangewezen en beproefd door hen die ons voorgegaan zijn. Het zijn paden van kracht, overvloeiende van geluk, waar — ondanks het feit dat ze door dorre plaatsen gaan — toch alles vrede is.

Laten we onszelf toch niet toestaan om bredere en voor het oog aangenamere wegen te kiezen. Laten we juist zorgvuldig zoeken naar "de goede weg", "het spoor der gerechtigheid" (Psalm 23 vers 3) en van de waarheid. We hebben een Gids gekregen waarin we dit spoor kunnen vinden: het Woord van God! Wandel op die ene weg!

Jeremia 7:1-20
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:2Sta in de poort van des HEEREN huis, en roep aldaar dit woord uit, en zeg: Hoort des HEEREN woord, o gans Juda! gij, die door deze poorten ingaat, om den HEERE aan te bidden.3Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Maakt uw wegen en uw handelingen goed, zo zal Ik ulieden doen wonen in deze plaats.4Vertrouwt niet op valse woorden, zeggende: Des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, des HEEREN tempel, zijn deze!5Maar indien gij uw wegen en uw handelingen waarlijk zult goed maken; indien gij waarlijk zult recht doen tussen den man en tussen zijn naaste;6De vreemdeling, wees en weduwe niet zult verdrukken, en geen onschuldig bloed in deze plaats vergieten; en andere goden niet zult nawandelen, ulieden ten kwade;7Zo zal Ik u in deze plaats, in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, doen wonen van eeuw tot eeuw.8Ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen.9Zult gij stelen, doodslaan en overspel bedrijven, en valselijk zweren, en Baal roken, en andere goden nawandelen, die gij niet kent?10En dan komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?11Is dan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, in uw ogen een spelonk der moordenaren? Ziet, Ik heb het ook gezien, spreekt de HEERE.12Want gaat nu henen naar Mijn plaats, die te Silo was, alwaar Ik Mijn Naam in het eerst had doen wonen; en ziet, wat Ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid van Mijn volk Israel.13En nu, omdat gijlieden al deze werken doet, spreekt de HEERE, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar gij niet geantwoord hebt;14Zo zal Ik aan dit huis, dat naar Mijn Naam genoemd is, waarop gij vertrouwt, en aan deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen, gelijk als Ik aan Silo gedaan heb.15En Ik zal ulieden van Mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als Ik al uw broederen, het ganse zaad van Efraim, weggeworpen heb.16Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop Mij niet aan; want Ik zal u niet horen.17Ziet gij niet, wat zij doen in de steden van Juda, en op de straten van Jeruzalem?18De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om gebeelde koeken te maken voor de Melecheth des hemels, en anderen goden drankofferen te offeren, om Mij verdriet aan te doen.19Doen zij Mij verdriet aan? spreekt de HEERE. Doen zij het zichzelven niet aan, tot beschaming huns aangezichts?20Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Mijn toorn en Mijn grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de mensen en over de beesten, en over het geboomte des velds, en over de vrucht des aardrijks; en zal branden, en niet uitgeblust worden.

God stuurt Jeremia naar de poort van de tempel, om daar een ernstige toespraak te houden. Want ondanks hun opstandige toestand, beroemde het volk van Jeruzalem zich er luidkeels op "des HEEREN tempel" te bezitten. En men ging door met de uitoefening van de godsdienst, zij het dan ook voor de vorm. Gewoonweg weerzinwekkend! Maakte niet juist Hij Die in de tempel woonde, deze zo waardevol (Mattheus 23 vers 21)? Zij verloochenden Hem echter door hun boze daden, waarvan we in vers 9 een vreselijke opsomming vinden. Bijna de hele wet van God werd met voeten getreden en desondanks vreesden zij niet om in Zijn huis, voor het aangezicht van God, te verschijnen (vers 10). Ze maakten er "een spelonk der moordenaars", een rovershol van (vers 11), zoals de Heere Jezus dat ook aanhaalde. Ze verontreinigden het door "al deze gruwelen te doen" (vers 10).

De belijdende christenheid toont vandaag de dag eveneens twee gezichten. Aan de ene kant worden uiterlijke vormen in acht genomen, maar aan de andere kant is er het tragische gemis van innerlijk leven (Openbaring 3 vers 1). En als wij niet waakzaam zijn, bestaat dit gevaar ook voor een ieder van ons, het gevaar dat we ons met een bepaalde vorm van godzaligheid tevreden stellen en de kracht daarvan, de liefde tot de Heere, verloochenen (2 Timotheüs 3 vers 5). God wil oprechtheid zien in ons leven! Hij wordt in hoge mate beledigd wanneer wij verbindingen willen onderhouden met Hem zonder ons eerst van het kwaad te hebben afgezonderd!

Lange tijd heeft God gesproken en het volk weigerde om te luisteren. Nu is Hij het Die weigert om nog te luisteren, zelfs naar het gebed van de profeet (vers 16).

Jeremia 8:1-22
1Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zullen zij de beenderen der koningen van Juda, en de beenderen hunner vorsten, en de beenderen der priesteren, en de beenderen der profeten, en de beenderen der inwoners van Jeruzalem, uit hun graven uithalen.2En zij zullen ze uitspreiden voor de zon, en voor de maan, en voor het ganse heir des hemels, die zij liefgehad, en die zij gediend, en die zij nagewandeld, en die zij gezocht hebben, en voor dewelke zij zich nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden; tot mest op den aardbodem zullen zij zijn.3En de dood zal voor het leven verkoren worden, bij het ganse overblijfsel der overgeblevenen uit dit boze geslacht, in al de plaatsen der overgeblevenen, waar Ik hen henengedreven zal hebben, spreekt de HEERE der heirscharen.4Zeg wijders tot hen: Zo zegt de HEERE: Zal men vallen, en niet weder opstaan? Zal men afkeren, en niet wederkeren?5Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met een altoosdurende afkering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keren.6Ik heb geluisterd en toegehoord, zij spreken dat niet recht is, er is niemand, die berouw heeft over zijn boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich om in zijn loop, gelijk een onbesuisd paard in den strijd.7Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijn gezette tijden, en een tortelduif, en kraan, en zwaluw, nemen den tijd hunner aankomst waar; maar Mijn volk weet het recht des HEEREN niet.8Hoe zegt gij dan: Wij zijn wijs en de wet des HEEREN is bij ons! Ziet, waarlijk tevergeefs werkt de valse pen der schriftgeleerden.9De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben des HEEREN woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?10Daarom zal Ik hun vrouwen aan anderen geven, hun akkers aan andere bezitters; want van den kleinste aan tot den grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid; van den profeet aan tot den priester toe bedrijft een ieder van hen valsheid.11En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.12Zijn zij beschaamd, omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in het minste niet, en weten niet schaamrood te worden; daarom zullen zij vallen onder de vallenden; ten tijde hunner bezoeking zullen zij struikelen, zegt de HEERE.13Ik zal hen voorzeker wegrapen, spreekt de HEERE; er zijn geen druiven aan den wijnstok, en geen vijgen aan den vijgeboom, ja, het blad is afgevallen; en de geboden, die Ik hun gegeven heb, die overtreden zij.14Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en aldaar stilzwijgen; immers heeft ons de HEERE, onze God, doen stilzwijgen, en ons met gallewater gedrenkt, omdat wij tegen den HEERE gezondigd hebben.15Men wacht naar vrede, maar er is niets goeds, naar tijd van genezing, maar ziet, er is verschrikking.16Van Dan af wordt het gesnuif zijner paarden gehoord; het ganse land beeft van het geluid der briesingen zijner sterken; en zij komen daarhenen, dat zij het land opeten en diens volheid, de stad en die daarin wonen.17Want ziet, Ik zend slangen, basilisken onder ulieden, tegen dewelke geen bezwering is; die zullen u bijten, spreekt de HEERE.18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.19Ziet, de stem van het geschrei der dochteren mijns volks is uit zeer verren lande: Is dan de HEERE niet te Sion, is haar koning niet bij haar? Waarom hebben zij Mij vertoornd met hun gesneden beelden, met ijdelheden der vreemden?20De oogst is voorbijgaande, de zomer is ten einde; nog zijn wij niet verlost.21Ik ben gebroken vanwege de breuk der dochter mijns volks; ik ga in het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen.22Is er geen balsem in Gilead? Is er geen heelmeester aldaar? Want waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet gerezen?

Hoofdstuk 5 vers 3 heeft ons laten zien dat Israël de slagen waarmee de HEERE het moest slaan, niet eens meer voelde. Hier zien we dat de verantwoordelijke personen hun wonden "op het lichtst" verbinden en doen alsof er vrede is, een vrede die God hen niet meer kon geven (vers 11; hoofdstuk 6 vers 14). En toch stond hen de 'balsem van Gilead' (de genade) ter beschikking, evenals de trouwe "Heelmeester" Die dit medicijn weet toe te passen (vers 22; vergelijk Mattheüs 9 vers 12).

We vinden hier een belangrijke les voor de gelovigen die door God getuchtigd worden. Wanneer wij de, voor ons zo noodzakelijke, beproevingen uit de hand van de Heere aannemen, laten we Hém dan ook onze wonden laten verbinden, wonden die Hij toegelaten heeft (Job 5 vers 18). Laten we nooit proberen ze door eigen hulpmiddelen een beetje oppervlakkig te genezen!

De profeet voegt er in vers 12 aan toe: "Zij schamen zich in het minst niet". Dit is het teken van een verhard geweten (Zefanja 3 vers 5). Het kenmerk van dit arme volk is dat ze totaal onverschillig staan tegenover het kwaad dat het begaan heeft.

Het is goed om nog even stil te staan bij vers 20. De zomer en de tijd van de oogst zijn weer voorbij. We zijn bijna aan het eind van het jaar aangekomen. Er bestaat een gunstige tijd om gered te worden: dat is nu, op dit moment! Het duurt niet lang meer en dan zal de Heere de rijpe aren van de grote oogst van zielen 'binnenhalen'. De zomer is dan definitief voorbij. Wat zal het vreselijk zijn voor allen die dan pas wakker worden en het moeten uitroepen dat ze niet verlost zijn!

Jeremia 9:1-9, 17-26
1Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks.2Och, dat ik in de woestijn een herberg der wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allen overspelers, een trouweloze hoop.3En zij spannen hun tong als hun boog tot leugen; zij worden geweldig in het land, doch niet tot waarheid; want zij gaan voort van boosheid tot boosheid, maar Mij kennen zij niet, spreekt de HEERE.4Wacht u, een iegelijk van zijn vriend, en vertrouwt niet op enigen broeder; want elk broeder doet niet dan bedriegen, en elk vriend wandelt in achterklap.5En zij handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moede met verkeerdelijk te handelen.6Uw woning is in het midden van bedrog; door bedrog weigeren zij Mij te kennen, spreekt de HEERE.7Daarom zegt de HEERE der heirscharen alzo: Ziet, Ik zal hen smelten en zal hen beproeven; want hoe zou Ik anders doen ten aanzien der dochter Mijns volks?8Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij lagen.9Zou Ik hen om deze dingen niet bezoeken? spreekt de HEERE; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk, als dit is?
17Zo zegt de HEERE der heirscharen: Merkt daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt henen naar de wijze vrouwen, dat zij komen.18En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten.19Want er is een stem van weeklage gehoord uit Sion: Hoe zijn wij verstoord! wij zijn zeer beschaamd, omdat wij het land hebben verlaten, omdat zij onze woningen hebben omgeworpen.20Hoort dan des HEEREN woord, gij vrouwen! en uw oor ontvange het woord Zijns monds, en leert uw dochters weeklagen, en elke een haar metgezellin klaagliederen.21Want de dood is geklommen in onze vensteren, hij is in onze paleizen gekomen, om de kinderkens uit te roeien van de wijken, de jongelingen van de straten.22Spreek: Zo spreekt de HEERE: Ja, een dood lichaam des mensen zal liggen, als mest op het open veld, en als een garve achter den maaier, die niemand opzamelt.23Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;24Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de HEERE ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt de HEERE.25Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik bezoeking zal doen over alle besnedenen, met degenen, die de voorhuid hebben;26Over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Ammons, en over Moab, en over allen, die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want al de heidenen hebben de voorhuid, maar het ganse huis Israels heeft de voorhuid des harten.

Net als in de tijd van Jeremia zijn er in het volk van God vandaag de dag ook nog veel "verslagenen". Als we zulke mensen kennen, laten we hen dan in het gebed bij de grote "Heelmeester" brengen, Die de macht heeft om hen gezond te maken (hoofdstuk 8 vers 22).

Dit negende hoofdstuk brengt ook de grote smart van de profeet tot uitdrukking. Ook al spreekt Jeremia op strenge toon tegen dit volk, toch is dat voor hem geen verhindering om zelf uitermate bedroefd te zijn. In gedachten heeft hij ontzettend te lijden onder de toestand van het volk Israël en de straf die hem te wachten staat. Maar de profeet vindt de grote oneer die de Naam van de HEERE wordt aangedaan, nog vele malen erger. Als wij de Heere meer lief zouden hebben, dan zouden ook wij meer droefheid ondervinden bij het constateren van zoveel ondankbaarheid en onverschilligheid die maar al te vaak het antwoord zijn op Zijn liefde.

Laten we goed nadenken over de woorden van de verzen 23 en 24, die in 1 Korinthe 1 vers 31 aangehaald worden. Het ligt in de natuur van een ieder van ons om trots te zijn op je eigen capaciteiten, je te beroemen op hetgeen je bezit. De sportman zal de nadruk willen leggen op zijn prestaties, zijn spieren, zijn soepelheid, de student op zijn academische successen; de eigenaar van een bepaalde auto vindt die van hemzelf veel beter, sterker en sneller dan die van de buurman.

Het enige waarin wij echter mogen roemen is Hem te kennen (Psalm 20 vers 8; 2 Korinthe 10 vers 17; Filippensen 3 vers 10). Is onze verbinding met de Heere Jezus voor ons het meest waardevol? Of gebeurt het af en toe dat wij ons daar juist voor schamen?

Jeremia 10:1-25
1Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels!2Zo zegt de HEERE: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.3Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid; want het is hout, dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen met de bijl.4Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met hameren, opdat het niet waggele.5Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.6Omdat niemand U gelijk is, o HEERE! zo zijt Gij groot, en groot is Uw Naam in mogendheid.7Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.8In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.9Uitgerekt zilver wordt van Tarsis gebracht, en goud van Ufaz, tot een werk des werkmeesters en van de handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hun kleding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.10Maar de HEERE God is de Waarheid, Hij is de levende God, en een eeuwig Koning; van Zijn verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen Zijn gramschap niet verdragen.11(Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden, die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde, en van onder dezen hemel.)12Die de aarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel uitgebreid door Zijn verstand.13Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.14Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen; en er is geen geest in hen.15Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.16Jakobs deel is niet gelijk die, want Hij is de Formeerder van alles, en Israel is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam.17Raap uw kramerij weg uit het land, gij inwoneres der vesting!18Want zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de inwoners des lands op ditmaal wegslingeren, en zal ze benauwen, opdat zij het vinden.19O, wee mij over mijn breuk! mijn plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers een krankheid, die ik wel dragen zal!20Mijn tent is verstoord, en al mijn zelen zijn verscheurd; mijn kinderen zijn van mij uitgegaan, en zij zijn er niet; er is niemand meer, die mijn tent uitspant, en mijn gordijnen opricht.21Want de herders zijn onvernuftig geworden, en hebben den HEERE niet gezocht; daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld, en hun ganse weide is verstrooid.22Ziet, er komt een stem des geruchts, en een groot beven uit het land van het noorden; dat men de steden van Juda zal stellen tot een verwoesting, een woning der draken.23Ik weet, o HEERE! dat bij den mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.24Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.25Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest.

Als er een oude en goede weg bestaat die wij moeten bewandelen (hoofdstuk 6 vers 16), dan bestaat er ook een andere weg die we niet moeten leren (vers 2). Dat is de weg van de heidenen, de volken, met andere woorden: de weg die de wereld, de ongelovigen gaan. Inderdaad zullen al onze betrekkingen tot hen er slechts toe leiden dat hun manier van leven en denken ons beïnvloedt. Natuurlijk kunnen we ons nooit helemaal aan dit contact onttrekken. En vanwege onze werkkring is de één er meer aan blootgesteld dan de ander. Maar we kunnen er wel allemaal voor oppassen dat we niet nieuwsgierig worden naar, of interesse tonen in de dingen van de wereld (Romeinen 16 vers 19). Het voorbeeld van Dina in Genesis 34 vers 1 is ook voor ons een ernstige waarschuwing! Laten we toch oppassen voor bepaalde omgang, voor bepaalde boeken, die ons alleen maar in deze gevaarlijke weg onderwijzen. Het is ons immers niet onbekend waar zij die zich hierdoor laten leiden, terecht zullen komen (Mattheüs 7 vers 13). Het kenmerk van de volken in de tijd van Jeremia (maar ook van onze tegenwoordige wereld) was de afgodendienst. God zegt duidelijk hoe Hij hierover denkt en laat het deze volken in vers 11 in hun eigen taal zeggen (in de grondtekst staat dit vers in de Aramese taal).

Vers 23 herinnert ons aan een tweevoudige waarheid: de dag van morgen behoort ons niet toe. We kunnen daar niet naar believen over beschikken (Jakobus 4 vers 13 en 14). En het tweede is, dat wij niet in staat zijn onze eigen gang te besturen. Jeremia wist dit. Maar... hebben wij dit persoonlijk ook al geleerd?

Jeremia 11:1-23
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is, van den HEERE, zeggende:2Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;3Zeg dan tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Vervloekt zij de man, die niet hoort de woorden deze verbonds.4Dat Ik uw vaderen geboden heb, ten dage als Ik hen uit Egypteland, uit den ijzeroven, uitvoerde, zeggende: Zijt Mijner stem gehoorzaam, en doet dezelve, naar alles wat Ik ulieden gebiede; zo zult gij Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn;5Opdat Ik den eed bevestige, dien Ik uw vaderen gezworen heb, hun te geven een land, vloeiende van melk en honig, als het is te dezen dage. Toen antwoordde ik en zeide: Amen, o HEERE!6En de HEERE zeide tot mij: Roep al deze woorden uit in de steden van Juda, en in de straten van Jeruzalem, zeggende: Hoort de woorden dezes verbonds, en doet dezelve.7Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, ten dage als Ik hen uit Egypteland opvoerde, tot op dezen dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem!8Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld, een iegelijk naar het goeddunken van hunlieder boos hart; daarom heb Ik over hen gebracht al de woorden dezes verbonds, dat Ik geboden heb te doen, maar zij niet gedaan hebben.9Voorts zeide de HEERE tot mij: Er is een verbintenis bevonden onder de mannen van Juda, en onder de inwoners van Jeruzalem.10Zij zijn wedergekeerd tot de ongerechtigheden hunner voorvaderen, die Mijn woorden geweigerd hebben te horen; en zij hebben andere goden nagewandeld, om die te dienen; het huis Israels en het huis van Juda hebben Mijn verbond gebroken, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb.11Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal een kwaad over hen brengen, uit hetwelk zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot Mij zullen roepen, zal Ik naar hen niet horen.12Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem henengaan, en roepen tot de goden, dien zij gerookt hebben; maar zij zullen hen gans niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads.13Want naar het getal uwer steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal der straten van Jeruzalem hebt gijlieden altaren gesteld voor die schaamte, altaren om den Baal te roken.14Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want Ik zal niet horen, ten tijde als zij over hun kwaad tot Mij zullen roepen.15Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis te doen, dewijl zij die schandelijke daad met velen doet, en het heilige vlees van u geweken is? Wanneer gij kwaad doet, dan springt gij op van vreugde.16De HEERE had uw naam genoemd een groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft Hij met een geluid van een groot geroep een vuur om denzelven aangestoken, en zijn takken zullen verbroken worden.17Want de HEERE der heirscharen, Die u heeft geplant, heeft een kwaad over u uitgesproken; om der boosheid wil van het huis Israels en van het huis van Juda, die zij onder zich bedrijven, om Mij te vertoornen, rokende den Baal.18De HEERE nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen hebt Gij mij hun handelingen doen zien.19En ik was als een lam, als een os, die geleid wordt om te slachten; want ik wist niet, dat zij gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons den boom met zijn vrucht verderven, en laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde.20Maar, o HEERE der heirscharen, Gij rechtvaardige Rechter, Die de nieren en het hart proeft! laat mij Uw wraak van hen zien; want aan U heb ik mijn twistzaak ontdekt.21Daarom, zo zegt de HEERE van de mannen van Anathoth, die uw ziel zoeken, zeggende: Profeteer niet in den Naam des HEEREN, opdat gij van onze handen niet sterft.22Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal bezoeking over hen doen: de jongelingen zullen door het zwaard sterven, hun zonen en hun dochteren zullen van honger sterven.23En zij zullen geen overblijfsel hebben; want Ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anathoth, in het jaar hunner bezoeking.

Toen tijdens de regering van Josia de herstelwerkzaamheden aan de tempel in volle gang waren, vond Hilkia, de priester (sommigen nemen aan dat hij de vader van Jeremia was; zie hoofdstuk 1 vers 1) het wetboek des HEEREN weer terug (2 Kronieken 34 vers 14). Het bevatte het Boek Deuteronomium, waarin het trieste hoofdstuk 28 (zie vooral vers 64) alle gevolgen van het niet in acht nemen van het verbond aangekondigde. Josia werd hierover geïnformeerd en zorgde er toen dan ook onmiddellijk voor dat dit verbond uit naam van het volk vernieuwd werd (2 Koningen 22 vers 8 en verder; 23 vers 1 - 3). Maar het hoofdstuk voor vandaag laat ons zien hoe dit verbond opnieuw overtreden werd! Zo, "dat er geen helen aan was" (2 Kronieken 36 vers 16). Voortaan houdt God Zijn oren gesloten voor de gebeden en Hij wijst de profeet er nadrukkelijk op niet meer voor het volk te bidden (vers 14 en hoofdstuk 7 vers 16).

Jeremia is de vertegenwoordiger van een trouw, vervolgd overblijfsel. Maar door hem worden we ook aan het Lam, vol zachtmoedigheid, herinnerd, het Lam Dat onderwerp van allerlei aanslagen was om gezamenlijk "met Zijn vrucht" te verderven, zodat "Zijn Naam niet meer gedacht worde" (vers 19; vergelijk Genesis 37 vers 18; Lukas 10 vers 3). Dat was de ijdele bedoeling van de mensen en satan, hun aanvoerder. Maar het is de onomstotelijke genade van God dat de wonderbare Naam van de Heere Jezus tot in alle eeuwigheid geëerd zal worden (Filippensen 2 vers 9). En ook wij mogen dat nu elke keer doen door te eten van het brood en te drinken van de beker "tot Zijn gedachtenis" (1 Korinthe 11 vers 25 en 26).

Jeremia 12:1-17
1Gij zoudt rechtvaardig zijn, o HEERE! wanneer ik tegen U zou twisten; ik zal nochtans van Uw oordelen met U spreken; waarom is der goddelozen weg voorspoedig, waarom hebben zij rust, allen, die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven?2Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; Gij zijt wel nabij in hun mond, maar verre van hun nieren.3Maar Gij, o HEERE! kent mij, Gij ziet mij, en proeft mijn hart, dat het met U is. Ruk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der doding.4Hoe lang zal het land treuren, en het kruid des gansen velds verdorren? Vanwege de boosheid dergenen, die daarin wonen, vergaan de beesten en het gevogelte; dewijl zij zeggen: Hij ziet ons einde niet.5Als gij loopt met de voetgangers, zo maken zij u moede; hoe zult gij u dan mengen met de paarden? Zo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan?6Want ook uw broeders en uws vaders huis, ook diezelve handelen trouwelooslijk tegen u; ook diezelve roepen u met volle stem achterna; geloof hen niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken.7Ik heb Mijn huis verlaten, Ik heb Mijn erfenis laten varen; Ik heb de beminde Mijner ziel in de hand harer vijanden gegeven.8Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft haar stem tegen Mij verheven, daarom heb Ik haar gehaat.9Mijn erfenis is Mij een gesprenkelde vogel; de vogelen zijn rondom tegen haar; komt aan, verzamelt, al gij gedierte des velds, komt om te eten!10Veel herders hebben Mijn wijngaard verdorven, zij hebben Mijn akker vertreden; zij hebben Mijn gewensten akker gesteld tot een woeste wildernis.11Men heeft hem gesteld tot een woestheid, verwoest zijnde treurt hij tot Mij; het ganse land is verwoest, omdat er niemand is, die het ter harte neemt.12Op alle hoge plaatsen in de woestijn zijn verstoorders gekomen, want het zwaard des HEEREN verteert van het ene einde des lands tot aan het andere einde des lands; er is geen vrede voor enig vlees.13Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid; zij hebben zich gepijnigd, maar niet gevorderd; wordt alzo beschaamd vanwege ulieder inkomsten, vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN.14Alzo zegt de HEERE: Aangaande al Mijn boze naburen, die Mijn erfenis aanroeren, dewelke Ik Mijn volke Israel erfelijk gegeven heb; ziet, Ik zal hen uit hun land uitrukken, maar het huis van Juda zal Ik uit hunlieder midden uitrukken.15En het zal geschieden, nadat Ik hen zal uitgerukt hebben, zo zal Ik wederkeren, en Mij hunner ontfermen; en Ik zal hen wederbrengen, een iegelijk tot zijn erfenis, en een iegelijk tot zijn land.16En het zal geschieden, indien zij de wegen Mijns volks vlijtiglijk zullen leren, zwerende bij Mijn Naam: Zo waarachtig als de HEERE leeft! gelijk als zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij Baal, zo zullen zij in het midden Mijns volks gebouwd worden.17Maar indien zij niet zullen horen, zo zal Ik diezelve natie ten enenmale uitrukken en verdoen, spreekt de HEERE.

Dit hoofdstuk vertelt ons van een gesprek tussen de HEERE en Jeremia. Deze keer gaat het niet om een gebed van de profeet ten gunste van Israël, maar om pijnlijke vragen die hij op het hart heeft en die hij in de bitterheid van zijn ziel voor God uitspreidt. De mannen van de stad Anathoth, zijn medeburgers, waren zover gegaan dat ze hem met de dood bedreigden, als hij niet zou zwijgen (hoofdstuk 11 vers 21). Vers 6 zegt ons dat zelfs de familie van Jeremia trouweloos gehandeld en "met volle stem" tegen hem geschreeuwd heeft (vergelijk Lukas 4 vers 24 - 26). Hij had alle reden om de moed te verliezen, maar God begrijpt het leed van Zijn dienstknecht (heeft Zijn eigen volk ook Hem niet verraden?). En Hij zegt tegen Jeremia wat Hij gedwongen was te doen: de verontreinigde tempel te verlaten, Israël — Zijn erfdeel — te verstoten en over te geven in de handen van de vijand (vers 7). Wij kunnen ons er misschien een beetje bij voorstellen wat God moet hebben ondervonden, toen Hij deze besluiten nam. Om daar iets van te laten zien, gebruikt Hij een aangrijpende uitdrukking voor Zijn volk: "de beminde Mijner ziel".

De volken handelden als boze buren (vers 14); ze zullen de gevolgen moeten dragen. God had echter altijd nog zegeningen bewaard voor Israël, en ook voor deze volken, wanneer zij Zijn weg willen leren (vers 16).

Jeremia 13:1-27
1Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen, en koop u een linnen gordel, en doe dien aan uw lenden, maar breng hem niet in het water.2En ik kocht een gordel naar het woord des HEEREN, en ik deed dien aan mijn lenden.3Toen geschiedde des HEEREN woord ten tweeden male tot mij, zeggende:4Neem den gordel, dien gij gekocht hebt, die aan uw lenden is, en maak u op, en ga henen naar den Frath, en versteek dien aldaar in de klove ener steenrots.5Zo ging ik henen, en verstak dien bij den Frath, gelijk als de HEERE mij geboden had.6Het geschiedde nu ten einde van vele dagen, dat de HEERE tot mij zeide: Maak u op, ga henen naar den Frath, en neem den gordel van daar, dien Ik u geboden heb aldaar te versteken.7Zo ging ik naar den Frath, en groef, en nam den gordel van de plaats, alwaar ik dien verstoken had; en ziet, de gordel was verdorven en deugde nergens toe.8Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:9Zo zegt de HEERE: Alzo zal Ik verderven de hovaardij van Juda, en die grote hovaardij van Jeruzalem.10Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken zijns harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt.11Want gelijk als een gordel kleeft aan de lenden eens mans, alzo heb Ik het ganse huis Israels en het ganse huis van Juda aan Mij doen kleven, spreekt de HEERE, om Mij te zijn tot een volk, en tot een naam, en tot lof, en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord.12Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden?13Maar gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal alle inwoners deze lands, zelfs de koningen, die op Davids troon zitten, en de priesters, en de profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, opvullen met dronkenschap.14En Ik zal hen in stukken slaan, den een tegen den ander, zo de vaders als de kinderen te zamen, spreekt de HEERE; Ik zal niet verschonen noch sparen, noch Mij ontfermen, dat Ik hen niet zou verderven.15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.16Geeft eer den HEERE, uw God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat gij naar licht wacht, en Hij datzelve tot een schaduw des doods stelle, en tot een donkerheid zette.17Zult gijlieden dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgene plaatsen wenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des HEEREN kudde gevankelijk is weggevoerd.18Zeg tot den koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw ganse hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald.19De steden van het zuiden zijn toegesloten, en er is niemand, die ze opent; het ganse Juda is weggevoerd, het is geheel en al weggevoerd.20Hef uw ogen op, en zie, die daar van het noorden komen! waar is de kudde, die u gegeven was, de schapen uwer heerlijkheid?21Wat zult gij zeggen, wanneer Hij bezoeking over u doen zal, daar gij hem geleerd hebt tot vorsten, tot een hoofd over u te zijn; zullen u de smarten niet aangrijpen, als een barende vrouw?22Wanneer gij dan in uw hart zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? Om de veelheid uwer ongerechtigheid, zijn uw zomen ontdekt, en uw hielen hebben geweld geleden.23Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.24Daarom zal Ik hen verstrooien als een stoppel, die doorgaat, door een wind der woestijn.25Dit zal uw lot, het deel uwer maten zijn van Mij, spreekt de HEERE; gij, die Mij hebt vergeten, en op leugen vertrouwt.26Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden.27Uw overspelen en uw hunkeringen, de schandelijkheid uws hoerdoms, op heuvelen, in het veld; Ik heb uw verfoeiselen gezien; wee u, Jeruzalem! zult gij niet rein worden? Hoe lang nog na dezen?

God geeft Jeremia een teken: de gordel die hij eerst om moet doen en dragen zonder hem ooit te wassen, moet hij vervolgens meer dan 400 kilometer ver meenemen en hem bij de Frath (Eufraat) verstoppen. Later moet hij er weer heen gaan om de gordel op te halen en dan constateren dat deze verdorven was en nergens meer voor deugde.

Daarna geeft God hem de geestelijke betekenis van dit gebeuren. De gordel is een sieraad dat vlakbij het hart gedragen wordt; bovendien behoorde de gordel bij de kleding van de priester (Exodus 28 vers 40; en Jeremia was een priester). Zo had God dit volk, dat Zijn heerlijkheid had moeten verheffen en Hem had moeten dienen, eng aan Zich verbonden. Maar de hoogmoed en afgodendienst hadden Jeruzalem en Juda even bevlekt en nutteloos gemaakt als deze gordel. En net als die gordel zullen zij naar de oever van de Eufraat, naar Babylon, weggevoerd worden (zie het slot van vers 19), tenzij... men zich zal verootmoedigen, waartoe zij die de hoogste ambten bekleden, de koning en de koningin, het voorbeeld moeten geven.

Vers 23 herinnert ons eraan dat de zonde een kenmerk van de mensen is, die door henzelf niet uitgewist kan worden. Uit onszelf kunnen we de zonde niet wegdoen, net zo min als een neger zijn huid blank kan maken of een luipaard z'n vlekken kan veranderen. Maar op grond van het bloed van Christus kan God de zonden wegnemen en een nieuw hart schenken. En precies dát is gebeurd bij de Ethiopiër van wie wij in Handelingen 8 lezen.

Is dat bij u, bij jou ook al gebeurd?

Jeremia 14:1-22
1Het woord des HEEREN, dat tot Jeremia geschied is, over de zaken der grote droogte.2Juda treurt en haar poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruzalems geschrei klimt op.3En hun voortreffelijken zenden hun kleinen naar water; zij komen tot de grachten, zij vinden geen water, zij komen met hun vaten ledig weder; zij zijn beschaamd, ja, worden schaamrood, en bedekken hun hoofd.4Omdat het aardrijk gescheurd is, dewijl er geen regen op de aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd.5Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.6En de woudezels staan op de hoge plaatsen, zij scheppen den wind gelijk de draken; hun ogen versmachten, omdat er geen kruid is.7Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o HEERE! doe het om Uws Naams wil; want onze afkeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen U gezondigd.8O Israels Verwachting, Zijn Verlosser in tijd van benauwdheid! waarom zoudt Gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger, die slechts inkeert om te vernachten?9Waarom zoudt Gij zijn als een versaagd man, als een held, die niet kan verlossen? Gij zijt toch in het midden van ons, o HEERE! en wij zijn naar Uw Naam genoemd, verlaat ons niet.10Alzo zegt de HEERE van dit volk: Zij hebben zo liefgehad te zwerven, zij hebben hun voeten niet bedwongen; daarom heeft de HEERE geen welgevallen aan hen, nu zal Hij hunner ongerechtigheden gedenken, en hun zonden bezoeken.11Wijders zeide de HEERE tot mij: Bid niet voor dit volk ten goede.12Ofschoon zij vasten, Ik zal naar hun geschrei niet horen, en ofschoon zij brandoffer en spijsoffer offeren, Ik zal aan hen geen welgevallen hebben; maar door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie zal Ik hen verteren.13Toen zeide ik: Ach, Heere HEERE! zie, die profeten zeggen hun: Gij zult geen zwaard zien, en gij zult geen honger hebben; maar Ik zal u een gewissen vrede geven in deze plaats.14En de HEERE zeide tot mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, noch hun bevel gegeven, noch tot hen gesproken; zij profeteren ulieden een vals gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en bedriegerij huns harten.15Daarom zegt de HEERE alzo: Aangaande de profeten, die in Mijn Naam profeteren, daar Ik hen niet gezonden heb, en zij dan nog zeggen: Er zal geen zwaard noch honger in dit land zijn; diezelve profeten zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden.16En het volk, tot hetwelk zij profeteren, zullen op de straten van Jeruzalem weggeworpen zijn vanwege den honger en het zwaard; en er zal niemand zijn, die hen begrave, hen, hun vrouwen, en hun zonen, en hun dochteren; alzo zal Ik hun boosheid over hen uitstorten.17Daarom zult gij dit woord tot hen zeggen: Mijn ogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw der dochter Mijns volks is gebroken met een grote breuk, een plage, die zeer smartelijk is.18Zo ik uitga in het veld, ziet daar de verslagenen van het zwaard, en zo ik in de stad komen, ziet daar de kranken van honger! Ja, zowel de profeten als de priesters lopen om in het land, en weten niet.19Hebt Gij dan Juda ganselijk verworpen? Heeft Uw ziel een walging aan Sion? Waarom hebt Gij ons geslagen, dat er geen genezing voor ons is? Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar ziet, daar is verschrikking.20HEERE! wij kennen onze goddeloosheid, en onzer vaderen ongerechtigheid, want wij hebben tegen U gezondigd.21Versmaad ons niet, om Uws Naams wil; werp den troon Uwer heerlijkheid niet neder; gedenk, vernietig niet Uw verbond met ons.22Zijn er onder de ijdelheden der heidenen, die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Zijt Gij die niet, o HEERE, onze God? Daarom zullen wij op U wachten, want Gij doet al die dingen.

God spreekt niet alleen door de mond van Jeremia tot Israël, maar ook door droogte en hongersnood.

De profeet — en helaas is hij de enige in zijn tijd — bekent het falen van zijn volk en smeekt tot de HEERE. In zijn liefde voor het volk kan hij er niet toe komen niet meer voor dit volk te bidden. Hij kan geen enkele reden noemen waardoor het volk ook maar ergens recht op zou hebben, waardoor er in genade met haar gehandeld zou kunnen worden. Daarom bidt hij: "...doe het om Uws Naams wil" (vers 7 en 21; Ezechiël 20 vers 9; Daniël 9 vers 19). En juist dát is de belangrijkste reden om God te smeken dat Hij zal ingrijpen.

Van onze kant is er enkel en alleen ellende. Waar zouden we ons op kunnen beroepen, om de arm van God in beweging te krijgen? Enkel en alleen op de Naam van de Heere Jezus. Hijzelf heeft ons deze wonderbare kracht geopenbaard (Johannes 15 vers 16). De Vader kan niet anders dan de gebeden verhoren die in deze Naam, Die Hij liefheeft, tot Hem gericht worden. En "indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig — tegenover de Heere Jezus, onze volmaakte Verlosser — dat Hij ons de zonde vergeeft, en ons reinigt van alle ongerechtigheid" (1 Johannes 1 vers 9).

De verzen 10 tot en met 18 spreken over valse profeten, die met hun leugens het volk geruststellen. Zijzelf en allen die naar hen geluisterd hebben, zullen de straf ondergaan waarin zij weigerden te geloven (vers 15).

Jeremia 15:1-21
1Maar de HEERE zeide tot mij: Al stond Mozes en Samuel voor Mijn aangezicht, zo zou toch Mijn ziel tot dit volk niet wezen; drijf ze weg van Mijn aangezicht, en laat ze uitgaan.2En het zal geschieden, wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij uitgaan? dat gij tot hen zult zeggen: Zo zegt de HEERE: Wie ten dood, ten dode; en wie tot het zwaard, ten zwaarde, en wie tot den honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis!3Want Ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt de HEERE: met het zwaard, om te doden; en met de honden, om te slepen; en met het gevogelte des hemels, en met het gedierte der aarde, om op te eten en te verderven.4En Ik zal hen overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken der aarde, vanwege Manasse, zoon van Jehizkia, koning van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft.5Want wie zou u verschonen, o Jeruzalem? of wie zou medelijden met u hebben, of wie zou aftreden, om u naar vrede te vragen?6Gij hebt Mij verlaten, spreekt de HEERE; gij zijt achterwaarts gegaan; daarom zal Ik Mijn hand tegen u uitstrekken en u verderven; Ik ben des berouwens moede geworden.7En Ik zal hen wannen met een wan, in de poorten des lands; Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd en verdaan; zij zijn van hun wegen niet wedergekeerd.8Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand der zeeen; Ik heb hun over de moeder doen komen een jongeling, een verwoester op den middag; Ik heb hem haastelijk hen doen overvallen, de stad met verschrikkingen.9Zij, die zeven baarde, is zwak geworden; zij heeft haar ziel uitgeblazen, haar zon is ondergegaan, als het nog dag was; zij is beschaamd en schaamrood geworden; en hunlieder overblijfsel zal Ik aan het zwaard overgeven, voor het aangezicht hunner vijanden, spreekt de HEERE.10Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel den gansen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.11De HEERE zeide: Zo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn; zo Ik niet, in de tijd des kwaads en in tijd der benauwdheid, bij den vijand voor u tussenkome!12Zal ook enig ijzer het ijzer van het noorden of koper verbreken?13Ik zal uw vermogen en uw schatten tot een roof geven, zonder prijs; en dat om al uw zonden, en in al uw landpalen.14En Ik zal u overvoeren met uw vijanden, in een land, dat gij niet kent; want een vuur is aangestoken in Mijn toorn, het zal over u branden.15O HEERE! Gij weet het, gedenk mijner, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage.16Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen!17Ik heb in den raad der bespotters niet gezeten, noch ben van vreugde opgesprongen; vanwege Uw hand heb ik alleen gezeten, want Gij hebt mij met gramschap vervuld.18Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?19Daarom zegt de HEERE alzo: Zo gij zult wederkeren, zo zal Ik u doen wederkeren; gij zult voor Mijn aangezicht staan; en zo gij het kostelijke van het snode uittrekt, zult gij als Mijn mond zijn; laat hen tot u wederkeren, maar gij zult tot hen niet wederkeren.20Want Ik heb u tegen dit volk gesteld tot een koperen vasten muur; zij zullen wel tegen u strijden, maar u niet overmogen; want Ik ben met u, om u te behouden en om u uit te rukken, spreekt de HEERE.21Ja, Ik zal u rukken uit de hand der bozen, en Ik zal u verlossen uit de handpalm der tirannen.

De HEERE zegt nog een keer tegen Jeremia dat Hij zijn voorbede niet kan aannemen. Zelfs Mozes en Samuël — van wie wij het gebedsleven en de liefde tot het volk Israël heel goed kennen — zouden in de toestand waarin het volk zich nu bevond, niets meer kunnen doen (zie Psalm 99 vers 6). Jeremia is de vertwijfeling nabij (vers 10). Hij roept God op als Getuige voor zijn eigen trouw: "Toen Uw woorden gevonden zijn, heb ik ze opgegeten" (vers 16; vergelijk Psalm 119 vers 103). Men had inderdaad het wetboek teruggevonden in de tempel en de jonge priester had daar zijn vreugde in gevonden.

Laten wij, als kinderen van God, net als Jeremia, elke dag het voedsel voor onze ziel en tegelijkertijd ook de vreugde voor ons hart zoeken en vinden in de Bijbel! Paulus herinnert Timotheüs eraan, dat een goede dienstknecht van Jezus Christus door de woorden van het geloof en de goede leer gevoed moet worden (1 Timotheüs 4 vers 6).

De HEERE bemoedigt Zijn trouwe, zij het ook wat vreesachtige getuige die voor Hem "versmaadheid draagt" (vers 15; Psalm 69 vers 8) en belooft hem te zullen bevrijden. Hij roept hem op, het "het kostbare van het snode (verwerpelijke)" te scheiden (af te zonderen).

Een volgeling van de Heere Jezus moet een gevoelig geweten hebben, om het goede te erkennen en te doen, om het kwade te oordelen en zich daarvan af te wenden (vergelijk ook 1 Petrus 3 vers 10 - 12). Alleen wanneer er aan deze voorwaarde voldaan is, kan hij als de "mond" of als 'uitspraak' van God fungeren (vers 19).

Jeremia 16:1-21
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:2Gij zult u geen vrouw nemen, en gij zult geen zonen noch dochteren hebben in deze plaats.3Want zo zegt de HEERE van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:4Zij zullen pijnlijke doden sterven, zij zullen niet beklaagd noch begraven worden, zij zullen tot mest op den aardbodem zijn, en zij zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.5Want zo zegt de HEERE: Ga niet in het huis desgenen, die een rouwmaaltijd houdt, en ga niet henen om te rouwklagen, en heb geen medelijden met hen; want Ik heb van dit volk (spreekt de HEERE) weggenomen Mijn vrede, goedertierenheid en barmhartigheden;6Zodat groten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet begraven worden; en men zal hen niet beklagen, noch zichzelven insnijden, noch kaal maken om hunnentwil.7Ook zal men hun niets uitdelen over den rouw, om iemand te troosten over een dode; noch hun te drinken geven uit den troostbeker, over iemands vader of over iemands moeder.8Ga ook niet in een huis des maaltijds, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken.9Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal van deze plaats, voor ulieder ogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem der vreugde en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem der bruid.10En het zal geschieden, als gij dit volk al deze woorden zult aanzeggen, en zij tot u zeggen: Waarom spreekt de HEERE al dit grote kwaad over ons, en welke is onze misdaad, en welke is onze zonde, die wij tegen den HEERE, onzen God, gezondigd hebben?11Dat gij tot hen zult zeggen: Omdat uw vaders Mij verlaten hebben, spreekt de HEERE, en hebben andere goden nagewandeld, en die gediend, en zich voor die nedergebogen; maar Mij verlaten, en Mijn wet niet gehouden hebben;12En gijlieden erger gedaan hebt dan uw vaderen; want ziet, gijlieden wandelt, een iegelijk naar het goeddunken van zijn boos hart, om naar Mij niet te horen.13Daarom zal Ik ulieden uit dit land werpen, in een land, dat gij niet gekend hebt, gij noch uw vaders; en aldaar zult gij andere goden dienen, dag en nacht, omdat Ik u geen genade zal geven.14Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat er niet meer zal gezegd worden: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd!15Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels heeft opgevoerd uit het land van het noorden, en uit al de landen waarhenen Hij hen gedreven had! want Ik zal hen wederbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.16Ziet, Ik zal zenden tot veel vissers, spreekt de HEERE, die zullen hen vissen; en daarna zal Ik zenden tot veel jagers, die zullen hen jagen, van op allen berg, en van op allen heuvel, ja, uit de kloven der steenrotsen.17Want Mijn ogen zijn op al hun wegen; zij zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen, noch hun ongerechtigheid verholen van voor Mijn ogen.18Dies zal Ik eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben; zij hebben Mijn erfenis met de dode lichamen hunner verfoeiselen en hunner gruwelen vervuld.19O HEERE! Gij zijt mijn Sterkte, en mijn Sterkheid, en mijn Toevlucht ten dage der benauwdheid; tot U zullen de heidenen komen van de einden der aarde, en zeggen: Immers hebben onze vaders leugen erfelijk bezeten, en ijdelheid, waarin toch niets was, dat nut deed.20Zal een mens zich goden maken? Zij zijn toch geen goden.21Daarom, ziet, Ik zal hun bekend maken op ditmaal; Ik zal hun bekend maken Mijn hand en Mijn macht; en zij zullen weten, dat Mijn Naam is HEERE.

Omdat Jeremia kostbaar was in het oog van de HEERE, werd hij opgeroepen om zich van het "snode", dat wil zeggen van dit boze volk, af te zonderen (hoofdstuk 15 vers 19). Het is onmogelijk zich met het kwaad te vermengen en tegelijkertijd te getuigen tegen hen die deze dingen bedrijven. God staat het deze jongeman zelfs niet toe om op zo'n plaats een gezin te stichten. Dat alles laat heel duidelijk zien dat er daar, aan de vooravond van het oordeel dat Jeruzalem bedreigt, geen blijvende instelling meer kan bestaan. Bovendien — en dat spreekt tot ons allen — moet Jeremia zich als een ware Nazireeër van elke gemeenschap met de feesten en vreugden van het veroordeelde volk onthouden. Maar dat zal zeker geen al te grote ontbering geweest zijn voor iemand die zijn vreugde in het Woord van zijn God vond (hoofdstuk 15 vers 16).

Hoe meer de Heere en Zijn Woord een vreugde voor ons zijn, des te minder zullen we verlangen naar het bedrieglijke vermaak dat de wereld ons kan geven.

De verzen 10 - 21 halen het volgende aan:

— de straf van de HEERE over Zijn volk;

— de oorzaak van deze straf;

— maar ook de belofte van een toekomstig herstel (vers 15).

Het machtige ingrijpen van de HEERE, door middel van "vissers" en "jagers", om de kinderen van Israël terug te brengen, zal tot gevolg hebben dat Hij ook door de volken (heidenen) erkend zal worden (vers 19).

Jeremia 17:1-11
1De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie, met de punt eens diamants; gegraven in de tafel van hunlieder hart, en aan de hoornen uwer altaren;2Gelijk hun kinderen hunner altaren gedenken, en hunner bossen, bij het groen geboomte, op de hoge heuvelen.3Ik zal Mijn berg met het veld, uw vermogen en al uw schatten ten roof geven, mitsgaders uw hoogten, om de zonde in al uw landpalen.4Alzo zult gij aflaten (en dat om u zelven) van uw erfenis, die Ik u gegeven heb, en Ik zal u uw vijanden doen dienen in een land, dat gij niet kent; want gijlieden hebt een vuur aangestoken in Mijn toorn, tot in eeuwigheid zal het branden.5Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt!6Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land.7Gezegend daarentegen is de man, die op den HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is!8Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen.9Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het, wie zal het kennen?10Ik, de HEERE, doorgrond het hart, en proef de nieren; en dat, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, naar de vrucht zijner handelingen.11Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.

God drukt Zich in Zijn Woord op verschillende manieren uit om de mensen te overtuigen van hun toestand als onverbeterlijke zondaar. Denk maar aan het voorbeeld van het volk Israël en haar zedelijke verval, de gave van Zijn heilige wet, het volmaakte leven van Christus hier beneden op aarde (dat in tegenstelling hiermee de boosheid van de mens toont), en ten slotte, zoals hier, directe en onweerlegbare verklaringen.

Vers 9 zegt heel duidelijk dat het menselijk hart totaal verdorven en onverbeterlijk is: "Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk (of: verderfelijk) is het". Dit is een conclusie, een oordeel, dat we ons voor altijd goed moeten inprenten; dan zullen we ervoor bewaard blijven om dit hart ook maar het geringste vertrouwen te schenken — dat betreft dan zowel ons eigen hart als dat van anderen — en dat zal ons veel teleurstellingen besparen. Laten we juist veel meer vers 7 in praktijk brengen: "Gezegend daarentegen is de man, die op de HEERE vertrouwt". Het gelukkige en gezegende gevolg daarvan lezen we vervolgens in vers 8 (vergelijk Psalm 1 vers 3). Wie gedronken heeft uit de onuitputtelijke bron, hoeft niet bang te zijn voor hitte en droogte; ja, zo iemand zal dat niet eens bemerken. "Geworteld... in Hem" (Colossenzen 2 vers 7) kent zo iemand geen angst en zal hij niet ophouden vrucht te dragen voor God. Dan is werkelijk voldaan aan de voorwaarde die de Heere Jezus gesteld heeft: "...die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen" (Johannes 15 vers 5).

Jeremia 17:12-27
12Een troon der heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats onzes heiligdoms.13O HEERE, Israels Verwachting! allen, die U verlaten, zullen beschaamd worden; en die van mij afwijken, zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten den HEERE, den Springader des levenden waters.14Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden; want Gij zijt mijn Lof.15Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.17Wees Gij mij niet tot een verschrikking; Gij zijt mijn Toevlucht ten dage des kwaads.18Laat mijn vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mij niet verschrikt worden; breng over hen den dag des kwaads, en verbreek hen met een dubbele verbreking.19Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van de kinderen des volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem;20En zeg tot hen: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda, en gans Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat!21Zo zegt de HEERE: Wacht u op uw zielen, en draagt geen last op den sabbatdag, noch brengt in door de poorten van Jeruzalem.22Ook zult gijlieden geen last uitvoeren uit uw huizen op den sabbatdag, noch enig werk doen; maar gij zult den sabbatdag heiligen, gelijk als Ik uw vaderen geboden heb.23Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd; maar zij hebben hun nek verhard, om niet te horen, en om de tucht niet aan te nemen.24Het zal dan geschieden, indien gij vlijtiglijk naar Mij zult horen, spreekt de HEERE, dat gij geen last door de poorten dezer stad op den sabbatdag inbrengt, en gij den sabbatdag heiligt, dat gij geen werk daarop doet;25Zo zullen door de poorten dezer stad ingaan koningen en vorsten, zittende op den troon van David, rijdende op wagenen en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid.26En zij zullen komen uit de steden van Juda, en uit de plaatsen rondom Jeruzalem, en uit het land van Benjamin, en uit de laagte, en van het gebergte, en van het zuiden, aanbrengende brandoffer, en slachtoffer, en spijsoffer, en wierook, en aanbrengende lofoffer, ten huize des HEEREN.27Maar indien gij naar Mij niet zult horen, om den sabbatdag te heiligen, en om geen last te dragen als gij op den sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat; zo zal Ik een vuur in haar poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren, en niet worden uitgeblust.

Misschien hebben we het al eens geprobeerd om onze naam in het zand te schrijven en hebben we ontdekt dat er al gauw niet veel meer van te lezen was (zie vers 13). Hoeveel dwaze mensen zijn er niet die niet aan hun toekomst denken en die proberen hier op aarde — die vergaan zal — naam te maken! Beste vriend, je naam moet geschreven staan in het boek van het leven (Openbaring 20 vers 15).

En dan lezen we opnieuw het onweerlegbare feit (vers 13) dat we al uit hoofdstuk 2 vers 13 kennen: "Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten". In Johannes 6 vers 66 gaan veel discipelen van de Heere Jezus weg, van Hem Die Zich juist in het daaropvolgende hoofdstuk als de Bron van levend water openbaart (hoofdstuk 7 vers 37).

Het gebed in vers 14 erkent dat alleen God het boze hart van de mens kan veranderen. "Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden". In hoofdstuk 31 vers 18 smeekt Efraïm: "Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn". En de profeet Jeremia voegt eraan toe: "Gij zijt mijn lof". In het werk tot ons heil dient alles tot eer van God.

In het laatste gedeelte van dit hoofdstuk herinnert de Heere aan Zijn gebod met betrekking tot de sabbat. Men had op dit punt — maar ook op andere — de wet overtreden (hoofdstuk 7 vers 9). Een eeuw later, na terugkeer uit Babylon, heeft de trouwe Nehemia de lessen uit de verzen 21 en 22 ter harte genomen (Nehemia 13 vers 15 e.v.). Hij heeft de edelen uit Juda eraan herinnerd dat het ongeluk van het volk het gevolg was van de ontrouw van hun vaderen ten opzichte van het sabbatsgebod.

Jeremia 18:1-23
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:2Maak u op, en ga af in het huis des pottenbakkers, en aldaar zal Ik u Mijn woorden doen horen.3Zo ging ik af in het huis des pottenbakkers; en ziet, hij maakte een werk op de schijven.4En het vat, dat hij maakte, werd verdorven, als leem, in de hand des pottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de ogen des pottenbakkers te maken.5Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:6Zal Ik ulieden niet kunnen doen, gelijk deze pottenbakker, o huis Israels? spreekt de HEERE; ziet, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzo zijt gijlieden in Mijn hand, o huis Israels!7In een ogenblik zal Ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal uitrukken, en afbreken, en verdoen;8Maar indien datzelve volk, over hetwelk Ik zulks gesproken heb, zich van zijn boosheid bekeert, zo zal Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hetzelve gedacht te doen.9Ook zal Ik in een ogenblik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat Ik het zal bouwen en planten;10Maar indien het doet, dat kwaad is in Mijn ogen, dat het naar Mijn stem niet hoort, zo zal Ik berouw hebben over het goede, met hetwelk Ik gezegd had hetzelve te zullen weldoen.11Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen ulieden, en denk tegen ulieden een gedachte; zo bekeert u nu, een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed.12Doch zij zeggen: Het is buiten hoop; maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen, een iegelijk het goeddunken van zijn boos hart.13Daarom, zo zegt de HEERE: Vraagt nu onder de heidenen; wie heeft alzulks gehoord? De jonkvrouw Israels doet een zeer afschuwelijke zaak.14Zal men ook om een rotssteen des velds verlaten de sneeuw van Libanon? Zullen ook de vreemde, koude, vlietende wateren verlaten worden?15Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, zij roken der ijdelheid; want zij hebben hen doen aanstoten op hun wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van een weg, die niet opgehoogd is;16Om hun land te stellen tot een ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen; al wie daar voorbijgaat, zal zich ontzetten, en met zijn hoofd schudden.17Als een oostenwind zal Ik hen verstrooien voor het aangezicht des vijands; Ik zal hun den nek en niet het aangezicht laten zien, ten dage huns verderfs.18Toen zeiden zij: Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken; want de wet zal niet vergaan van den priester, noch de raad van den wijze, noch het woord van den profeet; komt aan, en laat ons hem slaan met de tong, en laat ons niet luisteren naar enige zijner woorden!19HEERE! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters.20Zal dan kwaad voor goed vergolden worden? want zij hebben mijn ziel een kuil gegraven; gedenk, dat ik voor Uw aangezicht gestaan heb, om goed voor hen te spreken, om Uw grimmigheid van hen af te wenden.21Daarom, geef hun zonen den honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld des zwaards, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door den dood omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard geslagen worden in den strijd.22Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij haastelijk een bende over hen zult brengen; dewijl zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.

In het huis van de pottenbakker ontvangt Jeremia een nieuwe les. Het eerste vat dat hij ziet ontstaan, is een beeld van het volk. Net als de gordel in hoofdstuk 13 is dit vat ook mislukt en deugt het nergens meer voor (vers 4; hoofdstuk 13 vers 7). Ja, zo zien wij Israël, en in werkelijkheid de hele mensheid, voorgesteld. De Goddelijke Formeerder kon niets beginnen met de eerste mens, die Hij uit het leem gemaakt had. "Samen zijn zij onnut geworden" (Romeinen 3 vers 12 en 23). De zonde heeft het hele mensengeslacht verdorven.

Maar op de draaischijf van de pottenbakker wordt het werk opnieuw ter hand genomen en wordt er een nieuw vat geformeerd, "zoals het recht was in de ogen van de pottenbakker om te maken".

Dit vat, dat zonder gebreken is, doet ons denken aan de tweede Mens, in Wie God een welgevallen gevonden heeft. Naar het raadsbesluit van God is Christus gekomen om het krachteloze ras van Adam te vervangen. Maar Hij is voortaan niet alleen. "Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel" (2 Korinthe 5 vers 17). Door de genade van God kan de verloste van zijn kant "een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid" (2 Timotheüs 2 vers 21; lees ook Efeze 2 vers 10).

De dialoog in vers 11 en 12 bevestigt de hopeloze toestand van het volk en rechtvaardigt haar verwerping, net zoals gebeurde met het verdorven vat van de pottenbakker.

Jeremia 19:1-15
1Zo zegt de HEERE: Ga henen en koop een pottenbakkerskruik, en neem tot u van de oudsten des volks, en van de oudsten der priesteren.2En ga uit naar het dal des zoons van Hinnom, dat voor de deur der Zonnepoort is, en roep aldaar uit de woorden, die Ik tot u spreken zal;3En zeg: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem! Alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal een kwaad brengen over deze plaats, van hetwelk een ieder, die het hoort, zijn oren klinken zullen;4Omdat zij Mij verlaten, en deze plaats vervreemd, en andere goden daarin gerookt hebben die zij niet gekend hebben, zij, noch hun vaderen, noch de koningen van Juda; en hebben deze plaats vervuld met bloed der onschuldigen.5Want zij hebben de hoogten van Baal gebouwd, om hun zonen met vuur te verbranden, aan Baal tot brandofferen; hetwelk Ik niet geboden, noch gesproken heb, noch in Mijn hart is opgekomen?6Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth, of dat des zoons van Hinnom, maar Moorddal.7Want Ik zal den raad van Juda en Jeruzalem in deze plaats verijdelen, en zal hen voor het aangezicht hunner vijanden doen vallen door het zwaard, en door de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en Ik zal hun dode lichamen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze geven.8En Ik zal deze stad zetten tot een ontzetting en tot een aanfluiting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten en fluiten over al haar plagen.9En Ik zal hunlieden het vlees hunner zonen en het vlees hunner dochteren doen eten, en zij zullen eten, een iegelijk het vlees zijns naasten, in de belegering en in de benauwing, waarmede hen hun vijanden, en die hun ziel zoeken, benauwen zullen.10Dan zult gij de kruik verbreken voor de ogen der mannen, die met u gegaan zijn;11En gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen: Alzo zal Ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weder geheeld kan worden; en zij zullen hen in Tofeth begraven, omdat er geen andere plaats zal zijn om te begraven.12Zo zal Ik deze plaats doen, spreekt de HEERE, en haar inwoners; en dat om deze stad te stellen als een Tofeth.13En de huizen van Jeruzalem en de huizen der koningen van Juda zullen, gelijk alle plaatsen van Tofeth, onrein worden, met al de huizen, op welker daken zij aan al het heir des hemels gerookt en aan vreemde goden drankofferen geofferd hebben.14Toen nu Jeremia van Tofeth kwam, waarhenen hem de HEERE gezonden had, om te profeteren, stond hij in het voorhof van des HEEREN huis, en zeide tot al het volk:15Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal over deze stad, en over al haar steden, al het kwaad brengen, dat Ik over haar gesproken heb; omdat zij hun nek verhard hebben, om Mijn woorden niet te horen.

Jeremia wordt door de God van Israël opgeroepen om terug te gaan naar het huis van de pottenbakker. Deze keer niet om alleen maar toe te kijken naar het werk, maar nu om er zelf een kruik te kopen. Daarna moet hij enkelen van de oudsten van het volk meenemen en deze kruik naar het dal van de zoon van Hinnom brengen.

Dat was een vreselijke plaats. Dit dal van Hinnom (in het Grieks: Gehenna) wordt ook Tofeth genoemd (vers 6). Ten tijde van koning Manasse werden daar mensenoffers gebracht aan Baäl (2 Kronieken 33 vers 6; Jeremia 7 vers 31). Daarom had Josia het verontreinigd (2 Koningen 23 vers 10). Op deze plaats, die getuigde van de afschuwelijke zonden van het volk, moest het volk vreselijke woorden aanhoren en werd tegelijkertijd de kruik, een beeld van het volk, kapot gebroken.

Aansluitend gaat Jeremia de tempel binnen en bevestigt hij het woord van de HEERE voor de oren van geheel Jeruzalem.

Laten we eraan denken hoeveel moed ervoor nodig was om het doen en laten van het volk openlijk te veroordelen en dat wat God onherroepelijk over dit volk heeft besloten, aan te kondigen! Het kan ons ook gebeuren, dat we ons alleen in een vijandige omgeving bevinden en door ons handelen en onze woorden getuigenis hebben af te leggen. Laten we de Heere dan vragen ons dezelfde onverschrokkenheid te schenken!

Jeremia 20:1-18
1Als Pashur, de zoon van Immer, de priester (deze nu was bestelde voorganger in het huis des HEEREN), Jeremia hoorde, diezelve woorden profeterende,2Zo sloeg Pashur den profeet Jeremia, en hij stelde hem in de gevangenis, dewelke is in de bovenste poort van Benjamin, die aan het huis des HEEREN is.3Maar het geschiedde des anderen daags, dat Pashur Jeremia uit de gevangenis voortbracht; toen zeide Jeremia tot hem: De HEERE noemt uw naam niet Pashur, maar Magor-missabib.4Want zo zegt de HEERE: Zie, Ik stel u tot een schrik voor uzelven en voor al uw liefhebbers; die zullen vallen door het zwaard hunner vijanden, dat het uw ogen aanzien; en Ik zal gans Juda geven in de hand des konings van Babel, die hen naar Babel gevankelijk zal wegvoeren, en slaan hen met het zwaard.5Ook zal Ik geven al het vermogen dezer stad, en al haar arbeid, en al haar kostelijkheid, en alle schatten der koningen van Juda, Ik zal ze geven in de hand hunner vijanden, die zullen ze roven, zullen ze nemen, en zullen ze brengen naar Babel.6En gij, Pashur, en alle inwoners van uw huis! gijlieden zult gaan in de gevangenis; en gij zult te Babel komen, en aldaar sterven, en aldaar begraven worden, gij en al uw vrienden, denwelken gij valselijk geprofeteerd hebt.7HEERE! Gij hebt mij overreed, en ik ben overreed geworden; Gij zijt mij te sterk geweest, en hebt overmocht; ik ben den gansen dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij.8Want sinds ik spreke, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring; omdat mij des HEEREN woord den gansen dag tot smaad en tot schimp is.9Dies zeide ik: Ik zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet.10Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.11Maar de HEERE is met mij als een verschrikkelijk Held; daarom zullen mijn vervolgers struikelen, en niets vermogen; zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet verstandiglijk gehandeld hebben; het zal een eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden.12Gij dan, o HEERE der heirscharen, Die den rechtvaardige proeft, Die de nieren en het hart ziet, laat mij Uw wraak van hen zien, want ik heb U mijn twistzaak ontdekt.13Zingt den HEERE, prijst den HEERE; want Hij heeft de ziel des nooddruftigen uit de hand der boosdoeners verlost.14Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag, op welken mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend!15Vervloekt zij de man, die mijn vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grotelijks!16Ja, dezelve man zij, als de steden, die de HEERE heeft omgekeerd, en het heeft Hem niet berouwd; en hij hore in den morgenstond een geroep, en op den middagtijd een geschrei.17Dat Hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af! Of mijn moeder mijn graf geweest is, of haar baarmoeder als van een, die eeuwiglijk zwanger is!18Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien, en dat mijn dagen in beschaamdheid vergaan?

Als men de waarheid vertelt aan de mensen van de wereld, wat hun toestand betreft, dan stelt men zich direct bloot aan hun haat. De profeet doet ook deze bittere ervaring op. De samenzwering, waarvan al sprake was in hoofdstuk 11 vers 19 en 18 vers 18, wordt nu ten uitvoer gebracht. Jeremia wordt door Pashur geslagen en gefolterd.

Wie was deze Pashur? Een voorganger onder de priesters (vers 1) en bovendien een van de profeten die leugen profeteerden (vers 6; hoofdstuk 14 vers 14) en die zich, in tegenstelling tot Jeremia, mochten verheugen in de gunst van het volk. Maar nu moet deze man een voorzegging van de waarheid aanhoren, die tegen hem wordt uitgesproken.

Jeremia herinnert ons aan de vermaning van Jakobus 5 vers 10. Hij is een voorbeeld van de Heere Jezus. Hij staat er, als verkondiger van de waarheid, helemaal alleen voor en wordt daarom gehaat en geslagen (zelfs door een priester). Hij wordt uitgelachen en is tot het onderwerp van spot geworden, maar het Woord van zijn God is in zijn hart als "een brandend vuur" (vers 9). De liefde tot de HEERE en Zijn volk drijft hem.

Toch valt Jeremia in het niet bij het volmaakte Voorbeeld! Hij geeft uitdrukking aan zijn bitterheid en vervloekt de dag waarop hij geboren werd, net als Job (Job 3). De genade tegenover zijn vijanden wordt in hem niet gevonden.

Beste lezer(es), mogen we een vraag stellen? Bent u, ben jij werkelijk 'gegrepen' door de Heere? Heeft Hij je overweldigd (vers 7; vergelijk Filippensen 3 vers 12)?

Jeremia 21:1-14
1Het woord, dat van den HEERE geschied is tot Jeremia, als koning Zekekia tot hem zond Pashur, den zoon van Malchia, en Zefanja, den zoon van Maaseja, den priester, zeggende:2Vraag toch den HEERE voor ons, want Nebukadrezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons; misschien zal de HEERE met ons doen naar al Zijn wonderen, dat hij van ons optrekke.3Toen zeide Jeremia tot hen: Zo zult gijlieden tot Zedekia zeggen:4Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ziet, Ik zal de krijgswapenen omwenden, die in ulieder hand zijn, met dewelke gij strijdt tegen den koning van Babel en tegen de Chaldeen, die u belegeren, van buiten aan den muur; en Ik zal ze verzamelen in het midden van deze stad.5En Ik Zelf zal tegen ulieden strijden, met een uitgestrekte hand en met een sterken arm, ja, met toorn, en met grimmigheid, en met grote verbolgenheid.6En Ik zal de inwoners dezer stad slaan, zowel de mensen als de beesten; door een grote pestilentie zullen zij sterven.7En daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, den koning van Juda, en zijn knechten, en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn, van de pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hij zal ze slaan met de scherpte des zwaards; hij zal ze niet sparen, noch verschonen, noch zich ontfermen.8En tot dit volk zult gij zeggen: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik stel voor ulieder aangezicht den weg des levens en den weg des doods.9Die in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, of door den honger, of door de pestilentie; maar die er uitgaat en valt tot de Chaldeen, die ulieden belegeren, die zal leven, en zijn ziel zal hem tot een buit zijn.10Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, spreekt de HEERE; zij zal gegeven worden in de hand des konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden.11En aangaande het huis des konings van Juda, hoort des HEEREN woord.12O huis Davids! zo zegt de HEERE: Richt des morgens recht, en verlost den beroofde uit den hand des verdrukkers; opdat Mijn gramschap niet uitvare als een vuur, en brande, dat niemand blussen kunne, vanwege de boosheid uwer handelingen.13Ziet, Ik wil aan u, gij inwoneres des dals, gij rots van het plein! spreekt de HEERE; gijlieden, die zegt: Wie zou tegen ons afkomen, of wie zou komen in onze woningen?14En Ik zal over ulieden bezoeking doen naar de vrucht uwer handelingen, spreekt de HEERE; en Ik zal een vuur aansteken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is.

De profetieën van Jeremia worden ons niet meegedeeld in de volgorde waarin ze werden uitgesproken. De profetie die hier uitgesproken wordt, verplaatst ons naar de regeringsperiode van de laatste koning van Juda. Koning Zedekia is door Nebukadrezar, zijn gevreesde buurman, aangevallen en stuurde twee afgevaardigden naar de profeet, met het verzoek of die de HEERE om raad wilde vragen. Dat was inderdaad het beste wat hij kon doen.

In werkelijkheid zochten hij en zijn volk echter naar bevrijding zonder zelf eerst berouw te hebben. Ze deden het voorkomen alsof zij niets wisten van deze absoluut noodzakelijke voorwaarde. Maar God geeft het een niet zonder het ander. Na alles wat Jeremia in de voorgaande hoofdstukken gezegd heeft, grensde zo'n verzoek aan onbeschaamdheid. Daarom antwoordt God op strenge wijze. Niet alleen de koning van Babel, maar Hijzelf zal tegen Juda strijden. Hij zou zowel de mensen als het vee met een grote pest treffen, zoals destijds gebeurd was met de kudden van de Egyptenaren (Exodus 9 vers 1- 7).

Desondanks bleef er, behalve deze weg des doods, nog een weg des levens open voor het volk... maar die leidde, noodzakelijkerwijs, via de belijdenis van hun zonden en de onderwerping aan Gods wil.

Deze weg staat ook vandaag nog open! Is iedereen die dit leest, die weg al gegaan?

Jeremia 22:1-12
1Alzo zegt de HEERE: Ga af in het huis des konings van Juda, en spreek aldaar dit woord.2En zeg: Hoor het woord des HEEREN, gij koning van Juda, gij, die zit op Davids troon, gij, en uw knechten, en uw volk, die door deze poorten ingaan!3Zo zegt de HEERE: Doet recht en gerechtigheid, en redt den beroofde uit de hand des verdrukkers; en onderdrukt den vreemdeling niet, den wees noch de weduwe; doet geen geweld en vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.4Want indien gijlieden deze zaak ernstiglijk zult doen, zo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, zittende den David op zijn troon, rijdende op wagens en op paarden, hij, en zijn knechten, en zijn volk.5Indien gij daarentegen deze woorden niet zult horen, zo heb Ik bij Mij gezworen, spreekt de HEERE, dat dit huis tot een woestheid worden zal.6Want zo zegt de HEERE van het huis des konings van Juda: Gij zijt Mij een Gilead, een hoogte van Libanon; maar zo Ik u niet zette als een woestijn en onbewoonde steden!7Want Ik zal verdervers tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap, die zullen uw uitgelezen cederen omhouwen, en in het vuur werpen.8Dan zullen veel heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen, een ieder tot zijn naaste: Waarom heeft de HEERE alzo gedaan aan deze grote stad?9En zij zullen zeggen: Omdat zij het verbond des HEEREN, huns Gods, hebben verlaten, en hebben zich voor andere goden nedergebogen, en die gediend.10Weent niet over den dode, en beklaagt hem niet; weent vrij over dien, die weggegaan is, want hij zal nimmermeer wederkomen, dat hij het land zijner geboorte zie.11Want zo zegt de HEERE van Sallum, den zoon van Josia, koning van Juda, die in de plaats van zijn vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer wederkomen.12Maar in de plaats, waarhenen zij hem gevankelijk hebben weggevoerd, zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien.

Op bevel van de HEERE is Jeremia bereid om naar het paleis van de koning te gaan, net zoals hij eerder naar het huis van de pottenbakker ging. Opnieuw heeft hij een moeilijke opdracht. Hij moet de koning van Juda persoonlijk waarschuwen en vermanen.

Voor een meerdere getuigenis afleggen, is voor een jonge gelovige een bijzondere oefening. Maar als hij steunt op de Heere, zal hij daarbij altijd gesterkt en gezegend worden (Handelingen 26 vers 22).

Eens had God aan David beloofd dat het hem niet aan een man op de troon van Israël zou ontbreken, als zijn nakomelingen acht zouden slaan op de weg die ze gingen en met hun hele hart in de waarheid zouden wandelen (1 Koningen 2 vers 4). Maar helaas, noch Sallum (of Joahaz, zie 2 Koningen 23 vers 31 en 32), noch zijn broers Jojakim en Zedekia, noch Chonia (Jojakin) hebben aan deze voorwaarden voldaan. Daarom waren zij de laatste koningen uit het huis van David, die heersten voordat het volk verstrooid werd. In deze hoofdstukken, 21 en 22, wordt iedereen met name genoemd en voor zijn eigen misstappen veroordeeld. Niemand van hen kan zeggen dat hij de gevolgen van de zonden van z'n voorganger heeft te dragen (vergelijk hoofdstuk 31 vers 29). En er was ook niemand die niet vooraf gewaarschuwd was, want de dienst van de profeet strekte zich uit over al deze regeringsperioden (hoofdstuk 21 vers 7; 22 vers 11, 18 en 24).

Jeremia 22:13-30
13Wee dien, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!14Die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en doorluchtige opperzalen; en hij houwt zich vensteren uit, en het is bedekt met ceder, en aangestreken met menie.15Zoudt gij regeren, omdat gij u mengt met den ceder? Heeft niet uw vader gegeten en gedronken, en recht en gerechtigheid gedaan, en het ging hem toen wel?16Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wel; is dat niet Mij te kennen? spreekt de HEERE.17Maar uw ogen en uw hart zijn niet dan op uw gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en overlast, om die te doen.18Daarom zegt de HEERE alzo van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda: Zij zullen hem niet beklagen: Och mijn broeder! of, och zuster! Zij zullen hem niet beklagen: Och, heer! of, och zijn majesteit!19Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden; men zal hem slepen en daarhenen werpen, verre weg van de poorten van Jeruzalem.20Klim op den Libanon en roep, en verhef uw stem op den Basan; roep ook van de veren; maar al uw liefhebbers zijn verbroken.21Ik sprak u aan in uw groten voorspoed, maar gij zeidet: Ik zal niet horen. Dit is uw weg van uw jeugd af, dat gij Mijner stem niet hebt gehoorzaamd.22De wind zal al uw herders weiden, en uw liefhebbers zullen in de gevangenis gaan; dan zult gij zekerlijk beschaamd en te schande worden, vanwege al uw boosheid.23O gij, die nu op den Libanon woont, en in de cederen nestelt! hoe begenadigd zult gij zijn, als u de smarten zullen aankomen, het wee als ener barende vrouw!24Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim, den koning van Juda, een zegelring ware aan Mijn rechterhand, zo zal Ik u toch van daar wegrukken.25En Ik zal u geven in de hand dergenen, die uw ziel zoeken, en in de hand dergenen, voor welker aangezicht gij schrikt, namelijk in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en in de hand der Chaldeen.26En Ik zal u, en uw moeder, die u gebaard heeft, uitwerpen in een ander land, waarin gijlieden niet geboren zijt, en daar zult gij sterven.27En in het land, naar hetwelk hun ziel verlangt om daar weder te komen, daarhenen zullen zij niet wederkomen.28Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld? Of is hij een vat, waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja, weggeworpen in een land, dat zij niet kennen?29O land, land, land! hoor des HEEREN woord!30Zo zegt de HEERE: Schrijft dezen zelfden man kinderloos, een man, die niet voorspoedig zal zijn in zijn dagen; want er zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op den troon Davids, en heersende meer in Juda.

"Hoor het woord des HEEREN, gij koning van Juda... gij, en uw knechten, en uw volk" (vers 2). Maar het is tevergeefs dat Jeremia deze indringende oproep aan Jojakim gericht heeft. Vanaf zijn jeugd, toen alles goed ging, was hij al vastbesloten om niet naar de stem van de HEERE te luisteren (overeenkomstig vers 21, dat betrekking heeft op het gehele volk). Let eens op alle slechte vruchten die daar het gevolg van zijn, als hij een man geworden is: ongerechtigheid, gebrek aan redelijkheid, hoogmoed, oneerlijkheid, verdrukking en geweld (vers 13 en 17, waar Jeremia niet aarzelt om deze koning te zeggen dat hij een moordenaar is). Toch had deze Jojakim het goede voorbeeld van zijn vader Josia en de gelukkige gevolgen van diens wandel voor ogen gehad (vers 15 en 16)!

Kinderen van gelovige ouders, neem de geschiedenis van deze koning ter harte!

Het is goed om heel in het bijzonder ook op vers 14 te letten. Staat het streven van een christen naar rijkdom niet in schril contrast met zijn positie als vreemdeling en met zijn hemelse roeping?

Vervolgens gaat het over Chonia, die pas 18 jaar was en slechts drie maanden regeerde toen hij met zijn moeder weggevoerd werd naar Babel (2 Koningen 24 vers 8 en verder). Door zulke gebeurtenissen richtte God Zich tot de gehele aarde (vers 29). Deze duidelijke tuchtiging laat zien dat men niet ongestraft de wil van God kan weerstaan.

Jeremia 23:1-15
1Wee den herderen, die de schapen Mijner weide ombrengen en verstrooien! spreekt de HEERE.2Daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van de herderen, die Mijn volk weiden: Gijlieden hebt Mijn schapen verstrooid, en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht; ziet, Ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de HEERE.3En Ik zal het overblijfsel Mijner schapen Zelf vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik ze verdreven heb; en Ik zal ze wederbrengen tot hun kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn, en vermenigvuldigen.4En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de HEERE.5Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning zijnde regeren, en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.6In Zijn dagen zal Juda verlost worden, en Israel zeker wonen; en dit zal Zijn naam zijn, waarmede men Hem zal noemen: De HEERE: ONZE GERECHTIGHEID.7Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat zij niet meer zullen zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die de kinderen Israels uit Egypteland heeft opgevoerd.8Maar: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die het zaad van het huis Israels heeft opgevoerd, en Die het aangebracht heeft uit het land van het noorden, en uit al de landen, waarheen Ik ze gedreven had! want zij zullen wonen in hun land.9Aangaande de profeten. Mijn hart wordt in mijn binnenste gebroken, al mijn beenderen bewegen zich; ik ben als een dronken man, en als een man, dien de wijn te boven gaat; vanwege den HEERE, en vanwege de woorden Zijner heiligheid.10Want het land is vol overspelers, want het land treurt vanwege den vloek, de weiden der woestijn verdorren, omdat hun loop boos is, en hun macht niet recht.11Want beiden, profeten en priesters, zijn huichelaars; zelfs in Mijn huis vind Ik hun boosheid, spreekt de HEERE.12Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de HEERE.13Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samaria, die door Baal, profeteerden, en Mijn volk Israel verleidden.14Maar in de profeten van Jeruzalem zie Ik afschuwelijkheid; zij bedrijven overspel, en gaan om met valsheid, en sterken de handen der boosdoeners, opdat zij zich niet bekeren, een iegelijk van zijn boosheid; zij allen zijn Mij als Sodom, en haar inwoners als Gomorra.15Daarom zegt de HEERE der heirscharen van deze profeten alzo: Ziet, Ik zal hen met alsem spijzigen, en met gallewater drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het ganse land.

In de hoofstukken 21 en 22 heeft het woord van de God van Israël de laatste koningen veroordeeld. In werkelijkheid hebben alle verantwoordelijke personen van Juda gefaald. Zowel de "profeten" als de "priesters" (vers 11) zijn in hun opdracht tekortgeschoten. In plaats van het volk "als voorbeelden van de kudde" (1 Petrus 5 vers 3) te weiden, zijn ze slechte herders geweest. Onder hun beklagenswaardige gedrag kwam de kudde tekort, werd hij kapot gemaakt en verstrooid (vergelijk Ezechiël 34 vers 4 - 6). Daarom heeft God het Zelf op Zich genomen om de rest van de kudde bijeen te brengen en hem een andere Herder te geven (Johannes 10 vers 14). De koninklijke familie van Israël heeft volkomen gefaald. Maar God zal voor hetzelfde huis van David een rechtvaardige Spruit verwekken, een Goddelijke Koning, Die "de HEERE onze Gerechtigheid" genoemd zal worden (vergelijk 1 Korinthe 1 vers 30).

De uitdrukking "Spruit" (Uitspruitsel), die op de Heere Jezus wijst, komen we vijfmaal tegen in de Profeten. Hier (vers 5) en in hoofdstuk 33 vers 15 als Koning, zoals Hij ons in het Evangelie naar Mattheüs wordt voorgesteld. In Zacharia 3 vers 8 als "Mijn Knecht, de Spruit", zoals we Hem zien als Dienstknecht in het Evangelie naar Markus. In Zacharia 6 vers 12 als "een Man, Wiens Naam is Spruit", overeenkomstig Zijn karakter als Mens in het Evangelie naar Lukas. En ten slotte lezen we in Jesaja 4 vers 2 dat "de Spruit des HEEREN" "tot sieraad en tot heerlijkheid" zal zijn en daarin herkennen we de Zoon van God, zoals Hij ons in het Evangelie naar Johannes wordt voorgesteld.

Jeremia 23:16-40
16Zo zegt de HEERE der heirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten, die u profeteren; zij maken u ijdel; zij spreken het gezicht huns harten, niet uit des HEEREN mond.17Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De HEERE heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.18Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?19Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, ja, een pijnlijk onweder, het zal blijven op der goddelozen hoofd.20Des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij zal hebben gedaan, en totdat Hij zal hebben daargesteld de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij met verstand daarop letten.21Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd.22Maar zo zij in Mijn raad hadden gestaan, zo zouden zij Mijn volk Mijn woorden hebben doen horen, en zouden hen afgekeerd hebben van hun bozen weg, en van de boosheid hunner handelingen.23Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?24Zou zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat Ik hem niet zou zien? spreekt de HEERE; vervul Ik niet den hemel en de aarde? spreekt de HEERE.25Ik heb gehoord, wat de profeten zeggen, die in Mijn Naam leugen profeteren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.26Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten, die de leugen profeteren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij.27Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen; gelijk als hun vaders Mijn Naam vergeten hebben door Baal.28De profeet, bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken Mijn woord is, die spreke Mijn woord waarachtiglijk; wat heeft het stro met het koren te doen? spreekt de HEERE.29Is Mijn woord niet alzo, als een vuur? spreekt de HEERE, en als een hamer, die een steenrots te morzel slaat?30Daarom, ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die Mijn woorden stelen, een ieder van zijn naaste;31Ziet, Ik wil aan de profeten, spreekt de HEERE, die hun tong nemen, en spreken: Hij heeft het gesproken;32Ziet, Ik wil aan degenen, die valse dromen profeteren, spreekt de HEERE, en vertellen die, en verleiden Mijn volk met hun leugenen en met hun lichtvaardigheid; daar Ik hen niet gezonden, en hun niets bevolen heb, en zij dit volk gans geen nut doen, spreekt de HEERE.33Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des HEEREN last? Zo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat Ik ulieden verlaten zal, spreekt de HEERE.34En aangaande den profeet, of den priester, of het volk, dat zeggen zal: Des HEEREN last; dat Ik bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis.35Aldus zult gijlieden zeggen, een iegelijk tot zijn naaste, en een iegelijk tot zijn broeder: Wat heeft de HEERE geantwoord, en wat heeft de HEERE gesproken?36Maar des HEEREN last zult gij niet meer gedenken; want een iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn, dewijl gij verkeert de woorden van den levenden God, den HEERE der heirscharen, onzen God.37Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de HEERE geantwoord en wat heeft de HEERE gesproken?38Maar dewijl gij zegt: Des HEEREN last; daarom, zo zegt de HEERE: Omdat gij dit woord zegt: Des HEEREN last, daar Ik tot u gezonden heb, zeggende: Gij zult niet zeggen: Des HEEREN last;39Daarom, ziet, Ik zal u ook ganselijk vergeten, en u, mitsgaders de stad, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, van Mijn aangezicht laten varen.40En Ik zal u eeuwige smaadheid aandoen, en eeuwige schande, die niet zal worden vergeten.

Onder de slechte herders van het volk Israël maakten de profeten zich wel bijzonder schuldig. Zij hadden het volk met hun dwaze misleiding wijsgemaakt dat, ondanks hun zonden, alles goed was. Zij waren leugenaars. Zij zijn op pad gegaan zonder dat de HEERE hen gestuurd had; zij hadden gesproken, maar het waren geen uitspraken van God (vers 21 en 38; 1 Petrus 4 vers 11). Een grote godsdienstige activiteit is nog lang niet altijd het bewijs en het gevolg van een goede geestelijke toestand. Zoals destijds voor de profeten, zo bestaat er ook voor de christenen van vandaag slechts één richtsnoer om te lopen en te spreken, namelijk door te staan "in de raad des HEEREN" (vers 18 en 22). Met andere woorden: de gemeenschap met de Heere te zoeken om Zijn wil te herkennen en te doen.

In vers 23 wordt de vraag gesteld: "Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?" De apostel antwoordt in Filippi 4 vers 5: "De Heere is nabij". Heeft ieder die dit leest, dit ook ervaren?

Het Woord van God is "als een vuur" (vers 29). Zoals de vlammen in een oven ervoor zorgen dat de slakken van het metaal gescheiden worden, zo kan het vuur van het Woord onze zielen reinigen, door de onreinheid waar de zielen onder bevuild en verstikt worden, te verteren (Spreuken 25 vers 4). Het is als het ware de 'drijvende kracht' van de gelovige, evenals het vuur onder de ketel (Jeremia 20 vers 9). Maar in eerste instantie is het Woord ook een hamer, de enige hamer waardoor een opstandige wil verbrijzeld kan worden.

Jeremia 24:1-10
1De HEERE deed mij zien, en ziet, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat Nebukadrezar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia, den zoon van Jojakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de timmerlieden, en de smeden van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.2In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.3En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremia? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.4Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:5Zo zegt de HEERE, de God Israels: Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeen heb weggeschikt, ten goede.6En Ik zal Mijn oog op hen stellen ten goede, en zal hen wederbrengen in dit land; en Ik zal hen bouwen, en niet afbreken; en zal hen planten, en niet uitrukken.7En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.8En gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik maken Zedekia, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten, en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven, en die in Egypteland wonen;9En Ik zal hen overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid, en tot een spreekwoord, tot een spotrede, en tot een vloek, in al de plaatsen, waarhenen Ik hen gedreven zal hebben;10En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land, dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.

Het 'gezicht' van hoofdstuk 24 komt op een tijdstip waarop koning Nebukadrezar al een deel van Juda met hun koning Jechonia (of Chonia; hoofdstuk 22 vers 24) heeft weggevoerd naar Babel. De profeet ziet twee korven met vijgen, de eerste met heerlijke, goede vruchten; de andere korf bevat alleen maar slechte vruchten, die niet te eten zijn. In tegenstelling tot hetgeen men zou kunnen denken, zijn de slechte vijgen een beeld van de bewoners van Juda die nog in het land wonen, terwijl de goede vijgen een beeld zijn van hen die weggevoerd zijn. De HEERE zal de laatstgenoemden op een zeker moment gedenken "ten goede" en hen terugbrengen naar hun land. Ook al is het vertrek uit hun land en het moeten nalaten van hun gewoonten nu ook een pijnlijke ervaring, toch komt het overeen met de wil van God en zal het voor hen tot nut zijn.

Van alle beloften die zij ontvangen, is die uit vers 7 wel de kostbaarste: "Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen". Met het hart, niet met het verstand (!), leert de mens God kennen.

Laten we er goed aan denken dat er geen derde korf bestaat. Voor God bestaat er, in beginsel, geen tussenoplossing. Ook voor vandaag geldt dat Hij de mens alleen maar ziet als dood of levend, als "kinderen van het licht" of als "kinderen van de toom" (Efeze 5 vers 8 en 2 vers 3). Aan welke kant staan wij?

Jeremia 25:1-14
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is over het ganse volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda (dit was het eerste jaar van Nebukadrezar, koning van Babel);2Hetwelk de profeet Jeremia gesproken heeft tot het ganse volk van Juda, en tot al de inwoners van Jeruzalem, zeggende:3Van het dertiende jaar van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.4Ook heeft de HEERE tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar gij hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen);5Zeggende: Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg, en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land, dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot eeuw;6En wandelt andere goden niet na, om die te dienen, en u voor die neder te buigen; en vertoornt Mij niet door uwer handen werk, opdat Ik u geen kwaad doe.7Maar gij hebt naar Mij niet gehoord, spreekt de HEERE; opdat gij Mij vertoorndet door het werk uwer handen, u zelven ten kwade.8Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen; Omdat gij Mijn woorden niet hebt gehoord;9Ziet, Ik zal zenden, en nemen alle geslachten van het noorden, spreekt de HEERE; en tot Nebukadrezar, den koning van Babel, Mijn knecht; en zal ze brengen over dit land, en over de inwoners van hetzelve, en over al deze volken rondom; en Ik zal ze verbannen, en zal ze stellen tot een ontzetting, en tot een aanfluiting, en tot eeuwige woestheden.10En Ik zal van hen doen vergaan de stem der vrolijkheid en de stem de vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, het geluid der molens en het licht der lamp.11En dit ganse land zal worden tot een woestheid, tot een ontzetting; en deze volken zullen den koning van Babel dienen zeventig jaren.12Maar het zal geschieden, als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal Ik over den koning van Babel, en over dat volk, spreekt de HEERE, hun ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Chaldeen, en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen.13En Ik zal over dat land brengen al Mijn woorden, die Ik daarover gesproken heb; al wat in dit boek geschreven is, wat Jeremia geprofeteerd heeft over al deze volken.14Want van hen zullen zich doen dienen, die ook machtige volken en grote koningen zijn; alzo zal Ik hun vergelden naar hun doen, en naar het werk hunner handen.

Hoofdstuk 25 brengt ons terug in de tijd van de regering van Jojakim. Jeremia had al 23 jaar lang geprofeteerd. In zijn ijver en liefde voor het volk stond hij 's morgens vroeg op en liet hij zijn vermaningen horen aan het volk (vers 3). Het geduld van God zou binnenkort ten einde zijn. Elke dag zou de laatste kunnen zijn. De man Gods voelde zich daarom gedrongen vanaf de vroege morgen zijn boodschap te verkondigen, en — een opmerkelijk detail — dezelfde uitdrukking wordt vaak op God toegepast (hier in vers 4). Ook Hij is — met eerbied gesproken — vroeg op om Zijn knechten uit te zenden. Zijn wij, van onze kant, in de vroege morgen bereid, als de opdrachten uitgedeeld worden? Laten we de volmaakte Dienstknecht navolgen, Wiens onvermoeibare bezigheid vroeg in de morgen (Johannes 8 vers 2), of zelfs nog eerder (Markus 1 vers 35), begon.

In Zijn genade heeft God de tijdsduur van de gevangenschap in Babel vastgesteld op een bepaalde tijd: zeventig jaar. Kort voordat deze tijd verstreken is, leest Daniël deze profetie. Hij vertrouwt erop, herinnert de Israëlieten die in gevangenschap zijn, eraan en geeft hun zelf het voorbeeld in verootmoediging (Daniël 9 vers 2).

Dan laat God, tot aan het eind van dit hoofdstuk, zien op welke wijze Hij de verklaring van vers 14 waar zal maken en de volken zal bestraffen, zij die er niet voor terugschrokken om Zijn volk te knechten en te onderdrukken.

Jeremia 26:1-11
1In het begin des koninkrijks van Jojakim, den zoon van Josia, koning van Juda, geschiedde dit woord van den HEERE, zeggende:2Zo zegt de HEERE: Sta in het voorhof van het huis des HEEREN, en spreek tot alle steden van Juda, die komen om aan te bidden in het huis des HEEREN, al de woorden, die Ik u geboden heb tot hen te spreken, doe er niet een woord af.3Misschien zullen zij horen, en zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg; zo zou Ik berouw hebben over het kwaad, dat Ik hun denk te doen vanwege de boosheid hunner handelingen.4Zeg dan tot hen: Zo zegt de HEERE: Zo gijlieden naar Mij niet zult horen, dat gij wandelt in Mijn wet, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb;5Horende naar de woorden Mijner knechten, de profeten, die Ik tot u zende, zelfs vroeg op zijnde en zendende; doch gij niet gehoord hebt;6Zo zal Ik dit huis stellen als Silo, en deze stad zal Ik stellen tot een vloek allen volken der aarde.7En de priesters, en de profeten, en al het volk, hoorden Jeremia deze woorden spreken in het huis des HEEREN.8Zo geschiedde het, als Jeremia geeindigd had te spreken alles, wat de HEERE geboden had tot al het volk te spreken, dat de priesters en de profeten en al het volk hem grepen, zeggende: Gij zult den dood sterven!9Waarom hebt gij in den Naam des HEEREN geprofeteerd, zeggende: Dit huis zal worden als Silo, en deze stad zal woest worden, dat er niemand wone? En het ganse volk werd vergaderd tegen Jeremia, in het huis des HEEREN.10Als nu de vorsten van Juda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis des konings naar het huis des HEEREN; en zij zetten zich bij de deur der nieuwe poort des HEEREN.11Toen spraken de priesters en de profeten tot de vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan dezen man is een oordeel des doods, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, gelijk als gij met uw oren gehoord hebt.

Dit hoofdstuk brengt ons nog vier jaar verder terug in de geschiedenis dan het voorgaande hoofdstuk (vergelijk hoofdstuk 25 vers 1). Op het Goddelijke bevel gaat Jeremia deze keer naar de tempel om daar te profeteren. Ongetwijfeld gebeurde dat naar aanleiding van één van de drie jaarlijkse feesten waarvoor alle Israëlieten opgingen naar Jeruzalem. Dat mogen we opmaken uit vers 2. Hoe het ook zij, de oproep is gericht aan heel Juda en niet alleen aan de oversten. En "niet één woord" mag ervan afgedaan worden (vergelijk Handelingen 20 vers 27).

Vers 3 is heel aangrijpend! Het laat ons iets zien van de gedachten van genade van God. Hoewel Hij alles van tevoren wist, laat Hij toch Zijn grootste verlangen horen: "Misschien zullen zij horen" (zie ook hoofdstuk 36 vers 3 en 7).

Hetzelfde "misschien", tenminste dezelfde gedachte, komt tot uitdrukking in de hoop van de heer in de gelijkenis van de wijngaardeniers: "Ik zal mijn geliefde zoon zenden; mogelijk deze ziende, zullen zij hem ontzien" (Lukas 20 vers 13). Maar zij sloegen geen acht op de Zoon, noch op de profeten die voor Hem uitgingen. Zie maar eens hoe Jeremia hier ontvangen wordt, en daarom: hoe zijn Zender hier ontvangen wordt! Wat is men verblind! Deze mensen, die immers naar het Huis des HEEREN gekomen waren om te aanbidden (vers 2), verwerpen Zijn Woord, grijpen Zijn bode en spreken in hetzelfde Huis het doodvonnis over hem uit.

Jeremia 26:12-24
12Maar Jeremia sprak tot al de vorsten en tot al het volk, zeggende: De HEERE heeft mij gezonden, om tegen dit huis en tegen deze stad te profeteren al de woorden, die gij gehoord hebt;13Nu dan, maakt uw wegen en uw handelingen goed, en gehoorzaamt de stem des HEEREN, uws Gods; zo zal het den HEERE berouwen over het kwaad, dat Hij tegen u gesproken heeft.14Doch ik, ziet, ik ben in uw handen; doet mij, als het goed, en als het recht is in uw ogen;15Maar weet voorzeker, dat gij, zo gij mij doodt, gewisselijk onschuldig bloed zult brengen op u, en op deze stad, en op haar inwoners; want in der waarheid, de HEERE heeft mij tot u gezonden, om al deze woorden voor uw oren te spreken.16Toen zeiden de vorsten en al het volk tot de priesteren en tot de profeten: Aan dezen man is geen oordeel des doods, want hij heeft tot ons gesproken in den Naam des HEEREN, onzes Gods.17Ook stonden er mannen op, van de oudsten des lands, en spraken tot de ganse gemeente des volks, zeggende:18Micha, de Morastiet, heeft in de dagen van Hizkia, koning van Juda, geprofeteerd, en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zo zegt de HEERE des heirscharen: Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot steen hopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten des wouds.19Hebben ook Hizkia, de koning van Juda, en gans Juda hem ooit gedood? Vreesde hij niet den HEERE, en smeekte des HEEREN aangezicht, zodat het den HEERE berouwde over het kwaad, dat Hij tegen hen gesproken had? Wij dan doen een groot kwaad tegen onze zielen.20Er was ook een man, die in den Naam des HEEREN profeteerde, Uria, de zoon van Semaja, van Kirjath-Jearim; die profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, naar al de woorden van Jeremia.21En als de koning Jojakim, mitsgaders al zijn geweldigen, en al de vorsten zijn woorden hoorden, zocht de koning hem te doden; als Uria dat hoorde, zo vreesde hij, en vluchtte, en kwam in Egypte;22Maar de koning Jojakim zond mannen naar Egypte, Elnathan, den zoon van Achbor, en andere mannen met hem, in Egypte;23Die voerden Uria uit Egypte, en brachten hem tot den koning Jojakim, en hij sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood lichaam in de graven van de kinderen des volks.24Maar de hand van Ahikam, den zoon van Safan, was met Jeremia, dat men hem niet overgaf in de hand des volk, om hem te doden.

De trouwe getuige van de HEERE is niet bang voor zijn veroordeling tot de dood of voor de vijandige mensen om hem heen. Nog eenmaal vermaant hij hen ernstig om terug te keren. Daarna geeft hij zich, zonder een spoor van angst, over in hun handen. In plaats van maar toe te geven, vanwege zijn eigen lot, denkt hij nog steeds aan het volk en de grote verantwoording die het door deze daad op zich zal laden.

Door dit handelen van Jeremia gaan onze gedachten naar Stefanus, die voorbede deed voor hen die hem stenigden (Handelingen 7 vers 60). Deze beide mannen doen ons denken aan de Heere Jezus (Lukas 23 vers 28 en 34).

Door de tussenkomst van de vorsten en oudsten van het volk wordt de man Gods bevrijd. Maar zij hadden nog een stapje verder moeten gaan en hun God moeten vrezen en aanroepen, zoals Hizkia dat gedaan had (vers 19). Het is niet voldoende een mooi voorbeeld aan te halen — men moet het ook navolgen.

Let eens op, hoe gemakkelijk het volk zich laat beïnvloeden en hoe wankelmoedig het is! In vers 8 loopt het hele volk achter de priesters aan en roept samen met hen: "Gij zult de dood sterven!" Maar in vers 16 sluiten ze zich onmiddellijk aan bij de vorsten en zeggen dan: "Aan deze man is geen oordeel des doods".

De geschiedenis van Uria, die door Jojakim vervolgd en verslagen werd, bevestigt het verdrietige beeld dat ons van deze koning geschilderd werd. Hij was bereid om het bloed van een onschuldige te vergieten (hoofdstuk 22 vers 17).

Jeremia 27:1-11
1In het begin des koninkrijks van Jojakim, zoon van Josia, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:2Alzo zeide de HEERE tot mij: Maak u banden en jukken, en doe die aan uw hals;3En zend ze tot den koning van Edom, en tot den koning van Moab, en tot den koning der kinderen Ammons, en tot den koning van Tyrus, en tot den koning van Sidon; door de hand der boden, die te Jeruzalem tot Zedekia, den koning van Juda, komen.4En beveel hun aan hun heren te zeggen: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Zo zult gij tot uw heren zeggen:5Ik heb gemaakt de aarde, den mens en het vee, die op den aardbodem zijn, door Mijn grote kracht, en door Mijn uitgestrekten arm, en Ik geef ze aan welken het recht is in Mijn ogen.6En nu, Ik heb al deze landen gegeven in de hand van Nebukadnezar, den koning van Babel, Mijn knecht; zelfs ook het gedierte des velds heb Ik hem gegeven, om hem te dienen.7En alle volken zullen hem, en zijn zoon, en zijns zoons zoon dienen, totdat ook de tijd zijns eigenen lands kome; dan zullen zich machtige volken en grote koningen van hem doen dienen.8En het zal geschieden, het volk en het koninkrijk, dat hem, Nebukadnezar, den koning van Babel, niet zal dienen, en dat zijn hals niet zal geven onder het juk des konings van Babel; over datzelve volk zal Ik, spreekt de HEERE, bezoeking doen door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie, totdat Ik ze zal verteerd hebben door zijn hand.9Gijlieden dan, hoort niet naar uw profeten, en naar uw waarzeggers, en naar uw dromers, en naar uw guichelaars, en naar uw tovenaars, dewelke tot u spreken, zeggende: Gij zult den koning van Babel niet dienen.10Want zij profeteren u valsheid, om u verre uit uw land te brengen, en dat Ik u uitstote, en gij omkomt.11Maar het volk, dat zijn hals zal brengen onder het juk des konings van Babel, en hem dienen, datzelve zal Ik in zijn land laten, spreekt de HEERE, en het zal dat bouwen en daarin wonen.

We worden hier, maar ook in de volgende hoofdstukken, verplaatst naar de regeringsperiode van Zedekia, de laatste koning van Juda. Hij schijnt een samenzwering gesmeed te hebben met zijn buren, de koningen van Edom, Moab, Ammon, Tyrus en van Sidon, om tegenstand te bieden aan koning Nebukadnezar. En ongetwijfeld zijn de afgevaardigden van deze volken naar Jeruzalem gekomen om dit verbond rechtsgeldig te maken (vers 3).

Jeremia kreeg de opdracht van God om elke diplomaat afzonderlijk een heel bijzonder geschenk aan te bieden, een geschenk dat speciaal voor dit doel gemaakt was. Het ging om "banden en jukken", die uitgerekend de heerschappij van de koning van Babel moesten uitbeelden, waaruit deze volken zich wilden bevrijden. We kunnen ons er wel iets bij voorstellen met welke gevoelens die vijf onderhandelaars deze verootmoedigende geschenken aangenomen zullen hebben.

Verschillende vormen van hoogmoed zijn ook vandaag de dag nog het grote beginsel waarnaar de huidige staten (en ook afzonderlijke leiders) regeren. Maar God staat ver boven hun eerzuchtige intriges en Hij bestuurt uiteindelijk het hele wereldgebeuren. De christen vertrouwt op Hem en niet op de onzekerheid van de menselijke politiek (Daniël 4 vers 17).

God had Israël terzijde gesteld en gaf voortaan de allesomvattende macht over in de handen van Nebukadnezar, die Hij Zijn knecht noemt (vers 6).

Jeremia 27:12-22
12Daarna sprak ik tot Zedekia, den koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uw halzen onder het juk des konings van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult gij leven.13Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk door het zwaard, door den honger en door de pestilentie, gelijk als de HEERE gesproken heeft van het volk, dat den koning van Babel niet zal dienen.14Hoort dan niet naar de woorden der profeten, die tot u spreken, zeggende: Gij zult den koning van Babel niet dienen; want zij profeteren u valsheid.15Want Ik heb ze niet gezonden, spreekt de HEERE, en zij profeteren valselijk in Mijn Naam; opdat Ik u uitstote, en gij omkomt, gij en de profeten, die u profeteren.16Ook sprak ik tot de priesteren, en tot dit ganse volk, zeggende: Zo zegt de HEERE: Hoort niet naar de woorden uwer profeten, die u profeteren, zeggende: Ziet, de vaten van des HEEREN huis zullen nu haast uit Babel wedergebracht worden; want zij profeteren u valsheid.17Hoort niet naar hen, maar dient den koning van Babel, zo zult gijlieden leven; waarom zou deze stad tot een woestheid worden?18Maar zo zij profeten zijn, en zo des HEEREN woord bij hen is, laat hen nu bij den HEERE der heirscharen voorbidden, opdat de vaten, die in het huis des HEEREN, en in het huis des konings van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven, niet naar Babel komen.19Want zo zegt de HEERE der heirscharen, van de pilaren, en van de zee, en van de stellingen, en van het overige der vaten, die in deze stad zijn overgebleven,20Die Nebukadnezar, de koning van Babel, niet heeft weggenomen, als hij Jechonia, den zoon van Jojakim, koning van Juda, van Jeruzalem, naar Babel gevankelijk wegvoerde, mitsgaders al de edelen van Juda en Jeruzalem;21Ja, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, van de vaten, die in het huis des HEEREN, en in het huis des konings van Juda, en te Jeruzalem zijn overgebleven:22Naar Babel zullen zij gebracht worden, en aldaar zullen zij zijn, tot den dag toe, dat Ik ze bezoeken zal, spreekt de HEERE; dan zal Ik ze opvoeren, en zal ze wederbrengen tot deze plaats.

Jeremia richt zich nu tot de koning van Juda en aansluitend tot de priesters. Nebukadnezar had al twee keer eerder een deel van het gerei uit de tempel gehaald. En helemaal niet van plan dat terug te brengen, zal hij besluiten tot een derde, definitieve plundering. Dat zal gelijktijdig gebeuren met de wegvoering van Zedekia en het overblijfsel van het volk (2 Kronieken 36 vers 7, 10 en 18). Men mag aannemen dat deze voorwerpen meer waarde hadden vanwege hun nationale trots dan als voorwerpen die nodig waren voor de godsdienst voor de HEERE. Vandaag de dag is het niet anders. Veel mensen hangen ontzettend aan bepaalde tradities van de zogenaamde christelijke godsdienst, maar bekommeren zich er slechts weinig om of God door deze dingen gediend wil worden.

Wat Jeremia onophoudelijk predikt, is: onderwerping aan het door God ingestelde gezag, in dit geval de koning van Babel. "Want er is geen macht (overheid) dan van God... zo dat die zich tegen de macht stelt, de inzetting van God weerstaat" (Romeinen 13 vers 1 en 2). Of het nu gaat om de regering, om bestuurlijke personen, om ouders of om meerderen (ook al zijn ze nog zo hard en onrechtvaardig — 1 Petrus 2 vers 18), deze vermaning is, ook voor ons, zeer zeker nog steeds geldig.

De profetie van dit hoofdstuk besluit niet zonder de aankondiging van God dat Hij Zich op zekere dag om het gerei van de tempel zal bekommeren en het zal terugbrengen (vers 22). Dat zien we in Ezra 1 vers 7 en 7 vers 19 in vervulling gaan.

Jeremia 28:1-17
1Voorts geschiedde het in hetzelfde jaar, in het begin des koninkrijks van Zedekia, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat Hananja, zoon van Azur, de profeet, die van Gibeon was, tot mij sprak, in het huis des HEEREN, voor de ogen der priesteren en des gansen volks, zeggende:2Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels, zeggende: Ik heb het juk des konings van Babel verbroken.3In nog twee volle jaren zal Ik tot deze plaats wederbrengen al de vaten van het huis des HEEREN, die Nebukadnezar, de koning van Babel, uit deze plaats heeft weggenomen, en dezelve naar Babel gebracht.4Ook zal Ik Jechonia, den zoon van Jojakim, koning van Juda, en allen, die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen, spreekt de HEERE; want Ik zal het juk des konings van Babel verbreken.5Toen sprak de profeet Jeremia tot den profeet Hananja, voor de ogen der priesteren, en voor de ogen des gansen volks, die in het huis des HEEREN stonden;6En de profeet Jeremia zeide: Amen, de HEERE doe alzo! de HEERE bevestige uw woorden, die gij geprofeteerd hebt, dat Hij de vaten van des HEEREN huis, en allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, van Babel wederbrenge tot deze plaats!7Maar hoor nu dit woord, dat ik spreek voor uw oren, en voor de oren des gansen volks:8De profeten, die voor mij en voor u van ouds geweest zijn, die hebben tegen veel landen en tegen grote koninkrijken geprofeteerd, van krijg, en van kwaad, en van pestilentie.9De profeet, die geprofeteerd zal hebben van vrede, als het woord van dien profeet komt, dan zal die profeet bekend worden, dat hem de HEERE in der waarheid gezonden heeft.10Toen nam de profeet Hananja het juk van den hals van den profeet Jeremia, en verbrak het.11En Hananja sprak voor de ogen des gansen volks, zeggende: Zo zegt de HEERE: Alzo zal Ik verbreken het juk van Nebukadnezar, den koning van Babel, in nog twee volle jaren, van den hals al der volken. En de profeet Jeremia ging zijns weegs.12Doch des HEEREN woord geschiedde tot Jeremia (nadat de profeet Hananja het juk van den hals van den profeet Jeremia verbroken had), zeggende:13Ga henen en spreek tot Hananja, zeggende: Zo zegt de HEERE: Houten jukken hebt gij verbroken, nu zult gij in plaats van die ijzeren jukken maken.14Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ik heb een ijzeren juk gedaan aan den hals van al deze volken, om Nebukadnezar, den koning van Babel, te dienen, en zij zullen hem dienen; ja, Ik heb hem ook het gedierte des velds gegeven.15En de profeet Jeremia zeide tot den profeet Hananja: Hoor nu, Hananja! de HEERE heeft u niet gezonden, maar gij hebt gemaakt, dat dit volk op leugen vertrouwt.16Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal u wegwerpen van den aardbodem; dit jaar zult gij sterven, omdat gij een afval gesproken hebt tegen den HEERE.17Alzo stierf de profeet Hananja in datzelfde jaar, in de zevende maand.

Voor de ogen van de priesters en het hele volk speelt zich nu, in de tempel, een andere gebeurtenis af. Jeremia komt daar aan en heeft een juk om zijn hals dat hij zelf gemaakt heeft. Hij draagt dat als een getuigenis tegen Jeruzalem, zoals hij dat in hoofdstuk 13 ook deed met de gordel. En nu wordt de man Gods openlijk door de profeet Hananja aangevallen. De aanmatigende en leugenachtige woorden van deze Hananja zijn volkomen in tegenspraak met dat wat Jeremia constant verkondigde. Het mooie antwoord dat Jeremia dan geeft, wordt gekenmerkt door liefde, waarheid en wijsheid. Het is zeer zeker niet iets lichtzinnigs dat hij de rampen aankondigt die het volk dat hij liefheeft, zullen treffen. Hij zou niets liever willen dan dat Hananja gelijk had (vers 6). Maar hij kan niets veranderen aan hetgeen God heeft gezegd. Hij vertelt hun de waarheid, ook al is die nog zo onaangenaam.

Uit vers 9 blijkt een bewonderenswaardige wijsheid. Hét bewijs dat een echte profetie waar is, is de vervulling ervan. Op de juiste tijd zal God tonen wie gelijk heeft gehad. Intussen wordt Jeremia niet verbitterd en laat hij zich niet opjutten om hen toch te overtuigen. Hij verlaat hen en vervolgt zijn weg (vergelijk Johannes 8 vers 59 en 12 vers 36). Dat is altijd het beste wat je kunt doen, om een eind te maken aan een nutteloze discussie (Spreuken 17 vers 14).

Hananja wordt meteen door het aangekondigde oordeel getroffen (vers 15 - 17; lees Deuteronomium 18 vers 20 -22).

Jeremia 29:1-14
1Voorts zijn dit de woorden des briefs, dien de profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten, die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de priesteren, en tot de profeten, en tot het ganse volk, dat Nebukadnezar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babel.2(Nadat de koning Jechonia, en de koningin, en de kamerlingen, de vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan);3Door de hand van Elasa, den zoon van Safan, en Gemarja, den zoon van Hilkia, die Zedekia, de koning van Juda, naar Babel zond, tot Nebukadnezar, den koning van Babel, zeggende:4Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, tot allen, die gevankelijk zijn weggevoerd, die Ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babel:5Bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan;6Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd.7En zoekt den vrede der stad, waarhenen Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben.8Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Laat uw profeten en uw waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uw dromers, die gij doet dromen.9Want zij profeteren u valselijk in Mijn Naam; Ik heb hen niet gezonden, spreekt de HEERE.10Want zo zegt de HEERE: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babel zullen vervuld zijn, zal Ik ulieden bezoeken, en Ik zal Mijn goed woord over u verwekken, u wederbrengende tot deze plaats.11Want Ik weet de gedachten, die Ik over u denk, spreekt de HEERE, gedachten des vredes, en niet des kwaads, dat Ik u geve het einde en de verwachting.12Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen.13En gij zult Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij zult vragen met uw ganse hart.14En Ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de HEERE, en Ik zal uw gevangenis wenden, en u vergaderen uit al de volken, en uit al de plaatsen, waarhenen Ik u gedreven heb, spreekt de HEERE; en Ik zal u wederbrengen tot de plaats, van waar Ik u gevankelijk heb doen wegvoeren.

In dit hoofdstuk zien we dat Jeremia aan twee mannen een brief voor Babel toevertrouwt, een brief die bedoeld is voor alle lagen van het volk, voor alle mensen die al onder de voorgaande regering waren weggevoerd. De toon van deze brief is heel anders dan die waarin de profeet spreekt als hij zich tot het volk richt dat in Jeruzalem is achtergebleven. De weggevoerden mag hij namens hun God "gedachten van vrede, en niet van kwaad" (vers 11) meedelen en schrijven over troost, bemoediging en ontroerende beloften.

Net als Israël in Babel, zo is de christen hier op aarde ook een vreemdeling. Zijn burgerschap (de Statenvertaling spreekt van: wandel) is in de hemelen (Filippensen 3 vers 20). Hij verwacht de vervulling van de belofte, dat hij in het ware Vaderland — of beter gezegd: Vaderhuis — ingevoerd zal worden. Het goede Woord (vers 10) van God belooft hem "het einde en de verwachting" (vers 11), dat is: 'toekomst en hoop'.

Het Woord geeft ons echter niet, zoals bij de weggevoerden, het juiste tijdstip aan wanneer deze gelukzalige hoop werkelijkheid zal worden. De Heere wil graag dat wij Hem voortdurend verwachten. En tot aan het blijde moment van Zijn wederkomst hebben ook wij eraan te denken dat wij nog een opdracht hebben voor onze stad of ons dorp (vers 7): de vrede te zoeken (vergelijk Mattheüs 5 vers 9), ons te bekommeren om het heil van de zielen en voor hen met wie we samenleven, te bidden.

Jeremia 29:15-32
15Omdat gij zegt: de HEERE heeft ons profeten naar Babel verwekt;16Daarom zegt de HEERE alzo van den koning, die op Davids troon zit, en van al het volk, dat in deze stad woont, te weten, uw broederen, die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis;17Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden; en Ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.18En Ik zal ze achterna jagen met het zwaard, met den honger en met de pestilentie; en Ik zal ze overgeven tot een beroering, allen koninkrijken der aarde, tot een vloek, en tot een schrik, en tot een aanfluiting, en tot een smaadheid, onder al de volken, waar Ik ze henengedreven zal hebben;19Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de HEERE, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de HEERE.20Gij dan, hoort des HEEREN woord, gij allen, die gevankelijk zijt weggevoerd, die Ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden!21Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, van Achab, zoon van Kolaja, en van Zedekia, zoon van Maaseja, die ulieden in Mijn Naam valselijk profeteren: Ziet, Ik zal hen geven in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en hij zal ze voor uw ogen slaan.22En van hen zal een vloek genomen worden bij al de gevankelijk weggevoerden van Juda, die in Babel zijn, dat men zegge: De HEERE stelle u als Zedekia, en als Achab, die de koning van Babel aan het vuur braadde;23Omdat zij een dwaasheid deden in Israel, en overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken het woord valselijk in Mijn Naam, dat Ik hun niet geboden had; en Ik ben Degene, Die het weet, en een getuige daarvan, spreekt de HEERE.24Tot Semaja nu, den Nechelamiet, zult gij spreken, zeggende:25Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels, zeggende: Omdat gij brieven in uw naam gezonden hebt tot al het volk, dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja, den zoon van Maaseja, den priester, en tot al de priesteren, zeggende:26De HEERE heeft u tot priester gesteld, in plaats van den priester Jojada, dat gij opzieners zoudt zijn in des HEEREN huis over allen man, die onzinnig is, en zich voor een profeet uitgeeft, dat gij dien stelt in de gevangenis en in den stok.27Nu dan, waarom hebt gij Jeremia, den Anathothiet, niet gescholden, die zich bij ulieden voor een profeet uitgeeft?28Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende: Het zal lang duren; bouwt huizen, en woont daarin en plant hoven, en eet de vrucht daarvan.29Zefanja nu, de priester, had dezen brief gelezen voor de oren van den profeet Jeremia.30Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:31Zend henen tot allen, die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zo zegt de HEERE van Semaja, den Nechelamiet: Omdat Semaja ulieden geprofeteerd heeft, daar Ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt, dat gij op leugen vertrouwt;32Daarom zegt de HEERE alzo: Ziet, Ik zal bezoeking doen over Semaja, den Nechelamiet, en over zijn zaad; hij zal niemand hebben, die in het midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien, dat Ik Mijn volke doen zal, spreekt de HEERE; want hij heeft een afval gesproken tegen den HEERE.

De onheilige bezigheid van de valse profeten beperkte zich niet alleen tot Jeruzalem en Juda. Enkelen van hen verkondigden zelfs onder het weggevoerde volk, in Babel, "het woord vals" (vers 23).

In zijn brief waarschuwt Jeremia de weggevoerden voor deze personen en kondigt hij het vreselijke einde van twee van hen aan: Zedekia en Achab. Een derde man, Semaja, had vanuit Babel geschreven aan het volk dat in Jeruzalem was achtergebleven, om het op te zetten tegen de HEERE (het slot van vers 32). In zijn brief schrok Semaja er zelfs niet voor terug om een nieuwe priester te benoemen, die Jeremia gevangen moest nemen. Maar zoals Jeremia ergens anders zelf schrijft: "Wie zegt iets dat geschiedt, zo de HEERE het niet beveelt?" (Klaagliederen 3 vers 37), zo moet ook Semaja het oordeel van God over zich aanhoren.

Hoe vaak waren, later, ook andere dienstknechten van God gedwongen om in hun geïnspireerde Brieven valse leraars en boze werkers aan te kondigen (zie bijvoorbeeld Galaten 1 vers 7; Filippi 3 vers 2; 2 Petrus 2 vers 1; 1 Johannes 2 vers 18; Judas vers 3 en 4; enzovoort).

Kinderen van God, onze zekerheid en veiligheid bestaat in het kennen van de stem van de goede Herder (Johannes 10 vers 4 en 5). Als we die stem goed kennen, dan lopen we niet het gevaar die stem met andere te verwarren.

Jeremia 30:1-24
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, zeggende:2Zo spreekt de HEERE, de God Israels, zeggende: Schrijf u al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, in een boek.3Want zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik de gevangenis van Mijn volk, Israel en Juda, wenden zal, zegt de HEERE; en Ik zal hen wederbrengen in het land, dat Ik hun vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.4En dit zijn de woorden, die de HEERE gesproken heeft van Israel en van Juda.5Want zo zegt de HEERE: Wij horen een stem der verschrikking; er is vrees en geen vrede.6Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid?7O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.8Want het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik zijn juk van uw hals verbreken, en uw banden verscheuren zal; en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen.9Maar zij zullen dienen den HEERE, hun God, en hun koning David, dien Ik hun verwekken zal.10Gij dan, vrees niet, o Mijn knecht Jakob! spreekt de HEERE, ontzet u niet, Israel! want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en er zal niemand zijn, die hem verschrikke.11Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden.12Want zo zegt de HEERE: Uw breuk is dodelijk, uw plage is smartelijk.13Er is niemand, die uw zaak oordeelt, aangaande het gezwel; gij hebt geen heelpleisters.14Al uw liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u; want Ik heb u geslagen met eens vijands plage, met de kastijding eens wreden; om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn.15Wat krijt gij over uw breuk, dat uw smart dodelijk is? Om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uw zonden machtig veel zijn, heb Ik u deze dingen gedaan.16Daarom, allen, die u opeten, zullen opgegeten worden, en al uw wederpartijders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en die u beroven, zullen ter beroving zijn, en allen, die u plunderen, zal Ik ter plundering overgeven.17Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar.18Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal de gevangenis der tenten Jakobs wenden, en Mij over hun woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op haar hoop, en het paleis zal liggen naar zijn wijze.19En van hen zal dankzegging uitgaan, en een stem der spelenden; en Ik zal hen vermeerderen, en zij zullen niet verminderd worden, en Ik zal hen verheerlijken, en zij zullen niet gering worden.20En zijn zonen zullen zijn als eertijds, en zijn gemeente zal voor Mijn aangezicht bevestigd worden; en Ik zal bezoeking doen over al zijn onderdrukkers.21En zijn Heerlijke zal uit hem zijn, en zijn Heerser uit het midden van hem voortkomen; en Ik zal hem doen naderen, en hij zal tot Mij genaken; want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? spreekt de HEERE.22En gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.23Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.24De hittigheid van des HEEREN toorn zal zich niet afwenden, totdat Hij gedaan, en totdat Hij daargesteld zal hebben de gedachten Zijns harten; in het laatste der dagen zult gij daarop letten.

De God van Israël roept Jeremia op, om al Zijn woorden in een boek op te schrijven. Ze moesten aan latere generaties overgedragen worden, zodat ook wij ze vandaag nog kunnen lezen. We hebben nu geen profeten en apostelen meer in ons midden, om ons nieuwe gedachten te onderwijzen, maar God heeft ervoor gezorgd dat Zijn geschreven Woord voor ons bewaard bleef. Dat is de enige Bron van waarheid voor onze zielen.

Door de Schriften zal Israël, te midden van de ergste verdrukking, beloften en troost ontvangen.

Uit vers 11 straalt ons zowel de heiligheid alsook de goedheid van God tegemoet. Hij zegt: "Ik zal u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden". De heilige God kan het kwaad op geen enkele wijze door de vingers zien. Hij is het aan Zichzelf verschuldigd de Zijnen te tuchtigen. Maar de God van liefde doet dat "met mate", zonder met één slag meer te straffen dan nodig is (zie ook hoofdstuk 10 vers 24 en 46 vers 28). In hoofdstuk 31 vers 18 en 19 zien we de uitwerking van deze heilzame tuchtiging (1 Korinthe 11 vers 32). Tegelijkertijd voelt men, in de verzen 18 - 22, de vreugde van God bij het denken aan de genezing en het herstel van Zijn volk.

"Wie is hij, die met zijn hart borg wordt?", vraagt de HEERE (vers 21). En wij? Zijn wij christenen uit gewoonte óf doordat we ons aangepast hebben, óf hebben wij ons hart werkelijk aan de Heere 'verpand'?

Jeremia 31:1-14
1Ter zelfder tijd, spreekt de HEERE, zal Ik allen geslachten Israels tot een God zijn; en zij zullen Mij tot een volk zijn.2Zo zegt de HEERE: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woestijn, namelijk Israel, als Ik henenging om hem tot rust te brengen.3De HEERE is mij verschenen van verre tijden! Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.4Ik zal u weder bouwen, en gij zult gebouwd worden, o jonkvrouw Israels! gij zult weder versierd zijn met uw trommelen, en uitgaan met den rei der spelenden.5Gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria; de planters zullen planten, en de vrucht genieten.6Want er zal een dag zijn, waarin de hoeders op Efraims gebergte zullen roepen: Maakt ulieden op, en laat ons opgaan naar Sion, tot den HEERE, onzen God!7Want zo zegt de HEERE: Roept luide over Jakob met vreugde, en juicht vanwege het hoofd der heidenen; doet het horen, lofzingt, en zegt: O HEERE! behoud Uw volk, het overblijfsel van Israel.8Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen.9Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israel tot een Vader, en Efraim is Mijn eerstgeborene.10Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israel verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde.11Want de HEERE heeft Jakob vrijgekocht, en Hij heeft hem verlost uit de hand desgenen, die sterker was dan hij.12Dies zullen zij komen, en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des HEEREN goed, tot het koren, en tot den most, en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hun ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.13Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de jongelingen en ouden te zamen; want Ik zal hunlieder rouw in vrolijkheid veranderen, en zal hen troosten, en zal hen verblijden naar hun droefenis.14En Ik zal de ziel der priesteren met vettigheid dronken maken; en Mijn volk zal met Mijn goed verzadigd worden, spreekt de HEERE.

In het Oude Testament vinden we maar weinig gedeelten waarin de liefde van God op aangrijpender wijze naar voren komt dan in het gedeelte voor vandaag. De grootte van deze onvoorwaardelijke liefde, die geldt voor hen die in zichzelf geen enkele aanleiding geven om hen lief te hebben, komt hier, met het oog op onze vervreemding van God, duidelijk naar voren. "De HEERE is mij verschenen van verre" (vers 3). Denken we toch aan de lange weg die de Zoon van God moest afleggen om tot ons te komen. De liefde van de God der eeuwigheid is een eeuwige liefde. Ja, zo is God — met eerbied gesproken — van nature (1 Johannes 4 vers 8 en 16). En elke gelovige is, vanaf de verre eeuwigheid en tot in alle eeuwigheid, het onderwerp van deze liefde.

Op de hartstochtelijke uitspraak van hoofdstuk 3 vers 4: "Mijn Vader! Gij zijt de Leidsman van mijn jeugd!", kan de HEERE nu antwoorden: "Ik ben Israël tot een Vader" (vers 9). Hij zal bewogen worden door de tranen van Zijn volk, dat Hij eens verlost heeft "uit de hand van hem, die sterker was dan hij" (vers 11), en Hij zal hen bijeenbrengen zoals een herder zijn kudde.

Deze verzen brengen bij ieder van ons een gezegende waarheid in herinnering. God heeft ons niet alleen lief wanneer Hij ons met zichtbare bewijzen van genade overlaadt (zoals Hij dat, volgens de wonderbare beloften uit de verzen 7 - 14, bij Zijn aardse volk zal doen). Ook in de donkerste momenten, zelfs dan, wanneer wij door eigen schuld het genieten van de gemeenschap met Hem verloren hebben, houdt Hij nooit op aan ons te denken.

Vader, Gij der liefde volheid, blijft ons altijd trouw en goed...

Jeremia 31:15-26
15Zo zegt de HEERE: Er is een stem gehoord in Rama, een klage, een zeer bitter geween; Rachel weent over haar kinderen; zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat zij niet zijn.16Zo zegt de HEERE: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, spreekt de HEERE; want zij zullen uit des vijands land wederkomen.17En er is verwachting voor uw nakomelingen, spreekt de HEERE; want uw kinderen zullen wederkomen tot hun landpale.18Ik heb wel gehoord, dat zich Efraim beklaagt, zeggende: Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de HEERE, mijn God!19Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.20Is niet Efraim Mij een dierbare zoon, is hij Mij niet een troetelkind? Want sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstelijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de HEERE.21Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israels, keer weder tot deze uw steden!22Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkerige dochter? Want de HEERE heeft wat nieuws op de aarde geschapen: de vrouw zal den man omvangen.23Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda, en in zijn steden, als Ik hun gevangenis wenden zal: De HEERE zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg der heiligheid!24En Juda, mitsgaders al zijn steden, zullen te zamen daarin wonen; de akkerlieden, en die met de kudde reizen.25Want Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt, en Ik heb alle treurige ziel vervuld.26(Hierop ontwaakte ik, en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)

Aan het heerlijke herstel van Israël, dat in het eerste deel van dit hoofdstuk aangekondigd werd, zullen bittere tranen voorafgaan. Rachel, de vrouw van Jakob, die huilt om haar verdwenen kinderen, is een beeld van het bedroefde volk. (Zoals in de Schrift vaker het geval is, is er al een gedeeltelijke vervulling van vers 15 geweest. Dat zien we in de moord op de kleine kinderen in Bethlehem; Mattheüs 2 vers 18.) Maar het zal bij dit volk gaan om een "droefheid naar God", die "een onberouwelijke bekering tot zaligheid" bewerkt (2 Korinthe 7 vers 10). De verzen 18 - 20 laten ons zien dat zo'n droefheid altijd door God opgemerkt wordt. Luister maar naar de geschiedenis van Efraïm: De Goddelijke tuchtiging was heilzaam; dat heeft zijn bekering, die gepaard ging met oprecht berouw, bewerkt. De ontdekking van zichzelf heeft hem met smaad en schande bedekt. Hij veroordeelt zijn schuldige en ongetemde jeugd.

Kan een ieder van ons hetzelfde van zichzelf zeggen? Dan mogen we ook horen hoe God ons graag wil noemen: "een dierbare zoon... en troetelkind" (vers 20). Op onze belijdenis volgt direct de innige reactie van de eeuwige liefde. Die is voor jou persoonlijk bedoeld en geeft je ook de toegang tot haar bron: "Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt (gedrenkt), en Ik heb alle treurige ziel vervuld" (vers 25).

Jeremia 31:27-40
27Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het huis van Israel en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen en zaad van beesten.28En het zal geschieden, gelijk als Ik over hen gewaakt heb, om uit te rukken, en af te breken, en te verstoren, en te verderven, en kwaad aan te doen; alzo zal Ik over hen waken, om te bouwen en te planten, spreekt de HEERE.29In die dagen zullen zij niet meer zeggen: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en der kinderen tanden zijn stomp geworden.30Maar een iegelijk zal om zijn ongerechtigheid sterven; een ieder mens, die de onrijpe druiven eet, zijn tanden zullen stomp worden.31Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken;32Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de HEERE;33Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israel maken zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.34En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den HEERE! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de HEERE; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.35Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam:36Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israels ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen.37Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israels verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.38Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat deze stad den HEERE zal herbouwd worden, van den toren Hananeel af tot aan de Hoekpoort.39En het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naar Goath omwenden.40En het ganse dal der dode lichamen en der as, en al de velden tot aan de beek Kidron, tot aan den hoek van de Paardenpoort tegen het oosten, zal den HEERE een heiligheid zijn; er zal niets weder uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.

Jeremia kondigt niet alleen maar erge gebeurtenissen aan. Hij heeft ook goede berichten voor het volk. "Ziet, de dagen komen", zo zegt hij, "dat God het huis van Israël en Juda zal herstellen op grond van een nieuw verbond." Het oude verbond was door het volk verbroken. Het had laten zien niet in staat te zijn om aan haar verplichtingen, die in de wet samengevat waren, te voldoen. Nu zal God deze wet niet meer aan de Zijnen geven op stenen tafels. Hij zal het in hun binnenste leggen (dan zullen ze gelijk zijn aan het beeld van de gehoorzame Knecht; Psalm 40 vers 9). Hij zal het direct "in hun hart schrijven" (vers 33; 2 Korinthe 3 vers 3). Anders gezegd: dan zullen ze uit liefde, en niet meer uit angst, de wil van God doen.

Zou dat voor kinderen van God nog niet veel meer een reden moeten zijn om hun hemelse Vader te gehoorzamen? Ja, laten we de lessen uit Zijn Woord toch door Hem in onze harten laten schrijven!

"Zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe" (vers 34). De Heere wil heel graag dat dat ook in onze gezinnen het geval is.

De verzen 31 - 34 worden in Hebreeën 8 vers 10 - 12 aangehaald. Zij besluiten met de belofte, die ook voor ons geldt: "Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken" (vergelijk Handelingen 10 vers 43), want "het bloed van het Nieuwe Testament" (dat is: het nieuwe verbond) is ook, door Jezus Christus, voor ons vergoten (Mattheus 26 vers 28).

Jeremia 32:1-15
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, in het tiende jaar van Zedekia, koning van Juda; dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadrezar.2(Het heir nu des konings van Babel belegerde toen Jeruzalem, en de profeet Jeremia was besloten in het voorhof der bewaring, dat in het huis des konings van Juda is.3Want Zedekia, de koning van Juda, had hem besloten, zeggende: Waarom profeteert gij, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik geef deze stad in de hand des konings van Babel, en hij zal ze innemen;4En Zedekia, de koning van Juda, zal van de hand der Chaldeen niet ontkomen; maar hij zal zekerlijk gegeven worden in de hand des konings van Babel, en zijn mond zal tot deszelfs mond spreken, en zijn ogen zullen deszelfs ogen zien;5En hij zal Zedekia naar Babel voeren, en aldaar zal hij zijn, totdat Ik hem bezoek, spreekt de HEERE; ofschoon gijlieden tegen de Chaldeen strijdt, gij zult toch geen geluk hebben.)6Jeremia dan zeide: Des HEEREN woord is tot mij geschied, zeggende:7Zie, Hanameel, de zoon van Sallum, uw oom, zal tot u komen, zeggende: Koop u mijn veld, dat bij Anathoth is, want gij hebt het recht van lossing, om te kopen.8Alzo kwam Hanameel, mijns ooms zoon, naar des HEEREN woord, tot mij, in het voorhof der bewaring, en zeide tot mij: Koop toch mijn veld, hetwelk is bij Anathoth, dat in het land van Benjamin is; want gij hebt het erfrecht, en gij hebt de lossing, koop het voor u. Toen merkte ik, dat het des HEEREN woord was.9Dies kocht ik van Hanameel, mijns ooms zoon, het veld, dat bij Anathoth is; en ik woog hem het geld toe, zeventien zilveren sikkelen.10En ik onderschreef den brief en verzegelde dien, en deed het getuigen betuigen, als ik het geld op de weegschaal gewogen had.11En ik nam den koopbrief, die verzegeld was naar het gebod en de inzettingen, en den open brief;12En ik gaf den koopbrief aan Baruch, den zoon van Nerija, den zoon van Machseja, voor de ogen van Hanameel, mijns ooms zoon, en voor de ogen der getuigen die den koopbrief hadden onderschreven; voor de ogen van al de Joden, die in het voorhof der bewaring zaten.13En ik beval Baruch voor hun ogen, zeggende:14Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Neem deze brieven, dezen koopbrief, zo den verzegelden als dezen open brief, en doe ze in een aarden vat, opdat zij vele dagen mogen bestaan.15Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Er zullen nog huizen, en velden, en wijngaarden in dit land gekocht worden.

Hoofdstuk 32 begint met bijzonder kritieke situaties. Jeruzalem wordt door het Babylonische leger belegerd en beleeft de laatste dagen van haar onafhankelijkheid. Jeremia wordt beschuldigd van ondermijning van de moed van de belegerden. En om hem tot zwijgen te brengen, laat de koning hem in de gevangenis opsluiten. Maar de gevangenschap van de profeet vormt geen verhindering voor het woord van de HEERE om hem te bereiken. Het is ook geen verhindering voor hem om, overeenkomstig de ontvangen aanwijzingen, door bemiddeling van de trouwe Baruch (die hier voor het eerste genoemd wordt) de akker van zijn neef Hanameël te kopen. Op een moment als dit spreekt zo'n daad toch duidelijke taal. Hoewel Jeremia door het woord van de HEERE weet dat de ondergang onmiddellijk en onafwendbaar voor de deur staat, toont hij door deze handeling zijn geloof aan het Goddelijke woord, dat het herstel van Israël later absoluut zal plaats vinden (hoofdstuk 31).

De persoonlijke situatie van de profeet is uitzichtloos (wat heeft een gevangene hebben aan een akker?) en die van het volk één al vertwijfeling. Menselijk gesproken heeft Jeremia niets meer te verwachten, noch van zijn landgenoten, noch van de Chaldese vijanden. Maar tegen alle hoop in is zijn geloof vol hoop (zie Romeinen 4 vers 18). De koop van die akker is daarvan een getuigenis voor iedereen.

Jeremia 32:16-28, 36-44
16Voorts, nadat ik den koopbrief aan Baruch, den zoon van Nerija, gegeven had, bad ik tot den HEERE, zeggende:17Ach, Heere HEERE! Zie, Gij hebt de hemelen en de aarde gemaakt, door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekten arm; geen ding is U te wonderlijk.18Gij, Die goedertierenheid doet aan duizenden, en de ongerechtigheid der vaderen vergeldt in den schoot hunner kinderen na hen; Gij grote, Gij geweldige God, Wiens Naam is HEERE der heirscharen!19Groot van raad en machtig van daad; want Uw ogen zijn open over alle wegen der mensenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijn wegen, en naar de vrucht zijner handelingen.20Gij, Die tekenen en wonderen gesteld hebt in Egypteland, tot op dezen dag, zo in Israel, als onder andere mensen, en hebt U een Naam gemaakt, als Hij is te dezen dage!21En hebt Uw volk Israel uit Egypteland uitgevoerd, door tekenen en door wonderen, en door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door grote verschrikking.22En hebt hun dit land gegeven, dat Gij hun vaderen gezworen hadt hun te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig;23Zij zijn er ook ingekomen en hebben het erfelijk bezeten, maar hebben Uwer stem niet gehoorzaamd, en in Uw wet niet gewandeld; zij hebben niets gedaan van alles, wat Gij hun geboden hadt te doen; dies hebt Gij hun al dit kwaad doen bejegenen.24Zie, de wallen! zij zijn gekomen aan de stad, om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand der Chaldeen, die tegen haar strijden; vanwege het zwaard en den honger en de pestilentie; en wat Gij gesproken hebt, is geschied, en zie, Gij ziet het.25Evenwel hebt Gij tot mij gezegd, Heere HEERE! koop u dat veld voor geld, en doe het getuigen betuigen; daar de stad in der Chaldeen hand gegeven is.26Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:27Zie, Ik ben de HEERE, de God van alle vlees; zou Mij enig ding te wonderlijk zijn?28Daarom zegt de HEERE alzo: Zie, Ik geef deze stad in de hand der Chaldeen, en in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en hij zal ze innemen.
36En nu, daarom zegt de HEERE, de God Israels, alzo van deze stad, waar gij van zegt: Zij is gegeven in de hand des konings van Babel, door het zwaard, en door den honger, en door de pestilentie;37Ziet, Ik zal hen vergaderen uit al de landen, waarhenen Ik hen zal verdreven hebben in Mijn toorn, en in Mijn grimmigheid, en in grote verbolgenheid; en Ik zal hen tot deze plaats wederbrengen, en zal hen zeker doen wonen.38Ja, zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.39En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven, om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, mitsgaders hun kinderen na hen.40En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken.41En Ik zal Mij over hen verblijden, dat Ik hun weldoe; en Ik zal hen getrouwelijk in dat land planten, met Mijn ganse hart en met Mijn ganse ziel.42Want zo zegt de HEERE: Gelijk als Ik over dit volk gebracht heb al dit grote kwaad, alzo zal Ik over hen brengen al het goede, dat Ik over hen spreke.43En er zullen velden gekocht worden in dit land, waarvan gij zegt: Het is woest, dat er geen mens noch beest in is; het is in der Chaldeen hand gegeven.44Velden zal men voor geld kopen, en de brieven onderschrijven, en verzegelen, en getuigen doen betuigen, in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte, en in de steden der laagte, en in de steden van het zuiden; want Ik zal hun gevangenis wenden, spreekt de HEERE.

Ook vandaag de dag moeten er nog een aantal formaliteiten bij het kadaster en de notaris vervuld worden wanneer iemand een stuk grond of een huis koopt. Daarna krijgt de koper een officieel document, waarin bevestigd wordt dat hij de rechtmatige eigenaar is.

Jeremia bewaarde de brieven waarin stond dat de akker hem toebehoorde, heel zorgvuldig (vers 14).

Door het woord van Zijn genade verzekert God Zijn kinderen "een erfdeel te geven onder al de geheiligden" (Handelingen 20 vers 32). En wij kunnen, net als Paulus, bevestigen: "Ik ben verzekerd dat Hij machtig is, mijn pand dat bij Hem is weggelegd, te bewaren tot die dag" (2 Timotheüs 1 vers 12).

Het eind van het koninkrijk van Juda lijkt in menig opzicht op de dagen van de tweede Brief aan Timotheüs. Net als de apostel, die ook alleen was en gevangen zat, weet Jeremia, te midden van het verval, in Wie hij geloofd heeft. Zijn gebed stijgt op tot God. Hij stelt de tegenwoordige nood tegenover de zegeningen van vroeger. Maar hij kent de "grote kracht" van de HEERE (vers 17), Zijn "goedertierenheid" (vers 18) en de grootte van Zijn "raad" (vers 19; vergelijk 2 Timotheüs 1 vers 7). "Geen ding is U te wonderlijk", kan hij zeggen (vers 17). Dat is het wat God hem — en ons —bevestigt in Zijn prachtig antwoord (vers 27; vergelijk Mattheüs 19 vers 26).

Jeremia 33:1-18
1Voorts geschiedde des HEEREN woord ten tweeden male tot Jeremia, als hij nog in het voorhof der bewaring was opgesloten, zeggende:2Zo zegt de HEERE, Die het doet, de HEERE, Die dat formeert, opdat Hij het bevestige, HEERE is Zijn Naam;3Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet.4Want zo zegt de HEERE, de God Israels, van de huizen dezer stad, en van de huizen der koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken:5Er zijn er wel ingekomen, om te strijden tegen de Chaldeen, maar het is om die te vullen met dode lichamen van mensen, die Ik verslagen heb in Mijn toorn en in Mijn grimmigheid; en omdat Ik Mijn aangezicht van deze stad verborgen heb, om al hunlieder boosheid.6Zie, Ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal henlieden genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid.7En Ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israel wenden, en zal ze bouwen als in het eerste.8En Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, met dewelke zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hun ongerechtigheden, met dewelke zij tegen Mij gezondigd en met dewelke zij tegen Mij overtreden hebben.9En het zal Mij zijn tot een vrolijken naam, tot een roem, en tot een sieraad bij alle heidenen der aarde; die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe; en zij zullen vrezen en beroerd zijn over al het goede, en over al den vrede, dien Ik hun beschikke.10Alzo zegt de HEERE: In deze plaats (waarvan gij zegt: Zij is woest, dat er geen mens en geen beest in is), in de steden van Juda, en op de straten van Jeruzalem, die zo verwoest zijn, dat er geen mens, en geen inwoner, en geen beest in is, zal wederom gehoord worden,11De stem der vrolijkheid en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem der bruid, de stem dergenen, die zeggen: Looft den HEERE der heirscharen, want de HEERE is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid! de stem dergenen, die lof aanbrengen ten huize des HEEREN; want Ik zal de gevangenis des lands wenden, als in het eerste, zegt de HEERE.12Zo zegt de HEERE der heirscharen: In deze plaats, die zo woest is, dat er geen mens, zelfs tot het vee toe, in is, mitsgaders in al derzelver steden, zullen wederom woningen zijn van herderen, die de kudden doen legeren.13In de steden van het gebergte, in de steden der laagte, en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden wederom onder de handen des tellers doorgaan, zegt de HEERE.14Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik het goede woord verwekken zal, dat Ik tot het huis van Israel en over het huis van Juda gesproken heb.15In die dagen, en te dier tijd zal Ik David een SPRUIT der gerechtigheid doen uitspruiten; en Hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.16In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zeker wonen; en deze is, die haar roepen zal: De HEERE, onze GERECHTIGHEID.17Want zo zegt de HEERE: Aan David zal niet worden afgesneden een Man, Die op den troon van het huis Israels zitte.18Ook zal den Levietischen priesteren, van voor Mijn aangezicht, niet worden afgesneden een Man, Die brandoffer offere, en spijsoffer aansteke, en slachtoffer bereide al de dagen.

Opnieuw wendt de HEERE Zich tot Zijn knecht, die in de gevangenis zit. Hij wil hem nog een kostbare openbaring geven en roept hem op, daar om te vragen (vers 3; Amos 3 vers 7). God is altijd bereid om ons over grote en verborgen dingen die wij niet kennen, te onderwijzen. Maar Hij roept ons op Hem daarom te vragen!

Jeremia mag horen over datgene wat hem na aan het hart ligt: het herstel van het volk na de grote ellende die over haar komen zal.

In bepaalde gebieden hier op aarde zie je soms compleet uitgestorven dorpen, doordat de bevolking er is weggetrokken. Je zou haast zeggen dat er nauwelijks iets bestaat wat zo huiveringwekkend is. Hoeveel erger moet de verwoesting van een stad als het doodse en door vuur verwoeste Jeruzalem zijn geweest, na de verbanning van de bewoners (vers 10; zie Nehemia 2 vers 13 en 14). Maar de beloften van God zijn vast en zeker: Vreugde en leven zullen de stad opnieuw vervullen en ze zal een nieuwe naam krijgen: "De HEERE, onze Gerechtigheid" (vers 16).

Dat herinnert ons eraan dat er ook in de hemelse stad niemand kan binnengaan op grond van eigen gerechtigheid. Daar zal alles uitsluitend gegrond zijn op de gerechtigheid van Christus.

En de beide families, waardoor de betrekkingen van het volk met God veilig gesteld worden: de koningen en de priesters, zullen opnieuw vertegenwoordigd zijn (vers 17 en 18).

Jeremia 34:8-22
8Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, nadat de koning Zedekia een verbond gemaakt had met het ganse volk, dat te Jeruzalem was, om vrijheid voor hen uit te roepen.9Dat een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, zijnde een Hebreer of een Hebreinne, zou laten vrijgaan; zodat niemand zich van hen, van een Jood, zijn broeder, zou doen dienen.10Nu hoorden al de vorsten en al het volk, die het verbond hadden ingegaan, dat zij, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd zouden laten vrijgaan, zodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan, en lieten hen gaan;11Maar zij keerden daarna wederom, en deden de knechten en maagden wederkomen, die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten hen ten onder tot knechten en tot maagden.12Daarom geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, van den HEERE, zeggende:13Zo zegt de HEERE, de God Israels: Ik heb een verbond gemaakt met uw vaderen, ten dage, als Ik hen uit Egypteland, uit het diensthuis uitvoerde, zeggende:14Ten einde van zeven jaren zult gij laten gaan, een iegelijk zijn broeder, een Hebreer, die u zal verkocht zijn, en u zes jaren gediend heeft; gij zult hem dan van u laten vrijgaan; maar uw vaders hoorden niet naar Mij, en neigden hun oor niet.15Gijlieden nu waart heden wedergekeerd, en hadt gedaan, dat recht is in Mijn ogen, vrijheid uitroepende, een iegelijk voor zijn naaste; en gij hadt een verbond gemaakt voor Mijn aangezicht, in het huis, dat naar Mijn Naam genoemd is.16Maar gij zijt weder omgekeerd, en hebt Mijn Naam ontheiligd, en doen wederkomen, een iegelijk zijn knecht, en een iegelijk zijn maagd, die gij hadt laten vrijgaan naar hun lust; en gij hebt hen ten ondergebracht, om ulieden te wezen tot knechten en tot maagden.17Daarom zegt de HEERE alzo: Gijlieden hebt naar Mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen, een iegelijk voor zijn broeder, en een iegelijk voor zijn naaste; ziet, zo roep Ik uit tegen ulieden, spreekt de HEERE, een vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie, en ten honger, en zal u overgeven ter beroering allen koninkrijken der aarde.18En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeen hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan:19De vorsten van Juda, en de vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen, en de priesteren, en al het volk des lands, die door de stukken des kalfs zijn doorgegaan.20Ja, Ik zal hen overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken; en hun dode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.21Zelfs Zedekia, den koning van Juda, en zijn vorsten, zal Ik overgeven in de hand hunner vijanden, en in de hand dergenen, die hun ziel zoeken, te weten, in de hand van het heir des konings van Babel, die van ulieden nu zijn opgetogen.22Ziet, Ik zal bevel geven, spreekt de HEERE, en zal hen weder tot deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden, en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en Ik zal de steden van Juda stellen tot een verwoesting, dat er niemand in wone.

Terwijl de belegering van Jeruzalem wordt voortgezet, krijgt Jeremia van God de opdracht om koning Zedekia een persoonlijke boodschap te brengen (vers 2 - 6). Het gaat ongetwijfeld om de profetie waarop in hoofdstuk 32 vers 3 gezinspeeld wordt. God belooft de koning hem te zullen ontzien en dat hij in vrede zal sterven. Uit de verzen 8 en 9 kunnen we opmaken dat de bedoelingen van deze man niet slecht waren. In zekere zin stond hij zelfs welwillend tegenover Jeremia (hoofdstuk 38 vers 10 en 16). Maar het ontbrak hem ten enenmale aan een sterk karakter. Hij had niet de daadkracht die het geloof wel aan Nehemia gaf in een soortgelijke situatie (zie Nehemia 5). Zedekia beslist dat alle Hebreeuwse knechten in vrijheid gesteld moeten worden (vers 9), maar hij is niet lang in staat om ervoor te zorgen dat deze opdracht ook daadwerkelijk uitgevoerd wordt. Nu herinnert de God van Israël hem aan de nauwkeurige aanwijzingen zoals de wet die voorschrijft, iets waarmee de vaderen al geen rekening gehouden hadden. En wij mogen hierbij ook denken aan de onderwijzingen over de knecht die uit liefde niet vrijuit wilde gaan — een prachtig beeld van de Heere Jezus (Exodus 21 vers 2 - 6).

God maakt gebruik van de slechte daden van deze mensen, om te illustreren welke straffen hen te wachten staan. Hij zal precies zo handelen als zij, dat wil zeggen, hen de vrijheid, die hen eens toegestaan was, ontnemen, en hen aan het juk van de koning van Babel onderwerpen (Lukas 6 vers 38).

Jeremia 35:1-11
1Het woord, dat tot Jeremia geschied is van den HEERE, in de dagen van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, zeggende:2Ga henen tot der Rechabieten huis, en spreek met hen, en breng hen in des HEEREN huis, in een der kameren, en geef hun wijn te drinken.3Toen nam ik Jaazanja, den zoon van Jeremia, den zoon van Habazzinja, mitsgaders zijn broederen, en al zijn zonen, en het ganse huis der Rechabieten;4En bracht hen in des HEEREN huis, in de kamer der zonen van Hanan, den zoon van Jigdalia, den man Gods; welke is bij de kamer der oversten, die daar is boven de kamer van Maaseja, den zoon van Sallum, den dorpelbewaarder.5En ik zette den kinderen van het huis der Rechabieten koppen vol wijn en bekers voor; en ik zeide tot hen: Drinkt wijn.6Maar zij zeiden: Wij zullen geen wijn drinken; want Jonadab, de zoon van Rechab, onze vader, heeft ons geboden, zeggende: Gijlieden zult geen wijn drinken, gij, noch uw kinderen, tot in eeuwigheid.7Ook zult gijlieden geen huis bouwen, noch zaad zaaien, noch wijngaard planten, noch hebben; maar gij zult in tenten wonen al uw dagen; opdat gij veel dagen leeft in het land, alwaar gij als vreemdeling verkeert.8Zo hebben wij der stemme van Jonadab, den zoon van Rechab, onzen vader, gehoorzaamd in alles, wat hij ons geboden heeft; zodat wij geen wijn drinken al onze dagen, wij, onze vrouwen, onze zonen, en onze dochteren;9En dat wij geen huizen bouwen tot onze woning; ook hebben wij geen wijngaard, noch veld, noch zaad;10En wij hebben in tenten gewoond; alzo hebben wij gehoord en gedaan naar alles, wat ons onze vader Jonadab geboden heeft.11Maar het is geschied, als Nebukadrezar, de koning van Babel, naar dit land optoog, dat wij zeiden: Komt, en laat ons naar Jeruzalem trekken vanwege het heir der Chaldeen, en vanwege het heir der Syriers; alzo zijn wij te Jeruzalem gebleven.

Dit keer moet Jeremia een dienst verrichten die bemoedigender is. God heeft hem de opdracht gegeven om de familieleden van de Rechabieten in het Huis van de HEERE uit te nodigen, om hen op de proef te stellen. Zouden ze van de wijn drinken die de profeet hen aanbood? Vastbesloten wijzen deze mannen de beker die hen wordt voorgezet, af en ze zeggen ook waarom ze dat doen. Als ware Nazireeërs hebben ze een gelofte afgelegd zich van de wijn te onthouden. De wijn is namelijk een beeld van de vreugden van deze wereld (Numeri 6 vers 1- 3).

Bovendien verwerkelijken zij het karakter van vreemdelingen op aarde te zijn, een terrein waar zij zich slechts tijdelijk bevinden (het slot van vers 7): zij zaaien en bouwen niet, maar wonen in tenten. Zij zeggen dat dit hele gedrag hun door hun vader Jonadab geboden is. Deze Jonadab was de trouwe man, die wij in 2 Koningen 10 vers 15 en verder duidelijk positie zien kiezen voor de God van Israël.

Velen van ons hebben ouders of grootouders gehad die hen — zonder dat zij het altijd begrepen — de weg van afzondering van een wereld leerden waarin de christen een vreemdeling is, zoals zijn Heere dat ook geweest is. Meer dan ooit moet dit nu verwerkelijkt worden, omdat Zijn wederkomst aanstaande is (Openbaring 22 vers 11 en 12). En Hij roept ons niet op om ons te onthouden van de vreugden van deze wereld zónder ons tevoren in Hemzelf "een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" gegeven te hebben (1 Petrus 1 vers 8).

Jeremia 35:12-19
12Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, zeggende:13Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ga henen en zeg tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem: Zult gijlieden geen tucht aannemen, dat gij hoort naar Mijn woorden? spreekt de HEERE.14De woorden van Jonadab, den zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben geen wijn gedronken tot op dezen dag, maar het gebod huns vaders gehoord; en Ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt naar Mij niet gehoord.15En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw handelingen goed, en wandelt andere goden niet na, om hen te dienen, zo zult gij in het land blijven, dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd, en naar Mij niet gehoord.16Dewijl dan de kinderen van Jonadab, den zoon van Rechab, het gebod huns vaders, dat hij hun geboden heeft, bevestigd hebben, maar dit volk naar Mij niet hoort;17Daarom alzo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal over Juda en over alle inwoners van Jeruzalem brengen al het kwaad, dat Ik tegen hen gesproken heb; omdat Ik tot hen gesproken heb, maar zij niet gehoord hebben, en Ik tot hen geroepen heb, maar zij niet hebben geantwoord.18Tot het huis nu der Rechabieten zeide Jeremia: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Omdat gijlieden het gebod van uw vader Jonadab zijt gehoorzaam geweest, en hebt al zijn geboden bewaard, en gedaan naar alles, wat hij ulieden geboden heeft;19Daarom alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Er zal Jonadab, den zoon van Rechab, niet worden afgesneden een man, die voor Mijn aangezicht sta, al de dagen.

De zonen van Rechab zouden gemakkelijk naar voren hebben kunnen brengen dat er sinds de aanwijzingen die hun voorvaderen hadden gekregen, al 250 jaar voorbij waren gegaan en dat het nodig was 'met de tijd mee te gaan'; "uiterlijk gedrag betekent niets, het komt op de instelling van het hart aan" is een bekende uitspraak.

Sommigen brengen ook vandaag zulke gedachten naar voren, om de weg te verbreden. Maar nee! Het is een welgevallen voor God om Zelf te erkennen dat "de kinderen van Jonadab, de zoon van Rechab, het gebod van hun vader, dat hij hun geboden had, bevestigd hebben" (vers 16). Zonder veel ophef (maar zeker niet zonder smaad en lijden) hebben zij van generatie op generatie vastbesloten de Godvrezende lijn, die hun voorvaderen uitgestippeld hebben, nagevolgd. Onder de vreselijke regering van Achaz, Manasse en Amon behoorden zij tot de verborgen getrouwen, die door de Heere gekend werden, net zoals de zevenduizend ten tijde van Elia (zie 1 Koningen 19 vers 18). En wij zouden waarschijnlijk niets van deze familie geweten hebben als God geen gebruik van hen had willen maken om een openlijk getuigenis aan heel Juda te geven. Ja, het voorbeeld van de Rechabieten onderstreept de ongehoorzaamheid van het volk van Jeruzalem.

Zo behoren ook de christenen in deze tijd vast te houden aan de inzettingen die God gegeven heeft (denk bijvoorbeeld aan 1 Korinthe 11), niet alleen als een getuigenis naar de wereld, maar bovenal naar de mede-christenen die deze Goddelijke inzettingen afwijzen, als zijnde 'niet meer van deze tijd' (vergelijk Openbaring 3 vers 8).

Jeremia 36:1-15
1Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, dat dit woord tot Jeremia geschiedde van den HEERE, zeggende:2Neem u een rol des boeks, en schrijf daarop al de woorden, die Ik tot u gesproken heb, over Israel, en over Juda, en over al de volken, van den dag aan, dat Ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia aan, tot op dezen dag.3Misschien zullen die van het huis van Juda horen al het kwaad, dat Ik hun gedenk te doen; opdat zij zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg, en Ik hun ongerechtigheid en hun zonde vergeve.4Toen riep Jeremia Baruch, den zoon van Nerija; en Baruch schreef uit den mond van Jeremia alle woorden des HEEREN, die Hij tot hem gesproken had, op een rol des boeks.5En Jeremia gebood Baruch, zeggende: Ik ben opgehouden, ik zal in des HEEREN huis niet kunnen gaan.6Zo ga gij henen, en lees in de rol, in dewelke gij uit mijn mond geschreven hebt, de woorden des HEEREN, voor de oren des volks, in des HEEREN huis, op den vastendag; en gij zult ze ook lezen voor de oren van gans Juda, die uit hun steden komen.7Misschien zal hunlieder smeking voor des HEEREN aangezicht nedervallen, en zij zullen zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg; want groot is de toorn en de grimmigheid, die de HEERE tegen dit volk heeft uitgesproken.8En Baruch, de zoon van Nerija, deed naar alles, wat hem de profeet Jeremia geboden had, lezende in dat boek de woorden des HEEREN, in het huis des HEEREN.9Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor des HEEREN aangezicht uitriepen, allen volke te Jeruzalem, mitsgaders allen volke, die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.10Zo las Baruch in dat boek de woorden van Jeremia in des HEEREN huis, in de kamer van Gemarja, den zoon van Safan, den schrijver, in het bovenste voorhof, aan de deur der nieuwe poort van het huis des HEEREN, voor de oren des gansen volks.11Als nu Michaja, de zoon van Gemarja, den zoon van Safan, al de woorden des HEEREN uit dat boek gehoord had;12Zo ging hij af ten huize des konings in de kamer des schrijvers; en ziet, aldaar zaten al de vorsten: Elisama, de schrijver, en Delaja, de zoon van Semaja, en Elnathan, de zoon van Achbor, en Gemarja, de zoon van Safan, en Zedekia, de zoon van Hananja, en al de vorsten.13En Michaja maakte hun bekend al de woorden, die hij gehoord had, als Baruch uit dat boek las voor de oren des volks.14Toen zonden al de vorsten Jehudi, den zoon van Nethanja, den zoon van Selemja, den zoon van Cuschi, tot Baruch, om te zeggen: De rol, waarin gij voor de oren des volks gelezen hebt, neem die in uw hand, en kom. Alzo nam Baruch, de zoon van Nerija, de rol in zijn hand, en kwam tot hen.15En zij zeiden tot hem: Zit toch neder, en lees ze voor onze oren; en Baruch las voor hun oren.

We hebben al kennis gemaakt met Baruch, de trouwe vriend en secretaris van Jeremia (hoofdstuk 32 vers 12). Zijn naam betekent 'gezegend'. Hoewel hij tot een voornaam familiegeslacht behoorde (zijn broer was hofmaarschalk (vorst) van de koning; hoofdstuk 51 vers 59), had deze man in plaats van het gezelschap van vorsten — waartoe hij vanwege zijn afstamming het recht had — juist gekozen voor het gezelschap van de gevangen, gehate en verachte profeet. Hij doet ons denken aan Onesiforus, die onbaatzuchtige broeder die Paulus opzocht in de gevangenis in Rome en over wie de apostel aan Timotheüs kan schrijven: "...hij heeft mij dikwijls verkwikt, en heeft zich voor mijn keten niet geschaamd... en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft, weet gij zeer wel" (2 Timotheüs 1 vers 16 - 18).

Baruch is ook altijd tot de dienst bereid, ondanks de risico's waaraan hij zich daardoor blootstelt.

Ja, laten we deze geweldige ijver — een gevolg van de liefde tot God — voor Zijn dienstknechten en Zijn volk toch bewonderen. En laat het toch het verlangen van ons hart zijn, dat we diezelfde ijver mogen bezitten.

De dienst van Baruch betrof hier: het opschrijven van de woorden van God Zelf, zoals Jeremia, de gevangene, ze dicteert (vergelijk Romeinen 16 vers 22), en het voorlezen van die woorden, voor de oren van alle Joden, op de vastendag.

Michaja, iemand die bijzonder opmerkzaam geluisterd heeft, haast zich om de vorsten in te lichten. Zij, op hun beurt, nodigen Baruch uit, opdat hij de inhoud van de boekrol nog een keer speciaal aan hen zal voorlezen.

Jeremia 36:16-32
16En het geschiedde, als zij al de woorden hoorden, dat zij verschrikten, de een tegen den ander; en zij zeiden tot Baruch: Voorzeker zullen wij al deze woorden den koning bekend maken.17En zij vraagden Baruch, zeggende: Verklaar ons toch, hoe hebt gij al deze woorden uit zijn mond geschreven?18En Baruch zeide tot hen: Uit zijn mond las hij tot mij al deze woorden, en ik schreef ze met inkt in dit boek.19Toen zeiden de vorsten tot Baruch: Ga henen, verberg u, gij en Jeremia; en niemand wete, waar gijlieden zijt.20Zij dan gingen in tot den koning in het voorhof; maar de rol legden zij weg in de kamer van Elisama, den schrijver; en zij verklaarden al die woorden voor de oren des konings.21Toen zond de koning Jehudi, om de rol te halen; en hij haalde ze uit de kamer van Elisama, den schrijver; en Jehudi las ze voor de oren des konings, en voor de oren van al de vorsten, die omtrent den koning stonden.22(De koning nu zat in het winterhuis in de negende maand; en er was een vuur voor zijn aangezicht op den haard aangestoken.)23En het geschiedde, als Jehudi drie stukken, of vier gelezen had, versneed hij ze met een schrijfmes, en wierp ze in het vuur, dat op den haard was, totdat de ganse rol verteerd was in het vuur, dat op den haard was.24En zij verschrikten niet, en scheurden hun klederen niet, de koning noch al zijn knechten, die al deze woorden gehoord hadden.25Hoewel ook Elnathan, en Delaja, en Gemarja bij den koning daarvoor spraken, dat hij de rol niet zou verbranden; doch hij hoorde naar hen niet.26Daartoe gebood de koning aan Jerahmeel, den zoon van Hammelech, en Zeraja, den zoon van Azriel, en Selemja, den zoon van Abdeel, om den schrijver Baruch en den profeet Jeremia te vangen. Maar de HEERE had hen verborgen.27Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia, nadat de koning de rol en de woorden, die Baruch geschreven had uit den mond van Jeremia, verbrand had, zeggende:28Neem u weder een andere rol, en schrijf daarop al de eerste woorden, die geweest zijn op de eerste rol, die Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft.29En tot Jojakim, den koning van Juda, zult gij zeggen: Zo zegt de HEERE: Gij hebt deze rol verbrand, zeggende: Waarom hebt gij daarop geschreven, zeggende: De koning van Babel zal zekerlijk komen, en dit land verderven, en maken, dat mens en beest daarin ophouden?30Daarom zegt de HEERE alzo van Jojakim, den koning van Juda: Hij zal geen hebben, die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, des daags in de hitte, en des nachts in de vorst.31En Ik zal over hem, en over zijn zaad, en over zijn knechten hunlieder ongerechtigheid bezoeken; en Ik zal over hen, en over de inwoners van Jeruzalem, en over de mannen van Juda, al het kwaad brengen, dat Ik tot hen gesproken heb; maar zij hebben niet gehoord.32Jeremia dan nam een andere rol, en gaf ze aan den schrijver Baruch, den zoon van Nerija; die schreef daarop, uit den mond van Jeremia, al de woorden des boeks, dat Jojakim, de koning van Juda, met vuur verbrand had; en tot dezelve werden nog veel dergelijke woorden toegedaan.

We hebben gezien hoe Baruch te midden van de vorsten van Juda zat en zich bezighield met het voorlezen van de woorden van de HEERE. Geschrokken kijken deze mannen elkaar aan. De situatie lijkt hen zo ernstig, dat zij van mening zijn dat dit aan de koning meegedeeld moet worden. En nadat de koning naar zijn vorsten geluisterd heeft, geeft hij bevel om de gevreesde rol ook aan hem voor te lezen.

Het valt op, dat ons niets meegedeeld wordt over de inhoud van deze boekrol, noch bij het opstellen, noch bij het voorlezen, waarover we tot drie keer toe lezen. We mogen gerust aannemen dat hoofdstuk 25 van dit Bijbelboek een deel van de inhoud vormde (vergelijk de verzen 1 en 29 van hoofdstuk 36 met hoofdstuk 25 vers 1 en 9).

Nadat de koning een tijd lang, met stijgende ergernis, geluisterd heeft, laat hij de rol verdwijnen door haar kapot te snijden en in het vuur te werpen. Dat was een onzinnige poging om onder het oordeel uit te komen. Met de vernietiging van de rol kon hij namelijk geen enkel woord dat erin geschreven stond, ongedaan maken. Integendeel, op bevel van de HEERE wordt de rol vervangen door een andere, "en daaraan werden nog veel dergelijke woorden toegevoegd" (vers 32). Door zijn handelen bracht de koning nog een zwaardere straf over zich heen (vers 30 en 31; Spreuken 13 vers 13).

Wat zijn er, ook vandaag, nog veel mensen die het Woord van God verachten, ook al zullen ze (misschien) niet direct het vermetele doen van koning Jojakim navolgen (Psalm 50 vers 17; 1 Johannes 4 vers 6)!

Jeremia 37:1-21
1En Zedekia, zoon van Josia, regeerde, koning zijnde, in plaats van Chonja, Jojakims zoon, welken Zedekia Nebukadrezar, de koning van Babel, koning gemaakt had in het land van Juda.2Maar hij hoorde niet, hij, noch zijn knechten, noch het volk des lands, naar de woorden des HEEREN, die Hij sprak door den dienst van den profeet Jeremia.3Nochtans zond de koning Zedekia Juchal, den zoon van Selemja, en Sefanja, den zoon van Maaseja, den priester, tot den profeet Jeremia, om te zeggen: Bid toch voor ons tot den HEERE, onzen God!4(Want Jeremia was nog ingaande en uitgaande in het midden des volks, en zij hadden hem nog in het gevangenhuis niet gesteld.5En Farao's heir was uit Egypte uitgetogen; en de Chaldeen, die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zo waren zij van Jeruzalem opgetogen.)6Toen geschiedde des HEEREN woord tot den profeet Jeremia, zeggende:7Zo zegt de HEERE, de God Israels: Zo zult gijlieden zeggen tot den koning van Juda, die u tot Mij gezonden heeft, om Mij te vragen: Ziet, Farao's heir, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal wederkeren in zijn land, in Egypte;8En de Chaldeen zullen wederkeren, en tegen deze stad strijden; en zij zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden.9Zo zegt de HEERE: Bedriegt uw zielen niet, zeggende: De Chaldeen zullen zekerlijk van ons wegtrekken; want zij zullen niet wegtrekken.10Want al sloegt gijlieden het ganse heir der Chaldeen, die tegen u strijden, en er bleven van hen enige verwonde mannen over, zo zouden zich die, een iegelijk in zijn tent, opmaken, en deze stad met vuur verbranden.11Voorts geschiedde het, als het heir der Chaldeen van Jeruzalem was opgetogen, vanwege Farao's heir;12Dat Jeremia uit Jeruzalem uitging, om te gaan in het land van Benjamin, om van daar te scheiden door het midden des volks.13Als hij in de poort van Benjamin was, zo was daar de wachtmeester, wiens naam was Jerija, de zoon van Selemja, den zoon van Hananja; die greep den profeet Jeremia, zeggende: Gij wilt tot de Chaldeen vallen!14En Jeremia zeide: Het is vals, ik wil niet tot de Chaldeen vallen. Doch hij hoorde niet naar hem; maar Jerija greep Jeremia aan, en bracht hem tot de vorsten.15En de vorsten werden zeer toornig op Jeremia en sloegen hem; en zij stelden hem in het gevangenhuis, ten huize van Jonathan, den schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt.16Als Jeremia in de plaats des kuils, en in de kotjes gekomen was, en Jeremia aldaar veel dagen gezeten had;17Zo zond de koning Zedekia henen, en liet hem halen; en de koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgen, en zeide: Is er ook een woord van den HEERE? En Jeremia zeide: Er is; en hij zeide: Gij zult in de hand des konings van Babel gegeven worden.18Voorts zeide Jeremia tot den koning Zedekia: Wat heb ik tegen u, of tegen uw knechten, of tegen dit volk gezondigd, dat gijlieden mij in het gevangenhuis gesteld hebt?19Waar zijn nu ulieder profeten, die u geprofeteerd hebben, zeggende: De koning van Babel zal niet tegen ulieden, noch tegen dit land komen.20Nu dan, hoor toch, o mijn heer koning! laat toch mijn smeking voor uw aangezicht nedervallen, en breng mij niet weder in het huis van Jonathan, den schrijver, opdat ik aldaar niet sterve.21Toen gaf de koning Zedekia bevel; en zij bestelden Jeremia in het voorhof der bewaring, en men gaf hem des daags een bol broods uit de Bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Alzo bleef Jeremia in het voorhof der bewaring.

Hoofdstuk 37 verplaatst ons weer in de tijd van Zedekia. Minder goddeloos, maar toch zwakker dan zijn voorganger, is ook deze koning doof gebleven voor alle woorden van God. Net als al in hoofdstuk 21 vormt dit echter geen verhindering voor Zedekia om Jeremia om raad te vragen en om zijn voorbede te vragen.

Vaak zijn wij meer geneigd de Heere om iets te vragen dan te luisteren naar hetgeen Hij ons te zeggen heeft! Willen wij echter graag dat Hij onze gebeden verhoort, dan moeten wij eerst beginnen met Hem te gehoorzamen (Johannes 15 vers 7)!

Een tijd lang lijken de gebeurtenissen in tegenspraak te zijn met hetgeen de profeet heeft aangekondigd. In plaats van Jeruzalem in te nemen, hebben de Chaldeeën, die door het leger van Egypte bedreigd worden, de belegering opgeheven en zijn weggetrokken. Het lijkt erop dat de stad bevrijd is. Maar de Heere herinnert Jeremia eraan dat deze situatie van voorbijgaande aard is. Jeremia wil de gelegenheid aangrijpen en de stad verlaten, maar hij wordt herkend, van verraad beschuldigd en naar de vorsten gebracht.

Ten tijde van Jojakim lijken de vorsten betere voorschriften gegeven hebben dan de koning (hoofdstuk 36 vers 19). Onder Zedekia is het juist omgekeerd. Nadat Jeremia door de vorsten geslagen en in de gevangenis geworpen is, laat de koning hem halen voor een bespreking en verbetert de koning de omstandigheden van de gevangene.

Jeremia 38:1-13
1Als Sefatja, de zoon van Matthan, en Gedalia, de zoon van Pashur, en Juchal, de zoon van Selemja, en Pashur, de zoon van Malchia, de woorden hoorden, die Jeremia tot al het volk sprak, zeggende:2Zo zegt de HEERE: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door den honger of door de pestilentie sterven; maar wie tot de Chaldeen uitgaat, die zal leven, want hij zal zijn ziel tot een buit hebben, en zal leven.3Zo zegt de HEERE: Deze stad zal zekerlijk gegeven worden in de hand van het heir des konings van Babel, datzelve zal ze innemen;4Zo zeiden de vorsten tot den koning: Laat toch dezen man gedood worden; want aldus maakt hij de handen der krijgslieden, die in deze stad zijn overgebleven, en de handen des gansen volks slap, alzulke woorden tot hen sprekende; want deze man zoekt den vrede dezes volks niet, maar het kwaad.5En de koning Zedekia zeide: Ziet, hij is in uw hand; want de koning zou geen ding tegen u vermogen.6Toen namen zij Jeremia en wierpen hem in den kuil van Malchia, den zoon van Hammelech, die in het voorhof der bewaring was, en zij lieten Jeremia af met zelen; in den kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk.7Als nu Ebed-melech, de Moorman, een der kamerlingen, die toen in des konings huis was, hoorde, dat zij Jeremia in den kuil gedaan hadden (de koning nu zat in de poort van Benjamin);8Zo ging Ebed-melech uit het huis des konings uit, en hij sprak tot den koning, zeggende:9Mijn heer koning! deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles, wat zij gedaan hebben aan den profeet Jeremia, dien zij in den kuil geworpen hebben; daar hij toch in zijn plaats zou gestorven zijn vanwege den honger, dewijl geen brood meer in de stad is.10Toen gebood de koning den Moorman Ebed-melech, zeggende: Neem van hier dertig mannen onder uw hand, en haal den profeet Jeremia op uit den kuil, eer dat hij sterft.11Alzo nam Ebed-melech de mannen onder zijn hand, en ging in des konings huis tot onder de schatkamer, en nam van daar enige oude verscheurde en oude versleten lompen; en hij liet ze met zelen af tot Jeremia in den kuil.12En Ebed-melech, de Moorman, zeide tot Jeremia: Leg nu deze oude verscheurde en versleten lompen onder de oksels uwer armen, van onder aan de zelen. En Jeremia deed alzo.13En zij trokken Jeremia bij de zelen, en haalden hem op uit de kuil; en Jeremia bleef in het voorhof der bewaring.

De vorsten zijn ontzettend kwaad op Jeremia en beschuldigen hem van doemdenken, van het verspreiden van demotiverende informatie. Ze krijgen van de koning de benodigde volmacht om Jeremia in de kuil te werpen en hem daar te laten sterven. De nood van deze man van God is enorm groot in deze modderige kuil! Hij roept echter de Naam van de HEERE aan en ontvangt een kostbaar antwoord: "Vrees niet!" (lees Klaagliederen 3 vers 52 - 57). De bevrijding is aanstaande. God heeft het werktuig daartoe voorbereid: iemand die zelfs niet tot het volk behoorde, een zwarte dienstknecht van het paleis, genaamd Ebed-Melech. (Hij doet ons denken aan de jongeling die door God gebruikt werd om Paulus te bevrijden; Handelingen 23 vers 16.) Zedekia is gemakkelijk te beïnvloeden, zowel ten goede als ten kwade, en laat zich weer bepraten. En dan lezen we over de moeilijke opdracht om Jeremia uit het slijk op te trekken, hetgeen de opoffering van Ebed-Melech nog meer naar voren laat komen.

Vals beschuldigd, geslagen, in de vreselijke kuil geworpen, in dat alles is Jeremia een bijzonder beeld van de Heere Jezus. Bij het lezen van de laatste woorden van vers 6 gaan onze gedachten uit naar Psalm 69 vers 3: "Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan..." Dat is een beeld van het lijden en de dood van Christus. En vers 13 kan vergeleken worden met het begin van Psalm 40, dat betrekking heeft op de opstanding van Christus: "En Hij heeft Mij uit een ruisende kuil, uit modderig slijk opgehaald..."

Jeremia 38:14-28
14Toen zond de koning Zedekia henen, en liet den profeet Jeremia tot zich halen, in den derden ingang, die aan des HEEREN huis was; en de koning zeide tot Jeremia: Ik zal u een ding vragen, verheel geen ding voor mij.15En Jeremia zeide tot Zedekia: Als ik het u verklaren zal, zult gij mij niet zekerlijk doden? En als ik u raad zal geven, gij zult toch naar mij niet horen.16Toen zwoer de koning Zedekia aan Jeremia in het verborgene, zeggende: Zo waarachtig als de HEERE leeft, Die ons deze ziel gemaakt heeft: Indien ik u zal doden, of indien ik u zal overgeven in de hand dezer mannen, die uw ziel zoeken!17Jeremia dan zeide tot Zedekia: Zo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de God Israels: Indien gij gewilliglijk tot de vorsten des koning van Babel zult uitgaan, zo zal uw ziel leven, en deze stad zal niet verbrand worden met vuur; en gij zult leven, gij en uw huis.18Maar indien gij tot de vorsten des konings van Babel niet zult uitgaan, zo zal deze stad gegeven worden in de hand der Chaldeen, en zij zullen ze met vuur verbranden; ook zult gij van hunlieder hand niet ontkomen.19En de koning Zedekia zeide tot Jeremia: Ik ben bevreesd voor de Joden, die tot de Chaldeen gevallen zijn, dat zij mij misschien in derzelver hand overgeven, en zij den spot met mij drijven.20En Jeremia zeide: Zij zullen u niet overgeven; wees toch gehoorzaam aan de stem des HEEREN, naar dewelke ik tot u spreek; zo zal het u welgaan, en uw ziel zal leven.21Maar indien gij weigert uit te gaan, zo is dit het woord, dat de HEERE mij heeft doen zien;22Ziedaar, al de vrouwen, die in het huis des konings van Juda zijn overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de vorsten des konings van Babel; en dezelve zullen zeggen: Uw vredegenoten hebben u aangehitst, en hebben u overmocht; uw voeten zijn in den modder gezonken; zij zijn achterwaarts gekeerd!23Zij zullen dan al uw vrouwen en al uw zonen tot de Chaldeen uitvoeren; ook zult gij zelf van hun hand niet ontkomen; maar gij zult door de hand des konings van Babel gegrepen worden, en gij zult deze stad met vuur verbranden.24Toen zeide Zedekia tot Jeremia: Dat niemand wete van deze woorden, zo zult gij niet sterven.25En als de vorsten zullen horen, dat ik met u gesproken heb, en tot u komen, en tot u zeggen: Verklaar ons nu, wat hebt gij tot den koning gesproken? verheel het niet voor ons, zo zullen wij u niet doden; en wat heeft de koning tot u gesproken?26Zo zult gij tot hen zeggen: Ik wierp mijn smeking voor des konings aangezicht neder, dat hij mij niet zou weder laten brengen in Jonathans huis, om aldaar te sterven.27Als dan al de vorsten tot Jeremia kwamen, en hem vraagden, verklaarde hij hun, naar al deze woorden, die de koning geboden had; en zij lieten van hem af, omdat de zaak niet was gehoord.28En Jeremia bleef in het voorhof der bewaring tot op den dag, dat Jeruzalem werd ingenomen; en hij was er nog, als Jeruzalem was ingenomen.

Overvallen door zorg en onzekerheid, laat de arme Zedekia opnieuw, in het geheim, Jeremia roepen. Die zegt tegen hem dat hij uit moet gaan tot de vorsten van de Chaldeeën en zich over moet geven. Hij waarschuwt hem voor wat hem te wachten staat wanneer hij dat niet doet: dan dreigt hem dat zijn voeten zullen wegzinken in de modder (vers 22).

Als Jeremia dit zegt, denkt hij ongetwijfeld aan dat wat hijzelf, nog niet zo lang geleden, heeft meegemaakt. Maar wat bestaat er een groot verschil tussen deze twee mannen! Hoewel Zedekia de wil van God heel goed kende, miste hij de kracht om die wil te doen, omdat hij beheerst werd door vrees voor mensen: voor de Chaldeeën en de vorsten (vers 5 en 25), vrees voor de al weggevoerde Joden (vers 19; zie Spreuken 29 vers 25). De ware vreze Gods schijnt hem vreemd te zijn. Ja, wat een verschil, in vergelijking met het vaste vertrouwen dat Jeremia heeft door het geloof.

Deze ontmoeting herinnert ons aan de gebeurtenis uit Handelingen 26, waar de gevangene Paulus voor koning Agrippa verschijnt. Paulus kan met "vrijmoedigheid" tot hem spreken (vers 26) en besluit met de woorden: "Ik wenste wel van God dat ... niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen, zo werden zoals ik ben, uitgenomen deze banden" (vers 29).

Geve de Heere dat ook wij — net zoals een Jeremia en een Paulus in Zijn kracht konden doen — de mensen moedig tegemoet treden, omdat de Hij met ons is (Hebreeën 13 vers 6).

Jeremia 39:1-18
1In het negende jaar van Zedekia, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar, de koning van Babel, en al zijn heir, tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar.2In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op den negenden der maand, werd de stad doorgebroken.3En alle vorsten des konings van Babel togen henen in, en hielden bij de middelste poort; namelijk Nergal-Sarezer Samgar-Nebu, Sarsechim Rab-Saris, Nergal-Sarezer Rab-Mag, en al de overige vorsten des konings van Babel.4En het geschiedde, als Zedekia, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zo vloden zij, en togen bij nacht uit de stad, door den weg van des konings hof, door de poort tussen de twee muren; en hij toog uit door den weg des vlakken velds.5Doch het heir der Chaldeen jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem, en brachten hem opwaarts tot Nebukadrezar, den koning van Babel, naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit.6En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia te Ribla voor zijn ogen; ook slachtte de koning van Babel alle edelen van Juda.7En hij verblindde de ogen van Zedekia, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren.8En de Chaldeen verbrandden het huis des konings en de huizen des volks met vuur; en zij braken de muren van Jeruzalem af.9Het overige nu des volks, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen, die tot hem gevallen waren, met het overige des volks, die overgebleven waren, voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk naar Babel.10Maar van het volk, die arm waren, die niet met al hadden, liet Nebuzaradan, de overste der trawanten, enigen overig in het land van Juda; en hij gaf hun te dien dage wijngaarden en akkers.11Maar van Jeremia had Nebukadrezar, de koning van Babel, bevel gegeven in de hand van Nebuzaradan, den overste der trawanten, zeggende:12Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe alzo met hem.13Zo zond Nebuzaradan, de overste der trawanten, mitsgaders Nebusazban Rab-Saris en Nergal-Sarezer Rab-Mag, en al de oversten des konings van Babel;14Zij zonden dan henen en namen Jeremia uit het voorhof der bewaring, en gaven hem over aan Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, dat hij hem henen uitbracht naar huis; alzo bleef hij in het midden des volks.15Het woord des HEEREN was ook tot Jeremia geschied, als hij in het voorhof der bewaring besloten was, zeggende:16Ge henen, en spreek tot Ebed-melech, den Moorman, zeggende: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Zie, Ik zal Mijn woorden brengen over deze stad, ten kwade en niet ten goede; en zij zullen te dien dage voor uw aangezicht zijn.17Maar Ik zal u te dien dage redden, spreekt de HEERE; en gij zult niet overgegeven worden in de hand der mannen, voor welker aangezicht gij vreest.18Want Ik zal u zekerlijk bevrijden, en gij zult door het zwaard niet vallen; maar gij zult uw ziel tot een buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de HEERE.

Nu gebeurde het tragische: Jeruzalem wordt ingenomen! Zedekia en zijn krijgslieden proberen door de tuin te vluchten, maar het is te laat! Ze worden vervolgd, gegrepen en voor de koning van Babel geleid. Elf jaar eerder had Nebukadnezar zelf Zedekia op de troon van Juda gezet en hem, bij God, een eed van trouw laten zweren (2 Kronieken 36 vers 13; Ezechiël 17 vers 18 - 20). Doordat Zedekia, met ondersteuning van Egypte, het waagde in opstand te komen (hoofdstuk 37 vers 7), had hij zijn woord gebroken en de vijanden van Israël getoond hoe weinig respect de Israëlieten in feite hadden voor de Naam van de HEERE, waar Nebukadnezar juist wel waarde aan hechtte. Daarom werd deze laffe koning, die zo gemakkelijk zijn eed verbrak, getroffen door zo'n gruwelijke straf.

In de verzen 15 - 18 wordt een persoonlijk woord aan Ebed-Melech gericht. God kende zijn angst (vers 17) — zoals Hij ook alles kent wat ons onrustig maakt — en Hij veroordeelt hem er niet om. Terwijl de vrees van Zedekia hem ertoe bracht op mensen te vertrouwen, om aan andere mensen te ontkomen, werd Ebed-Melech door de doorstane angst juist teruggeworpen op de God van Israël. "...omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de HEERE" (vers 18). Een prachtig getuigenis, dat deze nederige, vreemde slaaf toegang verleent tot de beloften van genade uit hoofdstuk 17 vers 7 en 8 (vergelijk Psalm 37 vers 3, 39 en 40; Ruth 2 vers 12).

Jeremia 40:1-10
1Het woord, dat van den HEERE geschied is tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de overste der trawanten, hem had laten gaan van Rama; als hij hem had laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden aller gevangenen van Jeruzalem en Juda, die naar Babel gevankelijk werden weggevoerd.2Want de overste der trawanten liet Jeremia halen, en zeide tot hem: De HEERE, uw God, heeft dit kwaad over deze plaats gesproken.3En de HEERE heeft het doen komen, en gedaan, gelijk als Hij gesproken had; want gijlieden hebt gezondigd tegen den HEERE, en Zijner stem niet gehoorzaamd; daarom is ulieden deze zaak geschied.4Nu dan, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; indien het goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar indien het kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het ganse land is voor uw aangezicht, waarhenen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar.5En dewijl hij nog niet zal wederkeren, zo keer gij tot Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, dien de koning van Babel over de steden van Juda gesteld heeft; en woon bij hem in het midden des volks; of overal, waar het in uw ogen recht is te gaan, ga er henen. En de overste der trawanten gaf hem reiskost en een geschenk, en liet hem gaan.6Alzo kwam Jeremia tot Gedalia, den zoon van Ahikam, te Mizpa; en hij woonde bij hem in het midden des volks, die in het land waren overgelaten.7Toen nu alle oversten der heiren, die in het veld waren, zij en hun mannen, hoorden, dat de koning van Babel Gedalia, den zoon van Ahikam, over het land gesteld had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen, en de vrouwen, en de kinderkens, en van de armsten des lands, van degenen, die niet naar Babel gevankelijk waren weggevoerd;8Zo kwamen zij tot Gedalia te Mizpa, namelijk, Ismael, de zoon van Nethanja, en Johanan en Jonathan, de zonen van Kareah, en Seraja, de zoon van Tanhumeth, en de zonen van Efai, den Netofathiet, en Jezanja, de zoon eens Maachathiets, zij en hun mannen.9En Gedalia, de zoon van Ahikam, den zoon van Safan, zwoer hun en hun mannen, zeggende: Vreest niet van de Chaldeen te dienen; blijft in het land, en dient den koning van Babel, zo zal het u welgaan.10En ziet, ik woon te Mizpa, om te staan voor het aangezicht der Chaldeen, die tot ons zullen komen; gijlieden dan verzamelt wijn, en zomervruchten, en olie, en doet ze in uw vaten, en woont in uw steden, die gij hebt ingenomen.

Hoe was het, tijdens deze gebeurtenissen, met Jeremia afgelopen? Hij was "tot de dag, dat Jeruzalem werd ingenomen" in de gevangenis gebleven (hoofdstuk 38 vers 28). Daarna werd hij, samen met de andere gevangenen, geboeid en behoorde hij, tot aan Rama, bij de verdrietige stoet van hen die verbannen werden.

Nebuzaradan, de overste van de lijfwacht, aan wie de gevangenen toevertrouwd waren, kreeg persoonlijk van de koning van Babel welwillende aanwijzingen met betrekking tot Jeremia. Er mag hem niet alleen niets overkomen, maar de profeet wordt zelfs gevraagd zelf over zijn eigen lot te beslissen. Wat moet hij doen? Zou hij naar Babel gaan, waar de "goede vijgen" van hoofdstuk 24 waren, de weggevoerden, aan wie de HEERE beloofd had hen te zullen beschermen en te zegenen? Of zou hij bij de minderwaardigen van het land blijven, die men in Juda had achtergelaten? Ondanks de vrijheid die hem aangeboden werd, zag de profeet ervan af zelf te kiezen (vers 5), en daarmee leert hij ons opnieuw een lesje in afhankelijkheid. Het gaat hem er niet om, of hij het zelf naar de zin heeft, maar hij verlangt ernaar om dáár te zijn waar God hem voor Zijn dienst wil hebben.

Zonder speciale aanwijzingen van boven laat Jeremia de keuze over aan de overste van de lijfwacht en erkent hij vervolgens de raad die hem gegeven wordt, als de wil van God.

Jeremia 40:11-16; Jeremia 41:1-10
11Als ook al de Joden, die in Moab, en onder de kinderen Ammons, en in Edom, en die in al die landen waren, hoorden, dat de koning van Babel in Juda een overblijfsel gelaten had; en dat hij Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, over hen gesteld had;12Zo keerden al de Joden weder uit al de plaatsen, waarhenen zij gedreven waren, en kwamen in het land van Juda tot Gedalia te Mizpa; en zij verzamelden zeer veel wijns en zomervruchten.13Doch Johanan, de zoon van Kareah, en alle oversten der heiren, die in het veld waren, kwamen tot Gedalia te Mizpa;14En zeiden tot hem: Weet gij wel, dat Baalis, de koning der kinderen Ammons, Ismael, den zoon van Nethanja, uitgezonden heeft, om u aan het leven te slaan? Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, geloofde hen niet.15Johanan nochtans, de zoon van Kareah, sprak tot Gedalia, in het verborgene, te Mizpa, zeggende: Laat mij toch henengaan, en Ismael, den zoon van Nethanja, slaan, en niemand zal het weten; waarom zou hij u aan het leven slaan, en gans Juda, die tot u vergaderd zijn, verstrooid worden, en het overblijfsel van Juda verloren gaan?16Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, zeide tot Johanan, den zoon van Kareah: Doe deze zaak niet, want gij spreekt vals van Ismael.
1Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismael, de zoon van Nethanja, den zoon van Elisama, van koninklijken zade, en de oversten des konings, te weten tien mannen, met hem kwamen tot Gedalia, den zoon van Ahikam, te Mizpa; en zij aten aldaar brood te zamen, te Mizpa.2En Ismael, de zoon van Nethanja, maakte zich op, mitsgaders de tien mannen, die met hem waren, en zij sloegen Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, met het zwaard; alzo doodde hij hem, dien de koning van Babel over het land gesteld had.3Ook sloeg Ismael al de Joden, die met hem, namelijk met Gedalia, te Mizpa waren, en de Chaldeen, de krijgslieden, die aldaar gevonden werden.4Het geschiedde nu op den tweeden dag, nadat hij Gedalia gedood had, en niemand het wist;5Zo kwamen er lieden van Sichem, van Silo, en van Samaria, tachtig man, hebbende den baard afgeschoren, en de klederen gescheurd, en zichzelven gesneden; en spijsoffer en wierook waren in hun hand, om ten huize des HEEREN te brengen.6En Ismael, de zoon van Nethanja, ging uit van Mizpa hun tegemoet, al gaande en wenende; en het geschiedde, als hij hen aantrof dat hij zeide: Komt tot Gedalia, den zoon van Ahikam!7Maar het geschiedde, als zij in het midden der stad gekomen waren, dat Ismael, de zoon van Nethanja, hen keelde, en wierp hen in het midden des kuils, hij en de mannen, die met hem waren.8Doch onder hen werden tien mannen gevonden, die tot Ismael zeiden: Dood ons niet, want wij hebben verborgen schatten in het veld, van tarwe, en gerst, en olie, en honig. Zo liet hij af, en doodde ze niet in het midden hunner broederen.9De kuil nu, waarin Ismael al de dode lichamen der mannen, die hij aan de zijde van Gedalia geslagen had, henenwierp, is dezelfde, dien de koning Asa maakte vanwege Baesa, den koning Israels; dezen vulde Ismael, de zoon van Nethanja, met de verslagenen.10En Ismael voerde het ganse overblijfsel des volks, dat te Mizpa was, gevankelijk, te weten des konings dochteren, en al het volk, die te Mizpa waren overgelaten, die Nebuzaradan, de overste der trawanten, aan Gedalia, den zoon van Ahikam, bevolen had; Ismael dan, den zoon van Nethanja, voerde ze gevankelijk weg, en toog henen, om over te gaan tot de kinderen Ammons.

Met de verwoesting van Jeruzalem en de gevangenneming van haar laatste koning heeft Nebukadnezar elke mogelijkheid tot opstand in het koninkrijk Juda de kop ingedrukt. Toch heeft hij een aantal van de armste bewoners achtergelaten, opdat het land niet helemaal aan de verwoesting prijsgegeven zou worden. En hij heeft Gedalia, een overste die in de gunst staat bij allen, aangesteld om toezicht te houden.

We zien, gedurende deze tijd, dat de HEERE in genade waakt over hen die ontkwamen aan de wegvoering, door hun een rijke oogst te geven (hoofdstuk 40 vers 12; vergelijk Spreuken 30 vers 25).

Maar helaas, deze tijd van gunst is niet blijvend. God, Die de harten kent, laat opnieuw tragische dingen gebeuren, opdat hun toestand openbaar wordt. In de persoon van de koning van de kinderen van Ammon (hoofdstuk 40 vers 14) verschijnt er een oude vijand van Israël ten tonele, van wie men aangenomen had dat hij overwonnen was. Maar hij bestaat nog steeds, en zijn boosaardige neigingen zijn niet veranderd; de zwakheid van het volk biedt hem nu de gelegenheid om dat te tonen.

Zo is het ook bij satan, onze grote tegenstander. Hij legt nooit z'n wapens neer en probeert altijd zijn voordeel te doen met datgene waardoor onze weerstand verzwakt wordt: moeheid, traagheid, gebrek aan waakzaamheid, enzovoort.

Met behulp van Baälis organiseert Ismaël, die ongetwijfeld jaloers was op de machtspositie van Gedalia, een samenzwering om Gedalia en de Joden die bij hem waren in Mizpa, op een laffe manier te vermoorden.

Jeremia 41:11-18; Jeremia 42:1-6
11Toen nu Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten der heiren, die met hem waren, al het kwaad hoorden, dat Ismael, de zoon van Nethanja, gedaan had;12Zo namen zij al de mannen, en togen henen, om met Ismael, den zoon van Nethanja, te strijden; en zij vonden hem aan het grote water, dat bij Gibeon is.13En het geschiedde, als het volk, dat met Ismael was, Johanan zag, den zoon van Kareah, en al de oversten der heiren, die met hem waren, zo werden zij verblijd.14En al het volk, dat Ismael van Mizpa gevankelijk had weggevoerd, wendde zich om; en zij keerden zich en gingen over tot Johanan, den zoon van Kareah.15Doch Ismael, de zoon van Nethanja, ontkwam van Johanans aangezicht, met acht mannen, en hij toog tot de kinderen Ammons.16Toen nam Johanan, de zoon van Kareah, mitsgaders al de oversten der heiren, die met hem waren, het ganse overblijfsel des volks, dat hij wedergebracht had van Ismael, den zoon van Nethanja, van Mizpa, (nadat hij Gedalia, den zoon van Ahikam, geslagen had) te weten de mannen, die krijgslieden waren, en de vrouwen, en kinderkens, en kamerlingen, die hij van Gibeon had wedergebracht;17En zij togen henen, en sloegen zich neder te Geruth-Chimham, dat bij Bethlehem is, om voort te trekken, dat zij in Egypte kwamen.18Voor het aangezicht der Chaldeen; want zij vreesden voor hunlieder aangezicht, omdat Ismael, de zoon van Nethanja, Gedalia, den zoon van Ahikam, geslagen had, dien de koning van Babel over het land gesteld had.
1Toen traden toe alle oversten der heiren, Johanan, de zoon van Kareah, en Jezanja, de zoon van Hosaja, en al het volk, van den kleinste tot den grootste toe;2En zij zeiden tot den profeet Jeremia: Laat toch onze smeking voor uw aangezicht nedervallen, en bid voor ons tot den HEERE, uw God, voor dit ganse overblijfsel; want wij zijn weinigen van velen overgelaten, gelijk als uw ogen ons zien;3Dat ons de HEERE, uw God, bekend make den weg, dien wij zullen ingaan, en de zaak, die wij zullen doen.4En de profeet Jeremia zeide tot hen: Ik heb het gehoord; ziet, ik zal tot den HEERE, uw God, bidden naar uw woorden; en het zal geschieden, het ganse woord, dat de HEERE u zal antwoorden, zal ik u bekend maken, ik zal u niet een woord onthouden.5Toen zeiden zij tot Jeremia: De HEERE zij tussen ons tot een waarachtig en gewis Getuige: indien wij niet naar alle woord, met hetwelk u de HEERE, uw God, tot ons zal zenden, alzo zullen doen!6Hetzij dan goed of kwaad, wij zullen der stem des HEEREN, onzes Gods, tot Welken wij u zenden, gehoorzaam zijn; opdat het ons welga, wanneer wij der stem des HEEREN, onzes Gods, zullen gehoorzaam zijn.

Het bericht van het verschrikkelijke bloedbad van Mizpa was Johanan ter ore gekomen. Snel trok hij op tegen de troep van Ismaël. Bij zijn komst haastte het gehele volk dat Ismaël gevangen genomen had en naar de kinderen van Ammon wilde brengen, zich om zich bij Johanan aan te sluiten. Ismaël zelf komt tot de conclusie dat hij met een overmacht te doen heeft, ontvlucht met acht mannen en vindt een toevlucht bij Baslis, zijn beschermer. Johanan en het bevrijde volk hielden daarentegen halt bij Geruth-Chimham, een herberg. (Misschien dezelfde als die waarin later geen plaats werd gevonden voor de Zoon van God; Lukas 2 vers 7.)

Maar voor deze arme mensen is het gevaar geenszins geweken. Door de moord op de overste die de koning van Babel over het volk had aangesteld, waren de Joden nu blootgesteld aan de toorn van de koning, zodra hij ervan hoorde. Nebukadnezar, die door de herhaaldelijke opstanden van het volk van Juda tot het uiterste gedreven werd, zal niet anders kunnen dan met grote gestrengheid ingrijpen. Deze keer moeten de onschuldigen voor de schuldigen boeten. In hun angst en radeloosheid wenden Johanan en zijn begeleiders zich, naar het schijnt, heel nederig, tot Jeremia, die we hier in hun midden vinden. Hij is de drager van het Woord van God. En dat is — we herhalen het nog een keer — de enige Bron van licht voor dit volk (Psalm 119 vers 105). Maar... dat geldt zeer zeker ook voor ons!

Jeremia 42:7-22
7En het gebeurde ten einde van tien dagen, dat des HEEREN woord tot Jeremia geschiedde.8Toen riep hij Johanan, den zoon van Kareah, en alle oversten der heiren, die met hem waren, en al het volk, van den kleinste af tot den grootste toe;9En hij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israels, tot Welken gij mij gezonden hebt, om uw smeking voor Zijn aangezicht neder te werpen:10Indien gijlieden in dit land zult blijven wonen, zo zal Ik u bouwen en niet afbreken, en u planten en niet uitrukken; want Ik heb berouw over het kwaad, dat Ik u aangedaan heb.11Vreest niet voor het aangezicht des konings van Babel, voor wiens aangezicht gij vreest; vreest niet voor hem, spreekt de HEERE; want Ik zal met u zijn, om u te behouden en u van zijn hand te redden.12En Ik zal ulieden barmhartigheid geven, dat hij zich uwer erbarme, en u weder in uw land brenge.13Maar zo gijlieden zult zeggen: Wij zullen in dit land niet blijven; opdat gij der stem des HEEREN, uws Gods, niet gehoorzaam zijt,14Zeggende: Neen, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij geen krijg zullen zien, noch het geluid der bazuin horen, noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven;15Nu dan, daarom hoort des HEEREN woord, gij overblijfsel van Juda! Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Indien gij ganselijk uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult henen ingaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren;16Zo zal het geschieden, dat het zwaard, waar gij voor vreest, u aldaar in Egypteland zal achterhalen; en de honger, waar gij voor zorgt, zal u aldaar in Egypte achter aankleven, en gij zult aldaar sterven.17Zo zullen al de mannen zijn, die hun aangezichten stellen, om in Egypte te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren; zij zullen sterven door het zwaard, door den honger en door de pestilentie; en zij zullen niemand hebben, die overblijve of ontkome van het kwaad, dat Ik over hen zal brengen.18Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Gelijk als Mijn toorn, en Mijn grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, alzo zal Mijn grimmigheid over ulieden uitgestort worden, als gij in Egypte zult gekomen zijn; en gij zult wezen tot een vervloeking, en tot een ontzetting, en tot een vloek, en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien.19De HEERE heeft tegen ulieden gesproken, gij overblijfsel van Juda! Gaat niet in Egypte; weet zekerlijk, dat ik heden tegen u betuigd heb.20Gewisselijk, gij hebt uw zielen verleid; want gij hebt mij tot den HEERE, uw God, gezonden, zeggende: Bid voor ons tot den HEERE, onzen God, en naar alles, wat de HEERE, onze God, zal zeggen, alzo maak het ons bekend, en wij zullen het doen.21Nu heb ik het u heden bekend gemaakt; maar gij hebt niet gehoord naar de stem des HEEREN, uws Gods, noch naar al hetgeen, met hetwelk Hij mij tot u gezonden heeft.22Zo weet nu zekerlijk, dat gij door het zwaard, door den honger en door de pestilentie sterven zult, ter plaatse, waar het u gelust heeft henen te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren.

Doordat ze bedreigd werden door de vergeldingsmaatregelen van de koning van Babel, hadden Johanan en zijn begeleiders Jeremia om raad gevraagd.

Denk aan de Heere Jezus, van Wie deze profeet al vaker een beeld geweest is. Hij is altijd bij ons. Laten we nooit nalaten om Hem onze moeilijkheden en angsten bekend te maken.

Tien dagen gaan voorbij. De profeet haast zich niet met zijn antwoord, maar wacht zelf op de openbaring van de gedachten van God.

Waarom laat de Heere ons soms wachten op de verhoring van onze gebeden? Hij wil daardoor ons vertrouwen op Hem op de proef stellen. Het geloof is altijd geduldig. Daarom zal de tijd het leren of ons gebed een gebed van geloof was of, integendeel, dat we, moe van het wachten, zélf een oplossing voor ons probleem gezocht hebben.

De volgende vraag komt op: Moesten ze naar Egypte trekken of in het land blijven? Bij monde van Jeremia laat God Zijn antwoord, vol van genade, maar onherroepelijk, weten: Blijf in het land! Daar zullen jullie gezegend worden. De koning van Babel zal jullie welwillendheid en barmhartigheid betonen. Als jullie naar Egypte zouden trekken, dan zou dat tot jullie verderf zijn.

Gelovige vrienden, hoe de weg die voor ons ligt, ook zijn zal, laten we er altijd voor oppassen die te gaan zonder eerst de wil van de Heere te kennen!

Jeremia 43:1-13
1En het geschiedde, als Jeremia geeindigd had tot het ganse volk te spreken al de woorden des HEEREN, huns Gods, met dewelke hem de HEERE, hun God, tot hen gezonden had, te weten al die woorden,2Zo sprak Azaria, de zoon van Hosaja, en Johanan, de zoon van Kareah, en al de trotse mannen, zeggende tot Jeremia: Gij spreekt leugen; de HEERE, onze God, heeft u niet gezonden, om te zeggen: Gijlieden zult niet gaan in Egypte, om aldaar als vreemdelingen te verkeren.3Maar Baruch, de zoon van Nerija, hitst u tegen ons op, opdat hij ons overgeve in de hand der Chaldeen, dat zij ons doden en ons gevankelijk naar Babel wegvoeren.4Alzo gehoorzaamde Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten der heiren, en al het volk, der stem des HEEREN niet, om in het land van Juda te blijven.5Maar Johanan, de zoon van Kareah, en al de oversten der heiren namen het ganse overblijfsel van Juda, die van al de heidenen, waar zij waren henengedreven, wedergekeerd waren, om in het land van Juda te wonen;6De mannen, en de vrouwen, en de kinderkens, en des konings dochteren, en alle ziel, die Nebuzaradan, de overste der trawanten, bij Gedalia, den zoon van Ahikam, den zoon van Safan, gelaten had, ook den profeet Jeremia, en Baruch, den zoon van Nerija;7En zij togen in Egypteland, want zij waren der stem des HEEREN niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes.8Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremia te Tachpanhes, zeggende:9Neem grote stenen in uw hand, en verberg ze in de klei in den ticheloven, die bij de deur van Farao's huis te Tachpanhes is, voor de ogen der Joodse mannen;10En zeg tot hen: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal henenzenden, en Nebukadrezar, den koning van Babel, Mijn knecht, halen, en Ik zal zijn troon zetten boven op deze stenen, die Ik verborgen heb; en hij zal zijn schone tent daarover spannen.11En hij zal komen en Egypteland slaan: wie ten dood, ten dode; en wie ter gevangenis, ter gevangenis; en wie ten zwaard, ten zwaarde.12En Ik zal een vuur aansteken in de huizen der goden van Egypte, en hij zal ze verbranden, en gevankelijk wegvoeren; en hij zal Egypteland aantrekken, gelijk als een herder zijn kleed aantrekt, en hij zal van daar uittrekken in vrede.13En hij zal de opgerichte beelden van Beth-Semes, hetwelk in Egypteland is, verbreken; en hij zal de huizen der goden van Egypte met vuur verbranden.

Het volk had zich tot Jeremia gewend en de ernstige verplichting op zich genomen om naar de stem van de HEERE te luisteren, "hetzij goed of kwaad" (hoofdstuk 42 vers 6). En het antwoord liet er geen twijfel over bestaan: ze moesten niet wegtrekken. Dit verbod kwam echter niet overeen met de geheime bedoelingen van Johanan en zijn begeleiders. Zij hadden zich vergist in de prijs voor hun zielen (hoofdstuk 42 vers 20), door te besluiten naar Egypte te gaan. En hoofdstuk 41 vers 17 laat ons zien, dat ze dit plan al bij aankomst in Geruth-Chimham gemaakt hadden. Zelfs voordat zij Jeremia om raad gevraagd hadden! Staat zoiets niet gelijk aan het spotten met God? Wanneer men Hem naar Zijn wil vraagt en desondanks bij voorbaat al weet wat men zelf wil doen?

Maar pas op! Zo'n gebrek aan oprechtheid komt misschien wel vaker voor dan wij denken. Ook wij moeten altijd oppassen voor onze eigen arglistige hart (hoofdstuk 17 vers 9).

Voor de zoveelste keer heeft Jeremia ten onrechte te lijden. Hij wordt door deze brutale mannen beticht van leugen en ze zeggen dat hij uit is op de slavernij en de dood van dit volk. Daarbij blijkt bij Jeremia juist het tegenovergestelde: hij heeft het volk zo lief dat hij zelfs meegaat op die ongelukkige reis.

Ze meenden dat ze zichzelf in veiligheid brachten, maar kwamen toen juist met Nebukadnezar in aanraking (vers 11). Alle maatregelen die wijzelf, uit gebrek aan geloof, nemen, zorgen er vaak voor dat we daardoor beproefd worden. En dat hadden we nu juist zo graag willen voorkomen.

Jeremia 44:1-10
1Het woord, dat tot Jeremia geschiedde aan al de Joden, die in Egypteland woonden, die te Migdol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Pathros, zeggende:2Alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Gij hebt gezien al het kwaad, dat Ik gebracht heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en ziet, zij zijn een woestheid te deze dage, en niemand woont daarin;3Vanwege hun boosheid, die zij gedaan hebben, om Mij te tergen, gaande om te roken en andere goden te dienen, die zij niet kenden, zij, gij, noch uw vaders.4En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doet toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat.5Maar zij hebben niet gehoord, noch hun oor geneigd, om zich van hun boosheid te bekeren, dat zij anderen goden niet roken.6Daarom is Mijn grimmigheid en Mijn toorn uitgestort, en heeft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zodat zij tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, gelijk het is te dezen dage.7En nu, zo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de God Israels: Waarom doet gij zulk een groot kwaad tegen uw zielen, opdat gij u den man en de vrouw, het kind en den zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat gij u geen overblijfsel overlaat?8Tergende Mij door de werken uwer handen, rokende anderen goden in het land van Egypte, alwaar gij gekomen zijt, om daar als vreemdeling te verkeren; opdat gij uzelven uitroeit, en opdat gij wordt tot een vloek, en tot een smaadheid onder alle volken der aarde?9Hebt gij vergeten de boosheden uwer vaderen, en de boosheden der koningen van Juda, en de boosheden hunner vrouwen, en uw boosheden, en de boosheden uwer vrouwen, die zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten van Jeruzalem?10Zij zijn tot op dezen dag nog niet verbrijzeld van hart, en zij hebben niet gevreesd, noch gewandeld in Mijn wet en in Mijn inzettingen, die Ik voor ulieder aangezicht en voor het aangezicht uwer vaderen gegeven heb.

Al aan het begin van dit Boek had de HEERE gevraagd: "En nu, wat hebt gij te doen met de weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken?" (hoofdstuk 2 vers 18). En Hij wist heel goed waarom Hij geen toestemming gaf voor deze tocht naar Egypte (vergelijk Deuteronomium 17 vers 16). De vreselijke afgodendienst van Juda, vooral sinds de tijd van koning Manasse, was de oorzaak geweest van de oordelen waardoor ze zojuist getroffen waren. En ook in Egypte werd afgodendienst bedreven (het maakt immers niet uit dat de goden daar andere namen hebben, 't zijn afgoden!), en het volk liep gevaar zich nog meer te verontreinigen en in het verderf te storten. En dat is, helaas, ook inderdaad gebeurd!

We kunnen er zeker van zijn dat, wanneer God een weg voor ons afsluit, Hij ons voor gevaren, die Hij kent, wil behoeden, ook al begrijpen wij op dat moment (nog) niets van Zijn beweegredenen. Als wij erin volharden naar eigen wijsheid te handelen, dan kunnen we onszelf de grootste schade berokkenen.

"Waarom doet gij zulk een groot kwaad tegen uw zielen?", vraagt de HEERE hier aan het volk (vers 7).

Ja, laten we nooit uit het oog verliezen dat het onze zielen zijn die we schade toebrengen, wanneer we niet de wil van de Heere doen (Spreuken 8 vers 36).

Wat een halsstarrige mensen! Ondanks alle moeizame lessen hadden de Joden zich "tot op deze dag" niet vernederd; hun trots was niet gebroken (vers 10; hoofdstuk 43 vers 2).

Jeremia 44:11-23
11Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal Mijn aangezicht tegen ulieden stellen ten kwade, en om gans Juda uit te roeien.12En Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, die hun aangezichten gesteld hebben, om in Egypteland te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren; en zij zullen allen in Egypteland verteerd worden; door het zwaard zullen zij vallen, door den honger zullen zij verteerd worden, van den kleinste tot den grootste toe; door het zwaard en door den honger zullen zij sterven; en zij zullen worden tot een vervloeking, tot een ontzetting en tot een vloek, en tot een smaadheid.13Want Ik zal bezoeking doen over degenen, die in Egypteland wonen, gelijk als Ik bezoeking gedaan heb over Jeruzalem, door het zwaard, door den honger en door de pestilentie;14Zodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om aldaar als vreemdelingen te verkeren, geen zal hebben, die ontkome, of overblijve; te weten om weder te keren in het land van Juda, waarnaar hun ziel verlangt weder te keren, om aldaar te wonen; maar zij zullen er niet wederkeren, behalve die ontkomen zullen.15Toen antwoordden aan Jeremia al de mannen, die wisten, dat hun vrouwen anderen goden rookten, en al de vrouwen, die daar stonden, zijnde een grote hoop, mitsgaders al het volk, die in Egypteland, in Pathros, woonde, zeggende:16Aangaande het woord, dat gij tot ons in des HEEREN Naam gesproken hebt, wij zullen naar u niet horen.17Maar wij zullen ganselijk doen al hetgeen uit onzen mond is uitgegaan, rokende aan Melecheth des hemels, en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad.18Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melecheth des hemels te roken, en haar drankofferen te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door den honger verteerd.19Ook wanneer wij aan Melecheth des hemels roken en haar drankofferen offeren, maken wij haar gebeelde koeken, om haar af te beelden, en offeren wij haar drankofferen, zonder onze mannen?20Toen sprak Jeremia tot al het volk, tot de mannen en tot de vrouwen, en tot al het volk, die hem zulks geantwoord hadden, zeggende:21Het roken, dat gijlieden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, gij en uw vaderen, uw koningen en uw vorsten, en het volk des lands, heeft de HEERE daaraan niet gedacht, en is het niet in Zijn hart opgekomen?22Zodat het de HEERE niet meer kon verdragen, vanwege de boosheid uwer handelingen, vanwege de gruwelen, die gij deedt; daarom is uw land geworden tot een woestheid, en tot ontzetting, en tot een vloek, dat er niemand in woont, gelijk het is te dezen dage;23Vanwege dat gij gerookt hebt, en dat gij tegen den HEERE gezondigd hebt, en des HEEREN stem niet gehoorzaam zijt geweest, en in Zijn wet en in Zijn inzettingen, en in Zijn getuigenissen niet hebt gewandeld; daarom is u dit kwaad wedervaren, gelijk het is te dezen dage.

Vastbesloten kiest het volk voor het dienen van de afgoden, zoals hun vaderen gedaan hebben. En het schaamt zich niet dit luid en duidelijk te verkondigen. Het is openlijk in opstand gekomen tegen de HEERE. Hoe ver was het volk Israël, in zedelijk opzicht, gezonken, sinds het in Jozua 24, nadat het van Egypte naar Kanaän getrokken was, de leider volgde en plechtig beloofd had: "Het zij verre van ons, dat wij de Heere verlaten zouden, om andere goden te dienen... Wij zullen de Heere dienen, want Hij is onze God" (lees Jozua 24 vers 16 en 18).

En in al hun oneerlijkheid schrijven deze Joden de ellende die ze nu ervaren, toe aan het feit dat ze gestopt zijn met het vereren van "de koningin des hemels" (vers 17; hoofdstuk 7 vers 18). Terwijl de HEERE hen gewaarschuwd had dat het zwaard, de pest en de honger hen zou treffen in Egypte, grijpen ze het moment waarop deze dingen gebeuren, aan als een gelegenheid om opnieuw aan die afgoden te offeren.

Hoeveel mensen zijn er niet die dezelfde eindconclusie trekken: God heeft mij niet gegeven wat ik wilde! Nou goed, wat kan mij dan nog verhinderen om mijn geluk dan maar in de wereld (waarvan Egypte altijd een beeld is) te zoeken. De wereld zal mij niets weigeren, daar ligt alles voor het oprapen!

Ellendig menselijk hart! Deze verzen leren ons ook dat dit hart tegelijkertijd beheerst kan worden door de macht van het trotse ongeloof en het duistere bijgeloof (2 Korinthe 4 vers 4).

Jeremia 44:24-30; Jeremia 45:1-5
24Voorts zeide Jeremia tot al het volk, en tot al de vrouwen: Hoort des HEEREN woord, gij gans Juda, die in Egypteland zijt!25Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en gij hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melecheth des hemels, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.26Daarom hoort des HEEREN woord, gij gans Juda, die in Egypteland woont! Ziet, Ik zweer bij Mijn groten Naam, zegt de HEERE, zo Mijn Naam met den mond van enig man van Juda in gans Egypteland meer zal genoemd worden, die zegge: Zo waarachtig als de Heere HEERE leeft!27Ziet, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn.28Maar die van het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland wederkeren in het land van Juda, weinig in getal; en het ganse overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om aldaar als vreemdelingen te verkeren, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het Mijn of het hunne.29En dit zal ulieden het teken zijn, spreekt de HEERE, dat Ik in deze plaats over u bezoeking zal doen; opdat gij weet, dat Mijn woorden zekerlijk over u bestaan zullen ten kwade;30Alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal Farao Hofra, den koning van Egypte, geven in de hand zijner vijanden, en in de hand dergenen, die zijn ziel zoeken, gelijk als Ik Zedekia, den koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, zijn vijand, en die zijn ziel zocht.
1Het woord, dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, den zoon van Nerija, als hij die woorden uit den mond van Jeremia in een boek schreef, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda, zeggende:2Alzo zegt de HEERE, de God Israels, van u, o Baruch!3Gij zegt: Wee nu mij, want de HEERE heeft droefenis tot mijn smart gedaan; ik ben moede van mijn zuchten, en vind geen rust!4Zo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, dat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en dat Ik geplant heb, ruk Ik uit, zelfs dit ganse land.5En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie, Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt de HEERE; maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven, in alle plaatsen, waar gij zult henentrekken.

Jeremia heeft het volk aan hun afschuwelijke zonden herinnerd. Hij heeft het hoogst beledigende antwoord van deze groep oproerlingen goed in zijn oren geknoopt en trekt daar nu zijn conclusies uit. Die zijn echter vreselijk! Met uitzondering van een handjevol mensen ("weinig in getal; vers 28) zal dit volk door de slagen van het lot dat hen in Egypte te wachten staat, vernietigd worden (en de "koningin des hemels" zal niet in staat zijn hen daarvoor te beschermen).

In deze tijd van algemeen verval is het echter een troost te weten: "De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn" (2 Timotheüs 2 vers 19). Aan Baruch wordt maar een heel kort hoofdstuk gewijd. God heeft voor hem persoonlijk nog iets te zeggen, zowel woorden van vermaning als van troost. Deze man was — tezamen met Jeremia, die hij niet verlaten had — het onderwerp van laster en openlijke aanklachten geweest (hoofdstuk 43 vers 3). Maar waar het op aankwam, was hoe God over hem dacht (2 Timotheüs 2 vers 15). Baruch, die een afstammeling was van een vorstenfamilie, had misschien gehoopt een rol te kunnen spelen, dat hij misschien de leiding van een ootmoedig en weer hersteld volk op zich kon nemen. Daarom was hij nu misschien zo ontmoedigd (vers 3; Spreuken 24 vers 10). Maar de HEERE vermaant hem: "Zoudt gij u (dus voor zichzelf) grote dingen zoeken? Zoek ze niet!" (vers 5).

De Heere verwacht evenmin grote dingen van ons. Echter met uitzondering van één ding, dat in Zijn ogen heel groot is: trouw (vergelijk Openbaring 3 vers 8)!

Jeremia 46:1-19
1Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremia geschied is tegen de heidenen.2Tegen Egypte; tegen het heir van Farao Necho, koning van Egypte, dat aan de rivier Frath, bij Karchemis was, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, in het vierde jaar van Jojakim, den zoon van Josia, den koning van Juda.3Rust het schild en de rondas toe, en nadert tot den strijd!4Spant de paarden aan, en klimt op, gij ruiters! en stelt u met helmen; vaagt de spiesen, trekt de pantsiers aan!5Waarom zie Ik, dat zij versaagd en achterwaarts gedreven zijn? Zelfs hun helden zijn verslagen, en nemen de vlucht, en zien niet om; er is schrik van rondom, spreekt de HEERE.6De snelle ontvliede niet, en de held ontkome niet; tegen het noorden, aan den oever der rivier Frath zijn zij gestruikeld en gevallen.7Wie is deze, die optrekt als een stroom, wiens wateren zich bewegen als de rivieren?8Egypte trekt op als een stroom, en zijn wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde bedekken, ik zal de stad, en die daarin wonen, verderven.9Trekt op, gij paarden! en raast, gij wagens! en laat de helden uittrekken: de Moren, en de Puteers, die het schild handelen, en de Lydiers, die den boog handelen en spannen.10Maar deze dag is des HEEREN, des HEEREN der heirscharen, een dag der wrake, dat Hij zich wreke van Zijn wederpartijders, en het zwaard zal vreten, en verzadigd, en dronken worden van hun bloed; want de Heere, HEERE der heirscharen, heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier Frath.11Ga henen op naar Gilead, en haal balsem, gij jonkvrouw, dochter van Egypte! Tevergeefs vermenigvuldigt gij de medicijnen, er is geen heling voor u.12De volken hebben uw schande gehoord, en het land is vol van uw gekrijt; want zij hebben zich gestoten, held tegen held, zij zijn beiden te zamen gevallen.13Het woord, dat de HEERE tot den profeet Jeremia sprak, van de aankomst van Nebukadrezar, den koning van Babel, om Egypteland te slaan.14Verkondigt in Egypte, en doet het horen te Migdol; doet het ook horen te Nof en Tachpanhes; zegt: Stelt er u naar, en maakt u gereed, want het zwaard heeft verteerd, wat rondom u is.15Waarom zijn uw sterken weggeveegd? Zij stonden niet, omdat hen de HEERE voortdreef.16Hij maakte der struikelenden veel; ja, de een viel op den ander; zodat zij zeiden: Staat op en laat ons wederkeren tot ons volk, en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard.17Daar riepen zij: Farao, de koning van Egypte, is maar een gedruis; hij heeft den gezetten tijd laten voorbijgaan.18Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen; hij zal voorzeker, als Thabor onder de bergen, en als Karmel bij de zee, aankomen!19Maak voor u gereedschap der gevankelijke wegvoering, gij inwoneres, gij dochter van Egypte! want Nof zal ter verwoesting worden, en zal verbrand worden, dat er niemand in wone.

Evenals Jesaja in de hoofdstukken 13 en volgende van het Boek Jesaja, wordt Jeremia nu ook opgeroepen om over de volken (heidenen) te profeteren. Het eerste volk is uitgerekend Egypte, waar het volk Israël een toevlucht meende te kunnen vinden. Als beeld van de wereld die de afgoden dient, wordt het getroffen door vreselijke oordelen. Daarbij gaan onze gedachten uit naar uitspraken in het Nieuwe Testament over deze wereld en de gedaante van deze wereld, die vergaat (1 Johannes 2 vers 17; 1 Korinthe 7 vers 31).

"Farao, de koning van Egypte, is maar een gedruis" (vers 17). Dat wil zeggen dat hij ten onder gegaan is. Wat ernstig! Vele grootheden, maar ook minder bekende persoonlijkheden van deze aarde, lijken op deze man. Een poosje zijn ze op dit aards toneel aanwezig en kunnen ze een schrik voor velen zijn, evenals dat bij Farao het geval was. Maar opeens zijn ze er niet meer. De kranten van deze week staan nog vol van hen. En een maand of een jaar later zijn ze vergeten, zijn ze ten onder gegaan.

Er wordt nog iets verdrietigs over Farao gezegd: Zoals eens zijn voorloper in het Boek Exodus zijn hart verhardde, zo heeft ook deze man "de gezette tijd laten voorbijgaan" (vers 17; vergelijk Johannes 12 vers 35).

Beste jonge lezer, we hebben hier een heel ernstige gedachte voor onze aandacht! Laat de tijd om je te bekeren, de tijd om de Heere te dienen en ook de tijd om aan Zijn wens "Doet dat tot Mijn gedachtenis" (Lukas 22 vers 19) gehoor te geven, toch niet voorbijgaan!

Jeremia 46:20-28; Jeremia 47:1-7
20Egypte is een zeer schone vaarze; de slachter komt, hij komt van het noorden.21Zelfs haar gehuurden in haar midden zijn als gemeste kalveren; maar die hebben zich ook gewend, zij zijn te zamen gevlucht, zij hebben niet gestaan; want de dag huns verderfs is over hen gekomen, de tijd hunner bezoeking.22Haar stem zal gaan als van een slang; want zij zullen met krijgsmacht daarhenen trekken, en tot haar met bijlen komen, gelijk houthouwers.23Zij hebben haar woud afgehouwen, spreekt de HEERE, hoewel het niet is te onderzoeken; want zij zijn meerder dan de sprinkhanen, zodat men hen niet tellen kan.24De dochter van Egypte is beschaamd; zij is gegeven in de hand des volks van het noorden.25De HEERE der heirscharen, de God Israels, zegt: Ziet, Ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over haar goden, en over haar koningen, ja, over Farao, en over degenen, die op hem vertrouwen.26En Ik zal hen geven in de hand dergenen, die hunlieder ziel zoeken, en in de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel, en in de hand zijner knechten. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van ouds, spreekt de HEERE.27Maar gij, Mijn knecht Jakob! vrees niet, en ontzet u niet, o Israel! want zie, Ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen, en stil en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken.28Gij dan Mijn knecht Jakob! vrees niet, spreekt de HEERE; want Ik ben met u; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u gedreven zal hebben, doch met u zal Ik geen voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden.
1Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremia geschiedde, tegen de Filistijnen; eer dat Farao Gaza sloeg.2Zo zegt de HEERE: Ziet, wateren komen op van het noorden, en zullen worden tot een overlopende beek, en overlopen het land en de volheid van hetzelve, de stad en die daarin wonen; en de mensen zullen schreeuwen, en al de inwoners des lands zullen huilen;3Vanwege het geluid van het geklater der hoeven zijner sterke paarden, vanwege het geraas zijner wagenen, en het bulderen zijner raderen; de vaders zien niet om naar de kinderen, vanwege de slappigheid der handen;4Vanwege den dag, die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgeblevenen helper af te snijden; want de HEERE zal de Filistijnen, het overblijfsel des eilands van Kafthor, verstoren.5Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel huns dals; hoe lang zult gij uzelven insnijdingen maken?6O wee, gij zwaard des HEEREN! Hoe lang zult gij niet stil houden? Vaar in uw schede, rust en wees stil!7Hoe zoudt gij stil houden? De HEERE heeft toch aan het zwaard bevel gegeven; tegen Askelon en tegen de zeehaven, aldaar heeft Hij het besteld.

Te midden van de oordelen over de volken heeft de HEERE het in het hart om een woord van bemoediging toe te voegen voor het toekomstig overblijfsel van Israël. Als de toekomst van de wereld er steeds donkerder uit gaat zien, wordt het kind van God op dezelfde wijze opgeroepen niet te vrezen, maar juist te denken aan zijn hoop (2 Thessalonika 2 vers 16 en 17).

In hoofdstuk 47 is het de beurt aan de Filistijnen en wordt het oordeel over hen uitgesproken. We weten dat deze vijand van Israël binnen hun grenzen woonde, in tegenstelling tot de anderen volken (Moab, Ammon, Edom, enzovoort), waarvan sprake is in de volgende hoofdstukken. Ook al waren de Filistijnen hen van tijd tot tijd onderdanig, vooral tijdens de regering van David (2 Samuël 8 vers 1), toch kon Israël hen nooit — ook niet in de tijd van machtige koningen — de steden (Gaza, Askelon, enzovoort) ontnemen die tot hun grondgebied behoorden.

Als afstammelingen van Egypte (Misraïm; Genesis 10 vers 6, 13 en 14) zijn de Filistijnen voor ons een beeld van de onbekeerde 'belijders' van deze wereld, zij die een plaats innemen in het land van zegening zonder daar aanspraak op te kunnen maken. Ze maken aanspraak op christelijke voorrechten zonder hét leven te bezitten waardoor je er ook recht op hebt. Ze doen alsof ze kinderen van God zijn, maar in feite zijn het vijanden van Zijn volk en van de waarheid. We moeten hen behandelen naar wat ze zijn en mogen in geen enkel opzicht concessies aan hen doen.

Jeremia 48:1-27
1Tegen Moab zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels, alzo: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaim is beschaamd, zij is ingenomen; de stad des hogen vertreks is beschaamd en verschrikt.2Moabs roem van Hesbon is er niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt, en laat ons haar uitroeien, dat zij geen volk meer zij; ook gij, o Madmen! zult nedergehouwen worden, het zwaard zal achter u heengaan.3Er is een stem des gekrijts van Horonaim; verstoring en een grote breuk!4Moab is verbroken; haar kleine kinderen hebben een gekrijt laten horen.5Want in den opgang van Luhith zal geween bij geween opgaan, want in den afgang van Horonaim hebben Moabs wederpartijders een jammergeschrei gehoord.6Vlucht, redt ulieder ziel! en wordt als de heide in de woestijn;7Want om uw vertrouwen op uw werken, en op uw schatten, zult gij ook ingenomen worden; en Kamos zal henen uitgaan in gevangenis, zijn priesteren en zijn vorsten te zamen.8Want de verstoorder zal komen over elke stad, dat niet een stad ontkomen zal; en het dal zal verderven, en het effen veld verdelgd worden; want de HEERE heeft het gezegd.9Geeft Moab vederen, want al vliegende zal zij uitgaan; en haar steden zullen ter verwoesting worden, dat niemand in dezelve wone.10Vervloekt zij, die des HEEREN werk bedriegelijk doet; ja, vervloekt zij, die zijn zwaard van het bloed onthoudt!11Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest, en hij heeft op zijn heffe stil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis; daarom is zijn smaak in hem gebleven, en zijn reuk niet veranderd.12Daarom, ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik hem vreemde gasten zal toeschikken, die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijn vaten ledigen, en hunlieder flessen in stukken slaan.13En Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis Israels beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hunlieder vertrouwen.14Hoe zult gij zeggen: Wij zijn helden en dappere mannen ten strijde?15Moab is verstoord, en uit zijn steden opgegaan, en de keur zijner jongelingen is ter slachting afgegaan, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen.16Moabs verderf is nabij om te komen, en zijn kwaad haast zeer.17Beklaagt hem, gij allen, die rondom hem zijt, en allen, die zijn naam kent; zegt: Hoe is de sterke staf, de sierlijke stok verbroken?18Daal neder uit uw heerlijkheid, en woon in dorst, gij inwoneres, gij dochter van Dibon! want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uw vestingen verdorven.19Sta aan den weg, en zie toe, gij inwoneres van Aroer! Vraag den vluchtenden man en de ontkomene vrouw; zeg: Wat is er geschied?20Moab is beschaamd, want hij is verslagen; huilt en krijt! verkondigt te Arnon, dat Moab verstoord is.21En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath.22En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim,23En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,24En over Kerioth, en over Bozra; ja, over alle steden van Moabs land, die verre en die nabij zijn.25Moabs hoorn is afgesneden, en zijn arm verbroken, spreekt de HEERE.26Maak hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den HEERE; zo zal Moab met de handen klappen in zijn uitspuwsel, en hij zelf zal ook ter belaching zijn.27Want is u niet Israel ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zo bewoogt, van den tijd af, dat uw woorden van hem waren?

Nadat de HEERE maar een kort hoofdstuk aan de Filistijnen heeft gewijd, heeft Hij daarentegen veel te zeggen over Moab. Dit volk heeft het vertrouwen gesteld op eigen werken en schatten (vers 7), op de eigen god Kamos (vers 13) en op de eigen dappere mannen voor de strijd (vers 14). Maar al deze hulpbronnen waar men op rekende, konden hen niet alleen op geen enkele wijze bevrijden, maar waren zelfs de oorzaak van het oordeel dat dit volk trof (vers 7).

Iets wezenlijks had Moab ontbroken. Het klinkt misschien vreemd, maar dat waren: de beproevingen! Nieuwe wijn moet eerst van het ene vat in het andere gegoten worden, totdat het klaar is voor gebruik. Door deze procedure wordt de werking van de gist steeds minder. Moab had deze 'behandeling' echter nooit ondergaan. Van haar jeugd af aan was het "gerust geweest" (dat is: zonder zorgen; vers 11; vergelijk Zacharia 1 vers 15). Dit volk had nooit door moeilijke omstandigheden zichzelf leren kennen, om de slechte, oorspronkelijke geur te verliezen (dit resultaat probeerde de HEERE bij het volk Israël te bewerken door het in gevangenschap te doen gaan).

Ja, de Heere weet wat Hij doet wanneer Hij ons wakker schudt en ons uit onze zorgeloosheid haalt (Psalm 119 vers 67). Dit onaangename 'overgieten' heeft tot doel dat wij elke keer iets meer van onze eigen wil, onze eigen inbeelding en ons zelfvertrouwen gaan verliezen.

Jeremia 49:1-22
1Tegen de kinderen Ammons zegt de HEERE alzo: Heeft dan Israel geen kinderen? Heeft hij geen erfgenaam? Waarom is dan Malcham erfgenaam van Gad, en waarom woont zijn volk in deszelfs steden?2Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik over Rabba der kinderen Ammons een krijgsgeschrei zal doen horen, en zij zal tot een woesten hoop worden, en haar onderhorige plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israel zal erven degenen, die hem geerfd hadden, zegt de HEERE.3Huil, o Hesbon! want Ai is verstoord; krijt, gij dochteren van Rabba, gordt zakken aan, drijft misbaar, en loopt om bij de tuinen; want Malcham zal wandelen in gevangenis, zijn priesteren en zijn vorsten te zamen.4Wat roemt gij op uw dalen? Uw dal is weggevloten, gij afkerige dochter! die op haar schatten vertrouwt, zeggende: Wie zou tegen mij komen?5Ziet, Ik zal vreze over u brengen, spreekt de HEERE, de HEERE der heirscharen, van allen, die rondom u zijn, en gijlieden zult, een iegelijk voor zich henen, uitgedreven worden, en niemand zal den omdolende vergaderen.6Maar daarna zal Ik de gevangenis der kinderen Ammons wenden, spreekt de HEERE.7Tegen Edom zegt de HEERE der heirscharen alzo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden?8Vliedt, wendt u, woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Dedan! want Ik heb Ezau's verderf over hem gebracht, den tijd, dat Ik hem bezocht heb.9Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? Zo er dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zoveel hun genoeg ware?10Maar Ik heb Ezau ontbloot, Ik heb zijn verborgene plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijn broeders, en zijn naburen, en hij is er niet meer.11Laat uw wezen achter, en Ik zal hen in het leven behouden, en laat uw weduwen op Mij vertrouwen.12Want zo zegt de HEERE: Ziet, degenen, welker oordeel het niet is den beker te drinken, zullen ganselijk drinken; en zoudt gij enigszins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden, maar gij zult ganselijk drinken.13Want Ik heb bij Mijzelven gezworen, spreekt de HEERE, dat Bozra worden zal tot een ontzetting, tot een smaadheid, tot een woestheid, en tot een vloek; en al haar steden zullen worden tot eeuwige woestheden.14Ik heb een gerucht gehoord van den HEERE, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Vergadert u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde.15Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, veracht onder de mensen.16Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, gij, die woont in de kloven der steenrotsen, die u houdt op de hoogte der heuvelen! Al zoudt gij uw nest zo hoog maken als de arend, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.17Alzo zal Edom worden tot een ontzetting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen.18Gelijk de omkering van Sodom en Gomorra en haar naburen, zal het zijn, zegt de HEERE; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren.19Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing der Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou?20Daarom hoort des HEEREN raadslag, dien Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Indien hij hunlieder woning niet boven hen zal verwoesten!21De aarde heeft gebeefd van het geluid huns vals, van het gekrijt, welks geluid gehoord is bij de Schelfzee.22Ziet, hij zal opkomen en snel vliegen, als een arend, en zijn vleugelen over Bozra uitbreiden; en het hart van Edoms helden zal te dien dage wezen, als het hart ener vrouw, die in nood is.

De kinderen van Ammon hadden op een gemene manier geprofiteerd van de wegvoering van de tien stammen, door zich het gebied van Gad, aan de andere kant van de Jordaan, toe te eigenen. Door een terechte verandering van de dingen zullen zij, nadat zij Israël onrechtmatig vererfd hebben, geërfd worden door Israël (het slot van vers 2). Gisteren hebben we gezien hoe de spotter Moab zelf tot een onderwerp van spot werd (hoofdstuk 48 vers 26 en 27). En het is opmerkelijk te moeten constateren dat de oordelen die God stuurt, vaak in betrekking staan tot het onrecht dat men anderen heeft aangedaan. Als wij zulke lessen ter harte nemen, dan is het voor ons gemakkelijker om de betekenis van Mattheüs 7 vers 2 en 12 beter te begrijpen, en er zelf moeite voor te doen om anderen niet anders te bejegenen dan wij zelf graag zouden willen ondervinden.

Hier is het grote kenmerk van Edom: zijn mateloze aanmatiging. Zoals een arend in het woeste gebergte van Seïr woont (vers 16), meende dit volk ook onoverwinnelijk te zijn. Maar God wist hen te vinden en zal hen opnieuw weten te vinden, om hen te doen neerstorten en hun schuilhoek tot een woestenij te maken (vers 13 en Obadja vers 4). In tegenstelling tot Moab en Ammon geeft de HEERE hier tenslotte geen belofte dat Hij verandering zal brengen in de gevangenschap van Edom. "Zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben" (Obadja vers 18; vergelijk Jeremia 48 vers 47 en 49 vers 6).

Jeremia 49:23-39
23Tegen Damaskus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten.24Damaskus is slap geworden, zij heeft zich gewend, om te vluchten, en siddering heeft haar aangegrepen; benauwdheid en smarten als van een barende vrouw hebben haar bevangen;25Hoe is de beroemde stad niet gelaten, de stad Mijner vrolijkheid!26Daarom zullen haar jongelingen vallen op haar straten; en al haar krijgslieden zullen te dien dage nedergehouwen worden, spreekt de HEERE der heirscharen.27En Ik zal een vuur aansteken in den muur van Damaskus, en het zal Benhadads paleizen verteren.28Tegen Kedar, en tegen de koninkrijken van Hazor, die Nebukadrezar, de koning van Babel, sloeg, zegt de HEERE alzo: Maakt u op, trekt op tegen Kedar, en verstoort de kinderen van het oosten.29Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap, en hun kemelen voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom!30Vliedt, zwerft fluks henen weg, woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Hazor! spreekt de HEERE; want Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft een raadslag tegen ulieden beraadslaagd, en een gedachte tegen hen gedacht.31Maakt u op, trekt op tegen het volk, dat rust heeft, dat in zekerheid woont, spreekt de HEERE; dat geen deuren noch grendel heeft, die alleen wonen.32En hun kemelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en Ik zal hen verstrooien in alle winden, te weten degenen, die aan de hoeken afgekort zijn; en Ik zal hunlieder verderf van al zijn zijden aanbrengen, spreekt de HEERE.33En Hazor zal worden tot een drakenwoning, een verwoesting tot in eeuwigheid; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren.34Het woord des HEEREN, dat tot den profeet Jeremia geschied is tegen Elam, in het begin des koninkrijks van Zedekia, den koning van Juda, zeggende:35Zo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal verbreken Elams boog, het voornaamste van hunlieder geweld.36En Ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over Elam aanbrengen, en zal hen in al diezelve winden verstrooien; en er zal geen volk zijn, waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen.37En Ik zal Elam versaagd maken voor het aangezicht hunner vijanden, en voor het aangezicht dergenen, die hun ziel zoeken, en zal een kwaad over hen brengen, de hittigheid Mijns toorns, spreekt de HEERE; en Ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat Ik hen verteerd zal hebben.38En Ik zal Mijn troon in Elam stellen; en zal den koning en de vorsten van daar vernielen, spreekt de HEERE;39Maar het zal geschieden in het laatste der dagen, dat Ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt de HEERE.

Na Edom gaat het nu eerst over Damaskus, met Hamath en Arpad, de hoofdsteden van Syrië. Daarna gaat het over Kedar en Hazor, waar nomadenstammen woonden. Ten slotte horen we het oordeel over Elam (Perzië), een volk dat verder van Israël vandaan woont, terwijl alle andere hun buren zijn.

God is rechtvaardig. Hij heeft de straf voor elk volk afzonderlijk precies afgemeten en dat komt overeen met de voorrechten die zij hadden ontvangen (Romeinen 2 vers 6, Daniël 4 vers 35). In hoofdstuk 2 vers 10 en 11 had de HEERE Israël juist met Kedar vergeleken, die, hoewel het een onwetende volksstam was, tenminste nog haar valse goden trouw was gebleven, terwijl Zijn volk zich van de ware God had afgekeerd. Daarom was de schuld van Israël, dat in de wet onderwezen was, veel groter!

Laat ons — vooral als we kinderen van gelovige ouders zijn —altijd aan de volgende ernstige woorden denken: "Een ieder aan wie veel gegeven is, van die zal veel geëist worden" (Lukas 12 vers 48).

Al deze volken vielen, evenals Juda, door de macht van Nebukadnezar (vers 30) en waren tot evenzoveel provincies van het grote Babylonische rijk geworden. Het was daarom, van de kant van de Joden, tevergeefs en dwaas om zich tot de buren te wenden en daar een toevlucht en veiligheid te zoeken (Psalm 60 vers 13). Hoe zouden die hen te hulp kunnen komen, zij die zichzelf niet konden redden?

Jeremia 50:1-16
1Het woord, dat de HEERE gesproken heeft tegen Babel, tegen het land der Chaldeen, door den dienst van den profeet Jeremia.2Verkondigt onder de heidenen, en doet horen, en werpt een banier op, laat horen, verbergt het niet; zegt: Babel is ingenomen, Bel is beschaamd, Merodach is verpletterd, haar afgoden zijn beschaamd, haar drekgoden zijn verpletterd!3Want een volk komt tegen haar op van het noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn; van de mensen aan tot de beesten toe zijn zij weggezworven, doorgegaan!4In dezelve dagen en ter zelver tijd, spreekt de HEERE, zullen de kinderen Israels komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en wenende zullen zij henengaan, en den HEERE, hun God, zoeken.5Zij zullen naar Sion vragen; op den weg herwaarts zullen hun aangezichten zijn; zij zullen komen en den HEERE toegevoegd worden, met een eeuwig verbond, dat niet zal worden vergeten.6Mijn volk waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen, zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hun legering.7Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen den HEERE, in de woning der gerechtigheid, ja, tegen den HEERE, de Verwachting hunner vaderen.8Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat uit der Chaldeen land; en weest als de bokken voor de kudde henen.9Want ziet, Ik zal een verzameling van grote volken uit het land van het noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten; van daar zal zij ingenomen worden; hun pijlen zullen zijn als eens kloeken helds, geen zal ledig wederkeren.10En Chaldea zal ten roof zijn; allen, die het beroven, zullen verzadigd worden, spreekt de HEERE.11Omdat gij u verblijd hebt, omdat gij van vreugde hebt opgesprongen, gij plunderaars Mijner erfenis! omdat gij geil geworden zijt als een grazige vaars, en hebt gebriest als de sterke paarden;12Zo is uw moeder zeer beschaamd; die u gebaard heeft, is schaamrood geworden; ziet, zij is geworden de achterste der heidenen, een woestijn, dorheid en wildernis.13Vanwege de verbolgenheid des HEEREN zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel een verwoesting worden; al wie aan Babel voorbijgaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen.14Rust u tegen Babel rondom, gij allen, die den boog spant! schiet in haar, en spaart de pijlen niet; want zij heeft tegen den HEERE gezondigd.15Juicht over haar rondom, zij heeft haar hand gegeven; haar fondamenten zijn gevallen, haar muren zijn afgebroken; want dat is des HEEREN wraak, wreekt u aan haar, doet haar, gelijk als zij gedaan heeft!16Roeit uit van Babel den zaaier, en dien, die de sikkel handelt in den oogsttijd; laat hen vanwege het verdrukkende zwaard, zich keren, een iegelijk tot zijn volk, en vlieden, een iegelijk naar zijn land.

Babel, de wieg van de wereldse gezindheid en van het verval, is het laatste volk dat het oordeel van de HEERE te horen krijgt.

Omdat Jeremia de onderwerping onder Nebukadnezar gepredikt had, was hij ervan beschuldigd de Chaldeeën gunstig gezind te zijn en zijn eigen volk te verraden. De lange profetische hoofdstukken laten ons echter zien wat God hem over Babel gezegd heeft. Hij had overigens al gezegd dat als de HEERE gebruik van hem zou maken om Juda te tuchtigen, het moment gekomen zou zijn dat de grote stad zelf al door het oordeel getroffen en tot een eeuwige woestenij geworden zou zijn (hoofdstuk 25 vers 12 -14). Bel-Merodach (de afgod Mardoek) en alle andere goden van Babylon zouden te schande gemaakt worden en tezamen met hen die hen dienden, verdwijnen. Terwijl Israël en Juda absoluut "niet in weduwschap gelaten" zouden worden "door zijn God, door de HEERE der heerscharen" (hoofdstuk 51 vers 5).

De oordelen waardoor Babel getroffen werd, droegen er uiteindelijk toe bij dat de ogen en het hart van het gevangengenomen volk geopend werden. De verzen 4 en 5 van ons hoofdstuk laten ons de tranen en de verootmoediging van het volk zien waarmee zijn terugkeer tot de HEERE begeleid werd. Dit vormde de inleiding tot zijn definitieve bevrijding.

De tegenwoordige wereld is vol van ijdele afgoden, die heel binnenkort allemaal zullen vergaan. Hoe zouden wij, die onderwezen zijn in het Woord van God, ons ooit met hen kunnen inlaten of ons met hen kunnen verbinden (1 Johannes 5 vers 21)?

Jeremia 50:17-32
17Israel is een verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste, die hem heeft opgegeten, was de koning van Assur, en deze de laatste, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft hem de beenderen verbrijzeld.18Daarom, zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Ziet, Ik zal bezoeking doen over den koning van Babel en over zijn land, gelijk als Ik bezoeking gedaan heb over den koning van Assur.19En Ik zal Israel weder tot zijn woning brengen, en hij zal weiden op den Karmel en op den Basan; en zijn ziel zal op het gebergte van Efraim en Gilead verzadigd worden.20In die dagen en te dier tijd, spreekt de HEERE, zal Israels ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden; want Ik zal ze dengenen vergeven, die Ik zal doen overblijven.21Tegen het land Merathaim, trek tegen hetzelve op, en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen, spreekt de HEERE, en doe naar alles, wat Ik u geboden heb.22Er is een krijgsgeschrei in het land, en een grote breuk.23Hoe is de hamer der ganse aarde zo afgehouwen en verbroken! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen.24Ik heb u een strik gesteld, dies zijt gij ook gevangen, o Babel! dat gij het niet wist; gij zijt gevonden, en ook gegrepen, omdat gij u tegen den HEERE in strijd gemengd hebt.25De HEERE heeft Zijn schatkamer opengedaan, en de instrumenten Zijner gramschap voortgebracht; want dat is een werk van den HEERE, den HEERE der heirscharen, in het land der Chaldeen.26Komt aan tegen haar van het uiterste, opent haar schuren, vertreedt haar als korenhopen, en verbant ze; laat ze geen overblijfsel hebben.27Doodt met het zwaard al haar varren, laat ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd hunner bezoeking!28Er is een stem der gevluchten en ontkomenen uit het land van Babel, om in Sion te verkondigen de wraak des HEEREN, onzes Gods, de wraak Zijns tempels.29Laat u horen tegen Babel, gij schutters! gij allen, die den boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen den HEERE, tegen den Heilige Israels.30Daarom zullen haar jongelingen vallen op haar straten, en al haar krijgslieden te dien dage uitgeroeid worden, spreekt de HEERE.31Ziet, Ik wil aan u, gij trotse! spreekt de HEERE, de HEERE der heirscharen; want uw dag is gekomen, de tijd, dat Ik u bezoeken zal.32Dan zal de trotse aanstoten en vallen, en er zal niemand zijn, die hem opricht; ja, Ik zal een vuur aansteken in zijn steden, dat zal alle plaatsen rondom hem verteren.

Dat Israël door de Chaldeeën getuchtigd werd, was zeker naar de wil van God. De woede en de gruwelijke praktijken die zij echter openbaarden bij het uitvoeren van die tuchtiging, rechtvaardigden "de wraak van de HEERE" waarvan Babel nadien het voorwerp was. Bovendien streed Babel, door de aanval op Israël, in feite tegen de HEERE (slot van vers 24; zie Zacharia 2 vers 8). Vooral de vernietiging en de plundering van de tempel vormden een persoonlijke belediging van Hem, Die Zijn heerlijkheid daar liet wonen. Vandaar ook dat de kastijding van Babel "de wraak van Zijn tempel" genoemd wordt (vers 28 en hoofdstuk 51 vers 11).

Het is goed om op te merken dat er, ondanks alle donkerheid in deze hoofdstukken, toch tegelijkertijd zoveel bemoedigingen in staan voor de getrouwen onder het volk van God. De HEERE, hun Verlosser, is sterk; Hij zal de 'rechtszaak' van Israël, "een verbijsterd lam" ter hand nemen om het te redden uit de muil van de leeuwen, die dat lam wilden opeten (vers 17 en 34). "...in die tijd" zal de vergeving van God al hun schuld uitgedelgd hebben, dan "zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden" (vers 20; vergelijk Numeri 23 vers 21).

Allen die hun schuld beleden hebben en de Heere Jezus hebben aangenomen als hun Heiland en Verlosser, mogen het nu al zingen:

"O schuld'loos Lam, Uw offerbloed delgde onze schuld, Gij droegt de zonden; wij zijn genezen door Uw wonden: Gij schonkt aan ons het hoogste goed. Koningen, priesters zijn wij nu. U, Heer, zij lof en eer gegeven; Gij schonkt aan ons het eeuwig leven. Heer, onze God, we aanbidden U!"

Jeremia 51:27-46
27Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararat, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts, als ruige kevers!28Heiligt tegen haar de heidenen, de koningen van Medie, haar landvoogden en al haar overheden, ja, het ganse land harer heerschappij.29Dan zal het land beven en pijn lijden; want elk een van des HEEREN gedachten staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot een verwoesting, dat er geen inwoner zij.30Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot wijven geworden; zij hebben hun woningen aangestoken, hun grendels zijn verbroken.31De loper zal den loper tegemoet lopen, en de kondschapper den kondschapper tegemoet, om den koning van Babel bekend te maken, dat zijn stad van het einde is ingenomen;32En dat de veren ingenomen, en de rietpoelen met vuur verbrand zijn; en dat de krijgslieden verbaasd zijn.33Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israels: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd, dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd des oogstes overkomen.34Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een ledig vat, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijn balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij verdreven.35Het geweld, dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel! zegge de inwoneres van Sion; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldea! zegge Jeruzalem.36Daarom, zo zegt de HEERE: Ziet, Ik zal uw twist twisten, en uw wraak wreken; en Ik zal haar zee droog maken, en haar springader opdrogen.37En Babel zal worden tot steen hopen, een woning der draken, een ontzetting en aanfluiting, dat er geen inwoner zij.38Zij zullen te zamen brullen als jonge leeuwen, briesen als leeuwenwelpen.39Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten, en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de HEERE.40Ik zal hen afvoeren als lammeren om te slachten, als rammen met bokken.41Hoe is Sesach zo veroverd, en de roem der ganse aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen!42Een zee is over Babel gerezen, door de veelheid harer golven is zij bedekt.43Haar steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis; een land, waarin niemand woont, en waar geen mensenkind doorgaat.44En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen, wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien, want ook Babels muur is gevallen.45Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt een iegelijk zijn ziel, vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN.46En opdat ulieder hart misschien niet week worde, en gij vreest van het gerucht, dat gehoord zal worden in het land; want er zal een gerucht komen in het ene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en er zal geweld zijn in het land, heer over heer.

Veel uitdrukkingen die we in deze hoofdstukken tegenkomen, vinden we terug in het Boek Openbaring, in verbinding met het toekomstige Babylon. Daarbij gaat het dan niet meer om een stad, maar om een uitgebreid godsdienstig systeem, een satanische en bedrieglijke nabootsing van de Gemeente van Christus, dat tot volle ontplooiing zal komen als de Gemeente opgenomen zal zijn.

Bij deze ontplooiing van kwaad weerklinkt meerdere keren de Goddelijke oproep: "Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar" (hoofdstuk 50 vers 8, 51 vers 6 en 45, Zacharia 2 vers 7, Openbaring 18 vers 4).

Inderdaad betekent het blijven in Babylon, nadat God het oordeel heeft uitgesproken, enerzijds deelgenoot te zijn van haar zonden en anderzijds zichzelf bloot te stellen aan het gevaar om ook deelgenoot te zullen worden van hetgeen haar zal treffen.

Een soortgelijke oproep richt de Heere nu aan al de Zijnen die zich nog in verschillende kringen van de belijdende christenheid bevinden: "Een ieder die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid!" (2 Timotheüs 2 vers 19). Maar hoewel sommige gelovigen deze ongerechtigheid rondom zich constateren, menen zij desondanks toch in die omgeving, die zo slecht bekend staat, te moeten blijven. Ze hopen door hun aanwezigheid een gunstige invloed te kunnen uitoefenen en iets te kunnen bijdragen aan haar verbetering. Dat staat echter gelijk aan het koesteren van een valse hoop en, tegelijkertijd, zichzelf wijzer te achten dan Hij, Die juist uitdrukkelijk bevolen heeft uit hun midden weg te gaan (2 Korinthe 6 vers 14 -18).

Jeremia 51:47-64
47Daarom ziet, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de gesneden beelden van Babel; en haar ganse land zal beschaamd worden, en al haar verslagenen zullen in het midden van haar liggen.48En de hemel en de aarde, mitsgaders al wat daarin is, zullen juichen over Babel; want van het noorden zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt de HEERE.49Gelijk Babel geweest is tot een val der verslagenen van Israel, alzo zullen te Babel de verslagenen des gansen lands vallen.50Gij ontkomenen van het zwaard, gaat weg, en blijft niet staan; gedenkt des HEEREN van verre, en laat Jeruzalem in ulieder hart opkomen.51Gij moogt zeggen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt; omdat uitlandsen over de heiligdommen van des HEEREN huis gekomen zijn;52Daarom ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik bezoeking doen zal over haar gesneden beelden; en de dodelijk verwonde zal kermen in haar ganse land.53Al klom Babel ten hemel op, en al maakte zij vast de hoogte harer sterkte, zo zullen haar toch verstoorders van Mij overkomen, spreekt de HEERE.54Er is een stem des gekrijts uit Babel, en een grote breuk uit het land der Chaldeen.55Want de HEERE verstoort Babel, en zal de grootse stem uit haar doen vergaan; want hunlieder golven zullen bruisen als grote wateren; het geruis van hunlieder geluid zal zich verheffen.56Want de verstoorder komt over haar, over Babel, en haar helden zullen gevangen worden; hunlieder bogen zijn verbroken; want de HEERE, de God der vergelding, zal hun zekerlijk betalen.57En Ik zal haar vorsten, en haar wijzen, haar landvoogden, en haar overheden, en haar helden dronken maken; en zij zullen een eeuwigen slaap slapen, en niet opwaken, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen.58Zo zegt de HEERE der heirscharen: Die brede muur van Babel zal ten enenmale ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de volken tevergeefs, en de natien ten vure zullen gearbeid hebben, dat zij mat worden.59Het woord, dat de profeet Jeremia beval aan Seraja, den zoon van Nerija, den zoon van Machseja, als hij van Zedekia, den koning van Juda, naar Babel toog, in het vierde jaar zijner regering; en Seraja was een vreemdzaam vorst.60Jeremia nu schreef al het kwaad, dat over Babel komen zou, in een boek, te weten al deze woorden, die tegen Babel geschreven zijn.61En Jeremia zeide tot Seraja: Als gij te Babel komt, zo zult gij zien en lezen al deze woorden;62En gij zult zeggen: O HEERE, Gij hebt over deze plaats gesproken, dat Gij ze zult uitroeien, zodat er geen inwoner in zij, van den mens tot op het beest, maar dat zij worden zal tot eeuwige woestheden.63En het zal geschieden, als gij geeindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij een steen daaraan binden, en werpen het in het midden van den Frath;64En zult zeggen: Alzo zal Babel zinken, en niet weder opkomen, vanwege het kwaad, dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden. Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia.

"Gedenkt de HEERE van verre, en laat Jeruzalem in uw hart opkomen" (vers 50). Het trouwe overblijfsel van Israël werd niet opgeroepen om uit het midden van het verdorven Babylon weg te gaan zonder ook te weten waarheen men moest trekken. Om tot dit moedige besluit te komen, moest men eerst van buitenaf door sterke genegenheden aangetrokken worden (Psalm 137 vers 5 en 6). Dat geldt ook voor vandaag; de gelovige wordt opgeroepen om uit de godsdienstige legerplaats, waar alleen maar een mondeling belijden te vinden is, uit te gaan tot Hem, tot de Heere Jezus, Hij Die beloofd heeft in het midden van de "twee of drie" die in Zijn Naam vergaderd zijn, aanwezig te zullen zijn (Hebreeën 13 vers 13 en Mattheüs 18 vers 20).

De Heere besluit de beschrijving van al Zijn oordelen door de ondertekening met een vreselijke Naam: "de God der vergelding" (vers 56). Het is echter heel opmerkelijk dat de woorden over het oordeel over Babylon voorafgaan aan het bericht over de vernietiging van de tempel (hoofdstuk 52). De vernietiging van de Babylonische afgoden moest aangekondigd worden voordat de vernietiging van de tempel zou plaatsvinden (vers 47 en 52). Zodoende zou namelijk niemand op de gedachte kunnen komen dat deze afgoden inderdaad machtiger zouden zijn dan de God van Israël. Zeven jaar voordat Jeruzalem ingenomen werd, moesten al deze woorden in een boek opgeschreven worden. En nadat alles voorgelezen zou zijn, moest dit boek door Seraja, de broer van Baruch, midden in de Frath (Eufraat) geworpen worden. Dat was een teken dat Babel op dezelfde wijze ten onder zou gaan.

Jeremia 52:1-16
1Zedekia was een en twintig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde elf jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Hamutal, een dochter van Jeremia, van Libna.2En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN, naar alles, wat Jojakim gedaan had.3Want het geschiedde, om den toorn des HEEREN tegen Jeruzalem en Juda, totdat Hij hen van Zijn aangezicht weggeworpen had; en Zedekia rebelleerde tegen den koning van Babel.4En het geschiedde in het negende jaar zijner regering, in de tiende maand, op den tienden der maand, dat Nebukadrezar, de koning van Babel, kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn ganse heir, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.5Alzo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van den koning Zedekia.6In de vierde maand, op den negenden der maand, als de honger in de stad sterk werd, en het volk des lands geen brood had;7Toen werd de stad doorgebroken, en al de krijgslieden vloden, en trokken uit des nachts, uit de stad, door den weg der poort tussen de twee muren, die aan des konings hof waren (de Chaldeen nu waren tegen de stad rondom), en zij togen door den weg des vlakken velds.8Doch het heir der Chaldeen jaagde den koning na, en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho; en al zijn heir werd van bij hem verstrooid.9Zij dan grepen den koning, en voerden hem opwaarts tot den koning van Babel naar Ribla, in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem.10En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia voor zijn ogen; en hij slachtte ook al de vorsten van Juda te Ribla.11En hij verblindde de ogen van Zedekia, en hij bond hem met twee koperen ketenen; alzo bracht hem de koning van Babel naar Babel, en stelde hem in het gevangenhuis, tot den dag zijns doods toe.12Daarna, in de vijfde maand, op den tienden der maand (dit jaar was het negentiende jaar van den koning Nebukadrezar, den koning van Babel), als Nebuzaradan, de overste der trawanten, die voor het aangezicht des konings van Babel stond, te Jeruzalem gekomen was;13Zo verbrandde hij het huis des HEEREN en het huis des konings; mitsgaders alle huizen van Jeruzalem en alle huizen der groten verbrandde hij met vuur.14En het ganse heir der Chaldeen, dat met den overste der trawanten was, brak alle muren van Jeruzalem rondom af.15Van de armsten nu des volks en het overige des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen, die tot den koning van Babel gevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg.16Maar van de armsten des lands liet Nebuzaradan, de overste der trawanten, enigen over tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.

Hoofdstuk 52 hoort niet meer bij "de woorden van Jeremia" (hoofdstuk 51 vers 64). Evenals hoofdstuk 39 geeft het een verslag van de gebeurtenissen die een einde maakten aan het koninkrijk van Juda. In grote lijnen is het een herhaling van 2 Koningen 25.

Het uur van het oordeel is aangebroken; dat geldt zowel voor Jeruzalem, haar tempel (vers 17 - 23), haar koning als haar bewoners. De stad wordt ingenomen. Zedekia en zijn leger proberen nog aan het net dat om hen heen getrokken wordt, te ontkomen, door te vluchten. Maar ze hebben niet met de Chaldeeën, maar met God Zelf te doen. Nadat men hen naar Nebukadrezar in Ribla gebracht heeft, worden de ogen van de arme koning van Juda verblind (uitgestoken). Dat is een straf die de bondgenoten die het onderlinge verbond niet trouw bleven, te wachten stond. Daarna wordt hij met "twee koperen ketenen" gebonden en verbannen. Tot aan het eind van zijn ongelukkig leven zal hij zich wellicht herinnerd hebben aan dat wat hij het laatst gezien heeft: de vreselijke slachting van zijn eigen zonen.

Een maand later komt de overste van de lijfwacht terug naar Jeruzalem, om de opstandige stad systematisch te verbranden en af te breken en tevens om een selectie te maken uit het volk. Vers 15 noemt "afvalligen" (overlopers). Er waren dus mensen die naar Jeremia geluisterd hadden.

Deze dingen werden niet alleen vanwege hun geschiedkundige waarde opgeschreven (en herhaald), maar ook tot lering voor onze harten, tot onze vermaning (1 Korinthe 10 vers 11). "Gij dan geliefden, dit tevoren wetende, wacht u..." (2 Petrus 3 vers 17 en 18).

Jeremia 52:17-34
17Verder braken de Chaldeen de koperen pilaren, die in het huis des HEEREN waren, en de stellingen, en de koperen zee, die in het huis des HEEREN was; en zij voerden al het koper daarvan naar Babel.18Ook namen zij de potten en de schoffelen, en de gaffelen, en de sprengbekkens, en de rookschalen, en al de koperen vaten, waar men den dienst mede deed.19En de overste der trawanten nam weg de schalen, en de wierookvaten, en de sprengbekkens, en de potten, en de kandelaars, en de rookschalen, en de kroezen; wat geheel goud, en wat geheel zilver was.20De twee pilaren, de ene zee, en de twaalf koperen runderen, die in de plaats der stellingen waren, die de koning Salomo voor het huis des HEEREN gemaakt had; het koper daarvan, te weten van al deze vaten, was zonder gewicht.21Aangaande de pilaren, achttien ellen was de hoogte eens pilaars, en een draad van twaalf ellen omving hem; en zijn dikte was vier vingeren, en hij was hol.22En het kapiteel daarop was koper, en de hoogte des enen kapiteels was vijf ellen, en een net, en granaatappelen op het kapiteel rondom, alles koper; en dezen gelijk had de andere pilaar, met granaatappelen.23En de granaatappelen waren zes en negentig, gezet naar den wind; alle granaatappelen waren honderd, over het net rondom.24Ook nam de overste der trawanten Seraja, den hoofdpriester, en Zefanja, den tweeden priester, en de drie dorpelbewaarders.25En uit de stad nam hij een hoveling, die over de krijgslieden gesteld was, en zeven mannen uit degenen, die des konings aangezicht zagen, die in de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands, die in het midden der stad gevonden werden.26Als Nebuzaradan, de overste der trawanten, dezen genomen had, zo bracht hij hen tot den koning van Babel naar Ribla.27En de koning van Babel sloeg hen en doodde hen te Ribla, in het land van Hamath. Alzo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd.28Dit is het volk, dat Nebukadrezar gevankelijk heeft weggevoerd; in het zevende jaar, drie duizend drie en twintig Joden;29In het achttiende jaar van Nebukadrezar, voerde hij gevankelijk weg achthonderd twee en dertig zielen uit Jeruzalem;30In het drie en twintigste jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan, de overste der trawanten, gevankelijk weg van de Joden zevenhonderd vijf en veertig zielen. Alle zielen zijn vier duizend en zeshonderd.31Het geschiedde daarna, in het zeven en dertigste jaar der gevankelijke wegvoering van Jojachin, den koning van Juda, in de twaalfde maand, op den vijf en twintigsten der maand, dat Evilmerodach, de koning van Babel, in het eerste jaar zijns koninkrijks, het hoofd van Jojachin, den koning van Juda, verhief, en hem uit het gevangenhuis uitbracht.32En hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijn stoel boven den stoel der koningen, die bij hem te Babel waren.33En hij veranderde de klederen zijner gevangenis; en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, al de dagen zijns levens.34En aangaande zijn tering, een gedurige tering werd hem van den koning van Babel gegeven, elk dagelijks bestemde deel op zijn dag, tot op den dag zijns doods, al de dagen zijns levens.

Het stemt je droevig, getuige te zijn van de plundering van het huis van de HEERE en te zien hoe de Chaldeeën de prachtige en machtige zuilen kapotslaan en wegnemen en eraan te denken wat er van het getuigenis van Israël te midden van de volken is geworden. Maar wat zijn in vergelijking daarmee de gevoelens van de Heere Zelf, bij het zien van de verwoesting van Zijn huis, de plaats waar Hij Zijn Naam deed wonen, en als Hij de puinhopen van Jeruzalem ziet (lees 1 Koningen 9 vers 6 - 9)!

Welke waarde krijgen dan daarentegen de beloften die de Heere gegeven heeft aan hen die overwinnen, in Filadelfia! "Wie overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel van Mijn God... Ik zal op hem schrijven de Naam van Mijn God en de naam... van het nieuwe Jeruzalem... en ook Mijn nieuwe Naam" (Openbaring 3 vers 12).

Beste vrienden, laten we aan het slot van de overdenking van dit Bijbelboek de Heere vragen dat ook wij tot die overwinnaars zullen behoren. Dat wil zeggen dat we, tot aan het moment van Zijn wederkomst, Zijn Woord bewaren en Zijn Naam niet verloochenen.

God laat echter niet toe, dat dit Bijbelboek eindigt met een triest beeld. De genade die Jojachin ondervindt van de kant van de opvolger van Nebukadrezar (vers 31 - 34), getuigt van de zorg die de HEERE voortdurend aan het zwakke overblijfsel van Zijn volk besteedt.

Klaagliederen 1:1-11
1Aleph. Hoe zit die stad zo eenzaam, die vol volks was, zij is als een weduwe geworden, zij, die groot was onder de heidenen, een vorstin onder de landschappen, is cijnsbaar geworden.2Beth. Zij weent steeds des nachts, en haar tranen lopen over haar kinnebakken; zij heeft geen trooster onder al haar liefhebbers; al haar vrienden hebben trouwelooslijk met haar gehandeld, zij zijn haar tot vijanden geworden.3Gimel. Juda is in gevangenis gegaan vanwege de ellende, en vanwege de veelheid der dienstbaarheid; zij woont onder de heidenen, zij vindt geen rust; al haar vervolgers achterhalen ze tussen de engten.4Daleth. De wegen Sions treuren, omdat niemand op het feest komt; al haar poorten zijn woest, haar priesters zuchten: haar jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelve is in bitterheid.5He. Haar tegenpartijders zijn ten hoofd geworden, haar vijanden zijn gerust; omdat haar de HEERE bedroefd heeft, vanwege de veelheid harer overtredingen; haar kinderkens gaan henen in de gevangenis voor het aangezicht des tegenpartijders.6Vau. En van de dochter Sions is al haar sieraad weggegaan; haar vorsten zijn als de herten, die geen weide vinden, en zij gaan krachteloos henen voor het aangezicht des vervolgers.7Zain. Jeruzalem is, in de dagen harer ellende en harer veelvuldige ballingschap, indachtig aan al haar gewenste dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; dewijl haar volk door de hand des tegenpartijders valt, en zij geen helper heeft; de tegenpartijders zien haar aan, zij spotten met haar rustdagen.8Cheth. Jeruzalem heeft zwaarlijk gezondigd, daarom is zij als een afgezonderde vrouw geworden; allen, die haar eerden, achten haar onwaard, dewijl zij haar naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd.9Teth. Haar onreinheid is in haar zomen, zij heeft niet gedacht aan haar uiterste, daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald; zij heeft geen trooster. HEERE, zie mijn ellende aan, want de vijand maakt zich groot.10Jod. De tegenpartijder heeft zijn hand aan al haar gewenste dingen uitgebreid; immers heeft zij aangezien, dat de heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan Gij geboden hadt, dat zij in Uw gemeente niet komen zouden.11Caph. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hun gewenste dingen voor spijs gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie, HEERE, en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben.

De Klaagliederen van Jeremia geven uitdrukking aan de smart die de profeet gevoeld heeft bij de gebeurtenissen die in het laatste hoofdstuk van zijn Boek beschreven worden, dus bij de inneming en vernietiging van Jeruzalem, door het leger van Nebukadrezar. Maar zoals bij elke profetie gaat ook hier de draagwijdte van de woorden ver boven de omstandigheden die daartoe de aanleiding waren, uit. En de Heilige Geest brengt ons in deze hoofdstukken bij de tijd van de grote verdrukking, waardoor Israël in de toekomst zal moeten gaan.

Het is ontroerend om te zien hoe Jeremia, hoewel hij persoonlijk niet schuldig is, zich verootmoedigt. Van de verootmoediging van Jeruzalem neemt hij als het ware het grootste gedeelte op zich en hij maakt zich één met het volk dat onder het oordeel van God staat. De rampen die hij onophoudelijk heeft aangekondigd en waarin het volk niet wilde geloven, zijn toch gekomen. Iemand anders zou wellicht gezegd hebben: 'Ik heb jullie gewaarschuwd! Had maar naar mij geluisterd!' Maar deze dienstknecht van God probeert hen niet op deze manier te overtroeven. Integendeel zelfs! Voor Jeruzalem, dat op het moment van de verdrukking niemand meer heeft om te helpen (vers 7, Jesaja 51 vers 18 en 19), niemand om te troosten (vers 2, 9, 17 en 21), is Jeremia (een beeld van Christus) de trouwste vriend en de ijverigste voorspraak (zie Spreuken 17 vers 17).

Klaagliederen 1:12-22
12Lamed. Gaat het ulieden niet aan, gij allen, die over weg gaat? Schouwt het aan en ziet, of er een smart zij gelijk mijn smart, die mij aangedaan is, waarmede de HEERE mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid Zijns toorns.13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.14Nun. Het juk mijner overtredingen is aangebonden door Zijn hand, zij zijn samengevlochten, zij zijn op mijn hals geklommen; Hij heeft mijn kracht doen vervallen; de HEERE heeft mij in hun handen gegeven, ik kan niet opstaan.15Samech. De Heere heeft al mijn sterken in het midden van mij vertreden; Hij heeft een bijeenkomst over mij uitgeroepen, om mijn jongelingen te verbreken; de Heere heeft de wijnpers der jonkvrouw, der dochter van Juda, getreden.16Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.17Pe. Sion breidt haar handen uit, daar is geen trooster voor haar; de HEERE heeft van Jakob geboden, dat die rondom hem zijn, zijn tegenpartijders zouden zijn; Jeruzalem is als een afgezonderde vrouw onder hen.18Tsade. De HEERE is rechtvaardig, want ik ben Zijn mond wederspannig geweest; hoort toch, alle gij volken, en ziet mijn smart; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn in de gevangenis gegaan.19Koph. Ik riep tot mijn liefhebbers, maar zij hebben mij bedrogen; mijn priesters en mijn oudsten hebben in de stad den geest gegeven, als zij spijze voor zich zochten, opdat zij hun ziel mochten verkwikken.20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.

"Gaat het u niet aan, gij allen die voorbij gaat?", roept Jeruzalem te midden van het ongeluk dat haar treft (vers 12).

Hoe vaak gaan wij gevoelloos aan het lijden van anderen voorbij (vers 21)! Hoeveel kostbare gelegenheden om een klein beetje meegevoel te tonen, laten wij nutteloos voorbij gaan! Laten we de Heere toch vragen om gevoelige harten, zodat we het leed van hen die ons omringen, beter kunnen begrijpen en hen, van de kant van God, ware troost kunnen geven.

We kunnen er niet aan ontkomen om bij het zien van deze weergaloze smart, dat ondergaan wordt vanwege de toorn van God, te denken aan het kruis (vers 12). Maar Christus had "niets onbehoorlijks gedaan", terwijl Jeruzalem bij monde van Jeremia toegeeft — net als de moordenaar aan het kruis — dat men dit alles terecht verdiend heeft (vers 18; Lukas 23 vers 41).

Eigenlijk zien we hier ook iets van hen "die voorbijgingen" aan de gekruisigde Heere (vers 21; Mattheüs 27 vers 39). Onder hen "die voorbijgingen" bevonden zich vijandige mensen — en die zijn er vandaag ook nog als het gaat om het kruis — maar ook spotters en bovenal onverschilligen. Voor hen allen geldt de vraag: "Gaat het u niet aan, gij allen die voorbij gaat?"

Beste vriend, de Heere Jezus heeft al dat lijden ook om jou verdragen! Omdat Hij ook jouw heil op het oog had! Laat dat alles je koud? Betekent dat dan helemaal niets voor je?

Klaagliederen 2:1-10
1Aleph. Hoe heeft de Heere de dochter Sions in Zijn toorn bewolkt? Hij heeft de heerlijkheid van Israel van den hemel op de aarde nedergeworpen; en Hij heeft aan de voetbank Zijner voeten niet gedacht in den dag Zijns toorns.2Beth. De Heere heeft al de woningen Jakobs verslonden, en heeft ze niet verschoond; Hij heeft de vastigheden der dochter van Juda afgebroken in Zijn verbolgenheid, Hij heeft gemaakt, dat zij de aarde raken; Hij heeft het koninkrijk en deszelfs vorsten ontheiligd.3Gimel. Hij heeft, in ontsteking des toorns, den gehelen hoorn Israels afgehouwen; Hij heeft Zijn rechterhand achterwaarts getrokken, toen de vijand kwam, en Hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur, dat rondom verteert.4Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen als een vijand; Hij heeft zich met Zijn rechterhand gesteld als een tegenpartijder, dat Hij doodde al de begeerlijke dingen der ogen; Hij heeft Zijn grimmigheid in de tent der dochter Sions uitgestort als een vuur.5He. De Heere is geworden als een vijand; Hij heeft Israel verslonden, Hij heeft al haar paleizen verslonden. Hij heeft deszelfs vastigheden verdorven; en Hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd.6Vau. En Hij heeft Zijn hut met geweld afgerukt, als een hof, Hij heeft Zijn vergaderplaats verdorven; de HEERE heeft in Sion doen vergeten den hoogtijd en den sabbat, en Hij heeft in de gramschap Zijns toorns den koning en den priester smadelijk verworpen.7Zain. De Heere heeft Zijn altaar verstoten. Hij heeft Zijn heiligdom te niet gedaan, Hij heeft de muren harer paleizen in des vijands hand overgegeven; zij hebben in het huis des HEEREN een stem verheven als op den dag eens gezetten hoogtijds.8Cheth. De HEERE heeft gedacht te verderven den muur der dochter Sions; Hij heeft het richtsnoer daarover getogen, Hij heeft Zijn hand niet afgewend, dat Hij ze niet verslonde; en Hij heeft den voormuur en den muur te zamen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt.9Teth. Haar poorten zijn in de aarde verzonken; Hij heeft haar grendelen verdorven en gebroken; haar koning en haar vorsten zijn onder de heidenen; er is geen wet; haar profeten vinden ook geen gezicht van den HEERE.10Jod. De oudsten der dochter Sions zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op hun hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen.

In het eerste hoofdstuk werden de vijanden van Israël verantwoordelijk geacht voor alles wat dit volk overkwam. Vanaf nu zal alles wat gebeurd is, gezien worden als het handelen van de Heere en als komende van Hem alleen.

Dat het bij ons toch ook zo mag zijn, dat we inzien dat de tuchtiging van Hem komt. Soms doet Hij het om te straffen, maar tenslotte gaat het Hem er alleen maar om, om te zegenen. En in plaats dat we ons bezighouden met datgene wat God gebruikt om Zijn doel met ons te bereiken — denk maar aan: zorgen om de gezondheid, geldzorgen, irritaties op het werk, enzovoort — en proberen om daar zo snel mogelijk vanaf te komen, is het veel beter dat we ons onder de machtige hand van God verootmoedigen en al onze zorgen op Hem werpen, want Hij zorgt voor ons (1 Petrus 5 vers 6 en 7).

Jeruzalem maakt, na alles wat haar is overkomen, de balans op. De koning, de priesters en de profeten werden gevangen genomen of vermoord. Hoogtijdagen kent men niet meer en de muren zijn verwoest. Niets bleef gespaard, zelfs de heiligste dingen niet. Het altaar en het heiligdom werden verontreinigd (hoofdstuk 1 vers 10), verwoest, en de kostbare voorwerpen werden naar Babel afgevoerd. Ja, zelfs de ark, "de voetbank van Zijn voeten" (vers 1; Psalm 132 vers 7) met daarin de twee stenen tafelen van de wet (vers 9; 1 Koningen 8 vers 9) was voor altijd verdwenen! Dat is een bewijs dat God voor de toekomst (tenminste voorlopig) alle betrekkingen met Zijn volk, dat schuldig was, heeft afgebroken.

Klaagliederen 2:11-22
11Caph. Mijn ogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd; mijn lever is ter aarde uitgeschud, vanwege de breuk der dochter mijns volks; omdat het kind en de zuigeling op de straten der stad in onmacht zinken;12Lamed. Als zij tot hun moeders zeggen: Waar is koren en wijn, als zij op de straten der stad in onmacht zinken, als de verslagenen; als zich hun ziel uitschudt in den schoot hunner moeders.13Mem. Wat getuigen zal ik u brengen, wat zal ik bij u vergelijken, gij dochter Jeruzalems? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik u trooste, gij jonkvrouw, dochter Sions, want uw breuk is zo groot als de zee, wie kan u helen?14Nun. Uw profeten hebben u ijdelheid en ongerijmdheid gezien, en zij hebben u uw ongerechtigheid niet geopenbaard, om uw gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstotingen.15Samech. Allen, die over weg gaan, klappen met de handen over u, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jeruzalems, zeggende: Is dit die stad, waar men van zeide, dat zij volkomen van schoonheid was, een vreugde der ganse aarde?16Pe. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.17Ain. De HEERE heeft gedaan, wat Hij gedacht had, Hij heeft Zijn woord vervuld, dat Hij bevolen had van oude dagen; Hij heeft afgebroken en niet gespaard; en Hij heeft den vijand over u verblijd, Hij heeft den hoorn uwer tegenpartijders verhoogd.18Tsade. Hun hart schreeuwde tot den Heere: O gij muur der dochter Sions, laat dag en nacht tranen afvlieten als een beek; geef uzelve geen rust, uw oogappel houde niet op!19Koph. Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkens, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.20Resch. Zie, HEERE, aanschouw toch, aan wien Gij alzo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderkens, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom des Heeren gedood worden?21Schin. De jongen en de ouden liggen op de aarde op de straten; mijn jonkvrouwen en mijn jongelingen zijn door het zwaard gevallen; Gij hebt ze in den dag Uws toorns gedood, Gij hebt ze geslacht en niet verschoond.22Thau. Gij hebt mijn verschrikkingen van rondom geroepen, als tot een dag eens gezetten hoogtijds; en er is niemand aan den dag des toorns des HEEREN ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgetogen heb, die heeft mijn vijand omgebracht.

Met het oog op het beeld dat in voorgaande verzen geschetst werd, is de profeet ontroostbaar. Hij kijkt naar de verwoesting, de breuk, die "zo groot als de zee" is (vers 13), en onophoudelijk stromen zijn tranen.

Eens heeft de Heere Jezus ook geweend over Jeruzalem, omdat Hij van tevoren wist wat de gevolgen van Zijn verwerping voor deze schuldige stad zouden zijn (Lukas 19 vers 41 en verder).

Ook al hadden de koning, de vorsten, de priesters, de valse profeten (vers 14) en het grootste deel van het volk de slagen waardoor zij getroffen werden, verdiend, toch is er een groot aantal dat lijdt zonder direct zelf verantwoordelijk te zijn. Zuigelingen sterven van de honger; grijsaards en kleine kinderen komen van uitputting om op de straten (vers 11, 19 en 21). Desondanks laat Jeremia geen 'waarom' horen. Hij treedt juist op ten gunste van het volk, dat hij zo liefheeft.

De verzen 15 en 16 wijzen ons opnieuw op hen "die voorbij gaan". Maar het gaat nu niet alleen meer om onverschilligheid, zoals in hoofdstuk 1 vers 12. Deze keer schudden zij het hoofd, knersen met de tanden en kijken met schaamteloze blikken, vol haat en verachting.

De Heere Jezus, het heilige Offer, heeft tijdens de uren aan het kruis Zelf deze openbaringen van de menselijke boosheid ondervonden (zie Psalm 22 vers 7 en 8; 35 vers 21).

Klaagliederen 3:1-24
1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.2Aleph. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis, en niet in het licht.3Aleph. Hij heeft Zich immers tegen mij gewend, Hij heeft Zijn hand den gansen dag veranderd.4Beth. Hij heeft mijn vlees en mijn huid oud gemaakt, Hij heeft mijn beenderen gebroken.5Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd, en Hij heeft mij met galle en moeite omringd.6Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen, als degenen, die over lang dood zijn.7Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.10Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.11Daleth. Hij heeft mijn wegen afgewend; en Hij heeft mij in stukken gebroken; Hij heeft mij woest gemaakt.12Daleth. Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.13He. Hij heeft Zijn pijlen in mijn nieren doen ingaan.14He. Ik ben al mijn volk tot belaching geworden, hun snarenspel den gansen dag.15He. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, Hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.16Vau. Hij heeft mijn tanden met zandsteentjes verbrijzeld, Hij heeft mij in de as nedergedrukt.17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.18Vau. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den HEERE.19Zain. Gedenk aan mijn ellende en aan mijn ballingschap, aan den alsem en galle.20Zain. Mijn ziel gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.21Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen;22Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;23Cheth. Zij zijn allen morgen nieuw, Uw trouw is groot.24Cheth. De HEERE is mijn Deel, zegt mijn ziel, daarom zal ik op Hem hopen.

Met het derde hoofdstuk zijn we in het midden van dit Boek aangekomen en tegelijkertijd horen we de grootste vertwijfeling van de profeet. Hoewel hij niet schuldig is, neemt Jeremia de ongerechtigheden van zijn volk persoonlijk op zich en beziet hij ook de straf als alleen op hem neerkomend: "Ik ben de man die ellende gezien heeft door de roede van Zijn verbolgenheid" (vers 1).

Hiermee is Jeremia een beeld van de Heere Jezus, toen Hij de verzoening voor onze zonden volbracht. Op het lijden dat Hij aan het kruis, van de kant van de mensen, te verdragen had — en waar de verzen 14 en 30 ons aan herinneren (vergelijk Psalm 69 vers 13 en Jesaja 50 vers 6) — volgde gedurende de drie uren van duisternis het lijden dat Hem door God werd aangedaan, toen Hij tot zonde gemaakt werd (2 Korinthe 5 vers 21). Al deze vreselijke uitingen van Gods toorn zijn allemaal het deel geweest van onze Verlosser (vergelijk vers 8 en Psalm 22 vers 2). En toch heeft Zijn vertrouwen en Zijn hoop geen enkel moment gewankeld, terwijl bij Jeremia het vertrouwen en de hoop geweken waren (vers 18).

Vanaf vers 21 zoekt de verdrukte echter zijn hulp bij Hem door Wie hij geslagen werd. En daar vindt zijn geloof, in onderwerping en vertrouwen, de wonderbare barmhartigheden van de HEERE, die "elke morgen nieuw" zijn.

Klaagliederen 3:25-51
25Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.26Teth. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des HEEREN.27Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijn jeugd draagt.28Jod. Hij zitte eenzaam, en zwijge stil, omdat Hij het hem opgelegd heeft.29Jod. Hij steke zijn mond in het stof, zeggende: Misschien is er verwachting.30Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad.31Caph. Want de Heere zal niet verstoten in eeuwigheid.32Caph. Maar als Hij bedroefd heeft, zo zal Hij Zich ontfermen, naar de grootheid Zijner goedertierenheden.33Caph. Want Hij plaagt of bedroeft des mensenkinderen niet van harte.34Lamed. Dat men al de gevangenen der aarde onder Zijn voeten verbrijzelt;35Lamed. Dat men het recht eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten;36Lamed. Dat men een mens verongelijkt in zijn twistzaak; zou het de Heere niet zien?37Mem. Wie zegt wat, hetwelk geschiedt, zo het de Heere niet beveelt?38Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?39Mem. Wat klaagt dan een levend mens? Een ieder klage vanwege zijn zonden.40Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot den HEERE.41Nun. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende:42Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.44Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.45Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken.46Pe. Al onze vijanden hebben hun mond tegen ons opgesperd.47Pe. De vreze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.48Pe. Met waterbeken loopt mijn oog neder, vanwege de breuk der dochter mijns volks.49Ain. Mijn oog vliet, en kan niet ophouden, omdat er geen rust is;50Ain. Totdat het de HEERE van den hemel aanschouwe, en het zie.51Ain. Mijn oog doet mijn ziele moeite aan, vanwege al de dochteren mijner stad.

Opdat de beproeving ons er nooit toe zal brengen om aan de liefde van God te twijfelen, haast de profeet zich om er nu aan toe te voegen: "Want Hij plaagt of bedroeft de mensenkinderen niet van harte" (vers 33). Hoeveel temeer geldt dat voor Zijn verlosten!

We lezen in 1 Petrus 1 vers 6 dat Hij het voor "een weinig tijds", en slechts dan wanneer "het nodig is", doet. De beproeving is echter vaak nodig om onze eigen wil, die wij tot ontwikkeling laten komen, te breken. Daarom is het goed voor de mens "dat hij het juk in zijn jeugd draagt" (vers 27). Als je er als kind moeite voor doet om gehoorzaam te zijn en onderwerping aan je ouders te leren, dan bereid je je er als het ware op voor dat je later, tijdens je verdere leven, ook het gezag van de Heere zult erkennen.

De beproeving vormt vaak ook de aanleiding dat wij (weer) tot onszelf komen: "Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken..." (vers 40). Dan zullen we het samen met de Psalmdichter kunnen zeggen: "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest" (Psalm 119 vers 71).

"Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken" (vers 45). Paulus maakte dezelfde vergelijking, maar niet om zich te beklagen (zie 1 Korinthe 4 vers 13). Het dienen in het evangelie en de liefde tot de heiligen maakten dat hij deze positie graag innam.

Klaagliederen 3:52-66; Klaagliederen 4:1-6
52Tsade. Die mijn vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogeltje dapperlijk gejaagd.53Tsade. Zij hebben mijn leven in een kuil uitgeroeid, en zij hebben een steen op mij geworpen.54Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!55Koph. HEERE! Ik heb Uw Naam aangeroepen uit den ondersten kuil.56Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.57Koph. Gij hebt U genaderd ten dage, als ik U aanriep; Gij hebt gezegd: Vrees niet!58Resch. Heere! Gij hebt de twistzaken mijner ziel getwist, Gij hebt mijn leven verlost.59Resch. Heere! Gij hebt gezien de verkeerdheid, die men mij aangedaan heeft, oordeel mijn rechtzaak.60Resch. Gij hebt al hun wraak gezien, al hun gedachten tegen mij.61Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;62Schin. De lippen dergenen, die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den gansen dag.63Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.64Thau. HEERE! geef hun weder die vergelding, naar het werk hunner handen.65Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!66Thau. Vervolg ze met toorn, en verdelg ze van onder den hemel des HEEREN.
1Aleph. Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd! Hoe zijn de stenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen!2Beth. De kostelijke kinderen Sions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn zij nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen eens pottenbakkers!3Gimel. Zelfs laten de zeekalveren de borsten neder, zij zogen hun welpen; maar de dochter mijns volks is als een wrede geworden, gelijk de struisen in de woestijn.4Daleth. De tong van het zoogkind kleeft aan zijn gehemelte van dorst; de kinderkens eisen brood, er is niemand, die het hun mededeelt.5He. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen den drek.6Vau. En de ongerechtigheid der dochter mijns volks is groter dan de zonden van Sodom, dat als in een ogenblik omgekeerd werd, en geen handen hadden arbeid over haar.

We moeten denken aan die vreselijke kuil waar Jeremia in gegooid werd door hen die "zonder oorzaak" zijn vijanden waren. Dat was de aanleiding voor de verzen 52 en volgende en dat illustreert de doodsangst waar onze Verlosser werkelijk doorheen gegaan is (zie ook Jona 2 vers 3).

De verzen 55 tot en met 58 kunnen echter de ervaring van iedereen zijn die onder de last van zijn zonden zucht en zover komt te erkennen wat de Heere voor hem gedaan heeft.

Het vierde hoofdstuk toont de tegenstelling tussen het tegenwoordige Jeruzalem en dat wat de stad vroeger was. In de tijd van haar grote bloei was alles in de stad prachtig om te zien. De kinderen van Sion werden vergeleken met fijn goud. Maar denk erom, het was slechts een vergelijking! Want toen zij door de beproeving gingen, als door het vuur van de smeltoven, werd alles verteerd, terwijl het echte goud overbleef. Ja, helaas was het slechts een bedrieglijke, uiterlijke glans.

Laten we eraan denken dat een beproeving alle schijn wegneemt en dat dan de ware toestand van het hart openbaar wordt. Het wrede (vers 3), het ontbreken van erbarmen (vers 4), het verfoeilijke egoïsme dat tot afschuwelijke daden leidde (vers 10), dat is het wat nu openlijk zichtbaar wordt bij de inwoners van Jeruzalem. God legt de bodem van hun hart bloot, en het vuur van Zijn oordeel laat niets van hun valse vroomheid over.

Klaagliederen 4:7-22
7Zain. Haar bijzondersten waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk; zij waren roder van lichaam dan robijnen, gladder dan een saffier.8Cheth. Maar nu is hun gedaante verduisterd van zwartigheid, men kent hen niet op de straten; hun huid kleeft aan hun beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout.9Teth. De verslagenen van het zwaard zijn gelukkiger dan de verslagenen van den honger; want die vlieten daarhenen, als doorstoken zijnde, omdat er geen vruchten der velden zijn.10Jod. De handen der barmhartige vrouwen hebben haar kinderen gekookt; zij zijn haar tot spijze geworden in de verbreking der dochter mijns volks.11Caph. De HEERE heeft Zijn grimmigheid volbracht, Hij heeft de hittigheid Zijns toorns uitgestort; en Hij heeft te Sion een vuur aangestoken, hetwelk haar fondamenten verteerd heeft.12Lamed. De koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch al de inwoners der wereld, dat de tegenpartijder en vijand tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan.13Mem. Het is vanwege de zonden harer profeten, en de misdaden harer priesteren, die in het midden van haar het bloed der rechtvaardigen vergoten hebben.14Nun. Zij zwierven als blinden op de straten, zij waren met bloed besmet, zodat men niet kon zien, of men raakte hun klederen aan.15Samech. Zij riepen tot hen: Wijkt, hier is een onreine wijkt, wijkt, roert niet aan! Zekerlijk, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; zij zeiden onder de heidenen: Zij zullen er niet langer wonen.16Pe. Des HEEREN aangezicht heeft ze verdeeld. Hij zal ze voortaan niet meer aanzien; zij hebben het aangezicht der priesteren niet geeerd, zij hebben den ouden geen genade bewezen.17Ain. Nog bezweken ons onze ogen, ziende naar onze ijdele hulp; wij gaapten met ons gapen op een volk, dat niet kon verlossen.18Tsade. Zij hebben onze gangen nagespeurd, dat wij op onze straten niet gaan konden; ons einde is genaderd, onze dagen zijn vervuld, ja, ons einde is gekomen.19Koph. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels; zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.20Resch. De adem onzer neuzen, de gezalfde des HEEREN, is gevangen in hun groeven; van welken wij zeiden: Wij zullen onder zijn schaduw leven onder de heidenen!21Schin. Wees vrolijk, en verblijd u, gij dochter Edoms, die in het land Uz woont! doch de beker zal ook tot u komen, gij zult dronken worden, en ontbloot worden.22Thau. Uw ongerechtigheid heeft een einde, o gij dochter Sions! Hij zal u niet meer gevankelijk doen wegvoeren; maar uw ongerechtigheid, o gij dochter Edoms! zal Hij bezoeken; Hij zal uw zonden ontdekken.

In sommige Bijbelvertalingen worden de "bijzondersten" (vers 7) ook wel vertaald met 'vorsten', 'prinsen' of 'Nazireeërs'. De verdorvenheid in Israël ging zelfs door tot hen. Dat wil zeggen: tot hen die zich (net als de ware christenen van vandaag) door reinheid in hun wandel en volkomen afzondering voor God wilden onderscheiden. Het verval, de verdorvenheid, bereikt bij hen helaas een hoogtepunt: "...men kent hen niet op de straten" (vers 8). Er is bij hen geen enkel verschil meer te bespeuren met de andere inwoners van Jeruzalem! Wat erg!

Dan mogen we onszelf afvragen in welke mate wij in ons gedrag te midden van deze wereld nog herkenbaar zijn als dezulken die werkelijk voor de Heere afgezonderd zijn.

En wat hen betreft die de opdracht hadden om over het volk te waken, namelijk de profeten en de priesters: zij hadden het bloed van de rechtvaardigen vergoten (vers 13)! Jeremia wist dit maar al te goed (Jeremia 26 vers 8).

"...ons einde is genaderd, ... ja, ons einde is gekomen", zeggen de verdrukten van het volk (vers 18), nadat zij tevergeefs op "ijdele hulp" gewacht hebben en geconstateerd hebben dat niemand hen kon verlossen (vers 17). Maar juist dát is het moment waarop God zegt: "Uw ongerechtigheid heeft een einde" (vers 22; vergelijk Jesaja 40 vers 1 en 2). Nu was het de beurt aan Edom om de straf te ondergaan.

Zo is het altijd. Wanneer het duidelijk geworden is dat niets en niemand ons kan helpen, en wij aan het eind van onze krachten zijn gekomen, dan is voor God het ogenblik aangebroken waarop Hij, in Zijn almacht, kan ingrijpen en ons kan verlossen.

Klaagliederen 5:1-22
1Gedenk, HEERE, wat ons geschied is, aanschouw het, en zie onzen smaad aan.2Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze huizen tot de uitlanders.3Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.4Ons water moeten wij voor geld drinken; ons hout komt ons op prijs te staan.5Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij woede, men laat ons geen rust.6Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assyrier, om met brood verzadigd te worden.7Onze vaders hebben gezondigd, en zijn niet meer, en wij dragen hun ongerechtigheden.8Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.9Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen, vanwege het zwaard der woestijn.10Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege den geweldigen storm des hongers.11Zij hebben de vrouwen te Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda.12De vorsten zijn door hunlieder hand opgehangen; de aangezichten der ouden zijn niet geeerd geweest.13Zij hebben de jongelingen weggenomen, om te malen, en de jongens struikelen onder het hout.14De ouden houden op van de poort, de jongelingen van hun snarenspel.15De vreugde onzes harten houdt op, onze rei is in treurigheid veranderd.16De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zo gezondigd hebben!17Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze ogen duister geworden.18Om des bergs Sions wil, die verwoest is, waar de vossen op lopen.19Gij, o HEERE, zit in eeuwigheid, Uw troon is van geslacht tot geslacht.20Waarom zoudt Gij ons steeds vergeten? Waarom zoudt Gij ons zo langen tijd verlaten?21HEERE, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.22Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?

In een laatste klacht geeft het overblijfsel van het volk een verdrietige en ootmoedige omschrijving van haar toestand, zonder daarbij ook maar iets te verbergen. Niet alleen hun "vaders" (vers 7), maar zijzelf hebben gezondigd en dragen daarvan de smartelijke gevolgen (vers 16).

Zowel een onbekeerde alsook de gelovige die zich door het verkeerde liet overrompelen, moet eerst op dit punt aankomen en zijn toestand inzien. Het is te hopen dat wij allemaal, uit eigen ervaring, dit moeizame werk van God aan ons geweten kennen, want o, wat kan onze hoogmoed een hindernis vormen op de weg die Hij met ons gaat! Toch bestaat er een groot verschil tussen ons en de bedroefden onder dit volk (vers 22). Wij weten dat, op het moment dat wij onze zonden belijden, God ons die al, op grond van het werk van Christus, vergeven heeft!

Deze verzen brengen echter, evenals overigens het gehele Boek, hoofdzakelijk de kant van de gezamenlijke zonde onder de aandacht. En daarbij denken we ook aan het kwaad dat als een zuurdeeg ook de Gemeente heeft doordrongen, zoals de wereldgelijkvormigheid en het verval dat daar een gevolg van is en waarvan de zedelijke uitwerkingen zo beklagenswaardig zijn. Dat beeld wordt ook in dit hoofdstuk geschetst. Wanneer ons de eer van de Heere aan het hart gaat, dan kunnen we niet onverschillig blijven onder zo'n verdrietige toestand. Geve de Heere dat wij ons toch verootmoedigen, maar ook dat wij met ons hele hart vertrouwen op God, Die niet verandert (vers 19).

Markus 1:1-13
1Het begin des Evangelies van JEZUS CHRISTUS, den Zone Gods.2Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.3De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.4Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.5En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.6En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.7En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem Zijner schoenen te ontbinden.8Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met den Heilige Geest.9En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.10En terstond als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen opengaan, en den Geest, gelijk een duif, op Hem nederdalen.11En er geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!12En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.13En Hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan; en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem.

Het evangelie naar Markus spreekt over de volmaakte Dienstknecht. Daarom wordt hier niet ingegaan op de geboorte van de Heere Jezus en komen we evenmin Zijn geslachtsregister tegen. De waarde van een knecht wordt immers alleen maar bepaald naar de volgende eigenschappen: gehoorzaamheid, trouw en vlijt. Wel wordt de Heere hier vanaf het allereerste begin aangeduid als de Zoon van God. Zodoende zal de lezer zich nooit kunnen vergissen in de Persoon Die hier bedoeld wordt en Zijn nederige dienst waarover verteld wordt. Het gaat hier om een vrijwillige Dienstknecht. Christus Jezus — Die in de gestalte van God was en is — heeft Zelf "de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen" (Filippensen 2 vers 6 en 7).

Johannes heeft zijn getuigenis gegeven en direct daarna begint de Heere met Zijn dienst. Het eerste hoofdstuk wordt gekenmerkt door het woordje "terstond", dat wij hier heel vaak tegenkomen.

De Heere Jezus onderwerpt Zich aan de doop. Hoewel Hij "heilig, onschuldig, onbesmet" was (Hebreeën 7 vers 26), neemt Hij Zijn plaats te midden van berouwvolle zondaren in. Opdat Hij echter niet met hen verward zal worden, geeft God vanuit de hemel een plechtige verklaring over Zijn "heilig Kind (of: Knecht) Jezus" (Handelingen 4 vers 27 en 30). Dit is een verklaring die aan Zijn dienst voorafgaat. Er staat niet: In Wie Ik Mijn welbehagen zal hebben, maar: "In Wie Ik Mijn welbehagen heb" (vers 11).

Daarna wordt de Heere Jezus door de Geest uitgedreven in de woestijn, om daar de vijand te binden die ons gebonden hield (hoofdstuk 3 vers 27). Overal waar wij door de zonde gebracht zijn, is de Heere Jezus door de liefde en de gehoorzaamheid naartoe geleid, om ons te verlossen.

Markus 1:14-28
14En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods.15En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.16En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andreas, zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);17En Jezus zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal maken, dat gij vissers der mensen zult worden.18En zij, terstond hun netten verlatende, zijn Hem gevolgd.19En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag Hij Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder, en dezelven in het schip hun netten vermakende.20En terstond riep Hij hen; en zij, latende hun vader Zebedeus in het schip, met de huurlingen, zijn Hem nagevolgd.21En zij kwamen binnen Kapernaum; en terstond op den sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, leerde Hij.22En zij versloegen zich over Zijn leer; want Hij leerde hen, als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden.23En er was in hun synagoge een mens, met een onreinen geest, en hij riep uit,24Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazarener, zijt Gij gekomen om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.25En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga uit van hem.26En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met een grote stem, ging uit van hem.27En zij werden allen verbaasd, zodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat Hij met macht ook den onreine geesten gebiedt, en zij Hem gehoorzaam zijn!28En Zijn gerucht ging terstond uit, in het gehele omliggende land van Galilea.

Nadat de Heere Jezus is verschenen, is de dienst van Johannes de Doper afgelopen.

Het Koninkrijk van God is nabij gekomen; de Koning bevindt Zich nu persoonlijk te midden van Zijn volk. En Zijn verkondiging is samen te vatten in twee geboden, die ook nog gelden voor vandaag: "Bekeert u, en gelooft het Evangelie!" (vers 15). De Heere ziet in het hart van ieder persoonlijk het antwoord op deze indringende uitnodiging. En tot hen die hiernaar geluisterd en het aangenomen hebben, richt Hij een andere oproep: Hem na te volgen en te dienen. "Volgt Mij na", zegt Hij tegen de vier discipelen van wie Hij weet wat er in hun harten leeft. En "terstond" volgen zij Hem. Alvorens zij dit konden doen — en dat willen we nog eens benadrukken — was het beslist noodzakelijk dat zij eerst deze oproep van de Heere hadden ontvangen. De mens kan niet uit zichzelf tegen God zeggen: 'Ik geef me aan U over en wil U dienen'. Het is de Heere Die 'kennis van zaken heeft' en beslist: Ik neem jou aan in Mijn dienst.

In Kapernaüm wordt een man die door een boze geest bezeten is en zich in de synagoge bevindt, door de Heere Jezus genezen. De situatie van deze man is een duidelijk beeld van het vreselijke verval waarin Israël verkeerde.

Vanaf het begin van de dienst van de Heere Jezus zien we de strijd tussen Zijn macht en die van de satan — wiens bestaan door zo weinigen geloofd wordt — waardoor zowel de lichamen als de zielen gevangen kunnen worden genomen.

Markus 1:29-45
29En van stonde aan uit de synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes.30En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij Hem van haar.31En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte haar op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.32Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.33En de gehele stad was bijeenvergaderd omtrent de deur.34En Hij genas er velen, die door verscheidene ziekten kwalijk gesteld waren; en wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.35En des morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde, ging Hij uit, en ging henen in een woeste plaats, en bad aldaar.36En Simon, en die met hem waren, zijn Hem nagevolgd.37En zij Hem gevonden hebbende, zeiden tot Hem: Zij zoeken U allen.38En Hij zeide tot hen: Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat Ik ook daar predike; want daartoe ben Ik uitgegaan.39En Hij predikte in hun synagogen, door geheel Galilea, en wierp de duivelen uit.40En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieen, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.41En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!42En als Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid terstond van hem, en hij werd gereinigd.43En als Hij hem strengelijk verboden had, deed Hij hem terstond van Zich gaan;44En zeide tot hem: Zie, dat gij niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.45Maar hij uitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen, en dat woord te verbreiden, alzo dat Hij niet meer openbaar in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot Hem van alle kanten.

Eerst was het de synagoge van Kapernaüm, nu is het huis van Simon en Andreas de plek waar een wonder van genade plaatsvindt. De Heere Jezus is altijd bereid om in onze huizen ontvangen en opgenomen te worden, om ons Zijn hulp en bevrijding te laten ervaren. Laten we daarom net doen als deze discipelen: Zeg tegen Hem wat ons bezighoudt en waardoor we zo verontrust zijn (vers 30)!

Zodra de schoonmoeder van Simon genezen is, staat zij op om de Heere en de Zijnen te dienen. Ze had immers het Voorbeeld van de allergrootste Dienstknecht voor ogen!

Dan wordt het avond. Voor zo'n Dienstknecht als Hij, is het werk echter nog niet voorbij. Er worden steeds zieken bij Hem gebracht, en onvermoeibaar geneest Hij hen. Wat was het geheim van deze wonderbare bezigheid? Waaruit putte de Heere Jezus steeds opnieuw de kracht om dit vol te houden? In vers 35 zien we dat het de voortdurende gemeenschap met Zijn God was. Laten we er goed op letten, hoe de volmaakte Mens telkens de nieuwe dag begon (vergelijk Jesaja 50 vers 4). Als men Hem echter meedeelt dat bekend geworden is Wie Hij is en dat men Hem zoekt, verlaat Hij de menigte, die toch alleen maar nieuwsgierig is en wonderen wil zien. Hij gaat weg om ergens anders het evangelie te verkondigen.

Vervolgens geneest Hij een melaatse en geeft hem duidelijke aanwijzingen hoe hij daarvan moet getuigen: overeenkomstig de Schriften (vers 44; Leviticus 14). Helaas handelt de genezen man naar eigen gedachten en dat is tot schade van het werk van God in deze stad.

Markus 2:1-17
1En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was.2En terstond vergaderden daar velen, alzo dat ook zelfs de plaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.3En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd.4En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag.5En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.6En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten:7Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?8En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten?9Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel?10Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):11Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.12En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!13En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.14En voorbijgaande zag Hij Levi, den zoon van Alfeus, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.15En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd.16En de Schriftgeleerden en de Farizeen, ziende Hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot Zijn discipelen: Wat is het, dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt?17En Jezus, dat horende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.

In het huis in Kapernaüm maakt de Heere Jezus Zich bekend als Degene Die, volgens Psalm 103 vers 3, al onze ongerechtigheid vergeeft en Die al onze ziekten geneest. Ten opzichte van de verlamde volbracht Hij de beide dingen die in dit Bijbelvers genoemd worden, tot een getuigenis voor allen. Ja, Hij Die de zonden vergeeft — een geestelijk werk —en daarvoor een uiterlijk bewijs geeft door de ziekte te genezen, kan niemand anders zijn dan de HEERE, de God van Israël.

Tollenaars haalden de belastingen op voor de Romeinen. Hierdoor werden ze zelf wel rijk (want een deel van die belastingen mochten ze zelf houden), maar ze stonden ook bloot aan de verachting van de kant van hun landgenoten. De Heere laat door de roeping van Levi — en dat hij Zijn uitnodiging aanneemt — echter zien dat Hij niemand veracht of afwijst. Integendeel, Hij is gekomen voor de zondaren die hun toestand — ook al is die nog zo slecht — niet voor Hem verbergen (1 Timotheüs 1 vers 15). Hij gaat met hen aan tafel en maakt Zichzelf tot hun Gastheer. Sinds de zondeval heeft de mens namelijk angst voor God en vlucht voor Hem weg, omdat hij een slecht geweten heeft. Het eerste wat God daarom deed, voordat Hij Zijn schepsel redde, was tot hem naderen om zijn vertrouwen te winnen. Dat deed de Heere Jezus doordat Hij Zich zo diep vernederd heeft, om de ellendige mens te kunnen ontmoeten en hem duidelijk te maken dat God hem liefheeft.

Markus 2:18-28
18En de discipelen van Johannes en der Farizeen vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en der Farizeen, en Uw discipelen vasten niet?19En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij den Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.20Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in dezelven dagen.21En niemand naait een lap ongevold laken op een oud kleed; anders scheurt deszelfs nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en er wordt een ergere scheur.22En niemand doet nieuwen wijn in oude lederzakken; anders doet de nieuwe wijn de leder zakken bersten en de wijn wordt uitgestort, en de leder zakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe leder zakken doen.23En het geschiedde, dat Hij op een sabbatdag door het gezaaide ging, en Zijn discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken.24En de Farizeen zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op den sabbatdag, wat niet geoorloofd is?25En Hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen, wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?26Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, ten tijde van Abjathar, den hogepriester, en de toonbroden gegeten heeft, die niemand zijn geoorloofd te eten, dan den priesteren, en ook gegeven heeft dengenen, die met hem waren?27En Hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den mens, niet de mens om den sabbat.28Zo is dan de Zoon des mensen een Heere ook van den sabbat.

Het woordje "terstond" is een kenmerk van de volmaakte Dienstknecht. De ongelovige Joden kenmerken zich echter door de woorden "wat" en "waarom" (vers 7, 16, 18 en 24). Op hun vraag met betrekking tot het vasten antwoordt de Heere Jezus dat het daarbij gaat om een teken van droefheid, een teken dat voor hen niet op zijn plaats was toen Hij in hun midden was. Zijn komst zou voor het hele volk immers tot een grote vreugde moeten zijn (Lukas 2 vers 10)!

Daarna grijpt Hij de gelegenheid aan, om de voorschriften en overleveringen van het Jodendom tegenover het evangelie van de vrije genade te stellen. Hij was immers gekomen om hun die genade te brengen! Wat is het dan verdrietig te moeten zien, dat de mens liever bepaalde godsdienstige vormen heeft dan dit evangelie. Door zulke vormen in acht te houden, verschaft hij zichzelf namelijk een goede naam in de ogen van anderen en... kan hij tevens doorgaan met het doen van zijn eigen wil! Vers 22 maakt daarentegen duidelijk dat de christen een geheel nieuwe mens geworden is. Als het hart van de mens vernieuwd is en vervuld is met een nieuwe blijdschap, dan heeft dat zeer zeker ook een uitwerking op zijn uiterlijk gedrag.

De Farizeeën tikten de discipelen op de vingers, omdat zij aren plukten op de sabbat. De mens verdraait altijd het doel van hetgeen God hem heeft gegeven. De sabbat was een genade die Israël deelachtig geworden was. Dit volk had het echter als een juk gebruikt, om hierdoor z'n morele slavernij te vergroten (Handelingen 15 vers 10).

Markus 3:1-19
1En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.2En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.3En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.4En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.5En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.6En de Farizeen, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem zouden doden.7En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea.8En van Jeruzalem, en van Idumea, en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.9En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.10Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen, die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.11En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods.12En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.13En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem.14En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;15En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen.16En Simon gaf Hij den toe naam Petrus;17En Jakobus, den zoon van Zebedeus, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun toe namen, Boanerges, hetwelk is, zonen des donders;18En Andreas, en Filippus, en Bartholomeus, en Mattheus, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeus, en Thaddeus, en Simon Kananites,19En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.

In de synagoge van Kapernaüm wordt opnieuw iemand genezen, en weer gebeurt dat op de sabbat (hoofdstuk 1 vers 21 en verder). De Heere eist juist van de patiënt met z'n verdorde hand datgene te doen waartoe hij niet in staat is. Maar omdat deze mens begint met gehoorzaamheid, bewijst hij zijn geloof. En door dit geloof is de Heere Jezus vervolgens in staat hem te genezen. En dan zien we hoe verhard de harten van de andere aanwezigen zijn! In plaats van blij te zijn met de genezen man en de macht van de Heere te bewonderen, gebruiken deze slechte mensen het wonder als voorwendsel om Hem te doden. Hij gaat echter verder met Zijn dienst van genade en de volksmenigte, de vreemdelingen uit Tyrus en Sidon incluis (en zelfs de Edomieten), komen steeds naar Hem toe om iets van Hem te horen en genezing te vinden.

Vervolgens kiest de Heere twaalf discipelen uit, "opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij hen zou uitzenden" (vers 14; vergelijk Johannes 15 vers 16). Bij de Heere Jezus te zijn is een wonderbaar voorrecht en tegelijkertijd een absolute voorwaarde om daarna uitgezonden te worden. Hoe zou men een dienst kunnen doen zonder eerst zelf Zijn aanwijzingen ontvangen te hebben (Jeremia 23 vers 21 en 22)?

In dit evangelie wordt elke discipel apart genoemd, om ons eraan te herinneren dat een dienstknecht zijn aanwijzingen en hulp rechtstreeks en persoonlijk van zijn Meester moet verwachten.

Markus 3:20-35
20En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom en schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten.21En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.22En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beelzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.23En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?24En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.25En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.26En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.27Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven.28Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;29Maar zo wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels.30Want zij zeiden: Hij heeft een onreinen geest.31Zo kwamen dan Zijn broeders en Zijn moeder; en buiten staande, zonden zij tot Hem, en riepen Hem.32En de schare zat rondom Hem; en zij zeiden tot Hem: Zie, Uw moeder en Uw broeders daar buiten zoeken U.33En Hij antwoordde hun, zeggende: Wie is Mijn moeder, of Mijn broeders?34En rondom overzien hebbende, die om Hem zaten, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders.35Want zo wie den wil van God doet, die is Mijn broeder, en Mijn zuster, en moeder.

De Heere is er altijd voor hen die tot Hem willen komen. Hij laat het dan ook toe dat de menigte het huis binnenkomt waar Hij is; en dan begint Hij onmiddellijk hen te onderwijzen, zonder zelfs tijd te hebben om te eten. Laten wij, die er vaak maar zo weinig toe bereid zijn om onze huisdeur te openen voor een vreemde en die liever niet gestoord willen worden en onze gewoonten niet graag veranderen, toch een voorbeeld nemen aan Hem! Het kenmerk van Hem was onvermoeibare overgave en een volkomen afzien van Zichzelf. Laten we er ook om denken, dat zo'n ongewenste bezoeker misschien wel op onze weg geplaats is, opdat wij hem iets over het heil van zijn ziel mogen vertellen!

Sommige mensen kunnen erg verontrust worden over vers 29. Ze zijn bang dat ze op een zeker moment, ondoordacht misschien, iets gezegd hebben wat nooit vergeven zou kunnen worden. Dat betekent echter dat je de genade van God miskent. "Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde", zegt 1 Johannes 1 vers 7. Lastering tegen de Heilige Geest was de vreselijkste zonde waaraan het ongelovig Israël zich schuldig kon maken. Dit volk schreef de macht van de Heilige Geest, waarmee de Heere Jezus bekleed was, toe aan satan. Dat was een uiterst zwaarwegende uitspraak en bovendien ging het tegen elk verstandig inzicht in (vers 26).

In het laatste gedeelte van dit hoofdstuk zegt de Heere Jezus duidelijk, wie Hij tot Zijn familie rekent. Het doen van de wil van God betekende — en dat geldt ook nog voor vandaag — de Heere Jezus gehoorzamen.

Markus 4:1-12
1En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.2En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen:3Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.4En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.5En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.6Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.7En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.8En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.9En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.10En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.11En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;12Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.

De Heere Jezus bevindt Zich nu in de omgeving van de zee en onderwijst de volksmenigte. Hij maakt daarbij gebruik van beeldspraak en spreekt in de vorm van gelijkenissen.

De eerste gelijkenis is die van de zaaier. Daarin stelt de Heere Zichzelf voor als Degene Die het goede zaad van het evangelie in de wereld brengt en het daar uitzaait. Hoewel Hij de harten kent en weet op welke wijze zij de waarheid zouden opnemen — of niet opnemen — biedt Hij iedereen de gelegenheid om met het Woord des levens in verbinding te komen. Hebt u, heb jij dat al aangenomen?

We mogen niet in verwarring raken door vers 12, alsof de Heere bang zou zijn dat de mensen zich zouden bekeren en dat Hij, tegen Zijn wil, gedwongen zou worden om hun zonden te vergeven! We moeten goed begrijpen dat het hier gaat om het volk Israël als geheel. Dat volk als geheel gezien, heeft de Heere Jezus ervan beschuldigd een demon te hebben, en daarmee heeft het het getuigenis van de Heilige Geest verworpen. Zo'n zonde kan niet vergeven worden en als volk zal Israël verhard zijn (hoofdstuk 3 vers 29; Romeinen 11 vers 7, 8 en 25).

Maar voor allen die de Heere Jezus "afzonderlijk" iets willen vragen, is er altijd plaats bij Hem — toen, maar ook nu —om naar de openbaring van de verborgenheid van het Koninkrijk van God te luisteren (vers 11 en 34; vergelijk Spreuken 28 vers 5).

Laten we toch allen gebruik maken van dit grote voorrecht en laten we vooral niet nalaten de samenkomsten te bezoeken, waar we ons rondom de Heere scharen om Zijn Woord te horen!

Markus 4:13-25
13En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?14De zaaier is, die het Woord zaait.15En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.16En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen;17En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geergerd.18En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen, die het Woord horen;19En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.20En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig voud, en het andere zestig voud, en het andere honderd voud.21En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?22Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen.23Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.24En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat maat gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden.25Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

Hier legt de Heere Jezus de gelijkenis van de zaaier uit aan Zijn discipelen. Deze gelijkenis vormt het uitgangspunt voor alle onderwijzingen van Hem (vers 13). Om de lessen van de Heere te begrijpen, is het inderdaad nodig dat eerst het evangelie wortel geschoten heeft in het hart.

Zelfs voor ons, als ware gelovigen, is het nodig ervoor op te passen om niet op de drie eerste zaaiplekken te gaan lijken. Satan probeert namelijk niet alleen de goede boodschap van het heil, nadat het gezaaid is, weg te nemen, maar heeft ook nog andere pijlen op zijn boog. Hoeveel woorden heeft God al niet aan ons gericht waarvoor onze harten ongevoelig bleven, omdat ons hart door onze verbindingen met de wereld net zo hard geworden is als die bewuste weg (zie hoofdstuk 6 vers 52)? Is het ook al niet voorgekomen dat wij volgens onze gevoelens gehandeld hebben, totdat een beproeving ons gebrek aan afhankelijkheid en geloof aan het licht bracht (vergelijk vers 17)?

In tegenstelling tot zorgeloosheid kun je je juist ook zorgen maken over iets. Beide dingen zijn even schadelijk (Lukas 21 vers 34)! Door "de verleiding van de rijkdom en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen" (vers 19) kan het geestelijke leven van een kind van God een tijd lang verstikt worden en kan de Heere de vrucht ontnomen worden die er in de tijd van de oogst had moeten zijn (Titus 3 vers 14). De Heere Jezus spreekt ook uitdrukkelijk tot ons hart: "Ziet, wat gij hoort" (vers 24). En in Lukas 8 vers 18 lezen wij: Ziet dan, hoe gij hoort". Ja, op welke wijze nemen wij het Woord van God op?

Markus 4:26-41
26En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp;27En voorts sliep, en opstond, nacht en dag; en het zaad uitsproot en lang werd, dat hij zelf niet wist, hoe.28Want de aarde brengt van zelve vruchten voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.29En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.30En Hij zeide: Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve vergelijken?31Namelijk bij een mosterdzaad, hetwelk, wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van al de zaden, die op de aarde zijn.32En wanneer het gezaaid is, gaat het op, en wordt het meeste van al de moeskruiden, en maakt grote takken, alzo dat de vogelen des hemels onder zijn schaduw kunnen nestelen.33En door vele zulke gelijkenissen sprak Hij tot hen het Woord, naardat zij het horen konden.34En zonder gelijkenis sprak Hij tot hen niet; maar Hij verklaarde alles Zijn discipelen in het bijzonder.35En op denzelfden dag, als het nu avond geworden was, zeide Hij tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde.36En zij, de schare gelaten hebbende, namen Hem mede, gelijk Hij in het schip was; en er waren nog andere scheepjes met Hem.37En er werd een grote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzo dat het nu vol werd.38En Hij was in het achterschip, slapende op een oorkussen; en zij wekten Hem op, en zeiden tot Hem: Meester, bekommert het U niet, dat wij vergaan?39En Hij opgewekt zijnde, bestrafte den wind, en zeide tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen, en er werd grote stilte.40En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij zo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?41En zij vreesden met grote vreze, en zeiden tot elkander: Wie is toch Deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?

De gelijkenis in de verzen 26 - 29, die wel overeenkomt met de gelijkenis van het onkruid in de akker uit Mattheüs 13, geeft hier toch een heel andere les. Hier in Markus is er alleen sprake van het handelen van God, terwijl in Mattheüs de vijand ook werkzaam is, ten gevolge van de nalatigheid van de mensen die slapen. In vers 27 van het Schriftgedeelte van vandaag lijkt het erop, dat ook de Zaaier in slaap gevallen is. Maar in werkelijkheid houdt Hij dag en nacht de wacht over Zijn kostbaar zaad en omringt Hij het met alle zorg die nodig is, opdat er groei zal zijn tot aan het tijdstip van de oogst. Beste gelovige vrienden, wij menen misschien wel eens, dat de Heere onverschillig is, dat het is alsof Hij onze gebeden niet hoort en alsof Hij Zijn werken gestaakt heeft. Laten we dan onze ogen opheffen, zoals de Heere Jezus ook de discipelen oproept om dat, in geloof, te doen. De velden zijn al wit om te oogsten (Johannes 4 vers 35).

Tijdens de overtocht naar de andere oever — wat een beeld is van de reis, vol gevaren, van de gelovige door deze wereld — zijn de discipelen niet alleen. Ze hebben de Heere Jezus meegenomen in het schip, "gelijk Hij... was" (vers 36). Veel mensen maken zich een valse voorstelling en een verkeerd beeld van de Heere Jezus. "Wie is toch Deze...?", vragen de discipelen. Hij is Dezelfde Die "de wind in Zijn vuisten verzameld" en "de wateren in een kleed gebonden" heeft (Spreuken 30 vers 4).

Markus 5:1-20
1En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in het land der Gadarenen.2En zo Hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette Hem, uit de graven, een mens met een onreinen geest;3Dewelke zijn woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen.4Want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken, en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen.5En hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.6Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe, en aanbad Hem.7En met een grote stem roepende, zeide hij: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten? Ik bezweer U bij God, dat Gij mij niet pijnigt!8(Want Hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mens!)9En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen.10En hij bad Hem zeer, dat Hij hen buiten het land niet wegzond.11En aldaar aan de bergen was een grote kudde zwijnen, weidende.12En al de duivelen baden Hem, zeggende: Zend ons in die zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.13En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten, uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in de zee (daar waren er nu omtrent twee duizend), en versmoorden in de zee.14En die de zwijnen weidden zijn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land. En zij gingen uit, om te zien, wat het was, dat er geschied was.15En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende, en gekleed, en wel bij zijn verstand, namelijk die het legioen gehad had, en zij werden bevreesd.16En die het gezien hadden, vertelden hun, wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen.17En zij begonnen Hem te bidden, dat Hij van hun landpalen wegging.18En als Hij in het schip ging, bad Hem degene, die bezeten was geweest, dat hij met Hem mocht zijn.19Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun, wat grote dingen u de Heere gedaan heeft, en hoe Hij Zich uwer ontfermd heeft.20En hij ging heen, en begon te verkondigen in het land van Dekapolis, wat grote dingen hem Jezus gedaan had; en zij verwonderden zich allen.

De Heere Jezus en Zijn discipelen komen met het schip bij de andere oever, "in het land der Gadarénen" en leggen daar aan. De eerste persoon die zij daar ontmoeten, is een man die volkomen bezeten is door demonen, waardoor hij ontzettend woest en niet te binden is. Een verschrikkelijk feit! Deze woeste man is het morele beeld van de zondaar, die een speelbal van de duivel is; ja, van iemand die door zijn brute lusten gedreven en geplaagd wordt en die bij de dood (in de graven) woont; iemand die gevaarlijk is voor zijn medemens, maar ook zichzelf alleen maar kwaad kan doen. Een vreselijke toestand, maar... zo is ónze natuurlijke toestand!

Wij zouden ons zeker met afschuw en vol ontzetting van dit schepsel afgekeerd hebben. De Heere Jezus doet dat echter niet! Integendeel zelfs, Hij houdt Zich juist bezig met deze ongelukkige man. Niet om hem met ketenen te binden, zoals de andere mensen tevergeefs geprobeerd hadden, maar om hem juist uit zijn ellende en slavernij te bevrijden.

Voor de inwoners van de stad is het wonder dat gebeurd is, van minder belang dan het verlies van hun varkens! De Heere Jezus voldoet aan hun verzoek en gaat weg, maar laat daar wel een getuige achter. En wie zou dat beter kunnen zijn dan hij die eens bezeten was!

Is dat niet een prachtig beeld van de tegenwoordige tijd? Ook al is Hij door de wereld verworpen, toch heeft de Heere Jezus juist daar personen geplaatst die Hij gered heeft. En hun geeft Hij de opdracht om van Hem te vertellen. Hoe vervullen wij deze taak (lees Psalm 66 vers 16)?

Markus 5:21-43
21En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.22En ziet, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jairus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,23En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U, dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.24En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.25En een zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,26En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;27Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan.28Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.29En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.30En terstond Jezus, bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?31En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?32En Hij zag rondom om haar te zien, die dat gedaan had.33En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid.34En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.35Terwijl Hij nog sprak, kwamen enigen van het huis des oversten der synagoge, zeggende: Uw dochter is gestorven; wat zijt gij den Meester nog moeilijk?36En Jezus, terstond gehoord hebbende het woord, dat er gesproken werd, zeide tot den overste der synagoge: Vrees niet; geloof alleenlijk.37En Hij liet niemand toe Hem te volgen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, den broeder van Jakobus;38En kwam in het huis des oversten der synagoge; en zag de beroerte en degenen, die zeer weenden en huilden.39En ingegaan zijnde, zeide Hij tot hen: Wat maakt gij beroerte, en wat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.40En zij belachten Hem; maar Hij, als Hij hen allen had uitgedreven, nam bij Zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met Hem waren, en ging binnen, waar het kind lag.41En Hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Talitha kumi! hetwelk is, zijnde overgezet: Gij dochtertje (Ik zeg u), sta op.42En terstond stond het dochtertje op, en wandelde; want het was twaalf jaren oud; en zij ontzetten zich met grote ontzetting.43En Hij gebood hun zeer, dat niemand datzelve zou weten; en zeide, dat men haar zou te eten geven.

Een overste van de synagoge — Jaïrus heet hij — is naar de Heere Jezus toe gekomen, om Hem te vragen of Hij wil komen om z'n dochtertje beter te maken. Terwijl de Meester onderweg is naar Jaïrus, komt er echter een vrouw die door geen enkele dokter geholpen kon worden en die nu in het geheim de toevlucht neemt tot Hem, Die macht heeft om te genezen.

Beste vriend, misschien heb jij ook al op allerlei plaatsen, op alle mogelijke manieren geprobeerd om verlost te worden uit je morele ellende. De Heere Jezus is vandaag ook voor jou nog 'binnen handbereik'! Doe als die arme vrouw: raak de zoom van Zijn kleed aan (vergelijk hoofdstuk 6 vers 56)! Ga naar Hem toe, Hij wil je graag helpen!

De vrouw weet dat ze genezen is van haar kwaal en de Heere weet het ook. Maar nu is het nodig dat ook anderen het horen; daarom zorgt de Heere ervoor dat zij haar schuchterheid overwint en openlijk "al de waarheid" belijdt (vers 33). En als antwoord op haar geloof ontvangt zij dan een woord van genade dat van veel grotere waarde is dan de genezing van haar ziekte: "Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede!" (vers 34).

Ondertussen is er in het huis van Jaïrus alleen maar troosteloos gehuil te horen (dat zelfs niet echt gemeend was; zie vers 40). De Heere Jezus bemoedigt de arme vader echter met een paar woorden, waardoor Hij de gedachten van deze man — en ook die van ons — op God richt: "Vrees niet, geloof alleen!" (vers 36). En met een paar andere woorden — die zo aangrijpend zijn dat de Geest ons die in dezelfde taal meedeelt als waarin de Heiland ze uitgesproken heeft — maakt de Heere Jezus vervolgens het jonge meisje weer levend.

Markus 6:1-13
1En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.2En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke krachten door Zijn handen geschieden?3Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier bij ons? En zij werden aan Hem geergerd.4En Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeeerd dan in zijn vaderland en onder zijn magen, en in zijn huis.5En Hij kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen zieken de handen op, en genas hen.6En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, lerende.7En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.8En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den weg, dan alleenlijk een staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel;9Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen twee rokken gekleed zijn.10En Hij zeide tot hen: Zo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat gij van daar uitgaat.11En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan dezelve stad.12En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden bekeren.13En zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie, en maakten hen gezond.

Voor de inwoners van Nazareth was de Heere Jezus gewoon "de timmerman" (vers 3). Tot aan de leeftijd van dertig jaar had Hij Zijn heerlijkheid verborgen onder het nederige werk van een gewone handwerksman uit een dorpje. Zo'n vernedering is voor de natuurlijke mens onbegrijpelijk, omdat zo iemand gewend is naar uiterlijke schijn te oordelen.

Als het al moeilijk was dat het getuigenis van de Heere "in Zijn vaderland, en onder Zijn verwanten, en in Zijn huis" (vers 4) werd aangenomen, hoeveel te meer is dat dan voor ons getuigenis het geval. Onze omgeving kent ons namelijk zo goed en weet van onze misstappen en ons verdrietige verleden. Toch zullen ook dan juist de vruchten van het nieuwe leven des te duidelijker zichtbaar worden. Dat zal dan — zonder woorden — een werkzame prediking zijn (Filippi 2 vers 15).

In hoofdstuk 3 vers 13 - 19 had de Heere Jezus Zijn twaalf discipelen al uitgekozen. Hier stuurt Hij hen eropuit om bekering te prediken. De Heere vermaant hen niets mee te nemen voor onderweg. Hun leven moet een leven in geloof zijn. Ieder moment zullen zij dat ontvangen wat zij voor de dienst en hun eigen behoeften nodig hebben. Zouden ze voorraden meenemen, dan zouden ze kostbare ervaringen missen en zou de band waarmee zij met de afwezige Meester verbonden zijn, uit het oog verloren worden.

Ze kunnen echter niet zonder sandalen. Dat herinnert ons aan de "bereidheid van het Evangelie van de vrede" (Efeze 6 vers 15). De wandel van elke gelovige moet hiermee versierd zijn, om de boodschap van genade — die hij mag doorgeven — hierdoor te bevestigen (vergelijk Romeinen 10 vers 15).

Markus 6:14-29
14En de koning Herodes hoorde het (want Zijn Naam was openbaar geworden), en zeide: Johannes, die daar doopte, is van de doden opgewekt, en daarom werken die krachten in Hem.15Anderen zeiden: Hij is Elias; en anderen zeiden: Hij is een profeet, of als een der profeten.16Maar als het Herodes hoorde, zeide hij: Deze is Johannes, dien ik onthoofd heb; die is van de doden opgewekt.17Want dezelve Herodes, enigen uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen, en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Herodias, de huisvrouw van zijn broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had.18Want Johannes zeide tot Herodes: Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben.19En Herodias legde op hem toe; en wilde hem doden, en kon niet;20Want Herodes vreesde Johannes, wetende, dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde, deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne.21En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes, op den dag zijner geboorte, een maaltijd aanrichtte, voor zijn groten, en de oversten over duizend, en de voornaamsten van Galilea;22En als de dochter van dezelve Herodias inkwam, en danste, en Herodes en dengenen die mede aanzaten, behaagde, zo zeide de koning tot het dochtertje: Eis van mij, wat gij ook wilt, en ik zal het u geven.23En hij zwoer haar: Zo wat gij van mij zult eisen, zal ik u geven, ook tot de helft mijns koninkrijks!24En zij, uitgegaan zijnde, zeide tot haar moeder: Wat zal ik eisen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Doper.25En zij, terstond met haast ingaande tot den koning, heeft het geeist, zeggende: Ik wil, dat gij mij nu terstond, in een schotel, geeft het hoofd van Johannes den Doper.26En de koning, zeer bedroefd geworden zijnde, nochtans om de eden, en degenen, die mede aanzaten, wilde hij haar hetzelve niet afslaan.27En de koning zond terstond een scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging heen, en onthoofdde hem in de gevangenis;28En bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf hetzelve het dochtertje, en het dochtertje gaf hetzelve harer moeder.29En als zijn discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, en legden dat in een graf.

Voor iemand met een slecht geweten vormt alles een aanleiding tot angst (Spreuken 28 vers 1). Toen Herodes, die Johannes de Doper had laten onthoofden, over de Heere Jezus hoorde praten, werd hij hevig ontsteld. Stel je voor dat die profeet weer uit de doden opgestaan zou zijn! Dat zou betekenen dat God Zelf partij gekozen had voor degene die hij had laten doden! Om dezelfde reden zullen de mensen met angst vervuld zijn wanneer de Heere Jezus, de Gekruisigde, op de wolken des hemels zal verschijnen (Openbaring 6 vers 15 - 17).

Gelukzalig is het deel van Johannes de Doper, de grootste onder de profeten, maar wat een tegenstelling tot het lot van zijn arme moordenaar! Deze Herodes is eerder laf dan wreed, zoals zijn vader, Herodes de Grote, was. Hij werd beheerst door zijn zwakke karakter en zijn begeerte. Desondanks "deed hij vele dingen" toen hij naar Johannes luisterde (vers 20) behalve dat ene: zijn leven in overeenstemming brengen met de wil van God. Veel en zelfs goede dingen doen, is niet voldoende om Hem welgevallig te kunnen zijn.

Toen kwam "er een welgelegen dag" (vers 21), een dag die geschikt was voor satan en de beide vrouwen die hij gebruikte. Er was een feestmaaltijd, de verleiding van een dans, een ondoordachte belofte, waaraan hij zich uit eigenliefde wilde houden — meer was er niet nodig om de vreselijke misdaad ten uitvoer te brengen, een daad die Herodes met een ontzettend onrustig geweten moest bekopen!

Markus 6:30-44
30En de apostelen kwamen weder tot Jezus, en boodschapten Hem alles, beide wat zij gedaan hadden, en wat zij geleerd hadden.31En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.32En zij vertrokken in een schip, naar een woeste plaats, alleen.33En de scharen zagen hen heenvaren, en velen werden Hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun voor, en gingen samen tot Hem.34En Jezus, uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.35En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag;36Laat ze van U, opdat zij heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en broden voor zichzelven mogen kopen; want zij hebben niet, wat zij eten zullen.37Maar Hij, antwoordende, zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan, en kopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven?38En Hij zeide tot hen: Hoeveel broden hebt gij? Gaat heen en beziet het. En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij: Vijf, en twee vissen.39En Hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen nederzitten bij waardschappen, op het groene gras.40En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen, en bij vijftig te zamen.41En als Hij de vijf broden en de twee vissen genomen had, zag Hij op naar den hemel, zegende en brak de broden, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen, en de twee vissen deelde Hij voor allen.42En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden.43En zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de vissen.44En die daar de broden gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend mannen.

De apostelen komen weer terug bij de Heere Jezus. Ze zijn helemaal vervuld van hetgeen zij gedaan hebben en willen Hem daar gauw alles over vertellen. De Meester weet dat zij nu een poosje rust nodig hebben en Hij geeft hen dat, samen met Hemzelf, op "een woeste plaats".

Wij menen soms misschien ook wel, dat we nodig wat ontspanning moeten hebben. Laten we dan eens goed letten op de voorwaarden waaronder de discipelen deze rust konden en mochten genieten:

De rust volgt op het bezig zijn voor de Heere.

Het gaat daarbij slechts om "een weinig" rust, want de aarde kan geen blijvende rust geven (zie Micha 2 vers 10).

Die rust is te vinden in afzondering van de wereld, en nooit in het vermaak en de 'ontspanning' die de wereld aanbiedt.

Die rust is alleen te genieten samen met de Heere!

Inderdaad is de rust van korte duur! De scharen komen er al weer aan. De Heere Jezus wil eerst hun zielen voeden en daarna pas hun lichamen (Mattheüs 4 vers 4), maar voordat het zover is, stelt Hij Zijn discipelen op de proef. Zij hadden immers zojuist verteld wat zij allemaal gedaan hadden. Nu is er een prachtige gelegenheid om te tonen wat ze kunnen, in plaats van de mensen weg te sturen. "Geeft gij hun te eten", zegt de Heere Jezus, om hen duidelijk te maken, dat alle macht echter van Hem komt (vers 37). Tegelijkertijd laat Hij hen in genade deelnemen aan het teken van Zijn goedertierenheid. Wijsheid, macht en liefde, dát zijn de karaktertrekken van de volmaakte

Markus 6:45-56
45En terstond dwong Hij Zijn discipelen in het schip te gaan, en voor henen te varen aan de andere zijde tegen over Bethsaida, terwijl Hij de schare van Zich zou laten.46En als Hij aan dezelve hun afscheid gegeven had, ging Hij op den berg om te bidden.47En als het nu avond was geworden, zo was het schip in het midden van de zee, en Hij was alleen op het land.48En Hij zag, dat zij zich zeer pijnigden, om het schip voort te krijgen; want de wind was hun tegen; en omtrent de vierde wake des nachts, kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan.49En zij, ziende Hem wandelen op de zee, meenden, dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer;50Want zij zagen Hem allen, en werden ontroerd; en terstond sprak Hij met hen, en zeide tot hen: Zijt welgemoed, Ik ben het; vreest niet.51En Hij klom tot hen in het schip, en de wind stilde; en zij ontzetten zich bovenmate zeer in zichzelven, en waren verwonderd.52Want zij hadden niet gelet op het wonder der broden; want hun hart was verhard.53En als zij overgevaren waren, kwamen zij in het land Gennesareth, en havenden aldaar.54En als zij uit het schip gegaan waren, terstond werden zij Hem kennende.55En het gehele omliggende land doorlopende, begonnen zij op beddekens degenen, die kwalijk gesteld waren, om te dragen, ter plaatse, waar zij hoorden dat Hij was.56En zo waar Hij kwam, in vlekken, of steden, of dorpen, daar legden zij de kranken op de markten, en baden Hem, dat zij maar den zoom Zijns kleeds aanraken mochten; en zovelen, als er Hem aanraakten, werden gezond.

Bij de eerste overtocht over de zee (hoofdstuk 4 vers 35 - 42) was de Heere Jezus bij de discipelen in het schip, hoewel Hij toen sliep. Hier wordt het geloof van de twaalf discipelen opnieuw op de proef gesteld, want nu is hun Meester niet bij hen. Hij is de berg op gegaan om te bidden, terwijl zij alleen in de nacht tegen de wind en de golven moeten vechten. Zij hebben de Heere Jezus uit het oog verloren, maar Hij — en dat is van hele grote betekenis! — zag hen wel op die woelige zee (vers 48). En tegen het eind van de nacht komt Hij naar hen toe (lees Job 9 vers 8). Wat zijn ze slecht op Zijn komst voorbereid! Dan maakt Hij Zich aan hen bekend en bemoedigt Hij hen met de woorden: "Weest welgemoed, Ik ben het; vreest niet" (vers 50; Jesaja 43 vers 2). Hoeveel gelovigen die door beproevingen zijn gegaan en aan het eind van hun krachten waren aangekomen, mochten deze stem van de Heere al horen! De stem die hen herinnerde aan Zijn liefde en aanwezigheid!

Als ze voor de tweede keer aan de oever, in de buurt van Gennésareth, aankomen, wordt de Heere Jezus daar heel anders opgenomen dan bij Zijn eerste bezoek. Hoewel we hier niets lezen over hem die eerst "Legio" heette (hoofdstuk 5 vers 9), kan de manier waarop de Heere hier nu ontvangen wordt, slechts het resultaat zijn van het trouwe getuigenis van deze man (hoofdstuk 5 vers 20).

Geve de Heere, dat Hij ook ons getuigenis kan zegenen, terwijl wij Zijn wederkomst verwachten!

Markus 7:1-16
1En tot Hem vergaderden de Farizeen, en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;2En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.3Want de Farizeen en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, houdende de inzettingen der ouden.4En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden.5Daarna vraagden Hem de Farizeen en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewassen handen?6Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.7Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen;8Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele.9En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden.10Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.11Maar gijlieden zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet.12En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen;13Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij.14En tot Zich de ganse schare geroepen hebbende, zeide Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat.15Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mens ontreinigen.16Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.

De Farizeeën zijn jaloers op de Heere Jezus, omdat de volksmenigte zoveel belangstelling voor Hem heeft. Omdat zij echter bang zijn voor deze menigte, wagen ze het niet om openlijk tegen Hem in opstand te komen. Daarom beschuldigen ze Zijn discipelen, zoals ze ook al in hoofdstuk 2 vers 24 gedaan hebben. Voor deze huichelaars was de uiterlijke reinheid veel belangrijker dan de reinheid van het geweten, waarmee ze zich maar weinig bezighielden. Het is echt waar, dat een godsdienst zonder heiligheid tegemoetkomt aan het verlangen van het natuurlijke hart. De Farizeeën waren alleen bezorgd om hun eigen eer en aanzien bij de mensen en niet om de erkenning van God.

Het doel van de gelovigen is daarentegen, om bovenal de Heere welgevallig te zijn (zie Galaten 1 vers 10). En omdat Hij precies weet wat er in ons hart omgaat, zal dat voor ons een aanleiding zijn tot een zorgvuldige, innerlijke reiniging. Anders gezegd: we zullen onze gedachten, onze beweegredenen en onze bedoelingen in het licht van het Woord van God gaan beoordelen, het Woord dat de kleinste bevlekking openbaar maakt.

De Heere Jezus laat deze Farizeeën zien dat hun eigen overleveringen zelfs zo ver gaan, dat ze tegen de Goddelijke geboden in gaan. Dat blijkt bij hen heel duidelijk uit hun gedachten over het achten van en zorgen voor de ouders.

Laten ook wij oppassen voor het gevaar van overlevering! Iets doen omdat men 'het altijd zo gedaan heeft', neemt elke oefening weg en kan ons ontzettend misleiden. We zouden altijd, bij ons hele doen en laten, moeten nagaan wat de Schrift zegt!

Markus 7:17-37
17En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis.18En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?19Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen.20En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.21Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,22Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.23Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.24En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn.25Want een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten.26Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-Fenicie; en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter.27Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens voor werpe.28Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.29En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.30En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed.31En Hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden der landpalen van Dekapolis.32En zij brachten tot Hem een dove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde.33En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak Hij Zijn vingeren in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan;34En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte Hij, en zeide tot hem: Effatha! dat is: wordt geopend!35En terstond werden zijn oren geopend, en de band zijner tong werd los, en hij sprak recht.36En Hij gebood hunlieden, dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat Hij hun ook gebood, zo verkondigden zij het des te meer.37En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de doven horen, en de stommen spreken.

De Heere Jezus, Die het hart van de mens door en door kent, vermaant de discipelen tot waakzaamheid met betrekking tot hetgeen uit het hart naar voren kan komen. Ook wij bezitten dit natuurlijke hart, maar — God zij geprezen — er bestaat een 'geneesmiddel' voor deze toestand (Psalm 51 vers 12).

Nadat de Heere Jezus zojuist verdrietige dingen moest constateren, kunnen we ons indenken dat het een grote vreugde voor Hem was, die Griekse vrouw te ontmoeten. Het lijkt alsof de Heere haar eerst op een harde wijze tegemoet treedt. Hierdoor komt echter niet alleen haar grote geloof naar voren, dat door niets ontmoedigd wordt, maar daardoor wordt ook haar ware nederigheid des te duidelijker zichtbaar. In tegenstelling tot de hoogmoedige Farizeeën maakt deze vrouw nergens aanspraak op. Evenmin meent zij ergens recht op te hebben door eigen verdienste. Zij neemt de juiste plaats in voor God en erkent het oordeel dat overeenkomt met haar positie (Jesaja 57 vers 15).

Vervolgens lezen we over een doofstomme man, die de Heere Jezus, nadat Hij hem apart genomen heeft van de volksmenigte, het gebruik van zijn zintuigen teruggeeft. Wie zou het recht gehad hebben om zich in deze ontmoeting, tussen de Heiland en die arme patiënt, te mengen? De bekering van een zondaar vereist een directe, persoonlijke en innerlijke aanraking met de Heere (zie ook hoofdstuk 8 vers 23).

Het Schriftgedeelte voor vandaag eindigt met het getuigenis van de volksmenigte over de Heere Jezus: "Hij heeft alles wel gedaan" (vers 37). En elke gelovige zou, terugziend op zijn eigen leven, kunnen zeggen: 'Ja, Heere, U hebt alles welgemaakt!'

Markus 8:1-21
1In dezelfde dagen, als er een geheel grote schare was, en zij niets hadden wat zij eten zouden, riep Jezus Zijn discipelen tot Zich, en zeide tot hen:2Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare; want zij zijn nu drie dagen bij Mij gebleven, en hebben niet, wat zij eten zouden.3En indien Ik hen nuchteren naar hun huis laat gaan, zo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre.4En Zijn discipelen antwoordden Hem: Van waar zal iemand dezen met broden hier in de woestijn kunnen verzadigen?5En Hij vraagde hun: Hoeveel broden hebt gij? En zij zeiden: Zeven.6En Hij gebood de schare neder te zitten op de aarde, en Hij nam de zeven broden, en gedankt hebbende, brak Hij ze, en gaf ze Zijn discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij legden ze de schare voor.7En zij hadden weinige visjes; en als Hij gezegend had, zeide Hij, dat zij ook die zouden voorleggen.8En zij hebben gegeten, en zijn verzadigd geworden, en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden.9Die nu gegeten hadden, waren omtrent vier duizend; en Hij liet hen gaan.10En terstond in het schip gegaan zijnde met Zijn discipelen, is Hij gekomen in de delen van Dalmanutha.11En de Farizeen gingen uit, en begonnen met Hem te twisten, begerende van Hem een teken van den hemel, Hem verzoekende.12En Hij, zwaarlijk zuchtende in Zijn geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teken? Voorwaar, Ik zeg u: Zo aan dit geslacht een teken gegeven zal worden!13En Hij verliet hen, en wederom in het schip gegaan zijnde, voer Hij weg naar de andere zijde.14En Zijn discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan een brood met zich in het schip.15En Hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuurdesem der Farizeen, en van den zuurdesem van Herodes.16En zij overlegden onder elkander, zeggende: Het is, omdat wij geen broden hebben.17En Jezus, dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij, dat gij geen broden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet, hebt gij nog uw verharde hart?18Ogen hebbende, ziet gij niet? En oren hebbende, hoort gij niet?19En gedenkt gij niet, toen Ik de vijf broden brak onder de vijf duizend mannen, hoeveel volle korven met brokken gij opnaamt? Zij zeiden Hem: Twaalf.20En toen Ik de zeven brak onder de vier duizend mannen, hoeveel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven.21En Hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?

Er zijn verschillende redenen op te noemen om 'goed te doen'. Het kan bijvoorbeeld gedaan worden voor je eigen aanzien, zoals dat het geval was bij de Farizeeën. Je kunt het ook doen om je eigen geweten gerust te stellen, door een bepaalde sociale plicht te vervullen. En helaas moeten we vaststellen dat vaak blijkt dat heel veel werken onder de christenen slechts deze drijfveer hebben! Wat de Heere Jezus echter steeds bewoog om goed te doen, was Zijn medelijden met de volksmenigte, die Hij hier voor de tweede keer van voedsel voorziet, door een daad van Zijn macht (vers 2; hoofdstuk 6 vers 34).

Het is voor ons onmogelijk om contact met de mensen van de wereld, waarin wij moeten leven en werken, te vermijden. Door deze dagelijkse contacten, en dus het onvermijdelijk in aanraking komen met haar begeerte en vuil, kunnen we echter verhard raken. We kunnen er zo aan gewend raken al die materiële, zedelijke en vooral geestelijke ellende te zien, dat we er niet veel meer onder lijden. De Heere Jezus behield en bewaarde echter een Goddelijk gevoelig hart. De toestand van de doofstomme man in hoofdstuk 7 vers 34 liet Hem als het ware zuchten en opzien naar de hemel. Hier, in vers 12, is het het ongeloof van de Farizeeën waardoor Hij genoodzaakt is diep te zuchten in Zijn geest. En ten slotte doet de hardheid van het hart van Zijn eigen discipelen Hem ook pijn (zie ook hoofdstuk 6 vers 52; 7 vers 18). Die beide wonderen waarbij zij aanwezig waren, waren helaas niet voldoende geweest om hen vertrouwen in hun Meester te geven (vergelijk Johannes 14 vers 8 en 9)! Wat heeft de Heere tijdens Zijn leven hier op aarde veel geleden door Zijn meegevoel met anderen, maar ook vanwege het ongeloof en ondankbaarheid van de mensen — soms zelfs van de Zijnen.

Markus 8:22-38
22En Hij kwam te Bethsaida; en zij brachten tot Hem een blinde, en baden Hem, dat Hij hem aanraakte.23En de hand des blinden genomen hebbende, leidde Hij hem uit buiten het vlek, en spoog in zijn ogen, en legde de handen op hem, en vraagde hem, of hij iets zag.24En hij, opziende, zeide: Ik zie de mensen, want ik zie hen, als bomen, wandelen.25Daarna legde Hij de handen wederom op zijn ogen, en deed hem opzien. En hij werd hersteld, en zag hen allen ver en klaar.26En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.27En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesarea Filippi. En op den weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?28En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Een van de profeten.29En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Gij zijt de Christus.30En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem.31En Hij begon hun te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom opstaan.32En dit woord sprak Hij vrij uit; en Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen;33Maar Hij, Zich omkerende, en Zijn discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga heen, achter Mijn, satanas, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn.34En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zeide Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij.35Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en om des Evangelies wil, die zal hetzelve behouden.36Want wat zou het den mens baten zo hij de gehele wereld won, en zijner ziele schade leed?37Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel?38Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen.

In Bethsaïda, de stad die vanwege het ongeloof speciaal door de Heere genoemd wordt (Mattheüs 11 vers 21), verricht Hij nog een wonder aan een arme blinde. Hier is een tweevoudig ingrijpen nodig om hem te genezen. Het kan soms gebeuren dat men stapje voor stapje, en dus pas na langere tijd, volledig in het licht van God komt (Psalm 138 vers 8; Filippi 1 vers 6).

Vervolgens vraagt de Heere Jezus de discipelen naar de meningen die over Hem in omloop zijn. En ten slotte stelt Hij hun de directe en belangrijkste vraag: "Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?" (vers 29). Ja, welke gedachten anderen ook over de Heere Jezus mogen hebben, ikzelf moet Hem persoonlijk leren kennen! De waarde die Hij voor mij heeft, is slechts het uitgangspunt voor de weg waarop Hij mij wil laten gaan om Hem te volgen. Dat is een weg van zelfverloochening en het kruis, waar ik met Hem gestorven ben.

Soms spreken mensen die beproefd worden, over een 'kruis' dat zij te dragen zouden hebben. Maar dat is niet wat de Heere Jezus hier bedoelt. Hij verwacht van iedere gelovige dat hij vrijwillig de last van de verachting en het lijden op zich neemt, want dat staat hem namelijk te wachten van de kant van de wereld wanneer hij trouw is (Galaten 6 vers 14). "Om Mij", zegt de Heere Jezus nadrukkelijk (vers 35). Dat is het grote geheim dat de christen helpt om zich voor de wereld en voor zichzelf als gestorven te beschouwen (Romeinen 8 vers 36).

Markus 9:1-13
1En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is.2En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hogen berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd.3En Zijn klederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde zo wit maken kan.4En van hen werd gezien Elias met Mozes, en zij spraken met Jezus.5En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elias een.6Want hij wist niet, wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd.7En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem!8En haastelijk rondom ziende, zagen zij niemand meer, dan Jezus alleen bij zich.9En als zij van den berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, hetgeen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des mensen uit de doden zou opgestaan zijn.10En zij behielden dit woord bij zichzelven, vragende onder elkander, wat het was, uit de doden opstaan.11En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de Schriftgeleerden, dat Elias eerst komen moet?12En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles wederoprichten; en het zal geschieden, gelijk geschreven is van den Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden.13Maar Ik zeg u, dat ook Elias gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, gelijk van hem geschreven is.

Na de belofte in vers 1 mogen drie discipelen nu van tevoren al iets zien van "het Koninkrijk Gods", dat "met kracht gekomen is". Dit Koninkrijk zal door de Koning Zelf uitgebeeld worden, de Koning waarin zij de Heere Jezus, hun Meester, erkennen, Die met majesteit en stralende heerlijkheid bekleed is. Hij, Die deze heerlijkheid anders altijd verborg onder de nederige gestalte van een Slaaf, onthult dit nu voor enkele ogenblikken voor de ogen van de Zijnen. Zij worden hierdoor verblind en beangst (Psalm 104 vers 1). Dan weerklinkt die stem uit de wolk, die ook wij mogen horen: "Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem!" (vers 7). Hoe groter de waardigheid van iemand is, hoe belangrijker zijn zijn woorden. Hij, naar Wie wij hier mogen en moeten luisteren, is niemand anders dan de geliefde Zoon van God. Laten we daarom uiterst opmerkzaam zijn, naar hetgeen Hij ons door Zijn lessen wil leren (Hebreeën 12 vers 25).

Hoe goed het op de berg ook geweest mocht zijn (vers 5), toch moesten ze weer naar beneden. En de Heere Jezus maakt Zijn discipelen duidelijk dat hetgeen zij gezien hebben, pas later echt in vervulling zal gaan. Noch Johannes de Doper (uitgebeeld door Elia) noch Hemzelf heeft men willen aannemen. Daarom is het nodig dat Hij het kruis zal verdragen en veel moet lijden, voordat Hij in Zijn heerlijkheid ingaat.

Markus 9:14-32
14En als Hij bij de discipelen gekomen was, zag Hij een grote schare rondom hen, en enige Schriftgeleerden met hen twistende.15En terstond de gehele schare Hem ziende, werd verbaasd, en toelopende groetten zij Hem.16En Hij vraagde den Schriftgeleerden: Wat twist gij met dezen?17En een uit de schare, antwoordende, zeide: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft.18En waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en schuimt, en knerst met zijn tanden, en verdort; en ik heb Uw discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.19En Hij antwoordden hem, en zeide: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij.20En zij brachten denzelven tot Hem; en als hij Hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende.21En Hij vraagde zijn vader: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? En hij zeide: Van zijn kindsheid af.22En menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons.23En Jezus zeide tot hem: Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft.24En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp.25En Jezus ziende, dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem: Gij stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem.26En hij, roepende en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, alzo dat velen zeiden, dat het gestorven was.27En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op; en hij stond op.28En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?29En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten.30En van daar weggaande, reisden zij door Galilea; en Hij wilde niet, dat het iemand wist.31Want Hij leerde Zijn discipelen, en zeide tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij ten derden dage wederopstaan.32Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen.

Nadat de Heere Jezus van de berg is afgedaald, neemt Hij Zijn dienst van liefde weer op Zich. Hiervan geeft de apostel Petrus, als ooggetuige, een wonderbare samenvatting in het Boek Handelingen: "Jezus van Názareth... Die het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem" (Handelingen 10 vers 38).

De Heere Jezus ontmoet hier een groot aantal mensen, die onenigheid met elkaar hebben. Het onderwerp van alle opwinding is een arme jongen, die "van zijn kindsheid af" (vers 21) vreselijke aanvallen te verduren had, die door een demon werden veroorzaakt. De arme vader had deze nare situatie waarin z'n enige zoon verkeerde, aan de discipelen voorgelegd. Zij, op hun beurt, hadden geprobeerd de demon uit te drijven, wat niet gelukt was. Voordat de Heere Jezus Zelf de bevrijding van deze arme knaap bewerkt, legt Hij de vinger op de oorzaak van hun mislukking: het ongeloof, want "alle dingen zijn mogelijk voor hem die gelooft" (vers 23). Daarna geeft deze man zich, met tranen in de ogen, over aan de Heere. Hij begrijpt dat het geen prestatie van z'n eigen wil is waardoor hij kan geloven, en hij erkent dat hij uit zichzelf tot niets in staat is. Er is niet alleen Goddelijke hulp en kracht nodig voor de eigenlijke genezing, maar je hebt dat ook nodig om naar die genezing te vragen.

In vers 26 komt de demonische macht nog één keer tot uiting, opdat de overwinning van de Heere openbaar zou worden. Hij pakt, vol liefde, de jongen bij de hand en richt hem op.

Markus 9:33-50
33En Hij kwam te Kapernaum, en in het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg?34Doch zij zwegen; want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de meeste zou zijn.35En nedergezeten zijnde, riep Hij de twaalven, en zeide tot hen: Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar.36En nemende een kindeken, stelde Hij dat midden onder hen, en omving het met Zijn armen, en zeide tot hen:37Zo wie een van zodanige kinderkens zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Dien, Die Mij gezonden heeft.38En Johannes antwoordde Hem, zeggende: Meester! wij hebben een gezien, die de duivelen uitwierp in Uw Naam, welke ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt.39Doch Jezus zeide: Verbiedt hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in Mijn Naam, en haastelijk van Mij zal kunnen kwalijk spreken.40Want wie tegen ons niet is, die is voor ons.41Want zo wie ulieden een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat gij discipelen van Christus zijt, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen.42En zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware.43En indien uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur;44Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.45En indien uw voet u ergert, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusselijk vuur;46Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.47En indien uw oog u ergert, werpt het uit; het is u beter maar een oog hebbende in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden;48Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.49Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden.50Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander.

Arme discipelen! Terwijl hun Meester hen met Zijn lijden en Zijn dood bekend maakt, hebben zij slechts interesse voor één ding, waarover ze ook nog met elkaar twisten. Ze willen namelijk graag weten "wie de meeste zou zijn" (vers 34). Door Zijn vraag doorgrondt de Heere hen (vers 33) en vervolgens leert Hij hun in genade en met geduld wat nederigheid betekent.

Na deze les van de Heere volgt er een andere. De discipelen meenden dat zij het moesten verhinderen dat iemand anders in de Naam van de Heere Jezus wonderen deed. Johannes noemt ook de reden waarom zij die mening waren toegedaan: hij volgde hen niet (vers 38). De Heere Jezus maakt hen duidelijk dat zij, ook in dit opzicht, met zichzelf en niet met Hem bezig waren.

Laten wij ervoor oppassen niet sektarisch te worden! Talrijke christenen zijn trouw in het navolgen van de Heere, op de weg van zelfverloochening en het kruis, hoewel zij niet samen met ons dezelfde weg bewandelen (hoofdstuk 8 vers 34).

In het Mattheüs-evangelie hebben we al gedeelten gelezen die hier overeenkomen met de verzen 42 - 50 (zie Mattheüs 5 vers 29 en 30; Mattheüs 18 vers 8 en 9). Over het algemeen mogen we echter vaststellen dat het onderwijs van de Heere in het Markus-evangelie, ten opzichte van het handelen van de Heere, slechts een geringe plaats inneemt. We lezen in Markus bijvoorbeeld niets over de Bergrede. Met eerbied mogen we zeggen: weinig woorden, maar wel veel overgave in de dienst. Dát is het ware karakter van de trouwe Dienstknecht.

Markus 10:1-22
1En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar de landpalen van Judea, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom samen bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom.2En de Farizeen, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende.3Maar Hij antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden?4En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten.5En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven.6Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt.7Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen;8En die twee zullen tot een vlees zijn, alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees.9Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.10En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen wederom van hetzelve.11En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar.12En indien een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel.13En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.14Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.15Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.16En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.17En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieen vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve?18En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God.19Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder.20Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af.21En Jezus, hem aanziende, beminde hem, en zeide tot hem: Een ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles, wat gij hebt, en geef het den armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij.22Maar hij, treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen.

De Farizeeën proberen de Heere Jezus, in de kwestie van echtscheiding, zover te brengen dat Hij dingen zegt die in tegenspraak zijn met de woorden van Mozes. Hij snoert hun echter de mond, doordat Hij teruggaat tot op de tijd voor de wet en hen herinnert aan de orde van de dingen, zoals God die in het begin geschapen heeft. De wereld heeft alles wat God in Zijn mooie schepping had vastgelegd, bevlekt en verdorven, en wel in het bijzonder met betrekking tot de instelling van het huwelijk.

De hardheid van het hart en de zelfzucht die de mensen ertoe brengt alles wat het huwelijk betreft, te verachten en te ontwrichten, komt over het algemeen ook naar voren in de minachting van kleine kinderen. De discipelen laten zich eveneens door deze geest meeslepen. De verzen 13 - 16 geven ons, in vergelijking tot het bericht in Mattheüs, nog enkele details meer die heel ontroerend zijn. De Heere wordt een beetje ontstemd over de houding van de discipelen. Daarop neemt Hij die kleine kinderen liefdevol in Zijn armen, waar zij absoluut veilig zijn. Ten slotte zegent Hij hen uitdrukkelijk (vergelijk Mattheüs 19 vers 13 - 15).

Bij de volgende gebeurtenis is het weer Markus die als enige evangelist een belangrijk punt onder de aandacht brengt. Hier gaat het namelijk om de liefde van de Heere voor de jongeman die bij Hem komt. Helaas wordt deze jongeman niet door Zijn liefde getroffen en gaat hij weer bij Hem vandaan. Misschien wel voorgoed, omdat hij zijn rijkdommen liever heeft dan de tegenwoordige en eeuwige gemeenschap met Hem, Die hem liefheeft.

Markus 10:23-34
23En Jezus rondom ziende, zeide tot Zijn discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods inkomen!24En de discipelen werden verbaasd over deze Zijn woorden. Maar Jezus, wederom antwoordende, zeide tot hen: Kinderen! Hoe zwaar is het, dat degenen, die op het goed hun betrouwen zetten, in het Koninkrijk Gods ingaan!25Het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.26En zij werden nog meer verslagen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?27Doch Jezus, hen aanziende, zeide: Bij de mensen is het onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.28En Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.29En Jezus, antwoordende, zeide: Voorwaar zeg Ik ulieden: Er is niemand, die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijnentwil en des Evangelies wil,30Of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd, huizen, en broeders, en zusters, en moeders, en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.31Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en velen, die de laatsten zijn, de eersten.32En zij waren op den weg, gaande op naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij waren verbaasd, en Hem volgende, waren zij bevreesd. En de twaalven wederom tot Zich nemende, begon Hij hun te zeggen de dingen, die Hem overkomen zouden;33Zeggende: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal den overpriesteren, en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen, en Hem den heidenen overleveren;34En zij zullen Hem bespotten, en Hem geselen, en Hem bespuwen, en Hem doden; en ten derden dage zal Hij weder opstaan.

In het Oude Testament was de zegen van God op deze aarde gericht en werd rijkdom gezien als een bewijs van Zijn gunst (Deuteronomium 8 vers 18). Vandaar de ontzetting van de discipelen! Ze hadden zojuist een vriendelijke man gezien, die blijkbaar door God gezegend was. Op het gedrag van deze man viel niets aan te merken, en hij was zelfs bereid om goed te doen. En nu heeft de Heere Jezus hem weg laten gaan! Ja, werkelijk, wanneer zulke voortreffelijke eigenschappen iemand geen toegang tot het Koninkrijk van God kunnen verschaffen, wie zou dan nog gered kunnen worden? De Heere Jezus antwoordt hen daarop, dat de redding voor de mensen inderdaad iets onmogelijke is — dat kan alleen God bewerken. De Heere Jezus veroordeelt hier niet de rijke mensen, maar hen "die op het goed hun betrouwen zetten" (vers 24). Verder is er voor het volgen van de Heere Jezus ook zelfverloochening nodig, en dat kan voor menigeen een pijnlijke zaak zijn (vers 29). Wanneer dat echter uit liefde tot de Heere en het evangelie gedaan wordt, dan zal het tegelijkertijd tot een bron van onvergelijkbare vreugde worden. De eerste vreugde is dan, dat je je bewust bent dat je handelwijze de toestemming van de Heere kan wegdragen, dat het Hem welgevallig is. Ja, de doordringende blik van de Heere (vers 21, 23 en 27) kijkt tot diep in ons hart, om te zien of dit de werkelijke reden is waarom wij zo handelen. Hij weet of je werkelijk van alles en jezelf wilt afzien, want dat is het enige en juiste antwoord op de liefde van Hem, Die alles voor ons heeft verlaten (zie Zacharia 7 vers 5)!

In dit hoofdstuk komen we verschillende kenmerken van het vlees tegen: beminnelijkheid of vriendelijkheid (vers 17 - 22), eigendunk (vers 28), angst (vers 32) en ten slotte zelfzucht (vers 35 - 40). Laten we oppassen voor ons vlees!

Markus 10:35-52
35En tot Hem kwamen Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, zeggende: Meester! wij wilden wel, dat Gij ons deedt, zo wat wij begeren zullen.36En Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doe?37En zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij mogen zitten, de een aan Uw rechter hand, en de ander aan Uw linker hand in Uw heerlijkheid.38Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij begeert. Kunt gij den drinkbeker drinken, dien Ik drink, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word?39En zij zeiden tot Hem: Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker, dien Ik drink, zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden, daar Ik mede gedoopt word;40Maar het zitten tot Mijn rechter hand en tot Mijn linker hand staat bij Mij niet te geven; maar het zal gegeven worden dien het bereid is.41En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.42Maar Jezus, het tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet, dat degenen, die geacht worden oversten te zijn der volken, heerschappij voeren over hen, en hun groten gebruiken macht over hen.43Doch alzo zal het onder u niet zijn; maar zo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn.44En zo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn.45Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen, om gediend te worden, maar om te dienen, en Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen.46En zij kwamen te Jericho. En als Hij en Zijn discipelen, en een grote schare van Jericho uitging, zat de zoon van Timeus, Bar-timeus, de blinde, aan den weg, bedelende.47En horende, dat het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, Gij Zone Davids! ontferm U mijner.48En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel temeer: Gij Zone Davids! ontferm U mijner.49En Jezus, stil staande, zeide, dat men hem roepen zou; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed; sta op; Hij roept u.50En hij, zijn mantel afgeworpen hebbende, stond op, en kwam tot Jezus.51En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En de blinde zeide tot Hem: Rabboni! dat ik ziende mag worden.52En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.

Laten we het geloof van Jakobus en Johannes vooral niet over het hoofd zien! Zij wisten dat hun Meester de Messias was, de Erfgenaam van het rijk, en dat zij daaraan met Hem deel zouden hebben. Hun verzoek verraadt echter hun onkunde en de ijdelheid van hun natuurlijk hart. Vol genade verzamelt de Heere Jezus Zijn discipelen rondom Zich en gebruikt het ongepaste verlangen van deze beide broers om hen — en ook ons (!) — een les te leren. Begrijpen ze dan niet, dat zij hier het grootste Voorbeeld van nederigheid voor zich hebben? Hij Die er alle recht op had bediend te worden, wilde Zichzelf vernederen om Zijn schepselen te redden en wilde Zijn eigen leven als de losprijs geven, hetgeen door de hoogste Rechter geëist werd. Vers 45 wordt wel eens de sleuteltekst van dit evangelie genoemd, want het is een korte samenvatting van de inhoud van dit Bijbelboek.

De Heilige Geest laat ons hier drie verschillende houdingen zien die mensen kunnen aannemen. Ten eerste lezen we van de jongeman die, in plaats van de Heere te volgen, weggaat (vers 21 en 22). Dan lezen we over de discipelen, die ook geroepen zijn en die Hem bevend volgen (vers 32), maar toch ook wijzen op hun eigen zelfverloochening (vers 28). En ten slotte zien we de houding van de blinde. Van hem verwachtte de Heere ogenschijnlijk niets toen Hij hem genas, maar toch is zijn reactie heel opmerkelijk! Want zonder een woord te zeggen, wierp hij zijn mantel, die hem zou kunnen hinderen, af en volgde hij de Heere Jezus "op de weg" (vers 52).

We zien hier ook hoe wankelmoedig de volksmenigte is. Eerst wijst men de blinde man terecht, maar even later wordt tegen hem gezegd: "Heb goede moed!" (vers 49).

Markus 11:1-14
1En toen zij Jeruzalem genaakten, te Beth-fage en Bethanie, aan den Olijfberg, zond Hij twee van Zijn discipelen uit,2En zeide tot hen: Gaat heen in het vlek, dat tegen u over is; en terstond als gij in hetzelve komt, zult gij vinden een veulen gebonden, op hetwelk geen mens gezeten heeft, ontbindt het, en brengt het.3En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? Zo zegt, dat de Heere hetzelve van node heeft; en hij zal het terstond herwaarts zenden.4En zij gingen heen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve.5En sommigen van degenen, die aldaar stonden, zeiden tot hen: Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt?6Doch zij zeiden tot hen, gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten hen gaan.7En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hun klederen daarop; en Hij zat op hetzelve.8En velen spreidden hun klederen op den weg, en anderen hieuwen meien van de bomen, en spreidden ze op den weg.9En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna, gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!10Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, hetwelk komt in den Naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!11En Jezus kwam binnen Jeruzalem, en in den tempel; en als Hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, ging Hij uit naar Bethanie met de twaalven.12En des anderen daags, als zij uit Bethanie gingen, hongerde Hem.13En ziende van verre een vijgeboom, die bladeren had, ging Hij om te zien, of Hij ook iets op denzelven zou vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond Hij niets dan bladeren; want het was de tijd der vijgen niet.14En Jezus, antwoordende, zeide tot denzelven: Niemand ete enige vrucht meer van u in der eeuwigheid! En Zijn discipelen hoorden het.

De weg van de Heere Jezus hier op aarde nadert nu zijn einde. Op plechtige wijze trekt Hij Jeruzalem binnen en gaat Hij naar de tempel. Daar aangekomen, bekijkt Hij eerst alles (vers 11), alsof Hij wil zeggen: 'Woon Ik hier?' Dit detail, dat alleen in het Markus-evangelie genoemd wordt, laat ons zien dat God nooit iets overijld beoordeelt en veroordeelt (vergelijk Genesis 18 vers 21). Welke gevoelens zal de Heere Jezus toen echter gehad hebben, toen Hij zag dat dit gebedshuis zo ontzettend verontreinigd was!

Hij verlaat deze verontreinigde plaats dan ook en trekt Zich, samen met de kleine schare die Hem wel erkende en liefhad, terug in Bethanië. Bethanië betekent 'huis van de ellendige' of 'huis van vijgen'. En zoals vaker in de Schrift het geval is, is deze dubbele betekenis heel typerend. Op het moment dat de Heere Jezus gedwongen was de onvruchtbare vijgenboom — een beeld van Israël, zoals Hij het had aangetroffen — te vervloeken, is het alsof Hij, de Ellendige en Nooddruftige (of Arme; Psalm 40 vers 18), alleen in Bethanië vruchten voor God vond ("zeer goede vijgen", volgens Jeremia 24 vers 2). Dat was een grote troost voor Zijn hart en een voorsmaak van de vrucht van de arbeid van Zijn ziel, aan het kruis. Ondanks een overvloed aan bladeren — een beeld van een prachtige, uiterlijke godsdienst — draagt de vijgenboom Israël geen enkele vrucht, zoals dezelfde profeet moest constateren (Jeremia 8 vers 13).

Markus 11:15-33
15En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus, in den tempel gegaan zijnde, begon degenen, die in den tempel verkochten en kochten, uit te drijven; en de tafelen der wisselaars, en de zitstoelen dergenen, die de duiven verkochten, keerde Hij om;16En liet niet toe, dat iemand enig vat door den tempel droeg.17En Hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken? Maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.18En de Schriftgeleerden en de overpriesters hoorden dat, en zochten, hoe zij Hem doden zouden; want zij vreesden Hem, omdat de ganse schare ontzet was over Zijn leer.19En als het nu laat geworden was, ging Hij uit buiten de stad.20En des morgens vroeg voorbijgaande, zagen zij, dat de vijgeboom verdord was, van de wortelen af.21En Petrus, zulks indachtig geworden zijnde, zeide tot Hem: Rabbi, zie, de vijgeboom, dien Gij vervloekt hebt, is verdord.22En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Hebt geloof op God.23Want voorwaar zeg Ik u, dat, zo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen; en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal geloven hetgeen hij zegt, geschieden zal, het zal hem geworden, zo wat hij zegt.24Daarom zeg Ik u: Alle dingen, die gij biddende begeert, gelooft, dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.25En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, Die in de hemelen is, ulieden uw misdaden vergeve.26Maar indien gij niet vergeeft, zo zal uw Vader, Die in de hemelen is, ook uw misdaden niet vergeven.27En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als Hij in den tempel wandelde, kwamen tot Hem de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen.28En zeiden tot Hem: Door wat macht doet Gij deze dingen? En wie heeft U deze macht gegeven, dat Gij deze dingen doen zoudt?29Maar Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen; antwoordt Mij ook, en zo zal Ik u zeggen, door wat macht Ik deze dingen doe:30De doop van Johannes, was die uit den hemel, of uit de mensen? Antwoordt Mij.31En zij overlegden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?32Maar indien wij zeggen: Uit de mensen; zo vrezen wij het volk; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een profeet was.33En, antwoordende, zeiden zij tot Jezus: Wij weten het niet. En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.

De Heere Jezus reinigt hier de tempel, waarin Hij de dag tevoren rondgekeken had. De ijver voor het huis van Zijn God verteerde de volmaakte Dienstknecht (Johannes 2 vers 17).

Die avond verlaat Hij de bevuilde stad. De volgende dag gaat Hij er toch weer naar toe en komt dan langs de verdorde vijgenboom. De opmerking van Petrus beantwoordt de Heere Jezus niet met een verwijzing naar Zijn eigen macht, maar Hij richt de gedachten van de discipelen op God. In zekere zin zegt de Heere tegen hen: Hij Die Mij geantwoord heeft, is ook bereid jullie gebeden te verhoren en elke hindernis op jullie weg op te ruimen, ook al is die zo groot als een berg.

Geloven in God betekent niet, dat je verwacht dat je wensen beslist altijd vervuld zullen worden. Nee, het betekent eenvoudig alles van God verwachten, Die je kent en Die trouw is en je liefheeft. Er bestaat echter toch één oorzaak waardoor het voor God niet mogelijk is om ons te antwoorden, en dat is: "indien gij iets hebt tegen iemand" (vers 25). Dat vormt inderdaad een niet te overwinnen berg in onze betrekkingen tot God. Om de weg tot God en tot onze broeders terug te vinden, moeten wij deze hindernis onmiddellijk uit de weg ruimen, opdat er in ons hart weer "gebaande wegen" zijn (Psalm 84 vers 6).

Met vers 27 beginnen de laatste gesprekken van de Heere Jezus, in het verloop waarvan Hij van lieverlee al Zijn tegenstanders beschaamd doet staan.

Markus 12:1-17
1En Hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mens plantte een wijngaard, en zette een tuin daarom, en groef een wijnpersbak, en bouwde een toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands.2En als het de tijd was, zond hij een dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards.3Maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig heen.4En hij zond wederom een anderen dienstknecht tot hen, en dien stenigden zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde.5En wederom zond hij een anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen, en sommigen doodden.6Als hij dan nog een zoon had, die hem lief was, zo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijn zoon ontzien.7Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, en de erfenis zal onze zijn.8En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit, buiten den wijngaard.9Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen, en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.10Hebt gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks;11Van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.12En zij zochten Hem te vangen, maar zij vreesden de schare; want zij verstonden, dat Hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten Hem en gingen weg.13En zij zonden tot Hem enigen der Farizeen en der Herodianen, opdat zij Hem in Zijn rede vangen zouden.14Dezen nu kwamen en zeiden tot Hem: Meester, wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waarheid; is het geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet? Zullen wij geven, of niet geven?15En Hij, wetende hun geveinsdheid, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij? Brengt Mij een penning, dat Ik hem zie.16En zij brachten een. En Hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld, en het opschrift? En zij zeiden tot Hem: Des keizers.17En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.

De leiders van het volk zijn gedwongen om zichzelf te zien in de gelijkenis van de boze wijngaardeniers.

Het is heel opmerkelijk, op welke wijze hier (alleen in het Markus-evangelie) de laatste gezant van de heer van de wijngaard wordt beschreven: "Toen hij dan nog een zoon had, die hem lief was" (vers 6). Deze uitdrukking doet ons denken aan de woorden die God tegen Abraham zei: "Neem nu uw zoon, uw enige, die gij liefhebt" (Genesis 22 vers 2). Dit laat ons op ontroerende wijze iets zien van de genegenheid van de Vader voor Zijn geliefde Zoon, Die Hij voor ons geofferd heeft!

Nu op zo'n manier duidelijk zichtbaar is geworden wie zij werkelijk zijn, proberen de Farizeeën en de Herodianen een tegenzet te doen. Met huichelachtige complimenten, die echter een getuigenis voor de Heere zijn (ze zeiden immers: "wij weten, dat Gij waarachtig zijt... Gij leert de weg van God in waarheid"; vers 14), proberen zij Hem met hun spitsvondige vraag te vangen. Zou Hij 'ja' gezegd hebben, dan zou Hij voor hen niet meer de Messias kunnen zijn. Zou Hij 'nee' gezegd hebben, dan zou Hij bij de Romeinen aangeklaagd kunnen worden. Hij antwoordde hen daarom op eenmalige wijze, zoals alleen Hij dat kan, en waarop zij niet gerekend hadden: Hij richt Zich tot hun eigen geweten. Wat een Goddelijke en bewonderenswaardige wijsheid!

Wat heeft de Heere Jezus, in Wie alles waarheid en liefde was, echter onder deze huichelachtige gezindheid geleden, onder deze boosheid, ja, onder de voortdurende tegenspraak van de zondaren tegen Zich (Hebreeën 12 vers 3; zie ook Ezechiël 13 vers 22)!

Markus 12:18-34
18En de Sadduceen kwamen tot Hem, welke zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem, zeggende:19Meester! Mozes heeft ons geschreven: Indien iemands broeder sterft, en een vrouw achterlaat, en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijn broeder zaad verwekken.20Er waren nu zeven broeders, en de eerste nam een vrouw, en stervende liet geen zaad na.21De tweede nam haar ook, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na; en de derde desgelijks.22En al de zeven namen dezelve, en lieten geen zaad na; de laatste van allen is ook de vrouw gestorven.23In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn? Want die zeven hebben haar tot een vrouw gehad.24En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom, dat gij de Schriften niet weet, noch de kracht Gods?25Want als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk engelen, die in de hemelen zijn.26Doch aangaande de doden, dat zij opgewekt zullen worden, hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornenbos tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs?27God is niet een God der doden, maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.28En een der Schriftgeleerden horende, dat zij te zamen in woorden waren, en wetende, dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem, en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van allen?29En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israel, de Heere, onze God, is een enig Heere.30En gij zult den Heere, uw God, liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.31En het tweede aan dit gelijk, is dit: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod, groter dan deze.32En de schriftgeleerde zeide tot Hem: Meester, Gij hebt wel in der waarheid gezegd, dat er een enig God is, en er is geen ander dan Hij;33En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben als zichzelven, is meer dan al de brandofferen en de slachtofferen.34En Jezus ziende, dat hij verstandelijk geantwoord had, zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde Hem meer vragen.

Nu komen de Sadduceeën naar voren, om zich te meten met de wijsheid van de Heere Jezus. In werkelijkheid geloven zij niet in de opstanding (zie Handelingen 23 vers 8), maar juist op dat terrein ontmoeten zij de Heere Jezus en snoert Hij hun de mond met het Woord van God (vers 26). Er is op tweevoudige wijze van de opstanding getuigd: door de Schriften en door de kracht van God, die Christus opgewekt heeft (vers 24). Toch stoot geen enkele waarheid op meer tegenstand bij de mensen dan deze, vanwege hun ongeloof (zie Handelingen 17 vers 32 en 26 vers 8). Zoals Paulus in 1 Korinthe 15 uitvoerig uitlegt, gaat het hierbij om de grondslag van het christendom; je kunt hier niet aan tornen zonder daarbij het geloof te doen wankelen.

In tegenstelling tot de strijdlustige Sadduceeën vinden we hier bij de Schriftgeleerden, die de Heere Jezus een vraag stellen in verband met het grootste gebod, oprechtheid en begrip. De Heere Jezus antwoordt hun dat de liefde het eerste gebod is. De liefde tot God en tot de naaste is "de vervulling van de wet" (Romeinen 13 vers 10; Galaten 5 vers 14).

Beste vrienden, zouden wij niet veel meer moeten liefhebben dan Israël? Wij die veel verder verwijderd waren van God dan dit volk, omdat wij behoorden tot de heidenen, "vreemdelingen van de verbonden der belofte", maar die nu in de positie gebracht zijn van kinderen van deze God van liefde. Wij die vroeger veraf waren, zijn nu "nabij geworden door het bloed van Christus" (Efeze 2 vers 11 - 13)!

Abba, Vader, lof en ere zij u eeuwig toegebracht, daar Ge in Jezus, onze Heere, ons nabij U hebt gebracht. Ja, wij staam' len Abba, Vader, als Uw kind'ren altegader. Zondaars eertijds, kind'ren nu. Abba, Vader, lof zij U!'

Markus 12:35-44
35En Jezus antwoordde en zeide, lerende in den tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een Zoon van David is?36Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.37David dan zelf noemt Hem zijn Heere, en hoe is Hij zijn Zoon? En de menigte der schare hoorde Hem gaarne.38En Hij zeide tot hen in Zijn leer: Wacht u voor de schriftgeleerden, die daar gaarne willen wandelen in lange klederen, en gegroet zijn op de markten;39En de voorgestoelten hebben in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;40Welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden. Dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.41En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag, hoe de schare geld wierp in de schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.42En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.43En Jezus, Zijn discipelen tot Zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft, dan allen, die in de schatkist geworpen hebben.44Want zij allen hebben van hun overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van haar gebrek, al wat zij had, daarin geworpen, haar ganse leeftocht.

Nu brengt de Heere Jezus Zijn gesprekspartners met een netelige vraag in verlegenheid. Hoe kan Christus tegelijkertijd de Zoon en de Heere van David zijn (zie ook Psalm 89 vers 4,5,24 en 37)? Zij kunnen dit niet verklaren en hun hoogmoed verhindert hen om het antwoord aan Christus Zelf te vragen. Juist vanwege Zijn verwerping zal de Zoon van David de hemelse positie innemen, die Hem in Psalm 110 toegezegd wordt.

Om het volk te waarschuwen voor hun onwaardige leiders, geeft de Heere Jezus hier een tragisch beeld van de ijdele, hebzuchtige en schijnheilige Schriftgeleerden. Ach! deze karaktertrekjes waren (en zijn) soms ook merkbaar bij andere 'geestelijken' dan alleen bij die van het volk Israël (1 Timotheüs 6 vers 5).

In vers 41 zien we de Heere Jezus zitten bij de schatkist van de tempel. Met Zijn allesdoordringende blik — die, zoals wij al gezien hebben, op alles en iedereen gericht is — kijkt Hij toe wat daar gebeurt. Hij let niet op hoeveel (dat is het enige wat de mensen interesseert), maar hoe ieder daarin gooit. En dan komt daar die arme weduwe met haar ontroerende gave: de "twee kleine penningen", het enige wat ze nog bezat om van te leven. Met grote bewogenheid roept de Heere Jezus Zijn discipelen bij Zich en vertelt hun wat Hij zojuist gezien heeft. Ja, dit buitengewone offer — "al wat zij had' — bewees niet alleen haar grote liefde tot de HEERE en Zijn huis, maar liet ook haar volledige vertrouwen zien dat zij op God gesteld had, om in haar verdere behoeften te voorzien (vergelijk 1 Koningen 17 vers 13).

Markus 13:1-13
1En als Hij uit den tempel ging, zeide een van Zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, hoedanige stenen, en hoedanige gebouwen!2En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ziet gij deze grote gebouwen? Er zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.3En als Hij gezeten was op den Olijfberg, tegen de tempel over, vraagden Hem Petrus, en Jakobus, en Johannes, en Andreas, alleen:4Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het teken, wanneer deze dingen alle voleindigd zullen worden?5En Jezus, hun antwoordende, begon te zeggen: Ziet toe, dat u niemand verleide.6Want velen zullen komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en zullen velen verleiden.7En wanneer gij zult horen van oorlogen, en geruchten van oorlogen, zo wordt niet verschrikt; want dit moet geschieden; maar nog is het einde niet.8Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen aardbevingen zijn in verscheidene plaatsen, en er zullen hongersnoden wezen, en beroerten. Deze dingen zijn maar beginselen der smarten.9Maar ziet gij voor uzelven toe; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen, en in de synagogen; gij zult geslagen worden, en voor stadhouders en koningen zult gij gesteld worden, om Mijnentwil, hun tot een getuigenis.10En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder al de volken.11Doch wanneer zij u leiden zullen, om u over te leveren, zo zijt te voren niet bezorgd, wat gij spreken zult, en bedenkt het niet; maar zo wat u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want gij zijt het niet, die spreekt, maar de Heilige Geest.12En de ene broeder zal den anderen overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen doden.13En gij zult gehaat worden van allen, om Mijns Naams wil; maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

De discipelen zijn onder de indruk van de grootte en de uiterlijke schoonheid van de tempelgebouwen. Maar de Heere ziet niet op de dingen die voor de mens zo belangrijk zijn (1 Samuël 16 vers 7; Jesaja 11 vers 3). Hij was Zelf in deze tempel geweest en had geconstateerd dat het vol ongerechtigheid was (hoofdstuk 11 vers 11). Vandaar dat Hij vooruitziet op de gebeurtenissen waarvan, een paar jaar later, na Zijn verwerping, de verwoesting van de schuldige stad het gevolg zou zijn. Uit de geschiedenis weten we dat Jeruzalem in het jaar 70 op gruwelijke wijze door het leger van Titus werd belegerd en bijna geheel werd vernietigd. Deze vreselijke straf bracht grote geloofsbeproevingen met zich mee voor de gelovigen die zo nauw met deze heilige stad verbonden waren. De Heere Jezus had hen echter bij voorbaat al bemoedigd met de woorden van vers 11.

Hoeveel kinderen van God die door beproevingen hadden (of hebben) te gaan, hebben deze wonderbare ervaring al zelf niet opgedaan! Als zij hadden te getuigen, gaf de Heilige Geest hun de woorden in de mond die ze moesten uitspreken. Zo was het ook bij Petrus, toen hij zich moest verantwoorden tegenover de oversten, ouderlingen en Schriftgeleerden (Handelingen 4 vers 8). En hetzelfde heeft Stefanus destijds ervaren (Handelingen 7 vers 55).

Ook wij zullen deze kracht van de Heilige Geest beleven, en wel in de mate waarin wij hem nodig hebben, wanneer wij Hem in ons laten werken.

Markus 13:14-37
14Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den profeet Daniel gesproken is, staande waar het niet behoort, (die het leest, die merke daarop!) alsdan, die in Judea zijn, dat zij vlieden op de bergen.15En die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis weg te nemen.16En die op den akker is, kere niet weder terug, om zijn kleed te nemen.17Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen!18Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede des winters.19Want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van het begin der schepselen, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.20En indien de Heere de dagen niet verkort had, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil, die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij de dagen verkort.21En alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus; of ziet, Hij is daar; gelooft het niet.22Want er zullen valse christussen, en valse profeten opstaan, en zullen tekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.23Maar gijlieden ziet toe; ziet, Ik heb u alles voorzegd!24Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven.25En de sterren des hemels zulen daaruit vallen, en de krachten, die in de hemelen zijn, zullen bewogen worden.26En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.27En alsdan zal Hij Zijn engelen uitzenden, en zal Zijn uitverkorenen bijeenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde, tot het uiterste des hemels.28En leert van den vijgeboom deze gelijkenis; wanneer nu zijn tak teder wordt, en de bladeren uitspruiten, zo weet gij, dat de zomer nabij is.29Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het nabij, voor de deur is.30Voorwaar, Ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn.31De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.32Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.33Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet, wanneer de tijd is.34Gelijk een mens, buitenslands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienstknechten macht gaf, en elk zijn werk, en den deurwachter gebood, dat hij zou waken;35Zo waakt dan (want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, des avonds laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond);36Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vinde.37En hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik allen: Waakt.

De Gemeente zal niet door de grote verdrukking gaan die het Joodse gelovig overblijfsel wel zal ondervinden (Openbaring 3 vers 10). Deze rustgevende zekerheid zou ons echter te meer moeten vervullen met angst voor de geestelijke slaap die — in de lange geestelijke nacht van deze wereld, een nacht vol beproevingen — voor ons tot een ernstig gevaar kan worden. Laten we altijd aan de spoedige komst van de Heere Jezus denken en de ernstige vermaningen in dit hoofdstuk ter harte nemen.

In een korte gelijkenis wordt de Heere Jezus voorgesteld als de heer des huizes, die vanwege een buitenlandse reis de verantwoordelijkheid voor zijn bezit overgedragen heeft aan zijn knechten. Ieder van hen had "zijn werk" te doen. Het betrof een persoonlijke opdracht, die precies bij hem paste. De Heere heeft geen beperkingen gesteld, ook niet wat betreft de grote verscheidenheid in opdrachten die verricht moeten worden. Mogen we hierbij niet denken aan de talloze taken die de Heere voor de Zijnen bereid heeft (vergelijk Romeinen 12 vers 6 - 8)?

De korte opdracht om te waken die de deurwachter ontving (vers 34), geldt voor "allen" — dus ook voor jou en mij (vergelijk vers 37). En het is heel opmerkelijk dat de dienst van de Heere Jezus in het Markus-evangelie met dit woord besluit: "Waakt!". Laten we ons dit, als een kostbare nalatenschap van de Heere, heel goed inprenten, zoals men de laatste raad van een Geliefde Die ons verlaat — maar terugkomt! — ter harte neemt!

Markus 14:1-16
1En het pascha, en het feest der ongehevelde broden was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.2Maar zij zeiden: Niet in het feest, opdat niet misschien oproer onder het volk worde.3En als Hij te Bethanie was, in het huis van Simon, den melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalsten nardus, van groten prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd.4En er waren sommigen, die dat zeer kwalijk namen bij zichzelven, en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalf geschied?5Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die den armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haar.6Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan Mij gewrocht.7Want de armen hebt gij altijd met u, en wanneer gij wilt, kunt gij hun weldoen; maar Mij hebt gij niet altijd.8Zij heeft gedaan, hetgeen zij kon; zij is voorgekomen, om Mijn lichaam te zalven, tot een voorbereiding ter begrafenis.9Voorwaar zeg Ik u: Alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de gehele wereld, daar zal ook tot haar gedachtenis gesproken worden, van hetgeen zij gedaan heeft.10En Judas Iskariot, een van de twaalven, ging heen tot de overpriesters, opdat hij Hem hun zou overleveren.11En zij, dat horende, waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht, hoe hij Hem bekwamelijk overleveren zou.12En op den eersten dag der ongehevelde broden, wanneer zij het pascha slachtten, zeiden Zijn discipelen tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij heengaan, en bereiden, dat Gij het pascha eet?13En Hij zond twee van Zijn discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mens ontmoeten, dragende een kruik water, volgt dien;14En zo waar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?15En hij zal u wijzen een grote opperzaal, toegerust en gereed; bereidt het ons aldaar.16En Zijn discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.

Hoe dichter de dood van de Heere nabij komt, hoe meer de gevoelens van de harten worden bevestigd en geopenbaard. Haat van de kant van de leiders van het volk, die in Jeruzalem tegen Hem samenzweren! Genegenheid in het welbekende huis, waar die vrouw "een goed werk" aan Hem verricht, een vrucht van begripvolle liefde. Tegelijkertijd is dat een prachtig beeld van de aanbidding van de kinderen van God! Zij erkennen Hem, Die door de wereld als verachte Verlosser verworpen is, als Degene Die alle eer waard is. En door de Heilige Geest geleid en in het bewustzijn van de eigen onwaardigheid, brengen zij Hem deze aanbidding, een aanbidding die voor Zijn hart een kostbare en welriekende reuk is. (Hierbij is het goed om op te merken dat de mensen hier vaak een andere gedachte over hebben. Toen waren er die meenden in staat te zijn de waarde van deze vorm van aanbidding te kunnen bepalen en in een geldbedrag tot uitdrukking te kunnen brengen — vers 5. De mens is wat dat betreft, vandaag echt niet anders!) Aanbidders zullen zich wellicht allerlei verwijten op de hals halen, zelfs van de kant van bepaalde christenen, omdat zij weldadigheid (vers 5) of een dienst aan de zielen boven elke andere christelijke activiteit stellen. Zonder nalatig te zijn in dit soort dingen, is het toch goed om nooit te vergeten dat het onze eerste opdracht is om de Heere te loven. Laat het ons genoeg zijn wanneer Hij dit erkent, en laten we niet afgaan op wat mensen zeggen. Laten we met een gebroken geest (waarvan dit flesje een beeld is) de heilige dienst van aanbidding vervullen, die alleen en tot in eeuwigheid aan Hem gewijd is.

In de verzen 10 - 16 zien we de discipelen bezig zijn met de voorbereidingen voor het pascha, maar we zien ook dat Judas voorbereidingen treft om zijn Meester te verraden.

Markus 14:17-31
17En als het avond geworden was, kwam Hij met de twaalven.18En als zij aanzaten en aten, zeide Jezus: Voorwaar, Ik zeg u, dat een van u, die met Mij eet, Mij zal verraden.19En zij begonnen bedroefd te worden, en de een na de ander tot Hem te zeggen: Ben ik het? En een ander: Ben ik het?20Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het is een uit de twaalven, die met Mij in de schotel indoopt.21De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welken de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware hem goed, zo die mens niet geboren ware geweest.22En als zij aten, nam Jezus brood, en als Hij gezegend had, brak Hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam.23En Hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende, gaf hun dien; en zij dronken allen uit denzelven.24En Hij zeide tot hen: Dat is Mijn bloed, het bloed des Nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.25Voorwaar, Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.26En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.27En Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan Mij geergerd worden; want er is geschreven: Ik zal den Herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.28Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.29En Petrus zeide tot Hem: Of zij ook allen geergerd werden, zo zal ik toch niet geergerd worden.30En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij Mij driemaal zult verloochenen.31Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen. En insgelijks zeiden zij ook allen.

Het ogenblik van het laatste Pascha is aangebroken. Op dit vertrouwelijke moment van afscheid waarin de Heere Jezus de genegenheden van Zijn hart de vrije loop laat, is er toch iets wat Zijn ziel bedrukt. Dat betreft niet het kruis, dat steeds dichterbij komt, maar de ontzettend verdrietige gedachte dat er onder deze twaalf één is die bezig is met zijn eigen verderf. De Heere Jezus zei: "Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u die met Mij eet, Mij zal verraden" (vers 18). Nu worden de discipelen, op hun beurt, ook bedroefd en beproeven zichzelf, de een na de ander. Nu geven ze nog geen enkel blijk van zelfvertrouwen. Dit in tegenstelling tot de dingen die ze later zullen zeggen. Dan beweren ze dat ze bereid zijn zichzelf op te offeren, waarbij we vooral aan Petrus mogen denken (vers 29 en 31).

Nadat het Pascha is gegeten en de verrader is weggegaan, stelt de Heere Jezus het Avondmaal in. Hij zegent en breekt het brood en geeft het aan de Zijnen; daarna neemt Hij de kelk, dankt en geeft ook die vervolgens aan de discipelen. Hij legt hun daarna de betekenis van deze eenvoudige tekenen uit. Toch zijn het ook plechtige symbolen, die heenwijzen naar grote feiten, dingen waar zij — en ook wij — voortdurend aan terug moeten denken: Zijn lichaam, dat Hij heeft overgegeven en Zijn vergoten bloed; de enige grondslag van ons geloof.

Beste vriend, had jij er toen ook graag bij willen zijn, daar in die bovenzaal? Zo dicht in de buurt van jouw Redder? Ja? Nou, verenig je dan toch met hen die elke eerste dag van de week Zijn dood verkondigen en Zijn wederkomst verwachten!

Daarna gaat de Heere Jezus, samen met Zijn elf discipelen, naar de tuin op de Olijfberg.

Markus 14:32-54
32En zij kwamen in een plaats, welker naam was Gethsemane, en Hij zeide tot Zijn discipelen: Zit hier neder, totdat Ik gebeden zal hebben.33En Hij nam met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en begon verbaasd en zeer beangst te worden;34En zeide tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier, en waakt.35En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op de aarde, en bad, zo het mogelijk ware, dat die ure van Hem voorbijging.36En Hij zeide: Abba, Vader, alle dingen zijn U mogelijk; neem dezen drinkbeker van Mij weg, doch niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt.37En Hij kwam, en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon, slaapt gij? Kunt gij niet een uur waken?38Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.39En wederom heengegaan zijnde, bad Hij, sprekende dezelfde woorden.40En wedergekeerd zijnde, vond Hij hen wederom slapende, want hun ogen waren bezwaard; en zij wisten niet, wat zij Hem antwoorden zouden.41En Hij kwam ten derden male, en zeide tot hen: Slaapt nu voort, en rust; het is genoeg, de ure is gekomen; ziet, de Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.42Staat op, laat ons gaan; ziet, die Mij verraadt, is nabij.43En terstond, als Hij nog sprak, kwam Judas aan, die een was van de twaalven, en met hem een grote schare, met zwaarden en stokken, gezonden van de overpriesters, en de schriftgeleerden, en de ouderlingen.44En die Hem verried, had hun een gemeen teken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, Die is het, grijpt Hem, en leidt Hem zekerlijk henen.45En als hij gekomen was, ging hij terstond tot Hem, en zeide: Rabbi, Rabbi, en kuste Hem.46En zij sloegen hun handen aan Hem, en grepen Hem.47En een dergenen, die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des hogepriesters, en hieuw hem zijn oor af.48En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Zijt gij uitgegaan, met zwaarden en stokken, als tegen een moordenaar, om Mij te vangen?49Dagelijks was Ik bij ulieden in den tempel, lerende, en gij hebt Mij niet gegrepen; maar dit geschiedt, opdat de Schriften vervuld zouden worden.50En zij, Hem verlatende, zijn allen gevloden.51En een zeker jongeling volgde Hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem.52En hij, het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden.53En zij leidden Jezus henen tot den hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de schriftgeleerden.54En Petrus volgde Hem van verre, tot binnen in de zaal des hogepriesters, en hij was mede zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur.

Nu breekt het moment aan waarop Hij, Die de gestalte van een slaaf heeft aangenomen, moet laten zien hoever Zijn gehoorzaamheid strekt. Zal Hij tot in de dood gaan, ja, tot in de dood aan het kruis (Filippensen 2 vers 7 en 8)? Satan trekt al zijn registers open om de Heere Jezus van Zijn weg van volmaaktheid af te brengen. Zijn wapen in deze beslissende strijd is de grote nood in het hart van de Heere Jezus, Die de kelk van de toom van God over de zonde in zijn volle omvang en al zijn gruwelijkheid kon overzien. Het wapen van de Heere Jezus is Zijn afhankelijkheid. Een uitdrukking die we alleen hier tegenkomen, laat ons de innige verbondenheid zien die er op dat moment is: "Abba, Vader!" (vers 36). Dat zijn de woorden die de Heere Jezus uitspreekt in het bewustzijn van Zijn volmaakte gemeenschap met God, een gemeenschap die onderbroken moest worden op het moment waarop Hij de zonden zou dragen en tot zonde gemaakt zou worden. Maar juist deze niet uit te blussen liefde tot de Vader was de drijfveer tot een gehoorzaamheid zonder één enkel voorbehoud. "Niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt".

Het is haast onvergeeflijk dat de discipelen met het oog op zo'n zware strijd toch slaperig werden! (Denk echter niet, dat het ons anders vergaan zou zijn!) Kort tevoren had hun Meester hen al vermaand te waken en te bidden (hoofdstuk

13 vers 33), en hier vraagt Hij het hun opnieuw, tot driemaal toe en op heel indringende wijze. Helaas tevergeefs! Hijzelf is echter wel bereid! De verrader komt eraan met de mannen die de Heere willen grijpen. Nu laten allen Hem in de steek en vluchten weg. En ten slotte lezen we ook dat de jongeman die in een linnen kleed gehuld was, naakt wegvlucht. Dat is een beeld van de belijdende christenheid, die geen stand houdt in een tijd van beproeving.

Markus 14:55-72
55En de overpriesters, en de gehele raad, zochten getuigenis tegen Jezus, om Hem te doden, en vonden niet.56Want velen getuigden valselijk tegen Hem, en de getuigenissen waren niet eenparig.57En enigen, opstaande, getuigden valselijk tegen Hem, zeggende:58Wij hebben Hem horen zeggen: Ik zal dezen tempel, die met handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt, bouwen.59En ook alzo was hun getuigenis niet eenparig.60En de hogepriester, in het midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt Gij niets? Wat getuigen dezen tegen U?61Maar Hij zweeg stil, en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hogepriester, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Christus, de Zoon des gezegenden Gods?62En Jezus zeide: Ik ben het. En gijlieden zult den Zoon des mensen zien zitten ter rechter hand der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels.63En de hogepriester, verscheurende zijn klederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van node?64Gij hebt de gods lastering gehoord; wat dunkt ulieden? En zij allen veroordeelden Hem, des doods schuldig te zijn.65En sommigen begonnen Hem te bespuwen, en Zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot Hem te zeggen: Profeteer! En de dienaars gaven Hem kinnebakslagen.66En als Petrus beneden in de zaal was, kwam een van de dienstmaagden des hogepriesters;67En ziende Petrus zich warmende, zag zij hem aan, en zeide: Ook gij waart met Jezus den Nazarener.68Maar hij heeft het geloochend, zeggende: Ik ken Hem niet, en ik weet niet, wat gij zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide.69En de dienstmaagd, hem wederom ziende, begon te zeggen tot degenen, die daarbij stonden: Deze is een van die.70Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna, die daarbij stonden, zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk, gij zijt een van die; want gij zijt ook een Galileer, en uw spraak gelijkt.71En hij begon zichzelven te vervloeken en te zweren: Ik ken dezen Mens niet, Dien gij zegt.72En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, hetwelk Jezus tot hem gezegd had: Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij, zich van daar makende, weende.

Er is, midden in de nacht, grote opwinding en bedrijvigheid in het paleis van de hogepriester. De Heere Jezus staat daar voor Zijn aanklagers. Er zijn valse getuigen opgeroepen, maar hun uitspraken zijn tegenstrijdig. De Heere Jezus maakt hier echter geen gebruik van, om Zichzelf te verdedigen (vergelijk Deuteronomium 19 vers 16 - 21). Vervolgens wordt Hij veroordeeld; men slaat Hem in het gezicht en Hij wordt bespuwd. Onze Heere, Die alle aanbidding waard is, verdraagt al deze beledigingen, die al door de profeet aangekondigd waren (Jesaja 50 vers 6).

Helaas speelt zich op het plein bij het paleis van de hogepriester nog een andere gebeurtenis af. Petrus heeft zijn Meester niet geloofd en Hem ervan verzekerd:"... zo zal ik U geenszins verloochenen" (vers 31). In Gethsémané heeft hij ook niet geluisterd naar de vermaning om te waken en te bidden. Daar ligt de oorzaak van zijn nederlaag! Daarbij had de Heere Jezus de discipelen nog zo gewaarschuwd: "het vlees is zwak" (vers 38). Petrus was echter niet bereid om deze waarheid aan te nemen en daarom moest hij het nu, met alle bitterheid, zelf ondervinden.

Wat wij niet met de Heere willen leren, door in alle nederigheid Zijn Woord aan te nemen, moeten wij vaak op een pijnlijke wijze leren, doordat wij het dan met de vijand van onze zielen te doen krijgen.

Om nog eens nadrukkelijk aan te geven dat hij "deze Mens" niet kent, uit de arme Petrus allerlei verwensingen en vervloekingen. Laten we niet over hem oordelen, maar eraan denken dat ook wij de Heere op veel manieren kunnen verloochenen, wanneer wij niet waakzaam zijn. Dat kan gebeuren door onze daden, onze woorden, maar ook doordat wij blijven zwijgen (lees 1 Korinthe 10 vers 12).

Markus 15:1-21
1En terstond, des morgens vroeg, hielden de overpriesters te zamen raad, met de ouderlingen en Schriftgeleerden, en den gehelen raad, en Jezus gebonden hebbende, brachten zij Hem heen, en gaven Hem aan Pilatus over.2En Pilatus vraagde Hem: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordende, zeide tot hem: Gij zegt het.3En de overpriesters beschuldigden Hem van vele zaken; maar Hij antwoordde niets.4En Pilatus vraagde Hem wederom, zeggende: Antwoordt Gij niet? Zie, hoe vele zaken zij tegen U getuigen!5En Jezus heeft niet meer geantwoord, zodat Pilatus zich verwonderde.6En op het feest liet hij hun een gevangene los, wien zij ook begeerden.7En er was een, genaamd Bar-abbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had.8En de schare riep uit, en begon te begeren, dat hij deed, gelijk hij hun altijd gedaan had.9En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt gij, dat ik u den Koning der Joden loslate?10(Want hij wist, dat de overpriesters Hem door nijd overgeleverd hadden.)11Maar de overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Bar-abbas zou loslaten.12En Pilatus, antwoordende, zeide wederom tot hen: Wat wilt gij dan, dat ik met Hem doen zal, Dien gij een Koning der Joden noemt?13En zij riepen wederom: Kruis Hem.14Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft Hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis Hem!15Pilatus nu, willende der schare genoeg doen, heeft hun Bar-abbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij Hem gegeseld had, om gekruist te worden.16En de krijgsknechten leidden Hem binnen in de zaal, welke is het rechthuis, en riepen de ganse bende samen;17En deden Hem een purperen mantel aan, en een doornenkroon gevlochten hebbende, zetten Hem die op;18En begonnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden!19En sloegen Zijn hoofd met een rietstok, en bespogen Hem, en vallende op de knieen, aanbaden Hem.20En als zij Hem bespot hadden, deden zij Hem den purperen mantel af, en deden Hem Zijn eigen klederen aan, en leidden Hem uit, om Hem te kruisigen.21En zij dwongen een Simon van Cyrene, die daar voorbijging, komende van den akker, den vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg.

Ook het werk van de dood moet "terstond" in vervulling gaan (vers 1). Het pascha staat voor de deur en bovendien wil men graag zo gauw mogelijk van deze Gevangene af, omdat men in feite bang voor Hem is. Vandaar dat de leiders van het volk haast achter de zaak zetten en geen tijd verloren laten gaan. Ze brengen de Heere Jezus voor Pilatus, na eerst Zijn handen gebonden te hebben, deze handen die zoveel ellende hebben hersteld en die nooit iets anders dan goeds hebben gedaan!

Ook voor de Romeinse stadhouder blijft de Heere Jezus zwijgen. De diepe beweegredenen van Zijn hart worden ons in Psalm 38 vers 14 - 16, 39 vers 10 en Klaagliederen 3 vers 28 getoond. Zijn gebed van dit moment is: "Want op U, HEERE! hoop Ik; Gij zult verhoren" en: "Gij hebt het gedaan".

Onder druk van de hogepriester verlangt het hele volk, in blinde verdwazing en met groot geschreeuw, de vrijlating van de moordenaar Bar-Abbas en de kruisiging van hun Koning. Om de volksmenigte tevreden te stellen, stelt Pilatus vervolgens de misdadiger in vrijheid en veroordeelt hij Hem van Wiens onschuld hij overtuigd is. Zover kan het komen met iemand die probeert om mensen te behagen (Johannes 19 vers 12)!

De ruwe soldaten bespotten de Heere Jezus, door te doen alsof ze Hem — Die in hun macht is omdat Hij Zich vrijwillig aan hen heeft overgegeven — toegewijd zijn. En de mens kroont zijn Schepper met de doornen die de aarde, ten gevolge van de zonde, voortgebracht heeft (Genesis 3 vers 18).

Markus 15:22-41
22En zij brachten Hem tot de plaats Golgotha, hetwelk is, overgezet zijnde, Hoofdschedelplaats.23En zij gaven Hem gemirreden wijn te drinken; maar Hij nam dien niet.24En als zij Hem gekruisigd hadden, verdeelden zij Zijn klederen, werpende het lot over dezelve, wat een iegelijk wegnemen zou.25En het was de derde ure, en zij kruisigden Hem.26En het opschrift Zijner beschuldiging was boven Hem geschreven: De KONING DER JODEN.27En zij kruisigden met Hem twee moordenaars, een aan Zijn rechter zijde, en een aan Zijn linker zijde.28En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigers gerekend.29En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, en zeggende: Ha! Gij, die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt,30Behoud Uzelven, en kom af van het kruis.31En insgelijks ook de overpriesters, met de schriftgeleerden, zeiden tot elkander, al spottende: Hij heeft anderen verlost; Zichzelven kan Hij niet verlossen.32De Christus, de Koning Israels, kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en geloven mogen. Ook die met Hem gekruist waren, smaadden Hem.33En als de zesde ure gekomen was, werd er duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.34En ter negender ure, riep Jezus met een grote stem, zeggende: ELOI, ELOI, LAMMA SABACHTANI, hetwelk is, overgezet zijnde: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?35En sommigen van die daarbij stonden, dit horende, zeiden: Ziet, Hij roept Elias.36En er liep een, en vulde een spons met edik, en stak ze op een rietstok, en gaf Hem te drinken, zeggende: Houdt stil, laat ons zien, of Elias komt, om Hem af te nemen.37En Jezus, een grote stem van Zich gegeven hebbende, gaf den geest.38En het voorhangsel des tempels scheurde in tweeen, van boven tot beneden.39En de hoofdman over honderd, die daarbij tegenover Hem stond, ziende, dat Hij alzo roepende den geest gegeven had, zeide: Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon!40En er waren ook vrouwen, van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, den kleine, en van Joses, en Salome;41Welke ook, toen Hij in Galilea was, Hem waren gevolgd, en Hem gediend hadden; en vele andere vrouwen, die met Hem naar Jeruzalem opgekomen waren.

De mens volbrengt hier de grootste schanddaad aller tijden. Hij kruisigt de Zoon van God en daarbij wordt Hem geen enkel vorm van lijden en vernedering bespaard. De Heiland hangt aan de schandpaal, waar Hij uit liefde tot de Vader en de mensen wil blijven hangen. "Hij is met de misdadigers gerekend", zoals de Schriften voorzegd hebben (vers 28; Jesaja 53 vers 12). En bovendien moet Hij op het kruis nog allerlei beledigingen en uitdagingen aanhoren. De wereld verwerpt Hem en veroordeelt daarmee zichzelf; maar nu wordt ook de hemel toegesloten, hetgeen tot uitdrukking komt in Zijn onbeschrijfelijke noodkreet: "Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?" (vers 34; zie ook Amos 8 vers 9 en 10). De hemel was voor Hem gesloten, opdat zij voor ons open kon gaan. Om "vele kinderen tot de heerlijkheid" te kunnen leiden, moest de Oorsprong van onze redding door lijden geheiligd of volmaakt worden (Hebreeën 2 vers 10).

Deze bladzijde uit de Heilige Schrift, waarop ons geloof met aanbidding mag neerzien, is als de onaantastbare oorkonde, waardoor ons de toegang tot de heerlijkheid van de hemel verzekerd is. De gescheurde voorhang is hier een beeld van.

De luide uitroep van de stervende Verlosser is het bewijs dat Hij Zijn leven vrijwillig, in de volle kracht van Zijn leven, heeft afgelegd. Dat is de laatste daad van gehoorzaamheid van Hem Die op deze aarde is gekomen om te dienen, te lijden en te sterven, doordat Hij Zijn kostbaar leven heeft gegeven als een losprijs voor velen (hoofdstuk 10 vers 45).

Markus 15:42-47; Markus 16:1-8
42En als het nu avond was geworden, dewijl het de voorbereiding was, welke is de voorsabbat;43Kwam Jozef, die van Arimathea was, een eerlijk raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk Gods was verwachtende, en zich verstoutende, ging hij in tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.44En Pilatus verwonderde zich, dat Hij alrede gestorven was; en den hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem, of Hij lang gestorven was.45En als hij het van den hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam.46En hij kocht fijn lijnwaad, en Hem afgenomen hebbende, wond Hem in dat fijne lijnwaad, en legde Hem in een graf, hetwelk uit een steenrots gehouwen was; en hij wentelde een steen tegen de deur des grafs.47En Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Joses, aanschouwden, waar Hij gelegd werd.
1En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria, de moeder van Jakobus, en Salome specerijen gekocht, opdat zij kwamen en Hem zalfden.2En zeer vroeg op den eersten dag der week, kwamen zij tot het graf, als de zon opging;3En zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen?4(En opziende zagen zij, dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot.5En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij een jongeling, zittende ter rechter zijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd.6Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd; gij zoekt Jezus den Nazarener, Die gekruist was; Hij is opgestaan; Hij is hier niet; ziet de plaats, waar zij Hem gelegd hadden.7Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.8En zij, haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van het graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets; want zij waren bevreesd.

Nu de tijd waarin de door God verlaten Heiland aan het kruis hing, voorbij is, is het een welgevallen voor God om de ijver en genegenheid van een paar getrouwe mensen die Zijn Zoon geëerd hebben, onder de aandacht te brengen. In de eerste plaats betreft dat Jozef, "die van Arimathéa was", die Pilatus om het lichaam van de Heere Jezus vroeg en zich vervolgens met grote eerbied met Zijn begrafenis bezighoudt. Dan is er sprake van drie vrouwen die, als het licht begint te worden op die opstandingsdag, naar het graf gaan. Zij behoorden tot hen die Hem volgden en dienden, voordat zij met grote smart in hun hart bij Zijn kruisiging aanwezig waren (hoofdstuk 15 vers 40 en 41). Met het verlangen om hun Heere, Die, naar zij meenden, voorgoed van hen weggenomen was, nog een laatste dienst te bewijzen, nemen ze welriekende specerijen mee om Zijn lichaam te balsemen. Ze moeten echter de nutteloosheid van hun voorbereidingen ervaren, want een engel vertelt hun de glorierijke boodschap: De Heere is opgestaan!

Eén vrouw komen we daar bij het graf echter niet tegen. Dat is zij die, in hoofdstuk 14 vers 3, de Heere Jezus gezalfd heeft. Is er bij haar dan een gebrek aan toewijding? Nee, want ze heeft immers het tegendeel bewezen! Zij had toen het juiste moment weten te gebruiken om haar olie uit te gieten. Laten we er altijd aan denken dat een liefdevolle overgave des te kostbaarder voor het hart van de Heere is wanneer dat gepaard gaat met inzicht in Zijn gedachten en gehoorzaamheid ten opzichte van Zijn Woord.

Markus 16:9-20
9En als Jezus opgestaan was, des morgens vroeg, op den eersten dag der week, verscheen Hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke Hij zeven duivelen uitgeworpen had.10Deze, heengaande, boodschapte het dengenen, die met Hem geweest waren, welke treurden en weenden.11En als dezen hoorden, dat Hij leefde, en van haar gezien was, geloofden zij het niet.12En na dezen is Hij geopenbaard in een andere gedaante, aan twee van hen, daar zij wandelden, en in het veld gingen.13Dezen, ook heengaande, boodschapten het aan de anderen; maar zij geloofden ook die niet.14Daarna is Hij geopenbaard aan de elven, daar zij aanzaten, en verweet hun hun ongelovigheid en hardigheid des harten, omdat zij niet geloofd hadden degenen, die Hem gezien hadden, nadat Hij opgestaan was.15En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie aan alle kreaturen.16Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.17En degenen, die geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen volgen: in Mijn Naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken,18Slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iets dodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden.19De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de rechter hand Gods.20En zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de Heere wrocht mede, en bevestigde het Woord door tekenen, die daarop volgden. Amen.

De woorden van Petrus, aan het begin van het Boek Handelingen, geven een treffende samenvatting van het Markus-evangelie. Hij herinnert aan "al de tijd, waarin de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is" (twee dingen waardoor de dienst gekenmerkt wordt) "beginnende bij de doop van Johannes, tot de dag toe, waarop Hij van ons opgenomen is" (Handelingen 1 vers 21 en 22). Bij de eerste gebeurtenis in het evangelie, daar bij de Jordaan, gaat de hemel open boven de Heere Jezus; bij de laatste gebeurtenis gaat dezelfde hemel open om Hem op te nemen. Tussen deze beide gebeurtenissen ligt Zijn leven, een leven van dienen en volkomen overgave. Nadat Zijn werk voleindigd was en God dit door Zijn opneming bevestigd heeft, neemt Hij, vanaf dat moment, Zijn plaats in aan de rechterhand van de majesteit, de roemrijke plaats in de heerlijkheid, die Hem toekomt.

Nu is het de beurt aan de discipelen om hun werk te doen, overeenkomstig de aanwijzingen in de verzen 15 - 18 en met het grote Voorbeeld dat zij hebben gehad, in gedachten. Ze zijn daarbij echter niet op zichzelf aangewezen. Daarboven in de hemel is Hij, Die de arbeid van de Zijnen leidt en begeleidt. Het dienen is een eeuwig voorrecht dat aan Zijn liefde is voorbehouden. De Heere blijft Dienstknecht tot in eeuwigheid (Deuteronomium 15 vers 17; Lukas 12 vers 37).

En wij christenen, die geroepen zijn in Zijn voetstappen te treden en te getuigen van hetzelfde evangelie, mogen ook op Hem rekenen, wanneer het een verlangen van ons hart is Hem te dienen en Hem te verwachten.


This document may be found online at the following URL: http://www.stempublishing.com/authors/koechlin/dbd/nl/localStorageYear3.html.

You are welcome to freely access and use this material for personal study or sending to other Bible students, compiling extracts for notes etc, but please do not republish without permission.

With the prayerful desire that the Lord Jesus Christ will use this God-given ministry in this form for His glory and the blessing of many in these last days before His coming. © Les Hodgett contact at stempublishing dot com.