Tot nu toe had God Zijn knecht Job en alles wat hij bezat, met "een omtuining" omgeven (vers 10). Zo worden ook de gelovigen nu nog met een onzichtbare muur beschermd tegen de aanvallen van buiten, maar ook tegen de eigen neiging om de plaats van zegen te verlaten. Kinderen van christelijke ouders worden bijvoorbeeld door het waakzame gezag van hun ouders en ook door de lessen in de samenkomsten voor veel dingen bewaard. Laten ze deze muur toch niet opzettelijk kapot maken (Prediker 10 vers 8).
Satan heeft toestemming gekregen om te handelen (vergelijk Lukas 22 vers 31). Hij kiest een geschikte dag uit en slaat de ongelukkige Job met vier opeenvolgende slagen. De heftigheid waarmee dit gebeurt, getuigt van zijn grote haat. In één ogenblik, zonder ook maar gelegenheid te hebben om op adem te komen (hoofdstuk 9 vers 18), verliest deze patriarch zijn hele welstand en z'n tien kinderen. Te midden van deze ruïne blijft Job echter staande; door dit alles wankelt hij niet. Dat bewijst dat hij zijn vertrouwen niet op de ontvangen goederen maar op de Gever daarvan gesteld heeft. "Is het om niet, dat Job God vreest?", had de duivel gezegd (vers 9). Zijn tegenwerping was fout. Door genade is Job, zelfs toen hij niets meer bezat, nog steeds in staat God te vrezen. Satan had erop gerekend dat Job God de rug zou toekeren (vers 11). In plaats daarvan roept hij het echter uit: "De Naam des HEEREN zij geloofd!" (vers 21).
Met toestemming van God stormt satan opnieuw op Job los. Deze keer betreft het een aanval op hemzelf. Dat is te veel voor de vrouw van Job. "Zegen God (zeg God vaarwel) en sterf", roept zij uit. Dat is opnieuw een beproeving voor de patriarch! Zijn eigen vrouw wordt tot een werktuig van satan, om hem zover te krijgen dat hij openlijk afstand zal nemen van God (zoals satan verwacht had: hoofdstuk 1 vers 11 en 2 vers 5). Job blijft echter standvastig en neemt zowel het kwade als het goede uit Gods hand aan (vers 10; Klaagliederen 3 vers 38).
Laten wij, die vaak al door een kleinigheid geïrriteerd en van slag raken, toch een voorbeeld nemen aan deze Godsman en hem bewonderen en navolgen. Wij zijn altijd geneigd ons alleen bezig te houden met de zichtbare oorzaken van onze moeilijkheden. Maar Job stelt noch de Sabeeërs, noch de Chaldeeën, ja zelfs satan niet verantwoordelijk voor het ongeluk dat hem is overkomen. In dit alles ziet hij de hand van God (hij weet alleen nog niet dat het een hand van liefde is).
Wij hebben een onvergelijkbaar hoger Voorbeeld: Jezus Christus, Die alles uit de hand van Zijn Vader aannam, zelfs de drinkbeker gevuld met de toom van God over de zonde (Johannes 18 vers 11).
Het hoofdstuk eindigt met een indrukwekkende gebeurtenis: overmand door een smart die z'n weerga niet kent en erg onder de indruk van het grote geheim waar ze geen raad mee weten, zitten Job en zijn drie vrienden zeven dagen lang zwijgend bij elkaar.
Zoals de ene golf op de andere volgt, zo zijn er achtereenvolgens zeven beproevingen over Job heen gegaan. De vijand (wiens haat altijd geprikkeld wordt door de liefde die God de Zijnen bewijst) heeft de patriarch vijf keer geslagen: door het verlies van zijn bezittingen (drie keer), zijn kinderen en zijn gezondheid. De zesde, een heel arglistige, slag kwam via zijn eigen vrouw, maar de man van God bleef standvastig. Nu komt de laatste van de zeven "benauwdheden" (hoofdstuk 5 vers 19), van een onverwachte kant. Drie vrienden hebben met elkaar afgesproken om Job te bezoeken om hun medeleven te tonen. En wat de verwoestende aanvallen van satan niet voor elkaar konden krijgen, gebeurt nu door het gedrag van deze troosters. Laten we er in dit verband op letten hoe moeilijk het is om bij iemand die beproefd wordt, een nuttig bezoek te brengen, maar ook hoe belangrijk het is zo'n bezoek voor te bereiden met gebed.
Stilzwijgend kijken deze mannen naar Job in al z'n troosteloosheid, de man die ze in zijn welstand gekend en geëerd hebben. Bij al zijn ellende ook nog blootgesteld te worden aan hun oordeel en hun manier van medelijden tonen, is meer dan Job kan verdragen. De tot dusver uitgebleven verbittering komt nu ten slotte toch aan het daglicht. In hartverscheurende bewoordingen vervloekt Job de dag waarop hij geboren is; was hij maar nooit geboren. Hij wilde liever dood zijn.
In Zijn grote wijsheid en liefde had God satan echter geen toestemming gegeven hem het leven te benemen.
De vrienden van Job nemen ieder op hun beurt het woord. Welke troost zullen deze troosters hem brengen? Met welke wijsheid zullen deze wijze mannen hun ongelukkige vriend beleren en hem in z'n vertwijfeling proberen te kalmeren? Zullen zij, net als later de Goddelijke Leraar, "een tong der geleerden" hebben, waardoor "de moede een woord ter rechter tijd" gegeven wordt (Jesaja 50 vers 4)?
Het tegendeel blijkt waar te zijn. Door hun uitspraken verergert de situatie van de arme Job meer en meer! Niet dat hun argumenten fout waren! Ze bevatten grote waarheden, die deel uitmaken van het geïnspireerde Woord van God. Bepaalde verzen worden zelfs in het Nieuwe Testament aangehaald (zoals bijvoorbeeld het dertiende vers van hoofdstuk 5 in 1 Korinthe 3 vers 19), maar Elifaz, Bildad en Zofar passen deze waarheden in het geval van Job verkeerd toe.
Net als deze drie vrienden kennen wij misschien ook veel waarheden, maar ook wij kunnen die op het verkeerde moment toepassen! "Hoe goed is een woord op zijn tijd!" (Spreuken 15 vers 23).
In de verzen 3 en 4 geeft Elifaz een goed getuigenis van Job: voordat hij zelf onder tucht kwam te staan, had hij "de trage handen, en de slappe knieën" weer opgericht (Hebreeën 12 vers 12). En nu zegt z'n vriend op een brute toon als het ware dat het de beurt aan Job zelf is om door het ongeluk getroffen te worden. Breng nu maar in de praktijk wat je anderen geleerd hebt (zie Romeinen 2 vers 21)!
Het hoofdthema dat de drie vrienden in hun redevoering duidelijk naar voren laten komen, is: God is rechtvaardig. Hij zou Job niet zo streng geslagen hebben als deze het niet verdiend zou hebben. Al zijn beproevingen zijn een straf, een oordeel. Hij zou z'n zonden moeten belijden en dan zou alles weer hersteld worden!
Uit het begin van de geschiedenis weten wij echter dat Job zich niet schuldig gemaakt had aan een of andere fout. God zei Zelf tegen satan dat hij God "tegen hem opgehitst" heeft "om hem te verslinden zonder oorzaak" (hoofdstuk 2 vers 3). Daarom was het fout om de beproeving van Job als een tuchtiging, in de zin van straf, te zien. Met uitzondering van deze woorden zijn de verzen 17 en 18 echter een bewonderenswaardige samenvatting van zijn hele geschiedenis. Laten we deze verzen eens bezien in het licht van Spreuken 3 vers 11 en 12 en Hebreeën 12 vers 6: "Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding (in de zin van onderwijs); Want de HEERE kastijdt hem, die Hij liefheeft".
De Heere had bij Zijn dienstknecht inderdaad een reden gevonden om hem terecht te wijzen: een geest van eigengerechtigheid. God moest hem pijn doen, maar verbond en heelde de wonden die Hij geslagen had ook weer, tot vreugde van Job.
Wie de Heere liefheeft! Wat een wonderbare troost! De storm die satan ontketent, is voor de gelovige uiteindelijk een bewijs van Goddelijke liefde.
Op elke redevoering van zijn vrienden ziet Job zich genoodzaakt een antwoord te geven. Hij voelt goed aan dat het grote leed dat hij heeft ondervonden, hem ondoordachte woorden doet uitspreken (vers 3). Laten we ervoor oppassen dat ons geen verkeerde dingen uit de mond glippen als we opgewonden of toornig zijn (Spreuken 29 vers 20)!
"Welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?", vraagt Job in vers 11. "De verdraagzaamheid (volharding) van Job", waarvan Jakobus in zijn brief spreekt, heeft slechts stand gehouden tot aan de zesde beproeving. En voordat hij kon weten hoe zijn "einde", of beter gezegd het wonderbare einde dat de Heere met hem voorhad, zou zijn, was het juist nodig dat deze volharding in hem "een volmaakt werk" zou hebben. De beproeving van het geloof brengt dit voort (Jakobus 1 vers 3, 4 en 5 vers 11).
Wij willen, net als Job, ook altijd graag gauw weten hoe iets zal aflopen. God laat ons dit in Zijn wijsheid meestal niet vooruit weten. Hij wil ons geduld, echt geduld leren, zodat we het niet meer nodig vinden alles te weten alvorens we ons aan Hem onderwerpen en op Hem rekenen.
Job heeft een eerste les geleerd: dat hij zichzelf niet kan helpen en alle kracht uit hem verdreven is (vers 13).
Het slot van de rede van Job is niet meer aan Elifaz, maar aan God gericht. Het geeft een korte beschrijving van de erbarmelijke omstandigheden van de mens hier op aarde. Strijd, verlangen, ijdelheid, moeite, vergankelijkheid, het leven als een ademtocht, benauwdheid, bitterheid, angst, moedeloosheid; allemaal uitdrukkingen die hij gebruikt en die maar al te duidelijk weergeven hoe de mens zich voelt en wat hij ervaart in dit leven. Het sleutelwoord is echter nog niet gevallen. En dat is â of je het nu wilt toegeven of niet â toch oorzaak nummer één van al het ongeluk van de mens. Uiteindelijk roept Job het uit: "Heb ik gezondigd?" (vers 20).
Inderdaad, het is de zonde â niet alleen de zonde van Adam of iemand anders, maar ook die van mij â die voor alle ellende van de mensheid verantwoordelijk is. Job voegt er echter aan toe: "Wat zal ik U doen?" (of: "wat doe ik U daarmee aan?"), alsof de zonde alleen een bron van ellende voor de mens zou zijn. In eerste instantie is het immers bovenal een belediging van God!
Als God iemand beproeft, dan wil Hij daardoor over het algemeen het volgende in iemand bewerken: het constateren van de eigen ongelukkige toestand, het overtuigd raken van zonde in eigen leven en dat belijden voor God.
Op de vertwijfelde uitroep in vers 17 en 18 geeft Psalm 8 een prachtig antwoord, door ons Christus, de Zoon des mensen, de laatste Adam, voor te stellen (1 Korinthe 15 vers 22 en 45).
Laten we nu eens luisteren naar wat Bildad te zeggen heeft. Hij waagt het nog niet om te zeggen dat alles wat Job is overkomen, een gevolg van zijn eigen zonden is; hij begint juist te spreken over zijn zonen. Voor hem is de zaak duidelijk: de dood van Jobs kinderen is te wijten aan hun eigen overtredingen (vers 4). Zij hebben gezondigd en God heeft hen daarom geslagen. Wat een vreselijke woorden tegen een vrome man als Job, van wie we weten dat hij de gewoonte had om 's morgens vroeg op te staan om brandoffers voor zijn kinderen te brengen (hoofdstuk 1 vers 5). Het is net alsof zijn vriend tegen hem zegt: jouw gebeden hebben niets geholpen; God heeft niet naar jou geluisterd en wilde jouw kinderen niet redden.
De drie vrienden kennen God slechts als een rechtvaardige Rechter. De gerechtigheid van de Almachtige is zeer zeker één kant van de waarheid. Die is zelfs zo volmaakt dat God, toen Zijn eigen Zoon onze zonden op Zich nam, Hem in Zijn toorn niet kon ontzien en Hem moest slaan. Maar het kruis, waar het grootste bewijs van Gods gerechtigheid gegeven werd, is tegelijkertijd het wonderbaarste bewijs van Zijn liefde. Als men tegen de mensen alleen maar zou spreken over gerechtigheid en niet ook over liefde, dan maakt men hen moedeloos. Dan brengt men hen er zelfs toe zichzelf te rechtvaardigen. Deze twee uitwerkingen zien we ook heel duidelijk bij Job, naar aanleiding van de conclusies die deze drie vrienden trekken.
Bildad heeft de nadruk gelegd op de onbuigzame gerechtigheid van God. Job kan niet anders dan hem gelijk geven. Maar dan spreekt hij die grote vraag uit: "Hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?" (vers 2).
Wat is deze vraag vanaf het ontstaan van de aarde al vaak door wijze mensen gesteld en wat hebben ze zichzelf daarmee gekweld! Het antwoord is echter niet te vinden in conclusies die de filosofie, of welke andere wetenschap dan ook, trekt. Het is zelfs niet te ontdekken in alle geweldige werken van de Schepper, waarvan Job ons hier een paar voorbeelden noemt. Nee, het antwoord is alleen te vinden in het Woord van God! Na de conclusie, "Er is niemand rechtvaardig, ook niet één", horen we de blijde boodschap dat we "om niet gerechtvaardigd" kunnen worden "uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is". En ook, "dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt" (Romeinen 3 vers 10, 24, 28 - zie ook 1 Korinthe 6 vers 11; Galaten 3 vers 24; Titus 3 vers 7).
Vanaf vers 15 brengt Job zijn totale onmacht tot uitdrukking. Het is een ongelijke strijd tussen God en hem. Hij meent dat hij door een onverbiddelijke Rechter, Die hem zonder reden steeds meer wonden toebrengt, vermorzeld wordt (vers 15 en 17). Een verdrietige gedachte voor een gelovige!
Door de Heere Jezus bezitten wij een liefdevolle Vader. Laten we dat, hoe moeilijk de omstandigheden ook mogen zijn, nooit vergeten!
In hoofdstuk 7 vers 6 had Job het voorbijgaan van zijn dagen vergeleken met een weversspoel. Hier haalt hij eerst het beeld aan van een loper (ijlbode), daarna dat van jachtschepen die op een rivier voorbijdrijven en ten slotte dat van een arend die zich op z'n buit stort (vergelijk dit met Jakobus 4 vers 14 en Psalm 39 vers 6). Als je jong bent, dan realiseer je je het nog niet zo, maar ouderen zijn het er vaak over eens, dat het leven razendsnel voorbijgaat.
Nee, de tijd die voorbijgegaan is, kun je niet laten terugkeren. We kunnen onze dagen daarentegen wel waarde geven voor de eeuwigheid, door de manier waarop wij onze tijd besteden. Als we onze tijd voor de wereld gebruiken, dan is ze voor bedrieglijke, ijdele dingen gebruikt, en dus verbruikt. Gebruiken we onze dagen echter voor de Heere, dan kan die korte tijd dat we hier op aarde zijn, blijvende vrucht brengen (Johannes 15 vers 16).
We willen, nu we het over tijd hebben, hier aan alle lezers die de Heere nog niet toebehoren, een oproep doen. Doordat de tijd zo vlug voorbijgaat, willen veel mensen zoveel mogelijk van het leven genieten. Je hoort vaak zeggen: 'Pluk de dag! Je bent maar één keer jong. Grijp wat je te pakken kunt krijgen'. En iemand heeft eens gezegd dat er voor de mens geen haven is en dat de tijd geen oever kent. Dat is pure leugen! Zeer zeker is er een oever (Markus 4 vers 35) en ook een haven (Psalm 107 vers 30). Je moet echter niet aarzelen om daar naar toe te vluchten! Doe het nu direct! Vlucht naar Jezus Christus voordat je je tijd voorbij hebt laten gaan!
"Is het U goed, dat Gij verdrukt?", zou Job in al zijn verbittering aan God willen vragen (vers 3). De Schrift antwoordt hem met een tekst die ook wij in een tijd van beproevingen nooit mogen vergeten: "Want Hij plaagt of bedroeft de mensenkinderen niet van harte" (Klaagliederen 3 vers 33). Dat geldt juist als het om Zijn kinderen gaat!
Net als David in Psalm 139 vers 14 -16, zo verbaast ook Job zich over de wonderbare wijze waarop hij geschapen is (vers 8 - 12). En Job komt tot dezelfde conclusie: Hij Die mij zo "gemaakt" heeft, Die mij "met beenderen en zenuwen" heeft "samengevlochten", kent mij tot in het diepst van mijn ziel. Het is onmogelijk om iets voor Hem te verbergen! Nu Gods oog, dat naar zonde zoekt, zo op Job gericht is, voelt hij zich onbehaaglijk (vers 6; hoofdstuk 13 vers 9). Voor God voelt hij zich als een stuk wild dat door een leeuw wordt opgejaagd (vers 16). Op dezelfde manier probeert de schrijver van Psalm 139 zich in eerste instantie ook voor de blikken van God te beschermen. Maar aan het slot van die Psalm verlangt hij ernaar om door Hem doorgrond en gekend te worden. Wat een vooruitgang!
Nu neemt Zofar het woord. Hij heeft wel een heel aparte manier van 'troosten'! Hij begint er nota bene, nog strenger dan die andere twee, direct mee Job een "klapachtig man" (of: woordenkramer; vers 2), leugenaar en spotter (vers 3) te noemen. Daarna praat hij over zijn "ongerechtigheid" (vers 6). En vanaf vers 13 noemt hij een aantal dingen op die volgens hem gedaan moeten worden, opdat God je kan zegenen: als je zus en zo doet...! Zo'n instelling noemt men wetticisme.
Elifaz had Job al eerder zover willen brengen dat hij z'n vertrouwen alleen zou stellen op z'n eigen Godvrezendheid en de volmaaktheid van z'n eigen wegen, maar hij zei niet dat Job op God moest vertrouwen (hoofdstuk 4 vers 6)! Sowieso was Job ertoe geneigd om meer op zichzelf dan op de Heere te vertrouwen.
Daaruit blijkt hoe diep het hart van de mens doordrongen is van eigen gerechtigheid. Zelfs een gelovige ontkomt vaak niet aan deze wettische geest. Dat leidt er echter alleen maar toe dat je goed van jezelf gaat denken, met als gevolg dat de oneindige genade van God onderschat wordt.
De verzen 7 - 9 stellen juist vragen die betrekking hebben op de oneindigheid van God in al haar dimensies: hoogte, diepte, lengte en breedte. Welk sterfelijk mens zou dat kunnen bevatten? Het antwoord vinden we in Efeze 3 vers 18 en 19: door de Heilige Geest zijn alle heiligen in staat "ten volle" te begrijpen "welke de breedte en lengte, en diepte, en hoogte is" en te "kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat".
De grove uitspraken die Zofar zojuist gebruikte â alsof hij meer kennis zou hebben dan Job â hebben ertoe geleid dat Job zich vernederd voelt en zich kwaad maakt. Zijn vrienden hebben hem geen weldadigheid (medelijden) gebracht, wat hij toch eigenlijk wel van hen mocht verwachten (hoofdstuk 6 vers 14). Nee, Job moet zelfs constateren dat hij voor hen tot een onderwerp van bespotting is geworden (vers 4; zie ook hoofdstuk 17 vers 2; 21 vers 3; 30 vers 1; Psalm 35 vers 15)!
Onwillekeurig gaan onze gedachten dan uit naar hen die hoofdschuddend aan de Gekruisigde, de volmaakt Rechtvaardige, voorbijgingen en spotten: "Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil" (Mattheüs 27 vers 43). Met andere woorden: als God Hem niet bevrijdt, dan is dat toch zeker het duidelijke bewijs dat Hij Zijn toorn verdiend heeft. (In feite denken de drie vrienden ook zo over Job.) "Wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, door God geslagen en verdrukt was" â zal het joodse volk zeggen, wanneer het berouw heeft en tot de Heere Jezus, hun Redder, zal terugkeren (Jesaja 53 vers 4). Ja, Christus heeft, juist omdat Hij volkomen rechtvaardig was, de bitterheid van de onterechte aanklachten meer dan iemand anders gekend en ervaren. Zijn vertrouwen op Zijn God en Zijn volledige onderwerping bleven echter onwankelbaar (Psalm 56 vers 6,7 en 12).
Wat een tegenstelling met Job, die de spot en valse aanklachten niet kon verdragen en zijn "recht" (hoofdstuk 13 vers 18) in drie hoofdstukken (12 tot en met 14) verdedigt.
Er zijn veel mensen die zich eenzelfde beeld over God vormen als Job: een almachtig Wezen, Die volgens willekeur handelt, zonder daarover rekenschap aan iemand af te leggen en Wiens wegen onbegrijpelijk zijn. De mens is totaal aan Hem overgeleverd, zoals een blad dat door de wind wordt voortgedreven (hoofdstuk 13 vers 25). Het enige wat de mens kan doen, is proberen zich zo goed mogelijk tegen Zijn slagen te beschermen. Dit fatalistische denken vinden we ook terug in veel oosterse religies.
Het is zeker waar dat God almachtig is en Hem geen grenzen gesteld zijn aan Zijn manier van handelen. Ook is het waar, dat de mens zwak en afhankelijk is, dat hij "als een bloem wordt afgesneden" (vers 2; 1 Petrus 1 vers 24). Maar het is niet waar dat God een spelletje speelt met de mens en naar Zijn believen over hem heerst (vers 20). Integendeel, Hij zorgt voor Zijn schepsel en "het gekrookte riet zal Hij niet verbreken" (Jesaja 42 vers 3; Mattheüs 12 vers 20).
"Wie zal een reine geven uit de onreine?", vraagt Job (vers 4). En in vers 17 roept hij het uit: "Mijn overtreding is in een bundeltje verzegeld". Hij is zich de volheid van genade niet bewust. Dat is altijd het geval als men zich slechts bezighoudt met eigen gerechtigheid.
Kent ieder van ons Hem, Die de bevlekte zondaar volkomen rein kan maken en Die dat zware "bundeltje" met al onze zonden "in de diepten der zee" geworpen heeft (Micha 7 vers 19)?
Er vindt opnieuw een twistgesprek plaats. Elke deelnemer neemt weer het woord en dat gebeurt in dezelfde volgorde als de eerste keer. Slag op slag, zoals een spijker in het hout geslagen wordt, zo hameren de drie vrienden hun aanklacht in het geweten van Job: jij bent een huichelaar, een arglistig man. Als je niet schuldig zou zijn, dan zou je je niet met zoveel woorden verdedigen (vers 5 en 6).
De drie vrienden van Job zijn moralisten, met ieder voor zich een eigen theorie of methode. Elifaz steunt op de menselijke ervaring: wat hij weet (vers 9) en gezien heeft (vers 17). Bildad daarentegen houdt het meer op hetgeen vroeger al zo was (lees bijvoorbeeld maar eens vers 8 van hoofdstuk 8). Bij Zofar hebben we gezien dat zijn bewijsvoering meer opgebouwd wordt uit wettische dingen. Geen van deze drie mannen staven hun uitspraken echter aan hetgeen God gezegd heeft!
Bij zulke onzekere fundamenten hoeft het ons niet te verbazen dat ze dwalen, "niet wetende de Schriften" (Mattheüs 22 vers 29). Het Woord van God is de enige Bron die wij kunnen vertrouwen. Dat geldt voor onszelf, maar ook voor anderen die wij ontmoeten en proberen te helpen. Een jong iemand â ja zelfs een kind â die Gods Woord kent, is verstandiger dan een oudere met grijze haren (vers 10) die zijn wijsheid slechts baseert op eigen ervaringen (Psalm 119 vers 99 en 100).
"Gij allen zijt moeilijke vertroosters!", antwoordt Job zijn bezoekers (vers 2). Als de rollen omgekeerd en ik in jullie en jullie in mijn plaats zouden staan, dan zou ik anders handelen (vers 4 en 5). Om werkelijk mee te kunnen voelen met iemand die beproefd wordt, moet je je zo in diens omstandigheden inleven, alsof je het zelf moet ondergaan (Hebreeën 13 vers 3). De Heere Jezus genas geen enkele zieke zonder eerst Zelf het volle gewicht van zijn lijden gevoeld te hebben. "Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen" (Mattheüs 8 vers 17). Daarom verdient Hij terecht de naam 'Vriend' (Mattheüs 11 vers 19), een naam die eigenlijk niet van toepassing is op de drie bezoekers van Job.
In vers 9 lezen we dat Job zich geslagen voelt door de toorn van God. In vers 10 geeft hij uitdrukking aan hetgeen hij van de kant van de mensen te verdragen heeft. De beproeving van Job is veelvoudig. Maar wat is zijn lijden vergeleken bij het lijden dat Christus heeft ondergaan, Hij Die "geen onrecht gedaan heeft" (Jesaja 53 vers 9; vergelijk dit met vers 17)? Hij heeft ontzettend veel lijden moeten verdragen, zowel van de kant van de mensen, die opgehitst werden door satan, alsook van de kant van God in de drie uren van duisternis op het kruis. Zijn vergoten bloed redt nu de gelovigen en klaagt tevens de wereld aan. Hij is nu Zelf als Getuige voor onze rechtvaardiging voor ons in de hemel (vers 19). Daar, bij God, is Hij onze Scheidsman (Scheidsrechter) of Middelaar (hoofdstuk 9 vers 33). Ook Job voelde heel duidelijk aan dat hij dit nodig had (vers 21).
In zijn grote smart ziet Job geen andere uitweg meer dan de dood. Uit zijn woorden spreekt het verlangen naar de dood. Dat zou zijn vrienden er toch van hebben moeten overtuigen dat Job geen slecht geweten had! Als hun aanklacht juist geweest zou zijn en Job inderdaad schuldig geweest was, zou hij dan nu niet bang moeten zijn om voor God te verschijnen?
Zijn woorden worden steeds hartverscheurender: "... zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht", of zoals een andere vertaling het zegt: "Ik ben iemand, die men in het aangezicht spuwt" (vers 6). Deze afschuwelijke en onterende belediging heeft onze Heiland wel ondervonden en over Zich heen laten gaan (Jesaja 50 vers 6; Markus 14 vers 65 en 15 vers 19). De mens heeft getoond tot welke valsheid hij in staat is, door Hem Die weerloos was en Zich al vrijwillig in de diepste vernedering bevond, zo gemeen te beledigen.
"De oprechten zullen hierover verbaasd zijn", zegt Job vervolgens in vers 8. Het was inderdaad onbegrijpelijk, de Rechtvaardige verlaten te zien! (Psalm 37 vers 25). Zo'n aanblik vormde een gevaar voor sommigen om hun geloof in de gerechtigheid van God te doen wankelen (Psalm 69 vers 7).
Job roept uit: "Uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten" (vers 11). Het gebeurt inderdaad wel eens dat God ons de weg verspert, opdat wij onze harten onderzoeken en daar plannen ontdekken die wij liefdevol koesteren, maar die Zijn toestemming niet hebben (Spreuken 16 vers 9; 19 vers 21).
Met hun uitspraken belasten Elifaz, Bildad en Zofar hun vriend en brengen daardoor onbewust zijn geloof aan het wankelen.
Iemand aanklagen betekent in feite niets anders dan het gebruikelijke werk van satan doen. Hij klaagt de gelovigen niet alleen voor God aan, zoals we in hoofdstuk 1 en 2 gezien hebben, maar hij klaagt iemand ook in z'n eigen binnenste aan door hem twijfel in te fluisteren: "Je hebt niet het juiste geloof! Je bent niet gered! Als je een kind van God zou zijn, dan zou je je anders gedragen!"
Als de eerste twijfels gezaaid zijn, dan komen de volgende op. De vijand gaat dan steeds meer influisteren: "Je twijfels zijn het bewijs dat je geen geloof hebt; een gelovige kan niet twijfelen."
Laten we deze 'vurige pijlen van de boze' met kracht afweren! Hoe dat mogelijk is? Met 'het schild des geloofs', dat betekent dat we eenvoudig moeten vertrouwen op God en de beloften die Hij ons in Zijn Woord gegeven heeft (Efeze 6 vers 16).
Bildad haalt "de koning der verschrikkingen" aan (vers 14). Dat is de dood, die een voortdurende bedreiging vormt. Ieder mens gaat hem onherroepelijk tegemoet, zonder te weten wanneer hij hem zal ontmoeten. Voor de gelovige is hij echter geen onderwerp van verschrikking meer! De Heere Jezus is de dood vrijwillig tegemoet getreden en heeft daardoor satan, die de dood beheerste, deze macht ontnomen (Hebreeën 2 vers 14).
"Hoe lang?", vroeg Bildad in hoofdstuk 18 vers 2. "Hoe lang?", antwoordt Job geprikkeld. Het lijkt inderdaad zinloos de dialoog nog voort te zetten, omdat ieder voor zich aan z'n eigen ideeën vasthoudt. Job denkt dat God Zich zonder oorzaak tegen hem gekeerd heeft. Z'n vrienden denken dat God juist wel een reden had om zo tegen Job te zijn. In werkelijkheid vergissen ze zich allemaal, want God is voor Job.
De meesten onder ons worden omringd door de liefde en het begrip van anderen. En wat te denken van het meeleven van onze hemelse Vriend! Daarom kunnen we ons goed indenken hoe eenzaam Job zich in dit grote verdriet, in deze grote smart moet voelen. Voor hem is er niemand bij wie hij zijn hart eens kan uitstorten!
De verzen 13 - 19 vormen als het ware een hartverscheurende echo van dat gevoel van verlatenheid. Dit gevoel is des te erger omdat Job ook nog meent dat God tegen hem is. In vers 11 roept hij het dan ook uit: "Daartoe heeft Hij Zijn toorn tegen mij ontstoken".
Nee Job! De Goddelijke toom die wij â jij en ik â verdiend hadden, trof een Ander in onze plaats. Zij die de Heere Jezus toebehoren, zullen deze toorn nooit en te nimmer meer ervaren (1 Thessalonicenzen 5 vers 9)!
Christus is op het kruis door God verlaten geweest en kon Zijn smart met niemand delen. Hij werd door de mensen niet begrepen en door de Zijnen verlaten (Markus 14 vers 37 en 50). In dat grote lijden, dat door geen ander overtroffen zal worden, was niemand zo alleen als Hij.
De hevigheid die uit Jobs woorden naar voren komt, staat in schril contrast met de koude uitspraken van z'n drie metgezellen. Zij konden hem in zijn grote smart geen enkele hulp bieden. We ontdekken nu echter dat Job toch een onwankelbaar houvast bezit: zijn geloof in een levende Verlosser. De verzen 25 - 27 van hoofdstuk 19 laten ons zien dat Job, net als de andere patriarchen, een Goddelijke openbaring over de opstanding ontvangen heeft. "Ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen" (Psalm 17 vers 15).
Hoe veel meer dan zij toen wisten, mogen wij nu weten, omdat wij de hele toekomst in het volle licht van het Nieuwe Testament zien. En toch gaan veel kinderen van God niet verder dan het kruis, waar ze zien op de Redder Die voor hun zonden gestorven is. Natuurlijk is dat een kostbare waarheid! Maar zijn we ons ook allemaal bewust dat onze Verlosser leeft (Openbaring 1 vers 18)? "Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt" (Romeinen 8 vers 34).
Op de opmerkelijke woorden van geloof, die de Geest van God in Job gewerkt heeft, antwoordt Zofar echter met z'n eigen gedachten (hoofdstuk 20 vers 2). Door hetzelfde aan te halen als Elifaz en Bildad (hoofdstuk 15 vers 20 - 35; 18 vers 5 - 21), praat hij uitvoerig over het lot dat een goddeloze te wachten staat. Indirect en zonder enig erbarmen doet hij hiermee een aanval op zijn arme vriend (Spreuken 12 vers 18).
Job staat voor een ondoorgrondelijk geheim: waarom slaat God, Die rechtvaardig is, juist hem die probeert Hem welgevallig te zijn? (Komt dat niet overeen met de grootste vraag aller tijden, die de Heere Jezus aan het kruis stelde: Psalm 22 vers 2?) Waarom hebben daarentegen â in tegenstelling tot wat Elifaz, Bildad en Zofar beweerden (!) â de goddelozen juist wel succes op deze aarde? Ze beledigen God door te zeggen: "Wijk van ons, want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust" (vers 14) en tóch blijven ze ongestraft (vers 7 - 15; Maleachi 3 vers 18)!
Het zwijgen van God â het lijkt alsof Hij onverschillig blijft tegenover de uitdagingen van de mens â is voor veel gelovigen een raadsel (Psalm 50 vers 21). Met dit moeilijke probleem heeft bijvoorbeeld ook een Asaf zich afgetobd in Psalm 73. Met bitterheid in z'n hart vraagt hij zich af: wat heeft het voor zin dat ik mijn hart reinig als ik toch elke morgen opnieuw getuchtigd word? De ongelovigen hebben het veel beter en gemakkelijker dan ik. In vers 17 van deze Psalm lezen we echter: "Totdat ik... op hun einde merkte"!
Laten we absoluut niet jaloers zijn op de mensen van deze wereld! God spreekt Zijn laatste woord niet aan deze kant van het graf.
De tegenstelling tussen het vreselijke einde dat de onbekeerden te wachten staat en de heerlijke toekomst die de Heere voor Zijn geliefde verlosten heeft bewaard, kan niet groter zijn (Johannes 14 vers 3; 17 vers 24; Romeinen 8 vers 17 en 18).
De derde gespreksronde begint. Tot nu toe hebben de drie vrienden in het algemeen gesproken over de wettelozen: hij doet dit, hij verdient dat (hoofdstuk 15 vers 20 en verder). Nu legt Elifaz echter de achtergrond van zijn gedachten door directe beschuldigingen bloot: uw boosheid, uw ongerechtigheden (vers 5). Deze man, maar ook z'n beide kameraden, zijn ver verwijderd van de leringen van de Heere, Die ons zegt dat we eerst onszelf moeten (be)oordelen voordat we de splinter uit het oog van een broeder trekken (Mattheüs 7 vers 1 - 5). En ook Zijn voorbeeld volgen ze bij lange na nog niet na: Hij heeft Zich vernederd om Zijn discipelen de voeten te wassen (Johannes 13 vers 14 en 15).
Als we vers 3 vergelijken met hetgeen God tegen satan gezegd heeft (hoofdstuk 1 vers 8; 2 vers 3), dan zien we hoe slecht Elifaz God kende. Niets is Hem immers meer welgevallig dan dat een mens gerechtigheid doet (Handelingen 10 vers 35)!
Laten we bij het lezen van deze verzen echter ook luisteren naar hetgeen de Geest van God óns door deze woorden wil zeggen. Als bijvoorbeeld één van onze lezers nog geen vrede met God heeft, laat hij of zij dan de opdracht uit vers 21 ter harte nemen: "Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen". Voor het woordje "gewen" zouden we ook "verzoen" kunnen invullen (zie 2 Korinthe 5 vers 20).
En geldt het volgende vers niet voor ons allemaal? "Ontvang toch de wet (het Woord) uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart"!
Job is al bij zijn achtste toespraak aangekomen en de kloof tussen hem en zijn vrienden wordt steeds groter. Laatstgenoemden vergaat het als zoveel mensen vandaag de dag: ze zien God als een verheven Schepper, te hoog om Zich neer te buigen en Zich met de details van hun omstandigheden bezig te houden en rekening te houden met hun gevoelens (zie hoofdstuk 22 vers 2, 3 en 12).
Job daarentegen beschikt over meer kennis. Hij weet dat God Zich voor hem interesseert â meer zelfs dan hemzelf lief is (hoofdstuk 7 vers 19) â maar hij denkt dat God onbereikbaar is. "Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou", roept hij het uit in vers 3.
Weet ieder van ons waar God te vinden is? Hij is in de Persoon van de Heere Jezus naar ons toegekomen, opdat wij van onze kant vrijmoedig in het gebed tot Hem mogen naderen en toegang hebben tot de plaats waar Christus nu aan de rechterhand van God zit (vers 3; Hebreeën 4 vers 16).
Vers 10 herinnert ons aan het doel van de beproeving: "Als goud zal ik uitkomen", bevestigt Job. Hoewel het bewustzijn van de genade, die ten gunste van hem werkzaam is, hem nog ontbreekt, stemt onze patriarch toch in met de woorden van de apostel Petrus. Deze schrijft: "Nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; Opdat de beproeving van uw geloof, die veel kostbaarder is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus" (1 Petrus 1 vers 6 en 7).
(Hoofdstuk 24 is een deel van de achtste toespraak van Job, waarover we gisteren al iets gelezen hebben.)
Bildad betekent 'zoon van de strijd'. Inderdaad, deze man doet z'n naam eer aan! Maar wat gebiedt het Woord? "Een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leren, ... Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan ..." (2 Timotheüs 2 vers 24 en 25). Deze karaktertrekken zijn bij geen van de drie vrienden naar voren gekomen. Ze konden goed bepaalde vragen stellen, maar waren niet in staat antwoorden te geven. Ze konden verwonden, maar niet herstellen; afbreken, maar niet opbouwen.
Na een korte toespraak zwijgt Bildad definitief. Al waren de woorden nog zo hard, ze bewerkten bij Job geen overtuiging van zonde. Hoe meer hij aangeklaagd werd, hoe meer hij zich genoodzaakt zag zichzelf te rechtvaardigen. Alleen de Geest van God kan het bewustzijn van zonde in het geweten bewerken. Heeft Hij dat bij u, bij jou gedaan?
Bovendien heeft het hart van Job geen enkel troostrijk woord ontvangen. Daarbij moeten we denken aan Hem, Die zo ontzettend veel heeft moeten verdragen en het uitriep: "Ik heb gewacht naar medelijden, maar er is er geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden" (Psalm 69 vers 21).
De arme Job werd niet geholpen door een wijze raad (hoofdstuk 26 vers 2 en 3), maar juist het tegenovergestelde werd bereikt: de drie vrienden hebben hem met hun uitspraken tot het uiterste geprikkeld. Daarom lucht Job nu zijn hart in een lange en vertwijfelde alleenspraak.
Job heeft niet minder dan zes hoofdstukken nodig om zijn eigen gerechtigheid te beklemtonen. Dat is te veel â en toch niet genoeg! Dat zou zelfs in honderd hoofdstukken niet lukken, want niets wat van de mens komt, stemt volledig overeen met de Goddelijke gerechtigheid. Gods rechtvaardiging is daarentegen een voldongen feit en geheel, buiten elke inspanning van de kant van de mens zelf, volbracht.
Laten we erop letten dat de zelfrechtvaardiging van Job slechts tot gevolg heeft dat hij deze God â van Wie Job denkt dat Hij hem onterecht geslagen heeft â van ongerechtigheid beschuldigt (vergelijk hoofdstuk 40 vers 3). Bovendien neemt hij de vrijheid om de Almachtige openlijk terecht te wijzen, omdat Hij hem het recht weggenomen heeft en hem zo onnodig plaagt (vers 2).
Deze houding getuigt van hoogmoed. "Aan mijn gerechtigheid zal ik vasthouden", zegt Job, "mijn hart zal die niet versmaden mijn leven lang" (vers 6).
Maar wat is het antwoord van God? "Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij onszelf, en de waarheid is in ons niet" (1 Johannes 1 vers 8).
Als ons eigen hart ons niet veroordeelt, wil dat echter nog niet zeggen dat wij zonder zonde zijn. God is veel fijngevoeliger voor het kwaad dan ons geweten (1 Korinthe 4 vers 4). In het schemerdonker menen wij misschien dat onze kleren schoon zijn, terwijl in de felle zon (het licht van God) zelfs de kleinste vlek zichtbaar wordt (Spreuken 4 vers 18).
Job heeft één belangrijk ding al goed begrepen: uit deze beproeving, waar God hem doorheen laat gaan, zal zijn geloof als glanzend goud uit de smeltkroes van de goudsmid tevoorschijn komen (hoofdstuk 23 vers 10).
Hij weet echter nog niet hoeveel slakken daarvoor eerst nog bij hem verwijderd moeten worden: "er is ... een plaats voor het goud, dat zij smelten" (vers 1; zie ook Zacharia 13 vers 9 en Maleachi 3 vers 3). En deze plaats is de smeltkroes van beproeving!
Net als een goed goudsmid kent ook de Heere de hitte en de duur van het vuur dat nodig is om zilver en goud â dat wil zeggen: Zijn kostbare verlosten â te reinigen. De volmaakte 'Diamantslijper' weet hoeveel pijnlijke slagen er nodig zijn om Zijn onyx, saffier, robijn en topaas in de mooiste kleuren te laten schitteren.
Op het gebied van de weg- en waterbouwkunde brengt de mens veel tot stand. Denk maar aan de bouw van dammen, tunnels, autosnelwegen enz. De mens is zelfs in staat waardevolle dingen aan de aardbodem te onttrekken (vers 9 -11). Toch is er één ding waar de mens nauwelijks moeite voor doet om die te doorgronden: dat is de wijsheid van God. Toch is zij meer waard dan alle robijnen (vers 18) of koralen. Ook in Spreuken, waar zo veel over de Goddelijke wijsheid gesproken wordt, wordt dit vaak benadrukt (lees maar eens hoofdstuk 3 vers 15; 8 vers 11). En vergelijk ook het belangrijke feit van vers 28 met de woorden van Spreuken 9 vers 10 en Psalm 111 vers 10.
Aan het begin van het Boek Job geeft God ons een korte beschrijving van de levenswijze van Job. De verzen die we nu gelezen hebben, maken dit beeld compleet. Maar nu is het Job zelf die een beschrijving daarvan geeft. Alles wat hij van zijn werken vertelt, klopt precies. En daarmee waren de beschuldigingen van Zofar (hoofdstuk 20 vers 19) en Elifaz (hoofdstuk 22 vers 6, 7 en 9) in feite pure laster (vergelijk vers 12 en 13).
Wie zou vandaag zoveel kunnen opnoemen wat door God gewaardeerd en waar ook door de mensen tegenop gekeken wordt? De zelfingenomenheid waarmee Job z'n vroegere leven beschrijft, laat echter zien dat zijn hele hart daarnaar uitgaat. Job had nog niet geleerd, zoals de apostel, om tevreden te zijn met de omstandigheden waarin hij zich bevond; Job kon het niet goed verwerken zo "vernederd te worden", "gebrek te lijden" of "overvloed te hebben" (Filippensen 4 vers 11 en 12).
Bovendien is het opmerkelijk hoe vaak de woorden "ik", "mijn", en "mij" in deze verzen voorkomen (ongeveer vijftig keer in hoofdstuk 29). Het zijn maar kleine woordjes, die echter duidelijk aangeven welk een hoge dunk Job van zichzelf had. Dit gevoel had hij tot hiertoe steeds verborgen weten te houden, door de schijn op te houden dat hij bescheiden van hart was. Nu komt het echter openlijk aan het licht. Gelukkig maar, want dat geeft God de gelegenheid hem hiervan te bevrijden. Dat gebeurt echter pas nadat Job dit kwaad aan Hem beleden heeft!
Wat een tegenstelling tussen dit hoofdstuk en het voorgaande! Eerst mocht Job zich erin verheugen geëerd en geliefd te zijn, maar nu wordt hij van de ene dag op de andere veracht en met de nek aangekeken. Zo gaat het toe in de wereld; ze is vol van huichelarij en bedrog.
Gelovigen die meenden toch op dit systeem te kunnen vertrouwen, hebben dit op een gegeven moment op een pijnlijke manier moeten ontdekken. Van nature vindt het hart van de mens een welgevallen in het ongeluk van een ander. Hoe heeft de mens immers niet genoten van de vernedering van de Heere Jezus (vergelijk vers 9 met Psalm 69 vers 13)?
De aardse zegeningen van Job bleken vergankelijk te zijn. De gelovige daarentegen bezit "alle geestelijke zegening in de hemel (hemelse gewesten) in Christus" (Efeze 1 vers 3). Noch satan, noch de wereld, ja zelfs de dood is niet in staat hem die te ontroven.
Doordat Job meende vanwege zijn godsdienstigheid recht te hebben op een zekere welstand, gaat hij nu zover dat hij over God klaagt. Weten wij zeker van onszelf, dat wij dat nooit doen? Zeker wÃj hebben daartoe geen enkele reden!
"Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet" (vers 20). Dat zijn woorden die overeenkomen met Psalm 22 vers 3. Maar wat een verschil tussen de verbittering van Job, die God zelfs gevoelens van wreedheid toeschrijft (vers 21), en de volmaakte overgave van de Heere Jezus, Die Zijn vertrouwen in God geen enkel moment opgeeft!
In hoofdstuk 29 heeft Job uitvoerig verteld over al het goede dat hij gedaan heeft. En nu volgt er een evenzo gedetailleerde beschrijving van al het kwaad dat hij niet gedaan heeft: onzedelijkheid (vers 1- 12), ongerechtigheid (vers 13 -15), egoïsme (vers 15 - 23), afgodendienst (vers 24 - 28). Men kan zich in het ene of het andere beroemen, maar vergeet dan dat het alleen God is Die iemand ertoe aanzet het goede te doen en dat alleen Hij iemand voor het kwaad bewaart!
Mocht iemand al het recht hebben om op eigen werken te vertrouwen, dan was dat zeker Job.
Paulus schrijft dat ook over zichzelf in de Brief aan de Filippensen. "Maar," voegt hij er aan toe, "hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht" (Filippensen 3 vers 4 en 7). Zijn natuurlijke eigenschappen als goede Israëliet, zijn eenmalige gerechtigheid en dat hij een voortreffelijke farizeeër was, dat alles acht hij voortaan voor drek. Daarom hoefde God hém ook niets meer te ontnemen, wat bij Job nog wel nodig was. Door de genade had Paulus alles wat niet "Christus" was, al opzijgezet.
Let eens op de manier waarop Job de dingen opnoemt. Het lijkt alsof hij in z'n gedachten bepaalde dingen onderstreept. Stilzwijgend legt hij daardoor de nadruk op al het goede dat hij gedaan heeft en op zijn eigen verdiensten. En aan het eind van deze opsomming zet Job als het ware plechtig zijn handtekening eronder en daagt hij God uit hem hierop te antwoorden (vers 35).
De bewijsvoeringen van Elifaz, Bildad en Zofar zijn uitgeput. Ook Job zelf zwijgt! Nu komt er iemand anders naar voren: Elihu. Die naam betekent 'God Zelf'. De Geest van God zal door zijn mond spreken (1 Petrus 4 vers 11).
Het totale onvermogen van de mens is duidelijk gebleken. Kijk maar naar Job, die niet in staat was de beproeving te verdragen; bij zijn vrienden zagen we dat alle menselijke troost pure ijdelheid is. Nu dus duidelijk gebleken is dat deze aardse wijsheid tot niets in staat was, zal Elihu "de wijsheid, die van boven is" uitspreken (Jakobus 3 vers 14 -17). En de vier oude mannen worden door een veel jongere beschaamd.
Elihu weet hoe hij zich gedragen moet. Hij heeft geduldig gewacht tot de voorgaande toespraken beëindigd waren. Hierin is hij een voorbeeld voor ons, ook voor jullie, jongeren! Vooral jongeren moeten namelijk kunnen luisteren en wachten. Juist dat is een kenmerk van wijsheid (Jakobus 1 vers 19). Normaal gesproken mag je ervan uitgaan dat de kennis en ervaring van ouderen groter is dan die van jongeren! Bovendien is het wachten van een jongere gewoon een stukje beleefdheid!
Ondanks deze achting van Elihu belemmert dit hem niet om nu met heilige toom te spreken. De heerlijkheid van God was namelijk door Job en zijn vrienden in twijfel getrokken en deze trouwe man van God kan hen daarom niet ontzien. Hij gebruikt geen vleiende woorden en kiest geen partij voor hen â twee gevaren waaraan ook wij soms blootgesteld worden (vers 21).
Job heeft al twee keer aangegeven dat hij naar de bemiddeling van een scheidsrechter verlangt (hoofdstuk 9 vers 33 en 16 vers 21). Nu gaat zijn wens in vervulling! Elihu zal hem de gedachten van God uitleggen. Job dacht dat deze rol niet door een mens als hij vervuld zou kunnen worden (hoofdstuk 9 vers 32). "Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden", antwoordt Elihu echter (vers 6). En het Woord van God leert ons dat er "één Middelaar Gods en der mensen" is, "de Mens Christus Jezus" (1 Timotheüs 2 vers 5). O, dit diepe geheimenis van de Mensheid van de Heere Jezus; zonder dat zou Hij Zich nooit tot de Voorspraak voor de mensen bij God hebben kunnen maken!
"Maar God spreekt eens of tweemaal" (vers 14). Nadat Hij door de profeten gesproken had, heeft Hij gesproken door de Zoon. Had de wereld er maar acht op geslagen en geluisterd! (Hebreeën 1 vers 1 en 2; 2 vers 1). In vers 14 lezen we: "Doch men let niet daarop". Zo onverschillig en verhard is het menselijk hart! Daarom waarschuwt dezelfde Brief heel indringend: "Ziet toe, dat gij Hem, Die spreekt, niet verwerpt ..., Die van de hemelen is" (Hebreeën 12 vers 25).
Met een korte uitspraak veegt Elihu alle verstandelijke redeneringen en conclusies aan de kant: "God is meer dan een mens" (vers 12). Hij is geen verantwoording schuldig aan schepselen (vers 13).
De verzen 23 en 24 van hoofdstuk 33 richten onze gedachten op de Heere Jezus, dé "Uitlegger" in de ware zin van het woord, dé Gezant van Goddelijke liefde. Hij is gekomen om aan zondige mensen de juiste weg bekend te maken, met andere woorden: hen hun toestand te laten inzien en in het Goddelijk licht tot zelfoordeel te brengen. Het leven van Christus hier op aarde heeft onder andere tot doel de ware toestand van de mensen te tonen, mensen die overigens zelf hun vreselijke toestand tot in alle toonaarden ontkennen. Er moest een middel tot verzoening komen, opdat God genade kon bewijzen. En die verzoening heeft plaatsgevonden door de dood van Christus! Door Hem zijn wij van de diepe kuil van het verderf verlost.
En dat is nog niet alles! De verzen 25 en 26 doen ons denken aan het nieuwe leven, de gemeenschap, de vreugde, de gerechtigheid, die ons deel zijn geworden. Allemaal gevolgen van de opstanding van Christus, onze Middelaar, en Zijn aanwezigheid nu in heerlijkheid.
Vers 27 en 28 herinneren ons er ten slotte nog aan, dat er van ons verwacht wordt dat we voor "de mensen" getuigenis afleggen van hetgeen God voor ons gedaan heeft. Laten we dat nooit vergeten!
In hoofdstuk 34 moet Elihu op ernstige toon spreken. Omdat Job zichzelf wilde rechtvaardigen, had hij God van ongerechtigheid beschuldigd (hoofdstuk 32 vers 2). Dat was veel ernstiger dan hij dacht en zich bewust was! Daardoor had hij zich in feite één gemaakt met ongelovigen en wettelozen en daarom moest hij scherp terechtgewezen worden (Romeinen 9 vers 14).
De mens is niet in staat zich met z'n verstandelijke vermogens een juist beeld over God te vormen. De mens kan zich immers alleen maar vergelijken met z'n medeschepselen. God moet Zichzelf openbaren, opdat Zijn schepsel Hem kan erkennen.
Evenmin is ons verstand in staat om deze Goddelijke openbaring te bevatten. Dat kan alleen het geloof!
God openbaart Zich nu door Zijn Geest. "Alzo weet ook niemand wat van God is, dan de Geest Gods" (1 Korinthe 2 vers 11). Hij leidt de gelovigen in de hele waarheid (Johannes 16 vers 13).
Elihu, die Job onderwijst, is een beeld van de Heilige Geest. Elihu laat Job zien dat hij helemaal op het verkeerde spoor zit, omdat hij zijn kennis over God alleen gebaseerd heeft op eigen ervaringen en gedachten (vers 33). Was hij daardoor immers ook niet zover gekomen de Rechtvaardige te veroordelen? (vers 17).
Wat had Job dan moeten doen in plaats van deze verkeerde gedachten te voeden en uit te spreken? Hij had ootmoedig aan God moeten vragen: "Behalve wat ik zie (of: "wat ik niet inzie"), leer Gij mij!" (vers 32).
Ook voor ons is het uitermate belangrijk dit korte gebed in de loop van de dag steeds opnieuw tot de Heere te richten!
Uit de ongelukken die hem overkomen waren, trok Job uiteindelijk de verdrietige conclusie dat het niet de moeite loonde om rechtvaardig en oprecht te zijn. Uiteindelijk zou hij er immers toch niet beter voor staan dan wanneer hij gezondigd zou hebben (hoofdstuk 9 vers 22; 34 vers 9; 35 vers 3)! Met deze gedachte legt hij in feite z'n hele hart bloot! Het is net alsof hij satan in het gelijk stelt, die gezegd heeft: "Is het om niet, dat Job God vreest?" (hoofdstuk 1 vers 9). Het lijkt bijna op de overleggingen van "mensen, die een verdorven verstand hebben" - en van wie de apostel spreekt - "menende, dat de godzaligheid een gewin is" (1 Timotheüs 6 vers 5; lees ook Maleáchi 3 vers 14).
Tot hiertoe had deze patriarch niet geweten dat er zulke gedachten in zijn hart aanwezig waren. Hij kende zijn goede daden, maar niet hun geheime drijfveren. En juist die waren helemaal niet zo goed!
O, dat de Geest ons toch door het Woord tot onderzoek moge brengen, om onze gedachten en de overleggingen van ons hart te beoordelen en bloot te leggen (Hebreeën 4 vers 12)! Dat is ook de dienst die Elihu hier aan Job verricht, door hem de waarheid te zeggen. Sommige dingen zijn helemaal niet zo fijn om te horen, maar "de wonden van de liefhebber zijn getrouw". Dus een echte vriend 'verwondt' je misschien door zijn woorden of daden, maar dat kan gebeuren uit liefde voor jou! Die vriend wil je daardoor juist helpen de juiste weg terug te vinden (Spreuken 27 vers 6; zie ook Colossenzen 4 vers 6)!
Als de noodzakelijke lessen eenmaal geleerd zijn, dan zullen de tranen en noodkreten (hoofdstuk 19 vers 21) veranderen in "Psalmen in de nacht" (vers 9 en 10).
Elihu praat verder en rechtvaardigt God (vers 3). Dit doet hij door twee verkeerde gedachten over Hem te weerleggen: ondanks Zijn macht bekommert de Schepper Zich wel om Zijn schepselen én Hij veracht hen nooit (vers 5). De rechtvaardige, dus de gelovige, is voortdurend het onderwerp van Zijn zorg. Of Hij hem nu verhoogt (vers 7) of hem juist beproevingen op z'n weg brengt (vers 8), altijd zijn Zijn ogen zijn op hem gericht.
Bovendien is het ook niet zo, zoals Job meende, dat God handelt naar dat Zijn stemming is. Als God beproevingen toelaat in iemands leven, dan heeft Hij daarmee een bepaald doel voor ogen. Hij wil de Zijnen hun manier van doen laten zien, opent hun oor voor de onderwijzing (tucht) en bewerkt, indien nodig, dat ze het kwaad de rug toekeren.
Tuchtiging is een onderdeel van de opvoeding. Hebreeën 12 vers 7 zegt ons dat het speciaal bedoeld is voor de zonen van God. Normaal gesproken wijzen ouders immers alleen hun eigen kinderen terecht en niet die van anderen. De tucht van God geeft dan ook duidelijk de verbinding met Hem als Vader aan!
Hebreeën 12 vers 5 en 6 laat ons echter ook zien dat de ziel die de tucht ondergaat, deze kan minachten door er niet naar te luisteren of er geen waarde aan te hechten (vers 12; vergelijk hoofdstuk 5 vers 17). En het kan zelfs zover komen dat men "bezwijkt", dus de moed verliest en vergeet dat het de trouwe liefde van de Heere is die dit nodig acht en toelaat (Psalm 119 vers 75).
"Wie is een Leraar, gelijk Hij?", vraagt Elihu in vers 22. God heeft een leerschool. In tegenstelling tot de gewone scholen van mensen duurt die school van God je hele leven lang. Als we Zijn lessen willen volgen, dan zullen we wijzer en verstandiger worden dan we ooit op een universiteit zouden kunnen bereiken (Psalm 94 vers 10 en 12; Jesaja 48 vers 17).
Nadat de volksmenigte de Bergrede gehoord had, moesten de mensen toegeven dat de Heere Jezus hen leerde "als Machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden" (Markus 1 vers 22). Autoriteit en wijsheid, onuitputtelijk geduld, zachtmoedigheid zelfs in terechtwijzing, dat waren de karaktertrekken van de "Leraar van God gekomen" (Johannes 3 vers 2) om de mensen te beleren. Hij is nu niet meer hier op aarde, maar heeft ons Zijn Woord gegeven, de Bron waaruit alle leringen voor onze ziel voortkomen.
Elihu roemt de kracht van God (vers 22), Zijn doen (vers 24), Zijn grootheid (vers 26), Zijn gerechtigheid en goedheid (vers 31). Wij verheugen ons, samen met hem te mogen zeggen: "Zie, God is geweldig - zie, God verhoogt door Zijn kracht - zie, God is groot, en wij begrijpen het niet!"
De Vader te openbaren en Zijn Naam te verheerlijken, dat was voor de Heere Jezus het doel van Zijn hele dienst en de samenvatting van Zijn onderwijzing, zolang Hij hier beneden was (Johannes 17 vers 4, 6 en 26).
Elihu gebruikt het beeld van de lucht op een onweersdag, om de toestand van de ziel van de patriarch en de wegen die God met hem ging, duidelijk te maken (hoofdstuk 36 vers 27 - 29, 32 en 33; 37 vers 2 en verder). De donkere wolken illustreren het verdriet en de beproeving die een tijd lang het licht van het aangezicht van God voor Job verborgen hebben gehouden. Voor het natuurlijke hart is het moeilijk om het geheimzinnige voorbijtrekken van de wolken te begrijpen (vers 16).
Eén ding mag Job echter weten: God heeft deze wolken vol geladen met zegen voor hem (vers 11 en hoofdstuk 26 vers 8). De regen kan op verschillende manieren stromen: in goedheid, om gestaag de aarde te bevochtigen (Psalm 65 vers 11), of juist tot tuchtiging, als een roede (vers 13; vergelijk Psalm 148 vers 7 en 8). De druppels kunnen rijkelijk vallen en een weldaad zijn (hoofdstuk 36 vers 27 en 28), in de vorm van vruchtbare plasregens (vers 6). Maar er kunnen ook zulke geweldige regenbuien vallen, dat de aardbodem erdoor verwoest wordt in plaats van dat het water erin kan doordringen! Dit laatste mogen we vergelijken met een oordeel dat geen uitwerking heeft op de ziel.
Dit heeft God echter niet met Zijn knecht Job voor. Zijn plan is hem juist te zegenen, hem "met mate" te kastijden (Jeremia 10 vers 24) en hem zover te brengen dat hij God gaat loven als hij Zijn licht opnieuw ziet schijnen (vergelijk vers 21).
"Dat de Almachtige mij zou antwoorden!", had Job uitgeroepen (hoofdstuk 31 vers 35); vergelijk dit eens met de woorden van Elifaz in hoofdstuk 5 vers 1. Nu vervult God, van Wie Job dacht dat Hij doof en onbereikbaar was, zijn wens. Maar op een andere manier dan Job gedacht had! Want in plaats van hem direct te antwoorden, stelt de Eeuwige hem een heleboel vragen. De Heere Jezus handelde vaak precies zo met Zijn gesprekpartners (kijk bijvoorbeeld maar in Lukas 10 vers 25 en 26; 20 vers 2 - 4 en 21 - 24).
Omdat Job zo'n hoge dunk van zichzelf had (hoofdstuk 31 vers 37), was het nodig dat hij vernederd werd. En God wilde met Zijn vragen bewerken dat hij de juiste maatstaf zou aanleggen en zou inzien hoe klein en totaal onwetend hijzelf was. Onder hen die wetenschappelijk onderzoek verrichten - als ze het tenminste op een objectieve manier doen - kom je het soms ook tegen, dat de grootste geleerden heel bescheiden van zichzelf denken.
Iemand heeft eens gezegd: 'Als de mens luistert, dan spreekt God'. En God heeft geduld. Hij heeft Job en zijn vrienden alle tijd gelaten om hun verkeerde gedachten in te zien en te veranderen; daarna heeft Hij Elihu de opdracht gegeven deze te weerleggen. Als er dan ten slotte een stilte ontstaat, dan kan God Zelf gaan spreken en natuurlijk zal Hij het laatste woord hebben.
O, dat wij dat ook kunnen: stil zijn, ons opstandig gemoed tot zwijgen brengen, opdat God tot ons kan spreken!
De schepping is het eerste getuigenis dat God over Zichzelf geeft. En elk mens heeft, zonder één uitzondering, de verantwoordelijkheid om, met behulp van zijn verstand, "Zijn onzienlijke dingen... Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid" te erkennen. Als de mens alles wat geschapen is, ziet, zonder Hem Die het geschapen heeft, te erkennen en te vereren, dan is zo iemand niet te verontschuldigen (Romeinen 1 vers 19 en 20).
God nodigt ons, samen met Job, uit om Zijn prachtig heelal te bewonderen. En wie zou beter over alle wonderen van de schepping kunnen vertellen dan de Schepper Zelf?
Maar Hij, Die het licht geschapen heeft, Die "de liefelijkheden van het Zevengesternte" bindt en "de verordeningen des hemels" bepaald heeft, is Dezelfde Die Zich neerbuigt om Zich met één afzonderlijke ziel bezig te houden. In dit geval gaat het om Job, maar God houdt Zich ook met u en mij bezig! Een ellendige zondaar heeft in Zijn ogen meer waarde dan alle sterren aan het firmament.
De mensen hebben altijd al geprobeerd het wereldruim te onderzoeken. Sommigen zijn hun hele leven lang hier mee bezig en alle tijd die ze hebben besteden ze aan dat onderzoek. Maar is het niet veel belangrijker om onze tijd te gebruiken om de Schriften te onderzoeken? (Johannes 5 vers 39). "De hemelen vertellen Gods eer" (Psalm 19 vers 1), maar... Zijn Woord spreekt ons van Zijn genade!
Job heeft niets weten te zeggen op Gods schildering van de grote natuurverschijnselen en de wetmatigheden die nu nog steeds het evenwicht in de schepping bewaren. Nu wordt deze onkundige leerling door de Leraar, Die alle wijsheid bezit, ondervraagd naar zijn kennis op het gebied van de dierkunde. Maar ook dit keer zal hij geen hoog cijfer behalen.
Sinds de tijd waarin deze patriarch leefde en ondanks alle inspanningen van de mens alles te doorgronden, zijn er in de schepping nog talloze raadselen. Deze geheimen bezorgen de wetenschappers hoofdbrekens, misschien juist wel omdat ze verblind zijn in hun eigen theorieën. Denk alleen maar aan de oorsprong van het leven!
God spreekt in deze vier hoofdstukken over vele dingen, grote en kleine, maar allemaal dingen die Hij gemaakt heeft. Er wordt echter geen enkel woord gezegd over de werken die Job gedaan heeft. Geen enkele verdienste, waarvoor hij zoveel moeite deed om die allemaal op te noemen, telt voor God. Zonder het kruis, waarop God al van te voren Zijn blik gericht had (Romeinen 3 vers 25), zou zo iemand verloren zijn.
Beste vriend(in), vertrouw je nog op je eigen inspanningen en je eigen kunnen? Kijk toch naar de Heere! Hij heeft Zelf grote dingen volbracht, waaruit Zijn wijsheid naar voren komt - maar boven dit alles staat het grote werk dat Hij tot jouw heil heeft volbracht, het werk dat getuigt van Zijn oneindig grote liefde!
Job had gedacht dat de eeuwige God Zich niet interesseerde voor zijn welzijn. Zou er ook maar één schepsel, van de kleine raaf tot aan het paard of de adelaar toe, bestaan waar God Zich niet om zou bekommeren? Als Hij al bezorgd is om alle levende wezens, hoeveel te meer zorg heeft Hij dan om over Job te waken, over de mens, de kroon van Zijn schepping, een mens die zelfs een leven bezat dat over het graf heen reikte!
In de verschillende Evangeliën geeft de Heere Jezus de Zijnen precies dezelfde lessen (vergelijk Job 39 vers 3 maar eens met Lukas 12 vers 24). En de Heere roept ook ons op ons geen zorgen te maken voor de dagelijkse behoeften; God kent ze. Aan één ding kunnen we wel gebrek hebben -en dat komt helaas maar al te vaak voor - namelijk het vertrouwen op deze trouwe God!
De Eeuwige heeft tegen Job gesproken over de schepping, waaruit Job de enig juiste conclusie trekt: "Zie, ik ben te gering" (vers 37). Nu weet hij niets meer te zeggen. Eerder had hij zich voorgenomen als gelijkwaardige met God te discussiëren (hoofdstuk 10 vers 2; 13 vers 3; 23 vers 3 en 4). Maar nu hij deze gelegenheid krijgt, begrijpt hij in het licht van de grootheid van Zijn Schepper, dat dit nooit mogelijk zal zijn.
Dat is de eerste les die Job leert, maar er volgt nog een tweede. God zal voor de tweede keer tegen Job spreken, om hem tot een volledige en oprechte belijdenis van zonde te brengen.
Het beeld van de schepping zou niet compleet zijn, als er geen beschrijving gegeven zou worden van twee geheimzinnige en vreselijke dieren. Het eerste is de Behémoth. Het gaat om een indrukwekkend dier, van wie de kracht aan de macht van de dood doet denken.
Een ernstig feit: deze dood moest "het voornaamste stuk van de wegen Gods" zijn tegen de zondige mens. Ten gevolge van de zondeval werd de dood een onoverwinnelijk zwaard, tot bestraffing van de zonde gegeven (vers 14; zie ook Genesis 3 vers 24). Niet alleen wordt ieder mens een buit van hem, maar ook alle dieren van het veld dienen hem tot voedsel (vers 15). Ook de Jordaan, de doodsrivier (vers 18), is een onderdeel van dit beeld.
Maar er bestaat nog zo'n vreselijk monster. De dood heeft slechts macht over het tegenwoordige leven, terwijl satan, van wie de Leviathan een beeld is, zijn slachtoffers meesleept in de tweede dood (Jesaja 27 vers 1). Tegenover zo'n vijand staan we even machteloos als een kind dat met een hengel een krokodil probeert te vangen! (vers 20). Bovendien staat het vast, dat je niet ongestraft met de macht van de boze kunt spelen.
Zijn we dan totaal aan zijn macht overgeleverd? Nee, door Gods genade niet! Christus heeft aan het kruis over deze vreselijke vijand getriomfeerd! Laten we toch altijd aan deze beslissende strijd denken en vast verbonden blijven aan Hem, Die de overwinning behaald heeft (vers 27; Colossenzen 2 vers 15).
Door middel van het angstaanjagende beeld van de Leviathan heeft God aan Job laten zien wie zijn aanklager en vijand is (hoofdstuk 1 en 2). Een strijder moet zijn tegenstander goed kennen, opdat hij hem niet onderschat. De gelovige moet eveneens de macht van satan kennen (vers 3). Hij werd weliswaar aan het kruis overwonnen, maar is nog altijd actief en zijn gedachten zijn ons niet onbekend (2 Korinthe 2 vers 11).
Laten we eens zien wat zijn kenmerken zijn. Als eerste wordt dan zijn dubbele breidel genoemd (soms vertaald door: gebit) (vers 4; vergelijk 1 Petrus 5 vers 8); vervolgens is zijn hart als steen (vers 15), want Goddelijke liefde is hem totaal vreemd. Hij is door geen enkele vorm van menselijke macht te verwonden (vers 17 - 20). Hij zaait angst met zijn wapen: de dood, die zelfs afrekent met de sterkste mens (vers 16).
Maar satan is ook "de leugenaar" en de verleider; laten we oppassen voor zijn misleidingen (vers 9; Johannes 8 vers 44; 2 Korinthe 11 vers 14).
Hij trekt zielen de wereld in, die zee van alle menselijke hartstochten, door de bronnen hiervan voor te stellen als waardevol voedsel (pot) of als geneesmiddel voor wonden (apothekerskokerij). Onder een schijn van wijsheid en ervaring (grijsheid) leidt hij hen naar de afgrond om hen, deze dwazen die hem navolgen op zijn verlichte pad, daar te verslinden (vers 22 en 23).
Er wordt hem een angstaanjagende titel gegeven: "koning over alle jonge hoogmoedige (= trotse) dieren" (vers 25; zie 1 Timotheüs 3 vers 6).
We zijn nu bij de beslissende afloop van dit Boek aangekomen, bij de grote les die Job eindelijk geleerd en begrepen heeft. Dat wordt de bevrijding van het afschuwelijke 'eigen ik' genoemd (Galaten 2 vers 20).
Terwijl God tegen Job sprak, verdween meer en meer de hoge dunk die hij nog van zichzelf had. Langzamerhand, stapje voor stapje, moest hij met schrik de boosheid van z'n eigen hart vaststellen. Hij, die zich eerder voorgenomen had niets meer te zeggen (hoofdstuk 39 vers 37), roept het nu uit: "Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as" (vers 6). Dat is het wat een mens die "oprecht en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad" (hoofdstuk 1 vers 1) is, moet zeggen, wanneer hij zich in de tegenwoordigheid van God bevindt!
Job was gezift als de tarwe. Dat was een moeizaam werk, dat hem echter - net zoals later bij een Petrus het geval was - van z'n zelfvertrouwen bevrijdde. Nu kan hij zijn broeders versterken en bidden voor z'n vrienden (vers 10; vergelijk Lukas 22 vers 32).
God noemt hem vier keer "Mijn knecht Job" en berispt de drie "moeilijke" troosters (zoals ze in hoofdstuk 16 vers 2 genoemd worden). Hij stuurt Job andere troosters, die hem oprecht meeleven tonen en hem echt troosten (vers 11). En Hij herstelt niet alleen de vroegere situatie van de patriarch, maar geeft hem zelfs het dubbele van alles wat hij voordien bezat.
Tegelijkertijd heeft Job iets verkregen wat kostbaarder is dan al het andere: hij heeft God leren kennen - en eveneens zichzelf.
De Psalmen of 'Lofgezangen' worden wel eens 'het hart van de Schriften' genoemd, omdat ze door hun poëtische vormgeving vooral bepaalde gevoelens weergeven. Dat zullen de gevoelens zijn van de trouwe Israëlieten, tijdens en na de heerschappij van de antichrist. Gevoelens van lijden, doodsangst, vrees ..., maar ook van vertrouwen, vreugde en dankbaarheid. Ze spreken echter ook van de gevoelens en genegenheden van de Heere Jezus, Die bij voorbaat al vol meeleven op de ellende van het joodse "overblijfsel" ingaat. En ten slotte gaat het om gevoelens die de gelovigen van alle tijden in hun omstandigheden kunnen ervaren.
De eerste verzen geven een beschrijving van de kenmerken van de gelukzaligen, die deze Psalmen kunnen zingen. En het belangrijkste wat God van ons vraagt is: afzondering en scheiding van alle kwaad.
Het eerste vers is op allerlei situaties in ons dagelijks leven van toepassing. En het is de onvermijdelijke voorwaarde om zich in het Woord te kunnen verheugen (vers 2) en vrucht te brengen (vers 3; vergelijk Jeremia 17 vers 7 en 8; Johannes 15 vers 5).
De boom, geplant aan waterbeken, is een beeld van de gelovige die in Christus geworteld is en zijn levenskracht van Hem ontvangt.
De Heere Jezus heeft als Mens deze afzondering volkomen in praktijk gebracht. Hij vond Zijn lust in de wet van de HEERE en bracht ten slotte een volheid van vrucht voort tot verheerlijking van God.
De Psalmen 1 en 2 vormen een inleiding op het hele Boek en vullen elkaar aan. Ze stellen de twee grote zonden van Israël vast, de verwerping van het tweevoudige getuigenis van God, door het volk: de ongehoorzaamheid ten opzichte van de wet (Psalm 1) en de verwerping van Zijn Zoon (Psalm 2).
In Psalm 2 vinden we de gedachten van God beschreven over Hem, Die "Zijn Gezalfde" (vers 2), Zijn "Koning" (vers 6), Zijn "Zoon" (vers 7; geciteerd in Handelingen 13 vers 33) is.
God zal erop toezien dat de Heere Jezus hier op aarde, waar Hij veracht werd, toch geëerd zal worden. Eens hebben "Herodes en Pontius Pilatus met de heidenen en de volken Israëls" samengespannen tegen Hem (Handelingen 4 vers 25 - 28). Zijn kruis droeg het beledigende opschrift: "Jezus de Nazaréner, de Koning der Joden" (Johannes 19 vers 19). Het was alsof ze tegen God wilden zeggen: 'Hier ziet U wat wij met Uw Koning gedaan hebben'. Maar eens, in de toekomst, bij de openlijke opstand van de volkeren, zal de rechtvaardige Koning, Die God voor de aarde voorbestemd heeft, verschijnen (Psalm 89 vers 28 en 29).
Op deze manier stelt God Zich direct aan het begin van dit Bijbelboek al voor, als Degene Die alle gebeurtenissen beheerst en ze tot een heerlijk einddoel zal leiden.
Door dit alles wordt hij die getrouw wil blijven, bemoedigd in al zijn nood. Laten ook wij altijd denken aan vers 11: "Dient de HEERE met vreze". "Met blijdschap" zegt Psalm 100 vers 2, en "met uw ganse hart" vult 1 Samuël 12 vers 20 verder aan.
Veel Psalmen werden onder bijzondere omstandigheden geschreven, die gedeeltelijk dan ook van invloed waren op de inhoud.
De vlucht van David voor Absalom heeft God als gelegenheid aangegrepen om ons deze Psalm te geven (2 Samuël hoofdstuk 15 - 18). Terwijl de nietsnut van een zoon een samenzwering tegen zijn vader beraamt, brengt hij die "liefelijk in psalmen van Israël" genoemd wordt (2 Samuël 23 vers 1), in een lied zijn vertrouwen in God tot uitdrukking, in plaats van zijn verdediging voor te bereiden. Is het nog belangrijk te weten hoe groot het aantal vijanden is, als de God van Israël Zich als een beschermend Schild tussen de "tienduizenden van volk" en Zijn geliefde opgesteld heeft? (vers 7; zie ook Genesis 15 vers 1; Deuteronomium 33 vers 29).
Daarom kan de psalmist zich te midden van de grootste gevaren toch verheugen in een rustige slaap, omdat hij weet dat de HEERE over hem waakt (vers 6).
Een gebeurtenis uit het leven van de Heere Jezus geeft deze rust volkomen weer. Op het moment dat de storm hevig tekeergaat en het schip vol dreigt te lopen, ligt Hij "in het achterschip, slapende op een oorkussen" (Markus 4 vers 37 en 38; zie ook het voorbeeld van Petrus in Handelingen 12 vers 6). Een gelukzalig vertrouwen! Geve God, dat ook wij het in praktijk kunnen brengen!
Vers 9 laat ons zien dat de zegen voor het volk meer waarde voor David heeft dan z'n eigen veiligheid. Ondanks de opstand van Israël tegen Zijn gezalfde blijft Israël toch altijd het volk van God.
In Psalm 3 was de God van Israël de Beschermer voor de gelovige en in Psalm 4 is Hij zijn deel. De oprechte gelovige bezit de zekerheid dat God hem voor Zichzelf heeft afgezonderd (vers 4) en dat hij bij Hem in de gunst staat. Toch bevindt hij zich nog te midden van een wereld waar ijdelheid en leugen regeren (vers 3) en dat brengt alleen maar lijden voor hem met zich mee. De vraag die in zo'n wereld vaak gesteld wordt, is: "Wie zal ons het goede doen zien?" (vers 7). Dit goede zullen we niet rondom ons, noch in onszelf vinden! Het enige wat echt goed is, brengt God voort. Het volmaakte voorbeeld daarvan laat God ons zien in het leven van Zijn Zoon, de "Gunstgenoot" in de ware zin van het woord, de Enige van Wie gezegd kon worden: "Hij heeft alles wel gedaan" (Markus 7 vers 37).
God is de Bron van al het goede, maar ook van alle ware vreugde. "Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven", zegt de psalmist (vers 8). En zoals het slot van dit vers bewijst, is deze vreugde niet afhankelijk van een overvloed aan materiële dingen (vergelijk dit met Habakuk 3 vers 17 en 18).
In één en hetzelfde hoofdstuk van Filippensen worden we enerzijds vermaand ons altijd in de Heere te verblijden en anderzijds eraan herinnerd dat een gelovige, zowel in gebrek als overvloed, gelukkig kan zijn (Filippensen 4 vers 4 en 12). De ziel kan zelfs te midden van de grootste droefheid toch vervuld zijn met de Goddelijke blijdschap. Daar hebben omstandigheden juist geen enkele invloed op, omdat Hij, Die onveranderlijk is, de Bron is (Hebreeën 13 vers 8).
We zagen aan het eind van Psalm 4, dat de gelovige rustig kon gaan slapen. In deze Psalm zien we hem bij het wakker worden.
Alle momenten van ons leven moeten gekenmerkt worden door de vreze des Heeren, ook de momenten waarop we alleen in onze kamer zijn!
Het eerste wat de psalmist 's morgens deed, was bidden tot zijn Koning en God (Psalm 63 vers 2). Laten we zijn voorbeeld toch navolgen, geliefde vrienden, maar dan met nog meer ijver en vrijmoedigheid dan David, omdat wij God, in de Heere Jezus, als Vader mogen kennen!
In Psalm 4 werd het gebed gekenmerkt door een bepaalde aandrang en was het beperkt tot een eenvoudig roepen (vers 2 en 4). Dat is voldoende voor God om te horen.
In Psalm 5 wordt het verlangen echter duidelijk onder woorden gebracht. Nu kan de gelovige rustig op een antwoord wachten, en hij moet niet proberen dat antwoord op een andere manier te verkrijgen.
In het verdere verloop van deze Psalm zien we weer het vertrouwen ten opzichte van de samenzwering van de goddelozen, de wettelozen.
Het is heel opvallend dat vers 10, dat betrekking heeft op de vijanden, in Romeinen 3 vers 13 wordt aangehaald om een beschrijving te geven van alle mensen. Als we Romeinen 5 vers 10 daarbij lezen, dan blijkt duidelijk dat wij allemaal vijanden van God waren, door onze gezindheid, onze boze werken (zie ook Colossenzen 1 vers 21).
Beproevingen in het leven van een gelovige zijn vaak het directe gevolg van z'n eigen misstappen. Dan komt hij onder de regering van God te staan, Die hem terechtwijst en bestraft (vers 2, vergelijk Jeremia 31 vers 18).
Dat was ook bij David het geval, na die vreselijke gebeurtenis met Uria, de Hethiet, en eveneens bij de volkstelling (2 Samuël 11 en 24). Dan kan er geen sprake meer zijn van vreugde en vrede, zoals in Psalm 4 (vers 8 en 9). In plaats van rustig op het rustbed te liggen en in zijn hart hierover na te denken (Psalm 4 vers 5), wordt het bed van de schuldige juist doorweekt met tranen (vers 7). Omdat hij weet dat hij verdiend heeft wat hem overkomt, wordt hij overvallen door berouw en geplaagd door het gevoel dat hij God beledigd heeft. Hij kan zelfs overrompeld worden door een doodsangst (vers 6). Het onbevangen gevoel van geluk dat een rustig geweten aan iemand geeft, is totaal verdwenen.
Maar gelukkig laat God Zich ook in deze situatie vinden, want Hij heeft Zijn verloste veel te lief om hem in vertwijfeling achter te laten. Hij hoort zijn smeken en neemt zijn gebed aan (vers 10).
Bij koning Hizkia, die met de dood voor ogen onrustig in bed ligt te woelen, spreekt Hij de vertroostende woorden: "Ik heb uw gebed gehoord, Ik heb uw tranen gezien, ... Ik zal u... verlossen" (Jesaja 38 vers 5 en 6; en vergelijk Psalm 6 vers 6 eens met Jesaja 38 vers 18). Ja, plotseling ontvangt ook David de zekerheid dat zijn gebed verhoord is. De omstandigheden zijn nog niet veranderd, maar toch triomfeert zijn geloof al in hoop.
Om de Psalmen goed te kunnen begrijpen - en om ons niet te verbazen over de soms bijzonder scherpe bewoordingen -moeten we één ding niet uit het oog verliezen: de gelovigen die hier spreken, behoren niet tot de Gemeente van Jezus Christus.
Profetisch gezien hebben de Psalmen betrekking op de tijdsperiode die na de opname van de gemeente komt.
Natuurlijk zijn er veel verzen die we ook op onszelf kunnen toepassen, zoals bijvoorbeeld de teksten die uitdrukking geven aan het vertrouwen (zie vers 2), het lijden ten gevolge van de ongerechtigheid (vers 10), de lof (vers 18) en nog vele andere uitingen van onze gevoelens.
Maar nu is het niet de tijd om Gods oordeel af te smeken, zoals in de Psalmen wel het geval is (zie vers 7).
Ons gebed als christenen is niet: "Verklaar hen schuldig, o God" (Psalm 5 vers 11), maar in navolging van ons Goddelijk Voorbeeld leren wij juist zeggen: "Vader, vergeef het hun" (Lukas 23 vers 34).
Als de genadetijd echter voorbij is en de antichrist het zwakke, getrouwe overblijfsel uit Israël zal onderdrukken, dan is het gebed om de bozen te verderven naar Gods gedachten (Lukas 18 vers 7). Immers, alleen op die manier en pas na het oordeel over de goddelozen kan het aardse rijk - het duizendjarig vrederijk - van de Zoon des mensen, waarover onder andere Psalm 8 spreekt, opgericht worden.
Deze Psalm begint met het constateren van het feit dat, in vergelijking met de schepping, de mens maar heel klein is. Ieder van ons heeft dat waarschijnlijk zelf al eens ervaren wanneer hij bijvoorbeeld de grootheid en onmetelijkheid van de sterrenhemel bewonderde. "Wat is de mens?"
Maar dan, nadat wij erkend hebben hoe gering we zijn, leren wij dat God toch iets groots en heerlijks voor en door de mensen voorzien heeft. Maar hoe zou Hij dat ooit met een zondig en sterfelijk wezen kunnen verwerkelijken? Het was ten enen male onmogelijk om een schepsel dat in ellende en verderf gevallen was, met eer en heerlijkheid te kronen.
God heeft echter dat wat Hij niet voor noch door de eerste Adam kon doen, in Christus, de tweede Mens, volbracht. Ja, de Schepper heeft Zichzelf met het lichaam bekleed dat Hij geschapen had. "Gij hebt Hem een weinig minder gemaakt dan de engelen".
Hebreeën 2 vers 6 - 9 haalt de verzen 5 - 7 van deze Psalm aan en geeft ons een aanvulling op deze ondoorgrondelijke daad: "vanwege het lijden des doods", de dood die Hij moest ondergaan. En in deze menselijke natuur heeft de Zoon de allesomvattende heerschappij gekregen. In Hem vindt de mens meer terug dan Adam verloren heeft (vers 6 - 9; 1 Korinthe 15 vers 27 en verder). Met eer en heerlijkheid gekroond zal Christus, als de opgestane Mens, andere mensen samen met Hem de hemel binnenleiden en hen aan Zijn heerlijkheid laten deel hebben (Johannes 17 vers 22 en 24).
Vanuit profetisch oogpunt gezien, zijn de Psalmen 9 en 10 nauw met elkaar verbonden. In Psalm 9 komt de vijand van buitenaf in de gedaante van de volkeren die samen tegen Israël optrekken. Psalm 10 daarentegen spreekt van de vijand die van binnenuit opereert, vanuit het eigen volk: de goddeloze onderdrukkers die het getrouwe overblijfsel vervolgen.
Deze aanvallen duren echter maar een bepaalde tijd. De namen van hen die kwaad bedrijven, zullen voor altijd uitgedelgd worden (vers 6), de verwoestingen voor altijd ten einde zijn (vers 7), maar de arme of nooddruftige zal niet voor altijd vergeten zijn (vers 19). De HEERE troont wel voor altijd (in eeuwigheid); "Hij heeft Zijn troon bereid ten gerichte" (vers 8; Psalm 58 vers 12). Hij zal onderzoek doen naar het vergoten bloed en de tranen van de gelovigen aller tijden en de schuldigen ter verantwoording roepen. Hij zal wraak nemen voor de verdrukten (vers 10), voor de ellendigen wiens roepen Hij niet kan vergeten (vers 13).
Het eerste vers, eigenlijk het opschrift boven deze Psalm, geeft echter de hoofdaanklacht tegen de mensheid aan. Dat is de dood van de Zoon van God (Mûth-Labbeen betekent 'dood van de Zoon'), de belediging die de wereld God heeft aangedaan door Zijn Veelgeliefde te kruisigen. Het hele geslacht van Zijn moordenaars staat een vreselijke straf te wachten!
In de gelijkenis van de schapen en de bokken beschrijft de Heere Jezus het oordeel over de volken aan het begin van Zijn heerschappij. Hij zegt daar dat ieder geoordeeld zal worden naar hetgeen hij Hem heeft aangedaan of juist heeft nagelaten (Mattheüs 25 vers 31- 46).
De "tijden van benauwdheid", zoals die in hoofdstuk 9 vers 10 en 10 vers 1 beschreven worden, zullen vreselijk zijn. Begeerte, hoogmoed, ongeloof, valsheid, geweld ..., dat zijn de kenmerken die we ook nu al zien, maar die dan in hun volle omvang tot ontplooiing zullen komen. Dan kan het ook, omdat Hij, "Die hem nu weerhoudt" (de Heilige Geest), van deze aarde weggenomen zal zijn. Dat gebeurt in de dagen van de antichrist, van wie de verzen hier een duidelijk beeld schetsen (2 Thessalonicenzen 2 vers 7).
Tegen de mening van de goddeloze in, die denkt dat God geen onderzoek zal doen (vers 4 en 13), zal echter alles wat in het geheim met list en bedrog gedaan is, openbaar worden. Alles wat hij "in zijn hart" zegt (vers 6, 11 en 13) zal door Hem, Die de harten doorzoekt, bekend gemaakt worden (Lukas 12 vers 2 en 3).
"Ik zal niet wankelen", zo spreekt de goddeloze (vers 6); toch kan de gelovige dat ook zeggen (Psalm 62 vers 3)! De gedachte dat God alles ziet, bemoedigt de gelovige juist in tijden van beproeving; hij kan zich daarom vol vertrouwen aan Hem overgeven (vers 14). En vers 2 geeft hem rust, want de goddeloze zal altijd verstrikt raken in zijn eigen netten (vergelijk Psalm 7 vers 16; 9 vers 17).
Aan het eind van Psalm 9 hebben we gelezen dat de volkeren "mensen zijn"; het slot van Psalm 10 noemt de vervolger "een mens van de aarde".
Gelovige vriend(n), laten wij nooit vergeten dat wij burgers van een rijk in de hemel zijn en daarom buiten de macht van de wereld en haar vorst staan (Filippensen 3 vers 20).
Vandaag de dag houdt God nog bepaalde vormen van menselijk gezag in stand zoals: regeringen, overheden, politie..., om in deze wereld voor orde, gerechtigheid en vrede te zorgen. Maar gedurende de grote verdrukking zal alles wat nu nog bijdraagt tot de veiligheid van de mensen ("de fundamenten"), wankelen.
De vraag uit vers 3 zal de rechtvaardige dan op de proef stellen. Zullen ze aan de verleiding om op de vlucht te slaan toegeven en dan lijken op een vogel die wegvliegt om het gevaar te ontlopen? Nee, ze stellen hun vertrouwen niet op een aardse toekomst (het gebergte), maar op Hem Die onwankelbaar is, omdat Zijn troon in de hemel is (vers 4).
Vrienden, hoe staat het met ons geloof? Als de Heere die vertrouwde steunpilaren zoals familie, vrienden, gezondheid, materiële goederen, nu eens zou wegnemen, is dan ook aan ons te zien op Wie we vertrouwen?
En als we aan de grondbeginselen van de waarheid denken, moeten we vaststellen dat er in de christenheid, op alle mogelijke manieren, aan getornd wordt. Wat moet de rechtvaardige dan doen? Hij moet zich afzonderen (afscheiden) van alles wat de fundamenten van de Goddelijke waarheid aantast en wil verstoren (Openbaring 18 vers 4).
De blik van God onderzoekt de mensenkinderen (vers 4; Psalm 7 vers 10; zie bijvoorbeeld Lukas 7 vers 39 en 40; 11 vers 17; 22 vers 61). Dat is een verontrustende en onverdraaglijke gedachte voor "de goddeloze". Maar "de rechtvaardige" verheugt zich daar juist over! Voor hem is het juist heel goed als hij door Hem doorgrond wordt (Psalm 139 vers 23 en 24).
Deze Psalm geeft uitdrukking aan het lijden van een ziel die, door de ongerechtigheid die hem omringd, terneergedrukt wordt. David, de schrijver van deze Psalm, heeft dit bij talloze gelegenheden ervaren. Denk maar aan de valsheid en jaloerse haat van Saul (1 Samuël 18 vers 17 en verder), de laaghartige bedoelingen van de inwoners van Kehila (hoofdstuk 23 vers 12) en die van Doëg de Edomiet die zo mogelijk nog laaghartiger waren (hoofdstuk 22 vers 9 en 10). En wat te denken van de verachtelijke ondankbaarheid van Nabal (hoofdstuk 25 vers 10 en 11). Dit alles ging David niet in de koude kleren zitten en liet hem zeker niet onverschillig, maar hij kon bij elke gelegenheid ook het kostbare, Goddelijk antwoord ervaren! "Ik zal in behoudenis zetten, die hij aanblaast", of zoals een andere vertaling het zegt: "Ik stel in veiligheid die daarnaar smacht" (vers 6; vergelijk dit met Psalm 10 vers 5). God kwam hem te hulp.
Helaas moeten we ook zeggen dat de eigen maatstaven die David aanlegde met betrekking tot de waarheid, ook niet altijd goed waren (zie 1 Samuël 20 vers 6; 21 vers 2 en verder). Bij de Heere Jezus zien we daarentegen dat Hij door Zijn heiligheid precies de valsheid en arglistigheid van Zijn tegenstanders aanvoelde (Lukas 20 vers 20 geeft ons daarvan een voorbeeld). Hoe meer een christen zich ophoudt in het licht, hoe meer hij te lijden heeft onder de verdorven atmosfeer van deze wereld. In tegenstelling tot de verdrietige ervaring met de leugenachtige, huichelachtige en hoogmoedige taal van de mensen (vers 3 en 4) zal hij de reinheid en de praktische waarde van het Woord van zijn God (vers 7) meer waarderen. "Uw Woord is de waarheid" (Johannes 17 vers 17; Psalm 119 vers 140).
De Heere Jezus zegt over deze verdrukking - waar het overblijfsel van Juda in de eindtijd doorheen moet gaan - dat er vanaf het begin van de schepping niet zo'n verdrukking geweest is en ook nooit meer zijn zal (Markus 13 vers 19).
Daarom kunnen we die angstkreet heel goed begrijpen: "Hoe lang?" Aan het begin van deze Psalm worden die woorden tot vier maal toe uitgesproken en we komen ze ook in andere Psalmen tegen. Als antwoord daarop zal de Heere "een afgesneden zaak doen op aarde"; de Heere zal die dagen inkorten (Markus 13 vers 20; Romeinen 9 vers 28).
Hoewel een christen, naar de belofte van de Heere (Openbaring 3 vers 10), nooit door die grote verdrukking zal behoeven te gaan, kan hij zich toch voor langere tijd in een ontmoedigende en benarde situatie bevinden. Hij kan zelfs op de gedachte komen dat God hem vergeten is of dat Hij Zijn aangezicht opzettelijk voor hem verborgen houdt (vers 2). Misschien hebben wij dat zelf ook al eens ervaren. Hoe komen we dan weer uit zo'n donkere tunnel? In ieder geval moeten we onszelf niet plagen met zulke gedachten en onmiddellijk stoppen door bij onszelf te rade te gaan (vers 3). Doen we dat niet, dan zullen we echt geen antwoord krijgen op onze vragen, maar juist nog meer vermoeid en angstig worden (1 Samuël 27 vers 1). Laten we in plaats van zo te reageren, toch denken aan die triomferende uitroep: "Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid of vervolging..." (Romeinen 8 vers 35 en verder).
De herinnering aan Zijn goedheid en redding is het grote geheim waardoor ons vertrouwen en onze vreugde opnieuw opgewekt zullen worden (vers 6).
Wie voor alle bewijzen die God van Zijn macht en liefde geeft, zijn ogen toesluit, zijn hart verhardt en zegt: "Er is geen God!", die mag gerust een dwaas genoemd worden (vers 2; Psalm 10 vers 4; Jeremia 5 vers 12).
Ook al kunnen we niet zeggen dat alle mensen atheïsten zijn, toch missen ze zeker het juiste verstand, het juiste begrip. Er is immers niemand die uit zichzelf God zoekt, ook al moet hij soms toegeven dat Hij wel bestaat - tenzij... God dit in zijn hart bewerkt! Het beeld van de mensheid, zoals God dat vanuit de hemel ziet, is vreselijk. Laten we echter niet vergeten dat wij - u en ik - van nature ook bij dit opstandige en verdorven mensenras behoorden. Lees maar eens wat de apostel Paulus daarover schrijft aan Titus: "Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende" (Titus 3 vers 3).
Als we eerlijk durven zijn, dan moeten we toegeven dat we onszelf, of iets van onszelf, in deze beschrijving herkennen. Of niet dan? Wat stond het er ontzettend triest met ons voor! Gelukkig gaat Paulus verder: "Maar wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest; Die Hij rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onze Zaligmaker" (Titus 3 vers 4 - 6).
Wat een verschil! Wat een reden om op onze knieën neer te vallen en de Heere te danken! Hebt u dat vandaag al gedaan?
Gisteren hebben we in Psalm 14 gelezen: "Er is niemand die goed doet". En in Psalm 15 mag dan ook terecht de vraag gesteld worden: "Wie zal verkeren in Uw tent?"
De eerste drie verzen van Psalm 14 worden in Romeinen 3 aangehaald en daar wordt die heerlijke waarheid, die ook ons betreft, geopenbaard. Uit zulke mensen, die slechts hebben laten zien zondaars te zijn, wil God, zonder voorbehoud, hen rechtvaardigen die geloven (Romeinen 3 vers 10 -12 en 22 - 26).
Zagen we gisteren dat ons barmhartigheid bewezen is, dan mogen we vandaag zien dat God als het ware nog een stapje verder gaat. Hij rechtvaardigt! Dat betekent dat er van ons vroegere leven als zondaar niets, maar dan ook werkelijk niets meer zichtbaar is voor Hem. God ziet ons alsof wij nooit gezondigd hebben! Alle vuiligheid is volledig weggewassen! "Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed, ... Hem... zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen!" (Openbaring 1 vers 5 en 6).
En dan mag je verkeren in Zijn tent en wonen op de berg van Zijn heiligheid (vers 1). Is dat niet kostbaar?
De karaktereigenschappen die de trouwe Israëliet openbaart, zoals we die in deze Psalm vinden, zijn dezelfde die de genade bij een christen wil bewerken. Dat zijn: gerechtigheid en waarheid in de wandel, in daden en woorden; welwillend tegenover je naaste staan; onderscheiding van goed en kwaad naar de Goddelijk maatstaf (lees Jesaja 33 vers 15 en 16).
Uit de teksten die in Handelingen 2 vers 25 en 13 vers 35 aangehaald worden, blijkt dat deze Psalm direct betrekking heeft op de Mens Christus Jezus. Wie anders dan Hij zou durven en kunnen zeggen: "Ik stel de HEERE gedurig voor mij" (vers 8)?
In deze Psalm zien we Hem niet als de Verlosser (dat vinden we in Psalm 22), maar als het Voorbeeld; niet als de Zoon van God, maar als de Man van geloof. Als Zoon is het voor Hem immers niet nodig om bewaard te blijven (vers 1), en Zijn goedheid is gelijk aan de goedheid van God Zelf (vers 2; zie ook Markus 10 vers 18).
Maar het vertrouwen, de afhankelijkheid, de volharding, het geloof, kortom alle gevoelens die we in deze Psalm naar voren zien komen, zijn menselijke gevoelens met betrekking tot een God die gekend en geëerd wordt. Om dit in volmaaktheid te openbaren, is Christus op deze aarde gekomen om hier als Mens te leven (en onder wat voor omstandigheden!) â maar als een Mens zonder zonde!
Hij toont hier aan God de HEERE onderworpen te zijn (vers 2). En Zijn vreugde vindt Hij in de gelovigen (vers 3), in het deel dat de Vader voor Hem bewaard heeft (vers 5 en Hebreeën 12 vers 2) en ten slotte in God Zelf (vers 8, 9 en 11). Hij heeft vertrouwen, zelfs tot in de dood (vers 10).
Wonderbare weg, waarin Zijn God een welgevallen had! De weg die Hij ons gebaand heeft, opdat wij in Zijn voetsporen zullen treden.
In Psalm 16 hebben wij het vertrouwen van de volmaakte Mens bewonderd. In Psalm 17 wordt ons Zijn gerechtigheid onder de aandacht gebracht. Maar bovenal wordt dit natuurlijk voor Gods aangezicht gebracht, Die daarin Zijn volledige bevrediging vindt.
Mensen kunnen alleen maar de wandel zien, maar God gaat verder en beoordeelt de beweegredenen die deze wandel bepalen.
Psalm 11 vers 5 leerde ons: "de HEERE proeft de rechtvaardige". Hier vinden we het resultaat van de zorgvuldige beproeving van het hart van de Heere Jezus: "Gij vindt niets; hetgeen Ik gedacht heb, overtreedt Mijn mond niet" (vers 3; vergelijk Johannes 8 vers 25). Onvergelijkbaar Voorbeeld! Laten wij erom denken dat onze gedachten altijd in volmaakte overeenstemming zijn met onze woorden en omgekeerd ook!
Laten we anderzijds ook het Woord van God leren kennen en leren toepassen, zoals Hij het gedaan heeft! Hij heeft het Woord gebruikt om Zich tegen gewelddadigheden, tegen satan zelf, te beschermen (vers 4; Mattheüs 4 vers 4, 7 en 10).
De verzen 14 en 15 onderstrepen de tegenstelling tussen "lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is" en de Rechtvaardige (Christus, maar dit geldt ook voor de gelovige), Wiens deel hemels is (Psalm 16 vers 5). Hoewel Hij hier lijdt ter wille van de gerechtigheid, denkt Hij aan de opstanding en aan het Onderwerp van Zijn genegenheden: "Ik zal verzadigd worden met Uw beeld" (vers 15; vergelijk Psalm 16 vers 11).
Deze Psalm bevat een grote profetie die de dood, opstanding, verhoging, definitieve overwinning en het koningschap van de Messias omvat. De verzen 2 - 4 geven het thema aan dat nadien uitvoerig behandeld zal worden: hoe de Knecht des HEEREN (zie het opschrift in vers 1) gered werd.
De Heere Jezus leert ons door Zijn eigen ervaring wat God betekent voor iedereen die op Hem vertrouwt. "De uitnemende grootheid van Zijn kracht is aan ons, die geloven" bewezen in de opstanding van Christus, Zijn hemelvaart en de plaats die Hem gegeven is, over al Zijn vijanden (lees Efeze 1 vers 19 - 21). Wat God voor de Heere Jezus in het uur van Zijn benauwdheid (vers 7), in Zijn ongeval (ongeluk) (vers 19) geweest is, dat is Hij ook voor ons. En de beproevingen die wij ondergaan, zijn ook gelegenheden waardoor we Hem op een nieuwe wijze mogen leren kennen.
Ben ik moe en voel ik me uitgeput? Hij is mijn Kracht. Begint mijn geloof te wankelen? Hij is mijn Rots.
Bedreigt mij gevaar? Hij is mijn Burg, een Hoog Vertrek, waar ik altijd toevlucht kan vinden (Psalm 9 vers 10).
Ben ik in strijd verwikkeld met de vijand? Hij is mijn Schild, Die mij tegen de aanvallen beschermt.
Voor de Heere Jezus was deze redding het gevolg van Zijn gerechtigheid (vers 20 en 25). En alleen op grond van het feit dat wij met Hem verbonden zijn, mogen ook wij verzekerd zijn van uitredding.
De Heere Jezus vindt er een welgevallen in, om ons God voor te stellen, Wiens weg volmaakt en Wiens Woord gelouterd is (vers 31; Spreuken 30 vers 5).
In het eerste gedeelte van deze Psalm heeft Hij ons door Zijn voorbeeld geleerd God aan te roepen in onze nood. Hier onderwijst Hij ons om in onze wandel (vers 34 en 37) en strijd (vers 35, 36 en 40) op Hem te vertrouwen.
Weten we uit eigen ervaring wat het wil zeggen, op hoogten te staan (vergelijk Habakuk 3 vers 19)? Vanaf de top van een berg geniet je een vrij en ver uitzicht (zie Jesaja 33 vers 17). Laten we ons eens bezighouden met het uitzicht dat het slot van deze Psalm ons geeft.
De blikken richten zich op de toekomst, op het moment waarop God de vijanden van Zijn Zoon zal vernietigen. Aan de horizon verschijnt al het morgenrood van Zijn heerschappij. Hij zal als Vorst over Zijn volk Israël heersen, maar ook tot Hoofd over de volken gesteld worden. Laten we toch eens nadenken over deze Koning der koningen, Die in macht over het hele aardrijk zal regeren en door Zijn tegenwoordigheid alle ketenen zal verbreken. Dat de volken Hem eren â en allen zullen dat doen tijdens Zijn heerschappij â dient tot verheerlijking van God (Filippensen 2 vers 11).
Maar wij, die uit het midden van de volken uitgenomen zijn, hebben nu al het grote voorrecht tot eer van Zijn grote Naam lofliederen te mogen zingen (vers 50; aangehaald in Romeinen 15 vers 9). Laten we Hem deze lof niet onthouden!
God heeft Zich door middel van twee getuigenissen geopenbaard. Het eerste getuigenis is dat van Zijn schepping (vers 2 - 7). Ook al kan de schepping geen woorden uitspreken, toch is door haar taal Gods macht en wijsheid tot aan de uiteinden van de aarde bekendgemaakt (Handelingen 14 vers 17). Dat de zon met regelmaat opkomt en ondergaat en haar weldadige licht en warmte uitstraalt over de hele schepping, is het voortdurende bewijs van Gods goedheid voor al Zijn schepselen (Psalm 136 vers 8; Mattheüs 5 vers 45).
Het tweede getuigenis dat God gegeven heeft, is dat van Zijn Woord (vers 8 - 12). Het is heilig, rechtvaardig, goed en geestelijk. Dat geldt zelfs voor de tijd waarin het alleen nog maar om de wet ging, die aan Israël gegeven werd (Romeinen 7 vers 12 en 14). Hoe veel meer waarde moet dat Woord dan nu voor ons hebben, nu het compleet is!
Dit voortreffelijke Woord beleert de knecht (vers 12) en treft zijn geweten. (Dit geweten vormt in ieder mens het derde getuigenis.) Het brengt de verborgen zonden (die per vergissing zijn begaan, vers 13) aan het licht, maar ook de bewuste zonden: de eigen wil, een vrucht van de trots en hoogmoed van de mens. (Over het onderscheid tussen deze beide vormen van zondigen, kunnen we ook iets lezen in Numeri 15 vers 27 - 30.)
Aan het begin van de Brief aan de Romeinen vinden we dit drievoudige getuigenis ook vermeld: de schepping (hoofdstuk 1 vers 20), het geweten (hoofdstuk 2 vers 15) en de wet (hoofdstuk 2 vers 17). Dit is om de toestand waarin de mensen zich bevinden, duidelijk te openbaren en tevens om hen tot het heil te leiden.
God heeft deze wereld nog een ander getuigenis gegeven dan die welke al in Psalm 19 genoemd zijn, een levende Getuige: Jezus Christus. Psalm 16 vers 3 toont ons de volmaakte Mens Die al Zijn lust in de gelovigen, "de heiligen" en "de heerlijken" op aarde, heeft. We kunnen zeggen dat Zijn hele hart naar hen uit gaat.
In Psalm 20 zien we juist het tegenovergestelde; daar lezen we dat de Heere Jezus het Middelpunt van alle aandacht en genegenheid van de Zijnen is. Zij zeggen tegen Hem, Die het op het kruis moest uitroepen "Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet" (Psalm 22 vers 3): "De HEERE verhore U! ...De HEERE vervulle al Uw begeerten!" (vers 2 en 6). En dan volgt de zekerheid van het geloof: "Hij zal Hem verhoren!" (vers 7). (In sommige Bijbelvertalingen zien we aan het eind van Psalm 22 vers 22 de glorieuze uitroep van Zijn bevrijding: "Gij hebt Mij geantwoord!")
Daarna denken de gelovigen pas aan zichzelf en smeken: "Die Koning verhore ons ten dage van ons roepen" (vers 10). O, dat wij het ons ook meer bewust mogen zijn wat dit alles voor de Heere Jezus geweest is: Zijn eenzaamheid, aansluitend Zijn bevrijding en de heerlijke gevolgen hiervan voor ons.
"Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden de Naam van de HEERE, onze God" (vers 8). De moderne mens beroemt zich meer en meer op alles wat hij presteert, de snelle middelen van vervoer die ze hebben ontworpen en dergelijke. Voor de christen is het echter een eer Christus te mogen toebehoren en Zijn "goede Naam" te dragen (Jakobus 2 vers 7).
In Psalm 20 wenden de gelovigen zich tot hun Koning. Nu spreken ze tot God over deze Koning (vers 2 - 8). Dat is een onderwerp â of beter gezegd: Hij is het Onderwerp â in Wie het hart van God een welgevallen heeft! Het hoofddoel van echte christelijk godsdienst is: het aan de Vader voorstellen van Hem in Wie Hij al Zijn welgevallen heeft, Zijn Zoon Jezus Christus! Laten we dat nooit vergeten!
De "zegeningen van het goede" (vers 4), die Hij nu geniet, komen juist naar voren wanneer ze in verbinding met het lijden en de smaad die Zijn deel waren, gezien worden.
Op de doornenkroon volgt een kroon van gedegen goud; op het verdelen van Zijn kleding, de majesteit en pracht waarmee God Hem bekleed heeft (Psalm 45 vers 7 - 9). Op de smaadheid van het kruis volgt de heerlijkheid van Zijn opstanding (vers 5). Ja, Hij Die voor ons tot een vloek gemaakt werd, is nu voor altijd tot zegen gesteld. En Hij van Wie God Zelf Zich drie uren moest afwenden, is opnieuw vervuld met vreugde van Zijn aangezicht (vers 7).
Waarom heeft de Geest van God de volgorde van Psalm 21 en 22 niet omgewisseld? Zou het niet juist daarom zijn, dat God Zijn Zoon met deze zegeningen 'voor wilde zijn'? God had deze zegeningen al voor Hem toebereid en Hem die al van tevoren gegeven (vergelijk Johannes 17 vers 4 en 5). En Hij wil ook niet dat wij ons met het ernstige thema van het verlaten zijn van Zijn Geliefde bezighouden (Psalm 22) zonder ons eerst een zeker begrip van Zijn heerlijkheden te geven.
Wanneer we op deze plaats in de Heilige Schrift zijn aangekomen, past het ons de opdracht van Mozes na te volgen: "Trek uw schoenen uit van uw voeten; want de plaats, waarop gij staat, is heilig land" (Exodus 3 vers 5). Deze Psalm geeft namelijk iets weer van de gevoelens en gebeden van de Heere Jezus, terwijl Hij aan het kruis hangt.
Na overgeleverd te zijn aan alle boosheid van de mensen en geleden te hebben ter wille van de gerechtigheid, moest Hij in die drie uren van diepe duisternis het verlaten zijn van Zijn sterke God ervaren. Helemaal alleen gaat de volmaakte Mens door deze onvergelijkbare beproeving. Het enige houvast dat Hij heeft, is Zijn onvergelijkbare liefde. Geen enkel moment wankelt Zijn vertrouwen in Hem, Die Hem voor een korte tijd niet kán antwoorden.
Openlijk spreekt de HEERE over Zijn schande en zwakheid (vers 2, 3 en 7), zonder echter ook maar een enkel teken van ongeduld, hopeloosheid of verdediging te tonen.
De mens is bij het kruis tot het uiterste gegaan. Hij heeft getoond waartoe hij in staat is in al zijn haat, gewelddadigheid, verachting en gemeenheid (vers 7 - 9, 13,14, 17 - 19).
Maar ook God heeft ten volle getoond Wie Hij is: volmaakt rechtvaardig tegenover de zonde, volmaakt in liefde voor de zondaar. Dat is de roem van het kruis!
Moge het overdenken van de Heere Jezus, hoe Hij daar aan het kruis stierf, in onze harten diepe verootmoediging en dankbaarheid, eerbied en aanbidding bewerken.
In vers 22 staat: "verhoor Mij"; in andere Bijbelvertalingen: "Gij hebt Mij geantwoord". Daar krijgt Hij, Die tussen "de hoornen der eenhoornen" is, antwoord op Zijn smeken (vergelijk vers 3 met 22). Dat is de opstanding en tegelijkertijd de vreugde van de herwonnen gemeenschap. In Zijn grote liefde haast de Heere Zich om deze vreugde met anderen te delen. Zijn eerste gedachte gaat uit naar Zijn "broeders"; Hij wil hen bekend maken met de nieuwe betrekking waarin zij nu door Zijn werk op het kruis gebracht zijn. Hij spreekt tot hen over Zijn Vader, Die hun Vader geworden is en van Zijn God, Die hun God is (vers 23; Johannes 20 vers 17).
In tegenstelling tot de andere Psalmen die het lijden van Christus als onderwerp hebben, is hier geen sprake van oordeel. De Heere Jezus draagt hier de zonden, en ten gevolge daarvan is alles slechts genade en zegen: zegen
- voor de gemeente (in het begin bestaande uit joodse
discipelen: vers 23, aangehaald in Hebreeën 2 vers 12);
- voor het herstelde Israël, in vers 26 aangeduid als "een grote gemeente";
- voor "alle geslachten der heidenen", in het duizend jarig rijk (vers 28 en 29);
- en ten slotte voor allen die in de tijd van deze heerlijke heerschappij geboren zullen worden.
Zoals de kring van golven vanuit het midden steeds wijder wordt, zo verspreiden de wonderbare en veelvoudige gevolgen van het werk op het kruis zich uit over de hele schepping.
En nu kunnen we misschien iets meer begrijpen waarom de Heere Jezus verlaten werd (vergelijk vers 2).
De goede Herder heeft Zijn leven gegeven voor Zijn schapen (Psalm 22; Johannes 10 vers 11). Nu gaat Hij voor hen uit en weidt hen vol liefde; ze zullen aan niets gebrek hebben, omdat Hij bij hen is en voor hen zorgt. De schapen, deze zwakke en afhankelijke schepsels â een beeld van onszelf (!) âervaren elke dag opnieuw de zorg van de Herder (Jesaja 40 vers 11 en 49 vers 10).
Terugblikkend moeten we constateren dat we nergens gebrek aan hebben gehad (Lukas 22 vers 35), maar het geloof zegt ook: "mij zal niets ontbreken" (tenminste niets van dat wat mijn ziel nodig heeft, want die wordt verkwikt -vers 3).
De Heere Jezus leidt mij aan stille wateren, maar ook "in het spoor der gerechtigheid". Dat is Hij aan Zijn Naam verplicht.
Vanaf vers 4 richt het schaap zich direct tot Hem: "Gij zijt met mij...". In zulk Gezelschap jaagt zelfs "een dal van schaduw des doods" geen angst meer aan. De stok en staf van de goede Herder verzekeren mij, dat Hij mij zal beschermen, ook voor afdwalingen.
Zonder bang te hoeven zijn voor de aanwezigheid van machtige vijanden, mag ik aan de koninklijke tafel gaan zitten, waar een plaats voor mij bereid is. Die uitnodiging geldt niet alleen af en toe, maar voor "al de dagen mijns levens" (vergelijk 2 Samuël 9 vers 13). En dát in het Huis van de God van goedheid en genade, in het Huis van mijn Vader! In het geloof mag ik mij nu al in Zijn nabijheid bevinden, in de verwachting straks voor altijd bij Hem te zullen wonen.
In Psalm 22 vinden we de Verlosser. Dat is verleden tijd; het kruis, waarmee alles is begonnen.
Psalm 23 spreekt van de tegenwoordige tijd. We doen ervaringen op met de Herder.
Psalm 24 ontvouwt de toekomst; daar bewonderen we de Koning der heerlijkheid.
Al deze Psalmen zijn geschreven door David, de man die verwerping en lijden kende, maar die ook de herder van Israël (2 Samuël 5 vers 2) en de heerlijke koning van Sion was.
Psalm 24 begint met het bevestigen van het recht van de Heere over deze aarde. Het kruis werd op deze aarde opgericht (Psalm 22). Nu is deze aarde nog "een dal van schaduw des doods" (Psalm 23). Maar al heel spoedig zal God Zijn troon hier oprichten." De aarde... en die daarin wonen" zullen dan Hem, Wiens eigendom ze zijn, erkennen en zich aan Zijn heerschappij onderwerpen. Sommigen zullen slechts onder dwang daartoe besluiten, "geveinsd" zoals Psalm 18 vers 45 het zegt. Maar wij, laten wij nu al, vandaag, de Heere Jezus uit liefde gehoorzamen!
Om aan het koninkrijk deel te kunnen hebben, moeten de burgers de karaktertrekken van dit koninkrijk vertonen (vers 4 - 7). De Heere Jezus heeft die vanaf het begin van Zijn openbare dienst bekendgemaakt (vergelijk vers 5 met Mattheüs 5 vers 8). Hij was de Koning, de Messias van Israël, maar Zijn volk heeft Hem verworpen en daarom is Hij uitgegaan, Zijn kruis dragende (Johannes 19 vers 5 en 17). Wij zien Hem nu al, hoe Hij als de HEERE Zelf, als Koning der heerlijkheid in het rijk van zegen is ingegaan (Hebreeën 1 vers 3 en 2 vers 9).
De Psalmen 16 tot en met 24 hebben ons hoofdzakelijk Christus, de Messias, onder de aandacht gebracht. Psalm 25 is als het ware het begin van een nieuwe 'serie' (de Psalmen 25 tot en met 39), waarin over het 'overblijfsel' en de gelovigen in het algemeen gesproken worden. De Psalmen kunnen in verschillende groepen ingedeeld worden, die alle een bepaald hoofdthema hebben.
Bij de Psalm voor vandaag willen we speciaal de aandacht richten op twee gebeden: het eerste in vers 4 tot en met 7 en het tweede in vers 16 tot en met 22. Laten we ons in het bijzonder de woorden van vers 4 en 5 eigen maken: "Leid mij in Uw waarheid" (vergelijk met Psalm 43 vers 3). Voor de apostel Johannes is het een oorzaak van grote vreugde, in het gezin van "de uitverkoren vrouw" kinderen aan te treffen "die in de waarheid wandelen" (2 Johannes vers 4).
Maar hoe kun je voorwaarts gaan zonder de weg en de paden te kennen? Die leert God ons en de verzen 8 tot en met 10 en vers 12 laten zien hoe je vooruitgang kunt boeken. In ieder geval is daarbij één ding noodzakelijk: "De verborgenheid des HEEREN is voor hen, die Hem vrezen" (vers 12 en 14). "Verborgenheid des HEEREN" betekent hier dat je een vertrouwde omgang met de Heere hebt en dat Hij je Zijn gedachten kan meedelen. Met andere woorden: God openbaart Zijn gedachten en maakt Zijn Woord bekend aan hen die bereid zijn zich aan Hem te onderwerpen.
Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom er zoveel onwetendheid in de christenheid â en vaak ook bij onszelf âgevonden wordt.
In Psalm 25 had de gelovige zonden te belijden (vers 7, 11 en 18) en zijn gebed was: "Leid mij in Uw waarheid".
In Psalm 26 verandert zijn toon van spreken. Nu staat hij met een goed geweten voor God (vers 1 en 2) en kan hij zeggen: "Ik wandel in Uw waarheid" (vers 3). Hij is één van de gelukzaligen die zich, volgens Psalm 1 vers 1, niet gevoegd hebben bij de goddelozen (vers 4 en 5). Al zijn gedachten worden nu in beslag genomen door, en concentreren zich op, heilige dingen (zoals we die in vers 6 en 7 vinden). Nadat hij zijn handen in een koperen wasvat gewassen heeft, met andere woorden: nadat hij zelfoordeel heeft toegepast, gaat hij nu rondom het altaar. Daar beziet hij 'van alle kanten' het werk aan het kruis en Hem Die het volmaakte offer was. Daarna opent hij zijn mond "om te doen horen de stem des lofs", en spreekt hij van "al Uw wonderen", die in genade bewerkt zijn (vers 7).
Het christelijke leven bestaat niet alleen uit het zich verre houden van ongerechtigheid. Nadat het kind van God zich gereinigd heeft van de vaten tot oneer, vindt hij anderen die samen met hem de Heere aanroepen uit een rein hart (2 Timotheüs 2 vers 21 en 22). Dan mag de gelovige, die "de vergadering des boosdoeners" (vers 5) verlaten heeft, zich verheugen over de woonplaats van de heerlijkheid van zijn God (vers 8) en Hem "loven in de vergaderingen" (vers 12).
Is de tegenwoordigheid van de Heere Jezus in het midden van de twee of drie die in Zijn Naam vergaderd zijn, ook een vreugde voor ons hart (Mattheüs 18 vers 20)?
Uit deze Psalm straalt het volle vertrouwen dat de gelovige heeft in Hem, Die zijn Licht, zijn Heil en levenskracht is (vers 1; vergelijk Psalm 18 vers 28 tot en met 30). De Brief aan de Efeziërs bevestigt dat de Heere zowel het Licht als ook de Sterkte van de christen is (Efeze 5 vers 14 en 6 vers 10).
Wie heeft dit vertrouwen op God meer getoond en in praktijk gebracht dan de Heere Jezus? Zoals Psalm 22 'de Psalm van het kruis' genoemd kan worden, zo kunnen we Psalm 27 'de Psalm van Gethsémané' noemen. Het is heel aangrijpend om te zien hoe vers 2 onze aandacht bepaalt bij de gevangenneming van de Heere Jezus. Hoe men toen, onder leiding van Judas en gewapend met zwaarden en stokken, op de Heere der heerlijkheid afkwam, maar ook hoe ze allemaal terugdeinsden en op de grond vielen toen Hij die woorden uitsprak: "Ik ben het" (Johannes 18 vers 6).
De Psalmist vindt toevlucht in het huis van de God van Israël (vers 3 tot en met 5; vergelijk 2 Koningen 19 vers 1 en 14). Dat is een prachtig beeld van gemeenschap, "één ding" waarnaar we zouden moeten verlangen en streven. En deze gemeenschap is niet beperkt tot het uur van beproeving, maar is voor "al de dagen mijns levens". Dat is de noodzakelijke 'atmosfeer' waarin we ons moeten bevinden om de liefelijkheid van de Heere te kunnen aanschouwen en vorderingen te kunnen maken in de kennis van Hem.
Het laatste vers is als een antwoord van 'boven', om de onrust in een gelovige te kalmeren: "Wacht op de HEERE".
Het smeken zoals we dat in deze Psalm horen, heeft niets te maken met de gebeden die een christen vandaag de dag in het volste vertrouwen tegen zijn God en Vader kan uitspreken. De angst geen antwoord te zullen krijgen, de angst voor de dood, de angst om samen met de goddelozen weggenomen te zullen worden, dat zijn allemaal gevoelens van de gelovige Israëliet in de eindtijd. Deze grote nood laat juist het antwoord dat hij krijgt en de vreugde die hij daarover ondervindt, des te meer naar voren komen (vers 6 tot en met 9). "De HEERE is mijn Sterkte", zegt hij in vers 7.
Dat herinnert ons aan een gebeurtenis uit de geschiedenis van David. Bij zijn terugkeer in Ziklag komt hij in een uitgebrande stad, de inwoners zijn als gevangenen weggevoerd en het volk wil hem zelfs stenigen. Hij is in grote nood! En dan sterkt hij zich in de HEERE zijn God (1 Samuël 30 vers 6).
Het is voor ons soms ook nodig, net zoals bij David het geval was, dat we eerst onze eigen grote zwakheid ervaren, voordat we het willen toegeven dat onze sterkte alleen in de Heere te vinden is (2 Korinthe 12 vers 10).
Laten we er eveneens op letten dat het antwoord van God in het hart van de gelovige lof voortbrengt. En laten we dan ook nooit vergeten Hem deze lof te brengen (Jesaja 25 vers 1)!
Vanuit profetisch oogpunt gezien, kondigt deze Psalm het moment aan waarop de machtigen van deze aarde zich zullen moeten onderwerpen aan de God van Israël. De eer en de macht die de mens zichzelf graag wil toe-eigenen, komen alleen God toe. En ze zullen Hem dan daadwerkelijk gegeven worden, wanneer Hij het goed acht Zijn stem te verheffen en Zijn rechten op te eisen (de stem van God wordt in deze Psalm zeven keer genoemd). De heerschappij van de volken (deze "kinderen der machtigen") over Israël zal een einde hebben, want "de HEERE zal Zijn volk sterkte geven", wanneer Hij "Koning in eeuwigheid" zal zijn (vers 10 en 11).
Is deze stem van de Schepper niet geweldig en wonderbaar? Alle mensen zijn in staat deze stem te horen. God spreekt tot hen door natuurverschijnselen: wind, onweer, lawines of aardbevingen..., waardoor zij van Zijn grootsheid overweldigd en met vrees vervuld worden. Helaas... is dat meestal maar van korte duur!
God heeft Zich echter vooral door Jezus Christus, het Mens-geworden Woord, tot deze wereld gericht (Johannes 1 vers 14 en 18 vers 37). Die stem van Goddelijke macht "op de grote wateren" (vers 3) weerklonk, toen Hij met een paar woorden de storm tot zwijgen bracht (Markus 4 vers 39). Het is echter ook die zachte stem van liefde, de stem van de goede Herder.
Ook vandaag kunnen we deze stem nog steeds horen in Zijn Woord. Laten we er toch naar luisteren!
Hoewel de verzen 2 tot en met 6 waar zullen zijn voor het overblijfsel van Israël, mogen ze ook dienen tot bemoediging van alle verlosten. Deze woorden herinneren hen er aan, wanneer ze door een "lichte verdrukking" hebben te gaan, dat dit voor hen "een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid" bewerkt (2 Korinthe 4 vers 17). Op de tranen, die in de donkere nacht van deze wereld nog het deel van velen zijn, zal spoedig het gejuich in de morgen van de eeuwige dag volgen.
Zelfs in de nacht, te midden van beproevingen, bezit hij die de Heere kent, een innerlijke vreugde, waardoor hij in staat is te zingen (Psalm 42 vers 9; Job 35 vers 10). Op die manier mag hij voor zijn omgeving nog een geweldig getuigenis afleggen (Handelingen 16 vers 24 en 25).
Het gevaar bestaat echter ontmoedigd te worden in de beproeving! Aan de andere kant loopt een gelovige die het voor de wind gaat, het risico dat hij daarop gaat vertrouwen ("mijn berg", zegt de Psalmist in vers 8). Dan voelt God Zich gedwongen om in te grijpen en laat Hij de fundamenten van deze "berg" wankelen, opdat de gelovige weer naar Hem gaat zoeken (vers 7 tot en met 9).
De welvaart in deze wereld wordt maar al te gauw tot een verhindering voor ware gemeenschap met de Heere. Daarom kan het nuttig zijn voor ons dat die welvaart ons ontnomen wordt. Wat is het middel om aan deze gevaren te ontkomen? We moeten als het ware uitstijgen boven de tegenwoordige nacht en verder kijken dan onze "berg" en alle dingen bezien in het licht van de gelukzalige eeuwigheid die ons wacht.
"Op U, o HEERE! betrouw ik", zegt de gelovige nu vol overtuiging (vers 2), in vers 7: "...en ik betrouw op de HEERE" en in vers 15 nog een keer: "Maar ik vertrouw op U, o HEERE!"
Te midden van de stormen die mensen ontketenen, klampt de gelovige zich vast aan deze zekerheid. Hij heeft zijn toevlucht niet meer gezocht bij zijn eigen "berg" (Psalm 30 vers 8), maar vertrouwt op God, zijn onwankelbare Rots (vers 4). "Wees mij tot een sterke Rotssteen", zegt hij in vers 3 en vervolgens in vers 4: "Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg". Niemand zal ooit in staat zijn een gelovige, die op dit Fundament staat, te doen wankelen (Mattheüs 7 vers 25). Beste vriend(in), hebt u op deze Rots gebouwd?
In ons bestaan komt misschien een moment waarop we dit vertrouwen meer nodig zullen hebben dan ooit tevoren. Dat is op het laatste ogenblik van ons leven, wanneer we alles los moeten laten en door de dood zullen gaan. Onze ziel kan in die donkere gang geen enkel steunpunt vinden dan alleen bij God, op Wie wij hier en voor altijd ons vertrouwen gesteld hebben (Spreuken 14 vers 32).
Laten we naar ons onvergelijkbaar Voorbeeld kijken. Op het moment van Zijn sterven brengt Christus Zijn grote vertrouwen tot uitdrukking in de woorden aan het kruis: "Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest" (vers 6; Lukas 23 vers 46; zie ook Psalm 31 vers 16).
"...alle voornemen onder de hemel heeft zijn tijd. Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven... Een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen..." (Prediker 3 vers 1 tot en met 8). Al onze tijden zijn echter in de hand van onze God! Hij heeft van tevoren de gevolgen en de duur van iets bepaald, vooral als het gaat om een bepaalde tijd van beproeving. En laten we vers 16 ook altijd in gedachten houden bij het maken van onze plannen.
Behalve bescherming en redding vindt de ziel bij de Heere nog iets kostbaars: een grote, wonderbare goedheid of goedertierenheid (vers 20 en 22). Dat is bestemd voor hen die God vrezen en op Hem vertrouwen (Psalm 34 vers 10). We hoeven niet bang te zijn dat deze Goddelijke goedertierenheid ooit op zal raken.
Maar hoe beantwoorden wij deze goedertierenheid? Vers 24 leert ons: "Hebt de HEERE lief, gij, al Zijn gunstgenoten!" Dat is "het eerste en het grote gebod" van de wet (Mattheüs 22 vers 37 en 38) en dat is niet moeilijk (zie 1 Johannes 5 vers 2 en 3), want de goedertierenheid van de Heere begrijpen, betekent al dat we Hem liefhebben! Ja, laten we ons veel met Zijn liefde voor ons bezighouden (1 Johannes 4 vers 19), opdat onze liefde tot Hem in onze harten wordt aangewakkerd en gevoed. Uit Zijn eigen liefde zal onze liefde voortkomen en leven.
Hoe meer de ziel heeft gezucht onder de last van de zonden, hoe meer zij nadien ook het geluk zal genieten, zoals we dat in de verzen 1 en 2 vinden. Hoort u bij die gelukzaligen?
Zo niet, dan laat vers 5 u de weg zien hoe u gelukkig kunt worden (vergelijk Lukas 15 vers 18). "Mijn ongerechtigheid bedekte ik niet", wil zeggen dat je alles beleden hebt. Aan deze voorwaarde moet worden voldaan, opdat God mijn zonden kan bedekken (vers 1).
Probeer ik ze echter te verbergen, dan zal God ze vroeg of laat aan het licht moeten brengen (Mattheüs 10 vers 26).
Het eerste werk dat God aan ons doet, is ons geweten wakker schudden. Zijn hand rust daar heel zwaar op, totdat de zondaar tot bekering komt, waarop God dan onmiddellijk vergeving schenkt.
Dit laatste begrip wordt ons in deze verzen vanuit drie verschillende gezichtspunten duidelijk gemaakt. Ten eerste het wegnemen van een last, dan het toedekken van de zonde en ten slotte het opheffen van de schuld.
Daarna volgt de wandel. Laten we toch niet lijken op redeloze lastdieren, zonder verstand, die door druk van buitenaf geleid moeten worden. Toom en bit zijn beelden van de moeizame middelen die God moet gebruiken als we niet tot Hem willen naderen (vers 9; vergelijk Spreuken 26 vers 3).
Hoe veel beter is het als wij ons direct door het Woord en in gemeenschap met de Heere laten onderwijzen, beleren en raad laten geven (vers 8)!
Vers 1 begint weer met de eindconclusie van het laatste vers van de voorgaande Psalm. Hij die door de vergeving van zijn zonden tot een rechtvaardige geworden is, wordt opgeroepen om zich te verheugen en de Heere te loven. Dat is het deel, ja, de opdracht aan elke gelovige.
Deze Psalm heeft echter direct betrekking op het toekomstige Israël, als hen de verwerping van de Messias zal zijn vergeven. Hun lofgezang zal in verbinding staan met drie belangrijke onderwerpen:
De trouw van God (vers 4 tot en met 9): Hij is de Schepper van alle dingen;
De wijsheid van God (vers 10 tot en met 17): Hij neemt nota van alles en regeert de volkeren;
De goedertierenheid van God (vers 18 tot en met 22): Deze goedertierenheid is er voor allen die op Hem vertrouwen.
Het nieuwe lied (vers 3) staat hier in verbinding met een nieuwe aarde, die God van ongerechtigheid gereinigd en met Zijn goedertierenheid vervuld zal hebben. De beraadslagingen van de heidenen en de gedachten van de volken zullen teniet gedaan zijn, opdat de eeuwige raadsbesluiten van God en de gedachten van Zijn hart in vervulling kunnen gaan (vers 10 en 11). Door Zijn Woord zijn de hemelen geschapen (vergelijk vers 6 en Hebreeën 11 vers 3). Dit Woord vormt ons en werkt nu in ons, en in de toekomst zal Het ook op een herstelde aarde in vervulling gaan. God kijkt vanuit de hemel neer naar alle bewoners van de aarde (vers 13 en 14). Maar volgens Zijn belofte in Psalm 32 vers 8 gaat Zijn waakzaam oog vooral uit naar hen die Hem toebehoren en die op Zijn goedertierenheid vertrouwen (vers 18; zie ook Psalm 34 vers 16).
De Geest van God heeft gebruik gemaakt van een droevige periode in de geschiedenis van David om hem later de woorden van deze Psalm te dicteren. Hij laat ons daardoor zien dat al onze omstandigheden, ook de meest vernederende in ons leven, uiteindelijk daartoe kunnen leiden dat we God prijzen. Laten we "deze ellendige" navolgen, door altijd en overal de Naam van onze God te verheffen.
In vers 12 lijkt het net alsof de Heere ons met liefelijke woorden bij Zich wil laten komen: "Komt, gij, kinderen! Hoort naar Mij!" Hij heeft voor ieder van ons persoonlijk een woord van bemoediging. Wie omringd is door gevaren, krijgt weer vertrouwen door de verzen 8, 16 en 18 (zie ook Jesaja 63 vers 9). Heeft iemand verdriet of is hij in rouw? De Heere laat zien waar troost te vinden is (vers 19).
De Heere wil graag ons vertrouwen in Zijn Vader versterken, opdat wij, samen met de Heere, de Vader zullen grootmaken (vers 4).
"Smaakt", zegt Hij, "dat de HEERE goed is" (vers 9; vergelijk 1 Petrus 2 vers 3).
De Heere weet echter ook dat wij Zijn vermaning nodig hebben: "Bewaar uw tong van het kwaad... Wijk af van het kwaad, en doe het goede; zoek de vrede, en jaag die na" (vers 14 en 15; zie ook 1 Petrus 3 vers 10 tot en met 12). Petrus haalt het slot van deze Psalm niet aan, want vandaag is het nog de dag van genade. Het oordeel dat aan het eind aangekondigd wordt, is nu nog toekomst.
"De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen en rukt hen uit" (Psalm 34 vers 8). Hier wordt Hij opgeroepen de vijanden van de rechtvaardige te verjagen en te vervolgen (vers 5 en 6). Na een tijd van onvermoeibare geduld en genade, een genade die voor velen zonder gevolgen bleef, zal het overblijfsel zich, in plaats van zichzelf te wreken, aan God overgeven om door Hem bevrijd te worden. De bevrijding voor de gelovige joden zal onherroepelijk gepaard gaan met het oordeel over hen die het kwade bedrijven.
Wat ons christenen betreft, zo weten wij dat onze bevrijding niet vervuld zal worden door het omkomen van de onrechtvaardigen. Nee, onze bevrijding zal zijn als we door de Heere opgenomen worden om voor eeuwig bij Hem te zijn! De ware gelovigen en de onbekeerden blijven niet voor altijd bij elkaar. Wanneer de Heere van de hemel zal neerdalen, zullen allen die in Hem geloven, van de aarde weggenomen worden en de anderen zullen hier voor die vreselijke "ure der verzoeking" achterblijven op aarde (Openbaring 3 vers 10).
In tegenstelling daarmee zullen bij Zijn tweede komst, bij Zijn verschijnen in heerlijkheid, de gelovigen van die tijd hier juist achterblijven en dan zullen de ongelovigen verlaten worden (Lukas 17 vers 34 tot en met 36).
Wat is de natuurlijke mens toch ondankbaar. David heeft dit zelf vaak meegemaakt en spreekt dan ook uit ervaring (vers 12 tot en met 15). De Heere Jezus heeft deze ondankbaarheid echter nog veel sterker gevoeld en ondervonden: "En zij hebben Mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor Mijn liefde" (vers 12; Psalm 109 vers 5).
Ook al hebben wij niet zoveel met de boosheid van de mensen te maken als de gelovigen in deze Psalm, toch moeten we niet vergeten dat vervolging het deel was en is van veel christenen. Wat mogen we dankbaar zijn dat we in dit land nog steeds de gewetensvrijheid kennen en de vrijheid hebben om samen te komen! Te midden van Zijn volk van verlosten de Heere prijzen, mag het oprechte verlangen van de gelovigen zijn (vers 18). Waarderen wij dit grote voorrecht nog?
In Johannes 15 vers 25 verwijst de Heere Jezus naar de woorden "zonder oorzaak haten", haat die Hijzelf heeft ondervonden (vers 19). Zonder oorzaak, dat is zeker! Toch moeten wij ons niet verbazen over de haat van de wereld tegenover Christus en de Zijnen (1 Johannes 3 vers 13). Het is de haat die satan in de mensen bewerkt tegen Hem Die hem heeft overwonnen.
Kunnen we ons vreselijker gevoelens voorstellen dan die genoemd worden in de verzen 21, 25 en 26? Er bestaan maar weinig uitdrukkingen die duidelijker kunnen aangeven hoe groot de boosheid in het menselijk hart is. Er is leedvermaak bij het zien van het lijden van een Onschuldige... namelijk de Zoon van God, Die gekomen is om de mensen te redden. "Ha, ha, ons oog heeft het gezien!", roepen de spotters (vers 21). Er komt echter nog zo'n gelegenheid, zoals Openbaring 1 vers 7 ons dat zegt: "alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben." Dan wordt Hij echter niet meer gezien op het kruis, maar in Zijn volle heerlijkheid als Rechter.
Vergelijk het slot van vers 5 eens met de vermaning in Romeinen 12 vers 9: "Heb een afkeer van het boze!" De mens van deze wereld staat onverschillig tegenover de zonde (want dat te veroordelen zou immers betekenen het oordeel over jezelf uitspreken). Het tegenovergestelde is juist het geval: de mens schept behagen in de zonde en maakt het zelfs tot een geliefd onderwerp in de lectuur en films. Deze ongevoeligheid tegenover het kwaad brengt hem ertoe zich te beroemen en "hij vleit zichzelf in zijn ogen", zelfs nog ten opzichte van de grootste ongerechtigheid (vers 3; Deuteronomium 29 vers 19)!
Omdat wij als christenen gedwongen zijn in deze atmosfeer te leven, is het gevaar voor ons aanwezig dat we op een gegeven moment afgestompt raken. We zullen echter altijd een afkeer van de zonde ervaren, wanneer we terugdenken aan het kruis en de hoge prijs die daar betaald moest worden om de zonde teniet te doen (Hebreeën 9 vers 26).
De goedertierenheid van God reikt tot in de hemel, onbereikbaar voor kwade bedoelingen (vers 6 en 8). Tegelijkertijd breidt zij haar beschermende vleugels uit over de mensenkinderen (zie Psalm 17 vers 8). Maar zoals de bewoners van Jeruzalem, in de tijd dat de Heere Jezus hier op aarde was, Zijn liefde afwezen, zo willen ook nu veel mensen niets van deze toevlucht die hun aangeboden wordt, weten (Mattheüs 23 vers 37).
De bronnen van leven en het Goddelijk licht â die in vers 10 met elkaar verbonden worden â duiden op Christus, het Woord, van Wie geschreven staat: "In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen" (Johannes 1 vers 4).
Psalm 37 is geen gebed van de gelovige in verband met het kwaad dat hem overkomt, zoals bij de meeste voorgaande Psalmen wel het geval was. Het is juist het antwoord van boven dat hem ten deel valt. Hij ervaart weliswaar nog geen bevrijding waar hij zo naar verlangt, maar hij ontvangt wel de noodzakelijke hulpbronnen en aanwijzingen, waardoor hij het kwaad dat hem omringd, kan weerstaan!
Ervaren wij vaak niet hetzelfde? Als antwoord op ons gebed wordt de beproeving niet altijd direct weggenomen, maar geeft de Heere ons wel wat nodig is om die beproeving te doorstaan!
Volgens de belofte van Psalm 32 vers 8: "Ik zal u onderwijzen, en u leren... Ik zal raad geven", herkennen we dan de stem van onze liefdevolle Meester. Hij heeft het onderwijs die Hij hier geeft, Zelf doorleefd.
En omdat Hij onze arme harten kent, weet Hij heel goed dat er met het oog op het kwaad dat ons omgeeft, twee verkeerde gevoelens bij ons kunnen opkomen: toom en afgunst (vers 1, 7 en 8; Spreuken 24 vers 1 en 19). Daarom geeft Hij ons deze vermaningen, die wij vaker zouden moeten lezen: "Ontsteekt u niet' (drie keer), "vertrouw...".
Daar zijn rijke beloften aan verbonden: "Zo zal Hij u geven de begeerten van uw hart... Hij zal het maken". Ja, laten we in alles op Hem vertrouwen en Hem alleen laten handelen! De God van de vrede zal spoedig de satan onder onze voeten vertreden (vergelijk de verzen 10, 17 en 20 met Romeinen 16 vers 20).
"De gangen van die man worden door de HEERE bevestigd" (vers 23). Van nature worden wij gekenmerkt door onafhankelijkheid. Dat wij God echter voor elke stap in ons dagelijks leven nodig hebben, is een waarheid die we niet graag willen toegeven. Laten we toch niet wachten totdat we eindelijk, na steeds opnieuw gestruikeld te zijn, hiervan overtuigd zijn en pas dan aanspraak maken op de hulp van de Heere!
Deze Psalm spreekt van de rechtvaardige (zowel in enkelvoud als meervoud). Dat is de naam die aan het getrouwe joodse overblijfsel gegeven zal worden. Dit overblijfsel zal het land bezitten (vers 9, 11, 22, 29 en 34), nadat de goddelozen uitgeroeid zijn (ook dit wordt vijf maal genoemd en wel in de verzen 9, 22, 28, 34 en 38).
Een kind van God heeft vandaag het recht dezelfde titel, rechtvaardige, te dragen (Romeinen 5 vers 19).
En hoe kan een rechtvaardige nu herkend worden? Hij is genadig en geeft (vers 21). Zijn mond spreekt wijsheid en zijn tong recht; "De wet van zijn God is in zijn hart" (vers 30 en 31). Liefde, wijsheid, waarheid en vasthouden aan het Woord â zijn deze kenmerken in onze dagelijkse wandel waarneembaar?
Daartoe mogen wij rekenen op de sterkte, hulp en uitredding van God (vers 39 en 40). Het is inderdaad ondenkbaar dat de rechtvaardige verlaten zou zijn (vers 25; 2 Korinthe 4 vers 9).
En toch weten we dat "de zeer Rechtvaardige" dit wel moest overkomen (Job 34 vers 17; Psalm 22 vers 2).
Het lijkt erop, dat de lessen uit Psalm 37 begrepen zijn. De gelovige verlangt nu niet meer naar de uitroeiing van de goddelozen, die hem toch uitdrukkelijk beloofd is. In plaats van zich kwaad te maken over de bedrijvers van het kwaad, heeft hij nu een diep besef van zijn eigen zonde (vers 4 tot en met 6).
Tegelijkertijd is hij zich ervan bewust dat hij in de hand van God is, Die hem terechtwijst en tuchtigt. En zo stelt hij al zijn hoop op Hem (vers 16).
Het komt hem niet toe om degenen die hem vervolgen, zelf te antwoorden, laat staan zich op hen te wreken. "Gij zult verhoren (antwoorden), HEERE, mijn God!"
Hier herkennen wij de lessen van het Nieuwe Testament. "Vergeldt niemand kwaad voor kwaad... Wreekt uzelf niet, beminden... Ik zal het vergelden, zegt de Heere" (Romeinen 12 vers 17 en 19). Het enige antwoord waartoe wij het recht hebben om te geven, is : het goede te doen, in tegenstelling tot de "vijanden" (vers 20) die "kwaad voor goed vergelden" (vers 21).
Hun opmerkelijke beweegreden wordt ons hier bekend gemaakt: "...omdat ik het goede najaag". Het is de afgunst, het boze verlangen om juist dat weg te nemen wat in schrille tegenstelling met henzelf staat en hun eigen boosheid zo duidelijk naar voren brengt.
Dat is het ook wat die vreselijke gevoelens bij de mensen opriep om de Heilige en Rechtvaardige te doden (Johannes 10 vers 32; lees ook 1 Johannes 3 vers 12).
Om de eigen wil van een gelovige te beteugelen, moet God soms gebruik maken van toom en bit (Psalm 32 vers 9). Om zijn tong, dit kleine onbedwingbare lid, in toom te houden, zou echter vaak een muilkorf nodig zijn (vers 2; zie Jakobus 3 vers 2 en verder).
Laten wij, die vooral zoveel moeite hebben met zwijgen als ons onrecht wordt aangedaan, steeds aan het volmaakte Voorbeeld denken, aan het Lam Dat Zijn mond niet open deed (vers 10; Psalm 38 vers 14; Jesaja 53 vers 7; 1 Petrus 2 vers 23).
"Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld..." (vers 6). Ons bestaan is slechts van korte duur. Toch wordt deze tijd door veel mensen op een dwaze manier verspild met ijdele bezigheden om aardse goederen te verzamelen (vers 7; Prediker 2 vers 21 en 23).
Het leven van de mens is niet alleen een ademtocht (vers 6 en 12), maar hij wandelt hier ook "als in een beeld", als een schaduw (vers 7). De personen en coulissen van het toneel van deze wereld, waar zich het menselijke drama afspeelt, zullen al heel gauw verdwijnen. Wat bij deze wereld hoort, vergaat. Wat waar en onvergankelijk is, dat behoort tot het onzichtbare en hemelse (1 Petrus 1 vers 4).
Wanneer de gelovige begrijpt dat hij van zo'n wereld niets hoeft te verwachten, komt onwillekeurig de vraag bij hem op: "En nu, waar kan ik nu dan nog op vertrouwen, wat verwacht ik hier dan nog, Heere?" En hij geeft zelf het antwoord: "Mijn hoop, die is op U!" (vers 8).
Een heerlijke Psalm! Christus, de opgestane Mens, neemt hier het woord om ons de "wonderen" en "gedachten" van God voor ons (Hij maakt Zich één met de Zijnen; vers 6) bekend te maken. Hij doet dit door ons vier opeenvolgende beelden onder de aandacht te brengen. Het eerste brengt ons terug bij de eeuwigheid die al voorbij is (vers 7 en 8, aangehaald in Hebreeën 10 vers 5 tot en met 9). Als de Enige Die in staat was het zondeprobleem op te lossen, stelt de Zoon Zich aan ons voor als de gehoorzame Knecht: "Zie, Ik kom..." "En komende..." (of zoals een andere vertaling het zegt: "Hij is gekomen"), zegt Efeze 2 vers 17.
Het volgende beeld laat ons de Heere Jezus hier op aarde zien, hoe Hij "alle gerechtigheid" verkondigde en vervulde (Mattheüs 3 vers 15), hoe Hij getuigde van de goedertierenheid en waarheid van God en sprak van Zijn trouw en Zijn redding. Het hele leven van de Heere Jezus wordt als het ware samengevat in de verzen 9 tot en met 11.
Dan zien we de Verlosser op het indrukwekkende moment waarop Hij het moest uitroepen: "Mijn ongerechtigheden hebben Mij aangegrepen" (vers 13). Mijn ongerechtigheden...? Het waren immers die van mij en u! Te talrijk om op te noemen. In Psalm 38 vers 5 waren ze "te zwaar" geworden (zie ook 1 Petrus 2 vers 24).
Tot slot gaan we voor het laatste beeld terug naar de verzen 2 tot en met 4. De "ruisende kuil" (kuil van het verderf) en het "modderig slijk" zijn veranderd in "de rotssteen". De Rots van de opstanding, Christus, Die door de macht van God, op Wie hij met volharding vertrouwd heeft, werd bevrijd van de dood, zingt een nieuw lied. En Hij nodigt mensen uit, in te stemmen met dit lofgezang voor God (vers 4).
Profetisch gezien heeft Christus aan het eind van Psalm 40 gezegd: "Ik ben wel ellendig en nooddruftig". Dat was vrijwillige armoede, om ons rijk te maken (2 Korinthe 8 vers 9). Gelukzalig hij die acht geslagen heeft op deze Arme en tevens begrepen heeft wat het betekent de plaats van armen, nederigen en lijdenden in te nemen. Gelukzalig hij die in de geest, niet in werkelijkheid, net als zijn Meester de plaats van armen inneemt (Mattheüs 5 vers 3).
Wat is vers 4 een geweldige bemoediging voor hen die ziek zijn! In eerste instantie vinden we daar de belofte van Goddelijke hulp! Al raakt de uiterlijke mens in verval, de innerlijke wordt van dag tot dag vernieuwd door de zorg en toewijding van de grote Arts van de zielen (2 Korinthe 4 vers 16).
Bovendien zal zijn "ziekbed" op wonderbare wijze veranderd worden, want de aanwezigheid van de Heere, Die aan zijn hoofdeinde 'zit', heeft de macht om de terneergeslagenheid van de patiënt te veranderen in vreugde. De weldaad van de gemeenschap zal hem al het onbegrip en de onverschilligheid, waarvan hij misschien het mikpunt is (vers 9), doen vergeten!
We weten wanneer vers 10 in vervulling is gegaan. Wat zal de Heere een verdriet gehad hebben, toen Hij dit gedeelte aanhaalde voordat Hij de verrader Judas "de bete" als teken van herkenning aanreikte (Johannes 13 vers 18 en 26).
Dit eerste boek van de Psalmen besluit met een eeuwig lofgezang. Wij, als gelovigen, mogen uit het diepst van ons hart hier ons "Amen, ja, amen" aan toevoegen!
God heeft Salomo, de grootste van alle wijzen (1 Koningen 4 vers 29 en verder), gebruikt om ons "De Spreuken", dit Boek van de wijsheid, te geven. Hoewel de inhoud geldt voor iedereen, is het toch speciaal voor de jongeren bedoeld (vers 4). Ja, dit Boek werd vooral voor jou, gelovige jonge vriend, geschreven. Jij bent op een leeftijd gekomen waarop je je eigen gedachten ontwikkelt en je eigen mening begint te vormen. Voor jou is het moment aangebroken dat je je eigen richting gaat bepalen en dat je zelf beslissingen moet nemen. In de school van God, waar je christelijke opvoeding onder het gezag en naar het voorbeeld van je ouders verder gaat (vers 7 tot en met 9), is dit Boek van de Spreuken één van je belangrijkste 'schoolboeken'. Je kunt er van alles in vinden: verklaringen, regels met toepassingen, oefeningen, voorbeelden om na te volgen en andere om juist niet na te doen. Maar de Wijsheid (evenals het Woord, waarmee Zij Zich identificeert), is tegelijkertijd een levende Persoon, Die iedereen die "zoon" genoemd wordt, onderwijst in de wandel en hem ook leidt op de weg.
Het Boek van de Psalmen begon met de afzondering van de gelovigen (Psalm 1 vers 1). Hier is dat ook het geval! De eerste onderwijzing aan de zoon maakt hem duidelijk dat hij de weg van de zondaars moet mijden. Die zondaars proberen hem namelijk te verleiden door hem uit te nodigen: "Ga met ons" (vers 11). En er wordt hem ook getoond waar deze weg heenleidt en hij wordt gewaarschuwd: "Mijn zoon! wandel niet met hen op de weg" (vers 15; Efeze 5 vers 11).
De Wijsheid heeft Zich de opvoeding van Haar zonen, met andere woorden Haar discipelen (dat betekent: volgelingen), tot een opgave gesteld. Maar Zij richt Zich ook tot de buitenstaanders, om ook anderen uit te nodigen een discipel te worden. God heeft Zijn Woord niet alleen tot onderwijzing van de gelovigen gegeven. Het is ook het evangelie van de genade, dat de onbekeerden de weg van het heil laat zien.
Let er toch op, hoe de Wijsheid - en door Haar ook de Heere Jezus - volhardend overal naar de zielen zoekt, daar waar ze verdwaald zijn. Wij kennen deze woelige en rumoerige plaatsen waar de mensen van deze wereld zich als het ware laten verdoven, misschien zelf ook wel, omdat wij daar voor onze bekering ook zelf verkeerd hebben. De Wijsheid "roept overluid", om al dit lawaai te 'overstemmen' (vergelijk Johannes 7 vers 37 en 12 vers 44). En dit Woord, Dat God overal laat verkondigen, heeft een tweevoudige uitwerking: heil voor de een en verdoemenis voor de ander (vergelijk Handelingen 17 vers 32 tot en met 34).
Dezelfde stem die vandaag nog door de indringende oproep van de genade tot ons komt, zal op zekere dag ironisch en vreselijk klinken voor hen die niet wilden horen (vers 26), maar dan zal het te laat zijn (vergelijk vers 28 met Amos 8 vers 12). Wie nu echter wel naar die stem luistert, zal in veiligheid wonen, zonder angst voor het komende gericht (vers 33). Voor hen geldt de belofte van vers 23: "Ik zal Mijn Geest u overvloedig uitstorten; Ik zal Mijn Woorden u bekend maken".
Voordat de Wijsheid opnieuw de opvoeding van Haar zoon ter hand neemt, onderzoekt Zij eerst waar zijn genegenheid naar uitgaat. Is hij wel vastbesloten om zich te laten beleren, om "de kennis van God te vinden" (vers 5)? Onderwerpt hij zich gewillig aan de discipline van deze 'school'?
Inderdaad, geen enkele les heeft werkelijk zin wanneer men er niet naar verlangt om kennis te verkrijgen en er niet van doordrongen is hoe belangrijk de lessen zijn. Het gebeurt wel eens dat een matige basisschoolleerling juist heel goed mee kan komen op de middelbare school. Dat kan gebeuren, omdat hij dan pas ingezien heeft dat zijn toekomst mede afhankelijk is van z'n inzet op school.
In het Schriftgedeelte van vandaag zien we dus dat de Wijsheid en het Inzicht ons aangeboden worden. God stelt nooit grenzen aan de gaven van Zijn Geest (Johannes 3 vers 34). Maar tegelijkertijd moeten wij er zelf naar streven en ons in het gebed ernaar uitstrekken (vers 3; vergelijk 1 Korinthe 14 vers 1).
De verzen 1 tot en met 4 roepen de gelovige op tot een grote inspanning. Ook jij moet jezelf ervoor inzetten, jonge vriend. Zelfs de beste opvoeding zal je niet lang kunnen bewaren wanneer je eigen hart niet volkomen instemt met deze dingen (vergelijk vers 10 en 11; Daniël 1 vers 8). Als het niet jouw persoonlijk verlangen is, dan is het gevaar groot dat je je gaat aanpassen aan de omgeving waarin je bent. Daardoor zul je je dan blootstellen aan verkeerde invloeden (vers 12 tot en met 22). De dag waarop je misschien het ouderlijk huis hebt verlaten, zal dan uiteindelijk tot een definitief keerpunt in je leven worden, maar niet in positieve zin (lees 1 Korinthe 15 vers 33)!
Deze liefdevolle woorden van jouw hemelse Vader zijn voor jou, gelovige jonge vriend: "Mijn zoon! vergeet... niet". De uitdrukking "Mijn zoon" wordt in de hoofdstukken 1 tot en met 7 veertien keer herhaald. In de Hebreeënbrief, waar de verzen 11 en 12 door de apostel aangehaald worden, moet hij helaas zeggen: "En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt". Laten we de waarschuwingen in deze hoofdstukken dus goed overwegen! En laten we ons er goed van bewust zijn Wie dit tegen ons zegt! (Hebreeën 12 vers 5 en 25).
Goedertierenheid en waarheid (trouw) zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zij komen overeen met de natuur en het wezen van de God van liefde en licht, Wiens kinderen wij zijn. O, dat ze beiden toch ook in ons hart liggen opgesloten! (vers 3).
Zoals hoofdstuk 2 ons heeft laten zien, is het de bedoeling om door gebed verstandigheid te verkrijgen (2 vers 2), waardoor de Heilige Geest ons laat indringen in de gedachten van God. Gelukzalig die mens die het verkrijgt (vers 13).
Mijn eigen verstand staat hier echter lijnrecht tegenover en daarom moet ik oppassen (vers 5). Ik kan niet tegelijkertijd op mijn eigen inzicht bouwen en tevens van ganser harte op God vertrouwen. Ik kan niet volgens mijn eigen gedachten gaan handelen en tegelijkertijd de aanwijzingen van Boven opvolgen. "Weest niet wijs bij uzelf", zo vermaant ons Romeinen 12 vers 16 in navolging van vers 7 uit het Schriftgedeelte van vandaag.
Voor het leven van mijn ziel is het in eerste instantie nodig het onderwijs van de wijsheid te bewaren. "De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woord, dat door de mond Gods uitgaat" Mattheüs 4 vers 4). Tegenover anderen zal dat tegelijkertijd als een sieraad van de genade zijn (vers 22; hoofdstuk 1 vers 19; 4 vers 9). Overdag zal mijn wandel erdoor bevestigd worden, terwijl ik 's nachts veilig zal wonen. Mijn slaap zal zoet zijn (vers 24).
Waar komen toch de onzekerheid en de foutieve beoordelingen vandaan, die mij in de loop van de dag zo vaak ten val brengen? Vanwaar die angst en dat aftobben, waardoor zelfs 's nachts mijn geest overvallen kan worden? Dat komt doordat ik het onderwijs van de Heere uit het oog verloren heb en niet meer eenvoudig alleen op Hem vertrouw (vers 26), maar m'n eigen gedachten navolg.
En vervolgens gaat God, Die mijn zelfzuchtig hart kent, verder en Hij herinnert mij aan hetgeen ik de ander verschuldigd ben (vers 27; Lukas 6 vers 30). Omdat ik Zijn kind ben, verwacht Hij van mij oprechtheid, dat ik geen halve waarheden verkondig door mijn daden, woorden en in mijn bedoelingen. Bovendien mag ik de christelijke zachtmoedigheid, die niet op haar rechten staat (vers 30 en 31), ook niet vergeten.
Zou dat overigens ook niet het middel zijn om "meerdere genade" te ontvangen, zoals Jakobus ons dat belooft in zijn Brief, door vers 34 aan te halen? (Jakobus 4 vers 6).
Het kind van gelovige ouders ontvangt binnen het gezin al het begin van de wijsheid van God. Deze "goede leer" weerstaan, verachten of verlaten (vers 2), is een instelling die, nooit gezegend kan zijn. En maar al te vaak is zo'n instelling het beginpunt geweest van een leven dat verloren is voor het getuigenis (vergelijk vers 10 met Exodus 20 vers 12).
"... de vader zal de kinderen Uw waarheid bekend maken" (Jesaja 38 vers 19). Het christelijk onderwijs valt onder de verantwoording van de vaders. Zij mogen hun kinderen datgene doorgeven wat ze vaak zelf ook weer van hun eigen ouders ontvangen hebben (Psalm 78 vers 4 tot en met 6). Salomo, de geïnspireerde schrijver van de Spreuken, zal hierbij ongetwijfeld gedacht hebben aan de laatste woorden van zijn vader David (vers 3; 1 Koningen 2 vers 1 tot en met 3).
De verzen 11 tot en met 13 onderwijzen ons wat onze wandel betreft en de verzen 14 tot en met 19 wat de weg betreft. De weg van de kwaden wordt ons beschreven, opdat wij die zullen mijden en getrouw op het pad van de rechtvaardigen zullen voortgaan. "Het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot de volle dag toe" (vers 18).
De Wijsheid is iets waarin je stapje voor stapje vooruitgang kunt boeken (vergelijk Lukas 2 vers 52). Het is dan ook zeker niet normaal, dat deze groei verhinderd wordt door een slechte toestand van ons geweten.
O, dat vers 18 toch voor een ieder van ons de samenvatting van ons leven mag zijn.
Alle zintuigen, alle organen van de gelovige, die nodig zijn om in leven te blijven, moeten beheerst worden door de wijsheid. Deze wijsheid heeft God aan jou, gelovige vriend, ter beschikking gesteld (Jakobus 1 vers 5). Door deze wijsheid ben je er zelf verantwoordelijk voor te waken over je oren (vers 20), je ogen (vers 21 en 25), je voeten (vers 26 en 27; Psalm 119 vers 101), je gedachten en je lippen (hoofdstuk 5 vers 2), maar bovenal je hart, omdat je vandaar uit gestuurd wordt (vers 23). Als dat hart gevangen genomen wordt door verkeerde gedachten, dan ga je afwijken van Gods weg. En bij hoevelen is dat al niet gebeurd; bittere tranen hebben ze gehuild, omdat ze in hun jeugd iets in hun innerlijk hebben toegelaten wat niet naar de gedachten van de Heere was!
Als de lippen de uitgangspoort van het hart zijn, dan zijn de ogen de belangrijkste deur waardoor iets naar binnen komt. Laten we er daarom voor waken dat onze ogen altijd de juiste richting uit kijken. Dat ze toch constant op de Heere Jezus, het doel van ons geloofsleven, gericht mogen zijn (Hebreeën 12 vers 2). Als dat zo is, dan zal er bij ons geen andere begeerte ingang kunnen vinden.
Vers 8 en de daaropvolgende verzen beschrijven de ellende van iemand die zich door een vreemde liet verleiden. Daarmee heeft hij zijn jaren aan "de wrede" overgegeven (vers 9). Voor onze bekering hebben we al veel te veel van onze jaren aan de satan overgegeven. Wie zou dan nu weer opnieuw in zijn macht willen terugkeren?
Borg staan voor iemand wil zeggen dat je kunt instaan voor iemand of dat je de verantwoordelijkheid voor verplichtingen die een ander is aangegaan, overneemt. Voor ons lijkt dit iets heel goeds te zijn, maar in het oog van God is dit juist een gruwel. Ten eerste omdat daardoor het vertrouwen op een mens gesteld wordt. En ten tweede omdat men onnadenkend over de toekomst meent te beschikken, hetgeen alleen God toekomt (Jeremia 17 vers 5; Jakobus 4 vers 13 en 14).
Luie mensen worden in de verzen 6 tot en met 8 opgeroepen om eens een bezoekje te brengen bij de mieren. Van dat kleine, werkzame volkje kun je enorm veel leren: ijver, doorzettingsvermogen, voorzichtigheid, orde, wederzijdse hulp, zelfdiscipline. Bij hen hangt geen enkel diertje doelloos rond. En mocht de last voor de enkeling te zwaar worden, dan komt een ander te hulp. Dat het bij ons toch zo mag zijn, dat we acht slaan op de levende lessen die God ons overal in de schepping wil meedelen!
We hebben al gezien dat alle zintuigen en gedachten van een gelovige voor God bewaard en geheiligd zouden moeten worden (hoofdstuk 4 vers 21 tot en met 27; 5 vers 1 en 2). De verzen 12 tot en met 19 laten ons nu zien hoezeer deze leden bij de natuurlijke mens in dienst van de boze kunnen staan. Dat was ook onze situatie, toen wij nog slaven van de zonde waren! Maar Romeinen 6 vers 18 en 19 herinnert ons eraan dat wij vrijgemaakt zijn en vermaant ons heel indringend om onze leden nu ten dienste van "de gerechtigheid, tot heiligmaking" te stellen.
Aan het begin van dit Bijbelboek worden jonge christenen direct al op één van hun eerste plichten gewezen, die onmiddellijk volgt op het vrezen van de Heere, namelijk naar de ouders te luisteren en hen te gehoorzamen (hoofdstuk 1 vers 8 en 9). De verzen 20 tot en met 22 van het Schriftgedeelte voor vandaag komen op dit belangrijke onderwerp terug, door aan de onderwijzingen van de ouders evenveel waarde te hechten als â volgens Deuteronomium 11 vers 18 en 19 â het Woord van God Zelf (zie ook Spreuken 23 vers 22). Je ouders gehoorzamen, die je Gods Woord onderwijzen, betekent dus in feite God gehoorzamen. Dat is niet alleen "recht" (Efeze 6 vers 1), maar ook "de Heere welbehagelijk" (Colossenzen 3 vers 20). O, dat deze gehoorzaamheid toch zichtbaar mag zijn in de huizen van de gelovigen. En juist des te meer nu dit in de huidige wereld steeds minder gevonden wordt (2 Timotheüs 3 vers 2).
De invloed van het gezin staat lijnrecht tegenover die van de vreemde, die de zonde in eigen persoon voorstelt (hoofdstuk 2 vers 16; 5 vers 3 en 20; 7 vers 5). We hoeven ons niet te verwonderen dat we steeds opnieuw hiervoor gewaarschuwd worden. Uit eigen ervaring weten we immers, dat de verzoekingen ook steeds opnieuw de kop op zullen steken. Die zullen voor ons des te gevaarlijker zijn, wanneer ze in onze gedachten of gewoonten ook nog ongeoordeelde onreinheid tegenkomen!
Ook luiheid zet een deur open voor vleselijke begeerten, zoals de geschiedenis van David en zijn vreselijke zonde ons laat zien (2 Samuël 11).
Dit hoofdstuk illustreert op heel indringende wijze hoe groot het gevaar van de vreemde vrouw is voor de jonge zoon van de wijsheid. Het gaat regelrecht om een jacht op z'n ziel (vergelijk hoofdstuk 6 vers 26). Deze onreine, hartstochtelijke en losbandige vrouw ligt op de loer. Haar verderfelijke bedoelingen camoufleert ze met een godsdienstige dekmantel (vers 14). Dan duikt ze hier, dan daar weer op en de nacht helpt haar bij het loeren op haar slachtoffer. Haar wapens zijn: vleiende woorden, schoonheid en oogopslag (hoofdstuk 2 vers 16; 5 vers 3; 6 vers 25). Haar slachtoffer is de lichtzinnige, niets uitvoerende jongere, die bij voorbaat al is overwonnen, omdat hij geen enkele wilskracht toont en door zijn eigen lusten beheerst wordt.
Alles gaat vlug in zijn werk: onwetend en dwaas liep hij haar achterna (vers 22). De strik van de vogelvanger - dat is satan - heeft hem binnen de kortste keren gevangen (vers 23; Psalm 91 vers 3). Te laat!, hij kan niet meer terug; hij heeft een tijdje genoten, maar wat heeft hij daar een hoge prijs voor moeten betalen! Het ging om "zijn leven"... maar hij wist het niet.
Jullie zijn nu gewaarschuwd, jonge christenen! Daarom is jullie verantwoording nu nog groter! Maar jullie weten ook waar hulp te vinden is: "Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw Woord" (Psalm 119 vers 9). Denk maar aan het voorbeeld van Jozef, aan zijn standvastigheid (Genesis 39 vers 9). En roep op het moment van gevaar tot Hem, Die altijd "degenen die verzocht worden, te hulp" zal komen (Hebreeën 2 vers 18).
Net als in het eerste hoofdstuk richt de Wijsheid Zich ook hier tot de verlorenen en laat Ze Haar roep van genade weerklinken. Deze keer staat Zij "op de spits der hoge plaatsen, aan de weg", daar waar de wegen samenkomen, bij de toegangspoort van de stad, overal waar de wereld voorbijgaat. Die kruising van wegen is de plaats waar gelegenheid is om van richting te veranderen. De knechten in de gelijkenis van de koning werden daar ook naar toe gestuurd, om zoveel mogelijk uit te nodigen (Mattheüs 22 vers 9). In het negende hoofdstuk zullen we zien dat ook de Wijsheid een feestmaaltijd heeft klaargemaakt en Haar dienstmaagden uitgezonden heeft om uit te nodigen.
Misschien wandel jij nog op die brede weg, maar geef nu toch eindelijk eens antwoord op die indringende stem die je vanaf die kruising hoort. Deze stem is de stem van de Heere Jezus, Die jou gelukkig wil maken. Allen die naar Hem luisteren, zullen vorstelijke dingen, billijkheid en waarheid vernemen (vers 6 tot en met 9). Hij bezit schatten die op geen enkele manier te vergelijken zijn bij al het goud en het zilver van deze wereld. Hij laat ons wat "duurzaam" en "bestendig is" beërven (vers 18 en 21), "de toekomende goederen", "een beter en blijvend goed" zoals het in Hebreeën 10 vers 1 en 34 ook genoemd wordt.
Dat wat "God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben", is inderdaad ontzettend heerlijk en kostbaar! (1 Korinthe 2 vers 9; vergelijk vers 17 tot en met 21).
"Hetgeen God bereid heeft voor hen, die Hem liefhebben", vindt zijn oorsprong in Christus. Hij is "de Wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was" (1 Korinthe 2 vers 7 en 9; zie ook 1 Korinthe 1 vers 30).
De verzen 22 tot en met 31 laten ons de loop van de tijd â tot voor de aanvang van de geschapen dingen â zien, verder dan onze gedachten terug kunnen gaan.
Toen was de Wijsheid er al, een Persoon aan Gods zijde: de Zoon bij de Vader, in een atmosfeer van wederzijdse liefde en vreugde, om het werk van de schepping te plannen en daarna uit te voeren.
Bovendien horen we hier nog iets heel opmerkelijks: Voordat er maar een mens bestond, voordat de aarde er was om deze mens te dragen, ja, zelfs voor "de aanvang van de stofjes der wereld" (vers 26), waren wij, jij en ik, door Hem gekend en geliefd! "Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen" (vers 31), is de uitspraak van de zo liefhebbende God, al voordat de tijd begon. Hij wilde deze liefde van de Vader echter niet alleen genieten! En het grote werk, dat Hij wilde volbrengen, had dan ook dit ene doel: geredde en volmaakte mensen in te voeren in Zijn geluk, tot verheerlijking van God, Zijn Vader.
Het Woord, Dat "in den beginne" bij God was en Dat God was, is neergedaald om tot de mensen te spreken en hen de Vader te openbaren. (Dat is het grote onderwerp in het evangelie naar Johannes). Zo is het ook met de Wijsheid. Zij is niet aan Gods zijde gebleven. Zij heeft Haar huis in het midden van de mensen gebouwd (Johannes 1 vers 14; in de betekenis van een tent plaatsen), en nodigt hen uit, "Komt... eet... en drinkt..." (vers 5; vergelijk Johannes 6 vers 51 en 21 vers 12). Eerst verzadigt Zij en daarna volgt het onderwijs. De Heere Jezus vervult eerst het hart, voordat Hij Zich gaat bezighouden met de geest en het verstand. Want als de liefde tot Hem niet voorafgegaan wordt door het erkennen van "Zijn geboden", zullen we niet in staat zijn deze te houden.
Bovendien moet de onderwijzing door de Wijsheid bij het begin beginnen, dat is met "de vreze des HEEREN" (vers 10), in het zich bewust zijn van het gezag van Hem Die het onderwijs geeft. Men heeft ontzag voor God als men ervan doordrongen is dat ieder Woord van Hem belangrijk is. Nooit zouden we de Bijbel op een andere manier moeten lezen!
In de wereld probeert een andere stem de mensen te verleiden: de stem van de dwaasheid (en de zonde)! Uiterlijk lijkt die op wijsheid (vergelijk vers 4 en 16) en er wordt ons "voor een tijd de genieting der zonde" aangeboden (Hebreeën 11 vers 25). Echter, laten we de gezichten van hen die uitgenodigd zijn, maar eens van wat dichterbij bekijken. Dan blijkt dat er aan die onheilsnolle tafel alleen maar schaduwen des doods zitten ! (vers 18; hoofdstuk 2 vers 18 en 19).
Vanaf dit hoofdstuk vinden we in het Boek van de Spreuken een aantal uitspraken die door de Wijsheid ingegeven werden. Het is niet altijd even eenvoudig om de betekenis te begrijpen en de hoofdgedachte eruit naar voren te halen. Een uitvoerige behandeling is in de opzet van dit dagboek ook niet mogelijk. De ruimte ontbreekt om al te diep op alle teksten in te gaan en daarom zullen we ons elke dag beperken tot een klein aantal. Met Gods hulp willen we proberen bepaalde hoofdlijnen aan te geven.
De eerste uitspraak die we tegenkomen, is eigenlijk een algemene inleiding: "Een wijs zoon verblijdt de vader". Vers 24 van hoofdstuk 23 geeft hierop een aanvulling: "De vader van de rechtvaardige zal zich zeer verheugen" (zie ook hoofdstuk 15 vers 20; 17 vers 21 en 25; 29 vers 3). Denk er eens aan hoe blij het onze ouders maakt als de karaktertrekken van de gerechtigheid en wijsheid van God bij ons zichtbaar zijn. Dat is een fijne ervaring, maar helaas zijn die karaktertrekken bij ons niet altijd van blijvende aard, zijn ze niet altijd even goed zichtbaar. Maar dan dé Zoon! We mogen Hem bewonderen, want Hij was voortdurend de volmaakte vreugde van Zijn Vader. Niet alleen in de verre eeuwigheid van het verleden, maar ook op Zijn weg hier beneden (hoofdstuk 4 vers 3; Mattheüs 3 vers 17; 17 vers 5).
De volgende verzen laten ons tot in detail zien hoe de wijze zoon zijn vader eert en verheugt: door praktische gerechtigheid in zijn handelen (vers 4 en 5), in de wandel (vers 9) en in woorden (vers 11, 13 en 14). Dat is wat de Heere Jezus in Zijn leven geopenbaard heeft en wat het hart van Zijn Vader zo oneindig veel vreugde bereidde (zie Johannes 8 vers 29).
Je herkent een rechtvaardige vooral aan zijn taalgebruik (vergelijk Mattheüs 26 vers 73). Letten wij genoeg op wat wij zeggen? Grove en onfatsoenlijke woorden of dom geklets passen ons niet (Efeze 4 vers 29; 5 vers 4). Als wij de gewoonte hebben om alles wat in ons hoofd opkomt, er maar uit te flappen, dan zijn de verzen 19 en 20 speciaal voor ons bedoeld. Maar "de tong van de rechtvaardige is uitgelezen zilver", een filter voor alle onreinheid, dat alleen datgene doorlaat wat ook werkelijk waarde heeft.
Het hart van de gelovige bevat twee bronnen, die beide dezelfde afvoer hebben: onze lippen (Jakobus 3 vers 9 tot en met 11). De eerste bron is "een springader des levens" (vers 11; vergelijk Johannes 4 vers 14), die in staat is velen te voeden (vers 21). De tweede is de onreine bron van het vlees, die alle mogelijke onreine gedachten laat opkomen (Mattheüs 15 vers 18 en 19; zie ook Spreuken 12 vers 18). De lessen van de Wijsheid zullen ons zowel het spreken als het zwijgen bijbrengen (lees het gebed in Psalm 141 vers 3).
In vers 24 tot en met 30 wordt het lot van de rechtvaardige tegenover dat van de goddeloze gesteld. De goddeloze kent vrees (vers 24), niet de vreze des Heeren, maar een onbestemde en bijgelovige angst. De achtergrond hiervan is de dood, waar hij niet op voorbereid is (Job 15 vers 20 en 21). Het deel van de christen is echter heel anders! In de tegenwoordige tijd geeft God hem "de begeerte der rechtvaardigen"! (vers 24). En zijn hart mag zich nu ook al verheugen in wat hem in de toekomst te wachten staat (vers 28).
We hebben al gezien dat de karaktertrekken van de rechtvaardige en van de goddeloze in bijna alle teksten van dit hoofdstuk tegenover elkaar gezet worden. Zo vergaat het een kind van God ook in het dagelijks leven. Zijn weg hier beneden gaat hij zij aan zij met de mensen van deze wereld. En door zijn trouw wordt juist de ongerechtigheid van de ander openbaar. Maar omgekeerd is dat ook het geval.
In vers 9 tot en met 14 wordt vooral de kant van het maatschappelijk leven belicht. De rechtvaardige is niet geroepen om helemaal alleen te leven, hij moet zich niet opsluiten. Zijn aanwezigheid te midden van de mensen van deze wereld, die hem nauwlettend in de gaten houden, is bedoeld tot een getuigenis voor hen. De Brief aan Titus vermaant ons dat wij in deze tijd rechtvaardig hebben te leven, opdat wij, net als plaatjes in een boek, "de leer van God, onze Zaligmaker, in alles mogen versieren" (Titus 2 vers 10 tot en met 12).
"Met de ootmoedigen is wijsheid" (vers 2). De gelovige die zich voor God stelt, heeft nooit een hoge dunk van zichzelf. Het beste geneesmiddel tegen hoogmoed is denken aan de grootheid van de Heere Jezus. Deze hoogmoed, die altijd gepaard gaat met minachting van de naaste, is precies het tegenovergestelde van verstand (vers 12). En juist dit verstand zal mij steeds weer oproepen om de ander hoger te achten dan mijzelf (Filippensen 2 vers 3).
Ons egoïstische hart heeft altijd de neiging om meer naar zichzelf toe te trekken en voor zichzelf te houden (vers 24 en 26). Maar lees dan eens wat de Heere Jezus zegt in Lukas 6 vers 38! Het ware middel om zelf gezegend te worden is zich bekommeren om het welzijn van de ander. Soms gaat dat tegen alle menselijke wijsheid en inzicht in, maar God denkt anders dan de mens. De berekeningen en voorzorgsmaatregelen van de mens gaan vaak precies in de andere, in z'n eigen richting. Rijkdom is echter altijd een valstrik voor hen die erop vertrouwen (vers 28; vergelijk Markus 10 vers 24 en 1 Timotheüs 6 vers 17 en 18). We zouden er juist altijd naar moeten streven rijk te zijn in goede werken!
Toch bestaat er in de wereld ook iets wat van ontzettend grote waarde is, iets wat wij zouden moeten zoeken en proberen te winnen. Immers, wat is er kostbaarder dan een ziel? Om onze ziel te winnen, heeft de Heere Jezus alles verkocht (Mattheüs 13 vers 44 tot en met 46). Ja, "wie zielen vangt, is wijs" (vers 30). Is deze heerlijke dienst ons bekend? Dat was de dienst, het werk van de discipel Andréas (Johannes 1 vers 41 en 42) en het mag ook de onze zijn, ongeacht onze leeftijd of kennis. Wat heeft iemand die een ziel voor de Heere Jezus wil winnen, namelijk heel in het bijzonder nodig? Wijsheid, die bereid is om de gelegenheid uit te kopen (Efeze 5 vers 15 en 16), maar ook liefde, die in staat is om de weg naar het hart te vinden (1 Korinthe 9 vers 19 en 22).
Nu willen we nadenken over de rechtvaardige in zijn gezinsleven. De aandacht wordt gericht op zijn vrouw (vers 4), zijn huis (vers 7), zijn knecht (vers 9), zijn vee (vers 10), zijn werk (vers 11 en verder). Waar anders dan in zijn huiselijke omstandigheden en in zijn dagelijks werk zou de trouw van de gelovige beter en eerder zichtbaar worden?
Deze lessen van de Wijsheid moeten we niet verwarren met wat in de wereld 'moraal' genoemd wordt. Moraal is het geheel van regels hoe men zich heeft te gedragen, en die door de mensen zelf opgesteld zijn. Vaak wordt dit tot uitdrukking gebracht door bepaalde principes of uitspraken. Sommige daarvan zijn aan het christendom ontleend, andere zijn ingegeven door gezond mensenverstand of zijn ontstaan uit de ervaringen die de maatschappij leert. Maar God wordt helemaal buiten deze menselijke moraal gelaten!
Daartegenover hebben we de Goddelijke principes, die door God Zelf meegedeeld werden. Jakobus 3 vers 15 maakt onderscheid tussen de wijsheid die van Boven komt en de wijsheid die van deze aarde is. De laatste is "natuurlijk, duivels". Door deze 'wijsheid' kwam Petrus tot de uitspraak die we lezen in Mattheüs 16 vers 22, waardoor de Heere Jezus hem 'satan' moest noemen.
Vers 15 laat ons zien dat de mens niet in staat is zelf te beoordelen of zijn weg goed is of niet. De wereld is vol met zulke dwaze mensen, die hun weg aanpassen aan de menselijke moraal, in plaats van te luisteren naar de raad van God.
"Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel" (hoofdstuk 13 vers 3). Daarom hoeven we ons er niet over te verwonderen dat wij in Spreuken zoveel vermaningen tegenkomen in verband met het gebruik van onze tong. In vers 17 gaat het om de waarheid. Een christen zou erom bekend moeten staan dat hij altijd, koste wat het kost, de waarheid zegt (Efeze 4 vers 25)! "Een waarachtige lip" (vers 19) is het tegenovergestelde van "valse lippen", die de Heere een gruwel zijn (vers 22).
Vers 25 wijst ons op een ander gebruik van onze tong. We kunnen iemand die terneergedrukt is, door een goed woord bemoedigen en verblijden.
En is het evangelie niet het voortreffelijkste woord?
Daardoor zal ik mijn naaste de weg kunnen wijzen (vers
De weg wijzen betekent: de Heere Jezus voor de aandacht stellen (Johannes 14 vers 6), door mijn woorden, maar vooral door mijn daden! Hij was die wijze Zoon, Die luisterde naar de onderwijzingen van Zijn Vader (hoofdstuk 13 vers 1; Johannes 8 vers 49).
In het gedeelte voor vandaag zien we ook weer een beschrijving van de luiaard en diens tegenpool, de vlijtige (vers 24 en 27 en hoofdstuk 13 vers 4). Doordat de luiaard het nalaat op wild te jagen (of het te braden, zoals in sommige Bijbelvertalingen staat), heeft hij gebrek aan voedsel (vers
Laten we er goed om denken, dat er persoonlijke inzet nodig is om ons de waarheden die we uit de Bijbel gehoord of gelezen hebben, eigen te maken en te bewaren. (Dat wil zeggen aantekeningen maken, herlezen, uit het hoofd leren van teksten, enzovoort.) Laten we toch niet traag zijn in het horen (Hebreeën 5 vers 11)!
"Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden" (vers 9; vergelijk Psalm 97 vers 11). Blijdschap, in overeenstemming met Gods gedachten, is een onderdeel van het getuigenis van de kinderen van het licht. Een christen die verdrietig is, is vaak een droevige getuige. Een vervelend humeur werkt als een paraplu die het licht dat een gelovige zou kunnen uitstralen, tegenhoudt.
"De lamp der goddelozen" zal daarentegen geblust worden (vers 9; hoofdstuk 24 vers 20). De olie ontbreekt, net als bij de dwaze maagden in de gelijkenis (Mattheüs 25 vers 8), want het leven van de Geest ontbreekt, om het licht brandende te houden.
"Door hovaardigheid maakt men niets dan gekijf" (vers 10). Wij geven vaak een andere reden op voor onze strijd. Een ieder van ons zal hoogstens bij z'n tegenstander hoogmoed constateren. Dit vers opent mij echter de ogen! Een strijd verraadt juist mijn eigen hoogmoed; ik wil gelijk hebben. Als ik toegeef, dan word ik vernederd.
Het is vaak al genoeg om de gezindheid van Christus te vertonen, waardoor de strijd onmiddellijk bijgelegd zal worden - en in principe zul je dan zelf de 'winnaar' zijn (Mattheüs 5 vers 39 en 40; Genesis 13 vers 8 en 9).
"De leer van de wijze is een springader des levens" (vers 14). Luister dus naar hen bij wie wij deze wijsheid van Boven mogen opmerken. En bovendien is het erg nuttig voor ons om met hen om te gaan (vers 20).
Daarom is het goed ons telkens af te vragen: Wie is mijn metgezel?'
De wijsheid van de vrouwen staat in verbinding met hun huis (vers 1). In onze tijd, waarin de getrouwde vrouw graag een belangrijke rol wil vervullen op allerlei gebied behalve in haar eigen huishouding, is het goed om de nadruk te leggen op hetgeen Gods Woord hierover zegt (Titus 2 vers 5). Hebben we niet alle Goddelijke wijsheid nodig om onze kinderen een christelijke opvoeding te geven? Zelfs de gewone dagelijkse dingen in huis, die bij sommigen misschien helemaal niet in tel zijn en eentonig lijken te zijn, hebben een grote waarde in het oog van de Heere.
Meerdere teksten geven aan wat God onder dwaasheid verstaat. God beoordeelt de dingen niet naar de maatstaven van deze wereld (1 Korinthe 1 vers 19 en 20). Eén van de kenmerken van een dwaas is, dat hij zich niet druk maakt over de schuld (zonde), ja, er zelfs om lacht (vers 9). Dat staat gelijk met het verachten van het kruis. Dat kruis was immers nodig om de zonde teniet te doen. Daarom bestaat er ook geen grotere belediging van God dan zo te handelen.
Vers 13 beschrijft de blijdschap van de ongelovige in tegenstelling tot die van de gelovige (hoofdstuk 13 vers 9). De hoop houdt de vreugde in het hart van de gelovige in stand, zelfs in moeilijke tijden. De gelovige kan tegelijkertijd bedroefd zijn en zich toch altijd verheugen (2 Korinthe 6 vers 10).
Bij de mensen van deze wereld is het juist andersom: "Het hart zal ook in het lachen smart hebben" (vers 13). Dit is een arme en ongelukkige blijdschap, die slechts voor een heel klein poosje het uitzicht op het vreselijke oordeel van de toekomst kan verbergen.
"Die haastig is tot toom, zal dwaasheid doen" (vers 17; vergelijk Prediker 7 vers 9). Het tegenovergestelde hiervan is: "De lankmoedige is groot van verstand" (vers 29; zie ook Jakobus 1 vers 19). En dat is een karaktereigenschap die vaak aan God Zelf wordt toegeschreven (Exodus 34 vers 6; Numeri 14 vers 18, enzovoort).
Hoeveel bedreven daden of woorden die uitgesproken zijn in een opwelling van toorn, werden later diep betreurd! Laat ons daarom in plaats van snel toornig te zijn, juist meer verstand tonen; laten we voordat er toom bij ons opkomt toch eerst eens rustig nadenken (of nog beter: eerst gaan bidden). Dan zullen we in veel gevallen moeten constateren dat er helemaal geen reden was om zo geprikkeld te raken. Hij die weet dat zijn handelen de goedkeuring van God kan wegdragen, is ook in staat in alles rustig op Hem te vertrouwen, alles geduldig aan Hem over te geven (vergelijk 1 Koningen 22 vers 24 en 25).
"... die zich over de nederigen ontfermt, die is welgelukzalig" (vers 21). Onder het voorwendsel dat goede werken toch waardeloos zijn om ons heil te bewerken, zouden we geneigd kunnen zijn deze werken na te laten. Maar juist kinderen van God worden opgeroepen om "goede werken voor te staan" (Titus 3 vers 14), zonder daarbij echter uit het oog te verliezen dat de toestand van de zielen altijd voorrang behoort te hebben boven de materiële behoeften.
Vers 25 herinnert ons aan "de trouwe, en waarachtige Getuige" (Openbaring 3 vers 14) â maar ook aan dat wat elk trouw getuigenis zou moeten kenmerken: zielen de weg tot behoudenis te tonen.
Gisteren hebben we geleerd wat het middel is om onze eigen toom te kalmeren: geduld en gebed. Vandaag lezen we over een middel om de toorn van anderen af te wenden. Het 'wondermiddel' heet: "een zacht antwoord". Het nederige en rustige antwoord dat Gideon de mannen van Efraïm gaf, in Richteren 8 vers 1 tot en met 3, heeft hun toom overwonnen. En dat is zeker niet de kleinste van alle overwinningen van deze geloofsman geweest. Een "smartend (krenkend) woord" daarentegen zal, zoals dit woord al aangeeft, een wond veroorzaken die naderhand heel moeilijk te genezen is.
Laten we nu eens nadenken over de verzen 5, 10 en 12 (maar ook vers 31 en 32). Acht slaan op de tuchtiging en de terechtwijzing stelt ons in staat wijs te worden. En als we daarmee rekening houden, dan zullen we proberen te voorkomen dat we opnieuw kwaad doen.
Hoofdstuk 13 vers 24 en Hebreeën 12 vers 6 (in verbinding met God) laten ons zien dat onze ouders ons hun liefde betoond hebben door ons te tuchtigen! Het geheim van het aannemen van een terechtwijzing ligt daarin, dat wij begrijpen dat het uit oprechte liefde voor ons gebeurd is en dat het bedoeld is voor ons eigen bestwil, tot 'winst' voor onszelf. Laten we toch niet op die spotters lijken, die de terechtwijzingen niet liefhebben (vers 12).
"Het gebed der oprechten is Zijn (Gods) welgevallen", zegt vers 8. Oprechtheid is inderdaad het ontbreken van eigenwil, volledige onderwerping aan de gedachten van God, Die daarom zo'n gebed kan verhoren (1 Johannes 5 vers 14 en 15).
De verzen 16 en 17 onderwijzen ons over hetgeen werkelijk waarde heeft hier beneden: God vrezen met de liefde die van Hem komt. "Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging", zegt de apostel, "... als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd (tevreden) zijn" (1 Timotheüs 6 vers 6 tot en met 8).
Laten we maar een dikke streep onder vers 23 zetten: "Hoe goed is een woord op zijn tijd!" Wat zwijgen wij vaak, juist als wij iets zouden moeten zeggen! Gewoonlijk is dat een gebrek aan moed of afhankelijkheid van de Heilige Geest (Mattheus 10 vers 19 en 20). Als wij echter, met de hulp van de Heere, de gelegenheid wel aangegrepen hebben om van Hem te spreken, dan zullen we ook het eerste deel van deze tekst ervaren: vreugde zal onze harten vervullen.
Dit hoofdstuk besluit met het spreekwoord waarover de Heere Jezus zo vaak gesproken heeft: "De nederigheid gaat voor de eer" (zie Mattheüs 18 vers 4; 19 vers 30; 20 vers 27 en 28; 23 vers 11 en 12, enzovoort). Hij heeft er echter niet alleen genoegen mee genomen deze woorden te leren. Hij bracht ze Zelf in praktijk! Wie heeft zich immers ooit zo diep vernederd als Hij? Daarom zal ook nooit iemand hoger verheven worden dan Hij!
"Christus Jezus... Die in de gestaltenis Gods zijnde, het geen roof geacht heeft Gode gelijk te zijn; Maar heeft Zichzelf vernietigd, de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden; En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja, de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven alle naam is" (Filippensen 2 vers 5 tot en met 9).
Zoals de Heere Jezus Zelf aangeeft, bestaat het Oude Testament in feite uit drie delen: de wet van Mozes (de Pentateuch), de profeten (die bovendien de geschiedkundige Boeken omvatten) en de Psalmen met de poëtische Boeken (Lukas 24 vers 27 en 44).
Vandaag beginnen we met het overdenken van de profetie van een belangrijk gedeelte uit de Bijbel. Soms wordt dit Boek, omdat men meent dat het zo moeilijk te begrijpen is, maar overgeslagen bij het Bijbellezen. Maar laten we de Heere toch vragen of Hij ons wil helpen om ook in dit Boek te ontdekken "hetgeen van Hem geschreven" is.
Een profeet spreekt namens God tot Zijn volk, om haar terecht te wijzen, te waarschuwen, terug te brengen en te troosten. In het eerste hoofdstuk krijgt Jesaja als inleiding de taak van een arts toebedeeld. Hij moet zijn bevindingen over de hopeloze toestand van een patiënt meedelen. In de verzen 5 en 6 horen we zijn vreselijke diagnose! Deze conclusie is voor de mens van vandaag nog even geldig als destijds voor de Israëlieten. "Het ganse hoofd is krank, en het ganse hart is mat". Het verstand is verdorven, omdat men zich van God heeft afgewend (Romeinen 1 vers 21), de toewijding tot en genegenheid voor Hem bestaan niet meer. Onder deze omstandigheden is het in stand houden van een uiterlijke godsdienstige vorm niets anders dan pure huichelarij, ja zelfs een gruwel (vers 13; vergelijk Spreuken 21 vers 27).
In dit gedeelte komt de volheid van de Goddelijke genade ten opzichte van het ellendige volk duidelijk naar voren (maar dat geldt ook nu nog voor elke zondaar die weet dat hij verloren is!). Gisteren hebben we Israël, overdekt met wonden en striemen, 'achtergelaten'. Precies zoals dat het geval was bij die man in de gelijkenis, die in handen van de rovers gevallen was (Lukas 10 vers 30). Hier roept God het volk op om samen met Hem te richten. Wat kan het tot zijn verdediging in brengen? Het schuldige volk zwijgt.
In plaats van zijn vervloeking mag het hier echter, aangesproken door zijn eigen Rechter, de onvergelijkbare belofte van vers 18 horen, een belofte die sindsdien al ontelbare harten vrede geschonken heeft: "Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw". Wij weten dat deze reiniging kan plaatsvinden door het bloed van Jezus Christus (1 Johannes 1 vers 7). Aan de andere kant zullen zij die de aangeboden vergeving geminacht hebben, zelf de straf moeten ondergaan.
Vanaf vers 21 wordt beschreven wat er van Jeruzalem, "de getrouwe stad", geworden is: een schuilplaats voor moordenaars. Het was nodig dat God deze stad reinigde. Dat zal echter niet gebeuren door het bloed van de Verlosser â dat wilde men immers niet â maar door het oordeel, het oordeel dat de overtreders zal treffen, nadat God zoveel geduld met dit opstandige volk gehad heeft.
Ondanks het verval en de zichtbare ellende waren Jeruzalem en Juda opgeblazen door hoogmoed en aanmatiging. Maar wanneer zal de dag aanbreken waarvan de verzen 12 - 21 spreken, waarop de hoogmoed van de man verbroken en alleen God verheven zal worden (vers 11 - 17)? God zal openlijk bekend maken hoe Hij over de menselijke heerlijkheid en geestelijke capaciteiten (met al hun kostbare vertoningen â vers 16) denkt.
Vers 22 gaat echter nog veel verder: "Laat gij dan af van de mens". Dit is niet alleen de slotconclusie van dit tweede hoofdstuk van Jesaja, maar van het hele Oude Testament. Dit is de onherroepelijke mening van God over het hele mensengeslacht, waarvan Israël slechts een voorbeeld is. Het kruis zou binnenkort een punt zetten achter de beproeving van de mensen die in Adam zijn. Voortaan "acht" God de mensen niet meer. En in overeenstemming daarmee hebben wij als gelovigen nu het voorrecht om onszelf voor de zonde dood te houden, maar levend voor God in Christus Jezus, onze Heere (Romeinen 6 vers 11).
Het Boek Jesaja begint net zo als de Romeinenbrief. De eerste drie hoofdstukken van dat Boek stellen de schuld van de mensen en daarmee de noodzakelijkheid van diens rechtvaardiging vast. Het heil van de HEERE (dat is de betekenis van de naam Jesaja) zal nu in de Persoon van Jezus Christus, de Verlosser, zoals we verderop in dit Boek lezen, geopenbaard kunnen worden (hoofdstuk 40 en volgende).
Tot en met hoofdstuk 12 zal het hoofdzakelijk gaan over het oordeel over Israël en Juda. Vanaf hoofdstuk 13 - 27 lezen we over het oordeel over de volken. God begint het oordeel altijd bij Zijn eigen huis â de meest verantwoordelijke omgeving â en dat zal ook het geval zijn bij de belijdende christenheid (Romeinen 2 vers 9; 1 Petrus 4 vers 17). De aankondiging van het totale faillissement van de mensen is altijd een harde slag voor hen die verantwoording dragen en een voorname positie bekleden. Ondanks de uitdrukkelijke waarschuwing van God wordt er onder hen toch een waarzegger gevonden (In sommige Bijbelvertalingen wordt "die kloek ter tale is" bovendien vertaald met bezweerder, iemand die toverkunsten doet) (vers 3; Deuteronomium 18 vers 10). Wat is Israël toch diep in het verderf gevallen! Desalniettemin weet God onderscheid te maken tussen de rechtvaardige en de goddeloze en Hij vergeldt een ieder naar zijn werken. "Wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien", zegt Galaten 6 vers 7 (vergelijk Job 4 vers 8 en Hoséa 8 vers 7;10 vers 12 en 13).
Eén van de meest verderfelijke vruchten die het volk oogst, is de maatschappelijke wanorde, de val van de ingestelde orde. Er bestaat geen discipline meer, kinderen komen in opstand tegen het gezag van de ouders en leraars, "de jongeling zal trots zijn tegen de oude" (vers 5). Het zedelijk verval neemt meer en meer toe en bepaalde grenzen worden steeds verder overschreden.
Wat is er toch enorm veel overeenkomst te bespeuren tussen het diepe verval in Israël destijds en hetgeen wij vandaag de dag in onze zogenaamde christelijke landen meemaken!
De verzen 18 - 23 leren jullie "dochters" dat al die uitspattingen in de mode niet iets is wat alleen nu voorkomt. Bestaat er iets wat meer onuitstaanbaar en tegelijkertijd zo belachelijk is (zie vers 16) als dat overdreven bezig zijn met je eigen persoon, en al die pogingen om de aandacht en de bewondering van anderen op jezelf te vestigen? God veegt als het ware alle sieraden en schoonheidsmiddelen onvoorwaardelijk op één hoop en noemt het de "drek van de dochters van Sion" (hoofdstuk 4 vers 4).
Betekent dat, dat een christin zich niet mag sieren? Integendeel! Het Woord van God laat zelfs zien waaruit die versiering moet bestaan! De goede werken (1 Timotheüs 2 vers 9 en 10) en een zachtmoedige en stille geest zijn zedelijke versieringen waarin God een welgevallen heeft. En we moeten daarbij niet vergeten dat Hij er zeer zeker ook acht op slaat hoe wij ons verzorgen en kleden.
De tussenkomst van God ten gunste van Zijn volk aan het eind van hun geschiedenis herinnert ons aan de zorg die Hij aan het begin al had getoond (vergelijk vers 5 met Exodus 13 vers 21 en 22). Het is net alsof God het volk nog eens wil zeggen: Mijn ogen waren altijd op jullie gericht!
Hier eindigt de inleiding van dit Boek. Het heeft ons het zedelijk verval van Juda en Jeruzalem en de oordelen die hen zullen treffen, laten zien. Toch eindigt deze inleiding niet negatief, want er wordt al gesproken over het herstel en de heerlijkheid van Christus ("de SPRUIT des HEEREN, de Bron en Kracht des levens - vers 2).
Een aangrijpende gelijkenis toont ons de grote zorg van de HEERE ten opzichte van Zijn volk. Israël is de wijngaard, de Beminde van God. Deze wijngaard, Israël (vers 7), werd met uiterste zorg geplant, bewerkt en verzorgd, maar had uiteindelijk slechts wilde, onsmakelijke en waardeloze druiven opgebracht. In Zijn gelijkenis van de slechte wijngaardenier geeft de Heere uitdrukking aan de teleurstelling die de Beminde van Zijn wijngaard, Israël, waar Hij toch alle recht op had, heeft ondervonden (Lukas 20 vers 9 -16).
Deze verzen leggen echter ook de vinger op onze eigen ondankbaarheid. Het is alsof de Heere ons oproept om alle genade die Hij ons heeft doen ervaren vanaf onze kindheid, eens op te tellen. Maar vervolgens is het net alsof Hij deze of gene onder ons de verdrietige vraag moet stellen: "Wat is er meer te doen... hetwelk Ik... niet gedaan heb?" (vers 4). Terecht mocht de Heere toch enkele goede vruchten van ons verwachten? En toch waren die niet te vinden! We weten toch hoe we vrucht kunnen dragen? Door te blijven in de ware Wijnstok.
Nu Israël, de onvruchtbare wijngaard, terzijde gesteld is, is Christus de ware Wijnstok geworden en Zijn Vader is de Landman (Johannes 15 vers 1 en verder ).
Vanaf vers 8 horen we Jesaja verschillende keren een "wee..." uitspreken. Hij laat de verdrietige gevolgen zien van de weigering om God te gehoorzamen. En het maakt geen verschil of het daarbij nu om Israël of om de mensen in het algemeen gaat.
De begeerten van de mensen en de doelen die zij najagen, zijn verschillend, al naar gelang hun sociale verhoudingen en hun temperament. De één doet alle moeite om akkers samen te voegen en huis aan huis te voegen (uiteraard zonder in alle tegelijk te kunnen wonen - vers 8). Wee hen, want al deze aardse dingen zullen ze eens op aarde moeten achterlaten en dan zullen ze met lege handen voor God verschijnen.
Anderen proberen hun vertier te zoeken in wereldse feesten en in de bedrieglijke opwinding van de alcohol (vers 11, 12 en 22). Wee hen wanneer zij â te laat â in de eeuwige werkelijkheid zullen ontwaken.
In hun gezelschap vind je ook allen die een losbandig leven leiden, die zich in de zonde beroemen en daardoor God openlijk uitdagen (vers 18 en 19), maar ook hen die door een verhard geweten alle besef van goed en kwaad verloren hebben (vers 20), en hen die wijs zijn in eigen ogen (vers 21; dit in tegenstelling tot Spreuken 3 vers 7). Ja, daar zien we allen, van de dronkenlap tot de grootste filosoof, allemaal mensen die gezamenlijk, maar tevergeefs, op zoek zijn naar geluk (Prediker 8 vers 13). Het woord dat God over hen uitspreekt en dat tevens het einde van al hun gedachten en inspanningen is â of die nu edel of gemeen zijn â is: wee, wee, wee!
In de volgende hoofdstukken zullen we zien op welke manier God een volk (de Assyriërs) als een gesel gebruikt om Zijn volk te tuchtigen.
De jonge Jesaja ziet zich hier, in een heerlijk visioen, verplaatst in de tegenwoordigheid van de driemaal heilige God. Deze tegenwoordigheid heeft de ernstige uitwerking dat de profeet van zonde overtuigd wordt en hij ertoe gebracht wordt zeven keer "wee" uit te roepen, maar nu over zichzelf (vergelijk Lukas 5 vers 8).
De genade van God is echter werkzaam om aan Zijn eigen heiligheid tegemoet te kunnen komen. Het altaar staat naast de troon. De reiniging van de zondaar gebeurt door datgene wat spreekt van het offer van Christus. En zie eens, met welk een ijver Jesaja zich daarna direct beschikbaar stelt voor het dienen van Hem, Die zijn zonde van hem afgenomen heeft.
Zijn wij ook bereid om op deze manier op de roepstem van de Heere te antwoorden: "Zie, hier ben ik, zend mij heen"?
De jonge profeet krijgt eerst een eigenaardige opdracht: hij moet "dit volk" gaan zeggen dat God Zijn boodschap voor hen onbegrijpelijk zal maken. Dit is de zogenaamde verharding die vaker genoemd wordt (Mattheus 13 vers 14 en verder). Maar laten we erom denken dat die pas bewerkt werd nadat het volk zelf "de rede van de Heilige van Israël" versmaad had (hoofdstuk 5 vers 24). God liet deze verharding toe, opdat de volken (de heidenen) deel zouden kunnen krijgen aan het heil (Romeinen 11 vers 25).
Het jaar waarin koning Uzzia stierf, was van grote betekenis, was beslissend, voor de jonge Jesaja. Bestaat er in uw en jouw leven ook zo'n bepaalde datum, die dag van de bekering?
Nadat Jesaja gereageerd had op de oproep van God, lijkt het dat hij lang heeft moeten wachten (minstens 16 jaar âde tijd dat Jotham regeerde) voordat hij met zijn openlijke dienst kon beginnen.
Als wij een soortgelijke leerschool van geduld hebben te doorlopen, laten we dan de moed niet verliezen. Laten we de Heere het tijdstip en de manier laten kiezen die Hij goed en nodig acht om ons te kunnen gebruiken. Onze enige verantwoording is ons aan Hem ter beschikking te stellen en te gehoorzamen (vergelijk Mattheus 8 vers 9).
Jesaja wordt nu eerst naar de koning van Juda, de slechte Achaz, gestuurd. Het is een heel ernstige tijd voor het koninkrijk. Het rijk wordt namelijk bedreigd door Rezin, de koning van Syrië en â hoe verdrietig om te zeggen â ook door Pekah, de koning van Israël. Satan probeert van hen gebruik te maken om de troon van David ten val te brengen en zich op die manier tegen de regering van de beloofde Messias te verheffen. Maar de profeet krijgt als opdracht een goed bericht mee: de beide aanvallers zullen hun slechte bedoelingen niet kunnen uitvoeren.
Daarna mag Achaz, ondanks zijn onwaardigheid en zijn valse ootmoed, een nog veel heerlijker en hogere openbaring horen: de geboorte van Immanuël. Deze geboorte zal tot heil dienen voor het huis van David, voor het volk Israël en de hele wereld. Deze prachtige naam Immanuël betekent: God met ons (Mattheüs 1 vers 23). Het schijnt hier als een eerste lichtstraal door de profetische lamp in de diepe zedelijke duisternis (2 Petrus 1 vers 19).
De hele profetie van Jesaja wordt als het ware beheerst door twee personen, twee thema's. Het ene is oneindig kostbaar en troostrijk: de Messias Zelf. Het andere daarentegen is het vreselijke Assyrië, de machtige vijand van Israël in de laatste dagen.
Omdat het volk de Eerste verworpen heeft, zal het met de tweede te doen krijgen. Het volk heeft het water van de genade van hem die tot hen gestuurd werd (Silóa betekent 'uitgezonden'; Johannes 9 vers 7), afgewezen. Daarom zal het door het oordeel van de machtige en grote wateren van die vreselijke koning van Assyrië overspoeld worden. Maar omdat God eraan terugdenkt dat het om het land van Immanuël gaat, zal Hij uiteindelijk allen vernietigen die zich verenigd hebben om dit land te overvallen. Vers 9 doet ons ook denken aan hetgeen al heel spoedig het lot van dit samengaan van de volken, dat vandaag de orde van de dag is, zal zijn (hoofdstuk 54 vers 15).
Om de rode draad in deze profetische woorden te kunnen volgen, moeten we niet vergeten dat het zowel om het opstandige en afvallige volk als geheel (vers 11, 14, 15, 19 en verder) gaat, alsook om het gelovig overblijfsel, tot wie de Geest hier eveneens spreekt.
De aanhaling van vers 18 in Hebreeën 2 vers 13 staat ons toe om in de profeten en zijn zonen (hoofdstuk 7 vers 3 en 8 vers 3) een beeld van Christus te zien, zoals Hij Zich met Zijn "leerlingen" (vers 16) voor God stelt. Hij schaamt Zich niet hen te erkennen en hen Zijn broeders te noemen (zie Johannes 17 vers 6; 20 vers 17).
Aan het eind van hoofdstuk 8 hebben we gelezen van duisternis en donkerheid. Israël is "het volk, dat in duisternis wandelt". Maar nu zien we dat er een licht voor hun voeten gaat schijnen. De aanhaling van deze Schriftplaats in Mattheüs 4 vers 15 en 16 verplaatst ons in de tijd van het evangelie, om daarin Hem te zien schijnen Die het Licht van de wereld is (Johannes 9 vers 5). In dit verachte, maar ook zo bevoorrechte Galilea heeft de Heere Jezus het grootste deel van Zijn dienst vervuld. Het ware Licht is echter niet voorbehouden aan één bepaald gebied of volk. Het "verlicht een ieder mens", maar "de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos" (Johannes 1 vers 9; 3 vers 19).
De verzen van vandaag gaan verder dan de tijd van de verwerping van de Heere Jezus. Over de tegenwoordige tijd van de Gemeente is overigens nooit sprake in de Profeten. Deze verzen laten ons direct de vreugde van Israël zien (vers 2) op het moment dat, na eeuwenlange duisternis, de heerlijke zon van de gerechtigheid zal opgaan (vergelijk hoofdstuk 60 vers 1, 19 en 20).
Vers 5 van het hoofdstuk dat we vandaag gelezen hebben, openbaart ons een aantal prachtige namen en titels van de Zoon. Deze namen zijn stuk voor stuk een gezegend onderwerp voor onze zielen en daarom de moeite waard om te overdenken.
De laatste gedeelten van hoofdstuk 9 en het eerste gedeelte van hoofdstuk 10 laten ons de redenen zien waarom de toorn van God over Israël niet afgewend wordt en Zijn hand nog uitgestrekt is (hoofdstuk 9 vers 11, 16 en 20; 10 vers 4). Deze hand houdt een gevreesde roede vast om het schuldige volk te tuchtigen: de Assyriërs, die al eerder aangehaald zijn. In de geschiedenis kwam al eerder een Assyriër voor: Sanherib en zijn legers; zie hoofdstuk 36 vers 1. Hij is echter nog maar een zwak beeld van de vreselijke profetische Assyriër die het land Israël, vlak voor de heerschappij van Christus, zal overvallen. In Zijn toom zal God deze overrompeling van Zijn volk bepalen. De aanvaller zal zijn successen echter aan eigen kunnen toeschrijven en zich zelfs tegen God verheffen (vers 13 en 15; vergelijk 2 koningen 19 vers 23 en verder). Wat een grote dwaasheid! Het werktuig is niets zonder de hand die haar leidt. Daarom zal God deze roede, nadat Hij haar gebruikt heeft, aansteken en als een gewoon stuk hout laten verbranden (vers 16; hoofdstuk 30 vers 31 - 33).
Laat dit buitengewone voorbeeld ons er toch aan doen denken wie wij zijn, zelfs als christenen: eenvoudige werktuigen, zonder eigen kracht en wijsheid (vergelijk vers 13), werktuigen die de Heere terzijde kan zetten of vervangen, naar het Hem behaagt.
De eindgedachte van God is niet het oordeel, maar de genade: "Het overblijfsel zal weerkeren" (vers 21 en 22, aangehaald in Romeinen 9 vers 27).
In de verzen 18 en 19, 33 en 34 van hoofdstuk 10 wordt Israël vergeleken met een bos, waarin de bijl en de zaag (de Assyriërs in de hand van de HEERE, vers 15) grote open plekken hebben doen ontstaan. Ook de koninklijke boom, Juda, zal geveld worden, want al spoedig zal er geen nakomeling van David meer op de troon zitten.
In de natuur komt het echter voor dat er jonge scheuten vol sap uit een pas afgezaagde boomstronk opschieten. Uit de ogenschijnlijk afgestorven "tronk van Isaï" is een heel nieuw Rijsje voortgekomen, opgeschoten voor God en rijke vrucht van de Geest voortbrengend (hoofdstuk 11 vers 2)!
De Scheut, de Wortel en het geslacht van David (vers 1 en 10; Openbaring 22 vers 16) zijn namen die de Heere Jezus draagt in verbinding met de zegening van Israël en de wereld. Dan zal er gerechtigheid en vrede heersen op aarde, zelfs onder de dieren. Wat een tegenstelling tussen dit verrukkelijke beeld van het duizendjarig rijk en de toestand die we nu tegenkomen in de schepping, een schepping die "zucht" en "in barensnood" is, in de verwachting van de toekomstige rust en heerlijkheid (Romeinen 8 vers 19 - 22)! Alle verbannenen uit Israël zullen daaraan deel hebben. Ze zullen terugkeren uit de verstrooiing, zoals dit volk eens teruggekeerd is uit de gevangenschap in Egypte.
En hoofdstuk 12 legt hen dan de definitieve lofzang in de mond, die ons doet denken aan het eerste lied dat Israël zong (vergelijk vers 2 met Exodus 15 vers 2).
God zal vanaf hier tot hoofdstuk 27 tot ons spreken over Zijn oordelen over de volken. Dit wordt "de last" of "de Godsspraak" genoemd. Dat woordje "last" is kenmerkend. Wanneer de man Gods â en dat geldt evengoed voor nu als voor toen â het toekomstig oordeel van God moest aankondigen, dan was het onmogelijk dat zijn hart daaronder niet diep terneergedrukt was.
Geschiedkundig gaat het hier in eerste instantie om de volken die leefden in de tijd van Jesaja. En de verschillende profetieën zijn wat hen betreft al letterlijk in vervulling gegaan. Reisverslagen bevestigen tot op vandaag dat de plaats waar Babylon lag, een eenzame, verlaten en angstaanjagende omgeving is, waar slechts woestijndieren wonen (vers 17 - 22). Het is echter "geen profetie der Schrift... van eigen uitlegging" (2 Petrus 1 vers 20). Met andere woorden: het heeft niet alleen betrekking op dit ene feit en wordt niet achteraf door de geschiedenis verklaard. Met het inzicht dat de Heilige Geest geeft, moeten wij altijd een verbinding met de centrale eindgedachte van God zoeken, namelijk tot Christus en Zijn toekomstig rijk.
Er zal een profetisch Babylon bestaan: de valse en afvallige kerk (zie Openbaring 17 vers 5 en hoofdstuk 18). Dat zal voor de oprichting van het rijk ten val komen, tot vreugde van de heiligen , "de vrolijken van Mijn hoogheid" (vers 3; Openbaring 18 vers 20; vergelijk Psalm 35 vers 15 en 26).
Vanwege Zijn erbarmen met het geringe overblijfsel van Zijn volk, zal God de grootste koninkrijken ten val brengen (hoofdstuk 43 vers 3 - 5). Voor Hem is niets te moeilijk, wanneer het erom gaat om hen die Hij liefheeft, te redden. Laten we daarom niet bang zijn! Hij heeft alle middelen in Zijn hand om Zijn kinderen te hulp te komen; niet om onze, maar vanwege Zijn eigen trouw.
Na iets over Babylon gehoord te hebben, is het nu de beurt aan diens koning. En we zijn hier getuigen van een heel aangrijpende gebeurtenis. In gedachten verplaatst Jesaja ons naar de verblijfplaats van de doden. Hij laat ons de grote opschudding zien, die veroorzaakt wordt door de aankomst van zo'n belangrijke persoonlijkheid. "Wat! U bent ook hier?", zo zullen zij die hem gekend hebben op het hoogtepunt van zijn macht, zich verwonderen!
In deze koning van Babel herkennen wij het hoofd van het vierde, het Romeinse wereldrijk, ook 'het beest' genoemd. Vanaf vers 12 gaat de gedachte van de Heilige Geest echter uit boven deze gevolmachtigde van satan, om laatstgenoemde zelf aan ons te openbaren. "Hoe zijt gij uit de hemel gevallen...!" Hier wordt ons onthuld dat het om de hoogmoed bij Lucifer (morgenster) gaat; deze was een cherub des lichts. Hij is geworden tot de vorst der duisternis en kan als verleider ook vandaag nog de gestalte van een engel des lichts aannemen (2 Korinthe 11 vers 14). Nu laat hij de aarde nog sidderen door de macht van de duisternis en laat hij zijn gevangenen niet los (vers 17 en hoofdstuk 49 vers 24 en 25). Maar al heel spoedig zal God hem onder onze voeten verpletteren (Romeinen 16 vers 20; Ezechiël 28 vers 16 -19).
Na het oordeel over Babylon en de Assyriër volgt nu het oordeel over de buren van Israël. Zoals de aangeklaagden, de één na de ander, in het beklaagdenbankje moeten verschijnen, zo zullen deze traditionele vijanden van het joodse volk, de één na de ander, de indrukwekkende en ernstige uitspraak tegen zich horen.
Palestina (Filistea), dat door Uzzia, de vader van Achaz, overrompeld werd (2 Kronieken 26 vers 6), had geen gelegenheid om zich over de dood van Achaz te verheugen (vers 28 en 29), want ook diens zoon Hizkia sloeg hen (2 Koningen 18 vers 8).
Moab wordt "zeer hovaardig" genoemd (hoofdstuk 16 vers 6). Dit volk werd gekenmerkt door trots, iets waarvan de HEERE zegt dat Hij "de hovaardigheid, en de hoogmoed" haat. Vervolgens zegt Hij: "Hovaardigheid is vóór de verbreking, en hoogheid van de geest vóór de val" (Spreuken 8 vers 13; 16 vers 18). Deze val van Moab maken we als het ware van dichtbij mee. Zijn verwoesting is met geen pen te beschrijven. De hoofdstukken 15 en 16 zijn gevuld met hun jammerklacht en het uithuilen van al hun hopeloosheid.
In de verzen 3 en 4 van hoofdstuk 16 zien we dat de gelovigen die op de vlucht zijn voor de vervolging van de Antichrist in Juda, op het grondgebied van Moab een toevlucht zullen vinden. En na het voltrekken van de oordelen zal er dan uiteindelijk Eén zijn Die in goedheid en waarheid, in recht en gerechtigheid zal regeren (hoofdstuk 16 vers 5). Psalm 72 vers 1 - 4 kondigt deze heerlijke tijd aan, waarin Christus, de ware Salomo, het volk naar gerechtigheid en recht zal richten.
In hoofdstuk 7 vers 1 hebben we gezien dat Rezin, de koning van Syrië, samen met zijn bondgenoot Pekah, de zoon van Remália, Juda aanvalt. In 2 Koningen 16 vers 5 - 9 wordt dit bericht gecompleteerd door ons de afloop mee te delen: de inneming van Damaskus door Tiglath-Pilézer en de dood van Rezin. Net als de voorgaande oordelen heeft deze "last van Damaskus" echter ook betrekking op de toekomst. Het moderne Syrië zal blijkbaar tot deze "veelheid der grote volken" behoren (vers 12; Openbaring 17 vers 15), dat als een bruisende zee Israël zal overrompelen. Maar... "eer het morgen is, is hij er niet meer" (vers 14; Psalm 37 vers 36).
In tegenstelling daarmee laat hoofdstuk 18 ons een land aan de zee zien, dat zijn beschermende macht uitstrekt (schaduw) om het uitverkoren volk te hulp te komen. Zo maakt God onderscheid tussen de volken van deze aarde, al naar gelang ze voor of tegen Israël zijn. En zie eens hoe Hij over Zijn arme aardse volk denkt, terwijl het veracht wordt door de wereld en met voeten getreden. In Zijn ogen is Israël "het volk, dat vreselijk (soms vertaald met: wonderbaar) is van dat het was en voortaan" (vers 7). Is het niet het volk van Hem Die Zelf "Wonderlijk" genoemd wordt (hoofdstuk 9 vers 6)? Een volk dat altijd nog wacht...
En wij, gelovige vrienden, wachten wij op Hem, Die niet onze Koning, maar de hemelse Bruidegom van de hemelse Bruid, de Gemeente, is?
Nu is het de beurt aan Egypte om een dreigende uitspraak te horen: burgeroorlog, verdrukking door een tiranniserende overheerser, zoals Farao er destijds één was. Maar ook de uitdroging van de Nijl, die de levensader, de rijkdom en de trots van het land is, wordt voorzegd (Ezechiël 29 vers 3). Dat is het wat deze aartsvijand van Israël allemaal te wachten staat.
De vorsten van Zoan en Nof zijn een typisch voorbeeld van de mensen van deze wereld. Ze denken van zichzelf dat ze wijs zijn, maar in feite zijn ze niets anders dan dwazen (vers 11; vergelijk Romeinen 1 vers 22). Ze weigeren immers naar God, Die Zich geopenbaard heeft, te luisteren. Tegelijkertijd doen ze echter ijverig mee aan elke vorm van bijgeloof (vergelijk vers 3). Hoe ongerijmd het ook mag klinken, maar het is heel opmerkelijk dat juist de ergste ongelovigen vaak de meest lichtgelovige mensen zijn! Aan de andere kant is dit toch ook heel goed te verklaren, want zonder er zelf bij stil te staan, worden ze door satan verblind en verleid. Hij is een harde heer en een "strenge koning" (vers 4; 2 Timotheüs 3 vers 13), die over hen heerst en hen om de tuin leidt.
Maar de genade van God spreekt ook hier een woordje mee, zelfs ten opzichte van Egypte. Behalve Israël, het speciale erfdeel van de HEERE, zal er in de zegeningen van het duizendjarig rijk ook een plaats zijn voor Egypte en Assyrië. Eertijds waren ze vijanden van het volk van God, maar dan zijn het voorbeelden voor de wereld, die uiteindelijk als geheel onderworpen zal zijn aan de Zoon des mensen (Genesis 22 vers 18).
Hoofdstuk 20 maakt de Godsspraak over Egypte compleet. Naakt en op blote voeten kondigt de profeet aan hoe de gevangenen uit Egypte en Ethiopië (Morenland) in een treurende stoet voorbij zullen trekken. De koning van Assyrië, een expert in het wegvoeren van volken, zal hen verbannen. Dan zal Israël (de bewoners van dit kustland) met schrik en ontzetting zien dat het tevergeefs was om bij het volk van Farao toevlucht te zoeken, om zo van de gevreesde Assyriër bevrijd te worden (Psalm 60 vers 13).
Hoofdstuk 21 begint met "de last der woestijn aan de zee". Het gaat het hier om Babel. (In Assyrië werd het zuiden van Babel, na de overstromingen door de Eufraat, 'land aan de zee' genoemd). Tijdens "de schemering", waar men naar verlangde (vers 4), hadden de Meden en de Perzen (Elam) al een eind gemaakt aan dit koninkrijk met z'n grote rijkdom (zie Daniël 5 vers 28 - 30). Deze profetie heeft echter ook een toekomstige toepassing, zoals die van hoofdstuk 13 (Lukas 21 vers 35).
In vers 6 wordt de profeet opgeroepen om een wachter op te stellen. Het was diens opdracht om aandachtig en zorgvuldig te luisteren en te roepen. In een leger bekleedt de wachter een vertrouwenspositie en hij draagt dan ook een grote verantwoordelijkheid. Hij heeft zich aan twee opdrachten te houden: waken en waarschuwen (zie Ezechiël 3 vers 17 en 18, en in tegenstelling daarmee Jesaja 56 vers 10).
Heeft niet iedere gelovige deze verantwoordelijkheid? Zijn wij trouw in het vervullen van onze opdrachten, zowel ten opzichte van de mensen van deze wereld als ten opzichte van onze broeders?
Het was te verwachten dat ook Edom (hier Duma genoemd) op de lijst van de vijanden van Israël zou staan. De uitspraak over Duma is kort maar ernstig. De trouwe wachter, die volgens de aanwijzingen van God opgesteld was (hoofdstuk 21 vers 6), wordt door de spotters uit Seïr gevraagd: "Wachter! wat is er van de nacht?", dus "hoe ver is de nacht al gevorderd?" (vers 11; vergelijk 2 Petrus 3 vers 3 en 4). En het antwoord is even ernstig als indringend: "De morgenstond is gekomen...". De morgen komt voor hen die het verwachten (zie Romeinen 13 vers 12). "... en het is nog nacht", dat is de eeuwige nacht voor de verlorenen!
Christenen, laten we toch waakzame wachters zijn en ons bewust zijn van onze opdracht ten opzichte van zondaren en hen vermanen: "Keert weer, komt!" Laten we de dorstigen tegemoet gaan om hen water te brengen (vers 14).
Na de "last tegen Arabië", wiens heerlijkheid eveneens moet verdwijnen, richt hoofdstuk 22 zich tot "het dal van het gezicht". Deze keer kunnen we hierin Jeruzalem zelf herkennen, in haar toestand van ongeloof. Wat een tragische en aangrijpende beschrijving! De hele stad is in oproer; men verdringt zich op de daken om deze vernietiging bij te wonen. Waren niet alle te bedenken voorzorgsmaatregelen genomen (vers 8 - 11)? Jazeker, behalve één die het meest noodzakelijk was, namelijk te zien op Hem "Die zulks gedaan heeft", de HEERE hun God.
Als er een catastrofe dreigt te ontstaan, dan is de reactie van de mensen van deze wereld meestal dat ze zelf allerlei menselijke voorzorgsmaatregelen gaan nemen (zie vers 8 -11). Een andere instelling is echter nog erger: het zich volledig laten gaan. Hier roept God Israël door middel van een beproeving op, te wenen en zich te verootmoedigen. In zekere zin wordt hier het zingen van Klaagliederen, zoals we dat lezen in Mattheüs 11 vers 17, bedoeld. Maar helaas heeft het volk niet geweeklaagd, maar geeft het zich juist over aan "vreugde en blijdschap"! Deze zogenaamde materialistische filosofie kent ook in onze beangstigende eeuw talloze aanhangers! Als ons bestaan dan al zo kort is, zeggen deze dwazen, en wij een onafwendbare ramp tegemoet gaan, laten we dan tenminste deze ogenblikken nog zo plezierig mogelijk doorbrengen! Dit wordt in die korte zin samengevat: "Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven".
De apostel haalt deze tekst aan bij de Korinthiërs, als het ware om hen te zeggen: 'Als er dan toch geen opstanding bestaat, dan zouden we inderdaad als dieren kunnen leven en ons op dit moment, dat voorbij gaat, verheugen' (1 Korinthe 15 vers 32; Lukas 17 vers 27).
De verzen 15 en 25 zetten de ontrouwe beheerder, een beeld van de Antichrist, terzijde, waarna we vervolgens de zoon van David, Eljakim, zien opkomen (die naam betekent: 'hij die door God opgericht wordt'), een prachtig voorbeeld van de Heere Jezus (vers 22 - 24; vergelijk Openbaring 3 vers 7).
Tyrus, het bloeiende handelscentrum uit de oudheid, is in hoofdstuk 23 de laatste stad waartegen een 'last' wordt uitgesproken. In elke 'last' of 'Godspraak' hebben we de mensheid vanuit een ander zedelijke oogpunt bezien en gelezen over diens vervloeking.
In hoofdstuk 24 zien we hoe de apocalyptische oordelen, die een einde moeten maken aan de macht van de boze, over de aarde worden uitgegoten. Hierdoor wordt de aarde totaal verwoest.
In hoofdstuk 25 lezen we echter dat er zelfs te midden van zo'n ruïne nog een aangrijpend lofgezang weerklinkt: het 'arme' overblijfsel van Israël, dat op wonderbare wijze gespaard gebleven is voor deze verwoesting, roemt in hetgeen God voor hem in deze tijd van verdrukking geweest is. Nu is 'de zangtijd' aangebroken (Hooglied 2 vers 12 â vergelijk hoofdstuk 24 vers 14).
Vers 4 spreekt van de troost die al talloze gelovigen die door beproevingen gingen, ervaren hebben. Maar vers 8 laat ons een nog grotere macht zien: "Hij zal de dood verslinden tot overwinning". In 1 Korinthe 15 vers 54, waar dit vers aangehaald wordt, zien we de vervulling hiervan ten gunste van de gelovigen. Het kruis en de triomferende opstanding van de Overwinnaar van Golgotha staan tussen deze beide verzen in. Bij de opstanding van de onrechtvaardigen zal de dood definitief tenietgedaan worden (1 Korinthe 15 vers 26).
De hoofdstukken 1-12, die het gericht over Israël als onderwerp hebben, werden afgesloten met een heerlijk beeld van het duizendjarig rijk. Het tweede deel van het Boek Jesaja (hoofdstuk 13 - 27), dat over de tuchtiging van de volken gaat, wordt op dezelfde manier afgesloten. Er wordt een lied gezongen, en we doen er goed aan een aantal verzen dik te onderstrepen.
De verzen 3 en 4 van hoofdstuk 26 hebben al vele generaties lang de kinderen van God gesterkt (vergelijk Psalm 16 vers 1).
In de verzen 8 en 9 wordt het smekende zuchten van de gelovigen tot uitdrukking gebracht.
Vers 13 herinnert aan de slavenkettingen van vroeger. Ja, wij kennen ze maar al te goed, die "andere heren": satan, de wereld en onze begeerten. Ze hebben over ons geheerst, totdat wij bevrijd werden door de Heere, Die wij nu toebehoren (2 Kronieken 12 vers 8)!
In hoofdstuk 27 wordt de Leviathan, een beeld van de duivel (de oude slang), onschadelijk gemaakt (Psalm 74 vers 14; Openbaring 20 vers 1- 3).
Vervolgens wordt Israël vergeleken met een wijngaard (vergelijk hoofdstuk 5). Deze keer bestaat de opbrengst niet meer uit wilde druiven, maar uit de zuivere wijn van ongestoorde vreugde. En het hele aardoppervlak wordt vervuld met vruchten, tot verheerlijking van God, want nu zijn het niet meer de slechte wijngaardeniers die voor haar zorgen. Nee, de HEERE Zelf behoedt haar dag en nacht!
Met hoofdstuk 28 begint het derde deel van het Boek Jesaja. Dit brengt ons terug bij de inneming van Efraïm (de tien stammen) en vervolgens die van Juda door de gevreesde profetische Assyriër; nu wordt er op de details ingegaan. De hoogmoed zal als een roes werken, om het ongelukkige joodse volk te misleiden. Men meent voldoende beschermd te zijn, doordat er een verbond met de dood gesloten is (dat wil zeggen met het hoofd van het Romeinse rijk), maar juist dat zal hun ondergang zijn. Als een wervelstorm zal de Assyriër Jeruzalem verwoesten. De God van Israël zal deze "overvloeiende gesel" gebruiken "om Zijn werk te doen, Zijn werk zal vreemd zijn; en om Zijn daad te doen", het oordeel. Dit werk is Hem 'vreemd', want Zijn 'gewone werk' is juist te redden en te zegenen (Johannes 3 vers 17).
De ineenstorting van alle menselijke waarden en steunpilaren biedt God echter de gelegenheid om de "kostbare Hoeksteen", Die Hij in Sion gelegd heeft, te openbaren. Dat Hij Hem met liefde beziet, blijkt uit de manier waarop God aandacht besteedt en als het ware de nadruk legt op elke uitdrukking waarmee deze Steen omschreven wordt. Een "grondsteen..., een beproefde steen, een kostbare hoeksteen, die wel vast gegrondvest is" (vers 16).
Ja, deze Steen is een beeld van Christus, Die "door de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren" is. En Hij heeft ook voor ons als gelovigen een onnoemelijk grote waarde en is ons dierbaar (lees 1 Petrus 2 vers 4, 6 en 7)! En werkelijk, de Heere Jezus is voor iedereen letterlijk de Toetssteen. Is Hij kostbaar voor onze harten of niet?
Na de overval in hoofdstuk 28 is de kwestie met Jeruzalem echter nog niet ten einde (zie hoofdstuk 40 vers 2). Het krijgt een nieuwe aanval te verduren en wel van de kant van een vreselijke volkerenbond. Deze keer zullen de vijanden echter als in een droom verdwijnen, omdat ze het gewaagd hebben zich aan "Ariër (de leeuw van God), de stad van de ware David, te vergrijpen. Tegelijkertijd met de bevrijding zal God een ander werk, dat Hem waardig is, volbrengen: het werk in het geweten van Zijn volk (vers 18 - 24).
De verstopte oren en gesloten ogen (volgens de profetie in hoofdstuk 6 vers 10) zullen geopend worden. Er zal weer inzicht zijn en de woorden van het Boek, Dat voordien verzegeld was (vers 11), zullen dan wel begrepen en aangenomen worden. Het is goed om er bij deze gelegenheid aan te herinneren dat de Bijbel ook nu een gesloten Boek is voor het natuurlijk verstand. Je hebt de Heilige Geest nodig om het Woord van God te kunnen begrijpen.
De Heere haalt vers 13 aan als Hij in gesprek is met de Schriftgeleerden en Farizeeën. Daarmee beschrijft Hij hun toestand (Mattheüs 15 vers 7 - 9). De Heere eren met de lippen, terwijl het hart ver van Hem verwijderd is, is een toestand waarin ook wij ons kunnen bevinden als wij onszelf niet oordelen. Bij anderen kunnen we ons met deze vorm van huichelarij misschien nog vromer voordoen dan we in werkelijkheid zijn, maar Hem Die onze harten door en door kent, kunnen we niets wijsmaken (Ezechiël 33 vers 31 en 32)!
De hoofdstukken 30 en 31 roepen een tweevoudig "wee" uit over het opstandige volk, omdat het in Egypte hulp gezocht heeft.
We kunnen het nooit te vaak herhalen, zoals het Woord van God ook duidelijk aangeeft, dat het vertrouwen op mensen een dwaasheid is. In feite kun je voor jezelf en anderen niets slechters bedenken! We mogen gerust zeggen dat zoiets niets anders dan ongeloof is, want God heeft al aan het begin van dit Boek gezegd dat de mens niets is (hoofdstuk 2 vers 22). En bovendien is het een belediging van God, een minachting van Zijn macht en Zijn liefde. Alsof Hij niet in staat zou zijn om ons te bewaren en het voor Hem juist geen vreugde zou zijn om dát te doen!
De weg tot bevrijding en kracht wordt ons in het prachtige vers 15 van hoofdstuk 30 getoond: omkeren tot de Heere, in plaats van naar de wereld (Egypte) te gaan. Bovendien is "stilheid" en "vertrouwen" noodzakelijk om de leiding van de Heere te kunnen waarnemen. "En uw oren (dat is persoonlijk) zullen horen het woord van Hem, Die achter u is, zeggende: "Dit is de weg, wandelt daarin; als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhand" (vers 21). Hoe vaak zijn we al niet van de weg afgeweken, eenvoudig omdat we verzuimd hebben opmerkzaam en met ons hele hart naar deze trouwe en o zo bekende stem te luisteren (Spreuken 5 vers 13 en 14)!
We mogen in deze hoofdstukken geen chronologische volgorde verwachten van de dingen die in de toekomst staan te gebeuren. Hier wordt ons veel meer een beschrijving gegeven van afzonderlijke gebeurtenissen in het profetische gebeuren. Als we opmerkzaam lezen, dan valt het op dat één en dezelfde gebeurtenis meerdere keren vanuit verschillende gezichtspunten, hetzij afzonderlijk of groepsgewijs, bezien wordt. Zo kunnen we bijvoorbeeld in de hoofdstukken 32 en 33 voor de derde keer die stralende morgen van het duizendjarig rijk bewonderen.
Na de vreselijke vernietiging van de Assyriër en de valse koning of Antichrist (hoofdstuk 30 vers 31 - 33), zal er plaats gemaakt worden voor de ware Koning. Dat is Christus, Die in gerechtigheid regeren zal. Juist op deze gerechtigheid wordt hier de nadruk gelegd (hoofdstuk 32 vers 16 en 17; hoofdstuk 33 vers 5 en 15).
Daarna zullen de ontkomenen van het volk met ogen "die zien" (hoofdstuk 32 vers 3), "de Koning zien in Zijn schoonheid". Bovendien zullen ze in Hem een "Man" vinden, Die voor hen bescherming, rust en tot leven voor hun ziel zal zijn (hoofdstuk 32 vers 2).
Wat zijn deze beloften, die aan Israël gericht zijn, toch kostbaar, ook voor onze harten, geliefde kinderen van God! Wij leven immers in diezelfde onrechtvaardige wereld. En wij mogen deze Zelfde Heere verwachten; Hij Die "veel schoner dan de mensenkinderen" is (Psalm 45 vers 3)!
Hoofdstuk 34 heeft betrekking op het oordeel over Edom, het vervloekte volk dat van Ezau afstamt. Het zal totaal verwoest worden en hun land, het gebergte Seïr, zal voor altijd en eeuwig tot een woestenij zijn. Moderne predikers wagen het soms te zeggen dat God in Zijn liefde niemand kan vervloeken, maar een passage als deze weerlegt deze gedachte op een ernstige wijze voor eens en altijd.
In tegenstelling hiermee geeft hoofdstuk 35 ons een kort overzicht wat er van de erfgenaam Israël (de broer van Ezau) worden zal. Zelfs de woestijn zal daar tot een prachtige tuin worden, waar "de heerlijkheid des HEEREN, het sieraad van onze God" ongehinderd zal stralen (vers 2). Vandaar ook dat het gejubel en de vreugde zo uitdrukkelijk naar voren komen in dit korte hoofdstuk. Is zo'n vooruitzicht niet in staat om de terneergeslagen harten weer moed in te spreken? (vers 3).
En de eenmalige christelijke hoop die wij hebben, geeft ons nog veel meer reden om te juichen! Ons heerlijk vooruitzicht is immers de komst van de Heere om Zijn Gemeente op te halen. Laten we dat toch nooit uit het oog verliezen en er veel met andere gelovigen over praten! Er is niets waardoor onze slappe handen meer versterkt en onze knikkende knieën meer verstevigd worden. Met andere woorden: er is niets wat ons beter kan bemoedigen in de dienst voor Hem, in het gebed en in een onberispelijke wandel (vers 3; vergelijk Hebreeën 12 vers 12). "Zo dan, vertroost elkander met deze woorden" (1 Thessalonicenzen 4 vers 18).
De hoofstukken 36 - 39 vormen een geschiedkundig gedeelte dat als het ware ingelast is tussen de beide grote profetische gedeelten van het Boek Jesaja. Het gaat hier om een bericht dat wij ook kennen uit 2 Koningen 18 vers 13 - 21 en 2 Kronieken 32. God brengt dit gedeelte voor de derde keer onder onze aandacht, als een levendige illustratie van het vertrouwen in Hem enerzijds en anderzijds om Zijn barmhartig antwoorden op dit vertrouwen te tonen.
Geheel onverwacht verschijnt er hier in dit Boek die prachtige geschiedenis van Hizkia, een gebeurtenis die moet bewerken dat de slappe handen versterkt en de knikkende knieën verstevigd worden (hoofdstuk 35 vers 3). Uiteindelijk is het een beeld van de situatie waarin het gelovig overblijfsel van Israël zich bij de overval van de Assyriërs zal bevinden.
De vijand, die tot nu toe zoveel overwinningen behaalde, verschijnt "aan de watergang van de bovenste vijver, aan de hoge weg van het veld des vollers". Dat is dezelfde plaats waar de profeet en zijn zoon Schear-Jaschub bij de overval van Rezin naar toe gestuurd werden met een boodschap van genade voor Achaz (hoofdstuk 7 vers 3 en 4). Met het oog op de uitdaging van deze nieuwe vijand mag ook Hizkia denken aan de belofte die zijn vader toen op die plaats ontving: "Wacht u, en wees gerust, vrees niet, en uw hart worde niet week..."
De knechten van Hizkia hebben hun koning gehoorzaamd en de vijand geen antwoord gegeven. In getrouwheid brengen ze hem daarna de woorden van de aanvaller over (hoofdstuk 36 vers 21 en 22). Dan voeren ze bij Jesaja de opdracht uit die ze ontvangen hebben en brengen daarmee de Spreuk, die ze voor zichzelf goed onthouden hebben, in praktijk (Spreuken 25 vers 1 en 13). Laten we erop letten dat ze aangevoerd worden door Eljakim, de zoon van Hilkia. Deze Eljakim is de getrouwe, door God aangestelde beheerder, die een beeld is van de Heere Jezus (hoofdstuk 22 vers 20).
Hizkia werd door het eerste antwoord van de profeet gerustgesteld. Nu krijgt hij echter van de koning van Assyrië een brief die een dreigement voor hemzelf, alsook een verachting van de God van Israël inhoudt. In het bewustzijn van zijn eigen machteloosheid, maar er ook goed van doordrongen dat de God van Israël hier beledigd wordt, gaat de koning weer naar de tempel en legt deze aanmatigende brief voor Gods aangezicht neer. Deze keer neemt hij geen genoegen met een gebed van Jesaja (vers 4). Hij richt zich nu persoonlijk tot de HEERE. Let er dan eens goed op wat hij zegt! Hij spreekt niet over zichzelf, noch over zijn volk. Nee, het belangrijkste voor Hizkia is de eer van Hem, "Die tussen de cherubs woont". De "goden der volken", die door Assyrië overwonnen werden, mochten absoluut niet met "de God van alle koninkrijken der aarde" verward worden (vers 12 en 16 â vergelijk ook vers 17 met Psalm 74 vers 10 en 18)!
Hizkia heeft vers 15 van hoofdstuk 30 in praktijk gebracht: "In stilheid en in vertrouwen zou uw sterkte zijn". En hij is hierin niet beschaamd. Met zijn geloof heeft hij de HEERE vereerd en als antwoord daarop eert God zijn geloof. God is vandaag nog Dezelfde (Psalm 102 vers 28). Ook al is het geloof bij ons misschien nog zo zwak, God kan niet anders dan hierop antwoorden, want dat dient tot Zijn eigen verheerlijking.
Hizkia gaf deze aangelegenheid als het ware uit handen en God nam het op Zich om Zelf op de brief van de koning van Assyrië te antwoorden. Dat gebeurde op een manier die deze koning zelf niet had kunnen bedenken. Bij hem leefde de gedachte dat de God van Israël niet in staat was om Jeruzalem te redden (hoofdstuk 36 vers 20). En nu? Eén enkele engel van deze, door hem zo verachte, God was voldoende om honderdvijfentachtigduizend man van zijn leger te verslaan! Daarna keert Sanherib, die ertoe gedwongen werd zijn veldtocht op te geven, met schande beladen en vol ergernis terug naar Ninevé. Vervolgens wordt hij ook zelf neergeveld en wel door het zwaard van z'n eigen zonen. Wat een tegenstelling tussen deze trotse en hoogmoedige veroveraar, die in de tempel van zijn eigen goden zijn einde vindt, en de ootmoedige koning van Juda, die zich gehuld in zakken in het huis van zijn God bevindt om daar bevrijding te ontvangen (zie Psalm 118 vers 5)!
Laten we de genade van God bewonderen, Die aan deze uitredding bovendien nog een teken toevoegt. Hij kent de behoeften van de Zijnen en belooft voor hun onderhoud te zullen zorgen (vers 30; Mattheus 6 vers 31 - 33).
Het geloof van Hizkia krijgt hier van de kant van de HEERE een nog indringender antwoord dan dat in het voorgaande hoofdstuk.
De dood dient zich aan in het leven van Hizkia. De hopeloosheid van de koning, die oog in oog komt te staan met de dood, maakt ons iets duidelijk. Het lijkt erop dat Hizkia de belofte die God door de mond van Jesaja gegeven had, niet kent: "Hij zal de dood verslinden tot overwinning, en de Heere HEERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen" (hoofdstuk 25 vers 8). Hizkia, die leeft in de tijd van de aardse beloften (Psalm 116 vers 9), ziet niet uit naar een verlenging van zijn dagen. De zekerheid van de opstanding, zoals de gelovigen vandaag mogen bezitten, kent hij niet. Hij weet niet dat "het sterven gewin" is, omdat "ontbonden te worden en met Christus te zijn" verreweg het beste is (Filippensen 1 vers 21 en 23). Maar toch hoort God zijn gebed, ziet Hij zijn tranen... en Hij komt, met eerbied gesproken, in actie (Psalm 34 vers 7).
Ook deze keer wordt er aan Zijn antwoord weer een teken van genade toegevoegd: de schaduw van de graden van de zonnewijzer gaat tien graden achteruit, een beeld dat het oordeel opgeschoven wordt.
Vers 3 herinnert ons aan Hebreeën 5 vers 7 en aan de tranen van Gethsémané. Wie anders dan de Heere Jezus zou deze woorden ten volle in praktijk kunnen brengen?
Dit prachtige bericht wordt ons al in 2 Koningen 20 vers 1 - 11 meegedeeld. Maar wat wij nu hier vinden is het aangrijpende "schrift van Hizkia" zelf, dat volgt op zijn genezing.
"Het schrift van Hizkia" besluit met een dankzegging. Hij heeft om uitstel van de dood gebeden â nu bidt hij om Hem Die hem verhoord heeft, te danken.
Het lot van de onbekeerden hier op aarde kan in enkele woorden samengevat worden: "bitterheid" of "al zijn dagen zijn smarten" (vers 17; Prediker 2 vers 23). Ook al lukt hen hier alles en hebben ze voorspoed, toch kunnen ze zich niet aan een diep verborgen angst in hun binnenste onttrekken. De verloste daarentegen richt zich tot zijn Redder en roept het uit: "Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd, dat zij in de groeve der vertering niet kwam; want Gij hebt al mijn zonden achter Uw rug geworpen". "De HEERE was gereed om mij te verlossen". Als dit onze geschiedenis is, dan mogen we niet nalaten vers 19 in praktijk te brengen: "De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe".
Verder is dit ook de geschiedenis van Israël, dat als volk van God eens weer tot leven zal komen, nadat al hun zonden vergeven zullen zijn.
Hoofdstuk 39 vertelt ons van de listige verzoeking waar Hizkia door de gezanten van de koning van Babel aan blootgesteld wordt. En hij bezwijkt... Ook ons zal het altijd zo vergaan als wij datgene wat God ons tot Zijn verheerlijking heeft toevertrouwd, voor onze eigen eer gebruiken. "Wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen?" â wordt ons in 1 Korinthe 4 vers 7 gevraagd â "En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij...?" De woorden "Ik ben rijk, en verrijkt geworden..." zijn niets anders dan een onverdraaglijke en afschuwelijke aanmatiging van Laodicéa (Openbaring 3 vers 17).
De hoofdstukken 40 - 60 vormen duidelijk één geheel, dat soms wel eens 'het tweede Boek van Jesaja' genoemd wordt. Het hoofdthema van het eerste deel was de geschiedenis van Israël in het verleden en in de toekomst, maar ook de geschiedenis van de volken waarmee dit volk te maken had (en zal hebben). In het deel waar we nu aan toegekomen zijn, is hoofdzakelijk sprake van het werk van God in de harten om die om te doen keren tot Hem. Ons gebed aan het begin van dit dagboek was dat dit werk van Hem in het hart van ons allemaal zou mogen plaatsvinden. Dit is iets wat alleen de Goddelijke genade kan bewerken en daarom begint God ook hier met het spreken over troost en vergeving.
Onder de stemmen die we aan het begin van dit hoofdstuk horen (vers 2, 3, 6 en 9), horen we ook een boodschap die we kennen: die van Johannes de Doper (Johannes 1 vers 23). De evangeliën laten ons zien op welke manier hij de weg van de Heere Jezus bereid heeft.
Dan is er nog de roepstem (die in 1 Petrus 1 vers 24 en 25 aangehaald wordt) die een vergelijking maakt tussen het zwakke en vergankelijke karakter van het vlees, dat mogelijk nog iets moois kan voortbrengen (de bloem), en het eeuwig blijvend Woord van God (vergelijk Mattheus 24 vers 35).
Ten slotte wordt Jeruzalem opgeroepen om het volgende te verkondigen: "Zie hier is uw God!"
Zijn wij ook boodschappers van goede berichten (vergelijk 2 Koningen 7 vers 9)?
In de hoofdstukken 40 - 48, die we nu overdenken, moet een belangrijke kwestie besproken worden: de afgodendienst van het volk. Het is volkomen normaal dat dit onderwerp met een duidelijke verklaring begint: "Wie is de God van de schepping?" (vers 12 en verder). Voordat de profeet spreekt over de valse goden, brengt hij eerst het bestaan en de grootheid van de onvergelijkbare God duidelijk naar voren (vers 18 en 25; vergelijk Psalm 147 vers 5).
Dat is ook de beste manier om het evangelie te verkondigen. Laten we toch altijd eerst beginnen de Heere Jezus voor te stellen! Daarna zullen er nog maar een paar woorden nodig zijn om de ijdelheid van de afgoden van deze wereld aan te tonen. Als een klein kind een gevaarlijk voorwerp in handen krijgt, moet je dat dan uit z'n handjes trekken? Nee, je moet dat kind juist iets veel mooiers laten zien, opdat het dat andere uit zichzelf loslaat.
God bezit niet alleen macht in Zichzelf, maar Hij is ook de Bron van elke ware kracht. Ook voor jullie jongelui, al menen jullie misschien over genoeg eigen kracht en capaciteiten te beschikken! Denk toch steeds opnieuw aan de verzen 29 - 31! Dat dit volkomen waar is, hebben al talloze gelovigen ervaren in hun leven toen ze het even niet meer zagen zitten en moedeloos waren. Neem die woorden toch in jullie harten op. Een langeafstandsloper of iemand die op reis gaat, neemt uit voorzorg een noodvoorraadje mee, voor het geval hij moe mocht worden. Laten wij dat in geestelijk opzicht ook doen!
God heeft Zich niet alleen in de schepping geopenbaard. Hij heeft ook laten zien dat Hij Zich om de mensen bekommert. Aan de volken heeft Hij Zich in gerechtigheid en oordeel geopenbaard (vers 1 - 4). Aan Israël heeft Hij Zijn genade bewezen. Gaat het bij dit volk niet om de nakomelingen van Jakob, Zijn knecht, en Abraham, Zijn vriend? Deze nakomelingen zijn de "beminden, om der vaderen wil. Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk" (Romeinen 11 vers 28 en 29; Psalm 105 vers 6 -10).
De zwakheid van dit arme volk â een wormpje â vormt voor Hem geen verhindering om hen te zegenen. In feite is dat juist de voorwaarde om de wonderbare beloften te kunnen genieten (Deuteronomium 7 vers 7), beloften zoals we die vinden in vers 10 en die ook ons kunnen bemoedigen: "Vrees niet, want Ik ben met u; ...Ik ben uw God; Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u...".
Het slot van dit hoofdstuk gaat verder met de beschrijving van de verschillen tussen God en de afgoden. Deze laatstgenoemden worden hier uitgedaagd. Hebben ze ook maar de geringste kennis van wat er in het verleden gebeurd is en van de toekomstige dingen (vers 22 en 23)? Dan moeten ze dat maar bewijzen! De Schepper, de God Die Zich voor de mensen interesseert, is ook de God Die alles weet!
God gaat voort om Zichzelf op een wonderbare wijze te openbaren. Aan het begin van hoofdstuk 42 wordt ons een Persoon voorgesteld: "Ziet, Mijn Knecht..." In Jesaja is zo vaak sprake van de Heere Jezus, dat dit Boek ook wel eens let evangelie van het Oude Testament' genoemd wordt. We zijn al eerder verzen tegengekomen waarin Zijn geboorte en daarna Zijn optreden in Galilea aangekondigd werden (hoofdstuk 7 vers 14; 9 vers 1, 2 en 6).
Nu worden we als het ware naar de Jordaan verplaatst. De machtige stem van Johannes de Doper heeft in de woestijn geklonken (hoofdstuk 40 vers 3). En dan verschijnt de volmaakte Knecht. Overeenkomstig de belofte die we hier in vers 1 vinden, legt God terstond Zijn Geest op Hem. In de gestalte van een duif daalt de Heilige Geest neer op de geliefde Zoon, in Wie de Vader Zijn welbehagen heeft (Mattheüs 3 vers 16 en 17). Gezalfd met de Heilige Geest en met kracht, begint Hij dan Zijn onvermoeibare dienst van genade en waarheid (vers 1- 4; aangehaald in Mattheus 12 vers 18 - 21).
"Mijn eer zal Ik geen anderen geven", zegt de Heere (vers 8). Dit vers maakt ons ook de noodzaak van zoveel tuchtigingen en verootmoedigingen duidelijk. En dat gold niet alleen voor Israël (vers 12 en verder), maar geldt ook voor de christenen van vandaag (zie ook hoofdstuk 48 vers 11).
Het is heel belangrijk om goed te begrijpen tot wie de Geest van God Zich, in dit gedeelte van de Heilige Schrift, richt. Veel mensen raken namelijk in verwarring, vooral als het om de uitlegging van de Profeten gaat, doordat men datgene wat betrekking heeft op het joodse volk, toepast op de Gemeente. We moeten goed onthouden dat in al onze hoofdstukken er alleen maar sprake is van Israël of van hun Messias! De Gemeente was toen nog een verborgenheid (Efeze 3 vers 5).
Anderzijds is het voor ons toch goed om deze Schriftplaatsen niet over te slaan, met de gedachte dat ze immers niet direct op de christenen van toepassing zijn, want hoeveel aangrijpende woorden lezen we hier, woorden die het kind van God kent en zich eigen maakt, omdat hij of zij ze al zo vaak heeft gelezen: "Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn. ...Ik zal bij u zijn, ...wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken" (hoofdstuk 43 vers 1 en 2). Dit hebben ook de drie vrienden van Daniël ervaren (Daniël 3). En als ook wij door het vuur van de beproeving moeten gaan, zullen we niet alleen zijn. De Heere heeft Zijn aanwezigheid uitdrukkelijk beloofd. De "smeltkroes" (Spreuken 17 vers 3) is een bevoorrechte ontmoetingsplaats van Christus met de Zijnen (2 Timotheüs 4 vers 17).
"Vrees niet" (hoofdstuk 41 vers 10, 13 en 14; 44 vers 2 en verder). Dat is het korte, maar o zo bekende zinnetje waarmee de Heere Jezus, Die onze nood en angst zo goed kent, ons op een hele zachte, liefelijke manier wil troosten!
Laten we eens rustig nadenken over de prachtige Namen Die God Zich hier in de verzen 11 - 15 geeft: Heere, Heiland, Dezelfde (in sommige vertalingen), uw Verlosser, uw Heilige, de Schepper van Israël, uw Koning. Behalve Hij is er geen Redder. De apostel Petrus zegt in Handelingen 4 vers 12: "En de zaligheid is in geen ander".
Het christelijke leven is echter niet alleen beperkt tot het heil. God heeft een recht op ons verworven, net zoals dat het geval was bij Zijn aardse volk: "Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen" (vers 21). Israël heeft dit recht zeer zeker niet erkend (vers 22 en verder), maar in de christelijke wereld wordt de ware betekenis van de lof en aanbidding eveneens misacht!
"Om Mijnentwil!" (vers 25). Het is ook om Hemzelf dat God onze zonden wegdoet. Zijn heerlijkheid eist onze heiligheid. Hij zorgt daar Persoonlijk voor, hoewel wij Hem beledigd hebben: "Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg". En Hij neemt er geen genoegen mee ze 'alleen maar' weg te nemen. Hij belooft: "Ik gedenk uw zonden niet". Wat een genade! En Hij voegt er nog aan toe: "Maakt Mij indachtig... vertelt gij..." God laat het aan ons over om onze toestand bekend te maken, onze eigen overtredingen te belijden, opdat het volbrachte verzoeningswerk ten volle zichtbaar zal worden. Dat is een deel van de roem die wij hebben door te geven.
Deze hoofdstukken vertellen ons iets over het begin van de geschiedenis van Israël. De HEERE had dit volk geformeerd en afgezonderd voor Zichzelf (hoofdstuk 43 vers 21 en 44 vers 2). Ze waren Zijn eigendom en Hij was hun God (vers 5). Daarna had Hij hen de wet gegeven, die als volgt begon: "Ik ben de Heere uw God... Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken..." (Exodus 20 vers 2 - 5). De geschiedenis van Israël leert ons echter in welke mate deze geboden overtreden werden.
Afgodendienst is echter niet alleen de zonde van Israël en de heidense volken (1 Korinthe 10 vers 14). Als wij alles opnoemen wat wij bezitten en wij onze verborgen gedachten nagaan, dan ontdekken we bij onszelf misschien wel meer dan één afgod die zich (ongemerkt) bij ons ingenesteld heeft. Daarom is de Geest van God zo vaak bedroefd en wordt de zegen onthouden (vergelijk vers 3).
In verband met de afgoden is het goed om ook nog over de twee laatste uitdrukkingen in het gedeelte voor vandaag na te denken. Deze afgoden zijn "naar de schoonheid van een mens" gemaakt (vers 13; vergelijk hoofdstuk 1 vers 6). Deze mens stelt een welbehagen in zichzelf. Hij eert en dient het schepsel in plaats van Hem Die hem geschapen heeft (Romeinen 1 vers 25).
Het volgende is dat hij het beeld maakt, opdat "het in het huis blijve" (vers 13). Wij hebben over ons hart, die verborgen plaats (vergelijk Deuteronomium 27 vers 15), maar ook over ons huis te waken!
Om een goed geweten te hebben, maakt de wereld maar wat graag een verbinding tussen godsdienst en datgene wat tot haar vreugde en bevrediging dient (vergelijk Exodus 32 vers 6). Zo handelde ook de mens, die hetzelfde hout gebruikt om een vuur aan te steken, om brood te bakken en zich te warmen... en om er een afgodsbeeld uit te maken. Deze beschrijving is toch duidelijk genoeg om de onzinnigheid van zo'n afgodendienst aan te tonen. In plaats van Hem te aanbidden Die hem geschapen heeft, knielt de dwaas voor een dood voorwerp neer dat uit zijn eigen handen is voortgekomen!
De verzen 9 - 20 worden gevuld met de bezigheid van de mensen. Hij maakt dit, hij maakt dat, en doet daar ontzettend veel moeite voor. Het is echter één grote illusie, want wie zich met as voedt, kan zijn ziel niet redden (vers 20).
Vanaf vers 22 lezen we echter over hetgeen God doet. "Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk... Ik heb u verlost". Zoals de wind in een mum van tijd de wolken in de lucht kan wegblazen, zo verdrijft God met Zijn machtige adem alles wat zich tussen Hem, Die Licht is, en onze ziel opgehoopt heeft. Onze ziel heeft dat Licht namelijk nodig, net zoals de aarde niet zonder het licht van de zon kan. Hij, Die de hemelen uitbreidt, de aarde uitspant en de mensen geformeerd heeft, Hij zal ook datgene doen wat nodig is tot het herstel van Zijn volk en tot heil van een ieder die gelooft.
God heeft aangekondigd dat Hij Kores (Cyrus) zou gebruiken om dat te volbrengen waarin Hij een welgevallen had (hoofdstuk 44 vers 28). Deze koning, die een eind zou moeten maken aan de gevangenschap van het volk in Babel, werd al voordat deze gevangenschap begon, dus lang voor zijn geboorte, bij name genoemd! De Goddelijke genade hield deze 'verlosser' als het ware al voortdurend achter de hand, gedurende deze hele periode van tuchtiging. God gebruikt een persoonlijke openbaring aan Kores om hem duidelijk te maken dat er geen andere God is dan Hij alleen (vers 5; vergelijk 1 Korinthe 8 vers 4 - 6 en Efeze 4 vers 6).
God heeft Zich dus niet alleen aan de Joden bekendgemaakt, maar ook aan de volken, waartoe ook wij behoren. Al lang voor onze geboorte, voor de grondlegging van de wereld, voor de tijden van de eeuwigheid, waren uw, jouw en mijn naam al in Zijn gedachten. Hij nam Zich ook voor om door de Gemeente van Jezus Christus Zijn veelvuldige wijsheid op de juiste tijd â en dat is nu â ten uitvoer te brengen (Efeze 3 vers 8 - 10). Beantwoorden wij aan hetgeen God van ons verwacht? Ieder op de plaats waar Hij hem gesteld heeft en naar de mate die hem toebedeeld is (vergelijk Handelingen 13 vers 36 met betrekking tot David)?
De verzen 9 en 10, waar de apostel bij het schrijven van Romeinen 9 vers 20 waarschijnlijk ook aan gedacht heeft, stellen de grote dwaasheid vast van hen die met deze almachtige Schepper-God menen te kunnen twisten.
Dat wat de Heere voor het herstel van Zijn volk zal gaan doen, zal Hem tegenover allen bekendmaken als "de God Israëls, de Heiland" (vers 15).
In tegenstelling tot de afgoden, die niet kunnen redden (vers 20), verkondigt Hij Zelf met grote kracht: "Een rechtvaardig God, en een Heiland, niemand is er dan Ik. Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, al gij einden der aarde!" (vers 20 en 21). Deze oproep klinkt ook vandaag nog in de wereld. Heeft iedereen die dit leest, hier al antwoord op gegeven?
Wij herkennen hier de stem van onze Heiland-God, "onze Zaligmaker, Die wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen" (1 Timotheüs 2 vers 4 en 5). Maar we weten ook wat er nodig was, opdat Hij Zich tegelijkertijd als rechtvaardige en reddende God kon openbaren. De straf die Zijn gerechtigheid met betrekking tot de zonde bevredigen moest, heeft Hem getroffen, Die in 1 Timotheüs 2 vers 5 en 6 genoemd wordt: "Eén Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus; Die Zichzelf gegeven heeft tot een losprijs voor allen".
Terecht moet elke knie zich voor de Heere buigen en elke tong God belijden (vers 23; aangehaald in Romeinen 14 vers 11 en Filippensen 2 vers 10).
De profeet gaat verder met zijn vergelijking en haalt een ander aangrijpend beeld aan. Aan de ene kant staan de ijdele afgoden, die een zware last zijn voor hen die met hen beladen zijn! Aan de andere kant staat de sterke en getrouwe God, Die juist vanaf het begin van de geschiedenis Zelf Zijn volk gedragen heeft (vers 3; Deuteronomium 1 vers 31 en 32 vers 11 en 12). In plaats van zich te verblijden in deze bevoorrechte positie, gaf het ondankbare Israël zich echter over aan het dienen van valse en belachelijke afgoden, die tot niets in staat zijn (vers 6 en 7). Deze afgoden hebben dit volk echter laten struikelen, het onder hun last laten bezwijken en uiteindelijk vormden zij de aanleiding tot haar gevangenschap.
De naar wereldse maatstaven gemeten edele goden (de hier genoemden waren van goud en zilver, terwijl die uit hoofdstuk 44 van hout gemaakt waren), storten allen die hen dienen, onherroepelijk in het verderf. En wat is de macht die het goud over het hart van de mens heeft, ontzettend groot, ook nu nog!
Maar wat zegt de Heere daarentegen tot ons, wat wij moeten doen? Hem van kinds af aan vertrouwen. Jaar in jaar uit, ons hele leven, alleen op Hem steunen. En als we oud geworden zijn en de krachten afnemen, ons verheugen in die prachtige belofte: "En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja tot de grijsheid toe zal Ik u dragen!" (vers 4).
Nu gaat het over Babel (Babylon). Al voordat deze stad in de geschiedenis voorkomt, wordt hier haar ondergang aangekondigd. God heeft haar gebruikt om Zijn volk te tuchtigen. Maar ze heeft tegenover dit volk "geen barmhartigheden" bewezen en heeft zelf "deze dingen niet ter harte genomen", maar ook "aan het einde daarvan niet gedacht" (vers 7; Deuteronomium 32 vers 29). Door de mond van Daniël had God dit einde aan de koning van Babel tevoren aangekondigd (zie Daniël 2 vers 45). En toch heeft deze hoogmoedige stad gezegd: "Ik zal koningin zijn in eeuwigheid" (vers 7). We weten hoe plotseling haar vreselijk einde is gekomen, tijdens die verdrietige nacht van het feestgelag van Belsazar (Daniël 5 vers 30).
In het Nieuwe Testament is Babylon het beeld van de christenheid, van de verantwoordelijke kerk. Deze christenheid had er genoeg van om hier beneden als vreemdeling te vertoeven en te lijden. Ze heeft liever een kroon dan het kruis. Ze heeft alle barmhartigheid vergeten, heeft over de zielen geheerst, de rechten van de Heere misacht en Zijn wederkomst uit het oog verloren. Er is een groot aantal afgoden en bijgeloof bij haar binnengelaten (vers 12 en 13), maar het moment van haar val zal aanbreken (Openbaring 18). Dan zal Christus Zijn ware Bruid aan hemel en aarde voorstellen: de Gemeente, bestaande uit alle verlosten die Hij zo lief heeft en die, voordat dit alles gaat gebeuren, al door Hem opgenomen zullen zijn.
Zult u, zul jij daarbij zijn?
Het aantal van hen "die de hemel waarnemen, die in de sterren kijken" (hoofdstuk 47 vers 13) en andere astrologen was in een tijd waarin de mensen erg lichtgelovig zijn, altijd al groot. Ondanks hun beweringen ligt het echter niet in de macht van de mensen om de toekomst te voorspellen. God alleen heeft weet van deze dingen en Hij openbaart ons in Zijn Woord wat wij van die tijd zouden moeten weten (hoofdstuk 46 vers 10; Handelingen 1 vers 7).
Veel gebeurtenissen die van tevoren door de profeten werden aangekondigd, hebben al plaatsgevonden. Ze zijn daarmee ook een bewijs van het bestaan en de almacht van God (vers 5; zie Johannes 13 vers 19). "De vorige dingen" die van tevoren verkondigd werden, zijn uitgekomen (vers 3). Dat bewijst dat ook de "nieuwe dingen" het werk van God is en zal zijn (vers 6; Mattheüs 13 vers 52).
Vandaag de dag is iedereen in de gelegenheid, en dat geldt vooral voor de Joden, om de Schriften te onderzoeken en zich hiervan te overtuigen. De verwerping van hun Messias werd al eeuwen voordat Hij zou komen, door de grootste profeten duidelijk aangekondigd, vooral in de hoofdstukken die we nu lezen.
Maar niet alleen Israël, de mens in het algemeen is "hard". Zijn nek is "een ijzeren zenuw", zijn "voorhoofd koper" en zijn oor heeft hij toegesloten (vers 4 en 8). En bovenal is zijn hart ontzettend trots (hoofdstuk 46 vers 12).
"Om Mijnentwil, om Mijnentwil...!" Maar al te vaak vergeten we deze reden waarom God soms moet ingrijpen. Door het volk Israël aan te nemen als Zijn volk â en ons christenen als Zijn zonen en Zijn dochters â voelt God Zich, om het zo maar te zeggen, Persoonlijk verplicht, zoals een vader tegenover vreemden verantwoordelijk is voor de daden van zijn kinderen! Vanwege de eer van de Vader, Wiens kinderen wij zijn, worden wij, al naar gelang de omstandigheden, bevrijd, gereinigd of getuchtigd (zie Jozua 7 vers 9).
God heeft echter nog een andere reden waarom Hij ons beleert en terechtwijst: tot ons eigen nut, voor onze eigen bestwil (vers 17).
Vrede in het hart, zo rustig en krachtig als "een rivier", is een gevolg van de gehoorzaamheid van de gelovige (vers 18). Dat is ook best te begrijpen: in de 'rivierbedding' van de wil van God bestaan geen onrust of draaikolken, zoals bij een wilde beek die van de bergen afstroomt. Nee, dan brengt men vers 3 van hoofdstuk 26 in praktijk, waar staat: "Het is een bevestigd voornemen, Gij zult allerlei vrede bewaren, want men heeft op U vertrouwd".
Laten we er goed op letten dat de Heere pas nadat Hij de Zijnen ingescherpt heeft Zijn geboden en Zijn Woord te bewaren, hen Zijn vrede geeft (Johannes 14 vers 15, 21, 23 en 27), deze ondoorgrondelijke vrede die van onschatbaar grote waarde is voor de verlosten van de Heere! Dat is de goddelozen totaal onbekend (vers 22).
We zijn hier aangekomen bij een belangrijk punt in dit Boek. Hier wordt eigenlijk het bewijs geleverd en een duidelijke streep gezet onder het feit dat Israël een ontrouwe knecht geweest is. Daarom vervangt God het volk door Christus, de ware Israël (vers 3), de gehoorzame Knecht, in Wie Hij Zichzelf zal verheerlijken.
Op het eerste oog leek alle moeite de Heere misschien, met eerbied gesproken, tevergeefs (vers 4). Niet alleen dat Israël niet bijeen vergaderd werd, maar het heeft zelfs zijn Messias verworpen. En toch verzekeren de verzen 5 en 6, zoals we ook lezen in Jesaja 53 vers 11, dat Christus, ondanks het feit dat het eerst misschien â weer met eerbied gesproken (!) â op een mislukking leek, "de arbeid van Zijn ziel" zal zien.
Vandaag worden de verstrooide kinderen van God bijeengebracht, om samen de hemelse familie van God te vormen (Johannes 11 vers 51 en 52). De verwerping van de Heere door Zijn volk heeft God de gelegenheid geboden om Zijn heil "tot aan het einde der aarde" te verbreiden.
Is dit gesprek tussen God en Zijn "heilig Kind (heilige Knecht) Jezus" niet bijzonder kostbaar? (vers 7; Handelingen 4 vers 27). God richt Zich tot "de verachte Ziel, tot Hem aan Wie het volk een gruwel heeft" (vergelijk Jesaja 53 vers 3), maar Die voor Zijn eigen hart zo bijzonder waardevol is! God belooft Hem dat de dingen al gauw omgekeerd zullen zijn: wanneer Hij in Zijn wonderbare heerlijkheid zal verschijnen, dan zal het de beurt zijn aan hen "die heersen", om Hem te eren en zich voor Hem neer te buigen. "Koningen zullen... opstaan, ook vorsten" en zullen zich voor Hem neerwerpen (vergelijk Filippensen 2 vers 6 - 11).
Bij de eerste komst van de Heere werd Israël niet bijeen-vergaderd (vers 5). Maar eens zal het uur aanbreken dat ze bijeen verzameld zullen worden. Dan zullen niet alleen Juda en Benjamin, maar ook de tien stammen die nu nog verstrooid zijn, terugkeren. Uit alle windrichtingen, uit de hele wereld, zullen ze dan optrekken naar Israël. God heeft meer dan twintig eeuwen lang, op een wonderbare wijze, de eenheid van het volk bewaard. Wat een heerlijk vooruitzicht. Dan zal de Heere in Jeruzalem eindelijk de kuikens onder Zijn vleugels bijeenbrengen, iets wat de Heere Jezus destijds zo graag gedaan zou hebben, toen Hij hier op aarde was (Lukas 13 vers 34). Zoals bij een grote familiereünie zullen dan de zonen en dochters van Jakob, die zo'n lange tijd van elkaar gescheiden waren, elkaar weer herkennen en zich samen verheugen.
Van deze aardse gebeurtenis gaan onze gedachten eigenlijk automatisch naar de grote hemelse samenkomst, die binnenkort zal plaatsvinden. Van alle verlosten van de Heere, van hen die Hij van Zijn Vader ontvangen heeft, zal er daar niet één ontbreken. Elk schaap van Zijn kudde bevindt zich nu al in Zijn beschermende hand; zijn naam staat, in zekere zin, in Zijn handpalmen gegraveerd (vers 16; Johannes 10 vers 28 en 17 vers 12), deze handen die op zo'n gruwelijke wijze doorboord werden. Zij die eerder 'gevangenen van de machtige' waren, zijn door de overwinning op het kruis voor eens en altijd aan die macht ontnomen (vers 25; Lukas 11 vers 21 en 22).
Tevergeefs liet God Zijn roepstem klinken. "Hoort naar Mij!", heeft Hij keer op keer gezegd (hoofdstuk 44 vers 1; 46 vers 3 en 12; 48 vers 1 en 12; 49 vers 1). Of het nu de roepstem van Johannes de Doper was (hoofdstuk 40 vers 3) of de stem van de Messias Zelf â "niemand antwoordde" (vers 2). Wat heeft deze onverschilligheid â die ook het kenmerk is van de mens van deze tijd â de Heere Jezus toch ontzettend veel verdriet gedaan! Hij is gekomen met "een tong der geleerden", met woorden van liefde (Johannes 7 vers 46), maar niemand wilde ernaar luisteren, laat staan eraan gehoorzamen. "Ook hebt gij ze niet gehoord... ook van toen af is uw oor niet geopend geweest" (hoofdstuk 48 vers 8). En toch... welk een voorbeeld heeft Hij Zelf gegeven: elke morgen had deze gehoorzame Mens Zijn oren geopend voor de woorden van Zijn Vader, om te horen wat Zijn wil voor die dag was. (En als Hij deze behoefte al voelde, hoe veel te meer zou dat dan bij ons gevonden moeten worden!)
Daarna is de onverschilligheid tegenover de Heere Jezus omgeslagen in haat. Vers 6 herinnert ons aan de smaad die Hem werd aangedaan en die Hij heeft verdragen. Maar ondanks dat Hij wist wat Hem te wachten stond, is Hij niet teruggeweken; Hij heeft Zijn "aangezicht gesteld als een keisteen" (vers 5 en 7; Lukas 9 vers 51).
Wat ons betreft: laten wij goed op de woorden van vers 10 letten. Wij, die kinderen van het Licht zijn, zouden ons niet moeten laten verblinden door die vluchtige vonken waarmee de wereld zich probeert te verlichten en te vermaken (vers 11).
In hoofdstuk 46 vers 12 richtte de Heere Zich tot hen die "ver van de gerechtigheid" verwijderd waren, maar hier spreekt Hij in Zijn grote genade tot hen "die de gerechtigheid" najagen (vers 1) en haar kennen (vers 7). Omwille van deze gerechtigheid hebben ze te lijden in deze wereld vol ongerechtigheid en hebben daarom een bemoediging nodig: "Vreest niet de smaadheid van de mens, en ontzet u voor hun smaadbeden niet" (vers 7). Christus heeft deze hoon en deze smaad van de kant van de mens het eerst ervaren en verdragen (hoofdstuk 50 vers 6). Daarom heeft Hij ons een voorbeeld nagelaten, opdat wij in Zijn voetstappen zouden treden (1 Petrus 2 vers 20 - 24; 3 vers 14).
Net als in het voorbeeld van de Heere Jezus (zie Psalm 40 vers 9) kan God hier over een volk spreken dat Zijn wet in het hart heeft! Kan Hij dit vandaag de dag ook van ons zeggen? Woont het Woord van Christus werkelijk rijkelijk in ons (Kolosse 3 vers 16; Johannes 15 vers 7)?
Het gebed van vers 9 roept de machtige "arm des HEEREN" aan (hoofdstuk 53 vers 1). Deze arm heeft destijds Egypte doen verschrikken en "de zee, de wateren van de grote afgrond" drooggelegd. En opnieuw zal deze arm Israël aan de gevangenschap onttrekken. Net als aan de oever van de Rode Zee zal de Geest dan een gejuich in de mond van de verlosten leggen "en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen" (vers 11; vergelijk hoofdstuk 35 vers 10).
"Ik, Ik ben het, Die u troost" (vers 12). Vele gelovigen hebben dit al ervaren in tijden van beproeving. Ze hebben ondervonden dat er buiten de troost van God geen andere ware troost te vinden is. Hij is inderdaad "de God aller vertroosting" (2 Korinthe 1 vers 3). Soms vergaat het ons echter als de Psalmist die zegt: "Mijn ziel weigerde getroost te worden" (Psalm 77 vers 3). De aangrijpende roepstem van de God van Israël heeft bij Zijn volk geen weerklank gevonden. "Niemand antwoordde", behalve een zwak overblijfsel dat gerechtigheid najoeg (hoofdstuk 50 vers 2; 66 vers 4).
Nu weerklinkt een sterkere, een indringender stem: "Waak op, waak op, sta op... trek uw sierlijke klederen aan" (vers 17 en hoofdstuk 52 vers 1). Het is de bedoeling om Jeruzalem uit haar slaap wakker te schudden, want de Messias zal verschijnen.
En hoofdstuk 53 zal ons de ontvangst laten zien die Hem bij Zijn eerste komst bereid werd. Christus werd verworpen en is weer in de heerlijkheid teruggekeerd.
Nu zijn we echter aangekomen bij de vooravond van Zijn wederkomst. De Heere Jezus herinnert ons aan Zijn belofte: "Zie, Ik kom haastig!". Hij stelt Zichzelf voor als "Ik ben... de blinkende Morgenster" (Openbaring 22 vers 12, 16 en 17). Wakker geschud en vol hoop roepen Bruid en Geest samen: "Kom!"
O, dat de echo op deze woorden toch in de harten van ons allemaal mag klinken: "Amen. Ja, kom, Heere Jezus!"
De Heilige Geest heeft hier op aarde een heel speciale opdracht: de blikken van de gelovigen richten op de Heere Jezus en Zijn lijden. Alle vermaningen om te luisteren, om wakker te worden en zich af te zonderen, hebben ook hier slechts dat ene doel: ons een Persoon voor de aandacht te brengen, namelijk Christus, de Messias van Israël. Hij is de Brenger van "die goede boodschap", Die vrede en heil verkondigt (vers 7). Hij is ook de Knecht Die verstandig zal handelen (vers 13). We zien hier dus als het ware een samenvatting van Zijn woorden en Zijn werken.
Inderdaad is er veel reden om ontzet te zijn en vol verbazing de mond gesloten te houden, wanneer men bepaald wordt bij en nadenkt over die onuitsprekelijk grote vernedering van de Zoon van God (vers 14, aangevuld door hoofdstuk 53 vers 3). Zijn "verdorven.... gelaat" getuigde tegen de goddeloze wereld van datgene wat het deze volmaakte Mens gekost moet hebben om dit door te maken. Daarom heeft God Hem nu terecht ook verhoogd; Hij is boven alles verheven, in de verwachting van het moment dat Hij in heerlijkheid zal verschijnen. "De koningen zullen" dan "hun mond over Hem gesloten houden", wanneer zij Hem zullen zien.
De verlosten zullen echter nooit zwijgen. Net als de wachters uit vers 8 zullen zij na alle moeiten van de nachtwake hun stemmen juichend verheffen, want dan zullen zij "oog aan oog" Hem zien!
Dit is ook het Schriftgedeelte dat de kamerling van Candacé, "de koningin der Moren" (Ethiopië), zat te lezen op zijn wagen. "En Filippus... beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus" (Handelingen 8 vers 27 en verder).
Daar ligt ook voor ons het begin van alle wijsheid en kennis: de Heere Jezus, de Redder. We hadden ons allemaal, stuk voor stuk, op de weg van ongehoorzaamheid begeven (vers 6). Maar om ons te kunnen verlossen is het Lam van God de weg van volmaakte gehoorzaamheid en volledige onderwerping gegaan.
Op deze weg werd Hij veracht, verlaten, mishandeld en uiteindelijk afgesneden van de mensen (vers 3, 7 en 8). Maar... God Zelf heeft Hem verwond, geslagen en Hem laten lijden (vers 5 en 10)! Wie zou ooit de volgende uitdrukking ten volle kunnen doorgronden: "Het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen"?
Onze krankheden en onze smarten (vers 4), onze overtredingen en onze ongerechtigheden (vers 5), onze zonden â in welke vorm dan ook, zowel de kleinste als de grootste â met alle vreselijke gevolgen van dien, dat was die onuitsprekelijk zware last die de "Man van smarten" op Zich heeft genomen.
Dat was de moeite van de ziel van onze geliefde Heiland! Maar aan de overzijde van de dood, waarin Hij Zichzelf heeft overgegeven, geniet Hij nu en tot in alle eeuwigheid van de vrucht van Zijn lijden: de onuitsprekelijke vreugde van de verzadigde liefde (Hebreeën 12 vers 2).
Nadat het werk dat in hoofdstuk 53 beschreven werd, volbracht is, worden de gelovigen opgeroepen om zich te verheugen en te zingen. In hoofdstuk 53 vers 10 werd gezegd: "Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien". De Heere Jezus bevestigt het: "Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft het alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort" (Johannes 12 vers 24). Hoofdstuk 54 laat ons iets van deze oogst bespeuren. Het gaat daar om Israël, het aardse zaad. Het Nieuwe Testament brengt deze Schriftplaats echter ook in verband met de kinderen van de hemelse familie door de woorden: "Jeruzalem, dat boven is" (Galaten 4 vers 26 en 27).
Om haar zonen en dochters te ontvangen, wordt Jeruzalem, dat lange tijd weduwe en onvruchtbaar was, opgeroepen om ruimte te maken, zich uit te breiden. Dankzij het werk van de Heere Jezus op het kruis kan God erbarming met haar hebben en hen bijeenbrengen. De toorn was slechts voor een ogenblik, de goedertierenheid zal echter eeuwig duren (vers 7 en 8; Psalm 30 vers 6).
"En al uw kinderen zullen van de HEERE geleerd zijn", belooft vers 13, dat in Johannes 6 vers 45 aangehaald wordt. Het werk van de Heere kent twee belangrijke aspecten: Hij heeft onze ongerechtigheden gedragen, en Hij onderwijst velen in de gerechtigheid (hoofdstuk 53 vers 11). Laten we dit tweede aspect nooit vergeten. Als we met onze zondelast tot Hem gegaan zijn, laten we ons dan nu ook door Hem laten onderwijzen! Want dan zullen we de vruchten van de gerechtigheid voortbrengen, tot Zijn verheerlijking (2 Korinthe 9 vers 10).
Zoals er eens uit de geslagen rots in de woestijn water stroomde (hoofdstuk 48 vers 21), zo komt de stroom van leven en zegening voort uit het werk aan het kruis, de onuitputtelijke bron voor iedereen die dorst heeft!
Hier gaat het om de oproep van de profeet, maar de Heere Jezus drukt Zich op dezelfde wijze uit: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke" (Johannes 7 vers 37). De genade is er voor iedereen (zie ook Johannes 3 vers 15 en 16; 11 vers 26; 12 vers 46).
Het grote heil van God kent twee kenmerken. Het eerste kenmerk is dat het kosteloos is. De mensen getroosten zich alle moeite en betalen een vermogen voor iets "wat niet verzadigen kan". Daarbij kan het voortreffelijkste van alles juist "zonder geld en zonder prijs" verkregen worden, want God heeft Zelf alle kosten daarvoor betaald (vergelijk hoofdstuk 52 vers 3).
Het tweede kenmerk is dat het heil nu aangegrepen moet worden. "Zoekt de HEERE, terwijl Hij te vinden is" (vers 6). God is nabij en rijk aan vergeving! Maar haast je! Er komt een moment dat Hij niet meer bereikbaar zal zijn (Johannes 7 vers 34; 8 vers 21).
Van dit prachtige hoofdstuk willen we nog graag één ding onder de aandacht brengen. Laten we eens nadenken over hetgeen over de liefdevolle gedachten en over de ondoorgrondelijke wegen van God gezegd wordt (vers 8 en 9; zie ook Romeinen 11 vers 33 - 36). Van Zijn Woord wordt in vers 11 beloofd: "Het zal niet ledig tot Mij weerkeren".
Wat heeft dit Woord in onze harten bewerkt?
Deze beide hoofdstukken spreken over een donkere tijd in de toekomstige geschiedenis van Israël. De overgrote meerderheid van het door blinde wachters misleide volk (vers 10 en verder) zal de Antichrist nalopen (de koning: hoofdstuk 57 vers 9). Gedurende deze tijd zal Gods oog echter waken over hen die getrouw zijn en Zijn sabbat nog houden en Hij zal hen door Zijn beloften bemoedigen.
De tempel is, nadat deze eerst ontwijd werd, nu vernietigd. Maar tot vreugde van het overblijfsel zal de tempel zijn naam en karakter van "bedehuis" weer terugkrijgen. En bovendien zal hij dan openstaan voor alle volken (hoofdstuk 56 vers 7). Wat ons christenen betreft, zo hebben wij nu al vrije toegang tot God om te bidden en Hem te loven. Laten we van dit grote voorrecht toch ook veel gebruik maken!
De verzen 1 en 2 van hoofdstuk 57 laten ons de ware betekenis zien van de dood van een rechtvaardige en "de weldadige lieden" (vromen). God neemt hen in bescherming voor het oordeel dat Hij voor andere mensen bereid heeft (zie het voorbeeld in 1 Koningen 14 vers 12 en 13).
In hoofdstuk 57 vers 19 zegt de HEERE, dat Hij de vrucht van de lippen zal scheppen. Uit Hebreeën 13 vers 15 weten wij dat het hierbij gaat om de "offerande des lofs". Dat wordt God gebracht, maar Hijzelf is het Die dit door Zijn Geest in de harten van de Zijnen bewerkt.
Vers 20 schetst ons ten slotte nog het beeld van de bezigheid van de goddelozen, zonder ook maar enige moraal en met alle gevolgen van dien (Judas 13).
Dit is een nieuw gedeelte in dit Bijbelboek en het begint ermee ons te tonen hoe het volk vast en zichzelf kastijdt. Omdat God juist ziet op hem "die van een verbrijzelde en nederige geest is" (hoofdstuk 57 vers 15 en 66 vers 2), zou men zich kunnen afvragen wat God dan toch tegen heeft op dit vasten en deze kastijding. De verzen 3 tot en met 7 zeggen ons dat God geen genoegen neemt met uiterlijke godsdienstige vormen, noch met vrome uitspraken. Door de mond van een andere profeet stelt Hij aan iedereen de directe vraag: "Hebt gij Mij, Mij enigszins gevast?" (Zacharia 7 vers 5). Wat er allemaal niet achter een fraaie schijn van vroomheid verborgen kan blijven! Denk maar aan het jagen naar vermaak, zelfs op de heilige dag van de Heere; hardheid van het hart en egoïsme; twist en ruzie (vers 3 en 4), maar ook het veroordelen en het kritiek hebben (met de vinger naar anderen wijzen) of een vloed van ijdele woorden (vers 9 en 13).
Wat zijn daarentegen de ware eisen van God? In eerste instantie dat wij met alle gewoonten van de zonde breken. Het zijn kettingen waarmee we aan de macht van de vijand vastgeklonken zijn (vers 6; Daniël 4 vers 27). Vervolgens moeten we bij elke gelegenheid die zich voordoet, de liefde in praktijk brengen (vers 7 en 10).
Wat zijn er prachtige beloften aan zo'n wandel verbonden!
De misdaden van het volk vormen een ondoordringbare barrière tussen de God van Israël en het volk zelf. Deze dingen verhinderen God om welke religieuze dienst dan ook van het volk aan te nemen. Maar omgekeerd kan Hij evenmin iets ten gunste van de Zijnen volbrengen zolang deze muur blijft bestaan. Misschien is dat ook de reden waarom er soms geen antwoord komt op onze gebeden (Spreuken 15 vers 8 en 29).
De indrukwekkende lijst van zonden die het volk heeft opgestapeld, wordt in de verzen 3 tot en met 8 aan het volk voorgelegd, in de hoop dat dit zal helpen om zich hiervan bewust te worden. Romeinen 3 vers 10 tot en met 18 herinnert aan enkele van deze zonden, om de boosheid van het hele mensengeslacht onweerlegbaar vast te stellen.
In vers 9 nemen de getrouwen van het overblijfsel het woord. Ootmoedig erkennen ze dat het beeld dat zojuist geschetst is, volkomen waar is. "Onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij", zeggen ze. En bovendien voegen ze nog een aantal misdaden toe aan datgene wat de profeet al had opgenoemd (vers 13 tot en met 15). Kortom, de getrouwen van dit overblijfsel geven hiermee duidelijk aan dat ze "van een verbrijzelde en nederige geest" zijn (hoofdstuk 57 vers 15). Daarom kan God hen nu overeenkomstig de belofte troosten, hen door Zijn Geest opnieuw opwekken en hen door de bemiddeling van de Messias, hun Verlosser en Bevrijder, rechtvaardigen.
En Hij zal tevens de Verlosser van de volken zijn (vers 20; Romeinen 11 vers 26).
Bij het vergelijken van dit eerste vers met Efeze 5 vers 14 valt een opmerkelijke wijziging op. Hier in Jesaja staat: "de heerlijkheid des HEEREN gaat over u op", terwijl in Efeze 5 staat: "Christus zal over u lichten". De heerlijkheid van God maakt zich dus één met de Persoon van Zijn Zoon (zie ook 2 Korinthe 4 vers 6). En zij is met de plaats verbonden waar Hij woont: "Ik zal de plaats van Mijn voeten heerlijk maken" (vers 13). "Het Sion van de Heilige Israëls" (vers 14) heeft zijn tegenhanger in het hemelse Jeruzalem, zoals dat in Openbaring 21 beschreven wordt. Vergelijk de verzen 3, 11 en 19 van het hoofdstuk voor vandaag maar eens met Openbaring 21 vers 23 tot en met 26.
Opnieuw wordt, net als in hoofdstuk 49, de grote bijeenkomst van Israël op een aangrijpende en heerlijke wijze beschreven. Dit vooruitzicht, deze belofte zal de gelovigen van het overblijfsel staande houden in hun verdrukking.
Wat ons christenen betreft â die soms ook ontmoedigd kunnen zijn â wij mogen onze ogen ook opheffen (vers 4) en in geloof denken aan het volk van God, zoals Abraham dat deed (Genesis 15 vers 5). We zijn niet alleen! Een ontelbare schare van pelgrims wandelt met ons mee in de richting van het hemelse Vaderland! Vaak wordt dit gaan echter vertraagd door vermoeidheid en lijden, maar kijk eens hoe hun gezichten desondanks stralen! Hun harten zijn ontroerd en staan ver open voor de eeuwige liefde (vers 5).
Het begin van dit hoofdstuk is heel interessant. Het is de Schriftplaats die de Heere Jezus uitkoos toen Hij in de synagoge van Nazareth ging staan om voor te lezen (Lukas 4 vers 16 tot en met 21). Laten we goed op één heel bijzonder detail letten. De Heere Jezus stopt midden in de zin met voorlezen, precies voordat er sprake is van "de dag der wraak". Alleen het eerste deel van Zijn dienst (die van de genade) was in hun "oren vervuld" (Lukas 4 vers 21). Dat wat daarna komt, dus het oordeel, werd opgeschoven â en dat geldt ook nu nog. Daar waar in onze tekst bij wijze van spreken zelfs nog geen komma staat, heeft God een tijdsperiode van al bijna tweeduizend jaar van geduld ingelast.
Toch zal ook deze wraak niet het laatste woord hebben. Hij wordt namelijk opgevolgd door troost en vreugde voor de getrouwen van het overblijfsel. Net als Job uiteindelijk zullen ook zij "het dubbele bezitten" (vers 7), deze dubbele vruchtbaarheid die al door de naam Efraïm aangekondigd werd (zie Genesis 41 vers 52). "Zij zullen eeuwige vreugde hebben" (vers 7).
Als antwoord op deze beloften verheft het overblijfsel zijn stem: "Ik ben zeer vrolijk in de HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan..." (vers 10).
Heeft de christen van vandaag niet dezelfde redenen om de Heere te loven en zich in Hem te verheugen?
Jeruzalem, deze eens zo doodse, onvruchtbare en eenzame vrouw, de weduwe uit hoofdstuk 54, zal worden tot "het getrouwde" (vers 4), "de gezochte, de stad, die niet verlaten is" (vers 12). De HEERE, haar Bruidegom, zal Zich dan opnieuw in haar kunnen verheugen.
Intussen worden waakzame wachters op de muren gesteld. Zij hebben de opdracht om uit te roepen: "0 gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij u wezen". In gehoorzaamheid aan dit bevel zullen de gelovige joden van de eindtijd tot God roepen: "Gedenkt aan Uw vergadering, die Gij vanouds verworven hebt; de roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt" (Psalm 74 vers 2).
Beste gelovige vrienden, een ieder van ons is door de Heere op een bepaalde plaats gesteld met een soortgelijke opdracht, die in drie woorden samengevat kan worden: "Waakt en bidt" (Mattheus 26 vers 41; 1 Petrus 4 vers 7). Onze gebeden worden Boven verwacht en Daar liggen als het ware de rijke verhoringen al klaar. Hebben ook wij niet de opdracht en het voorrecht om het hart van onze hemelse Vader aan belangrijke dingen te 'herinneren'? Denk maar aan de wereldwijde Gemeente, of aan hen die in onze woonplaats bij deze Gemeente behoren. Laten we niet zwijgen, want het is een groot voorrecht vandaag bij diegene te mogen behoren die dit bij God 'in herinnering' mogen roepen. Is het niet heel aangrijpend, dat God spreekt op een manier alsof Hij onze gebeden nodig heeft, opdat Hij aan Zijn beloften herinnerd wordt? Wat een grote genade van Zijn kant!
Wie is Deze en vanwaar komt Hij, Die hier zo plotseling met pracht, maar tegelijkertijd zo angstaanjagend verschijnt? Waarom zit er bloed aan Zijn kleren? O, het is Degene Die de vreselijke "dag der wraak" (Lukas 21 vers 22) voltrokken heeft en na Zijn opdracht vervuld te hebben, weer terugkeert! (vers 4; hoofdstuk 61 vers 2). De volkeren hebben zich hoogst verontwaardigd op het grondgebied van Edom samengetrokken om de laatste aanval tegen God en de Zijnen te doen (zie hoofdstuk 34 vers 6). Maar ze zullen daar verpletterd worden op de wijze zoals de wijngaardenier de druiven kapot trapt in de persbak.
Misschien hebben we er moeite mee om in deze Voorvechter van gerechtigheid onze zachtmoedige Verlosser te herkennen? Maar Zijn dienst om God te verheerlijken omvat twee karakterkenmerken. Hij Die alleen was op het kruis van Golgotha, is hier alleen om het oordeel uit te voeren (vers 3). Machtig (vers 1) zal Hij door Zijn heerlijke arm handelen (vers 12), Zich een heerlijke Naam maken (vers 14) en wonen in Zijn heerlijkheid (vers 15). "En rijd voorspoedig in Uw heerlijkheid...", zegt Psalm 45 vers 5 met betrekking tot ditzelfde oordeel.
Met het gedenken van de goedertierenheden en roemvolle daden van de HEERE, begint er in vers 7 een nieuw â en dit is tevens het laatste â gedeelte van dit Bijbelboek.
Het is ook onze persoonlijke opdracht om de goedertierenheden en roemvolle daden van de Heere, aan ons bewezen, nooit te vergeten!
Het getrouwe overblijfsel gedenkt "de grote goedheid" die de God van Israël aan Zijn volk bewezen heeft (hoofdstuk 63 vers 7). Zou Hij hen nu kunnen verlaten, terwijl Hij hen zulke bewijzen van Zijn liefde gegeven heeft? Daarom richten zij zich tot het hart van deze behulpzame God, Die hun Vader is (hoofdstuk 63 vers 16; 64 vers 8). "Zie van de hemel af...". Maar dat is nog niet voldoende voor hen. "Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij neerkwaamt...", roepen ze uit.
Dat is het wat Christus de eerste keer tot ons heil gedaan heeft. Maar later zal Hij nog een keer neerdalen, om de Zijnen, die beproefd zijn, te bevrijden, doordat Hij hun vijanden zal vernietigen (Psalm 18 vers 10; 144 vers 5).
Vers 6 vergelijkt "al onze gerechtigheden" met een bevlekt kleed. We kunnen begrijpen dat zonden verontreinigen. Maar geldt dat ook voor onze gerechtigheden? Toch is het zo! Alles wat wij voor onze bekering aan goeds en rechtvaardige dingen konden doen, lijkt slechts op lompen, lompen die onze ellende alleen maar bevestigen in plaats van haar te verbergen. De Heere vervangt deze vieze kleren echter door de klederen des heils en de mantel der gerechtigheid (hoofdstuk 61 vers 10; Zacharia 3 vers 1 tot en met 5).
Wij werden gevormd zoals het leem op de schijf van een pottenbakker (vers 8). Van onszelf bezitten we niet meer waarde dan het stof waaruit we zijn voortgekomen (Psalm 100 vers 3). Alleen het werk van de Goddelijke Formeerder telt! Hij heeft Zich alle moeite getroost om van ons 'vaten tot eer' te maken (2 Timotheüs 2 vers 21).
"Ik ben gevonden door hen, die naar Mij niet vroegen...", waagt Jesaja hier te schrijven. Zo zegt Paulus dat tenminste als hij dit vers in Romeinen 10 vers 20 aanhaalt. Geleid door de Geest zet de profeet hier inderdaad duidelijk de deur open voor de volken die God niet zochten en niet naar Hem vernoemd werden (hoofdstuk 49 vers 6).
Wat een onbeschaamde, om niet te zeggen ergerlijke verklaring in de oren van de Israëlieten, die zo trots op hun voorrechten waren! Het vormde echter een onderdeel van de nog niet gehoorde dingen die in het voorgaande hoofdstuk genoemd werden (vers 4).
De belijdenis en het smeken van het arme overblijfsel besluiten met de angstige vraag: "Zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?" (hoofdstuk 64 vers 12). Nee, een berouwvol hart richt zich nooit tevergeefs tot de Heere (Psalm 51 vers 19). Dat kent een ieder van ons toch uit eigen ervaring?
God zal dus niet zwijgen. Hij neemt het woord en zal, zogezegd, tot aan het eind van het Boek blijven spreken. Voordat Hij echter kan openbaren wat Hij voor hen die op Hem vertrouwen, bereid heeft (Zijn uitverkorenen en Zijn knechten; vers 9 en hoofdstuk 64 vers 4), moet Hij de definitieve verdoemenis aankondigen. En dat geldt niet alleen voor de volken die Israël vijandig gezind zijn, maar ook voor de meerderheid van dit opstandige en afvallige volk zelf.
De trouwe Israëlieten zullen lange tijd verbonden (vermengd) zijn met het volk als geheel dat de Antichrist zal navolgen. Maar het moment zal aanbreken waarop God hen weet te vinden en hen als Zijn knechten zal belonen. Dan zullen ze al het lijden vergeten zijn en zullen ze "juichen van goeder harte" (vers 14).
De wereld kent ons, de ware kinderen van God, nu niet, net zoals men Hem niet gekend heeft. Maar eens zullen wij door en met de Heere openbaar worden bij Zijn heerlijke verschijning (1 Johannes 3 vers 1 en 2). Zou onze vreugde daarom nu minder groot zijn?
God zal een nieuwe hemel en een nieuwe aarde scheppen. Het gaat daarbij nog niet om een totale vervanging van het tegenwoordige heelal door nieuwe elementen, zoals dat in 2 Petrus 3 vers 13 en Openbaring 21 vers 1 gezegd wordt. Maar tijdens het duizendjarig rijk zullen toch zowel de hemel â bevrijd van de tegenwoordigheid van satan â als ook de aarde â die dan aan de Heere onderworpen is â zich in een nieuwe toestand bevinden. De schepping zal dan bevrijding ervaren (Romeinen 8 vers 22). Het menselijke leven zal verlengd worden; de leeftijd van honderd jaar zal gelijk zijn aan dat van een jongeman in zijn volle kracht; de dood zal dan nog slechts een uitzonderlijke straf zijn (Spreuken 2 vers 22; Psalm 37 vers 9). Zelfs bij de dieren zullen de natuurlijke driften om te doden verdwenen zijn (vers 25).
Jeruzalem zal een onderwerp van vreugde zijn voor de getrouwen van het volk. "Verheugt u over haar, al haar liefhebbers!" (vers 10). Psalm 122 richt zich tot hen: "Bidt om de vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen" (vers 6). Als antwoord op dit gebed verspreidt zich de vrede over de stad, die het uitgangspunt van de kennis van de heerlijkheid van God voor alle volken van de aarde zal zijn.
De Heere luistert vandaag nog precies zo naar de gebeden van hen die Zijn Gemeente liefhebben (Psalm 122 vers 6; 2 Korinthe 11 vers 28). Laten we toch bidden dat de Gemeente in vrede bewaard mag blijven en dat Zij de heerlijkheid van Christus hier beneden op aarde mag openbaren.
Zelfs te midden van het geluk van het duizendjarig rijk moet een zichtbaar getuigenis van het aardse oordeel over de onrechtvaardigen blijven bestaan. Een ernstig gedenkteken zal iedereen hieraan herinneren, zoals dat ook gebeurde door de grote hoop stenen op het graf van Absalom (2 Samuël 18 vers 17).
Zo besluit het prachtige Boek Jesaja, het langste van alle profetische Boeken en in het Nieuwe Testament het meest aangehaald (ongeveer zestig keer), en ook het Boek waarin de Heere Jezus in Zijn lijden en heerlijkheid zo'n grote plaats heeft!
De stemmen van de profeten hebben al vier eeuwen lang gezwegen. Nu is echter voor God "de volheid van de tijd gekomen" (Galaten 4 vers 4). Hij zal "door de Zoon" (of zoals een andere vertaling het zegt "in Zoon") spreken en Zijn volk, de aarde, alsook ieder van ons persoonlijk, de goede boodschap van het evangelie brengen (Hebreeën 1 vers 1 en 2). Die boodschap kunnen we in een paar woorden samenvatten: het is de gave van deze Zoon.
Maar hoe kunnen wij, met ons beperkte verstand, indringen in de kennis van zo'n verheven Persoon? Daar heeft God voor gezorgd! Hij heeft ons de vier evangeliën gegeven, waarin wij de heerlijkheid van Zijn Zoon, vanuit verschillende gezichtspunten, mogen bezien. Het is net als met een kostbaar voorwerp dat je om en om draait, om het van alle kanten te bekijken en te bewonderen.
Mattheus is het evangelie van de Koning. Hier is een geslachtsregister nodig, om te laten zien dat de Messias past in het geheel van de beloften die Abraham ontvangen heeft en om Zijn aanspraak als Erfgenaam op de troon van David onweerlegbaar aan te tonen (Galaten 3 vers 16 en Johannes 7 vers 42). In deze lange lijst zijn de namen van een aantal beruchte personen (Achaz, Manasse, Amon...), niet uitgewist. Voordat God de Redder openbaart, laat Hij nog een keer duidelijk zien dat iedereen, in elke generatie âof het nu gaat om een patriarch, een koning of een oneerbare vrouw âpersoonlijk hetzelfde heil en hetzelfde evangelie nodig heeft.
Beste lezer, dat geldt evengoed voor jou als voor ieder ander mens!
De Heere Jezus wilde op dezelfde wijze op deze aarde komen als ieder ander mens, dat wil zeggen door de geboorte. Als het voorwerp van een bijzondere genade werden Jozef en Maria uitgekozen om het Goddelijke Kind te ontvangen en groot te brengen. De raadsbesluiten van God gingen in vervulling; in overeenstemming met de profetieën vindt de geboorte van de Erfgenaam van de troon van David plaats in de koninklijke stad Bethlehem.
We lezen in dit evangelie niets over een kribbe die diende als wieg voor Hem, noch van iets anders wat herinnert aan Zijn armoede. Integendeel, God waakt erover dat Zijn Zoon door een aantal voorname bezoekers, de wijzen uit het Morgenland, uit het Oosten, geëerd wordt.
Wat de leiders van de Joden betreft, was er onder hen niemand in zo'n geestelijke toestand dat hij in staat zou zijn de Messias van Israël te aanbidden. Zij zagen niet uit naar Zijn komst. We bevinden ons hier overigens in één van de donkerste tijdsperioden uit de geschiedenis van dit volk. De wrede Herodes regeerde in Jeruzalem, hetgeen niet in overeenstemming was met de wet, omdat hij een Edomiet was (Deuteronomium 17 vers 15).
Met uitzondering van een klein aantal Godvrezende mensen, over wie we in het Lukasevangelie lezen, verwachtte niemand in Israël de Christus. En vandaag? Hoevelen van hen die zich christenen noemen, zien nu werkelijk uit naar Zijn wederkomst?
Na een lange reis, die in Psalm 72 vers 10 werd aangeduid, zijn deze wijzen door een ster naar het Kind geleid. Wat een vreugde voor hen! Zij ontmoeten Hem, huldigen Hem en geven Hem offeranden. Daarna "vertrokken zij door een andere weg weer naar hun land" (vers 12). Is dat niet de geschiedenis van iedereen die tot de Verlosser komt?
De moordlustige plannen van Herodes zijn verijdeld. En hetzelfde geldt voor de plannen van satan, die probeerde om Hem, Die hem zou overwinnen, vanaf Zijn intrede in deze wereld uit de weg te ruimen. De reis naar Egypte, in opdracht van God, zodat het Kind zou ontkomen aan deze misdadige bedoelingen, laat ook duidelijk de genade zien van Hem, Die dezelfde weg wilde gaan als eens Zijn volk.
In het voorgaande hoofdstuk heeft het Goddelijke Kind al twee Namen ontvangen: de Naam Jezus (Heiland-God; hoofdstuk 1 vers 21), die voor het hart van elke gelovige zo kostbaar is, en de Naam Emmanuël (God met ons; hoofdstuk 1 vers 23). In vers 23 (van het hoofdstuk voor vandaag) ontvangt Hij de Naam Nazarener. Deze heeft een drievoudige betekenis. Ten eerste is de Heere Jezus in moreel opzicht, als de ware Nazireeër, volkomen afgezonderd voor en toegewijd aan God (Numeri 6). Vervolgens is Hij ook het vruchtdragende nieuwe Rijsje uit de tronk van Isaï (de vader van David), zie Jesaja 11 vers 1 (in het Hebreeuws wordt spruit of rijsje vertaald met 'nezer'). En ten slotte zal Hij gedurende dertig jaren een onbekende Burger van de verachte stad Nazareth zijn (Johannes 1 vers 46 en 47).
De komst van een belangrijk persoon wordt meestal voorafgegaan door een gezant. Op die manier maakt Johannes de Doper hier bekend dat de Koning spoedig zal verschijnen. Maar Hij kan Zijn plaats, te midden van een volk dat onverschillig staat tegenover haar zondige toestand, niet innemen. Daarom is de prediking van Johannes een oproep tot berouw. De Farizeeën en de Sadduceeën, die zichzelf goed vonden en gekomen waren om zich te laten dopen, kondigt hij daarentegen het oordeel aan.
We kunnen ons best indenken dat Johannes in verwarring raakte toen Hij, "wiens schoenen" hij zichzelf niet waardig achtte "Hem na te dragen" (vers 11), bij hem kwam om gedoopt te worden. Maar in vers 15 horen we de eerste woorden die de Heere Jezus in dit evangelie uitspreekt: "Laat nu af", of zoals andere vertalingen het zeggen: "Laat Mij nu begaan (geworden)". De mens kon niet anders dan kwaad doen; voortaan betaamt het om God in Christus te laten handelen, om zo "alle gerechtigheid te vervullen" (Romeinen 10 vers 3). "Toen liet hij van Hem af", met andere woorden: 'toen liet hij Hem begaan', wordt er dan van Johannes gezegd, hoewel het Johannes was die doopte. Is het voor ons ook niet altijd het beste om de Heere Jezus te laten begaan?
We lezen dat de Heere Jezus "terstond" opklom uit het water, want Hij had immers niets te belijden. En dan lezen wij dat de hemel opengaat en er een tweevoudig getuigenis van Hem gegeven wordt: de Heilige Geest daalt op Hem neer, zoals eens de zalfolie waarmee de koning aangeduid werd (vergelijk 1 Samuël 16 vers 13). Tegelijkertijd hoort Hij Zijn Vader die kostbare woorden van liefde en erkenning uitspreken.
Voorzien van de kracht van de Heilige Geest, is de Heere Jezus gereed om Zijn dienst te vervullen. Maar zoals elke dienstknecht van God moet ook Hij eerst op de proef gesteld worden. Daarom wordt Hij hier met de grote vijand geconfronteerd.
Satan past hoofdzakelijk twee verschillende tactieken toe, om een man van God van de weg van gehoorzaamheid af te brengen. Of hij stelt hem de angstaanjagende dingen op die weg voor ogen (voor Christus was dat in het bijzonder de strijd in de hof van Gethsémané), of hij biedt daarentegen juist allerlei aantrekkelijke dingen aan die niet op die weg voorkomen, die dus als het ware naast de weg liggen. En dat is wat de duivel hier bij de Heere Jezus doet.
Het is goed erop te letten dat hij er zelf voor oppast om bij de aanhaling van Psalm 91 vers 11 en 12, vers 13 niet te noemen! Dat vers spreekt namelijk van zijn eigen vernietiging: "Op de felle leeuw en de adder zult gij treden, gij zult de jonge leeuw en de draak vertreden". Genesis 3 vers 15 kondigt aan dat Christus, het zaad van de vrouw, de kop van de slang zal vermorzelen. Terwijl de eerste Adam in de Hof van Eden, waar hij aan niets gebrek had, door de lust van het vlees, de lust van de ogen en de hoogmoed van het leven een drievoudige nederlaag leed, triomfeert de volmaakte Mens door het onfeilbare Woord van Zijn God in de woestijn over de oude slang (1 Johannes 2 vers 16; Psalm 17 vers 4). En waarin Hijzelf geleden heeft, toen Hij verzocht werd, is Hij in staat om hen die nu verzocht worden, te hulp te komen (Hebreeën 2 vers 18).
In vers 16 worden de woorden uit Jesaja 9 vers 1 en 2 aangehaald, maar... met een klein verschil! Ten tijde van de profeet 'wandelde' het volk nog in duisternis, maar nu 'zit' het. Het heeft namelijk een plaats ingenomen ver verwijderd van het licht van God en heeft alle moed en hoop verloren. Dát is juist het moment waarop God kan ingrijpen! Hij, Die het Licht is, verschijnt, brengt de bevrijding en gaat verder.
Naar aanleiding van Zijn oproep worden sommigen door Zijn liefde getroffen, komen tot Hem en volgen Hem. Hier twee, daar twee: Simon en Andreas, Jakobus en Johannes. Voor deze mannen is dit het beslissende ogenblik, dat plotseling hun hele leven veranderde en dat ze nooit zullen vergeten (hoofdstuk 19 vers 27). Ja, "terstond" verlaten zij hun vader, het schip en de netten. Daarvoor in de plaats vinden ze echter een Meester, zoals er nog nooit eerder geweest is. Bovendien ontvangen ze de belofte van een nieuwe opdracht: ze zullen vissers van mensen worden. Wanneer het moment daarvoor is aangebroken, zal de Heere evangelisten en apostelen van hen maken.
Er wordt niet van alle christenen verwacht dat zij hun broodwinning eraan geven of zich het genot van familiebanden moeten ontzeggen. Maar allen hebben toch ooit diep in hun hart die bekende stem gehoord die sprak: Volg Mij! Heb jij daar al op geantwoord?
De verzen 23 en 24 geven op een bewonderenswaardige wijze een samenvatting van de liefdevolle werken van de Heere Jezus.
De Heere Jezus volgen betekent in de eerste plaats Hem gehoorzamen (Johannes 12 vers 26). Daarbij kan men dezelfde karakterkenmerken als Hij gaan openbaren. In deze kenmerken onderwijst de Heere nu Zijn discipelen. Zalig zij die een eenvoudig geloof hebben en niet meer op hun eigen verstand vertrouwen. Zalig zij die bedroefd zijn over al het kwaad hier op aarde, zonder daarbij vermoeid te worden van het beoefenen van goedertierenheid en barmhartigheid ten opzichte van de bewoners van deze aarde. Zalig zij die ter wille van de Naam van de Heere allerlei onrechtvaardigheid en vervolgingen te verduren hebben... En dat is absoluut niet het soort geluk dat de meeste mensen zichzelf graag toewensen. Maar om echt gelukkig te zijn, is het voor de gelovigen voldoende te weten de erkenning van de Heere te bezitten. En de vreugden van het rijk staan hen te wachten.
In de verzen 13 en 14 gaat het om hun huidige situatie. Als de christen zich verre houdt van het kwaad, dan vervult hij hier op aarde de rol van "het zout", dat het bederf weert; hij heeft dan de werking van het zout in zich, dat hij dient door te geven (zie Job 6 vers 6). Bovendien is hij ook "licht". En daarmee is hij ervoor verantwoordelijk om de kenmerken van God te laten schijnen voor de mensen â en allereerst voor de ogen van hen "die in het huis zijn", dat wil zeggen: voor het eigen gezin, maar ook voor hen die in het huis van God zijn, dus de medegelovigen.
De korenmaat is een symbool voor het handelen en zakendoen van de mens. Het bed spreekt daarentegen van luiheid. Laten we erom denken dat beide dingen in staat zijn om het licht dat kinderen van God moeten laten schijnen, uit te schakelen!
Je kunt de verzen 17 en volgende niet lezen zonder daarbij een zekere angst te voelen. De Heere maakt niet alleen duidelijk dat Hij niet alleen gekomen is om de wet van God, die ons allen veroordeelde, te ontbinden, maar geeft hier juist een veel strengere uitleg van de Goddelijke wil. Tot hiertoe kon een gewetensvolle Israëliet erop hopen het eeuwige leven te zullen verwerven wanneer hij in meer of mindere mate "al deze dingen" van jongs af aan heeft onderhouden (zie Markus 10 vers 20). Nu laten de woorden van de Heere Jezus echter geen hoop meer voor hem bestaan. Als dát de heilige eisen van God zijn, wie kan dan gered worden? Ja, alleen in Hem, in deze onvergelijkbare Mens, was de Goddelijke gerechtigheid ten volle aanwezig. Dezelfde Persoon, Die gekomen was om het ons bekend te maken, is ook gekomen om het in onze plaats te vervullen (vers 17; Psalm 40 vers 8 - 10).
Het oude Jodendom bekommerde zich er niet om, hoe God over toorn of onreine blikken dacht. Het veroordeelde daarvan alleen de slechtste vruchten: moord en echtbreuk. De geboden van de Heere gaan daarentegen terug tot op de bron van deze strafbare daden. Zijn geboden maken ons ervan bewust dat deze daden voortkomen uit ons hart, dat tot hetzelfde in staat is (hoofdstuk 15 vers 19). Want voordat wij iets van de genade kunnen begrijpen, moeten we inzien hoezeer wij die nodig hebben!
Laten we niet vergeten Wie het is Die hier tot ons spreekt: de Messias, de Koning van Israël. Zijn lessen worden vaak de grondwet van het rijk genoemd, want zij geven de voorwaarden weer waaraan de burgers van dat rijk hebben te voldoen. Er bestaat echter een groot verschil tussen Zijn lessen en de condities en wetten van de volken van deze aarde, die gebaseerd zijn op de verdediging van de mensenrechten en het zelfzuchtige principe: 'ieder het zijne'! De lessen van de Heere spreken daarentegen niet alleen over het principe van geweldloosheid, maar ook over liefde, ootmoed en zelfverloochening, dingen die de geest van deze wereld volkomen vreemd zijn! Er zijn mensen die menen dat zulke geboden hier op aarde niet toegepast kunnen worden. Zouden christenen die ze letterlijk in praktijk willen brengen, dan immers niet als weerloze slachtoffers aan de mensheid overgeleverd zijn? We kunnen er zeker van zijn dat God hen dan zal beschermen. Bovendien zou zo'n gedrag van christenen tot een geweldig getuigenis zijn, waardoor anderen, die de gelovigen zouden willen benadelen, beschaamd zullen worden en misschien zou het mogen bijdragen tot hun bekering.
De verzen 38 - 48 maken ons nederig en wijzen ons terecht. Wat is er bij ons toch vaak maar weinig zichtbaar van hetgeen over de Heere Jezus gezegd wordt in 1 Petrus 2 vers 22 en 23, Jakobus 5 vers 6 en andere Schriftgedeelten. Laten we er meer aan denken dat we geroepen zijn om Zijn voetstappen na te volgen (1 Petrus 2 vers 21).
De aalmoezen (vers 1 - 4), de gebeden (vers 5 - 15) en het vasten (vers 16 - 18) worden door veel mensen als de drie hoofdzaken gezien waardoor zij menen verder geen 'godsdienstige verplichtingen' meer te hebben. Als men deze dingen echter doet om in aanzien te komen bij anderen, dan staat dat aanzien gelijk aan de beloning die men oogst (Johannes 5 vers 44). Ach, het hart van de mens is zo arglistig dat het gebruik maakt van de beste dingen om zelf belangrijk te zijn. De royaalste gave, vooropgesteld dat anderen ervan weten, kan dan hand in hand gaan met de ergste zelfzuchtigheid. Op iemands gezicht kan berouw te lezen zijn, terwijl hij op hetzelfde moment, diep in z'n hart, erg tevreden met zichzelf is.
De Heere leert ons bidden. Daarbij gaat het in geen enkel opzicht om een bepaalde verdienste, maar om het ootmoedig voorleggen van alle behoeften aan de hemelse Vader. En... dat gebeurt in het verborgen. Lijken onze gebeden soms echter niet op woorden die automatisch uitgesproken worden? Zijn het niet vaak herhalingen, zonder er verder echt bij stil te staan wat we zeggen (zie Prediker 5 vers 2)? Ja, zelfs het mooiste gebed dat de Heere Jezus leerde aan Zijn discipelen en dat volkomen aangepast was aan hun omstandigheden van toen (vers 9 - 13), is voor velen tot een zinloze herhaling geworden. Het kind van God heeft voorrechten die de Israëliet niet bezat. Ieder kind van God mag, door de Geest, in de Naam van de Heere Jezus, ten allen tijde tot de troon van de genade naderen (Hebreeën 4 vers 16). Maken we daar ook gebruik van?
Het eenvoudige oog richt zich slechts op één onderwerp. Voor de gelovige is dat ene Onderwerp: Christus, die grote "Schat" (vers 21). Hem mogen we in het Woord van God aanschouwen, "met onbedekte aangezicht", en door dit aanschouwen wordt ons hart verlicht (lees 2 Korinthe 3 vers 18 en 4 vers 6 en 7). Ons hart kan zich niet tegelijkertijd in de hemel en op aarde bevinden. Een hemelse Schat in ere houden en tegelijkertijd aardse schatten verzamelen, zijn daarom twee onverenigbare dingen. Eveneens is het onmogelijk om twee heren te dienen (vers 24). De bevelen die je zou ontvangen, zouden verschillend en zelfs tegenstrijdig kunnen zijn. Als je dan afstand neemt van de Mammon (rijkdommen; zie Lukas 16 vers 13), moet je dan niet bepaalde dingen missen? Loop je dan niet het gevaar dat je op een gegeven moment te kort komt? De Heere Jezus voorkomt deze zwakke uitvluchten door Zijn woorden: "Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd" (vers 25). Laten we onze ogen openen voor de oproep van de Heere. Kijk toch eens om je heen naar de schepping (vers 26) en ontdek de talloze kleine getuigen van de zorg en goedheid van de hemelse Vader. De bloemen, de vogels..., Hij zorgt ervoor (vergelijk Psalm 147 vers 9).
Nee, God zal iemand die Zijn belangen hoger acht dan de eigen belangen, en die Hem de eerste plaats in het hart geeft (Lukas 10 vers 42), nooit iets schuldig blijven. Deze keuze van het hart is echter de eerste stap die gezet moet worden!
De verzen 1 - 6 en 12 brengen ons de dingen voor de aandacht waardoor onze betrekkingen tot onze medemensen, onze broeders en zusters, bepaald zouden moeten worden. Met hun pogingen oplossingen aan te dragen voor de onderlinge omgang, hebben grote denkers uit alle civilisaties complete bibliotheken gevuld met hun sociale, politieke, morele en godsdienstige lessen. Voor de Heere is echter één kort vers voldoende om op Zijn Goddelijk wijze de volmaakte en definitieve oplossing tot uitdrukking te brengen en te omvatten: "Alle dingen dan, die gij wilt dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo" (vers 12; vergelijk Romeinen 13 vers 10). Elke dag zijn er voor ons talloze gelegenheden om deze gouden regel in praktijk te brengen. Laten we leren ons altijd te verplaatsen in de situatie van hen met wie wij te doen hebben.
De verzen 13 en 14 herinneren ons eraan dat als er twee heren zijn, er ook twee wegen en eveneens twee poorten bestaan. De brede weg is die waarop de meeste mensen gaan, ondanks die wegwijzer, waarvan de rillingen je over de rug lopen, die aangeeft dat deze weg "tot het verderf leidt" (vers 13)! Er zijn daarentegen maar weinigen die de weg "die tot het leven leidt" vinden (omdat er maar weinigen zijn die ernaar zoeken; zie vers 7). "De poort is eng", en je kunt er pas doorheen gaan wanneer je alle bagage van zelfgerechtigheid hebt afgelegd.
Beste lezer, welke weg bewandelt u, welke weg ga jij?
Als je de goede bomen aan hun goede vruchten kunt herkennen, dan zou je toch ook kunnen zeggen dat zij die in vers 22 genoemd worden, prima mensen zijn? Zoals het lijkt, kunnen zij immers een aantal lovenswaardige bezigheden opnoemen. Ze hebben geprofeteerd, wonderen gedaan, demonen uitgedreven â en bij elke gelegenheid is de Naam van de Heere op hun lippen. "Ik heb u nooit gekend", klinkt daarop het ernstige antwoord van de Heere Jezus. Jullie vruchten komen niet voort uit gehoorzaamheid aan God.
Al deze lessen zijn niet moeilijk te begrijpen. Dat is voor ons ook niet het probleem. Het probleem is, dat wij deze lessen maar zo weinig in praktijk brengen. Daarom illustreert de Heere aan het slot van Zijn toespraken door middel van een korte gelijkenis het verschil tussen hen die alleen horen, en hen die het gehoorde ook omzetten in daden. We zien hier twee huizen, die aan de buitenkant precies op elkaar lijken. Maar kijk nu eens naar de fundering. Wat zien we dan? Het ene huis is gebouwd op de rots van het geloof in de Heere Jezus (1 Korinthe 3 vers 11); de bouwer van dit huis heeft diep gegraven (Lukas 6 vers 48). Het fundament van het andere huis rust echter slechts op het beweeglijke en zwakke zand van de menselijke gevoelens. Totdat het bouwwerk beproefd wordt â en dat is absoluut noodzakelijk! â is er geen verschil te bespeuren, maar dan... Zie eens, wat er van het tweede huis is overgebleven!
En hoe worden de beide bouwers genoemd? De ene heet "voorzichtig" (of "wijs") en de andere "een dwaze". Welke naam past bij jou?
De lessen van de Heere Jezus worden gevolgd door Zijn dienst van liefde en gerechtigheid. Allereerst wordt er melding gemaakt van drie genezingen. De melaatse in vers 2 kent de macht van de Heere Jezus, maar twijfelt aan Zijn liefde: "Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen". De Heere Jezus wilde dat en genas hem (Hosea 11 vers 3).
De hoofdman uit Kapernaüm is zich enerzijds bewust van z'n eigen onwaardigheid en is anderzijds overtuigd van de almacht van de Heere. "Spreek alleen een woord" (vers 8). Dit buitengewone geloof verbaast en verblijdt de Heere Jezus. Hij zegt dat deze man een voorbeeld is voor hen die Hem volgen. En... is zijn voorbeeld voor ons ook vaak niet beschamend?
Ten slotte is het nodig dat de Meester ook werkzaam is in de gezinnen van de Zijnen. Hij geneest de schoonmoeder van Petrus.
De Heere Jezus heeft Zich niet op dezelfde manier beziggehouden met patiënten als een 'gewone' dokter. Zo'n dokter onderzoekt, stelt een diagnose, schrijft een recept voor, ontvangt z'n geld en verdwijnt. Voor de Heere Jezus was het echter niet voldoende alleen te genezen. "Hij heeft onze krankheden op Zich genomen en onze ziekten gedragen" (vers 17), doordat Hij Zich bezighield met de wortel van al het kwaad, met de zonde. Hij heeft het volle gewicht, alle bitterheid daarvan Zelf ondervonden (Johannes 11 vers 35). Is zo'n meeleven niet veel kostbaarder dan de eigenlijke genezing? Dat is de ervaring van vele zieke christenen.
De Heere verzwijgt de schriftgeleerde die Hem overal wil navolgen, niet dat Zijn weg een weg is van afzien. Zelfs de vogels van de hemel, die door de hemelse Vader verzorgd worden (hoofdstuk 6 vers 26), zijn beter af dan hun Schepper toen Hij hier op aarde was. Hoe diep heeft Hij Zich vernederd! Hij heeft hier op aarde geen enkele plek gehad waar Hij Zijn hoofd kon neerleggen en kon uitrusten. Pas op het kruis, nadat het werk volbracht was, kon Hij eindelijk Zijn hoofd neerleggen â of neerbuigen (in het Grieks wordt in vers 20 hiervoor hetzelfde werkwoord gebruikt als in Johannes 19 vers 30).
In vers 21 reageert iemand anders op de oproep van de Heere met, zoals het lijkt, een terechte verontschuldiging. Wat zou rechtmatiger geweest zijn dan aan de begrafenis van z'n eigen vader deel te nemen? Hoe dringend een bepaalde opgave ook mag lijken, nooit mogen onze eigen "eerste belangen" de plaats innemen van het "eerst" van de Heere uit hoofdstuk 6 vers 33! Zijn belangen, ja Hijzelf, gaat voor alles! Er wordt niet meegedeeld waartoe deze beide mannen later besloten hebben. Voor ons is het alleen belangrijk om te weten hoe wij zelf op de oproep van de Heere geantwoord hebben.
Die welbekende en prachtige gebeurtenis van de overtocht in de storm is een beeld van de reis van de gelovige door deze wereld. Hij maakt veel stormen mee, maar zijn Redder is ook de Heere, Die heerst over alle natuurgeweld, en Hij is bij hem (Psalm 23 vers 4). Hij beveelt de wind en de golven, de ziekte en de dood en de satanische machten, zoals de bevrijding van de twee bezetenen "in het land der Gergesénen" ons laat zien.
De verschillende soorten ziekten die de Heere Jezus tegenkomt en die Hij geneest, laten de verschillende kanten van de verdrietige situatie zien, waarin Zijn schepselen zich bevinden.
De melaatsheid benadrukt de onreinheid van de zonde; de koorts geeft de voortdurende onrust weer van de mensen van deze wereld. De bezetene staat onder directe invloed en macht van satan, terwijl de stomme en dove (vers 32; hoofdstuk 11 vers 5) zijn zintuigen afgesloten heeft voor de roepstem van de Heere en niet tot Hem kan bidden. De verlamde, ten slotte, die hier bij de Heere gebracht wordt, laat de totale machteloosheid van de mens zien, die geen enkele beweging in de richting van God kan maken (vergelijk Johannes 5 vers 7). Hij zegt niets; hij wacht en hoopt. De Goddelijke Geneesheer (vers 12) weet als geen ander, dat er een veel ergere ziekte aan de ziel van de verlamde knaagt en daarvan bevrijdt Hij hem in eerste instantie: "Uw zonden zijn u vergeven" (vers 2). Wat zou ons onrustiger moeten maken â dat geldt zowel voor onszelf alsook voor anderen â een ziekte of een zonde?
Daarna vertelt Mattheüs hoe hij zelf geroepen werd. Hij behoorde eveneens tot de zondaren, voor wie Christus gekomen was.
Ten slotte is de vraag van de discipelen van Johannes aanleiding voor een nieuwe les: De "oude leren zakken" (vers 17) van de joodse godsdienst waren niet meer geschikt om de nieuwe wijn van het evangelie op te nemen.
In de evangeliën worden lang niet alle wonderen die de Heere Jezus gedaan heeft, vermeld (zie ook Johannes 21 vers 25). God heeft ons in Zijn Woord alleen die wonderen nagelaten waardoor Hij ons een bijzondere les wil leren.
Zo kent de opwekking van het dochtertje van de overste van de synagoge onder andere ook een profetische toepassing. De Heere wordt daarin gezien als zijnde op de weg, om Zijn volk Israël in de toekomst het leven weer te geven. Gedurende de tussenliggende tijdsperiode is Hij er voor allen die in geloof tot Hem komen, zoals ook die vrouw deed (vers 20).
De Heere Jezus had genoeg macht om "alle ziekte en alle kwaal" te genezen (vers 35). En Hij had genoeg liefde in Zijn hart om, als de ware Herder van Israël, Zijn hele volk te dragen (vers 36). Maar ach, ook al vond Hij enerzijds hier en daar geloof (vooral bij de twee blinden; vers 28 en 29), anderzijds stootte Hij toch op een vreselijk ongeloof (vers 34).
Laten wij die dezelfde wereld te doorwandelen hebben en dezelfde behoeften tegenkomen (maar helaas soms zulke gevoelloze harten hebben; Jakobus 2 vers 15 en 16), de Heere toch vragen of Hij ons een breed en duidelijk zicht wil geven op Zijn grote oogst (Johannes 4 vers 35). En laten we Hem vragen om nieuwe arbeiders uit te zenden.
De twaalf discipelen zijn apostelen geworden (vers 2). Bij het opnoemen van de namen vermeldt Mattheüs, de tollenaar, zijn eigen afkomst (zie hoofdstuk 21 vers 31). Onderwezen door de woorden en het voorbeeld van de Goddelijke Leraar, komt het moment waarop zij als arbeiders in de oogst uitgezonden zullen worden (apostel betekent gezondene'). Een kind gaat niet zijn hele leven naar school, dat is duidelijk â hoewel de gelovige in zekere zin altijd in de school van God blijft. Maar vroeg of laat moeten wij het wezenlijke van de lessen geleerd hebben. Daartoe hoort ook de erkenning van de totale machteloosheid van onze eigen natuur. Pas dan zal de Heere Jezus ons kunnen gebruiken.
Laten we een aantal belangrijke punten opnoemen, die de moeite waard zijn om te overdenken:
Het is de Heere Die Zijn dienstknechten roept, toebereidt, uitzendt, leidt, ondersteunt, bemoedigt en beloont. Ze gaan niet uit eigen beweging op pad en worden evenmin door mensen uitgezonden. Zij verwachten geen loon voor hun werk, maar geven dat wat zij "om niet ontvangen" hebben, ook door "om niet" (vers 8).
Deze eenvoudige waarheden zijn in het christendom van vandaag helaas grotendeels uit het oog verloren. In de vorm van commissies, besturen en allerlei organisaties hebben de mensen zich vaak â hoe goed bedoeld ook â tussen de Heere en Zijn arbeiders gesteld. En dat is tot grote schade van de dienstknechten, maar vooral voor het werk dat hun toevertrouwd werd.
De discipel staat niet boven zijn Meester (vers 24); hij hoeft niet verwachten beter behandeld te zullen worden dan Hij. Of het nu gaat om de christen van vandaag of om de Jood later in de grote verdrukking, de ware discipel moet ervanuit gaan dat hij dezelfde tegenstand van de kant van een onrechtvaardige en boze wereld ondervindt als de Heere Jezus heeft meegemaakt (zie vers 17 en 18). Dat zal hem echter de gelegenheid geven te genieten van de rijkdom van genade, die grenzeloze genade die de verloste kent en die hem bewaart en zelfs zijn haren telt (vers 30; zie 2 Korinthe 12 vers 9).
Het is niet alleen de haat van de wereld waardoor de trouwe gelovige getroffen wordt, maar hij heeft ook vaak met de vijandschap van z'n eigen familie te maken (vers 36). Laat hij zich toch niet laten ontmoedigen! De Heere heeft uitdrukkelijk gezegd dat het zo zou zijn en heeft hem ook in zulke gevallen verzekerd van Zijn hulp.
Zijn kruis opnemen betekent: het duidelijke teken van een ter dood veroordeelde te dragen. Anders gezegd: men laat daardoor zien dat men afgedaan heeft met het vermaak van deze wereld en z'n eigen wil heeft opgegeven. Vanuit menselijk standpunt bezien, komt dat overeen met het verliezen van je eigen leven. Nee, zegt de Meester, dat is, integendeel, juist de enige manier waarop je het leven kunt winnen! De reden daarvoor is eveneens heel belangrijk: "om Mij", zegt de Heere Jezus er uitdrukkelijk bij (vers 39; zie 2 Korinthe 5 vers 14 en 15).
De Heere stelt Zich er niet tevreden mee om discipelen uit te zenden. Hij gaat ook met Zijn eigen dienst verder. De dienst van Johannes de Doper is daarentegen, sinds hoofdstuk 4 vers 12, in de gevangenis van Herodes, ten einde gekomen. De vraag waarmee hij zijn discipelen naar de Heere Jezus stuurt, laat zijn moedeloosheid en verwarring duidelijk naar voren komen. Hij, van Wie hijzelf zo'n vurige voorbode geweest was, richt Zijn rijk niet op en ondernam niets tot zijn bevrijding. Was Hij dan niet de beloofde Messias? De Heere Jezus antwoordt hierop met een boodschap waarin Hij zijn neerslachtigheid, op zachtmoedige wijze, terechtwijst (vers 6). Tegenover de volksmenigte legt Hij echter in duidelijke bewoordingen een getuigenis af over de grootste van alle profeten (vers 7 - 15).
Als het gaat om het ingaan in het rijk, dan is geweld niet te vermijden (vers 12). God geeft ons toegang tot alle schatten, maar wij, van onze kant, moeten een brandend verlangen hebben om hetgeen Hij ons aanbiedt, in bezit te nemen. De heilige ijver van het geloof is nodig, die met vrijmoedigheid bezit neemt van alle Goddelijke beloften. Veel jonge mensen zijn echter uit gebrek aan beslistheid en wilskracht, uit angst voor strijd en zelfverloochening, aan de andere kant van de deur blijven staan. Laten we niet vergeten dat de lafhartigen (vreesachtigen) zich in het gezelschap van de ongelovigen, moordenaars en allerlei andere berouwloze zondaren bevinden (Openbaring 21 vers 8).
De meeste wonderen heeft de Heere Jezus in de steden van Galilea gedaan. Maar zoals Jesaja al voorzegd had, bleven de harten toegesloten: "Wie heeft onze prediking geloofd, en aan wie is de arm des HEEREN geopenbaard?" (Jesaja 53 vers 1). Op deze vraag kan de Heere Jezus echter "in diezelfde tijd" toch een antwoord geven en de Vader prijzen: "Ik dank U, Vader! Heere van de hemel en van de aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze de kinderkens geopenbaard" (vers 25). Daarna richt Hij Zich tot de mensen en zegt: "Komt tot Mij"; komt met het eenvoudige geloof van een kind. Niemand anders dan Ik kan jullie de Vader openbaren. En leer niet alleen Mijn woorden, maar leer ook van Mijzelf. Neem Mij tot voorbeeld, want Ik ben "zachtmoedig... en nederig van hart" (Efeze 4 vers 20 en 21).
We vinden bij de Heere Jezus twee dingen die ogenschijnlijk tegenstrijdig zijn met elkaar: de rust en het juk. Een juk is een zwaar stuk hout, om ossen in te spannen. Het is een symbool van gehoorzaamheid en van de dienst. Maar het juk van de Heere is licht. Zijn juk was de wil van Zijn Vader, en dát te volbrengen was een lust voor Hem. Door zo te handelen wisselt de verloste zondaar de vermoeidheid en de last van de zonde (vers 28) in tegen de overgave van de liefde (2 Korinthe 8 vers 3 - 5). "Zalig zijn de zachtmoedigen", had de Heere Jezus gezegd (hoofdstuk 5 vers 5). Is het voor hen geen voorrecht, op Hem te mogen lijken?
Nadat de Heere Jezus ware rust aangeboden heeft aan de ziel (hoofdstuk 11 vers 28 en 29), maakt Hij duidelijk dat de wettische rust van de sabbat geen reden van bestaan meer heeft. Met die vraag over de sabbat proberen de Farizeeën eerst de discipelen (vers 2) en daarna de Meester Zelf (vers 10) op een fout te betrappen. Hij grijpt deze gelegenheid echter aan om hen duidelijk te maken dat door Zijn komst in genade het hele systeem dat op de wet en de offers berustte, terzijde gesteld was. Voor de tweede keer haalde Hij daarvoor Hosea 6 vers 6 aan (vers 7; zie hoofdstuk 9 vers 13 en Micha 6 vers 6 - 8). Wat had het voor zin het vierde gebod te houden, als alle andere overtreden werden? De barmhartigheid eiste ook haar recht. En wat een aanmatiging, om het houden van de sabbat te willen opleggen aan Hem Die deze had ingesteld! In werkelijkheid kon, zolang de zonde heerste, niemand tot rust komen, noch de mens, die de last droeg, noch God de Vader en de Zoon, Die samen aan het werk waren om zowel het kwaad alsook de gevolgen daarvan weg te nemen (Johannes 5 vers 16 en 17). Daarom zet de volmaakte Dienstknecht Zijn werk voort, zonder Zich daarvan door de overleggingen van de wettelozen te laten weerhouden. Hij vervult dit werk in een geest van nederigheid, genade en zachtmoedigheid. Volgens Jesaja 42 vers 1 - 4 zou het daardoor mogelijk worden Hem te erkennen. Bovendien is deze houding van Hem zo ontzettend kostbaar voor het hart van God (vergelijk 1 Petrus 3 vers 4).
De Farizeeën haten de Heere Jezus, omdat zij jaloers zijn op Zijn macht en Zijn gezag over de volksmenigte. Zij vechten de herkomst van deze macht aan, omdat zij de wonderen op zich niet kunnen ontkennen. Evenals eerder (hoofdstuk 9 vers 34; 10 vers 25) schrijven zij de macht van de Heilige Geest, Die God op Zijn Geliefde gelegd heeft (vers 18; vergelijk Markus 3 vers 29 en 30), toe aan de macht van de overste van de demonen. Dat was lastering tegen de Heilige Geest, een zonde die niet vergeven zou kunnen worden. Nee, het werk van de Heere was daarentegen juist een bewijs van Zijn overwinning op satan, "de sterke" (vers 29). Hij had hem in de woestijn al door het Woord "gebonden" (hoofdstuk 4 vers 3 - 10), en nu ontrukte Hij hem z'n gevangenen (zie Jesaja 49 vers 24 en 25). Daarna maakt de Heere Jezus aan de Farizeeën duidelijk dat zijzelf onder de macht van satan stonden: slechte bomen brengen slechte vruchten voort.
"Uit de overvloed van het hart spreekt de mond" (vers 34). Wanneer ons hart vervuld is van Christus, zal het voor ons onmogelijk zijn om over Hem te zwijgen. De zonen van Korach riepen het uit: "Mijn hart geeft een goede rede op; ik spreek mijn gedichten uit van een Koning" (Psalm 45 vers 2). Ze konden het niet voor zich houden!
Omgekeerd is het ook zo, dat de slechte gedachten die in ons binnenste verborgen liggen, vroeg of laat over onze lippen komen. En van elk woord, ook al was het nutteloos, zal ieder voor zich op zekere dag rekenschap moeten afleggen.
Met hoofdstuk 12 eindigt het eerste gedeelte van dit evangelie. Nadat de Messias verworpen was door hen die Hem als eersten hadden moeten aannemen, begint de Heere Jezus te spreken over Zijn dood en opstanding. Dat was het grote wonder ("teken"; vers 38) dat nog volbracht moest worden en waarvan de Joden al een voorbeeld hadden ontvangen in de geschiedenis van Jona, toen deze in de buik van de vis zat.
Tegelijkertijd wijst de Heere Jezus deze Schriftgeleerden en Farizeeën op hun eigen grote verantwoordelijkheid. Zij waren immers veel beter onderwezen dan eens de heidenen van Ninevé of de koningin van Scheba! En Salomo en Jona werden immers door Hemzelf ver overtroffen. Hij was gekomen om te wonen in het huis van Israël, nadat Hij daaruit de demonen had uitgedreven en de afgodendienst had verwijderd (vergelijk hoofdstuk 8 vers 31 en 21 vers 12 en 13). Maar men had Hem niet willen aannemen, Hem niet willen toelaten in dat huis, en het huis bleef dan ook leeg. Daardoor was het huis geschikt geworden om door een macht die nog veel erger was dan de eerste, bewoond te worden. Dat is het wat Israël eens onder de heerschappij van de antichrist zal overkomen.
De verzen 46 - 50 laten ons zien dat de Heere Jezus zelfs hen die Hem het meest na staan, niet meer kan erkennen. Voortaan onderbreekt Hij de aardse en natuurlijke betrekkingen met Zijn volk en zal door de gelijkenissen van hoofdstuk 13 duidelijk maken, wat het hemelse rijk betekent en wie daarin wordt opgenomen.
Het hart van het volk was "dik geworden" en men had de ogen en oren toegesloten (vers 15). Vandaar dat de Heere Jezus voortaan tot hen spreekt in gelijkenissen, dus op een verborgen wijze. Zijn lessen gelden alleen nog voor Zijn discipelen, voor hen die Hem werkelijk willen volgen. Ja, de verzen 18 , 36 en 37 bewijzen ons dat de Heere altijd bereid is de Zijnen uit te leggen wat ze niet begrijpen. De Bijbel bevat veel wat voor ons beperkte natuurlijke verstand verborgen en moeilijk te begrijpen is (Deuteronomium 29 vers 29). Maar wanneer wij er werkelijk naar verlangen de betekenis te kennen, dan zal ons dat op het juiste moment bekendgemaakt worden (zie Spreuken 28 vers 5). Laten we ons daarom niet door bepaalde Schriftplaatsen of uitdrukkingen die we niet onmiddellijk begrijpen, laten ontmoedigen. Laten we de Heere vragen om Zijn Woord te verklaren.
Dat Israël de Messias heeft verworpen, heeft nog iets anders tot gevolg: Omdat Hij in het midden van Zijn volk geen vrucht kon oogsten, gaat de Heere nu uit in de wereld, om daar het zaad van Zijn Woord, het evangelie, te zaaien. In Jakobus 1 vers 21 wordt dit overigens aangeduid als: "het Woord, dat in u geplant wordt". Er bestaat slechts één goed Zaad, maar niet iedereen neemt het Woord op dezelfde wijze op!
Hoe hebt u, heb jij dat gedaan?
De Heere Jezus, in Zijn volmaakte kennis van het hart van de mens, onderscheidt onder hen die Zijn Woord horen, vier verschillende groepen mensen.
De eerste groep kan worden vergeleken met een vast ingelopen pad, waar iedereen overheen loopt. Lijkt ons hart misschien ook op zo'n weg, waarover de wereld 'heen en weer loopt', zodat het Woord er niet in kan dringen?
Anderen zijn oppervlakkig en lijken op "steenachtige plaatsen" (vers 20). Het bewustzijn van de zonde is niet tot diep in hun geweten doorgedrongen. Bij deze groep mensen, die slechts tijdelijk geraakt zijn door het horen van het evangelie, zien we een schijngeloof.
Als het ware geloof (onzichtbaar) wortel geschoten heeft âen zo moet dat ook gebeuren â dan kun je dat merken aan de zichtbare vruchten. Een geloof zonder werken is dood. Dat wordt verstikt, net als het zaad dat midden tussen de doornen opkomt (Jakobus 2 vers 17).
Het zaad is echter ook in goede aarde gevallen, waar de aren te zijner tijd rijp kunnen worden.
De gelijkenis van het onkruid leert ons dat de vijand niet alleen, zo vaak hij kan, het goede zaad wegrooft (vers 19), maar ook dat hij, terwijl de mensen slapen, onkruid zaait tussen het goede zaad. De geestelijke slaap stelt ons bloot aan allerlei slechte invloeden. Daarom worden we opgeroepen altijd waakzaam te zijn (Markus 13 vers 37; 1 Petrus 5 vers 8, enzovoort).
In de zes 'gelijkenissen van het koninkrijk', die volgen op de gelijkenis van de zaaier, laat de Heere zien wat het resultaat van het zaaien in deze wereld zal zijn. De gelijkenis van het mosterdzaadje dat uitgroeit tot een grote boom, beschrijft de uiterlijke vorm die het koninkrijk der hemelen, na de verwerping van de Koning, aangenomen heeft, terwijl de gelijkenis van het zuurdeeg dat in het meel verborgen is, de nadruk legt op een verborgen werking die het karakter van het koninkrijk verandert. Dat spreekt van de tijd van de verantwoordelijke christenheid. Na een heel klein begin (enkele discipelen) zien we dat het christendom zich verder uitgebreid heeft. Maar haar 'succes' en uitbreiding over deze aarde is beslist niet het bewijs van de zegen van erkenning door God, net zo min als deze enorme verbreiding haar kan beschermen voor de aanvallen van satan. Integendeel! Al heel vroeg is het kwaad binnengedrongen (de vogels, zie vers 4 en 19, en het zuurdeeg).
De vermenging waardoor de belijdende christenheid gekenmerkt wordt, wordt op een andere wijze uitgebeeld in de gelijkenis van het onkruid in de akker, die de Heere Jezus hier uitlegt. Wij weten dat allen die gedoopt zijn, zich vandaag de dag 'christenen' noemen, of ze nu ware kinderen van God zijn of niet. De Heere verdraagt deze toestand tot aan de dag van de oogst (Openbaring 14 vers 15 en 16). Dan zal Hij door het definitieve lot, zowel aan de één als aan de ander, laten zien hoe Hij over iedereen gedacht heeft.
De korte gelijkenissen van de schat in de akker en de parel brengen twee wonderbare waarheden naar voren.
Ten eerste: de bijzonder grote waarde die Christus hecht aan Zijn Gemeente en waarvoor Hij betaald heeft om Haar te verwerven. Hij heeft alles wat Hij had, verkocht; ja, Hij heeft zelfs Zijn leven voor Haar gegeven!
Ten tweede zien we de blijdschap die de Gemeente Hem geeft.
In vers 47 wordt het net van het evangelie in de volkeren-zee geworpen. De Heere Jezus had tegen Zijn discipelen gezegd dat Hij hen tot vissers van mensen zou maken (hoofdstuk 4 vers 19). Hier zien we Zijn dienstknechten aan het werk. Maar... niet alle vissen zijn goed; evenmin zijn allen die zich christenen noemen, ware gelovigen! Door het Woord kan men het verschil tussen hen onderscheiden: de goede vis herkent men aan de schubben en de vinnen (Leviticus 11 vers 9 - 11); de ware christen aan zijn morele wapenrusting, waarmee hij de wereld kan afweren en zich niet door de stroom van deze wereld zal laten meesleuren.
Behalve de schat die de Heere in de Zijnen gevonden heeft (vers 44), laat vers 52 de schat zien die de discipelen in Zijn Woord bezitten. Is het Woord voor ons allen een kostbare Schat waaruit wij "nieuwe en oude dingen" kunnen putten?
Helaas eindigt dit hoofdstuk, evenals het voorgaande, met het ongeloof van de volksmenigte. Men ziet de Heere Jezus slechts als "de Zoon van de timmerman". Daarom kan Hij Zijn genade ook niet aan hen kenbaar maken.
Het was Herodes (de zoon van degene die in hoofdstuk 2 genoemd wordt) die Johannes de Doper in de gevangenis had laten werpen (hoofdstuk 11 vers 2). En waarom? Omdat Johannes er niet voor teruggeschrokken was hem terecht te wijzen. Herodes had namelijk de vrouw die door zijn broer verstoten was, tot vrouw genomen. Johannes, deze trouwe getuige, moest, omdat hij de moed had gehad de koning de waarheid te zeggen, dit betalen met zijn leven. Hij werd gedood tijdens het vermaak en de feestelijkheden aan het koninklijk hof. Dat is de vreselijke beloning van het vermaak dat de goddeloze zich permitteert (vergelijk Jakobus 5 vers 5 en 6). Ook al deed Herodes op een gegeven moment alsof hij bedroefd was, toch had hij al langere tijd de stille wens gekoesterd Johannes te doden (vers 5). Haat tegen de waarheid en tegen hen die haar verkondigen, gaan namelijk altijd hand in hand (Galaten 4 vers 16). Vanuit menselijke oogpunt gezien is dit einde van Johannes tragisch en vreselijk; in de ogen van God is het de zegevierende voleinding van zijn wandel (Handelingen 13 vers 25).
Tussen de regels door kan men lezen wat het bericht over de dood van Zijn voorloper voor de Heere Jezus betekende. Was dat immers al niet een voorteken van Zijn eigen verwerping en Zijn kruis? Het lijkt erop, dat het verdriet in Hem de behoefte opwekte om alleen te zijn (vers 13). Maar al spoedig wordt Hij door de mensenmenigte gevolgd en Zijn hart, dat alleen aan anderen denkt, ondervindt medelijden met hen. Ten gunste van hen doet Hij vervolgens het grote wonder van de vermenigvuldiging van de broden.
De gebeurtenis van het schip in de storm is een beeld van de huidige situatie waarin de verlosten van de Heere zich bevinden. Terwijl Hij niet meer lichamelijk bij hen aanwezig is, maar Zich in de hemel bevindt en daar voor hen bidt en voor hen klaarstaat, moeten zij de onrustige zee van deze wereld oversteken. Daar is het in moreel opzicht nacht: de vijand veroorzaakt weerstand bij de mensen en werkt als de wind en de golven, waardoor alle inspanningen van de roeiers bijna tenietgedaan worden. Maar komt de Heere Jezus de Zijnen dan niet tegemoet? Zijn welbekende stem kalmeert de arme discipelen. En door het geloof, dat zich baseert op Zijn woord ("kom"!), wordt Petrus als het ware naar Hem, Die hij liefheeft, toegedragen. Plotseling wankelt dit geloof echter en begint Petrus te zinken. Wat is er gebeurd? Petrus had zijn ogen afgewend van zijn Meester, en zag op de hoge golven en het geweld van de wind. Alsof het gemakkelijker zou zijn om op rustig water te lopen dan op een onstuimige zee! Maar dan roept hij tot de Heere, Die hem direct te hulp komt.
'Op d'ongewisse baren van d' oceaan, in stormen en gevaren, grijp Heer' mij aan. Ik zie Uw aanschijn blinken in de duist'-re nacht, behoed mij dan voor zinken door Uwe macht.'
En blijft m' ook soms verborgen Uw grote macht, Gij voert mij tot de morgen ook door de nacht. Neem dan mijn beide handen en leid Uw kind, tot ik aan d' eeuw'ge stranden de ruste vind.
Daarna wordt de Heere Jezus ontvangen in de buurt van Gennésaret. Dat is een beeld van het tijdstip waarop Zijn volk dat Hem verworpen heeft, Hem zal erkennen en aanbidden en door Hem bevrijd zal worden.
De godsdienstige ijver van de Farizeeën beperkte zich tot het streng in acht nemen van een bepaald aantal vormen en tradities. En onder de dekmantel van deze schijnheiligheid (waardoor men mensen kan misleiden, maar God absoluut niet) volgden zij alle lusten van hun natuurlijk hart na. Hun inhaligheid dreef hen zelfs zo ver, dat ze zich aan de elementaire verplichtingen, zoals de zorg voor de ouders, onttrokken (vers 5; vergelijk Spreuken 28 vers 24). De vraag van de Heere Jezus (vers 3) is een slagvaardig antwoord op de vraag van de Farizeeën (vers 2). Door hun overleveringen verklaarden zij de geboden van God voor ongeldig. De Heere Jezus, Die juist een welgevallen had in het doen van Gods geboden, brengt deze huichelaars nu door hun eigen geschriften in verlegenheid. Zelfs de discipelen raken in verwarring door Zijn woorden. Maar dan openbaart de Heere hun alle boosheid van het menselijk hart en laat hun zien dat het totaal verdorven is. Ja, de handen kunnen zorgvuldig gewassen zijn, terwijl het hart nog vol vuil zit.
Beste vrienden, laten we toch toegeven dat het de volle waarheid is dat het hart van de mens er zo slecht uitziet. Dat kan ook in ons hart zo zijn! Want ook wij kunnen ons soms verstoppen achter een schijn van vleiende en achtenswaardige dingen.
De Heere Jezus bezoekt de omgeving van Tyrus en Sidon. Hij had gezegd dat deze heidense steden minder schuldig zouden zijn dan die van Galilea, waar Hij de meeste wonderen gedaan had (hoofdstuk 11 vers 21 en 22). Maar zij hadden geen deel aan de zegeningen van de "Zoon van David" (vers 22); ze waren "vreemdelingen van de verbonden der belofte" (Efeze 2 vers 12). Aan het begin van Zijn gesprek met de arme Kananese vrouw, die voor haar dochter bij Hem was gekomen, maakt de Heere haar dit, zo op het eerste oog, met een streng antwoord duidelijk. En deze vrouw erkent ook dat zij totaal onwaardig is.
Wanneer wij de juiste positie innemen voor God, dan kan de genade in zijn volle glans stralen. Zou de mens immers ergens de geringste aanspraak op kunnen maken of zou iets een verdienste zijn, dan ging het niet meer om genade, maar om een schuld (Romeinen 4 vers 4). Laten we onze ellende nooit vergeten en er altijd aan denken, dat we voor God totaal onwaardig zijn. Dan zullen we ook steeds meer de grootheid van Zijn genade op zijn waarde weten te schatten!
Vervolgens richt de Heere Zich opnieuw tot Zijn volk. Volgens Psalm 132 vers 15 wil Hij de spijze, die van Hem komt, rijkelijk zegenen en de armen met brood verzadigen. En net zoals bij het eerste wonder, is het Zijn hart, dat overstroomt van medelijden met de volksmenigte, dat Hem tot handelen aanzet (vers 32; hoofdstuk 14 vers 14).
Opnieuw verlangen de Farizeeën een teken (hoofdstuk 12 vers 38 en verder); en ook deze keer wijst de Heere Jezus hen, in verbinding met de dood die Hij zou vervullen, op het teken van Jona. De christenen die nu aan de vooravond van de wederkomst van de Heere Jezus zijn aangekomen, hoeven geen ander teken meer voor Zijn komst te verwachten. Hun geloof berust op Zijn belofte en niet op zichtbare bewijzen, want anders was het geen geloof meer (Johannes 20 vers 29)!
En toch... hoeveel tekenen zijn er niet die erop wijzen dat wij aan het eind van de geschiedenis van de Gemeente hier op aarde zijn aangekomen! De hoogmoed van de mens is groter dan ooit; de christelijke wereld openbaart de kenmerken van 2 Timotheüs 3 vers 1 - 5. Verder zijn er ook uiterlijke tekenen: het Joodse volk keert terug in haar land; de volken proberen zich, binnen het kader van het Romeinse rijk van vroeger, te verenigen... Laten we onze ogen toch openen en opzien naar de hemel: de Heere Jezus komt eraan!
De Heere verlaat de ongelovigen en gaat weg (vers 4). Nu zijn het echter Zijn eigen discipelen die Hem bedroeven door hun gebrek aan vertrouwen en hun vergeetachtigheid, net zoals ze dit al eerder hadden gedaan door hun gebrek aan begrip (hoofdstuk 15 vers 16 en 17). Maar ach, lijken wij soms niet op hen? Laten we de vermaning die God ons âjuist door de mond van Petrus (!) â geeft, toch ter harte nemen en laten we onze zorg op Hem werpen, want Hij zorgt voor ons (1 Petrus 5 vers 7).
Uit het antwoord op de vraag die de Heere Jezus aan Zijn discipelen stelt, blijkt dat de meningen over Hem verdeeld zijn. Vandaag de dag is dat nog net zo. En jij, kun jij zeggen Wie Hij is en wat Hij voor jou persoonlijk betekent?
De Vader geeft Simon die wonderbare belijdenis in de mond: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God" (vers 16). Dat is het onwankelbare Fundament waarop de Heere Zijn Gemeente bouwt en daarvan is elke gelovige, net als Simon, een levende steen. Hoe zouden de boze machten ooit hetgeen Christus toebehoort en wat Hij Zelf opbouwt, kunnen overweldigen?
En dan zien we dat de Heere Jezus Zijn discipel wil vereren met een speciale opdracht: hij mag, zowel voor de Joden als de volken, de poorten van het rijk openen (door zijn prediking; Handelingen 2 vers 36 â tot de Joden en Handelingen 10 vers 43 â tot de volken).
"Van toen aan" (vers 21) moest de Heere Jezus, nadat Hij gesproken had over Zijn Gemeente, spreken over de prijs die Hij Zelf zou betalen om haar te verwerven: Zijn lijden en sterven.
Helaas wordt de arme Petrus, die kort tevoren nog een uitspraak van God deed, tot een spreekbuis van satan. De duivel probeert Christus van Zijn weg van gehoorzaamheid af te brengen, maar hij wordt direct herkend en terechtgewezen.
De Heere Jezus, Die als Eerste voorop gaat op de weg van volkomen zelfverloochening, laat er geen onduidelijkheid over bestaan wat de gevolgen zijn als men Hem wil volgen (vergelijk hoofdstuk 10 vers 38 - 40). Zijn wij bereid Hem, koste wat het kost, te volgen (Filippensen 3 vers 8)?
Hoofdstuk 16 besloot met een opmerking over het lijden en de dood van de Heere Jezus. Als antwoord op de belofte die aan de discipelen was gegeven (hoofdstuk 16 vers 28), begint hoofdstuk 17 met Zijn verschijning in heerlijkheid. Na de verachting die Gods Zoon van de kant van Zijn volk Israël had ondervonden, en na alle openbaringen van ongeloof die Hij in het voorgaande hoofdstuk ontmoette, wilde God een aantal uitverkoren getuigen onder de mensen een voorproef geven van Zijn koninklijke majesteit. Wat een verheven gebeurtenis!
De drie discipelen konden deze kostbare gebeurtenis helaas niet verdragen. De angst overviel hen (na de slaap; Lukas 9 vers 32). En ten slotte moest God het woord nemen, om te verhinderen dat Zijn veelgeliefde Zoon op dezelfde hoogte gesteld zou worden als de twee andere mannen, Mozes en Elia. Pas later, na de opstanding, begrepen de discipelen de volle draagwijdte van deze wonderbare verschijning en waren ze in staat daarover te vertellen. Petrus deed dit in zijn tweede Brief (hoofdstuk 1 vers 17 en 18). Maar nu, terwijl Mozes en Elia naar hun rust terugkeerden, neemt de Zoon van God weer de nederige gestalte van een slaaf aan, die Hij slechts voor een kort moment had afgelegd. Hij daalt van de berg af en gaat alleen verder op weg naar het kruis.
De aanbidding van de christen verplaatst hem in de geest "op een hoge berg" (vers 1), in gemeenschap met de verheerlijkte Heere. O, dat wij toch meer van die momenten in ons leven mochten kennen en beleven!
We moeten echter ook weer samen met Hem naar beneden kunnen klimmen, in de levensomstandigheden van de wereld, een wereld die door satan geregeerd wordt. Deze ervaring doen de discipelen nu ook op. De genezing van de maanzieke knaap biedt de Heere Jezus de gelegenheid de almacht van het geloof te benadrukken.
De gebeurtenis in de verzen 24 - 27 is zowel ontroerend als leerzaam. Petrus is de verschijning in heerlijkheid en de stem van de Vader al vergeten. Altijd bereid om zonder overleg te werk te gaan, verplicht hij zich in Naam van zijn Meester de tempelbelasting te betalen. De Heere Jezus vraagt hem vriendelijk of hij ooit gehoord heeft dat de zoon van een koning belasting betaalt aan z'n eigen vader. Simon had immers kort tevoren erkend dat Hij de Zoon van de levende God was! Nadat de Heere hem dit duidelijk gemaakt heeft, krijgt Petrus desondanks de opdracht om het bedrag, dat Hij niet schuldig was, te betalen. Tegelijkertijd openbaart Hij echter Zijn macht: Hij is Degene aan Wie de hele schepping onderdanig is, ook de vissen van de zee (Psalm 8 vers 7 - 9). Tevens openbaart Hij Zijn liefde: Hij verbindt Zich met de zwakke discipel, door ook voor hem te betalen.
De mensen van deze wereld houden van grootse dingen, van pracht en praal en een hoge positie. De discipelen ontkomen niet aan deze invloed. Zij willen graag weten wie "de meeste" is "in het Koninkrijk der hemelen". De Heere Jezus antwoordt hen, dat het belangrijkste is te weten hoe men daar kan ingaan â en om dat te kunnen, moet men juist klein zijn! Om hun deze les goed in te prenten, roept Hij een klein kind bij Zich en "stelde dat in het midden van hen". In onze omgeving bevinden zich misschien ook kleine kinderen. Zij zijn ons gegeven tot een voorbeeld van vertrouwen en onbevangenheid. Laten we er voor oppassen, hen vanwege hun zwakheid, onwetendheid en eenvoud te verachten. En laten we er nog meer voor oppassen, hun een aanstoot te zijn. Het slechte voorbeeld van een oudere is de ergste valstrik voor de voeten van de jongeren! Daarom herhaalt de Heere Jezus hier nog eens, wat Hij al eerder over het aanstoot geven heeft gezegd (vergelijk vers 8 en 9 en hoofdstuk 5 vers 29 en 30).
God is absoluut niet van plan deze kleinen te minachten. Integendeel, Hij gaat juist heel zorgvuldig en liefdevol met hen om, vanwege hun zwakheid. Engelen hebben de opdracht om over hen te waken. En laten we niet vergeten dat de Heere Jezus gekomen is om hen te "zalig te maken" (vers 11). Wanneer zij sterven voordat zij de leeftijd bereikt hebben dat ze zelf verantwoordelijk zijn, zullen ze het genot van Zijn werk mogen smaken! De gelijkenis van het verloren schaap laat ons zien welk een grote waarde zo'n klein lammetje heeft voor de goede Herder.
Hier maakt de Heere Jezus duidelijk hoe het onrecht tussen broeders in orde gemaakt moet worden (vers 15 - 17). Zijn lessen over vergeving sluiten daarop aan (vers 22; vergelijk Efeze 4 vers 32 en Colossenzen 3 vers 13).
Dit biedt Hem echter ook de gelegenheid om het onderwerp van de Gemeente weer op te pakken. En Hij geeft ons een vers, beter gezegd een belofte, van de allergrootste betekenis: "Want waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen" (vers 20). Uit deze tegenwoordigheid komt alles wat de zwakste gemeente van gelovigen die in de Naam van de Heere Jezus vergaderd is, nodig heeft. Zou de zegen uit kunnen blijven wanneer Hij, de Bron van alle zegen, in het midden is van hen die op Hem wachten? Deze belofte heeft in het bijzonder betrekking op de volmacht die aan de gemeente overgedragen is (te binden en te ontbinden) en op de verhoring van het gebed van de twee of drie, die daarin overeenstemmen (vers 19). Helaas vergeten zoveel christenen dat de bidstonden zo ontzettend belangrijk zijn.
De gelijkenis van de onbarmhartige dienstknecht die tienduizend talenten schuldig was (een enorm bedrag!), herinnert ons aan de onmetelijk grote schuld die God ons in Christus vergeven heeft (Ezra 9 vers 6). Wat zijn, in vergelijking daarmee, de kleine ongerechtigheden die wij misschien te verdragen hebben? De Goddelijke vergeving, waarvan wij het onderwerp zijn geworden, legt ons de verantwoording op om, van onze kant, ook barmhartigheid te tonen.
Aan het begin van dit hoofdstuk beantwoordt de Heere Jezus een vraag van de Farizeeën, doordat Hij echtscheiding opnieuw uitdrukkelijk veroordeelt (zie hoofdstuk 5 vers 31 en 32).
Daarna zegent Hij de kinderen die bij Hem gebracht werden, en tikt Hij Zijn discipelen, die dit wilden verhinderen, op de vingers. Hoe is het bij ons? Brengen wij de jonge zielen in het gebed tot onze Heere? Of behoren wij daarentegen tot degenen die hen juist verhinderen om tot Hem te komen?
In vers 16 zien we een jongeman bij de Heere Jezus komen met een groot verlangen: hij wil graag het eeuwige leven bezitten. Zijn vraag was echter slecht gesteld. En dát wil de Heere Zijn bezoeker duidelijk maken. Jij wilt dus goed doen? Prima, hier zijn de geboden! Het antwoord van de jongeman laat ons zien dat hij noch zijn eigen toestand als verloren zondaar, noch zijn onmacht om iets goeds te kunnen doen, inzag. Dan wijst de Heere hem erop, dat er in zijn hart een afgod woont. Zijn rijkdom vormt een verhindering â iets wat bij zoveel mensen in de weg staat â om tot Christus te komen en Hem te volgen!
Nee, het eeuwige leven verkrijgt men niet door goed te doen. En de beste voornemens, ook al bezit je nog zulke goede capaciteiten, kunnen je niet helpen het eeuwige leven te verwerven. Dat leven kun je namelijk niet verdienen! Het is een geschenk dat de Heere Jezus geeft aan hen die Hem volgen (Johannes 10 vers 28).
Deze vraag die de discipelen zo sterk bezighoudt, namelijk: wie de eerste en wie de laatste in het rijk der hemelen zou zijn, wordt geïllustreerd door een nieuwe gelijkenis.
Wij zouden misschien geneigd zijn om partij te kiezen voor de ontevreden arbeiders. Wij zouden de manier waarop zij door hun baas behandeld werden, misschien ook wel onrechtvaardig vinden. Daarom is het goed om wat beter na te denken over dit verhaal. De arbeiders die vroeg in de morgen kwamen, waren het met de "heer des huizes" "eens geworden" (vers 2 en 13). Zij schatten hun werk in op een bepaalde waarde. Zij die later kwamen, lieten het in het volste vertrouwen over aan de "heer des huizes" om zelf te bepalen "wat recht is" (vers 4 en 7). Dat zouden ze niet betreuren!
In het Koninkrijk der hemelen is de beloning nooit een recht. Volgens Lukas 17 vers 10 zijn wij allemaal "onnutte dienstknechten", en niemand is een beloning waardig. Alles hangt af van de grenzeloze genade van God. Zijn de arbeiders die ter elfder ure kwamen, anderzijds, niet het meest benadeeld? Zij hebben immers het overgrote deel van de dag geen gelegenheid gehad om te genieten van de vreugde die het geeft deze goede meester te dienen. En voor ons geldt: de allerbeste Meester is de Heere Jezus! Dienen wij Hem van jongs af aan? Je kunt Hem nooit genoeg, nooit te vroeg en nooit te lang toebehoren!
In deze geschiedenis met betrekking tot de wegen van God, zijn de eerste arbeiders, die het met de meester eens geworden waren, een beeld van Israël onder het verbond. In de arbeiders die ter elfder ure kwamen, mogen we een beeld zien van de volken, als het onderwerp van de genade van God.
De Heere Jezus zoekt hier bij Zijn discipelen naar begrip voor een bijzonder ernstig onderwerp, dat Hemzelf betreft: het lijden en sterven dat Hem te wachten stond in Jeruzalem. En juist dát moment kiest de moeder van Jakobus en Johannes uit, om Hem iets te vragen uit eigenbelang. Ze zou er maar wat trots op geweest zijn, als haar beide zonen een ereplaats zouden mogen innemen in het rijk van de Messias! De tien andere discipelen waren hevig verontwaardigd over zo'n verzoek! Ongetwijfeld niet omdat deze vraag zo zelfzuchtig of ongepast was, maar omdat ze diep in hun eigen hart graag zelf die eerste plaats wilden hebben. Hadden ze dan niets geleerd van alles wat de Heere Jezus tegen hen gezegd had? Hadden ze dan niets begrepen en onthouden van het voorbeeld van dat kind, dat de Heere in hun midden geplaatst had?
Laten we hen niet veroordelen! Hoeveel moeite hebben wij soms zelf met het leren van dezelfde lessen, die ook voor ons gelden! Wat lijken wij toch vaak op de discipelen! Of niet soms?
Daarna gaat de Meester, zonder ook maar één enkel verwijt te maken, met een oneindig geduld verder met Zijn onderwijs. Deze keer ondersteunt Hij de lessen met het voorbeeld van Hemzelf (vers 28) â het Onderwerp van eeuwige aanbidding voor de verlosten!
Terwijl de Heere Jezus Zijn weg naar Jeruzalem vervolgt, geneest Hij bij de poort van Jericho twee blinden. De volharding van deze beiden, maar ook het oneindige erbarmen van de Heere, zijn geweldig om op te merken.
In de eerste drie evangeliën betekenen de doortocht door Jericho en de intocht in Jeruzalem het begin van de laatste etappe van de weg van onze Heiland, hier op aarde. De vervulling van Zacharia 9 vers 9 was opnieuw een bewijs voor Israël, dat het werkelijk de Messias was Die was gekomen om hen op te zoeken. Het was onmogelijk Hem te verwarren met iemand anders, want de volgende kenmerken waren op Hem van toepassing: "rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel". Je zou toch veel eerder denken dat Hij zou komen als een machtig en verheven vorst, die op een paard aan de spits van zijn troepen zijn intrede houdt in de hoofdstad. Maar een nederige en zachtmoedige Koning... dat gaat het menselijk voorstellingsvermogen ver te boven.
Deze karakterkenmerken van genade en zachtmoedigheid vormen voor de Heere op geen enkele wijze een verhindering om toch streng in te grijpen, toen Hij zag dat de rechten van God met voeten getreden werden (vers 12 en verder). Zo moet het ook bij Zijn discipelen zijn. De zachtmoedigheid die hen â en ons! â zou moeten kenmerken, mag de vastbeslotenheid niet uitsluiten (1 Korinthe 15 vers 58).
De aanwezigheid van de Heere Jezus in de tempel heeft verschillende uitwerkingen: in de eerste plaats een zorgvuldige reiniging; tegelijkertijd geneest Hij in genade de zieken die bij Hem komen. Dan horen wij de lof opklinken van de kleine kinderen. En ten slotte zien we de onwil en weerstand van de vijanden van de waarheid.
Op de weg naar Jeruzalem volbrengt de Heere Jezus nog een ander wonder. Deze keer gaat het, bij wijze van uitzondering, niet om een wonder van liefde, maar om een waarschuwing. Het betreft een waarschuwingssignaal voor het oordeel dat over het volk zou komen. Aan de vijgenboom is niets anders dan bladeren te ontdekken! Alle uiterlijke vormen van Godzaligheid zijn aanwezig, maar er is geen enkele vrucht zichtbaar! Dat was de toestand van het volk Israël â en ook die van alle naamchristenen!
Dit wonder biedt de Heere Jezus de gelegenheid Zijn discipelen te herinneren aan de kracht van een gebed in geloof. Daarna gaat Hij weer de tempel binnen, waar de verantwoordelijken onder het volk bij Hem komen en Zijn volmacht aanvechten. Door Zijn vraag maakt de Heere hun duidelijk dat ze Zijn volmacht niet kunnen erkennen, wanneer ze eerder de opdracht van Johannes de Doper ook niet erkend hebben. Net zoals het tweede kind in de gelijkenis (vers 28 - 30), zo gaan de leiders van het volk er openlijk prat op, dat zij de wil van God doen. In werkelijkheid was Hij voor hen echter slechts als een dode letter (Titus 1 vers 16).
Anderen daarentegen, die vroeger bekend stonden als oproerkraaiers en zondaars, hebben wel naar de stem van Johannes geluisterd, berouw getoond en nadien de wil van God vervuld.
Kinderen van gelovige ouders, je loopt het gevaar dat mensen die jij vandaag misschien minacht en op wie je neerziet, je op de weg naar de hemel voorgaan (zie hoofdstuk 20 vers 16). Denk daarom aan je eigen verantwoordelijkheid!
De vreselijke toestand van het volk en hun leiders wordt door een andere gelijkenis nog eens geïllustreerd. God verwacht vrucht van Zijn wijngaard Israël. Hij heeft er alles aan gedaan en niets nagelaten om die in ontvangst te kunnen nemen (vergelijk Jesaja 5 vers 1 en 2). De Joden (en de mensen in het algemeen) hebben echter niet alleen duidelijk hun eigen onmacht getoond, maar hebben ook een geest van opstand en haat ten opzichte van de rechtmatige Eigenaar van alle dingen geopenbaard. Ze hebben Zijn knechten, de profeten, veracht en verworpen. En nu stonden zij zelfs op het punt de Erfgenaam buiten te werpen âen op wat voor manier! â om zodoende zelf de erfenis â dat wil zeggen: de wereld â te verkrijgen (1 Thessalonicenzen 2 vers 15).
De Heere brengt deze mannen ertoe hun eigen oordeel uit te spreken (vers 40 en 41). Daarna laat Hij hen zien dat Hij Zelf de uitverkoren en kostbare Hoeksteen ("Hoofd des hoeks") is, Die God in Israël gesteld heeft. De bouwlieden (de leiders van de Joden) hebben Hem niet gewild (Psalm 118 vers 22 en 23). Nu is Hij zowel tot Hoeksteen van "een geestelijk huis" (de Gemeente) als tot "een Steen des aanstoots" voor hen die ongehoorzaam zijn, geworden (1 Petrus 2 vers 4 - 8). Overeenkomstig deze Schriftplaats is Christus de feitelijke Toetssteen van het geloof. Hij is kostbaar voor God en ons die geloven. Maar door de ongelovige mensen is Hij verworpen en wordt Hij tot "een Steen des aanstoots".
De gelijkenis van de bruiloft van de koningszoon is een aanvulling op die van de slechte wijngaardeniers. Het laat zien wat er, na de verwerping van de Erfgenaam, gebeuren zal. De Joden, die het eerst zijn uitgenodigd, wijzen de genade die hen door de apostelen (de knechten uit vers 3) verkondigd werd, af. Daarna richten de dienstknechten van de Koning zich tot de volken (Handelingen 13 vers 46).
Het zou een eer voor de mensen moeten zijn, door God uitgenodigd te worden. Jij hebt die uitnodigingsbrief op dit moment ook in handen! Maar ach! De reacties die Hij gewoonlijk hierop krijgt, zijn tegenstand en verachting (Hebreeën 2 vers 3). Het is namelijk niet voldoende uitgenodigd te zijn (vers 3). Je moet die uitnodiging ook aannemen en komen, op een wijze die God Zelf voorgeschreven heeft. Dat wil zeggen: gekleed in het "bruiloftskleed", dat is het kleed van de gerechtigheid, waar de Koning Zelf voor zorgt (vergelijk Filippensen 3 vers 9).
De man in vers 11 dacht dat zijn eigen kleding goed genoeg was. Dat is een beeld van hen die menen met hun eigen gerechtigheid in de hemel te kunnen komen; ze sluiten zich aan bij een of andere kerk, maar nemen Christus niet aan als hun persoonlijke Verlosser (hoofdstuk 5 vers 20; Romeinen 10 vers 3 en 4). Zij zullen beschaamd worden en hun definitieve lot is vreselijk!
Doof voor al deze lessen, komen de Farizeeën en Herodianen met een uitgekookte vraag bij de Heere Jezus, om Hem in een val te lokken. Hij herkent echter onmiddellijk de valstrik die achter hun vleiende taal verborgen ligt. En Zijn onverwachte antwoord laat de pijl die Hem had moeten treffen, terugkeren naar hen die hem afgeschoten hebben.
Nu komen de Sadduceeën op de proppen met hun tegenstand en stellen de Heere Jezus een nodeloze vraag. Zij menen dat zij met hun verhaal de opstanding als onzinnig kunnen weerleggen. Voordat de Heere Jezus hun daarop echter het bewijs vanuit de Schriften geeft, richt Hij Zich eerst tot het geweten van deze mannen. Hij laat hun zien dat zij zonder kennis van het Woord discussiëren. Zij baseren zich bij hun uitspraken namelijk op de onzekere (en altijd verkeerde) basis van hun eigen gedachten. Dat doen veel mensen vandaag de dag, vooral de aanhangers van verderfelijke sekten en allerlei andere dwaalleren.
Hoewel zij op grond van de Schrift volkomen verslagen zijn, proberen de vijanden van de waarheid toch nog een aanval te doen (vers 34 - 40). Als antwoord ontvangen zij echter een meesterlijke samenvatting van de gehele wet, dat hen ten slotte zelf veroordeelt.
Nu is het de beurt aan de Heere Jezus om Zijn gesprekspartners een vraag te stellen, waardoor hun de mond gesnoerd wordt.
Hoewel momenteel nog verworpen, zal Hij, Die zowel de Zoon als de Heere van David is, in de toekomst een glorierijke positie innemen. En zij die ondanks alles Zijn vijanden willen blijven, zullen dan de plaats ontvangen die voor hen bestemd is â als voetbank voor Zijn voeten (vers 44).
Het doet verdriet mensen te zien die zo vastbesloten zijn hun eigen weg te volgen dat zij weigeren zich te buigen voor de duidelijke lessen uit de Bijbel (2 Timotheüs 3 vers 8).
De Heere Jezus heeft alle aanvallen van de godsdienstige leiders verijdeld. Nu waarschuwt Hij de discipelen en de volksmenigte voor zulke mannen. Wat zij zeiden dat gedaan moest worden, klopte over het algemeen wel, maar helaas waren hun eigen daden er helemaal niet mee in overeenstemming (zie hoofdstuk 21 vers 30).
Wij die zoveel Bijbelse waarheden geleerd hebben en anderen vaak heel goed op deze dingen weten te wijzen, zijn wij er ook zeker van, dat wij ze zelf in praktijk brengen (Johannes 13 vers 17; Romeinen 2 vers 17 en verder)?
Wat vinden we hier een grote tegenstelling tussen deze leiders en Christus, de enige en ware Meester of Leider (vers 8 en 10; Rabbi betekent namelijk leermeester of leider)! Zij gingen prat op de wet; Hij vervulde die (hoofdstuk 5 vers 17). Zij legden anderen zware en moeilijk te dragen lasten op (vers 4); Hij riep allen die vermoeid en belast waren, tot Zich, om hun rust te geven (hoofdstuk 11 vers 28). Zij kozen de eerste plaatsen voor zichzelf uit (vers 6); Hij heeft echter altijd de laagste plaats ingenomen, vanaf de kribbe tot het kruis. Hij was Dienstknecht, voordat Hij Meester werd (vers 11). Niemand zal ooit hoger verheven worden dan Hij, want niemand heeft zich ooit dieper vernederd dan Hij. Deze Schriftgeleerden en Farizeeën echter, die alleen hun eigen eer zochten, zullen hun ondergang en verderf tegemoet gaan. In plaats van de zaligsprekingen aan het begin van Zijn dienst, moet de Heere Jezus nu zeven maal dat vreselijke woord "wee" tegen deze mannen, die zoveel verantwoordelijkheid droegen, uitspreken.
Met deze heftige woorden veroordeelt de Heere hen die men de 'geestelijkheid' van Israël zou kunnen noemen. Deze blinde leiders waren dubbel schuldig. Ze vormden niet alleen een verhindering voor hun eigen ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar misbruikten hun machtspositie ook om anderen de toegang te beletten (vers 13). Ten opzichte van allerlei kleinigheden waren ze heel spitsvondig, maar ze verwaarloosden de hoofdzaken: het oordeel, de barmhartigheid, het geloof (of de trouw; vers 23). Bovendien misbruikten zij, door hun huichelachtige masker, het vertrouwen van de eenvoudige mensen. Vol verontwaardiging laat de Heere Jezus hun ware gezicht zien: zij zijn "witgepleisterde graven" (van binnen dood), "slangen", moordenaars en zonen van moordenaars (vers 27, 31 en 33).
Voordat de Heere Jezus de tempel verlaat en dit huis, waarin God geen plaats meer had, woest laat liggen, vertelt Hij met aangrijpende woorden over het oordeel dat over Jeruzalem zou komen.
We kunnen er misschien iets van begrijpen, wat deze grote verachting van de aangeboden genade voor Zijn Goddelijk gevoelig hart geweest moet zijn: "gij hebt niet gewild" (vers 37; hoofdstuk 22 vers 3; Hosea 11 vers 7). Wat een vreselijke uitspraak! Zou hij die dit op zekere dag zal moeten horen, ooit God verantwoordelijk kunnen, ja durven stellen, voor het eeuwig ongeluk dat hem dan zal treffen? Het heil in Christus is hem aangeboden â en hij heeft niet gewild.
`Kom tot de Heiland, wacht langer niet! Kom nu tot Hem, Die redding u biedt; Die ook voor u de hemel verliet; hoor naar Zijn roepstem: Kom!'
Met trots laten de discipelen de tempel aan de Heere Jezus zien, de tempel die tot dusver lange tijd standgehouden heeft, maar die spoedig verwoest zou worden! Daarom neemt de Heere Jezus hen apart en legt Hij hun in de hoofdstukken 24 en 25 de volgorde van de profetische gebeurtenissen uit.
Allereerst spreekt Hij tot hun geweten (vers 4), daarna geeft Hij achtereenvolgens antwoord op hun drie vragen: 'Wanneer zal dat zijn?'; vers 15 - 28. Wat is het teken van Uw komst?'; vers 29 - 31. Wat is het teken van de voleinding van de eeuw?'; vers 32 - 51.
Een waarheid moet een morele uitwerking hebben, dus bijvoorbeeld de vrucht voor God of de liefde tot de Heere vermeerderen. Zonder deze uitwerking zal alleen de nieuwsgierigheid gevoed worden, maar het geweten verharden. Hier geldt voor de discipelen dat ze goed op hun hoede moeten zijn. Ze zijn nog kinderen in het geloof. Ze kennen de Vader, Die de Heere Jezus hun geopenbaard heeft (hoofdstuk 11 vers 27; 1 Johannes 2 vers 13), maar ze zijn nog niet bewapend tegen hen die in 1 Johannes 2 vers 18 "vele antichristen" worden genoemd. Met andere woorden: ze zijn nog niet opgewassen tegen de vele verspreiders van dwaalleren, en daarom moeten ze gewaarschuwd worden. Satan probeert de mensen door bedrieglijke imitaties te verleiden (2 Thessalonika 2 vers 9 en 10).
Ook wij zijn gewaarschuwd en daarom hoeven we niet te schrikken (vers 6). En laten we ervoor oppassen dat de liefde tot God en tot onze broeders en zusters niet verkilt.
De dingen die in deze verzen aangekondigd worden, hebben betrekking op Israël en zullen pas na de opname van de Gemeente plaatsvinden. Om echter duidelijk aan te tonen dat ze een gevolg zijn van Zijn verwerping, zoals die in de voorgaande hoofdstukken beschreven werd, richt de Heere Jezus Zich nu tot de discipelen, alsof hun generatie door die vreselijke tijd zou hebben te gaan. In werkelijkheid zullen de christenen van de huidige bedeling (de tijdsperiode van de Gemeente) niet meer op aarde zijn als de Antichrist de volken zal verleiden, de tempel zal verontreinigen (vers 15) en de getrouwen zal vervolgen (vers 16 en verder). Daarom zijn de waarschuwingen en bemoedigingen ook niet direct op ons van toepassing.
De Heere Jezus toont echter een grote belangstelling voor deze omstandigheden die aan Zijn komen in heerlijkheid voorafgaan (vers 30). En Hij denkt met een groot meeleven aan de gelovigen die dan te lijden zullen hebben. Tevens neemt Hij aan dat zij die Hij Zijn "vrienden" noemt, deze belangstelling en dit meeleven met Hem delen (Johannes 15 vers 15). Dat Hij daarover tevoren tot ons spreekt (vers 25), is een teken van groot vertrouwen en liefde van Zijn kant (vergelijk Genesis 18 vers 17). Is dat al niet een reden te meer voor ons, om te proberen deze profetische onderwerpen te begrijpen? Bovendien zijn deze profetieën een bron van nuttige vermaningen voor alle tijden en alle getuigen van de Heere. Wat hebben wij de volgende vermaningen ontzettend hard nodig: volhardt (vers 13); bidt (vers 20); waakt (vers 42)!
De Heere Jezus onderbreekt Zijn profetische beschrijving, om de Zijnen te vermanen waakzaam en tot de dienst bereid te zijn. Het oordeel zal plotseling over de wereld losbreken en zal de ongelovigen en spotters treffen. Maar ook de onverschilligen, de besluitelozen en de kinderen van gelovige ouders die zelf geen kinderen van God zijn, zullen er niet aan ontkomen.
Behoor jij misschien nog tot de laatstgenoemden? De Heere Jezus zegt tegen iedereen: "Daarom, weest ook gij bereid" (vers 44). Neem dan nu, op dit moment, de toevlucht tot de Heere Jezus, voordat het te laat is!
In vers 45 wordt een mooie dienst genoemd, die de dienstknechten mogen volbrengen: in hun eigen omgeving voedsel, het Woord, uitdelen (Handelingen 20 vers 28; 1 Timotheüs 1 vers 12). Daarvoor moet men echter aan twee voorwaarden voldoen. Ten eerste moet men getrouw zijn in het kennen van het Woord en daar niet van afwijken. Ten tweede moet men wijsheid bezitten om het Woord toe te passen, al naar gelang de behoefte en de omstandigheden van de ander.
In de grote christenheid zijn er echter ook slechte knechten. Zij hebben streng over de zielen geheerst; zij zijn zich te buiten gegaan aan het vermaak van de wereld (vergelijk 1 Thessalonicenzen 5 vers 7 en verder). En waarom? Diep in hun binnenste geloven ze niet in de wederkomst van de Meester. De dienstknecht van Christus kan namelijk alleen trouw en wijs zijn wanneer hij een blij geheim bewaart: elke dag de Heere te verwachten. "Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen", roept de Psalmist uit (Psalm 130 vers 6).
Wanneer, naar Oosters gebruik, een bruidegom 's nachts op weg ging naar de bruiloft, werd hij door jonge meisjes, vriendinnen van de bruid, begeleid met lampen (vergelijk Psalm 45 vers 10 - 15). De Heere Jezus gebruikte dit prachtige beeld om ons te laten zien op welke wijze Hij, de hemelse Bruidegom, verwacht zou moeten worden. Helaas is de christenheid als geheel moe geworden van het wachten. Ze is door de geestelijke slaap overvallen en dat heeft al eeuwen geduurd. Het was nodig dat er een moment in de geschiedenis van de Kerk kwam, terecht een opwekking genoemd, dat deze middernachtsroep weerklonk: "Ziet, de Bruidegom komt!" (vers 6). De Heere Jezus komt terug! Zie Hem!
Ten gevolge daarvan werd het verschil zichtbaar: de wijze maagden hadden olie in hun lampen. Zo zijn de ware gelovigen bereid voor de komst van hun Heere en hun licht, dat van de Heilige Geest, kan schijnen in de nacht van deze wereld. Anderen mensen, waarvan de dwaze maagden spreken, zijn zij die misschien wel toegeven de Heere te verwachten, maar Zijn leven niet bezitten. Zij droegen ten onrechte de prachtige naam 'christen'. Wat een vreselijke vergissing en wat een afschuwelijk ontwaken!
Laat iedereen zich toch afvragen, zo lang het nog kan en er nog tijd voor is: 'Zit er olie in mijn lamp? Ben ik bereid voor de komst van de Heere?' (Romeinen 8 vers 9).
De gelijkenis van de tien maagden heeft betrekking op het verwachten van de komst van de Heere.
De gelijkenis van de talenten belicht de kant van het dienen. Het leven van de christen, na zijn bekering, draagt twee kenmerken: "de levende en waarachtige God te dienen" en "Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten" (1 Thessalonicenzen 1 vers 9 en 10). De Heere verwachten betekent niet dat je de handen in de schoot kunt leggen totdat Hij komt. Integendeel, elke verloste heeft het voorrecht voor Hem te kunnen werken. De gelovige heeft voor dit doel een aantal talenten ontvangen, waarvoor hij zelf verantwoordelijk is ze ook winstgevend te gebruiken. Daarbij mogen we denken aan: gezondheid, geheugen, verstand, vrije tijd, materiële goederen, enzovoort. Bovenal bezit de gelovige het Goddelijke Woord, dat hem voorziet van de nodige kennis (1 Korinthe 2 vers 12).
Beste vrienden, zelfs wanneer wij gered zijn, kunnen we toch in meer of mindere mate lijken op die "boze en luie dienstknecht". Zijn we er zeker van, dat we niet uit zelfzucht, luiheid of onoprechtheid de één of andere gave, die de Heere toebehoort, weggestopt hebben? Ja, wat hebben wij Hem te geven, wanneer Hij komt? Zal Hij ons in Zijn vreugde kunnen laten ingaan, in de vreugde van het volbrachte werk en de bevredigde liefde, in de vreugde die voor Hem lag (zie Hebreeën 12 vers 2)?
Laten we eraan denken dat de eerste beide knechten dezelfde beloning krijgen. Wat voor de Heere telt, zijn niet zo zeer de successen (die altijd klein zijn), maar veel meer de getrouwheid!
In vers 31 wordt het verloop van de profetie die wij in vers 30 en 31 van hoofdstuk 24 verlaten hadden, weer opgepakt, dus op het punt van de komst van de Heere in heerlijkheid voor Zijn aardse volk. Voor de mensen uit de overige volken, die in die tijd op aarde zullen leven (vers 32), heeft dan het uur van beloning of bestraffing geslagen. En waardoor dit onderscheid aangebracht wordt? Dat is de manier waarop zij de gezanten van de Koning (Zijn broeders â hier de Joden â vers 40) opgenomen hebben, toen deze hun het evangelie van het rijk verkondigden (hoofdstuk 24 vers 14).
Sommige mensen willen deze gelijkenis nog wel eens gebruiken als grondslag voor hun leer van verlossing door werken. Maar het is duidelijk dat wij ons hier in dit gedeelte niet in de tijd van de Gemeente en het christelijk geloof, in de eigenlijke zin, bevinden.
Ook al moeten we de vraag met betrekking tot het heil hier dan achterwege laten, toch bevat de uitleg van de Koning rijke lessen voor ons christenen. Wanneer de Heere Jezus vandaag hier op aarde zou zijn, welke ijver zouden wij dan aan de dag leggen om Hem te ontvangen, te dienen, en de kleinste wens van Hem te vervullen? Ook al is Hij nu niet meer lichamelijk aanwezig, toch geeft Hij ons ook nu elke dag de gelegenheid ijver voor Hem te tonen! Iemand bijspringen, gastvrij zijn, bezoeken maken, en noem maar op, ja alles wat wij uit liefde voor iemand anders doen, doen wij in eerste instantie voor Hem (vergelijk Johannes 13 vers 20; 1 Korinthe 12 vers 12)! Anderzijds weigeren we de Heere iets, wanneer wij nalaten iets voor een ander te doen.
De Heere Jezus heeft Zijn onderwijs beëindigd. Nu zullen de laatste gebeurtenissen in vervulling gaan. Terwijl Zijn tegenstanders in Jeruzalem beraadslagen (vers 3 - 5), speelt zich in Bethanië een heel andere gebeurtenis af.
Verworpen en gehaat door de groten van Zijn volk, wordt de Heere Jezus door de eenvoudige getrouwen aangenomen. Door hen wordt Hij geliefd en, we mogen gerust zeggen, is er aanbidding, hetgeen Hem ook toekomt! Hij heeft geen plaats meer in de tempel, maar wordt in het huis van Simon, de melaatse, opgenomen. Het koningschap is Hem geweigerd, maar "een albasten fles met zeer kostbare zalf" wordt op Zijn hoofd leeggegoten, hetgeen een beeld is van de koninklijke zalving (vers 7). Deze vrouw erkent en eert de Messias van Israël. "Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk" (Hooglied 1 vers 12). Alleen de Heere begrijpt en waardeert haar handeling. Maar dat is voldoende! Als Hij er een welgevallen in heeft, heeft niemand anders het recht zich te ergeren aan deze
vrouw.
Met vers 14 gaan we weer over tot een ontzettend trieste en donkere gebeurtenis. De verrader Judas, die zojuist nog de geur van de zalfolie ingeademd had, volvoert hier zijn schandalige daad en krijgt daarvoor zijn beloning. "Dertig zilveren penningen" is de prijs die voor een slaaf betaald werd (vers 15; Exodus 21 vers 32), maar de profeet Zacharia noemt het â niet zonder hoon â "een heerlijke prijs", omdat het spreekt van de waarde waarop de Zoon van God geschat zou worden (Zacharia 11 vers 13).
Misschien kunnen we ons er een voorstelling van maken, welke gevoelens de Heere Jezus gehad moet hebben toen Hij samen met Zijn discipelen dit pascha at. Het was namelijk een beeld van wat Hij in werkelijkheid zou zijn. Nog een klein poosje en het heilige Paaslam zou geslacht worden (1 Korinthe 5 vers 7). Toch was het Hem Zijn grootste wens (Lukas 22 vers 15), Zijn discipelen een heel bijzonder teken van Zijn liefde te geven. Sinds die gedenkwaardige nacht van de uittocht uit Egypte werd er elk jaar door het pascha een voorbeeld gegeven van een toekomstig werk. Voortaan zou het avondmaal op elke eerste dag van de week de gelovigen eraan herinneren dat dit werk volbracht is. Elke keer opnieuw wanneer wij het avondmaal vieren, verkondigen wij de dood van de Heere, totdat Hij komt (1 Korinthe 11 vers 26).
Nadat de Heere Jezus het brood uitgedeeld had aan de Zijnen, geeft Hij hun ook de beker en zegt: "Drinkt allen daaruit" (vers 27). Ja, Hij wil dat ieder van hen, samen met Hem, deelneemt aan deze maaltijd der liefde (behalve Judas, die al weggegaan was; Johannes 13 vers 30). Zijn zij waardig dat te doen? Petrus zal Hem verloochenen; alle anderen zullen vluchten. Desondanks zegt de Heere Jezus tegen hen â en Hij zegt het nu nog steeds tegen Zijn verlosten: "Drinkt allen daaruit". Dan vertelt Hij hen over de onmetelijke waarde van Zijn bloed, "dat voor velen vergoten wordt, tot vergeving der zonden" (vers 28).
Beste lezer, behoort u tot die "velen"? Als dat zo is, wat is
dan uw antwoord op de wens die de Heere Jezus tot uitâ
drukking gebracht heeft (vergelijk Psalm 116 vers 12 - 14)?
Vol zelfvertrouwen heeft Petrus gezegd dat hij bereid is om samen met de Heere Jezus te sterven. We zullen zien dat zijn belofte niet lang standhield.
Dan gaat de Heere Jezus, nadat Hij Zijn discipelen ingescherpt heeft met Hem te waken en te bidden, alleen verder deze tuin in, die tuin waarin Hij het hoogste bewijs van Zijn overgave aan de wil van de Vader zou geven. Deze wil, die voor de Zoon altijd een lust was om te doen, hield een tweevoudige en vreselijke consequentie in. Ten eerste betekende dit voor Hem dat Hij van God verlaten zou zijn â hetgeen een grote smart voor het hart van Zijn veelgeliefde was. En ten tweede zou Hij de zonden moeten dragen, met als loon: de dood â hetgeen ontzettend beangstigend was voor deze volmaakte Mens. Daarom werd Hij zo uitermate bedroefd en beangst (vers 37). O, Hij is Zich ervan bewust wat de vreselijke weg van het kruis allemaal met zich meebrengt. En satan doet op dat moment alle moeite Hem hiervan af te brengen. De Heere Jezus neemt de kelk echter uit de hand van Zijn Vader aan en zegt: "Uw wil geschiede" (vers 42).
In Zijn grote genade heeft God het ons vergund om deze strijd van de Verlosser 'bij te wonen' en Zijn ernstig en smartelijk gebed te horen. O, dat wij er toch voor bewaard mogen blijven ten opzichte van Zijn lijden in te slapen en onverschillig in het hart te worden, zoals die drie discipelen, die zo nauw met Hem verbonden waren. Dat het toch meer tot diep in onze harten zou mogen doordringen en dat het ons meer tot dankbaarheid en aanbidding mag brengen.
Eén van de discipelen heeft niet geslapen zoals de anderen en dat was Judas. Nu komt hij aan de spits van een dreigende schare naar de Heere Jezus toe, om Hem te grijpen. Welk teken heeft deze ellendige man uitgekozen om zijn Meester te verraden? Een huichelachtige kus! "Vriend", antwoordt de Heere Jezus hem, "waartoe zijt gij hier?" (vers 50). Dat was een laatste vraag aan de ongelukkige Judas, om zijn hart te doorgronden. Maar het is te laat voor deze "zoon van de verderfenis" (Johannes 17 vers 12). Deze pijlen voor het geweten (zie ook vers 55) zijn de enige 'verdedigingsmiddelen' van Hem, Die Zichzelf overgeeft.
De discipelen staan machteloos. Tegelijkertijd staan Hem echter twaalf legioenen van engelen ter beschikking. Ze staan klaar om op Zijn verzoek aan de Vader in te grijpen. De hele macht van God staat Hem ter beschikking, wanneer Hij er gebruik van zou willen maken. Maar Zijn uur is gekomen. Hij is helemaal niet van plan Zich terug te trekken of Zich te verdedigen. Integendeel zelfs, Hij weerhoudt de arm van Zijn voorbarige discipel, deze discipel die korte tijd later zijn ware moed laat zien, door te vluchten met zijn metgezellen.
De Schriftgeleerden en ouderlingen waren inmiddels al, midden in de nacht, in het paleis van de Hogepriester samengekomen, om daar de hoogste ongerechtigheid ten uitvoer te brengen (Psalm 94 vers 21).
De leiders van het volk hebben de Heere Jezus in hun macht gekregen. Het ontbreekt hen echter aan een geldige reden om Hem te kunnen veroordelen. In de volmaakte Mens is namelijk geen enkel aanknopingspunt te vinden voor hun aanklachten. Daarom zien zij zich gedwongen om een "vals getuigenis" tegen Hem op te stellen (Psalm 27 vers 12; Psalm 35 vers 11 en 12). En zelfs dat is uitermate moeilijk, want het moet immers toch de schijn van waarheid hebben. Uiteindelijk komen er twee getuigen naar voren, met een uitspraak die zij verdraaid hebben (vergelijk vers 61 met Johannes 2 vers 19). Wat als een voorwendsel voor Zijn veroordeling moet dienen, is Zijn plechtige verklaring dat Hij de Zoon van God is, Die bestemd is om in macht en heerlijkheid te komen! Het doodvonnis wordt geveld. En onmiddellijk daarop laten de mensen hun ruwheid en gemeenheid de vrije loop (vers 67 en 68). Het eerste deel van hetgeen de Heere Jezus meerdere keren aan de Zijnen voorzegd heeft, is in vervulling gegaan (hoofdstuk 16 vers 21; 17 vers 22; 20 vers 18 en 19).
Ook voor Petrus zijn dit donkere ogenblikken in zijn leven, maar wel om een heel andere reden. Satan, die de Meester niet kon doen wankelen, lukt het om nu de discipel te laten struikelen. Tot drie maal toe verloochent de arme Petrus Hem, tegen Wie hij gezegd had dat hij voor Hem zou willen sterven. Om de anderen te misleiden, komt Petrus er nu zelfs toe om harde uitdrukkingen te gebruiken. Zonder dat hij het zich bewust was, had men hem echter eerder al aan zijn spraakgebruik herkend als een discipel van de Heere Jezus.
Langzamerhand wordt het dag, een dag zoals er geen tweede in de geschiedenis van deze aarde en in de eeuwigheid zal bestaan! Als het licht begint te worden, zijn de overpriesters en de ouderlingen bezig met het vastleggen van het vonnis waartoe zij besloten hadden. Op dat moment komt er echter iemand bij hen binnen die zij maar al te goed kennen. Het is de verrader, aan wie zij het te danken hebben dat zij hun doel nu eindelijk bereikt hebben. Wat wil hij? Judas bevestigt de onschuld van zijn Meester, en omdat hij geplaagd wordt door zijn geweten, brengt hij het geld terug. De anderen zeggen dat het zijn eigen zaak is en niet de hunne. Ze hebben geen enkel medelijden met hem. Daarna gaat deze ellendige man naar buiten en berooft zich van het leven. Hij verliest zijn leven, zijn ziel en zelfs het geld waarvoor hij zijn leven en ziel verkocht had.
De overpriesters hadden, zonder te aarzelen, onschuldig bloed gekocht. Nu het er echter om ging de prijs die zij voor dit bloed betaald hadden, in de offerkist te werpen, voelden ze zich bezwaard in hun geweten!
De Heere Jezus werd voor Pilatus, de stadhouder, gebracht. Het zou voor Hem niet moeilijk geweest zijn om bij deze Romeinse ambtenaar steun te vinden tegen de haat van Zijn volk. Hij antwoordt echter alleen om Zijn titel als Koning van de Joden te bevestigen, verder zwijgt Hij. "Als een schaap, dat stom is voor het aangezicht van zijn scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open" (Jesaja 53 vers 7; vergelijk vers 12,14 en hoofdstuk 26 vers 63).
Pilatus verkeert in grote verlegenheid tegenover de Aangeklaagde, Die de leiders van de Joden bij hem gebracht hebben. Nooit eerder heeft hij een zaak als deze moeten behandelen; nooit eerder heeft hij met iemand te doen gekregen als Hij. En een tweevoudig getuigenis â dat van zijn vrouw (vers 19) en van zijn eigen geweten (vers 24) â overtuigt hem ervan, dat hij met een Rechtvaardige te doen heeft. Bovendien weet hij van de verdorvenheid van hen die Hem uit afgunst hebben overgeleverd (vers 18). Wat moet hij doen? Het is zeker dat hij een onrechtmatigheid begaat als hij Hem veroordeelt. Laat hij Hem echter vrij, dan zal dat zeer zeker zijn geliefdheid niet ten goede komen. Door de symbolische handeling van het wassen van de handen (maar niet van zijn geweten!) wentelt hij de verantwoording af op het volk. En omdat dit volk verblind is, neemt het deze verantwoording op zich.
Achter deze volksmenigte, die gedreven wordt door de laagste instincten, en achter hun leiders, die hen daartoe opstoken, gaat satan verder met zijn werk van haat. Maar God gaat ook verder met Zijn werk! Een werk van genade en heil!
De Heere Jezus is nu overgeleverd in de handen van de ruwe soldaten. Voordat zij Hem wegleiden om Hem te kruisigen, doen ze Hem spottend een purperen mantel om, hetgeen een koninklijk kleed moet voorstellen. Er zal echter een dag komen dat de Heere voor de ogen van allen werkelijk in Zijn grote majesteit zal verschijnen als de Koning der koningen. En eens zal Hij Zijn machtige hand, de hand die destijds de rietstok vasthield, in het oordeel opheffen tegen Zijn vijanden (vergelijk vers 29 met Psalm 21 vers 4, 6 en 9).
De Heere Jezus wordt vervolgens vanuit het Pretorium naar Golgotha gebracht. Simon van Cyréne wordt gedwongen om Zijn kruis te dragen. Hijzelf neemt echter vrijwillig een andere, onvergelijkbaar zware last op Zich: de last van onze zonden, die niemand anders in Zijn plaats op zich kon nemen. Hij wordt gekruisigd tussen twee misdadigers. "Zijn beschuldiging" bovenaan het kruis is in werkelijkheid een aanklacht tegen het volk dat zijn Koning kruisigt. Aan de korte boodschap in dit Schriftgedeelte worden verder geen details toegevoegd. De mensen zouden dit echter maar wat graag gedaan hebben, om de gevoelens nog meer te prikkelen. Uit de onopgesmukte taal van de Geest kunnen we echter heel goed opmaken, dat de veelgeliefde Verlosser geen enkel leed bespaard bleef. De lichamelijke pijnen bij een kruisiging zijn vreselijk. Voor de Heere Jezus was de grote smart voor Zijn ziel echter nog vele malen erger.
De spotters daagden de Heere Jezus uit, door Zijn macht om Zichzelf te kunnen bevrijden, in twijfel te trekken (vers 40). (Maar bleef Hij niet juist aan het kruis, om anderen te kunnen redden?) God wordt uitgedaagd, door Zijn liefde tot Christus in twijfel te trekken. Wat moet de Heere Jezus dit alles als een grote smaad ervaren hebben (vers 43; Psalm 69 vers 10). Het ergste lijden voor Hem was echter het verlaten worden door God Zelf, in de drie uren van duisternis. God moest Zijn aangezicht afwenden, toen de Heere Jezus uw en mijn zonden verzoende.
`Met doornen gekroond, bespot en gehoond, droeg Christus aan 't kruis onze zonden.
Hij heeft in 't gericht het volle gewicht van 't Goddelijk recht ondervonden.
Onpeilbare smart vervulde Zijn hart, toen Hij door Zijn God werd verlaten.'
Het verzoeningswerk is volbracht; de overwinning is behaald! Met luid triomfgeroep is Christus in de dood gegaan. God geeft onmiddellijk Zelf verschillende bewijzen van deze overwinning. Hij scheurt de voorhang van de tempel "van boven tot beneden" (vers 51) en heeft daardoor "de nieuwe en levende weg" ingewijd, waardoor de mens voortaan met "vrijmoedigheid" in Zijn tegenwoordigheid mag en kan verkeren (Hebreeën 10 vers 19 - 21). Vervolgens opent Hij de graven, en de overwonnen dood moet veel van zijn gevangenen loslaten.
Vervolgens waakt God over de eer die Zijn Zoon toekomt. In overeenstemming met de profetie wordt het lichaam van de Heere Jezus in het graf van een rijke, Godvrezende man gelegd, iemand die uiterst zorgvuldig omgaat met Zijn begrafenis (Jesaja 53 vers 9). Enkele vrouwen, die de Heere toegewijd waren, zijn bij deze begrafenis aanwezig. Vol liefde wordt Hij, Die door haat gekruisigd werd, in het graf gelegd. Vanaf het begin tot aan het eind van dit evangelie zien we dat de verbitterde haat van de mensen tegen de Heere Jezus niet is afgenomen. Bij Zijn kribbe kwam deze haat van Herodes al duidelijk naar voren. En deze haat vervolgde Hem tot in het graf, dat de leiders van de Joden zorgvuldig lieten verzegelen en bewaken. De soldaten, de verzegeling, de steen... al deze voorzorgsmaatregelen waren echter tevergeefs! In werkelijkheid wordt de opstanding er alleen maar des te duidelijker door kenbaar gemaakt.
Het is verdrietig te moeten constateren dat de vijanden van de Heere Jezus wel dachten aan de woorden van de Heere, die Zijn eigen discipelen blijkbaar vergeten waren (vers 63)!
Hier lezen we over de triomferende opstandingsmorgen! Door de opstanding van de Heere Jezus geeft God de volmaaktheid van het offer en Zijn volledige bevrediging in het volbrachte werk weer.
De wachters bij het graf kunnen zich niet verweren tegen deze geweldige en wonderbare gebeurtenis. Ze zijn hierdoor juist tot onvrijwillige â en ontstelde â getuigen geworden (Psalm 48 vers 6). De volkomen verharde overpriesters kopen echter het geweten van deze mannen om, net zoals zij eerder bij Judas gedaan hadden.
De vrouwen bij het graf horen de boodschap van de engel. Met een hart vol vrees en vreugde gaan ze er vervolgens gauw op uit om dit bericht aan anderen door te geven. En dan... ontmoeten zij de Heere Jezus Zelf!
Vervolgens verschijnt de Heere Jezus ook aan Zijn elf discipelen en wel op de plaats die Hij met hen in Galilea afgesproken had. Hij geeft hun dan een opdracht om eropuit te gaan (vers 19 en 20), een opdracht die des te belangrijker is omdat het Zijn laatste wil betreft.
Er zijn twee dingen die ook wij niet mogen vergeten. Enerzijds, dat wij de verantwoording hebben om ook getuigen te zijn van het evangelie. En anderzijds dat ook wij hebben te bewaren, wat Hij ons in Zijn Woord heeft geboden (vers 20). De Heere Jezus geeft Zijn discipelen echter ook nog een belofte! En die geldt ook voor elke verloste en voor alle tijden: "Ik ben met u al de dagen".
Dit evangelie van de Emmanuël â dat is: 'God met ons' (hoofdstuk 1 vers 23) â wordt hiermee op dezelfde wijze besloten als het ook is begonnen.
Het Boek Jeremia brengt ons terug naar de tijd van de laatste koningen van Juda, voor de gevangenschap. Het verschijnen van een profeet is altijd een teken van de slechte toestand van het volk Israël, maar ook een bewijs van Gods genade. De HEERE had deze jonge priester al voor zijn geboorte afgezonderd voor de dienst waarvoor Hij hem bestemd had (vergelijk Galaten 1 vers 15).
Jeremia is schuchter en z'n eerste reactie is dan ook dat hij tegen de roepstem van God in gaat: "Ik ben jong". "Zeg dat niet!", zegt God tegen hem. "Het gaat niet om jouw capaciteiten, waartoe jij meent wel of niet in staat te zijn, je hoeft immers niets anders te doen of te zeggen dan wat Ik je gebied!" Deze zelfde gedachte kwam ook bij de apostel Paulus naar voren, toen de Heere tegen hem zei: "Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2 Korinthe 12 vers 9).
Om Zijn jonge boodschapper te bemoedigen, laat God hem echter twee opmerkelijke dingen zien. Ten eerste de amandelroede (de 'waakzame' boom), die ons herinnert aan de staf van Aäron, die destijds uitgelopen was, gebloeid en amandelen voortgebracht had (Numeri 17 vers 8). Door dit beeld wordt het besluit van de waakzame en trouwe God duidelijk bevestigd. Gods besluit staat vast en zal ten uitvoer gebracht worden.
Daarom was het nodig haast te maken. Het volk moet dringend gewaarschuwd en tot bekering opgeroepen worden, want de kokende pot (het tweede beeld) geeft aan dat de bedreiging voor de deur staat. De vijand uit het noorden is in aantocht. Wat een moeilijke opdracht! Maar Jeremia ontvangt kracht van Boven (vers 18) door de belofte: "Ik ben met u" (vers 19; zie ook hoofdstuk 15 vers 20).
De eerste woorden die God in de mond van Jeremia legt, zijn bedoeld om het hart van Zijn vergeetachtig volk terug te winnen.
Herkennen we hierin niet een getrouw beeld van ons eigen hart? Het is alsof de Heere ook ons heel lieflijk vraagt: "Herinner je je nog die gelukkige tijd, die op je bekering volgde? Hoe je toen brandde van ijver en hoe dankbaar je was? Natuurlijk ging je wandel door deze wereld als door een woestijn, 'in onbezaaid land'. Maar je had toen genoeg aan Mij! Misschien ben jij deze tijd vergeten, maar Ik weet het nog heel goed! Want Ik had een welgevallen in jouw toegenegenheid voor Mij en verheugde Mij in je eerste liefde" (Openbaring 2 vers 4).
Helaas moet God echter zeggen: "Nochtans heeft Mijn volk zijn Eer veranderd in hetgeen geen nut doet" (vers 11; zie ook het eind van vers 8). Voor allen die zich op dit moment ook van de Heere verwijderd hebben, willen we zeggen: "Wees eens eerlijk! Wat heeft het je opgeleverd? Wat heeft het voor nut gehad? Hij is 'de Springader van het levende water'! Wat een dwaasheid om Hem te verlaten en zichzelf 'bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden'! Of om naar de rivieren van Egypte en Assur te gaan (beelden van de wereld) om daar water te drinken."
De Heere zegt heel duidelijk: "Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorsten", maar wie drinkt van het water dat de Heere Jezus geeft, zal tot in eeuwigheid geen dorst meer hebben (Johannes 4 vers 10, 13 en 14).
Het verlaten van de eerste liefde is altijd het startpunt âook al is het eerst nog verborgen â van veel ander kwaad. God had Israël uit Egypte geroepen, opdat men Hem zou dienen (Exodus 4 vers 23). En hier horen we dit volk op een onbeschaamde manier de woorden uitspreken: "Ik zal niet dienen" (vers 20; vergelijk dit met het voorbeeld van de voornaamsten onder de Thekoieten in Nehemia 3 vers 5).
Maar helaas antwoorden ook veel christenen van vandaag Hem Die hen verlost heeft, op dezelfde verdrietige manier, ook al wagen ze het misschien nog niet om dit zo duidelijk onder woorden te brengen! We kunnen hen echter alleen maar zeggen dat ze zichzelf bedriegen, want het is onmogelijk geen enkele meester te dienen. Weigeren om de Heere gehoorzaam te zijn, betekent dat men direct vervalt in afgodendienst (vers 28).
Dit volk ging in hun opstand tegen de HEERE echter nog verder en keerde Hem zelfs opzettelijk de rug toe (vers 27). Door middel van de ergste ondankbaarheid heeft men Hem vergeten Die alleen maar goeds aan hen heeft bewezen (vers 32). Arm volk! God probeert hen de ogen te openen. Hij roept hen op om terug te keren en te letten op de kromme wegen die ze hebben achtergelaten (vers 23; zie hoofdstuk 14 vers 10).
Beste gelovige vrienden, ook voor ons is het soms nodig ons standpunt te bepalen en eens na te denken over de wegen die we gegaan zijn. Hoeveel misstappen, omwegen en doodlopende wegen ontdekken we dan! We zijn vaak 'verdwaald' omdat we niet eenvoudig de rechte en gemakkelijke weg van de wil van de Heere wilden volgen!
Hoofdstuk 3 laat Israël zien als een ontrouwe bruid, die de banden die haar met de HEERE, haar Bruidegom, verenigden, vergeten is. En op deze weg van ongerechtigheid is Juda nog verder gegaan, nog verder dan de tien stammen van Israël. Juda voegde aan deze ontrouw bovendien nog valsheid toe, dat wil zeggen verraad, dat door huichelarij nog erger gemaakt werd. Toch bevinden we ons hier, geschiedkundig gezien, in de regeringsperiode van de vrome koning Josia. Het hart van het volk is hun koning echter niet oprecht nagevolgd in de weg waartoe hij zelf het voorbeeld gaf (zie vers 10 en 2 Kronieken 34 vers 33). Ogenschijnlijk keerde Juda terug tot zijn God. De schijn werd hoog gehouden en dat is een valsheid die in de ogen van God nog veel erger is dan Hem gewoonweg verlaten!
Hoe aangrijpend zijn de oproepen: "Bekeer u", "Bekeert u, gij afkerige kinderen"; "Ik ben goedertieren en zal jullie genezen" (vers 12, 14; hoofdstuk 4 vers 1)!
Hoeveel tijd, hoeveel eeuwen liggen er echter in vers 22 tussen de oproep van God en het antwoord van het volk, want op dit antwoord wacht God vandaag de dag nog steeds!
"Want ik heb u toebereid (of: verloofd), om u als een reine maagd aan een Man voor te stellen, namelijk aan Christus", schrijft Paulus aan de Korinthiërs (2 Korinthe 11 vers 2). Zo'n innige verbinding met de Heere vraagt om ongedeelde harten! De Gemeente, de Bruid van Christus, is nog meer bevoorrecht dan Israël; zij heeft als het onderwerp van zo'n grote liefde een nog grotere verantwoordelijkheid om de genegenheden van het hart alleen voor Hem te bewaren!
Ondanks hun prachtige geloofsbelijdenis had men in Jeruzalem moeite om iemand te vinden "die recht doet, die waarheid zoekt" (vers 1; zie ook Ezechiël 22 vers 30). De God van alle barmhartigheid zou bereid geweest zijn om ter wille van één enkel rechtvaardig mens deze schuldige stad te vergeven (vers 1; vergelijk Genesis 18 vers 23 en verder). Helaas werd deze trouwe mens die God welgevallig was, niet gevonden, noch onder het gewone volk, noch onder de groten die meer geleerd en daarom meer verantwoordelijk waren (vergelijk Psalm 62 vers 10). Het eind van het hoofdstuk, maar in feite de hele geschiedenis van Jeremia, laat dit duidelijk zien.
"Voorzeker, deze zijn arm; zij handelen dwaas" (vers 4). Is dit ook niet van toepassing op het overgrote deel van de mensheid, die vandaag onbewust het verderf tegemoet gaat?
Tevergeefs heeft God Zijn volk getuchtigd. "Zij hebben geen pijn gevoeld... zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen..." (vers 3; Zefanja 3 vers 2). Wat kan een arts beginnen als de patiënt weigert de medicijnen in te nemen, met de smoes dat hem niets mankeert? Laten we ons toch nooit aan de noodzakelijke tucht onttrekken! O, dat we toch altijd een fijngevoelig geweten hebben voor hetgeen de Heere ons daardoor wil zeggen!
Zo niet, "wat zult gij aan het einde ervan maken?", vraagt de profeet (vers 31).
Van lieverlee is de toon waarop de profeet spreekt, anders geworden. Na de taal van de Goddelijke liefde volgt die van de toom. De Heere maakt Zich als het ware gereed om Zijn volk met het oordeel te 'bezoeken' (vers 6 en 15; Jesaja 10 vers 3). Hij zal daarbij gebruik maken van een vijand die uit het noorden komt (vers 22), zoals in het beeld van de kokende pot in hoofdstuk 1 al werd aangekondigd, om zijn vreselijke inhoud uit te gieten en het land Israël te overstromen. Maar tussen deze straffen in wordt als het ware opnieuw een oproep van genade geschoven. Laten we ernaar luisteren, want het geldt ook voor een ieder van ons! "Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel" (vers 16; hoofdstuk 7 vers 23). Deze oude paden van trouw en afzondering van de wereld zijn niet de gemakkelijkste; soms wandel je helemaal alleen op die wegen. Maar het zijn wel de veilige wegen van vroeger, aangewezen en beproefd door hen die ons voorgegaan zijn. Het zijn paden van kracht, overvloeiende van geluk, waar â ondanks het feit dat ze door dorre plaatsen gaan â toch alles vrede is.
Laten we onszelf toch niet toestaan om bredere en voor het oog aangenamere wegen te kiezen. Laten we juist zorgvuldig zoeken naar "de goede weg", "het spoor der gerechtigheid" (Psalm 23 vers 3) en van de waarheid. We hebben een Gids gekregen waarin we dit spoor kunnen vinden: het Woord van God! Wandel op die ene weg!
God stuurt Jeremia naar de poort van de tempel, om daar een ernstige toespraak te houden. Want ondanks hun opstandige toestand, beroemde het volk van Jeruzalem zich er luidkeels op "des HEEREN tempel" te bezitten. En men ging door met de uitoefening van de godsdienst, zij het dan ook voor de vorm. Gewoonweg weerzinwekkend! Maakte niet juist Hij Die in de tempel woonde, deze zo waardevol (Mattheus 23 vers 21)? Zij verloochenden Hem echter door hun boze daden, waarvan we in vers 9 een vreselijke opsomming vinden. Bijna de hele wet van God werd met voeten getreden en desondanks vreesden zij niet om in Zijn huis, voor het aangezicht van God, te verschijnen (vers 10). Ze maakten er "een spelonk der moordenaars", een rovershol van (vers 11), zoals de Heere Jezus dat ook aanhaalde. Ze verontreinigden het door "al deze gruwelen te doen" (vers 10).
De belijdende christenheid toont vandaag de dag eveneens twee gezichten. Aan de ene kant worden uiterlijke vormen in acht genomen, maar aan de andere kant is er het tragische gemis van innerlijk leven (Openbaring 3 vers 1). En als wij niet waakzaam zijn, bestaat dit gevaar ook voor een ieder van ons, het gevaar dat we ons met een bepaalde vorm van godzaligheid tevreden stellen en de kracht daarvan, de liefde tot de Heere, verloochenen (2 Timotheüs 3 vers 5). God wil oprechtheid zien in ons leven! Hij wordt in hoge mate beledigd wanneer wij verbindingen willen onderhouden met Hem zonder ons eerst van het kwaad te hebben afgezonderd!
Lange tijd heeft God gesproken en het volk weigerde om te luisteren. Nu is Hij het Die weigert om nog te luisteren, zelfs naar het gebed van de profeet (vers 16).
Hoofdstuk 5 vers 3 heeft ons laten zien dat Israël de slagen waarmee de HEERE het moest slaan, niet eens meer voelde. Hier zien we dat de verantwoordelijke personen hun wonden "op het lichtst" verbinden en doen alsof er vrede is, een vrede die God hen niet meer kon geven (vers 11; hoofdstuk 6 vers 14). En toch stond hen de 'balsem van Gilead' (de genade) ter beschikking, evenals de trouwe "Heelmeester" Die dit medicijn weet toe te passen (vers 22; vergelijk Mattheüs 9 vers 12).
We vinden hier een belangrijke les voor de gelovigen die door God getuchtigd worden. Wanneer wij de, voor ons zo noodzakelijke, beproevingen uit de hand van de Heere aannemen, laten we Hém dan ook onze wonden laten verbinden, wonden die Hij toegelaten heeft (Job 5 vers 18). Laten we nooit proberen ze door eigen hulpmiddelen een beetje oppervlakkig te genezen!
De profeet voegt er in vers 12 aan toe: "Zij schamen zich in het minst niet". Dit is het teken van een verhard geweten (Zefanja 3 vers 5). Het kenmerk van dit arme volk is dat ze totaal onverschillig staan tegenover het kwaad dat het begaan heeft.
Het is goed om nog even stil te staan bij vers 20. De zomer en de tijd van de oogst zijn weer voorbij. We zijn bijna aan het eind van het jaar aangekomen. Er bestaat een gunstige tijd om gered te worden: dat is nu, op dit moment! Het duurt niet lang meer en dan zal de Heere de rijpe aren van de grote oogst van zielen 'binnenhalen'. De zomer is dan definitief voorbij. Wat zal het vreselijk zijn voor allen die dan pas wakker worden en het moeten uitroepen dat ze niet verlost zijn!
Net als in de tijd van Jeremia zijn er in het volk van God vandaag de dag ook nog veel "verslagenen". Als we zulke mensen kennen, laten we hen dan in het gebed bij de grote "Heelmeester" brengen, Die de macht heeft om hen gezond te maken (hoofdstuk 8 vers 22).
Dit negende hoofdstuk brengt ook de grote smart van de profeet tot uitdrukking. Ook al spreekt Jeremia op strenge toon tegen dit volk, toch is dat voor hem geen verhindering om zelf uitermate bedroefd te zijn. In gedachten heeft hij ontzettend te lijden onder de toestand van het volk Israël en de straf die hem te wachten staat. Maar de profeet vindt de grote oneer die de Naam van de HEERE wordt aangedaan, nog vele malen erger. Als wij de Heere meer lief zouden hebben, dan zouden ook wij meer droefheid ondervinden bij het constateren van zoveel ondankbaarheid en onverschilligheid die maar al te vaak het antwoord zijn op Zijn liefde.
Laten we goed nadenken over de woorden van de verzen 23 en 24, die in 1 Korinthe 1 vers 31 aangehaald worden. Het ligt in de natuur van een ieder van ons om trots te zijn op je eigen capaciteiten, je te beroemen op hetgeen je bezit. De sportman zal de nadruk willen leggen op zijn prestaties, zijn spieren, zijn soepelheid, de student op zijn academische successen; de eigenaar van een bepaalde auto vindt die van hemzelf veel beter, sterker en sneller dan die van de buurman.
Het enige waarin wij echter mogen roemen is Hem te kennen (Psalm 20 vers 8; 2 Korinthe 10 vers 17; Filippensen 3 vers 10). Is onze verbinding met de Heere Jezus voor ons het meest waardevol? Of gebeurt het af en toe dat wij ons daar juist voor schamen?
Als er een oude en goede weg bestaat die wij moeten bewandelen (hoofdstuk 6 vers 16), dan bestaat er ook een andere weg die we niet moeten leren (vers 2). Dat is de weg van de heidenen, de volken, met andere woorden: de weg die de wereld, de ongelovigen gaan. Inderdaad zullen al onze betrekkingen tot hen er slechts toe leiden dat hun manier van leven en denken ons beïnvloedt. Natuurlijk kunnen we ons nooit helemaal aan dit contact onttrekken. En vanwege onze werkkring is de één er meer aan blootgesteld dan de ander. Maar we kunnen er wel allemaal voor oppassen dat we niet nieuwsgierig worden naar, of interesse tonen in de dingen van de wereld (Romeinen 16 vers 19). Het voorbeeld van Dina in Genesis 34 vers 1 is ook voor ons een ernstige waarschuwing! Laten we toch oppassen voor bepaalde omgang, voor bepaalde boeken, die ons alleen maar in deze gevaarlijke weg onderwijzen. Het is ons immers niet onbekend waar zij die zich hierdoor laten leiden, terecht zullen komen (Mattheüs 7 vers 13). Het kenmerk van de volken in de tijd van Jeremia (maar ook van onze tegenwoordige wereld) was de afgodendienst. God zegt duidelijk hoe Hij hierover denkt en laat het deze volken in vers 11 in hun eigen taal zeggen (in de grondtekst staat dit vers in de Aramese taal).
Vers 23 herinnert ons aan een tweevoudige waarheid: de dag van morgen behoort ons niet toe. We kunnen daar niet naar believen over beschikken (Jakobus 4 vers 13 en 14). En het tweede is, dat wij niet in staat zijn onze eigen gang te besturen. Jeremia wist dit. Maar... hebben wij dit persoonlijk ook al geleerd?
Toen tijdens de regering van Josia de herstelwerkzaamheden aan de tempel in volle gang waren, vond Hilkia, de priester (sommigen nemen aan dat hij de vader van Jeremia was; zie hoofdstuk 1 vers 1) het wetboek des HEEREN weer terug (2 Kronieken 34 vers 14). Het bevatte het Boek Deuteronomium, waarin het trieste hoofdstuk 28 (zie vooral vers 64) alle gevolgen van het niet in acht nemen van het verbond aangekondigde. Josia werd hierover geïnformeerd en zorgde er toen dan ook onmiddellijk voor dat dit verbond uit naam van het volk vernieuwd werd (2 Koningen 22 vers 8 en verder; 23 vers 1 - 3). Maar het hoofdstuk voor vandaag laat ons zien hoe dit verbond opnieuw overtreden werd! Zo, "dat er geen helen aan was" (2 Kronieken 36 vers 16). Voortaan houdt God Zijn oren gesloten voor de gebeden en Hij wijst de profeet er nadrukkelijk op niet meer voor het volk te bidden (vers 14 en hoofdstuk 7 vers 16).
Jeremia is de vertegenwoordiger van een trouw, vervolgd overblijfsel. Maar door hem worden we ook aan het Lam, vol zachtmoedigheid, herinnerd, het Lam Dat onderwerp van allerlei aanslagen was om gezamenlijk "met Zijn vrucht" te verderven, zodat "Zijn Naam niet meer gedacht worde" (vers 19; vergelijk Genesis 37 vers 18; Lukas 10 vers 3). Dat was de ijdele bedoeling van de mensen en satan, hun aanvoerder. Maar het is de onomstotelijke genade van God dat de wonderbare Naam van de Heere Jezus tot in alle eeuwigheid geëerd zal worden (Filippensen 2 vers 9). En ook wij mogen dat nu elke keer doen door te eten van het brood en te drinken van de beker "tot Zijn gedachtenis" (1 Korinthe 11 vers 25 en 26).
Dit hoofdstuk vertelt ons van een gesprek tussen de HEERE en Jeremia. Deze keer gaat het niet om een gebed van de profeet ten gunste van Israël, maar om pijnlijke vragen die hij op het hart heeft en die hij in de bitterheid van zijn ziel voor God uitspreidt. De mannen van de stad Anathoth, zijn medeburgers, waren zover gegaan dat ze hem met de dood bedreigden, als hij niet zou zwijgen (hoofdstuk 11 vers 21). Vers 6 zegt ons dat zelfs de familie van Jeremia trouweloos gehandeld en "met volle stem" tegen hem geschreeuwd heeft (vergelijk Lukas 4 vers 24 - 26). Hij had alle reden om de moed te verliezen, maar God begrijpt het leed van Zijn dienstknecht (heeft Zijn eigen volk ook Hem niet verraden?). En Hij zegt tegen Jeremia wat Hij gedwongen was te doen: de verontreinigde tempel te verlaten, Israël â Zijn erfdeel â te verstoten en over te geven in de handen van de vijand (vers 7). Wij kunnen ons er misschien een beetje bij voorstellen wat God moet hebben ondervonden, toen Hij deze besluiten nam. Om daar iets van te laten zien, gebruikt Hij een aangrijpende uitdrukking voor Zijn volk: "de beminde Mijner ziel".
De volken handelden als boze buren (vers 14); ze zullen de gevolgen moeten dragen. God had echter altijd nog zegeningen bewaard voor Israël, en ook voor deze volken, wanneer zij Zijn weg willen leren (vers 16).
God geeft Jeremia een teken: de gordel die hij eerst om moet doen en dragen zonder hem ooit te wassen, moet hij vervolgens meer dan 400 kilometer ver meenemen en hem bij de Frath (Eufraat) verstoppen. Later moet hij er weer heen gaan om de gordel op te halen en dan constateren dat deze verdorven was en nergens meer voor deugde.
Daarna geeft God hem de geestelijke betekenis van dit gebeuren. De gordel is een sieraad dat vlakbij het hart gedragen wordt; bovendien behoorde de gordel bij de kleding van de priester (Exodus 28 vers 40; en Jeremia was een priester). Zo had God dit volk, dat Zijn heerlijkheid had moeten verheffen en Hem had moeten dienen, eng aan Zich verbonden. Maar de hoogmoed en afgodendienst hadden Jeruzalem en Juda even bevlekt en nutteloos gemaakt als deze gordel. En net als die gordel zullen zij naar de oever van de Eufraat, naar Babylon, weggevoerd worden (zie het slot van vers 19), tenzij... men zich zal verootmoedigen, waartoe zij die de hoogste ambten bekleden, de koning en de koningin, het voorbeeld moeten geven.
Vers 23 herinnert ons eraan dat de zonde een kenmerk van de mensen is, die door henzelf niet uitgewist kan worden. Uit onszelf kunnen we de zonde niet wegdoen, net zo min als een neger zijn huid blank kan maken of een luipaard z'n vlekken kan veranderen. Maar op grond van het bloed van Christus kan God de zonden wegnemen en een nieuw hart schenken. En precies dát is gebeurd bij de Ethiopiër van wie wij in Handelingen 8 lezen.
Is dat bij u, bij jou ook al gebeurd?
God spreekt niet alleen door de mond van Jeremia tot Israël, maar ook door droogte en hongersnood.
De profeet â en helaas is hij de enige in zijn tijd â bekent het falen van zijn volk en smeekt tot de HEERE. In zijn liefde voor het volk kan hij er niet toe komen niet meer voor dit volk te bidden. Hij kan geen enkele reden noemen waardoor het volk ook maar ergens recht op zou hebben, waardoor er in genade met haar gehandeld zou kunnen worden. Daarom bidt hij: "...doe het om Uws Naams wil" (vers 7 en 21; Ezechiël 20 vers 9; Daniël 9 vers 19). En juist dát is de belangrijkste reden om God te smeken dat Hij zal ingrijpen.
Van onze kant is er enkel en alleen ellende. Waar zouden we ons op kunnen beroepen, om de arm van God in beweging te krijgen? Enkel en alleen op de Naam van de Heere Jezus. Hijzelf heeft ons deze wonderbare kracht geopenbaard (Johannes 15 vers 16). De Vader kan niet anders dan de gebeden verhoren die in deze Naam, Die Hij liefheeft, tot Hem gericht worden. En "indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig â tegenover de Heere Jezus, onze volmaakte Verlosser â dat Hij ons de zonde vergeeft, en ons reinigt van alle ongerechtigheid" (1 Johannes 1 vers 9).
De verzen 10 tot en met 18 spreken over valse profeten, die met hun leugens het volk geruststellen. Zijzelf en allen die naar hen geluisterd hebben, zullen de straf ondergaan waarin zij weigerden te geloven (vers 15).
De HEERE zegt nog een keer tegen Jeremia dat Hij zijn voorbede niet kan aannemen. Zelfs Mozes en Samuël â van wie wij het gebedsleven en de liefde tot het volk Israël heel goed kennen â zouden in de toestand waarin het volk zich nu bevond, niets meer kunnen doen (zie Psalm 99 vers 6). Jeremia is de vertwijfeling nabij (vers 10). Hij roept God op als Getuige voor zijn eigen trouw: "Toen Uw woorden gevonden zijn, heb ik ze opgegeten" (vers 16; vergelijk Psalm 119 vers 103). Men had inderdaad het wetboek teruggevonden in de tempel en de jonge priester had daar zijn vreugde in gevonden.
Laten wij, als kinderen van God, net als Jeremia, elke dag het voedsel voor onze ziel en tegelijkertijd ook de vreugde voor ons hart zoeken en vinden in de Bijbel! Paulus herinnert Timotheüs eraan, dat een goede dienstknecht van Jezus Christus door de woorden van het geloof en de goede leer gevoed moet worden (1 Timotheüs 4 vers 6).
De HEERE bemoedigt Zijn trouwe, zij het ook wat vreesachtige getuige die voor Hem "versmaadheid draagt" (vers 15; Psalm 69 vers 8) en belooft hem te zullen bevrijden. Hij roept hem op, het "het kostbare van het snode (verwerpelijke)" te scheiden (af te zonderen).
Een volgeling van de Heere Jezus moet een gevoelig geweten hebben, om het goede te erkennen en te doen, om het kwade te oordelen en zich daarvan af te wenden (vergelijk ook 1 Petrus 3 vers 10 - 12). Alleen wanneer er aan deze voorwaarde voldaan is, kan hij als de "mond" of als 'uitspraak' van God fungeren (vers 19).
Omdat Jeremia kostbaar was in het oog van de HEERE, werd hij opgeroepen om zich van het "snode", dat wil zeggen van dit boze volk, af te zonderen (hoofdstuk 15 vers 19). Het is onmogelijk zich met het kwaad te vermengen en tegelijkertijd te getuigen tegen hen die deze dingen bedrijven. God staat het deze jongeman zelfs niet toe om op zo'n plaats een gezin te stichten. Dat alles laat heel duidelijk zien dat er daar, aan de vooravond van het oordeel dat Jeruzalem bedreigt, geen blijvende instelling meer kan bestaan. Bovendien â en dat spreekt tot ons allen â moet Jeremia zich als een ware Nazireeër van elke gemeenschap met de feesten en vreugden van het veroordeelde volk onthouden. Maar dat zal zeker geen al te grote ontbering geweest zijn voor iemand die zijn vreugde in het Woord van zijn God vond (hoofdstuk 15 vers 16).
Hoe meer de Heere en Zijn Woord een vreugde voor ons zijn, des te minder zullen we verlangen naar het bedrieglijke vermaak dat de wereld ons kan geven.
De verzen 10 - 21 halen het volgende aan:
â de straf van de HEERE over Zijn volk;
â de oorzaak van deze straf;
â maar ook de belofte van een toekomstig herstel (vers 15).
Het machtige ingrijpen van de HEERE, door middel van "vissers" en "jagers", om de kinderen van Israël terug te brengen, zal tot gevolg hebben dat Hij ook door de volken (heidenen) erkend zal worden (vers 19).
God drukt Zich in Zijn Woord op verschillende manieren uit om de mensen te overtuigen van hun toestand als onverbeterlijke zondaar. Denk maar aan het voorbeeld van het volk Israël en haar zedelijke verval, de gave van Zijn heilige wet, het volmaakte leven van Christus hier beneden op aarde (dat in tegenstelling hiermee de boosheid van de mens toont), en ten slotte, zoals hier, directe en onweerlegbare verklaringen.
Vers 9 zegt heel duidelijk dat het menselijk hart totaal verdorven en onverbeterlijk is: "Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk (of: verderfelijk) is het". Dit is een conclusie, een oordeel, dat we ons voor altijd goed moeten inprenten; dan zullen we ervoor bewaard blijven om dit hart ook maar het geringste vertrouwen te schenken â dat betreft dan zowel ons eigen hart als dat van anderen â en dat zal ons veel teleurstellingen besparen. Laten we juist veel meer vers 7 in praktijk brengen: "Gezegend daarentegen is de man, die op de HEERE vertrouwt". Het gelukkige en gezegende gevolg daarvan lezen we vervolgens in vers 8 (vergelijk Psalm 1 vers 3). Wie gedronken heeft uit de onuitputtelijke bron, hoeft niet bang te zijn voor hitte en droogte; ja, zo iemand zal dat niet eens bemerken. "Geworteld... in Hem" (Colossenzen 2 vers 7) kent zo iemand geen angst en zal hij niet ophouden vrucht te dragen voor God. Dan is werkelijk voldaan aan de voorwaarde die de Heere Jezus gesteld heeft: "...die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen" (Johannes 15 vers 5).
Misschien hebben we het al eens geprobeerd om onze naam in het zand te schrijven en hebben we ontdekt dat er al gauw niet veel meer van te lezen was (zie vers 13). Hoeveel dwaze mensen zijn er niet die niet aan hun toekomst denken en die proberen hier op aarde â die vergaan zal â naam te maken! Beste vriend, je naam moet geschreven staan in het boek van het leven (Openbaring 20 vers 15).
En dan lezen we opnieuw het onweerlegbare feit (vers 13) dat we al uit hoofdstuk 2 vers 13 kennen: "Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten". In Johannes 6 vers 66 gaan veel discipelen van de Heere Jezus weg, van Hem Die Zich juist in het daaropvolgende hoofdstuk als de Bron van levend water openbaart (hoofdstuk 7 vers 37).
Het gebed in vers 14 erkent dat alleen God het boze hart van de mens kan veranderen. "Genees mij, HEERE! zo zal ik genezen worden, behoud mij, zo zal ik behouden worden". In hoofdstuk 31 vers 18 smeekt Efraïm: "Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn". En de profeet Jeremia voegt eraan toe: "Gij zijt mijn lof". In het werk tot ons heil dient alles tot eer van God.
In het laatste gedeelte van dit hoofdstuk herinnert de Heere aan Zijn gebod met betrekking tot de sabbat. Men had op dit punt â maar ook op andere â de wet overtreden (hoofdstuk 7 vers 9). Een eeuw later, na terugkeer uit Babylon, heeft de trouwe Nehemia de lessen uit de verzen 21 en 22 ter harte genomen (Nehemia 13 vers 15 e.v.). Hij heeft de edelen uit Juda eraan herinnerd dat het ongeluk van het volk het gevolg was van de ontrouw van hun vaderen ten opzichte van het sabbatsgebod.
In het huis van de pottenbakker ontvangt Jeremia een nieuwe les. Het eerste vat dat hij ziet ontstaan, is een beeld van het volk. Net als de gordel in hoofdstuk 13 is dit vat ook mislukt en deugt het nergens meer voor (vers 4; hoofdstuk 13 vers 7). Ja, zo zien wij Israël, en in werkelijkheid de hele mensheid, voorgesteld. De Goddelijke Formeerder kon niets beginnen met de eerste mens, die Hij uit het leem gemaakt had. "Samen zijn zij onnut geworden" (Romeinen 3 vers 12 en 23). De zonde heeft het hele mensengeslacht verdorven.
Maar op de draaischijf van de pottenbakker wordt het werk opnieuw ter hand genomen en wordt er een nieuw vat geformeerd, "zoals het recht was in de ogen van de pottenbakker om te maken".
Dit vat, dat zonder gebreken is, doet ons denken aan de tweede Mens, in Wie God een welgevallen gevonden heeft. Naar het raadsbesluit van God is Christus gekomen om het krachteloze ras van Adam te vervangen. Maar Hij is voortaan niet alleen. "Indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel" (2 Korinthe 5 vers 17). Door de genade van God kan de verloste van zijn kant "een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid" (2 Timotheüs 2 vers 21; lees ook Efeze 2 vers 10).
De dialoog in vers 11 en 12 bevestigt de hopeloze toestand van het volk en rechtvaardigt haar verwerping, net zoals gebeurde met het verdorven vat van de pottenbakker.
Jeremia wordt door de God van Israël opgeroepen om terug te gaan naar het huis van de pottenbakker. Deze keer niet om alleen maar toe te kijken naar het werk, maar nu om er zelf een kruik te kopen. Daarna moet hij enkelen van de oudsten van het volk meenemen en deze kruik naar het dal van de zoon van Hinnom brengen.
Dat was een vreselijke plaats. Dit dal van Hinnom (in het Grieks: Gehenna) wordt ook Tofeth genoemd (vers 6). Ten tijde van koning Manasse werden daar mensenoffers gebracht aan Baäl (2 Kronieken 33 vers 6; Jeremia 7 vers 31). Daarom had Josia het verontreinigd (2 Koningen 23 vers 10). Op deze plaats, die getuigde van de afschuwelijke zonden van het volk, moest het volk vreselijke woorden aanhoren en werd tegelijkertijd de kruik, een beeld van het volk, kapot gebroken.
Aansluitend gaat Jeremia de tempel binnen en bevestigt hij het woord van de HEERE voor de oren van geheel Jeruzalem.
Laten we eraan denken hoeveel moed ervoor nodig was om het doen en laten van het volk openlijk te veroordelen en dat wat God onherroepelijk over dit volk heeft besloten, aan te kondigen! Het kan ons ook gebeuren, dat we ons alleen in een vijandige omgeving bevinden en door ons handelen en onze woorden getuigenis hebben af te leggen. Laten we de Heere dan vragen ons dezelfde onverschrokkenheid te schenken!
Als men de waarheid vertelt aan de mensen van de wereld, wat hun toestand betreft, dan stelt men zich direct bloot aan hun haat. De profeet doet ook deze bittere ervaring op. De samenzwering, waarvan al sprake was in hoofdstuk 11 vers 19 en 18 vers 18, wordt nu ten uitvoer gebracht. Jeremia wordt door Pashur geslagen en gefolterd.
Wie was deze Pashur? Een voorganger onder de priesters (vers 1) en bovendien een van de profeten die leugen profeteerden (vers 6; hoofdstuk 14 vers 14) en die zich, in tegenstelling tot Jeremia, mochten verheugen in de gunst van het volk. Maar nu moet deze man een voorzegging van de waarheid aanhoren, die tegen hem wordt uitgesproken.
Jeremia herinnert ons aan de vermaning van Jakobus 5 vers 10. Hij is een voorbeeld van de Heere Jezus. Hij staat er, als verkondiger van de waarheid, helemaal alleen voor en wordt daarom gehaat en geslagen (zelfs door een priester). Hij wordt uitgelachen en is tot het onderwerp van spot geworden, maar het Woord van zijn God is in zijn hart als "een brandend vuur" (vers 9). De liefde tot de HEERE en Zijn volk drijft hem.
Toch valt Jeremia in het niet bij het volmaakte Voorbeeld! Hij geeft uitdrukking aan zijn bitterheid en vervloekt de dag waarop hij geboren werd, net als Job (Job 3). De genade tegenover zijn vijanden wordt in hem niet gevonden.
Beste lezer(es), mogen we een vraag stellen? Bent u, ben jij werkelijk 'gegrepen' door de Heere? Heeft Hij je overweldigd (vers 7; vergelijk Filippensen 3 vers 12)?
De profetieën van Jeremia worden ons niet meegedeeld in de volgorde waarin ze werden uitgesproken. De profetie die hier uitgesproken wordt, verplaatst ons naar de regeringsperiode van de laatste koning van Juda. Koning Zedekia is door Nebukadrezar, zijn gevreesde buurman, aangevallen en stuurde twee afgevaardigden naar de profeet, met het verzoek of die de HEERE om raad wilde vragen. Dat was inderdaad het beste wat hij kon doen.
In werkelijkheid zochten hij en zijn volk echter naar bevrijding zonder zelf eerst berouw te hebben. Ze deden het voorkomen alsof zij niets wisten van deze absoluut noodzakelijke voorwaarde. Maar God geeft het een niet zonder het ander. Na alles wat Jeremia in de voorgaande hoofdstukken gezegd heeft, grensde zo'n verzoek aan onbeschaamdheid. Daarom antwoordt God op strenge wijze. Niet alleen de koning van Babel, maar Hijzelf zal tegen Juda strijden. Hij zou zowel de mensen als het vee met een grote pest treffen, zoals destijds gebeurd was met de kudden van de Egyptenaren (Exodus 9 vers 1- 7).
Desondanks bleef er, behalve deze weg des doods, nog een weg des levens open voor het volk... maar die leidde, noodzakelijkerwijs, via de belijdenis van hun zonden en de onderwerping aan Gods wil.
Deze weg staat ook vandaag nog open! Is iedereen die dit leest, die weg al gegaan?
Op bevel van de HEERE is Jeremia bereid om naar het paleis van de koning te gaan, net zoals hij eerder naar het huis van de pottenbakker ging. Opnieuw heeft hij een moeilijke opdracht. Hij moet de koning van Juda persoonlijk waarschuwen en vermanen.
Voor een meerdere getuigenis afleggen, is voor een jonge gelovige een bijzondere oefening. Maar als hij steunt op de Heere, zal hij daarbij altijd gesterkt en gezegend worden (Handelingen 26 vers 22).
Eens had God aan David beloofd dat het hem niet aan een man op de troon van Israël zou ontbreken, als zijn nakomelingen acht zouden slaan op de weg die ze gingen en met hun hele hart in de waarheid zouden wandelen (1 Koningen 2 vers 4). Maar helaas, noch Sallum (of Joahaz, zie 2 Koningen 23 vers 31 en 32), noch zijn broers Jojakim en Zedekia, noch Chonia (Jojakin) hebben aan deze voorwaarden voldaan. Daarom waren zij de laatste koningen uit het huis van David, die heersten voordat het volk verstrooid werd. In deze hoofdstukken, 21 en 22, wordt iedereen met name genoemd en voor zijn eigen misstappen veroordeeld. Niemand van hen kan zeggen dat hij de gevolgen van de zonden van z'n voorganger heeft te dragen (vergelijk hoofdstuk 31 vers 29). En er was ook niemand die niet vooraf gewaarschuwd was, want de dienst van de profeet strekte zich uit over al deze regeringsperioden (hoofdstuk 21 vers 7; 22 vers 11, 18 en 24).
"Hoor het woord des HEEREN, gij koning van Juda... gij, en uw knechten, en uw volk" (vers 2). Maar het is tevergeefs dat Jeremia deze indringende oproep aan Jojakim gericht heeft. Vanaf zijn jeugd, toen alles goed ging, was hij al vastbesloten om niet naar de stem van de HEERE te luisteren (overeenkomstig vers 21, dat betrekking heeft op het gehele volk). Let eens op alle slechte vruchten die daar het gevolg van zijn, als hij een man geworden is: ongerechtigheid, gebrek aan redelijkheid, hoogmoed, oneerlijkheid, verdrukking en geweld (vers 13 en 17, waar Jeremia niet aarzelt om deze koning te zeggen dat hij een moordenaar is). Toch had deze Jojakim het goede voorbeeld van zijn vader Josia en de gelukkige gevolgen van diens wandel voor ogen gehad (vers 15 en 16)!
Kinderen van gelovige ouders, neem de geschiedenis van deze koning ter harte!
Het is goed om heel in het bijzonder ook op vers 14 te letten. Staat het streven van een christen naar rijkdom niet in schril contrast met zijn positie als vreemdeling en met zijn hemelse roeping?
Vervolgens gaat het over Chonia, die pas 18 jaar was en slechts drie maanden regeerde toen hij met zijn moeder weggevoerd werd naar Babel (2 Koningen 24 vers 8 en verder). Door zulke gebeurtenissen richtte God Zich tot de gehele aarde (vers 29). Deze duidelijke tuchtiging laat zien dat men niet ongestraft de wil van God kan weerstaan.
In de hoofstukken 21 en 22 heeft het woord van de God van Israël de laatste koningen veroordeeld. In werkelijkheid hebben alle verantwoordelijke personen van Juda gefaald. Zowel de "profeten" als de "priesters" (vers 11) zijn in hun opdracht tekortgeschoten. In plaats van het volk "als voorbeelden van de kudde" (1 Petrus 5 vers 3) te weiden, zijn ze slechte herders geweest. Onder hun beklagenswaardige gedrag kwam de kudde tekort, werd hij kapot gemaakt en verstrooid (vergelijk Ezechiël 34 vers 4 - 6). Daarom heeft God het Zelf op Zich genomen om de rest van de kudde bijeen te brengen en hem een andere Herder te geven (Johannes 10 vers 14). De koninklijke familie van Israël heeft volkomen gefaald. Maar God zal voor hetzelfde huis van David een rechtvaardige Spruit verwekken, een Goddelijke Koning, Die "de HEERE onze Gerechtigheid" genoemd zal worden (vergelijk 1 Korinthe 1 vers 30).
De uitdrukking "Spruit" (Uitspruitsel), die op de Heere Jezus wijst, komen we vijfmaal tegen in de Profeten. Hier (vers 5) en in hoofdstuk 33 vers 15 als Koning, zoals Hij ons in het Evangelie naar Mattheüs wordt voorgesteld. In Zacharia 3 vers 8 als "Mijn Knecht, de Spruit", zoals we Hem zien als Dienstknecht in het Evangelie naar Markus. In Zacharia 6 vers 12 als "een Man, Wiens Naam is Spruit", overeenkomstig Zijn karakter als Mens in het Evangelie naar Lukas. En ten slotte lezen we in Jesaja 4 vers 2 dat "de Spruit des HEEREN" "tot sieraad en tot heerlijkheid" zal zijn en daarin herkennen we de Zoon van God, zoals Hij ons in het Evangelie naar Johannes wordt voorgesteld.
Onder de slechte herders van het volk Israël maakten de profeten zich wel bijzonder schuldig. Zij hadden het volk met hun dwaze misleiding wijsgemaakt dat, ondanks hun zonden, alles goed was. Zij waren leugenaars. Zij zijn op pad gegaan zonder dat de HEERE hen gestuurd had; zij hadden gesproken, maar het waren geen uitspraken van God (vers 21 en 38; 1 Petrus 4 vers 11). Een grote godsdienstige activiteit is nog lang niet altijd het bewijs en het gevolg van een goede geestelijke toestand. Zoals destijds voor de profeten, zo bestaat er ook voor de christenen van vandaag slechts één richtsnoer om te lopen en te spreken, namelijk door te staan "in de raad des HEEREN" (vers 18 en 22). Met andere woorden: de gemeenschap met de Heere te zoeken om Zijn wil te herkennen en te doen.
In vers 23 wordt de vraag gesteld: "Ben Ik een God van nabij, spreekt de HEERE, en niet een God van verre?" De apostel antwoordt in Filippi 4 vers 5: "De Heere is nabij". Heeft ieder die dit leest, dit ook ervaren?
Het Woord van God is "als een vuur" (vers 29). Zoals de vlammen in een oven ervoor zorgen dat de slakken van het metaal gescheiden worden, zo kan het vuur van het Woord onze zielen reinigen, door de onreinheid waar de zielen onder bevuild en verstikt worden, te verteren (Spreuken 25 vers 4). Het is als het ware de 'drijvende kracht' van de gelovige, evenals het vuur onder de ketel (Jeremia 20 vers 9). Maar in eerste instantie is het Woord ook een hamer, de enige hamer waardoor een opstandige wil verbrijzeld kan worden.
Het 'gezicht' van hoofdstuk 24 komt op een tijdstip waarop koning Nebukadrezar al een deel van Juda met hun koning Jechonia (of Chonia; hoofdstuk 22 vers 24) heeft weggevoerd naar Babel. De profeet ziet twee korven met vijgen, de eerste met heerlijke, goede vruchten; de andere korf bevat alleen maar slechte vruchten, die niet te eten zijn. In tegenstelling tot hetgeen men zou kunnen denken, zijn de slechte vijgen een beeld van de bewoners van Juda die nog in het land wonen, terwijl de goede vijgen een beeld zijn van hen die weggevoerd zijn. De HEERE zal de laatstgenoemden op een zeker moment gedenken "ten goede" en hen terugbrengen naar hun land. Ook al is het vertrek uit hun land en het moeten nalaten van hun gewoonten nu ook een pijnlijke ervaring, toch komt het overeen met de wil van God en zal het voor hen tot nut zijn.
Van alle beloften die zij ontvangen, is die uit vers 7 wel de kostbaarste: "Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen". Met het hart, niet met het verstand (!), leert de mens God kennen.
Laten we er goed aan denken dat er geen derde korf bestaat. Voor God bestaat er, in beginsel, geen tussenoplossing. Ook voor vandaag geldt dat Hij de mens alleen maar ziet als dood of levend, als "kinderen van het licht" of als "kinderen van de toom" (Efeze 5 vers 8 en 2 vers 3). Aan welke kant staan wij?
Hoofdstuk 25 brengt ons terug in de tijd van de regering van Jojakim. Jeremia had al 23 jaar lang geprofeteerd. In zijn ijver en liefde voor het volk stond hij 's morgens vroeg op en liet hij zijn vermaningen horen aan het volk (vers 3). Het geduld van God zou binnenkort ten einde zijn. Elke dag zou de laatste kunnen zijn. De man Gods voelde zich daarom gedrongen vanaf de vroege morgen zijn boodschap te verkondigen, en â een opmerkelijk detail â dezelfde uitdrukking wordt vaak op God toegepast (hier in vers 4). Ook Hij is â met eerbied gesproken â vroeg op om Zijn knechten uit te zenden. Zijn wij, van onze kant, in de vroege morgen bereid, als de opdrachten uitgedeeld worden? Laten we de volmaakte Dienstknecht navolgen, Wiens onvermoeibare bezigheid vroeg in de morgen (Johannes 8 vers 2), of zelfs nog eerder (Markus 1 vers 35), begon.
In Zijn genade heeft God de tijdsduur van de gevangenschap in Babel vastgesteld op een bepaalde tijd: zeventig jaar. Kort voordat deze tijd verstreken is, leest Daniël deze profetie. Hij vertrouwt erop, herinnert de Israëlieten die in gevangenschap zijn, eraan en geeft hun zelf het voorbeeld in verootmoediging (Daniël 9 vers 2).
Dan laat God, tot aan het eind van dit hoofdstuk, zien op welke wijze Hij de verklaring van vers 14 waar zal maken en de volken zal bestraffen, zij die er niet voor terugschrokken om Zijn volk te knechten en te onderdrukken.
Dit hoofdstuk brengt ons nog vier jaar verder terug in de geschiedenis dan het voorgaande hoofdstuk (vergelijk hoofdstuk 25 vers 1). Op het Goddelijke bevel gaat Jeremia deze keer naar de tempel om daar te profeteren. Ongetwijfeld gebeurde dat naar aanleiding van één van de drie jaarlijkse feesten waarvoor alle Israëlieten opgingen naar Jeruzalem. Dat mogen we opmaken uit vers 2. Hoe het ook zij, de oproep is gericht aan heel Juda en niet alleen aan de oversten. En "niet één woord" mag ervan afgedaan worden (vergelijk Handelingen 20 vers 27).
Vers 3 is heel aangrijpend! Het laat ons iets zien van de gedachten van genade van God. Hoewel Hij alles van tevoren wist, laat Hij toch Zijn grootste verlangen horen: "Misschien zullen zij horen" (zie ook hoofdstuk 36 vers 3 en 7).
Hetzelfde "misschien", tenminste dezelfde gedachte, komt tot uitdrukking in de hoop van de heer in de gelijkenis van de wijngaardeniers: "Ik zal mijn geliefde zoon zenden; mogelijk deze ziende, zullen zij hem ontzien" (Lukas 20 vers 13). Maar zij sloegen geen acht op de Zoon, noch op de profeten die voor Hem uitgingen. Zie maar eens hoe Jeremia hier ontvangen wordt, en daarom: hoe zijn Zender hier ontvangen wordt! Wat is men verblind! Deze mensen, die immers naar het Huis des HEEREN gekomen waren om te aanbidden (vers 2), verwerpen Zijn Woord, grijpen Zijn bode en spreken in hetzelfde Huis het doodvonnis over hem uit.
De trouwe getuige van de HEERE is niet bang voor zijn veroordeling tot de dood of voor de vijandige mensen om hem heen. Nog eenmaal vermaant hij hen ernstig om terug te keren. Daarna geeft hij zich, zonder een spoor van angst, over in hun handen. In plaats van maar toe te geven, vanwege zijn eigen lot, denkt hij nog steeds aan het volk en de grote verantwoording die het door deze daad op zich zal laden.
Door dit handelen van Jeremia gaan onze gedachten naar Stefanus, die voorbede deed voor hen die hem stenigden (Handelingen 7 vers 60). Deze beide mannen doen ons denken aan de Heere Jezus (Lukas 23 vers 28 en 34).
Door de tussenkomst van de vorsten en oudsten van het volk wordt de man Gods bevrijd. Maar zij hadden nog een stapje verder moeten gaan en hun God moeten vrezen en aanroepen, zoals Hizkia dat gedaan had (vers 19). Het is niet voldoende een mooi voorbeeld aan te halen â men moet het ook navolgen.
Let eens op, hoe gemakkelijk het volk zich laat beïnvloeden en hoe wankelmoedig het is! In vers 8 loopt het hele volk achter de priesters aan en roept samen met hen: "Gij zult de dood sterven!" Maar in vers 16 sluiten ze zich onmiddellijk aan bij de vorsten en zeggen dan: "Aan deze man is geen oordeel des doods".
De geschiedenis van Uria, die door Jojakim vervolgd en verslagen werd, bevestigt het verdrietige beeld dat ons van deze koning geschilderd werd. Hij was bereid om het bloed van een onschuldige te vergieten (hoofdstuk 22 vers 17).
We worden hier, maar ook in de volgende hoofdstukken, verplaatst naar de regeringsperiode van Zedekia, de laatste koning van Juda. Hij schijnt een samenzwering gesmeed te hebben met zijn buren, de koningen van Edom, Moab, Ammon, Tyrus en van Sidon, om tegenstand te bieden aan koning Nebukadnezar. En ongetwijfeld zijn de afgevaardigden van deze volken naar Jeruzalem gekomen om dit verbond rechtsgeldig te maken (vers 3).
Jeremia kreeg de opdracht van God om elke diplomaat afzonderlijk een heel bijzonder geschenk aan te bieden, een geschenk dat speciaal voor dit doel gemaakt was. Het ging om "banden en jukken", die uitgerekend de heerschappij van de koning van Babel moesten uitbeelden, waaruit deze volken zich wilden bevrijden. We kunnen ons er wel iets bij voorstellen met welke gevoelens die vijf onderhandelaars deze verootmoedigende geschenken aangenomen zullen hebben.
Verschillende vormen van hoogmoed zijn ook vandaag de dag nog het grote beginsel waarnaar de huidige staten (en ook afzonderlijke leiders) regeren. Maar God staat ver boven hun eerzuchtige intriges en Hij bestuurt uiteindelijk het hele wereldgebeuren. De christen vertrouwt op Hem en niet op de onzekerheid van de menselijke politiek (Daniël 4 vers 17).
God had Israël terzijde gesteld en gaf voortaan de allesomvattende macht over in de handen van Nebukadnezar, die Hij Zijn knecht noemt (vers 6).
Jeremia richt zich nu tot de koning van Juda en aansluitend tot de priesters. Nebukadnezar had al twee keer eerder een deel van het gerei uit de tempel gehaald. En helemaal niet van plan dat terug te brengen, zal hij besluiten tot een derde, definitieve plundering. Dat zal gelijktijdig gebeuren met de wegvoering van Zedekia en het overblijfsel van het volk (2 Kronieken 36 vers 7, 10 en 18). Men mag aannemen dat deze voorwerpen meer waarde hadden vanwege hun nationale trots dan als voorwerpen die nodig waren voor de godsdienst voor de HEERE. Vandaag de dag is het niet anders. Veel mensen hangen ontzettend aan bepaalde tradities van de zogenaamde christelijke godsdienst, maar bekommeren zich er slechts weinig om of God door deze dingen gediend wil worden.
Wat Jeremia onophoudelijk predikt, is: onderwerping aan het door God ingestelde gezag, in dit geval de koning van Babel. "Want er is geen macht (overheid) dan van God... zo dat die zich tegen de macht stelt, de inzetting van God weerstaat" (Romeinen 13 vers 1 en 2). Of het nu gaat om de regering, om bestuurlijke personen, om ouders of om meerderen (ook al zijn ze nog zo hard en onrechtvaardig â 1 Petrus 2 vers 18), deze vermaning is, ook voor ons, zeer zeker nog steeds geldig.
De profetie van dit hoofdstuk besluit niet zonder de aankondiging van God dat Hij Zich op zekere dag om het gerei van de tempel zal bekommeren en het zal terugbrengen (vers 22). Dat zien we in Ezra 1 vers 7 en 7 vers 19 in vervulling gaan.
Voor de ogen van de priesters en het hele volk speelt zich nu, in de tempel, een andere gebeurtenis af. Jeremia komt daar aan en heeft een juk om zijn hals dat hij zelf gemaakt heeft. Hij draagt dat als een getuigenis tegen Jeruzalem, zoals hij dat in hoofdstuk 13 ook deed met de gordel. En nu wordt de man Gods openlijk door de profeet Hananja aangevallen. De aanmatigende en leugenachtige woorden van deze Hananja zijn volkomen in tegenspraak met dat wat Jeremia constant verkondigde. Het mooie antwoord dat Jeremia dan geeft, wordt gekenmerkt door liefde, waarheid en wijsheid. Het is zeer zeker niet iets lichtzinnigs dat hij de rampen aankondigt die het volk dat hij liefheeft, zullen treffen. Hij zou niets liever willen dan dat Hananja gelijk had (vers 6). Maar hij kan niets veranderen aan hetgeen God heeft gezegd. Hij vertelt hun de waarheid, ook al is die nog zo onaangenaam.
Uit vers 9 blijkt een bewonderenswaardige wijsheid. Hét bewijs dat een echte profetie waar is, is de vervulling ervan. Op de juiste tijd zal God tonen wie gelijk heeft gehad. Intussen wordt Jeremia niet verbitterd en laat hij zich niet opjutten om hen toch te overtuigen. Hij verlaat hen en vervolgt zijn weg (vergelijk Johannes 8 vers 59 en 12 vers 36). Dat is altijd het beste wat je kunt doen, om een eind te maken aan een nutteloze discussie (Spreuken 17 vers 14).
Hananja wordt meteen door het aangekondigde oordeel getroffen (vers 15 - 17; lees Deuteronomium 18 vers 20 -22).
In dit hoofdstuk zien we dat Jeremia aan twee mannen een brief voor Babel toevertrouwt, een brief die bedoeld is voor alle lagen van het volk, voor alle mensen die al onder de voorgaande regering waren weggevoerd. De toon van deze brief is heel anders dan die waarin de profeet spreekt als hij zich tot het volk richt dat in Jeruzalem is achtergebleven. De weggevoerden mag hij namens hun God "gedachten van vrede, en niet van kwaad" (vers 11) meedelen en schrijven over troost, bemoediging en ontroerende beloften.
Net als Israël in Babel, zo is de christen hier op aarde ook een vreemdeling. Zijn burgerschap (de Statenvertaling spreekt van: wandel) is in de hemelen (Filippensen 3 vers 20). Hij verwacht de vervulling van de belofte, dat hij in het ware Vaderland â of beter gezegd: Vaderhuis â ingevoerd zal worden. Het goede Woord (vers 10) van God belooft hem "het einde en de verwachting" (vers 11), dat is: 'toekomst en hoop'.
Het Woord geeft ons echter niet, zoals bij de weggevoerden, het juiste tijdstip aan wanneer deze gelukzalige hoop werkelijkheid zal worden. De Heere wil graag dat wij Hem voortdurend verwachten. En tot aan het blijde moment van Zijn wederkomst hebben ook wij eraan te denken dat wij nog een opdracht hebben voor onze stad of ons dorp (vers 7): de vrede te zoeken (vergelijk Mattheüs 5 vers 9), ons te bekommeren om het heil van de zielen en voor hen met wie we samenleven, te bidden.
De onheilige bezigheid van de valse profeten beperkte zich niet alleen tot Jeruzalem en Juda. Enkelen van hen verkondigden zelfs onder het weggevoerde volk, in Babel, "het woord vals" (vers 23).
In zijn brief waarschuwt Jeremia de weggevoerden voor deze personen en kondigt hij het vreselijke einde van twee van hen aan: Zedekia en Achab. Een derde man, Semaja, had vanuit Babel geschreven aan het volk dat in Jeruzalem was achtergebleven, om het op te zetten tegen de HEERE (het slot van vers 32). In zijn brief schrok Semaja er zelfs niet voor terug om een nieuwe priester te benoemen, die Jeremia gevangen moest nemen. Maar zoals Jeremia ergens anders zelf schrijft: "Wie zegt iets dat geschiedt, zo de HEERE het niet beveelt?" (Klaagliederen 3 vers 37), zo moet ook Semaja het oordeel van God over zich aanhoren.
Hoe vaak waren, later, ook andere dienstknechten van God gedwongen om in hun geïnspireerde Brieven valse leraars en boze werkers aan te kondigen (zie bijvoorbeeld Galaten 1 vers 7; Filippi 3 vers 2; 2 Petrus 2 vers 1; 1 Johannes 2 vers 18; Judas vers 3 en 4; enzovoort).
Kinderen van God, onze zekerheid en veiligheid bestaat in het kennen van de stem van de goede Herder (Johannes 10 vers 4 en 5). Als we die stem goed kennen, dan lopen we niet het gevaar die stem met andere te verwarren.
De God van Israël roept Jeremia op, om al Zijn woorden in een boek op te schrijven. Ze moesten aan latere generaties overgedragen worden, zodat ook wij ze vandaag nog kunnen lezen. We hebben nu geen profeten en apostelen meer in ons midden, om ons nieuwe gedachten te onderwijzen, maar God heeft ervoor gezorgd dat Zijn geschreven Woord voor ons bewaard bleef. Dat is de enige Bron van waarheid voor onze zielen.
Door de Schriften zal Israël, te midden van de ergste verdrukking, beloften en troost ontvangen.
Uit vers 11 straalt ons zowel de heiligheid alsook de goedheid van God tegemoet. Hij zegt: "Ik zal u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden". De heilige God kan het kwaad op geen enkele wijze door de vingers zien. Hij is het aan Zichzelf verschuldigd de Zijnen te tuchtigen. Maar de God van liefde doet dat "met mate", zonder met één slag meer te straffen dan nodig is (zie ook hoofdstuk 10 vers 24 en 46 vers 28). In hoofdstuk 31 vers 18 en 19 zien we de uitwerking van deze heilzame tuchtiging (1 Korinthe 11 vers 32). Tegelijkertijd voelt men, in de verzen 18 - 22, de vreugde van God bij het denken aan de genezing en het herstel van Zijn volk.
"Wie is hij, die met zijn hart borg wordt?", vraagt de HEERE (vers 21). En wij? Zijn wij christenen uit gewoonte óf doordat we ons aangepast hebben, óf hebben wij ons hart werkelijk aan de Heere 'verpand'?
In het Oude Testament vinden we maar weinig gedeelten waarin de liefde van God op aangrijpender wijze naar voren komt dan in het gedeelte voor vandaag. De grootte van deze onvoorwaardelijke liefde, die geldt voor hen die in zichzelf geen enkele aanleiding geven om hen lief te hebben, komt hier, met het oog op onze vervreemding van God, duidelijk naar voren. "De HEERE is mij verschenen van verre" (vers 3). Denken we toch aan de lange weg die de Zoon van God moest afleggen om tot ons te komen. De liefde van de God der eeuwigheid is een eeuwige liefde. Ja, zo is God â met eerbied gesproken â van nature (1 Johannes 4 vers 8 en 16). En elke gelovige is, vanaf de verre eeuwigheid en tot in alle eeuwigheid, het onderwerp van deze liefde.
Op de hartstochtelijke uitspraak van hoofdstuk 3 vers 4: "Mijn Vader! Gij zijt de Leidsman van mijn jeugd!", kan de HEERE nu antwoorden: "Ik ben Israël tot een Vader" (vers 9). Hij zal bewogen worden door de tranen van Zijn volk, dat Hij eens verlost heeft "uit de hand van hem, die sterker was dan hij" (vers 11), en Hij zal hen bijeenbrengen zoals een herder zijn kudde.
Deze verzen brengen bij ieder van ons een gezegende waarheid in herinnering. God heeft ons niet alleen lief wanneer Hij ons met zichtbare bewijzen van genade overlaadt (zoals Hij dat, volgens de wonderbare beloften uit de verzen 7 - 14, bij Zijn aardse volk zal doen). Ook in de donkerste momenten, zelfs dan, wanneer wij door eigen schuld het genieten van de gemeenschap met Hem verloren hebben, houdt Hij nooit op aan ons te denken.
Vader, Gij der liefde volheid, blijft ons altijd trouw en goed...
Aan het heerlijke herstel van Israël, dat in het eerste deel van dit hoofdstuk aangekondigd werd, zullen bittere tranen voorafgaan. Rachel, de vrouw van Jakob, die huilt om haar verdwenen kinderen, is een beeld van het bedroefde volk. (Zoals in de Schrift vaker het geval is, is er al een gedeeltelijke vervulling van vers 15 geweest. Dat zien we in de moord op de kleine kinderen in Bethlehem; Mattheüs 2 vers 18.) Maar het zal bij dit volk gaan om een "droefheid naar God", die "een onberouwelijke bekering tot zaligheid" bewerkt (2 Korinthe 7 vers 10). De verzen 18 - 20 laten ons zien dat zo'n droefheid altijd door God opgemerkt wordt. Luister maar naar de geschiedenis van Efraïm: De Goddelijke tuchtiging was heilzaam; dat heeft zijn bekering, die gepaard ging met oprecht berouw, bewerkt. De ontdekking van zichzelf heeft hem met smaad en schande bedekt. Hij veroordeelt zijn schuldige en ongetemde jeugd.
Kan een ieder van ons hetzelfde van zichzelf zeggen? Dan mogen we ook horen hoe God ons graag wil noemen: "een dierbare zoon... en troetelkind" (vers 20). Op onze belijdenis volgt direct de innige reactie van de eeuwige liefde. Die is voor jou persoonlijk bedoeld en geeft je ook de toegang tot haar bron: "Ik heb de vermoeide ziel dronken gemaakt (gedrenkt), en Ik heb alle treurige ziel vervuld" (vers 25).
Jeremia kondigt niet alleen maar erge gebeurtenissen aan. Hij heeft ook goede berichten voor het volk. "Ziet, de dagen komen", zo zegt hij, "dat God het huis van Israël en Juda zal herstellen op grond van een nieuw verbond." Het oude verbond was door het volk verbroken. Het had laten zien niet in staat te zijn om aan haar verplichtingen, die in de wet samengevat waren, te voldoen. Nu zal God deze wet niet meer aan de Zijnen geven op stenen tafels. Hij zal het in hun binnenste leggen (dan zullen ze gelijk zijn aan het beeld van de gehoorzame Knecht; Psalm 40 vers 9). Hij zal het direct "in hun hart schrijven" (vers 33; 2 Korinthe 3 vers 3). Anders gezegd: dan zullen ze uit liefde, en niet meer uit angst, de wil van God doen.
Zou dat voor kinderen van God nog niet veel meer een reden moeten zijn om hun hemelse Vader te gehoorzamen? Ja, laten we de lessen uit Zijn Woord toch door Hem in onze harten laten schrijven!
"Zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe" (vers 34). De Heere wil heel graag dat dat ook in onze gezinnen het geval is.
De verzen 31 - 34 worden in Hebreeën 8 vers 10 - 12 aangehaald. Zij besluiten met de belofte, die ook voor ons geldt: "Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hun zonden niet meer gedenken" (vergelijk Handelingen 10 vers 43), want "het bloed van het Nieuwe Testament" (dat is: het nieuwe verbond) is ook, door Jezus Christus, voor ons vergoten (Mattheus 26 vers 28).
Hoofdstuk 32 begint met bijzonder kritieke situaties. Jeruzalem wordt door het Babylonische leger belegerd en beleeft de laatste dagen van haar onafhankelijkheid. Jeremia wordt beschuldigd van ondermijning van de moed van de belegerden. En om hem tot zwijgen te brengen, laat de koning hem in de gevangenis opsluiten. Maar de gevangenschap van de profeet vormt geen verhindering voor het woord van de HEERE om hem te bereiken. Het is ook geen verhindering voor hem om, overeenkomstig de ontvangen aanwijzingen, door bemiddeling van de trouwe Baruch (die hier voor het eerste genoemd wordt) de akker van zijn neef Hanameël te kopen. Op een moment als dit spreekt zo'n daad toch duidelijke taal. Hoewel Jeremia door het woord van de HEERE weet dat de ondergang onmiddellijk en onafwendbaar voor de deur staat, toont hij door deze handeling zijn geloof aan het Goddelijke woord, dat het herstel van Israël later absoluut zal plaats vinden (hoofdstuk 31).
De persoonlijke situatie van de profeet is uitzichtloos (wat heeft een gevangene hebben aan een akker?) en die van het volk één al vertwijfeling. Menselijk gesproken heeft Jeremia niets meer te verwachten, noch van zijn landgenoten, noch van de Chaldese vijanden. Maar tegen alle hoop in is zijn geloof vol hoop (zie Romeinen 4 vers 18). De koop van die akker is daarvan een getuigenis voor iedereen.
Ook vandaag de dag moeten er nog een aantal formaliteiten bij het kadaster en de notaris vervuld worden wanneer iemand een stuk grond of een huis koopt. Daarna krijgt de koper een officieel document, waarin bevestigd wordt dat hij de rechtmatige eigenaar is.
Jeremia bewaarde de brieven waarin stond dat de akker hem toebehoorde, heel zorgvuldig (vers 14).
Door het woord van Zijn genade verzekert God Zijn kinderen "een erfdeel te geven onder al de geheiligden" (Handelingen 20 vers 32). En wij kunnen, net als Paulus, bevestigen: "Ik ben verzekerd dat Hij machtig is, mijn pand dat bij Hem is weggelegd, te bewaren tot die dag" (2 Timotheüs 1 vers 12).
Het eind van het koninkrijk van Juda lijkt in menig opzicht op de dagen van de tweede Brief aan Timotheüs. Net als de apostel, die ook alleen was en gevangen zat, weet Jeremia, te midden van het verval, in Wie hij geloofd heeft. Zijn gebed stijgt op tot God. Hij stelt de tegenwoordige nood tegenover de zegeningen van vroeger. Maar hij kent de "grote kracht" van de HEERE (vers 17), Zijn "goedertierenheid" (vers 18) en de grootte van Zijn "raad" (vers 19; vergelijk 2 Timotheüs 1 vers 7). "Geen ding is U te wonderlijk", kan hij zeggen (vers 17). Dat is het wat God hem â en ons âbevestigt in Zijn prachtig antwoord (vers 27; vergelijk Mattheüs 19 vers 26).
Opnieuw wendt de HEERE Zich tot Zijn knecht, die in de gevangenis zit. Hij wil hem nog een kostbare openbaring geven en roept hem op, daar om te vragen (vers 3; Amos 3 vers 7). God is altijd bereid om ons over grote en verborgen dingen die wij niet kennen, te onderwijzen. Maar Hij roept ons op Hem daarom te vragen!
Jeremia mag horen over datgene wat hem na aan het hart ligt: het herstel van het volk na de grote ellende die over haar komen zal.
In bepaalde gebieden hier op aarde zie je soms compleet uitgestorven dorpen, doordat de bevolking er is weggetrokken. Je zou haast zeggen dat er nauwelijks iets bestaat wat zo huiveringwekkend is. Hoeveel erger moet de verwoesting van een stad als het doodse en door vuur verwoeste Jeruzalem zijn geweest, na de verbanning van de bewoners (vers 10; zie Nehemia 2 vers 13 en 14). Maar de beloften van God zijn vast en zeker: Vreugde en leven zullen de stad opnieuw vervullen en ze zal een nieuwe naam krijgen: "De HEERE, onze Gerechtigheid" (vers 16).
Dat herinnert ons eraan dat er ook in de hemelse stad niemand kan binnengaan op grond van eigen gerechtigheid. Daar zal alles uitsluitend gegrond zijn op de gerechtigheid van Christus.
En de beide families, waardoor de betrekkingen van het volk met God veilig gesteld worden: de koningen en de priesters, zullen opnieuw vertegenwoordigd zijn (vers 17 en 18).
Terwijl de belegering van Jeruzalem wordt voortgezet, krijgt Jeremia van God de opdracht om koning Zedekia een persoonlijke boodschap te brengen (vers 2 - 6). Het gaat ongetwijfeld om de profetie waarop in hoofdstuk 32 vers 3 gezinspeeld wordt. God belooft de koning hem te zullen ontzien en dat hij in vrede zal sterven. Uit de verzen 8 en 9 kunnen we opmaken dat de bedoelingen van deze man niet slecht waren. In zekere zin stond hij zelfs welwillend tegenover Jeremia (hoofdstuk 38 vers 10 en 16). Maar het ontbrak hem ten enenmale aan een sterk karakter. Hij had niet de daadkracht die het geloof wel aan Nehemia gaf in een soortgelijke situatie (zie Nehemia 5). Zedekia beslist dat alle Hebreeuwse knechten in vrijheid gesteld moeten worden (vers 9), maar hij is niet lang in staat om ervoor te zorgen dat deze opdracht ook daadwerkelijk uitgevoerd wordt. Nu herinnert de God van Israël hem aan de nauwkeurige aanwijzingen zoals de wet die voorschrijft, iets waarmee de vaderen al geen rekening gehouden hadden. En wij mogen hierbij ook denken aan de onderwijzingen over de knecht die uit liefde niet vrijuit wilde gaan â een prachtig beeld van de Heere Jezus (Exodus 21 vers 2 - 6).
God maakt gebruik van de slechte daden van deze mensen, om te illustreren welke straffen hen te wachten staan. Hij zal precies zo handelen als zij, dat wil zeggen, hen de vrijheid, die hen eens toegestaan was, ontnemen, en hen aan het juk van de koning van Babel onderwerpen (Lukas 6 vers 38).
Dit keer moet Jeremia een dienst verrichten die bemoedigender is. God heeft hem de opdracht gegeven om de familieleden van de Rechabieten in het Huis van de HEERE uit te nodigen, om hen op de proef te stellen. Zouden ze van de wijn drinken die de profeet hen aanbood? Vastbesloten wijzen deze mannen de beker die hen wordt voorgezet, af en ze zeggen ook waarom ze dat doen. Als ware Nazireeërs hebben ze een gelofte afgelegd zich van de wijn te onthouden. De wijn is namelijk een beeld van de vreugden van deze wereld (Numeri 6 vers 1- 3).
Bovendien verwerkelijken zij het karakter van vreemdelingen op aarde te zijn, een terrein waar zij zich slechts tijdelijk bevinden (het slot van vers 7): zij zaaien en bouwen niet, maar wonen in tenten. Zij zeggen dat dit hele gedrag hun door hun vader Jonadab geboden is. Deze Jonadab was de trouwe man, die wij in 2 Koningen 10 vers 15 en verder duidelijk positie zien kiezen voor de God van Israël.
Velen van ons hebben ouders of grootouders gehad die hen â zonder dat zij het altijd begrepen â de weg van afzondering van een wereld leerden waarin de christen een vreemdeling is, zoals zijn Heere dat ook geweest is. Meer dan ooit moet dit nu verwerkelijkt worden, omdat Zijn wederkomst aanstaande is (Openbaring 22 vers 11 en 12). En Hij roept ons niet op om ons te onthouden van de vreugden van deze wereld zónder ons tevoren in Hemzelf "een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" gegeven te hebben (1 Petrus 1 vers 8).
De zonen van Rechab zouden gemakkelijk naar voren hebben kunnen brengen dat er sinds de aanwijzingen die hun voorvaderen hadden gekregen, al 250 jaar voorbij waren gegaan en dat het nodig was 'met de tijd mee te gaan'; "uiterlijk gedrag betekent niets, het komt op de instelling van het hart aan" is een bekende uitspraak.
Sommigen brengen ook vandaag zulke gedachten naar voren, om de weg te verbreden. Maar nee! Het is een welgevallen voor God om Zelf te erkennen dat "de kinderen van Jonadab, de zoon van Rechab, het gebod van hun vader, dat hij hun geboden had, bevestigd hebben" (vers 16). Zonder veel ophef (maar zeker niet zonder smaad en lijden) hebben zij van generatie op generatie vastbesloten de Godvrezende lijn, die hun voorvaderen uitgestippeld hebben, nagevolgd. Onder de vreselijke regering van Achaz, Manasse en Amon behoorden zij tot de verborgen getrouwen, die door de Heere gekend werden, net zoals de zevenduizend ten tijde van Elia (zie 1 Koningen 19 vers 18). En wij zouden waarschijnlijk niets van deze familie geweten hebben als God geen gebruik van hen had willen maken om een openlijk getuigenis aan heel Juda te geven. Ja, het voorbeeld van de Rechabieten onderstreept de ongehoorzaamheid van het volk van Jeruzalem.
Zo behoren ook de christenen in deze tijd vast te houden aan de inzettingen die God gegeven heeft (denk bijvoorbeeld aan 1 Korinthe 11), niet alleen als een getuigenis naar de wereld, maar bovenal naar de mede-christenen die deze Goddelijke inzettingen afwijzen, als zijnde 'niet meer van deze tijd' (vergelijk Openbaring 3 vers 8).
We hebben al kennis gemaakt met Baruch, de trouwe vriend en secretaris van Jeremia (hoofdstuk 32 vers 12). Zijn naam betekent 'gezegend'. Hoewel hij tot een voornaam familiegeslacht behoorde (zijn broer was hofmaarschalk (vorst) van de koning; hoofdstuk 51 vers 59), had deze man in plaats van het gezelschap van vorsten â waartoe hij vanwege zijn afstamming het recht had â juist gekozen voor het gezelschap van de gevangen, gehate en verachte profeet. Hij doet ons denken aan Onesiforus, die onbaatzuchtige broeder die Paulus opzocht in de gevangenis in Rome en over wie de apostel aan Timotheüs kan schrijven: "...hij heeft mij dikwijls verkwikt, en heeft zich voor mijn keten niet geschaamd... en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft, weet gij zeer wel" (2 Timotheüs 1 vers 16 - 18).
Baruch is ook altijd tot de dienst bereid, ondanks de risico's waaraan hij zich daardoor blootstelt.
Ja, laten we deze geweldige ijver â een gevolg van de liefde tot God â voor Zijn dienstknechten en Zijn volk toch bewonderen. En laat het toch het verlangen van ons hart zijn, dat we diezelfde ijver mogen bezitten.
De dienst van Baruch betrof hier: het opschrijven van de woorden van God Zelf, zoals Jeremia, de gevangene, ze dicteert (vergelijk Romeinen 16 vers 22), en het voorlezen van die woorden, voor de oren van alle Joden, op de vastendag.
Michaja, iemand die bijzonder opmerkzaam geluisterd heeft, haast zich om de vorsten in te lichten. Zij, op hun beurt, nodigen Baruch uit, opdat hij de inhoud van de boekrol nog een keer speciaal aan hen zal voorlezen.
We hebben gezien hoe Baruch te midden van de vorsten van Juda zat en zich bezighield met het voorlezen van de woorden van de HEERE. Geschrokken kijken deze mannen elkaar aan. De situatie lijkt hen zo ernstig, dat zij van mening zijn dat dit aan de koning meegedeeld moet worden. En nadat de koning naar zijn vorsten geluisterd heeft, geeft hij bevel om de gevreesde rol ook aan hem voor te lezen.
Het valt op, dat ons niets meegedeeld wordt over de inhoud van deze boekrol, noch bij het opstellen, noch bij het voorlezen, waarover we tot drie keer toe lezen. We mogen gerust aannemen dat hoofdstuk 25 van dit Bijbelboek een deel van de inhoud vormde (vergelijk de verzen 1 en 29 van hoofdstuk 36 met hoofdstuk 25 vers 1 en 9).
Nadat de koning een tijd lang, met stijgende ergernis, geluisterd heeft, laat hij de rol verdwijnen door haar kapot te snijden en in het vuur te werpen. Dat was een onzinnige poging om onder het oordeel uit te komen. Met de vernietiging van de rol kon hij namelijk geen enkel woord dat erin geschreven stond, ongedaan maken. Integendeel, op bevel van de HEERE wordt de rol vervangen door een andere, "en daaraan werden nog veel dergelijke woorden toegevoegd" (vers 32). Door zijn handelen bracht de koning nog een zwaardere straf over zich heen (vers 30 en 31; Spreuken 13 vers 13).
Wat zijn er, ook vandaag, nog veel mensen die het Woord van God verachten, ook al zullen ze (misschien) niet direct het vermetele doen van koning Jojakim navolgen (Psalm 50 vers 17; 1 Johannes 4 vers 6)!
Hoofdstuk 37 verplaatst ons weer in de tijd van Zedekia. Minder goddeloos, maar toch zwakker dan zijn voorganger, is ook deze koning doof gebleven voor alle woorden van God. Net als al in hoofdstuk 21 vormt dit echter geen verhindering voor Zedekia om Jeremia om raad te vragen en om zijn voorbede te vragen.
Vaak zijn wij meer geneigd de Heere om iets te vragen dan te luisteren naar hetgeen Hij ons te zeggen heeft! Willen wij echter graag dat Hij onze gebeden verhoort, dan moeten wij eerst beginnen met Hem te gehoorzamen (Johannes 15 vers 7)!
Een tijd lang lijken de gebeurtenissen in tegenspraak te zijn met hetgeen de profeet heeft aangekondigd. In plaats van Jeruzalem in te nemen, hebben de Chaldeeën, die door het leger van Egypte bedreigd worden, de belegering opgeheven en zijn weggetrokken. Het lijkt erop dat de stad bevrijd is. Maar de Heere herinnert Jeremia eraan dat deze situatie van voorbijgaande aard is. Jeremia wil de gelegenheid aangrijpen en de stad verlaten, maar hij wordt herkend, van verraad beschuldigd en naar de vorsten gebracht.
Ten tijde van Jojakim lijken de vorsten betere voorschriften gegeven hebben dan de koning (hoofdstuk 36 vers 19). Onder Zedekia is het juist omgekeerd. Nadat Jeremia door de vorsten geslagen en in de gevangenis geworpen is, laat de koning hem halen voor een bespreking en verbetert de koning de omstandigheden van de gevangene.
De vorsten zijn ontzettend kwaad op Jeremia en beschuldigen hem van doemdenken, van het verspreiden van demotiverende informatie. Ze krijgen van de koning de benodigde volmacht om Jeremia in de kuil te werpen en hem daar te laten sterven. De nood van deze man van God is enorm groot in deze modderige kuil! Hij roept echter de Naam van de HEERE aan en ontvangt een kostbaar antwoord: "Vrees niet!" (lees Klaagliederen 3 vers 52 - 57). De bevrijding is aanstaande. God heeft het werktuig daartoe voorbereid: iemand die zelfs niet tot het volk behoorde, een zwarte dienstknecht van het paleis, genaamd Ebed-Melech. (Hij doet ons denken aan de jongeling die door God gebruikt werd om Paulus te bevrijden; Handelingen 23 vers 16.) Zedekia is gemakkelijk te beïnvloeden, zowel ten goede als ten kwade, en laat zich weer bepraten. En dan lezen we over de moeilijke opdracht om Jeremia uit het slijk op te trekken, hetgeen de opoffering van Ebed-Melech nog meer naar voren laat komen.
Vals beschuldigd, geslagen, in de vreselijke kuil geworpen, in dat alles is Jeremia een bijzonder beeld van de Heere Jezus. Bij het lezen van de laatste woorden van vers 6 gaan onze gedachten uit naar Psalm 69 vers 3: "Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan..." Dat is een beeld van het lijden en de dood van Christus. En vers 13 kan vergeleken worden met het begin van Psalm 40, dat betrekking heeft op de opstanding van Christus: "En Hij heeft Mij uit een ruisende kuil, uit modderig slijk opgehaald..."
Overvallen door zorg en onzekerheid, laat de arme Zedekia opnieuw, in het geheim, Jeremia roepen. Die zegt tegen hem dat hij uit moet gaan tot de vorsten van de Chaldeeën en zich over moet geven. Hij waarschuwt hem voor wat hem te wachten staat wanneer hij dat niet doet: dan dreigt hem dat zijn voeten zullen wegzinken in de modder (vers 22).
Als Jeremia dit zegt, denkt hij ongetwijfeld aan dat wat hijzelf, nog niet zo lang geleden, heeft meegemaakt. Maar wat bestaat er een groot verschil tussen deze twee mannen! Hoewel Zedekia de wil van God heel goed kende, miste hij de kracht om die wil te doen, omdat hij beheerst werd door vrees voor mensen: voor de Chaldeeën en de vorsten (vers 5 en 25), vrees voor de al weggevoerde Joden (vers 19; zie Spreuken 29 vers 25). De ware vreze Gods schijnt hem vreemd te zijn. Ja, wat een verschil, in vergelijking met het vaste vertrouwen dat Jeremia heeft door het geloof.
Deze ontmoeting herinnert ons aan de gebeurtenis uit Handelingen 26, waar de gevangene Paulus voor koning Agrippa verschijnt. Paulus kan met "vrijmoedigheid" tot hem spreken (vers 26) en besluit met de woorden: "Ik wenste wel van God dat ... niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen, zo werden zoals ik ben, uitgenomen deze banden" (vers 29).
Geve de Heere dat ook wij â net zoals een Jeremia en een Paulus in Zijn kracht konden doen â de mensen moedig tegemoet treden, omdat de Hij met ons is (Hebreeën 13 vers 6).
Nu gebeurde het tragische: Jeruzalem wordt ingenomen! Zedekia en zijn krijgslieden proberen door de tuin te vluchten, maar het is te laat! Ze worden vervolgd, gegrepen en voor de koning van Babel geleid. Elf jaar eerder had Nebukadnezar zelf Zedekia op de troon van Juda gezet en hem, bij God, een eed van trouw laten zweren (2 Kronieken 36 vers 13; Ezechiël 17 vers 18 - 20). Doordat Zedekia, met ondersteuning van Egypte, het waagde in opstand te komen (hoofdstuk 37 vers 7), had hij zijn woord gebroken en de vijanden van Israël getoond hoe weinig respect de Israëlieten in feite hadden voor de Naam van de HEERE, waar Nebukadnezar juist wel waarde aan hechtte. Daarom werd deze laffe koning, die zo gemakkelijk zijn eed verbrak, getroffen door zo'n gruwelijke straf.
In de verzen 15 - 18 wordt een persoonlijk woord aan Ebed-Melech gericht. God kende zijn angst (vers 17) â zoals Hij ook alles kent wat ons onrustig maakt â en Hij veroordeelt hem er niet om. Terwijl de vrees van Zedekia hem ertoe bracht op mensen te vertrouwen, om aan andere mensen te ontkomen, werd Ebed-Melech door de doorstane angst juist teruggeworpen op de God van Israël. "...omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de HEERE" (vers 18). Een prachtig getuigenis, dat deze nederige, vreemde slaaf toegang verleent tot de beloften van genade uit hoofdstuk 17 vers 7 en 8 (vergelijk Psalm 37 vers 3, 39 en 40; Ruth 2 vers 12).
Hoe was het, tijdens deze gebeurtenissen, met Jeremia afgelopen? Hij was "tot de dag, dat Jeruzalem werd ingenomen" in de gevangenis gebleven (hoofdstuk 38 vers 28). Daarna werd hij, samen met de andere gevangenen, geboeid en behoorde hij, tot aan Rama, bij de verdrietige stoet van hen die verbannen werden.
Nebuzaradan, de overste van de lijfwacht, aan wie de gevangenen toevertrouwd waren, kreeg persoonlijk van de koning van Babel welwillende aanwijzingen met betrekking tot Jeremia. Er mag hem niet alleen niets overkomen, maar de profeet wordt zelfs gevraagd zelf over zijn eigen lot te beslissen. Wat moet hij doen? Zou hij naar Babel gaan, waar de "goede vijgen" van hoofdstuk 24 waren, de weggevoerden, aan wie de HEERE beloofd had hen te zullen beschermen en te zegenen? Of zou hij bij de minderwaardigen van het land blijven, die men in Juda had achtergelaten? Ondanks de vrijheid die hem aangeboden werd, zag de profeet ervan af zelf te kiezen (vers 5), en daarmee leert hij ons opnieuw een lesje in afhankelijkheid. Het gaat hem er niet om, of hij het zelf naar de zin heeft, maar hij verlangt ernaar om dáár te zijn waar God hem voor Zijn dienst wil hebben.
Zonder speciale aanwijzingen van boven laat Jeremia de keuze over aan de overste van de lijfwacht en erkent hij vervolgens de raad die hem gegeven wordt, als de wil van God.
Met de verwoesting van Jeruzalem en de gevangenneming van haar laatste koning heeft Nebukadnezar elke mogelijkheid tot opstand in het koninkrijk Juda de kop ingedrukt. Toch heeft hij een aantal van de armste bewoners achtergelaten, opdat het land niet helemaal aan de verwoesting prijsgegeven zou worden. En hij heeft Gedalia, een overste die in de gunst staat bij allen, aangesteld om toezicht te houden.
We zien, gedurende deze tijd, dat de HEERE in genade waakt over hen die ontkwamen aan de wegvoering, door hun een rijke oogst te geven (hoofdstuk 40 vers 12; vergelijk Spreuken 30 vers 25).
Maar helaas, deze tijd van gunst is niet blijvend. God, Die de harten kent, laat opnieuw tragische dingen gebeuren, opdat hun toestand openbaar wordt. In de persoon van de koning van de kinderen van Ammon (hoofdstuk 40 vers 14) verschijnt er een oude vijand van Israël ten tonele, van wie men aangenomen had dat hij overwonnen was. Maar hij bestaat nog steeds, en zijn boosaardige neigingen zijn niet veranderd; de zwakheid van het volk biedt hem nu de gelegenheid om dat te tonen.
Zo is het ook bij satan, onze grote tegenstander. Hij legt nooit z'n wapens neer en probeert altijd zijn voordeel te doen met datgene waardoor onze weerstand verzwakt wordt: moeheid, traagheid, gebrek aan waakzaamheid, enzovoort.
Met behulp van Baälis organiseert Ismaël, die ongetwijfeld jaloers was op de machtspositie van Gedalia, een samenzwering om Gedalia en de Joden die bij hem waren in Mizpa, op een laffe manier te vermoorden.
Het bericht van het verschrikkelijke bloedbad van Mizpa was Johanan ter ore gekomen. Snel trok hij op tegen de troep van Ismaël. Bij zijn komst haastte het gehele volk dat Ismaël gevangen genomen had en naar de kinderen van Ammon wilde brengen, zich om zich bij Johanan aan te sluiten. Ismaël zelf komt tot de conclusie dat hij met een overmacht te doen heeft, ontvlucht met acht mannen en vindt een toevlucht bij Baslis, zijn beschermer. Johanan en het bevrijde volk hielden daarentegen halt bij Geruth-Chimham, een herberg. (Misschien dezelfde als die waarin later geen plaats werd gevonden voor de Zoon van God; Lukas 2 vers 7.)
Maar voor deze arme mensen is het gevaar geenszins geweken. Door de moord op de overste die de koning van Babel over het volk had aangesteld, waren de Joden nu blootgesteld aan de toorn van de koning, zodra hij ervan hoorde. Nebukadnezar, die door de herhaaldelijke opstanden van het volk van Juda tot het uiterste gedreven werd, zal niet anders kunnen dan met grote gestrengheid ingrijpen. Deze keer moeten de onschuldigen voor de schuldigen boeten. In hun angst en radeloosheid wenden Johanan en zijn begeleiders zich, naar het schijnt, heel nederig, tot Jeremia, die we hier in hun midden vinden. Hij is de drager van het Woord van God. En dat is â we herhalen het nog een keer â de enige Bron van licht voor dit volk (Psalm 119 vers 105). Maar... dat geldt zeer zeker ook voor ons!
Doordat ze bedreigd werden door de vergeldingsmaatregelen van de koning van Babel, hadden Johanan en zijn begeleiders Jeremia om raad gevraagd.
Denk aan de Heere Jezus, van Wie deze profeet al vaker een beeld geweest is. Hij is altijd bij ons. Laten we nooit nalaten om Hem onze moeilijkheden en angsten bekend te maken.
Tien dagen gaan voorbij. De profeet haast zich niet met zijn antwoord, maar wacht zelf op de openbaring van de gedachten van God.
Waarom laat de Heere ons soms wachten op de verhoring van onze gebeden? Hij wil daardoor ons vertrouwen op Hem op de proef stellen. Het geloof is altijd geduldig. Daarom zal de tijd het leren of ons gebed een gebed van geloof was of, integendeel, dat we, moe van het wachten, zélf een oplossing voor ons probleem gezocht hebben.
De volgende vraag komt op: Moesten ze naar Egypte trekken of in het land blijven? Bij monde van Jeremia laat God Zijn antwoord, vol van genade, maar onherroepelijk, weten: Blijf in het land! Daar zullen jullie gezegend worden. De koning van Babel zal jullie welwillendheid en barmhartigheid betonen. Als jullie naar Egypte zouden trekken, dan zou dat tot jullie verderf zijn.
Gelovige vrienden, hoe de weg die voor ons ligt, ook zijn zal, laten we er altijd voor oppassen die te gaan zonder eerst de wil van de Heere te kennen!
Het volk had zich tot Jeremia gewend en de ernstige verplichting op zich genomen om naar de stem van de HEERE te luisteren, "hetzij goed of kwaad" (hoofdstuk 42 vers 6). En het antwoord liet er geen twijfel over bestaan: ze moesten niet wegtrekken. Dit verbod kwam echter niet overeen met de geheime bedoelingen van Johanan en zijn begeleiders. Zij hadden zich vergist in de prijs voor hun zielen (hoofdstuk 42 vers 20), door te besluiten naar Egypte te gaan. En hoofdstuk 41 vers 17 laat ons zien, dat ze dit plan al bij aankomst in Geruth-Chimham gemaakt hadden. Zelfs voordat zij Jeremia om raad gevraagd hadden! Staat zoiets niet gelijk aan het spotten met God? Wanneer men Hem naar Zijn wil vraagt en desondanks bij voorbaat al weet wat men zelf wil doen?
Maar pas op! Zo'n gebrek aan oprechtheid komt misschien wel vaker voor dan wij denken. Ook wij moeten altijd oppassen voor onze eigen arglistige hart (hoofdstuk 17 vers 9).
Voor de zoveelste keer heeft Jeremia ten onrechte te lijden. Hij wordt door deze brutale mannen beticht van leugen en ze zeggen dat hij uit is op de slavernij en de dood van dit volk. Daarbij blijkt bij Jeremia juist het tegenovergestelde: hij heeft het volk zo lief dat hij zelfs meegaat op die ongelukkige reis.
Ze meenden dat ze zichzelf in veiligheid brachten, maar kwamen toen juist met Nebukadnezar in aanraking (vers 11). Alle maatregelen die wijzelf, uit gebrek aan geloof, nemen, zorgen er vaak voor dat we daardoor beproefd worden. En dat hadden we nu juist zo graag willen voorkomen.
Al aan het begin van dit Boek had de HEERE gevraagd: "En nu, wat hebt gij te doen met de weg van Egypte, om de wateren van Sihor te drinken?" (hoofdstuk 2 vers 18). En Hij wist heel goed waarom Hij geen toestemming gaf voor deze tocht naar Egypte (vergelijk Deuteronomium 17 vers 16). De vreselijke afgodendienst van Juda, vooral sinds de tijd van koning Manasse, was de oorzaak geweest van de oordelen waardoor ze zojuist getroffen waren. En ook in Egypte werd afgodendienst bedreven (het maakt immers niet uit dat de goden daar andere namen hebben, 't zijn afgoden!), en het volk liep gevaar zich nog meer te verontreinigen en in het verderf te storten. En dat is, helaas, ook inderdaad gebeurd!
We kunnen er zeker van zijn dat, wanneer God een weg voor ons afsluit, Hij ons voor gevaren, die Hij kent, wil behoeden, ook al begrijpen wij op dat moment (nog) niets van Zijn beweegredenen. Als wij erin volharden naar eigen wijsheid te handelen, dan kunnen we onszelf de grootste schade berokkenen.
"Waarom doet gij zulk een groot kwaad tegen uw zielen?", vraagt de HEERE hier aan het volk (vers 7).
Ja, laten we nooit uit het oog verliezen dat het onze zielen zijn die we schade toebrengen, wanneer we niet de wil van de Heere doen (Spreuken 8 vers 36).
Wat een halsstarrige mensen! Ondanks alle moeizame lessen hadden de Joden zich "tot op deze dag" niet vernederd; hun trots was niet gebroken (vers 10; hoofdstuk 43 vers 2).
Vastbesloten kiest het volk voor het dienen van de afgoden, zoals hun vaderen gedaan hebben. En het schaamt zich niet dit luid en duidelijk te verkondigen. Het is openlijk in opstand gekomen tegen de HEERE. Hoe ver was het volk Israël, in zedelijk opzicht, gezonken, sinds het in Jozua 24, nadat het van Egypte naar Kanaän getrokken was, de leider volgde en plechtig beloofd had: "Het zij verre van ons, dat wij de Heere verlaten zouden, om andere goden te dienen... Wij zullen de Heere dienen, want Hij is onze God" (lees Jozua 24 vers 16 en 18).
En in al hun oneerlijkheid schrijven deze Joden de ellende die ze nu ervaren, toe aan het feit dat ze gestopt zijn met het vereren van "de koningin des hemels" (vers 17; hoofdstuk 7 vers 18). Terwijl de HEERE hen gewaarschuwd had dat het zwaard, de pest en de honger hen zou treffen in Egypte, grijpen ze het moment waarop deze dingen gebeuren, aan als een gelegenheid om opnieuw aan die afgoden te offeren.
Hoeveel mensen zijn er niet die dezelfde eindconclusie trekken: God heeft mij niet gegeven wat ik wilde! Nou goed, wat kan mij dan nog verhinderen om mijn geluk dan maar in de wereld (waarvan Egypte altijd een beeld is) te zoeken. De wereld zal mij niets weigeren, daar ligt alles voor het oprapen!
Ellendig menselijk hart! Deze verzen leren ons ook dat dit hart tegelijkertijd beheerst kan worden door de macht van het trotse ongeloof en het duistere bijgeloof (2 Korinthe 4 vers 4).
Jeremia heeft het volk aan hun afschuwelijke zonden herinnerd. Hij heeft het hoogst beledigende antwoord van deze groep oproerlingen goed in zijn oren geknoopt en trekt daar nu zijn conclusies uit. Die zijn echter vreselijk! Met uitzondering van een handjevol mensen ("weinig in getal; vers 28) zal dit volk door de slagen van het lot dat hen in Egypte te wachten staat, vernietigd worden (en de "koningin des hemels" zal niet in staat zijn hen daarvoor te beschermen).
In deze tijd van algemeen verval is het echter een troost te weten: "De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn" (2 Timotheüs 2 vers 19). Aan Baruch wordt maar een heel kort hoofdstuk gewijd. God heeft voor hem persoonlijk nog iets te zeggen, zowel woorden van vermaning als van troost. Deze man was â tezamen met Jeremia, die hij niet verlaten had â het onderwerp van laster en openlijke aanklachten geweest (hoofdstuk 43 vers 3). Maar waar het op aankwam, was hoe God over hem dacht (2 Timotheüs 2 vers 15). Baruch, die een afstammeling was van een vorstenfamilie, had misschien gehoopt een rol te kunnen spelen, dat hij misschien de leiding van een ootmoedig en weer hersteld volk op zich kon nemen. Daarom was hij nu misschien zo ontmoedigd (vers 3; Spreuken 24 vers 10). Maar de HEERE vermaant hem: "Zoudt gij u (dus voor zichzelf) grote dingen zoeken? Zoek ze niet!" (vers 5).
De Heere verwacht evenmin grote dingen van ons. Echter met uitzondering van één ding, dat in Zijn ogen heel groot is: trouw (vergelijk Openbaring 3 vers 8)!
Evenals Jesaja in de hoofdstukken 13 en volgende van het Boek Jesaja, wordt Jeremia nu ook opgeroepen om over de volken (heidenen) te profeteren. Het eerste volk is uitgerekend Egypte, waar het volk Israël een toevlucht meende te kunnen vinden. Als beeld van de wereld die de afgoden dient, wordt het getroffen door vreselijke oordelen. Daarbij gaan onze gedachten uit naar uitspraken in het Nieuwe Testament over deze wereld en de gedaante van deze wereld, die vergaat (1 Johannes 2 vers 17; 1 Korinthe 7 vers 31).
"Farao, de koning van Egypte, is maar een gedruis" (vers 17). Dat wil zeggen dat hij ten onder gegaan is. Wat ernstig! Vele grootheden, maar ook minder bekende persoonlijkheden van deze aarde, lijken op deze man. Een poosje zijn ze op dit aards toneel aanwezig en kunnen ze een schrik voor velen zijn, evenals dat bij Farao het geval was. Maar opeens zijn ze er niet meer. De kranten van deze week staan nog vol van hen. En een maand of een jaar later zijn ze vergeten, zijn ze ten onder gegaan.
Er wordt nog iets verdrietigs over Farao gezegd: Zoals eens zijn voorloper in het Boek Exodus zijn hart verhardde, zo heeft ook deze man "de gezette tijd laten voorbijgaan" (vers 17; vergelijk Johannes 12 vers 35).
Beste jonge lezer, we hebben hier een heel ernstige gedachte voor onze aandacht! Laat de tijd om je te bekeren, de tijd om de Heere te dienen en ook de tijd om aan Zijn wens "Doet dat tot Mijn gedachtenis" (Lukas 22 vers 19) gehoor te geven, toch niet voorbijgaan!
Te midden van de oordelen over de volken heeft de HEERE het in het hart om een woord van bemoediging toe te voegen voor het toekomstig overblijfsel van Israël. Als de toekomst van de wereld er steeds donkerder uit gaat zien, wordt het kind van God op dezelfde wijze opgeroepen niet te vrezen, maar juist te denken aan zijn hoop (2 Thessalonika 2 vers 16 en 17).
In hoofdstuk 47 is het de beurt aan de Filistijnen en wordt het oordeel over hen uitgesproken. We weten dat deze vijand van Israël binnen hun grenzen woonde, in tegenstelling tot de anderen volken (Moab, Ammon, Edom, enzovoort), waarvan sprake is in de volgende hoofdstukken. Ook al waren de Filistijnen hen van tijd tot tijd onderdanig, vooral tijdens de regering van David (2 Samuël 8 vers 1), toch kon Israël hen nooit â ook niet in de tijd van machtige koningen â de steden (Gaza, Askelon, enzovoort) ontnemen die tot hun grondgebied behoorden.
Als afstammelingen van Egypte (Misraïm; Genesis 10 vers 6, 13 en 14) zijn de Filistijnen voor ons een beeld van de onbekeerde 'belijders' van deze wereld, zij die een plaats innemen in het land van zegening zonder daar aanspraak op te kunnen maken. Ze maken aanspraak op christelijke voorrechten zonder hét leven te bezitten waardoor je er ook recht op hebt. Ze doen alsof ze kinderen van God zijn, maar in feite zijn het vijanden van Zijn volk en van de waarheid. We moeten hen behandelen naar wat ze zijn en mogen in geen enkel opzicht concessies aan hen doen.
Nadat de HEERE maar een kort hoofdstuk aan de Filistijnen heeft gewijd, heeft Hij daarentegen veel te zeggen over Moab. Dit volk heeft het vertrouwen gesteld op eigen werken en schatten (vers 7), op de eigen god Kamos (vers 13) en op de eigen dappere mannen voor de strijd (vers 14). Maar al deze hulpbronnen waar men op rekende, konden hen niet alleen op geen enkele wijze bevrijden, maar waren zelfs de oorzaak van het oordeel dat dit volk trof (vers 7).
Iets wezenlijks had Moab ontbroken. Het klinkt misschien vreemd, maar dat waren: de beproevingen! Nieuwe wijn moet eerst van het ene vat in het andere gegoten worden, totdat het klaar is voor gebruik. Door deze procedure wordt de werking van de gist steeds minder. Moab had deze 'behandeling' echter nooit ondergaan. Van haar jeugd af aan was het "gerust geweest" (dat is: zonder zorgen; vers 11; vergelijk Zacharia 1 vers 15). Dit volk had nooit door moeilijke omstandigheden zichzelf leren kennen, om de slechte, oorspronkelijke geur te verliezen (dit resultaat probeerde de HEERE bij het volk Israël te bewerken door het in gevangenschap te doen gaan).
Ja, de Heere weet wat Hij doet wanneer Hij ons wakker schudt en ons uit onze zorgeloosheid haalt (Psalm 119 vers 67). Dit onaangename 'overgieten' heeft tot doel dat wij elke keer iets meer van onze eigen wil, onze eigen inbeelding en ons zelfvertrouwen gaan verliezen.
De kinderen van Ammon hadden op een gemene manier geprofiteerd van de wegvoering van de tien stammen, door zich het gebied van Gad, aan de andere kant van de Jordaan, toe te eigenen. Door een terechte verandering van de dingen zullen zij, nadat zij Israël onrechtmatig vererfd hebben, geërfd worden door Israël (het slot van vers 2). Gisteren hebben we gezien hoe de spotter Moab zelf tot een onderwerp van spot werd (hoofdstuk 48 vers 26 en 27). En het is opmerkelijk te moeten constateren dat de oordelen die God stuurt, vaak in betrekking staan tot het onrecht dat men anderen heeft aangedaan. Als wij zulke lessen ter harte nemen, dan is het voor ons gemakkelijker om de betekenis van Mattheüs 7 vers 2 en 12 beter te begrijpen, en er zelf moeite voor te doen om anderen niet anders te bejegenen dan wij zelf graag zouden willen ondervinden.
Hier is het grote kenmerk van Edom: zijn mateloze aanmatiging. Zoals een arend in het woeste gebergte van Seïr woont (vers 16), meende dit volk ook onoverwinnelijk te zijn. Maar God wist hen te vinden en zal hen opnieuw weten te vinden, om hen te doen neerstorten en hun schuilhoek tot een woestenij te maken (vers 13 en Obadja vers 4). In tegenstelling tot Moab en Ammon geeft de HEERE hier tenslotte geen belofte dat Hij verandering zal brengen in de gevangenschap van Edom. "Zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben" (Obadja vers 18; vergelijk Jeremia 48 vers 47 en 49 vers 6).
Na Edom gaat het nu eerst over Damaskus, met Hamath en Arpad, de hoofdsteden van Syrië. Daarna gaat het over Kedar en Hazor, waar nomadenstammen woonden. Ten slotte horen we het oordeel over Elam (Perzië), een volk dat verder van Israël vandaan woont, terwijl alle andere hun buren zijn.
God is rechtvaardig. Hij heeft de straf voor elk volk afzonderlijk precies afgemeten en dat komt overeen met de voorrechten die zij hadden ontvangen (Romeinen 2 vers 6, Daniël 4 vers 35). In hoofdstuk 2 vers 10 en 11 had de HEERE Israël juist met Kedar vergeleken, die, hoewel het een onwetende volksstam was, tenminste nog haar valse goden trouw was gebleven, terwijl Zijn volk zich van de ware God had afgekeerd. Daarom was de schuld van Israël, dat in de wet onderwezen was, veel groter!
Laat ons â vooral als we kinderen van gelovige ouders zijn âaltijd aan de volgende ernstige woorden denken: "Een ieder aan wie veel gegeven is, van die zal veel geëist worden" (Lukas 12 vers 48).
Al deze volken vielen, evenals Juda, door de macht van Nebukadnezar (vers 30) en waren tot evenzoveel provincies van het grote Babylonische rijk geworden. Het was daarom, van de kant van de Joden, tevergeefs en dwaas om zich tot de buren te wenden en daar een toevlucht en veiligheid te zoeken (Psalm 60 vers 13). Hoe zouden die hen te hulp kunnen komen, zij die zichzelf niet konden redden?
Babel, de wieg van de wereldse gezindheid en van het verval, is het laatste volk dat het oordeel van de HEERE te horen krijgt.
Omdat Jeremia de onderwerping onder Nebukadnezar gepredikt had, was hij ervan beschuldigd de Chaldeeën gunstig gezind te zijn en zijn eigen volk te verraden. De lange profetische hoofdstukken laten ons echter zien wat God hem over Babel gezegd heeft. Hij had overigens al gezegd dat als de HEERE gebruik van hem zou maken om Juda te tuchtigen, het moment gekomen zou zijn dat de grote stad zelf al door het oordeel getroffen en tot een eeuwige woestenij geworden zou zijn (hoofdstuk 25 vers 12 -14). Bel-Merodach (de afgod Mardoek) en alle andere goden van Babylon zouden te schande gemaakt worden en tezamen met hen die hen dienden, verdwijnen. Terwijl Israël en Juda absoluut "niet in weduwschap gelaten" zouden worden "door zijn God, door de HEERE der heerscharen" (hoofdstuk 51 vers 5).
De oordelen waardoor Babel getroffen werd, droegen er uiteindelijk toe bij dat de ogen en het hart van het gevangengenomen volk geopend werden. De verzen 4 en 5 van ons hoofdstuk laten ons de tranen en de verootmoediging van het volk zien waarmee zijn terugkeer tot de HEERE begeleid werd. Dit vormde de inleiding tot zijn definitieve bevrijding.
De tegenwoordige wereld is vol van ijdele afgoden, die heel binnenkort allemaal zullen vergaan. Hoe zouden wij, die onderwezen zijn in het Woord van God, ons ooit met hen kunnen inlaten of ons met hen kunnen verbinden (1 Johannes 5 vers 21)?
Dat Israël door de Chaldeeën getuchtigd werd, was zeker naar de wil van God. De woede en de gruwelijke praktijken die zij echter openbaarden bij het uitvoeren van die tuchtiging, rechtvaardigden "de wraak van de HEERE" waarvan Babel nadien het voorwerp was. Bovendien streed Babel, door de aanval op Israël, in feite tegen de HEERE (slot van vers 24; zie Zacharia 2 vers 8). Vooral de vernietiging en de plundering van de tempel vormden een persoonlijke belediging van Hem, Die Zijn heerlijkheid daar liet wonen. Vandaar ook dat de kastijding van Babel "de wraak van Zijn tempel" genoemd wordt (vers 28 en hoofdstuk 51 vers 11).
Het is goed om op te merken dat er, ondanks alle donkerheid in deze hoofdstukken, toch tegelijkertijd zoveel bemoedigingen in staan voor de getrouwen onder het volk van God. De HEERE, hun Verlosser, is sterk; Hij zal de 'rechtszaak' van Israël, "een verbijsterd lam" ter hand nemen om het te redden uit de muil van de leeuwen, die dat lam wilden opeten (vers 17 en 34). "...in die tijd" zal de vergeving van God al hun schuld uitgedelgd hebben, dan "zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zullen niet gevonden worden" (vers 20; vergelijk Numeri 23 vers 21).
Allen die hun schuld beleden hebben en de Heere Jezus hebben aangenomen als hun Heiland en Verlosser, mogen het nu al zingen:
"O schuld'loos Lam, Uw offerbloed delgde onze schuld, Gij droegt de zonden; wij zijn genezen door Uw wonden: Gij schonkt aan ons het hoogste goed. Koningen, priesters zijn wij nu. U, Heer, zij lof en eer gegeven; Gij schonkt aan ons het eeuwig leven. Heer, onze God, we aanbidden U!"
Veel uitdrukkingen die we in deze hoofdstukken tegenkomen, vinden we terug in het Boek Openbaring, in verbinding met het toekomstige Babylon. Daarbij gaat het dan niet meer om een stad, maar om een uitgebreid godsdienstig systeem, een satanische en bedrieglijke nabootsing van de Gemeente van Christus, dat tot volle ontplooiing zal komen als de Gemeente opgenomen zal zijn.
Bij deze ontplooiing van kwaad weerklinkt meerdere keren de Goddelijke oproep: "Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar" (hoofdstuk 50 vers 8, 51 vers 6 en 45, Zacharia 2 vers 7, Openbaring 18 vers 4).
Inderdaad betekent het blijven in Babylon, nadat God het oordeel heeft uitgesproken, enerzijds deelgenoot te zijn van haar zonden en anderzijds zichzelf bloot te stellen aan het gevaar om ook deelgenoot te zullen worden van hetgeen haar zal treffen.
Een soortgelijke oproep richt de Heere nu aan al de Zijnen die zich nog in verschillende kringen van de belijdende christenheid bevinden: "Een ieder die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid!" (2 Timotheüs 2 vers 19). Maar hoewel sommige gelovigen deze ongerechtigheid rondom zich constateren, menen zij desondanks toch in die omgeving, die zo slecht bekend staat, te moeten blijven. Ze hopen door hun aanwezigheid een gunstige invloed te kunnen uitoefenen en iets te kunnen bijdragen aan haar verbetering. Dat staat echter gelijk aan het koesteren van een valse hoop en, tegelijkertijd, zichzelf wijzer te achten dan Hij, Die juist uitdrukkelijk bevolen heeft uit hun midden weg te gaan (2 Korinthe 6 vers 14 -18).
"Gedenkt de HEERE van verre, en laat Jeruzalem in uw hart opkomen" (vers 50). Het trouwe overblijfsel van Israël werd niet opgeroepen om uit het midden van het verdorven Babylon weg te gaan zonder ook te weten waarheen men moest trekken. Om tot dit moedige besluit te komen, moest men eerst van buitenaf door sterke genegenheden aangetrokken worden (Psalm 137 vers 5 en 6). Dat geldt ook voor vandaag; de gelovige wordt opgeroepen om uit de godsdienstige legerplaats, waar alleen maar een mondeling belijden te vinden is, uit te gaan tot Hem, tot de Heere Jezus, Hij Die beloofd heeft in het midden van de "twee of drie" die in Zijn Naam vergaderd zijn, aanwezig te zullen zijn (Hebreeën 13 vers 13 en Mattheüs 18 vers 20).
De Heere besluit de beschrijving van al Zijn oordelen door de ondertekening met een vreselijke Naam: "de God der vergelding" (vers 56). Het is echter heel opmerkelijk dat de woorden over het oordeel over Babylon voorafgaan aan het bericht over de vernietiging van de tempel (hoofdstuk 52). De vernietiging van de Babylonische afgoden moest aangekondigd worden voordat de vernietiging van de tempel zou plaatsvinden (vers 47 en 52). Zodoende zou namelijk niemand op de gedachte kunnen komen dat deze afgoden inderdaad machtiger zouden zijn dan de God van Israël. Zeven jaar voordat Jeruzalem ingenomen werd, moesten al deze woorden in een boek opgeschreven worden. En nadat alles voorgelezen zou zijn, moest dit boek door Seraja, de broer van Baruch, midden in de Frath (Eufraat) geworpen worden. Dat was een teken dat Babel op dezelfde wijze ten onder zou gaan.
Hoofdstuk 52 hoort niet meer bij "de woorden van Jeremia" (hoofdstuk 51 vers 64). Evenals hoofdstuk 39 geeft het een verslag van de gebeurtenissen die een einde maakten aan het koninkrijk van Juda. In grote lijnen is het een herhaling van 2 Koningen 25.
Het uur van het oordeel is aangebroken; dat geldt zowel voor Jeruzalem, haar tempel (vers 17 - 23), haar koning als haar bewoners. De stad wordt ingenomen. Zedekia en zijn leger proberen nog aan het net dat om hen heen getrokken wordt, te ontkomen, door te vluchten. Maar ze hebben niet met de Chaldeeën, maar met God Zelf te doen. Nadat men hen naar Nebukadrezar in Ribla gebracht heeft, worden de ogen van de arme koning van Juda verblind (uitgestoken). Dat is een straf die de bondgenoten die het onderlinge verbond niet trouw bleven, te wachten stond. Daarna wordt hij met "twee koperen ketenen" gebonden en verbannen. Tot aan het eind van zijn ongelukkig leven zal hij zich wellicht herinnerd hebben aan dat wat hij het laatst gezien heeft: de vreselijke slachting van zijn eigen zonen.
Een maand later komt de overste van de lijfwacht terug naar Jeruzalem, om de opstandige stad systematisch te verbranden en af te breken en tevens om een selectie te maken uit het volk. Vers 15 noemt "afvalligen" (overlopers). Er waren dus mensen die naar Jeremia geluisterd hadden.
Deze dingen werden niet alleen vanwege hun geschiedkundige waarde opgeschreven (en herhaald), maar ook tot lering voor onze harten, tot onze vermaning (1 Korinthe 10 vers 11). "Gij dan geliefden, dit tevoren wetende, wacht u..." (2 Petrus 3 vers 17 en 18).
Het stemt je droevig, getuige te zijn van de plundering van het huis van de HEERE en te zien hoe de Chaldeeën de prachtige en machtige zuilen kapotslaan en wegnemen en eraan te denken wat er van het getuigenis van Israël te midden van de volken is geworden. Maar wat zijn in vergelijking daarmee de gevoelens van de Heere Zelf, bij het zien van de verwoesting van Zijn huis, de plaats waar Hij Zijn Naam deed wonen, en als Hij de puinhopen van Jeruzalem ziet (lees 1 Koningen 9 vers 6 - 9)!
Welke waarde krijgen dan daarentegen de beloften die de Heere gegeven heeft aan hen die overwinnen, in Filadelfia! "Wie overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in de tempel van Mijn God... Ik zal op hem schrijven de Naam van Mijn God en de naam... van het nieuwe Jeruzalem... en ook Mijn nieuwe Naam" (Openbaring 3 vers 12).
Beste vrienden, laten we aan het slot van de overdenking van dit Bijbelboek de Heere vragen dat ook wij tot die overwinnaars zullen behoren. Dat wil zeggen dat we, tot aan het moment van Zijn wederkomst, Zijn Woord bewaren en Zijn Naam niet verloochenen.
God laat echter niet toe, dat dit Bijbelboek eindigt met een triest beeld. De genade die Jojachin ondervindt van de kant van de opvolger van Nebukadrezar (vers 31 - 34), getuigt van de zorg die de HEERE voortdurend aan het zwakke overblijfsel van Zijn volk besteedt.
De Klaagliederen van Jeremia geven uitdrukking aan de smart die de profeet gevoeld heeft bij de gebeurtenissen die in het laatste hoofdstuk van zijn Boek beschreven worden, dus bij de inneming en vernietiging van Jeruzalem, door het leger van Nebukadrezar. Maar zoals bij elke profetie gaat ook hier de draagwijdte van de woorden ver boven de omstandigheden die daartoe de aanleiding waren, uit. En de Heilige Geest brengt ons in deze hoofdstukken bij de tijd van de grote verdrukking, waardoor Israël in de toekomst zal moeten gaan.
Het is ontroerend om te zien hoe Jeremia, hoewel hij persoonlijk niet schuldig is, zich verootmoedigt. Van de verootmoediging van Jeruzalem neemt hij als het ware het grootste gedeelte op zich en hij maakt zich één met het volk dat onder het oordeel van God staat. De rampen die hij onophoudelijk heeft aangekondigd en waarin het volk niet wilde geloven, zijn toch gekomen. Iemand anders zou wellicht gezegd hebben: 'Ik heb jullie gewaarschuwd! Had maar naar mij geluisterd!' Maar deze dienstknecht van God probeert hen niet op deze manier te overtroeven. Integendeel zelfs! Voor Jeruzalem, dat op het moment van de verdrukking niemand meer heeft om te helpen (vers 7, Jesaja 51 vers 18 en 19), niemand om te troosten (vers 2, 9, 17 en 21), is Jeremia (een beeld van Christus) de trouwste vriend en de ijverigste voorspraak (zie Spreuken 17 vers 17).
"Gaat het u niet aan, gij allen die voorbij gaat?", roept Jeruzalem te midden van het ongeluk dat haar treft (vers 12).
Hoe vaak gaan wij gevoelloos aan het lijden van anderen voorbij (vers 21)! Hoeveel kostbare gelegenheden om een klein beetje meegevoel te tonen, laten wij nutteloos voorbij gaan! Laten we de Heere toch vragen om gevoelige harten, zodat we het leed van hen die ons omringen, beter kunnen begrijpen en hen, van de kant van God, ware troost kunnen geven.
We kunnen er niet aan ontkomen om bij het zien van deze weergaloze smart, dat ondergaan wordt vanwege de toorn van God, te denken aan het kruis (vers 12). Maar Christus had "niets onbehoorlijks gedaan", terwijl Jeruzalem bij monde van Jeremia toegeeft â net als de moordenaar aan het kruis â dat men dit alles terecht verdiend heeft (vers 18; Lukas 23 vers 41).
Eigenlijk zien we hier ook iets van hen "die voorbijgingen" aan de gekruisigde Heere (vers 21; Mattheüs 27 vers 39). Onder hen "die voorbijgingen" bevonden zich vijandige mensen â en die zijn er vandaag ook nog als het gaat om het kruis â maar ook spotters en bovenal onverschilligen. Voor hen allen geldt de vraag: "Gaat het u niet aan, gij allen die voorbij gaat?"
Beste vriend, de Heere Jezus heeft al dat lijden ook om jou verdragen! Omdat Hij ook jouw heil op het oog had! Laat dat alles je koud? Betekent dat dan helemaal niets voor je?
In het eerste hoofdstuk werden de vijanden van Israël verantwoordelijk geacht voor alles wat dit volk overkwam. Vanaf nu zal alles wat gebeurd is, gezien worden als het handelen van de Heere en als komende van Hem alleen.
Dat het bij ons toch ook zo mag zijn, dat we inzien dat de tuchtiging van Hem komt. Soms doet Hij het om te straffen, maar tenslotte gaat het Hem er alleen maar om, om te zegenen. En in plaats dat we ons bezighouden met datgene wat God gebruikt om Zijn doel met ons te bereiken â denk maar aan: zorgen om de gezondheid, geldzorgen, irritaties op het werk, enzovoort â en proberen om daar zo snel mogelijk vanaf te komen, is het veel beter dat we ons onder de machtige hand van God verootmoedigen en al onze zorgen op Hem werpen, want Hij zorgt voor ons (1 Petrus 5 vers 6 en 7).
Jeruzalem maakt, na alles wat haar is overkomen, de balans op. De koning, de priesters en de profeten werden gevangen genomen of vermoord. Hoogtijdagen kent men niet meer en de muren zijn verwoest. Niets bleef gespaard, zelfs de heiligste dingen niet. Het altaar en het heiligdom werden verontreinigd (hoofdstuk 1 vers 10), verwoest, en de kostbare voorwerpen werden naar Babel afgevoerd. Ja, zelfs de ark, "de voetbank van Zijn voeten" (vers 1; Psalm 132 vers 7) met daarin de twee stenen tafelen van de wet (vers 9; 1 Koningen 8 vers 9) was voor altijd verdwenen! Dat is een bewijs dat God voor de toekomst (tenminste voorlopig) alle betrekkingen met Zijn volk, dat schuldig was, heeft afgebroken.
Met het oog op het beeld dat in voorgaande verzen geschetst werd, is de profeet ontroostbaar. Hij kijkt naar de verwoesting, de breuk, die "zo groot als de zee" is (vers 13), en onophoudelijk stromen zijn tranen.
Eens heeft de Heere Jezus ook geweend over Jeruzalem, omdat Hij van tevoren wist wat de gevolgen van Zijn verwerping voor deze schuldige stad zouden zijn (Lukas 19 vers 41 en verder).
Ook al hadden de koning, de vorsten, de priesters, de valse profeten (vers 14) en het grootste deel van het volk de slagen waardoor zij getroffen werden, verdiend, toch is er een groot aantal dat lijdt zonder direct zelf verantwoordelijk te zijn. Zuigelingen sterven van de honger; grijsaards en kleine kinderen komen van uitputting om op de straten (vers 11, 19 en 21). Desondanks laat Jeremia geen 'waarom' horen. Hij treedt juist op ten gunste van het volk, dat hij zo liefheeft.
De verzen 15 en 16 wijzen ons opnieuw op hen "die voorbij gaan". Maar het gaat nu niet alleen meer om onverschilligheid, zoals in hoofdstuk 1 vers 12. Deze keer schudden zij het hoofd, knersen met de tanden en kijken met schaamteloze blikken, vol haat en verachting.
De Heere Jezus, het heilige Offer, heeft tijdens de uren aan het kruis Zelf deze openbaringen van de menselijke boosheid ondervonden (zie Psalm 22 vers 7 en 8; 35 vers 21).
Met het derde hoofdstuk zijn we in het midden van dit Boek aangekomen en tegelijkertijd horen we de grootste vertwijfeling van de profeet. Hoewel hij niet schuldig is, neemt Jeremia de ongerechtigheden van zijn volk persoonlijk op zich en beziet hij ook de straf als alleen op hem neerkomend: "Ik ben de man die ellende gezien heeft door de roede van Zijn verbolgenheid" (vers 1).
Hiermee is Jeremia een beeld van de Heere Jezus, toen Hij de verzoening voor onze zonden volbracht. Op het lijden dat Hij aan het kruis, van de kant van de mensen, te verdragen had â en waar de verzen 14 en 30 ons aan herinneren (vergelijk Psalm 69 vers 13 en Jesaja 50 vers 6) â volgde gedurende de drie uren van duisternis het lijden dat Hem door God werd aangedaan, toen Hij tot zonde gemaakt werd (2 Korinthe 5 vers 21). Al deze vreselijke uitingen van Gods toorn zijn allemaal het deel geweest van onze Verlosser (vergelijk vers 8 en Psalm 22 vers 2). En toch heeft Zijn vertrouwen en Zijn hoop geen enkel moment gewankeld, terwijl bij Jeremia het vertrouwen en de hoop geweken waren (vers 18).
Vanaf vers 21 zoekt de verdrukte echter zijn hulp bij Hem door Wie hij geslagen werd. En daar vindt zijn geloof, in onderwerping en vertrouwen, de wonderbare barmhartigheden van de HEERE, die "elke morgen nieuw" zijn.
Opdat de beproeving ons er nooit toe zal brengen om aan de liefde van God te twijfelen, haast de profeet zich om er nu aan toe te voegen: "Want Hij plaagt of bedroeft de mensenkinderen niet van harte" (vers 33). Hoeveel temeer geldt dat voor Zijn verlosten!
We lezen in 1 Petrus 1 vers 6 dat Hij het voor "een weinig tijds", en slechts dan wanneer "het nodig is", doet. De beproeving is echter vaak nodig om onze eigen wil, die wij tot ontwikkeling laten komen, te breken. Daarom is het goed voor de mens "dat hij het juk in zijn jeugd draagt" (vers 27). Als je er als kind moeite voor doet om gehoorzaam te zijn en onderwerping aan je ouders te leren, dan bereid je je er als het ware op voor dat je later, tijdens je verdere leven, ook het gezag van de Heere zult erkennen.
De beproeving vormt vaak ook de aanleiding dat wij (weer) tot onszelf komen: "Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken..." (vers 40). Dan zullen we het samen met de Psalmdichter kunnen zeggen: "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest" (Psalm 119 vers 71).
"Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld, in het midden der volken" (vers 45). Paulus maakte dezelfde vergelijking, maar niet om zich te beklagen (zie 1 Korinthe 4 vers 13). Het dienen in het evangelie en de liefde tot de heiligen maakten dat hij deze positie graag innam.
We moeten denken aan die vreselijke kuil waar Jeremia in gegooid werd door hen die "zonder oorzaak" zijn vijanden waren. Dat was de aanleiding voor de verzen 52 en volgende en dat illustreert de doodsangst waar onze Verlosser werkelijk doorheen gegaan is (zie ook Jona 2 vers 3).
De verzen 55 tot en met 58 kunnen echter de ervaring van iedereen zijn die onder de last van zijn zonden zucht en zover komt te erkennen wat de Heere voor hem gedaan heeft.
Het vierde hoofdstuk toont de tegenstelling tussen het tegenwoordige Jeruzalem en dat wat de stad vroeger was. In de tijd van haar grote bloei was alles in de stad prachtig om te zien. De kinderen van Sion werden vergeleken met fijn goud. Maar denk erom, het was slechts een vergelijking! Want toen zij door de beproeving gingen, als door het vuur van de smeltoven, werd alles verteerd, terwijl het echte goud overbleef. Ja, helaas was het slechts een bedrieglijke, uiterlijke glans.
Laten we eraan denken dat een beproeving alle schijn wegneemt en dat dan de ware toestand van het hart openbaar wordt. Het wrede (vers 3), het ontbreken van erbarmen (vers 4), het verfoeilijke egoïsme dat tot afschuwelijke daden leidde (vers 10), dat is het wat nu openlijk zichtbaar wordt bij de inwoners van Jeruzalem. God legt de bodem van hun hart bloot, en het vuur van Zijn oordeel laat niets van hun valse vroomheid over.
In sommige Bijbelvertalingen worden de "bijzondersten" (vers 7) ook wel vertaald met 'vorsten', 'prinsen' of 'Nazireeërs'. De verdorvenheid in Israël ging zelfs door tot hen. Dat wil zeggen: tot hen die zich (net als de ware christenen van vandaag) door reinheid in hun wandel en volkomen afzondering voor God wilden onderscheiden. Het verval, de verdorvenheid, bereikt bij hen helaas een hoogtepunt: "...men kent hen niet op de straten" (vers 8). Er is bij hen geen enkel verschil meer te bespeuren met de andere inwoners van Jeruzalem! Wat erg!
Dan mogen we onszelf afvragen in welke mate wij in ons gedrag te midden van deze wereld nog herkenbaar zijn als dezulken die werkelijk voor de Heere afgezonderd zijn.
En wat hen betreft die de opdracht hadden om over het volk te waken, namelijk de profeten en de priesters: zij hadden het bloed van de rechtvaardigen vergoten (vers 13)! Jeremia wist dit maar al te goed (Jeremia 26 vers 8).
"...ons einde is genaderd, ... ja, ons einde is gekomen", zeggen de verdrukten van het volk (vers 18), nadat zij tevergeefs op "ijdele hulp" gewacht hebben en geconstateerd hebben dat niemand hen kon verlossen (vers 17). Maar juist dát is het moment waarop God zegt: "Uw ongerechtigheid heeft een einde" (vers 22; vergelijk Jesaja 40 vers 1 en 2). Nu was het de beurt aan Edom om de straf te ondergaan.
Zo is het altijd. Wanneer het duidelijk geworden is dat niets en niemand ons kan helpen, en wij aan het eind van onze krachten zijn gekomen, dan is voor God het ogenblik aangebroken waarop Hij, in Zijn almacht, kan ingrijpen en ons kan verlossen.
In een laatste klacht geeft het overblijfsel van het volk een verdrietige en ootmoedige omschrijving van haar toestand, zonder daarbij ook maar iets te verbergen. Niet alleen hun "vaders" (vers 7), maar zijzelf hebben gezondigd en dragen daarvan de smartelijke gevolgen (vers 16).
Zowel een onbekeerde alsook de gelovige die zich door het verkeerde liet overrompelen, moet eerst op dit punt aankomen en zijn toestand inzien. Het is te hopen dat wij allemaal, uit eigen ervaring, dit moeizame werk van God aan ons geweten kennen, want o, wat kan onze hoogmoed een hindernis vormen op de weg die Hij met ons gaat! Toch bestaat er een groot verschil tussen ons en de bedroefden onder dit volk (vers 22). Wij weten dat, op het moment dat wij onze zonden belijden, God ons die al, op grond van het werk van Christus, vergeven heeft!
Deze verzen brengen echter, evenals overigens het gehele Boek, hoofdzakelijk de kant van de gezamenlijke zonde onder de aandacht. En daarbij denken we ook aan het kwaad dat als een zuurdeeg ook de Gemeente heeft doordrongen, zoals de wereldgelijkvormigheid en het verval dat daar een gevolg van is en waarvan de zedelijke uitwerkingen zo beklagenswaardig zijn. Dat beeld wordt ook in dit hoofdstuk geschetst. Wanneer ons de eer van de Heere aan het hart gaat, dan kunnen we niet onverschillig blijven onder zo'n verdrietige toestand. Geve de Heere dat wij ons toch verootmoedigen, maar ook dat wij met ons hele hart vertrouwen op God, Die niet verandert (vers 19).
Het evangelie naar Markus spreekt over de volmaakte Dienstknecht. Daarom wordt hier niet ingegaan op de geboorte van de Heere Jezus en komen we evenmin Zijn geslachtsregister tegen. De waarde van een knecht wordt immers alleen maar bepaald naar de volgende eigenschappen: gehoorzaamheid, trouw en vlijt. Wel wordt de Heere hier vanaf het allereerste begin aangeduid als de Zoon van God. Zodoende zal de lezer zich nooit kunnen vergissen in de Persoon Die hier bedoeld wordt en Zijn nederige dienst waarover verteld wordt. Het gaat hier om een vrijwillige Dienstknecht. Christus Jezus â Die in de gestalte van God was en is â heeft Zelf "de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen" (Filippensen 2 vers 6 en 7).
Johannes heeft zijn getuigenis gegeven en direct daarna begint de Heere met Zijn dienst. Het eerste hoofdstuk wordt gekenmerkt door het woordje "terstond", dat wij hier heel vaak tegenkomen.
De Heere Jezus onderwerpt Zich aan de doop. Hoewel Hij "heilig, onschuldig, onbesmet" was (Hebreeën 7 vers 26), neemt Hij Zijn plaats te midden van berouwvolle zondaren in. Opdat Hij echter niet met hen verward zal worden, geeft God vanuit de hemel een plechtige verklaring over Zijn "heilig Kind (of: Knecht) Jezus" (Handelingen 4 vers 27 en 30). Dit is een verklaring die aan Zijn dienst voorafgaat. Er staat niet: In Wie Ik Mijn welbehagen zal hebben, maar: "In Wie Ik Mijn welbehagen heb" (vers 11).
Daarna wordt de Heere Jezus door de Geest uitgedreven in de woestijn, om daar de vijand te binden die ons gebonden hield (hoofdstuk 3 vers 27). Overal waar wij door de zonde gebracht zijn, is de Heere Jezus door de liefde en de gehoorzaamheid naartoe geleid, om ons te verlossen.
Nadat de Heere Jezus is verschenen, is de dienst van Johannes de Doper afgelopen.
Het Koninkrijk van God is nabij gekomen; de Koning bevindt Zich nu persoonlijk te midden van Zijn volk. En Zijn verkondiging is samen te vatten in twee geboden, die ook nog gelden voor vandaag: "Bekeert u, en gelooft het Evangelie!" (vers 15). De Heere ziet in het hart van ieder persoonlijk het antwoord op deze indringende uitnodiging. En tot hen die hiernaar geluisterd en het aangenomen hebben, richt Hij een andere oproep: Hem na te volgen en te dienen. "Volgt Mij na", zegt Hij tegen de vier discipelen van wie Hij weet wat er in hun harten leeft. En "terstond" volgen zij Hem. Alvorens zij dit konden doen â en dat willen we nog eens benadrukken â was het beslist noodzakelijk dat zij eerst deze oproep van de Heere hadden ontvangen. De mens kan niet uit zichzelf tegen God zeggen: 'Ik geef me aan U over en wil U dienen'. Het is de Heere Die 'kennis van zaken heeft' en beslist: Ik neem jou aan in Mijn dienst.
In Kapernaüm wordt een man die door een boze geest bezeten is en zich in de synagoge bevindt, door de Heere Jezus genezen. De situatie van deze man is een duidelijk beeld van het vreselijke verval waarin Israël verkeerde.
Vanaf het begin van de dienst van de Heere Jezus zien we de strijd tussen Zijn macht en die van de satan â wiens bestaan door zo weinigen geloofd wordt â waardoor zowel de lichamen als de zielen gevangen kunnen worden genomen.
Eerst was het de synagoge van Kapernaüm, nu is het huis van Simon en Andreas de plek waar een wonder van genade plaatsvindt. De Heere Jezus is altijd bereid om in onze huizen ontvangen en opgenomen te worden, om ons Zijn hulp en bevrijding te laten ervaren. Laten we daarom net doen als deze discipelen: Zeg tegen Hem wat ons bezighoudt en waardoor we zo verontrust zijn (vers 30)!
Zodra de schoonmoeder van Simon genezen is, staat zij op om de Heere en de Zijnen te dienen. Ze had immers het Voorbeeld van de allergrootste Dienstknecht voor ogen!
Dan wordt het avond. Voor zo'n Dienstknecht als Hij, is het werk echter nog niet voorbij. Er worden steeds zieken bij Hem gebracht, en onvermoeibaar geneest Hij hen. Wat was het geheim van deze wonderbare bezigheid? Waaruit putte de Heere Jezus steeds opnieuw de kracht om dit vol te houden? In vers 35 zien we dat het de voortdurende gemeenschap met Zijn God was. Laten we er goed op letten, hoe de volmaakte Mens telkens de nieuwe dag begon (vergelijk Jesaja 50 vers 4). Als men Hem echter meedeelt dat bekend geworden is Wie Hij is en dat men Hem zoekt, verlaat Hij de menigte, die toch alleen maar nieuwsgierig is en wonderen wil zien. Hij gaat weg om ergens anders het evangelie te verkondigen.
Vervolgens geneest Hij een melaatse en geeft hem duidelijke aanwijzingen hoe hij daarvan moet getuigen: overeenkomstig de Schriften (vers 44; Leviticus 14). Helaas handelt de genezen man naar eigen gedachten en dat is tot schade van het werk van God in deze stad.
In het huis in Kapernaüm maakt de Heere Jezus Zich bekend als Degene Die, volgens Psalm 103 vers 3, al onze ongerechtigheid vergeeft en Die al onze ziekten geneest. Ten opzichte van de verlamde volbracht Hij de beide dingen die in dit Bijbelvers genoemd worden, tot een getuigenis voor allen. Ja, Hij Die de zonden vergeeft â een geestelijk werk âen daarvoor een uiterlijk bewijs geeft door de ziekte te genezen, kan niemand anders zijn dan de HEERE, de God van Israël.
Tollenaars haalden de belastingen op voor de Romeinen. Hierdoor werden ze zelf wel rijk (want een deel van die belastingen mochten ze zelf houden), maar ze stonden ook bloot aan de verachting van de kant van hun landgenoten. De Heere laat door de roeping van Levi â en dat hij Zijn uitnodiging aanneemt â echter zien dat Hij niemand veracht of afwijst. Integendeel, Hij is gekomen voor de zondaren die hun toestand â ook al is die nog zo slecht â niet voor Hem verbergen (1 Timotheüs 1 vers 15). Hij gaat met hen aan tafel en maakt Zichzelf tot hun Gastheer. Sinds de zondeval heeft de mens namelijk angst voor God en vlucht voor Hem weg, omdat hij een slecht geweten heeft. Het eerste wat God daarom deed, voordat Hij Zijn schepsel redde, was tot hem naderen om zijn vertrouwen te winnen. Dat deed de Heere Jezus doordat Hij Zich zo diep vernederd heeft, om de ellendige mens te kunnen ontmoeten en hem duidelijk te maken dat God hem liefheeft.
Het woordje "terstond" is een kenmerk van de volmaakte Dienstknecht. De ongelovige Joden kenmerken zich echter door de woorden "wat" en "waarom" (vers 7, 16, 18 en 24). Op hun vraag met betrekking tot het vasten antwoordt de Heere Jezus dat het daarbij gaat om een teken van droefheid, een teken dat voor hen niet op zijn plaats was toen Hij in hun midden was. Zijn komst zou voor het hele volk immers tot een grote vreugde moeten zijn (Lukas 2 vers 10)!
Daarna grijpt Hij de gelegenheid aan, om de voorschriften en overleveringen van het Jodendom tegenover het evangelie van de vrije genade te stellen. Hij was immers gekomen om hun die genade te brengen! Wat is het dan verdrietig te moeten zien, dat de mens liever bepaalde godsdienstige vormen heeft dan dit evangelie. Door zulke vormen in acht te houden, verschaft hij zichzelf namelijk een goede naam in de ogen van anderen en... kan hij tevens doorgaan met het doen van zijn eigen wil! Vers 22 maakt daarentegen duidelijk dat de christen een geheel nieuwe mens geworden is. Als het hart van de mens vernieuwd is en vervuld is met een nieuwe blijdschap, dan heeft dat zeer zeker ook een uitwerking op zijn uiterlijk gedrag.
De Farizeeën tikten de discipelen op de vingers, omdat zij aren plukten op de sabbat. De mens verdraait altijd het doel van hetgeen God hem heeft gegeven. De sabbat was een genade die Israël deelachtig geworden was. Dit volk had het echter als een juk gebruikt, om hierdoor z'n morele slavernij te vergroten (Handelingen 15 vers 10).
In de synagoge van Kapernaüm wordt opnieuw iemand genezen, en weer gebeurt dat op de sabbat (hoofdstuk 1 vers 21 en verder). De Heere eist juist van de patiënt met z'n verdorde hand datgene te doen waartoe hij niet in staat is. Maar omdat deze mens begint met gehoorzaamheid, bewijst hij zijn geloof. En door dit geloof is de Heere Jezus vervolgens in staat hem te genezen. En dan zien we hoe verhard de harten van de andere aanwezigen zijn! In plaats van blij te zijn met de genezen man en de macht van de Heere te bewonderen, gebruiken deze slechte mensen het wonder als voorwendsel om Hem te doden. Hij gaat echter verder met Zijn dienst van genade en de volksmenigte, de vreemdelingen uit Tyrus en Sidon incluis (en zelfs de Edomieten), komen steeds naar Hem toe om iets van Hem te horen en genezing te vinden.
Vervolgens kiest de Heere twaalf discipelen uit, "opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij hen zou uitzenden" (vers 14; vergelijk Johannes 15 vers 16). Bij de Heere Jezus te zijn is een wonderbaar voorrecht en tegelijkertijd een absolute voorwaarde om daarna uitgezonden te worden. Hoe zou men een dienst kunnen doen zonder eerst zelf Zijn aanwijzingen ontvangen te hebben (Jeremia 23 vers 21 en 22)?
In dit evangelie wordt elke discipel apart genoemd, om ons eraan te herinneren dat een dienstknecht zijn aanwijzingen en hulp rechtstreeks en persoonlijk van zijn Meester moet verwachten.
De Heere is er altijd voor hen die tot Hem willen komen. Hij laat het dan ook toe dat de menigte het huis binnenkomt waar Hij is; en dan begint Hij onmiddellijk hen te onderwijzen, zonder zelfs tijd te hebben om te eten. Laten wij, die er vaak maar zo weinig toe bereid zijn om onze huisdeur te openen voor een vreemde en die liever niet gestoord willen worden en onze gewoonten niet graag veranderen, toch een voorbeeld nemen aan Hem! Het kenmerk van Hem was onvermoeibare overgave en een volkomen afzien van Zichzelf. Laten we er ook om denken, dat zo'n ongewenste bezoeker misschien wel op onze weg geplaats is, opdat wij hem iets over het heil van zijn ziel mogen vertellen!
Sommige mensen kunnen erg verontrust worden over vers 29. Ze zijn bang dat ze op een zeker moment, ondoordacht misschien, iets gezegd hebben wat nooit vergeven zou kunnen worden. Dat betekent echter dat je de genade van God miskent. "Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde", zegt 1 Johannes 1 vers 7. Lastering tegen de Heilige Geest was de vreselijkste zonde waaraan het ongelovig Israël zich schuldig kon maken. Dit volk schreef de macht van de Heilige Geest, waarmee de Heere Jezus bekleed was, toe aan satan. Dat was een uiterst zwaarwegende uitspraak en bovendien ging het tegen elk verstandig inzicht in (vers 26).
In het laatste gedeelte van dit hoofdstuk zegt de Heere Jezus duidelijk, wie Hij tot Zijn familie rekent. Het doen van de wil van God betekende â en dat geldt ook nog voor vandaag â de Heere Jezus gehoorzamen.
De Heere Jezus bevindt Zich nu in de omgeving van de zee en onderwijst de volksmenigte. Hij maakt daarbij gebruik van beeldspraak en spreekt in de vorm van gelijkenissen.
De eerste gelijkenis is die van de zaaier. Daarin stelt de Heere Zichzelf voor als Degene Die het goede zaad van het evangelie in de wereld brengt en het daar uitzaait. Hoewel Hij de harten kent en weet op welke wijze zij de waarheid zouden opnemen â of niet opnemen â biedt Hij iedereen de gelegenheid om met het Woord des levens in verbinding te komen. Hebt u, heb jij dat al aangenomen?
We mogen niet in verwarring raken door vers 12, alsof de Heere bang zou zijn dat de mensen zich zouden bekeren en dat Hij, tegen Zijn wil, gedwongen zou worden om hun zonden te vergeven! We moeten goed begrijpen dat het hier gaat om het volk Israël als geheel. Dat volk als geheel gezien, heeft de Heere Jezus ervan beschuldigd een demon te hebben, en daarmee heeft het het getuigenis van de Heilige Geest verworpen. Zo'n zonde kan niet vergeven worden en als volk zal Israël verhard zijn (hoofdstuk 3 vers 29; Romeinen 11 vers 7, 8 en 25).
Maar voor allen die de Heere Jezus "afzonderlijk" iets willen vragen, is er altijd plaats bij Hem â toen, maar ook nu âom naar de openbaring van de verborgenheid van het Koninkrijk van God te luisteren (vers 11 en 34; vergelijk Spreuken 28 vers 5).
Laten we toch allen gebruik maken van dit grote voorrecht en laten we vooral niet nalaten de samenkomsten te bezoeken, waar we ons rondom de Heere scharen om Zijn Woord te horen!
Hier legt de Heere Jezus de gelijkenis van de zaaier uit aan Zijn discipelen. Deze gelijkenis vormt het uitgangspunt voor alle onderwijzingen van Hem (vers 13). Om de lessen van de Heere te begrijpen, is het inderdaad nodig dat eerst het evangelie wortel geschoten heeft in het hart.
Zelfs voor ons, als ware gelovigen, is het nodig ervoor op te passen om niet op de drie eerste zaaiplekken te gaan lijken. Satan probeert namelijk niet alleen de goede boodschap van het heil, nadat het gezaaid is, weg te nemen, maar heeft ook nog andere pijlen op zijn boog. Hoeveel woorden heeft God al niet aan ons gericht waarvoor onze harten ongevoelig bleven, omdat ons hart door onze verbindingen met de wereld net zo hard geworden is als die bewuste weg (zie hoofdstuk 6 vers 52)? Is het ook al niet voorgekomen dat wij volgens onze gevoelens gehandeld hebben, totdat een beproeving ons gebrek aan afhankelijkheid en geloof aan het licht bracht (vergelijk vers 17)?
In tegenstelling tot zorgeloosheid kun je je juist ook zorgen maken over iets. Beide dingen zijn even schadelijk (Lukas 21 vers 34)! Door "de verleiding van de rijkdom en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen" (vers 19) kan het geestelijke leven van een kind van God een tijd lang verstikt worden en kan de Heere de vrucht ontnomen worden die er in de tijd van de oogst had moeten zijn (Titus 3 vers 14). De Heere Jezus spreekt ook uitdrukkelijk tot ons hart: "Ziet, wat gij hoort" (vers 24). En in Lukas 8 vers 18 lezen wij: Ziet dan, hoe gij hoort". Ja, op welke wijze nemen wij het Woord van God op?
De gelijkenis in de verzen 26 - 29, die wel overeenkomt met de gelijkenis van het onkruid in de akker uit Mattheüs 13, geeft hier toch een heel andere les. Hier in Markus is er alleen sprake van het handelen van God, terwijl in Mattheüs de vijand ook werkzaam is, ten gevolge van de nalatigheid van de mensen die slapen. In vers 27 van het Schriftgedeelte van vandaag lijkt het erop, dat ook de Zaaier in slaap gevallen is. Maar in werkelijkheid houdt Hij dag en nacht de wacht over Zijn kostbaar zaad en omringt Hij het met alle zorg die nodig is, opdat er groei zal zijn tot aan het tijdstip van de oogst. Beste gelovige vrienden, wij menen misschien wel eens, dat de Heere onverschillig is, dat het is alsof Hij onze gebeden niet hoort en alsof Hij Zijn werken gestaakt heeft. Laten we dan onze ogen opheffen, zoals de Heere Jezus ook de discipelen oproept om dat, in geloof, te doen. De velden zijn al wit om te oogsten (Johannes 4 vers 35).
Tijdens de overtocht naar de andere oever â wat een beeld is van de reis, vol gevaren, van de gelovige door deze wereld â zijn de discipelen niet alleen. Ze hebben de Heere Jezus meegenomen in het schip, "gelijk Hij... was" (vers 36). Veel mensen maken zich een valse voorstelling en een verkeerd beeld van de Heere Jezus. "Wie is toch Deze...?", vragen de discipelen. Hij is Dezelfde Die "de wind in Zijn vuisten verzameld" en "de wateren in een kleed gebonden" heeft (Spreuken 30 vers 4).
De Heere Jezus en Zijn discipelen komen met het schip bij de andere oever, "in het land der Gadarénen" en leggen daar aan. De eerste persoon die zij daar ontmoeten, is een man die volkomen bezeten is door demonen, waardoor hij ontzettend woest en niet te binden is. Een verschrikkelijk feit! Deze woeste man is het morele beeld van de zondaar, die een speelbal van de duivel is; ja, van iemand die door zijn brute lusten gedreven en geplaagd wordt en die bij de dood (in de graven) woont; iemand die gevaarlijk is voor zijn medemens, maar ook zichzelf alleen maar kwaad kan doen. Een vreselijke toestand, maar... zo is ónze natuurlijke toestand!
Wij zouden ons zeker met afschuw en vol ontzetting van dit schepsel afgekeerd hebben. De Heere Jezus doet dat echter niet! Integendeel zelfs, Hij houdt Zich juist bezig met deze ongelukkige man. Niet om hem met ketenen te binden, zoals de andere mensen tevergeefs geprobeerd hadden, maar om hem juist uit zijn ellende en slavernij te bevrijden.
Voor de inwoners van de stad is het wonder dat gebeurd is, van minder belang dan het verlies van hun varkens! De Heere Jezus voldoet aan hun verzoek en gaat weg, maar laat daar wel een getuige achter. En wie zou dat beter kunnen zijn dan hij die eens bezeten was!
Is dat niet een prachtig beeld van de tegenwoordige tijd? Ook al is Hij door de wereld verworpen, toch heeft de Heere Jezus juist daar personen geplaatst die Hij gered heeft. En hun geeft Hij de opdracht om van Hem te vertellen. Hoe vervullen wij deze taak (lees Psalm 66 vers 16)?
Een overste van de synagoge â Jaïrus heet hij â is naar de Heere Jezus toe gekomen, om Hem te vragen of Hij wil komen om z'n dochtertje beter te maken. Terwijl de Meester onderweg is naar Jaïrus, komt er echter een vrouw die door geen enkele dokter geholpen kon worden en die nu in het geheim de toevlucht neemt tot Hem, Die macht heeft om te genezen.
Beste vriend, misschien heb jij ook al op allerlei plaatsen, op alle mogelijke manieren geprobeerd om verlost te worden uit je morele ellende. De Heere Jezus is vandaag ook voor jou nog 'binnen handbereik'! Doe als die arme vrouw: raak de zoom van Zijn kleed aan (vergelijk hoofdstuk 6 vers 56)! Ga naar Hem toe, Hij wil je graag helpen!
De vrouw weet dat ze genezen is van haar kwaal en de Heere weet het ook. Maar nu is het nodig dat ook anderen het horen; daarom zorgt de Heere ervoor dat zij haar schuchterheid overwint en openlijk "al de waarheid" belijdt (vers 33). En als antwoord op haar geloof ontvangt zij dan een woord van genade dat van veel grotere waarde is dan de genezing van haar ziekte: "Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede!" (vers 34).
Ondertussen is er in het huis van Jaïrus alleen maar troosteloos gehuil te horen (dat zelfs niet echt gemeend was; zie vers 40). De Heere Jezus bemoedigt de arme vader echter met een paar woorden, waardoor Hij de gedachten van deze man â en ook die van ons â op God richt: "Vrees niet, geloof alleen!" (vers 36). En met een paar andere woorden â die zo aangrijpend zijn dat de Geest ons die in dezelfde taal meedeelt als waarin de Heiland ze uitgesproken heeft â maakt de Heere Jezus vervolgens het jonge meisje weer levend.
Voor de inwoners van Nazareth was de Heere Jezus gewoon "de timmerman" (vers 3). Tot aan de leeftijd van dertig jaar had Hij Zijn heerlijkheid verborgen onder het nederige werk van een gewone handwerksman uit een dorpje. Zo'n vernedering is voor de natuurlijke mens onbegrijpelijk, omdat zo iemand gewend is naar uiterlijke schijn te oordelen.
Als het al moeilijk was dat het getuigenis van de Heere "in Zijn vaderland, en onder Zijn verwanten, en in Zijn huis" (vers 4) werd aangenomen, hoeveel te meer is dat dan voor ons getuigenis het geval. Onze omgeving kent ons namelijk zo goed en weet van onze misstappen en ons verdrietige verleden. Toch zullen ook dan juist de vruchten van het nieuwe leven des te duidelijker zichtbaar worden. Dat zal dan â zonder woorden â een werkzame prediking zijn (Filippi 2 vers 15).
In hoofdstuk 3 vers 13 - 19 had de Heere Jezus Zijn twaalf discipelen al uitgekozen. Hier stuurt Hij hen eropuit om bekering te prediken. De Heere vermaant hen niets mee te nemen voor onderweg. Hun leven moet een leven in geloof zijn. Ieder moment zullen zij dat ontvangen wat zij voor de dienst en hun eigen behoeften nodig hebben. Zouden ze voorraden meenemen, dan zouden ze kostbare ervaringen missen en zou de band waarmee zij met de afwezige Meester verbonden zijn, uit het oog verloren worden.
Ze kunnen echter niet zonder sandalen. Dat herinnert ons aan de "bereidheid van het Evangelie van de vrede" (Efeze 6 vers 15). De wandel van elke gelovige moet hiermee versierd zijn, om de boodschap van genade â die hij mag doorgeven â hierdoor te bevestigen (vergelijk Romeinen 10 vers 15).
Voor iemand met een slecht geweten vormt alles een aanleiding tot angst (Spreuken 28 vers 1). Toen Herodes, die Johannes de Doper had laten onthoofden, over de Heere Jezus hoorde praten, werd hij hevig ontsteld. Stel je voor dat die profeet weer uit de doden opgestaan zou zijn! Dat zou betekenen dat God Zelf partij gekozen had voor degene die hij had laten doden! Om dezelfde reden zullen de mensen met angst vervuld zijn wanneer de Heere Jezus, de Gekruisigde, op de wolken des hemels zal verschijnen (Openbaring 6 vers 15 - 17).
Gelukzalig is het deel van Johannes de Doper, de grootste onder de profeten, maar wat een tegenstelling tot het lot van zijn arme moordenaar! Deze Herodes is eerder laf dan wreed, zoals zijn vader, Herodes de Grote, was. Hij werd beheerst door zijn zwakke karakter en zijn begeerte. Desondanks "deed hij vele dingen" toen hij naar Johannes luisterde (vers 20) behalve dat ene: zijn leven in overeenstemming brengen met de wil van God. Veel en zelfs goede dingen doen, is niet voldoende om Hem welgevallig te kunnen zijn.
Toen kwam "er een welgelegen dag" (vers 21), een dag die geschikt was voor satan en de beide vrouwen die hij gebruikte. Er was een feestmaaltijd, de verleiding van een dans, een ondoordachte belofte, waaraan hij zich uit eigenliefde wilde houden â meer was er niet nodig om de vreselijke misdaad ten uitvoer te brengen, een daad die Herodes met een ontzettend onrustig geweten moest bekopen!
De apostelen komen weer terug bij de Heere Jezus. Ze zijn helemaal vervuld van hetgeen zij gedaan hebben en willen Hem daar gauw alles over vertellen. De Meester weet dat zij nu een poosje rust nodig hebben en Hij geeft hen dat, samen met Hemzelf, op "een woeste plaats".
Wij menen soms misschien ook wel, dat we nodig wat ontspanning moeten hebben. Laten we dan eens goed letten op de voorwaarden waaronder de discipelen deze rust konden en mochten genieten:
De rust volgt op het bezig zijn voor de Heere.
Het gaat daarbij slechts om "een weinig" rust, want de aarde kan geen blijvende rust geven (zie Micha 2 vers 10).
Die rust is te vinden in afzondering van de wereld, en nooit in het vermaak en de 'ontspanning' die de wereld aanbiedt.
Die rust is alleen te genieten samen met de Heere!
Inderdaad is de rust van korte duur! De scharen komen er al weer aan. De Heere Jezus wil eerst hun zielen voeden en daarna pas hun lichamen (Mattheüs 4 vers 4), maar voordat het zover is, stelt Hij Zijn discipelen op de proef. Zij hadden immers zojuist verteld wat zij allemaal gedaan hadden. Nu is er een prachtige gelegenheid om te tonen wat ze kunnen, in plaats van de mensen weg te sturen. "Geeft gij hun te eten", zegt de Heere Jezus, om hen duidelijk te maken, dat alle macht echter van Hem komt (vers 37). Tegelijkertijd laat Hij hen in genade deelnemen aan het teken van Zijn goedertierenheid. Wijsheid, macht en liefde, dát zijn de karaktertrekken van de volmaakte
Bij de eerste overtocht over de zee (hoofdstuk 4 vers 35 - 42) was de Heere Jezus bij de discipelen in het schip, hoewel Hij toen sliep. Hier wordt het geloof van de twaalf discipelen opnieuw op de proef gesteld, want nu is hun Meester niet bij hen. Hij is de berg op gegaan om te bidden, terwijl zij alleen in de nacht tegen de wind en de golven moeten vechten. Zij hebben de Heere Jezus uit het oog verloren, maar Hij â en dat is van hele grote betekenis! â zag hen wel op die woelige zee (vers 48). En tegen het eind van de nacht komt Hij naar hen toe (lees Job 9 vers 8). Wat zijn ze slecht op Zijn komst voorbereid! Dan maakt Hij Zich aan hen bekend en bemoedigt Hij hen met de woorden: "Weest welgemoed, Ik ben het; vreest niet" (vers 50; Jesaja 43 vers 2). Hoeveel gelovigen die door beproevingen zijn gegaan en aan het eind van hun krachten waren aangekomen, mochten deze stem van de Heere al horen! De stem die hen herinnerde aan Zijn liefde en aanwezigheid!
Als ze voor de tweede keer aan de oever, in de buurt van Gennésareth, aankomen, wordt de Heere Jezus daar heel anders opgenomen dan bij Zijn eerste bezoek. Hoewel we hier niets lezen over hem die eerst "Legio" heette (hoofdstuk 5 vers 9), kan de manier waarop de Heere hier nu ontvangen wordt, slechts het resultaat zijn van het trouwe getuigenis van deze man (hoofdstuk 5 vers 20).
Geve de Heere, dat Hij ook ons getuigenis kan zegenen, terwijl wij Zijn wederkomst verwachten!
De Farizeeën zijn jaloers op de Heere Jezus, omdat de volksmenigte zoveel belangstelling voor Hem heeft. Omdat zij echter bang zijn voor deze menigte, wagen ze het niet om openlijk tegen Hem in opstand te komen. Daarom beschuldigen ze Zijn discipelen, zoals ze ook al in hoofdstuk 2 vers 24 gedaan hebben. Voor deze huichelaars was de uiterlijke reinheid veel belangrijker dan de reinheid van het geweten, waarmee ze zich maar weinig bezighielden. Het is echt waar, dat een godsdienst zonder heiligheid tegemoetkomt aan het verlangen van het natuurlijke hart. De Farizeeën waren alleen bezorgd om hun eigen eer en aanzien bij de mensen en niet om de erkenning van God.
Het doel van de gelovigen is daarentegen, om bovenal de Heere welgevallig te zijn (zie Galaten 1 vers 10). En omdat Hij precies weet wat er in ons hart omgaat, zal dat voor ons een aanleiding zijn tot een zorgvuldige, innerlijke reiniging. Anders gezegd: we zullen onze gedachten, onze beweegredenen en onze bedoelingen in het licht van het Woord van God gaan beoordelen, het Woord dat de kleinste bevlekking openbaar maakt.
De Heere Jezus laat deze Farizeeën zien dat hun eigen overleveringen zelfs zo ver gaan, dat ze tegen de Goddelijke geboden in gaan. Dat blijkt bij hen heel duidelijk uit hun gedachten over het achten van en zorgen voor de ouders.
Laten ook wij oppassen voor het gevaar van overlevering! Iets doen omdat men 'het altijd zo gedaan heeft', neemt elke oefening weg en kan ons ontzettend misleiden. We zouden altijd, bij ons hele doen en laten, moeten nagaan wat de Schrift zegt!
De Heere Jezus, Die het hart van de mens door en door kent, vermaant de discipelen tot waakzaamheid met betrekking tot hetgeen uit het hart naar voren kan komen. Ook wij bezitten dit natuurlijke hart, maar â God zij geprezen â er bestaat een 'geneesmiddel' voor deze toestand (Psalm 51 vers 12).
Nadat de Heere Jezus zojuist verdrietige dingen moest constateren, kunnen we ons indenken dat het een grote vreugde voor Hem was, die Griekse vrouw te ontmoeten. Het lijkt alsof de Heere haar eerst op een harde wijze tegemoet treedt. Hierdoor komt echter niet alleen haar grote geloof naar voren, dat door niets ontmoedigd wordt, maar daardoor wordt ook haar ware nederigheid des te duidelijker zichtbaar. In tegenstelling tot de hoogmoedige Farizeeën maakt deze vrouw nergens aanspraak op. Evenmin meent zij ergens recht op te hebben door eigen verdienste. Zij neemt de juiste plaats in voor God en erkent het oordeel dat overeenkomt met haar positie (Jesaja 57 vers 15).
Vervolgens lezen we over een doofstomme man, die de Heere Jezus, nadat Hij hem apart genomen heeft van de volksmenigte, het gebruik van zijn zintuigen teruggeeft. Wie zou het recht gehad hebben om zich in deze ontmoeting, tussen de Heiland en die arme patiënt, te mengen? De bekering van een zondaar vereist een directe, persoonlijke en innerlijke aanraking met de Heere (zie ook hoofdstuk 8 vers 23).
Het Schriftgedeelte voor vandaag eindigt met het getuigenis van de volksmenigte over de Heere Jezus: "Hij heeft alles wel gedaan" (vers 37). En elke gelovige zou, terugziend op zijn eigen leven, kunnen zeggen: 'Ja, Heere, U hebt alles welgemaakt!'
Er zijn verschillende redenen op te noemen om 'goed te doen'. Het kan bijvoorbeeld gedaan worden voor je eigen aanzien, zoals dat het geval was bij de Farizeeën. Je kunt het ook doen om je eigen geweten gerust te stellen, door een bepaalde sociale plicht te vervullen. En helaas moeten we vaststellen dat vaak blijkt dat heel veel werken onder de christenen slechts deze drijfveer hebben! Wat de Heere Jezus echter steeds bewoog om goed te doen, was Zijn medelijden met de volksmenigte, die Hij hier voor de tweede keer van voedsel voorziet, door een daad van Zijn macht (vers 2; hoofdstuk 6 vers 34).
Het is voor ons onmogelijk om contact met de mensen van de wereld, waarin wij moeten leven en werken, te vermijden. Door deze dagelijkse contacten, en dus het onvermijdelijk in aanraking komen met haar begeerte en vuil, kunnen we echter verhard raken. We kunnen er zo aan gewend raken al die materiële, zedelijke en vooral geestelijke ellende te zien, dat we er niet veel meer onder lijden. De Heere Jezus behield en bewaarde echter een Goddelijk gevoelig hart. De toestand van de doofstomme man in hoofdstuk 7 vers 34 liet Hem als het ware zuchten en opzien naar de hemel. Hier, in vers 12, is het het ongeloof van de Farizeeën waardoor Hij genoodzaakt is diep te zuchten in Zijn geest. En ten slotte doet de hardheid van het hart van Zijn eigen discipelen Hem ook pijn (zie ook hoofdstuk 6 vers 52; 7 vers 18). Die beide wonderen waarbij zij aanwezig waren, waren helaas niet voldoende geweest om hen vertrouwen in hun Meester te geven (vergelijk Johannes 14 vers 8 en 9)! Wat heeft de Heere tijdens Zijn leven hier op aarde veel geleden door Zijn meegevoel met anderen, maar ook vanwege het ongeloof en ondankbaarheid van de mensen â soms zelfs van de Zijnen.
In Bethsaïda, de stad die vanwege het ongeloof speciaal door de Heere genoemd wordt (Mattheüs 11 vers 21), verricht Hij nog een wonder aan een arme blinde. Hier is een tweevoudig ingrijpen nodig om hem te genezen. Het kan soms gebeuren dat men stapje voor stapje, en dus pas na langere tijd, volledig in het licht van God komt (Psalm 138 vers 8; Filippi 1 vers 6).
Vervolgens vraagt de Heere Jezus de discipelen naar de meningen die over Hem in omloop zijn. En ten slotte stelt Hij hun de directe en belangrijkste vraag: "Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?" (vers 29). Ja, welke gedachten anderen ook over de Heere Jezus mogen hebben, ikzelf moet Hem persoonlijk leren kennen! De waarde die Hij voor mij heeft, is slechts het uitgangspunt voor de weg waarop Hij mij wil laten gaan om Hem te volgen. Dat is een weg van zelfverloochening en het kruis, waar ik met Hem gestorven ben.
Soms spreken mensen die beproefd worden, over een 'kruis' dat zij te dragen zouden hebben. Maar dat is niet wat de Heere Jezus hier bedoelt. Hij verwacht van iedere gelovige dat hij vrijwillig de last van de verachting en het lijden op zich neemt, want dat staat hem namelijk te wachten van de kant van de wereld wanneer hij trouw is (Galaten 6 vers 14). "Om Mij", zegt de Heere Jezus nadrukkelijk (vers 35). Dat is het grote geheim dat de christen helpt om zich voor de wereld en voor zichzelf als gestorven te beschouwen (Romeinen 8 vers 36).
Na de belofte in vers 1 mogen drie discipelen nu van tevoren al iets zien van "het Koninkrijk Gods", dat "met kracht gekomen is". Dit Koninkrijk zal door de Koning Zelf uitgebeeld worden, de Koning waarin zij de Heere Jezus, hun Meester, erkennen, Die met majesteit en stralende heerlijkheid bekleed is. Hij, Die deze heerlijkheid anders altijd verborg onder de nederige gestalte van een Slaaf, onthult dit nu voor enkele ogenblikken voor de ogen van de Zijnen. Zij worden hierdoor verblind en beangst (Psalm 104 vers 1). Dan weerklinkt die stem uit de wolk, die ook wij mogen horen: "Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem!" (vers 7). Hoe groter de waardigheid van iemand is, hoe belangrijker zijn zijn woorden. Hij, naar Wie wij hier mogen en moeten luisteren, is niemand anders dan de geliefde Zoon van God. Laten we daarom uiterst opmerkzaam zijn, naar hetgeen Hij ons door Zijn lessen wil leren (Hebreeën 12 vers 25).
Hoe goed het op de berg ook geweest mocht zijn (vers 5), toch moesten ze weer naar beneden. En de Heere Jezus maakt Zijn discipelen duidelijk dat hetgeen zij gezien hebben, pas later echt in vervulling zal gaan. Noch Johannes de Doper (uitgebeeld door Elia) noch Hemzelf heeft men willen aannemen. Daarom is het nodig dat Hij het kruis zal verdragen en veel moet lijden, voordat Hij in Zijn heerlijkheid ingaat.
Nadat de Heere Jezus van de berg is afgedaald, neemt Hij Zijn dienst van liefde weer op Zich. Hiervan geeft de apostel Petrus, als ooggetuige, een wonderbare samenvatting in het Boek Handelingen: "Jezus van Názareth... Die het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem" (Handelingen 10 vers 38).
De Heere Jezus ontmoet hier een groot aantal mensen, die onenigheid met elkaar hebben. Het onderwerp van alle opwinding is een arme jongen, die "van zijn kindsheid af" (vers 21) vreselijke aanvallen te verduren had, die door een demon werden veroorzaakt. De arme vader had deze nare situatie waarin z'n enige zoon verkeerde, aan de discipelen voorgelegd. Zij, op hun beurt, hadden geprobeerd de demon uit te drijven, wat niet gelukt was. Voordat de Heere Jezus Zelf de bevrijding van deze arme knaap bewerkt, legt Hij de vinger op de oorzaak van hun mislukking: het ongeloof, want "alle dingen zijn mogelijk voor hem die gelooft" (vers 23). Daarna geeft deze man zich, met tranen in de ogen, over aan de Heere. Hij begrijpt dat het geen prestatie van z'n eigen wil is waardoor hij kan geloven, en hij erkent dat hij uit zichzelf tot niets in staat is. Er is niet alleen Goddelijke hulp en kracht nodig voor de eigenlijke genezing, maar je hebt dat ook nodig om naar die genezing te vragen.
In vers 26 komt de demonische macht nog één keer tot uiting, opdat de overwinning van de Heere openbaar zou worden. Hij pakt, vol liefde, de jongen bij de hand en richt hem op.
Arme discipelen! Terwijl hun Meester hen met Zijn lijden en Zijn dood bekend maakt, hebben zij slechts interesse voor één ding, waarover ze ook nog met elkaar twisten. Ze willen namelijk graag weten "wie de meeste zou zijn" (vers 34). Door Zijn vraag doorgrondt de Heere hen (vers 33) en vervolgens leert Hij hun in genade en met geduld wat nederigheid betekent.
Na deze les van de Heere volgt er een andere. De discipelen meenden dat zij het moesten verhinderen dat iemand anders in de Naam van de Heere Jezus wonderen deed. Johannes noemt ook de reden waarom zij die mening waren toegedaan: hij volgde hen niet (vers 38). De Heere Jezus maakt hen duidelijk dat zij, ook in dit opzicht, met zichzelf en niet met Hem bezig waren.
Laten wij ervoor oppassen niet sektarisch te worden! Talrijke christenen zijn trouw in het navolgen van de Heere, op de weg van zelfverloochening en het kruis, hoewel zij niet samen met ons dezelfde weg bewandelen (hoofdstuk 8 vers 34).
In het Mattheüs-evangelie hebben we al gedeelten gelezen die hier overeenkomen met de verzen 42 - 50 (zie Mattheüs 5 vers 29 en 30; Mattheüs 18 vers 8 en 9). Over het algemeen mogen we echter vaststellen dat het onderwijs van de Heere in het Markus-evangelie, ten opzichte van het handelen van de Heere, slechts een geringe plaats inneemt. We lezen in Markus bijvoorbeeld niets over de Bergrede. Met eerbied mogen we zeggen: weinig woorden, maar wel veel overgave in de dienst. Dát is het ware karakter van de trouwe Dienstknecht.
De Farizeeën proberen de Heere Jezus, in de kwestie van echtscheiding, zover te brengen dat Hij dingen zegt die in tegenspraak zijn met de woorden van Mozes. Hij snoert hun echter de mond, doordat Hij teruggaat tot op de tijd voor de wet en hen herinnert aan de orde van de dingen, zoals God die in het begin geschapen heeft. De wereld heeft alles wat God in Zijn mooie schepping had vastgelegd, bevlekt en verdorven, en wel in het bijzonder met betrekking tot de instelling van het huwelijk.
De hardheid van het hart en de zelfzucht die de mensen ertoe brengt alles wat het huwelijk betreft, te verachten en te ontwrichten, komt over het algemeen ook naar voren in de minachting van kleine kinderen. De discipelen laten zich eveneens door deze geest meeslepen. De verzen 13 - 16 geven ons, in vergelijking tot het bericht in Mattheüs, nog enkele details meer die heel ontroerend zijn. De Heere wordt een beetje ontstemd over de houding van de discipelen. Daarop neemt Hij die kleine kinderen liefdevol in Zijn armen, waar zij absoluut veilig zijn. Ten slotte zegent Hij hen uitdrukkelijk (vergelijk Mattheüs 19 vers 13 - 15).
Bij de volgende gebeurtenis is het weer Markus die als enige evangelist een belangrijk punt onder de aandacht brengt. Hier gaat het namelijk om de liefde van de Heere voor de jongeman die bij Hem komt. Helaas wordt deze jongeman niet door Zijn liefde getroffen en gaat hij weer bij Hem vandaan. Misschien wel voorgoed, omdat hij zijn rijkdommen liever heeft dan de tegenwoordige en eeuwige gemeenschap met Hem, Die hem liefheeft.
In het Oude Testament was de zegen van God op deze aarde gericht en werd rijkdom gezien als een bewijs van Zijn gunst (Deuteronomium 8 vers 18). Vandaar de ontzetting van de discipelen! Ze hadden zojuist een vriendelijke man gezien, die blijkbaar door God gezegend was. Op het gedrag van deze man viel niets aan te merken, en hij was zelfs bereid om goed te doen. En nu heeft de Heere Jezus hem weg laten gaan! Ja, werkelijk, wanneer zulke voortreffelijke eigenschappen iemand geen toegang tot het Koninkrijk van God kunnen verschaffen, wie zou dan nog gered kunnen worden? De Heere Jezus antwoordt hen daarop, dat de redding voor de mensen inderdaad iets onmogelijke is â dat kan alleen God bewerken. De Heere Jezus veroordeelt hier niet de rijke mensen, maar hen "die op het goed hun betrouwen zetten" (vers 24). Verder is er voor het volgen van de Heere Jezus ook zelfverloochening nodig, en dat kan voor menigeen een pijnlijke zaak zijn (vers 29). Wanneer dat echter uit liefde tot de Heere en het evangelie gedaan wordt, dan zal het tegelijkertijd tot een bron van onvergelijkbare vreugde worden. De eerste vreugde is dan, dat je je bewust bent dat je handelwijze de toestemming van de Heere kan wegdragen, dat het Hem welgevallig is. Ja, de doordringende blik van de Heere (vers 21, 23 en 27) kijkt tot diep in ons hart, om te zien of dit de werkelijke reden is waarom wij zo handelen. Hij weet of je werkelijk van alles en jezelf wilt afzien, want dat is het enige en juiste antwoord op de liefde van Hem, Die alles voor ons heeft verlaten (zie Zacharia 7 vers 5)!
In dit hoofdstuk komen we verschillende kenmerken van het vlees tegen: beminnelijkheid of vriendelijkheid (vers 17 - 22), eigendunk (vers 28), angst (vers 32) en ten slotte zelfzucht (vers 35 - 40). Laten we oppassen voor ons vlees!
Laten we het geloof van Jakobus en Johannes vooral niet over het hoofd zien! Zij wisten dat hun Meester de Messias was, de Erfgenaam van het rijk, en dat zij daaraan met Hem deel zouden hebben. Hun verzoek verraadt echter hun onkunde en de ijdelheid van hun natuurlijk hart. Vol genade verzamelt de Heere Jezus Zijn discipelen rondom Zich en gebruikt het ongepaste verlangen van deze beide broers om hen â en ook ons (!) â een les te leren. Begrijpen ze dan niet, dat zij hier het grootste Voorbeeld van nederigheid voor zich hebben? Hij Die er alle recht op had bediend te worden, wilde Zichzelf vernederen om Zijn schepselen te redden en wilde Zijn eigen leven als de losprijs geven, hetgeen door de hoogste Rechter geëist werd. Vers 45 wordt wel eens de sleuteltekst van dit evangelie genoemd, want het is een korte samenvatting van de inhoud van dit Bijbelboek.
De Heilige Geest laat ons hier drie verschillende houdingen zien die mensen kunnen aannemen. Ten eerste lezen we van de jongeman die, in plaats van de Heere te volgen, weggaat (vers 21 en 22). Dan lezen we over de discipelen, die ook geroepen zijn en die Hem bevend volgen (vers 32), maar toch ook wijzen op hun eigen zelfverloochening (vers 28). En ten slotte zien we de houding van de blinde. Van hem verwachtte de Heere ogenschijnlijk niets toen Hij hem genas, maar toch is zijn reactie heel opmerkelijk! Want zonder een woord te zeggen, wierp hij zijn mantel, die hem zou kunnen hinderen, af en volgde hij de Heere Jezus "op de weg" (vers 52).
We zien hier ook hoe wankelmoedig de volksmenigte is. Eerst wijst men de blinde man terecht, maar even later wordt tegen hem gezegd: "Heb goede moed!" (vers 49).
De weg van de Heere Jezus hier op aarde nadert nu zijn einde. Op plechtige wijze trekt Hij Jeruzalem binnen en gaat Hij naar de tempel. Daar aangekomen, bekijkt Hij eerst alles (vers 11), alsof Hij wil zeggen: 'Woon Ik hier?' Dit detail, dat alleen in het Markus-evangelie genoemd wordt, laat ons zien dat God nooit iets overijld beoordeelt en veroordeelt (vergelijk Genesis 18 vers 21). Welke gevoelens zal de Heere Jezus toen echter gehad hebben, toen Hij zag dat dit gebedshuis zo ontzettend verontreinigd was!
Hij verlaat deze verontreinigde plaats dan ook en trekt Zich, samen met de kleine schare die Hem wel erkende en liefhad, terug in Bethanië. Bethanië betekent 'huis van de ellendige' of 'huis van vijgen'. En zoals vaker in de Schrift het geval is, is deze dubbele betekenis heel typerend. Op het moment dat de Heere Jezus gedwongen was de onvruchtbare vijgenboom â een beeld van Israël, zoals Hij het had aangetroffen â te vervloeken, is het alsof Hij, de Ellendige en Nooddruftige (of Arme; Psalm 40 vers 18), alleen in Bethanië vruchten voor God vond ("zeer goede vijgen", volgens Jeremia 24 vers 2). Dat was een grote troost voor Zijn hart en een voorsmaak van de vrucht van de arbeid van Zijn ziel, aan het kruis. Ondanks een overvloed aan bladeren â een beeld van een prachtige, uiterlijke godsdienst â draagt de vijgenboom Israël geen enkele vrucht, zoals dezelfde profeet moest constateren (Jeremia 8 vers 13).
De Heere Jezus reinigt hier de tempel, waarin Hij de dag tevoren rondgekeken had. De ijver voor het huis van Zijn God verteerde de volmaakte Dienstknecht (Johannes 2 vers 17).
Die avond verlaat Hij de bevuilde stad. De volgende dag gaat Hij er toch weer naar toe en komt dan langs de verdorde vijgenboom. De opmerking van Petrus beantwoordt de Heere Jezus niet met een verwijzing naar Zijn eigen macht, maar Hij richt de gedachten van de discipelen op God. In zekere zin zegt de Heere tegen hen: Hij Die Mij geantwoord heeft, is ook bereid jullie gebeden te verhoren en elke hindernis op jullie weg op te ruimen, ook al is die zo groot als een berg.
Geloven in God betekent niet, dat je verwacht dat je wensen beslist altijd vervuld zullen worden. Nee, het betekent eenvoudig alles van God verwachten, Die je kent en Die trouw is en je liefheeft. Er bestaat echter toch één oorzaak waardoor het voor God niet mogelijk is om ons te antwoorden, en dat is: "indien gij iets hebt tegen iemand" (vers 25). Dat vormt inderdaad een niet te overwinnen berg in onze betrekkingen tot God. Om de weg tot God en tot onze broeders terug te vinden, moeten wij deze hindernis onmiddellijk uit de weg ruimen, opdat er in ons hart weer "gebaande wegen" zijn (Psalm 84 vers 6).
Met vers 27 beginnen de laatste gesprekken van de Heere Jezus, in het verloop waarvan Hij van lieverlee al Zijn tegenstanders beschaamd doet staan.
De leiders van het volk zijn gedwongen om zichzelf te zien in de gelijkenis van de boze wijngaardeniers.
Het is heel opmerkelijk, op welke wijze hier (alleen in het Markus-evangelie) de laatste gezant van de heer van de wijngaard wordt beschreven: "Toen hij dan nog een zoon had, die hem lief was" (vers 6). Deze uitdrukking doet ons denken aan de woorden die God tegen Abraham zei: "Neem nu uw zoon, uw enige, die gij liefhebt" (Genesis 22 vers 2). Dit laat ons op ontroerende wijze iets zien van de genegenheid van de Vader voor Zijn geliefde Zoon, Die Hij voor ons geofferd heeft!
Nu op zo'n manier duidelijk zichtbaar is geworden wie zij werkelijk zijn, proberen de Farizeeën en de Herodianen een tegenzet te doen. Met huichelachtige complimenten, die echter een getuigenis voor de Heere zijn (ze zeiden immers: "wij weten, dat Gij waarachtig zijt... Gij leert de weg van God in waarheid"; vers 14), proberen zij Hem met hun spitsvondige vraag te vangen. Zou Hij 'ja' gezegd hebben, dan zou Hij voor hen niet meer de Messias kunnen zijn. Zou Hij 'nee' gezegd hebben, dan zou Hij bij de Romeinen aangeklaagd kunnen worden. Hij antwoordde hen daarom op eenmalige wijze, zoals alleen Hij dat kan, en waarop zij niet gerekend hadden: Hij richt Zich tot hun eigen geweten. Wat een Goddelijke en bewonderenswaardige wijsheid!
Wat heeft de Heere Jezus, in Wie alles waarheid en liefde was, echter onder deze huichelachtige gezindheid geleden, onder deze boosheid, ja, onder de voortdurende tegenspraak van de zondaren tegen Zich (Hebreeën 12 vers 3; zie ook Ezechiël 13 vers 22)!
Nu komen de Sadduceeën naar voren, om zich te meten met de wijsheid van de Heere Jezus. In werkelijkheid geloven zij niet in de opstanding (zie Handelingen 23 vers 8), maar juist op dat terrein ontmoeten zij de Heere Jezus en snoert Hij hun de mond met het Woord van God (vers 26). Er is op tweevoudige wijze van de opstanding getuigd: door de Schriften en door de kracht van God, die Christus opgewekt heeft (vers 24). Toch stoot geen enkele waarheid op meer tegenstand bij de mensen dan deze, vanwege hun ongeloof (zie Handelingen 17 vers 32 en 26 vers 8). Zoals Paulus in 1 Korinthe 15 uitvoerig uitlegt, gaat het hierbij om de grondslag van het christendom; je kunt hier niet aan tornen zonder daarbij het geloof te doen wankelen.
In tegenstelling tot de strijdlustige Sadduceeën vinden we hier bij de Schriftgeleerden, die de Heere Jezus een vraag stellen in verband met het grootste gebod, oprechtheid en begrip. De Heere Jezus antwoordt hun dat de liefde het eerste gebod is. De liefde tot God en tot de naaste is "de vervulling van de wet" (Romeinen 13 vers 10; Galaten 5 vers 14).
Beste vrienden, zouden wij niet veel meer moeten liefhebben dan Israël? Wij die veel verder verwijderd waren van God dan dit volk, omdat wij behoorden tot de heidenen, "vreemdelingen van de verbonden der belofte", maar die nu in de positie gebracht zijn van kinderen van deze God van liefde. Wij die vroeger veraf waren, zijn nu "nabij geworden door het bloed van Christus" (Efeze 2 vers 11 - 13)!
Abba, Vader, lof en ere zij u eeuwig toegebracht, daar Ge in Jezus, onze Heere, ons nabij U hebt gebracht. Ja, wij staam' len Abba, Vader, als Uw kind'ren altegader. Zondaars eertijds, kind'ren nu. Abba, Vader, lof zij U!'
Nu brengt de Heere Jezus Zijn gesprekspartners met een netelige vraag in verlegenheid. Hoe kan Christus tegelijkertijd de Zoon en de Heere van David zijn (zie ook Psalm 89 vers 4,5,24 en 37)? Zij kunnen dit niet verklaren en hun hoogmoed verhindert hen om het antwoord aan Christus Zelf te vragen. Juist vanwege Zijn verwerping zal de Zoon van David de hemelse positie innemen, die Hem in Psalm 110 toegezegd wordt.
Om het volk te waarschuwen voor hun onwaardige leiders, geeft de Heere Jezus hier een tragisch beeld van de ijdele, hebzuchtige en schijnheilige Schriftgeleerden. Ach! deze karaktertrekjes waren (en zijn) soms ook merkbaar bij andere 'geestelijken' dan alleen bij die van het volk Israël (1 Timotheüs 6 vers 5).
In vers 41 zien we de Heere Jezus zitten bij de schatkist van de tempel. Met Zijn allesdoordringende blik â die, zoals wij al gezien hebben, op alles en iedereen gericht is â kijkt Hij toe wat daar gebeurt. Hij let niet op hoeveel (dat is het enige wat de mensen interesseert), maar hoe ieder daarin gooit. En dan komt daar die arme weduwe met haar ontroerende gave: de "twee kleine penningen", het enige wat ze nog bezat om van te leven. Met grote bewogenheid roept de Heere Jezus Zijn discipelen bij Zich en vertelt hun wat Hij zojuist gezien heeft. Ja, dit buitengewone offer â "al wat zij had' â bewees niet alleen haar grote liefde tot de HEERE en Zijn huis, maar liet ook haar volledige vertrouwen zien dat zij op God gesteld had, om in haar verdere behoeften te voorzien (vergelijk 1 Koningen 17 vers 13).
De discipelen zijn onder de indruk van de grootte en de uiterlijke schoonheid van de tempelgebouwen. Maar de Heere ziet niet op de dingen die voor de mens zo belangrijk zijn (1 Samuël 16 vers 7; Jesaja 11 vers 3). Hij was Zelf in deze tempel geweest en had geconstateerd dat het vol ongerechtigheid was (hoofdstuk 11 vers 11). Vandaar dat Hij vooruitziet op de gebeurtenissen waarvan, een paar jaar later, na Zijn verwerping, de verwoesting van de schuldige stad het gevolg zou zijn. Uit de geschiedenis weten we dat Jeruzalem in het jaar 70 op gruwelijke wijze door het leger van Titus werd belegerd en bijna geheel werd vernietigd. Deze vreselijke straf bracht grote geloofsbeproevingen met zich mee voor de gelovigen die zo nauw met deze heilige stad verbonden waren. De Heere Jezus had hen echter bij voorbaat al bemoedigd met de woorden van vers 11.
Hoeveel kinderen van God die door beproevingen hadden (of hebben) te gaan, hebben deze wonderbare ervaring al zelf niet opgedaan! Als zij hadden te getuigen, gaf de Heilige Geest hun de woorden in de mond die ze moesten uitspreken. Zo was het ook bij Petrus, toen hij zich moest verantwoorden tegenover de oversten, ouderlingen en Schriftgeleerden (Handelingen 4 vers 8). En hetzelfde heeft Stefanus destijds ervaren (Handelingen 7 vers 55).
Ook wij zullen deze kracht van de Heilige Geest beleven, en wel in de mate waarin wij hem nodig hebben, wanneer wij Hem in ons laten werken.
De Gemeente zal niet door de grote verdrukking gaan die het Joodse gelovig overblijfsel wel zal ondervinden (Openbaring 3 vers 10). Deze rustgevende zekerheid zou ons echter te meer moeten vervullen met angst voor de geestelijke slaap die â in de lange geestelijke nacht van deze wereld, een nacht vol beproevingen â voor ons tot een ernstig gevaar kan worden. Laten we altijd aan de spoedige komst van de Heere Jezus denken en de ernstige vermaningen in dit hoofdstuk ter harte nemen.
In een korte gelijkenis wordt de Heere Jezus voorgesteld als de heer des huizes, die vanwege een buitenlandse reis de verantwoordelijkheid voor zijn bezit overgedragen heeft aan zijn knechten. Ieder van hen had "zijn werk" te doen. Het betrof een persoonlijke opdracht, die precies bij hem paste. De Heere heeft geen beperkingen gesteld, ook niet wat betreft de grote verscheidenheid in opdrachten die verricht moeten worden. Mogen we hierbij niet denken aan de talloze taken die de Heere voor de Zijnen bereid heeft (vergelijk Romeinen 12 vers 6 - 8)?
De korte opdracht om te waken die de deurwachter ontving (vers 34), geldt voor "allen" â dus ook voor jou en mij (vergelijk vers 37). En het is heel opmerkelijk dat de dienst van de Heere Jezus in het Markus-evangelie met dit woord besluit: "Waakt!". Laten we ons dit, als een kostbare nalatenschap van de Heere, heel goed inprenten, zoals men de laatste raad van een Geliefde Die ons verlaat â maar terugkomt! â ter harte neemt!
Hoe dichter de dood van de Heere nabij komt, hoe meer de gevoelens van de harten worden bevestigd en geopenbaard. Haat van de kant van de leiders van het volk, die in Jeruzalem tegen Hem samenzweren! Genegenheid in het welbekende huis, waar die vrouw "een goed werk" aan Hem verricht, een vrucht van begripvolle liefde. Tegelijkertijd is dat een prachtig beeld van de aanbidding van de kinderen van God! Zij erkennen Hem, Die door de wereld als verachte Verlosser verworpen is, als Degene Die alle eer waard is. En door de Heilige Geest geleid en in het bewustzijn van de eigen onwaardigheid, brengen zij Hem deze aanbidding, een aanbidding die voor Zijn hart een kostbare en welriekende reuk is. (Hierbij is het goed om op te merken dat de mensen hier vaak een andere gedachte over hebben. Toen waren er die meenden in staat te zijn de waarde van deze vorm van aanbidding te kunnen bepalen en in een geldbedrag tot uitdrukking te kunnen brengen â vers 5. De mens is wat dat betreft, vandaag echt niet anders!) Aanbidders zullen zich wellicht allerlei verwijten op de hals halen, zelfs van de kant van bepaalde christenen, omdat zij weldadigheid (vers 5) of een dienst aan de zielen boven elke andere christelijke activiteit stellen. Zonder nalatig te zijn in dit soort dingen, is het toch goed om nooit te vergeten dat het onze eerste opdracht is om de Heere te loven. Laat het ons genoeg zijn wanneer Hij dit erkent, en laten we niet afgaan op wat mensen zeggen. Laten we met een gebroken geest (waarvan dit flesje een beeld is) de heilige dienst van aanbidding vervullen, die alleen en tot in eeuwigheid aan Hem gewijd is.
In de verzen 10 - 16 zien we de discipelen bezig zijn met de voorbereidingen voor het pascha, maar we zien ook dat Judas voorbereidingen treft om zijn Meester te verraden.
Het ogenblik van het laatste Pascha is aangebroken. Op dit vertrouwelijke moment van afscheid waarin de Heere Jezus de genegenheden van Zijn hart de vrije loop laat, is er toch iets wat Zijn ziel bedrukt. Dat betreft niet het kruis, dat steeds dichterbij komt, maar de ontzettend verdrietige gedachte dat er onder deze twaalf één is die bezig is met zijn eigen verderf. De Heere Jezus zei: "Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u die met Mij eet, Mij zal verraden" (vers 18). Nu worden de discipelen, op hun beurt, ook bedroefd en beproeven zichzelf, de een na de ander. Nu geven ze nog geen enkel blijk van zelfvertrouwen. Dit in tegenstelling tot de dingen die ze later zullen zeggen. Dan beweren ze dat ze bereid zijn zichzelf op te offeren, waarbij we vooral aan Petrus mogen denken (vers 29 en 31).
Nadat het Pascha is gegeten en de verrader is weggegaan, stelt de Heere Jezus het Avondmaal in. Hij zegent en breekt het brood en geeft het aan de Zijnen; daarna neemt Hij de kelk, dankt en geeft ook die vervolgens aan de discipelen. Hij legt hun daarna de betekenis van deze eenvoudige tekenen uit. Toch zijn het ook plechtige symbolen, die heenwijzen naar grote feiten, dingen waar zij â en ook wij â voortdurend aan terug moeten denken: Zijn lichaam, dat Hij heeft overgegeven en Zijn vergoten bloed; de enige grondslag van ons geloof.
Beste vriend, had jij er toen ook graag bij willen zijn, daar in die bovenzaal? Zo dicht in de buurt van jouw Redder? Ja? Nou, verenig je dan toch met hen die elke eerste dag van de week Zijn dood verkondigen en Zijn wederkomst verwachten!
Daarna gaat de Heere Jezus, samen met Zijn elf discipelen, naar de tuin op de Olijfberg.
Nu breekt het moment aan waarop Hij, Die de gestalte van een slaaf heeft aangenomen, moet laten zien hoever Zijn gehoorzaamheid strekt. Zal Hij tot in de dood gaan, ja, tot in de dood aan het kruis (Filippensen 2 vers 7 en 8)? Satan trekt al zijn registers open om de Heere Jezus van Zijn weg van volmaaktheid af te brengen. Zijn wapen in deze beslissende strijd is de grote nood in het hart van de Heere Jezus, Die de kelk van de toom van God over de zonde in zijn volle omvang en al zijn gruwelijkheid kon overzien. Het wapen van de Heere Jezus is Zijn afhankelijkheid. Een uitdrukking die we alleen hier tegenkomen, laat ons de innige verbondenheid zien die er op dat moment is: "Abba, Vader!" (vers 36). Dat zijn de woorden die de Heere Jezus uitspreekt in het bewustzijn van Zijn volmaakte gemeenschap met God, een gemeenschap die onderbroken moest worden op het moment waarop Hij de zonden zou dragen en tot zonde gemaakt zou worden. Maar juist deze niet uit te blussen liefde tot de Vader was de drijfveer tot een gehoorzaamheid zonder één enkel voorbehoud. "Niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt".
Het is haast onvergeeflijk dat de discipelen met het oog op zo'n zware strijd toch slaperig werden! (Denk echter niet, dat het ons anders vergaan zou zijn!) Kort tevoren had hun Meester hen al vermaand te waken en te bidden (hoofdstuk
13 vers 33), en hier vraagt Hij het hun opnieuw, tot driemaal toe en op heel indringende wijze. Helaas tevergeefs! Hijzelf is echter wel bereid! De verrader komt eraan met de mannen die de Heere willen grijpen. Nu laten allen Hem in de steek en vluchten weg. En ten slotte lezen we ook dat de jongeman die in een linnen kleed gehuld was, naakt wegvlucht. Dat is een beeld van de belijdende christenheid, die geen stand houdt in een tijd van beproeving.
Er is, midden in de nacht, grote opwinding en bedrijvigheid in het paleis van de hogepriester. De Heere Jezus staat daar voor Zijn aanklagers. Er zijn valse getuigen opgeroepen, maar hun uitspraken zijn tegenstrijdig. De Heere Jezus maakt hier echter geen gebruik van, om Zichzelf te verdedigen (vergelijk Deuteronomium 19 vers 16 - 21). Vervolgens wordt Hij veroordeeld; men slaat Hem in het gezicht en Hij wordt bespuwd. Onze Heere, Die alle aanbidding waard is, verdraagt al deze beledigingen, die al door de profeet aangekondigd waren (Jesaja 50 vers 6).
Helaas speelt zich op het plein bij het paleis van de hogepriester nog een andere gebeurtenis af. Petrus heeft zijn Meester niet geloofd en Hem ervan verzekerd:"... zo zal ik U geenszins verloochenen" (vers 31). In Gethsémané heeft hij ook niet geluisterd naar de vermaning om te waken en te bidden. Daar ligt de oorzaak van zijn nederlaag! Daarbij had de Heere Jezus de discipelen nog zo gewaarschuwd: "het vlees is zwak" (vers 38). Petrus was echter niet bereid om deze waarheid aan te nemen en daarom moest hij het nu, met alle bitterheid, zelf ondervinden.
Wat wij niet met de Heere willen leren, door in alle nederigheid Zijn Woord aan te nemen, moeten wij vaak op een pijnlijke wijze leren, doordat wij het dan met de vijand van onze zielen te doen krijgen.
Om nog eens nadrukkelijk aan te geven dat hij "deze Mens" niet kent, uit de arme Petrus allerlei verwensingen en vervloekingen. Laten we niet over hem oordelen, maar eraan denken dat ook wij de Heere op veel manieren kunnen verloochenen, wanneer wij niet waakzaam zijn. Dat kan gebeuren door onze daden, onze woorden, maar ook doordat wij blijven zwijgen (lees 1 Korinthe 10 vers 12).
Ook het werk van de dood moet "terstond" in vervulling gaan (vers 1). Het pascha staat voor de deur en bovendien wil men graag zo gauw mogelijk van deze Gevangene af, omdat men in feite bang voor Hem is. Vandaar dat de leiders van het volk haast achter de zaak zetten en geen tijd verloren laten gaan. Ze brengen de Heere Jezus voor Pilatus, na eerst Zijn handen gebonden te hebben, deze handen die zoveel ellende hebben hersteld en die nooit iets anders dan goeds hebben gedaan!
Ook voor de Romeinse stadhouder blijft de Heere Jezus zwijgen. De diepe beweegredenen van Zijn hart worden ons in Psalm 38 vers 14 - 16, 39 vers 10 en Klaagliederen 3 vers 28 getoond. Zijn gebed van dit moment is: "Want op U, HEERE! hoop Ik; Gij zult verhoren" en: "Gij hebt het gedaan".
Onder druk van de hogepriester verlangt het hele volk, in blinde verdwazing en met groot geschreeuw, de vrijlating van de moordenaar Bar-Abbas en de kruisiging van hun Koning. Om de volksmenigte tevreden te stellen, stelt Pilatus vervolgens de misdadiger in vrijheid en veroordeelt hij Hem van Wiens onschuld hij overtuigd is. Zover kan het komen met iemand die probeert om mensen te behagen (Johannes 19 vers 12)!
De ruwe soldaten bespotten de Heere Jezus, door te doen alsof ze Hem â Die in hun macht is omdat Hij Zich vrijwillig aan hen heeft overgegeven â toegewijd zijn. En de mens kroont zijn Schepper met de doornen die de aarde, ten gevolge van de zonde, voortgebracht heeft (Genesis 3 vers 18).
De mens volbrengt hier de grootste schanddaad aller tijden. Hij kruisigt de Zoon van God en daarbij wordt Hem geen enkel vorm van lijden en vernedering bespaard. De Heiland hangt aan de schandpaal, waar Hij uit liefde tot de Vader en de mensen wil blijven hangen. "Hij is met de misdadigers gerekend", zoals de Schriften voorzegd hebben (vers 28; Jesaja 53 vers 12). En bovendien moet Hij op het kruis nog allerlei beledigingen en uitdagingen aanhoren. De wereld verwerpt Hem en veroordeelt daarmee zichzelf; maar nu wordt ook de hemel toegesloten, hetgeen tot uitdrukking komt in Zijn onbeschrijfelijke noodkreet: "Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?" (vers 34; zie ook Amos 8 vers 9 en 10). De hemel was voor Hem gesloten, opdat zij voor ons open kon gaan. Om "vele kinderen tot de heerlijkheid" te kunnen leiden, moest de Oorsprong van onze redding door lijden geheiligd of volmaakt worden (Hebreeën 2 vers 10).
Deze bladzijde uit de Heilige Schrift, waarop ons geloof met aanbidding mag neerzien, is als de onaantastbare oorkonde, waardoor ons de toegang tot de heerlijkheid van de hemel verzekerd is. De gescheurde voorhang is hier een beeld van.
De luide uitroep van de stervende Verlosser is het bewijs dat Hij Zijn leven vrijwillig, in de volle kracht van Zijn leven, heeft afgelegd. Dat is de laatste daad van gehoorzaamheid van Hem Die op deze aarde is gekomen om te dienen, te lijden en te sterven, doordat Hij Zijn kostbaar leven heeft gegeven als een losprijs voor velen (hoofdstuk 10 vers 45).
Nu de tijd waarin de door God verlaten Heiland aan het kruis hing, voorbij is, is het een welgevallen voor God om de ijver en genegenheid van een paar getrouwe mensen die Zijn Zoon geëerd hebben, onder de aandacht te brengen. In de eerste plaats betreft dat Jozef, "die van Arimathéa was", die Pilatus om het lichaam van de Heere Jezus vroeg en zich vervolgens met grote eerbied met Zijn begrafenis bezighoudt. Dan is er sprake van drie vrouwen die, als het licht begint te worden op die opstandingsdag, naar het graf gaan. Zij behoorden tot hen die Hem volgden en dienden, voordat zij met grote smart in hun hart bij Zijn kruisiging aanwezig waren (hoofdstuk 15 vers 40 en 41). Met het verlangen om hun Heere, Die, naar zij meenden, voorgoed van hen weggenomen was, nog een laatste dienst te bewijzen, nemen ze welriekende specerijen mee om Zijn lichaam te balsemen. Ze moeten echter de nutteloosheid van hun voorbereidingen ervaren, want een engel vertelt hun de glorierijke boodschap: De Heere is opgestaan!
Eén vrouw komen we daar bij het graf echter niet tegen. Dat is zij die, in hoofdstuk 14 vers 3, de Heere Jezus gezalfd heeft. Is er bij haar dan een gebrek aan toewijding? Nee, want ze heeft immers het tegendeel bewezen! Zij had toen het juiste moment weten te gebruiken om haar olie uit te gieten. Laten we er altijd aan denken dat een liefdevolle overgave des te kostbaarder voor het hart van de Heere is wanneer dat gepaard gaat met inzicht in Zijn gedachten en gehoorzaamheid ten opzichte van Zijn Woord.
De woorden van Petrus, aan het begin van het Boek Handelingen, geven een treffende samenvatting van het Markus-evangelie. Hij herinnert aan "al de tijd, waarin de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is" (twee dingen waardoor de dienst gekenmerkt wordt) "beginnende bij de doop van Johannes, tot de dag toe, waarop Hij van ons opgenomen is" (Handelingen 1 vers 21 en 22). Bij de eerste gebeurtenis in het evangelie, daar bij de Jordaan, gaat de hemel open boven de Heere Jezus; bij de laatste gebeurtenis gaat dezelfde hemel open om Hem op te nemen. Tussen deze beide gebeurtenissen ligt Zijn leven, een leven van dienen en volkomen overgave. Nadat Zijn werk voleindigd was en God dit door Zijn opneming bevestigd heeft, neemt Hij, vanaf dat moment, Zijn plaats in aan de rechterhand van de majesteit, de roemrijke plaats in de heerlijkheid, die Hem toekomt.
Nu is het de beurt aan de discipelen om hun werk te doen, overeenkomstig de aanwijzingen in de verzen 15 - 18 en met het grote Voorbeeld dat zij hebben gehad, in gedachten. Ze zijn daarbij echter niet op zichzelf aangewezen. Daarboven in de hemel is Hij, Die de arbeid van de Zijnen leidt en begeleidt. Het dienen is een eeuwig voorrecht dat aan Zijn liefde is voorbehouden. De Heere blijft Dienstknecht tot in eeuwigheid (Deuteronomium 15 vers 17; Lukas 12 vers 37).
En wij christenen, die geroepen zijn in Zijn voetstappen te treden en te getuigen van hetzelfde evangelie, mogen ook op Hem rekenen, wanneer het een verlangen van ons hart is Hem te dienen en Hem te verwachten.
This document may be found online at the following URL: http://www.stempublishing.com/authors/koechlin/dbd/nl/localStorageYear3.html.
You are welcome to freely access and use this material for personal study or sending to other Bible students, compiling extracts for notes etc, but please do not republish without permission.
With the prayerful desire that the Lord Jesus Christ will use this God-given ministry in this form for His glory and the blessing of many in these last days before His coming. © Les Hodgett
.
Het boek Job is heel verschillend van het voorgaande gedeelte uit Gods Woord. Het is een poëtisch boek en is zeer oud; bovendien behoren de personen om wie het gaat, niet tot het volk Israël. De lessen die dit boek bevat, gelden niet alleen voor de afstammelingen van Abraham, maar voor elk schepsel. Laten we God vragen of Hij ons deze lessen wil leren.
Het was niet nodig om een lange beschrijving te geven van de welstand van Job. De Heilige Geest deelt ons daarentegen wel uitvoerig mee wat er gedurende zijn beproevingen is gebeurd. Dat is nogal wat en deze geschiedenis zal nuttig zijn voor alle kinderen van God tot aan het einde van de tijden.
In de eerste verzen (1-5) wordt ons in het kort verteld wie deze man is, wat hij bezit en wat hij voor de zijnen doet. De volgende verzen laten ons zien wat er met betrekking tot Job in de hemel gaande is. De gevreesde aanklager verschijnt op het toneel (Openbaring 12 vers 10).
Laten we echter op twee heel geruststellende feiten zien:
God handelt als Eerste.
De toestemming die satan van Hem ontvangt, kent z'n grenzen.
En laten we bovendien nooit de vraag uit Romeinen 8 vers 33 noch vers 28 van datzelfde hoofdstuk vergeten! We zullen zien dat "alle dingen" (ook de beproevingen) meewerken ten goede voor hen die God liefhebben.