Psalm 42
1Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.2Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God!3Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?4Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht; omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?5Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.6Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.7O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.8De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.9Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.10Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?11Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? [ (Psalms 42:12) Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God. ]

We zijn nu aangekomen bij het tweede Boek van de Psalmen. Profetisch gezien heeft het betrekking op de tijd dat het getrouwe joodse overblijfsel, vervolgd door de antichrist, uit Jeruzalem zal moeten vluchten. De verzen 3, 5 en 7 spreken duidelijk van de smart die deze verbanning met zich meebrengt.

Evenals in het eerste Boek het geval was, geven veel uitdrukkingen in dit tweede ook vaak iets weer van de Heere Jezus. Hij heeft immers meer geleden onder het kwaad van Zijn volk dan wie ook (lees bijvoorbeeld vers 8 en 11).

Is er een ander beeld denkbaar dat op zo indringende wijze het smachten van de ziel naar de tegenwoordigheid van God weergeeft als hetgeen vers 2 ons schetst? O, dat wij toch ook elke keer weer zo vurig naar Zijn tegenwoordigheid verlangen, wanneer onze gemeenschap met de Heere door een misstap van onszelf onderbroken is! Dat toch ieder die dit leest Hem bij deze kostbare Naam mag kennen: "de God mijns levens" (vers 9). Dat komt overeen met de 'lijfspreuk' van Paulus, waarmee je dan van harte mag instemmen: "Want het leven is mij Christus" (Filippensen 1 vers 21).

Christus is het Die dag aan dag mijn leven wil leiden. Ja, Hij wil heel mijn leven vervullen met Zichzelf. Hij wil graag het kostbare Onderwerp van heel mijn hart zijn!

"Waar is uw God?" vragen de ongelovigen misschien spottend (vers 4 en 11; vergelijk Mattheüs 27 vers 43). En ook al kennen zij Hem niet, dat het dan bij mij toch wel zo mag zijn dat ik dag en nacht weet waar Hij te vinden is. Dat ik aan mijn liefde voor Hem uitdrukking geef door lied en gebed (vers 9).

Psalm 43
1Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?3Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;4En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!5Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God.

Deze Psalm sluit aan bij de voorgaande, doordat de verzen 6 en 12 van Psalm 42 in vers 5 herhaald worden. Het is vaak nodig dat mijn ziel op deze manier wordt vermaand om niet terneergeslagen te zijn, op God te vertrouwen en Hem altijd maar weer te prijzen. Hij is niet alleen "de menigvuldige Verlossing", maar ook "mijn God", van Wie ik constant afhankelijk ben, de Bron van "mijn sterkte" (vers 2).

Zijn licht en Zijn waarheid zullen mij leiden, wanneer ik Hem daarom vraag, zoals de Psalmist dat doet in vers 3 en 4, opdat ik meer mag begrijpen van aanbidding en tot aanbidding zal komen.

Gisteren hebben we de uitdrukking gelezen: "de God mijns levens". In de Psalm voor vandaag vinden we in vers 4 een opmerkelijke aanvulling hierop: "de God der blijdschap van mijn verheuging".

Beste gelovige vrienden, hebben wij - met eerbied gesproken - genoeg aan God om gelukkig te zijn? Is Hij alleen het Onderwerp van onze vreugde, zoals Hij het voor de Heere Jezus was? (Lukas 10 vers 21).

Als onze ziel zo'n God kent, kan ze dan nog terneergeslagen en onrustig zijn? "Uw hart worde niet ontroerd", zei de Heere Jezus tegen Zijn discipelen, "gij gelooft in God, gelooft ook in Mij" (Johannes 14 vers 1). En op een andere plaats: "Hebt geloof op God" (Markus 11 vers 22). Het geloof is het enige redmiddel dat echt werkzaam is tegen alles wat deze wereld ons aan verdriet of onrust kan bezorgen.

Psalm 44:1-8
1Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.2O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds.3Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; Gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten.4Want zij hebben het land niet geerfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.5Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.6Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.7Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.8Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd.

Terwijl de Psalmen in het eerste Boek bijna allemaal door David geschreven zijn, zijn de Psalmen 42 tot en met 49, waar we ons nu mee bezig houden, geschreven door de zonen van Korach.

Zij waren de onderwerpen van genade, die gespaard bleven voor het oordeel dat hun vader trof (zie Numeri 26 vers 11). Het is daarom heel opmerkelijk hoe deze mannen herinneren aan "een werk" door God gewerkt "in de dagen van ouds" (vers 2). Zij zijn beter in staat dan wie ook om de Goddelijke barmhartigheid te waarderen en te roemen. Nee, het zwaard kon de zonen van Israël niet redden en hen het land in hun bezit geven (men hoeft slechts te denken aan de doortocht door de Rode Zee bij de inneming van Jericho). En de herinnering aan de grote bevrijdingen in het verleden is dan ook een leerzame les voor deze getrouwen. Zij kunnen evenmin als hun vaders op eigen wapens vertrouwen, om de overwinning te behalen (vers 7). "Door U" en "in Uw Naam" (vers 6; Hoséa 1 vers 7), dát zijn de enige hulpbronnen van een gelovige!

Een ander verschil met het eerste Boek is de Naam Die voor God gebruikt wordt: El of Elohim (hetgeen God betekent), terwijl tot en met Psalm 41 sprake was van Jehova (de eeuwig Zijnde, de Onveranderlijke). Dat is het verdrietige bewijs daarvoor dat de gelovigen hier geen enkele verbinding met de Godsdienst meer hebben waarvan zij afgevallen zijn. Het verbond dat door de Naam Jehova bezegeld was, is verbroken (Exodus 6 vers 3 en 6 tot en met 8); de gelovige roept echter toch nog de allerhoogste God aan.

Psalm 44:9-26
9In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.10Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.11Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.12Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.13Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet.14Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn.15Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.16Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;17Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige.18Dit alles is ons overkomen, nochtans hebben wij U niet vergeten, noch valselijk gehandeld tegen Uw verbond.19Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad.20Hoewel Gij ons verpletterd hebt in een plaats der draken, en ons met een doodsschaduw bedekt hebt.21Zo wij den Naam onzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid.22Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten.23Maar om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.24Waak op, waarom zoudt Gij slapen, HEERE! Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.25Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?26Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. [ (Psalms 44:27) Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil. ]

Vanaf vers 10 verandert de toon in deze Psalm. In plaats van steeds op God te zien, op het licht van Zijn aangezicht en op de macht van Zijn Naam (vers 4 en 6), zien de gelovigen nu op de beproevingen die ze doormaken. We weten allemaal uit eigen ervaring dat de ziel van een verloste zich niet altijd op dezelfde hoogte bevindt.

Toch is het geloof van deze rechtvaardigen niet aan het wankelen gebracht. Ze schrijven alles wat hen overkomen is toe aan God en nemen de slagen aan als komende uit Zijn hand (Job 1 vers 21). Ze hebben een goed geweten. Hun voetstappen zijn niet van de weg van gehoorzaamheid afgeweken en evenmin is hun hart "achterwaarts gekeerd" (vers 19). En God, Die de geheimen van het hart kent, is Getuige van dit alles.

Laten we vers 22 nooit vergeten!

Waar heeft de bijzondere uitdrukking "de ganse dag gedood" (vers 23) eigenlijk betrekking op? In Romeinen 8 vers 36 wordt deze tekst geciteerd en dat kan ons verder helpen deze tekst te begrijpen. Het betekent dat we door de beproevingen aan onze eigen nietigheid en ons totale onvermogen herinnerd worden. Maar hetzelfde gedeelte in Romeinen roept ons ook op om de overwinning die hier tegenover staat, in de praktijk te verwerkelijken: "Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad" (Romeinen 8 vers 37).

Psalm 45
1Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.2Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.3Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.4Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.5En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.6Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.7Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.8Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.9Al Uw klederen zijn mirre, en aloe, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.10Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatsdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.11Hoor, o Dochter! en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.12Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.13En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.14Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.15In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden; de jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.16Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis.17In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde. [ (Psalms 45:18) Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos. ]

Onder de leiding van de Heilige Geest, "een vaardig Schrijver", roept deze Psalm ons op om Christus, de Veelgeliefde, te loven, Hem Die in schoonheid en liefelijkheid ver boven alle mensenkinderen verheven is. Voordat er echter ook maar één woord van lof over de lippen komt, is die lof toebereid in het hart. In het hart is over Hem nagedacht en het hart is steeds voller van Hem geworden, ja, stroomt over! (vergelijk Mattheüs 12 vers 34). En daarna roemen de lippen Zijn Persoon, Zijn Woord en Zijn werken.

Je zou kunnen zeggen dat de eredienst op zondag het ene loflied is dat alle coupletten in zich verenigt, de verschillende coupletten die de Geest in de loop van de week aan de verlosten leert, over die onuitputtelijke onderwerpen van de heerlijkheid en schoonheid van de Heere Jezus. Hij is "de Koning", maar de verzen 7 en 8 (die in Hebreeën 1 vers 8 en 9 aangehaald worden) noemen Hem "God". Wanneer Hij in al Zijn majesteit en pracht verschijnt, dan is Hij het Onderwerp van alle bewondering. Zijn macht komt naar voren in het vreselijke oordeel dat Hij uitoefent (vers 4 tot en met 6).

Zijn kleding is doordrongen van een welriekende reuk: Mirre herinnert aan Zijn lijden, aloë aan Zijn dood (Johannes 19 vers 39) en kassie aan Zijn verhoging.

Maar wat voor Christus nog meer waarde zal hebben dan al deze heerlijkheden, is de schoonheid van de bruid die tot Hem gebracht zal worden (hier Jeruzalem), en de liefde die zij Hem zal betonen.

Beste gelovige vriend(in), het is een groot voorrecht om Hem nu al deze dankbare liefde te mogen brengen. "Omdat Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neer!" (vers 12).

Psalm 46
1Een lied op Alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.2God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.3Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeen;4Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela.5De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.6God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond.7De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.8De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.9Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht.10Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.11Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde. [ (Psalms 46:12) De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela. ]

Veel gelovigen hebben in tijden van verdrukking zelf de woorden uit vers 2 ervaren! De christen mag in het uur van de beproeving, en in het bijzonder in tijden van verzoeking, niet vergeten dat deze Toevlucht, deze Sterkte, deze Hulp krachtig bevonden wordt en dat zij hem ter beschikking staat.

De gelovige kan in zichzelf nooit hulpbronnen vinden; die zijn alleen in God te vinden, dat wil zeggen in de gemeenschap met Hem!

Door een verandering (trilling) van de aarde, die door God bewerkt werd en zoals die in vers 3 genoemd wordt, werd Korach levend verslonden. Zijn zonen bleven echter gespaard. En zo zal het de gelovigen van het joodse overblijfsel ook vergaan. Zij zullen in veiligheid zijn, want hun Toevlucht is niemand minder dan de HEERE Zelf (Psalm 91 vers 9 en 10). Wat een grote tegenstelling met de mensen die in die eindtijd hier op aarde zullen wonen (vergelijk Lukas 21 vers 26 en Openbaring 6 vers 14 tot en met 17)!

Met het oog op deze kolkende en schuimende watermassa van het gericht (vers 4), herinnert God er aan dat er een rivier van genade stroomt. Deze rivier mondt uit in talloze beekjes, dat wil zeggen dat zij zich op veelvuldige wijze openbaart. Deze beekjes "verblijden de stad Gods" en allen die daar een toevlucht vinden.

Het slot van deze Psalm toont ons de getrouwen, zoals zij daar vanuit "een Hoog Vertrek" rustig de vervulling van het laatste oordeel van God volgen.

Psalm 47
1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.2Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.3Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.4Hij brengt de volken onder ons, en de natien onder onze voeten.5Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.6God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.7Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!8Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!9God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid. [ (Psalms 47:10) De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven! ]

Deze Psalm geeft uitdrukking aan de vreugde die het hart van de overwinnaar zal vervullen wanneer Christus na het oordeel, waarvan in Psalm 46 sprake was, Zijn rijk zal oprichten.

Israël zal een voorrangspositie boven alle volkeren innemen en hen leren God te loven, Zijn heerlijkheden en verhevenheid te roemen (vers 4 en 7; vergelijk Jesaja 2 vers 2 en 3).

Nadat de betrekkingen van het volk met God hersteld zijn, lezen we dat de Naam van de HEERE (Jehova) weer genoemd wordt (al in Psalm 46 vers 8 en 12). Het is Christus, Die eindelijk erkend wordt en Zijn Naam als de grote Koning van de hele aarde zal aannemen (Zacharia 14 vers 9).

We begrijpen waarom wij als christenen Hem niet Jezus onze Koning noemen. Wij zijn immers hemelburgers en behoren niet tot het aardse koninkrijk. Christus zal niet over ons, maar met de Gemeente regeren. Zij zal in dezelfde positie staan als Hij, zoals een koningin aan de zijde staat van de koning, haar echtgenoot.

Zouden wij niet zingen, wij die niet alleen een grote Koning, maar een Goddelijke Verlosser hebben te prijzen, een opgestane Heere, een hemelse Bruidegom, Die Zijn Gemeente liefheeft en zal komen om Haar bij Zich te nemen?

Hoeveel heerlijkheden zijn toch in deze ene Persoon verenigd! Wonderbare heerlijkheden, die onze mond en ons hart nu al zouden moeten vervullen met het eeuwige loflied van ware aanbidders.

Psalm 48
1Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.2De HEERE is groot en zeer te prijzen, in de stad onzes Gods, op den berg Zijner heiligheid.3Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde is de berg Sion, aan de zijden van het noorden; de stad des groten Konings.4God is in haar paleizen; Hij is er bekend voor een Hoog Vertrek.5Want ziet, de koningen waren vergaderd; zij waren te zamen doorgetogen.6Gelijk zij het zagen, alzo waren zij verwonderd; zij werden verschrikt, zij haastten weg.7Beving greep hen aldaar aan, smart als van een barende vrouw.8Met een oostenwind verbreekt Gij de schepen van Tharsis.9Gelijk wij gehoord hadden, alzo hebben wij gezien in de stad des HEEREN der heirscharen, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela.10O God! wij gedenken Uwer weldadigheid, in het midden Uws tempels.11Gelijk Uw Naam is, o God! alzo is Uw roem tot aan de einden der aarde; Uw rechterhand is vol van gerechtigheid.12Laat de berg Sion blijde zijn; laat de dochteren van Juda zich verheugen, om Uwer oordelen wil.13Gaat rondom Sion, en omringt haar; telt haar torens;14Zet uw hart op haar vesting; beschouwt onderscheidenlijk haar paleizen, opdat gij het aan het navolgende geslacht vertelt. [ (Psalms 48:15) Want deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe. ]

Met Psalm 48 komt er een einde aan het profetisch overzicht dat met Psalm 42 is begonnen. Er wordt ons iets getoond van de laatste aanval van de koningen van deze aarde op Jeruzalem en ook hoe zij volkomen in verwarring geraken (vers 5 tot en met 8). De vrome Joden zullen dan vaststellen dat hetgeen zij gehoord hebben, dan ten gunste van hen in vervulling zal gaan (vers 9; Psalm 44 vers 2).

Ja, ze hebben niet voor niets op God vertrouwd! Elke steen van deze geliefde stad heeft een grote waarde voor hen, nadat zij eerder door de verbanning zoveel geleden hebben! En ze bevinden zich hier binnen in de tempel, waar ze zo naar verlangd hebben (Psalm 42 vers 5; Psalm 43 vers 4 en 5), en ze zijn zich de goedheid van hun God heel goed bewust (vers 10).

Mogen ook wij ons daar niet mee bezighouden en over Zijn grote liefde nadenken als wij daar samenkomen waar Hij beloofd heeft aanwezig te zullen zijn?

Dan zal de lof echter niet alleen het hart van de gelovigen die nu nog overal verspreid zijn, vervullen, maar zal het zich uitstrekken tot aan het einde der aarde. Dan zal eindelijk de lof weerklinken die de Naam van onze grote God, in Wie geroemd wordt, zo waard is (vers 11).

Beste vriend(in), is deze God - Die het hele wereldgebeuren in Zijn hand heeft en bestuurt en dat wat Zijn mond gesproken heeft ook zal vervullen - uw (jouw) God voor nu en tot in alle eeuwigheid? Is Hij uw (jouw) Leider tot aan het laatste moment hier op aarde (vers 15)?

Psalm 49
1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.2Hoort dit, alle gij volken! neemt ter ore, alle inwoners der wereld,3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!4Mijn mond zal enkel wijsheid spreken, en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.5Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.6Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, als de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?7Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen;8Niemand van hen zal zijn broeder immermeer kunnen verlossen; hij zal Gode zijn rantsoen niet kunnen geven;9(Want de verlossing hunner ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden);10Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.11Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.12Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.13De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.14Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.15Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning.16Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela.17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;18Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.19Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;20Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. [ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]

In verband met de toekomst die de Geest van God ons in de voorgaande Psalmen geschetst heeft, richt Hij Zich nu tot alle bewoners van deze aarde, ongeacht hun sociale stand (vers 2 en 3).

Wat heeft alle rijkdom waarop men zich beroemt en alle vertrouwen stelt, in feite voor nut als de allergrootste schat van deze aarde nog niet in staat is om één enkele ziel te verlossen (vers 8 en 9)? De losprijs is zo onmetelijk groot, dat wij die nooit zelf zouden kunnen opbrengen! "Maar God zal mijn ziel... verlossen", zegt vers 16. En wij weten welke prijs Hij daarvoor moest betalen (1 Petrus 1 vers 18 en 19).

Als iemand graag aanzien in deze wereld wil verkrijgen, laat hij dan nog eens goed nadenken over vers 13, en dat aangevuld wordt door vers 21! Wat zal het resultaat zijn van al dat streven naar eer, van al die "dwaasheid" (vers 14)? Wat is het einde van deze wedloop waar talloze mensen aan meedoen, of ze nu rijk of arm zijn, of het nu om een hooggeplaatste of de 'gewone man' gaat (vers 3)? Het einde is in de dood, waarin niets meegenomen kan worden (vers 18).

De dood verijdelt alle voorzorgsmaatregelen die de mens meende te kunnen nemen. De dood houdt er geen rekening mee, hoe zuinig je ook met je lichaam bent omgesprongen tijdens je leven. De dood verduistert elke vreugde en drukt de stempel van vreselijke onzekerheid op alle plannen (Lukas 12 vers 20).

Daarom sluiten de mensen de ogen, uit angst hem in het gezicht te moeten zien. Voor de verlosten is de dood echter de laatste stap die gezet wordt naar het huis van de Vader, "... want Hij zal mij opnemen" (vers 16).

Psalm 50
1Een psalm van Asaf. De God der goden, de HEERE spreekt, en roept de aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.2Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.3Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.4Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.5Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!6En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. Sela.7Hoort, Mijn volk! en Ik zal spreken; Israel! en Ik zal onder u betuigen; Ik, God, ben uw God.8Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandofferen zijn steeds voor Mij.9Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien;10Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen.11Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij Mij.12Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want Mijn is de wereld en haar volheid.13Zou Ik stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.15En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?17Dewijl gij de kastijding haat, en Mijn woorden achter u henenwerpt.18Indien gij een dief ziet, zo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.20Gij zit, gij spreekt tegen uw broeder; tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.22Verstaat dit toch, gij godvergetenden! opdat Ik niet verscheure en niemand redde.23Wie dankoffert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien.

De vorige Psalm herinnert alle bewoners van deze aarde aan de vergankelijkheid en ijdelheid van de rijkdom en eer, twee dingen die een enorme aantrekkingskracht hebben voor de mensen van alle tijden.

In Psalm 50 richt God Zich tot Israël, Zijn volk (vers 7), om haar de nutteloosheid van de offers te tonen. Die zijn evenmin in staat om een ziel te verlossen, noch "hen die naderen" te "volmaken". Door één enkel offer heeft God Zijn verbond met Israël gesloten (vers 5; Hebreeën 10 vers 1 en 10). Wat Hij daarentegen nu wel van al de Zijnen verwacht, is dat zij dank offeren (vers 14 en 23; Hebreeën 13 vers 15).

Hoewel vers 15 een korte tekst is, vormt zij in feite een samenvatting van onze hele bevrijdingsgeschiedenis. Ten eerste is er het gebed, dan het Goddelijk antwoord dat ons beloofd wordt, en ten slotte de dankzegging ("gij zult Mij eren"). Helaas wordt dit laatste door ons zo vaak vergeten!

Laten we ons vertrouwen op God stellen, Hem aanroepen en dan zal Hij Zijn belofte vervullen!

De verzen 16 tot en met 22 zijn een waarschuwing van God aan de goddelozen. Hoewel zij de mond vol hebben van vrome woorden, is hun praktijk er niet naar en haten zij de tucht. Laten wij er voor oppassen dat wij zelf niet op deze mensen gaan lijken!

Laten we ook letten op die prachtige inleiding (vers 2 en 3) die, zoals zo vaak het geval is, het thema van de Psalm weergeeft: God spreekt tot de aarde om de pracht en schoonheid van de Persoon van Christus, de hoogste Rechter en heerlijke Koning in Sion, te openbaren.

Psalm 51
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.2Toen de profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij tot Bathseba was ingegaan.3Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid Uwer barmhartigheden.4Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.5Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.6Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten.7Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.8Zie, Gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt Gij mij wijsheid bekend.9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.10Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.11Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.12Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vasten geest.13Verwerp mij niet van Uw aangezicht, en neem Uw Heiligen Geest niet van mij.14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.16Verlos mij van bloedschulden, o God, Gij, God mijns heils! zo zal mijn tong Uw gerechtigheid vrolijk roemen.17Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen.18Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.19De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten. [ (Psalms 51:20) Doe wel bij Sion naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. ] [ (Psalms 51:21) Dan zult Gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer, dat gans verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op Uw altaar. ]

Deze Psalm werd door David geschreven toen hij zich in heel pijnlijke omstandigheden bevond (2 Samuël 12). De gevoelens die hier weergegeven worden, worden door een werkelijk inzicht van de zonde in de ziel opgeroepen, en het laat ons ook de door de Heilige Geest aangegeven weg tot herstel van de gemeenschap zien.

Laten we al die moeizame etappes eens overdenken. Ten eerste het toegeven, het belijden van onze misstap (vers 5). Dan het bewustzijn dat Gód beledigd werd en niet alleen deze of gene persoon (vers 6). Vervolgens worden we herinnerd aan onze eigen verdorven natuur (vers 7). Daarna komt het voelen van de eisen van God, wat de "waarheid in het binnenste" betreft (laten we vers 8 nooit vergeten). Dan komt het verlangen naar een rein geweten en een vaste geest (vers 12), en ten slotte het verlangen terug te keren tot praktische heiliging (vers 13), tot vreugde en een dienst vol overgave (vers 10 en 14).

Als de gelovige eenmaal weer hersteld is, dan zal hij in
staat zijn anderen met de genade, die ook hem heeft vergeven, bekend te maken (vers 15; vergelijk Lukas 22 vers 32).

Op deze hele weg is er geen sprake van het brengen van offers (vers 18) en vinden we evenmin allerlei rituelen die bij berouw zouden moeten behoren. Nee, een gebroken geest, een oprecht ootmoedig hart, dát is het enige wat God op grond van het werk van Christus kan aannemen (vers 18 en 19).

Vrienden, als we ons door één of andere zonde hebben laten overrompelen, laten we dan deze Psalm opnieuw in de tegenwoordigheid van God gaan lezen. Maar dan niet als een belijdenis van David, maar als ons persoonlijk gebed!

Psalm 52
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.2Als Doeg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimelech.3Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.4Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.5Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.8En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:9Ziet den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen. [ (Psalms 52:10) Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos. ] [ (Psalms 52:11) Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten. ]

Tot aan het eind van dit tweede Boek (Psalm 72) komen we nu alleen nog Psalmen van David tegen. Meerdere daarvan zijn, evenals Psalm 51, onder heel bijzondere omstandigheden geschreven.

In 1 Samuël 22 vers 9 en verder, lezen we dat Doëg, de Edomiet, aan Saul meldt dat David bij Achimélech, de priester, is gekomen. En even later wordt dan melding gemaakt van het bloedbad dat volgt. Deze Doëg is een beeld van de antichrist. Een profetisch persoon die de belichaming van het kwaad is en zich daar zelfs op beroemt (vers 3).

Wat een tegenstelling tussen vers 8 van Psalm 45, dat zich tot de Heere Jezus richt, en de verzen 3 tot en met 5 van Psalm 52, die spreken tegen de "geweldige"!

Tot troost voor de rechtvaardige zal de profetie van vers 7 in Openbaring 20 vers 19 in vervulling gaan.

In verband met deze macht van de boze, vertrouwt de psalmist helemaal op God (vers 10) en prijst Hem zelfs (vers 11).

Om in de harten van de verlosten lofgezangen te bewerken, maakt de Geest van God zelfs gebruik van de zwaarste beproevingen. De ongelovige daarentegen kent geen vrede, en al zijn onzekere steunpunten zijn het niet waard om op te vertrouwen, zoals we dat lezen in vers 9. Zijn "rijkdom is verrot" en zijn "goud en zilver is verroest", zoals de apostel Jakobus dat zegt in zijn Brief (hoofdstuk 5 vers 2 en 3).

Psalm 53
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.2De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God; zij verderven het, en zij bedrijven gruwelijk onrecht; er is niemand, die goed doet.3God heeft van den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien, of iemand verstandig ware, die God zocht.4Een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, er is niemand, die goed doet, ook niet een.5Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.6Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard geworden, waar geen vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen, die u belegerde, verstrooid; gij hebt hen beschaamd gemaakt, want God heeft hen verworpen. [ (Psalms 53:7) Och, dat Israels verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen Zijns volks zal doen wederkeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israel zal verblijd zijn. ]

Met uitzondering van vers 6 en de Naam "God" in plaats van HEERE (Jehova), is deze Psalm bijna woordelijke een weergave van Psalm 14. In Romeinen 3 vers 10 tot en met 12 worden de verzen 2 tot en met 4 aangehaald om het totale faillissement van het hele menselijke ras aan te tonen, een conclusie die niemand ooit zal kunnen tegenspreken.

"Er is niemand, die goed doet" (vers 2). "Ook niet één" voegt vers 4 er aan toe. En toch weten wij dat er één zo'n Mens geweest is: Hij Die uit de hemel is neergekomen, de heilige Uitzondering op alle mensenkinderen, Waarop God met welgevallen vanuit de hemel kon neerzien (vers 3; vergelijk Mattheüs 3 vers 16 en 17).

"Er is geen God", zegt de dwaas in zijn hart, hoewel z'n geweten hem het tegendeel zegt. En dat terwijl hij zich met Gods toestemming hier op aarde mag bewegen, door Zijn goedheid hier mag leven en Zijn adem mag inademen (Handelingen 17 vers 28). Maar hij houdt niet van God. Alles wat met God te maken heeft, irriteert hem mateloos. Daarom doet hij ook alle moeite zichzelf ervan te overtuigen dat God niet bestaat. En in de plaats van God neemt hij dan de 'almachtige' wetenschap of de filosofie.

Als hij ondanks alles toch gedwongen wordt om bepaalde dingen, die hij met zijn verstand niet kan verklaren, toe te geven, dan spreekt de ongelovige graag heel wazig over de natuur of van de voorziening. Ook daarmee wil hij vermijden de Naam van God, Die hem angst aanjaagt, uit te spreken, want God is licht. Hij is het Die alle" werkers der ongerechtigheid" te schande zal maken.

Psalm 54
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth;2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?3O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.4O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen mijns monds.5Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.6Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.7Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid. [ (Psalms 54:8) Ik zal U met vrijwilligheid offeren; ik zal Uw Naam, o HEERE! loven, want Hij is goed. ] [ (Psalms 54:9) Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden. ]

Na Doëg, de Edomiet, hebben de Zifieten op een achterbakse manier aan Saul de verblijfplaats van David, zijn rivaal, verraden. Saul kon daardoor de achtervolging van David weer opnemen. Deze geschiedenis vinden we in 1 Samuël 23 vers 19 en verder. Het belangrijkste wordt daar echter niet genoemd. Dat is het gebed dat de verworpen koning op het moment van gevaar, vol van vertrouwen, opzendt tot zijn God.

Zo moet er ook in het leven van de christen, te midden van alle omstandigheden van het dagelijkse leven, in het verborgen continu een 'gebedslijn' tussen hem en de Heere zijn.

Dat vinden we bijvoorbeeld ook steeds weer terug in het Boek Nehemia (hoofdstuk 1 vers 11; 2 vers 4; 4 vers 4; 5 vers 19; 6 vers 14 en verder).

De wereld, die God niet voor ogen stelt (vers 5) en die niets begrijpt van de macht van het gebed, zal de manier waarop een gelovige aan een dreigend gevaar ontkomt, altijd toeschrijven aan 'een gelukkig toeval'. (Juist 1 Samuël 23 vers 26, waar David zich steeds op een andere kant van de berg bevindt dan Saul, is hiervan een prachtig voorbeeld).

De verloste kent echter de Naam van Hem Die hem redt in alle nood, en deze Naam wordt door hem geprezen (vers 3, 8 en 9). God is zijn Helper, maar nog meer, Hij ondersteunt de ziel zo lang de beproeving duurt, want anders zou de gelovige misschien ontmoedigd kunnen raken (vers 6).

Psalm 55:1-11
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.5Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.6Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;7Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht.8Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela.9Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van den drijvenden wind, van den storm.10Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.11Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.

De gelovige, door angst en verschrikkingen des doods" overvallen, antwoordt niet zelf op "de roep van de vijand", op de verdrukking door goddelozen, die hem in hun gloeiende haat vervolgen, maar wendt zich tot God (vers 4 en 5). Dat is het beste wat ook wij altijd moeten doen, in plaats van slagvaardig te reageren op giftige woorden. Toch moeten we niet om wraak gaan smeken zoals David dat doet in deze verzen.

Profetisch gezien verplaatsen deze Psalmen ons van de huidige genadetijd over in de tijd dat het rijk alleen door het oordeel van de onrechtvaardigen opgericht kan worden. De boosheid van de wereld bereikt vandaag de dag nog niet zo'n hoogtepunt, zoals dat in die vreselijke tijd wel het geval zal zijn. Dat wordt nu door de aanwezigheid van de Heilige Geest hier op aarde nog tegengehouden, nog afgeremd (2 Thessalonika 2 vers 6 en 7). De hier genoemde kenmerken zijn nu echter ook al zichtbaar: geweld, twist (vers 10), ongerechtigheid en overlast (of moeite zoals een andere vertaling het zegt) (vers 11), verderving, list en bedrog (vers 12). In zo'n omgeving kan de gelovige zich niet thuis voelen! Evenals de gelovigen van het overblijfsel, verlangt ook hij naar de plaats van rust (vers 7), naar het huis van de Vader. Dat is zijn hoop en het onderwerp van zijn lofgezang!

Naar 't Vaderhuis, daar zal ik eeuwig rusten aan Jezus' hart, hier kan mij niets meer lusten. Waar Jezus woont, daar is mijn waar tehuis. Naar 't Vaderhuis!

Naar 't Vaderhuis, daar in der heil'gen midden zie ik het Lam - dáár zal ik Hem aanbidden. Dáár is mijn plaats, hoe ook de vijand bruis'. Naar 't Vaderhuis!

Psalm 55:12-23
12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.13Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.14Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!15Wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk raadpleegden; wij wandelden in gezelschap ten huize Gods.16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.17Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.18Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.19Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigte zijn zij tegen mij geweest.20God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.21Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.22Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden.23Werp uw zorg op den HEERE, en Hij zal u onderhouden; Hij zal in eeuwigheid niet toelaten, dat de rechtvaardige wankele. [ (Psalms 55:24) Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in den put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen. ]

Met de man over wie David in de verzen 13 tot en met 14 spreekt, wordt waarschijnlijk Achitofel, de Giloniet bedoeld. In 2 Samuël 15 tot en met 17 lezen we van zijn verraad en zelfmoord. Profetisch gezien hebben deze woorden echter betrekking op de ongelukkige Judas.

Zijn er betere woorden te bedenken die nog duidelijker de toegenegenheid beschrijven, zoals die tot uitdrukking komt in vers 14? "Mijn leidsman en mijn bekende" (of: vertrouwde).

Hier hebben we een bewijs dat, ook al wordt er nog zoveel van liefde en vertrouwen betoond, dat dit niet in staat is om het natuurlijke hart van de mens te gewinnen. In dat hart woont namelijk "krijg" tegen God (vers 22; vergelijk Markus 14 vers 45). Wat voor gevoelens moet de Heere Jezus hier beneden op aarde toch gehad hebben! Hij kon op niemand rekenen en niemand vertrouwen (Johannes 2 vers 24).

In verband met zo'n ontplooiing van het kwaad, roept de Psalmist ook ons op: "Werp uw zorg op de HEERE..." (vers 23).

Een last op de schouders hindert de mens bij het lopen. Daarom zegt Hebreeën 12 vers 1 tegen ons: "Laten wij alle last... afleggen en met volharding de wedloop lopen". Vanaf het moment dat wij al onze last op God geworpen hebben, is het voor ons geen last meer, als wij alles wat ons zo terneerdrukt en onrustig maakt, aan Hem overlaten en in Zijn handen geven.

Psalm 56
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.2Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; den gansen dag dringt mij de bestrijder.3Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!4Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.5In God zal ik Zijn woord prijzen; ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zoude mij vlees doen?6Den gansen dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.7Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten.8Zouden zij om hun ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!9Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijn tranen in uw fles; zijn zij niet in Uw register?10Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.11In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.12Ik vertrouw op God, ik zal niet vrezen; wat zou mij de mens doen?13O God! op mij zijn Uw geloften; ik zal U dankzeggingen vergelden; [ (Psalms 56:14) Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood; ook niet mijn voeten van aanstoot, om voor Gods aangezicht te wandelen in het licht der levenden? ]

Deze Psalm werd, evenals Psalm 34, geschreven in de tijd dat David in Gath die verdrietige ervaringen opdeed (1 Samuël 21 vers 11 tot en met 15).

De verzen 6 en 7 herinneren ons aan de Heere Jezus in verbinding met hen die tegen Hem samenspannen om Hem met list te vangen en Zijn woorden te verdraaien (Mattheüs 22 vers 34 en 41; Lukas 11 vers 53 en 20 vers 20). Hun boosheid werd door Hem beantwoord met vertrouwen op Zijn Vader. Laten we Hem hierin navolgen!

Om op God te kunnen vertrouwen, moet men Hem echter eerst kennen. Een klein kind legt zijn hand gewoonlijk niet in die van een vreemde. Het is het Woord Dat ons Hem openbaart, op Wie wij kunnen steunen. Daarom roept de gelovige het ook tot tweemaal toe uit: "In God zal ik Zijn Woord prijzen; ik vertrouw op God" (vers 5, 11 en 12).

De bozen letten op de stappen die de gelovige zet (vers 7), maar God telt diezelfde schreden (vers 9). We weten dat Hij het getal van de haren van ons hoofd kent, zoals Mattheüs 10 vers 30 ons zegt.

En hier zien we ook dat Hij weet van elke traan van Zijn kinderen, zelfs de tranen die in het verborgen vergoten worden! Als ik dan bij "mijn omzwerven" een val van de vijand tegenkom, dan zal Hij Die mijn ziel van de eeuwige dood gered heeft, ook mijn voeten voor struikelen bewaren (vers 14; Psalm 94 vers 18; Psalm 116 vers 8; Judas vers 24).

Psalm 57
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.2Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.3Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.4Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.5Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig onder stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.6Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde.7Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden in gevallen. Sela.8Mijn hart is bereid, o God! mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen.9Waak op, mijn eer! waak op, gij, luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.10Ik zal U loven onder de volken, o Heere! ik zal U psalmzingen onder de natien.11Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken. [ (Psalms 57:12) Verhef U boven de hemelen, o God! Uw eer zij over de ganse aarde. ]

Evenals de Psalmen 51 en 56 begint ook deze Psalm met de inleidende woorden: "Wees mij genadig, o God!"

De Goddelijke genade is mijn hulpbron, zowel tegen het kwaad dat mij omgeeft, als tegen de zonde die in mij is (Psalm 51). Of de vijand nu Absalom, Filistijn of Saul heet, of satan, of wereld - de veilige toevlucht van mijn ziel is in U, Heere Jezus, "onder de schaduw van Uw vleugelen" (vers 2). Wanneer ik onder deze bescherming sta, dan hoef ik niet bang te zijn voor hetgeen uit de mond van de mens uitgaat, noch voor het net dat zij voor mij gespannen hebben (vers 5 en 7; vergelijk Psalm 91 vers 3 en 4). God is het "Die het aan mij voleindigen zal" (vers 3).

Diezelfde gedachte ligt opgesloten in de woorden van Romeinen 8 vers 28: "En wij weten, dat hun, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede". Geloof brengt ons tot vertrouwen en dan ervaren wij dat "alle dingen" -ook die, die totaal tegen ons eigen denken in gaan en die we niet kunnen begrijpen - door God bestuurd worden met het doel ons te zegenen.

Hier is de gelovige echter meer bezorgd om de heiligheid van God dan om zijn eigen verlossing (vers 6, herhaald in vers 12 en Psalm 108 vers 6).

Dat was ook het gebed van de Heere Jezus in verband met het kruis dat voor Hem stond: "Vader, verheerlijk Uw Naam!" (Johannes 12 vers 28).

Dat zou in alle omstandigheden van het leven ook het eerste verlangen van ons hart moeten zijn!

Psalm 58
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth.2Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen?3Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.4De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan.5Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;6Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.7O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!8Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.9Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.10Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.11De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen. [ (Psalms 58:12) En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt. ]

De verzen 2 tot en met 6 laten er geen twijfel over bestaan wat menselijke gerechtigheid is. En mochten we dit te kras uitgedrukt vinden, dan hoeven we slechts terug te denken aan het kruis. De betrekkingen van de mensen onderling worden maar al te vaak geregeerd door de macht van de sterkste, waarbij de leugen en het gif van kwaadsprekerij vaak als wapens gebruikt worden (vers 44 en 5; Psalm 14: 4).

Ja, de wereld om ons heen is, evenals in de dagen van David, vol van ongerechtigheid. Onze instelling als christen moet echter wel heel anders zijn dan die van de vrome Israëliet, zoals die naar voren komt in de verzen 7 tot en met 11. In de tijd van de grote verdrukking zal deze Israëliet zich slechts kunnen wenden tot de God van wraak, opdat de dag dat de gerechtigheid hier op aarde zal heersen, verhaast mag worden. Deze dag zal zeker komen! Echter, ondertussen is het nu nog "de dag der zaligheid" (2 Korinthe 6 vers 2).

Daarom mogen wij die zelf genade ondervonden hebben, voorbede doen voor alle mensen bij de Heiland-God. De ongerechtigheid, die ons omringd, is voor ons juist een gelegenheid om goed te doen en "de vrucht der rechtvaardigheid" te zaaien (Jakobus 3 vers 18).

We moeten niet proberen de wereld te verbeteren. Dat is onmogelijk! Nee, te midden van deze wereld hebben wij juist het karakter van onze Verlosser te vertonen.

Psalm 59
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.2Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.4Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!5Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.6Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.7Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.8Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?9Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.10Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek.11De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.12Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!13Om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om den vloek, en om de leugen, die zij vertellen.14Verteer hen in grimmigheid; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God heerser is in Jakob, ja, tot aan de einden der aarde. Sela.15Laat hen dan tegen de avond wederkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan;16Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.17Maar ik zal Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was. [ (Psalms 59:18) Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Hoog Vertrek, de God mijner goedertierenheid. ]

Van alle Psalmen die betrekking hebben op omstandigheden uit het leven van David, is dit de oudste (zie 1 Samuël 19 vers 11 tot en met 17).

Deze werd geschreven in die dramatische nacht waarin Saul, tot drie keer toe, zijn misdadige handlangers eropuit stuurde om David, die hij haatte, te bewaken (vers 11), te halen (vers 14) en te doden (vers 15). In onze Psalm zien we hun hardnekkigheid om kwaad te doen (vers 7 en 15). Tijdens deze angstige nacht wendt de verdrukte zich tot zijn God: "Waak op mij tegemoet... God Israëls! ontwaak..." (vers 5 en 6; vergelijk Psalm 44 vers 23 en Markus 4 vers 38).

David kent zijn God in Zijn grote macht. Hij weet dat deze God hem kan bevrijden, wanneer Hij dat wil. Hij kent echter nog maar weinig van Zijn trouw, Zijn waakzaamheid en Zijn liefdevolle zorg voor de Zijnen (vergelijk Mattheüs 8 vers 2 en 3).

De verzen 3 tot en met 8 van Psalm 121 zijn een antwoord op de onrust van de gelovige: "Uw Bewaarder zal niet sluimeren". En in het laatste vers van de Psalm voor vandaag lezen we dat David niet alleen de sterkte, maar ook de goedheid van zijn God heeft ervaren. Hij prijst God voor deze twee karakterkenmerken!

Saul was van plan om zijn vijand 's morgens vroeg te vermoorden (1 Samuël 19 vers 11), maar voor David - en ook voor ons (!) - wordt die morgen tot de morgen van verlossing, vreugde en lofgezang (vers 17; 2 Samuël 23 vers 4).

Psalm 60
1Een gouden kleinood van David tot lering, voor den opperzangmeester, op Schusan Eduth;2Als hij gevochten had met de Syriers van Mesopotamie, en met de Syriers van Zoba; en Joab wederkwam, en de Edomieten sloeg in het Zoutdal, twaalf duizend.3O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons.4Gij hebt het land geschud, Gij hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt.5Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.6Maar nu hebt Gij dengenen, die U vrezen, een banier gegeven, om die op te werpen, vanwege de waarheid. Sela.7Opdat Uw beminden zouden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.8God heeft gesproken in Zijn heiligdom; dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.9Gilead is mijn, en Manasse is mijn, en Efraim is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.10Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!11Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?12Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten? [ (Psalms 60:13) Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want 's mensen heil is ijdelheid. ] [ (Psalms 60:14) In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden. ]

In 2 Samuël 8 en 1 Kronieken 18 lezen we over de glorieuze overwinningen van David op de Syriërs en de Edomieten. Als we die gedeelten lezen, zouden we nooit op de gedachte komen dat Israël en zijn koning juist op dat moment door zo'n verdrukking gingen (vers 3 tot en met 5, 12 en 13).

De overwinning van een christen is vaak het gevolg van een moeizame innerlijke strijd die alleen de Heere kent. En een deel van de buit die wij in deze strijd 'veroveren', bestaat uit de les die God ons in die tijd in het verborgene van ons hart heeft gegeven. In die zin is de uitdrukking uit Romeinen 8 vers 37: "meer dan overwinnaars", voor ons ook best te begrijpen.

Zoals het in het eerste vers van deze Psalm staat, is deze Psalm dan ook "tot lering" geschreven. David heeft geleerd -en herinnert ons daar aan - dat redding van de kant van de mensen ijdel is (vers 13; vergelijk Psalm 146 vers 3), maar dat wij samen met God machtige daden zullen doen (vers 14).

"Maar nu hebt Gij hun, die U vrezen, een banier gegeven,
om die op te werpen, vanwege de waarheid" (vers 6). Laten
wij de banier van de waarheid met vaste hand hooghouden.

De voorgaande Psalmen toonden ons de verbinding van de enkeling met God. Hier gaat het echter om gemeenschappelijke oefeningen van het hele volk. Laten we de eenheid van de verlosten van de Heere nooit uit het oog verliezen. Het zijn allen "beminden" (vers 7), laten we dat nooit vergeten. En allen zijn geroepen gezamenlijk getuigenis af te leggen.

Psalm 61
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.2O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.3Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.4Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand.5Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.6Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.7Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;8Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden. [ (Psalms 61:9) Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag. ]

Als de gelovige het kwaad op allerlei manieren op zich af ziet komen, hij door mensen vervolgd wordt en zijn "hart overstelpt is", dan vindt hij zijn toevlucht bij God (vers 3 en 4).

Dat was ook de ervaring van David, die eerst door Saul en later door Absalom vervolgd werd. En dat zal ook de ervaring van het gelovig overblijfsel zijn, dat voor de heerschappij van de antichrist zal vluchten.

"Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn". De Geest van God brengt de gelovige op hoogten waar het natuurlijk verstand geen toegang heeft, hoogten waarbij je je eigen onwaardigheid, om daar te mogen zijn, zo duidelijk voelt.

En vanaf de hoogte op die rots prijst de gelovige alles wat de Heere voor Hem is, alle bescherming en hulp die hij in Hem vindt. Hij is "Een sterke Toren voor de vijand" (vergelijk Spreuken 18 vers 10) en een "Hut" tegen onweer of de gloeiende hitte van de zon. Hij biedt bescherming onder Zijn "vleugelen". Die vleugelen spreken ons van liefde en veiligheid.

Evenals in Psalm 56 vers 13 denkt de gelovige ook hier terug aan zijn geloften, dat wil zeggen aan de verplichtingen die hij tegenover God is aangegaan (vers 6 en 9).

Voor ons christenen spreken deze geloften van het gevoelen dat de Heere een recht op ons heeft, dat we ons bewust zijn dat we niet meer onszelf toebehoren, maar dat we ons ter beschikking hebben te stellen aan God, aan Hem Die ons verlost heeft (2 Korinthe 5 vers 15; lees ook Romeinen 12 vers 1).

Psalm 62
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.2Immers is mijn ziel stil tot God; van Hem is mijn heil.3Immers is Hij mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek, ik zal niet grotelijks wankelen.4Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.5Zij raadslagen slechts, om hem van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.6Doch gij, o mijn ziel! zwijg Gode; want van Hem is mijn verwachting.7Hij is immers mijn Rotssteen en mijn Heil, mijn Hoog Vertrek; ik zal niet wankelen.8In God is mijn Heil en mijn Eer; de Rotssteen mijner sterkte, mijn Toevlucht is in God.9Vertrouw op Hem te aller tijd, o gij volk! Stort ulieder hart uit voor Zijn aangezicht; God is ons een Toevlucht. Sela.10Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen lichter zijn dan de ijdelheid.11Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op.12God heeft een ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is. [ (Psalms 62:13) En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk. ]

Van deze Psalm lezen we niet dat hij betrekking heeft op een bepaalde omstandigheid uit het leven van David. Dat is een bevestiging van het feit dat de ziel "te allen tijde" (vers 8) rustig op God - Hij wordt zeven keer genoemd - op Hem alleen, moet vertrouwen!

Wat vinden we in deze Psalm toch kostbare uitdrukkingen van dit vertrouwen (vers 2, 3, 6 tot en met 9). Maar bovenal vinden we hier ook een verwijzing naar het kostbare Onderwerp van mijn vertrouwen: Christus, de Rots der eeuwen, op Wie zowel mijn heil als mijn heerlijkheid is gegrond (vers 8). Als ik dat in mijn leven praktiseer, dan kan ik ook anderen oproepen om op Hem te vertrouwen (vers 9). Dan kan ik hen tegelijkertijd ook voor elke andere bedrieglijke toevlucht waarschuwen.

Het maakt inderdaad niet uit of de mens nu boven- of onderaan op de sociale ladder staat, iedereen pronkt met nietige ijdelheid en met bedrieglijke aanmatiging. Op de weegschaal van God zullen ze allemaal te licht bevonden worden (vers 10; vergelijk Daniël 5 vers 27).

Voor ons christenen geldt dat we het slot van vers 11 nooit moeten vergeten: "Wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op"!

"Zet er het hart niet op!" Veel kinderen van God die eens trouw waren toen ze alleen nog maar God hadden om op te vertrouwen (vers 2), hebben geen stand kunnen houden in de verzoeking van de welstand (Spreuken 11 vers 28). "De verleiding van de rijkdom" heeft het levende Woord verstikt, zodat Het daarom zonder vrucht is gebleven" (Mattheüs 13 vers 22).

Psalm 63
1Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda.2O God! Gij zijt mijn God! ik zoek U in den dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.3Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd, ziende Uw sterkheid en Uw eer;4Want Uw goedertierenheid is beter dan het leven; mijn lippen zouden U prijzen.5Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.6Mijn ziel zou als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zou roemen met vrolijk zingende lippen.7Als ik Uwer gedenk op mijn legerstede, zo peins ik aan U in de nachtwaken.8Want Gij zijt mij een hulp geweest; en in de schaduw Uwer vleugelen zal ik vrolijk zingen.9Mijn ziel kleeft U achteraan; Uw rechterhand ondersteunt mij.10Maar dezen, die mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde.11Men zal hen storten door het geweld des zwaards; zij zullen de vossen ten deel worden. [ (Psalms 63:12) Maar de koning zal zich in God verblijden; een iegelijk, die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond der leugensprekers zal gestopt worden. ]

Kunnen wij het innige morgengebed van de Psalmist ook tot het onze maken? Hij ervaart de dorheid van deze wereld en verlangt daarom alleen maar naar zijn God. Van Hem is zijn verwachting en Hij is zijn Vreugde. Dag en nacht is deze God het Onderwerp van al zijn ijverige overpeinzingen. Een mens bezit niets kostbaarders dan zijn leven. De gelovige heeft echter een nog grotere schat gevonden, de goedheid van zijn God. In zijn hart overdenkt hij alle bewijzen die hij hiervan heeft ontvangen (vers 4 en 8).

Let eens op de wonderbare vooruitgang die hier geboekt wordt. Als eerste lezen we "Mijn ziel dorst naar U" (vers 2). Dan: "mijn ziel zou ... verzadigd worden" (vers 6; Jeremia 31 vers 25). En ten slotte: "mijn ziel is aan U verkleefd" (vers 9). Ziet u die opklimmende gedachtegang? Wanneer mijn blikken naar de wereld gaan, dan ervaar ook ik deze dorst en dit smachten. De wereld heeft immers geen blijvende bevrediging te bieden. Denk ik echter aan de Heere en houd ik mij alleen met Hem bezig, dan vindt mijn ziel bevrediging. Dan is er aanbidding in mijn hart voor Hem. Dan is Hij mijn Alles en heb ik genoeg aan Hem! En dan kan ik Hem, gesterkt door en verbonden met Hem, in deze dorre wereld ook navolgen. Deze woestijnreis zal echter al heel gauw voorbij zijn. Morgen zal het doel van de pelgrim zichtbaar worden. En wat is dat doel? Dat is de Heere Zelf in al Zijn heerlijkheid, Die wij dan met onze eigen ogen zullen zien. Heeft Hij niet Zelf daarom gebeden? "Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen" (Johannes 17 vers 24; vergelijk dit met vers 3 van onze Psalm). Geve de Heere, dat Hij in het hart van ons allen dat verlangen vindt, als antwoord op Zijn eigen verlangen!

Psalm 64
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.2Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.3Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid.4Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl;5Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.6Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?7Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.8Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.9En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken.10En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandelijk aanmerken. [ (Psalms 64:11) De rechtvaardige zal zich verblijden in den HEERE, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen. ]

De gelovige ondervindt niet alleen de dorheid van de wereld, waarin hij zijn dorst niet kan stillen (Psalm 63 vers 2), maar ervaart ook de vijandschap van de mensen. Tegen hem maken zij hun tong zo scherp als een zwaard (Psalm 55 vers 22; 57 vers 5).

Trouw heeft altijd al haat bij de ongelovigen opgewekt en dat zal ook altijd zo blijven. We hoeven ons daar niet over te verbazen. We moeten er echter wel voor zorgen dat ons gedrag niet terecht aanleiding geeft tot een aanklacht.

Laten we tegen dat zwaard en die pijlen, het borstharnas van de gerechtigheid aandoen (dat wil zeggen dat we een onbesproken wandel moeten hebben; Efeze 6 vers 14; lees ook 1 Petrus 2 vers 12).

Laten we ook elke openbaring van boosheid met "zachtmoedige wijsheid" tegemoet treden (Jakobus 3 vers 13). Wanneer we dat in praktijk brengen, dan zal God onze zaak in Zijn handen nemen (Romeinen 12 vers 17 tot en met 19).

"Wie zal ze zien?" vroegen de vijanden van de rechtvaardigen (vers 6; zie ook Psalm 10 vers 12 en 59 vers 8). God ziet ze echter! Zijn blik doorgrondt de diepten van het hart en ziet al hun boosaardige plannen (vers 7). En als antwoord op de pijl (het "bittere woord"), die op de oprechten gericht en plotseling afgeschoten wordt (vers 5), maakt God Zijn eigen pijl klaar. Gods pijl, die even plotseling de verlosten op het juiste moment zal bevrijden (vers 8).

Psalm 65
1Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.2De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.3Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.4Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.5Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.6Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!7Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht.8Die het bruisen der zeeen stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.9En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.10Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.11Gij maakt zijn omgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.12Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.13Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging. [ (Psalms 65:14) De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij. ]

Voordat de lof bij het aanbreken van het duizendjarig rijk allesomvattend zal zijn (Psalm 66), wordt het als het ware in de stilheid van het hart van de verlosten voorbereid.

Deze stille aanbidding moet ook iets vertrouwds voor ons zijn. Met deze aanbidding wordt niet gewacht tot de zondagmorgen, om alleen dan tot God op te stijgen. Ware aanbidding komt zonder woorden tot uitdrukking. Laten we ons hierin toch oefenen. Dat kan in de pauze op het werk, 's nachts op bed (Psalm 63 vers 7). Altijd zal deze aanbidding door de Hoorder van het gebed (vers 3) gehoord en begrepen worden.

Nadat de zondevergeving een feit is geworden (vers 4), kan Israël (maar evengoed de christen) de tegenwoordigheid van God en de vreugde van Zijn gemeenschap genieten (vers 5).

Deze Psalm besluit met een wonderbare beschrijving van de aardse zegeningen van de toekomst. Het zijn voorbeelden van de geestelijke rijkdommen van de gelovige, die hij nu al mag bezitten. Wanneer hij "in een land, dor en mat, zonder water" versmacht (Psalm 63 vers 2), dan moet hij er altijd aan denken dat "de rivier Gods" vol water is (vers 10).

Beste vrienden, is het daarom niet onze eigen schuld wanneer onze ziel soms zo uitgedroogd is? (Johannes 4 vers 14 en 15).

"Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen", zegt vers 9 nog. Ja, dat het begin, het verloop en het einde van elke dag bij ons toch ook vervuld mogen zijn met een lied dat overstroomt van geluk en liefde!

Psalm 66
1Een lied, een psalm, voor den opperzangmeester. Juicht Gode, gij ganse aarde!2Psalmzingt de eer Zijns Naams; geeft eer Zijn lof.3Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.4De ganse aarde aanbidde U, en psalmzinge U; zij psalmzinge Uw Naam. Sela.5Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.6Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd.7Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.8Looft, gij volken! onzen God; en laat horen de stem Zijns roems.9Die onze zielen in het leven stelt, en niet toelaat, dat onze voet wankele.10Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;11Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een engen band om onze lenden gelegd;12Gij hadt den mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.13Ik zal met brandofferen in Uw huis gaan; ik zal U mijn geloften betalen,14Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.15Brandofferen van mergbeesten zal ik U offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.16Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.17Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd onder mijn tong.18Had ik naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou niet gehoord hebben.19Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.20Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.

In de gelukkige tijden, waarvan we in Psalm 65 gelezen hebben, zal het de opdracht van Israël zijn om de volken op te roepen tot vreugde en lof, in eerste instantie om Gods vreselijke werken (vers 3 en 5), maar vervolgens ook om Zijn goedheid met betrekking tot Zijn volk. De uittocht uit Egypte en het binnengaan van Kanaän (vers 6) zijn de eerste vertoningen van grote machtsdaden, die altijd weer aangehaald zouden moeten worden.

Christenen, laten we nooit ophouden met roemen in het kruis van onze Heere Jezus Christus! Hij heeft ons van het juk van de vorst van deze wereld (Egypte) bevrijd en ons ingevoerd in de hemelse zegeningen.

Dan zal er ook teruggedacht worden aan het lange lijden van Israël (vers 10 tot en met 12). De Joden werden (en worden nog altijd) op vele wijzen beproefd, verdrukt en met voeten getreden (vers 12) door de volken waaronder zij verstrooid zijn en leven. Maar binnenkort zullen ze God, Die hun ziel in leven gehouden en hen in de smeltoven van de beproeving gereinigd heeft, prijzen.

Laten wij dit kostbare Goddelijke doel, ook met ons, nooit vergeten!

Vers 18 herinnert ons aan volgende belangrijke waarheid: God kan onze gebeden niet verhoren zo lang ons geweten nog met een niet-geoordeelde zonde beladen is. Laten we er toch haast mee maken en die belijden, opdat we opnieuw Zijn gemeenschap mogen ervaren! (Jesaja 1 vers 15; Psalm 32 vers 5 en 6).

Psalm 67
1Een psalm, een lied, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.2God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aanschijn aan ons lichten. Sela.3Opdat men op de aarde Uw weg kenne, onder alle heidenen Uw heil.4De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.5De natien zullen zich verblijden en juichen, omdat Gij de volken zult richten in rechtmatigheid; en de natien op de aarde die zult Gij leiden. Sela.6De volken zullen U, o God! loven; de volken, altemaal, zullen U loven.7De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen. [ (Psalms 67:8) God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen Hem vrezen. ]

Israël vraagt om gezegend te worden, opdat de wil van God en Zijn heil op de hele aarde erkend zouden worden (vers 2 en 3).

Zijn wij in onze gebeden gewoonlijk niet veel te veel met onszelf bezig? Laten we er toch meer om vragen dat de genade, waarvan wijzelf het onderwerp zijn, en de zegeningen die wij mogen genieten, opgemerkt mogen worden door hen die ons omringen. Ja, dat hen dit tot de Heere Jezus mag trekken!

De hoofdstukken 9 tot en met 11 van de Brief aan de Romeinen maken ons duidelijk hoe Israël terzijde gesteld is, om God in staat te stellen Zijn genade voortaan aan de volken te betonen. En daar wordt ons ook getoond hoe dit deelhebben van de volken aan de beloften van Abraham de Joden tot jaloersheid zou moeten verwekken (lees Romeinen 11 vers 11 en 12).

Onder de heerschappij van de Messias zal er echter zowel voor de een als voor de ander plaats zijn (Psalm 22 vers 28). Alle volken van deze aarde zullen tezamen met het joodse volk gezegend worden. Dan zal er geen jaloersheid, noch nationale trots meer zijn. Israël zal nog slechts één verlangen hebben: te zien hoe alle volken zich in God verheugen en Hem prijzen (vers 4 en 6).

Dan zal het Lam in de hemel en op aarde verhoogd worden, want Hij is het waard!

"Gij zijt waardig... want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie..." (Openbaring 5 vers 9).

Psalm 68:1-14
1Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester.2God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.3Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.4Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.5Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam; hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakken velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.6Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.7Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.8O God! toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daarhenen tradt in de woestijn; Sela.9Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinai, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israel.10Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.11Uw hoop woonde daarin; Gij bereiddet ze door Uw goedheid voor den ellendige, o God!12De HEERE gaf te spreken; der boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar.13De koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij, die te huis bleef, deelde den roof uit.14Al laagt gijlieden tussen twee rijen van stenen, zo zult gij toch worden als vleugelen ener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uitgegraven geluwen goud.

Zo vreselijk als God in Zijn oordelen over de goddelozen is, zo vol lieflijkheid betoont Hij Zich over hen die Hem toebehoren en die Hij "rechtvaardigen" noemt (vers 4). Hij neemt zelfs die prachtige Naam: "Vader der wezen" en "Richter der weduwen" aan (vers 6; Psalm 146 vers 9; Jeremia 49 vers 11). Daarmee laat Hij zien dat Hij Zich op bijzondere wijze bekommert om hen die hun natuurlijke steun hebben verloren.

De eenzamen zijn het onderwerp van Zijn speciale zorg: "God, Die de eenzamen zet in een huisgezin" (vers 7). Hoevelen hebben dit kostbare zelf mogen ervaren! Bij hun bekering werden deuren toegesloten. Sommige familieleden wilden niets meer met hen te maken hebben en hen misschien zelfs niet meer in huis hebben. Ter wille van de Heere hadden ze "huis of broeders of zusters" moeten verlaten. Maar de "Vader der wezen" heeft hen in Zijn eigen familie opgenomen, waar ze andere broeders en zusters gevonden hebben (Markus 10 vers 29 en 30).

Tot en met het vijftiende vers wordt gewezen op de zorg van God voor Zijn volk tijdens de woestijnreis (vergelijk vers 2 en 8 met Numeri 10 vers 33 tot en met 36). Nooit is Hij gestopt met waken over Israël, Zijn "grote heerschaar" (vers 12).

Vandaag heeft de Heere echter nog "andere schapen" die bij de joodse stal horen (Johannes 10 vers 16). Bent u, ben jij ook één van hen? Kun je vertellen van de liefde van deze goede Herder?

Psalm 68:15-23
15Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon.16De berg Basan is een berg Gods; de berg Basan is een bultige berg.17Waarom springt gij op, gij bultige bergen? Deze berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er de HEERE wonen in eeuwigheid.18Gods wagenen zijn tweemaal tien duizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid!19Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!20Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela.21Die God is ons een God van volkomene Zaligheid; en bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.22Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden verslaan, den harigen schedel desgenen, die in zijn schulden wandelt.23De Heere heeft gezegd: Ik zal wederbrengen uit Basan; Ik zal wederbrengen uit de diepten der zee;

Er zal een moment komen waarop alle menselijke aanspraken op macht (de "bultige bergen" uit vers 17), plaats zullen moeten maken voor de macht van God. Alleen Hij kan aanspraak maken op alle macht. God heeft het hoogste bewijs dat Hij boven alles staat, niet geleverd door de overwinning op de vijanden van Israël. Nee, het hoogste bewijs is geleverd door Christus doordat Hij de overwinning op satan (de sterkere, die ons gevangen hield) behaalde en door Zijn triomferende opstanding (vers 19; Romeinen 1 vers 4).

Verheven boven alle hemelen is de Heere Jezus Diegene Die in Zijn hoedanigheid als Mens gaven ontvangt. In Efeze 4 vers 8 tot en met 10, waar vers 19 geciteerd wordt, deelt Hij die gaven uit. Zijn Gemeente mag vandaag de dag tot Haar opbouwing over deze gaven beschikken. Door de Heilige Geest zijn deze gaven over de Gemeente uitgegoten (Handelingen 2 vers 33).

Wij mogen in elk opzicht met vers 20 instemmen en zeggen: "Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons (of: draagt Hij ons). Die God is onze Zaligheid".

Inderdaad, onze God is een God van zaligheid, van heil. Bij Hem zijn "uitkomsten tegen de dood" (hoewel vers 21 in eerste instantie betrekking heeft op het ontstaan van Israël als volk). Hij geeft hen die door Zijn macht zijn gevangen, een hemels en eeuwig deel met de Eerstgeborene uit de doden, met de opgestane Zoon des mensen.

Psalm 68:24-35
24Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden, moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen.25O God! zij hebben Uw gangen gezien, de gangen mijns Gods, mijns Konings, in het heiligdom.26De zangers gingen voor, de speellieden achter, in het midden de trommelende maagden.27Looft God in de gemeenten, den Heere, gij, die zijt uit den springader van Israel!28Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerste, de vorsten van Juda, met hun vergadering, de vorsten van Zebulon, de vorsten van Nafthali.29Uw God heeft uw sterkte geboden; sterk, o God, wat Gij aan ons gewrocht hebt!30Om Uws tempels wil te Jeruzalem, zullen U de koningen geschenk toebrengen.31Scheld het wild gedierte des riets, de vergadering der stieren met de kalveren der volken; en dien, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.32Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken.33Gij koninkrijken der aarde, zingt Gode; psalmzingt den Heere! Sela.34Dien, Die daar rijdt in den hemel der hemelen, Die van ouds is; ziet, Hij geeft Zijn stem, een stem der sterkte.35Geeft Gode sterkte! Zijn hoogheid is over Israel, en Zijn sterkte in de bovenste wolken. [ (Psalms 68:36) O God! Gij zijt vreselijk uit Uw heiligdommen; de God Israels, Die geeft den volke sterkte en krachten. Geloofd zij God! ]

Het slot van deze Psalm laat ons een andere kant van de oprichting van het rijk zien. De weg van God met Zijn volk, die in de woestijn is begonnen (vers 8), wordt beëindigd in het heiligdom, het beeld van de heerlijke rust (vers 25; vergelijk 2 Samuël 6 vers 17 en 7 vers 6). De stammen van Israël die eindelijk vergaderd zijn, zullen gezamenlijk delen in deze rust. Vers 28 noemt Juda, met Zebulon en Nafthali verenigd, maar ook Benjamin, de jongste. Deze stam was destijds door het oordeel bijna uitgeroeid (Richteren 21); daarmee is deze stam een beeld van het volk Israël als geheel, dat door de verdrukking ging. Maar nu heerst het, want God heeft de sterkte van Zijn volk geboden (vers 29). En de hele aarde zal zich onderwerpen: de koningen (vers 30), de gezanten (aanzienlijken) (vers 32), de koninkrijken (vers 33). Allen worden opgeroepen de macht en majesteit, die in Israël zichtbaar zullen worden, toe te schrijven aan God.

"0 God! Zij hebben Uw gangen gezien" (vers 25). Daarbij gaan onze gedachten ook uit naar de discipelen van Johannes de Doper, die "ziende op Jezus, daar wandelende" Hem navolgden (Johannes 1 vers 36). Ja, laten wij bij het lezen van het Woord de volkomen wandel van de Heere in de woestijn bezien, in de verwachting Hem in de eeuwige rust en heerlijkheid van aangezicht tot aangezicht te zullen zien.

Heer' Jezus, kom, wij wensen U te aanschouwen, Uw Godd'lijk aangezicht, o Heer' bestraald met hemels licht, U, Die, als 's Vaders Beeld, Zijn hart en ook Zijn hemel deelt. Ja, Heer' Gij komt ons halen, voert ons in 's hemels zalen; daar wordt volmaakt u dank gebracht, o Lam, voor ons geslacht.

Psalm 69:1-19
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schoschannim.2Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.3Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.4Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.5Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.6O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.7Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!8Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.9Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.10Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.11En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.12En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.13Die in de poort zitten, klappen van mij; en ik ben een snarenspel dergenen, die sterken drank drinken.14Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.15Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.16Laat de watervloed mij niet overstromen, en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.17Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.18En verberg Uw aangezicht niet van Uw knecht, want mij is bange; haast U, verhoor mij.19Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.

In Psalm 68 werd ons Christus als Overwinnaar voorgesteld, Die naar de hemel opgevaren is en heerlijke gaven ontvangen heeft (vers 19).

In Psalm 69 vinden we Hem voorgesteld als de Vernederde, in smaad en onuitsprekelijke smart zoals Hij moest teruggeven wat Hij niet geroofd had (vers 5). Deze volgorde hebben we al bij Psalm 21, gevolgd door 22, gezien, opdat niemand zich in de Persoon zal vergissen, Die wij hier te midden van zoveel lijden mogen aanschouwen.

Zoals de ark het volk de weg gebaand heeft door de Jordaan (de doodsrivier), zo is Christus voorgegaan, doordat Hij de last van de misdaden, de "dwaasheid" van het volk, op Zich nam (vers 6). Hij zonk neer in de diepten van de modder van de zonde, in de waterdiepten van het oordeel (vers 3); Hij ziet de vreselijke put van de dood, die Hem dreigt te verslinden (vers 16), maar ondanks alles blijft Hij Zijn gebed tot Zijn God richten (vers 14).

De aanhaling van vers 10 in Romeinen 15 vers 3 roept ons op dit grote Voorbeeld na te volgen. De Heere Jezus probeerde nooit Zichzelf te behagen en Zich aan de smaadheden te onttrekken (Mattheüs 27 vers 43).

Hij vraagt er ook om, dat Zijn beproeving niet tot een steen des aanstoots voor de gelovigen zal zijn, wanneer zij zien dat Iemand Die zo trouw is als Hij, in zo'n nood verkeert (vers 7).

Psalm 69:20-36
20Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.21De versmaadheid heeft mijn hart gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar er is geen; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.22Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.23Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.24Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.25Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.26Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.27Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.28Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.29Laat hen uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.30Doch ik ben ellendig en in smart; Uw heil, o God! zette mij in een hoog vertrek.31Ik zal Gods Naam prijzen met gezang, en Hem met dankzegging grootmaken.32En het zal den HEERE aangenamer zijn dan een os, of een gehoornde var, die de klauwen verdeelt.33De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven.34Want de HEERE hoort de nooddruftigen, en Hij veracht Zijn gevangenen niet.35Dat Hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeen, en al wat daarin wriemelt.36Want God zal Sion verlossen, en de steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten; [ (Psalms 69:37) En het zaad Zijner knechten zal haar beerven; en de liefhebbers Zijns Naams zullen daarin wonen. ]

De Psalmen 22 en 69 spreken beide van het lijden van de Heere. Toch bestaat er een wezenlijk verschil tussen deze beide Psalmen. In Psalm 22 zien we Christus het verzoeningswerk voor onze zonden voleindigen; daar wordt Hij ons voorgesteld als Hem Die door God in onze plaats geslagen wordt. In Psalm 69 daarentegen zien we het lijden van de Heere Jezus zoals dat van de kant van de mensen is gekomen - en wat hebben ze toch veel middelen gevonden om Hem te mishandelen!

Het woord 'versmaadheid' komen we telkens weer tegen in deze Psalm (vers 8, 10, 20 en 21). Het oneindig gevoelige hart van de Heere werd daardoor gebroken (vers 21). In Hem zijn de heerlijkheid van God, Zijn liefde en Zijn heiligheid openlijk met voeten getreden door de boosheid van de mensen. En aan het kruis is vers 22 letterlijk in vervulling gegaan (Mattheüs 27 vers 34 en 48).

Het grote onbegrip en de onverschilligheid van de discipelen was een andere oorzaak van diepe smart voor de Heiland. "Ik heb gewacht naar medelijden, maar er is er geen...".

Terecht zullen de vertegenwoordigers van het mensdom, die schuldig zijn aan zo'n gruwelijke daad en geen berouw getoond hebben, de gramschap en de toom ondergaan, waar het overblijfsel in vers 25 om vraagt. Geve de Heere echter, dat ieder die dit leest mag behoren tot hen die Zijn Naam liefhebben (vers 37).

Psalm 70
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.2Haast U, o God, om mij te verlossen, o HEERE, tot mijn hulp.3Laat hen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.4Laat hen terugkeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Ha, ha!5Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen, die U zoeken; laat de liefhebbers Uws heils geduriglijk zeggen: God zij groot gemaakt! [ (Psalms 70:6) Doch ik ben ellendig en nooddruftig; o God, haast U tot mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; HEERE, vertoef niet! ]

Maar al te vaak raakt het lijden van een ander ons niet meer (vergelijk Psalm 69 vers 21). Dat komt nog veel duidelijker naar voren wanneer we zelf beproefd worden. In zulke situaties denken we gewoonlijk alleen maar aan onszelf, aan onze eigen last. Soms is het voor ons misschien zelfs wel een zekere opluchting, te weten dat niet alleen wijzelf te lijden hebben, maar dat ook anderen lijden.

Bij de Heere Jezus was dit echter niet het geval. Hoewel Hij Zelf "ellendig en in smart" was, was het de wens van Zijn hart dat allen die God zoeken, vrolijk zouden zijn en zich in Hem verheugen (vers 5). In Psalm 69 vers 7 deed Hij al voorbede: "Laat hen door Mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israëls!" Zijn hele verlangen was, dat God verheven zou worden en dat de Zijnen zich in Hem zouden verheugen (vers 5).

Daarentegen worden zij die Hem naar het leven stonden, beschaamd en schaamrood, zij die in Zijn lijden een behagen hadden (vers 3).

Wij weten echter, dat het verlangen naar wraak, zoals dat in de verzen 3 en 4 aangehaald wordt, nooit in het hart van de Heiland - het hart vol van liefde - opgekomen is. Integendeel! In het diepste lijden hield Hij Zich nog in genade bezig met hen die Hem mishandelden en bad zelfs tot God hen te vergeven! (Lukas 23 vers 34).

0 Lam, voor onze zonden op Golgotha geslacht, U wordt uit vele monden de lof en eer gebracht! Door liefde, Heer, gedreven hebt U aan 't kruis geboet. U gaf voor ons Uw leven en kocht ons met Uw bloed.

Geen mens kan ooit doorgronden de diepte van het leed, dat U hebt ondervonden, toen U - verlaten - streed.

Psalm 71:1-16
1Op U, o HEERE! betrouw ik; laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.2Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.3Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.4Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.5Want Gij zijt mijn Verwachting, Heere, HEERE! mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan.6Op U heb ik gesteund van den buik aan; van mijner moeders ingewand aan zijt Gij mijn Uithelper; mijn lof is geduriglijk van U.7Ik ben velen als een wonder geweest; doch Gij zijt mijn sterke Toevlucht.8Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, den gansen dag met Uw heerlijkheid.9Verwerp mij niet in den tijd des ouderdoms; verlaat mij niet, terwijl mijn kracht vergaat.10Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,11Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.12O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp.13Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.14Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al Uw lof nog groter maken.15Mijn mond zal Uw gerechtigheid vertellen, den gansen dag Uw heil; hoewel ik de getallen niet weet.16Ik zal heengaan in de mogendheden des Heeren HEEREN; ik zal Uw gerechtigheid vermelden, de Uwe alleen.

"Want Gij zijt... mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan", zegt de psalmist (vers 5). En in vers 17: "0 God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen".

De gelovige die al jong de school van God binnengaat en daar leert op Hem te vertrouwen, mag zich gelukkig prijzen! "Op U heb ik gesteund", zegt ook vers 6. De Heere is zijn sterke Toevlucht (vers 7), zijn Rotssteen ter woning, zijn Burcht (vers 3). Deze uitdrukkingen komen we vaak in de Psalmen tegen (bijvoorbeeld ook in Psalm 31 vers 3 en 4).

In onze landen worden we gewoonlijk niet blootgesteld aan vervolgingen. We kunnen echter nooit genoeg benadrukken dat we de vijanden die op onze "ziel loeren", niet minder te vrezen hebben dan die, die in de verzen 10 en 13 genoemd worden.

1 Petrus 2 vers 11 waarschuwt ons voor "de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel". Zodra die opduiken, hebben we snel de toevlucht tot God te nemen. Bij Hem zijn we veilig en zullen we volledige bevrijding vinden.

Voor de verlosten is de Heere echter meer dan een sterke Toevlucht. "Mijn lof is gedurig van U... Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, de ganse dag met Uw heerlijkheid" (vers 6, 8, 14, 22 en 23). Alleen de Heere Jezus kon zo spreken (vergelijk ook de verzen 6, 11 en 12 met de overeenkomstige verzen 10, 12 en 9 van Psalm 22).

Geve de Heere, dat ook wij gelovigen in staat mogen zijn om iets daarvan in praktijk te brengen.

Psalm 71:17-24
17O God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen.18Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.19Ook is Uw gerechtigheid, o God, tot in de hoogte; Gij, Die grote dingen gedaan hebt; o God! wie is U gelijk?20Gij, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.21Gij zult mijn grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.22Ook zal ik U loven met het instrument der luit, Uw trouw, mijn God; ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige Israels!23Mijn lippen zullen juichen, wanneer ik U zal psalmzingen, en mijn ziel, die Gij verlost hebt.24Ook zal mijn tong Uw gerechtigheid den gansen dag uitspreken, want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden, die mijn kwaad zoeken.

Waarschijnlijk heeft David deze Psalm geschreven toen hij op de vlucht was voor zijn zoon Absalom.

De man Gods gaat, als hij al op leeftijd gekomen is (vers 9 en 18), nog een keer door "veel benauwdheden en kwaden" (vers 20). Dan wendt hij zich tot zijn God: "Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God".

Jesaja 46 vers 4 geeft een Goddelijk antwoord op dit gebed: "En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik u dragen". Nee, God heeft Zijn dienstknecht niet verlaten en zal hem wiens ziel Hij verlost heeft, ook nooit verlaten (vers 23; lees Psalm 37 vers 25). Juist daarom niet, omdat Hij Zijn Zoon op het kruis heeft geoordeeld om deze verlossing te kunnen volbrengen.

Wanneer Hij van onze jeugd af aan onze God is - en we hopen dat dit vooral ook voor al onze jonge lezers zo mag zijn - dan is Hij ook de God van ons hele leven.

Let er toch eens op hoe vaak de psalmist herinnert aan de gerechtigheid van God en hoe hij die prijst (vers 2, 15, 16, 19 en 24). Wonende in een wereld waar ongerechtigheid heerst (en dat is sindsdien echt niet veranderd!), weet de psalmist, in tegenstelling daarmee, deze Goddelijke gerechtigheid juist te waarderen. Eens zal deze gerechtigheid over de hele aarde triomferen. Dat zal zijn wanneer deze aarde aan de heerlijke Koning - over Wie in Psalm 72 vers 1 gesproken wordt - gegeven zal worden en Hij over haar zal heersen.

Psalm 72
1Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.2Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.3De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid.4Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.5Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.6Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.7In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.8En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.9De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.10De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.11Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.12Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.13Hij zal den arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen.14Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.15En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen.16Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.17Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen.18Geloofd zij de HEERE God, de God Israels, Die alleen wonderen doet.19En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen.20De gebeden van David, den zoon van Isai, hebbende een einde.

Salomo is het onderwerp van deze Psalm, zoals vers 1 al aangeeft. Hij is een beeld van Christus, de Koning van de gerechtigheid en de vrede.

Na een tijd van lijden en strijd, waarover de voorgaande Psalmen spreken, zal de rechtvaardige en gezegende heerschappij van de Messias, de Zoon van David, volgen. Bij Hem zullen de armen en verdrukten, alle ellendigen van deze aarde, medelijden en hulp vinden. Geweld en onderdrukking, uitbuiting van de zwaksten door de sterkeren, al deze ongerechtigheid zal dan ten einde zijn. Ook alle materiële ellende en ondervoeding, waar vandaag de dag minstens de helft van de wereldbevolking door getroffen wordt, zal dan voorbij zijn.

Dan zal er een overvloed aan "koren in het land op de hoogte der bergen" zijn (vers 16), maar ook "veelheid van vrede" (vers 7). Zijn dat niet de dingen waar de mensheid het meest naar verlangt?

Eindelijk zullen dan al deze zegeningen een dankbare weerklank opwekken in de harten van de mensen, mensen die vandaag nog zo ondankbaar zijn tegenover al deze weldaden van God. De hemel zal de aarde zegenen en deze zal met dank antwoorden (vergelijk Hoséa 2 vers 21 en 22). Dan zal de heerlijkheid van de Heere de aarde bedekken (vers 19; Numeri 14 vers 21).

Met deze lofzang en overdenking over de ware Salomo eindigt het tweede Boek van de Psalmen.

Psalm 73:1-14
1Een psalm van Asaf. Immers is God Israel goed, dengenen, die rein van harte zijn.2Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.3Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.5Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.6Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.7Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.8Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.10Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,11Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?12Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.13Immers heb ik tevergeefs mijn hart gezuiverd, en mijn handen in onschuld gewassen.14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.

Het derde Boek van de Psalmen begint met 11 Psalmen van Asaf. Hij was het die in de dagen van David het gezang leidde en met cimbalen begeleidde (1 Kronieken 16 vers 5).

Psalm 73 deelt ons zijn ervaringen mee. Door het vergelijken van zijn eigen lot met dat van de goddeloze, is Asaf erg ontmoedigd geraakt. Het lijkt hem toe dat God de moeiten en plagen (in de vorm van tuchtigingen) bestemd heeft voor hen die Hem vrezen, terwijl dit, volgens Asaf, de dwazen en goddelozen - waarvan vers 3 en de daaropvolgende verzen een vreselijk beeld schetsen - juist bespaard blijft. Deze trouwe man worstelt hiermee en is geprikkeld (vers 21). Hij is niet ver meer van het punt verwijderd, dat hij God zal betichten van onrechtvaardigheid en onverschilligheid. Als het dan zo is, denkt hij, wat heeft het dan nog voor zin om mijn hart te reinigen?

Op de één of andere manier is het ons ook wel eens overkomen dat we jaloers waren op hen die onbeperkt van alles wat dit leven te bieden heeft, konden genieten. Zij vreesden God niet en lieten zich nergens van weerhouden.

Jonge christenen die studeren, kennen vast wel studiegenoten die zowel over (veel) geld beschikken als er allerlei vrije principes op na houden. Jongelui, - maar dat geldt natuurlijk voor ons allemaal - laten we onze eigen rijkdommen die wij in de Heere mogen bezitten en die niet te vergelijken zijn met menselijke waarden, toch nooit vergeten! Denk altijd aan de hoop die van ons niet de ellendigsten, maar juist de gelukkigsten van alle mensen hier op aarde maakt! (1 Korinthe 15 vers 19).

Psalm 73:15-28
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.16Nochtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan; maar het was moeite in mijn ogen;17Totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.18Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen.19Hoe worden zij als in een ogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!20Als een droom na het ontwaken! Als Gij opwaakt, o Heere, dan zult Gij hun beeld verachten.21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.23Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat;24Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen.25Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!26Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.27Want ziet, die verre van U zijn, zullen vergaan; Gij roeit uit, al wie van U afhoereert.28Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.

De psalmist gaat verder met prakkiseren en dat bezorgt hem veel moeite (vers 16). En dan opeens breekt het licht door! God leidt hem binnen in de heiligdommen van Zijn gemeenschap en maakt hem duidelijk waar de weg van de goddelozen zal eindigen (vergelijk Psalm 37 vers 38). De afgrond waar zij aan voorbijgaan, is glibberig en leidt onherroepelijk tot hun ondergang. Hun weg hier beneden zal slechts een ijdele droom geweest zijn (vers 18 en 20). Spreuken 23 vers 17 en 18 vermaant ons ook om niet afgunstig te zijn op de zondaars en zegt dat er voor hen die de Heere vrezen, "een beloning" zal zijn. De weg van beiden zal een einde hebben, maar wat een verschil! (Romeinen 6 vers 22).

Ja, hoe zou de gelovige dit ooit kunnen vergeten? Hij klaagt zichzelf dan ook aan en zegt onnuttig te zijn geweest en van niets te hebben geweten (vers 22). Wat toch een enorm verschil tussen het lot van de onrechtvaardige en dat wat hij, de gelovige, zelfs in de beproeving al mag bezitten! Is het voor hem immers geen eer om in de nabijheid van de Heere te mogen zijn? "Ik zal dan gedurig bij U zijn!" (vers 23). Hij mag Hem kennen zoals die kostbare uitdrukkingen in vers 26 Hem noemen. En in de hemel heeft hij zijn deel (Christus Zelf; vers 25).

Christenen die zich met politiek bezighouden, moesten van wereldse mensen al vaak de opmerking horen: 'Jullie hebben de hemel, laat ons dan de aarde!' Ook al is deze opmerking ironisch bedoeld, toch is het waar!

Dat ons leven toch in deze ene zin samengevat kan worden: "Nevens U lust mij ook niets op de aarde!" (vers 25). De Heere Jezus heeft dit op volmaakte wijze tot uitdrukking gebracht!

Psalm 74
1Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?2Gedenk aan Uw vergadering, die Gij van ouds verworven hebt; de roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt; den berg Sion, waarop Gij gewoond hebt.3Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.4Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.5Een ieder werd er bekend als een, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtigheid van een geboomte.6Alzo hebben zij nu derzelver graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen.7Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.8Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.9Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.10Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?11Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.12Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.13Gij hebt door Uw sterkte de zee gespleten; Gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken.14Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen.15Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.16De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.17Gij hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.18Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.19Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid.20Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.21Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.22Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den gansen dag.23Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders; het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op.

Het "waarom", waar deze Psalm mee begint, lijkt op de grote vraag aan het begin van Psalm 22. Maar de verwerping van Israël - al is het ook slechts voor een bepaalde tijd - heeft een reden, die dit volk uiteindelijk zal begrijpen: Het is vanwege hun eigen zonden (Zacharia 12 vers 10), terwijl Christus om onze ongerechtigheden werd verlaten!

In het derde Boek van de Psalmen gaat het niet meer alleen om het overblijfsel uit Juda, maar om de getrouwen uit alle twaalf stammen. Ook tegen hen zal de "toorn roken", zij het niet tot "in eeuwigheid" (vers 1; Psalm 30 vers 6).

Deze arme gelovigen zien op de restanten van het heiligdom, dus het einde van de openbare godsdienst. Ze overwegen de macht van de vijanden. Van de kant van God hebben ze geen enkel teken ter bemoediging ontvangen. Integendeel, ze begrijpen heel goed dat Hij het Zelf is Die zo'n verwoesting heeft toegelaten.

Toch vertrouwen ze op de God "van ouds af" en denken aan alles wat Hij vroeger volbracht heeft om Zijn volk te bevrijden. "Gedenk", zeggen ze (vers 2, 18 en 22). Ze weten dat ze Zijn verlosten zijn en dat de vijand daarom, met zijn aanval op Israël en diens godsdienst, in werkelijkheid God Zelf veracht en gesmaad heeft (vers 10 en 18). Deze aangelegenheid betreft Hemzelf en daarom zal Hij dan ook niet nalaten Zelf Zijn twistzaak te voeren (vers 22).

Psalm 75
1Voor den opperzangmeester, Altascheth; een psalm, een lied, voor Asaf.2Wij loven U, o God; wij loven, dat Uw Naam nabij is; men vertelt Uw wonderen.3Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten.4Het land en al zijn inwoners waren versmolten; maar ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela.5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.6Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.7Want het verhogen komt niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn;8Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen.9Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.10En ik zal het in eeuwigheid verkondigen; ik zal den God Jakobs psalmzingen. [ (Psalms 75:11) En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden. ]

Dit lied van Asaf volgt op zijn ervaringen van Psalm 73. Nu is hij niet meer afgunstig op de dwazen en goddelozen. Maar omdat hij nu weet van het einde dat hen te wachten staat (Psalm 73 vers 17), waarschuwt hij hen in opdracht van God (vers 5 en verder). Deze dienst is ook onze opdracht. Ook wij hebben zondaars te herinneren aan de almacht en gerechtigheid van God en mogen daarbij niet vergeten van Zijn liefde te vertellen.

In profetisch opzicht is het Christus Die hier spreekt over het moment waarop Hij Israël zal ontvangen (vers 3; Psalm 73 vers 24). Dan zal iedereen de plaats innemen die de Heere hem aanwijst. Velen die de eersten geweest zijn, zullen de laatsten zijn en de laatsten zullen de eersten zijn (vers 8; Markus 10 vers 31-1 Samuël 2 vers 7).

Over het algemeen probeert iedereen zich in deze wereld, ten koste van de ander, omhoog te werken. Laten wij, als christenen, niet vergeten dat de Heere Zelf ons hier beneden de plaats heeft aangewezen om van Hem te getuigen -zoals Hij ook de plaats bereid heeft die wij straks in het Vaderhuis zullen innemen. Hij heeft onze plaats bepaald voor nu en later!

De psalmist zegt in vers 2: "...dat Uw Naam nabij is". En voor ons is het juist deze Vadernaam Die ons nu, in deze tijd, verzekert van Zijn liefdevolle zorg en ons voortdurend de vrije toegang tot Hem verleent (Efeze 2 vers 18).

Laten we er ook op letten dat "de hoorn" (vers 5, 6 en 11), waarvan vaak gesproken wordt in de Psalmen en Profeten, het symbool is van macht en waardigheid.

Psalm 76
1Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.2God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israel.3En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.4Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela.5Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.6De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.7Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.8Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?9Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil,10Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.11Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.12Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen; [ (Psalms 76:13) Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt; Die den koningen der aarde vreselijk is. ]

Het moment zal komen waarop God Zijn woonstede te midden van Zijn volk Israël zal hebben, om Zich aan hen en door hen bekend te maken (vers 2 en 3). Maar in de tegenwoordige tijd is er ook een getuigenis voor Hem! Door de Gemeente, de "woonstede Gods in de Geest", maakt Hij nu Zijn veelvoudige wijsheid bekend (Efeze 2 vers 22 en 3 vers 10).

En wat verwacht Hij van ons? Dat de Heere Jezus door ons zichtbaar mag worden, in de omgeving waar wij ons bevinden!

Het overblijfsel overdenkt en verheft de macht die hem bevrijd zal hebben. God is "doorluchtiger en heerlijker", maar ook "vreselijk" in het oordeel dat Hij volvoeren en waardoor Hij alle "zachtmoedigen der aarde" verlossen zal. Het overblijfsel zal de karakterkenmerken van zijn grote Voorbeeld vertonen: "Dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart" (Mattheüs 11 vers 29). Dit in tegenstelling tot de hoogmoedigen (vers 6). Juist van hun kant zal het overblijfsel, vanwege zijn geloof, te lijden hebben gehad.

De trouwe gelovige zal in een zelfzuchtige en harde wereld constant met voeten getreden worden. Maar dat zal niet altijd zo blijven. Vers 11 laat ons zien op welke manier God zal ingrijpen. Hij zal "de grimmigheid des mensen" er toe gebruiken, dat ze zich wederzijds zullen ombrengen.

Psalm 77
1Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.2Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.3Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.4Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.5Gij hieldt mijn ogen wakende; ik was verslagen, en sprak niet.6Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.7Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlegde ik in mijn hart, en mijn geest onderzocht:8Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?9Houdt Zijn goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?10Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.11Daarna zeide ik: Dit krenkt mij; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.12Ik zal de daden des HEEREN gedenken; ja, ik zal gedenken Uw wonderen van ouds her;13En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.14O God! Uw weg is in het heiligdom; wie is een groot God, gelijk God?15Gij zijt die God, Die wonder doet; Gij hebt Uw sterkte bekend gemaakt onder de volken.16Gij hebt Uw volk door Uw arm verlost; de kinderen van Jakob en van Jozef. Sela.17De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.18De dikke wolken goten water uit; de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarhenen.19Het geluid Uws donders was in het ronde; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde.20Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend. [ (Psalms 77:21) Gij leiddet Uw volk, als een kudde door de hand van Mozes en Aaron. ]

Evenals Psalm 73 bestaat ook deze Psalm uit twee gedeelten. Het eerste deel toont ons de verbittering in de geest van de psalmist. En in het tweede deel begrijpt hij de weg van God, die "in het heiligdom" is (vers 14; Psalm 73 vers 17).

Deze keer is het niet de welvaart van de goddelozen waarmee hij zich plaagt, maar het verlies van vroegere zegeningen. "Ik overdacht de dagen van ouds... Houdt Zijn goedertierenheid op?" (vers 6 en 9).

Helaas vormt een beproeving vaak aanleiding tot een soortgelijk klagen en tot een tevergeefs treuren. Men beoordeelt de liefde van de Heere vaak naar de omstandigheden die Hij toelaat in ons leven. Wanneer Hij ons geen gunst meer bewijst (vers 8), dan beginnen we aan Hem te twijfelen. Zulke overleggingen veranderen echter absoluut niets aan Zijn trouwe liefde. Zulke gedachten zijn voor ons juist een verhindering om te genieten van de liefde die Hij ons in Zijn troost bereid heeft. "Mijn ziel weigerde getroost te worden" (vers 3).

"Dit krenkt mij" (vers 11), zegt Asaf nog als hij op zichzelf ziet en zich met anderen vergelijkt. God toont hem echter de nutteloosheid van al zijn klagen. En dan gaan z'n gedachten een andere richting uit. Niet dat hij stopt de ingeslagen weg te overdenken. Nee, maar wat hij nu ziet, zijn de wonderen van God. En dan denkt hij eraan Hem te prijzen.

Psalm 78:1-16
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.2Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;3Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.4Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.5Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;6Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;7En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;8En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.9(De kinderen van Efraim, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.)10Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.11En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.12Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.13Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.14En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.15Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.16Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

Deze lange Psalm herinnert aan de wonderen (vers 4 en 12) die door de God "Die wonder doet" (Psalm 77 vers 15), volbracht werden ten gunste van de Zijnen.

Het volk wordt opgeroepen om het oor te luister te leggen bij deze vertelling, die hen tot lering gegeven werd. Als opschrift staat er dan ook "een onderwijzing (of leerdicht) van Asaf" boven deze Psalm.

Wat ons christenen betreft, zo weten wij dat de geschiedenis van Israël "tot waarschuwing van ons" werd opgeschreven (1 Korinthe 10 vers 11). Overeenkomstig de woorden van vers 2 is het een uitvoerige gelijkenis (die ons echter aan waar gebeurde dingen herinnert). In Mattheüs 13 vers 35 gaat dit vers door de Heere Jezus profetisch in vervulling.

Ten slotte tonen de verzen 4 en 6 aan, dat de herinnering aan de wonderen die vroeger gebeurd zijn, zoals die in vers 12 tot en met 16 opgenoemd worden, in het bijzonder voor het toekomstig geslacht bedoeld is. En wel met een drievoudig doel, zoals dat in vers 7 wordt gezegd: de kinderen ertoe te brengen hun vertrouwen op God te stellen en Zijn daden niet te vergeten, en ten slotte Zijn geboden te bewaren.

Verwacht Hij dat ook niet van ons? Laten we de Heere vragen ons ervoor te bewaren dat we gaan lijken op de Israëlieten in de woestijn. Toen waren zij: "Een ongehoorzaam en weerspannig geslacht... en welks geest niet getrouw was met God" (vers 8; Ezechiël 20 vers 18). O, dat we ons toch steeds opnieuw door de lessen uit het verleden laten onderwijzen, door de dingen "die wij gehoord hebben en weten, en die onze vaders ons verteld hebben" (vers 3).

Psalm 78:17-39
17Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.18En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.19En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?20Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?21Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israel;22Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.23Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;24En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.25Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.26Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;27En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen;28En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.29Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.30Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,31Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.32Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.33Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.34Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;35En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.36En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.37Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.38Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.39En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.

Wat was het antwoord van het volk op de wonderen van God (vers 11)? Het antwoordt hierop met de werken van het vlees, waar Galaten 5 vers 19 en verder ons een verdrietige opsomming van geeft.

Het vijfde hoofdstuk van de Brief aan de Galaten herinnert ons eraan, dat de christenen van deze slavernij bevrijd werden, zoals Israël uit de slavernij van Egypte verlost werd. Maar de vrijheid waarin we nu gezet zijn, mag voor ons geen aanleiding zijn om het vlees naar zijn begeerten te laten handelen. Daarom voegt de apostel eraan toe: "Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheid van het vlees niet" (Galaten 5 vers 1, 13,16 en 25).

Nu terug naar Psalm 78. Vers 17 en wat daar verder op volgt, laat ons zien hoe de begeerte in het hart van het volk is ontwaakt. Het manna (een beeld van de Heere en Zijn Woord) was voor hen niet meer voldoende (vers 23 en 24; zie Numeri 11 vers 4 en verder). Hoewel zij toch getuigen van de macht van God geweest waren, vreesden de Israëlieten er niet voor Hem om te verzoeken, door te zeggen: "Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?" (vers 19; vergelijk 2 Koningen 7 vers 2).

Ook voor ons, beste vrienden, heeft de Heere "de deuren des hemels" wijd geopend om ons te zegenen (vers 23). Laten we dit van onze kant toch beantwoorden met een steeds groter vertrouwen en meer dankbaarheid!

Wij danken voor de zegeningen die U ons heden hebt bereid. U zegent ons met goede dingen, Uw trouwe hand is 't die ons leidt. U ziet in Jezus, onze Heer, met gunst en goedheid op ons neer.

Psalm 78:40-72
40Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!41Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.42Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;43Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;44En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.45Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.46En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.47Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.48Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.49Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.50Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.51En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.52En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.53Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.54En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.55En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen.56Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.57En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.58En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.59God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israel zeer.60Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.61En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.62En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.63Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.64Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.65Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.66En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.67Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraim verkoos Hij niet.68Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.69En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.70En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;71Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israel, Zijn erfenis.72Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.

Doordat het volk niet meer denkt aan de vroegere zegeningen en ondankbaar is, is God genoodzaakt om bij Zijn opsomming van alles wat Hij voor Israël gedaan heeft, helemaal terug te gaan tot het begin. Tot aan vers 51 worden we herinnerd aan de plagen in Egypte, daarna aan de uittocht (vers 52), de woestijnreis (vers 53) en de intocht van het volk in het land Kanaän (vers 54). Vers 55 is een samenvatting van het Boek Jozua, terwijl de daaropvolgende verzen ons verplaatsen in de tijd van de Richteren en het eerste Boek van Samuël. De verzen 60 en 61 zijn een toespeling op het feit dat de ark door de Filistijnen werd buitgemaakt (1 Samuël 4).

Vervolgens zien we hoe de Heere op drievoudige wijze ingrijpt. Ten eerste slaat Hij Zijn vijanden (vers 66). Ten tweede zet Hij de tien trouweloze stammen - uitgebeeld door Jozef en Efraïm - terzijde (vers 67; geschiedkundig gaat het hier om het koningschap van Saul en zijn opvolgers: 2 Samuël 2 vers 8 tot en met 11). En ten derde gaat Exodus 15 vers 17 in vervulling (vers 69) en wordt Juda verheven, omdat het de koninklijke stam van David is. En in het feit dat nergens gezegd wordt dat deze stam minder schuldig was tegenover God dan de andere, mogen we de vrije keuze van God en Zijn genade opmerken, die hier wordt geprezen (vergelijk Johannes 15 vers 16 en Romeinen 9 vers 15). Deze stam is echter onlosmakelijk verbonden met hem die de gezalfde des Heeren is.

Dat is ook de reden waarom God ons heeft uitverkoren en ons heeft liefgehad (vers 68: wij zijn het eigendom van Christus, Zijn Geliefde; vergelijk Johannes 17 vers 6, 9 en 10).

Psalm 79
1Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.2Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.3Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.4Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.5Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?6Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.7Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.8Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.9Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.10Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.11Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms.12En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.13Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.

Deze Psalm geeft uitdrukking aan de gevoelens en de gebeden van het overblijfsel van Israël, wanneer de volkeren Israël ingenomen en de tempel ontwijd zullen hebben. De gelovigen klagen dat zij het onderwerp van de hoon en spot van hun buren zijn geworden (vers 4; vergelijk Psalm 80 vers 7 en 44 vers 14).

In onze landen, waar de onderdrukking van vroeger plaats gemaakt heeft voor godsdienstige tolerantie, blijft spot ook een van de modernste wapens van vervolging. De trouwe gelovige wordt als fanatiek, hoogmoedig of zweverig betiteld. We zullen daar niet aan ontkomen, als we afgezonderd van de wereld onze weg willen blijven gaan.

Behalve de vijanden van buitenaf, kan de gelovige die nog niet volkomen bevrijd is, ook met aanklagers uit zijn eigen binnenste te maken krijgen. Dat zijn de ongerechtigheden die hij vroeger begaan heeft en die hem weer in de gedachten komen; beproeving is namelijk vaak de aanleiding tot een pijnlijk onderzoek van het eigen geweten. Dan roept de ziel, die alle ellende voelt, de erbarmingen van Boven in (vers 8). "Help ons, o God van ons heil! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil" (vers 9). Hoewel onze positie als verlosten verschilt van die van de psalmist, is het ook om Zijns Naams wil - omdat God getrouw en rechtvaardig is tegenover Zijn Zoon - dat Hij onze zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid (1 Johannes 1 vers 9).

Psalm 80
1Voor den opperzangmeester, op Schoschannim; een getuigenis, een psalm van Asaf.2O Herder Israels! neem ter ore, Die Jozef als schapen leiddet; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende.3Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing.4O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden.5O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?6Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling.7Gij hebt ons onzen naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich.8O God der heirscharen! breng ons weder, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden.9Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven, en hebt denzelven geplant;10Gij hebt de plaats voor hem bereid, en zijn wortelen doen inwortelen, zodat hij het land vervuld heeft.11De bergen zijn met zijn schaduw bedekt geweest, en zijn ranken waren als cederbomen Gods.12Hij schoot zijn ranken uit tot aan de zee, en zijn scheuten tot aan de rivier.13Waarom hebt Gij zijn muren doorgebroken, zodat allen, die den weg voorbijgaan, hem plukken?14Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild des velds heeft hem afgeweid.15O God der heirscharen! keer toch weder; aanschouw uit den hemel, en zie, en bezoek dezen wijnstok,16En den stam, dien Uw rechterhand geplant heeft, en dat om den zoon, dien Gij U gesterkt hebt!17Hij is met vuur verbrand; hij is afgehouwen; zij komen om van het schelden Uws aangezichts.18Uw hand zij over den man Uwer rechterhand, over des mensen zoon, dien Gij U gesterkt hebt.19Zo zullen wij van U niet terugkeren; behoud ons in het leven, zo zullen wij Uw Naam aanroepen. [ (Psalms 80:20) O HEERE, God der heirscharen! breng ons weder; laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden. ]

Aan het eind van Psalm 79 wordt het volk Israël er door God aan herinnerd, dat zij de schapen van Zijn weide zijn. Psalm 80 begint met de uitroep: "0 Herder Israëls!". Zoals verstrooide schapen die niet in staat zijn zelf hun weg terug te vinden, zo roepen de gelovigen het uit: "0 God! breng ons terug" (vers 4, 8 en 20). Dit werk van herstel, na een periode van verwarring en rondzwerven, is een deel van de zorg van onze goede Herder (Psalm 23 vers 4).

"Verschijn blinkende", vraagt het overblijfsel in de verdrukking. Efraïm, Benjamin en Manasse waren destijds de stammen die onder hun banier direct de ark (een beeld van Christus) volgden (Numeri 10 vers 22 tot en met 24).

Vanaf vers 13 vragen de gelovigen zich verwonderd af: Waarom heeft God de wijnstok, Israël, die Hij uit Egypte uitgeleid en met zoveel zorgvuldigheid geplant heeft, toch aan de plundering van het vuur prijsgegeven? In Jesaja 5 vers 4 geeft de HEERE, in de vorm van een andere vraag, hierop Zijn antwoord: Waarom heeft Mijn wijngaard stinkende druiven opgebracht, terwijl Ik goede verwachtte? Maar in tegenstelling tot de wijnstok Israël, die ondanks alle verzorging van de Goddelijke Wijngaardenier onvruchtbaar bleef, betitelt Johannes 15 Christus als "de ware Wijnstok". Hij wordt in vers 18 van onze Psalm aangeduid als "de Man Uwer (Gods) rechterhand" en als "des mensen Zoon" - een Naam Die Hij Zich in de evangeliën vaak Zelf geeft (Zoon des mensen).

Psalm 81
1Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.2Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God van Jakob.3Heft een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit.4Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag.5Want dit is een inzetting in Israel, een recht van den God Jakobs.6Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;7Ik heb zijn schouder van den last onttrokken; zijn handen zijn van de potten ontslagen.8In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela.9Mijn volk, zeide Ik hoor toe, en Ik zal onder u betuigen, Israel, of gij naar Mij hoordet!10Er zal onder u geen uitlands god wezen, en gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.11Ik ben de Heere, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.12Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israel heeft Mijner niet gewild.13Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.14Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israel in Mijn wegen gewandeld had!15In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.16Die den HEERE haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn. [ (Psalms 81:17) En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen. ]

Israël wordt opgeroepen te zingen, zoals destijds gebeurd was aan de oever van de Rode Zee bij het geluid van de trommel (vers 3; Exodus 15 vers 20). Maar na de bevrijding uit Egypte, waar vers 7 over spreekt, zou de God van Israël nog veel grotere dingen ten gunste van het volk volbracht hebben, als zij maar naar Hem hadden willen luisteren. God was vooral bereid hen "met het vette der tarwe" (fijn meel spreekt altijd van Christus) en met "honing uit de rotsstenen" (een beeld van de zoetigheid van de Goddelijke genade) te voeden. Hij is echter gedwongen om verdrietig te concluderen: "Israël heeft Mij niet gewild" (vers 12). Hoe aangrijpend is Zijn uitroep: "Israël, of gij naar Mij hoordet!" (vers 9) en even later: "Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had" (vers 14; vergelijk Deuteronomium 5 vers 29).

Beste gelovige vrienden, God heeft ook de zwaarste last van onze schouder afgetrokken: de last van de zonde (vers 7). Maar denken we er ook aan dat Hij nog vele andere zegeningen voor ons klaar heeft liggen? Die ontvangen wij op voorwaarde dat wij naar die zegeningen verlangen en Zijn Woord gehoorzamen! Hij heeft overwinningen voor ons klaarliggen (vers 15); Hij wil ons met Christus en Zijn liefde voeden.

O, laten we onze harten toch wijd openzetten voor Hem. Hij wil graag onze harten vullen en Zijn lof zal dan in onze monden zijn (vergelijk vers 11).

'Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over', zegt het spreekwoord en dat gaat zeker hier op.

Elke dag, ja ied're stond, zij Uw lof meer in mijn mond.

Psalm 82
1Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden;2Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.3Doet recht den arme en den wees; rechtvaardigt den verdrukte en den arme.4Verlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit der goddelozen hand.5Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; dies wankelen alle fondamenten der aarde.6Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten;7Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen.8Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.

De hoogste Rechter heeft de mens over deze aarde aangesteld, met de verplichting gerechtigheid uit te oefenen (lees Deuteronomium 1 vers 17). Maar ach! we hoeven maar om ons heen te kijken om te zien op welke manier de mens deze verantwoording nakomt. Vaak zijn we diep geschokt over het onrecht dat ons omringt, vooral als we er zelf het slachtoffer van worden. Dat vraagt van onze kant enorm veel geduld! (Jakobus 5 vers 10 en 11).

We kunnen er nu iets van begrijpen wat de gevoelens van de werkelijk rechtvaardige God moeten zijn, maar ook hoeveel geduld Hij met deze wereld heeft! Juist toen Zijn heilige Zoon door de mensen tot het Onderwerp van het allergrootste onrecht werd gemaakt, is Zijn geduld zo duidelijk naar voren gekomen.

En wie anders dan Zijn eigen kinderen zouden vandaag de dag de gerechtigheid van God in deze wereld moeten openbaren? (Laten we echter niet vergeten dat het ook een onrecht is wanneer wij iemand ongunstig beoordelen, omdat hij of zij op het eerste oog misschien een slechte indruk op ons maakt.) Wij kunnen elke dag onder de mensen "de arme en de wees... de verdrukte en de arme" ontmoeten (vers 3), onder mensen met wie wij in eerste instantie misschien meenden niets te maken te hebben. Laat ieder van ons zich toch eens afvragen of het niet onze persoonlijke taak is hen op te zoeken, om hen vol medeleven -zonder nog maar te spreken van de materiële hulp die we hen kunnen geven - iets van de liefde van de Heere Jezus door te geven.

Psalm 83
1Een lied, een psalm van Asaf.2O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!3Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken het hoofd op.4Zij maken listiglijk een heimelijken aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen.5Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde.6Want zij hebben in het hart te zamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt;7De tenten van Edom en der Ismaelieten, Moab en de Hagarenen;8Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus.9Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.10Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison;11Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde.12Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeeb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna;13Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen.14Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.15Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;16Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.17Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o HEERE! Uw Naam zoeken.18Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen; [ (Psalms 83:19) Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde. ]

Tijdens de grote verdrukking zullen de volkeren die samen een bondgenootschap zijn aangegaan en in vers 7 tot en met 9 genoemd worden, met elkaar overleggen om de naam van Israël van deze aarde te verdelgen (Jesaja 10 vers 24). Onder hen zal Assur, de koning van het Noorden, een beslissende rol vervullen. Met het oog op de vernietiging die hen bedreigt, de vreselijkste die dit ongelukkige volk ooit heeft meegemaakt, zullen de getrouwen van het overblijfsel zich tot God wenden. Hun vijanden zijn ook Zijn vijanden (vers 3); dit verbond werd tegen Hem gesloten (vers 6).

Aan de andere kant zijn de gelovigen zich bewust dat ze Hem toebehoren. Ze zijn Zijn "verborgenen" (vers 4), evenals die zevenduizend in de dagen van Achab die ondanks de vervolging hun knieën niet gebogen hadden voor Baäl (1 Koningen 19 vers 18). Ja, God kan hen Zijn hulp niet ontzeggen, omdat al deze volken in hun blinde dwaasheid oorlog tegen Hem voeren (vers 6; vergelijk Psalm 2 vers 2 en Openbaring 19 vers 19). De gelovigen denken aan de bevrijdingen van vroeger, aan de grote gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël (vers 10: Richteren 4; vers 12: Richteren 7 en 8).

Zouden wij christenen, die niet door de toekomstige vreselijke tijd hebben heen te gaan, minder volharding en vertrouwen tonen? De vijandigheid van de wereld zou op ons slechts die uitwerking moeten hebben, dat wij ons helemaal in de handen van de Heere werpen!

Psalm 84
1Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach.2Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!3Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.4Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!5Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.6Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.7Als zij door het dal der moerbezienbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.8Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.9HEERE, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter oren, o God van Jakob! Sela.10O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.11Want een dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.12Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen. [ (Psalms 84:13) HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt. ]

In de schepping heeft ieder levend wezen een hol of een nest gevonden. Maar evenmin als de Heere kent de gelovige hier op aarde een plek van ware rust (vers 4; Mattheüs 8 vers 20). Zijn genegenheden liggen ergens anders: in de hemelse woningen, waar zijn plaats bereid is (Johannes 14 vers 2; vergelijk vers 3 en 11).

In sommige Bijbelvertalingen wordt vers 4 als volgt geschreven: "Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt. . . bij Uw altaren, HEERE der heerscharen, mijn Koning, en mijn God!" De puntjes lijken er de nadruk op te leggen dat het gemoed overstroomt van hetgeen waarmee het vervuld is: "Uw altaren, HEERE der heerscharen!" Het koperen en gouden altaar spreken van Christus, in Zijn offer en voorbede, van Hem Wiens aanwezigheid in het Vaderhuis voor ons het meest waardevolle is. Maar de weg die daarheen leidt, gaat door een wereld die een tranendal is (en de zonen van Korach, de schrijvers van deze Psalm, hebben dat zelf ervaren: zie Psalm 42 vers 4). Het gaat erom dat deze weg in onze harten gebaand is, met andere woorden: wanneer niets ons scheidt van Hem, naar Wie wij onderweg zijn, dan zullen zelfs tranen tot een weldadige ervaring worden. We zullen gaan van kracht tot kracht en niet van val tot val. En uiteindelijk zullen de wonderbare beloften van vers 12 ons deel zijn.

Laten we de woorden van vers 10 goed onthouden, want het kostbare geheim van de verhoring van onze gebeden is het gevolg van het feit dat wij die gebeden uitspreken in de Naam van de Heere Jezus, de Gezalfde van God.

Psalm 85
1Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.2Gij zijt Uw lande gunstig geweest, HEERE! de gevangenis van Jakob hebt Gij gewend.3De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.4Gij hebt weggenomen al Uw verbolgenheid; Gij hebt U gewend van de hittigheid Uws toorns.5Breng ons weder, o God onzes heils! en doe te niet Uw toornigheid over ons.6Zult Gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult Gij Uw toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?7Zult Gij ons niet weder levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?8Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.9Ik zal horen, wat God, de HEERE, spreken zal; want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken; maar dat zij niet weder tot dwaasheid keren.10Zekerlijk, Zijn heil is nabij degenen, die Hem vrezen, opdat in ons land eer wone.11De goedertierenheid en waarheid zullen elkander ontmoeten; de gerechtigheid en vrede zullen elkander kussen.12De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.13Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]

Het onderwerp van deze Psalm is de vergeving die God Zijn volk geeft. De gelovigen twijfelen niet aan Zijn goedertierenheid, maar tegelijkertijd voelen ze het gewicht van de rechtvaardige toorn tegenover Zijn schuldig volk.

Ja, God is goedertieren; zou Hij daarom dan niet vergeven? Maar Hij is eveneens heilig, rechtvaardig en waarachtig; hoe zou Hij één zonde door de vingers kunnen zien? Goedertierenheid en waarheid, gerechtigheid en vrede, deze Goddelijke kenmerken zijn vanuit menselijk oogpunt bezien niet met elkaar te verenigen, maar hebben elkaar toch ontmoet (vers 11).

Aan het kruis zie ik de zonde geoordeeld, de gerechtigheid bevredigd en de genade tot ontplooiing komen (Romeinen 5 vers 21). Een heerlijke harmonie!

Er zijn zoveel mensen die deze wonderbare plaats van ontmoeting daar bij het kruis nog niet kennen! Zij hebben een totaal verkeerd beeld van God! Ze willen in Hem graag de strenge rechter zien die zijn schepsel voor zijn plezier laat lijden. Of ze stellen zich Hem voor als een 'lieve God', die 'kleine' zonden over het hoofd ziet, die gauw tevreden is als je bedoelingen maar goed zijn en je je maar genoeg inspant om goed te doen. Wat een noodlottige gedachte! De rechtvaardige God veroordeelt de zonde, elke zonde, maar de God van liefde wil de zondaar vergeven. En aan het kruis, waar dit werk volbracht werd, leer ik Hem kennen!

Rechtvaardigheid drong aan op straf, genade vroeg om vrijgeleide. Hier trad Gods wijsheid tussenbeide, die allebei voldoening gaf O wonderbare gunstbetoning, o licht, dat zich van 't kruis verspreidt! Hier schittert Gods gerechtigheid, hier straalt genadige verschoning.

Psalm 86
1Een gebed van David. HEERE! neig Uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.2Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunstgenoot, o Gij, mijn God! verlos Uw knecht die op U betrouwt.3Zijt mij genadig, HEERE! want ik roep tot U den gansen dag.4Verheug de ziel Uws knechts; want tot U, HEERE! verhef ik mijn ziel.5Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen.6HEERE! neem mijn gebed ter ore, en merk op de stem mijner smekingen.7In den dag mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij.8Onder de goden is niemand U gelijk, Heere! en er zijn geen gelijk Uw werken.9Al de heidenen, Heere! die Gij gemaakt hebt, zullen komen, en zullen zich voor Uw aanschijn nederbuigen, en Uw Naam eren.10Want Gij zijt groot, en doet wonderwerken; Gij alleen zijt God.11Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.12Heere, mijn God! ik zal U met mijn ganse hart loven, en ik zal Uw Naam eren in eeuwigheid;13Want Uw goedertierenheid is groot over mij; en Gij hebt mijn ziel uit het onderste des grafs uitgerukt.14O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.15Maar Gij, Heere! zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid.16Wend U tot mij, en zijt mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos den zoon Uwer dienstmaagd.17Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden, als Gij, HEERE! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.

In deze Psalm van David (de enige overigens in het derde Boek van de Psalmen), wendt hij zich in verschillende hoedanigheden tot de Heere. Hij noemt zich ellendig en arm, Gods gunstgenoot, en ten slotte Zijn knecht. Vanuit deze positie smeekt hij om verlossing (vers 2), vreugde (vers 4) en kracht (vers 16). Deze knecht kent namelijk zijn Meester; hij weet dat Hij God is, Hij alleen (vers 10), dat Hij "vergevende, en van grote goedertierenheid" is (vers 5), "barmhartig en genadig... lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid" (vers 15; zie ook Jona 4 vers 2). Met dezelfde uitdrukking heeft de Heere Zich destijds aan Mozes geopenbaard, daar bij de berg Sinaï (Exodus 34 vers 6).

De psalmist onderkent echter ook zijn eigen zwakheid; hij weet dat hij in zichzelf tot niets in staat is; in eigen kracht kan hij de juiste weg niet gaan. "Leer mij HEERE! Uw weg" , vraagt hij. En dan: "Verenig mijn hart tot de vreze van Uw Naam" (vers 11). Vroeger heeft J.N. Darby eens geschreven: 'Het hart heeft de neiging om door duizend onderwerpen, duizend vluchtige gedachten, verdeeld te geraken. Daarom vraagt de psalmist aan de Heere om hem maar één doel te geven. Ook voor ons hart is het nodig zich alleen op Christus te concentreren. Bij Hem vind je kracht. In al onze nietigheid hebben we in Zijn grootheid onze plaats en onze kracht gevonden'.

O, dat dit "gebed van David", zoals in het eerste vers staat, ook het gebed van een ieder van ons zal zijn, en dan in het bijzonder vers 11!

Psalm 87
1Een psalm, een lied voor de kinderen van Korach. Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid.2De HEERE bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob.3Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken, o stad Gods! Sela.4Ik zal Rahab en Babel vermelden, onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn, en de Tyrier, met den Moor, deze is aldaar geboren.5En van Sion zal gezegd worden: Die en die is daarin geboren; en de Allerhoogste Zelf zal hen bevestigen.6De HEERE zal hen rekenen in het opschrijven der volken, zeggende: Deze is aldaar geboren. Sela.7En de zangers, gelijk de speellieden, mitsgaders al mijn fonteinen, zullen binnen u zijn.

Tussen Sion, de heilige en door God Zelf gestichte stad, en de machtige volken van deze aarde: Egypte, Babel, Tyrus... rijken die de mens tot eigen eer gebouwd heeft, bestaat een volkomen tegenstelling. Het ogenblik zal aanbreken waarop God de volken zal registreren en ieder zijn burgerrecht zal verlenen.

God kent slechts twee vormen van afstamming, dus twee vormen van geboorterecht. Het verschil zit hierin, of iemand opnieuw geboren is of niet.

Het burgerrecht van de gelovige is in de hemel (Filippi 3 vers 20). Voor eeuwig is hij een burger van het nieuwe Jeruzalem, en God ziet hem als dáár geboren (vers 5).

Het andere geboorterecht is dat van de wereld. Dat is vergankelijk, "want de gedaante van deze wereld gaat voorbij" (1 Korinthe 7 vers 31), terwijl "het vaste fundament Gods staat" (2 Timotheüs 2 vers 19). Daarom zal van ieder mens hier op aarde, ook al is hij nog zo beroemd, gezegd worden: "deze is aldaar geboren" (vers 4).

"Al mijn fonteinen, zullen binnen U zijn", zingen de verlosten (vers 7). Hoe zouden wij, die door genade hemelburgers zijn geworden, onze vreugde uit de bronnen van deze wereld kunnen putten? Laat het toch veel meer werkelijkheid bij ons zijn, als we zingen: Gij zijt ons alles: onze Sterkte, Verlossing, Wijsheid, Licht en Kracht. Wat één der Uwen goeds bewerkte, 't werd al door Uw genâ volbracht; al wat wij zijn of hebben, Heer, zij U alleen tot lof en eer.

Ja, alles wat we zijn of hebben of mogen doen, vindt zijn oorsprong in Hem. Hij is de Bron!

Psalm 88
1Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, den Ezrahiet.2O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.3Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.4Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.5Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is;6Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.7Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.8Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.9Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.10Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U den gansen dag; ik strek mijn handen uit tot U.11Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela.12Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf?13Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?14Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.15HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?16Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.17Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.18Den gansen dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij. [ (Psalms 88:19) Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn in duisternis. ]

We mogen wel stellen dat deze Psalm één van de donkerste bladzijden uit het Woord van God is. Er is hier slechts sprake van duisternis en dood. Er dringt geen enkele lichtstraal door in de duisternis; de ziel in nood heeft geen enkel uitzicht op bevrijding.

En desondanks kon een dienstknecht van God zeggen dat dit op een gegeven moment de enige Psalm was waarin hij troost vond. Omdat deze Psalm uitdrukking geeft aan de gedachten van een gelovige, was dit voor hem een bewijs dat ook hijzelf een gelovige moest zijn, hoewel zijn ziel in grote nood was en de hemel gesloten leek.

Misschien is één van onze lezers op dit moment ook onrustig, onzeker. Misschien wacht hij erop dat God hem licht in zijn situatie en de zekerheid van zijn heil schenkt (of dat hij die zekerheid terug mag vinden). Juist dit verdriet en dit zuchten, dat opstijgt tot God, zijn de bewijzen van Goddelijk leven in deze persoon. Zo iemand moet een gelovige zijn, want een ongelovige verlangt immers nooit naar God!

"Mijn gebed komt U voor in de morgenstond", zegt de psalmist (vers 14). Laten we hem hierin toch navolgen en ook al in de vroege morgen onze omstandigheden bij de Heere bekend maken. Maar dan niet alleen de dingen die ons verontrusten (Psalm 5 vers 4).

In verschillende verzen van onze Psalm zien we dat de diepte van de angst, de pijn en de eenzaamheid van de gelovige van toepassing is op de Heere Jezus, op Hem Die ter wille van ons de grootste ellende van allen heeft ervaren (bijvoorbeeld vers 7 tot en met 9 en 17 tot en met 19; zie ook Psalm 69 vers 30).

Psalm 89:1-14
1Een onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet.2Ik zal de goedertierenheid des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekend maken, van geslacht tot geslacht.3Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt Gij Uw waarheid bevestigd, zeggende:4Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen:5Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.6Dies loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE! ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen.7Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?8God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn.9O HEERE, God der heirscharen! wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE! en Uw getrouwheid is rondom U.10Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze.11Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.12De hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe; de wereld en haar volheid, die hebt Gij gegrond.13Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam.14Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.

We kunnen lezen dat Ethan, de Ezrahiet, maar ook Heman, de schrijver van de vorige Psalm, bij de wijzen hoorde die in wijsheid alleen overtroffen werden door Salomo (1 Koningen 4 vers 31). Beide mannen waren van de familie van Zerah, de zoon van Juda (1 Kronieken 2 vers 6). Hun geestelijke aanleg was echter totaal verschillend. Terwijl Heman alleen spreekt over kuilen en duistere plaatsen, van grimmigheid en toorn, komen woorden als goedertierenheid en trouw steeds weer voor in de Psalm van Ethan. Steeds opnieuw wordt herinnerd aan deze Goddelijk kenmerken en worden ze geprezen. Het is net alsof er op deze manier een antwoord gegeven wordt op de nood van de voorgaande Psalm, net alsof Ethan deze "onderwijzing" geschreven heeft om het geloof van zijn broer weer aan te wakkeren.

Zo hebben twee gelovige vrienden altijd het voorrecht om elkaar te bemoedigen om vertrouwen te hebben (Spreuken 27 vers 17; 1 Samuël 23 vers 16). God is goedertieren, God is getrouw; zo mogen wij Hem kennen. En ons geloof klemt zich aan zo'n God vast, zelfs wanneer de omstandigheden in tegenstelling zijn met deze goedertierenheid en trouw (lees 1 Korinthe 1 vers 9; 10 vers 13). Wanneer we op de omstandigheden zien, zijn we vaak bang; zien we echter op de Heere en denken we aan Zijn trouwe liefde, dan zullen we de moed nooit verliezen.

De verzen 4 en 5 hebben betrekking op de beloften die David en zijn nageslacht ontvangen hebben. Dat betekent dus dat ze betrekking hebben op Christus (vergelijk 2 Samuël 7 vers 16).

Psalm 89:15-29
15Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.16Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent; o HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen.17Zij zullen zich den gansen dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden.18Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden.19Want ons schild is van den HEERE, en onze koning is van den Heilige Israels.20Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd.21Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;22Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.23De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.24Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen.25En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden.26En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren.27Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils!28Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde.29Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven.

Om beloften of afspraken die mensen onderling maken, te bekrachtigen, wordt van beide partijen verwacht dat ze hun handtekening zetten of, zoals vroeger vaak gebeurde, elkaar een onderpand geven. God heeft echter zelfs Zijn eigen Zoon gegeven om de vervulling van Zijn beloften veilig te stellen. "Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem (Christus) ja, en zijn in Hem amen" (2 Korinthe 1 vers 20). Wie zou de verplichtingen die door zo'n Persoon verzekerd zijn, in Hem bekrachtigd worden, in twijfel durven trekken?

"Ik heb hulp besteld bij een Held" (vers 20). Kennen wij deze Hulp, beste vrienden? Roepen wij Hem ook aan om hulp? Altijd is Hij bereid om Zijn macht te gebruiken ten behoeve van hen die Hij in Zijn grote nederigheid Zijn broeders noemt. Als Hij Mens geworden is, dan is dat om hen te verlossen, maar ook om in staat te zijn medelijden te hebben met hun menselijke zwakheden (Hebreeën 2 vers 17; 4 vers 15).

In de uitdrukkingen die God gebruikt om over de ware David te spreken, herkennen we Zijn grote liefde tot Hem: Hij is Zijn "Uitverkorene" (vers 4 en 20), de Knecht, Die Hij gevonden en met olie gezalfd heeft (vers 21). Alleen Christus kan de "Hoogste over de koningen der aarde" genoemd worden (vers 28).

Christenen hebben het grote voorrecht Hem nu al te mogen kennen en Zijn verschijning met verlangen tegemoet te mogen zien (2 Timotheüs 4 vers 8).

Psalm 89:30-52
30En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.31Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;32Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden;33Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen.34Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen.35Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.36Ik heb eens gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!37Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.38Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de Getuige in den hemel is getrouw. Sela.39Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde.40Gij hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.41Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.42Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.43Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd.44Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd.45Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten.46Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.47Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?48Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?49Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.50HEERE! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?51Gedenk, HEERE! aan de smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.52Waarmede, o HEERE! Uw vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen Uws gezalfden smaden. [ (Psalms 89:53) Geloofd zij de HEERE in eeuwigheid! Amen, ja, amen. ]

Aan de belofte die David in 2 Samuël 7 vers 13 ontving, en waar de verzen 5 en 29 van onze Psalm aan herinneren, werd een voorwaarde toegevoegd. Wanneer zijn nakomelingen ongerechtigheid zouden bedrijven, dan zou God niet aarzelen hen te tuchtigen (vers 31 tot en met 33; 2 Samuël 7 vers 14). Maar ach! we kennen de verdrietige geschiedenis van het koningschap van Juda, en vers 38 en de daaropvolgende laten ons zien dat God in verband met deze tuchtiging woord gehouden heeft. Alle beproevingen van Israël, ook de verdrukking die hen nog te wachten staat, zijn het gevolg van deze ontrouw.

De hoon en smaad, die als het ware terugvallen op God, zijn ontzettend pijnlijk voor de gelovigen (vers 42, 46, 51 en 52). "Hoe lang?" (vers 47). Hoe vaak is deze angstige vraag nu al gesteld in de Psalmen (bijvoorbeeld in 74 vers 10; 79 vers 5; 80 vers 5, enzovoort).

Als men te lijden heeft, dan lijkt het altijd alsof die periode lang duurt (Job 7 vers 3 en 4). Als antwoord op deze uitroep zal de Heere Zijn oordeel tot "een afgesneden zaak" op aarde maken, die dagen verkorten (Romeinen 9 vers 28 en Markus 13 vers 20), want die tuchtiging is niet Zijn laatste woord. Jesaja 28 vers 21 zegt: "Zijn werk zal vreemd zijn... Zijn daad zal vreemd zijn!" Overeenkomstig Zijn eigen belofte zal God Zijn volk in Christus, de Zoon Davids, Zijn goedertierenheden voor altijd laten genieten (vers 50; 2 Samuël 7 vers 15 en verder).

Ezechiël 1:1-14
1In het dertigste jaar, in de vierde maand, op den vijfden derzelve maand, als ik in het midden der weggevoerden was bij de rivier Chebar, zo geschiedde het, dat de hemelen werden geopend, en ik gezichten Gods zag.2Op den vijfden derzelve maand (dit was het vijfde jaar van de wegvoering van den koning Jojachin),3Geschiedde het woord des HEEREN uitdrukkelijk tot Ezechiel, den zoon van Buzi, den priester, in het land der Chaldeen, bij de rivier Chebar; en de hand des HEEREN was daar op hem.4Toen zag ik, en ziet, een stormwind kwam van het noorden af, een grote wolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de verf van Hasmal, uit het midden des vuurs.5En uit het midden daarvan kwam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hun gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mens;6En elkeen had vier aangezichten; insgelijks had elkeen van hen vier vleugelen.7En hun voeten waren rechte voeten, en hun voetplanten waren gelijk de voetplanten van een kalf, en glinsterden gelijk de verf van glad koper.8En mensenhanden waren onder hun vleugelen, aan hun vier zijden; en die vier hadden hun aangezichten en hun vleugelen.9Hun vleugelen waren samengevoegd, de een aan den ander; zij keerden zich niet om, als zij gingen; zij gingen elkeen recht uit voor zijn aangezicht henen.10De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het aangezicht eens leeuws hadden zij vier aan de rechterzijde; en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht; ook hadden die vier eens arends aangezicht.11Ook waren hun aangezichten en hun vleugelen opwaarts verdeeld; elkeen had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hun lichamen.12En zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht henen; waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij; zij keerden zich niet om, als zij gingen.13Aangaande de gelijkenis der dieren, hun gedaante was als brandende kolen des vuurs, als de gedaante der fakkelen; datzelve vuur ging steeds tussen die dieren; en het vuur had een glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort.14De dieren nu liepen en keerden weder als de gedaante van een weerlicht.

We zijn nu aangekomen bij het Boek Ezechiël. Omdat dit geen gemakkelijk Boek is, wordt het vaak overgeslagen. Toch geldt ook hier: "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust" (2 Timotheüs 3 vers 16 en 17). Laten we daarom de Heere vragen om Zijn hulp, zodat we toch opgebouwd mogen worden bij het overdenken van dit Bijbelboek.

De profeet Ezechiël was, evenals zijn tijdgenoot Jeremia, een priester. Maar terwijl Jeremia in Jeruzalem bleef, bevond Ezechiël zich onder de gevangenen die tijdens de regering van Jojachin naar het land van de Chaldeeën weggevoerd waren (vers 3). Hier, bij de rivier Chebar, komt het Woord van God tot hem en wordt hij getuige van een buitengewone verschijning. Te midden van vuur en glanzend metaal (vermoedelijk erts), een beeld van de Goddelijke gerechtigheid die haar recht uitoefent, ziet de profeet vier eigenaardige levende wezens. Het waren de cherubs, de beschermers en verdedigers van de heiligheid van God (hoofdstuk 10). Hun kenmerken (aangezichten, vleugels, voeten en handen) zijn vier symbolen waardoor God ons Zijn karakterkenmerken in gerechtigheid en oordeel wil tonen. Dat betreft: de kennis, de kracht, de volharding en de snelheid, die door de overeenkomstige aangezichten van een mens, een leeuw, een stier en een arend uitgebeeld worden. Deze symbolen vinden we, met vele andere, terug in het Boek Openbaring, dat ook een Boek van oordeel is (zie Openbaring 4 vers 6 en 7).

Ezechiël 1:15-28
15Als ik die dieren zag, ziet, zo was er een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten van hetzelve.16De gedaante der raderen en derzelver maaksel was als de verf van een turkoois; en die vier hadden enerlei gelijkenis; daartoe was hun gedaante, en hun maaksel, alsof het ware een rad in het midden van een rad.17Als zij gingen, zij gingen op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen.18En hun velgen, die waren zo hoog, dat zij vreselijk waren; en hun velgen waren vol ogen rondom aan die vier raderen.19Als nu de dieren gingen, gingen de raderen bij hen; en als de dieren van de aarde opgeheven werden, werden de raderen opgeheven.20Waarhenen de geest was om te gaan, gingen zij, waarhenen de geest was om te gaan; en de raderen werden tegenover hen opgeheven; want de geest der dieren was in de raderen.21Als die gingen, gingen deze; en als die stonden, stonden zij; en als die van de aarde opgeheven werden, werden de raderen tegenover hen opgeheven; want de geest der dieren was in de raderen.22En over de hoofden der dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de verf van het vreselijke kristal, van boven af over hun hoofden uitgespreid.23En onder dat uitspansel waren hun vleugelen rechtop, de een aan den ander; ieder had er twee, die herwaarts hun lichamen bedekten, en ieder had er twee, die ze derwaarts bedekten.24En als zij gingen, hoorde ik een geruis hunner vleugelen, als het geruis van vele wateren, als de stem des Almachtigen, als de stem eens geroeps, als het gedreun eens heirlegers; als zij stonden, zo lieten zij hun vleugelen neder.25En er geschiedde een stem van boven het uitspansel, hetwelk boven hun hoofden was, als zij stonden, en hun vleugelen nedergelaten hadden.26En boven het uitspansel, hetwelk was boven hun hoofden, was de gelijkenis eens troons, als de gedaante van een saffiersteen; en op de gelijkenis als de gedaante eens mensen, daarboven op zijnde.27En ik zag als de verf van Hasmal, als de gedaante van vuur rondom daarbinnen, van de gedaante Zijner lenden en opwaarts; en van de gedaante Zijner lenden en nederwaarts, zag ik als de gedaante van vuur, en glans aan Hem rondom.28Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.

Het geheel van wat de profeet zag, leek op een vreselijke wagen met verscheidene verdiepingen. De raderen, die wel heel verschrikkelijk waren om te zien, gingen naar de aarde en stegen weer op, schijnbaar op willekeurige wijze. Hun beweging was echter afhankelijk van de levende wezens, die gingen "waarheen de geest was om te gaan" (vers 20).

Deze raderen zijn een symbool van de regering of voorzienigheid van God. De gebeurtenissen in deze wereld worden door Zijn Geest bestuurd — "Die blaast (waait), waarheen Hij wil" (Johannes 3 vers 8) — en niet door toeval, zoals velen beweren, omdat ze weigeren naar boven te zien. Ze zien wel de "raderen", maar niet Hem Die deze in beweging zet. De profeet echter verheft, geleid door de Geest, zijn ogen en aanschouwt het wonderbaarste gedeelte van het visioen (vers 26 en verder). Boven de raderen, de cherubs en het uitspansel ontdekt hij "de gelijkenis van de troon" met "de gelijkenis als de gedaante van een mens, daar bovenop" (vers 26).

En samen met de profeet zien wij dat het hele wereldgebeuren naar de wil en de bedoeling van een Mens in de heerlijkheid geregeerd wordt: Christus Zelf, stralend in Goddelijke glans!

Voor deze wonderbare vertoning valt Ezechiël onmiddellijk op zijn aangezicht (vergelijk Openbaring 1 vers 12 - 17).

Ezechiël 2:1-10; Ezechiël 3:1-11
1En Hij zeide tot mij: Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken.2Zo kwam in mij, als Hij tot mij sprak, de Geest, Die mij stelde op mijn voeten; en ik hoorde Dien, Die tot mij sprak.3En Hij zeide tot mij: Mensenkind! Ik zend u tot de kinderen Israels, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben; zij en hun vaderen hebben overtreden tegen Mij tot op dezen zelven huidigen dag.4En deze kinderen zijn hard van aangezicht, en stijf van hart; Ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE!5En zij, hetzij dat zij het horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen (want zij zijn een wederspannig huis), zo zullen zij weten, dat een profeet in het midden van hen geweest is.6En gij, mensenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een wederspannig huis.7Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen; want zij zijn wederspannig.8Doch gij, mensenkind, hoor hetgeen Ik tot u spreek; wees gij niet wederspannig, gelijk dat wederspannig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef.9Toen zag ik, en ziet, er was een hand tot mij uitgestoken; en ziet, daarin was de rol eens boeks.10En Hij spreidde die voor mijn aangezicht uit; en zij was beschreven voor en achter; en daarin waren geschreven klaagliederen, en zuchting, en wee.
1Daarna zeide Hij tot mij: Mensenkind, eet, wat gij vinden zult; eet deze rol, en ga, spreek tot het huis Israels.2Toen opende ik mijn mond, en Hij gaf mij die rol te eten.3En Hij zeide tot mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, en vul uw ingewand met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik, en het was in mijn mond als honig, vanwege de zoetigheid.4En Hij zeide tot mij: Mensenkind, ga henen, kom tot het huis Israels, en spreek tot hen met Mijn woorden.5Want gij zijt niet gezonden tot een volk, diep van spraak en zwaar van tong, maar tot het huis Israels;6Niet tot vele volken, diep van spraak en zwaar van tong, welker woorden gij niet kunt verstaan; zouden zij niet, zo Ik u tot hen gezonden had, naar u gehoord hebben?7Maar het huis Israels wil naar u niet horen, omdat zij naar Mij niet willen horen; want het ganse huis Israels is stijf van voorhoofd, en hard van hart zijn zij.8Ziet, Ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hun aangezichten, en uw voorhoofd stijf tegen hun voorhoofd.9Uw voorhoofd heb Ik gemaakt als een diamant, harder dan een rots; vrees hen niet, en ontzet u niet voor hun aangezichten, omdat zij een wederspannig huis zijn.10Verder zeide Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren.11En ga henen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks, en spreek tot hen, en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE, hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen.

Evenals bij Jesaja, in hoofdstuk 6 van zijn Boek, vormt deze geweldig verschijning voor Ezechiël het uitgangspunt van zijn roeping en opdracht. De Geest van God grijpt hem, zet hem op zijn voeten en opent zijn verstand voor de Goddelijke woorden, waarmee hij zich eerst zelf moet voeden, voordat hij het kan doorgeven (vergelijk Openbaring 10 vers 8 - 11). Ten eerste ervaart hij hiervan de uitwerking op zijn eigen ziel. Het is namelijk onmogelijk het Woord op anderen toe te passen zonder eerst zelf de zoetigheid — of juist de scherpte — ervan ondervonden te hebben (hoofdstuk 3 vers 1 - 3; Jeremia 15 vers 16). In z'n algemeenheid geldt dat het geheim van een dienst die nuttig is voor de Heere, gelegen is in het zich van jongs af aan voeden met het Woord van God.

De HEERE zegt tegen Zijn boodschapper dat Israël zal weigeren om naar hem te luisteren, wat betekent dat ze in feite "niet naar Mij willen horen" (hoofdstuk 3 vers 7). Ook voor de christen van nu geldt dat zijn spreken geen eigen woorden zouden moeten zijn, maar dat het de woorden van de Heere moeten zijn (1 Petrus 4 vers 11). Zo'n boodschap laat geen ruimte over voor nutteloze discussies. En die boodschap moet in het hart opgenomen worden (hoofdstuk 3 vers 10).

Het voorhoofd van het huis van Israël was hard, maar de Heere gaf Zijn dienstknecht een des te grotere wilskracht (vergelijk hoofdstuk 3 vers 8 en 9 met Jesaja 50 vers 7 en Lukas 9 vers 51). Zijn naam houdt overigens ook die belofte in, want Ezechiël betekent: 'God zal versterken'.

Ezechiël 3:12-27
12Toen nam de Geest mij op, en ik hoorde achter mij een stem van grote ruising, zeggende: Geloofd zij de heerlijkheid des HEEREN uit Zijn plaats!13En ik hoorde het geluid van der dieren vleugelen, die de een den ander raakten, en het geluid der raderen tegenover hen; en het geluid ener grote ruising.14Toen hief de Geest mij op, en nam mij weg, en ik ging henen, bitterlijk bedroefd door de hitte mijns geestes; maar de hand des HEEREN was sterk op mij.15En ik kwam tot de weggevoerden te Tel-Abib, die aan de rivier Chebar woonden, en ik bleef daar zij woonden; ja, ik bleef daar verbaasd in het midden van hen zeven dagen.16Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:17Mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.18Als Ik tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om den goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.19Doch als gij den goddeloze waarschuwt, en hij zich van zijn goddeloosheid en van zijn goddelozen weg niet bekeert, hij zal in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.20Als ook een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert, en onrecht doet, en Ik een aanstoot voor zijn aangezicht leg, hij zal sterven; omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.21Doch als gij den rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt; hij zal zekerlijk leven, omdat hij gewaarschuwd is; en gij hebt uw ziel bevrijd.22En de hand des HEEREN was daar op mij, en Hij zeide tot mij: Maak u op, ga uit in de vallei, en Ik zal daar met u spreken.23En ik maakte mij op, en ging uit in de vallei, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN stond aldaar, gelijk de heerlijkheid, die ik gezien had bij de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.24Toen kwam de Geest in mij, en stelde mij op mijn voeten, en Hij sprak met mij, en Hij zeide tot mij: Ga, besluit u binnen in uw huis.25Want u aangaande, mensenkind, ziet, zij zouden dikke touwen aan u leggen, en zij zouden u daarmede binden; daarom zult gij niet uitgaan in het midden van hen.26En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, dat gij stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestraffenden man; want zij zijn een wederspannig huis.27Maar als Ik met u spreken zal, zal Ik uw mond opendoen, en gij zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE, wie hoort, die hore, en wie het laat, die late het; want zij zijn een wederspannig huis.

Ezechiël wordt door de Geest van God naar Tel-Abib, midden onder de weggevoerden van zijn volk, gebracht (vers 15). Uit de mond van de HEERE verneemt hij zijn bestemming als wachter en ontvangt hij de, daarmee verbonden, dienstvoorschriften.

Deze post eist voortdurende waakzaamheid en tegelijkertijd een gewetensvolle zorgvuldigheid bij het overbrengen van de Goddelijke waarschuwingen. We moeten echter constateren dat het daarbij niet meer gaat om de oproep tot omkering voor het volk als geheel. De wetteloze moet gewaarschuwd worden; de verantwoording om te luisteren ligt bij ieder persoonlijk.

De verantwoording van de dienstknecht bestaat erin allen het Woord te brengen, ongeacht "hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen" (hoofdstuk 2 vers 5 en 7; 3 vers 11 en 27).

God beoordeelt hen die Hij in Zijn dienst gebruikt, niet naar de resultaten die zij boeken — zoals de mensen meestal doen — maar God kijkt naar hun trouw (1 Korinthe 4 vers 2). Daarom moeten wij ons niet laten ontmoedigen wanneer sommigen niet naar het Woord des levens willen luisteren, dat wij hen brengen.

Beste vrienden, het is heel ernstig eraan te denken dat elke gelovige zijn post als een wachter moet innemen en de opdracht heeft getuigenis af te leggen voor zijn Heere. Komen wij deze verplichting, deze taak na?

Ezechiël 5:1-17
1En gij, mensenkind, neem u een scherp mes, een scheermes der barbieren zult gij u nemen, hetwelk gij zult laten gaan over uw hoofd en over uw baard; daarna zult gij u een weegschaal nemen, en die haren delen.2Een derde deel zult gij in het midden der stad met vuur verbranden, nadat de dagen der belegering vervuld worden; dan zult gij een derde deel nemen, slaande met een zwaard rondom hetzelve, en een derde deel zult gij in den wind strooien; want Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.3Gij zult ook weinige in getal daarvan nemen, en in uw slippen binden.4En nog zult gij van die nemen, en die werpen in het midden des vuurs, en zult ze verbranden met vuur; daaruit zal voortkomen een vuur tegen het gehele huis van Israel.5Alzo zegt de Heere HEERE: Dit is Jeruzalem, welke Ik in het midden der heidenen gezet heb, en landen rondom haar henen.6Doch zij heeft Mijn rechten veranderd in goddeloosheid meer dan de heidenen, en Mijn inzettingen meer dan de landen, die rondom haar zijn; want zij hebben Mijn rechten verworpen, en in Mijn inzettingen hebben zij niet gewandeld.7Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Dewijl gijlieden dies meer gemaakt hebt dan de heidenen, die rondom u zijn, in Mijn inzettingen niet gewandeld hebt, en Mijn rechten niet gedaan hebt, zelfs naar de rechten der heidenen, die rondom u zijn, niet gedaan hebt;8Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Ziet, Ik wil aan u, ja Ik, want Ik zal gerichten in het midden van u oefenen, voor de ogen van die heidenen.9En Ik zal onder u doen, hetgeen Ik niet gedaan heb, en desgelijks Ik voortaan niet doen zal, om al uwer gruwelen wil.10Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien.11Daarom zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE (omdat gij Mijn heiligdom verontreinigd hebt met al uw verfoeiselen, en met al uw gruwelen), zo Ik ook niet daarom u verminderen, en Mijn oog u niet verschonen zal, en Ik ook niet zal sparen!12Een derde deel van u zal van de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal Ik in alle winden verstrooien, en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.13Alzo zal Mijn toorn volbracht worden, en Ik zal Mijn grimmigheid op hen doen rusten, en Mij troosten; en zij zullen weten, dat Ik, de HEERE, in Mijn ijver gesproken heb, als Ik Mijn grimmigheid tegen hen volbracht zal hebben.14Daartoe zal Ik u ter woestheid en ter smaadheid zetten onder de heidenen, die rondom u zijn, voor de ogen van al degene, die voorbijgaat.15Zo zal de smaadheid en hoon een onderwijs en ontzetting den heidenen zijn, die rondom u zijn, wanneer Ik over u gerichten in toorn, en in grimmigheid, en in grimmige straffen oefenen zal; Ik, de HEERE, heb het gesproken!16Wanneer Ik de boze pijlen des hongers tegen hen uitzenden zal, die ten verderve zijn zullen, die Ik uitzenden zal om u te verderven; zo zal Ik den honger over u vermeerderen, en u den staf des broods breken.17Ja, honger en boos gedierte, die u van kinderen beroven zullen, zal Ik over u zenden; ook zal pestilentie en bloed onder u omgaan; en het zwaard zal Ik over u brengen; Ik, de HEERE, heb het gesproken!

Vanaf hoofdstuk 4 confronteert de HEERE Ezechiël, door verschillende tekenen, met de smartelijke omstandigheden waardoor zijn volk heeft te gaan. Een dienstknecht van God die zelf de school van vernedering en lijden heeft doorlopen, kan naderhand veel meer begrip opbrengen voor hen die het dan hebben te ondergaan en kan hen met gezag vermanen. Hij kent de situatie uit eigen ervaring en kan hen op de juiste wijze waarschuwen.

Door op zijn zij te gaan liggen en zijn brood op uitwerpselen te bakken, droeg Ezechiël, in beeld, de gevolgen van de ongerechtigheid van zijn volk (hoofdstuk 4 vers 4). Daarna krijgt hij de opdracht van God om z'n haar en baard af te scheren. Dat was een veronterende handeling voor een priester, die in de wet verboden was (Leviticus 21 vers 5). Hoofdstuk 5 vers 11 en 12 geeft de symbolische betekenis van deze handeling weer. Israël, het sieraad van de HEERE, wordt terzijde gesteld en zal getroffen worden door verschillende oordelen, oordelen die uitgezocht zijn door Hem, Die de schuld van ieder persoonlijk afweegt (vers 1). Sommigen zullen, tijdens de belegering van de stad, het slachtoffer van de pest en de honger worden. Anderen zullen door het zwaard vallen. En weer anderen zullen ten slotte verstrooid en vervolgd worden. Mozes had deze straffen al aangekondigd (Leviticus 26 vers 14 en verder en Deuteronomium 28 vers 15 en verder). En sindsdien heeft de geschiedenis van Israël steeds bevestigd dat God niet anders kan dan Zijn Woord in vervulling doen gaan (Ezechiël 12 vers 28).

Ezechiël 7:1-19
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:2Verder, gij mensenkind, zo zegt de Heere HEERE, van het land Israels: Het einde is er, het einde is gekomen over de vier hoeken des lands.3Nu is het einde over u; want Ik zal Mijn toorn tegen u zenden, en Ik zal u richten naar uw wegen, en Ik zal op u brengen al uw gruwelen.4En Mijn oog zal u niet verschonen, en Ik zal niet sparen; maar Ik zal uw wegen op u brengen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn, en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.5Zo zegt de Heere HEERE: Een kwaad, een enig kwaad, ziet, is gekomen;6Een einde is er gekomen, dat einde is gekomen, het is opgewaakt tegen u; ziet, het kwaad is gekomen!7De morgenstond is tot u gekomen, o inwoner des lands, de tijd is gekomen, de dag der beroerte is nabij, en er is geen wederklank der bergen.8Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen.9En Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal u geven naar uw wegen, en uw gruwelen zullen in het midden van u zijn; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben, Die slaat.10Ziet, de dag, ziet, de morgenstond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hovaardij heeft gegroend.11Het geweld is opgerezen tot een roede der goddeloosheid; niets van hen zal overblijven, noch van hun menigte, noch van hun gedruis, en geen klage zal over hen zijn.12De tijd is gekomen, de dag is genaakt; de koper zij niet blijde, en de verkoper bedrijve geen rouw; want een brandende toorn is over de gehele menigte van het land.13Want de verkoper zal tot het verkochte niet wederkeren, ofschoon hun leven nog onder de levenden ware; overmits het gezicht, aangaande de gehele menigte van het land, niet zal terugkeren; en niemand zal door zijn ongerechtigheid zijn leven sterken.14Zij hebben met de trompet getrompet, en hebben alles bereid, maar niemand trekt ten strijde; want Mijn brandende toorn is over de gehele menigte van het land.15Het zwaard is buiten, en de pest, en de honger van binnen; die op het veld is, zal door het zwaard sterven, en die in de stad is, dien zal de honger en de pest verteren.16En hun ontkomenden zullen wel ontkomen, maar zij zullen op de bergen zijn, zij allen zullen zijn gelijk duiven der dalen, kermende, een ieder om zijn ongerechtigheid.17Alle handen zullen slap worden, en alle knieen zullen henenvlieten als water.18Ook zullen zij zakken aangorden, gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op al hun hoofden kaalheid.19Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinigheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen ten dage der verbolgenheid des HEEREN; hun ziel zullen zij niet verzadigen, en hun ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot hunner ongerechtigheid zijn.

Is het ons opgevallen welke naam God aan Zijn dienstknecht geeft? "Mensenkind" of, zoals in andere vertalingen staat: "mensenzoon". (We kunnen ook zeggen: zoon des mensen. Dat is een titel van de Heere Jezus, van Wie Ezechiël een beeld is.) Deze naam legt de nadruk op de uitverkorene onder de mensen. Iemand die in staat is als een plaatsvervanger uit naam van het hele krachteloze mensengeslacht te spreken (zie Prediker 7 vers 28).

Nadat de HEERE in hoofdstuk 6 de verwoesting heeft aangekondigd, zegt Hij in hoofdstuk 7, op indringende wijze, dat de onheilvolle dag, de dag van Zijn toorn, gekomen is. Zijn grote geduld met het schuldige volk heeft eeuwen lang geduurd. Na talloze waarschuwingen gaat het nu uiteindelijk naar het einde.

Daarbij denken we aan het grote geduld dat God nu nog heeft met een wereld die Zijn Zoon gekruisigd heeft. Maar ook dat geduld zal eens eindigen op "de dag van de toorn". Wat zal dat een vreselijke, een ontzettende dag zijn, die met niets te vergelijken is (Romeinen 2 vers 5)! Hoofdstuk 7 van het Boek Ezechiël is daar slechts een zwak beeld van. De mensen zullen ontsteld zijn (vers 17 en 18). Het zilver en goud dat tot op dat moment almachtig was, zal dan waardeloos zijn geworden. Men zal het als vuil op de straten gooien, omdat men zich eindelijk bewust wordt dat de ziel er niet door gered kan worden. Op die dag zal het niemand kunnen verlossen, want God neemt niets anders aan tot verlossing van de mensen dan het kostbare bloed van Christus (vers 19; vergelijk Spreuken 11 vers 4 en 1 Petrus 1 vers 18 en 19).

Ezechiël 8:1-18
1Het geschiedde nu in het zesde jaar, in de zesde maand, op den vijfden der maand, als ik in mijn huis zat, en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten, dat de hand des Heeren HEEREN daar over mij viel.2Toen zag ik, en ziet, een gelijkenis, als de gedaante van vuur; van de gedaante Zijner lenden en nederwaarts was vuur; en van Zijn lenden en opwaarts, als de gedaante ener klaarheid, als de verf van Hasmal.3En Hij stak de gelijkenis ener hand uit, en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tussen de aarde en tussen den hemel, en bracht mij in de gezichten Gods te Jeruzalem, tot de deur der poort van het binnenste voorhof, dewelke ziet naar het noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld der ijvering, dat tot ijver verwekt.4En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israel was aldaar, naar de gedaante, die ik in de vallei gezien had.5En Hij zeide tot mij: Mensenkind, hef nu uw ogen op naar den weg van het noorden; en ik hief mijn ogen op naar den weg van het noorden, en ziet, tegen het noorden aan de poort van het altaar was dit beeld der ijvering, in den ingang.6En Hij zeide tot mij: Mensenkind, ziet gij wel, wat zij doen, de grote gruwelen, die het huis Israels hier doet, opdat Ik van Mijn heiligdom verre wegga? Doch gij zult nog wederom grote gruwelen zien.7Zo bracht Hij mij tot de deur van het voorhof. Toen zag ik, en ziet, er was een hol in den wand.8En Hij zeide tot mij: Mensenkind, graaf nu in dien wand. En ik groef in dien wand, en ziet, daar was een deur.9Toen zeide Hij tot mij: Ga in, en zie de boze gruwelen, die zij hier doen.10Zo ging ik in, en ik zag, en ziet, er was alle beeltenis van kruipende dieren en verfoeilijke beesten, en van alle drekgoden van het huis Israels, geheel rondom aan den wand gemaald.11En zeventig mannen uit de oudsten van het huis Israels, met Jaazanja, den zoon van Safan, staande in het midden van hen, stonden voor hun aangezichten; en een ieder had zijn rookvat in zijn hand, en een overvloedige wolk des reukwerks ging op.12Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis Israels doen in de duisternis, een ieder in zijn gebeelde binnenkameren? want zij zeggen: De HEERE ziet ons niet, de HEERE heeft het land verlaten.13En Hij zeide tot mij: Gij zult nog wederom grote gruwelen zien, die zij doen.14En Hij bracht mij tot de deur der poort van het huis des HEEREN, die naar het noorden is, en ziet, daar zaten vrouwen, bewenende den Thammuz.15En Hij zeide tot mij: Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Gij zult nog wederom grotere gruwelen zien dan deze.16En Hij bracht mij tot het binnenste voorhof van het huis des HEEREN; en ziet, aan de deur van den tempel des HEEREN, tussen het voorhuis en tussen het altaar, waren omtrent vijf en twintig mannen; hun achterste leden waren naar den tempel des HEEREN, en hun aangezichten naar het oosten, en deze bogen zich neder naar het oosten voor de zon.17Toen zeide Hij tot mij: Hebt gij, mensenkind, dat gezien? Is er iets lichter geacht bij het huis van Juda, dan deze gruwelen te doen, die zij hier doen? Als zij het land met geweld vervuld hebben, zo keren zij zich, om Mij te vertoornen; want zie, zij steken de wijnranken aan hun neus.18Daarom zal Ik ook handelen in grimmigheid, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; hoewel zij voor Mijn oren met luider stem roepen, nochtans zal Ik hen niet horen.

In een volgend visioen wordt Ezechiël naar Jeruzalem gebracht, waar God hem de boze gruwelen toont die in het geheim in Zijn heiligdom bedreven worden. "Een beeld der ijvering, dat tot naijver verwekt" (vers 3) is het eerste wat Ezechiël daar ziet. Dat herinnert aan het beeld dat Manasse al in de tempel had laten oprichten (2 Koningen 21 vers 7 en 23 vers 6; vergelijk Mattheüs 24 vers 15). En als Ezechiël de muur doorbreekt (vers 8), betrapt hij niet het uitschot van het volk, maar ziet hij juist de oudsten van het volk, die in de duisternis bezig zijn met het vereren van allerlei beelden "van kruipende dieren en verfoeilijke beesten" (vers 10).

Dat mogen we vergelijken met de onreine vruchten van onze fantasie, dat wat zich in de verborgen schuilhoeken van onze arme harten vormt en waardoor het hart, als het ware, tot een onreine 'voorstelling' wordt gemaakt.

Te midden van al deze afgoden zien we een zekere Jaäzanja zijn functie uitoefenen. Dat is een zoon van de trouwe Safan (zie 2 Kronieken 34 vers 8, 15 en verder). Wat een verschil tussen vader en zoon!

Vervolgens laat de HEERE aan Ezechiël nog vrouwen zien die de Thammuz, een afschuwelijke afgod, bewenen. En ten slotte ziet hij vijfentwintig mannen. Dat is een beeld van de vierentwintig klassen van het priesterdom en de hogepriester zelf, zoals zij zich neerbuigen voor de zon (vergelijk Deuteronomium 4 vers 19 en 32 vers 16)!

Laten we eraan denken dat het God Zelf is Die het kwaad voor de ogen van de Zijnen blootlegt. Hij alleen kan ons geweten verlichten en ons de juiste gevoelens ervan geven, hoezeer Hij door dit kwaad in Zijn eer wordt aangetast.

Ezechiël 9:1-11
1Daarna riep Hij voor mijn oren met luider stem, zeggende: Doet de opzieners der stad naderen, en elkeen met zijn verdervend wapen in zijn hand.2En ziet, zes mannen kwamen van den weg der Hoge poort, die gekeerd is naar het noorden, en elkeen met zijn verpletterend wapen in zijn hand; en een man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijvers-inktkoker was aan zijn lenden; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar.3En de heerlijkheid des Gods van Israel hief zich op van den cherub, waarop Hij was, tot den dorpel van het huis; en Hij riep tot den man, die met linnen bekleed was, die de schrijvers-inktkoker aan zijn lenden had.4En de HEERE zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al deze gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden.5Maar tot die anderen zeide Hij voor mijn oren: Gaat door, door de stad achter hem, en slaat, ulieder oog verschone niet, en spaart niet!6Doodt ouden, jongelingen en maagden, en kinderkens en vrouwen, tot verdervens toe; maar genaakt aan niemand, op denwelken het teken is, en begint van Mijn heiligdom. En zij begonnen van de oude mannen, die voor het huis waren.7En Hij zeide tot hen: Verontreinigt het huis, en vervult de voorhoven met verslagenen; gaat henen uit. En zij gingen henen uit, en zij sloegen in de stad.8Het geschiedde nu, als zij hen geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel, en riep, en zeide: Ach, Heere HEERE, zult Gij al het overblijfsel van Israel verderven, met Uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?9Toen zeide Hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis van Israel en van Juda is gans zeer groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: De HEERE heeft het land verlaten, en de HEERE ziet niet.10Daarom ook, wat Mij aangaat, Mijn oog zal niet verschonen, en Ik zal niet sparen; Ik zal hun weg op hun hoofd geven.11En ziet, de man, die met linnen bekleed was, aan wiens lenden de inktkoker was, bracht bescheid weder, zeggende: Ik heb gedaan, gelijk als Gij mij geboden hadt.

Ezechiël heeft met eigen ogen kunnen constateren op welke gruwelijke wijze de eer van de Heere met voeten getreden werd. Daarom kan hij nu ook begrijpen hoe rechtvaardig de straf is die daarop volgt! En die straf staat voor de poort (vers 2)! Maar het zij verre van God dat Hij de rechtvaardigen met de goddelozen zal doen omkomen (Genesis 18 vers 25). In het midden van de zes mannen die met het gereedschap voor de verwoesting uitgerust zijn, bevindt zich nog een zevende persoon. Die heeft echter het gereedschap van de genade aan zijn heup gebonden: een "schrijvers-inktkoker". Dat zal hij, op bevel van de HEERE, gebruiken om een teken op het voorhoofd te maken van hen die zuchten en jammeren over de zonde (vers 4; vergelijk Openbaring 9 vers 4). Waarschijnlijk gaat het hierbij om de letter T, de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Dat diende namelijk als teken en ondertekening; in Job 31 vers 35 lezen we ook: "Zie, mijn oogmerk" (of: ondertekening).

"De man, die met linnen bekleed was" (vers 3) doet ons denken aan de Heere Jezus. Hij heeft binnen de grote christenheid, die door het kwaad beheerst wordt en op het punt staat om geoordeeld te worden, Zijn zegel gedrukt op iedereen die Zijn eigendom is. De Heilige Geest is dat Goddelijke 'merkteken' waaraan God Zijn kinderen herkent.

Nadat alle getrouwen dit beschermingsteken ontvangen hebben, kan het vernietigingsbevel aan de wrekers gegeven worden. En het oordeel moet allereerst de meest verantwoordelijke personen treffen: het begint bij het verontreinigde heiligdom dat Ezechiël bezocht had (vers 6; vergelijk 1 Petrus 4 vers 17).

Ezechiël 10:1-22
1Daarna zag ik, en ziet, boven het uitspansel, hetwelk was over het hoofd der cherubs, was als een saffiersteen, als de gedaante van de gelijkenis eens troons; en Hij verscheen op dezelve.2En Hij sprak tot den man, bekleed met linnen, en Hij zeide: Ga in tot tussen de wielen, tot onder den cherub, en vul uw vuisten met vurige kolen van tussen de cherubs, en strooi ze over de stad; en hij ging in voor mijn ogen.3De cherubs nu stonden ter rechterzijde van het huis, als die man inging; en een wolk vervulde het binnenste voorhof.4Toen hief zich de heerlijkheid des HEEREN omhoog van boven den cherub, op den dorpel van het huis; en het huis werd vervuld met een wolk, en het voorhof was vol van den glans der heerlijkheid des HEEREN.5En het geruis van de vleugelen der cherubs werd gehoord tot het uiterste voorhof, als de stem des almachtigen Gods, wanneer Hij spreekt.6Het geschiedde nu, als Hij den man, bekleed met linnen, geboden had, zeggende: Neem vuur van tussen de wielen, van tussen de cherubs, dat hij inging en stond bij een rad.7Toen stak een cherub zijn hand uit van tussen de cherubs tot het vuur, hetwelk was tussen de cherubs, en nam daarvan, en gaf het in de vuisten desgenen, die met linnen bekleed was; die nam het, en ging uit.8Want er werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van eens mensen hand onder hun vleugelen.9Toen zag ik, en ziet, vier raderen waren bij de cherubs; een rad was bij elken cherub; en de gedaante der raderen was als de verf van een turkoois-steen.10En aangaande hun gedaanten, die vier hadden enerlei gelijkenis, gelijk of het ware geweest een rad in het midden van een rad.11Als die gingen, zo gingen deze op hun vier zijden; zij keerden zich niet om, als zij gingen; maar de plaats, waarheen het hoofd zag, die volgden zij na; zij keerden zich niet om, als zij gingen.12Hun ganse lichaam nu, en hun ruggen, en hun handen, en hun vleugelen, mitsgaders de raderen, waren vol ogen rondom; die vier hadden hun raderen.13Aangaande de raderen, elkeen derzelve werd voor mijn ogen genoemd Galgal.14En elkeen had vier aangezichten; het eerste aangezicht was het aangezicht eens cherubs, en het tweede aangezicht was het aangezicht eens mensen, en het derde het aangezicht eens leeuws, en het vierde het aangezicht eens arends.15En die cherubs hieven zich omhoog; dit was hetzelfde dier, dat ik bij de rivier Chebar gezien had.16En als de cherubs gingen, zo gingen die raderen nevens dezelven; en als de cherubs hun vleugelen ophieven, om zich van de aarde omhoog te heffen, zo keerden zich diezelve raderen ook niet om van bij hen.17Als die stonden, stonden deze, en als die opgeheven werden, hieven zich deze ook op; want de geest der dieren was in hen.18Toen ging de heerlijkheid des HEEREN van boven den dorpel des huizes weg, en stond boven de cherubs.19En de cherubs hieven hun vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijn ogen, als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen; en elkeen stond aan de deur der Oostpoort van het huis des HEEREN; en de heerlijkheid des Gods Israels was van boven over hen.20Dit is het dier, dat ik zag onder den Gods Israels bij de rivier Chebar; en ik bemerkte, dat het cherubs waren.21Elkeen had vier aangezichten, en elkeen had vier vleugelen; en de gelijkenis van mensenhanden was onder hun vleugelen.22En aangaande de gelijkenis van hun aangezichten, het waren dezelfde aangezichten, die ik gezien had bij de rivier Chebar, hun gedaanten en zij zelven; zij gingen ieder recht uit voor zijn aangezicht henen.

Dit is een heel ernstige kant van de geschiedenis van Israël! Eens had de HEERE Zich een woonplaats te midden van dit volk verkozen (Deuteronomium 12 vers 5). Hij was gekomen om die plaats in genade en tot welzijn van de Zijnen in te nemen. Zij waren er echter verantwoordelijk voor daar de heiligheid te bewaren die Zijn huis betaamt (Psalm 93 vers 5). Nu waren in deze heilige tempel echter de ergste heidense gruwelen bedreven. We mogen gerust zeggen dat dat de grootste uitdaging was. Ja, Israël had er alles aan gedaan om de HEERE uit Zijn heiligdom te verdrijven (hoofdstuk 8 vers 6). Daarom verwijdert God Zich nu! Maar het is aangrijpend te zien hoe langzaam Hij dat doet. Stap voor stap, om te laten zien hoe groot Zijn verdriet is, nu Hij weg moet gaan. Het is net alsof Hij tegen Israël wil zeggen: 'Houd je Mij dan niet tegen?'

De heerlijkheid blijft allereerst "op de dorpel van het huis" (vers 4 en hoofdstuk 9 vers 3). Dan verheft zij zich en blijft zij nog boven de ingang "de Oostpoort van het huis des HEEREN" staan (vers 19). Het lijkt alsof de heerlijkheid er niet toe kan besluiten om definitief weg te gaan.

Gelovige vrienden, laten we toch niet vergeten dat wij Gods tempel zijn en dat Zijn Geest in ons woont (in 1 Korinthe 3 vers 16 en 17 als Gemeente en 1 Korinthe 6 vers 19 in ieder persoonlijk). Als deze tempel (ons hart) met afgoden gevuld is (al is het maar gedeeltelijk), dan zal de bedroefde Geest niet meer kunnen werken en is de kostbare gemeenschap met God onderbroken. Hij is "een na-ijverig God" (Jozua 24 vers 19 en 20), Die het niet verdragen kan dat wij verdeeld zijn in onze toegenegenheid (2 Korinthe 6 vers 15 en 16).

Ezechiël 11:1-25
1Toen hief mij de Geest op, en bracht mij tot de Oostpoort van het huis des HEEREN, dewelke ziet oostwaarts; en ziet, aan de deur der poort waren vijf en twintig mannen, en in het midden van hen zag ik Jaazanja, den zoon van Azzur, en Pelatja, den zoon van Benaja, vorsten des volks.2En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.3Die zeggen: Men moet geen huizen nabij bouwen; deze stad zou de pot, en wij het vlees zijn.4Daarom profeteer tegen hen; profeteer, o mensenkind!5Zo viel dan de Geest des HEEREN op mij, en Hij zeide tot mij: Zeg: Zo zegt de HEERE: Alzo zegt gijlieden o huis Israels! want Ik weet elkeen der dingen, die in uw geest opklimmen.6Gij hebt uw verslagenen in deze stad vermenigvuldigd, en gij hebt derzelver straten met de verslagenen vervuld.7Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Uw verslagenen, die gij in het midden derzelve nedergelegd hebt, die zijn dat vlees, en deze stad is de pot; maar ulieden zal Ik uit het midden derzelve doen uitgaan.8Gijlieden hebt het zwaard gevreesd; en het zwaard zal Ik over u brengen, spreekt de Heere HEERE.9Ook zal Ik ulieden uit het midden derzelve doen uitgaan, en Ik zal u overgeven in de hand der vreemden; en Ik zal recht onder u doen.10Gij zult door het zwaard vallen; in de landpale Israels zal Ik u richten, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.11Deze stad zal ulieden niet tot een pot zijn, en gij zult in het midden derzelve niet tot vlees zijn; in de landpale Israels zal Ik u richten.12En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, omdat gij in Mijn inzettingen niet gewandeld, en Mijn rechten niet gedaan hebt, maar naar de rechten der heidenen, die rondom u zijn, gedaan hebt.13Het geschiedde nu, als ik profeteerde, dat Pelatja, de zoon van Benaja, stierf. Toen viel ik neder op mijn aangezicht, en riep met luider stem; en zeide: Ach, Heere HEERE! zult Gij gans een voleinding maken met het overblijfsel van Israel?14Toen geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:15Mensenkind, het zijn uw broederen, uw broederen, de mannen uwer maagschap, en het ganse huis Israels, ja, dat ganse, tot welke de inwoners van Jeruzalem gezegd hebben: Maakt u verre af van den HEERE, ditzelve land is ons tot een erfbezitting gegeven.16Daarom zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Hoewel Ik hen verre onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel Ik hen in de landen verstrooid heb, nochtans zal Ik hun een weinig tijds tot een heiligdom zijn, in de landen, waarin zij gekomen zijn.17Daarom zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal ulieden vergaderen uit de volken, en Ik zal u verzamelen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, en Ik zal u het land Israels geven.18En zij zullen daarhenen komen, en al deszelfs verfoeiselen en al deszelfs gruwelen van daar wegdoen.19En Ik zal hun enerlei hart geven, en zal een nieuwen geest in het binnenste van u geven; en Ik zal het stenen hart uit hun vlees wegnemen, en zal hun een vlesen hart geven;20Opdat zij wandelen in Mijn inzettingen, en Mijn rechten bewaren, en dezelve doen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.21Maar welker hart het hart hunner verfoeiselen en hunner gruwelen nawandelt, derzelver weg zal Ik op hun hoofd geven, spreekt de Heere HEERE.22Toen hieven de cherubs hun vleugelen op, en de raderen tegenover hen; en de heerlijkheid des Gods van Israel was over hen van boven.23En de heerlijkheid des HEEREN rees op van het midden der stad, en stond op den berg, die tegen het oosten der stad is.24Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in gezicht door den Geest Gods in Chaldea tot de gevankelijk weggevoerden; en het gezicht, dat ik gezien had, voer van mij op.25En ik sprak tot de gevankelijk weggevoerden al de woorden des HEEREN, die Hij mij had doen zien.

Nadat wij in hoofdstuk 8 gezien hebben hoe de godsdienstige zonde van de bewoners van Jeruzalem geopenbaard werd, vinden we hier in de verzen 1 - 12 de zonde van hun politieke leiders. De God van Israël maakt Zich op, om hun raad en voorzorgsmaatregelen te verijdelen. En Hij geeft daarvan het bewijs door één van de mannen te doden, terwijl Ezechiël tegen hen spreekt.

"Ach, Heere HEERE! zult Gij gans een voleinding maken met het overblijfsel van Israël?", roept de profeet angstig uit. Nee, want zelfs zonder de volledige verstrooiing van het volk af te wachten, spreekt de HEERE er al over dat het weer bijeen vergaderd en hersteld zal worden. Hij zal hen "enerlei hart geven... een nieuwe geest... een vlezen hart" (vers 19). En voordat Hij Zijn heerlijkheid van dit verontreinigde heiligdom dat verwoest moet worden, helemaal terug zal trekken, belooft Hij aan hen die hun belofte ten opzichte van Hem zullen nakomen, dat Hij hen "een weinig tijd tot een heiligdom" zal zijn (vers 16). Wonderbare genade van God! De hulpbron uit 1 Koningen 8 vers 48 zal ontbreken, maar hoe ver ze ook door eigen schuld van Jeruzalem verwijderd zullen zijn, desondanks zullen ze Hem kunnen vinden en aanbidden.

Wat is deze gedachte en deze ervaring sindsdien tot grote troost geweest voor talloze eenzame gelovigen!

Het visioen van Ezechiël in Jeruzalem besluit ermee dat de heerlijkheid zich verwijdert van die plaats waar de discipelen later getuigen zouden zijn van de hemelvaart van de Heere Jezus (vers 23; Handelingen 1 vers 12). Daarna wordt de geest van de profeet teruggebracht naar Chaldea.

Ezechiël 12:1-28
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:2Mensenkind! gij woont in het midden van een wederspannig huis, dewelke ogen hebben om te zien, en niet zien, oren hebben om te horen, en niet horen, want zij zijn een wederspannig huis.3Daarom gij, mensenkind, maak u gereedschap van vertrekking; en vertrek bij dag voor hun ogen; en gij zult vertrekken van uw plaats tot een andere plaats voor hun ogen; misschien zullen zij het merken, hoewel zij een wederspannig huis zijn.4Gij zult dan uw gereedschap bij dag voor hun ogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna zult gij in den avond uitgaan voor hun ogen, gelijk zij uitgaan, die vertrekken.5Doorgraaf u den wand voor hun ogen, en breng daardoor uw gereedschap uit.6Voor hun ogen zult gij het op de schouders dragen, in donker zult gij het uitbrengen; uw aangezicht zult gij bedekken, dat gij het land niet ziet; want Ik heb u den huize Israels tot een wonderteken gegeven.7En ik deed alzo, gelijk als mij bevolen was; ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap dergenen, die vertrekken; daarna in den avond doorgroef ik mij den wand met de hand; ik bracht het uit in donker, en ik droeg het op den schouder voor hun ogen.8En des morgens geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:9Mensenkind, heeft niet het huis Israels, het wederspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij?10Zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Deze last is tegen den vorst te Jeruzalem, en het ganse huis Israels, dat in het midden van hen is.11Zeg: Ik ben ulieder wonderteken; gelijk als ik gedaan heb, alzo zal hun gedaan worden; zij zullen door wegvoering in de gevangenis heengaan.12En de vorst, die in het midden van hen is, zal het gereedschap op den schouder dragen in donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door den wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oog de aarde niet zie.13Ik zal ook Mijn net over hem uitspreiden, dat hij in Mijn jachtgaren gegrepen worde; en Ik zal hem brengen in Babylonie, het land der Chaldeen; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal.14En allen, die rondom hem zijn tot zijn hulp, en al zijn benden zal Ik in alle winden verstrooien; en Ik zal het zwaard achter hen uittrekken.15Alzo zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik hen onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.16Doch Ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij al hun gruwelen vertellen onder de heidenen, waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.17Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:18Mensenkind, gij zult uw brood eten met beven, en uw water zult gij met beroerte en met kommer drinken.19En gij zult tot het volk des lands zeggen: Alzo zegt de Heere HEERE, van de inwoners van Jeruzalem, in het land Israels: Zij zullen hun brood met kommer eten, en hun water zullen zij met verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijn volheid, vanwege het geweld van al degenen, die daarin wonen;20En de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal een wildernis zijn; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.21Wederom geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:22Mensenkind, wat is dit voor een spreekwoord, dat gijlieden hebt in het land Israels, zeggende: de dagen zullen verlengd worden, en al het gezicht zal vergaan?23Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal dit spreekwoord doen ophouden, dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israel. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen, en het woord van ieder gezicht.24Want geen ijdel gezicht zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis Israels.25Want Ik ben de HEERE, Ik zal spreken; het woord, de tijd zal niet meer uitgesteld worden; want in uw dagen, o wederspannig huis, zal Ik een woord spreken, en hetzelve doen, spreekt de Heere HEERE.26Verder geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:27Mensenkind, zie, die van het huis Israels zeggen: Het gezicht dat hij ziet, is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden, die verre zijn.28Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Geen Mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord, hetwelk Ik gesproken heb, dat zal gedaan worden, spreekt de Heere HEERE.

Jeremia droeg een juk om z'n hals (Jeremia 28 vers 10), en Ezechiël wordt hier opgeroepen "gereedschap van vertrek" te dragen. Hij moest dus spullen bij zich hebben die nodig zouden zijn om in ballingschap te gaan. De betekenis is dus dezelfde als bij Jeremia. Hiermee waren deze beide profeten tot een "wonderteken" (zinnebeeld) van hetgeen de HEERE van plan was te doen (vers 11).

Kinderen van God, ons hele doen en laten zou onze gehoorzaamheid aan God zichtbaar moeten maken. Het zou onze vreemdelingschap hier beneden moeten openbaren en moeten laten zien dat we spoedig zullen vertrekken, natuurlijk niet om in gevangenschap te gaan, maar om naar onze eeuwig Vaderhuis te gaan! Ezechiël werd ondervraagd over zijn vreemde gedrag (vers 9). Het zou bij ons ook vaker gebeuren dat mensen ons vragen gaan stellen, wanneer er maar meer trouw bij ons aanwezig was. Wanneer wij bang zijn om op te vallen en geen duidelijke positie van afzondering van de wereld innemen, dan laten wij menige gelegenheid om getuigenis af te leggen van de hoop die in ons is, voorbijgaan (1 Petrus 3 vers 15).

De bijzondere profetie van vers 13 is letterlijk in vervulling gegaan. Zedekia, die blind gemaakt was, heeft het land van zijn gevangenschap immers niet kunnen zien (vergelijk Jeremia 39 vers 7).

In de verzen 26 - 28 wordt ons meegedeeld hoe het huis Israëls dacht over de profetie die hen veroordeelde. Ze wagen het niet dit te weerspreken, maar ze schuiven de gedachten aan de vervulling daarvan wel zover mogelijk van zich af. Vandaag de dag lijkt het er soms ook op dat de slechte knechten van de Heere tegen Hem zeggen: 'Kom maar zo laat mogelijk terug!'

Ezechiël 13:1-23
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:2Mensenkind, profeteer tegen de profeten Israels, die profeteren, en zeg tot degenen, die uit hun hart profeteren: Hoort des HEEREN woord.3Zo zegt de Heere HEERE: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en hetgeen zij niet gezien hebben!4Uw profeten, o Israel, zijn als vossen in de woeste plaatsen.5Gij zijt in de bressen niet opgetreden, noch hebt den muur toegemuurd voor het huis Israels, om in den strijd te staan, ten dage des HEEREN.6Zij zien ijdelheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: De HEERE heeft gesproken, daar de HEERE hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zullen bevestigen.7Ziet gij niet een ijdel gezicht, en spreekt een leugenachtige voorzegging, als gij zegt: De HEERE spreekt, daar Ik niet gesproken heb?8Daarom zo zegt de Heere HEERE: omdat gijlieden ijdelheid spreekt, en leugen ziet; daarom, ziet, Ik wil aan u, spreekt de Heere HEERE.9En Mijn hand zal zijn tegen de profeten, die ijdelheid zien, en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering Mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis Israels niet geschreven worden, en in het land Israels niet komen; en gij zult weten, dat Ik de Heere HEERE ben.10Daarom, ja, daarom dat zij Mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is; en dat de een een lemen wand bouwt, en ziet, de anderen denzelven pleisteren met loze kalk.11Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en gij, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten.12Ziet, als die wand zal gevallen zijn, zal dan niet tot u gezegd worden: Waar is de pleistering, waarmede gij gepleisterd hebt?13Daarom alzo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal hem door een groten stormwind in Mijn grimmigheid splijten, en er zal een overstelpende plasregen zijn in Mijn toorn, en grote hagelstenen in Mijn grimmigheid, om dien te verdoen.14Zo zal Ik den wand afbreken, dien gijlieden met loze kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde nederwerpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; alzo zal de stad vallen, en gij zult in het midden van haar omkomen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.15Zo zal Ik Mijn grimmigheid tegen den wand voortbrengen, en tegen degenen, die hem pleisteren met loze kalk; en Ik zal tot ulieden zeggen: Die wand is er niet meer, en die hem pleisterden, zijn er niet;16Te weten de profeten Israels, die van Jeruzalem profeteren, en voor haar een gezicht des vredes zien, waar geen vrede is, spreekt de Heere HEERE.17En gij, mensenkind, zet uw aangezicht tegen de dochteren uws volks, dewelke profeteren uit haar hart, en profeteer tegen haar;18En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Wee die vrouwen, die kussens naaien voor alle okselen der armen, en maken hoofddeksels voor het hoofd van alle statuur, om de zielen te jagen! Zult gij de zielen Mijns volks jagen, en zult gij u de zielen in het leven behouden?19En zult gij Mij ontheiligen bij Mijn volk, voor handvollen van gerst, en voor stukken broods, om zielen te doden, die niet zouden sterven, en om zielen in het leven te behouden, die niet zouden leven, door uw liegen tot Mijn volk, dat de leugen hoort?20Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.21Daartoe zal Ik uw hoofddeksels scheuren, en Mijn volk uit uw hand redden, zodat zij niet meer in uw hand zullen zijn tot een jacht; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.22Omdat gijlieden het hart des rechtvaardigen door valsheid hebt bedroefd gemaakt, daar Ik hem geen smart aangedaan heb; en omdat gij de handen des goddelozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijn bozen weg niet afkeren zou, dat Ik hem in het leven behield;23Daarom zult gij niet meer ijdelheid zien, noch waarzegging gebruiken; maar Ik zal Mijn volk uit uw hand redden, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.

De levensduur van een gebouw hangt voor een groot deel niet alleen af van de stenen, maar juist van het cement dat gebruikt werd. Veel bouwwerken die de Romeinen bouwden, zijn vanwege de uitermate goede kwaliteit van het cement tot nu toe bewaard gebleven, terwijl de standbeelden die veel later gemaakt zijn, soms allang kapot zijn. Om de steeds groter wordende scheuren in de eenheid van Israël te verbergen, hadden de valse profeten gebruik gemaakt van het slechte cement van de "vrede" die geen vrede was (vers 10). Hun kalmerende toespraken konden echter niet verhinderen dat 'de muren' op de dag van de storm instortten (vergelijk Mattheus 7 vers 26 en 27).

Laten we nooit vergeten dat elke gelovige een arbeider van de Heere is! Het ene Fundament, Jezus Christus, is gelegd en iedere gelovige moet erop toezien met welk materiaal hij daarop bouwt (1 Korinthe 3 vers 10 - 15).

De verzen 17 - 21 laten ons zien dat de zielen van hen die slecht 'ingemetseld' zijn, letterlijk door nietigheden gevangen genomen worden, vooral door de ijdelheid van de mode en de geriefelijkheid, het gemak (2 Petrus 2 vers 14). Laten we toch waken over onze zielen!

In vers 22 wordt er nog een laatste oordeel uitgesproken over hen die "het hart van de rechtvaardige door valsheid hebt bedroefd gemaakt". Hoeveel heeft Christus hier op aarde moeten lijden door zulke huichelarij!

Ezechiël 14:1-11
1Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten van Israel, en zaten neder voor mijn aangezicht.2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:3Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan ernstiglijk van hen gevraagd?4Daarom spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Een ieder man uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet, en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den profeet, Ik, de HEERE zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden;5Opdat Ik het huis Israels in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn.6Daarom zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw aangezichten af van al uw gruwelen.7Want ieder man uit het huis Israels, en uit den vreemdeling, die in Israel verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet, om Mij door hem te vragen; Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden door Mij;8En Ik zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot een teken en tot spreekwoorden, en zal hem uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE ben.9Als nu een profeet overreed zal zijn, en iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet overreed, en Ik zal Mijn hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israel.10En zij zullen hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn; alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;11Opdat het huis Israels niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun overtredingen; alsdan zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.

Het lijkt erop dat enkelen van de oudsten met goede bedoelingen naar Ezechiël toe gaan. Ze willen de HEERE om raad vragen. Maar de profeet wordt door zijn God gewaarschuwd zich niet door de schijn te laten bedriegen. Het hart van deze mannen was vervuld van de afgoden en die vormden een muur tussen hen en God. Ze zijn "allen door hun drekgoden van Mij vervreemd", lezen we in vers 5 (vergelijk Lukas 16 vers 15).

Eén van de lessen die we nooit mogen vergeten, is dat de belangrijkste voorwaarde om de gedachten van de Heere te kennen en te begrijpen, niet de mate van onze kennis, onze christelijke ervaring of onze Bijbelkennis is, maar juist de toestand van ons hart! Is ons hart oprecht voor God? Of verbergen wij dingen die we niet willen toegeven? Zijn er ook bij ons afgoden die diep geworteld in ons hart liggen? Dan hoeven we de oorzaak waardoor God soms niet op onze gebeden antwoordt, nergens anders te zoeken! Prent je de woorden van de Heere toch goed in: "Zonder Mij kunt gij niets doen" (vergelijk vers 5). Denk altijd aan het kostbare tegenovergestelde: "Indien gij in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden" (Johannes 15 vers 5 en 7).

We mogen het met de Psalmist zeggen: "HEERE! Gij doorgrondt en kent mij... Gij weet alles" en het met hem vragen: "Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg" (Psalm 139 vers 1,4, 23 en 24). Als dat ons oprechte gebed is, zal de Heere altijd antwoorden!

Ezechiël 14:12-23; Ezechiël 15:1-8
12Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:13Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken, en zal hetzelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;14Ofschoon deze drie mannen, Noach, Daniel en Job, in het midden deszelven waren, zij zouden door hun gerechtigheid alleen hun ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.15Zo Ik het boos gedierte make door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;16Die drie mannen in het midden deszelven zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen, en zo zij dochteren bevrijden zouden, zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.17Of als Ik het zwaard brenge over datzelve land, en zegge: Zwaard! ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten;18Ofschoon die drie mannen in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden.19Of als Ik de pestilentie in datzelve land zende, en Mijn grimmigheid daarover met bloed uitgiete, om daarvan mensen en beesten uit te roeien;20Ofschoon Noach, Daniel en Job in het midden deszelven waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon, of zo zij een dochter zouden bevrijden, zij zouden alleen hun ziel door hun gerechtigheid bevrijden.21Want alzo zegt de Heere HEERE: Hoeveel te meer als Ik mijn vier boze gerichten, het zwaard, en den honger, en het boze gedierte, en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien!22Doch ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hun handelingen; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.23Zo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hun handelingen zien zult; en gij zult weten, dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:2Mensenkind, wat is het hout des wijnstoks meer dan alle hout, of de wijnrank meer dan dat onder het hout eens wouds is?3Wordt daarvan hout genomen, om een stuk werk te maken? Neemt men daarvan een pin, om enig vat daaraan te hangen?4Ziet, het wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd worde; het vuur verteert beide zijn einden, en zijn middelste wordt verbrand; zou het deugen tot een stuk werks?5Ziet, toen het geheel was, werd het tot geen stuk werks gemaakt; hoeveel te min als het vuur dat verteerd heeft, zodat het verbrand is, zal het dan nog tot een stuk werks gemaakt worden?6Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Gelijk als het hout des wijnstoks is onder het hout des wouds, hetwelk Ik aan het vuur overgeef, opdat het verteerd worde, alzo zal Ik de inwoners van Jeruzalem overgeven.7Want Ik zal Mijn aangezicht tegen hen zetten; als zij van het ene vuur uitgaan, zal het andere vuur hen verteren; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik Mijn aangezicht tegen hen gesteld zal hebben.8En Ik zal het land woest maken, omdat zij zwaarlijk overtreden hebben, spreekt de Heere HEERE.

God laat Zijn dienstknecht weten welke oordelen Hij bereid heeft liggen: het zwaard, de honger, boos gedierte en de pest (vers 21). En Hij zegt dat zelfs de aanwezigheid van drie mannen van grote betekenis, zoals Noach, Daniël en Job, niet voldoende zou zijn om het schuldige land te redden. De HEERE verbindt de namen van deze drie uitzonderlijke getuigen, die in heel verschillende tijdperken geleefd hebben (Daniël leefde nog in Babel), om eraan te herinneren dat de vreze Gods en de gerechtigheid ten allen tijd gepraktiseerd kunnen worden. Zelfs in zulke duistere tijden die aan de zondvloed vooraf gingen! En op zo'n handelen zal God met persoonlijke uitredding antwoorden (vergelijk Spreuken 11 vers 8). Dus niemand heeft het recht om verontschuldigingen aan te voeren voor zijn doen en laten. Niemand kan zich beroepen op de omgeving waarin hij leeft, of op de invloeden waaraan hij is blootgesteld.

In hoofdstuk 15 zien we het beeld van de wijnstok Israël (zie ook hoofdstuk 17 vers 6; 19 vers 10). Als er dan geen vrucht te vinden was, dan kan toch het hout nog wel gebruikt worden voor het een of het ander (vers 3)? Absoluut niet! Het is waardeloos en alleen nog goed genoeg om verbrand te worden. Wat een vreselijk lot voor de onvruchtbare ranken van de wijnstok Israël ... en de ranken die de Vader noodgedwongen van de ware Wijnstok zal moeten wegsnijden (Johannes 15 vers 1 en 2)!

Ezechiël 16:1-22
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:2Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend,3En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land der Kanaanieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische.4En aangaande uw geboorten: ten dage, als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windselen gewonden.5Geen oog had medelijden over u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart.6Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!7Ik heb u tot tien duizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, doch gij waart naakt en bloot.8Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere HEERE en gij werdt de Mijne.9Daarna wies Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.10Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde.11Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals.12Desgelijks deed Ik een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon der heerlijkheid op uw hoofd.13Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; gij at meelbloem, en honig, en olie, en gij waart gans zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werdt.14Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.15Maar gij hebt vertrouwd op uw schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uw naam; ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging; voor hem was zij.16En gij hebt van uw klederen genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; zulks is niet gekomen, en zal niet geschieden.17Daartoe hebt gij genomen de vaten uws sieraads van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd.18En gij hebt uw gestikte klederen genomen, en hebt ze bedekt; en gij hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld.19En Mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem en olie, en honig, waarmede Ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heere HEERE.20Verder hebt gij uw zonen en uw dochteren, die gij Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze denzelven geofferd om te verteren; is het wat kleins van uw hoererijen,21Dat gij Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als gij dezelve voor hen door het vuur hebt doen gaan?22Ook hebt gij bij al uw gruwelen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen uwer jonkheid, als gij naakt en bloot waart, als gij vertreden waart in uw bloed.

Dit aangrijpende hoofdstuk beschrijft het vreselijke gedrag van Jeruzalem tegenover de HEERE, aan Wie men alles te danken had. De onreine afkomst en de naaktheid van het kleine verachte kind dat na de geboorte op het veld geworpen en verlaten werd (wat bij sommige heidense volken vandaag ook nog gebeurt), brengen het medelijden naar voren van Hem Die, nadat Hij het kind in deze ellendige toestand heeft aangetroffen, het graag in leven wilde houden. Hij had later een verbond met het kind gesloten en kosten noch moeite gespaard om het gelukkig te maken. Deze Goddelijke zorg laat daarentegen de afschuwelijke ondankbaarheid van hen die zich overgaven aan de grootste afgodendienst en die de kostbare gaven van hun Weldoener misbruikten voor de bevrediging van hun eigen afschuwelijke hartstochten, des te duidelijker naar voren komen.

Deze verdrietige geschiedenis is inderdaad de geschiedenis van ieder mens. God heeft Zijn schepsel in de vreselijkste toestand van krachteloosheid en zedelijk verval gevonden (vergelijk Lukas 10 vers 30 - 35). Hij heeft er alles aan gedaan om de mens daaruit op te trekken en hem nieuw leven te geven. En hoe heeft de mens op al deze genade van God geantwoord (Lukas 8 vers 27 en 39)?

Beste vrienden, het is heel ernstig eraan te denken dat dit onbeschrijfelijke gedrag ook het onze is wanneer wij dat wat van de Heere is en tot Zijn verheerlijking zou moeten dienen, gebruiken voor onze eigen hartstochten. En dan maakt het niet uit of het daarbij gaat om materiële goederen of om onze lichamen (1 Korinthe 6 vers 19 en 20).

Ezechiël 16:44-63
44Zie, een ieder, die spreekwoorden gebruikt, zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zo de moeder is, is haar dochter.45Gij zijt de dochter uwer moeder, die de walg had van haar man en van haar kinderen; en gij zijt de zuster uwer zusteren, die de walg gehad hebben van haar mannen en van haar kinderen; uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet.46Uw grote zuster nu is Samaria, zij en haar dochteren, dewelke woont aan uw linkerhand; maar uw zuster, die kleiner is dan gij, die tegen uw rechterhand woont, is Sodom en haar dochteren.47Doch gij hebt in haar wegen niet gewandeld, noch naar haar gruwelen gedaan; het was wat gerings, een verdriet; maar gij hebt het meer verdorven dan zij, in al uw wegen.48Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, indien Sodom, uw zuster, zij met haar dochteren, gedaan heeft, gelijk gij gedaan hebt en uw dochteren!49Ziet, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom; hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochteren; maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet.50En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had.51Samaria ook heeft naar de helft uwer zonden niet gezondigd; en gij hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zusters gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die gij gedaan hebt.52Draag gij dan ook uw schande, gij, die voor uw zusteren geoordeeld hebt door uw zonden, die gij gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan gij; wees gij dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat gij uw zusters gerechtvaardigd hebt.53Als Ik haar gevangenen wederbrengen zal, namelijk de gevangenen van Sodom en haar dochteren, en de gevangenen van Samaria en haar dochteren, dan zal Ik wederbrengen de gevangenen uwer gevangenis in het midden van haar.54Opdat gij uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al hetgeen gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult.55Als uw zusters, Sodom en haar dochteren, zullen wederkeren tot haar vorigen staat, mitsgaders Samaria en haar dochteren zullen wederkeren tot haar vorigen staat, zult gij ook en uw dochteren wederkeren tot uw vorigen staat.56Ja, uw zuster Sodom is in uw mond niet gehoord geweest, ten dage uws groten hoogmoeds,57Aleer uw boosheid ontdekt was. Als de tijd was der versmading van de dochteren van Syrie, en van al degenen, die rondom datzelve waren, de dochteren der Filistijnen, die u verachten van rondom,58Hebt gij uw schandelijke daden en uw gruwelen gedragen, spreekt de HEERE.59Want alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal u ook doen, gelijk als gij gedaan hebt, die den eed veracht hebt, brekende het verbond.60Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen uwer jonkheid, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.61Dan zult gij uwer wegen gedenken en beschaamd zijn, als gij uw zusteren, die groter zijn dan gij, aannemen zult; want Ik zal u dezelve geven tot dochteren, maar niet uit uw verbond.62Want Ik zal Mijn verbond met u oprichten, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben;63Opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere HEERE.

De betrekking van Jeruzalem tot de HEERE maakte haar zonden des te erger. In dit opzicht stond Sodom, ja zelfs Samaria, dat voor de Joden het onderwerp van diepste verachting was, minder schuldig (vers 52; Johannes 4 vers 9).

Wij weten overigens dat satan hen die in verbinding met God staan, soms tot een diepere val kan brengen dan andere mensen, want door hen wil hij juist de heerlijkheid van de Heere verduisteren.

De toestand van de zonde die in vers 49 beschreven wordt, moet ons tot nadenken stemmen: "hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid" en als gevolg daarvan: onvermijdelijke zelfzucht. Dat was ook het uitgangspunt, van waaruit Sodom uiteindelijk tot zulke vreselijke zonden kwam en waarvan de totale vernietiging het gevolg was (2 Petrus 2 vers 6).

En desondanks... tegen alle verwachting in zien we in de verzen 60 - 63 dat dat niet het definitieve lot is dat het ondankbare Jeruzalem zal ondervinden! Haar ontrouw heeft niets kunnen veranderen aan de trouw van haar Goddelijke Bruidegom. Eens zal de schuldige stad het onderwerp zijn van een nog groter erbarmen dan zij aan het begin heeft ervaren. Ja, de laatste woorden van deze hoofdstukken, die vol staan met schanddaden en gruwelen, bewerken bij ons één en al verbazing: "Wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan heb, spreekt de Heere HEERE" (vers 63; Romeinen 11 vers 33).

Ezechiël 17:1-21
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:2Mensenkind, stel een raadsel voor, en gebruik een gelijkenis tot het huis Israels,3En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Een arend, die groot was, groot van vleugelen, lang van vlerken, vol van vederen, die verscheidene veren had, kwam op den Libanon, en nam den oppersten tak van een ceder.4Hij plukte den top van zijn jonge takjes af, en bracht hem in een land van koophandel; hij zette hem in een stad van kooplieden.5Hij nam ook van het zaad des lands, en legde het in een zaadakker; hij nam het, hij zette het bij vele wateren met grote voorzichtigheid.6En het sproot uit, en werd tot een welig uitlopende wijnstok, doch nederig van stam, ziende met zijn takken naar hem, dewijl zijn wortelen onder hem waren. Zo werd hij tot een wijnstok, die ranken voortbracht en scheuten uitwierp.7Nog was er een grote arend, groot van vleugelen en overvloedig van vederen; en ziet, deze wijnstok voegde zijn wortelen naar denzelven toe, en wierp zijn takken tot hem uit, opdat hij hem bevochtigen zou naar de bedden zijner planting toe.8Hij was in een goede landouwe bij vele wateren geplant, om takken te maken en vrucht te dragen, opdat hij tot een heerlijken wijnstok worden mocht.9Zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: Zal hij gedijen? Zal hij niet zijn wortelen uitrukken, en zijn vrucht afsnijden, dat hij droog worde? Hij zal aan al de bladeren van zijn gewas verdrogen; en dat niet door een groten arm, noch door veel volks, om dien van zijn wortelen weg te voeren.10Ja, ziet, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gans verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.11Daarna geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:12Zeg nu tot dat wederspannig huis: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? Zeg: Ziet, de koning van Babel is tot Jeruzalem gekomen, en heeft haar koning genomen, en haar vorsten, en heeft ze tot zich gevoerd naar Babel.13Daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen, en daarmede een verbond gemaakt, en heeft hem tot een eed gebracht, en de machtigen des lands heeft hij weggenomen;14Opdat het koninkrijk nederig zou zijn, zich niet verheffende, en dat het, zijn verbond houdende, bestaan mocht.15Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijn boden in Egypte, opdat men hem paarden en veel volks bestellen zou; zal hij gedijen? Zal hij ontkomen, die zulke dingen doet? Ja, zal hij het verbond breken en ontkomen?16Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo hij niet in de plaats des konings, die hem koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht, en wiens verbond hij gebroken heeft, bij hem in het midden van Babel zal sterven!17Ook zal Farao, door een groot heir en door menigte van krijgs vergadering, met hem in oorlog niets uitrichten als men een wal zal opwerpen, en als men sterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.18Want hij heeft den eed veracht, brekende het verbond, daar hij, ziet, zijn hand gegeven had; dewijl hij al deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.19Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik Mijn eed, dien hij veracht heeft, en Mijn verbond, dat hij gebroken heeft, datzelve niet op zijn hoofd geve!20En Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, dat hij gegrepen zal worden in Mijn jachtgaren; en Ik zal daar met hem rechten over zijn overtreding, waardoor hij tegen Mij overtreden heeft.21Daartoe zullen al zijn vluchtelingen met al zijn benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden; en gijlieden zult weten, dat Ik, de HEERE, gesproken heb.

De gelijkenis van de beide grote arenden en de wijnstok, die in de verzen 11 - 21 uitgelegd wordt, illustreert de gebeurtenissen die zich destijds hebben afgespeeld. De koning van Babel, de eerste grote arend, voert Jojachin, de zwakke scheut van de koninklijke ceder, weg en eigent zich de rechten over de wijnstok Juda toe. Hij benoemt Zedekia tot leider en laat hem zweren in de Naam van de HEERE. Maar de koning van Juda aarzelt niet om deze eed te verbreken. Als werktuig in de hand van de HEERE bestraft de koning van Babel daarom deze trouweloze vorst, die het verbond verbrak, en voert hem weg in gevangenschap.

Deze wandaad van Zedekia woog heel zwaar, omdat daardoor de Naam van de HEERE tegenover de heidense volken onteerd werd. Dat liet zien hoe weinig deze Naam in eer gehouden werd door hen die deze Naam in zich droegen (Exodus 23 vers 21).

Als u, als jij, verlost bent door de Heere Jezus, dan ben je ervoor verantwoordelijk om "de goede Naam, Die over u aangeroepen is" (Jakobus 2 vers 7) voor de wereld om je heen te eren. De mensen in onze omgeving houden ons veel meer in de gaten dan wij denken; zonder medelijden zullen ze alles waarin wij niet consequent handelen, onder elkaar breed uitmeten, omdat ze dat kunnen gebruiken om zichzelf te verontschuldigen! En hoe zouden wij hen naderhand tot de Heiland kunnen leiden, voor Wie wij zo weinig genegenheid getoond hebben?

Ezechiël 17:22-24; Ezechiël 18:1-9
22Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook van den oppersten tak des hogen ceders nemen, dat Ik zetten zal; van het opperste zijner jonge takjes zal Ik een tederen afplukken, denwelken Ik op een hogen en verhevenen berg planten zal;23Op den berg der hoogte van Israel zal Ik hem planten; en hij zal takken voortbrengen, en vrucht dragen, en hij zal tot een heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zal alle gevogelte van allerlei vleugel; in de schaduw zijner takken zullen zij wonen.24Zo zullen alle bomen des velds weten, dat Ik, de HEERE, den hogen boom vernederd heb, den nederigen boom verdroogd, en den drogen boom bloeiende gemaakt heb; Ik, de HEERE, heb het gesproken, en zal het doen.
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:2Wat is ulieden, dat gij dit spreekwoord gebruikt van het land Israels, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden?3Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo het ulieden meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israel te gebruiken!4Ziet, alle zielen zijn Mijne; gelijk de ziel des vaders, alzo ook de ziel des zoons, zijn Mijne; de ziel, die zondigt, die zal sterven.5Wanneer nu iemand rechtvaardig is, en doet recht en gerechtigheid;6Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis Israels; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert;7En niemand verdrukt, den schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, den hongerige zijn brood geeft, en den naakte met kleding bedekt;8Niet geeft op woeker, noch overwinst neemt, zijn hand van onrecht afkeert, waarachtig recht tussen den een en den anderen oefent;9In Mijn inzettingen wandelt, en Mijn rechten onderhoudt, om trouwelijk te handelen; die rechtvaardige zal gewisselijk leven, spreekt de Heere HEERE.

Het raadsel van hoofdstuk 17 wordt op Goddelijk wijze opgelost. God spreekt over de scheut die Hij nu Zelf — en niet meer de grote arend — van dezelfde Goddelijke ceder van David af zal nemen en als een krachtige boom, vol vruchten, op een hoge en verheven berg zal planten. We begrijpen dat het hierbij gaat om de Heere Jezus en Zijn toekomstig rijk (vergelijk Jesaja 11 vers 1 en Psalm 2 vers

In hoofdstuk 18 zien we een uiteenzetting tussen de HEERE en de mannen van Israël. In plaats van zich te verootmoedigen, als ze zien dat de tuchtigingen in vervulling gaan, proberen ze zich door een zelfbedacht spreekwoord te rechtvaardigen (vers 2). "De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden". Met andere woorden: onze generatie moet betalen voor de voorgaande; onze vaders hebben gezondigd en wij moeten nu de gevolgen daarvan dragen (zie Jeremia 31 vers 29 en 30). Dus ze beschuldigen God van onrechtvaardigheid! Maar dit hoofdstuk veegt al hun valse bezwaren onder tafel; zij oogsten wat ze zelf gezaaid hebben (Galaten 6 vers

Herkennen we bij deze mannen niet een verdrietige neiging van ons eigen hart? Ook wij proberen immers vaak de schuld voor onze eigen misstappen op de ander te schuiven. Dat verraadt onze blindheid en hoogmoed en die houding verhindert ons ook om de heilzame lessen van de Heere te leren (zie Genesis 3 vers 12 en Romeinen 2 vers 1).

Ezechiël 18:19-32
19Maar gijlieden zegt: Waarom draagt de zoon niet de ongerechtigheid des vaders? Immers zal de zoon, die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhouden, en die gedaan heeft, gewisselijk leven.20De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.21Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.22Al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, zullen hem niet gedacht worden; in zijn gerechtigheid, die hij gedaan heeft, zal hij leven.23Zou Ik enigzins lust hebben aan den dood des goddelozen, spreekt de Heere HEERE; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve?24Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, doende naar al de gruwelen, die de goddeloze doet, zou die leven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, zullen niet gedacht worden; in zijn overtreding, waardoor hij overtreden heeft, en in zijn zonde, die hij gezondigd heeft, in die zal hij sterven.25Nog zegt gijlieden: De weg des HEEREN is niet recht; hoort nu, o huis Israels! is Mijn weg niet recht? Zijn niet uw wegen onrecht?26Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid, en onrecht doet, en sterft in dezelve, hij zal in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, sterven.27Maar als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en doet recht en gerechtigheid, die zal zijn ziel in het leven behouden;28Dewijl hij toeziet, en zich bekeert van al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.29Evenwel zegt het huis Israels: De weg des Heeren is niet recht. Zouden Mijn wegen, o huis Israels, niet recht zijn? Zijn niet uw wegen onrecht?30Daarom zal Ik u richten, o huis Israels! een ieder naar zijn wegen, spreekt de Heere HEERE, keert weder, en bekeert u van al uw overtredingen, zo zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden.31Werpt van u weg al uw overtredingen, waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw hart en een nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?32Want Ik heb geen lust aan den dood des stervenden, spreekt de Heere HEERE; daarom bekeert u en leeft.

Dit hele hoofdstuk onderstreept de persoonlijke verantwoordelijkheid van elke ziel (van ieder mens) ten opzichte van God. En we herhalen het nog een keer: niemand wordt gered door de Godvrezendheid van zijn ouders of grootouders, en dat gebeurt evenmin door het (trouw) bezoeken van de samenkomsten van de kinderen van God. "De ziel, die zondigt, die zal sterven" (vers 20). "Want de bezoldiging van de zonde is de dood" (hoewel er hier in Ezechiël slechts sprake is van een lichamelijke dood), "maar de genadegift van God is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere" (Romeinen 6 vers 23).

God werd door dit blinde en schuldige volk beschuldigd van onrechtvaardigheid (zoals veel ongelovigen vandaag nog doen), en daarin gingen ze zelfs zover dat ze zeiden: "De weg des Heeren is niet recht" (vers 25 en 29; hoofdstuk 33 vers 17 en 20).

Dan ziet God Zich als het ware gedwongen om te vragen: 'Heb Ik lust in de dood van de wetteloze?' Wat een vraag! In Zijn oneindige liefde wil God, onze Zaligmaker, "dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen" (1 Timotheüs 2 vers 4; 2 Petrus 3 vers 9). Daarom zijn de laatste woorden van dit hoofdstuk nog een keer een oproep van Zijn genade aan Zijn volk... en misschien ook aan jou: "Bekeert u en leeft!"

Ezechiël 19:1-14
1Verder, hef gij een weeklage op over de vorsten van Israel,2En zeg: Wat was uw moeder? Een leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht haar welpen op in het midden der jonge leeuwen.3Zij toog nu een van haar welpen op; het werd een jonge leeuw, die leerde roof te roven, hij at mensen op.4Dit hoorden de volken van hem, hij werd gegrepen in hun groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland.5Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, doch haar verwachting verloren was, zo nam zij een ander van haar welpen, hetwelk zij tot een jongen leeuw stelde.6Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd een jonge leeuw, en leerde roof te roven, hij at mensen op.7Hij bekende zijn weduwen, en hij verwoestte hun steden; zodat het land en zijn volheid ontzet werd van de stem zijner brulling.8Toen begaven zich de volken tegen hem rondom uit de landschappen, en zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen.9En zij stelden hem in gesloten bewaring met haken, opdat zij hem brachten tot den koning van Babel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijn stem niet meer gehoord wierde op de bergen Israels.10Uw moeder was als een wijnstok in uw stilheid, geplant bij wateren; hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren.11En hij had sterke roeden tot scepteren der heersers, en de stam van elke roede werd hoog tussen de dichte takken; en hij werd gezien door zijn hoogte, met de menigte zijner takken.12Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt, en ter aarde geworpen, en de oostenwind heeft zijn vrucht verdroogd; zijn sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd; het vuur heeft ze verteerd.13En nu is hij geplant in een woestijn, in een dor en dorstig land.14Daartoe is een vuur uitgegaan uit een roede zijner ranken, dat zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke roede is tot een scepter, om te heersen. Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden.

Net als de gelijkenis van de twee grote arenden in hoofdstuk 17 laat het beeld van de leeuwin en haar jongen de gebeurtenis van de laatste koningen van Juda en haar tragische geschiedenis zien. De zonen van de trouwe Josia, Joahaz en Jojakim, bevestigen beiden wat de HEERE in het voorgaande hoofdstuk gezegd had. Deze slechte vorsten droegen de straf voor hun eigen zonden en de gerechtigheid van hun vader had geen macht om het te bevrijden (zie hoofdstuk 18 vers 5 en verder en 10 - 13).

Opnieuw wordt er gesproken over de gevangenschap van de laatste koning van Juda en over de vernietiging door vuur van de wijnstok Israël. Misschien vragen sommigen zich af, waarom deze gebeurtenissen toch zo'n grote plaats innemen in het Boek van God, terwijl ze in de gewone geschiedenisboeken nauwelijks genoemd worden. Maar in de ogen van God gaat het om een groot keerpunt in de geschiedenis van de mensheid. De zetel van Zijn regering verliet Israël voor meerdere eeuwen. Jeruzalem was niet langer de plaats waar de HEERE Zijn woning hier op aarde had.

De tijd (bedeling) van de volken begon, die tot op heden nog voortduurt en pas zal eindigen met de oprichting van het rijk van Christus en het herstel van Israël.

Ezechiël 20:1-14
1En het geschiedde in het zevende jaar, in de vijfde maand, op den tienden derzelver maand, dat er mannen uit de oudsten van Israel kwamen, om den HEERE te vragen; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.2Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:3Mensenkind, spreek tot de oudsten van Israel, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Komt gij, om Mij te vragen? Zo waarachtig als Ik leef, zo Ik van u gevraagd worde, spreekt de Heere HEERE.4Zoudt gij hun recht geven, zoudt gij hun recht geven, o mensenkind? Maak hun de gruwelen hunner vaderen bekend;5En zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage als Ik Israel verkoos, zo hief Ik Mijn hand op tot het zaad van het huis Jakobs, en maakte Mijzelven hun in Egypteland bekend; ja, Ik hief Mijn hand tot hen op, zeggende: Ik ben de HEERE, uw God.6Ten zelven dage hief Ik Mijn hand tot hen op, dat Ik hen uit Egypteland uitvoeren zou, in een land, dat Ik voor hen uitgespeurd had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen.7En Ik zeide tot hen: Een ieder werpe de verfoeiselen zijner ogen weg; en verontreinigt ulieden niet met de drekgoden van Egypte; Ik, de HEERE, ben uw God.8Maar zij waren wederspannig tegen Mij, en wilden naar Mij niet horen; niemand wierp de verfoeiselen zijner ogen weg, noch verliet de drekgoden van Egypte; daarom zeide Ik, dat Ik Mijn grimmigheid over hen uitgieten zou, om Mijn toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland.9Doch Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat hij niet ontheiligd wierde voor de ogen der heidenen, in welker midden zij waren; aan welke Ik Mij, voor derzelver ogen, bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren.10En Ik voerde hen uit Egypteland, en bracht hen in de woestijn.11Daar gaf Ik hun Mijn inzettingen, en maakte hun Mijn rechten bekend, dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven.12Daartoe ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en tussen hen, opdat zij zouden weten, dat Ik de HEERE ben, Die hen heilige.13Maar het huis Israels werd wederspannig tegen Mij in de woestijn; zij wandelden in Mijn inzettingen niet, en verwierpen Mijn rechten; dewelke, zo ze een mens doet, zal hij door dezelve leven; en zij ontheiligden Mijn sabbatten zeer, dat Ik zeide, Mijn grimmigheid te zullen uitgieten over hen in de woestijn, om hen te verdoen.14Maar Ik deed het om Mijns Naams wil, opdat die niet ontheiligd werd voor de ogen van die heidenen, voor welker ogen Ik hen uitvoerde.

De oudsten, die, zoals het lijkt, niets geleerd hebben van hun eerste bezoek (hoofdstuk 14), komen opnieuw bij Ezechiël. Door Zijn dienstknecht laat God hun de lijst met de gruwelen die in Israël bedreven zijn, voorlezen, en nu niet meer in symbolische taal — een lijst die zo oud is als de geschiedenis van dit volk.

In Egypte waren ze al in opstand gekomen en hadden ze geweigerd hun afgoden weg te doen. Ze hadden niet willen luisteren naar Hem, Die Zich openbaarde (vers 8). Opdat er toch wel naar Hem geluisterd zou worden, had de HEERE Zijn volk in de woestijn geleid. Niets maakt meer indruk dan de stilte van de woestijn. Daarom is dat zo'n gunstige plaats om naar God te (leren) luisteren. Daar wordt men niet door allerlei geluiden afgeleid. Daar in de Sinaï werden aan Israël de inzettingen en de rechten van de HEERE meegedeeld (vers 10 en 11). Later predikte Johannes in de woestijn dat men berouw moest hebben en kondigde hij de komst van de Messias aan (Johannes 1 vers 23). En ten slotte zal het volk, voor de verschijning van de Heere, nogmaals in de woestijn geleid worden, opdat God daar tot hun harten kan spreken (Hosea 2 vers 13). Mozes, Paulus en vele andere dienstknechten werden gedurende lange tijd in de woestijn toebereid op hun dienst (Exodus 3; Galaten 1 vers 17 en 18).

Beste vrienden, laten wij daarom niet in opstand komen wanneer wij door de Heere in die noodzakelijke stilte geleid worden. Op welke wijze dat ook mag gebeuren (gedwongen eenzaamheid, langdurige ziekte, enzovoort), laten we er dan altijd aan denken dat het de Heere Zelf is Die die plaats voor ons bepaald heeft.

Ezechiël 20:30-44
30Daarom zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Zijt gij verontreinigd geworden in den weg uwer vaderen, en hoereert gij achter hun verfoeiselen?31Ja, met het offeren uwer gaven, met uw kinderen door het vuur te doen doorgaan, zijt gij verontreinigd aan al uw drekgoden tot op dezen dag toe; en zou Ik van u gevraagd worden, o huis Israels? Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik van u gevraagd worde!32Daarom, dat in uw geest opgeklommen is, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen.33Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Zo Ik niet met een sterke hand, en uitgestrekten arm, en met een uitgegoten grimmigheid over u zal regeren!34Want Ik zal u uit de volken voeren, en u vergaderen uit de landen, waarin gij verstrooid zijt, door een sterke hand, en door een uitgestrekten arm, en door een uitgegoten grimmigheid.35Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn der volken, en Ik zal met u aldaar rechten, aangezicht aan aangezicht;36Gelijk als Ik gerecht heb met uw vaderen in de woestijn van Egypteland, alzo zal Ik met u rechten, spreekt de Heere HEERE.37En Ik zal ulieden onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder den band des verbonds.38Daartoe zal Ik, die rebel zijn, en die tegen Mij overtreden, uit ulieden uitzuiveren; Ik zal hen uit het land hunner vreemdelingschappen uitvoeren, en zij zullen in het landschap Israels niet weder komen, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.39En gijlieden, o huis Israels, alzo zegt de Heere HEERE: Gaat henen, dient een ieder zijn drekgoden, ook hierna, dewijl gijlieden naar Mij niet hoort; doch ontheiligt niet meer Mijn heiligen Naam, met uw giften en met uw drekgoden.40Want op Mijn heiligen berg, op den hogen berg Israels, spreekt de Heere HEERE, daar zal Mij het ganse huis Israels in het land dienen, zij allen; daar zal Ik welgevallen aan hen nemen, en daar zal Ik uw hefofferen eisen, en de eerstelingen uwer heffingen met al uw geheiligde dingen.41Ik zal een welgevallen aan ulieden nemen om den liefelijken reuk, wanneer Ik u van de volken uitvoeren, en u vergaderen zal uit de landen, in dewelke gij zult verstrooid zijn, en Ik zal in u geheiligd worden voor de ogen der heidenen.42En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik u in het landschap Israels gebracht zal hebben, in het land, waarover Ik Mijn hand opgeheven heb, om hetzelve uw vaderen te geven.43Daar zult gij dan gedenken aan uw wegen, en aan al uw handelingen waarmede gij u verontreinigd hebt, en gij zult van u zelven een walging hebben over al uw boosheden, die gij gedaan hebt.44Zo zult gij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik met u gedaan zal hebben, om Mijns Naams wil, niet naar uw boze wegen, noch naar uw verdorven handelingen, o huis Israels, spreekt de Heere HEERE.

God leidt de Zijnen niet alleen in de woestijn om tegen hen te spreken, maar doet dat ook wanneer Hij hen wil tuchtigen. En we begrijpen best waarom. Evenmin als ouders hun kinderen in het bijzijn van vreemden zullen bestraffen, maar hen even apart nemen, zo is ook de tuchtiging een zaak tussen God en Zijn verlosten. Het gaat om iets waar de wereld niets mee te maken heeft. Maar ach! Hoe vaak zijn we niet bang om alleen te zijn met de Heere. Dat komt doordat we een slecht geweten hebben en dan proberen we Hem te ontlopen door helemaal op te gaan in onze dagelijkse bezigheden. Toch is het beslist noodzakelijk dat de gelovigen 'gereinigd' worden. God kan geen compromissen, noch bepaalde vermengingen bij hen verdragen. En wat betreft hen die weigeren naar Hem te luisteren, het zij zo, laat hen dan maar hun afgoden dienen (vers 39; vergelijk Hosea 4 vers 17 en Openbaring 22 vers 11), maar ze moeten niet doen alsof ze Hem ook dienen.

We weten dat het hele geslacht van de krijgslieden van Israël in de woestijn gevallen is en dat alleen het geslacht van de kleine kinderen in het land Kanaän is ingegaan (Deuteronomium 2 vers 14). Wanneer het ogenblik zal zijn aangebroken dat de tien stammen, die nu nog in "de woestijn van de volkeren" (vers 35) verstrooid zijn, bijeen verzameld worden, dan zal God opnieuw de opstandelingen treffen, want niemand van hen mag in Zijn land komen. Pas daarna zal Hij de offergaven van Zijn volk kunnen aannemen en er een welgevallen in hebben (vers 40 en 41; Maleachi 3 vers 4).

Ezechiël 20:45-49; Ezechiël 21:18-32
45Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:46Mensenkind, zet uw aangezicht naar den weg van het zuiden, en drup tegen het zuiden; en profeteer tegen het woud van het veld in het zuiden.47En zeg tot het zuiderwoud: Hoor des HEEREN woord: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal een vuur in u aansteken, hetwelk in u allen groenen boom en allen dorren boom verteren zal; de vlammende vlam zal niet uitgeblust worden, maar daardoor zullen verbrand worden alle aangezichten van het zuiden tot het noorden toe.48En alle vlees zal zien, dat Ik, de HEERE, dat aangestoken heb; het zal niet uitgeblust worden.49En ik zeide: Ach, Heere HEERE, zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van gelijkenissen?
18Wederom geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:19Gij nu, mensenkind, stel u twee wegen voor, waardoor het zwaard des konings van Babel komt; uit een land zullen zij beide voortkomen; en kies een zijde, kies ze aan het hoofd van den weg der stad.20Gij zult een weg voorstellen, waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba der kinderen Ammons, of tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem.21Want de koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijn pijlen slijpen; hij zal de terafim vragen, hij zal de lever bezien.22De waarzegging zal aan zijn rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdmannen te stellen, om den mond te openen in het doodslaan, om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, om bolwerken te bouwen.23Dit zal hun in hun ogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eden beedigd zijn onder hen; maar hij zal der ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden.24Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gijlieden uwer ongerechtigheid doet gedenken, doordien uw overtredingen ontdekt worden, zodat uw zonden gezien worden in al uw handelingen; omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de hand gegrepen worden.25En gij, o onheilig, goddeloos vorst van Israel, wiens dag komen zal, ten tijde der uiterste ongerechtigheid;26Alzo zegt de Heere HEERE: Doe dien hoed weg, en hef dien kroon af, deze zal dezelfde niet wezen; Ik zal verhogen dien, die nederig is, en vernederen dien, die hoog is.27Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja, zij zal niet zijn, totdat hij kome, die daartoe recht heeft, en dien Ik dat geven zal.28En gij, mensenkind, profeteer en zeg: Alzo zegt de Heere HEERE, van de kinderen Ammons, en van hun smading; zo zeg: Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren;29Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid.30Keer uw zwaard weder in zijn schede! In de plaats, waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal Ik u richten.31En Ik zal over u Mijn gramschap uitgieten, Ik zal tegen u door het vuur Mijner verbolgenheid blazen; en Ik zal u overgeven in de hand van brandende mensen, smeders des verderfs.32Het vuur zult gij tot spijze zijn, uw bloed zal zijn in het midden des lands; uwer zal niet gedacht worden; want Ik, de HEERE, heb het gesproken.

"Is hij niet een verdichter van gelijkenissen?", zei men, met een zekere verachting, van Ezechiël. Zijn uitspraken leken voor het volk alleen maar moeilijk te begrijpen omdat men ze niet wilde begrijpen. Op dezelfde wijze beroepen de ongelovigen zich vandaag de dag ook nog op de moeilijkheden in het Woord van God. Dat gebruiken ze als een uitvlucht om zich niet aan dat Woord te onderwerpen.

In dit vreselijke hoofdstuk wordt het zwaard, het eerste van de vier vernietigende oordelen (zie hoofdstuk 14 vers 21), uit de schede getrokken, om de straf te voltrekken. De HEERE maakt gebruik van de koning van Babel om het zwaard te hanteren. We zien hem "aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen" om zijn goden te raadplegen (vers 21).

Zal hij zijn aanval beginnen bij Jeruzalem of bij "Rabba der kinderen Ammons"? In de ogen van het volk van Juda is deze waarzegging vals en waardeloos (vers 23). En dat was zeker het geval! Maar de HEERE, Die boven alles staat, heeft tot de val van Jeruzalem (vers 27) en het eind van het koningschap besloten. De kroon zal van de onheilige en goddeloze vorst van Israël (vers 25) afgenomen worden (de onheilige is hij die de zegeningen van God met voeten treedt; vergelijk hoofdstuk 22 vers 26 en in Hebreeën 12 vers 16, het voorbeeld van Ezau).

Voortaan zal er geen nakomeling van David meer op de troon zitten, "totdat Hij komt, Die daartoe recht heeft", dat is Christus (vers 27).

Ezechiël 22:1-7, 23-31
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:2Gij nu, mensenkind, zoudt gij der bloedstad recht geven? Zoudt gij ze recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen.3En zeg: Alzo zegt de Heere HEERE: O stad, die in haar midden bloed vergiet, opdat haar tijd kome, en drekgoden tegen zichzelve maakt, om zich te verontreinigen!4Door uw bloed, dat gij vergoten hebt, zijt gij schuldig geworden, en met uw drekgoden, die gij gemaakt hebt, hebt gij u verontreinigd, en hebt uw dagen doen naderen, en zijt tot uw jaren gekomen; daarom heb Ik u den heidenen overgegeven tot een smaad, en allen landen tot een spot.5Die nabij en verre van u zijn, zullen u bespotten, gij onreine van naam en vol van onrust!6Ziet, de vorsten Israels zijn in u geweest, een ieder naar zijn kracht, om bloed te vergieten.7Vader en moeder hebben zij in u licht geacht; met den vreemdeling hebben zij in het midden van u door verdrukking gehandeld; zij hebben in u den wees en de weduwe verdrukt.
23Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:24Mensenkind, zeg tot haar; Gij zijt een land, dat niet gereinigd is, dat zijn plasregen niet heeft gehad ten dage der gramschap.25De verbintenis harer profeten is in het midden van haar als een brullende leeuw, die een roof rooft; zij eten de zielen op, den schat en het kostelijke nemen zij weg; haar weduwen vermenigvuldigen zij in het midden van haar.26Haar priesters doen Mijn wet geweld aan, en zij ontheiligen Mijn heilige dingen; tussen het heilige en het onheilige maken zij geen onderscheid, en het verschil tussen het onreine en reine geven zij niet te kennen; daartoe verbergen zij hun ogen van Mijn sabbatten; ja, Ik word in het midden van hen ontheiligd.27Haar vorsten zijn in het midden van haar als wolven, die een roof roven, om bloed te vergieten, en om zielen te verderven; opdat zij gierigheid zouden plegen.28Haar profeten nu pleisteren hen met loze kalk; ziende ijdelheid en hun leugen voorzeggende, zeggende: Alzo zegt de Heere HEERE! en de HEERE heeft niet gesproken.29Het volk des lands pleegt enkel verdrukking, en bedrijft enkel roverij, ook onderdrukken zij den ellendige en nooddruftige, en den vreemdeling verdrukken zij zonder recht.30Ik zocht nu een man uit hen, die den muur mocht toemuren, en voor Mijn aangezicht in de bresse staan voor het land, opdat Ik het niet mocht verderven; maar Ik vond niemand.31Daarom heb Ik Mijn gramschap over hen uitgegoten; door het vuur Mijner verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun weg heb Ik op hun hoofd gegeven, spreekt de Heere HEERE.

Jeruzalem wordt hier "de bloedstad" genoemd (vers 2). Alle lagen van de bevolking, elke rang en stand, stonden schuldig. De vorsten hadden als wolven het bloed vergoten, op alle mogelijke manieren de wet overtreden en de zielen verdelgd (vers 6 en 27). De valse profeten hadden geplunderd, de kostbaarheden weggenomen en de zielen verslonden (vers 25 en 27). En ten slotte had het volk zich schuldig gemaakt aan afpersing en roof en verdrukte het de "ellendige en nooddruftige" (vers 29). De HEERE had tevergeefs uitgezien naar een man "die de muur mocht optrekken" en die, zoals Mozes, voor Hem "in de scheur voor Zijn aangezicht gestaan had" ten behoeve van het land (vers 30; Psalm 106 vers 23)!

Deze tweevoudige taak komt overeen met de opdrachten voor de christen: waken en bidden. Waken om het binnendringen van het kwaad en de wereld, in de Gemeente en in onze harten, te verhinderen. En in het gebed opkomen voor het getuigenis van de Heere.

De grote waarde die God aan de afzondering van de Zijnen hecht, wordt door hoofdstuk 23 nog een keer onderstreept. In het beeld van de vreselijke daden van Ohola (Samaria of de tien stammen) en Oholiba (Jeruzalem en Juda), spreekt God tot ons over de strafwaardige verbindingen van Israël met de buurlanden: Egypte, Assyrië en Babel, en van Zijn tuchtiging, waarvoor Hij deze landen gebruikte. Wanneer een christen verbindingen heeft aangeknoopt met de wereld, moet hij ook vaak door middel van hun hand de straf ondergaan.

Ezechiël 24:1-27
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, in het negende jaar, in de tiende maand, op den tienden der maand, zeggende:2Mensenkind! schrijf u den naam van den dag op, even van dezen zelfden dag; de koning van Babel legt zich voor Jeruzalem, even op dezen zelfden dag.3En gebruik een gelijkenis tot dat wederspannig huis, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Zet een pot toe, zet hem toe, en giet ook water daarin.4Doe zijn stukken te zamen daarin, alle goede stukken, de dij en den schouder, vul hem met de keur der beenderen.5Neem de keur van de kudde, en stook ook een brandstapel van de beenderen daaronder; doe hem wel opzieden; ook zullen zijn beenderen daarin gekookt worden.6Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Wee der bloedstad, den pot, welks schuim in hem is, en van welken zijn schuim en niet is uitgegaan! trek stuk bij stuk daaruit, en laat het lot over hem niet vallen.7Want haar bloed is in het midden van haar; op een gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om hetzelve met stof te bedekken.8Opdat Ik de grimmigheid doe opgaan om wraak te oefenen, heb Ik ook haar bloed op een gladde steenrots gelegd, opdat het niet bedekt worde.9Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Wee der bloedstad! Ik zal ook den brandstapel groot maken!10Draag veel houts toe, steek het vuur aan, verteer het vlees, en kruid het met specerijen, en laat de beenderen verbranden.11Stel hem daarna ledig op zijn kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijn onreinigheid in het midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd worde.12Met ijdelheden heeft zij Mij moede gemaakt; nog is haar overvloedig schuim van haar niet uitgegaan; haar schuim moet in het vuur.13In uw onreinigheid is schandelijkheid, omdat Ik u gereinigd heb, en gij niet gereinigd zijt, zo zult gij van uw onreinigheid niet meer gereinigd worden, totdat Ik Mijn grimmigheid op u zal hebben doen rusten.14Ik, de HEERE, heb het gesproken; het zal komen, en Ik zal het doen; Ik zal er niet van wijken, en Ik zal niet verschonen noch berouw hebben; naar uw wegen en naar uw handelingen zullen zij u richten, spreekt de Heere HEERE.15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:16Mensenkind! zie, Ik zal den lust uwer ogen van u wegnemen door een plage; nochtans zult gij niet rouwklagen, noch wenen, en uw tranen zullen niet voortkomen.17Houd stil van kermen, gij zult geen dodenrouw maken, bind uw hoed op u, en doe uw schoenen aan uw voeten; en de bovenste lip zult gij niet bewinden, en zult der lieden brood niet eten.18Dit sprak ik tot het volk in den morgenstond, en mijn huisvrouw stierf in den avond; en ik deed in den morgenstond, gelijk mij geboden was.19En het volk zeide tot mij: Zult gij ons niet te kennen geven, wat ons deze dingen zijn, dat gij aldus doet?20En ik zeide tot hen: Het woord des HEEREN is tot mij geschied, zeggende:21Zeg tot het huis Israels: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal Mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid uwer sterkte, de begeerte uwer ogen, en de verschoning uwer ziel; en uw zonen en uw dochteren, die gij verlaten hebt, zullen door het zwaard vallen.22Dan zult gijlieden doen, gelijk als ik gedaan heb; de bovenste lip zult gij niet bewinden, en der lieden brood zult gij niet eten.23En uw hoeden zullen op uw hoofden zijn, en uw schoenen aan uw voeten; gij zult niet rouwklagen, noch wenen, maar gij zult in uw ongerechtigheden versmachten, en een iegelijk tegen zijn broeder zuchten.24Alzo zal ulieden Ezechiel tot een wonderteken zijn; naar alles, wat hij gedaan heeft, zult gij doen; als dit komt, dan zult gij weten, dat Ik de Heere HEERE ben.25En gij, mensenkind! zal het niet zijn, ten dage, als Ik van hen zal wegnemen hun sterkte, de vreugde huns sieraads, den lust hunner ogen en het verlangen hunner zielen, hun zonen en hun dochteren;26Dat ten zelfden dage een ontkomene tot u zal komen, om uw oren dat te doen horen?27Ten zelven dage zal uw mond bij dien, die ontkomen is, opengedaan worden, en gij zult spreken, en niet meer stom zijn; alzo zult gij hun tot een wonderteken zijn, en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.

Hier begint een nieuw gedeelte in de profetie, gedateerd op de dag waarop de laatste belegering van Jeruzalem begint (vergelijk 2 Koningen 25 vers 1). Opnieuw maakt God een vergelijking met een pot (hoofdstuk 11 vers 3). Hij verkondigt dat niet alleen de inhoud (de bewoners van de stad) zal verbranden, maar dat ook de pot zelf (Jeruzalem, met zijn hardnekkige roest) in het ontstoken vuur zal smelten.

Het vreselijke einde van de stad is ons bekend (2 Kronieken 36 vers 19). Maar ook voor Ezechiël zelf brengt diezelfde dag lijden en verdriet met zich mee: zijn vrouw wordt hem plotseling ontnomen. Door zijn eigen omstandigheden laat de profeet aan het volk weten welk leed hun zal overkomen wanneer de HEERE hun het dierbaarste zal ontnemen: hun hoofdstad en hun heiligdom.

Hier zien we in waarheid dat een dienstknecht van God aan de beproevingen van hen onder wie hij leeft, moet deelhebben. Wat heeft deze man Gods een leed ondervonden! En we zien hoe hij zich aan alles wat de God van Israël van verlangt, onderwerpt, om een "wonderteken" voor zijn volk te zijn (vers 27) .

Geve de Heere, dat wij bruikbare werktuigen voor Hem zijn en dat wij gehoorzame discipelen zijn, ook al verlangt Hij misschien niet van ons dat wij zulke grote offers brengen!

Ezechiël 25:1-1 7
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

Net als in andere profetieën volgen ook hier, op de aankondiging van de oordelen over Israël, voorzeggingen met betrekking tot de volken (zie Jesaja 13 - 23; Jeremia 46 -51).

Hoofdstuk 21 heeft ons al van de koning van Babel laten zien, hoe hij aarzelde om "Rabba der kinderen Ammons" eerder aan te vallen dan Jeruzalem. En bij die gelegenheid kondigen de verzen 28 - 32 van datzelfde hoofdstuk het oordeel over deze nakomelingen van Lot aan, die voortdurend de vijanden van Israël waren. De kinderen van Ammon waren destijds gespaard gebleven, maar in plaats dat zij daaruit iets leerden, toonden ze een boosaardig leedvermaak over het ongeluk dat het heiligdom, het verachte land Israël en het koninkrijk van Juda trof (vers 3 en 6). Men had gespot met Israël en het ongeluk dat haar overkwam (Spreuken 17 vers 5), maar over de HEERE wordt in Spreuken 3 vers 34 ook gezegd: "Zeker, de spotters zal Hij bespotten". En in het Nieuwe Testament wordt deze tekst aangehaald: "God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade" (Jakobus 4 vers 6; 1 Petrus 5 vers 5). Ja, hoogmoed was het kenmerk van Ammon en zijn broeder Moab (Zefanja 2 vers 8; Jesaja 16 vers 6). Maar de HEERE zal hen vernederen en hun land aan de plunderende nomaden ten eigendom geven (vers 4 en 10).

De Edomieten en de Filistijnen hebben zich ook schuldig gemaakt ten opzichte van Israël. Beide volken hebben van de ondergang van Israël gebruik gemaakt om zich te wreken vanwege oude zaken (vers 12 en 15). Maar zij kregen zelf met de wraak van de HEERE te maken.

Ezechiël 26:1-6; Ezechiël 27:1-11
1En het gebeurde in het elfde jaar, op den eersten der maand, dat des HEEREN woord tot mij geschiedde, zeggende:2Mensenkind! daarom dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Heah! zij is verbroken, de poort der volken; zij is tot mij omgewend; ik zal vervuld worden, zij is verwoest!3Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan u, o Tyrus! en Ik zal vele heidenen tegen u doen opkomen, alsof Ik de zee met haar golven deed opkomen.4Die zullen de muren van Tyrus verderven, en haar torens afbreken; ja, Ik zal haar stof van haar wegvagen, en zal haar tot een gladde steenrots maken.5Zij zal in het midden der zee zijn tot uitspreiding van netten; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE; en zij zal den heidenen ten roof worden.6En haar dochteren, die in het veld zijn, zullen met het zwaard gedood worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:2Gij dan, mensenkind! hef een klaaglied op over Tyrus;3En zeg tot Tyrus, die daar woont aan de ingangen der zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zo zegt de Heere HEERE: O Tyrus! gij zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid.4Uw landpalen zijn in het hart der zeeen; uw bouwers hebben uw schoonheid volkomen gemaakt.5Zij hebben al uw denningen uit dennebomen van Senir gebouwd; zij hebben cederen van den Libanon gehaald, om masten voor u te maken.6Zij hebben uw riemen uit eiken van Basan gemaakt; uw berderen hebben zij gemaakt uw welbetreden elpenbeen, uit de eilanden der Chittieten.7Fijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een zeil ware; hemelsblauw en purper, uit de eilanden van Elisa, was uw deksel.8De inwoners van Sidon en Arvad waren uw roeiers; uw wijzen, o Tyrus! die in u waren, die waren uw schippers.9De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u, verbeterende uw breuken; alle schepen der zee en haar zeelieden waren in u, om onderlingen handel met u te drijven.10Perzen, en Lydiers, en Puteers waren in uw heir, uw krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad.11De kinderen van Arvad en uw heir waren rondom op uw muren, en de Gammadieten waren op uw torens; hun schilden hingen zij rondom aan uw muren; die maakten uw schoonheid volkomen.

De hoofdstukken 26 - 28 zijn gewijd aan Tyrus, een welvarende Fenicische stad en de heerseres over de zeeën en hét handelscentrum van de oudheid. Zoals een handelaar zichzelf feliciteert met het verdwijnen van de naburige concurrent, zo verheugde Tyrus zich ook over het ongeluk dat Jeruzalem trof. Maar juist deze gevaarlijke blijdschap vormde de aanleiding tot haar eigen ondergang.

Hoofdstuk 27 geeft een opsomming van haar klandizie en leveranciers en vormt een lange lijst van goederen waarin destijds gehandeld werd. Tyrus is een beeld van de wereld en haar rijkdommen. De mensen hebben altijd gemeend dat een hogere levensstandaard hét middel was om de mensheid uit al haar moeite en ellende te bevrijden. En nog steeds wordt alles op alles gezet om aan deze materiële welvaart te werken. Alle pogingen van de mens zijn erop gericht om de wereld mooier en het leven aangenamer te maken.

Al dit streven naar vooruitgang — wat zeer zeker niet tot doel heeft om de zielen tot God te brengen (!) — heeft slechts tot gevolg gehad dat men zeer tevreden was met zichzelf (hoofdstuk 27 vers 3). Dat is ook de aanmatiging van Laodicéa: "Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb aan geen ding gebrek". Onder al die kostbare waren van Tyrus zoekt men echter tevergeefs naar het goud dat in het vuur beproefd is, dus naar de Goddelijke gerechtigheid. Ook de "witte klederen" van de praktische wandel en de "ogenzalf" van de Heilige Geest, voor het oog van het geloof, is daar niet te vinden. Dat alles kan men slechts 'kopen' bij de Heere Jezus (Openbaring 3 vers 17 en 18).

Ezechiël 28:1-19
1Voorts geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:2Mensenkind! zeg tot den vorst van Tyrus: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel, in het hart der zeeen! daar gij een mens en geen God zijt, stelt gij nochtans uw hart, als Gods hart.3Zie, gij zijt wijzer dan Daniel; zij hebben niets toegeslotens voor u verborgen.4Door uw wijsheid en door uw verstand, hebt gij vermogen voor u verkregen; ja, gij hebt goud en zilver verkregen in uw schatten.5Door de grootheid uwer wijsheid in uw koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen.6Daarom zegt de Heere HEERE alzo: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart;7Daarom zie, Ik zal vreemden over u brengen, de tirannigste der heidenen; die zullen hun zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uw glans ontheiligen.8Ter groeve zullen zij u doen nederdalen; en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het hart der zeeen.9Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat?10Gij zult den dood der onbesnedenen sterven; door de hand der vreemden; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.11Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:12Mensenkind! hef een klaaglied op over den koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zo zegt de Heere HEERE: Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!13Gij waart in Eden, Gods hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardisstenen, topazen en diamanten, turkooizen, sardonixstenen en jaspisstenen, saffieren, robijnen, en smaragden, en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u; ten dage als gij geschapen werdt, waren zij bereid.14Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub; en Ik had u alzo gezet; gij waart op Gods heiligen berg; gij wandeldet in het midden der vurige stenen.15Gij waart volkomen in uw wegen, van den dag af, dat gij geschapen zijt, totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.16Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal Ik u ontheiligen van Gods berg, en zal u, gij overdekkende cherub! verdoen uit het midden der vurige stenen!17Uw hart verheft zich over uw schoonheid; gij hebt uw wijsheid bedorven, vanwege uw glans; Ik heb u op de aarde henengeworpen, Ik heb u voor het aangezicht der koningen gesteld, om op u te zien.18Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden, door het onrecht uws koophandels, hebt gij uw heiligdommen ontheiligd; daarom heb Ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heeft verteerd, en Ik heb u gemaakt tot as op de aarde, voor de ogen van al degenen, die u zien.19Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.

De geweldige vorst van Tyrus, die zichzelf als een god verhoogd heeft, is het onderwerp van een profetie die op hem persoonlijk van toepassing is. Zijn straf herinnert ons aan het oordeel dat Herodes trof, want hij vond het prachtig om door de Tyriërs en de Sidoniërs gevleid te worden, die van hem zeiden: "Een stem van God, en niet van een mens!" (Handelingen 12 vers 20 - 23).

In het beeld van de koning van Tyrus wil God tot ons spreken over een geheimzinnig en vreselijk iemand, over satan zelf. De vorst van deze wereld, waarvan Tyrus een beeld is, benut de rijkdommen van de wereld om de hartstochten van de mensen te bevredigen en om hen in zijn slavernij te houden.

Uit de verzen 12 - 15 weten wij dat satan niet altijd de vijand van God en de gelovigen geweest is. Als een wonderbare cherub, "vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid", was hij ook volkomen in zijn wegen, tot op de dag dat er ongerechtigheid in hem gevonden werd (vers 15). In zijn hart had hij zich zo verheven dat hij zijn plaats als schepsel heeft verlaten en zelf als God wilde zijn (vers 2; Jesaja 14 vers 13). Hoogmoed heeft "het oordeel van de duivel" tot gevolg (1 Timotheüs 3 vers 6). En door zijn verzoeking: "gij zult als God wezen" (zie Genesis 3 vers 5) heeft satan ook de mensen in zijn val meegesleurd. Maar hij is op het kruis door Christus overwonnen en de Bijbel laat ons het vreselijke lot zien dat hem nog te wachten staat (Openbaring 20 vers 10).

Ezechiël 28:20-26; Ezechiël 29:1-7
20Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:21Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Sidon, en profeteer tegen haar,22En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Sidon! en zal in het midden van u verheerlijkt worden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik gerichten in haar zal hebben geoefend, en in haar geheiligd zal zijn.23Want Ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed op haar straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard, dat tegen haar zal zijn van rondom; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.24En het huis Israels zal geen smartenden doorn noch wee doende distel meer hebben, van allen, die rondom hen zijn, die henlieden beroven; en zij zullen weten, dat Ik de Heere HEERE ben.25Alzo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis Israels zal vergaderd hebben uit de volken, onder dewelke zij verstrooid zijn, en Ik onder hen voor de ogen der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb.26En zij zullen daarin zeker wonen, en huizen bouwen, en wijngaarden planten; ja, zij zullen zeker wonen; als Ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen, die henlieden beroofd hebben, van degenen, die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben.
1In het tiende jaar, in de tiende maand, op den twaalfden der maand, geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:2Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Farao, den koning van Egypte, en profeteer tegen hem, en tegen het ganse Egypte.3Spreek en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! dien groten zeedraak, die in het midden zijner rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.4Maar Ik zal haken in uw kaken doen, en den vis uwer rivieren aan uw schubben doen kleven; en Ik zal u uit het midden uwer rivieren optrekken, en al de vis uwer rivieren zal aan uw schubben kleven.5En Ik zal u verlaten in de woestijn, u en al den vis uwer rivieren; op het open veld zult gij vallen; gij zult niet verzameld noch vergaderd worden; aan het gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels heb Ik u ter spijze gegeven.6En al de inwoners van Egypte zullen weten, dat Ik de HEERE ben, omdat zij den huize Israels een rietstaf geweest zijn.7Als zij u bij uw hand grepen, zo werdt gij gebroken, en spleet hun alle zijden; en als zij op u leunden, zo werdt gij verbroken, en liet alle lenden op zichzelven staan.

Na Tyrus volgt een korte profetie over diens 'buurman' en bondgenoot Sidon. Sidon behoorde tot hen die het huis van Israël verachtten (vers 24 en 26) en zal de HEERE, door Zijn oordelen, leren kennen.

Daarna volgen vier hoofdstukken (29 - 32) die voor het overgrote deel aan Egypte gewijd zijn. Dit volk, een rivaal van Assyrië en daarna van Babel, speelde een grote rol in de geschiedenis van Israël. Egypte streefde ook naar de wereldheerschappij. God gaf dat echter aan Nebukadrezar en Egypte werd, op haar beurt, een provincie van het grote Babylonische rijk.

Je kunt je afvragen waarom God het éne heidense volk voorgetrokken heeft boven het andere, om te heersen over de wereld. Maar één van de redenen waarom Egypte vernederd moest worden, was de valse hoop die Israël op dat volk gesteld had (hoofdstuk 29 vers 6 en 16). Het mocht niet de schijn hebben dat Juda en haar koningen gelijk gehad zouden hebben door op Egypte te steunen.

Egypte was een geknakte rietstaf, die de hand verwondde van degene die op haar leunde (vers 6 en 7; Jesaja 36 vers 6). In Zijn grote trouw heeft de Heere het al vaker goed geacht om onze menselijke steunpunten weg te nemen, om onze eigen nietigheid te openbaren en ons te leren alleen op Hem te vertrouwen!

Ezechiël 30:1-19
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:2Mensenkind! profeteer, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Huilt: Ach die dag!3Want de dag is nabij, ja, de dag des HEEREN is nabij, een wolkige dag, het zal der heidenen tijd zijn.4En het zwaard zal komen in Egypte, en er zal grote smart zijn in Morenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen derzelver menigte wegnemen, en haar fondamenten zullen verbroken worden.5Morenland, en Put, en Lud, en al de gemengde hoop, en Cub, en de kinderen van het land des verbonds zullen met hen vallen door het zwaard.6Zo zegt de HEERE: Ja, zij zullen vallen, die Egypte ondersteunen, en de hovaardij harer sterkte zal nederdalen; van den toren van Syene af zullen zij daarin door het zwaard vallen, spreekt de Heere HEERE.7En zij zullen verwoest worden in het midden der verwoeste landen; en haar steden zullen zijn in het midden der verwoeste steden.8En zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd, en al haar helpers zullen verbroken worden.9Te dien dage zullen er boden van voor Mijn aangezicht in schepen uitvaren, om het zorgeloze Morenland te verschrikken; en er zal grote smart bij hen zijn, als in den dag van Egypte; want ziet, het komt aan!10Zo zegt de Heere HEERE: Ja, Ik zal de menigte van Egypte doen ophouden, door de hand van Nebukadrezar, den koning van Babel.11Hij, en zijn volk met hem, de tirannigste der heidenen zullen aangevoerd worden, om het land te verderven; en zij zullen hun zwaarden tegen Egypte uittrekken, en het land met verslagenen vervullen.12En Ik zal de rivieren tot droogte maken, en het land verkopen in de hand der bozen; en Ik zal het land met zijn volheid verwoesten door de hand der vreemden: Ik, de HEERE, heb het gesproken.13Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook de drekgoden verdoen, en de nietige afgoden doen ophouden uit Nof; en er zal geen vorst meer zijn uit Egypteland; en Ik zal een vreze in Egypteland stellen.14En Ik zal Pathros verwoesten, en een vuur leggen in Zoan; en Ik zal gerichten oefenen in No.15En Ik zal Mijn grimmigheid uitgieten over Sin, de sterkte van Egypte; en Ik zal de menigte van No uitroeien.16En Ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer grote pijn hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn.17De jongelingen van Aven en Pibeseth zullen door het zwaard vallen, en de dochters zullen gaan in de gevangenis.18En te Tachpanhes zal de dag verduisterd worden, als Ik het juk van Egypte aldaar zal verbreken, en de hovaardij harer sterkte in haar zal ophouden; haar zal een wolk bedekken, en haar dochters zullen gaan in de gevangenis.19Alzo zal Ik gerichten oefenen in Egypte; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.

De HEERE is niet vergeten dat Egypte voortdurend tot een valstrik voor Zijn volk was geweest. En nu liet Hij dat zien! Bovendien gaf Hij dit land aan Nebukadrezar als een beloning voor zijn werk tegen Tyrus (hoofdstuk 29 vers 19 en 20). De slagen waarmee Egypte zou worden geslagen, doen ons denken aan de plagen die dit land, in de dagen van Mozes, verwoestten: haar rivieren en kanalen, haar afgoden en haar bewoners. Het ergste was de dood van de eerstgeborenen geweest, toen de Heere het oordeel over alle drekgoden van Egypte voltrok (vers 13; Exodus 7 vers 5). Het voltrekken van al deze oordelen aan de volken zou inderdaad resultaat boeken, dat als een refrein aan het slot van elke profetie herhaald wordt: "Zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben" (hoofdstuk 23 vers 49; 24 vers 27; 25 vers 5, 7, 11 en 17; 26 vers 6; 28 vers 24 en 26; 29 vers 21; 30 vers 19 en 26).

De heilige God weet alles van ieder mens en het is onmogelijk om aan Zijn eisen, met betrekking tot de zonde, te ontkomen. Vandaag openbaart Hij Zich in Jezus Christus echter nog als de Heiland-God! Kent u, ken jij Hem als zodanig? Dan mag je instemmen met het volgende lied:

0 Heiland-God, Uw liefde is groot! U had geen lust in onze dood, maar in ons heil en leven. U hebt reeds in de eeuwigheid besloten om Uw heerlijkheid en 't zoonschap ons te geven. In Christus zijn we U aangenaam. Wij mogen als Uw kind'ren saam, U Abba Vader noemen. O Vader, zo dichtbij gebracht, bewond'ren wij Uw liefdemacht. U willen we eeuwig roemen.

Denk erom, iedereen die vandaag niets van Zijn genade wil weten en Hem nu niet als Heiland wil leren kennen, zal later in het oordeel Hem als Rechter ontmoeten (Amos 4 vers 12; Handelingen 17 vers 30 en 31)!

Ezechiël 32:17-32
17Voorts gebeurde het in het twaalfde jaar, op den vijftienden der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende:18Mensenkind! weeklaag over de menigte van Egypte, en doe ze nederdalen, (haar en de dochteren der prachtige heidenen) in de onderste plaatsen der aarde, bij degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.19Boven wien zijt gij liefelijk! Daal neder, en leg u bij de onbesnedenen.20In het midden der verslagenen van het zwaard zullen zij vallen; zij is aan het zwaard overgegeven; trek haar henen met al haar menigte.21De machtigste der helden zullen hem, met zijn helpers, toespreken, uit het midden der hel; zij zijn nedergedaald, de onbesnedenen liggen er, verslagen van het zwaard;22Daar is Assur met haar gansen hoop, zijn graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard;23Welker graven gesteld zijn in de zijden des kuils, en haar hoop is rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, gevallen door het zwaard, die een schrik gaven in het land der levenden.24Daar is Elam met haar ganse menigte rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, de gevallenen door het zwaard, die onbesneden zijn nedergedaald tot de onderste plaatsen der aarde, die hun schrik hadden gegeven in het land der levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.25In het midden der verslagenen hebben zij haar een legerstede gesteld onder haar ganse menigte, rondom hem zijn haar graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat een schrik van hen gegeven is in het land der levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald; hij is geleid in het midden der verslagenen.26Daar is Mesech, en Tubal, met haar ganse menigte; rondom hem zijn haar graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat zij hun schrik gegeven hebben in het land der levenden.27Maar zij liggen niet met de helden, die onder de onbesnedenen gevallen zijn; die ter helle zijn nedergedaald met hun krijgswapenen, en welker zwaarden men gelegd heeft onder hun hoofden; welker ongerechtigheid nochtans op hun beenderen is, omdat der helden schrik in het land der levenden geweest is.28Gij ook zult verbroken worden in het midden der onbesnedenen, en zult liggen met de verslagenen van het zwaard.29Daar is Edom, haar koningen en al haar vorsten, die met hunlieder macht gelegd zijn bij de verslagenen van het zwaard; diezelve liggen met de onbesnedenen en met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.30Daar zijn de geweldigen van het Noorden, zij allen, en alle Sidoniers, die met de verslagenen zijn nedergedaald, beschaamd zijnde vanwege hun schrik, die uit hun macht voortkwam, en zij liggen onbesneden bij de verslagenen van het zwaard, en dragen hun schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.31Farao zal henlieden zien, en zich troosten over zijn ganse menigte; de verslagenen van het zwaard van Farao en zijn ganse heir, spreekt de Heere HEERE.32Want Ik heb ook Mijn schrik gegeven in het land der levenden; dies zal hij gelegd worden in het midden der onbesnedenen bij de verslagenen van het zwaard, Farao en zijn ganse menigte, spreekt de Heere HEERE.

Dit hoofdstuk (maar ook de volgende), lijkt ons misschien heel moeilijk. Maar de profetieën die we daarin tegenkomen, worden een stuk duidelijker voor ons wanneer wij ze plaatsen in het licht van de eindtijd. Daarmee bedoelen we: het tijdstip waarop alle menselijke en nationale machten die tegen Israël gestreden hebben, geslagen zullen worden, om daarna plaats te maken voor de heerschappij van Christus.

In dit "klaaglied" (vers 16) wordt ons het lot van de volken op een symbolische wijze voorgesteld. Ze ontmoeten elkaar "in de onderste plaatsen der aarde", en bevinden zich te midden van de verslagenen (vers 18 en 21). Het eerst lezen we over Assur, het Assyrië van de laatste dagen, die machtige boom, waarvan de val in hoofdstuk 31 beschreven wordt. Dan worden Elam (Perzië) en Mesech-Tubal (Rusland) genoemd. Ook Edom, de vorst van het Noorden, zien we daar en de Sidoniërs, maar ook de Farao en "zijn ganse menigte". Grote en kleine volken komen daar op die onheilvolle plaats samen, nadat zij kortere of langere tijd een bepaalde rol gespeeld hebben op het toneel van deze wereld. Wat is er van hun glans terechtgekomen? Welk nut heeft al die heldenmoed gehad? De schrik die zij eerder verbreidden, imponeert nu niemand meer en is zelfs tot een schande voor henzelf geworden (vers 30). Alles wat zo hoog in aanzien stond "in het land der levenden", stelt op de drempel van de eeuwigheid niets meer voor. Dan krijgt iedereen slechts één vraag te horen: 'Staat je naam in het Boek des levens?' (Openbaring 20 vers 15).

Ezechiël 33:1-20
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:2Mensenkind! spreek tot de kinderen uws volks, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over enig land breng, en het volk des lands een man uit hun einden nemen, en dien voor zich tot een wachter stellen;3En hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin, en waarschuwt het volk;4En een, die het geluid der bazuin hoort, wel hoort, maar zich niet laat waarschuwen; en het zwaard komt, en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd.5Hij hoorde het geluid der bazuin, maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem; maar hij, die zich laat waarschuwen, behoudt zijn ziel.6Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen, en blaast niet met de bazuin, zodat het volk niet is gewaarschuwd; en het zwaard komt, en neemt een ziel uit hen weg; die is wel in zijn ongerechtigheid weggenomen, maar zijn bloed zal Ik van des hand des wachters eisen.7Gij nu, o mensenkind! Ik heb u tot een wachter gesteld over het huis Israels; zo zult gij het woord uit Mijn mond horen, en hen van Mijnentwege waarschuwen.8Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.9Maar als gij den goddeloze van zijn weg afmaant, dat hij zich van dien bekere, en hij zich van zijn weg niet bekeert, zo zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel bevrijd.10Daarom, gij mensenkind! zeg tot het huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelve versmachten, hoe zouden wij dan leven?11Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?12Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt.13Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven.14Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;15Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven.16Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven.17Nog zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht; daar toch hun eigen weg niet recht is.18Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.19En als de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, en doet recht en gerechtigheid, zo zal hij daarin leven.20Nog zegt gij: De weg des Heeren is niet recht; Ik zal ulieden richten, een ieder naar zijn wegen, o huis Israels!

Aan het begin van dit nieuwe gedeelte van het Boek Ezechiël herinnert God de profeet aan zijn opdracht als wachter (zie hoofdstuk 3 vers 16 en verder). Hij moest de wetteloze waarschuwen en hem vermanen op de weg van ongerechtigheid om te keren. Dat is ook nu de taak van iedere verloste van de Heere, want zo iemand heeft immers, door het Woord van God, kennis van de ernst van de tegenwoordige tijd. Wanneer mijn bazuin een onzekere toon afgeeft (1 Korinthe 14 vers 8) of zelfs zwijgt, zal God zeker een andere wachter voor Zich uitkiezen. Maar... ik heb dan mijn plicht verzaakt, heb niet aan mijn verantwoording beantwoord en zal daarvoor rekenschap hebben af te leggen. De apostel Paulus heeft deze dienst in Efeze echter wel trouw vervuld en kan het tegen de oudsten van de stad zeggen: "...dat ik rein ben van het bloed van u allen... dat ik... niet opgehouden heb een ieder met tranen te vermanen" (Handelingen 20 vers 26, 27 en 31).

Vers 10 kan toegepast worden op allen die zich wel van de last van hun zonden bewust zijn, maar die God, Die vergeeft, nog niet kennen. Als antwoord op die angstige vraag herhaalt de HEERE Zijn kostbare woorden uit hoofdstuk 18 vers 23: "Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft" (vers 11). "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderft, maar het eeuwige leven heeft" (Johannes 3 vers 16).

Ezechiël 33:21-33
21En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand, op den vijfden der maand, dat er een tot mij kwam, die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.22Nu was de hand des HEEREN op mij geweest des avonds, eer die ontkomene kwam, en had mijn mond opengedaan, totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzo werd mijn mond opengedaan, en ik was niet meer stom.23Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:24Mensenkind! de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israels spreken, zeggende: Abraham was een enig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen; het land is ons gegeven tot een erfelijke bezitting.25Daarom zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Gij eet vlees met het bloed, en heft uw ogen op tot uw drekgoden, en vergiet bloed; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?26Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?27Alzo zult gij tot hen zeggen: De Heere HEERE zegt alzo: Zo waarachtig als Ik leef, indien niet, die in die woeste plaatsen zijn, door het zwaard zullen vallen, en zo Ik niet dien, die in het open veld is, het wild gedierte overgeve, dat het hem vrete, en die in de vestingen en in de spelonken zijn, door de pestilentie zullen sterven!28Want Ik zal het land tot een verwoesting en een schrik stellen, en de hovaardij zijner sterkte zal ophouden; en de bergen Israels zullen woest zijn, dat er niemand overga.29Dan zullen zij weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik het land tot een verwoesting en een schrik zal gesteld hebben, om al hun gruwelen, die zij gedaan hebben.30En gij, o mensenkind! de kinderen uws volks spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen; en de een spreekt met den ander, een iegelijk met zijn broeder, zeggende: Komt toch en hoort, wat het woord zij, dat van den HEERE voortkomt.31En zij komen tot u, gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als Mijn volk, en horen uw woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hun mond, maar hun hart wandelt hun gierigheid na.32En ziet, gij zijt hun als een lied der minnen, als een, die schoon van stem is, of die wel speelt; daarom horen zij uw woorden, maar zij doen ze niet.33Maar als dat komt (zie, het zal komen!) dan zullen zij weten, dat er een profeet in het midden van hen geweest is.

Ezechiël krijgt bericht over de verovering van Jeruzalem. De HEERE had hem tevoren gezegd op welke wijze hij daarvan op de hoogte gebracht zou worden (vergelijk vers 21 en 22 met hoofdstuk 24 vers 25 - 27). Vanwege de hoogmoed van hen die in Judea overblijven, zal Hij nu het land in een woestenij veranderen.

Het slot van dit hoofdstuk is heel ernstig (vers 30 - 33). Het laat zien dat de woorden van Ezechiël gewaardeerd werden: een liefelijk lied, een mooie stem! Maar ach! in het praktische leven hadden deze woorden voor hen geen enkele betekenis! En ongetwijfeld was dat de reden waarom de profeet, voor een bepaalde tijd, stom gemaakt werd (vers 22); dat was een oordeel over het volk en niet over hemzelf. De trompet van een wachter weerklinkt niet om zich over de melodie daarvan te verheugen. Nee, het gaat juist om een waarschuwingssignaal! Wee hen die er geen acht op slaan!

Is het vandaag anders? Het lijkt erop dat sommige, zogenaamde, christenen de verkondiging van Gods Woord graag horen, maar... absoluut niet geneigd zijn hetgeen hen geleerd werd, in praktijk te brengen! Hoe komt dat? Door gebrek aan oprechtheid! De schijn die men hoog houdt, komt niet overeen met de ware toestand van het hart (zie het slot van vers 31; Jesaja 29 vers 13).

O, dat de woorden van onderstaand lied toch ook de praktijk van alledag voor ons mogen zijn:

Welzalig hij die 't Woord der waarheid wil geloven en door Uw Woord en Geest, zich willig leiden laat. Hij geeft de wereld op en zoekt de dingen boven, waar Christus Jezus is, Die boven alles gaat!

Ezechiël 34:1-16
1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:2Mensenkind! profeteer tegen de herders van Israel; profeteer en zeg tot hen, tot de herders: Alzo zegt de Heere HEERE: Wee den herderen Israels, die zichzelven weiden! zullen niet de herders de schapen weiden?3Gij eet het vette, en bekleedt u met de wol, gij slacht het gemeste, maar de schapen weidt gij niet.4De zwakke sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder, en het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerst over hen met strengheid en met hardigheid.5Alzo zijn zij verstrooid, omdat er geen herder is; en zij zijn als het wild gedierte des velds tot spijze geworden, dewijl zij verstrooid waren.6Mijn schapen dolen op alle bergen en op allen hogen heuvel, ja, Mijn schapen zijn verstrooid op den gansen aardbodem; en er is niemand, die er naar vraagt, en niemand, die ze zoekt.7Daarom, gij herders! hoort des HEEREN woord!8Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte des velds tot spijze geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelven, maar Mijn schapen weiden zij niet;9Daarom, gij herders! hoort des HEEREN woord!10Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot spijze zullen zijn.11Want zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken.12Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij verstrooid zijn, ten dage der wolke en der donkerheid.13En Ik zal ze uitvoeren van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en brengen ze in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen Israels, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen des lands.14Op een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen Israels zal hun kooi zijn; aldaar zullen zij nederliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen Israels.15Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal ze legeren, spreekt de Heere HEERE.16Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel.

Dit hoofdstuk veroordeelt, op scherpe wijze, de slechte herders (de koningen, vorsten en aanvoerders van het volk). Zij hebben niet alleen verzuimd zich om de zwakke, zieke, verwonde of verdwaalde schapen te bekommeren, maar hebben zichzelf zelfs verrijkt, ten koste van de kudde. Ze hebben gehandeld zonder God te vrezen en zonder liefde voor het volk. Ze deden juist alsof de kudde hun eigendom was en hebben erover geheerst, in plaats van er voorbeelden voor te zijn (1 Petrus 5 vers 2 - 4).

Met het oog op deze plichtsverzaking besluit de HEERE om Zichzelf om Zijn schapen te bekommeren. "Ziet, Ik, ja Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken", zegt Hij (vers 11). En wij kennen de wonderbare liefde van de "Herder van Israël" (Psalm 80 vers 2), die, in tegenstelling tot de slechtheid van de andere herders, zo duidelijk naar voren komt. Hij belooft te midden van Zijn schapen te zullen zijn, hen te zullen "uitvoeren", te "vergaderen", "bij de stromen" en naar "goede weide" te zullen brengen. En zij zullen "neerliggen in een goede kooi" (vergelijk Psalm 23).

Het verlorene wil Hij zoeken, het weggedrevene terugbrengen, het gebrokene verbinden en het kranke sterken (vers 15). Hierbij gaat het om de definitieve bijeenbrenging en zegening van het volk Israël, in de toekomst.

Maar het is tevens een kostbaar beeld van de liefdevolle zorg van de Heere voor Zijn verlosten van vandaag, ja, voor ieder die Hem toebehoort, persoonlijk (lees 1 Petrus 5 vers 7).

Ezechiël 34:17-31
17Want gij, o Mijn schapen! de Heere HEERE zegt alzo: Ziet, Ik zal richten tussen klein vee en klein vee, tussen de rammen en de bokken.18Is het u te weinig, dat gij de goede weide afweidt? Zult gij nog het overige uwer weide met uw voeten vertreden? En zult gij de bezonkene wateren drinken, en de overgelatene met uw voeten vermodderen?19Mijn schapen dan, zullen zij afweiden, wat met uw voeten vertreden is, en drinken, wat met uw voeten vermodderd is?20Daarom zegt de Heere HEERE alzo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee.21Omdat gij al de zwakken met de zijde en met den schouder verdringt, en met uw hoornen stoot, totdat gij dezelve naar buiten toe verstrooid hebt;22Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee.23En Ik zal een enigen Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot een Herder zijn.24En Ik, de HEERE, zal hun tot een God zijn; en Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, de HEERE, heb het gesproken.25En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden.26Want Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal den plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn.27En het geboomte des velds zal zijn vrucht geven, en het land zal zijn inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik de disselbomen huns juks zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand dergenen, die zich van hen deden dienen.28En zij zullen den heidenen niet meer ten roof zijn, en het wild gedierte der aarde zal ze niet meer vreten; maar zij zullen zeker wonen, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke.29En Ik zal hun een plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en den smaad der heidenen niet meer dragen.30Maar zij zullen weten, dat Ik, de HEERE, hun God, met hen ben, en dat zij Mijn volk zijn, het huis Israels, spreekt de Heere HEERE.31Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide! gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.

De HEERE bekritiseert, op indringende wijze, de zelfzucht van de sterke en vette schapen en belooft het onrecht tegenover de magere en zwakke schapen te vergelden. Vervolgens wijst Hij met welgevallen en liefde — wat we heel goed kunnen begrijpen — op de herder die Hij zal verwekken: op Zijn knecht David. Door hem, die eerst een trouwe herder van de kudde van zijn vader en daarna van het volk Israël was (1 Samuël 17 vers 34 en 35; 2 Samuël 5 vers 2), wil God tot ons spreken over Zijn Geliefde.

"Ik ben de goede Herder" (Johannes 10 vers 14), kon de Heere Jezus zeggen, in tegenstelling tot alle slechte herders van wie aan het begin van dit hoofdstuk sprake was. Hij was met ontferming bewogen over de scharen in Israël, "omdat zij vermoeid en verstrooid waren, als schapen die geen herder hebben" (Mattheus 9 vers 36). Het kenmerk van de goede Herder is echter, dat Hij Zijn leven aflegt voor de schapen (Johannes 10 vers 11). Dat is het hoogste bewijs van Zijn goedertierenheid, die alle zorg die in dit hoofdstuk beschreven wordt, ver te boven gaat. En Hij voegt eraan toe: "Ik ken de Mijnen, en word door de Mijnen gekend" (Johannes 10 vers 14). Dit zijn woorden die we met de verzen 30 en 31 van ons hoofdstuk kunnen vergelijken!

Wat een aangrijpende uitdrukking: "Mijn schapen, schapen van Mijn weide!" (vergelijk Psalm 100 vers 3). In Ezechiël 36 vers 38 lezen we nog andere aanduidingen: "...de geheiligde schapen, ...de schapen van Jeruzalem..., mensenkudden".

Ezechiël 36:1-15
1En gij, mensenkind! profeteer tot de bergen Israels, en zeg: Gij bergen Israels! hoort des HEEREN woord.2Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat de vijand van u zegt: Heah! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ten erve geworden!3Daarom profeteer en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Daarom, omdat men u van rondom verwoest en opgeslokt heeft, opdat gij voor het overblijfsel der heidenen ten erve zoudt zijn, en gij gebracht zijt op de klapachtige lip en in opspraak des volks;4Daarom, gij bergen Israels! hoort het woord des Heeren HEEREN: Zo zegt de Heere HEERE tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen, tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlaten steden, die tot een roof en tot een spot geworden zijn voor het overblijfsel der heidenen, die rondom zijn;5Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zo Ik niet in het vuur Mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel der heidenen, en tegen het ganse Edom; die Mijn land zichzelven ten erve gegeven hebben met blijdschap des gansen harten, met begerige plundering, opdat de landerij daarvan ten rove zou zijn!6Daarom profeteer van het land Israels, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat gij den smaad der heidenen gedragen hebt;7Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ik heb Mijn hand opgeheven; zo niet de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande zullen dragen!8Maar gij, o bergen Israels! gij zult weder uw takken geven, en uw vrucht voor Mijn volk Israel dragen, want zij naderen te komen.9Want ziet, Ik ben bij u, en Ik zal u aanzien, en gij zult gebouwd en bezaaid worden.10En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het ganse huis Israels, ja, dat geheel; en de steden zullen bewoond, en de eenzame plaatsen bebouwd worden.11Ja, Ik zal mensen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn; en Ik zal u doen bewonen, als in uw vorige tijden, ja, Ik zal het beter maken dan in uw beginselen; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.12En Ik zal mensen op u doen wandelen, namelijk Mijn volk Israel, die zullen u erfelijk bezitten, en gij zult hun ter erfenis zijn, en gij zult ze voortaan niet meer beroven.13Zo zegt de Heere HEERE: Omdat zij tot u zeggen: Gij zijt een land, dat mensen opeet, en gij zijt een land, dat uw volken berooft;14Daarom zult gij niet meer mensen opeten, en uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.15En Ik zal maken, dat men den schimp der heidenen niet meer over u hore, en gij zult den smaad der natien niet meer dragen; en gij zult uw volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere HEERE.

Van de buren van het volk Israël was vooral de schuld van Edom groot (vers 5). Hoofdstuk 35 is een profetie tegen deze nakomelingen van Ezau. Bij al het leedvermaak dachten ze bovendien gebruik te kunnen maken van de verwoesting van Israël en het land in bezit te kunnen nemen (hoofdstuk 35 vers 10). Maar de Heere was daar aanwezig en Hij waakte! Had Hij het al niet, voordat Jakob en Ezau geboren werden, gezegd: "...en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal de mindere dienen"? (Genesis 25 vers 23). En Hij neemt Zijn woord nooit terug.

Edom had gespot met "de eeuwige hoogten" (of "eeuwige heuvels"), die God Zelf zo genoemd had in de beide zegeningen van Jozef (vers 2; Genesis 49 vers 26; Deuteronomium 33 vers 15). Deze bergen en heuvels hadden "de smaad der heidenen gedragen" (vers 6), want naar heidens gebruik had het goddeloze volk daar, in de dagen van Salomo, hoogten opgericht (1 Koningen 11 vers 7). Het zal de Heere echter behagen hen met vruchten te vervullen (vergelijk Psalm 72 vers 16)

Net als eens de ongelovigen, zo zeggen de vijanden van dit land dat het zijn bewoners "opeet" (vers 13; Numeri 13 vers 32). Maar God zal het de volken niet meer toestaan om Zijn volk te bespotten en het erfdeel van Zijn volk met schande te overladen. Het zal niet meer "op de klapachtige lip en in opspraak van het volk" komen (vers 3).

Ezechiël 36:16-38
16Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:17Mensenkind! het huis Israels, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij datzelve met hun weg en met hun handelingen; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinigheid ener afgezonderde vrouw.18Daarom goot Ik Mijn grimmigheid over hen uit, om des bloeds wil, dat zij in het land vergoten hadden, en om hun drekgoden, waarmede zij dat verontreinigd hadden.19En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde ze naar hun weg en naar hun handelingen.20Als zij nu tot de heidenen kwamen, waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij Mijn heiligen Naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des HEEREN, en zijn uit Zijn land uitgegaan.21Maar Ik verschoonde hen om Mijn heiligen Naam, dien het huis Israels ontheiligde onder de heidenen, waarhenen zij gekomen waren.22Daarom zeg tot het huis Israels: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israels! maar om Mijn heiligen Naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen, waarhenen gij gekomen zijt.23Want Ik zal Mijn groten Naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik aan u voor hun ogen zal geheiligd zijn.24Want Ik zal u uit de heidenen halen, en zal u uit al de landen vergaderen; en Ik zal u in uw land brengen.25Dan zal Ik rein water op u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinigheden en van al uw drekgoden zal Ik u reinigen.26En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven.27En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen.28En gij zult wonen in het land, dat Ik uw vaderen gegeven heb, en gij zult Mij tot een volk zijn, en Ik zal u tot een God zijn.29En Ik zal u verlossen van al uw onreinigheden; en Ik zal roepen tot het koren, en zal dat vermenigvuldigen, en Ik zal geen honger op u leggen.30En Ik zal de vrucht van het geboomte en de inkomst des velds vermenigvuldigen; opdat gij de smaadheid des hongers niet meer ontvangt onder de heidenen.31Dan zult gij gedenken aan uw boze wegen en uw handelingen, die niet goed waren; en gij zult een walging van u zelf hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen.32Ik doe het niet om uwentwil, spreekt de Heere HEERE, het zij u bekend! Schaamt u en wordt schaamrood van uw wegen, gij huis Israels!33Alzo zegt de Heere HEERE: Ten dage, als Ik u reinigen zal van al uw ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen bewonen, en de eenzame plaatsen zullen bebouwd worden.34En het verwoeste land zal bebouwd worden, in plaats dat het een verwoesting was, voor de ogen van een ieder, die er doorging.35En zij zullen zeggen: Dit land, dat verwoest was, is geworden als een hof van Eden; en de eenzame, en de verwoeste en verstoorde steden zijn vast en bewoond.36Dan zullen de heidenen, die in de plaatsen rondom u zullen overgelaten zijn, weten, dat Ik, de HEERE, de verstoorde plaatsen bebouw, en het verwoeste beplant. Ik, de HEERE, heb het gesproken en zal het doen.37Alzo zegt de Heere HEERE: Daarenboven zal Ik hierom van het huis Israels verzocht worden, dat Ik het hun doe; Ik zal ze vermenigvuldigen van mensen, als schapen.38Gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hun gezette hoogtijden, alzo zullen de eenzame steden vol zijn van mensenkudden; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.

God spreekt nu over het werk dat Hij door Zijn Geest in de harten van de zonen van Israël — en in het hart van ieder mens — zal volbrengen. Laten we de verzen 25 - 27 maar eens vergelijken met dat wat de Heere Jezus zegt over de nieuwe geboorte van Nicodémus. "Zo iemand niet geboren wordt uit water (vers 25) en Geest (vers 27), hij kan in het Koninkrijk van God niet ingaan" (Johannes 3 vers 5). Het water, dat reinigt, is altijd een beeld van het Woord, dat door de Heilige Geest toegepast wordt op hart en geweten, om tot heil aangenomen en geloofd te worden (vergelijk Johannes 4 vers 14).

Het nieuwe leven, dat gratis aan allen die geloven, gegeven wordt, is de voorwaarde om in het rijk en in de familie van God in te kunnen gaan. Maar het is niet voldoende dat een klein kind ter wereld komt. Het moet naderhand ook leren lopen en naar school gaan. Zo is het ook met een kind van God (vers 27).

Bovendien zal het vroeger of later geestelijke ervaringen moeten opdoen: "gij zult een walging van uzelf hebben" (vers 31; zie hoofdstuk 6 vers 9; 20 vers 43). De Geest van God leidt de wedergeboren ziel naar deze zelfkennis (vergelijk Job 42 vers 6).

Nicodémus, de leraar van Israël, had deze dingen moeten weten (Johannes 3 vers 10). In de Profeten was er namelijk nadrukkelijk op gewezen (zie ook Ezechiël 11 vers 19; Jeremia 24 vers 7 en verder). Maar hoe is dat met jou, beste vriend? Jij bent misschien van kind af aan in deze dingen onderwezen. Zou jij het daarom nog niet veel beter moeten weten?

Ezechiël 37:1-14
1De hand des HEEREN was op mij, en de HEERE voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden ener vallei; dezelve nu was vol beenderen.2En Hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom; en ziet, er waren zeer vele op den grond der vallei; en ziet, zij waren zeer dor.3En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere HEERE, Gij weet het!4Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen! hoort des HEEREN woord.5Alzo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Ziet, Ik zal den geest in u brengen, en gij zult levend worden.6En Ik zal zenuwen op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en een huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben.7Toen profeteerde ik, gelijk mij bevolen was, en er werd een geluid, als ik profeteerde, en ziet een beroering! en de beenderen naderden, elk been tot zijn been.8En ik zag, en ziet, en er werden zenuwen op dezelve, en er kwam vlees op; en Hij trok een huid boven over dezelve, maar er was geen geest in hen.9En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere HEERE: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden.10En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir.11Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind! deze beenderen zijn het ganse huis Israels; ziet, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord, en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden.12Daarom, profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal uw graven openen, en zal ulieden uit uw graven doen opkomen, o Mijn volk! en Ik zal u brengen in het land Israels.13En gij zult weten, dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven zal hebben geopend, en als Ik u uit uw graven zal hebben doen opkomen, o Mijn volk!14En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de HEERE, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.

Dit buitengewone hoofdstuk completeert het voorgaande, door ons te laten zien hoe God deze keer Zijn geheel herstelde volk nieuw leven geeft. Zoals de verzen 11 - 14 zeggen, heeft dit aangrijpende gezicht betrekking op de nationale opstanding van Israël (na de opname van de Gemeente). De tegenwoordige terugkeer van een aantal Joden naar Palestina lijkt de inleiding hiertoe te zijn. Op het woord van de profeet komen de beenderen bij elkaar, worden met spieren, vlees en huid overdekt, maar hun dode toestand verandert niet. Dat is een nationale opwekking, die niet te vergelijken is met de geestelijke opwekking die het volk ervaren zal wanneer Christus Zijn heerschappij zal aanvaarden. Inderdaad, om leven te geven, moet de Geest van God werkzaam zijn, en Hij zal het doen door het geweten en de genegenheden van het volk op te wekken (Psalm 104 vers 30).

Het totale onvermogen van de mens zelf wordt benadrukt door de vraag die aan de profeet gesteld wordt (vers 3). In deze beenderen is geen kracht, noch leven. Maar dat alles laat juist de macht van God, "Die de doden levend maakt, en roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren" (Romeinen 4 vers 17), des te duidelijker naar voren komen.

En het werk dat Hij in ons volbracht heeft, is nog veel groter, nog veel wonderbaarlijker! Wij die eertijds dood in zonden en misdaden waren, heeft Hij levend gemaakt met Christus (Johannes 5 vers 21; Efeze 2 vers 5; Kolosse 2 vers 13).

Ezechiël 37:15-28
15Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:16Gij nu, mensenkind! neem u een hout, en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israels, zijn metgezellen; en neem een ander hout, en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraim, en van het ganse huis Israels, zijn metgezellen.17Doe gij ze dan naderen, het een tot het ander tot een enig hout; en zij zullen tot een worden in uw hand.18En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven, wat u deze dingen zijn?19Zo spreek tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal het hout van Jozef, dat in Efraims hand geweest is, en van de stammen Israels, zijn metgezellen, nemen, en Ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een enig hout; en zij zullen een worden in Mijn hand.20De houten nu, op dewelke gij zult geschreven hebben, zullen in uw hand zijn voor hunlieder ogen.21Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Ziet, Ik zal de kinderen Israels halen uit het midden der heidenen, waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen hen in hun land;22En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen Israels; en zij zullen allen te zamen een enigen Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn.23En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en Mijn inzettingen bewaren en die doen.25En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.26En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid.27En Mijn tabernakel zal bij hen zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.28En de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, Die Israel heilige, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.

Ten gevolge van de ontrouw van Salomo hadden de tien stammen, onder de regering van zijn zoon Rehabeam en onder aanvoering van Efraïm, zich afgescheiden van Juda en Benjamin. Sindsdien is deze breuk nooit meer hersteld. Dat zal echter wel gebeuren wanneer Christus zal verschijnen om te heersen; en Ezechiël kondigt dat aan, door middel van de beide stukken hout die in zijn hand tot één geheel worden (vergelijk Jeremia 3 vers 18). De HEERE laat zien dat Hij, zonder dat moment af te wachten, de eenheid van het volk altijd in Zijn gedachten heeft gehad. En evenmin hebben de profeten, en later de apostelen, het geheel van de twaalf stammen ooit uit het oog verloren (1 Koningen 18 vers 31; Handelingen 26 vers 7; Jakobus 1 vers 1).

Zo is het ook met de Gemeente van de Heere Jezus. Door de schuld van de mens is haar eenheid niet meer zichtbaar, maar in Zijn ogen blijft zij desondanks bestaan. Dat moeten we nooit vergeten! Met het oog op de totale verwarring en scheuringen in de christenheid is het troostvol eraan te denken, dat er één ware Gemeente is, samengesteld uit alle ware gelovigen. "Eén Lichaam is het" en "één Heere": Christus, van Wie David hier een beeld is (Efeze 4 vers 4 en 5; 1 Korinthe 12 vers 5 en 12).

"Zij zullen allen tezamen een enige Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn" (vers 22). "Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen tezamen één Herder hebben" (vers 24; vergelijk Johannes 10 vers 16).

Ezechiël 38:1-23
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:2Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Gog, het land van Magog, den hoofdvorst van Mesech en Tubal; en profeteer tegen hem,3En zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, gij hoofdvorst van Mesech en Tubal!4En Ik zal u omwenden, en haken in uw kaken leggen, en Ik zal u uitvoeren, mitsgaders uw ganse heir, paarden en ruiteren, die altemaal volkomen wel gekleed zijn, een grote vergadering, met rondas en schild, die altemaal zwaarden handelen;5Perzen, Moren en Puteers met hen, die altemaal schild en helm voeren;6Gomer en al zijn benden, en het huis van Togarma, aan de zijden van het noorden, en al zijn benden; vele volken met u.7Zijt bereid en maakt u gereed, gij en uw ganse vergadering, die tot u vergaderd zijn; en wees gij hun tot een wacht.8Na vele dagen zult gij bezocht worden; in het laatste der jaren zult gij komen in het land, dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israels, die steeds tot verwoesting geweest zijn; als hetzelve land uit de volken zal uitgevoerd zijn, en zij allemaal zeker zullen wonen.9Dan zult gij optrekken, gij zult aankomen als een onstuimige verwoesting, gij zult zijn als een wolk, om het land te bedekken; gij en al uw benden, en vele volken met u.10Alzo zegt de Heere HEERE: Te dien dage zal het ook geschieden, dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en gij zult een kwade gedachte denken,11En zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen tot degenen, die in rust zijn, die zeker wonen, die altemaal wonen zonder muur, en grendel noch deuren hebben.12Om buit te buiten, en om roof te roven; om uw hand te wenden tegen de woeste plaatsen, die nu bewoond zijn, en tegen een volk, dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en have verkregen heeft, wonende in het midden des lands.13Scheba, en Dedan, en de kooplieden van Tarsis, en alle hun jonge leeuwen zullen tot u zeggen: Komt gij, om buit te buiten? hebt gij uw vergadering vergaderd, om roof te roven? om zilver en goud weg te voeren, om vee en have weg te nemen, om een groten buit te buiten?14Daarom profeteer, o mensenkind! en zeg tot Gog: Zo zegt de Heere HEERE: Zult gij het, te dien dage, als Mijn volk Israel zeker woont, niet gewaar worden?15Gij zult dan komen uit uw plaats, uit de zijden van het noorden, gij en vele volken met u; die altemaal op paarden zullen rijden, een grote vergadering, en een machtig heir;16En gij zult optrekken tegen Mijn volk Israel, als een wolk, om het land te bedekken; in het laatste der dagen zal het geschieden; dan zal Ik u aanbrengen tegen Mijn land, opdat de heidenen Mij kennen, als Ik aan u, o Gog! voor hun ogen zal geheiligd worden.17Zo zegt de Heere HEERE: Zijt gij die, van welken Ik in verleden dagen gesproken heb, door den dienst Mijner knechten, de profeten Israels, die in die dagen geprofeteerd hebben, jaren lang, dat Ik u tegen hen zou aanbrengen?18Maar het zal geschieden te dien dage, ten dage als Gog tegen het land Israels zal aankomen, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opkomen.19Want Ik heb gesproken in Mijn ijver, in het vuur Mijner verbolgenheid: Zo er niet, te dien dage, een groot beven zal zijn in het land Israels!20Zodat van Mijn aangezicht beven zullen de vissen der zee, en het gevogelte des hemels, en het gedierte des velds, en al het kruipend gedierte, dat op het aardrijk kruipt, en alle mensen, die op den aardbodem zijn; en de bergen zullen nedergeworpen worden, en de steile plaatsen zullen nedervallen, en alle muren zullen ter aarde nedervallen.21Want Ik zal het zwaard over hem roepen op al Mijn bergen, spreekt de Heere HEERE; het zwaard van een ieder zal tegen zijn broeder zijn.22En Ik zal met hem rechten, door pestilentie en door bloed; en Ik zal een overstelpenden plasregen, en grote hagelstenen, vuur en zwavel regenen op hem, en op zijn benden, en op de vele volken, die met hem zullen zijn.23Alzo zal Ik Mij groot maken, en Mij heiligen, en bekend worden voor de ogen van vele heidenen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.

In de hoofstukken 38 en 39 verschijnt er een vreselijke persoonlijkheid ten tonele. In de profetie zijn we hem al eerder onder de naam van de Assyriër tegengekomen. Hier draagt hij de naam Gog, en zijn heerschappij strekt zich uit tot aan Magog, het voormalige land van de Scythen, ten Noorden van de Zwarte Zee, een volk dat eens als ontzettend barbaars bekend stond (vergelijk Kolosse 3 vers 11). Gog is de vorst van Rosch (zoals in sommige Bijbelvertalingen vermeld staat), Mesech en Tubal (zie Genesis 10 vers 2). In deze namen kunnen we iets terugvinden van Rusland, Moskou en Tobolsk (een stad in Siberië). Aan de spits van een geweldig bondgenootschap van Aziatische volken zal deze leider, veel gruwelijker dan Attila of welke veroveraar uit de geschiedenis dan ook, als een stormwind het land Israël overrompelen, om het in bezit te nemen. Maar God zal direct, vanuit de hemel, ingrijpen om hen te vernietigen (vers 22) en bovendien zullen deze verschillende nationaliteiten en rassen elkaar onderling ombrengen (vers 21). Er is vaak maar weinig voor nodig om de vriend van gisteren in een verbitterde vijand te veranderen.

Op deze manier werden eens ook Josafat en het volk Juda gered (2 Kronieken 20 vers 23).

Beste vrienden, zou Hij, Die zulke bevrijdingen kan bewerken, door welke gevaren dan ook die ons bedreigen, verrast kunnen worden? Laten we het handelen toch aan Hem overlaten, wanneer wij met de aanvallen van de vijanden te maken hebben!

Ezechiël 39:1-29
1Voorts, gij mensenkind! profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan u, o Gog, hoofdvorst van Mesech en Tubal!2En Ik zal u omwenden, en een zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het noorden, en Ik zal u brengen op de bergen Israels.3Maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.4Op de bergen Israels zult gij vallen, gij en al uw benden, en de volken, die met u zijn; Ik heb u aan de roofvogelen, aan het gevogelte van allen vleugel, en aan het gedierte des velds ter spijze gegeven.5Op het open veld zult gij vallen; want Ik heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.6En Ik zal een vuur zenden in Magog, en onder degenen, die in de eilanden zeker wonen; en zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben.7En Ik zal Mijn heiligen Naam in het midden van Mijn volk Israel bekend maken, en zal Mijn heiligen Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israel.8Ziet, het komt en zal geschieden, spreekt de Heere HEERE; dit is de dag, van welken Ik gesproken heb.9En de inwoners der steden Israels zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen, zo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren;10Zodat zij geen hout uit het veld zullen dragen, noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen beroven degenen, die hen beroofd hadden, en plunderen, die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere HEERE.11En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog aldaar een grafstede in Israel zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en datzelve zal den doorgangers den neus stoppen; en aldaar zullen zij begraven Gog en zijn ganse menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.12Het huis Israels nu zal hen begraven, om het land te reinigen, zeven maanden lang.13Ja, al het volk des lands zal begraven, en het zal hun tot een naam zijn, ten dage als Ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere HEERE.14Ook zullen zij mannen uitscheiden, die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen, die op den aardbodem zijn overgelaten, om dien te reinigen; ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen.15En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij oprichten; totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte.16Ook zo zal de naam der stad Hamona zijn. Alzo zullen zij het land reinigen.17Gij dan, mensenkind! zo zegt de Heere HEERE: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte des velds: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israels, en eet vlees, en drink bloed.18Het vlees der helden zult gij eten, en het bloed van de vorsten der aarde drinken; der rammen, der lammeren, en bokken, en varren, die altemaal gemesten van Basan zijn.19En gij zult het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe; van Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb.20En gij zult verzadigd worden aan Mijn tafel van rij paarden en wagen paarden, van helden en alle krijgslieden, spreekt de Heere HEERE.21En Ik zal Mijn eer zetten onder de heidenen; en alle heidenen zullen Mijn oordeel zien, dat Ik gedaan heb, en Mijn hand, die Ik aan hen gelegd heb.22En die van het huis Israels zullen weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, van dien dag af en voortaan.23En de heidenen zullen weten, dat die van het huis Israels gevankelijk zijn weggevoerd om hun ongerechtigheid, omdat zij tegen Mij hadden overtreden, en dat Ik Mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartijders, zodat zij altemaal door het zwaard gevallen zijn;24Naar hun onreinigheid en naar hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld, en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.25Daarom zo zegt de Heere HEERE: Nu zal Ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal Mij ontfermen over het ganse huis Israels, en Ik zal ijveren over Mijn heiligen Naam;26Als zij hun schande zullen gedragen hebben, en al hun overtreding, met dewelke zij tegen Mij hebben overtreden, toen zij in hun land zeker woonden, en er niemand was, die hen verschrikte.27Als Ik hen zal hebben wedergebracht uit de volken, en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en Ik aan hen geheiligd zal zijn voor de ogen van vele heidenen;28Dan zullen zij weten, dat Ik, de HEERE, hunlieder God ben, dewijl Ik ze gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weder verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten.29En Ik zal Mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere HEERE.

Gog en zijn bondgenoten, zijn trawanten, met hun talloze troepen, zullen "op de bergen Israëls" vernietigd worden. Om ons een indruk te geven van de omvang van deze geweldige, laatste aanval, wordt in vers 9 gezegd dat de bewoners nadien zeven jaar lang kunnen stoken van de achtergelaten krijgsuitrusting en vers 14 voegt eraan toe, dat men zeven maanden nodig heeft om de doden te begraven. Zo zal het land dat Gog wilde innemen, tot zijn eigen graf worden. En bovendien zal God een gericht zenden over Magog, het eigen gebied van de aanvaller.

Alles wat betrekking heeft op de vernietiging van de Assyriër met zijn legers, is meer dan twintig eeuwen geleden in het Boek van God opgeschreven (vergelijk hoofdstuk 38 vers 17). Maar dat zal de door satan verblinde mensenmenigte er niet van weerhouden om zich naar de plaats te begeven die bestemd is voor haar eigen bloedbad.

Zo vertelt het Evangelie, al meer dan tweeduizend jaar, waarheen de brede weg leidt (Mattheus 7 vers 13). Desondanks is het aantal mensen dat blindelings deze weg in het verderf volgt, ontzettend groot.

De gebeurtenissen die hier in Ezechiël beschreven worden, zijn de laatste die voorafgaan aan de heerschappij van Christus. Voortaan zal Israël in vrede wonen; niemand zal het meer verschrikken en vele heidense volken zullen de HEERE leren vrezen.

Ezechiël 40:1-16
1In het vijf en twintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het begin des jaars, op den tienden der maand, in het veertiende jaar, nadat de stad geslagen was; even op dienzelfden dag, was de hand des HEEREN op mij, en Hij bracht mij derwaarts.2In de gezichten Gods bracht Hij mij in het land Israels, en Hij zette mij op een zeer hogen berg; en aan denzelven was als een gebouw ener stad tegen het zuiden.3Als Hij mij daarhenen gebracht had, ziet, zo was er een man, wiens gedaante was als de gedaante van koper; en in zijn hand was een linnen snoer, en een meetriet; en hij stond in de poort.4En die man sprak tot mij: Mensenkind! zie met uw ogen, en hoor met uw oren, en zet uw hart op alles, wat ik u zal doen zien; want, opdat ik u zou doen zien, zijt gij herwaarts gebracht; verkondig daarna den huize Israels alles, wat gij ziet.5En ziet, er was een muur buiten aan het huis, rondom henen, en in des mans hand was een meetriet van zes ellen, elke el van een el en een handbreed, en hij mat de breedte des gebouws een riet, en de hoogte een riet.6Toen kwam hij tot de poort, welke zag den weg naar het oosten, en hij ging bij derzelver trappen op, en mat den dorpel der poort een riet de breedte, en den anderen dorpel een riet de breedte.7En elk kamertje een riet de lengte, en een riet de breedte; en tussen de kamertjes vijf ellen; en den dorpel der poort, bij het voorhuis der poort van binnen, een riet.8Ook mat hij het voorhuis der poort van binnen, een riet.9Toen mat hij het andere voorhuis der poort, acht ellen, en haar posten twee ellen; en het voorhuis der poort was van binnen.10En de kamertjes der poort, den weg naar het oosten, waren drie van deze, en drie van gene zijde; die drie hadden enerlei maat; ook hadden de posten, van deze en van gene zijde, enerlei maat.11Voorts mat hij de wijdte der deur van de poort, tien ellen; de lengte der poort, dertien ellen.12En er was een ruim voor aan de kamertjes, van een el van deze, en een ruim van een el van gene zijde; en elk kamertje zes ellen van deze, en zes ellen van gene zijde.13Toen mat hij de poort van het dak van het ene kamertje af tot aan het dak van een ander; de breedte was vijf en twintig ellen; deur was tegenover deur.14Ook maakte hij posten van zestig ellen, namelijk tot den post des voorhofs, rondom de poort henen.15En van het voorste deel der poort des ingangs, tot aan het voorste deel van het voorhuis van de binnenpoort, waren vijftig ellen.16En er waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hun posten inwaarts in de poort rondom henen; alzo ook aan de voorhuizen; de vensters nu waren rondom henen inwaarts, en aan de posten waren palmbomen.

Vanaf het veertigste hoofdstuk tot aan het slot van dit Bijbelboek zijn we getuige van een heel nieuw visioen van de profeet. Dat verplaatst ons naar het land Israël, in de tijd van het duizendjarig vrederijk. Het herstelde en bijeen-vergaderde Israël woont nu in veiligheid; de Heilige Geest is over het volk uitgegoten (hoofdstuk 39 vers 25 - 29). Nu is het een welgevallen voor God om Zijn eigen woonplaats op aarde te beschrijven, de plaats waar Zijn heerlijkheid opnieuw zal kunnen wonen.

Zoals de HEERE ten tijde van Mozes op de berg het model van de eerste woning getoond had (Exodus 25 vers 40; Hebreeën 8 vers 5), openbaart Hij op een andere berg in een gezicht aan Ezechiël alle details van de toekomstige tempel. En ieder van ons mag de vermaning uit vers 4 op zichzelf toepassen: "Hoor met uw oren, en zet uw hart op alles wat Ik u zal doen zien".

De profeet onderzoekt achtereenvolgens drie poorten, waardoor men toegang heeft tot de voorhof. Elke poort lijkt op een klein huisje, met een gang in het midden en aan weerszijden drie kamers.

Laten we eraan denken dat het meetriet dat de rondleider gebruikt, "van zes ellen, elke el van een el en een handbreed" was (vers 5; dat wil zeggen zeven handbreedtes), een maat die alleen door God gebruikt wordt! Dat moet ons leren alles naar Zijn maatstaf, de maatstaf van het heiligdom, te beoordelen!

Ezechiël 40:35-49
35Daarna bracht hij mij tot de noorderpoort; en hij mat naar deze maten.36Haar kamertjes, haar posten en haar voorhuizen; ook had zij vensteren rondom henen; de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijf en twintig ellen.37En haar posten waren aan het buitenste voorhof; ook waren er palmbomen aan haar posten, van deze en van gene zijde; en haar opgangen waren van acht trappen.38Haar kameren nu en haar deuren waren bij de posten der poorten; aldaar wies men het brandoffer.39En in het voorhuis der poort waren twee tafelen van deze, en twee tafelen van gene zijde, om daarop te slachten het brandoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer.40Ook waren er aan de zijde van buiten des opgangs, aan de deur der noorderpoort, twee tafelen; en aan de andere zijde, die aan het voorhuis der poort was, twee tafelen.41Vier tafelen van deze, en vier tafelen van gene zijde, aan de zijde der poort, acht tafelen, waarop men slachtte.42Maar de vier tafelen voor het brandoffer waren van gehouwen stenen, de lengte een el en een halve, en de breedte een el en een halve, en de hoogte een el; op dezelve nu legde men het gereedschap henen, waarmede men het brandoffer en slachtoffer slachtte.43De haardstenen nu waren een handbreed dik, ordentelijk geschikt in het huis rondom henen; en op de tafelen was het offervlees.44En van buiten de binnenste poort waren de kameren der zangers, in het binnenste voorhof, dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel derzelve was den weg naar het zuiden; een was er aan de zijde van de oostpoort, ziende den weg naar het noorden.45En hij sprak tot mij: Deze kamer, welker voorste deel den weg naar het zuiden is, is voor de priesteren, die de wacht des huizes waarnemen.46Maar de kamer, welker voorste deel den weg naar het noorden is, is voor de priesteren, die de wacht des altaars waarnemen; dat zijn de kinderen van Zadok, die uit de kinderen van Levi tot den HEERE naderen, om Hem te dienen.47En hij mat het voorhof: de lengte honderd ellen, en de breedte honderd ellen, vierkant; en het altaar was voor aan het huis.48Toen bracht hij mij tot het voorhuis des huizes, en hij mat elken post van het voorhuis, vijf ellen van deze, en vijf ellen van gene zijde; en de breedte der poort, drie ellen van deze, en drie ellen van gene zijde.49De lengte van het voorhuis twintig ellen, en de breedte elf ellen; en het was met trappen, bij dewelke men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, een van deze, en een van gene zijde.

In het eerste deel van dit Boek hebben we gezien dat de tempel van Salomo ontwijd werd, dat God daar niet meer gediend werd, dat de priesters daarin zelfs de afgoden aanbaden en de koningen hun taak volledig verzaakt hebben. Ten gevolge daarvan werd de tempel verwoest, het Joodse volk weggevoerd en als volk terzijde gesteld.

Maar God staat nooit toe, dat Zijn plannen door de ontrouw van mensen doorkruist worden! Hij moet op dezelfde plaats waar Hij onteerd werd, geheel verheerlijkt worden. De beloften, aan David gegeven, moeten in vervulling gaan. Er moet een nieuwe tempel gebouwd en een nieuw priesterdom ingesteld worden. En dat alles onder de heerschappij van een nieuwe Koning — Christus — Die in gerechtigheid over een berouwvol volk zal regeren. Dat alles zal in het duizendjarig rijk verwerkelijkt worden, ten tijde van de "wederoprichting van alle dingen", waarover Petrus spreekt (Handelingen 3 vers 21).

Dat is het onderwerp van de hoofdstukken 40 - 48. En laten wij ons door de Heilige Geest door deze Schriftgedeelten laten leiden, zoals de profeet hier stap voor stap door zijn wonderbare gids geleid werd. Met Zijn hulp zullen ook wij deze wonderbare tempel, als het ware, bezoeken, de tempel die eens in Jeruzalem gebouwd zal worden, opdat men daar God kan vinden en aanbidden.

Ezechiël 41:1-4, 15-26
1Voorts bracht hij mij tot den tempel; en hij mat de posten, zes ellen de breedte van deze, en zes ellen de breedte van gene zijde, de breedte der tent.2En de breedte der deur, tien ellen, en de zijden der deur, vijf ellen van deze, en vijf ellen van gene zijde; ook mat hij de lengte daarvan, veertig ellen, en de breedte twintig ellen.3Daarna ging hij in naar binnen, en mat den post der deur, twee ellen; en de deur zes ellen, en de breedte der deur zeven ellen.4Ook mat hij de lengte daarvan, twintig ellen, en de breedte twintig ellen voor aan den tempel; en hij zeide tot mij: Dit is de heiligheid der heiligheden.
15Ook mat hij de lengte des gebouws voor aan de afgesneden plaats dat achter dezelve was, en derzelver galerijen van deze en van gene zijde, honderd ellen; met den binnensten tempel, en de voorhuizen des voorhofs.16De dorpelen, en de gesloten vensters en de galerijen rondom die drie, tegenover den dorpel, waren beschoten met hout rondom henen, en van de aarde tot aan de vensteren; de vensteren waren bedekt;17Tot hetgeen boven de deur was, en tot het binnenste en buitenste huis toe, en aan den gansen wand rondom henen in het binnenste en buitenste, al bij maten.18En het was gemaakt met cherubs en palmbomen; zodat er een palmboom was tussen cherub en cherub, en elke cherub had twee aangezichten;19Namelijk, eens mensen aangezicht tegen den palmboom van deze, en eens jongen leeuws aangezicht tegen den palmboom van gene zijde; gemaakt in het ganse huis rondom henen.20Van de aarde af tot boven de deur waren de cherubs en de palmbomen gemaakt, ook aan den wand des tempels.21De posten des tempels waren vierkant; en aangaande het voorste deel des heiligdoms, de ene gedaante was als de andere gedaante.22De hoogte des houten altaars was drie ellen, en zijn lengte twee ellen, en het had zijn hoeken; en zijn lengte en zijn wanden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel, die voor des HEEREN aangezicht zal zijn.23De tempel nu en het heiligdom hadden beide twee deuren.24En er waren twee bladen aan de deuren; te weten twee bladen, die men omdraaien kon; twee aan de ene deur, en twee bladen aan de andere.25En aan dezelve, namelijk aan de deuren des tempels, waren cherubs en palmbomen gemaakt, gelijk als er aan de wanden gemaakt waren; en het hout aan het voorste deel van het voorhuis van buiten was dik.26En aan de gesloten vensteren waren ook palmbomen van deze en van gene zijde, aan de zijden van het voorhuis; en aan de zijkameren van het huis, en aan de dikke planken.

De profeet en zijn gids zijn via de zuilengang het huis binnengegaan. Het is, evenals de tempel van Salomo, in een heiligdom van veertig el lengte ingedeeld, en met het heilige der heiligen, in de vorm van een kubus, waarvan elke zijde twintig el lang is. Ondanks de aanmerkelijke oppervlakte die door het heiligdom en de zijvertrekken ingenomen wordt — en die ons van de grootheid van het rijk van Christus spreekt — zien we dat de maten binnenin precies overeenkomen met die van de eerste tempel (1 Koningen 6 vers 17 en 20).

Het plan van God is onveranderlijk; Zijn bedoelingen, met betrekking tot Christus en de zegen voor de wereld, zijn niet veranderd. En Hij neemt de moeite om Zijn gedachten lang van tevoren, als een getuigenis van Zijn trouw en goedertierenheid, in Zijn heilig Boek voor te stellen. Hij zal volvoeren wat Hij Zich heeft voorgenomen.

Het lezen van deze gedeelten zou in het bijzonder tot het geweten van de Israëlieten moeten spreken en hen bewijzen, dat Gods gedachten nog altijd uitgaan naar dit volk.

Vanaf vers 15 wordt er een beschrijving gegeven van het gebouw, daarna van het altaar en ten slotte van de deuren van het heiligdom. Hun versiering geeft uitdrukking aan de kenmerken van de heerschappij: macht in het oordeel (de cherubs, die met de uitvoering daarvan vertrouwd zijn); vrede en overwinning (de palmen).

Ezechiël 42:1-20
1Daarna bracht hij mij uit tot het buitenste voorhof; den weg naar den weg van het noorden; en hij bracht mij tot de kameren, die tegenover de afgesneden plaats, en die tegenover het gebouw tegen het noorden waren:2Voor aan de lengte van de honderd ellen naar de deur van het noorden; en de breedte was vijftig ellen.3Tegenover de twintig ellen, die het binnenste voorhof had, en tegenover het plaveisel, dat het buitenste voorhof had, was galerij tegen galerij, in drie rijen.4En voor de kameren was een wandeling van tien ellen de breedte; naar binnen toe, en een weg van een el; en de deuren van dezelve waren tegen het noorden.5De bovenste kameren nu waren nauwer (omdat de galerijen hoger waren dan dezelve), dan de onderste en dan de middelste des gebouws.6Want zij waren wel van drie rijen, maar hadden geen pilaren gelijk de pilaren der voorhoven; daarom waren zij benauwder dan de onderste en dan de middelste van de aarde af.7De muur nu, die naar buiten tegenover de kameren was, den weg naar het buitenste voorhof, voor aan de kameren, de lengte van dien was vijftig ellen.8Want de lengte der kameren, die het buitenste voorhof had, was vijftig ellen; en ziet, voor aan den tempel waren honderd ellen.9Van onder deze kameren nu was de ingang van het oosten, als iemand tot dezelve ingaat, uit het buitenste voorhof.10Aan de breedte van den muur des voorhofs, den weg naar het oosten, voor aan de afgesneden plaats, en voor aan het gebouw, waren kameren.11En de weg voor dezelve henen was als de gedaante der kameren, die den weg naar het noorden waren, naar derzelver lengte, alzo naar derzelver breedte; en al haar uitgangen waren ook naar derzelver wijzen en naar derzelver deuren.12En gelijk de deuren der kameren, die den weg naar het zuiden waren, was er een deur in het hoofd van den weg, den weg voor aan den rechten muur, den weg naar het oosten, als men daar ingaat.13Toen zeide hij tot mij: De kameren van het noorden, en de kameren van het zuiden, die voor aan de afgesneden plaats zijn, dat zijn heilige kameren, waarin de priesters, die tot den HEERE naderen, die allerheiligste dingen zullen eten; aldaar zullen zij de allerheiligste dingen henenleggen, en het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, want de plaats is heilig.14Als de priesters ingegaan zullen zijn, zo zullen zij uit het heiligdom niet weder uitgaan in het buitenste voorhof, maar aldaar hun klederen henenleggen, in dewelke zij gediend hebben, want die zijn een heiligheid; en zij zullen andere klederen aantrekken, en naderen tot hetgeen voor het volk is.15Als hij nu de maten van het binnenste huis geeindigd had, zo bracht hij mij uit, den weg naar de poort, die den weg naar het oosten zag, en hij mat ze rondom henen.16Hij mat de oostzijde met het meetriet; vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom.17Hij mat de noordzijde, vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom.18De zuidzijde mat hij, vijfhonderd rieten, met het meetriet.19Hij ging om naar de westzijde, en hij mat vijfhonderd rieten, met het meetriet.20Hij mat het aan de vier zijden; het had een muur rondom henen, de lengte was vijfhonderd rieten, en de breedte vijfhonderd, om onderscheid te maken tussen het heilige en onheilige.

Behalve de zijkamers, die, zoals bij de eerste tempel, het huis met drie verdiepingen omringen (hoofdstuk 41 vers 6 en verder; vergelijk 1 Koningen 6 vers 5), staat de priesters nog een groot aantal andere kamers ter beschikking, die op de voorhof uitkomen. Hier moeten ze de allerheiligste dingen eten, het daar neerleggen en daar ook van kleding die voor het verrichten van hun dienst nodig is, wisselen (vers 13 en 14).

In tegenstelling hiermee denken we weer aan het hemelse deel van de verlosten van de Heere, die allen "een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen" (2 Korinthe 5 vers 1).

De Heere Jezus kon het tegen Zijn discipelen zeggen, dat er in het Huis van Zijn Vader vele woningen zijn (dat betekent dat er plaats is voor allen; Johannes 14 vers 2). Toen Hij hen verliet, ging Hij heen om hen in dit hemels heiligdom, waar alle gelovigen heel binnenkort door Hem ingevoerd zullen worden, een plaats te bereiden.

Laten we er goed om denken, dat de kamers heilig (vers 13), de priester heilig en de offeranden allerheiligst zijn. God denkt aan de verontreinigingen die vroeger door goddeloze koningen in Zijn tempel bedreven werden (hoofdstuk 43 vers 8). Voortaan zal een geweldige muur van vijfhonderd rieten (roeden) lang en breed het heiligdom met de zijkamers omringen, om scheiding aan te brengen tussen het heilige en onheilige (vers 20).

Ezechiël 43:1-12
1Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die den weg naar het oosten zag.2En ziet, de heerlijkheid des Gods van Israel kwam van den weg naar het oosten; en Zijn stem was als het geruis van vele wateren, en de aarde werd verlicht van Zijn heerlijkheid.3En alzo was de gedaante van het gezicht, dat ik zag, gelijk het gezicht, dat ik gezien had, toen ik kwam, om de stad te verderven; en het waren gezichten, als het gezicht, dat ik gezien had aan de rivier Chebar; en ik viel op mijn aangezicht.4En de heerlijkheid des HEEREN kwam in het huis, door den weg der poort, die den weg naar het oosten zag.5En de Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis vervuld.6En ik hoorde Een, Die met mij sprak, uit het huis; en de man was bij mij staande.7En Hij zeide tot mij: Mensenkind! dit is de plaats Mijns troons, en de plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israels, in eeuwigheid; en die van het huis Israels zullen Mijn heiligen Naam niet meer verontreinigen, zij noch hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen hunner koningen, op hun hoogten;8Als zij hun dorpel stelden aan Mijn dorpel, en hun post nevens Mijn post, dat er maar een wand tussen Mij en tussen hen was, en verontreinigden Mijn heiligen Naam met hun gruwelen, die zij deden; waarom Ik ze verteerd heb in Mijn toorn.9Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen hunner koningen verre van Mij wegdoen; en Ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.10Gij mensenkind; wijs den huize Israels dit huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hun ongerechtigheden, en laat ze het patroon afmeten.11En indien zij schaamrood worden vanwege alles, wat zij gedaan hebben, zo maak hun bekend den vorm van het huis, en zijn gestaltenis, en zijn uitgangen, en zijn ingangen, en al zijn vormen, en al zijn ordinantien, ja, al zijn vormen en al zijn wetten; en schrijf het voor hun ogen, opdat zij zijn gansen vorm en al zijn ordinantien bewaren, en dezelve doen.12Dit is de wet van het huis: op de hoogte des bergs zal zijn ganse grens, rondom henen, een heiligheid der heiligheden zijn; ziet, dit is de wet van het huis.

Het toekomstig heiligdom werd bezichtigd en rondom gemeten. Als alles klaargemaakt is, afgezonderd van het onheilige, ontbreekt er nog één ding, de reden van haar bestaan: de tegenwoordigheid van God. Nu voltrekt zich de wonderbare gebeurtenis , zoals dat ook gebeurde op de dag van de inwijding van de tempel van Salomo: de heerlijkheid van God, die de profeet in hoofdstuk 11 zag verdwijnen, komt terug om het huis te bewonen. Hier verschijnt deze heerlijkheid, komend vanuit het Oosten, na zoveel eeuwen van afwezigheid! En deze terugkeer gaat gepaard met een onvergelijkbare belofte: "Ik zal in het midden van hen (de kinderen Israëls) wonen in eeuwigheid" (vers 7 en 9; zie ook Haggaï 2 vers 10).

De waakzame profeet heeft dit gezicht niet alleen voor zichzelf ontvangen. God roept hem op, de zonen van Israël te informeren over het huis en het algemene bouwplan (vers 10). De uitwerking die dat op hen zal hebben, is opmerkelijk: er is geen bewondering, noch vreugde, maar allereerst beschaming! En pas nadat deze verootmoediging in de harten bewerkt zal zijn, zal Ezechiël hun alle details van de nieuwe tempel kunnen laten zien (vers 11).

Laten we dit belangrijke grondbeginsel zelf nooit vergeten, want voor alle tijden geldt: de Heere kan Zijn gedachten pas dan meedelen wanneer we eerst onze eigen harten geoordeeld hebben.

Ezechiël 43:13-27
13En dit zijn de maten des altaars, naar de ellen, zijnde de el een el en een handbreed; de boezem van een el, en een el de breedte; en zijn einde aan zijn rand rondom een span; en dit is de rug des altaars.14Van den boezem nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen; en de breedte een el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte een el.15En de Harel vier ellen; en van den Ariel voorts opwaarts, de vier hoornen.16De Ariel nu, twaalf ellen de lengte, met twaalf ellen breedte, vierkant aan zijn vier zijden.17En het afzetsel veertien ellen de lengte, met veertien ellen breedte, aan zijn vier zijden, en de rand rondom hetzelve, de helft ener el; en de boezem daaraan, een el rondom; en zijn trappen ziende naar het oosten.18En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zo zegt de Heere HEERE: Dit zijn de ordinantien des altaars, ten dage als men het zal maken, om brandoffer daarop te offeren, en om bloed daarop te sprengen.19En gij zult aan de Levietische priesteren, dewelke uit het zaad van Zadok zijn, die tot Mij naderen (spreekt de Heere HEERE), om Mij te dienen, geven een var, een jong rund, ten zondoffer.20En gij zult van deszelfs bloed nemen, en doen het aan zijn vier hoornen, en aan de vier hoeken der afzetsels, en aan den rand rondom; alzo zult gij het ontzondigen, en het verzoenen.21Daarna zult gij den var des zondoffers nemen; en hij zal hem verbranden in een bestelde plaats van het huis buiten het heiligdom.22En op den tweeden dag zult gij een volkomen geitenbok offeren ten zondoffer; en zij zullen het altaar ontzondigen, gelijk als zij dat ontzondigd hebben met den var.23Als gij een einde zult gemaakt hebben van het ontzondigen, dan zult gij een var, een volkomen jong rund, offeren, en een volkomen ram van de kudde.24En gij zult ze offeren voor het aangezicht des HEEREN; en de priesteren zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren ten brandoffer den HEERE.25Zeven dagen zult gij dagelijks een bok des zondoffers bereiden; ook zullen zij een var, een jong rund, en een ram van de kudde, beide volkomen bereiden.26Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en het reinigen, en zijn handen vullen.27Als zij nu deze dagen zullen voleind hebben, dan zal het op den achtsten dag en voortaan geschieden, dat de priesters uw brandofferen en uw dankofferen op het altaar zullen bereiden; en Ik zal een welgevallen aan ulieden hebben, spreekt de Heere HEERE.

In hoofdstuk 41 werd het altaar van hout, dat zich binnen in het gebouw bevindt, genoemd. En nu gaat het om het brandofferaltaar, dat midden in de voorhof staat. We lezen hoe dat altaar eruitziet, welke afmetingen het heeft en ten slotte lezen we de aanwijzingen die betrekking hebben op de dienst aan dit altaar.

Velen verbazen zich er misschien over, dat er in de toekomstige tempel weer sprake zal zijn van het brengen van offers, omdat men dat in tegenspraak vindt met de volmaaktheid en voor altijd geldende werk van Christus. De Brief aan de Hebreeën bevestigt inderdaad, dat het bloed van stieren en bokken onmogelijk zonden kan wegnemen. Daarom is de Heere Jezus gekomen, om eens en voor altijd "een slachtoffer voor de zonden" te offeren (Hebreeën 10 vers 1 en verder). Het gaat hier echter niet om een stap terug; het werk dat de Heere Jezus op het kruis volbracht heeft, vormt de grondslag voor de zegeningen voor zowel Israël als de Gemeente (Psalm 22 vers 23 en verder). We kunnen daarom begrijpen dat de offers die in de toekomst op dit altaar gebracht zullen worden, niet dienen om te herinneren aan de zonden, maar opdat juist het offer van Christus in gedachtenis wordt gehouden. Als een zichtbaar teken van herinnering, dat nodig is voor het vergeetachtige mensenhart, zal het dan voor het Israël van God en het volk dat geboren zal worden, in zekere zin de betekenis hebben zoals het avondmaal nu voor de christenen (Psalm 22 vers 31); beiden hebben het karakter van de herinnering aan Christus' offer. "Doet dat tot Mijn gedachtenis" (1 Korinthe 11 vers 24)!

Ezechiël 44:1-14
1Toen deed hij mij wederkeren den weg naar de poort van het buitenste heiligdom, die naar het oosten zag; en die was toegesloten.2En de HEERE zeide tot mij: Deze poort zal toegesloten zijn, zij zal niet geopend worden, noch iemand door dezelve ingaan, omdat de HEERE, de God Israels, door dezelve is ingegaan; daarom zal zij toegesloten zijn.3De vorst, de vorst, die zal in dezelve zitten, om brood te eten voor het aangezicht des HEEREN; door den weg van het voorhuis der poort zal hij ingaan, en door den weg van hetzelve zal hij uitgaan.4Daarna bracht hij mij den weg der noorderpoort, voor aan het huis; en ik zag, en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld; toen viel ik op mijn aangezicht.5En de HEERE zeide tot mij: Mensenkind! zet er uw hart op, en zie met uw ogen, en hoor met uw oren alles, wat Ik met u spreken zal, van alle inzettingen van het huis des HEEREN, en van al zijn wetten; en zet uw hart op den ingang van het huis, met alle uitgangen des heiligdoms.6En zeg tot die wederspannigen, tot het huis Israels: Zo zegt de Heere HEERE: Het is te veel voor ulieden, vanwege al uw gruwelen, o huis Israels.7Dewijl gijlieden vreemden hebt ingebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, te weten Mijn huis; als gij Mijn brood, het vette en het bloed offerdet, en zij Mijn verbond verbraken, nevens al uw gruwelen.8En gijlieden hebt de wacht van Mijn heilige dingen niet waargenomen; maar gij hebt uzelven enigen tot wachters Mijner wacht gesteld in Mijn heiligdom.9Alzo zegt de Heere HEERE: Geen vreemde, onbesneden van hart, en onbesneden van vlees, zal in Mijn heiligdom ingaan, van enigen vreemde, die in het midden der kinderen Israels is.10Maar de Levieten, die verre van Mij geweken zijn, als Israel ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun drekgoden achterna, zullen wel hun ongerechtigheid dragen;11Nochtans zullen zij in Mijn heiligdom bedienaars zijn, in de ambten aan de poorten van het huis, en zij zullen het huis bedienen; zij zullen het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten, en zullen voor hun aangezicht staan, om hen te dienen;12Omdat zij henlieden gediend hebben voor het aangezicht hunner drekgoden, en den huize Israels tot een aanstoot der ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen.13En zij zullen tot Mij niet naderen, om Mij het priesterambt te bedienen, en om te naderen tot al Mijn heilige dingen, tot de allerheiligste dingen; maar zullen hun schande dragen, en hun gruwelen, die zij gedaan hebben.14Daarom zal Ik hen stellen tot wachters van de wacht des huizes, aan al zijn dienst, en aan alles, wat daarin zal gedaan worden.

Met uitzondering van de vorst (die op de onderworpen en gezegende aarde, de plaatsvervangende koning en een beeld van Christus daarboven is), zal niemand meer gebruik mogen maken van de poort waardoor de heiligheid van de HEERE naar binnen is gegaan. Opnieuw een tegenstelling met de christen! Die heeft namelijk vrije toegang tot de hemelse gewesten, waar zijn Verlosser is, en wel op dezelfde weg van opstanding.

Ezechiël aanschouwt de heerlijkheid die het heiligdom vervult, en valt, net als aan het begin, op zijn aangezicht (vers 4; hoofdstuk 1 vers 28). Nu zegt de HEERE hem welke verplichtingen de heiligheid van Zijn tegenwoordigheid met zich meebrengt. Geen enkele vreemdeling die onbesneden van hart of vlees is, zal in Zijn tempel mogen binnengaan. Vandaar dat het nodig is de poorten te bewaken. De HEERE bepaalt Zelf wie de wachters zullen zijn (vers 11). Zij moeten zich opstellen in de wachterkamers, die binnenin elke poort gemaakt moeten worden, en moeten de identiteit van iedereen die naar binnen wil, controleren.

Deze taak komt toe aan de Levieten. Zij waren "het huis Israëls tot een aanstoot van de ongerechtigheid geweest", omdat zij "hen gediend hebben voor het aangezicht van hun drekgoden" (vers 12; Maleachi 2 vers 8 en 9). De barmhartigheid van God vertrouwt hun toch weer een werk toe, dat echter van minder betekenis is dan hun vroegere opdracht.

Daarin ligt ook een belangrijke les voor ons! Onze ontrouw brengt onherroepelijk gevolgen met zich mee, niet voor de dienst op zich, maar voor onszelf. Het kan zijn dat er dan een deel van de taken van ons wordt afgenomen en aan trouwe arbeiders wordt gegeven.

Ezechiël 44:15-31
15Maar de Levietische priesters, de kinderen van Zadok, die de wacht Mijns heiligdoms hebben waargenomen, als de kinderen Israels van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen, om Mij te dienen; en zullen voor Mijn aangezicht staan, om Mij het vette en het bloed te offeren, spreekt de Heere HEERE;16Die zullen in Mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot Mijn tafel naderen, om Mij te dienen, en zij zullen Mijn wacht waarnemen.17En het zal geschieden, als zij tot de poorten van het binnenste voorhof zullen ingaan, dat zij linnen klederen zullen aantrekken; maar wol zal op hen niet komen, als zij dienen in de poorten van het binnenste voorhof, en inwaarts.18Linnen huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hun lenden zijn; zij zullen zich niet gorden in het zweet.19En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hun klederen, in dewelke zij gediend hebben, uittrekken, en dezelve henenleggen in de heilige kameren; en zullen andere klederen aantrekken, opdat zij het volk niet heiligen met hun klederen.20En zij zullen hun hoofd niet glad afscheren, ook de lokken niet lang laten wassen; behoorlijk zullen zij hun hoofden bescheren.21Ook zal geen priester wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan.22Ook zullen zij zich geen weduwe of verstotene tot vrouwen nemen; maar jonge dochters van het zaad van het huis Israels, of een weduwe, die een weduwe zal geweest zijn van een priester, zullen zij nemen.23En zij zullen Mijn volk onderscheid leren tussen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tussen het onreine en reine.24En over een twistzaak zullen zij staan om te richten; naar Mijn rechten zullen zij hen richten; en zij zullen Mijn wetten en Mijn inzettingen op al Mijn gezette hoogtijden houden, en Mijn sabbatten heiligen.25Ook zal geen van hen tot een doden mens ingaan, dat hij onrein worde; maar om een vader, of om een moeder, of om een zoon, of om een dochter, om een broeder of om een zuster, die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen.26En na zijn reiniging zullen zij hem zeven dagen tellen.27En ten dage, als hij in het heilige zal ingaan, in het binnenste voorhof, om in het heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt de Heere HEERE.28Dit nu zal hun tot een erfenis zijn: Ik ben hun Erfenis; daarom zult gij hunlieden geen bezitting geven in Israel; Ik ben hun Bezitting.29Het spijsoffer, en het zondoffer, en het schuldoffer, die zullen zij eten; ook zal al het verbannene in Israel het hunne zijn.30En de eerstelingen van alle eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van al uw hefofferen, zullen der priesteren zijn; ook zult gij de eerstelingen van uw deeg den priester geven, om den zegen op uw huis te doen rusten.31Geen aas, noch wat verscheurd is van het gevogelte, of van het vee, zullen de priesters eten.

Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron, hadden beiden de priesterdienst vervuld, na de dood van hun broeders Nadab en Abihu (Numeri 3 vers 4). Vanwege de verdorvenheid van de zonen van Eli en het verraad van Abjathar (1 Samuël 3 vers 12 en 13; 1 Koningen 1 vers 7 en 8; 2 vers 27) verspeelden de nakomelingen van Ithamar later hun rechten. Daarom wordt nauwkeurig bijgehouden dat de priesters zonen van Zadok, uit de familie van Eleazar, zijn (1 Kronieken 6 vers 50 - 53). Het recht op uitoefening van deze dienst kan dan ook niet op grond van persoonlijke capaciteiten verworven worden, maar is enkel en alleen gegrond op geboorterecht (Psalm 87 vers 5). Dat gold toen, maar geldt evengoed voor vandaag. De verlosten van de Heere hebben alleen op grond van wedergeboorte allen het voorrecht tot het beoefenen van die prachtige priesterdienst.

Maar zoals het met elk voorrecht is, brengt ook deze verplichtingen met zich mee. De aanwijzingen die de priesters hier ontvangen, zijn heel precies, zowel voor het vervullen van hun dienst alsook voor hun gezinsleven (vergelijk Leviticus 21). Ze moeten speciaal letten op reinheid!

Dat is ook onze verantwoording; ook wij moeten oppassen voor elke vorm van verontreiniging, wij die door genade tot "een heilig priesterdom" geworden zijn, "om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus" (1 Petrus 2 vers 5; vergelijk ook 1 Thessalonika 4 vers 4).

Ezechiël 45:1-17
1Als gijlieden nu het land zult doen vallen in erfenis, zo zult gij een hefoffer den HEERE offeren, tot een heilige plaats, van het land; de lengte zal zijn de lengte van vijf en twintig duizend meetrieten, en de breedte tien duizend; dat zal in zijn gehele grenzen rondom heilig zijn.2Hiervan zullen tot het heiligdom zijn vijfhonderd met vijfhonderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot een buitenruim rondom.3Alzo zult gij meten van deze maat, de lengte van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend; en daarin zal het heiligdom zijn met het heilige der heiligen.4Dat zal een heilige plaats zijn van het land; zij zal zijn voor de priesteren, die het heiligdom bedienen, die naderen om den HEERE te dienen; en het zal hun een plaats zijn tot huizen, en een heilige plaats voor het heiligdom.5Voorts zullen de Levieten, die dienaars des huizes, ook de lengte hebben van vijf en twintig duizend, en de breedte van tien duizend, hunlieden tot een bezitting, voor twintig kameren.6En tot bezitting van de stad zult gij geven de breedte van vijf duizend en de lengte van vijf en twintig duizend, tegenover het heilig hefoffer; voor het ganse huis Israels zal het zijn.7De vorst nu zal zijn deel hebben van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers en der bezitting der stad, voor aan het heilig hefoffer, en voor aan de bezitting der stad; van den westerhoek westwaarts, en van den oosterhoek oostwaarts; en de lengte zal zijn tegenover een der delen, van de westergrens tot de oostergrens toe.8Dit land aangaande, het zal hem tot een bezitting zijn in Israel; en Mijn vorsten zullen Mijn volk niet meer verdrukken, maar den huize Israels het land laten, naar hun stammen.9Alzo zegt de Heere HEERE: Het is te veel voor u, gij vorsten Israels! doet geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neemt uw uitstortingen op van Mijn volk, spreekt de Heere HEERE.10Een rechte waag, en een rechte efa, en een rechte bath zult gijlieden hebben.11Een efa en een bath zullen van enerlei mate zijn, dat een bath het tiende deel van een homer houde; ook een efa het tiende deel van een homer; de mate daarvan zal zijn naar den homer.12En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijf en twintig sikkelen, en vijftien sikkelen, zal ulieden een pond zijn.13Dit is het hefoffer, dat gijlieden offeren zult: het zesde deel van een efa van een homer tarwe; ook zult gij het zesde deel van een efa geven van een homer gerst.14Aangaande de inzetting van olie, van een bath olie; gij zult offeren het tiende deel van een bath uit een kor, hetwelk is een homer van tien bath, want tien bath zijn een homer.15Voorts een lam uit de kudde, uit de tweehonderd, uit het waterrijke land van Israel, tot spijsoffer, en tot brandoffer, en tot dankofferen om verzoening over hen te doen, spreekt de Heere HEERE.16Al het volk des lands zal in dit hefoffer zijn, voor den vorst in Israel.17En het zal den vorst opleggen te offeren de brandofferen, en het spijsoffer, en het drankoffer, op de feesten, en op de nieuwe maanden, en op de sabbatten, op alle gezette hoogtijden van het huis Israels; hij zal het zondoffer, en het spijsoffer, en het brandoffer, en de dankofferen doen, om verzoening te doen voor het huis Israels.

Het hefoffer is een bepaald stuk land dat bij de verdeling van het land voor de HEERE bestemd was. De priesters zouden daar wonen (vers 4). Daarna wordt het eigendom van de Levieten, de stad en de vorst bepaald, want God waakt erover dat er in Israël geen verdrukking noch ongerechtigheid meer zal zijn (vers 9 en hoofdstuk 46 vers 18).

Dezelfde uitdrukking, hefoffer', heeft ook betrekking op de gaven die de Israëlieten, overeenkomstig de opbrengst van hun velden en kudden, aan de HEERE zullen brengen (vergelijk Leviticus 27 vers 30). Als christenen, onder de genade, zijn wij niet verplicht een bepaald deel van hetgeen wij bezitten, te geven. Maar zouden wij daarom minder bereidwillig zijn om voor de dienst van de Heere te geven?

In de verzen 15 en 17 komen we de verschillende offers tegen die in het Boek Leviticus voorgeschreven zijn. Het brandoffer doet ons denken aan Christus, Die Zich aan God geofferd heeft tot een welriekende reuk (Efeze 5 vers 2). Het spijsoffer spreekt over Zijn leven van lijden en overgave. Het vredeoffer spreekt ons erover dat we ons met Christus kunnen voeden; in Hem zijn wij verzekerd van alle zegeningen en dat vormt de grondslag voor onze aanbidding. In het zondoffer wordt ons ten slotte het heilige Offer voorgesteld, Dat door God gezonden werd tot verzoening voor onze zonden (1 Johannes 2 vers 2; 4 vers 10).

Ezechiël 45:21-25; Ezechiël 46:1-11
21In de eerste maand, op den veertienden dag der maand, zal ulieden het pascha zijn; een feest van zeven dagen, ongezuurde broden zal men eten.22En de vorst zal op denzelven dag voor zichzelven, en voor al het volk des lands, bereiden een var des zondoffers.23En de zeven dagen van het feest zal hij een brandoffer den HEERE bereiden, van zeven varren en zeven rammen, die volkomen zijn, dagelijks, de zeven dagen lang, en een zondoffer van een geitenbok, dagelijks.24Ook zal hij een spijsoffer bereiden, een efa tot een var, en een efa tot een ram; en een hin olie tot een efa.25In de zevende maand, op den vijftienden dag der maand zal hij op het feest desgelijks doen, zeven dagen lang; gelijk het zondoffer, gelijk het brandoffer, en gelijk het spijsoffer, en gelijk de olie.
1Alzo zegt de Heere HEERE: De poort van het binnenste voorhof, die naar het oosten ziet; zal de zes werkdagen gesloten zijn; maar op den sabbatdag zal zij geopend worden; ook zal zij geopend worden op den dag van de nieuwe maan.2En de vorst zal ingaan door den weg van het voorhuis derzelve poort van buiten, en zal staan aan den post van de poort; en de priesters zullen zijn brandofferen en zijn dankofferen bereiden, en hij zal aanbidden aan den dorpel der poort, en daarna uitgaan; doch de poort zal niet gesloten worden tot op den avond.3Ook zal het volk des lands aanbidden voor de deur derzelve poort, op de sabbatten en op de nieuwe manen, voor het aangezicht des HEEREN.4Het brandoffer nu, dat de vorst den HEERE zal offeren, zal op den sabbatdag zijn, zes volkomen lammeren, en een volkomen ram.5En het spijsoffer, een efa tot den ram, maar tot de lammeren zal het spijsoffer een gave zijner hand zijn; en olie, een hin tot een efa.6Maar op den dag van de nieuwe maan, een var, een jong rund, van de volkomene, en zes lammeren, en een ram; volkomen zullen zij zijn.7En ten spijsoffer zal hij bereiden een efa tot den var, en een efa tot den ram; maar tot de lammeren, zoals zijn hand bekomen zal; en een hin olie tot een efa.8En als de vorst ingaat, zal hij door den weg van het voorhuis der poort ingaan, en door deszelfs weg weder uitgaan.9Maar als het volk des lands voor het aangezicht des HEEREN komt, op de gezette hoogtijden, die door den weg van de noorderpoort ingaat om te aanbidden, zal door den weg van de zuiderpoort weder uitgaan; en die door den weg van de zuiderpoort ingaat, zal door den weg van de noorderpoort weder uitgaan; hij zal niet wederkeren door den weg der poort, door dewelke hij is ingegaan, maar recht voor zich henen uitgaan.10De vorst nu zal in het midden van hen ingaan, als zij ingaan; en als zij uitgaan, zullen zij samen uitgaan.11Voorts op de feesten, en op de gezette hoogtijden zal het spijsoffer zijn, een efa tot een var, en een efa tot een ram; maar tot de lammeren, een gave zijner hand; en olie, een hin tot een efa.

Hoofdstuk 45 besluit met de aanwijzingen voor het Pascha, het eerste van de grote jaarlijkse feesten (Deuteronomium 16). Voortaan zal elke Israëliet de kostbare betekenis daarvan begrijpen en aan het Lam van God kunnen denken, Wiens bloed hem voor het oordeel heeft beschermd.

Het tweede feest, het feest der weken (pinksteren), wordt hier niet genoemd. We begrijpen waarom, want dat feest heeft betrekking op de Gemeente, welks deel hemels is en waarvoor dus geen plaats is in dit beeld van het aardse rijk.

In vers 25 is er daarentegen wel weer sprake van het derde feest, dat eenvoudig "het feest" genoemd wordt. Het gaat om het loofhuttenfeest, waar echter maar heel weinig over gezegd wordt, omdat het een beeld van het duizendjarig vrederijk is, dat dan gekomen zal zijn.

Hoofdstuk 46 spreekt over het feest van de sabbat en het feest van de nieuwe maan en geeft aanwijzingen over de verplichtingen van de vorst met betrekking tot deze beide feesten.

Misschien verbazen we ons erover dat dit profetisch gezicht zo belangrijk is en daarom zo precies omschreven wordt. Maar — we herhalen het nog eens — nadat God zoveel oneer werd aangedaan in Israël, is het volkomen terecht en juist dat er zoveel nadruk gelegd wordt op de toekomstige godsdienst, waarin Hij bevredigd en eindelijk verheerlijkt zal worden hier op aarde. En Hij wil graag dat wij ons samen met Hem verheugen, wij die Hem nu als Zijn hemels volk mogen loven.

Ezechiël 47:1-12
1Daarna bracht hij mij weder tot de deur van het huis, en ziet, er vloten wateren uit, van onder den dorpel des huizes naar het oosten; want het voorste deel van het huis was in het oosten, en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des huizes, van het zuiden des altaars.2En hij bracht mij uit door den weg van de noorderpoort, en voerde mij om door den weg van buiten, tot de buitenpoort, den weg, die naar het oosten ziet; en ziet, de wateren sprongen uit de rechterzijde.3Als nu die man naar het oosten uitging, zo was er een meetsnoer in zijn hand; en hij mat duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen.4Toen mat hij nog duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de knieen; en hij mat nog duizend, en deed mij doorgaan, en de wateren raakten tot aan de lenden.5Voorts mat hij nog duizend, en het was een beek, waar ik niet kon doorgaan; want de wateren waren hoge wateren, waar men door zwemmen moest, een beek, waar men niet kon doorgaan.6En hij zeide tot mij: Hebt gij het gezien, mensenkind? Toen voerde hij mij, en bracht mij weder tot aan den oever der beek.7Als ik wederkeerde, ziet, zo was er aan den oever der beek zeer veel geboomte, van deze en van gene zijde.8Toen zeide hij tot mij: Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galilea, en dalen af in het vlakke veld; daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zo worden de wateren gezond.9Ja, het zal geschieden, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen een der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen.10Ook zal het geschieden, dat er vissers aan dezelve zullen staan, van En-gedi aan tot En-eglaim toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der netten; haar vis zal naar zijn aard wezen als de vis van de grote zee, zeer menigvuldig.11Doch haar modderige plaatsen en haar moerassen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven.12Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn wateren vlieten uit het heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heling.

Er blijft nog een wonderbaar detail in deze tempel van de toekomst voor de profeet over om te overdenken. Vanonder de drempel, evenals vanonder de troon van God Zelf, borrelt water op uit een frisse, krachtige, onuitputtelijke bron. Het stroomt en breidt zich steeds verder uit (hoewel er geen sprake is van aanvoer), en Ezechiël gaat met zijn hemelse begeleider langs de oever. Bij iedere volgende duizend el wordt hij opgeroepen om door het water te gaan. En al gauw vindt hij geen grond meer onder de voeten, "want de wateren waren hoge wateren, waar men door zwemmen moest" (vers 5).

Wat een kostbaar beeld van de stroom van genade, die voor ons uit het heiligdom voortkomt! Net als de profeet leren ook wij de diepte van deze stroom steeds meer waarderen, naarmate wij meer ervaringen opdoen in ons christelijk leven, totdat wij ons ervan bewust worden, dat deze genade ondoorgrondelijk is (2 Petrus 3 vers 18).

Deze buitengewone rivier zal naar het Oosten stromen en het gebied dat tegenwoordig de meest woeste plaats op aarde is, dan leven en vruchtbaarheid brengen. Daarbij gaat het om het gebied van de Dode Zee (vers 8; vergelijk Joël 3 vers 18 en Zacharia 14 vers 8). Het zoute water zal dan gezond gemaakt worden en ook rijk aan vis zijn; de woestijn zal veranderen in waterbeken (Jesaja 41 vers 18); niets zal dan meer herinneren aan de vloek van Sodom. Op deze manier brengt de Goddelijke en levengevende genade vruchten voort voor God, overal waar het zich uitbreidt, ook in onze harten (Johannes 7 vers 38).

Ezechiël 47:13-23; Ezechiël 48:1-7
13Alzo zegt de Heere HEERE: Dit zal de landpale zijn, naar dewelke gij het land ten erve zult nemen, naar de twaalf stammen Israels: Jozef twee snoeren.14En gij zult dat erven, de een zowel als de ander; over hetwelk Ik Mijn hand heb opgeheven, dat Ik het uw vaderen zou geven; en ditzelve land zal ulieden in erfenis vallen.15Dit nu zal de landpale des lands zijn: aan den noorderhoek, van de grote zee af, den weg van Hethlon, waar men komt te Zedad.16Hamath, Berotha, Sibraim, dat tussen de landpale van Damaskus en tussen de landpale van Hamath is; Hazar Hattichon, dat aan de landpale van Havran is.17Alzo zal de landpale van de zee af zijn, Hazar-Enon, de landpale van Damaskus, en het noorden noordwaarts, en de landpale van Hamath; en dat zal de noorderhoek zijn.18Den oosterhoek nu zult gijlieden meten van tussen Havran, en van tussen Damaskus, en van tussen Gilead, en van tussen het land Israels aan den Jordaan, van de landpale af tot de Oostzee toe; en dat zal de oosterhoek zijn.19En den zuiderhoek zuidwaarts van Thamar af, tot aan het twistwater van Kades, voorts naar de beek henen, tot aan de grote zee; en dat zal de zuiderhoek zuidwaarts zijn.20En den westerhoek, de grote zee, van de landpale af tot daar men recht tegenover Hamath komt; dat zal de westerhoek zijn.21Ditzelve land nu zult gij ulieden uitdelen naar de stammen Israels.22Maar het zal geschieden, dat gij hetzelve zult doen vallen in erfenis voor ulieden, en voor de vreemdelingen, die in het midden van u verkeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen ulieden zijn, als een inboorling onder de kinderen Israels; zij zullen met ulieden in erfenis vallen, in het midden der stammen Israels.23Ook zal het geschieden, in den stam, bij welken de vreemdeling verkeert, aldaar zult gij hem zijn erfenis geven, spreekt de Heere HEERE.
1Dit nu zijn de namen der stammen. Van het einde noordwaarts, aan de zijde des wegs van Hethlon, waar men komt te Hamath, Hazar-Enon, de landpale van Damaskus, noordwaarts aan de zijde van Hamath (ook zal hij den oosterhoek en westerhoek hebben), zal Dan een snoer hebben.2En aan de landpale van Dan, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Aser een.3En aan de landpale van Aser, van den oosterhoek af tot den westerhoek toe, Nafthali een.4En aan de landpale van Nafthali, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Manasse een.5En aan de landpale van Manasse, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Efraim een.6En aan de landpale van Efraim, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Ruben een.7En aan de landpale van Ruben, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Juda een.

De grenzen van het land Israël worden vastgesteld en binnen deze grenzen krijgt elke stam zijn erfdeel. Dat is een rechte strook grond, dat zich van de Middellandse Zee tot ver over de Jordaan uitstrekt (tot aan de Eufraat, overeenkomstig de Goddelijke beloften, die dan eindelijk in vervulling zullen gaan: Exodus 23 vers 31; Jozua 1 vers 4).

Wanneer wij deze opdeling vergelijken met de ingewikkelde lijn van grenzen, die oorspronkelijk door Jozua en zijn boden vastgelegd werden (Jozua 18), dan komen we tot bewondering, hoe eenvoudig alles is, wanneer God de dingen bepaalt! Elk gebied wordt gelijkmatig verdeeld, zodat er geen jaloezie kan ontstaan, noch commentaar gegeven kan worden (lees Jozua 17 vers 14). En als om elke strijdvraag te voorkomen, bepaalt de HEERE Zelf dat Jozef twee delen zal ontvangen (vers 13; de vervulling van Genesis 48 vers 5).

Ruben, Gad en de halve stam Manasse hadden destijds hun deel verkozen buiten het gebied van de andere stammen. Nu zullen zij te midden van hun broeders wonen, binnen de grenzen die God hun heeft aangewezen (hoofdstuk 48 vers 4, 6 en 27). Dan zal er ook geen scheiding meer bestaan tussen Juda en de tien stammen. De ene groep zal dan in het Noorden, de andere in het Zuiden wonen, aan weerskanten van "de heilige heffing". Op deze manier zal voortaan Psalm 133 vers 1 in praktijk gebracht worden: "Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen".

Ezechiël 48:20-35
20Het ganse hefoffer zal zijn van vijf en twintig duizend meetrieten, met vijf en twintig duizend; vierkant zult gijlieden het heilig hefoffer offeren, met de bezitting der stad.21En het overgelatene zal voor den vorst zijn, van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers, en van de bezitting der stad, voor aan de vijf en twintig duizend meetrieten des hefoffers, tot aan de oosterlandpale en westerlandpale, voor aan de vijf en twintig duizend aan de westerlandpale, tegenover de andere delen, dat zal voor den vorst zijn; en het heilig hefoffer, en het heiligdom des huizes, zal in het midden daarvan zijn.22Van de bezitting nu der Levieten, en van de bezitting der stad af, zijnde in het midden van hetgeen des vorsten zal zijn; wat tussen de landpale van Juda, en tussen de landpale van Benjamin is, zal des vorsten zijn.23Aangaande voorts het overige der stammen; van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Benjamin een snoer.24En aan de landpale van Benjamin, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Simeon een.25En aan de landpale van Simeon, van den oosterhoek tot de westerhoek toe, Issaschar een.26En aan de landpale van Issaschar, van den oosterhoek tot aan den westerhoek toe, Zebulon een.27En aan de landpale van Zebulon, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Gad een.28Aan de landpale nu van Gad, aan den zuiderhoek zuidwaarts, daar zal de landpale zijn van Thamar af, naar het twistwater van Kades, voorts naar de beek henen, tot aan de grote zee.29Dit is het land, dat gijlieden zult doen vallen in erfenis, voor de stammen Israels, en dit zullen hun delen zijn, spreekt de Heere HEERE.30Voorts zullen dit de uitgangen der stad zijn: van den noorderhoek, vier duizend en vijfhonderd maten.31En de poorten der stad zullen zijn naar de namen der stammen Israels; drie poorten noordwaarts; een poort van Ruben, een poort van Juda, een poort van Levi.32En aan den oosterhoek, vier duizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: namelijk, een poort van Jozef, een poort van Benjamin, een poort van Dan.33De zuiderhoek ook vier duizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: een poort van Simeon, een poort van Issaschar, een poort van Zebulon.34De westerhoek, vier duizend en vijfhonderd; derzelver poorten drie: een poort van Gad, een poort van Aser, een poort van Nafthali.35Rondom achttien duizend; en de naam der stad zal van dien dag af zijn: De HEERE Is ALDAAR.

Men heeft het Boek Ezechiël vaak vergeleken met het Boek Openbaring. Beide Boeken beginnen met een heerlijk, maar ook ernstig visioen, beschrijven vervolgens de toekomstige oordelen en besluiten uiteindelijk met een beeld van de gelukzalige toekomstige regering.

Maar Ezechiël beziet deze gebeurtenissen vanuit een ander gezichtspunt, en wel met betrekking tot Israël. Het Boek Openbaring daarentegen geeft ons in de laatste hoofdstukken, op symbolische wijze, een voorstelling van hetgeen betrekking heeft op de Gemeente en haar hemelse toekomst. De heilige stad, die in Openbaring 21 beschreven en gemeten wordt, is daar een beeld van. In de hemel komt zij overeen met het aardse Jeruzalem, waarvan we lezen in de verzen 30 - 35; ook zij heeft twaalf poorten, waarop de namen staan van de twaalf stammen van Israël (Openbaring 21 vers 12; vergelijk ook wat in Ezechiël 47 vers 1 en 12 over de rivier gezegd wordt, met Openbaring 22 vers 1 en 2).

De prachtige naam die de stad in de toekomst zal dragen: "De HEERE is aldaar", herinnert ons eraan dat het nieuwe Jeruzalem "de tabernakel van God" zal zijn (Openbaring 21 vers 3); ja nog meer: dat de hoogste gedachte van God in Christus is, dat God uiteindelijk "alles in allen" zal zijn (1 Korinthe 15 vers 28).

Geve de Heere dat Hij nu al in het hart van ieder van ons mag wonen!

Lukas 1:1-17
1Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben;2Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn;3Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus!4Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt.5In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aaron, en haar naam Elizabet.6En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk.7En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren.8En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt zijner dagorde.9Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.10En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des reukoffers.11En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde van het altaar des reukoffers.12En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.13Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.14En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.15Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.16En hij zal velen der kinderen Israels bekeren tot den Heere, hun God.17En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.

Het evangelie naar Lukas brengt ons de Heere Jezus in zekere zin het dichtste bij ons. In dit evangelie mogen we Hem namelijk bewonderen als de volmaakte Mens. God heeft Lukas — de geliefde arts, die tot op het laatst een trouwe begeleider van de apostel Paulus was (Kolosse 4 vers 14; 2 Timotheüs 4 vers 11) — uitverkoren om ons deze openbaring van de Heere Jezus te geven. Dat wordt gedaan in de vorm van een bericht, dat aan een zekere Theofilus (= door God geliefd) is geschreven.

Het thema waarover de evangelist wil schrijven, brengt hem ertoe dit heel zorgvuldig te doen. Het betreft namelijk de wijze waarop de Heere Jezus de gestalte van een Mens aannam en Zijn intrede deed in deze wereld. Natuurlijk had de Heere Jezus als een volwassene hier op aarde kunnen komen. Hij wilde onze geschiedenis echter helemaal Zelf doorleven, vanaf de geboorte tot aan de dood, maar dan tot verheerlijking van God.

Het begin van de beschrijving laat ons Zacharias zien, een Godvrezende priester, die zijn dienst vervult in de tempel. Terwijl hij op deze plechtige plaats met het reukoffer bezig is, bemerkt hij plotseling tot zijn grote schrik dat hij niet meer alleen is. Aan de rechterkant van het reukofferaltaar staat een engel, die een Goddelijke boodschap mag doorgeven: Zacharias en zijn vrouw Elizabeth zullen een zoon krijgen. Vanaf zijn geboorte zal deze jongen afgezonderd zijn voor God. Hij zal tot een groot profeet worden, met de speciale opdracht om Israël voor te bereiden op de komst van hun Messias (vergelijk vers 17 met Maleachi 4 vers 5 en 6).

Lukas 1:18-38
18En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen.19En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriel, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.20En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd.21En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in den tempel.22En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.23En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.24En na die dagen werd Elizabet, zijn vrouw, bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende:25Alzo heeft mij de Heere gedaan, in de dagen, in welke Hij mij aangezien heeft, om mijn versmaadheid onder de mensen weg te nemen.26En in de zesde maand werd de engel Gabriel van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth;27Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was Maria.28En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder de vrouwen.29En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overlegde, hoedanig deze groetenis mocht zijn.30En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.31En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS.32Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den troon van Zijn vader David geven.33En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.34En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?35En de engel, antwoordende, zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.36En zie, Elizabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht, met een zoon, in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.37Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.38En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

Het hart van Zacharias blijft ongelovig ten opzichte van deze geweldige boodschap. Toch is het, desondanks, een verhoring van zijn gebeden (vers 13). Ach, wij zijn niet beter. Soms verwachten wij ook niet meer dat datgene zal gebeuren waar wij de Heere om gebeden hebben. Op de vraag van Zacharias: "Waarbij zal ik dat weten?" (vers 18), openbaart de hemelse boodschapper zijn naam: "Gabriël" (vers 19). Die naam betekent: God is machtig. Ja, hetgeen de engel uit naam van God mocht overbrengen, zal ondanks de verdrietige en verstandelijke redeneringen van Zacharias toch voor hem in vervulling gaan. En Zacharias zal tot aan de geboorte van het kind niet meer kunnen spreken, terwijl zijn vrouw Elizabeth, die het onderwerp van Goddelijke genade is, zich bescheiden verborgen zal houden, om de aandacht niet op haarzelf te richten.

Daarna krijgt de engel Gabriël nog een buitengewone opdracht: hij moet naar Maria, een maagd uit Israël, gaan en haar vertellen dat zij de moeder van de Heiland zal worden. Wat een wonderbare gebeurtenis, met onafzienbare gevolgen!

We kunnen best begrijpen dat Maria hierdoor erg opgewonden is en helemaal van slag raakt. Maar ondanks dat zij denkt aan een onmogelijkheid, blijkt uit haar vraag in vers 34 geen verlangen naar een teken (een kenmerk van ongeloof), zoals dat wel het geval was bij Zacharias (vers 18). Maria gelooft en onderwerpt zich aan de Goddelijke wil en zegt: "Zie, de dienstmaagd des Heeren" (vers 38).

Verwacht Hij, Die ons verlost heeft, niet hetzelfde antwoord van ons?

Lukas 1:39-56
39En Maria, opgestaan zijnde in diezelfde dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda;40En kwam in het huis van Zacharias, en groette Elizabet.41En het geschiedde, als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zo sprong het kindeken op in haar buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest;42En riep uit met een grote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks!43En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?44Want zie, als de stem uwer groetenis in mijn oren geschiedde, zo sprong het kindeken van vreugde op in mijn buik.45En zalig is zij, die geloofd heeft; want de dingen, die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.46En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere;47En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker;48Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.49Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam.50En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.51Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.52Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd.53Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.54Hij heeft Israel, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.55(Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid.56En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis.

Maria kan niet anders dan de blijde boodschap waar de engel met haar over gesproken heeft, met Elizabeth delen. Vandaar dat ze vlug naar haar familie toe gaat.

Wat een geweldig gesprek vindt er plaats tussen deze beide vrouwen! Dat is een prachtige illustratie van Maleachi 3 vers 16: "Alsdan spreken, die de HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste..." Wat hen beiden bezighoudt, is de heerlijkheid van God, de vervulling van Zijn beloften en de zegeningen die het gevolg van geloof zullen zijn.

Zijn dat ook de onderwerpen waarover wij spreken, wanneer wij elkaar als kinderen van God ontmoeten?

"Zalig is zij die geloofd heeft", roept Elizabeth uit (vers 45). En Maria antwoordt: "Mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker" (vers 47). Dat is voldoende bewijs, dat Maria niet anders dan door geloof behouden is. Als zondares had zij, evenals alle mensen, de Heiland nodig, Die door haar geboren zou worden. Zij voegt eraan toe: "Omdat Hij de lage staat van Zijn dienstmaagd heeft aangezien" (vers 48). Ondanks de buitengewone eer die haar ten deel is gevallen, blijft Maria de plaats innemen die haar past, ten opzichte van Hem. Wat zou zij gezegd hebben als ze had geweten van de cultus waarvan zij in de rooms-katholieke wereld het onderwerp is geworden?

"Rijken heeft Hij ledig weggezonden" (vers 53). God stuurt alleen hen leeg weg die vervuld zijn van zichzelf. Het is heel opmerkelijk hoe de prachtige lofprijzing van Maria lijkt op die van Hanna, in 1 Samuël 2.

Lukas 1:57-80
57En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij baarde een zoon.58En die daar rondom woonden, en haar magen hoorden, dat de Heere Zijn barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd.59En het geschiedde, dat zij op den achtsten dag kwamen, om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacharias, naar den naam zijns vaders.60En zijn moeder antwoordde en zeide: Niet alzo, maar hij zal Johannes heten.61En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw maagschap, die met dien naam genaamd wordt.62En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genaamd zou worden.63En als hij een schrijftafeltje geeist had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.64En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong losgemaakt; en hij sprak, God lovende.65En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het gehele gebergte van Judea werd veel gesproken van al deze dingen.66En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen? En de hand des Heeren was met hem.67En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met den Heiligen Geest, en profeteerde, zeggende:68Geloofd zij de Heere, de God Israels, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volke;69En heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht;70Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn;71Namelijk een verlossing van onze vijanden, en van de hand al dergenen, die ons haten;72Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond;73En aan den eed, dien Hij Abraham, onzen vader, gezworen heeft, om ons te geven,74Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze.75In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens.76En gij, kindeken, zult een profeet des Allerhoogsten genaamd worden; want gij zult voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Zijn wegen te bereiden;77Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden.78Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte;79Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes.80En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de woestijnen, tot den dag zijner vertoning aan Israel.

Elizabeth brengt het kind ter wereld dat "een profeet van de Allerhoogste" wordt (vers 76). De buren en de familie zijn blij met haar. Ja, de eerste hoofdstukken van het Lukasevangelie staan vol met blijdschap (hoofdstuk 1 vers 14, 44, 47 en 58; hoofdstuk 2 vers 10)!

Nu heeft Zacharias de gelegenheid om zijn geloof te tonen, door de prachtige naam van het kind te bevestigen (Johannes betekent: de Heere is genadig). Onmiddellijk daarna kan hij weer praten en met zijn eerste woorden looft en prijst hij God. Vol van de Heilige Geest roemt hij de grote redding, die de HEERE ten gunste van Zijn volk zal volbrengen.

En als christenen hebben wij nog veel meer reden om het loflied aan te heffen! Door het komen van Christus en het volbrengen van Zijn werk op het kruis, heeft God ons niet van aardse vijanden, maar van de macht van satan bevrijd. Wanneer wij daarvan verlost zijn, is het dan geen groot voorrecht voor ons om de Heere "zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven" te dienen (vers 74 en 75)?

Zacharias voegt eraan toe: "...waarmee ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte" (vers 78). Ten tijde van Ezechiël had de heerlijkheid zich verheven en vervolgens teruggetrokken. En nu — wat een wonderbare gebeurtenis — komt deze Goddelijke heerlijkheid terug, om het krachteloze en ellendige volk op te zoeken (vers 79). En dat niet meer in de vorm van een verblindende wolk, maar in de gedaante van een bescheiden, klein Kind.

Lukas 2:1-20
1En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.2Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenius over Syrie stadhouder was.3En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad.4En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was);5Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke bevrucht was.6En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude.7En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.8En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde.9En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze.10En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal;11Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.12En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.13En van stonde aan was er met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God en zeggende:14Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.15En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem, en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.16En zij kwamen met haast, en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe.17En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was.18En allen, die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders.19Doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar hart.20En de herders keerde wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.

Zonder het te weten, wordt keizer Augustus één van de werktuigen in de hand van God, die Hij gebruikt om Zijn wonderbare raadsbesluiten te vervullen. Bij allen onbekend, begeven Jozef en Maria zich naar Bethlehem, waar de geboorte van de Heere Jezus plaatsvindt. Maar op welke wijze deed de Zoon van God Zijn intrede hier beneden! Hij werd in een kribbe gelegd, omdat er in de herberg geen plaats voor Hem was! Zijn komst stoort de wereld. Vele harten lijken op deze herberg: er is geen plaats voor de Heere Jezus.

Het zijn niet de groten van deze aarde, maar eenvoudige herders aan wie de blijde boodschap wordt verkondigd, namelijk "dat u heden geboren is de Zaligmaker" (vers 11). Hij is voor hen en voor ons geboren. Ook al bekommert de wereld zich niet om de geboorte van de Verlosser, toch roemt de hele hemel in dit onvergelijkbaar geheim: "God is geopenbaard in het vlees.... gezien van de engelen" (1 Timotheüs 3 vers 16). Zij zijn het die God in een wonderbaar koor de eer geven, vrede op aarde en Gods welgevallen aan de mensen verkondigen (vergelijk Spreuken 8 vers 31). Dankzij het teken dat aan de herders gegeven werd, vinden zij het Kind. Ze vertellen wat zij zojuist hebben gezien en gehoord, en geven op hun beurt ook God de eer (vers 20).

Laten we ons bij hen aansluiten met onze dank en onze lof!

Lukas 2:21-38
21En als acht dagen vervuld waren, dat men het Kindeken besnijden zou, zo werd Zijn Naam genaamd JEZUS, welke genaamd was van den engel, eer Hij in het lichaam ontvangen was.22En als de dagen harer reiniging vervuld waren, naar de wet van Mozes, brachten zij Hem te Jeruzalem, opdat zij Hem den Heere voorstelden;23(Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal den Heere heilig genaamd worden.)24En opdat zij offerande gaven, naar hetgeen in de wet des Heeren gezegd is, een paar tortelduiven, of twee jonge duiven.25En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israels, en de Heilige Geest was op hem.26En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien.27En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen;28Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide:29Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord;30Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,31Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken;32Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israel.33En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd.34En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israel, en tot een teken, dat wedersproken zal worden.35(En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.36En er was Anna, een profetesse, een dochter van Fanuel, uit den stam van Aser; deze was tot groten ouderdom gekomen, welke met haar man zeven jaren had geleefd van haar maagdom af.37En zij was een weduwe van omtrent vier en tachtig jaren, dewelke niet week uit den tempel, met vasten en bidden, God dienende nacht en dag.38En deze, te dierzelfder ure daarbij komende, heeft insgelijks den Heere beleden, en sprak van Hem tot allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.

In verbinding met het Kind werd alles gedaan wat de wet van de Heere voorschreef. (De aanduiding "Heere" wordt in de verzen 22 - 24 vier maal herhaald, als om aan te tonen, dat God recht op dit Kind heeft en dat Gods wil bij dit Kind van jongs af aan vervuld wordt.) Uit het offer dat Jozef en Maria in de tempel brengen, blijkt duidelijk hoe arm ze waren (lees Leviticus 12 vers 8). En ook hier zijn het niet de leiders van het volk die de Verlosser van Israël te zien krijgen, maar eenvoudige en Godvrezende, oude mensen: Simeon en Anna. Waarom werd hun deze gunst toegestaan? Omdat zij Hem verwachtten!

De Geest leidt Simeon in de tempel en laat hem Degene zien Die "de vertroosting van Israël", het heil van God, het licht van de heidenen en de heerlijkheid van het volk is. Hij mag dat Kind met eigen ogen zien en in zijn armen nemen; wat zal dit alles voor zijn geloof betekend hebben! Hij looft God en zegt daarna, dat de Heere Jezus tot een Toetssteen zal zijn, om de toestand van de harten te openbaren (Jesaja 8 vers 14). En dat is Hij vandaag de dag nog steeds!

Dan komt Anna naar voren. Zij is een vrouw van gebed en een trouwe getuige, die instemt met de lof die God gebracht werd. Doordat zij niet week uit de tempel, bracht zij Psalm 84 vers 5 in praktijk. Ten slotte spreekt zij uit de volheid van haar hart.

Wat is zij een geweldig voorbeeld voor ons!

Lukas 2:39-52
39En als zij alles voleindigd hadden, wat naar de wet des Heeren te doen was, keerden zij weder naar Galilea, tot hun stad Nazareth.40En het Kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over Hem.41En Zijn ouders reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van pascha.42En toen Hij twaalf jaren oud geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte van den feestdag;43En de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het Kind Jezus te Jeruzalem, en Jozef en Zijn moeder wisten het niet.44Maar menende, dat Hij in het gezelschap op den weg was, gingen zij een dagreize, en zochten Hem onder de magen, en onder de bekenden.45En als zij Hem niet vonden, keerden zij wederom naar Jeruzalem, Hem zoekende.46En het geschiedde, na drie dagen, dat zij Hem vonden in den tempel, zittende in het midden der leraren, hen horende, en hen ondervragende.47En allen, die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden.48En zij, Hem ziende, werden verslagen; en Zijn moeder zeide tot Hem: Kind! waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht.49En Hij zeide tot hen: Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders?50En zij verstonden het woord niet, dat Hij tot hen sprak.51En Hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En Zijn moeder bewaarde al deze dingen in haar hart.52En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de mensen.

Dit Schriftgedeelte is van grote betekenis. Het geeft ons een eenmalige indruk van wat God voor goed en nodig achtte, om ons over de kindertijd en de jeugd van de Heere Jezus mee te delen. Daarom hebben wij hier het onvergelijkbare Voorbeeld, in het bijzonder voor onze kinderen en jonge-mensen. Hij is volmaakt in Zijn betrekkingen tot Zijn hemelse Vader, Wiens dingen of aangelegenheden bij Hem boven alles gaan (vers 49). Hij is eveneens onberispelijk in Zijn omgang met de leraars in de tempel. Hoewel Hij oneindig veel wijzer is dan zij allen (Psalm 119 vers 99 en 100), luistert Hij naar hen en stelt hun vragen die Hij Zelf alleen kan beantwoorden (vers 47). Eveneens is Hij onberispelijk in Zijn gedrag naar Zijn ouders toe. In vers 51 wordt uitdrukkelijk gezegd: "En Hij... was hun onderdanig". Er mag dus nooit verondersteld worden dat Hij uit ongehoorzaamheid aan hen weggelopen zou zijn! Hij, Die Zich bewust was van Zijn hoogheid als Zoon van God, is in het huis van Zijn ouders van jongs af aan volkomen gehoorzaam geweest. Hij is in al Zijn doen en laten het grote Voorbeeld voor jong en oud!

Graag willen we ook nog wijzen op de ijver die Hij in Zijn jeugd al had voor de tempel en waardoor, op zo'n jonge leeftijd, Zijn interesse voor de Goddelijke waarheden al duidelijk naar voren komt. In de wereldberoemde stad Jeruzalem, die Hij waarschijnlijk voor het eerst in Zijn leven bezocht, bestond er voor Hem geen enkel ander aantrekkingspunt.

Daarbij mogen we onszelf de vraag stellen: welke waarde heeft de tegenwoordigheid van de Heere en Zijn onderwijs voor ons?

Lukas 3:1-14
1En in het vijftiende jaar der regering van den keizer Tiberius, als Pontius Pilatus stadhouder was over Judea, en Herodes een viervorst over Galilea, en Filippus, zijn broeder, een viervorst over Iturea en over het land Trachonitis, en Lysanias een viervorst over Abilene;2Onder de hogepriesters Annas en Kajafas, geschiedde het woord Gods tot Johannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn.3En hij kwam in al het omliggende land der Jordaan, predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.4Gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht!5Alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme wegen zullen tot een rechten weg worden, en de oneffen tot effen wegen.6En alle vlees zal de zaligheid Gods zien.7Hij zeide dan tot de scharen, die uitkwamen, om van hem gedoopt te worden: Gij adderengebroedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?8Brengt dan vruchten voort der bekering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot een vader; want ik zeg u, dat God zelfs uit deze stenen Abraham kinderen kan verwekken.9En de bijl ligt ook alrede aan den wortel der bomen; alle boom dan, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het vuur geworpen.10En de scharen vraagden hem, zeggende: Wat zullen wij dan doen?11En hij, antwoordende, zeide tot hen: Die twee rokken heeft, dele hem mede, die geen heeft; en die spijze heeft, doe desgelijks.12En er kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester! wat zullen wij doen?13En hij zeide tot hen: Eist niet meer, dan hetgeen u gezet is.14En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldigingen.

Vroeger waren de wegen zo slecht dat ze elke keer eerst hersteld moesten worden wanneer er een hoge persoonlijkheid met zijn gevolg langs zou komen. In geestelijk opzicht is dat de dienst van Johannes de Doper. Hij had de opdracht om de Joden op de komst van de Messias voor te bereiden en waarschuwt hen dat hun hoedanigheid als kinderen van Abraham niet voldoende is om hen voor de komende toorn te bewaren. Wat God van hen vraagt, is bekering, dat gepaard moet gaan met het brengen van ware vruchten. Bekering of toom, dat is de keuze waarvoor Israël — maar ook ieder ander mens — gesteld wordt.

Er komen achtereenvolgens mensen uit alle lagen van de bevolking bij Johannes. En aan ieder heeft hij een boodschap van God over te brengen. Zo heeft het Woord voor elke omstandigheid en voor ieder mens, tot welke bevolkingsgroep hij ook mag behoren, een antwoord.

Ten slotte komen de soldaten bij Johannes. Misschien hadden zij verwacht onder de banier van de Messias geplaatst te kunnen worden, om zich met dat leger van het juk van de Romeinen te bevrijden. Het antwoord van Johannes zal hen daarom erg verrast hebben (vers 14).

Laten we niet menen dat de Heere ons nodig zou hebben om opzienbarende dingen te volbrengen. Wat Hij van ons verwacht, is een oprecht getuigenis in zachtmoedigheid en tevredenheid met de situatie waarin wij ons bevinden (1 Korinthe 7 vers 24).

Lukas 3:15-38
15En als het volk verwachtte, en allen in hun harten overleiden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware;16Zo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water; maar Hij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben den riem van Zijn schoenen te ontbinden; Deze zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur;17Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en de tarwe zal Hij in Zijn schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij met onuitblusselijk vuur verbranden.18Hij dan, ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den volke het Evangelie.19Maar als Herodes, de viervorst van hem bestraft werd, om Herodias' wil, de vrouw van Filippus, zijn broeder, en over alle boze stukken, die Herodes deed,20Zo heeft hij ook dit nog boven alles daar toegedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft.21En het geschiedde, toen al het volk gedoopt werd, en Jezus ook gedoopt was, en bad, dat de hemel geopend werd;22En dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde, in lichamelijke gedaante, gelijk een duif; en dat er een stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!23En Hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (alzo men meende) de zoon van Jozef, den zoon van Heli,24Den zoon van Matthat, den zoon van Levi, den zoon van Melchi, den zoon van Janna, den zoon van Jozef,25Den zoon van Mattathias, den zoon van Amos, den zoon van Naum, den zoon van Esli, den zoon van Naggai,26Den zoon van Maath, den zoon van Mattathias, den zoon van Semei, den zoon van Jozef, den zoon van Juda,27Den zoon van Johannes, den zoon van Rhesa, den zoon van Zorobabel, den zoon van Salathiel, den zoon van Neri,28Den zoon van Melchi, den zoon van Addi, den zoon van Kosam, den zoon van Elmodam, den zoon van Er,29Den zoon van Joses, den zoon van Eliezer, den zoon van Jorim, den zoon van Matthat, den zoon van Levi,30Den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim,31Den zoon van Meleas, den zoon van Mainan, den zoon van Mattatha, den zoon van Nathan, den zoon van David,32Den zoon van Jesse, den zoon van Obed, den zoon van Booz, den zoon van Salmon, den zoon van Nahasson,33Den zoon van Aminadab, den zoon van Aram, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda,34Den zoon van Jakob, den zoon van Izak, den zoon van Abraham, den zoon van Thara, den zoon van Nachor,35Den zoon van Saruch, den zoon van Ragau, den zoon van Falek, den zoon van Heber, den zoon van Sala,36Den zoon van Kainan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem, den zoon van Noe, den zoon van Lamech,37Den zoon van Mathusala, den zoon van Enoch, den zoon van Jared, den zoon van Malaleel, den zoon van Kainan,38Den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God.

Johannes heeft het volk vermaand en hun de goede boodschap verkondigd (vers 18). Als een getrouw afgezant heeft hij over Christus en Zijn macht gesproken. Toen was zijn opdracht vervuld en was zijn dienst geëindigd.

Dat is een prachtig voorbeeld voor ons, die graag de Heere willen dienen! Het staat niet in onze macht iemand te bekeren. Maar ons leven en onze woorden moeten hen die ons kennen, erop voorbereiden de Heere Jezus aan te nemen. Het is niet voldoende op te roepen tot bekering; we moeten zelf iets van de Verlosser laten zien.

Vervolgens lezen we in dit Schriftgedeelte dat de Heere Jezus verschijnt. In Zijn genade neemt Hij de plaats in bij diegenen van Zijn volk die de eerste stap op de goede weg gezet hebben. Hij wordt gedoopt, Hij bidt (wat we alleen in het Lukas-evangelie lezen), en als het Goddelijk antwoord daalt dan de Heilige Geest op Hem neer. Tegelijkertijd richt de stem van de Vader zich persoonlijk tot Hem (in Mattheüs 3 vers 17 is die stem bedoeld voor de aanwezigen): "Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!" (vers 22).

O, dat het ook bij ons zo mag zijn, dat wij al ons welbehagen in Hem vinden!

Het geslachtsregister van de Heere Jezus (de lijn van Maria) gaat terug tot op Adam en op God en bevestigt daarmee zowel Zijn eigenschap als Zoon des mensen als Zoon van God. Mattheüs 1 vers 1 - 17 bevestigt Zijn aanspraak, als Zoon van David en Abraham, als Erfgenaam van de Goddelijke beloften voor Israël.

Lukas 4:1-15
1En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn;2En werd veertig dagen verzocht van den duivel; en at gans niet in die dagen, en als dezelve geeindigd waren, zo hongerde Hem ten laatste.3En de duivel zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen, dat hij brood worde.4En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods.5En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds.6En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil;7Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn.8En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: Gij zult den Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.9En hij leidde Hem naar Jeruzalem, en stelde Hem op de tinne des tempels, en zeide tot Hem: Indien Gij de Zoon Gods zijt, werp Uzelven van hier nederwaarts;10Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen;11En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.12En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Er is gezegd: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.13En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem voor een tijd.14En Jezus keerde wederom, door de kracht des Geestes, naar Galilea; en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.15En Hij leerde in hun synagogen, en werd van allen geprezen.

De Heere Jezus werd verzocht in de woestijn, de plaats waar het volk Israël vroeger steeds weer begon te mopperen en te begeren (Psalm 106 vers 14). De eerste aanval van de vijand biedt de Heere Jezus de gelegenheid ons te herinneren aan een fundamentele waarheid. De mens heeft een ziel, die voedsel nodig heeft: het Woord van God, dat in gehoorzaamheid aangenomen wordt.

Daarna biedt satan alle koninkrijken van de wereld, met hun heerlijkheid, aan deze volkomen afhankelijke Mens aan. (Hoeveel mensen zijn er niet die hun ziel voor veel minder 'verkocht' hebben!) De wereld vormt inderdaad een deel van het erfdeel dat voor de Heere Jezus bestemd is. Maar of het nu om de hele wereld ging of om een gewoon stukje brood, Christus wilde helemaal niets anders aannemen dan alleen datgene wat uit de hand van Zijn Vader kwam (Psalm 2 vers 8).

Daarna spreekt de satan voor de tweede keer tegen Hem op een vleiende toon: "Indien Gij Gods Zoon zijt..." (vers 3 en 9). Alsof dát bewezen zou moeten worden! Het betekende dat datgene wat de Vader zojuist op plechtige wijze verklaard had (hoofdstuk 3 vers 22), in twijfel getrokken werd en dat stond dus gelijk aan het verzoeken van God.

De Heere Jezus zou geen voorbeeld voor ons hebben kunnen zijn wanneer Hij de duivel, dankzij Zijn Goddelijke macht, niet had overwonnen. Maar Hij triomfeerde door de wapens die ook de mensen ter beschikking staan: volledige afhankelijkheid van God, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Zijn Woord en een onwankelbaar vertrouwen in Zijn beloften.

Lukas 4:16-30
16En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.17En Hem werd gegeven het boek van den profeet Jesaja; en als Hij het boek opengedaan had, vond Hij de plaats, daar geschreven was;18De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd; Hij heeft Mij gezonden, om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen, die gebroken zijn van hart;19Om den gevangenen te prediken loslating, en den blinden het gezicht, om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om te prediken het aangename jaar des Heeren.20En als Hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat Hij neder; en de ogen van allen in de synagoge waren op Hem geslagen.21En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uw oren vervuld.22En zij gaven Hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen; en zeiden: Is deze niet de Zoon van Jozef?23En Hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot Mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester, genees Uzelven; al wat wij gehoord hebben, dat in Kapernaum geschied is, doe dat ook hier in Uw vaderland.24En Hij zeide: Voorwaar Ik zeg u, dat geen profeet aangenaam is in zijn vaderland.25Maar Ik zeg u in der waarheid: Er waren vele weduwen in Israel in de dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zodat er grote hongersnood werd over het gehele land.26En tot geen van haar werd Elias gezonden, dan naar Sarepta Sidonis, tot een vrouw, die weduwe was.27En er waren vele melaatsen in Israel, ten tijde van den profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd, dan Naaman, de Syrier.28En zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, als zij dit hoorden.29En opstaande, wierpen zij Hem uit, buiten de stad, en leidden Hem op den top des bergs, op denwelken hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte af te werpen.30Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg.

We zien dat de dienst van de Heere Jezus begint in Nazareth, waar Hij opgegroeid was. Misschien is het bij ons wel zo, dat we meer moed hebben om onder de heidenen het evangelie te verkondigen dan dat wij onder hen die ons zo goed kennen, de kant van de Heere kiezen. Laten we dan een voorbeeld aan de Heere Jezus nemen. Ook ons getuigenis behoort thuis te beginnen, in onze eigen omgeving.

De Goddelijke Leraar leest in de synagoge een gedeelte voor uit Jesaja, waarin Hijzelf als de Boodschapper van genade wordt voorgesteld (Jesaja 61 vers 1). Hij verkondigt gevangenen dat ze uit de gevangenis bevrijd zullen worden (Jesaja 42 vers 7). Stel je eens voor, dat bepaalde gevangenen op een gegeven moment strafvermindering of vrijlating in het vooruitzicht werd gesteld, en dat sommigen dan toch liever in de gevangenis zouden willen blijven. Of dat er zouden zijn die, omdat ze blijven beweren onschuldig te zijn, eerst op rechtmatige wijze vrijgesproken willen worden. Sommigen zouden misschien kunnen zeggen: dat aanbod geldt niet voor mij, want mijn schuld is veel te groot, terwijl anderen gewoonweg weigeren deze boodschap van genade te geloven. Zou dat alles niet ontzettend dwaas, ja, zelfs heel onwaarschijnlijk zijn? En toch kom je veel mensen tegen die op deze manier het heil afwijzen. Gelukkig zijn er echter ook gevangenen van satan die met blijdschap de aangeboden bevrijding aannemen.

Op welke gevangene lijkt u, lijk jij?

Het slot van de gebeurtenis die hier beschreven wordt, is heel triest. We zien daar hoe de inwoners van Nazareth, een beeld van het volk als geheel, tegenover de goede boodschap staan.

Lukas 4:31-44
31En Hij kwam af te Kapernaum, een stad van Galilea, en leerde hen op de sabbatdagen.32En zij versloegen zich over Zijn leer, want Zijn woord was met macht.33En in de synagoge was een mens, hebbende een geest eens onreinen duivels; en hij riep uit met grote stemme,34Zeggende: Laat af, wat hebben wij met U te doen, Gij Jezus Nazarener? Zijt Gij gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie Gij zijt, namelijk de Heilige Gods.35En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil, en ga van hem uit. En de duivel, hem in het midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen.36En er kwam een verbaasdheid over allen; en zij spraken samen tot elkander, zeggende: Wat woord is dit, dat Hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt, en zij varen uit?37En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden lands.38En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.39En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende henlieden.40En als de zon onderging, brachten allen, die kranken hadden, met verscheidenen ziekten bevangen, die tot Hem, en Hij legde een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve.41En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende en zeggende: Gij zijt de Christus, de Zone Gods! En hen bestraffende, liet Hij die niet spreken, omdat zij wisten, dat Hij de Christus was.42En als het dag werd, ging Hij uit, en trok naar een woeste plaats; en de scharen zochten Hem, en kwamen tot bij Hem, en hielden Hem op, dat Hij van hen niet zou weggaan.43Maar Hij zeide tot hen: Ik moet ook anderen steden het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen; want daartoe ben Ik uitgezonden.44En Hij predikte in de synagogen van Galilea.

Omdat de Heere Jezus verdreven is uit Nazareth, vervolgt Hij Zijn dienst in Kapernaüm. Hij leerde en genas met macht, waarover de mensen, als ze Hem hadden willen erkennen als de Zoon van God, helemaal niet verbaasd hadden hoeven te zijn (vers 32 en 36).

De demonen daarentegen vergisten zich niet! Jakobus 2 vers 19 zegt dat zij geloven en sidderen. En terwijl de Heere Jezus hier op aarde was, vermeerderden zij juist hun activiteit om zo voor de Zijnen een hindernis te zijn op hun weg. De Heere Jezus ontmoette deze onreine geesten zelfs in de synagoge, maar Hij stond hun niet toe over Hem te spreken.

In de verzen 38 en 39 wordt verteld over de genezing van de schoonmoeder van Simon. De Heere Jezus komt vol liefde naar de patiënt toe, want Hij houdt Zich niet alleen op een afstand met onze ellende bezig. En hoe gebruikt deze vrouw haar herkregen gezondheid? Op een manier die ons allemaal iets te zeggen heeft: "zij van stonde aan opstaande, diende hen".

Ook al was de Heere Jezus een Vreemdeling in deze wereld, toch stond Hij niet onverschillig tegenover de moeite en ellende van de mensen. Als het avond geworden is, wordt Zijn wonderbaar werk niet onderbroken. En vanaf de vroege morgen is Hij bereid Zijn taak weer op te nemen. Hij had Zich slechts voor een poosje teruggetrokken, om alleen te zijn met God. Deze afhankelijkheid laat Hij Zich door de volksmenigte, die Hem bij zich had willen houden, niet ontnemen.

Lukas 5:1-11
1En het geschiedde, als de schare op Hem aandrong, om het Woord Gods te horen, dat Hij stond bij het meer Gennesareth.2En Hij zag twee schepen aan den oever van het meer liggende, en de vissers waren daaruit gegaan, en spoelden de netten.3En Hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem, dat hij een weinig van het land afstak; en nederzittende, leerde Hij de scharen uit het schip.4En als Hij afliet van spreken, zeide Hij tot Simon: Steek af naar de diepte, en werp uw netten uit om te vangen.5En Simon antwoordde en zeide tot Hem: Meester, wij hebben den gehelen nacht over gearbeid, en niet gevangen; doch op Uw woord zal ik het net uitwerpen.6En als zij dat gedaan hadden, besloten zij een grote menigte vissen, en hun net scheurde.7En zij wenkten hun medegenoten, die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen. En zij kwamen, en vulden beide de schepen, zodat zij bijna zonken.8En Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieen van Jezus, zeggende: Heere! ga uit van mij; want ik ben een zondig mens.9Want verbaasdheid had hem bevangen, en allen, die met hem waren, over de vangst der vissen, die zij gevangen hadden;10En desgelijks ook Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, die medegenoten van Simon waren. En Jezus zeide tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij mensen vangen.11En als zij de schepen aan land gestuurd hadden, verlieten zij alles, en volgden Hem.

We zijn nu aangekomen bij de bekende geschiedenis van de wonderbare visvangst, maar ook bij een nog veel wonderlijke gebeurtenis: de bekering van Simon. Wat doet deze man, terwijl de Goddelijke Leraar de volksmenigte die bij Hem staat, onderwijst? Hij wast zijn netten, die van de vruchteloze arbeid van de voorgaande nacht vies geworden waren. De Heere Jezus dwingt hem om te luisteren. Hij vraagt hem om een stukje met Hem van de kant af te varen, zodat Hij vanuit de boot tegen de mensen op de kant en tegelijkertijd tegen de man naast Zich kan spreken. Daarna spreekt de Heere Jezus ook nog op een andere manier tot Simon en zijn metgezellen. Hij vult hun netten en maakt Zich daarmee bekend als de Heere van het heelal, Die volgens Psalm 8 vers 7 en 9 de vissen gebiedt en Die alles kan, daar waar de mens tot niets in staat is. Aangegrepen door angst en door de tegenwoordigheid van de Heere overtuigd geworden van zonde, werpt Simon zich voor Hem neer en roept het uit: "Ga uit van mij!" (vers 8). Maar zou de Heiland dan vol liefde naar deze zondaar gezocht hebben, om nu Zijn handen weer van hem af te trekken?

Alleen Lukas vertelt ons over deze beslissende ontmoeting van de Heere Jezus met Zijn discipel Petrus. Later vertelt Lukas in het Boek Handelingen over dezelfde Petrus, hoe hij als visser van mensen een werktuig tot een wonderbare 'vangst' van ongeveer drieduizend zielen is geworden (Handelingen 2 vers 41).

Lukas 5:12-26
12En het geschiedde, als Hij in een dier steden was, ziet, er was een man vol melaatsheid; en Jezus ziende, viel hij op het aangezicht, en bad Hem, zeggende: Heere! zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.13En Hij, de hand uitstrekkende, raakte hem aan; en zeide: Ik wil, word gereinigd! En terstond ging de melaatsheid van hem.14En Hij gebood hem, dat hij het niemand zeggen zou; maar ga heen, zeide Hij, vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, gelijk Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.15Maar het gerucht van Hem ging te meer voort; en vele scharen kwamen samen om Hem te horen, en door Hem genezen te worden van hun krankheden.16Maar Hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar.17En het geschiedde in een dier dagen, dat Hij leerde, en er zaten Farizeen en leraars der wet, die van alle vlekken van Galilea, en Judea, en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was er om hen te genezen.18En ziet, enige mannen brachten op een bed een mens, die geraakt was, en zochten hem in te brengen, en voor Hem te leggen.19En niet vindende, waardoor zij hem inbrengen mochten, overmits de schare, zo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichelen neder met het beddeken, in het midden, voor Jezus.20En Hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mens, uw zonden zijn u vergeven.21En de Schriftgeleerden en de Farizeen begonnen te overdenken, zeggende: Wie is Deze, Die gods lastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven, dan God alleen?22Maar Jezus, hun overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide tot hen: Wat overdenkt gij in uw harten?23Wat is lichter te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?24Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde, de zonde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte): Ik zeg u, sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.25En hij, terstond voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende.26En ontzetting heeft hen allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreze, zeggende: Wij hebben heden ongelofelijke dingen gezien.

Hier komt een man die erg melaats is, naar de Heere Jezus toe. En omdat hij Zijn macht erkent, wordt hij door de wil van Zijn liefde genezen.

Vers 16 ontvouwt ons opnieuw het geheim van deze volmaakte Mens: Zijn gebedsleven.

De volmaaktheid van een mens bestaat uit het verwerkelijken van volledige afhankelijkheid van God en dat komt tot uitdrukking in het gebed. Daarom laat Lukas ons het onvergelijkbare Voorbeeld zo vaak zien, in deze gezegende houding (hoofdstuk 3 vers 21; 5 vers 16; 6 vers 12; 9 vers 18 en 29; 11 vers 1; 22 vers 32, 41 en 44).

Vervolgens zien wij hoe vier mannen, voor wie geen hindernis te groot is, een arme verlamde man bij de Heere Jezus brengen (Markus 2 vers 3). Laat deze ijver en dit volhardende geloof toch ook voor ons een aansporing zijn! Ook wij kunnen hen wier bekering ons zo na aan het hart ligt, tot de Heere brengen (in gebed), en misschien kunnen we hen uitnodigen om samen met ons daarheen te gaan waar Hij beloofd heeft aanwezig te zullen zijn.

In de hoofdstukken 4 en 5 wordt de zonde gezien vanuit verschillende gezichtspunten:

als macht van satan in hem die door demonen bezeten is (hoofdstuk 4 vers 33 en 41);

in de vorm van onreinheid, bij de melaatse;

en ten slotte als in een toestand van schuld voor God (de verlamde).

De Heere Jezus is gekomen om aan al deze drie behoeften tegemoet te komen: Hij bevrijdt, Hij reinigt en vergeeft.

Lukas 5:27-39
27En na dezen ging Hij uit, en zag een tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij.28En hij, alles verlatende, stond op en volgde Hem.29En Levi richtte Hem een groten maaltijd aan, in zijn huis; en er was een grote schare van tollenaren, en van anderen, die met hen aanzaten.30En hun Schriftgeleerden en de Farizeen murmureerden tegen Zijn discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren?31En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn.32Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.33En zij zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes dikmaals, en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen der Farizeen, maar de Uwe eten en drinken?34Doch Hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen, terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten?35Maar de dagen zullen komen, wanneer de Bruidegom van hen zal weggenomen zijn, dan zullen zij vasten in die dagen.36En Hij zeide ook tot hen een gelijkenis: Niemand zet een lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders zo scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overeen.37En niemand doet nieuwen wijn in oude leder zakken; anders zo zal de nieuwe wijn de leder zakken doen bersten, en de wijn zal uitgestort worden, en de leder zakken zullen verderven.38Maar nieuwen wijn moet men in nieuwe leder zakken doen, en zij worden beide te zamen behouden.39En niemand, die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hij zegt: De oude is beter.

Levi (of Mattheüs; Mattheüs 9 vers 9) is met zijn werk bezig als hij de roepstem van de Heere Jezus hoort. Hij laat alles liggen, staat op en volgt Hem. Daarna neemt hij de Heere Jezus op in zijn huis en nodigt hij tegelijkertijd allerlei collega's uit, om hen in de gelegenheid te stellen zijn Meester te ontmoeten. (Dat dit toch ook het motief mag zijn bij onze uitnodigingen!) Deze tollenaars, die de belasting ophaalden voor de Romeinse bezetter, werden door de Joden gehaat. Zij verrijkten zich bij hun werk namelijk ook zelf en dat op kosten van de Joden. Op deze manier trokken ze persoonlijk gewin uit de Romeinse overheersing. Dat maakt ook duidelijk waarom de Schriftgeleerden en Farizeeën zo verbolgen waren, toen zij zagen dat de Heere Jezus en Zijn discipelen in gezelschap verkeerden van deze tollenaars. Hoeveel mensen zijn er niet die meer geneigd zijn om zich aan de zondaar te onttrekken dan aan de zonde!

Als antwoord op dit mopperen maakt de Heere Jezus Zich bekend als de grote Heelmeester van de zielen. Een arts houdt zich niet bezig met gezonde mensen (of zij die menen gezond te zijn). Zo kan de Heere Jezus ook alleen diegene aannemen die zijn eigen zondige toestand wil erkennen.

Daarna brengen de Schriftgeleerden en de Farizeeën een vraag naar voren met betrekking tot het vasten. De Heere Jezus antwoordt hun, dat dit teken van droefheid niet gepast is zolang Hij, de Bruidegom, nog in hun midden is. Bovendien is de slavernij van de wet en zijn de voorschriften niet te verenigen met de vrijheid en vreugde die de genade brengt (vers 36 en 37).

Lukas 6:1-19
1En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat Hij door het gezaaide ging; en Zijn discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.2En sommigen der Farizeen zeiden tot hen: Waarom doet gij, wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatten?3En Jezus, hun antwoordende, zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen, hetwelk David deed, wanneer hem hongerde, en dengenen, die met hem waren?4Hoe hij ingegaan is in het huis Gods, en de toonbroden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen, die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten, dan alleen den priesteren.5En Hij zeide tot hen: De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat.6En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat Hij in de synagoge ging, en leerde. En daar was een mens, en zijn rechterhand was dor.7En de Schriftgeleerden en de Farizeen namen Hem waar, of Hij op den sabbat genezen zou; opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden.8Doch Hij kende hun gedachten, en zeide tot den mens, die de dorre hand had: Rijs op, en sta in het midden. En hij opgestaan zijnde, stond overeind.9Zo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbatten, goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te verderven?10En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.11En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken samen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.12En het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar den berg, om te bidden, en Hij bleef den nacht over in het gebed tot God.13En als het dag was geworden, riep Hij Zijn discipelen tot Zich, en verkoos er twaalf uit hen, die Hij ook apostelen noemde:14Namelijk Simon, welken Hij ook Petrus noemde; en Andreas zijn broeder, Jakobus en Johannes, Filippus en Bartholomeus;15Mattheus en Thomas, Jakobus, den zoon van Alfeus, en Simon genaamd Zelotes;16Judas, den broeder van Jakobus, en Judas Iskariot, die ook de verrader geworden is.17En met hen afgekomen zijnde, stond Hij op een vlakke plaats, en met Hem de schare Zijner discipelen, en een grote menigte des volks van geheel Judea en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon;18Die gekomen waren, om Hem te horen, en om van hun ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren; en zij werden genezen.19En al de schare zocht Hem aan te raken; want er ging kracht van Hem uit, en Hij genas ze allen.

De Heere Jezus was gekomen om een nieuwe ordening in te voeren, maar Israël vond de oude orde van de wet beter (vergelijk hoofdstuk 5 vers 39). Zo is de mens; hij heeft liever de geboden, omdat die hem in staat stellen te roemen in zichzelf, ook al vervult hij die geboden maar op heel beperkte wijze. De genade daarentegen vernedert de mens juist, door hem als verloren te beschouwen. Om deze reden hielden de Joden ook streng vast aan de sabbat. En de Heere Jezus geeft de Farizeeën hier twee lessen in verband met dit onderwerp. De eerste is ontnomen aan de Schriften en aan de geschiedenis van Israël (vers 3 en 4), en de tweede aan Zijn eigen voorbeeld van liefde (vers 9 en 10). Wat is de enige uitwerking hiervan op hun harten? Ze smeden een aanslag tegen Hem, om van Hem af te komen!

Vervolgens roept de Heere Zijn apostelen. Maar voordat Hij dit doet, volhardt Hij een hele nacht in het gebed, want wat was deze keuze uitermate belangrijk voor het werk dat later gedaan moest worden! De Heere Jezus kende het natuurlijke karakter van al Zijn discipelen. Hij wist wat eenieder van hen zich nog eigen moest maken of juist nog moest opgeven. Hij kende hen door en door, maar had hen ook lief — net zoals Hij ook jou kent en liefheeft (Johannes 10 vers 14 en 27).

Ten slotte lezen we dat Hij, Die alles wist, ook de verrader Judas met Zich meenam! Ook hierin triomfeert Zijn volkomen onderwerping. De Heere Jezus was gekomen om de Schriften te vervullen.

Lukas 6:20-38
20En Hij, Zijn ogen opslaande over Zijn discipelen, zeide: Zalig zijt gij, armen, want uwer is het Koninkrijk Gods.21Zalig zijt gij, die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij, die nu weent; want gij zult lachen.22Zalig zijt gij, wanneer u de mensen haten, en wanneer zij u afscheiden, en smaden, en uw naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des mensen wil.23Verblijdt u in dien dag, en zijt vrolijk; want, ziet, uw loon is groot in den hemel; want hun vaders deden desgelijks den profeten.24Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost weg.25Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren. Wee u, die nu lacht, want gij zult treuren en wenen.26Wee u, wanneer al de mensen wel van u spreken, want hun vaders deden desgelijks den valsen profeten.27Maar Ik zeg ulieden, die dit hoort: Hebt uw vijanden lief; doet wel dengenen, die u haten.28Zegent degenen, die u vervloeken, en bidt voor degenen, die u geweld doen.29Dengene, die u aan de wang slaat, biedt ook de andere; en dengene, die u den mantel neemt, verhindert ook den rok niet te nemen.30Maar geeft een iegelijk, die van u begeert; en van dengene, die het uwe neemt, eist niet weder.31En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.32En indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen, die hen liefhebben.33En indien gij goed doet dengenen, die u goed doen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde.34En indien gij leent dengenen, van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars lenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.35Maar hebt uw vijanden lief, en doet goed, en leent, zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allerhoogsten zijn; want Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen.36Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.37En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden; laat los, en gij zult losgelaten worden.38Geeft, en u zal gegeven worden; een goede, neergedrukte, en geschudde en overlopende maat zal men in uw schoot geven; want met dezelfde maat, waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.

We worden vaak getroffen door de onderwijzingen van de Meester. Laten we ze echter toch ook diep in onze harten laten doordringen, maar bovenal: laten we ze in praktijk brengen! De meeste van deze dingen vinden we ook terug in de hoofdstukken 5 - 7 van het Mattheüs-evangelie. Hier in Lukas heeft het echter een meer persoonlijk karakter. Er staat niet: 'zalig zij...', maar "zalig zijt gij..."!

Vers 31 vormt een samenvatting van de vermaningen die aan "u, die dit hoort" (vers 27) gericht zijn: "En gelijk gij wilt, dat de mensen u doen zullen, doet gij hun ook evenzo". Wat zouden onze medemensen goed behandeld worden wanneer wij dit woord meer zouden gehoorzamen!

Al deze karakterkenmerken staan haaks op onze eigen hoogmoedige, zelfzuchtige en ongeduldige natuur. De Heere legt er de nadruk op, dat dit de karakterkenmerken van God Zelf zijn. Maar ook, dat wij, door deze dingen te praktiseren, hier op aarde als kinderen van de hemelse Vader herkend kunnen worden (vers 35 en 36). In de hemel zullen we inderdaad geen gelegenheid meer hebben om deze dingen te openbaren. Daar zijn namelijk geen vijanden meer om lief te hebben, geen onrecht om te verdragen en daar is geen ellende om te verzachten. Het is onze verantwoording, maar ook ons voorrecht, om op deze aarde op de Heere Jezus te lijken, om de zachtmoedigheid, liefde, ootmoed en geduld van ons volmaakte Voorbeeld, "Die, toen Hij gescholden werd, niet terugschold, en toen Hij leed, niet dreigde", te weerspiegelen (1 Petrus 2 vers 21 en 23).

`0 maak ons tot Uw eer zachtmoedig, need'rig goed; leer ons Uw juk te dragen Heer, met rust in ons gemoed.

Heer, laat Uw heerlijk beeld ons zo voor ogen staan, dat onze harten onverdeeld alleen voor U nog slaan.'

Lukas 6:39-49
39En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Kan ook wel een blinde een blinde op den weg leiden? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?40De discipel is niet boven zijn meester; maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.41En wat ziet gij den splinter, die in uws broeders oog is, en den balk, die in uw eigen oog is, merkt gij niet?42Of hoe kunt gij tot uw broeder zeggen: Broeder, laat toe, dat ik den splinter, die in uw oog is, uitdoe; daar gij zelf den balk, die in uw oog is, niet ziet? Gij geveinsde! doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien, om den splinter uit te doen, die in uws broeders oog is.43Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt;44Want ieder boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen, en men snijdt geen druif van bramen.45De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.46En wat noemt gij Mij, Heere, Heere! en doet niet hetgeen Ik zeg?47Een iegelijk, die tot Mij komt, en Mijn woorden hoort, en dezelve doet, Ik zal u tonen, wien hij gelijk is.48Hij is gelijk een mens, die een huis bouwde, en groef, en verdiepte, en leide het fondament op een steenrots; als nu de hoge vloed kwam, zo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond.49Maar die ze gehoord, en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mens, die een huis bouwde op de aarde zonder fondament; tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond, en de val van datzelve huis was groot.

Als je iets op de lens van een microscoop legt wat daar niet thuishoort, kun je door dit apparaat niets meer zien. Merkwaardigerwijs is het bij ons juist omgekeerd! Hoe groter de balk in ons eigen oog is, hoe scherper onze blik om de splinter in het oog van de broeder op te merken!

In vers 46 stelt de Heere Jezus een vraag die ons allemaal tot nadenken zou moeten stemmen: "En wat noemt gij Mij "Heere, Heere!", en doet niet wat Ik zeg?" Spreken we in onze gebeden soms niet wat al te lichtvaardig of te ondoordacht de Naam van de Heere Jezus uit? We hebben namelijk geen enkel recht Hem zo te noemen wanneer wij niet bereid zijn om in alles Zijn wil te doen (1 Johannes 2 vers 4). Door genade hebben veel kinderen van gelovige ouders Jezus Christus als hun Redder aangenomen. Kun je echter ook zeggen, dat zij zich werkelijk aan Hem hebben overgegeven, zolang zij niet Zijn gezag als Heere erkennen? Echt christendom bestaat hierin, dat men niet meer voor zichzelf leeft, maar voor Hem Die voor ons gestorven is, en ook Hem dienen en verwachten (1 Thessalonicenzen 1 vers 9 en 10; 2 Korinthe 5 vers 15).

Als je al je hoop "op de aarde" vestigt, betekent dat, dat je op een gegeven moment een enorme val zult maken (vers 49). Ja, laten we tot de Heere Jezus gaan, naar Zijn Woord luisteren en dát in praktijk brengen (vers 47)!

`U bent mijn Heer, door Uw genade roem ik Uw eigendom te zijn...

U, Jezus, breng ik roem en ere; U wilt door mij geprezen zijn. Niets is er wat ik meer begere, dan U mijn leven toe te wij'n. Uw knecht te zijn is groter ere, dan dat ik over de aard' regere.'

Lukas 7:1-17
1Nadat Hij nu al Zijn woorden voleindigd had, ten aanhore des volks, ging Hij in te Kapernaum.2En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven.3En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de ouderlingen der Joden, Hem biddende, dat Hij wilde komen, en zijn dienstknecht gezond maken.4Dezen nu, tot Jezus gekomen zijnde, baden Hem ernstelijk, zeggende: Hij is waardig, dat Gij hem dat doet;5Want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de synagoge gebouwd.6En Jezus ging met hen. En als Hij nu niet verre van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot Hem enige vrienden, en zeide tot Hem: Heere, neem de moeite niet; want ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.7Daarom heb ik ook mijzelven niet waardig geacht, om tot U te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden.8Want ik ben ook een mens, onder de macht van anderen gesteld, hebbende krijgsknechten onder mij, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom en hij komt; en tot mijn dienstknecht: Doe dat! en hij doet het.9En Jezus, dit horende, verwonderde Zich over hem; en Zich omkerende, zeide tot de schare, die Hem volgde: Ik zeg ulieden: Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israel niet gevonden.10En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond.11En het geschiedde op den volgenden dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Nain, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen, en een grote schare.12En als Hij de poort der stad genaakte, zie daar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon zijner moeder was, en zij was weduwe en een grote schare van de stad was met haar.13En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet.14En Hij ging toe, en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op!15En de dode zat overeind, en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.16En vreze beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht.17En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land.

Bij de hoofdman uit Kapernaüm komen edele gevoelens naar voren. Hij heeft grote waardering voor een eenvoudige slaaf; hij staat welwillend tegenover het volk Israël; hij is nederig (hij zegt: "ik ben niet waardig" - vers 6; vergelijk vers 4); hij heeft begrip voor gezag en is plichtsbewust, hetgeen hij zich in het soldatenleven eigen heeft gemaakt (vers 8)!

Het zijn echter niet deze hoogstaande eigenschappen die de Heere Jezus zo in hem bewondert, maar het is het geloof van deze vreemdeling. De Heere Jezus stelt hem tot een voorbeeld. Geloof kan alleen bestaan door het onderwerp waarop zij gebaseerd is. En hier betreft dat de almacht van de Heere. Hoe meer men bekend is met de grootheid van het onderwerp, hoe groter het geloof zal zijn. O, dat Christus toch ontzettend groot mag zijn voor onze harten!

Als de Heere Jezus en de volksmenigte, die met Hem meeloopt, in de buurt van het stadje Naïn komen, komt er van de andere kant ook een stoet aan. Dat is een rouwstoet, zoals men die destijds op straat kon tegenkomen (zie het slot van Prediker 12 vers 5). Het is een vreselijke herinnering aan het feit dat de dood het loon van de zonde is. Deze keer gaat het om een hele trieste gebeurtenis, want het betreft hier de enige zoon van een weduwe. Bewogen door medelijden, begint de Heere Jezus met het troosten van de weduwe. Daarna raakt Hij de baar aan (zoals Hij in hoofdstuk 5 vers 13 de melaatse aangeraakt heeft, zonder daardoor Zelf verontreinigd te worden; vergelijk Numeri 19 vers 11). En daarna gaat de overledene zitten en begint te praten! Laten we nooit vergeten dat de belijdenis met de mond een noodzakelijk bewijs is van het leven in ons (Romeinen 10 vers 9)!

Lukas 7:18-35
18En de discipelen van Johannes boodschapten hem van al deze dingen.19En Johannes, zekere twee van zijn discipelen tot zich geroepen hebbende, zond hen tot Jezus, zeggende: Zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?20En als de mannen tot Hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Doper heeft ons tot U afgezonden, zeggende: Zijt Gij, Die komen zou, of verwachten wij een anderen?21En in dezelfde ure genas Hij er velen van ziekten en kwalen, en boze geesten; en velen blinden gaf Hij het gezicht.22En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Gaat heen, en boodschapt Johannes weder de dingen, die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat de blinden ziende worden, de kreupelen wandelen, de melaatsen gereinigd worden, de doven horen, de doden opgewekt worden, den armen het Evangelie verkondigd wordt.23En zalig is hij, die aan Mij niet zal geergerd worden.24Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon Hij tot de scharen van Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen? Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt?25Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een mens, met zachte klederen bekleed? Ziet, die in heerlijke kleding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven.26Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een profeet? Ja, Ik zeg u, ook veel meer dan een profeet.27Deze is het, van welken geschreven is: Ziet, Ik zende Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.28Want Ik zeg ulieden: Onder die van vrouwen geboren zijn, is niemand meerder profeet, dan Johannes de Doper; maar de minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij.29En al het volk, Hem horende, en de tollenaars, die met den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God.30Maar de Farizeen en de wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde.31En de Heere zeide: Bij wien zal Ik dan de mensen van dit geslacht vergelijken, en wien zijn zij gelijk?32Zij zijn gelijk aan de kinderen, die op de markt zitten, en elkander toeroepen, en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweend.33Want Johannes de Doper is gekomen, noch brood etende, noch wijn drinkende; en gij zegt: Hij heeft den duivel.34De Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, en gij zegt: Ziet daar, een Mens, Die een vraat en wijnzuiper is, een Vriend van tollenaren en zondaren.35Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van al haar kinderen.

Vanuit de gevangenis, waar hij door Herodes was opgesloten (hoofdstuk 3 vers 20), stuurt Johannes de Doper twee van zijn discipelen naar de Heere Jezus toe. Ze moeten Hem vragen stellen met betrekking tot Wie Hij is. Uit deze vragen blijkt duidelijk de twijfel en neerslachtigheid van Johannes. Hij had het rijk aangekondigd — en zat daar nu voor in de gevangenis. Zou het dan werkelijk mogelijk zijn, dat deze Jezus Degene was "Die zou komen"?

Met het oog op de tegenwoordige toestand in de christenheid, de vervolgingen die gelovigen in veel landen hebben te verduren en de onverschilligheid van de mensen van deze wereld tegenover het evangelie, beginnen velen aan de macht van de Heere en Zijn Koninkrijk te twijfelen. Dat rijk zal echter niet voor de opname van de Gemeente en de vervulling van profetische gebeurtenissen opgericht worden.

De werken van de Heere Jezus zijn een antwoord op de vragen van de beide boodschappers.

Johannes de Doper had getuigd van de Heere Jezus. Nu is het de Heere Zelf Die, tegenover dezelfde volksmenigte, getuigt van Johannes. En er klinkt weemoed door in Zijn woorden, wanneer Hij spreekt over de wijze waarop dit uitverkoren geslacht op de dienst van deze wegbereider en van Hemzelf heeft gereageerd (vers 31). Noch de klaagliederen van Johannes (zijn oproep tot bekering), noch de goede boodschap van de Verlosser, die vreugde en lof had moeten bewerken, hadden weerklank gevonden in de harten van het volk en hun leiders.

Lukas 7:36-50
36En een der Farizeen bad Hem, dat Hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des Farizeers huis, zat Hij aan.37En ziet, een vrouw in de stad, welke een zondares was, verstaande, dat Hij in des Farizeers huis aanzat, bracht een albasten fles met zalf.38En staande achter aan Zijn voeten, wenende, begon zij Zijn voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste Zijn voeten, en zalfde ze met de zalf.39En de Farizeer, die Hem genood had, zulks ziende, sprak bij zichzelven, zeggende: Deze, indien Hij een profeet ware, zou wel weten, wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem aanraakt; want zij is een zondares.40En Jezus antwoordende, zeide tot hem: Simon! Ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester! zeg het.41Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars; de een was schuldig vijfhonderd penningen, en de andere vijftig;42En als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer liefhebben?43En Simon, antwoordende, zeide: Ik acht, dat hij het is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.44En Hij, Zich omkerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gij niet tot Mijn voeten gegeven; maar deze heeft Mijn voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd afgedroogd.45Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze, van dat zij ingekomen is, heeft niet afgelaten Mijn voeten te kussen.46Met olie hebt gij Mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft Mijn voeten met zalf gezalfd.47Daarom zeg Ik u: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.48En Hij zeide tot haar: Uw zonden zijn u vergeven.49En die mede aanzaten, begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is Deze, Die ook de zonden vergeeft?50Maar Hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.

Ook de Farizeeër Simon heeft de Heere Jezus uitgenodigd om bij hem te komen eten, maar toch is er een verschil met de tollenaar Levi uit hoofdstuk 5 vers 29. Wellicht had Simon gedacht dat het hem eer zou opleveren, maar de Heere Jezus leert hem daarentegen juist een vernederende les. Een vrouw die bekend stond om haar zondig leven, is ook in het huis van Simon binnengekomen. Aan de voeten van de Heere Jezus stromen haar tranen van berouw en tegelijkertijd verspreidt de geur van haar huldiging zich door het hele huis. Het is niet de Farizeeër Simon, maar deze zondares die het hart van de Heiland verkwikt en versterkt heeft. Zij is zich namelijk bewust van haar grote schuld tegenover God en komt in gepaste houding tot de Heere Jezus, namelijk met "een gebroken en verslagen hart" (Psalm 51 vers 19). Voordat de Heere Jezus een woord van genade, waarop zij wacht, tot haar spreekt, heeft Hij Simon "wat te zeggen" (vers 40), omdat Hij zijn verborgen gedachten heel goed kent.

Wat kunnen wij vaak onze eigen naam in de plaats van die van Simon horen noemen! "Ik heb u wat te zeggen", zegt de Meester tegen iemand (of allen) onder ons. Hij zegt als het ware: Jij vergelijkt je misschien met anderen en denkt dat je gunstig bij hen afsteekt, omdat zij geen christelijke opvoeding hebben genoten en jij wel. Wat echter telt in Mijn ogen, is de liefde tot Mij, en de bewijzen die je Mij daarvan geeft!

Dat we er toch altijd van doordrongen mogen zijn, hoeveel onze Verlosser ons vergeven heeft, opdat wij Hem nog meer zullen liefhebben!

Lukas 8:1-15
1En het geschiedde daarna, dat Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, predikende en verkondigende het Evangelie van het Koninkrijk Gods; en de twaalven waren met Hem;2En sommige vrouwen, die van boze geesten en krankheden genezen waren, namelijk Maria, genaamd Magdalena, van welke zeven duivelen uitgegaan waren;3En Johanna, de huisvrouw van Chusas, den rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele anderen, die Hem dienden van haar goederen.4Als nu een grote schare bijeenvergaderde, en zij van alle steden tot Hem kwamen, zo zeide Hij door gelijkenis:5Een zaaier ging uit, om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide, viel het ene bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op.6En het andere viel op een steenrots, en opgewassen zijnde, is het verdord, omdat het geen vochtigheid had.7En het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen mede opwassende, verstikten hetzelve.8En het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde, bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende, riep Hij: Wie oren heeft, om te horen, die hore.9En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis wezen?10En Hij zeide: U is het gegeven, de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan; maar tot de anderen spreek Ik in gelijkenissen, opdat zij ziende niet zien, en horende niet verstaan.11Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord Gods.12En die bij den weg bezaaid worden, zijn dezen, die horen; daarna komt de duivel, en neemt het Woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden geloven, en zalig worden.13En die op de steenrots bezaaid worden, zijn dezen, die, wanneer zij het gehoord hebben, het Woord met vreugde ontvangen; en dezen hebben geen wortel, die maar voor een tijd geloven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af.14En dat in de doornen valt, zijn dezen, die gehoord hebben, en heengaande verstikt worden door de zorgvuldigheden, en rijkdom, en wellusten des levens, en voldragen geen vrucht.15En dat in de goede aarde valt, zijn dezen, die, het Woord gehoord hebbende, hetzelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen.

De Heere Jezus wordt behalve door de discipelen, ook gevolgd door enkele vrouwen, "die Hem dienden van hun goederen" (vers 3). Wat zij voor Hem gedaan hebben, wordt aangeduid als een gevolg van hetgeen Hij eerst voor hen deed (vers 2).

De verzen 4 - 15 vertellen de gelijkenis van de zaaier en de betekenis daarvan. Er zijn drie dingen die een verhindering vormen voor het voortbrengen van vruchten door de aardbodem: de vogels, een beeld van de duivel (vers 12), de stenen, hier een beeld van het verharde hart, dat ontoegankelijk is voor een diepere en blijvende uitwerking, en ten slotte de doornen, die spreken van de wereld met al zijn zorgen, haar rijkdommen en haar vermaak (vers 14).

Maar zelfs het beste land moet bewerkt worden! Het is pijnlijk voor de aardbodem om opengetrokken en omgeploegd te worden, opdat het zaad erin kan worden opgenomen en kan ontkiemen. Zo bewerkt God (vaak door beproevingen) het geweten van hen die het Woord zullen opnemen.

Dit werk kan echter niet gebeuren bij de eerste drie grondsoorten. Het is nutteloos om een weg te bewerken die voortdurend belopen wordt. En op steenachtige grond is het al helemaal onmogelijk die diep los te graven. Wat de doornen aangaat, is het allereerst nodig dat die uitgeroeid worden, maar... de wortels van deze wereld zitten heel diep in sommige harten.

Elke grondsoort vormt een kenmerk voor de manier van luisteren naar het Woord van God. Dat Woord bewaren en met volharding vruchten voortbrengen, dat is het kenmerk van "de goede aarde" (vers 15).

Lukas 8:16-25
16En niemand, die een kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat, of zet ze onder een bed; maar zet ze op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.17Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen.18Ziet dan, hoe gij hoort; want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en zo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben, zal van hem genomen worden.19En Zijn moeder en Zijn broeders kwamen tot Hem, en konden bij Hem niet komen, vanwege de schare.20En Hem werd geboodschapt van enigen, die zeiden: Uw moeder en Uw broeders staan daar buiten, begerende U te zien.21Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Mijn moeder en Mijn broeders zijn dezen, die Gods Woord horen, en datzelve doen.22En het geschiedde in een van die dagen, dat Hij in een schip ging, en Zijn discipelen met Hem; en Hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde van het meer. En zij staken af.23En als zij voeren, viel Hij in slaap; en er kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol waters, en waren in nood.24En zij gingen tot Hem, en wekten Hem op, zeggende: Meester, Meester, wij vergaan! en Hij, opgestaan zijnde, bestrafte den wind en de watergolven, en zij hielden op, en er werd stilte.25En Hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij, bevreesd zijnde, verwonderden zich, zeggende tot elkander: Wie is toch Deze, dat Hij ook de winden en het water gebiedt, en zij zijn Hem gehoorzaam?

Niemand zal op de gedachte komen een lamp aan te steken en die vervolgens onder "een vat" of "een bed" te zetten. Als kinderen van het licht zijn wij hier nog op aarde om op een duidelijke wijze de deugden van Hem Die licht is, te vertonen in de duisternis van deze wereld (vers 16; Mattheüs 5 vers 14; 1 Petrus 2 vers 9).

Als Zijn moeder en Zijn broers bij de Heere Jezus komen, grijpt Hij deze gelegenheid aan om nog een keer te spreken over hen "die Gods Woord horen, en dat doen" (vers 21; hoofdstuk 6 vers 47). Alleen zij mogen en kunnen zich beroepen op een verbinding met Hem!

De Heere Jezus viel aan boord van het schip in slaap. Hierin zien we Hem als Mens, Die vermoeid is van Zijn dagtaak. Een paar tellen later zien we Hem echter als de almachtige God, Die de wind en golven gebiedt.

Door angst overvallen, roepen de discipelen het uit: "Wie is toch Deze?", een vraag die we al vaker gehoord hebben (vers 25; hoofdstuk 5 vers 21; 7 vers 49).

Ook een zekere Agur heeft eens de vraag gesteld: "Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?" (Spreuken 30 vers 4). Hij, Die "ook de winden en het water gebiedt" en Die aan de discipelen, die gebrek aan geloof hebben, Zijn macht openbaart, is de Zoon van God, de Schepper. Zijn macht is tot op vandaag niet veranderd! Maar... hoe staat het met óns geloof?

Lukas 8:26-39
26En zij voeren voort naar het land der Gadarenen, hetwelk is tegenover Galilea.27En als Hij aan het land uitgegaan was, ontmoette Hem een zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was bezeten geweest; en was met geen klederen gekleed, en bleef in geen huis, maar in de graven.28En hij, Jezus ziende, en zeer roepende, viel voor Hem neder, en zeide met een grote stem: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods, des Allerhoogsten, ik bid U, dat Gij mij niet pijnigt!29Want Hij had den onreinen geest geboden, dat hij van den mens zou uitvaren; want hij had hem menigen tijd bevangen gehad; en hij werd met ketenen en met boeien gebonden, om bewaard te zijn; en hij verbrak de banden, en werd van den duivel gedreven in de woestijnen.30En Jezus vraagde hem, zeggende: Welke is uw naam? En hij zeide: Legio. Want vele duivelen waren in hem gevaren.31En zij baden Hem, dat Hij hun niet gebieden zou in den afgrond heen te varen.32En aldaar was een kudde veler zwijnen, weidende op den berg; en zij baden Hem, dat Hij hun wilde toelaten in dezelve te varen. En Hij liet het hun toe.33En de duivelen, uitvarende van den mens, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer; en versmoorde.34En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht; en heengaande boodschapten het in de stad, en op het land.35En zij gingen uit, om te zien hetgeen geschied was, en kwamen tot Jezus, en vonden den mens, van welken de duivelen uitgevaren waren, zittend aan de voeten van Jezus, gekleed en wel bij zijn verstand; en zij werden bevreesd.36En ook, die het gezien hadden, verhaalden hun, hoe de bezetene was verlost geworden.37En de gehele menigte van het omliggende land der Gadarenen baden Hem, dat Hij van hen wegging; want zij waren met grote vreze bevangen. En Hij, in het schip gegaan zijnde, keerde wederom.38En de man, van welken de duivelen uitgevaren waren, bad Hem, dat hij mocht bij Hem zijn. Maar Jezus liet hem van Zich gaan, zeggende:39Keer weder naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door de gehele stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had.

De Goddelijke macht, waarvan de Heere Jezus een voorbeeld gaf door het stillen van die geweldige storm, staat hier tegenover een nog veel vreselijker macht: de macht van satan. De wil van deze ongelukkige Gadarener was volkomen in bezit genomen door een leger van demonen. Men had tevergeefs geprobeerd hem "met ketenen en met boeien" te bedwingen (vers 29). Dat is een beeld van de vergeefse inspanningen van de menselijke maatschappij om de lusten te beteugelen. De bezetene woonde in de graven en was in zedelijk opzicht zelf al dood. Hij was naakt, dat wil zeggen dat hij, net als Adam, niet in staat was zijn toestand voor God te verbergen. Wat een triest beeld van de zedelijke verwording van een schepsel!

Gelukkig mogen we ook zeggen: wat een verandering, toen de Heere Jezus door middel van Zijn bevrijding ingreep (lees Efeze 2 vers 1- 6)!

De mensen uit de stad hebben dit ook moeten constateren. Ze zien de man daar zitten "aan de voeten van Jezus, gekleed en wèl bij zijn verstand" (vers 35).

Ja, de verloste vindt eindelijk vrede en rust bij zijn Redder; God bekleedt hem met gerechtigheid en geeft hem verstand Hem te erkennen. Maar ach! De wereld stoort zich meer aan en wordt meer verontrust door de tegenwoordigheid van God dan door de heerschappij van satan.

De man die genezen is van zijn bezetenheid, wil nu met de Heere Jezus meegaan (vergelijk Filippi 1 vers 23). Maar de Heere heeft nog een werk voor hem te doen en wijst hem een bepaald arbeidsterrein aan: zijn eigen huis en woonplaats. Daar mag hij gaan vertellen hoeveel de Heere Jezus voor hem gedaan heeft (Psalm 66 vers 16).

Lukas 8:40-56
40En het geschiedde, als Jezus wederkeerde, dat Hem de schare ontving; want zij waren allen Hem verwachtende.41En ziet, er kwam een man, wiens naam was Jairus, en hij was een overste der synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad Hem, dat Hij in zijn huis wilde komen.42Want hij had een enige dochter, van omtrent twaalf jaren, en deze lag op haar sterven. En als Hij heenging, zo verdrongen Hem de scharen.43En een vrouw, die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had, welke al haar leeftocht aan medicijnmeesters ten koste gelegd had; en van niemand had kunnen genezen worden,44Van achteren tot Hem komende, raakte den zoom Zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds.45En Jezus zeide: Wie is het, die Mij heeft aangeraakt? En als zij het allen ontkenden, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen U, en zegt Gij: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft?46En Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is.47De vrouw nu, ziende, dat zij niet verborgen was, kwam bevende, en voor Hem nedervallende, verklaarde Hem voor al het volk, om wat oorzaak zij Hem aangeraakt had, en hoe zij terstond genezen was.48En Hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.49Als Hij nog sprak, kwam er een van het huis des oversten der synagoge, zeggende tot hem: Uw dochter is gestorven; zijt den Meester niet moeilijk.50Maar Jezus, dat horende, antwoordde hem, zeggende: Vrees niet, geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden.51En als Hij in het huis kwam, liet Hij niemand inkomen, dan Petrus, en Jakobus, en Johannes, en den vader en de moeder des kinds.52En zij schreiden allen, en maakten misbaar over hetzelve. En Hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven; maar zij slaapt.53En zij belachten Hem, wetende, dat zij gestorven was.54Maar als Hij ze allen uitgedreven had, greep Hij haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op!55En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en Hij gebood, dat men haar te eten geven zoude.56En haar ouders ontzetten zich; en Hij beval hun, dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was.

Jaïrus, de overste van de synagoge, die "een enige dochter, van omtrent twaalf jaren" heeft, die op sterven ligt, vraagt de Heere Jezus om in zijn huis te komen. Deze Jaïrus heeft niet zoveel geloof als de hoofdman uit hoofdstuk 7; die wist namelijk dat een woord van de Heere voldoende zou zijn om zijn knecht, zelfs op afstand, te genezen. Onderweg naar het huis van Jaïrus wordt de Heere Jezus, in het geheim, door een vrouw aangeraakt. Jarenlang had zij bij allerlei artsen gelopen, maar helaas zonder enig resultaat. De Heere Jezus wil haar behalve genezing echter ook de zekerheid van de vrede geven. Daarom dwingt Hij haar om zich bekend te maken.

Al wandelende naar het huis van Jaïrus spreekt de Heere Jezus met "een tong der geleerden" om de bezorgde vader te bemoedigen (vers 50; vergelijk hoofdstuk 7 vers 13 en Jesaja 50 vers 4).

Eenmaal in dat huis aangekomen, gebeurt er vervolgens iets buitengewoons. Op de stem van van de "Vorst des levens" (Handelingen 3 vers 15) gaat het kind onmiddellijk staan. De Heere Jezus weet echter dat het meisje nu voedsel nodig heeft en in Zijn liefelijke zorgzaamheid zorgt Hij ervoor dat ze haar dat geven.

In deze twee gebeurtenissen zien we hoe de liefde van de Heere zich ook na de bevrijding nog openbaart. Bij de vrouw wil Hij een persoonlijke betrekking met Hem tot stand brengen en haar zover brengen dat ze openlijk voor Hem uitkomt. En bij het meisje is Hij nog bezorgd over haar voeding en versterking.

Lukas 9:1-17
1En Zijn twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf Hij hun kracht en macht over al de duivelen, en om ziekten te genezen.2En Hij zond hen heen, om te prediken het Koninkrijk Gods, en de kranken gezond te maken.3En Hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male, noch brood, noch geld; noch iemand van u zal twee rokken hebben.4En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit.5En zo wie u niet zullen ontvangen, uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uw voeten, tot een getuigenis tegen hen.6En zij, uitgaande, doorgingen al de vlekken, verkondigende het Evangelie, en genezende de zieken overal.7En Herodes, de viervorst, hoorde al de dingen, die van Hem geschiedden; en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de doden was opgestaan;8En van sommigen, dat Elias verschenen was; en van anderen, dat een profeet van de ouden was opgestaan.9En Herodes zeide: Johannes heb ik onthoofd; wie is nu Deze, van Welken ik zulke dingen hoor? En hij zocht Hem te zien.10En de apostelen, wedergekeerd zijnde, verhaalden Hem al wat zij gedaan hadden. En Hij nam hen mede en vertrok alleen in een woeste plaats der stad, genaamd Bethsaida.11En de scharen, dat verstaande, volgden Hem; en Hij ontving ze, en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods; en die genezing van node hadden, maakte Hij gezond.12En de dag begon te dalen; en de twaalven, tot Hem komende, zeiden tot Hem: Laat de schare van U, opdat zij, heengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen, herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij zijn hier in een woeste plaats.13Maar Hij zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf broden, en twee vissen; tenzij dan dat wij heengaan en spijs kopen voor al dit volk;14Want er waren omtrent vijf duizend mannen. Doch Hij zeide tot Zijn discipelen: Doet hen nederzitten bij zaten, elk van vijftig.15En zij deden alzo, en deden hen allen nederzitten.16En Hij, de vijf broden en de twee vissen genomen hebbende, zag op naar den hemel, en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen, om der schare voor te leggen.17En zij aten en werden allen verzadigd; en er werd opgenomen, hetgeen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven.

De Heere Jezus stuurt Zijn apostelen op pad. De kracht en de volmacht die Hij hun geeft, is alles wat zij op de weg nodig hebben (vers 3).

Bij hun terugkeer haasten de twaalven zich om Hem alles te vertellen, "al wat zij gedaan hadden" (vers 10). Wat een verschil, als we dit vergelijken met Handelingen 14 vers 27, waar Paulus en Barnabas vertelden welke "grote dingen God met hen gedaan had" (zie ook Handelingen 21 vers 19 en 1 Korinthe 15 vers 10).

Daarop neemt de Heere Jezus hen mee in de stilte. De volksmenigte wordt dat echter direct gewaar en volgt hen, zodat Hij, zonder ook maar het geringste teken van ongeduld of onwilligheid, Zijn dienst weer voortzet. Hij houdt Zich met de mensen bezig, spreekt tegen hen en geneest hen. De discipelen daarentegen willen al die mensen maar wat graag wegsturen, misschien uit zorg voor hen, zoals ze dat doen voorkomen (vers 12), maar het kan ook zijn dat ze bang zijn dat door al die drukte hun eigen rust in gevaar komt. De Meester bekommert Zich echter om deze mensenmenigte en leert daarbij tegelijkertijd de Zijnen een lesje. Nadat vastgesteld is dat zij niet in staat zijn om deze menigte met hun eigen middelen te voeden, grijpt de Heere Jezus in met Zijn eigen macht. Laten we goed bedenken dat Hij die vijf broden en die twee vissen helemaal niet nodig had. In Zijn grote genade wil Hij echter het weinige wat wij in staat zijn te geven en wat wij Hem ter beschikking willen stellen, nemen en dat wil Hij rijkelijk vermeerderen. Hij kan uit het kleine beetje van ons een volheid van zegen doen voortkomen. Zijn kracht zal altijd in de zwakheid van Zijn dienstknechten volbracht worden (2 Korinthe 12 vers 9).

Lukas 9:18-36
18En het geschiedde, als Hij alleen was biddende, dat de discipelen met Hem waren, en Hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de scharen, dat Ik ben?19En zij, antwoordende, zeiden: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Dat enig profeet van de ouden opgestaan is.20En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij, dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide: De Christus Gods.21En Hij gebood hun scherpelijk en beval, dat zij dit niemand zeggen zouden;22Zeggende: De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood en ten derden dage opgewekt worden.23En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij.24Want zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal het behouden.25Want wat baat het een mens, die de gehele wereld zou winnen, en zichzelven verliezen, of schade zijns zelfs lijden?26Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komen zal in Zijn heerlijkheid, en in de heerlijkheid des Vaders, en der heilige engelen.27En Ik zeg u waarlijk: Er zijn sommigen dergenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk Gods zullen gezien hebben.28En het geschiedde, omtrent acht dagen na deze woorden, dat Hij medenam Petrus, en Johannes, en Jakobus, en klom op den berg, om te bidden.29En als Hij bad, werd de gedaante Zijns aangezichts veranderd, en Zijn kleding wit en zeer blinkende.30En ziet, twee mannen spraken met Hem, welke waren Mozes en Elias.31Dewelke, gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, dien Hij zoude volbrengen te Jeruzalem.32Petrus nu, en die met hem waren, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde, zagen zij Zijn heerlijkheid, en de twee mannen, die bij Hem stonden.33En het geschiedde, als zij van Hem afscheidden, zo zeide Petrus tot Jezus: Meester, het is goed, dat wij hier zijn; en laat ons drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elias een; niet wetende, wat hij zeide.34Als hij nu dit zeide, kwam een wolk, en overschaduwde hen; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen.35En er geschiedde een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon; hoort Hem!36En als de stem geschiedde, zo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden.

De scharen zagen de Heere Jezus als een Profeet en niet als Christus, de Zoon van God (vers 19). Voor de Heere Jezus is dat de aanleiding om over Zijn weg van verwerping en lijden te spreken en de Zijnen op te roepen Hem te volgen. Deze weg betekent niet alleen het zich ontzeggen van bepaalde dingen, maar juist zelfverloochening en het volledig wegdoen van de eigen wil. Christenen zijn voor de wereld en haar begeerten gestorven (Galaten 6 vers 14), maar zijn levend voor God en voor de hemel. Daarentegen hebben zij die hun leven hier op aarde willen leven, de eeuwige dood in het vooruitzicht. Denk erom: bij deze beslissende keuze staat onze ziel op het spel! En die heeft meer waarde dan de hele wereld!

Met het inslaan van de moeizame weg naar het kruis, wil de Heere Jezus tegelijkertijd de Zijnen moed inspreken en laat hun zien waar die weg zal eindigen: samen met Hem in heerlijkheid.

En wat is op de berg der verheerlijking het grote onderwerp waarover gesproken wordt? De dood van de Heere Jezus. Daarover spreekt Hij met Mozes en Elia, omdat Hij dat niet kon doen met Zijn discipelen (vers 22; Mattheüs 16 vers 21 en 22). Hoe groot de getuigen van het Oude Testament echter ook mogen zijn, zij moeten wijken voor de heerlijkheid van de "geliefde Zoon". De wet en de profeten hebben hun einde gevonden; voortaan spreekt God in Zoon. Laten we toch naar Hem luisteren (vers 35; Hebreeën 1 vers 1)!

Lukas 9:37-56
37En het geschiedde des daags daaraan, als zij van den berg afkwamen, dat Hem een grote schare in het gemoet kwam.38En ziet, een man van de schare riep uit, zeggende: Meester, ik bid U, zie toch mijn zoon aan; want hij is mij een eniggeborene.39En zie, een geest neemt hem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem, dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem.40En ik heb Uw discipelen gebeden, dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.41En Jezus, antwoordende, zeide: O ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, en ulieden verdragen? Breng uw zoon hier.42En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weder.43En zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods. En als zij allen zich verwonderden over al de dingen, die Jezus gedaan had, zeide Hij tot Zijn discipelen:44Legt gij deze woorden in uw oren: Want de Zoon des mensen zal overgeleverd worden in der mensen handen.45Maar zij verstonden dit woord niet, en het was voor hen verborgen, alzo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord Hem te vragen.46En er rees een overlegging onder hen, namelijk, wie van hen de meeste ware.47Maar Jezus, ziende de overleggingen hunner harten, nam een kindeken, en stelde dat bij Zich;48En zeide tot hen: Zo wie dit kindeken ontvangen zal in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij ontvangen zal, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft. Want die de minste onder u allen is, die zal groot zijn.49En Johannes antwoordde en zeide: Meester! wij hebben een gezien, die in Uw Naam de duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij U met ons niet volgt.50En Jezus zeide tot hem: Verbied het niet; want wie tegen ons niet is, die is voor ons.51En het geschiedde, als de dagen Zijner opneming vervuld werden, zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen.52En Hij zond boden uit voor Zijn aangezicht; en zij, heengereisd zijnde, kwamen in een vlek der Samaritanen, om voor Hem herberg te bereiden.53En zij ontvingen Hem niet, omdat Zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.54Als nu Zijn discipelen, Jakobus en Johannes, dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt Gij, dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale, en dezen verslinde, gelijk ook Elias gedaan heeft?55Maar Zich omkerende, bestrafte Hij hen, en zeide: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt.56Want de Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander vlek.

Na de gebeurtenis van de verheerlijking, waarvan de Heere Jezus het Middelpunt was, ziet Hij Zich geplaatst tegenover een vreselijke situatie: de invloed van satan op een knaap en de grote nood van z'n vader. De bevrijding die Hij bewerkt, bewerkt de verheerlijking van de grootheid van God (vers 43).

Bij de discipelen zien we tegenstrijdige gevolgen openbaar worden. Zij volgen Hem, Die door Zijn vrijwillige vernedering aan het kruis gebracht wordt. En tegelijkertijd houden zij zich bezig met de vraag wie van hen toch de meeste zal zijn (vers 46). Ze hebben zelf in de Naam van de Heere demonen uitgeworpen — wat niet altijd lukte (vers 40) —maar verbieden een ander datzelfde te doen (vers 49; vergelijk Numeri 11 vers 26 - 29). Terwijl de Meester Zich opmaakt om het verlossingswerk voor de mensen — en ook voor hen — te volbrengen, willen Jakobus en Johannes het vuur van het oordeel op de Samaritanen laten neerdalen, omdat die weigeren Hem op te nemen. Zelfzucht, jaloersheid, enghartigheid, wrok en wraakplannen, in dat alles openbaart zich de verdrietige geest waardoor vaak ook ons arme, natuurlijke hart beheerst wordt (vers 55).

In het volle bewustzijn van hetgeen Hem te wachten staat, maar met een heilige vastbeslotenheid, onderneemt de Heere Jezus nu Zijn laatste tocht naar Jeruzalem. "Zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen" (vers 51).

Onze geliefde Verlosser laat Zich niet van Zijn doel, dat Zijn liefde Hem gesteld heeft, afbrengen.

`Heiland, niets kon U verhind'ren om die weg van smart te gaan... '

Lukas 9:57-62; Lukas 10:1-9
57En het geschiedde op den weg, als zij reisden, dat een tot Hem zeide: Heere, ik zal U volgen, waar Gij ook heengaat.58En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge.59En Hij zeide tot een anderen: Volg Mij. Doch hij zeide: Heere, laat mij toe, dat ik heenga, en eerst mijn vader begrave.60Maar Jezus zeide tot hem: Laat de doden hun doden begraven; doch gij, ga heen en verkondig het Koninkrijk Gods.61En ook een ander zeide: Heere, ik zal U volgen; maar laat mij eerst toe, dat ik afscheid neme van degenen, die in mijn huis zijn.62En Jezus zeide tot hem: Niemand, die zijn hand aan den ploeg slaat, en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods.
1En na dezen stelde de Heere nog andere zeventig, en zond hen heen voor Zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats, daar Hij komen zou.2Hij zeide dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom, bidt den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.3Gaat henen; ziet, Ik zend u als lammeren in het midden der wolven.4Draagt geen buidel, noch male, noch schoenen; en groet niemand op den weg.5En in wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dezen huize!6En indien aldaar een zoon des vredes is, zo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zo zal uw vrede tot u wederkeren.7En blijft in datzelve huis, etende en drinkende, hetgeen van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waardig; gaat niet over van het ene huis in het andere huis.8En in wat stad gij zult ingaan, en zij u ontvangen, eet hetgeen ulieden voorgezet wordt.9En geneest de kranken, die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen.

Het is niet zo moeilijk om te zeggen: "Heere, ik zal u volgen, waar Gij ook heengaat" (vers 57), maar het werkelijk doen, is iets anders. De Heere Jezus heeft er namelijk geen geheim van gemaakt, wat het volgen van Hem met zich meebrengt (zie vers 23). De grootste verhindering hiervoor komen we niet tegen op die weg, maar ligt in ons eigen hart. En om ons te helpen dat bij onszelf te ontdekken, schijnt het licht van de Heere tot in de verborgen hoeken van ons hart. Er zijn verschillende dingen op te noemen die bij ons heel gauw de plaats van gehoorzaamheid die wij de Heere Jezus verschuldigd zijn, kunnen innemen. Denk maar aan een verlangen naar geriefelijkheid (vers 58), deze of gene menselijke overweging, een bepaalde genegenheid of gewoonte (vers 59 en 61). Het is heel gevaarlijk deze dingen niet te willen loslaten, want als we dit in ons hart blijven meedragen, leidt dat onherroepelijk eens tot het spijt hebben van..., tot een omzien naar vroeger..., ja, misschien zelfs tot de beschamende en definitieve conclusie: het kost mij te veel om Hem te volgen!

In hoofdstuk 10 benoemt de Heere Jezus zeventig arbeiders, die vervolgens door Hemzelf uitgezonden worden in de oogst. Hij geeft hun bepaalde aanwijzingen mee en stuurt hen "als lammeren in het midden der wolven" (vers 3). Ze moeten namelijk de kenmerken van nederigheid en zachtmoedigheid van Hem openbaren, Die in het midden van diezelfde wolven het Lam was. Net als toen zijn er ook nu maar weinig arbeiders. Laten we daarom de Heere van de oogst hierom vragen (2 Thessalonika 3 vers 1). Dan zal Hij het op Zich nemen, nieuwe arbeiders te benoemen, hen op te leiden en uit te zenden. Om echter met ijver en in alle oprechtheid daarom te kunnen vragen, moet je ook zelf bereid zijn om uitgezonden te worden!

Lukas 10:10-24
10Maar in wat stad gij zult ingaan, en zij u niet ontvangen, uitgaande op haar straten, zo zegt:11Ook het stof, dat uit uw stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nochtans zo weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is.12En Ik zeg u, dat het dien van Sodom verdragelijker wezen zal in dien dag, dan dezelve stad.13Wee u, Chorazin, wee u, Bethsaida, want zo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren, die in u geschied zijn, zij zouden eertijds, in zak en as zittende, zich bekeerd hebben.14Doch het zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel, dan ulieden.15En gij, Kapernaum, die tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de hel toe nedergestoten worden.16Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft.17En de zeventigen zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam.18En Hij zeide tot hen: Ik zag den satan, als een bliksem, uit den hemel vallen.19Ziet, Ik geve u de macht, om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u enigszins beschadigen.20Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen.21Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.22Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en dien het de Zoon zal willen openbaren.23En Zich kerende naar de discipelen, zeide Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen, die zien, hetgeen gij ziet.24Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te horen, hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.

De Heere Jezus spreekt op ernstige toon tot de steden waarin Hij leerde en zoveel wonderen heeft gedaan. Hij onderstreept daarom hier de grote verantwoordelijkheid van de bewoners. Wat zou Hij vandaag van zoveel jonge mensen moeten zeggen, die in christelijke gezinnen zijn opgegroeid en daardoor bevoorrecht waren, maar daardoor ook meer verantwoordelijk zijn dan anderen?

Vol blijdschap keren de zeventig terug tot de Heere Jezus. Het feit dat zij demonen uitgedreven hebben, brengt de gedachten van de Heere Jezus naar het moment waarop de duivel zelf uit de hemel verdreven en op de aarde geworpen zal worden (Openbaring 12 vers 7 en verder). De Heere Jezus roept Zijn discipelen echter op, zich te verheugen om een heel andere reden: de hemel, die van de aanwezigheid van satan gereinigd zal zijn, zal hun woonplaats worden! Nu al staan hun namen daar opgetekend. En de Heere Jezus Zelf verheugt Zich ook met een grote blijdschap, niet om de macht die uitgeoefend was, maar over de raadsbesluiten van de God van liefde. Het was een welgevallen voor de Vader om Zich in de Zoon te openbaren. En aan wie werd deze openbaring gegeven — volkomen in tegenstelling tot dat wat wij vaak tegen kinderen zeggen: 'Als je groot bent, dan zul je het wel begrijpen'? Die openbaring werd gegeven aan "kinderkens", aan onmondigen, en aan hen die in hun nederigheid en eenvoudig geloof op kinderen lijken. Voldoen wij aan deze voorwaarden?

Lukas 10:25-42
25En ziet, een zeker wetgeleerde stond op, Hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beerven?26En Hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij?27En hij, antwoordende, zeide: Gij zult den Heere, uw God, liefhebben, uit geheel uw hart, en uit geheel uw ziel, en uit geheel uw kracht, en uit geheel uw verstand; en uw naaste als uzelven.28En Hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord; doe dat, en gij zult leven.29Maar hij, willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?30En Jezus, antwoordende, zeide: Een zeker mens kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke, hem ook uitgetogen, en daartoe zware slagen gegeven hebbende, heengingen, en lieten hem half dood liggen.31En bij geval kwam een zeker priester denzelven weg af, en hem ziende, ging hij tegenover hem voorbij.32En desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam hij, en zag hem, en ging tegenover hem voorbij.33Maar een zeker Samaritaan, reizende, kwam omtrent hem, en hem ziende, werd hij met innerlijke ontferming bewogen.34En hij, tot hem gaande, verbond zijn wonden, gietende daarin olie en wijn; en hem heffende op zijn eigen beest, voerde hem in de herberg en verzorgde hem.35En des anderen daags weggaande, langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard, en zeide tot hem: Draag zorg voor hem: en zo wat gij meer aan hem ten koste zult leggen, dat zal ik u wedergeven, als ik wederkom.36Wie dan van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen, die onder de moordenaars gevallen was?37En hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zo zeide dan Jezus tot hem: Ga heen, en doe gij desgelijks.38En het geschiedde, als zij reisden, dat Hij kwam in een vlek; en een zekere vrouw, met name Martha, ontving Hem in haar huis.39En deze had een zuster, genaamd Maria, welke ook, zittende aan de voeten van Jezus, Zijn woord hoorde.40Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en daarbij komende, zeide zij: Heere, trekt Gij U dat niet aan, dat mijn zuster mij alleen laat dienen? Zeg dan haar, dat zij mij helpe.41En Jezus, antwoordende, zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen;42Maar een ding is nodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.

De Heere Jezus beantwoordt de vraag van een wetgeleerde met een tegenvraag, die aan het geweten van deze man gericht is. Om aan bepaalde gevolgen te ontkomen, wil de wetgeleerde maar wat graag de reikwijdte van het woordje "naaste" beperken. De Heere Jezus leert hem echter, dat Hij in eerste instantie Zelf deze Naaste is (vers 36 en 37) en dat naar Zijn voorbeeld een verloste, door z'n liefde tot alle mensen, hun naaste wordt.

In deze man, die beroofd en halfdood is achtergelaten, mogen we een beeld zien van de verloren en hulpeloze zondaar. In de priester en de Leviet herkennen we de tevergeefse toevlucht tot de godsdienst. In de barmhartige Samaritaan ontmoeten we echter de Redder, Die Zich neerboog en Zich om onze ellende bekommerde en ons uit de hopeloze en verdrietige situatie verlost heeft. Bij de herberg mogen we denken aan de Gemeente, de plaats waar hij die gered is, de nodige verzorging ontvangt. En de waard is vervolgens een beeld van de Heilige Geest, Die door het Woord en het gebed (de twee penningen) de nodige zorg geeft. Het Woord en het gebed vormen het onderwerp van de verzen 38 - 42 en het eerste gedeelte van hoofdstuk 11 (vers 1 - 13). Als eindconclusie zegt de Heere niet meer: "Doet dat (de wet), en gij zult leven" (vers 28), maar: "Ga heen, en doe gij evenzo" (vers 37).

Daarna volgt de gebeurtenis in het huis van Zijn vrienden; daar waar de Heere Jezus opgenomen werd, waar men Hem diende, naar Hem geluisterd werd en men Hem liefhad. Martha wordt echter zo in beslag genomen door het dienen, dat zij daarop gewezen moet worden. De Heere verblijdt Zich echter over het hart van Maria, dat openstaat voor Zijn Woord (1 Samuël 15 vers 22).

Lukas 11: 1-20
1En het geschiedde, toen Hij in een zekere plaats was biddende, als Hij ophield, dat een van Zijn discipelen tot Hem zeide: Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft.2En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.3Geef ons elken dag ons dagelijks brood.4En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een iegelijk, die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze.5En Hij zeide tot hen: Wie van u zal een vriend hebben, en zal ter middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend! leen mij drie broden;6Overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet, dat ik hem voorzette;7En dat die van binnen, antwoordende, zou zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijn kinderen zijn met mij in de slaapkamer; ik kan niet opstaan, om u te geven.8Ik zeg ulieden: Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, nochtans om zijner onbeschaamdheid wil, zal hij opstaan, en hem geven zoveel als hij er behoeft.9En Ik zeg ulieden: Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.10Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.11En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem een steen geven, of ook om een vis, zal hem voor een vis een slang geven?12Of zo hij ook om een ei zou bidden, zal hij hem een schorpioen geven?13Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader den Heiligen Geest geven dengenen, die Hem bidden?14En Hij wierp een duivel uit, en die was stom. En het geschiedde, als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak; en de scharen verwonderden zich.15Maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beelzebul, den overste der duivelen.16En anderen, Hem verzoekende, begeerden van Hem een teken uit den hemel.17Maar Hij, kennende hun gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis, tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt.18Indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Dewijl gij zegt, dat Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp.19En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze uw zonen uit? Daarom zullen dezen uw rechters zijn.20Maar indien Ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.

De discipelen zijn onder de indruk over de plaats die het gebed in het leven van hun Meester inneemt. Laten we toch net doen als zij en de Heere vragen om ons te leren bidden. Gaat het daarbij dan om het uit het hoofd leren van bepaalde zinsneden? De gelijkenis van de beide vrienden leert het tegendeel. Elke behoefte mag heel eenvoudig en duidelijk tot uitdrukking gebracht worden, net zoals die ene man dat deed: "Vriend, leen mij drie broden" (vers 5). We kunnen misschien ook met een geestelijke behoefte die plotseling opkomt en, om zo maar te zeggen, aan de deur van ons hart klopt, geconfronteerd worden (vers 6). Laten we ervoor oppassen zoiets af te wijzen, maar laten we het juist veel meer behandelen als een "vriend van de reis" (vers 6). En als we dan niets bezitten, om daaraan tegemoet te komen en te geven? Dan mogen we ons vol vertrouwen wenden tot de Goddelijke Vriend en hoeven daarbij nooit bang te zijn dat het Hem ongelegen komt. In Zijn grote liefde wil God Zijn kinderen maar wat graag antwoorden en Hij zal hen nooit beschamen. Integendeel, als het zelfs mocht gebeuren dat wij uit onwetendheid of uit een gebrek aan wijsheid om "een steen" (vers 11) zouden vragen, dan weet Hij dat verzoek om te zetten in "goede gaven" (vers 13).

Zolang de mens geen ontmoeting heeft gehad met de Heere Jezus, is hij voor God even stom als die bezetene uit vers 14. Maar eenmaal door Christus gered, ontvangt hij bij zijn bekering de gave van de Heilige Geest (vergelijk vers 13), en daarna is hij in staat z'n stem te verheffen tot lof en om te bidden. Laten we toch veel gebruik maken van dit grote voorrecht!

Lukas 11:21-36
21Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zo is al wat hij heeft in vrede.22Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit.23Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.24Wanneer de onreine geest van den mens uitgevaren is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust; en die niet vindende, zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, daar ik uitgevaren ben.25En komende, vindt hij het met bezemen gekeerd en versierd.26Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven anderen geesten, bozer dan hij zelf is, en ingegaan zijnde, wonen zij aldaar; en het laatste van dien mens wordt erger dan het eerste.27En het geschiedde, als Hij deze dingen sprak, dat een zekere vrouw, de stem verheffende uit de schare, tot Hem zeide: Zalig is de buik, die U gedragen heeft, en de borsten, die Gij hebt gezogen.28Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en hetzelve bewaren.29En als de scharen dicht bijeenvergaderden, begon Hij te zeggen: Dit is een boos geslacht; het verzoekt een teken, en hetzelve zal geen teken gegeven worden, dan het teken van Jonas, den profeet.30Want gelijk Jonas den Ninevieten een teken geweest is, alzo zal ook de Zoon des mensen zijn dezen geslachte.31De koningin van het Zuiden zal opstaan in het oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordelen; want zij is gekomen van de einden der aarde, om te horen de wijsheid van Salomo; en ziet, meer dan Salomo is hier.32De mannen van Nineve, zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!33En niemand, die een kaars ontsteekt, zet die in het verborgen, noch onder een koornmaat, maar op een kandelaar, opdat degenen, die inkomen, het licht zien mogen.34De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zo is ook uw gehele lichaam verlicht; maar zo het boos is, zo is ook uw gehele lichaam duister.35Zie dan toe, dat niet het licht, hetwelk in u is, duisternis zij.36Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende enig deel, dat duister is, zo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht.

Alleen de macht van de Heere Jezus, de Overwinnaar over "een sterke", kan ons van het kwaad dat in onszelf aanwezig is, bevrijden. Een begeerte die op andere wijze is weggedaan, zal onherroepelijk op een gegeven moment door een andere vervangen worden. Ons hart lijkt op het huis uit vers 25. Het is tevergeefs ons hart 'schoon te vegen' en 'te versieren' zolang niet de nieuwe Gast, de Heere Jezus, toestemming van ons heeft gekregen om daarin te wonen en te heersen.

Daarna herhaalt de Heere Jezus dat de zegen niet van bepaalde familiebetrekkingen (vers 27 en 28; vergelijk hoofdstuk 8 vers 21) noch van voorrechten van een bepaald geslacht afhankelijk is. De zegen wordt alleen beloofd aan hen die het Woord van God horen en bewaren!

Vers 33 is een herhaling van de les uit hoofdstuk 8 vers 16. De korenmaat, een inhoudsmaat, is een symbool voor bezigheid en het zakendoen; het bed is een beeld van slaap en luiheid. Dat zijn twee dingen die precies het tegenovergestelde van elkaar zijn. Toch zijn beide dingen in staat om het kleine vlammetje van ons getuigen uit te blussen. In Mattheüs 5 vers 15 moest de lamp schijnen "voor allen, die in het huis zijn". Hier wordt de lamp aangestoken "opdat zij, die inkomen" — de bezoekers — "het licht zien mogen".

Via het oog, dat "boos is" (vers 34), komt de duisternis van de zonde bij ons binnen. Laten we er altijd goed op letten, welke richting onze blikken uitgaan (Job 31 vers 1). Denk aan bepaalde boeken en moderne media (maar er zijn ook nog andere dingen op te noemen) die ons hart verontreinigen en onze gevoelens verleiden (2 Korinthe 7 vers 1)!

Lukas 11:37-54
37Als Hij nu dit sprak, bad Hem een zeker Farizeer, dat Hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde, zat Hij aan.38En de Farizeer, dat ziende, verwonderde zich, dat Hij niet eerst, voor het middagmaal, Zich gewassen had.39En de Heere zeide tot hem: Nu gij Farizeen, gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels; maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid.40Gij onverstandigen! Die het buitenste heeft gemaakt, heeft Hij ook niet het binnenste gemaakt?41Doch geeft tot aalmoes, hetgeen daarin is; en ziet, alles is u rein.42Maar wee u, Farizeen, want gij vertient munte, en ruite, en alle moeskruid, en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen, en het andere niet nalaten.43Wee u, Farizeen, want gij bemint het voorgestoelte in de synagogen, en de begroetingen op de markten.44Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeen, gij geveinsden, want gij zijt gelijk de graven, die niet openbaar zijn, en de mensen, die daarover wandelen, weten het niet.45En een van de wetgeleerden, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! als Gij deze dingen zegt, zo doet Gij ook ons smaadheid aan.46Doch Hij zeide: Wee ook u, wetgeleerden! want gij belast de mensen met lasten, zwaar om te dragen, en zelven raakt gij die lasten niet aan met een van uw vingeren.47Wee u, want gij bouwt de graven der profeten, en uw vaders hebben dezelve gedood.48Zo getuigt gij dan, dat gij mede behagen hebt aan de werken uwer vaderen; want zij hebben ze gedood, en gij bouwt hun graven.49Waarom ook de wijsheid Gods zegt: Ik zal profeten en apostelen tot hen zenden, en van die zullen zij sommigen doden, en sommigen zullen zij uitjagen;50Opdat van dit geslacht afgeeist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af.51Van het bloed van Abel, tot het bloed van Zacharia, die gedood is tussen het altaar en het huis Gods; ja, zeg Ik u, het zal afgeeist worden van dit geslacht!52Wee u, gij wetgeleerden, want gij hebt den sleutel der kennis weggenomen; gijzelven zijt niet ingegaan, en die ingingen, hebt gij verhinderd.53En als Hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de Schriftgeleerden en Farizeen hard aan te houden, en Hem van vele dingen te doen spreken;54Hem lagen leggende, en zoekende iets uit Zijn mond te bejagen, opdat zij Hem beschuldigen mochten.

Voor de tweede keer wordt de Heere Jezus door een Farizeeër uitgenodigd om te komen eten (vergelijk hoofdstuk 7 vers 36). En Zijn gastheer neemt hier zelfs de vrijheid kritiek op Hem te leveren. Daaruit ontwikkelt zich een heftig gesprek, in het verloop waarvan Hij, Die de harten kent, de boosheid en de huichelarij van deze verantwoordelijke klasse onder de bevolking aan de kaak stelt. Hoewel zij voor het oog van andere mensen de schijn ophielden erg vroom te zijn, vertoonden de Farizeeën en wetgeleerden innerlijk, dus verborgen voor die anderen, een toestand van verdorvenheid en van de dood. Zij lijken op graftomben, die ergens verborgen liggen en waar de mensen gewoon overheen lopen, zonder dat te weten (vers 44).

Wie heeft het ooit gewaagd op zo'n strenge toon te spreken tegen iemand die hem had uitgenodigd? Maar de Farizeeën hadden echter zelf eens van de Heere Jezus gezegd, dat Hij waarachtig is "en naar niemand vraagt; want", zo zeiden ze: "Gij ziet de persoon van de mensen niet aan" (Mattheüs 22 vers 16). Wat een voorbeeld voor ons, die maar al te goed weten hoe wij met goed gekozen woorden (die soms verre van oprecht zijn) ons aanzien kunnen verwerven bij anderen! Onder het voorwendsel beleefd te willen zijn, kunnen we in zekere zin dezelfde valsheid en formaliteit vertonen die de Heere Jezus bij de Farizeeën zo veroordeelt.

Omdat ze geen weerwoord hebben, proberen de tegenstanders van de Heere Jezus Hem nu op een misstap te betrappen. In Psalm 119 lezen we, profetisch, enkele van Zijn gebeden, die Hij uitsprak op momenten waarop Hij zo'n tegenstand ondervond (vers 98, 110, 150, enzovoort).

Lukas 12:1-12
1Daarentussen als vele duizenden der schare bijeenvergaderd waren, zodat zij elkander vertraden, begon Hij te zeggen tot Zijn discipelen: Vooreerst wacht uzelven voor den zuurdesem der Farizeen, welke is geveinsdheid.2En er is niets bedekt, dat niet zal ontdekt worden, en verborgen, dat niet zal geweten worden.3Daarom, al wat gij in de duisternis gezegd hebt, zal in het licht gehoord worden; en wat gij in het oor gesproken hebt, in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden.4En Ik zeg u, Mijn vrienden: Vreest u niet voor degenen, die het lichaam doden, en daarna niet meer kunnen doen.5Maar Ik zal u tonen, Wien gij vrezen zult: vreest Dien, Die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen; ja, Ik zeg u, vreest Dien!6Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningskens? En niet een van die is voor God vergeten.7Ja, ook de haren uws hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet; gij gaat vele musjes te boven.8En Ik zeg u: Een iegelijk, die Mij belijden zal voor de mensen, dien zal ook de Zoon des mensen belijden voor de engelen Gods.9Maar wie Mij verloochenen zal voor de mensen, die zal verloochend worden voor de engelen Gods.10En een iegelijk, die enig woord spreken zal tegen den Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar wie tegen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden.11En wanneer zij u heenbrengen zullen in de synagogen, en tot de overheden en de machten, zo zijt niet bezorgd, hoe of wat gij tot verantwoording zeggen, of wat gij spreken zult;12Want de Heilige Geest zal u in dezelve ure leren, hetgeen gij spreken moet.

De huichelarij, die zo kenmerkend was voor de Farizeeën, kon ook in een andere vorm een gevaar betekenen voor de discipelen. De volgelingen van de Heere Jezus kunnen hun betrekking tot Hem verborgen houden voor de ogen van de wereld. Daarom bemoedigt de Heere Jezus de Zijnen, in aanwezigheid van een grote schare, om tegenover de mensen openlijk voor Hem uit te komen, zonder angst te hebben voor eventuele gevolgen. Wij weten dat deze discipelen en de christenen in de eerste eeuwen inderdaad vreselijke vervolgingen te verduren hebben gehad. Met liefdevolle zorg bereidt de Heere Zijn vrienden (vers 4) voor op deze zware dagen en richt Hij hun aandacht op de hemelse Vader. Zou God, Die Zich om het lot van een klein, in de ogen van mensen waardeloos musje bekommert, niet voor Zijn eigen kinderen zorgen, die door beproevingen hebben te gaan? En wat het getuigenis betreft, dat zij zouden hebben af te leggen, hoefden zij zich geen zorgen te maken. De Heilige Geest zou hen op zo'n moment de juiste woorden in de mond geven.

In onze dagen worden de gelovigen in westerse landen niet vervolgd of gedood. Maar als zij trouw zijn, ondervinden ze toch de haat en verachting van de wereld en ook dat is altijd moeilijk te verdragen. Deze vermaningen, maar ook de beloften die ermee gepaard gaan, gelden daarom ook voor ons. Laten we de Heere vragen ons meer moed te geven, om altijd, in alle omstandigheden, Zijn Naam te belijden.

Lukas 12:13-31
13En een uit de schare zeide tot Hem: Meester, zeg mijn broeder, dat hij met mij de erfenis dele.14Maar Hij zeide tot hem: Mens, wie heeft Mij tot een rechter of scheidsman over ulieden gesteld?15En Hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid; want het is niet in den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijn goederen.16En Hij zeide tot hen een gelijkenis, en sprak: Eens rijken mensen land had wel gedragen;17En hij overleide bij zichzelven, zeggende: Wat zal ik doen, want ik heb niet, waarin ik mijn vruchten zal verzamelen.18En hij zeide: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen;19En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor vele jaren, neem rust, eet, drink, wees vrolijk.20Maar God zeide tot hem: Gij dwaas! in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?21Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.22En Hij zeide tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult.23Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding.24Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoeveel gaat gij de vogelen te boven?25Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen?26Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd?27Aanmerkt de lelien, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; en Ik zeg u: ook Salomo in al zijn heerlijkheid is niet bekleed geweest als een van deze.28Indien nu God het gras dat heden op het veld is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, hoeveel meer u, gij kleingelovigen!29En gijlieden, vraagt niet, wat gij eten, of wat gij drinken zult; en weest niet wankelmoedig.30Want al deze dingen zoeken de volken der wereld; maar uw Vader weet, dat gij deze dingen behoeft.31Maar zoekt het Koninkrijk Gods, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.

Iemand uit de mensenmenigte stelt de Heere Jezus hier een vraag met betrekking tot een erfeniskwestie. Dit is voor de Heere een gelegenheid om de wortel van al deze onenigheid te openbaren: dat is gierigheid of inhaligheid. "Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad" (1 Timotheüs 6 vers 10). De gelijkenis van de rijke man met zijn te kleine schuren is een illustratie van deze hebzucht. Onder de dekmantel van zorgzaam te moeten handelen, kun je je eigen zakken vullen, rijkdom vergaren, rekenen en op de lange termijn plannen! Maar dat is juist de grootste kortzichtigheid, want het betekent dat je, wat betreft het kostbaarste wat je bezit, je eigen ziel, nalatig bent en jezelf bedriegt! In zijn dwaasheid had de rijke man ook gemeend zijn ziel te kunnen bevredigen, door hem "vele goederen" aan te bieden (vers 19). Maar de onsterfelijke ziel heeft heel ander voedsel nodig! Ja, "dwaas", dat is de naam die God aan deze man geeft (vers 20; vergelijk Jeremia 17 vers 11 aan het eind). Op hoeveel grafstenen zou ook vandaag deze naam nog kunnen staan (Psalm 52 vers 7)!

In tegenstelling hiermee leert de Heere Jezus de Zijnen dat ware zorg bestaat uit het stellen van je vertrouwen op God. Alle zorgen voor onze dagelijkse behoeften worden tenietgedaan door de woorden: "...uw Vader weet, dat gij deze dingen behoeft" (vers 30). Wanneer Zijn rijk en Zijn belangen de eerste plaats innemen in ons hart en bij ons dus altijd op de voorgrond staan, dan zal Hij Zichzelf volkomen om onze behoeften bekommeren.

Lukas 12:32-48
32Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven.33Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes. Maakt uzelven buidels, die niet verouden, een schat, die niet afneemt, in de hemelen, daar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft.34Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw hart zijn.35Laat uw lendenen omgord zijn, en de kaarsen brandende.36En zijt gij den mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen.37Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende, zal hij hen dienen.38En zo hij komt in de tweede nacht wake, en komt in de derde wake, en vindt hen alzo, zalig zijn dezelve dienstknechten.39Maar weet dit, dat, indien de heer des huizes geweten had, in welke ure de dief zou komen, hij zou gewaakt hebben, en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven.40Gij dan, zijt ook bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.41En Petrus zeide tot Hem: Heere! zegt Gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen?42En de Heere zeide: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, dien de heer over zijn dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te geven?43Zalig is de dienstknecht, welken zijn heer, als hij komt, zal vinden, alzo doende.44Waarlijk, Ik zeg ulieden, dat hij hem over al zijn goederen zetten zal.45Maar indien dezelve dienstknecht in zijn hart zou zeggen: Mijn heer vertoeft te komen; en zou beginnen de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken, en dronken te worden;46Zo zal de heer deszelven dienstknechts komen ten dage, in welken hij hem niet verwacht, en ter ure, die hij niet weet; en zal hem afscheiden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen.47En die dienstknecht, welke geweten heeft den wil zijns heeren, en zich niet bereid, noch naar zijn wil gedaan heeft, die zal met vele slagen geslagen worden.48Maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen, die slagen waardig zijn, die zal met weinige slagen geslagen worden. En een iegelijk, wien veel gegeven is, van dien zal veel geeist worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eisen.

De rijke man in de gelijkenis had voor zichzelf schatten verzameld (vers 21) en had daarbij alles verloren, ook zijn ziel. De Heere Jezus laat Zijn discipelen nu een middel zien om schatten te verzamelen die beschermd worden tegen alle risico's. Daarbij gaat het om het geven van aalmoezen en het uitdelen van hun bezittingen. Dat staat gelijk aan een veilige belegging, in dit geval bij de bank van de hemel (vers 33; vergelijk hoofdstuk 18 vers 22), met als gevolg dat je hart zich absoluut zeker steeds zal bezighouden met je hemelse schat en dat je met een groot verlangen uitziet naar de komst van de Heere (lees 1 Petrus 1 vers 4).

De Heere Jezus komt terug! Heeft deze hoop ook een praktische uitwerking in ons leven? Maken wij ons nu al los van deze wereld, die we binnenkort zeker zullen verlaten? Reinigen wij onszelf, "gelijk Hij rein is" (1 Johannes 3 vers 3)? Zijn we vervuld met een ijver voor de zielen en verheugen wij ons? En denk vooral eens aan de vreugde van onze geliefde Verlosser, Wiens liefhebbend hart dan volkomen bevredigd zal zijn! Hij laat het Zich niet ontnemen om hen die Hem hier op aarde hebben gediend en verwacht, Zelf te ontvangen en te bedienen aan de feestmaaltijd van genade (vers 37). Dan zal de "getrouwe en voorzichtige huisbezorger" (rentmeester) zijn beloning ontvangen. En de knecht die "de wil van zijn heer" kende, maar er bewust niet naar gehandeld heeft (vers 47; Jakobus 4 vers 17), zal dan ook z'n ernstige vergelding ontvangen.

"En een ieder, aan wie veel gegeven is..." O, laat ieder van ons toch bij zichzelf nagaan wat hij of zij ontvangen heeft —en daaruit zijn of haar conclusie trekken!

Lukas 12:49-59; Lukas 13:1-5
49Ik ben gekomen, om vuur op de aarde te werpen; en wat wil Ik, indien het alrede ontstoken is?50Maar Ik moet met een doop gedoopt worden; en hoe worde Ik geperst, totdat het volbracht zij!51Meent gij, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? Neen, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid.52Want van nu aan zullen er vijf in een huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie.53De vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter; en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen haar schoondochter, en de schoondochter tegen haar schoonmoeder.54En Hij zeide ook tot de scharen: Wanneer gij een wolk ziet opgaan van het westen, terstond zegt gijlieden: Er komt regen; en het geschiedt alzo.55En wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zo zegt gij: Er zal hitte zijn; en het geschiedt.56Gij geveinsden, het aanschijn der aarde en des hemels weet gij te beproeven; en hoe beproeft gij dezen tijd niet?57En waarom oordeelt gij ook van uzelven niet, hetgeen recht is?58Want als gij heengaat met uw wederpartij voor de overheid, zo doet naarstigheid op den weg, om van hem verlost te worden; opdat hij misschien u niet voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe.59Ik zeg u: Gij zult van daar geenszins uitgaan, totdat gij ook het laatste penningsken betaald zult hebben.
1En er waren te dierzelfder tijd enigen tegenwoordig, die Hem boodschapten van de Galileers, welker bloed Pilatus met hun offeranden gemengd had.2En Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Meent gij, dat deze Galileers zondaars zijn geweest boven al de Galileers, omdat zij zulks geleden hebben?3Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.4Of die achttien, op welke de toren in Siloam viel, en doodde ze; meent gij, dat deze schuldenaars zijn geweest, boven alle mensen, die in Jeruzalem wonen?5Ik zeg u: Neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen insgelijks vergaan.

Tot aan de "doop" van Zijn dood, wordt de Heere Jezus "geperst" (benauwt het Hem; vers 50). Het kruis is noodzakelijk, opdat Zijn liefde volkomen tot uiting kan komen en weerklank kan vinden in de harten van de mensen.

Zijn komst stelt de mensen voor een beslissing. Te midden van gezinnen die eertijds nog samen een weg van goddeloosheid gingen, wordt Hij door de één opgenomen en door de ander verworpen. Ook vandaag zijn er nog veel huizen die lijken op de beschrijving die we vinden in de verzen 52 en 53!

In ware liefde tot hun zielen richt de Heere Jezus Zich opnieuw tot de Joden, die "geveinsden" (d.w.z. huichelaars; vers 56). We hoeven ons niet te verwonderen over de hardheid waarmee Hij soms tegen hen moet spreken. Hij wordt daartoe gedwongen vanwege de hardheid van hun eigen harten. Er is een hamer nodig om de steenrotsen te verpletteren (Jeremia 23 vers 29).

Israël had zich blootgesteld aan de toorn van God, hun "Tegenpartij" (vers 58). Maar toen was God in Christus gekomen om Zijn volk verzoening aan te bieden. Het volk weigerde echter dit aan te nemen en de voortekenen van het oordeel te erkennen (vers 56). Ook vandaag biedt God ieder mens nog verzoening aan, voordat het moment aanbreekt dat men Hem alleen nog als onverbiddelijke Rechter kan ontmoeten (2 Korinthe 5 vers 19 en 20).

In hoofdstuk 13 vers 1 - 5 herinnert de Heere Jezus Zijn toehoorders aan twee ernstige gebeurtenissen die kort tevoren plaatsvonden en Hij gebruikt dit als gelegenheid om hen te vermanen zich te bekeren. O, dat ook wij elke gelegenheid aangrijpen om de mensen om ons heen te waarschuwen!

Lukas 13:6-21
6En Hij zeide deze gelijkenis: Een zeker man had een vijgeboom, geplant in zijn wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.7En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kome nu drie jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit; waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?8En hij, antwoordende, zeide tot hem: Heer, laat hem ook nog dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;9En indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; maar indien niet, zo zult gij hem namaals uithouwen.10En Hij leerde op den sabbat in een der synagogen.11En ziet, er was een vrouw, die een geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen, en kon zich ganselijk niet oprichten.12En Jezus, haar ziende, riep haar tot Zich, en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uw krankheid.13En Hij legde de handen op haar; en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God.14En de overste der synagoge, kwalijk nemende, dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Er zijn zes dagen, in welke men moet werken; komt dan in dezelve, en laat u genezen, en niet op den dag des sabbats.15De Heere dan antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den sabbat zijn os of ezel van de kribbe los, en leidt hem heen om te doen drinken?16En deze, die een dochter Abrahams is, welke de satan, ziet, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band, op den dag des sabbats?17En als Hij dit zeide, werden zij allen beschaamd, die zich tegen Hem stelden; en al de schare verblijdde zich over al de heerlijke dingen, die van Hem geschiedden.18En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken?19Het is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op, en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.20En Hij zeide wederom: Waarbij zal Ik het Koninkrijk Gods vergelijken?21Het is gelijk aan een zuurdesem, welken een vrouw nam, en verborg in drie maten meels, totdat het geheel gezuurd was.

De geschiedenis van Israël, uitgebeeld in de onvruchtbare vijgenboom, is tegelijkertijd de geschiedenis van de hele mensheid. God heeft alles geprobeerd om iets goeds van Zijn schepselen in ontvangst te kunnen nemen. Maar helaas is de natuurlijke mens, ondanks alle godsdienstige schijn (mooie bladeren), niet in staat om ook maar de geringste vrucht voor God voort te brengen. Dus beslaat hij zonder nut de aarde en moet hij geoordeeld worden (vers 7). Het geduldige werk van Christus in het midden van Zijn aardse volk was de uiterste poging van de Goddelijke Wijngaardenier om vruchten te kunnen oogsten.

De Heere Jezus gaat verder met Zijn dienen in genade en geneest een arme, zieke vrouw. Hij wist precies hoe lang haar beproeving al duurde (vers 16).

Dit wonder, dat ook weer op de sabbat gebeurde, gebruiken de huichelachtige tegenstanders als voorwendsel. Het antwoord van de Heere doet hen echter beschaamd staan en herinnert hen aan de verplichtingen die zij hadden, om liefde te betonen aan een zuster, een dochter van Abraham.

De twee korte gelijkenissen die daarna volgen, geven een beschrijving van de grote, zichtbare ontwikkeling die de christenheid hier op aarde zou doormaken, hoe zij door het zuurdeeg van de valse leer doordrongen en door de begerigheid van mensen (de vogels, die gekenmerkt worden door hun gulzigheid) verwoest zou worden. En ten slotte zal de grote boom van de christenheid hetzelfde lot ondergaan als de vijgenboom Israël (vers 9).

Lukas 13:22-35
22En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem.23En er zeide een tot Hem: Heere, zijn er ook weinigen, die zalig worden? En Hij zeide tot hen:24Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;25Namelijk nadat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt.26Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd.27En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid!28Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.29En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods.30En ziet, er zijn laatsten, die de eersten zullen zijn; en er zijn eersten, die de laatsten zullen zijn.31Te dienzelfden dage kwamen er enige Farizeen, zeggende tot Hem: Ga weg, en vertrek van hier; want Herodes wil U doden.32En Hij zeide tot hen: Gaat heen, en zegt dien vos: Zie, Ik werp duivelen uit, en maak gezond, heden en morgen, en ten derden dage worde Ik voleindigd.33Doch Ik moet heden, en morgen, en den volgenden dag reizen; want het gebeurt niet, dat een profeet gedood wordt buiten Jeruzalem.34Jeruzalem, Jeruzalem! gij, die de profeten doodt, en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert; en gijlieden hebt niet gewild?35Ziet, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar, Ik zeg u, dat gij Mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn, als gij zult zeggen: Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren!

Nooit lezen we dat de Heere Jezus de nieuwsgierigheid van de mensen bevredigde. Als Hem gevraagd wordt of het er weinigen zijn die gered zullen worden, dan is dat voor Hem een aanleiding om tot het persoonlijk geweten te spreken. Het is alsof Hij wil zeggen: 'Maak je niet druk om een ander, maar zorg ervoor dat je zelf bij dat aantal zult horen.'

Zeker, de poort is eng, maar het rijk is groot genoeg om allen op te nemen die er nu naar binnen willen gaan! En komt deze enge poort je niet zo gelegen, heb je eigenlijk geen zin om erdoor naar binnen te gaan (vers 24), dan zul je later "de deur gesloten" vinden (vers 25). Is er iets ernstigers denkbaar dan het kloppen, het tevergeefs roepen en dan het vreselijke antwoord te moeten horen: "Ik ken u niet!"? Sommigen zullen dan misschien roepen: 'Dat is een vergissing! Ik heb toch gelovige ouders gehad en ging regelmatig naar de samenkomsten! Ook heb ik in mijn Bijbel gelezen en lofliederen gezongen!' Maar de Heere zal alleen hen in de hemel opnemen die Hem hier beneden in hun hart hebben opgenomen.

Deze strenge woorden richt de Heere Jezus in het bijzonder aan het volk Israël. Terwijl Herodes, die wrede en sluwe "vos", de kuikens van Israël vernietigde, heeft hun ware Koning geprobeerd hen onder Zijn vleugels te verzamelen (vers 34). Men heeft Hem en Zijn genade echter niet gewild. En nu verlaat de Heere der heerlijkheid Zijn "huis", waar men Hem niet opgenomen heeft (vers 35; Johannes 1 vers 11) en begeeft Hij Zich op Zijn weg naar het kruis.

Lukas 14:1-14
1En het geschiedde, als Hij gekomen was in het huis van een der oversten der Farizeen, op den sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen.2En ziet, er was een zeker waterzuchtig mens voor Hem.3En Jezus, antwoordende, zeide tot de wetgeleerden en Farizeen, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken?4Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.5En Hij, hun antwoordende, zeide: Wiens ezel of os van ulieden zal in een put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats?6En zij konden Hem daarop niet weder antwoorden.7En Hij zeide tot de genoden een gelijkenis, aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:8Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij;9En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.10Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.11Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.12En Hij zeide ook tot dengene, die Hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch uw broeders, noch uw magen, noch uw rijke geburen; opdat ook dezelve u niet te eniger tijd wedernoden, en u vergelding geschiede.13Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden;14En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.

Hier zien we dat de Heere Jezus opnieuw op bezoek is bij één van de Farizeeën. En deze keer is Hij het Onderwerp van openlijke kwaadwillendheid. Er wordt op Hem gelet (vers 1), om Hem met betrekking tot de sabbat op een fout te betrappen. Maar de Heere Jezus geneest de waterzuchtige man en snoert Zijn tegenstanders de mond, net als in hoofdstuk 13 vers 15. Daarna is Hij het Die hen beziet (vers 7). Zijn ogen, waaraan niets ontgaat, volgen als het ware de wedstrijd die zich afspeelt om de beste plaats aan tafel te krijgen.

Vandaag gaat het in de wereld en ook vaak bij ons nog precies zo. Er wordt op alle mogelijke manier geprobeerd om voor zichzelf de grootste eer of de beste dingen te krijgen. Voor ons als gelovigen geldt echter, dat de laagste plaats de plaats is waar je het meest gelukkig zult zijn, want dat is namelijk de plaats waar wij de Heere Jezus zullen ontmoeten!

We hoeven ons niet af te vragen vanaf welke plaats de Heere Jezus dit hele gebeuren in ogenschouw nam, want de Farizeeër was zeker niet genegen om Hem een betere, een hogere plaats aan te bieden. Als de Heere Jezus al een les voor de gasten had, dan had Hij er ook één voor de heer des huizes. De eersten heeft Hij geleerd welke plaats zij zouden moeten kiezen. En de heer des huizes vertelt Hij welke gasten hij moet uitzoeken.

De Heere brengt ons er altijd toe, de beweegredenen van ons eigen hart na te gaan. Laten we ons gerust afvragen: waarom handelen we zus of zo. Doen we dat in de hoop er een voordeeltje uit te kunnen slaan of er achting mee te behalen? Of is het enkel en alleen de liefde die ons drijft en die in de overgave aan Hem volkomen bevredigd wordt?

Lukas 14:15-35
15En als een van degenen, die mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.16Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen.17En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.18En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.19En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.20En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.21En dezelve dienstknecht weder gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.22En de dienstknecht zeide: Heer, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.23En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;24Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.25En vele scharen gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende, zeide tot hen:26Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.27En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.28Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten, of hij ook heeft, hetgeen tot volmaking nodig is?29Opdat niet misschien, als hij het fondament gelegd heeft, en niet kan voleindigen, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten.30Zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen.31Of wat koning, gaande naar den krijg, om tegen een anderen koning te slaan, zit niet eerst neder, en beraadslaagt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten dengene, die met twintig duizend tegen hem komt?32Anderszins zendt hij gezanten uit, terwijl degene nog verre is, en begeert, hetgeen tot vrede dient.33Alzo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles, wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.34Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?35Het is noch tot het land, noch tot den mesthoop bekwaam; men werpt het weg. Wie oren heeft, om te horen, die hore.

Wie van hen die uitgenodigd waren voor "een groot avondmaal", heeft de slechtste uitvlucht bedacht? Koop je werkelijk een stuk land zonder dat je het eerst bekeken hebt? Of koop je een aantal ossen zonder dat je weet hoe sterk ze zijn? En de man die pas getrouwd was, had zijn vrouw toch mee kunnen nemen! Door het afwijzen van de uitnodiging liepen ze niet alleen het feest mis, maar beledigden zij ook de heer des huizes.

God heeft voor het grote avondmaal van Zijn genade allereerst het Joodse volk uitgenodigd. Daarna, na hun afwijzing, allen die hun eigen armoede, gebreken en ellende niet konden verbergen. Met zulke schepselen zal eenmaal Zijn hemel gevuld zijn (vergelijk het slot van vers 21 met vers 13). Er zijn nog steeds plaatsen vrij! Die van jou misschien? Of heb je hem al ingenomen?

Vers 26 wil ons gewoon leren dat alles wat ons ervan weerhoudt om een volgeling van de Heere Jezus te worden — ook al zijn het je eigen ouders — onmiddellijk tot een te verafschuwen verhindering moet worden. Niets mag ons in de weg staan om tot Hem te komen, want daar begint het mee! Je moet eerst tot Hem komen (vers 26) en pas daarna kun je Hem navolgen (vers 27). De vijand is echter ook machtig. Het zou dwaas zijn om op pad te gaan zonder eerst de kosten te berekenen. Die kosten zijn heel hoog, want het gaat erom zich alles te ontzeggen wat men bezit (vers 33). Als je je kruis draagt, kun je geen andere lasten met je meedragen. Het gewin is echter met niets te vergelijken, want dat is Christus Zelf (Filippi 3 vers 8)!

Lukas 15:1-10
1En al de tollenaars en de zondaars naderden tot Hem, om Hem te horen.2En de Farizeen en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.3En Hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende:4Wat mens onder u, hebbende honderd schapen; en een van die verliezende, verlaat niet de negen en negentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vinde?5En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders, verblijd zijnde.6En te huis komende, roept hij de vrienden en de geburen samen, zeggende tot hen: Weest blijde met mij; want ik heb mijn schaap gevonden, dat verloren was.7Ik zeg ulieden, dat er alzo blijdschap zal zijn in den hemel over een zondaar, die zich bekeert, meer dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.8Of wat vrouw, hebbende tien penningen, indien zij een penning verliest, ontsteekt niet een kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk, totdat zij dien vindt?9En als zij dien gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen samen, zeggende: Weest blijde met mij; want ik heb den penning gevonden, dien ik verloren had.10Alzo, zeg Ik ulieden, is er blijdschap voor de engelen Gods over een zondaar, die zich bekeert.

De drie gelijkenissen in dit hoofdstuk vormen samen één wonderbaar geheel. Hier wordt ons de toestand van een zondaar vanuit drie verschillende gezichtspunten getoond, ten eerste als een schaap, dan als een penning en ten slotte als een kind, maar alle drie zijn ze verloren! En vervolgens zien we hier dat het in Goddelijke liefde volbrachte heil werd uitgevoerd door de Zoon (de goede Herder), door de Heilige Geest (de ijverig vrouw) en door de Vader.

De zorgzame herder zoekt niet alleen zijn schaap "totdat hij het vindt" (vers 4; vergelijk het slot van vers 8), maar hij neemt het dier daarna ook op z'n eigen schouders, om het naar huis te dragen.

Zoals een penning een muntstuk is met het portret van het staatshoofd erop die haar in omloop bracht, zo is de mens een beeld van Hem Die hem geschapen heeft. Aan een verloren penning heb je niets. Ook de mens was niet meer te gebruiken, was nutteloos geworden, toen hij verloren raakte. Maar toen heeft de Heilige Geest "een kaars" aangestoken; Hij is ijverig aan het werk gegaan en heeft ons in onze duisternis en onze stof gevonden!

Elke gelijkenis spreekt van de vreugde van de rechtmatige eigenaar, een vreugde die ernaar verlangt, gedeeld te worden met anderen. De vreugde van God vindt weerklank bij de engelen. Wanneer zij juichten bij de schepping (Job 38 vers 7) en we hen daarna horen loven bij de geboorte van de Verlosser (Lukas 2 vers 31), dan zal de hemel ook gevuld worden met blijdschap "over één zondaar, die zich bekeert (vers 10). Zo hoog is de prijs voor een ziel in de ogen van de God van liefde!

Lukas 15:11-32
11En Hij zeide: Een zeker mens had twee zonen.12En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed.13En niet vele dagen daarna, de jongste zoon, alles bijeenvergaderd hebbende, is weggereisd in een ver gelegen land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk.14En als hij het alles verteerd had, werd er een grote hongersnood in datzelve land, en hij begon gebrek te lijden.15En hij ging heen, en voegde zich bij een van de burgers deszelven lands; en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden.16En hij begeerde zijn buik te vullen met den draf, dien de zwijnen aten; en niemand gaf hem dien.17En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoe vele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger!18Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u;19En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden; maak mij als een van uw huurlingen.20En opstaande, ging hij naar zijn vader. En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toe lopende, viel hem om zijn hals, en kuste hem.21En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den Hemel, en voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.22Maar de vader zeide tot zijn dienstknechten: Brengt hier voor het beste kleed, en doet het hem aan, en geeft hem een ring aan zijn hand, en schoenen aan de voeten;23En brengt het gemeste kalf, en slacht het; en laat ons eten en vrolijk zijn.24Want deze mijn zoon was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden! En zij begonnen vrolijk te zijn.25En zijn oudste zoon was in het veld; en als hij kwam, en het huis genaakte, hoorde hij het gezang en het gerei,26En tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde, wat dat mocht zijn.27En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft.28Maar hij werd toornig, en wilde niet ingaan. Zo ging dan zijn vader uit, en bad hem.29Doch hij, antwoordende, zeide tot den vader: Zie, ik dien u nu zo vele jaren, en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een bokje gegeven, opdat ik met mijn vrienden mocht vrolijk zijn.30Maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zo hebt gij hem het gemeste kalf geslacht.31En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe.32Men behoorde dan vrolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood, en is weder levend geworden; en hij was verloren, en is gevonden.

Het eerste beeld dat ons hier geschetst wordt, is die van een jongeman die zijn vader beschouwt als een hindernis voor zijn eigen geluk, daarom bij hem weggaat en op een dwaze manier alles wij hij van zijn vader heeft ontvangen, verkwanselt. Vervolgens zien we hoe hij in een vreemd land totaal aan lager wal is geraakt en zelfs gebrek lijdt aan de eerste levensbehoeften. Heeft ieder die dit tot zover gelezen heeft, hierin zijn eigen geschiedenis herkend? Zo ja, dan is het te hopen dat die geschiedenis ook op dezelfde manier zal eindigen als bij deze jongeman!

Gebukt onder de zware last van zijn omstandigheden, komt hij uiteindelijk tot zichzelf. Hij herinnert zich dan de overvloed in het huis van zijn vader, staat op en gaat terug naar huis.

Dan zien we het derde beeld. De haast waarmee zijn vader hem tegemoet gaat, de open armen, de omhelzing, de belijdenis, gevolgd door volkomen vergeving, het beste kleed ter vervanging van de lompen. Beste vriend, als je je bewust bent geworden van je grote zedelijke ellende, laat dit bericht je dan laten zien dat er een grote liefde voor jou is in het hart van God, Die nog steeds op je wacht! Aarzel toch niet langer en ga nu tot Hem! Dan zul je, net als de zoon uit de gelijkenis, aangenomen worden.

Helaas merkt de vader dat niet iedereen deelneemt aan zijn vreugde. De oudste broer, die zich er niet voor geschaamd zou hebben om plezier te maken met z'n vrienden terwijl zijn eigen broer verloren was, weigert nu om op het feest te komen. Dat is een beeld van het Joodse volk dat in de wet volhardt, maar ook van allen die zichzelf te goed vinden om hun hart voor de genade van God open te stellen.

Lukas 16:1-13
1En Hij zeide ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, welke een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd, als die zijn goederen doorbracht.2En hij riep hem, en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap; want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn.3En de rentmeester zeide bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet; te bedelen schaam ik mij.4Ik weet, wat ik doen zal, opdat, wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hun huizen ontvangen.5En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eersten: Hoeveel zijt gij mijn heer schuldig?6En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en nederzittende, schrijf haastelijk vijftig.7Daarna zeide hij tot een anderen: En gij, hoeveel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift, en schrijf tachtig.8En de heer prees den onrechtvaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger, dan de kinderen des lichts, in hun geslacht.9En Ik zeg ulieden: Maakt uzelven vrienden uit den onrechtvaardigen Mammon, opdat, wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in de eeuwige tabernakelen.10Die getrouw is in het minste, die is ook in het grote getrouw; en die in het minste onrechtvaardig is, die is ook in het grote onrechtvaardig.11Zo gij dan in den onrechtvaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen?12En zo gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven?13Geen huisknecht kan twee heren dienen; want of hij zal den enen haten, en den anderen liefhebben, of hij zal den enen aanhangen, en den anderen verachten; gij kunt God niet dienen en den Mammon.

Misschien verbazen we ons over deze rijke man, die van zijn onrechtvaardige rentmeester toch een pluimpje krijgt, of zijn we verrast door de conclusie van de Heere Jezus: "Maakt uzelf vrienden uit de onrechtvaardige Mammon..." (vers 9). Deze uitdrukking vormt echter de sleutel tot deze gelijkenis.

Hier beneden is niets wat de mens zijn eigendom kan noemen. De rijkdommen die hij meent te bezitten, behoren in werkelijkheid toe aan God; voor de mens zijn dit dus onrechtvaardige rijkdommen. De mens werd hier op aarde geplaatst om haar te beheren, maar hij gedraagt zich als een dief! Wat God hem in handen gelegd heeft, om Hem daarmee te dienen, heeft hij gebruikt tot bevrediging van zijn eigen begeerten. Maar voor zolang hij de goederen van de Goddelijke Eigenaar nog in handen heeft, kan hij nog tot inkeer komen en ze in de toekomst vervolgens gebruiken ten gunste van anderen.

De rentmeester in hoofdstuk 12 vers 42 was trouw en verstandig, maar degene die hier genoemd wordt, is ontrouw. Hij handelt echter wel verstandig, en dat is de eigenschap die de Heere in hem waardeert. Als mensen van deze wereld al zo uit voorzorg handelen, zouden wij als "kinderen van het licht" ons dan niet nog veel meer moeten bezighouden met de ware rijkdommen (vers 11; hoofdstuk 12 vers 33)?

Vers 13 wijst ons erop, dat wij geen twee harten kunnen bezitten: één voor Christus en één voor de Mammon en de dingen van deze wereld.

Wie willen wij liefhebben en dienen (1 Koningen 18 vers 21)?

Lukas 16:14-31
14En al deze dingen hoorden ook de Farizeen, die geldgierig waren, en zij beschimpten Hem.15En Hij zeide tot hen: Gij zijt het, die uzelven rechtvaardigt voor de mensen; maar God kent uw harten; want dat hoog is onder de mensen, is een gruwel voor God.16De wet en de profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koninkrijk Gods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve.17En het is lichter, dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat een tittel der wet valle.18Een iegelijk, die zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel; en een iegelijk, die de verlatene van den man trouwt, die doet ook overspel.19En er was een zeker rijk mens, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende allen dag vrolijk en prachtig.20En er was een zeker bedelaar, met name Lazarus, welke lag voor zijn poort vol zweren;21En begeerde verzadigd te worden van de kruimkens, die van de tafel des rijken vielen; maar ook de honden kwamen en lekten zijn zweren.22En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in den schoot van Abraham.23En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijn schoot.24En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner, en zend Lazarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water dope, en verkoele mijn tong; want ik lijd smarten in deze vlam.25Maar Abraham zeide: Kind, gedenk, dat gij uw goed ontvangen hebt in uw leven, en Lazarus desgelijks het kwade; en nu wordt hij vertroost, en gij lijdt smarten.26En boven dit alles, tussen ons en ulieden is een grote klove gevestigd, zodat degenen, die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.27En hij zeide: Ik bid u dan, vader, dat gij hem zendt tot mijns vaders huis;28Want ik heb vijf broeders; dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging.29Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen.30En hij zeide: Neen, vader Abraham, maar zo iemand van de doden tot hen heenging, zij zouden zich bekeren.31Doch Abraham zeide tot hem: Indien zij Mozes en de profeten niet horen, zo zullen zij ook, al waren het, dat er iemand uit de doden opstond, zich niet laten gezeggen.

De Heere Jezus zegt tegen de hebzuchtige Farizeeën dat God hun harten kent en anders beoordeelt dan de mensen. Boven de grootste werken van deze aarde, al het succes en de eerzucht, staat het vreselijke oordeel van vers 15 geschreven: "Een gruwel voor God".

Wat zal het in het hiernamaals geheel anders zijn! De Heere Jezus geeft hier een aangrijpend voorbeeld van. Deze rijke man was zo'n ontrouwe rentmeester. Hoewel zijn naaste bij hem voor de deur lag, gebruikte hij datgene wat God hem op deze aarde had toevertrouwd om te beheren, voor zichzelf, voor zijn luxe en egoïstische levensstijl. Voor de rijke en ook de arme man blijft echter één ding hetzelfde: op een gegeven moment, vroeg of laat, krijgen beiden met de dood te maken. En deze vertelling van Hem, Die niet liegen kan, laat zien dat onze geschiedenis niet afgelopen is met de dood. Er komt nog een hoofdstuk achteraan, het definitieve besluit, zou je kunnen zeggen. De Heere Jezus slaat hier in zekere zin de laatste bladzijde van het verhaal om, en laat ons nog iets lezen over de uiteindelijke afloop. Wat zullen we in het hiernamaals ontdekken en waarover stellen zoveel mensen, met angst en beven, vragen? Daar is een plaats van grote gelukzaligheid, maar ook een "plaats der pijniging", van ellende en smart. Dáár zal het echter te laat zijn om nog te geloven, en te laat om het evangelie te verkondigen.

Denk erom: "Nu is het de dag van de zaligheid!" (2 Korinthe 6 vers 2).

Lukas 17:1-19
1En Hij zeide tot de discipelen: Het kan niet wezen, dat er geen ergernissen komen; doch wee hem, door welken zij komen;2Het zoude hem nuttiger zijn, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en hij in de zee geworpen, dan dat hij een van deze kleinen zou ergeren.3Wacht uzelven. En indien uw broeder tegen u zondigt, zo bestraf hem; en indien het hem leed is, zo vergeef het hem.4En indien hij zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal daags tot u wederkeert, zeggende: Het is mij leed; zo zult gij het hem vergeven.5En de apostelen zeiden tot den Heere: Vermeerder ons het geloof.6En de Heere zeide: Zo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tegen dezen moerbezienboom zeggen: Word ontworteld, en in de zee geplant, en hij zou u gehoorzaam zijn.7En wie van u heeft een dienstknecht ploegende, of de beesten hoedende, die tot hem, als hij van den akker inkomt, terstond zal zeggen: Kom bij, en zit aan?8Maar zal hij niet tot hem zeggen: Bereid, dat ik te avond zal eten, en omgord u, en dien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben; en eet en drink gij daarna?9Dankt hij ook denzelven dienstknecht omdat hij gedaan heeft, hetgeen hem bevolen was? Ik meen, neen.10Alzo ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen.11En het geschiedde, als Hij naar Jeruzalem reisde, dat Hij door het midden van Samaria en Galilea ging.12En als Hij in een zeker vlek kwam, ontmoetten Hem tien melaatse mannen, welke stonden van verre;13En zij verhieven hun stem, zeggende: Jezus, Meester! ontferm U onzer!14En als Hij hen zag, zeide Hij tot hen: Gaat heen en vertoont uzelven den priesters. En het geschiedde, terwijl zij heengingen, dat zij gereinigd werden.15En een van hen, ziende, dat hij genezen was, keerde wederom, met grote stemme God verheerlijkende.16En hij viel op het aangezicht voor Zijn voeten, Hem dankende; en dezelve was een Samaritaan;17En Jezus, antwoordende, zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden, en waar zijn de negen?18En zijn er geen gevonden, die wederkeren, om Gode eer te geven, dan deze vreemdeling?19En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.

Het is normaal dat de wereld, die beheerst wordt door het kwaad, vol ergernis en aanleidingen tot vallen is. Dat een christen echter ook voor iemand een aanleiding tot vallen kan zijn, is ontzettend verdrietig — en heel ernstig voor de gelovige.

De Heere, Die ons vergeeft (hoofdstuk 7 vers 48), leert ons hier hoe wij moeten vergeven (vers 3 en 4). De apostelen voelen echter dat zij meer geloof nodig hebben om volgens dit principe van genade te kunnen handelen. Dat vragen zij nu aan de Heere.

Hij antwoordt hun dat een andere deugd ook beslist noodzakelijk is: gehoorzaamheid, want alleen door de kennis en het vervullen van de wil van God mogen we op Hem rekenen. Ja, het geloof is onlosmakelijk verbonden met gehoorzaamheid, en dat met nederigheid.

"Wij zijn onnuttige dienstknechten" (vers 10), zó moeten wij over onszelf denken, want God kan ook zonder ons werken! En wanneer Hij ons toch wil en kan gebruiken, dan is dat enkel en alleen uit genade. Maar de Heere Jezus denkt niet zo over hen die Zijn vrienden zijn (vergelijk vers 7 en 8 met hoofdstuk 12 vers 37; Johannes 15 vers 15).

Vervolgens lezen we over een ontmoeting tussen tien melaatsen en de Heere Jezus. Zij roepen tot Hem om hulp en worden op hun weg naar de priesters genezen. Slechts één, een Samaritaan, vindt het echter belangrijk om zijn Redder te danken.

Zo zijn er onder de christenen ook maar weinigen van hen die gered zijn, die 'terugkeren' om God te verheerlijken en de Heere hiervoor te danken. Bent u, ben jij, één van hen?

Lukas 17:20-37
20En gevraagd zijnde van de Farizeen, wanneer het Koninkrijk Gods komen zou, heeft Hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat.21En men zal niet zeggen: Ziet hier, of ziet daar, want, ziet, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden.22En Hij zeide tot de discipelen: Er zullen dagen komen, wanneer gij zult begeren een der dagen van den Zoon des mensen te zien, en gij zult dien niet zien.23En zij zullen tot u zeggen: Ziet hier, of ziet daar is Hij; gaat niet heen, en volgt niet.24Want gelijk de bliksem, die van het ene einde onder den hemel bliksemt, tot het andere onder den hemel schijnt, alzo zal ook de Zoon des mensen wezen in Zijn dag.25Maar eerst moet Hij veel lijden, en verworpen worden van dit geslacht.26En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen.27Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen.28Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden;29Maar op den dag, op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf ze allen.30Even alzo zal het zijn in den dag, op welken de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.31In dienzelven dag, wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af, om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die kere desgelijks niet naar hetgeen, dat achter is.32Gedenkt aan de vrouw van Lot.33Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in het leven behouden.34Ik zeg u: In dien nacht zullen twee op een bed zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.35Twee vrouwen zullen te zamen malen; de ene zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.36Twee zullen op den akker zijn; de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden.37En zij antwoordden en zeiden tot Hem: Waar, Heere? En Hij zeide tot hen: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden.

Tegen elke logica in, houden de Farizeeën zich hier bezig met het moment dat het Koninkrijk van God zal komen —hoewel zij tegelijkertijd de Koning, Die Zich in hun midden bevindt, afwijzen (vers 21). Hem willen zij niet erkennen en aannemen.

Het Koninkrijk van God, dat vaak genoemd wordt in het Lukasevangelie, is de atmosfeer, het gebied, waar de rechten van God erkend worden. Dat betreft in eerste instantie de hemel — vandaar ook dat wij in het Mattheüs-evangelie vooral de uitdrukking "het Koninkrijk der hemelen" tegenkomen (bijvoorbeeld Mattheüs 3 vers 2; 4 vers 17; 5 vers 3; enzovoort).

Toch moet het ook zijn uitwerking hebben op Israël en deze aarde. En om de onderdanen op de proef te stellen, is de Koning, in alle bescheidenheid, tot hen gekomen, zonder daarbij de aandacht op Zichzelf te richten (vers 20); en als zodanig werd Hij verworpen. Wat is daar het gevolg van? Het Koninkrijk bestaat nu alleen nog in de hemelse vorm. Het zal te zijner tijd wel op aarde opgericht worden, maar dan door middel van oordelen, die dan plotseling zullen komen en vreselijk zullen zijn. De zondvloed en de snelheid waarmee Sodom verwoest werd, zijn hier een ernstig voorbeeld van. Maar de beelden die gegeven worden in de verzen 27 - 30, spreken ook duidelijke taal over de tijd waarin wij leven!

Er bestaat echter één plaats waar de zedelijke rechten van de Heere nu al erkend worden: het hart van eenieder die Hem toebehoort.

Beste vriend, is jouw hart ook al een stukje terrein van het Koninkrijk van God?

Lukas 18:1-17
1En Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen;2Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde, en geen mens ontzag.3En er was een zekere weduwe in dezelfde stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn wederpartij.4En hij wilde voor een langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vreze, en geen mens ontzie;5Nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke.6En de Heere zeide: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt.7Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?8Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?9En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:10Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een Farizeer, en de ander een tollenaar.11De Farizeer, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de anderen mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar.12Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit.13En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!14Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.15En zij brachten ook de kinderkens tot Hem, opdat Hij die zou aanraken; en de discipelen, dat ziende, bestraften dezelve.16Maar Jezus riep dezelve kinderkens tot Zich, en zeide: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.17Voorwaar, zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen.

De gelijkenis van de weduwe en de onrechtvaardige rechter is een bemoediging voor ons, om met volharding te bidden (Romeinen 12 vers 12; Kolosse 4 vers 2). We zien hier dat een slechte rechter zich uiteindelijk toch laat vermurwen. Zal de God van liefde dan niet veel meer reden hebben om Zijn "uitverkorenen" te hulp te komen en te bevrijden? Soms doet Hij dat niet direct, omdat de vrucht waar Hij op wacht, nog niet rijp is. Laten we echter niet vergeten dat Hij Zichzelf moet dwingen tot geduld, want Zijn liefde dringt Hem ertoe snel te handelen (vers 7 en 8). Er zal nog een tijd komen — de laatste, grote verdrukking — dat deze Schriftplaats voor de uitverkorenen van het Joodse volk geheel in vervulling zal gaan.

De Farizeeër — die erg met zichzelf is ingenomen en God zijn eigen gerechtigheid voor de aandacht stelt - en de tollenaar — die zich, in het bewustzijn van zijn zonden, afzijdig houdt - doen ons in zedelijk opzicht aan de nakomelingen van Kaïn en Abel denken (Abel was echter gerechtvaardigd; Mattheüs 23 vers 35.)

Wij hebben alleen het recht tot God te naderen in het bewustzijn een zondaar te zijn. Het is voor de mensen heel erg vernederend zijn werken (vers 12), zijn verstandelijke besluiten, zijn wijsheid en ervaring volkomen terzijde te moeten stellen. Maar de Goddelijke waarheden van het Koninkrijk kunnen alleen door het eenvoudig geloof verstaan worden. Het vertrouwen van een klein kind geeft ons hier een ontroerend voorbeeld van.

Zal de Heere Jezus, bij Zijn wederkomst, zo'n geloof bij ons vinden (vers 8)?

Lukas 18:18-34
18En een zeker overste vraagde Hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beerven?19En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God.20Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; eer uw vader en uw moeder.21En hij zeide: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid aan.22Doch Jezus, dit horende, zeide tot hem: Nog een ding ontbreekt u; verkoop alles, wat gij hebt, en deel het onder de armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg Mij.23Maar als hij dit hoorde, werd hij geheel droevig; want hij was zeer rijk.24Jezus nu, ziende, dat hij geheel droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen degenen, die goed hebben, in het Koninkrijk Gods ingaan!25Want het is lichter, dat een kemel ga door het oog van een naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.26En die dit hoorden, zeiden: Wie kan dan zalig worden?27En Hij zeide: De dingen, die onmogelijk zijn bij de mensen, zijn mogelijk bij God.28En Petrus zeide: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd.29En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg ulieden, dat er niemand is, die verlaten heeft huis, of ouders, of broeders, of vrouw, of kinderen, om het Koninkrijk Gods;30Die niet zal veelvoudig weder ontvangen in dezen tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.31En Hij nam de twaalven bij Zich, en zeide tot hen: Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des mensen, wat geschreven is door de profeten.32Want Hij zal den heidenen overgeleverd worden, en Hij zal bespot worden, en smadelijk behandeld worden, en bespogen worden.33En Hem gegeseld hebbende, zullen zij Hem doden; en ten derden dage zal Hij wederopstaan.34En zij verstonden geen van deze dingen; en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet, hetgeen gezegd werd.

Met het oog op de overste die ogenschijnlijk alle goede eigenschappen in zich verenigde, zou iemand anders dan de Heere Jezus, zonder aarzelen, gezegd hebben: 'Hier is iemand die mij zal eren, een discipel zoals ik hem graag zou zien; die moet ik proberen voor mijzelf te winnen'. Maar God ziet het hart aan (1 Samuël 16 vers 7), en de Heere Jezus doorgrondt nu het hart van deze man.

"Wat moet ik doen ...?", vroeg hij (zie vers 18). Op deze basis kan de Heere Jezus hem alleen maar aan de wet herinneren. Waarom zou hij dan hebben moeten stelen? Hij was immers rijk. Waarom zou hij doden of een vals getuigenis afleggen? Hij wilde immers zijn goede naam in ere houden? Waarom zou hij zijn ouders niet eren? Ze hadden hem immers een prachtige erfenis nagelaten!

In werkelijkheid overtrad deze man het eerste gebod, omdat zijn rijkdommen als afgoden voor hem waren (Exodus 20 vers 3).

Het verdriet van deze man — die menselijkerwijs gesproken alles bezat om gelukkig te zijn: een mooie positie, onmetelijke rijkdom en de beste leeftijd om van dit alles te kunnen genieten — laat aan hen die jaloers zijn op zulke voorrechten, zien dat je hierdoor niet echt gelukkig kunt worden. Integendeel, als het hart vol is van deze dingen, dan vormt dat juist een verhindering om de Heere Jezus te volgen en deel te hebben aan het eeuwige leven.

De Heere stond Zelf op het punt om het werk dat toegang geeft tot dit leven, te volbrengen. Het is goed om rustig na te denken over elk woord dat in de verzen 32 en 33 genoemd wordt en dan te zeggen: Zoveel heeft de Heere Jezus voor mij geleden!

Lukas 18:35-43; Lukas 19:1-10
35En het geschiedde, als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende.36En deze, horende de schare voorbijgaan, vraagde, wat dat ware.37En zij boodschapten hem, dat Jezus de Nazarener voorbijging.38En hij riep, zeggende: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner!39En die voorbijgingen, bestraften hem, opdat hij zwijgen zou; maar hij riep zoveel te meer: Zone Davids, ontferm U mijner!40En Jezus, stilstaande, beval, dat men denzelven tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem,41Zeggende: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal? En hij zeide: Heere! dat ik ziende mag worden.42En Jezus zeide tot hem: Word ziende; uw geloof heeft u behouden.43En terstond werd hij ziende, en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk, dat ziende, gaf Gode lof.
1En Jezus, ingekomen zijnde, ging door Jericho.2En zie, er was een man, met name geheten Zacheus; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk;3En zocht Jezus te zien, wie Hij was; en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was.4En vooruitlopende, klom hij op een wilden vijgeboom, opdat hij Hem mocht zien; want Hij zou door dien weg voorbijgaan.5En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende, zag Hij hem, en zeide tot hem: Zacheus! haast u, en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven.6En hij haastte zich en kwam af, en ontving Hem met blijdschap.7En allen, die het zagen, murmureerden, zeggende: Hij is tot een zondigen man ingegaan, om te herbergen.8En Zacheus stond, en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.9En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon van Abraham is.10Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.

Het bezoek van de Heere Jezus aan Jericho was voor deze beide mannen waarschijnlijk de enige gelegenheid om de Heere te ontmoeten. Ondanks allerlei verhinderingen grepen zij deze gelegenheid dan ook met beide handen aan (vergelijk hoofdstuk 16 vers 16).

De blinde man kan de Heiland niet zien en bovendien proberen de mensen hem tot zwijgen te brengen. Maar des te harder gaat hij roepen. En hij krijgt antwoord op zijn geloof.

Zacheüs kon de Heere Jezus niet zien, omdat hij zelf zo klein was en de Heere omringd werd door heel veel mensen. Daarom loopt hij een eindje vooruit en klimt hij in een boom, zonder zich daarbij iets van het gepraat van de mensen aan te trekken. Ook hij triomfeert over de moeilijkheden en wordt daar rijkelijk voor beloond! Denk je eens in, hoe verbaasd en blij hij geweest zal zijn, toen hij zijn naam hoorde noemen en er tegen hem gezegd werd dat hij snel uit die boom moest komen, om de Heere Jezus in zijn eigen huis te ontvangen!

Beste vriend, de Heere Jezus komt vandaag ook nog bij jou langs en biedt je Zijn heil aan (vers 9). Laat je toch door niets weerhouden om te zien Wie Hij is (vergelijk vers 3); niet doordat je zelf van nature tot iets in staat bent, niet door bepaalde vormen van een valse godsdienst (die een verhindering voor jou kunnen zijn, net zoals dat bij de volksmenigte het geval was), niet uit angst voor de mening van een ander. De Meester roept ook jou vandaag nog bij name: 'Vandaag wil Ik bij jou binnenkomen, in je hart!'

Laat je Hem zo zonder meer voorbijgaan?

Lukas 19:11-28
11En als zij dat hoorden, voegde Hij daarbij, en zeide een gelijkenis; omdat Hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond zou openbaar worden.12Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een ver gelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.13En geroepen hebbende zijn tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden, en zeide tot hen: Doet handeling, totdat ik kome.14En zijn burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij.15En het geschiedde, toen hij wederkwam, als hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij zeide, dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, wien hij het geld gegeven had; opdat hij weten mocht, wat een iegelijk met handelen gewonnen had.16En de eerste kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft tien ponden daartoe gewonnen.17En hij zeide tot hem: Wel, gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest, zo heb macht over tien steden.18En de tweede kwam, en zeide: Heer, uw pond heeft vijf ponden gewonnen.19En hij zeide ook tot dezen: En gij, wees over vijf steden.20En een ander kwam, zeggende: Heer, zie hier uw pond, hetwelk ik in een zweetdoek weggelegd had;21Want ik vreesde u, omdat gij een straf mens zijt; gij neemt weg, wat gij niet gelegd hebt, en gij maait, wat gij niet gezaaid hebt.22Maar hij zeide tot hem: Uit uw mond zal ik u oordelen, gij boze dienstknecht! Gij wist, dat ik een straf mens ben, nemende weg, wat ik niet gelegd heb, en maaiende, wat ik niet gezaaid heb.23Waarom hebt gij dan mijn geld niet in de bank gegeven, en ik, komende, had hetzelve met woeker mogen eisen?24En hij zeide tot degenen, die bij hem stonden: Neemt dat pond van hem weg, en geeft het dien, die de tien ponden heeft.25En zij zeiden tot hem: Heer, hij heeft tien ponden.26Want ik zeg u, dat een iegelijk, die heeft, zal gegeven worden; maar van degene, die niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft.27Doch deze mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor mij dood.28En dit gezegd hebbende, reisde Hij voor hen heen, en ging op naar Jeruzalem.

Deze gelijkenis stelt ons de verwerping van de Heere Jezus als Koning voor (vers 14) en tegelijkertijd de verantwoording van de Zijnen in de tijd van Zijn afwezigheid. In de gelijkenis van de talenten, in Mattheüs 25, heeft de Heere, overeenkomstig Zijn soevereiniteit, elke knecht een verschillend bedrag gegeven, maar de beloning voor hun trouw is dezelfde. Daarentegen wordt hier aan elke knecht één pond toevertrouwd en komt de beloning overeen met hetgeen ieder afzonderlijk daarmee gedaan heeft.

God geeft aan elke gelovige hetzelfde heil, hetzelfde Woord, dezelfde Geest, zonder daarbij te spreken over de bijzondere genadegaven die Hij een ieder afzonderlijk toebedeelt. Allen hebben echter niet dezelfde ijver om deze gaven te gebruiken tot verheerlijking van hun Meester, Die afwezig is. Het geheim voor het dienen ligt in de mate van liefde die men heeft voor degene die men dient. Hoe groter de liefde voor iemand, hoe groter de overgave en de ijver voor hem zal zijn.

De derde knecht vond dat zijn heer heel streng en onrechtvaardig was. Vandaar dat hij hem haatte en niet voor hem werkte. Dat is een beeld van alle zogenaamde christenen, die God datgene wat zij schijnen te bezitten, af zal nemen (vers 26).

Helaas komt het ook onder ware kinderen van God voor, dat zij de gaven weliswaar aannemen, maar weigeren om daarmee de dienst te vervullen. Zij ontnemen de Heere, en ten slotte zichzelf, de vrucht die Hij samen met hen had willen genieten.

Lukas 19:29-48
29En het geschiedde, als Hij nabij Beth-fage en Bethanie gekomen was, aan den berg, genaamd den Olijfberg, dat Hij twee van Zijn discipelen uitzond,30Zeggende: Gaat henen in dat vlek, dat tegenover is; in hetwelk inkomende, zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen mens ooit heeft gezeten; ontbindt hetzelve, en brengt het.31En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat, zo zult gij alzo tot hem zeggen: Omdat het de Heere van node heeft.32En die uitgezonden waren, heengegaan zijnde, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had.33En als zij het veulen ontbonden, zeiden de heren van hetzelve tot hen: Waarom ontbindt gij het veulen?34En zij zeiden: De Heere heeft het van node.35En zij brachten hetzelve tot Jezus. En hun klederen op het veulen geworpen hebbende, zetten zij Jezus daarop.36En als Hij voort reisde, spreidden zij hun klederen onder Hem op den weg.37En als Hij nu genaakte aan den afgang des Olijfbergs, begon al de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met grote stemme, vanwege al de krachtige daden, die zij gezien hadden;38Zeggende: Gezegend is de Koning, Die daar komt in den Naam des Heeren! Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen!39En sommigen der Farizeen uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen.40En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.41En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar,42Zeggende: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen.43Want er zullen dagen over u komen, dat uw vijanden een begraving rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen, en u van alle zijden benauwen;44En zullen u tot den grond nederwerpen, en uw kinderen in u; en zij zullen in u den enen steen op den anderen steen niet laten; daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.45En gegaan zijnde in den tempel, begon Hij uit te drijven degenen, die daarin verkochten en kochten,46Zeggende tot hen: Er is geschreven: Mijn huis is een huis des gebeds; maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.47En Hij leerde dagelijks in den tempel; en de overpriesters, en de Schriftgeleerden, en de oversten des volks zochten Hem te doden.48En zij vonden niet, wat zij doen zouden; want al het volk hing Hem aan, en hoorde Hem.

De weg van de Heere Jezus nadert zijn einde: Jeruzalem, de stad waarheen Hij Zijn aangezicht gericht had (hoofdstuk 9 vers 51), in het bewustzijn van hetgeen Hem daar te wachten stond. Desondanks menen de discipelen een tijd lang, dat Zijn Koninkrijk binnenkort openbaar zou worden (vergelijk vers 11). De Heere Jezus toont Zijn grootheid, doordat Hij het veulen voor Zich opeist (en bestaan er in ons leven ook niet veel dingen waarvan gezegd zou kunnen worden: "De Heere heeft het nodig"? — vers 34).

Onder het gejuich van Zijn discipelen houdt de Koning Zijn majestueuze intocht in de stad. In tegenstelling tot deze vreugde tonen de Farizeeën echter een vijandige onverschilligheid (vers 39). Je zou inderdaad kunnen denken dat stenen ontvankelijker zouden zijn voor de werking van de Goddelijke kracht dan de verharde harten van het ongelukkige Joodse volk.

Bij de aanblik van deze stad moet de Heere Jezus huilen. Hij weet wat de tragische gevolgen van haar verblinding zullen zijn. Hij weet en ziet nu al dat, veertig jaar later, het machtige leger van Titus deze stad, die met grote schuld beladen is, zal belegeren (vergelijk Jesaja 29 vers 3 en 6). Onbeschrijfelijke tonelen van een bloedbad en van verwoesting trekken als het ware aan Zijn ogen voorbij!

Daarna gaat Hij de stad in en vervolgens de tempel binnen. Wat heeft de Heere er een moeite mee, om te moeten aanzien dat er op deze heilige plaats zo'n handel gedreven wordt. Met een heilige energie maakt Hij een eind aan deze praktijken (vergelijk Ezechiël 8 vers 6).

Lukas 20:1-18
1En het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen,2En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven?3En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij:4De doop van Johannes, was die uit den Hemel, of uit de mensen?5En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?6En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was.7En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was.8En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe.9En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok een langen tijd buitenslands.10En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen.11En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen.12En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit.13En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien.14Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde.15En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?16Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!17Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden?18Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.

Als de Farizeeën bij het dopen door Johannes aanwezig waren geweest, dan zouden zij de Heere Jezus nu niet hebben hoeven vragen met welk recht Hij "deze dingen" doet (zie hoofdstuk 7 vers 30). Toen had God immers op plechtige wijze aangeduid dat de Heere Jezus Zijn geliefde Zoon was en Hij had Hem voor Zijn dienst voorzien van kracht (hoofdstuk 3 vers 22). Bleek trouwens niet overduidelijk uit alles wat de Heere Jezus deed of zei, dat het de Vader was Die Hem gezonden had (Johannes 12 vers 49 en 50)?

De Heere geeft deze mensen, die niet voor rede vatbaar zijn, nog een kans om zichzelf te herkennen in de gelijkenis van de slechte wijngaardeniers. Doordat Israël weigerde om God de vruchten van gehoorzaamheid te brengen, heeft het Zijn boodschappers en Zijn profeten veracht, mishandeld en soms zelfs gedood (2 Kronieken 36 vers 15 en 16).

En toen God, in Zijn grote liefde, hun Zijn eigen Zoon gaf, hebben zij niet geaarzeld Hem "buiten de wijngaard" te werpen en te doden.

De Heere telt de vreselijke gevolgen van deze laatste misdaad op: God zal dit slechte volk laten ombrengen. Hij zal anderen (die Hij uit de heidenen neemt) de opdracht geven om vruchten voor Hem voort te brengen. En wanneer er ten slotte van de aardse tempel geen enkele steen meer op de andere overgebleven zal zijn (hoofdstuk 19 vers 44; 21 vers 5 en 6), zal Christus, 'de verworpen Steen', in de opstanding tot de kostbare grondslag van een geestelijk en hemels huis, de Gemeente, worden (lees 1 Petrus 2 vers 4 en verder).

Lukas 20:19-40
19En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten te dierzelver ure de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.20En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren.21En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid.22Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet?23En Hij, hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij?24Toont Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Des keizers.25En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.26En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.27En tot Hem kwamen sommigen der Sadduceen, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem.28Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal, en zijn broeder zaad verwekken.29Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen.30En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen.31En de derde nam dezelve vrouw; en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven.32En ten laatste na allen stierf ook de vrouw.33In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad.34En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven;35Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden;36Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.37En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs.38God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen.39En sommigen der Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wel gezegd.40En zij durfden Hem niet meer iets vragen.

Op de arglistige vraag van deze 'geheime agenten' antwoordt de Heere Jezus, zoals gewoonlijk, door tot hun geweten te spreken. Men moet ieder geven wat hem toekomt, en in eerste instantie betreft dat: gehoorzaamheid en eer aan God (Romeinen 13 vers 7).

De Heere Jezus bewijst de Sadduceeën op heel eenvoudige wijze de werkelijkheid van de opstanding, door het noemen van de benaming die God Zichzelf geeft: "de God van Abraham, en de God van Izaäk, en de God van Jakob" (vers 37; Exodus 3 vers 6). Toen God op deze wijze tegen Mozes sprak, hadden de genoemde patriarchen deze aarde al lang verlaten, maar Hij noemde Zich nog steeds 'hun God'. Voor Hem waren zij dus nog 'levend', en zij zullen opstaan. Deze mannen van geloof hadden vastgehouden aan dingen die beloofd waren en die boven het leven uitgingen. En ze lieten zien dat zij deze dingen zeer zeker verwachtten. "Daarom schaamt Zich God voor hen niet, om hun God genaamd te worden" (Hebreeën 11 vers 13 - 16).

O, dat wij als gelovigen ons toch meer mocht beijveren om aan de mensen in onze omgeving te laten zien dat wij een levende hoop hebben!

De Farizeeën en de Sadduceeën zijn typische vertegenwoordigers van de twee godsdienstige stromingen aller tijden: Enerzijds bestaat er een wettisch formalisme, het aanhangen van tradities. Anderzijds is er een rationalisme (of modernisme), dat twijfelt aan (de waarheid van) het Woord en haar grondbeginselen.

Lukas 20:41-47; Lukas 21:1-9
41En Hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is?42En David zelf zegt in het boek der psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand,43Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.44David dan noemt Hem zijn Heere; en hoe is Hij zijn Zoon?45En daar al het volk het hoorde, zeide Hij tot Zijn discipelen:46Wacht u van de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange klederen, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;47Die der weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.
1En opziende, zag Hij de rijken hun gaven in de schatkist werpen.2En Hij zag ook een zekere arme weduwe twee kleine penningen daarin werpen.3En Hij zeide: Waarlijk, Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft in geworpen.4Want die allen hebben van hun overvloed geworpen tot de gaven Gods; maar deze heeft van haar gebrek, al den leeftocht, dien zij had, daarin geworpen.5En als sommigen zeiden van den tempel, dat hij met schonen stenen en begiftigingen versierd was, zeide Hij:6Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.7En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn, en welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden?8En Hij zeide: Ziet, dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder Mijn Naam, zeggende: Ik ben de Christus; en de tijd is nabij gekomen, gaat dan hen niet na.9En wanneer gij zult horen van oorlogen en beroerten, zo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden; maar nog is terstond het einde niet.

De Heere Jezus ontmoette allerlei soorten mensen: rijk en arm, geleerd en onwetend, vleiers en tegensprekers. In Zijn wonderbare wijsheid kent Hij de beweegredenen en de gevoelens van ieder afzonderlijk. Tegenover allen neemt Hij een houding aan die overeenkomt met hun toestand. Hij legt de zelfgenoegzaamheid en hebzucht van de oversten van het volk bloot en waarschuwt hen die het gevaar lopen zich door hen te laten misleiden. Hij ziet hoe de weduwen het slachtoffer van de hebzucht van de Schriftgeleerden worden.

Daarom legt Hij in het bijzonder de nadruk op de gave van één van deze arme mensen. Deze vrouw had namelijk het laatste geld wat zij bezat, haar hele levensonderhoud, in de schatkist geworpen. Maar dat niet alleen! Door zo te handelen, gaf zij duidelijk aan voor haar verdere leven helemaal op God te vertrouwen en van Hem afhankelijk te zijn (1 Timotheüs 5 vers 5; vergelijk 2 Korinthe 8 vers 1 - 5). De Heere lette niet zozeer op hoeveel iemand geeft, maar juist op datgene wat iemand voor zichzelf achterhoudt. De Heere rekent heel anders dan wij (vers 3), en dat is een bemoediging voor allen die niet veel kunnen geven (2 Korinthe 8 vers 12). Veel "kleine penningen" kunnen een vermogen toevoegen aan de hemelse schat (vergelijk hoofdstuk 12 vers 33; 18 vers 22)!

Menigeen is verblind door de prachtige stenen en versieringen van de tempel. Maar ook hier oordeelt de Heere Jezus heel anders dan mensen. Hij weet hoe het er van binnen in deze tempel uitziet en vergelijkt dat met "een kuil van de moordenaars" (hoofdstuk 19 vers 46). Vervolgens laat Hij hun het einde van deze dingen zien, die door de mensen zo geacht en bewonderd worden (vers 6).

Lukas 21:10-24
10Toen zeide Hij tot hen: Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk.11En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen, en hongersnoden, en pestilentien; er zullen ook schrikkelijke dingen, en grote tekenen van den hemel geschieden.12Maar voor dit alles, zullen zij hun handen aan ulieden slaan, en u vervolgen, u overleverende in de synagogen en gevangenissen; en gij zult getrokken worden voor koningen en stadhouders, om Mijns Naams wil.13En dit zal u overkomen tot een getuigenis.14Neemt dan in uw harten voor, van te voren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult;15Want Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken, noch wederstaan allen, die zich tegen u zetten.16En gij zult overgeleverd worden ook van ouders, en broeders, en magen, en vrienden; en zij zullen er sommigen uit u doden.17En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil.18Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan.19Bezit uw zielen in uw lijdzaamheid.20Maar wanneer gij zien zult, dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zo weet alsdan, dat haar verwoesting nabij gekomen is.21Alsdan die in Judea zijn, dat zij vlieden naar de bergen; en die in het midden van dezelve zijn, dat zij daaruit trekken; en die op de velden zijn, dat zij in dezelve niet komen.22Want deze zijn dagen der wraak, opdat alles vervuld worde, dat geschreven is.23Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land, en toorn over dit volk.24En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.

De Heere Jezus had Zijn discipelen in hoofdstuk 17 al aangekondigd dat er plotselinge straffen zouden komen, waardoor Israël en de rest van de wereld getroffen zou worden, omdat men Hem verworpen heeft.

Maar te midden van een veroordeeld volk weet de Heere nog altijd hen te onderscheiden die Hem toebehoren. Net als in hoofdstuk 12 waarschuwt en bemoedigt Hij hen bij voorbaat al, met het oog op deze moeilijke tijden (vergelijk-vers 14 en 15 met hoofdstuk 12 vers 11 en 12). "Bezit uw zielen in lijdzaamheid" (vers 19). Deze vermaning geldt voor ons allemaal. "Weest dan lankmoedig (of 'hebt geduld'), broeders... want de toekomst van de Heere nadert" (Jakobus 5 vers 7 en 8). "God is lankmoedig" (hoofdstuk 18 vers 7) en wil graag dat Zijn kinderen diezelfde karaktertrek openbaren.

De verzen 20 en 21 gingen, voordat de Romeinen in het jaar 70 Jeruzalem verwoestten, letterlijk in vervulling. Nadat de aanvallende legermacht haar stellingen rondom de muren voor de eerste keer had ingenomen, werd de belegering plotseling opgeheven. Blijkbaar zonder enige reden trok het grote leger weg in noordelijke richting. De christenen die zich de woorden van de Heere Jezus herinnerden, benutten deze tijd van rust om de stad in alle haast te verlaten, voordat de Romeinse legers terug zouden komen om haar opnieuw in te sluiten. Vers 24 heeft betrekking op de daaropvolgende periode, de periode die nu al meer dan 2000 jaar duurt.

Lukas 21:25-38
25En er zullen tekenen zijn in de zon, en maan, en sterren, en op de aarde benauwdheid der volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven;26En den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting der dingen, die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden.27En alsdan zullen zij den Zoon des mensen zien komen in een wolk, met grote kracht en heerlijkheid.28Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is.29En Hij zeide tot hen een gelijkenis: Ziet den vijgeboom, en al de bomen.30Wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zo weet gij uit uzelven, dat de zomer nu nabij is.31Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat het Koninkrijk Gods nabij is.32Voorwaar Ik zeg u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn.33De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.34En wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens over kome.35Want gelijk een strik zal hij komen over al degenen, die op den gansen aardbodem gezeten zijn.36Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen, die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen.37Des daags nu was Hij lerende in de tempel; maar des nachts ging Hij uit, en vernachtte op den berg, genaamd den Olijf berg.38En al het volk kwam des morgens vroeg tot Hem in den tempel, om Hem te horen.

Vanaf vers 25 hebben de aangekondigde tekenen betrekking op nog toekomstige gebeurtenissen. Dat zullen vreselijke tijden zijn. De duurzaamste dingen zullen dan wankelen, ook de zielen van de mensen. Ook nu is de wereld al bevangen door angst. De mensen proberen zich te verstoppen, om zich op die manier te beschermen (Openbaring 6 vers 15 en verder). Voor de gelovigen van die tijd zal de bevrijding (in vers 28 "verlossing" genoemd) echter van Boven komen. Dat zal de wederkomst van de Heere Jezus in heerlijkheid zijn. Wij, de gelovigen van deze tijd, verwachten echter op dit moment al Zijn komen op de wolken. Dat is een zekere belofte! Ja, hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Zijn woorden zullen niet vergaan (vers 33).

Gewoonlijk wordt "brasserij" (overmatig eten) niet gezien als een grove zonde. Toch wordt dit hier in één adem genoemd met "dronkenschap", omdat dit soort dingen ertoe bijdraagt dat het hart traag wordt. Het beïnvloedt het egoïsme in sterke mate; en daarbij vergeet men de behoeften van de mensen die hem omringen (vergelijk hoofdstuk 16 vers 19 en verder). De blijde verwachting van de komst van de Heere Jezus verdwijnt steeds meer en meer uit het trage hart (het slot van vers 34). En uiteindelijk nemen de zorgen van het leven het hart volkomen in beslag.

Om deze reden worden de vermaningen om nuchter en waakzaam te zijn, in de Brieven vaak tezamen genoemd (1 Thessalonicenzen 5 vers 6 en 7; 1 Petrus 1 vers 13; 4 vers 7; 5 vers 8). In het Schriftgedeelte voor vandaag vermaant de Heere Jezus ons ook: "En wacht uzelf .. Waakt dan te aller tijd, biddende..." (vers 34 en 36).

Lukas 22:1-23
1En het feest der ongehevelde broden, genaamd pascha, was nabij.2En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk.3En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalven.4En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.5En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem geld geven zouden.6En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om Hem hun over te leveren, zonder oproer.7En de dag der ongehevelde broden kwam, op denwelken het pascha moest geslacht worden.8En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen, en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen.9En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het bereiden?10En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik waters; volgt hem in het huis, daar hij ingaat.11En gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?12En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het aldaar.13En zij, heengaande, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.14En als de ure gekomen was, zat Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem.15En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde;16Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.17En als Hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide Hij: Neemt dezen, en deelt hem onder ulieden.18Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.19En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.20Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.21Doch ziet, de hand desgenen, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.22En de Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk besloten is; doch wee dien mens, door welken Hij verraden wordt!23En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch mocht zijn, die dat doen zou.

De oversten van het volk zijn in verlegenheid gebracht. Ze weten niet hoe ze hun misdadige plannen kunnen verwezenlijken, omdat ze merken dat de mensen graag naar de Heere Jezus luisteren (hoofdstuk 19 vers 48). Satan komt hen echter te hulp. Hij heeft al een werktuig toebereid: Judas. Op dit moment vaart hij in hem (vers 3) en beheerst, van meet af aan, de wil van deze arme discipel. Judas gaat onmiddellijk op pad om die afschuwelijke zaak te regelen.

Wanneer het erom gaat het pascha — en nu het avondmaal —te vieren, wordt er niets aan het initiatief van de discipelen overgelaten. De Heere Jezus vraagt hun het voor te bereiden, maar verwacht ook dat zij Hem zullen vragen waar dat zal moeten gebeuren.

Hoeveel christenen zijn er niet die zelf de plaats van hun samenkomen uitgekozen hebben, in plaats van deze vraag aan de Heere te stellen! En toch is alles zo eenvoudig. Het is voldoende zich door iemand met een kruik water te laten leiden — een beeld van de Heilige Geest, Die ons het Woord verklaart. De grote bovenzaal laat zien dat daar waar de Heere Jezus Zelf is, genoeg plaats is voor alle gelovigen.

"Ik heb grotelijks [vurig] begeerd...", zegt Hij tegen Zijn discipelen, als het moment is aangebroken (vers 15). Wat een liefde! De Heere Jezus spreekt niet over een gunst die Hij hun betoont, maar over het verlangen van Zijn eigen hart, net als iemand die voordat hij zijn familie gaat verlaten, als afscheid graag nog één keer met hen samen wil zijn.

Lukas 22:24-38
24En er werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn.25En Hij zeide tot hen: De koningen der volken heersen over hen; en die macht over hen hebben, worden weldadige heren genaamd.26Doch gij niet alzo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste, en die voorganger is, als een die dient.27Want wie is meerder, die aanzit, of die dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik ben in het midden van u, als een die dient.28En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen.29En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft;30Opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israels.31En de Heere zeide: Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe;32Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.33En hij zeide tot Hem: Heere, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan.34Maar Hij zeide: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben, dat gij Mij kent.35En Hij zeide tot hen: Als Ik u uitzond, zonder buidel, en male, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.36Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard.37Want Ik zeg u, dat nog dit, hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde.38En zij zeiden: Heere! zie hier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: Het is genoeg.

Dit is het laatste gesprek tussen de Meester en Zijn discipelen. Maar ach! wat doen zij in deze heilige momenten? Ze twisten erover wie van hen toch de meeste is! En met welk een groot geduld en hoe zachtmoedig tikt de Heere hen dan op de vingers! Een laatste keer herinnert Hij hen (en ook ons!) eraan, dat "de meeste" juist hij of zij is die bereid is anderen te dienen. Hijzelf heeft dat onophoudelijk gedaan (vergelijk vers 27 en hoofdstuk 12 vers 37). Hij maakt hun niet alleen geen enkel verwijt, maar spreekt zelfs Zijn waardering uit voor hun overgave en trouw: "En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen" (vers 28).

De zwakke discipelen zouden echter zelf ook nog in verzoekingen komen, waardoor hun geloof in gevaar gebracht zou worden. Daarom openbaart de Heere Jezus hun op welke wijze Hij in het vervolg de Zijnen zal dienen: Zijn voorbede zou aan hun beproeving voorafgaan en hen in die omstandigheden ondersteunen (Johannes 17 vers 9, 11 en 15).

Toen Hij bij hen was, hadden ze aan geen ding gebrek. Hij waakte over alles en beschermde hen. Nu, nu Hij hen zou verlaten, moesten ze voor zichzelf strijden. Maar dat moest niet met vleselijke wapens gebeuren (vers 38; 2 Korinthe 10 vers 4), en dat betrof evenmin een strijd "tegen vlees en bloed" (Efeze 6 vers 12).

En dan is het moment voor satan, die vreselijke vijand, aangebroken (1 Petrus 5 vers 8).

Lukas 22:39-53
39En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar den Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen.40En als Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking komt.41En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad,42Zeggende: Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.43En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte.44En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.45En als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijn discipelen, en vond hen slapende van droefheid.46En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.47En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen.48En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?49En die bij Hem waren, ziende, wat er geschieden zou, zeiden tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan?50En een uit hen sloeg den dienstknecht des hogepriesters, en hieuw hem zijn rechteroor af.51En Jezus, antwoordende, zeide: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan, en heelde hem.52En Jezus zeide tot de overpriesters, en de hoofdmannen des tempels, en ouderlingen, die tegen Hem gekomen waren: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar?53Als Ik dagelijks met u was in den tempel, zo hebt gij de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw ure, en de macht der duisternis.

Hier, in het Lukas-evangelie, worden over de bijzonder ernstige gebeurtenissen in Gethsémané enkele details genoemd die we in de andere evangeliën niet tegenkomen. We zien dat de Heere Jezus neerknielt (vers 41) en dat Hem een engel verschijnt om Hem te versterken (vers 43). We voelen iets van de angst in het hart van de Heere Jezus, gedurende deze strijd. En we weten met welke vijand Hij te maken had. De strijd was zo zwaar dat Zijn zweet op een gegeven moment als grote druppels bloed werd! Maar zelfs met deze angst in het hart, is Zijn volmaaktheid te zien. Op onze verharde harten maakt het kwaad vaak maar weinig indruk, terwijl de gedachte de zonden te moeten dragen, Hem, de heilige en volmaakte Mens, met ontzetting en angst vervulde.

Daarna komt de Heere Jezus terug bij Zijn discipelen en ziet dat ze in slaap gevallen zijn. Op de berg werden zij destijds, in tegenwoordigheid van Zijn heerlijkheid, ook door slaap overmand (hoofdstuk 9 vers 32). En hier gebeurde hetzelfde, maar nu in verbinding met Zijn lijden. Hij had hun geleerd om te vragen: "Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze" (hoofdstuk 11 vers 4; Mattheüs 6 vers 13). Maar waar bleef hun gebed, toen de vijand naderde?

Dan komt Judas eraan, samen met die andere mannen. Het is wonderbaar om op te merken hoe de Heere, Die zojuist nog die hevige strijd gestreden had, bij het zien van deze mensen zo'n volmaakt geduld, zo'n volmaakte genade (vers 51) en zo'n rust openbaart.

Lukas 22:54-71
54En zij grepen Hem en leidden Hem weg, en brachten Hem in het huis des hogepriesters. En Petrus volgde van verre.55En als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen.56En een zekere dienstmaagd, ziende hem bij het vuur zitten, en haar ogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met Hem.57Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet.58En kort daarna een ander, hem ziende, zeide: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Mens, ik ben niet.59En als het omtrent een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In der waarheid, ook deze was met Hem; want hij is ook een Galileer.60Maar Petrus zeide: Mens, ik weet niet, wat gij zegt. En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan.61En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.62En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk.63En de mannen, die Jezus hielden, bespotten Hem, en sloegen Hem.64En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft?65En vele andere dingen zeiden zij tegen Hem, lasterende.66En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad,67Zeggende: Zijt Gij de Christus, zeg het ons. En Hij zeide tot hen: Indien Ik het u zeg, gij zult het niet geloven;68En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten;69Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechter hand der kracht Gods.70En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de Zoon Gods? En Hij zeide tot hen: Gij zegt, dat Ik het ben.71En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van node? Want wij zelven hebben het uit Zijn mond gehoord.

Arme Petrus! Terwijl de Heere Jezus bad, sliep hij. Terwijl Hij Zich gevangen liet nemen en weg liet voeren — "als een lam" dat weggeleid werd om geslacht te worden (Jeremia 11 vers 19; Jesaja 53 vers 7) — sloeg Petrus er met het zwaard op los (vers 50; vergelijk Johannes 18 vers 10). En toen de Heere Jezus tegenover de mensen getuigde van de waarheid, verloochende Petrus Hem tot driemaal toe! Hij ging bij de anderen op het binnenplein zitten, die zojuist zijn Meester gegrepen hadden en nu tegen Hem getuigden (Psalm 1 vers 1 en Psalm 69 vers 13). Hoe zou Petrus het in zulke omstandigheden ooit voor Hem hebben kunnen opnemen?

Door een eenvoudige blik van de Heere Jezus werd het hart van deze arme discipel echter gebroken. Die ene blik bereikte veel meer dan verwijten hadden kunnen bewerken. O, die blik! Het geweten van Petrus wordt ervan doordrongen en daarin begint het werk van herstel. Deze verloochening, die de Heere Jezus zo ontzettend bedroefd heeft, komt voor Hem nog bij alle andere smaad die Hij moest verdragen (vers 63 - 65).

De mensen tegenover wie Hij geplaatst is, worden ertoe gedwongen zelf te erkennen dat Hij zowel "de Zoon des mensen" (vers 69) als "de Zoon van God" (vers 70) is. Daarom kan de Heere Jezus hun antwoorden: "Gij zegt, dat Ik het ben". Na deze woorden is hun schuld des te groter wanneer ze Hem veroordelen.

Lukas 23:1-12
1En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus.2En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.3En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het.4En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen Mens.5En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe.6Als nu Pilatus van Galilea hoorde, vraagde hij, of die Mens een Galileer was?7En verstaande, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond hij Hem heen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.8En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.9En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.10En de overpriesters en de Schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftiglijk.11En Herodes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.12En op denzelfde dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap tegen den anderen.

De eenstemmigheid met betrekking tot de Heere Jezus komt gemakkelijk tot stand. En de oversten van het volk staan gezamenlijk op, om Hem naar Pilatus te brengen. Welke aanklacht brengen zij tegen deze Gevangene in? Hij zou het volk verleiden tot slechte dingen, zeggen ze; maar Hij had er toch alleen maar alles aan gedaan opdat het hart van het volk tot God teruggevoerd zou worden. Volgens hen zou Hij verbieden om de keizer belasting te betalen, terwijl Hij juist het tegendeel beweerd had door te zeggen: "Geeft dan de keizer, wat van de keizer is" (hoofdstuk 20 vers 25).

Al deze leugens hebben op Pilatus echter niet die uitwerking waar de Joden zo op gehoopt hadden. In zijn verlegenheid zoekt de stadhouder naar een oplossing om zichzelf uit deze situatie te redden. Hij stuurt de Heere Jezus daarom naar Herodes toe. Bij deze man zien we, met betrekking tot de Heere Jezus, een mengeling van angst (hoofdstuk 9 vers 7), haat (hoofdstuk 13 vers 31) en nieuwsgierigheid (vers 8). Zijn nieuwsgierigheid wordt echter niet bevredigd en dan komt de hele morele verdorvenheid van deze man duidelijk naar voren. Voor zijn eigen plezier vernedert hij een weerloze Gevangene, hoewel hem verteld was over de wonderen van Zijn liefde! En teleurgesteld stuurt hij Hem uiteindelijk weer terug naar Pilatus.

Als we zo hebben mogen nadenken over Hem Die zo vreselijk behandeld, bespot en veracht werd, dan verheugen onze harten zich op het moment dat Hij in heerlijkheid zal verschijnen en dat dan iedereen zal moeten erkennen dat Hij de Heere is, tot verheerlijking van God de Vader (Jesaja 49 vers 7; Filippensen 2 vers 11).

Lukas 23:13-32
13En als Pilatus de overpriesters, en de oversten, en het volk bijeengeroepen had, zeide hij tot hen:14Gij hebt dezen Mens tot mij gebracht, als een, die het volk afkerig maakt; en ziet, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen Mens geen schuld gevonden, van hetgeen daar gij Hem mede beschuldigt;15Ja, ook Herodes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden, en ziet, er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is.16Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.17En hij moest hun op het feest een loslaten.18Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Dezen, en laat ons Bar-abbas los.19Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen.20Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.21Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem!22En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.23Maar zij hielden aan met groot geroep, eisende, dat Hij zou gekruist worden; en hun en der overpriesteren geroep werd geweldiger.24En Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou.25En hij liet hun los dengene, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geeist hadden; maar Jezus gaf hij over tot hun wil.26En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyrene, komende van den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.27En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden.28En Jezus, Zich tot haar kerende zeide: Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen.29Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.30Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons.31Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?32En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om met Hem gedood te worden.

Pilatus is nu in groter verlegenheid dan ooit. Hij roept de overpriesters, de oversten en het volk bij elkaar en zegt, tot driemaal toe, tegen hen dat hij in deze Jezus niets kan ontdekken waarvoor Hij de dood schuldig zou zijn. Pilatus wil Hem graag vrijlaten, maar het volk houdt daardoor des te meer vast aan hun eis dat Hij gekruisigd moet worden. Een mensenmassa kan binnen de kortste keren tot een laffe en wrede menigte worden, omdat men, onder de dekmantel van anonimiteit, de laagste instincten de vrije loop kan laten. En hier is dat des te meer het geval, omdat men zelfs door de eigen leiders aangespoord wordt. Hun geschreeuw heeft ten slotte de overhand en in ruil voor de vrijlating van de moordenaar Bar-Abbas, bereikt men dat de Heere Jezus aan hun wil wordt overgegeven. Voor Pilatus, een gewetenloze man, heeft een mensenleven minder waarde dan de gunst van de massa van het volk.

Van hen die deze onschuldig Veroordeelde begeleiden, worden velen door medelijden aangegrepen en huilen. Maar een uiting van het gevoel is nog geen bewijs dat God werkzaam is in een hart. Anders zouden deze vrouwen wel over zichzelf en deze misdadige stad gehuild hebben (net zoals de Heere Jezus dat deed in hoofdstuk 19 vers 41). Veel mensen zijn getroffen door de goedheid van de Heere en zijn verontwaardigd over het onrecht dat Hem is aangedaan. Ze staan er echter niet bij stil, dat zij door hun zonden een persoonlijke verantwoording dragen voor Zijn dood (Jesaja 53 vers 6).

Lukas 23:33-49
33En toen zij kwamen op de plaats genaamd Hoofdschedel plaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter zijde en den ander ter linker zijde.34En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.35En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.36En ook de krijgsknechten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem edik;37En zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelven.38En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE Is De KONING DER JODEN.39En een der kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons.40Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?41En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.42En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.43En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.44En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.45En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde midden door.46En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.47Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.48En al de scharen, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die geschied waren, keerden wederom, slaande op hun borsten.49En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem te zamen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan.

De Heere Jezus wordt naar die afschuwelijke Schedelplaats gebracht en daar tussen twee "kwaaddoeners" gekruisigd. "Vader, vergeef het hun" (vers 34), is het verheven antwoord dat Hij geeft op al het kwaad dat de mensen Hem hebben aangedaan (vergelijk hoofdstuk 6 vers 27). Wanneer zij berouw zouden hebben, zou hun misdaad — de grootste in de geschiedenis van de mensheid — juist door Zijn dood verzoend worden. Bij het kruis, waar alle lagen van de bevolking vertegenwoordigd zijn — van de oversten af (vers 35) tot aan de ellendige "kwaaddoener" toe (vers 39) — komt de totale verdorvenheid van het menselijk hart duidelijk aan het licht. Op schaamteloze wijze wordt de Heere Jezus bestookt met nieuwsgierige blikken, spot en uitdagingen. Een gruwelijke smaad wordt Hem aangedaan! Er komt echter ook een wonderbaar gesprek tot stand tussen de gekruisigde Heiland en één van de misdadigers, die overtuigd is geraakt van zijn zonde (vers 41). God heeft zijn hart verlicht en nu ziet hij in deze verachte en met doornen gekroonde Mens, Die naast hem zal sterven, het heilige Offer, de glorierijke Koning (vers 42). En hij ontvangt daar een belofte van onvergelijkbaar grote waarde (vers 43). Op het kruis geniet de Heere Jezus zo al een eerste vrucht van de vreselijke moeite van Zijn ziel (Jesaja 53 vers 11).

Na de drie uren van ondoordringbare duisternis herkrijgt de Heere Jezus de betrekking tot God. Deze was, gedurende het van God verlaten zijn dat Hij moest ondergaan, onderbroken geweest. En dan geeft Hij, in volledige rust, Zijn geest over in de handen van de Vader. De dood van de Rechtvaardige is de aanleiding tot een laatste getuigenis, dat God door de mond van de Romeinse hoofdman van Hem laat geven (vers 47).

Lukas 23:50-56; Lukas 24:1-12
50En zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man,51(Deze had niet mede bewilligd in hun raad en handel) van Arimathea, een stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte;52Deze ging tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.53En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.54En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan.55En ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galilea, volgden na en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd.56En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat rustten zij naar het gebod.
1En op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en sommigen met haar.2En zij vonden den steen afgewenteld van het graf.3En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heere Jezus niet.4En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende klederen.5En als zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden?6Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was,7Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in de handen der zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wederopstaan.8En zij werden indachtig Zijner woorden.9En wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al deze dingen aan de elven, en aan al de anderen.10En deze waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden.11En haar woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en zij geloofden haar niet.12Doch Petrus opstaande, liep tot het graf, en nederbukkende, zag hij de linnen doeken, liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelven van hetgeen geschied was.

De tussenkomst van Jozef van Arimathéa laat zien dat de genade deze man, die rijk was — iets waarover vaker gesproken wordt in het Lukas-evangelie; zie hoofdstuk 18 vers 24; Mattheüs 27 vers 57 — en ook een overste van het volk was, bereikt heeft. Deze discipel was speciaal toebereid voor de dienst die hij nu vervulde: de begrafenis van het lichaam van de Heere Jezus (overeenkomstig Jesaja 53 vers 9).

Vervolgens stelt de Heilige Geest ons een aantal trouwe vrouwen voor de aandacht, van wie verschillende keren gezegd wordt dat zij de Heere vanuit Galilea volgden (vers 49 en 55). Zij stonden ook bij het kruis van Golgotha. Daarna hebben zij, meer uit liefde dan uit begrip, specerijen toebereid om Zijn lichaam te balsemen. En ten slotte zien we hoe zij op de eerste morgen van de week naar het graf gaan en daar een heerlijke ontmoeting hebben. Daar bij het graf zijn twee engelen, om hun te vertellen dat hun voorbereidingen niet meer nodig zijn. De Persoon Die zij zoeken, is niet meer in het graf; Hij is opgestaan!

De christelijke ervaring van veel kinderen van God gaat helaas niet verder dan het kruis. De verbaasde vraag uit vers 5 zou ook aan hen gesteld kunnen worden. Beste vrienden, laten we ons verheugen! De Heere Jezus is niet alleen onze Heiland, Die aan het kruis voor onze zonden gestorven is. Hij leeft van eeuwigheid tot eeuwigheid (Openbaring 1 vers 18), en wij zullen met Hem leven (Johannes 14 vers 19).

Lukas 24:13-35
13En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, dat zestig stadien van Jeruzalem was, welks naam was Emmaus;14En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen, die er gebeurd waren.15En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.16En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.17En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende, onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?18En de een, wiens naam was Kleopas, antwoordende, zeide tot Hem: Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen, die dezer dagen daarin geschied zijn?19En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De dingen aangaande Jezus den Nazarener, Welke een Profeet was, krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk.20En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.21En wij hoopten, dat Hij was Degene, Die Israel verlossen zou. Doch ook, benevens dit alles, is het heden de derde dag, van dat deze dingen geschied zijn.22Maar ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn;23En Zijn lichaam niet vindende, kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van engelen gezien hadden, die zeggen, dat Hij leeft.24En sommigen dergenen, die met ons zijn, gingen heen tot het graf, en bevonden het alzo, gelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zagen zij niet.25En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!26Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?27En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.28En zij kwamen nabij het vlek, daar zij naar toegingen; en Hij hield Zich, alsof Hij verder gaan zou.29En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons; want het is bij den avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven.30En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun.31En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.32En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende?33En zij, opstaande ter zelfder ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elven samenvergaderd, en die met hen waren;34Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien.35En zij vertelden, hetgeen op den weg geschied was, en hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods.

Overrompeld door verdriet zijn twee discipelen op weg naar Emmaüs. Ze hadden al hun aardse hoop op een Messias voor Israël verloren en keerden nu terug naar hun werk op het land en hun dagelijkse bezigheden (Markus 16 vers 12). De geheimzinnige Vreemdeling Die met hen oploopt, geeft echter een totaal andere richting aan hun gedachten. Het eerste wat Hij doet, is Zich verwonderen over hun gebrek aan begrip en hun ongeloof (vers 25). Dat zijn twee dingen die veelal samen gaan. Vaak is onze onwetendheid het gevolg van ons ongeloof (Hebreeën 11 vers 3)! Daarna opent de Heere Jezus de Schriften voor Zijn beide metgezellen en laat hen de dingen ontdekken die daarin "van Hem geschreven" stonden (vers 27). Laten we nooit vergeten dat de enige sleutel tot het Oude Testament, en vooral tot de profetieën, is: de Heere Jezus daarin te zoeken (Openbaring 19 vers 10).

Let eens op, hoe de Heere Jezus Zich laat weerhouden om verder te gaan, door degenen die Hem nodig hebben: Hij gaat naar binnen, om bij deze beide discipelen te blijven. O, dat dat toch ook meer onze ervaring mag zijn! Laten we toch in het bijzonder leren om onze omstandigheden — wanneer wij ontmoedigd zijn en de dingen anders gaan dan wij gehoopt hadden — in Zijn tegenwoordigheid aan te nemen zoals ze zijn. Dan zal de "vertroosting der Schriften" ook onze gedachten op de levende Heiland richten en zal ons hart ook brandende in ons worden (lees Romeinen 15 vers 4).

Lukas 24:36-53
36En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!37En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden, dat zij een geest zagen.38En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?39Ziet Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan, en ziet; want een geest heeft geen vlees en benen, gelijk gij ziet, dat Ik heb.40En als Hij dit zeide, toonde Hij hun de handen en de voeten.41En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten?42En zij gaven Hem een stuk van een gebraden vis, en van honigraten.43En Hij nam het, en at het voor hun ogen.44En Hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die Ik tot u sprak, als Ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden, wat van Mij geschreven is in de Wet van Mozes, en de Profeten, en Psalmen.45Toen opende Hij hun verstand, opdat zij de Schriften verstonden.46En zeide tot hen: Alzo is er geschreven, en alzo moest de Christus lijden, en van de doden opstaan ten derden dage.47En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden, onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.48En gij zijt getuigen van deze dingen.49En ziet, Ik zende de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.50En Hij leidde hen buiten tot aan Bethanie, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen.51En het geschiedde, als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.52En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap.53En zij waren allen tijd in den tempel, lovende en dankende God. Amen.

Op het moment van Zijn opstanding had de Heere Jezus direct terug kunnen gaan naar de hemel. Maar Hij wilde eerst nog Zijn geliefde discipelen ontmoeten (Johannes 16 vers 22). Hij wilde hun niet alleen het bewijs van Zijn opstanding geven, maar hun ook laten zien dat Hij voor altijd Mens bleef, de Mens Christus Jezus, Die zij hier op aarde gekend, gevolgd en gediend hadden.

Beste gelovige vrienden, Hij Die wij heel binnenkort in de hemel zullen zien, is geen 'geest' en geen 'vreemde'. Nee, Hij is de Heere Jezus uit de evangeliën, de Zoon des mensen, die Lukas aan ons heeft voorgesteld, de liefdevolle Heiland, Die wij hier op aarde hebben leren kennen.

"Moet" en "moest" lezen wij in de verzen 7, 26, 44 en 46. Het hele raadsbesluit van God moest in het lijden van Christus, maar ook in Zijn verheerlijking, in vervulling gaan.

De Heere Jezus koos Bethanië uit, als de plaats waar Hij afscheid neemt van de Zijnen. In beeld plaatste Hij hen daarmee, gedurende de tijd van Zijn afwezigheid, op een nieuwe bodem, buiten het Joodse systeem (vers 50): op de grondslag van het nieuwe leven en van gemeenschap (Johannes 12 vers 1).

De laatste woorden van de Heere Jezus zijn een belofte (vers 49). Zijn laatste handeling is een zegening (vers 50). Hij is weliswaar bij hen weggegaan, maar het hart van de Zijnen stroomt voortaan over van vreugde en lof.

Als onderwerpen van diezelfde liefde mogen ook wij onze God en Vader roemen en ons in onze volmaakte Verlosser verheugen!

Johannes 1:1-18
1In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.2Dit was in den beginne bij God.3Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.4In Hetzelve was het Leven, en het Leven was het Licht der mensen.5En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.6Er was een mens van God gezonden, wiens naam was Johannes.7Deze kwam tot een getuigenis, om van het Licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloven zouden.8Hij was het Licht niet, maar was gezonden, opdat hij van het Licht getuigen zou.9Dit was het waarachtige Licht, Hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld.10Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend.11Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.12Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven;13Welke niet uit den bloede, noch uit den wil des vleses, noch uit den wil des mans, maar uit God geboren zijn.14En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.15Johannes getuigt van Hem, en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van Welken ik zeide: Die na mij komt, is voor mij geworden, want Hij was eer dan ik.16En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.17Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.18Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in den schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard.

"De eniggeboren Zoon", Die de Vader openbaart — dat is de samenvatting van dit evangelie (vers 18; zie 1 Johannes 4 vers 9).

Hij wordt ons in het eerste vers, waar elk woord van bijzonder groot belang is, direct al voorgesteld als: "het Woord", als een eeuwige Persoon, als zijnde "bij God", maar desondanks God Zelf. Hoe ver we in gedachten ook zouden proberen terug te gaan in de tijd —Hij bestond (Psalm 90 vers 2).

Dit scheppende Woord, de enige Bron van leven en licht, heeft Zich niet vanuit de majesteit van de hemel tot ons willen richten; Het is Zelf in deze wereld gekomen (vers 9) en heeft Zich onderworpen aan onze grenzen van ruimte en tijd. O, het is een ondoorgrondelijk geheim: "het Woord is vlees geworden" (vers 14; 1 Timotheüs 3 vers 16)! Het Woord is niet gekomen als een snelle Boodschapper, Die onmiddellijk weer terugkeerde tot Hem Die Hem gezonden had. Het "heeft onder ons gewoond" (vers 14; eigenlijk staat hier 'getabernakeld', dat wil zeggen 'in een tent gewoond'), zonder daarbij ooit op te houden "in de schoot des Vaders" te zijn (vers 18).

Alles wat God in Zijn natuur is: liefde en licht, (genade voor het hart en waarheid voor het geweten van de zondaar), is ons nabij gekomen in Hem. Ja, dat alles straalt voort uit deze wonderbare Persoon, Die al onze aanbidding waard is.

De zedelijke duisternis van de mens heeft het ware licht echter "niet begrepen" (vers 5). De wereld heeft haar Schepper niet erkend. De Zijnen hebben hun Messias niet aangenomen (vers 11).

En u, en jij? Hebt u, heb jij Hem wel aangenomen? Zo ja, dan ben je een kind van God (vers 12; Galaten 3 vers 26).

Johannes 1:19-34
19En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden enige priesters en Levieten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gij?20En hij beleed en loochende het niet; en beleed: Ik ben de Christus niet.21En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt gij Elias? En hij zeide: Ik ben die niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen.22Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven?23Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesaja, de profeet, gesproken heeft.24En de afgezondenen waren uit de Farizeen;25En zij vraagden hem en spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zo gij de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet?26Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden, Dien gij niet kent;27Dezelve is het, Die na mij komt, Welke voor mij geworden is, Wien ik niet waardig ben, dat ik Zijn schoenriem zou ontbinden.28Deze dingen zijn geschied in Bethabara, over de Jordaan, waar Johannes was dopende.29Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!30Deze is het, van Welken ik gezegd heb: Na mij komt een Man, Die voor mij geworden is, want Hij was eer dan ik.31En ik kende Hem niet; maar opdat Hij aan Israel zou geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, dopende met het water.32En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel, gelijk een duif, en bleef op Hem.33En ik kende Hem niet; maar Die mij gezonden heeft, om te dopen met water, Die had mij gezegd: Op Welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op Hem blijven, Deze is het, Die met den Heiligen Geest doopt.34En ik heb gezien, en heb getuigd, dat Deze de Zoon van God is.

Het was niet de last van hun zonden waardoor de afgevaardigden van de Joden tot Johannes de Doper gedreven werden. Nee, het was meer de nieuwsgierigheid en het verlangen om zichzelf een mening te kunnen vormen dat zij hem opzochten. Misschien werden ze ook door een zekere onrust gedreven. Hoe het ook zij, hun vraag gaf Johannes een mooie gelegenheid om zijn boodschap door te geven (vergelijk 1 Petrus 3 vers 15). Hij had niets over zichzelf te vertellen (vers 22). Hij was gewoon een "stem" (vers 23). Hij was "door God gezonden... opdat hij van het Licht getuigen zou" (vers 6 - 8).

Laten we echter niet vergeten dat alle verlosten er ook toe geroepen zijn om van het Licht te getuigen en vooral om als "kinderen van het licht" te wandelen (Efeze 5 vers 8). In zichzelf zijn zij niets anders dan werktuigen, door welke Christus, het zedelijke Licht van de wereld, geopenbaard moet worden.

God heeft Zijn dienstknecht van tevoren laten zien hoe hij Hem van Wie hij moest getuigen, kon erkennen. "Zie, het Lam Gods", roept Johannes uit, als de Heere Jezus verschijnt (vers 29). God had Zichzelf van een heilig Offer voorzien, om de zonde van de wereld weg te nemen (vergelijk Genesis 22 vers 8). Sinds de zondeval werd dat Offer verwacht en door de profeten, en ook door de beelden van het oude verbond, aangekondigd (Jesaja 53 vers 7; Exodus 12 vers 3). En wat een Offer! Het Lam van God is ook de Zoon van God!

Johannes 1:35-51
35Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijn discipelen.36En ziende op Jezus, daar wandelende, zeide hij: Ziet, het Lam Gods!37En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus.38En Jezus Zich omkerende, en ziende hen volgen, zeide tot hen:39Wat zoekt gij? En zij zeiden tot Hem: Rabbi! (hetwelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont Gij?40Hij zeide tot hen: Komt en ziet! Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. En het was omtrent de tiende ure.41Andreas, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden, en Hem gevolgd waren.42Deze vond eerst zijn broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias, hetwelk is, overgezet zijnde, de Christus.43En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus, hem aanziende, zeide: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; gij zult genaamd worden Cefas, hetwelk overgezet wordt Petrus.44Des anderen daags wilde Jezus heengaan naar Galilea, en vond Filippus, en zeide tot hem: Volg Mij.45Filippus nu was van Bethsaida, uit de stad van Andreas en Petrus.46Filippus vond Nathanael en zeide tot hem: Wij hebben Dien gevonden, van Welken Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten, namelijk Jezus, den zoon van Jozef, van Nazareth.47En Nathanael zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide tot hem: Kom en zie.48Jezus zag Nathanael tot Zich komen, en zeide tot hem: Zie, waarlijk een Israeliet, in welken geen bedrog is.49Nathanael zeide tot Hem: Van waar kent Gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u Filippus riep, daar gij onder den vijgeboom waart, zag Ik u.50Nathanael antwoordde en zeide tot Hem: Rabbi! Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de Koning Israels.51Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat Ik u gezegd heb: Ik zag u onder de vijgeboom, zo gelooft gij; gij zult grotere dingen zien dan deze. [ (John 1:52) En Hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Van nu aan zult gij den hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des mensen. ]

De wandel van de Heere Jezus (en niet alleen het teken uit de hemel; vers 32 en 33) vervulde het hart van Johannes met overtuiging en vreugde (vers 36). Deze dingen spreken altijd tot het geweten van anderen! Zijn twee discipelen horen wat hij zegt en sluiten zich daarop bij de Heere Jezus aan. Zij volgen Hem en genieten Zijn aanwezigheid — zoals wij dat vandaag, overeenkomstig Mattheüs 18 vers 20, ook mogen en kunnen verwerkelijken.

Andreas geeft ons nog een ander voorbeeld. Hij leidt "eerst zijn broeder Simon" tot de Heere Jezus. Laten wij ook eerst aan onze naaste denken die de Heere Jezus nog niet kent, voordat wij gaan nadenken over allerlei andere activiteiten.

Andreas is een bescheiden discipel. Maar de dienst die hij op deze dag verrichtte, zou grote gevolgen hebben, want deze Simon is de apostel Petrus geworden!

Filippus luistert naar de roepstem van de Heere Jezus, vindt daarna Nathanaël en spreekt met hem over de Nazareeër, als de beloofde Messias. Geen enkel argument legt echter zoveel gewicht in de schaal als die eenvoudige uitnodiging: "Kom en zie" (vers 47).

In dit hoofdstuk verheffen een heleboel verschillende namen en titels de eeuwige, tegenwoordige en toekomstige heerlijkheden van de Heere Jezus Christus. We lezen over: Woord, Leven, Licht, eniggeboren Zoon in de schoot van de Vader, Lam van God, Meester, Messias of Christus, ware Nazareeër, Koning van Israël en Zoon des mensen.

Johannes 2:1-12
1En op den derden dag was er een bruiloft te Kana in Galilea; en de moeder van Jezus was aldaar.2En Jezus was ook genood, en Zijn discipelen, tot de bruiloft.3En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.4Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen.5Zijn moeder zeide tot de dienaars: Zo wat Hij ulieden zal zeggen, doet dat.6En aldaar waren zes stenen watervaten gesteld, naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metreten.7Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.8En Hij zeide tot hen: Schept nu, en draagt het tot den hofmeester; en zij droegen het.9Als nu de hofmeester het water, dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet, van waar de wijn was; maar de dienaren, die het water geschept hadden, wisten het), zo riep de hofmeester den bruidegom.10En zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wel gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.11Dit beginsel der tekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galilea, en heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard; en Zijn discipelen geloofden in Hem.12Daarna ging Hij af naar Kapernaum, Hij, en Zijn moeder, en Zijn broeders, en Zijn discipelen; en zij bleven aldaar niet vele dagen.

De Heere Jezus is uitgenodigd voor een bruiloft. Het is echter heel opmerkelijk dat de hele gebeurtenis zich hier buiten de feestzaal afspeelt en dat er verder niets meegedeeld wordt over het bruidspaar. Van hen weten we alleen dat zij de gelukkige gedachte hebben gehad om de Heere Jezus en Zijn discipelen uit te nodigen.

Beste vrienden, kunnen wij de Heere met al onze omstandigheden in verbinding brengen? Zou het voor Hem altijd mogelijk zijn om aan onze familiefeesten en ons vermaak deel te nemen? De ware vreugde, waarvan de wijn in het Woord van God een beeld is, kan alleen Hij ons geven! Het is echter het water dat voor de reiniging bedoeld is, dat deze wijn van vreugde voortbrengt. Zo is het bij ons, maar zo zal het eens ook voor Israël zijn, in de tijd van haar herstel. Wij genieten de geestelijke vreugde alleen in die mate waarin wij, daaraan voorafgaand, zelfoordeel toegepast hebben.

Het is de mens eigen "eerst de goede wijn" voor te zetten (vers 10). Van jongs af aan wil de mens niets liever dan genieten van alles wat het leven te bieden heeft, want met het ouder worden, nemen de zorgen, de kommer, het lichamelijk verval immers alleen maar toe, en ten slotte zal de dood komen. De beste wijn was het eerst opgeraakt.

De Heere Jezus handelt echter anders! Hij heeft eeuwige vreugden 'klaar liggen' voor de Zijnen; vreugden die het niet waard zijn vergeleken te worden met het ijdele geluk van deze aarde. Laat ons toch naar geen andere vreugde verlangen dan die Hij zal geven!

Johannes 2:13-25
13En het pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem.14En Hij vond in den tempel, die ossen, en schapen, en duiven verkochten, en de wisselaars daar zittende.15En een gesel van touwtjes gemaakt hebbende, dreef Hij ze allen uit den tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte Hij uit, en keerde de tafelen om.16En Hij zeide tot degenen, die de duiven verkochten: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis Mijns Vaders tot een huis van koophandel.17En Zijn discipelen werden indachtig, dat er geschreven is: De ijver van Uw huis heeft mij verslonden.18De Joden antwoordden dan, en zeiden tot Hem: Wat teken toont Gij ons, dat Gij deze dingen doet?19Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal Ik denzelven oprichten.20De Joden zeiden dan: Zes en veertig jaren is over dezen tempel gebouwd, en Gij, zult Gij dien in drie dagen oprichten?21Maar Hij zeide dit van den tempel Zijns lichaams.22Daarom, als Hij opgestaan was van de doden, werden Zijn discipelen gedachtig, dat Hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift, en het woord, dat Jezus gesproken had.23En als Hij te Jeruzalem was, op het pascha, in het feest, geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed.24Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet, omdat Hij hen allen kende,25En omdat Hij niet van node had, dat iemand getuigen zou van den mens; want Hij Zelf wist, wat in den mens was.

De Heere Jezus gaat van Kapernaüm naar Jeruzalem, want "het pascha der Joden was nabij" (vers 13). Dit feest had niets meer te maken met het karakter van "hoogtijden des HEEREN", noch met "heilige samenroepingen" (Leviticus 23 vers 2; vergelijk Johannes 7 vers 2). Voor deze gelegenheid was de tempel namelijk gevuld met een schandalige handel. Handelaren verkochten daar allerlei offerdieren. Met verontwaardiging reinigt de Heere Jezus dan ook het huis van Zijn Vader (vers 16).

Gelovige vrienden, ons lichaam is een tempel van de Heilige Geest. Wanneer onreine gewoonten of gedachten dat lichaam in bezit genomen hebben, laten we dan, net als de Heere, orde op zaken stellen en ons heiligen! Hij is naijverig, Hij duldt het niet dat onze genegenheden naar andere dingen uitgaan. Onze toewijding en genegenheid behoren alleen Zijn Vader toe!

De mensen van wie in de verzen 23 - 25 sprake is, geloofden met hun verstand in de Heere Jezus, zonder dat hun hart er werkelijk bij betrokken was. Zij erkenden Zijn macht wonderen te kunnen doen, maar dat was niet echt 'geloof'. Daarom vertrouwde de Heere Jezus Zich niet aan hen toe (vers 24), want "het geloof" is "uit het gehoor... door het Woord Gods" (vergelijk vers 22 en Romeinen 10 vers 17). De volmaakte kennis die de Heere Jezus van het hart van de mens heeft, is een bewijs van Zijn Goddelijkheid, ja, van het feit dat Hij God Zelf is (vers 25; lees Jeremia 17 vers 9 en 10). Zijn liefde voor de mens is daarom echter niet verkoeld, want de beweegredenen van Zijn liefde liggen in Hemzelf, en niet in de mensen.

Johannes 3:1-21
1En er was een mens uit de Farizeen, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden;2Deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen, die Gij doet, zo God met hem niet is.3Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.4Nicodemus zeide tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in zijner moeders buik ingaan, en geboren worden?5Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.6Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.7Verwonder u niet, dat Ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.8De wind blaast, waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt, en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is.9Nicodemus antwoordde en zeide tot Hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden?10Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leraar van Israel, en weet gij deze dingen niet?11Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Wij spreken, wat Wij weten, en getuigen, wat Wij gezien hebben; en gijlieden neemt Onze getuigenis niet aan.12Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse zou zeggen?13En niemand is opgevaren in den hemel, dan Die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is.14En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden;15Opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.16Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.17Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden.18Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den Naam des eniggeboren Zoons van God.19En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hun werken waren boos.20Want een iegelijk, die kwaad doet, haat het licht, en komt tot het licht niet, opdat zijn werken niet bestraft worden.21Maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.

Vol angst, maar gedreven door het verlangen van zijn ziel, gaat Nicodémus naar Hem toe, Die het Leven en het Licht is (hoofdstuk 1 vers 4 en 5). Deze overste van de Joden, deze voortreffelijke leraar van Israël, leert bij de Goddelijke Leraar een waarheid die voor hem zowel bevreemdend als vernederend is. Noch zijn kwaliteiten, noch zijn kennis, of welke andere menselijke capaciteit dan ook, geven hem recht op het Koninkrijk van God, want zoals men door de natuurlijke geboorte de mensenwereld binnentreedt, zo is er een andere geboorte nodig om zijn intrede te kunnen doen in het koninkrijk (vers 5).

In het antwoord van de Heere Jezus komen we tweeërlei "moet" tegen. Het ene heeft betrekking op de mensen: "Gij moet wederom geboren worden" (vers 7). Het andere, het vreselijke tegenovergestelde, heeft betrekking op onze Verlosser, Die onze aanbidding waard is: "...alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden" (vers 14). De verhoging van Jezus Christus, hetgeen ik met mijn ogen van geloof zie op het kruis van Golgotha, redt mij van het eeuwige verderf vers 14 en 15; vergelijk Numeri 21 vers 8 en 9). Wanneer ik op Hem zie, dan leer ik de liefde van God voor deze wereld (en daarmee voor mij persoonlijk) kennen. Op Golgotha zie ik het hoogste bewijs dat Hij van deze liefde gegeven heeft. De wereld zal niet geoordeeld worden zonder eerst geliefd te zijn geweest. Het hele evangelie ligt in die ene wonderbare Bijbeltekst opgesloten: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderft, maar het eeuwige leven heeft" (vers 16).

Dit is het enige heilsmiddel voor talloze zondaren, waarover wij nooit uitgedacht zullen raken!

Johannes 3:22-36
22Na dezen kwam Jezus en Zijn discipelen in het land van Judea, en onthield Zich aldaar met hen, en doopte.23En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar, en werden gedoopt.24Want Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.25Er rees dan een vraag van enigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging.26En zij kwamen tot Johannes, en zeiden tot hem: Rabbi, Die met u was over de Jordaan, Welken gij getuigenis gaaft, zie, Die doopt, en zij komen allen tot Hem.27Johannes antwoordde en zeide: Een mens kan geen ding aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij.28Gijzelven zijt mijn getuigen, dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet; maar dat ik voor Hem heen uitgezonden ben.29Die de bruid heeft, is de bruidegom, maar de vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zo is dan deze mijn blijdschap vervuld geworden.30Hij moet wassen, maar ik minder worden.31Die van boven komt, is boven allen; die uit de aarde is voortgekomen die is uit de aarde, en spreekt uit de aarde. Die uit den hemel komt, is boven allen.32En hetgeen Hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt Hij; en Zijn getuigenis neemt niemand aan.33Die Zijn getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld, dat God waarachtig is.34Want Dien God gezonden heeft, Die spreekt de woorden Gods; want God geeft Hem de Geest niet met mate.35De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven.36Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.

De discipelen van Johannes werden een beetje jaloers, toen zij zagen dat hun meester aan betekenis verloor, ten gunste van een Ander (vers 26; hoofdstuk 4 vers 1). Met uitzondering van twee (van wie Andreas er één was), die Johannes verlaten hadden om de Heere Jezus te volgen (hoofdstuk 1 vers 37), hadden deze mannen de opdracht van de voorloper niet goed begrepen. Hij stelt zichzelf voor als "de vriend van de bruidegom" (vers 29). En wat ontevredenheid bij zijn discipelen bewerkte, maakte voor hem juist zijn blijdschap volkomen. Het maakte hem gelukkig om ten gunste van de Heere terug te kunnen treden.

Het prachtige antwoord van Johannes zou ook als lijf‑
spreuk in onze harten geprent moeten zijn: "Hij moet was‑
sen [toenemen, groeien], maar ik minder worden" (vers 30).

Dit woord biedt Johannes de gelegenheid om de Heere Jezus te verheffen: Hij is boven allen; niet alleen door de autoriteit die Hem toegekend wordt door de menigte, maar juist doordat Hij "van boven komt" (vers 31). En Hij komt niet als een engel, maar als het Onderwerp van alle toegenegenheden van de Vader, als Zijn Erfgenaam (Hebreeën 1 vers 2).

De hele mensheid werd (wordt) door deze Bezoeker op de proef gesteld en in tweeën verdeeld: De ene groep gelooft in de Zoon; zij bezitten nu al het eeuwige leven. De andere groep gelooft niet; de toorn van God blijft op hen. Wat een vreselijke gedachte! Aan welke kant sta jij (hoofdstuk 20 vers 31)?

Johannes 4:1-18
1Als dan de Heere verstond, dat de Farizeen gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes;2(Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen),3Zo verliet Hij Judea, en ging wederom heen naar Galilea.4En Hij moest door Samaria gaan.5Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf.6En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure.7Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken.8(Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden spijze kopen.)9Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.10Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben.11De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water?12Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee?13Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten:14Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven.15De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten.16Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier.17De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man.18Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd.

God heeft Zijn eniggeboren Zoon niet alleen voor goed bekend staande personen, zoals Nicodémus, naar deze aarde gezonden. Deze wonderbare "Gave van God" (vers 10) werd (en wordt nog steeds) ook aan de ellendigste zondaar aangeboden. Daar hebben we hier een prachtig beeld van!

In Zijn onbegrijpelijke vernedering gaat de Zoon van God, als waarachtig Mens, hier bij een bron zitten. Hij is moe en heeft dorst. Desondanks denkt Hij alleen maar aan het heil van één van Zijn schepselen, een vrouw die hier bij Hem komt. Let nu eens op het gedrag van de Heere Jezus, hoe Hij probeert haar vertrouwen te winnen! Hij vraagt háár om een gunst en gaat als het ware naast haar staan, doordat Hij begint met het spreken over dingen die haar bekend zijn. In haar verlangen naar geluk had deze vrouw uit vele teleurstellende bronnen van deze wereld water gedronken. Bij vijf mannen heeft ze naar dat geluk gezocht en toch kreeg ze steeds opnieuw dorst. De Heiland weet echter waar voor haar "levend water" te vinden is. De Bron daarvan is Hij Zelf (vers 10, 13 en 14; vergelijk Jeremia 2 vers 13 en 18 en Jeremia 17 vers 13). Zonder de oorsprong en de uitwerking daarvan te kennen, wil deze Samaritaanse vrouw deze buitengewone gave graag van Hem ontvangen. Allereerst is het echter nodig dat de Heere Jezus Zijn vinger legt op datgene wat in het leven van deze vrouw niet in orde is (vers 16 - 18). Je kunt namelijk niet gelukkig zijn zolang het licht van God je geweten nog niet is binnengedrongen. De genade van de Heere Jezus is niet los te koppelen van de waarheid (hoofdstuk 1 vers 17).

Johannes 4:19-38
19De vrouw zeide tot Hem: Heere, ik zie, dat Gij een profeet zijt.20Onze vaders hebben op deze berg aangebeden; en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden.21Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden.22Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden.23Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden.24God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.25De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen.26Jezus zeide tot haar: Ik ben het, Die met u spreek.27En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt Gij, of: Wat spreekt Gij met haar?28Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zeide tot de lieden:29Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus?30Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem.31En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet.32Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet.33Zo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft Hem iemand te eten gebracht?34Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge.35Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn alrede wit om te oogsten.36En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te zamen verblijde, beide, die zaait en die maait.37Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait.38Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan.

Het is heel opmerkelijk dat het eerste onderwijs dat de Heere Jezus aan deze arme Samaritaanse vrouw geeft, geen betrekking heeft op haar wandel, maar op de aanbidding, het grootste voorrecht van alle gelovigen. Waar, wanneer en Wie moet de lof gebracht worden? Omdat de godsdienst van vormen en ceremoniën terzijde gesteld was, was het uur van aanbidding in geest en waarheid gekomen — en dat is nu. Aan Wie en door wie moet deze aanbidding gebracht worden? Niet meer aan de HEERE (Jehova), de God van Israël, maar aan de Vader, en dat door hen die in een hele nieuwe betrekking tot God zijn komen te staan. Aan de kinderen van God is het gegeven om voortaan lof te brengen. Zij worden "ware aanbidders" genoemd (vers 23).

En jullie, naar wie — met het oog op dit doel — ook gezocht is, willen jullie de Heere deze vrucht van de moeite van Zijn ziel nog langer onthouden (Hebreeën 13 vers 15)?

Alles wat de vrouw zojuist gehoord heeft, maakt dat zij haar waterkruik laat staan en snel naar de stad gaat, om daar te vertellen van Hem Die zij ontmoet heeft.

De discipelen laten zien dat ze niet in staat zijn om op de gedachten van hun Meester in te gaan. De Heere Jezus vond Zijn kracht en vreugde in de gemeenschap met Zijn Vader (vers 34) en in dat wat voor Hem lag. Hij zag de toekomstige oogst al voor Zich. Die oogst bestond uit allen die Hij verlossen zou (vers 35; vergelijk Psalm 126 vers 6).

Johannes 4:39-54
39En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb.40Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef aldaar twee dagen.41En er geloofden er veel meer om Zijns woords wil;42En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.43En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;44Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft.45Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileers, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan.46Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum.47Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.48Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.49De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.50Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen.51En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft!52Zo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts.53De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis.54Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was.

De Heere Jezus brengt twee dagen door in het midden van de Samaritanen, die, net als Hijzelf, veracht werden (vergelijk hoofdstuk 8 vers 48). En veel van deze mensen geloven in Hem, niet meer om hetgeen de vrouw hun verteld had, maar als gevolg van hun persoonlijke contact met de Heiland, "de Zaligmaker van de wereld" (vers 42; 1 Johannes 4 vers 14).

Beste vrienden, om de Heere Jezus te leren kennen, moet je je niet tevreden stellen met de ervaringen van een ander! Zoek naar een persoonlijke en alles beslissende ontmoeting met Hem!

Vervolgens gaat de Heere Jezus naar Galilea. Daar ontmoet Hij een koninklijke beambte, die zich grote zorgen maakt over zijn doodzieke zoon. Deze man staat erop dat de Meester met hem meegaat om zijn zoon te genezen. Uit deze houding blijkt dat het geloof van deze man lang niet zo groot is als dat van die Romeinse hoofdman in dezelfde stad, Kapernaüm. Die hoofdman vond zichzelf niet waardig om de Heere in zijn huis te ontvangen en was tevreden met een enkel woord van de Hem, opdat zijn knecht beter zou worden (Lukas 7 vers 7).

Het eerste wat de Heere Jezus dan doet, is deze angstige vader duidelijk maken dat het voor het geloof niet nodig is iets te zien, maar dat het juist gaat om het eenvoudig vertrouwen op Zijn woord (vers 48; vergelijk hoofdstuk 2 vers 23). En om deze man op de proef te stellen, gaat de Heere niet met hem mee. De macht van de dood moet echter wel plaats maken voor de macht van het leven dat van Boven is gekomen (1 Johannes 5 vers 12).

Johannes 5:1-14
1Na dezen was een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.2En er is te Jeruzalem aan de Schaaps poort, een badwater, hetwelk in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.3In dezelve lag een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters.4Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.5En aldaar was een zeker mens, die acht en dertig jaren krank gelegen had.6Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?7De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neder.8Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel.9En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.10De Joden zeiden dan tot dengene, die genezen was: Het is sabbat; het is u niet geoorloofd het beddeken te dragen.11Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op, en wandel.12Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens, Die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op, en wandel?13En die gezond gemaakt was, wist niet, Wie Hij was; want Jezus was ontweken, alzo er een grote schare in die plaats was.14Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.

De vijver Bethesda (Huis van barmhartigheid) is een beeld van het oude verbond. De zieke mensen hadden kracht nodig om zich in het genezende water te kunnen werpen. Maar om deze kracht te kunnen ontwikkelen, hadden ze gezond moeten zijn. Zo is het ook met de wet: het kan alleen leven geven aan degene die haar vervult — en niemand is daartoe in staat.

Het lijkt alsof de Heere Jezus, bij zoveel zieken, blinden en verlamden, slechts oog had voor die ene. Je zou je kunnen afvragen waarom? Om het genot van Zijn genade te ervaren zijn twee dingen nodig: je moet ernaar verlangen en ook de noodzaak ervan inzien. Deze twee dingen komen bij deze ene man duidelijk naar voren, wanneer de Heere hem vraagt: "Wilt gij gezond worden?" (vers 6). Het antwoord van deze ongelukkige is: "Heere, ik heb geen mens...". Omdat hem steeds iemand anders voor geweest was in de vijver, was z'n hele leven tot nu toe op één grote teleurstelling uitgelopen. Ongetwijfeld had hij vroeger op de hulp van zijn familie of vrienden gerekend. Maar die mensen waren het waarschijnlijk al lang zat geworden, hem steeds te helpen. En hij had maar liefst 38 jaar nodig gehad om nu ook zijn laatste illusies te verliezen. Nu heeft hij niemand meer! Of toch wel? Ja, de Heere Jezus is er!

Beste vriend, als je misschien nog onbekeerd bent, wacht dan niet langer en begrijp toch, dat alleen de Heere Jezus je kan redden. Het is echter de vraag of je dat ook werkelijk wilt!

Johannes 5:15-30
15De mens ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was, Die hem gezond gemaakt had.16En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten Hem te doden, omdat Hij deze dingen op den sabbat deed.17En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.18Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide, dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelven Gode evengelijk makende.19Jezus dan antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelven doen, tenzij Hij den Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks.20Want de Vader heeft den Zoon lief, en toont Hem alles, wat Hij doet; en Hij zal Hem groter werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert.21Want gelijk de Vader de doden opwekt en levend maakt, alzo maakt ook de Zoon levend, Die Hij wil.22Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven;23Opdat zij allen den Zoon eren, gelijk zij den Vader eren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet, Die Hem gezonden heeft.24Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem, Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.25Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De ure komt, en is nu, wanneer de doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven.26Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook den Zoon gegeven, het leven te hebben in Zichzelven;27En heeft Hem macht gegeven, ook gericht te houden, omdat Hij des mensen Zoon is.28Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen;29En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.30Ik kan van Mijzelven niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar den wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft.

De haat van de Joden vormt voor de Heere Jezus een gelegenheid om nog enkele van Zijn heerlijkheden te openbaren:

Zijn werk van liefde, om de zonde van de wereld weg te nemen (vers 17; hoofdstuk 1 vers 29). Bij het zien en meemaken van zoveel ellende in Zijn schepping kunnen de Zoon en de Vader niet rusten.

De oneindige genegenheid van de Vader tot de Zoon, met Wie Hij alle raadsbesluiten deelt (vers 20; hoofdstuk 3 vers 35).

De kracht van het leven dat in Hem is (vers 21 en 26), en waardoor Hij nu allen die in Hem geloven, eeuwig leven geeft (vers 24). Deze macht zal Hij in het toekomstige "uur" gebruiken voor de opwekking van de doden (vers 28 en 29).

Het oordeel dat Hem, in Zijn hoedanigheid als Zoon, gegeven is (vers 22 en 27).

Ten slotte Zijn volkomen gehoorzaamheid (vers 30)! Hij, aan Wie elk schepsel gehoorzaamheid verschuldigd is (vers 23), onderwerpt Zich vrijwillig! Wat een gehoorzaamheid!

Wanneer de Heere Jezus over Zijn eigen heerlijkheden spreekt, dan is dat alleen omdat die zo nauw verbonden zijn met Zijn Vader. De Zoon niet eren, betekent: Hem beledigen Die Hem gezonden heeft (vers 23; 1 Johannes 2 vers 23).

O, dat ook wij, bij het zien van al deze volmaaktheden van onze Verlosser, toch meer bewondering (het slot van vers 20) en aanbidding in onze harten mogen hebben voor Hem!

Johannes 5:31-47
31Indien Ik van Mijzelven getuig, Mijn getuigenis is niet waarachtig.32Er is een ander, die van Mij getuigt, en Ik weet, dat de getuigenis, welke hij van Mij getuigt, waarachtig is.33Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven.34Doch Ik neem geen getuigenis van een mens; maar dit zeg Ik, opdat gijlieden zoudt behouden worden.35Hij was een brandende en lichtende kaars; en gij hebt ulieden voor een korten tijd in zijn licht willen verheugen.36Maar Ik heb een getuigenis meerder, dan die van Johannes; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft, om die te volbrengen, dezelve werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat Mij de Vader gezonden heeft.37En de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Zelf van Mij getuigd. Gij hebt noch Zijn stem ooit gehoord, noch Zijn gedaante gezien.38En Zijn woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft Dien niet, Dien Hij gezonden heeft.39Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.40En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben.41Ik neem geen eer van mensen;42Maar Ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in uzelven niet hebt.43Ik ben gekomen in den Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen.44Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt?45Meent niet, dat Ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt.46Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven.47Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?

De Heere Jezus beroept Zich, in verband met het ongeloof van de Joden, op een viervoudig getuigenis: dat van Johannes (vers 32- 35), dat van Zijn eigen werken (vers 36), dat van de Vader, Die Hem bij de Jordaan had aangeduid als Zijn geliefde Zoon (vers 37), en ten slotte dat van de Schriften (vers 39). In de Boeken van Mozes is er vaak sprake van de Messias (vers 46; zie bijvoorbeeld Genesis 49 vers 10, 24 en 25; Numeri 24 vers 17). Hoewel de Joden deden voorkomen dat ze deze man van God vereerden, geloofden ze zijn woorden niet, want ze verwierpen Hem Die hij had aangekondigd (vers 46; Deuteronomium 18 vers 15). Zij zullen daarentegen later wel bereid zijn om de antichrist aan te nemen (vers 43).

"Onderzoekt de Schriften", zegt de Heere Jezus in vers 39, want degene die dat doet, zal toenemen in kennis met betrekking tot de kostbare Persoon van de Heere Jezus.

Eer van mensen aannemen en zoeken naar hun goedkeuring is ook een vorm van ongeloof (vers 44), want God zegt dat wij in onszelf niets zijn (Galaten 6 vers 3), en dat wij niets hebben waarop wij ons zouden kunnen beroemen (2 Korinthe 10 vers 17). In plaats van in Hem te geloven, vinden wij het vaak veel fijner om ons zo te gedragen dat anderen ons mogen! De Heere Jezus zocht echter nooit de eer van mensen (vers 41; vergelijk dit met de woorden van de apostel Paulus in 1 Thessalonika 2 vers 6). Wij kunnen navolgers van Hem zijn, wanneer wij de liefde van God en het verlangen om alleen Hem welgevallig te zijn, in ons hebben (vergelijk vers 42).

Johannes 6:1-21
1Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galilea, welke is de zee van Tiberias.2En Hem volgde een grote schare, omdat zij Zijn tekenen zagen, die Hij deed aan de kranken.3En Jezus ging op den berg, en zat aldaar neder met Zijn discipelen.4En het pascha, het feest der Joden, was nabij.5Jezus dan, de ogen opheffende, en ziende, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot Filippus: Van waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten mogen?6(Doch dit zeide Hij, hem beproevende; want Hij wist Zelf, wat Hij doen zou.)7Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd penningen brood is voor dezen niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme.8Een van Zijn discipelen, namelijk Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem:9Hier is een jongsken, dat vijf gerstebroden heeft, en twee visjes; maar wat zijn deze onder zo velen?10En Jezus zeide: Doet de mensen nederzitten. En er was veel gras in die plaats. Zo zaten dan de mannen neder, omtrent vijf duizend in getal.11En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze den discipelen, en de discipelen dengenen, die nedergezeten waren; desgelijks ook van de visjes, zoveel zij wilden.12En als zij verzadigd waren, zeide Hij tot Zijn discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga.13Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, welke overgeschoten waren dengenen, die gegeten hadden.14De mensen dan, gezien hebbende het teken, dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet, Die in de wereld komen zou.15Jezus dan, wetende, dat zij zouden komen, en Hem met geweld nemen, opdat zij Hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, Hij Zelf alleen.16En als het avond geworden was, gingen Zijn discipelen af naar de zee.17En in het schip gegaan zijnde, kwamen zij over de zee naar Kapernaum. En het was alrede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen.18En de zee verhief zich, overmits er een grote wind waaide.19En als zij omtrent vijf en twintig of dertig stadien gevaren waren, zagen zij Jezus, wandelende op de zee, en komende bij het schip; en zij werden bevreesd.20Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het; zijt niet bevreesd.21Zij hebben dan Hem gewilliglijk in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het land, daar zij naar toe voeren.

De volksmenigte is de Heere Jezus gevolgd. Maar zoals ook nu ook nog bij vele christenen het geval is, worden deze mensen meer door Zijn macht dan door Zijn genade en Zijn volmaaktheden aangetrokken. Het één gaat echter niet zonder het ander. In deze gebeurtenis, waarbij het brood vermenigvuldigd wordt, zal de Heere Jezus de combinatie van deze beide dingen duidelijk aantonen. De kleine knaap uit vers 9 herinnert ons eraan, dat wij op elke leeftijd iets voor de Heere en tot het welzijn van anderen kunnen doen. Het lijkt erop dat hij de enige is die wat te eten heeft meegenomen van huis. Hij wordt het middel om in de behoeften van vijfduizend mannen te voorzien, omdat hij het weinige wat hij bezit, aan de Heere ter beschikking stelt.

Laten we nooit menen dat we te jong zijn, of dat we niet over voldoende middelen beschikken, wanneer de Heere Jezus ons in Zijn dienst wil gebruiken. Hij weet heel goed hoe Hij 'dat beetje van ons' kan gebruiken.

Als gevolg van dit wonder willen de mensen de Heere Jezus grijpen en Hem tot Koning maken. Hij kan het Koninkrijk echter niet uit de hand van mensen aannemen (hoofdstuk 5 vers 41) en evenmin uit de hand van satan (Mattheüs 4 vers 9 - 10). Het is God Zelf Die Hem tot Koning maakt (Psalm 2 vers 6).

Ten slotte zien we Hem nog bij een andere gebeurtenis. Ook hier komen beide dingen, Zijn macht en Zijn genade, duidelijk samen naar voren, wanneer Hij Zijn discipelen ontmoet op de stormachtige zee en hun onrust tenietdoet.

Johannes 6:22-36
22Des anderen daags de schare, die aan de andere zijde der zee stond, ziende, dat aldaar geen ander scheepje was dan dat ene, daar Zijn discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met Zijn discipelen in dat scheepje niet was gegaan, maar dat Zijn discipelen alleen weggevaren waren;23(Doch er kwamen andere scheepjes van Tiberias, nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden, als de Heere gedankt had.)24Toen dan de schare zag, dat Jezus aldaar niet was, noch Zijn discipelen, zo gingen zij ook in de schepen, en kwamen te Kapernaum, zoekende Jezus.25En als zij Hem gevonden hadden over de zee, zeiden zij tot Hem: Rabbi, wanneer zijt Gij hier gekomen?26Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt, en verzadigd zijt.27Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen ulieden geven zal; want Dezen heeft God de Vader verzegeld.28Zij zeiden dan tot Hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?29Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Dien Hij gezonden heeft.30Zij zeiden dan tot Hem: Wat teken doet Gij dan, opdat wij het mogen zien, en U geloven? Wat werkt Gij?31Onze vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn; gelijk geschreven is: Hij gaf hun het brood uit den hemel te eten.32Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel; maar Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit den hemel.33Want het Brood Gods is Hij, Die uit den hemel nederdaalt, en Die der wereld het leven geeft.34Zij zeiden dan tot Hem: Heere, geef ons altijd dit Brood.35En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.36Maar Ik heb u gezegd, dat gij Mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet.

De Heere Jezus laat Zich niet misleiden. Hij weet heel goed dat de volksmenigte Hem alleen volgt om de heel eenvoudige reden dat deze mensen hopen dat Hij hen in het vervolg ook van brood zal voorzien. Vandaar dat Hij hen ertoe wil aanzetten voor de hemel te werken (vers 27). Laten we onszelf eens afvragen wat het doel van ons werk is? Hebben wij daarbij in eerste instantie de hemelse dingen op het oog, waarmee we onze ziel voeden omdat het dingen zijn die blijven? Of weegt het aardse doel bij ons het zwaarst? Denk er dan wel om, dat deze bestemd is om vernietigd te worden!

Betekent dat, dat wij dan toch bepaalde werken moeten doen om gered te kunnen worden? Talloze mensen, ook in de christenheid van vandaag, denken dat (vergelijk vers 28). Het Woord zegt ons echter: "Uit genade zijt gij zalig geworden [d.i. behouden] door het geloof .. niet uit de werken" (Efeze 2 vers 8 en 9). God erkent slechts één werk — en dat werkt Hij Zelf in ons — het geloof in de Redder, Die Hij gezonden heeft (vers 29). Alles komt van Hem: het levende water (de Heilige Geest: hoofdstuk 4 vers 10) en "het Brood des levens" (Christus Zelf: vers 35).

Hoe komt het dan, dat onze zielen niet altijd bevredigd zijn? Gaat de Heere dan wat nonchalant om met Zijn beloften (vers 35; hoofdstuk 4 vers 14)? Nee, absoluut niet! Maar wijzelf, van onze kant, voldoen soms niet aan de voorwaarden! "Wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten", zegt de Heere Jezus (vers 35). We hebben geloof nodig om gered te worden, maar ook geloof voor elke dag, om onze behoeften alleen te laten stillen uit Zijn volheid.

Johannes 6:37-50
37Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.38Want Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft.39En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage.40En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die den Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.41De Joden dan murmureerden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood, Dat uit den hemel nedergedaald is.42En zij zeiden: Is deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald?43Jezus antwoordde dan, en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander.44Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.45Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.46Niet dat iemand den Vader gezien heeft, dan Die van God is; Deze heeft den Vader gezien.47Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.48Ik ben het Brood des levens.49Uw vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn, en zij zijn gestorven.50Dit is het Brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mens daarvan ete, en niet sterve.

"Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen", belooft de Heiland vol liefde (vers 37). Ga tot Hem, als je het tot nu toe nog niet gedaan hebt! Hij zal je niet afwijzen.

Opdat de mens echter tot de Heere Jezus kan komen, moet de Heilige Geest een werk in het hart volbrengen. De mens kan geen enkele stap in de richting van God zetten tenzij hij door Hem getrokken wordt (vers 44). Misschien zegt iemand nu wel: 'Dan is het dus niet mijn schuld, dat ik me niet bekeerd heb'.

Integendeel, je bent zelf ten volle verantwoordelijk om dit Goddelijke werk in jou te laten gebeuren. Juist nu, op dit moment, wil God jou tot Zich trekken. Weersta Hem toch niet langer!

De genade die de Heere Jezus aan de zondaar betoont, is een uitdrukking van Zijn eigen liefde, maar ook van Zijn wil. Hij wil Zijn schepsel zo graag het leven geven (vers 40). De Heere Jezus was gekomen om deze wil te vervullen, en om niets anders te doen (vers 38; vergelijk Hebreeën 10 vers 9: "Zie, Ik kom, om Uw wil te doen").

De mens heeft een lichaam en een ziel. Daarom kan hij niet alleen van brood, het voedsel voor zijn lichaam, leven. Ook de ziel heeft voeding nodig! En het enige waarmee de ziel gevoed kan worden, is het Goddelijke Woord, "het brood uit de hemel", Christus Zelf (Lukas 4 vers 4).

`Jezus is het Brood des levens, uit de hemel neergedaald; Hij schenkt aan de ziele voedsel, waar geen and're spijs bij haalt.'

Johannes 6:51-71
51Ik ben dat levende Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; zo iemand van dit Brood eet, die zal in der eeuwigheid leven. En het Brood, dat Ik geven zal, is Mijn vlees, hetwelk Ik geven zal voor het leven der wereld.52De Joden dan streden onder elkander, zeggende: Hoe kan ons deze Zijn vlees te eten geven?53Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven.54Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.55Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank.56Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.57Gelijkerwijs Mij de levende Vader gezonden heeft, en Ik leve door den Vader; alzo die Mij eet, dezelve zal leven door Mij.58Dit is het Brood, dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uw vaders het Manna gegeten hebben, en zijn gestorven. Die dit Brood eet, zal in der eeuwigheid leven.59Deze dingen zeide Hij in de synagoge, lerende te Kapernaum.60Velen dan van Zijn discipelen, dit horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelve horen?61Jezus nu, wetende bij Zichzelven, dat Zijn discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit?62Wat zou het dan zijn, zo gij de Zoon des mensen zaagt opvaren, daar Hij te voren was?63De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.64Maar er zijn sommigen van ulieden, die niet geloven. Want Jezus wist van den beginne, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou.65En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader.66Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.67Jezus dan zeide tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan?68Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.69En wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.70Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? En een uit u is een duivel.71En Hij zeide dit van Judas, Simons zoon, Iskariot; want deze zou Hem verraden, zijnde een van de twaalven.

Ondanks de belofte die God hun gegeven had, vroegen de kinderen Israëls, toen zij het manna ontdekten in de woestijn, aan elkaar: Wat is dit?' (Exodus 16 vers 15). Hetzelfde ongeloof openbaart zich nu bij hun nakomelingen. Die discussiëren met elkaar over de bijzondere spijze waarover de Heere Jezus tot hen gesproken had: Zijn vlees en bloed, dat wil zeggen: Zijn dood. Een op aarde levende Christus is niet voldoende om ons leven te kunnen schenken. We moeten ons de dood van Christus eigen maken (in beeld gesproken: Zijn vlees eten en Zijn bloed drinken) om het eeuwige leven te bezitten. Daarna moeten wij ons elke dag opnieuw voor de zonde dood houden. Wij zijn immers met Hem voor de wereld en de zonde gestorven. De natuurlijke mens kan dat niet begrijpen. Die wil wel een voorbeeld hebben, maar vindt het veel te moeilijk om te erkennen dat zijn eigen toestand totaal verdorven en doemwaardig is.

Velen die beleden hadden Zijn discipelen te zijn, verlaten de Heere Jezus omdat Zijn woorden hen afschrikken, in plaats dat zij hierover verder doorvragen bij Hem. Hij probeert niet hen hiervan te weerhouden, door het afzwakken van de waarheid. Hij beproeft echter wel het hart van hen die bij Hem blijven: "Wilt gij ook niet weggaan?" (vers 67), waarop Petrus dat prachtige antwoord geeft: "Heere, tot Wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden van eeuwig leven!"

O, dat dat ook ons antwoord mag zijn (vers 68 en 69; lees Hebreeën 10 vers 38 en 39)!

Johannes 7:1-24
1En na dezen wandelde Jezus in Galilea; want Hij wilde in Judea niet wandelen, omdat de Joden Hem zochten te doden.2En het feest der Joden, namelijk de loof huttenzetting, was nabij.3Zo zeiden dan Zijn broeders tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die Gij doet.4Want niemand doet iets in het verborgen, en zoekt zelf, dat men openlijk van hem spreke. Indien Gij deze dingen doet, zo openbaar Uzelven aan de wereld.5Want ook Zijn broeders geloofden niet in Hem.6Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid.7De wereld kan ulieden niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn.8Gaat gijlieden op tot dit feest; Ik ga nog niet op tot dit feest; want Mijn tijd is nog niet vervuld.9En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galilea.10Maar als Zijn broeders opgegaan waren, toen ging Hij ook Zelf op tot het feest, niet openlijk, maar als in het verborgen.11De Joden dan zochten Hem in het feest, en zeiden: Waar is Hij?12En er was veel gemurmels van Hem onder de scharen. Sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar Hij verleidt de schare.13Nochtans sprak niemand vrijmoediglijk van Hem, om de vrees der Joden.14Doch als het nu in het midden van het feest was, zo ging Jezus op in den tempel, en leerde.15En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?16Jezus antwoordde hun, en zeide: Mijn leer is Mijne niet, maar Desgenen, Die Mij gezonden heeft.17Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan of Ik van Mijzelven spreek.18Die van zichzelven spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Desgenen, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen ongerechtigheid is in Hem.19Heeft Mozes u niet de wet gegeven? En niemand van u doet de wet. Wat zoekt gij Mij te doden?20De schare antwoordde en zeide: Gij hebt den duivel; wie zoekt U te doden?21Jezus antwoordde en zeide tot hen: Een werk heb Ik gedaan, en gij verwondert u allen.22Daarom heeft Mozes ulieden de besnijdenis gegeven (niet dat zij uit Mozes is, maar uit de vaderen), en gij besnijdt een mens op den sabbat.23Indien een mens de besnijdenis ontvangt op den sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde; zijt gij toornig op Mij, dat Ik een gehelen mens gezond gemaakt heb op den sabbat?24Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.

De broers van de Heere Jezus behoorden ook bij hen die niet geloofden, omdat zij de eer van mensen zochten (vers 4 en 5; vergelijk hoofdstuk 5 vers 44). Ze rekenden erop dat Zijn geliefdheid bij het volk ook een gunstige invloed zou hebben op de rest van de familie, dus ook op henzelf. Zouden ze daarentegen in Hem, als de Zoon van God, geloofd hebben, dan hadden ze geweten hoe groot de afstand, wat de aardse banden betreft, in feite was tussen hen en Hem (lees Lukas 8 vers 21 en 2 Korinthe 5 vers 16). Later geloofden Zijn broers gelukkig wel in Hem en lezen we dat zij bij Zijn discipelen horen (Handelingen 1 vers 14).

Nu is hun principe echter nog gelijk aan die van de meeste mensen: gebruik je gaven en capaciteiten tot eigen voordeel, zodat je zelf bekend en geëerd wordt (vers 4). De Heere Jezus heeft, in tegenstelling hiermee, nooit anders gedaan dan de eer zoeken "van Hem, Die Hem gezonden heeft" (vers 18). En Hij gaat dan ook pas op naar het feest op het tijdstip dat door God bepaald is.

O, wat komen wij hierin veel tekort, bij het zien van dit volmaakte Voorbeeld! Veel van onze problemen zijn een gevolg van ons overhaaste handelen en ons aarzelen in het gehoorzamen van de aanwijzingen van God. Vers 17 herinnert ons eraan, dat onderwerping aan de wil van God hét middel is om de waarheid te kunnen erkennen.

In Jeruzalem ontmoet de Heere Jezus Joden die Hem haten en Hem, sinds Hij de verlamde in Bethesda op de sabbat genezen had, proberen te doden (vers 1; hoofdstuk 5 vers 16).

Johannes 7:25-36
25Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is Deze niet, Dien zij zoeken te doden?26En ziet, Hij spreekt vrijmoediglijk, en zij zeggen Hem niets. Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat Deze waarlijk is de Christus?27Doch van Dezen weten wij, van waar Hij is; maar de Christus, wanneer Hij komen zal, zo zal niemand weten, van waar Hij is.28Jezus dan riep in den tempel, lerende en zeggende: En gij kent Mij, en gij weet, van waar Ik ben; en Ik ben van Mijzelven niet gekomen, maar Hij is waarachtig, Die Mij gezonden heeft, Welken gijlieden niet kent.29Maar Ik ken Hem; want Ik ben van Hem, en Hij heeft Mij gezonden.30Zij zochten Hem dan te grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.31En velen uit de schare geloofden in Hem, en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal Hij ook meer tekenen doen dan die, welke Deze gedaan heeft?32De Farizeen hoorden, dat de schare dit van Hem murmelde; en de Farizeen en de overpriesters zonden dienaren, opdat zij Hem grijpen zouden.33Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd ben Ik bij u, en Ik ga heen tot Dengene, Die Mij gezonden heeft.34Gij zult Mij zoeken, en gij zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen.35De Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren?36Wat is dit voor een rede, die Hij gezegd heeft: Gij zult Mij zoeken, en zult Mij niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen?

Als we vers 20 en 25 met elkaar vergelijken, dan blijkt duidelijk hoe huichelachtig die Joden zijn. De Heere Jezus was toen, net zoals Hij dat nu ook nog vaak is, het onderwerp van een ijdele, verstandelijke besluitvorming! Iedereen geeft zijn mening weer; er wordt gediscussieerd over de bedoeling van de leiders. In werkelijkheid veroorzaken de aanwezigheid van de Heere Jezus en Zijn woorden echter een grote opwinding, omdat de mensen innerlijk onrustig worden door Zijn stem. Zonder het toe te willen geven, voelen ze heel goed aan dat dit de stem van God Zelf is (vergelijk vers 28). Ze proberen daar op alle mogelijke manieren onderuit te komen, door zichzelf wijs te maken dat deze Galileeër de Christus niet kan zijn; zij kennen immers Zijn familie en plaats van herkomst. De Heere Jezus antwoordt hun: Jullie kennen Mij inderdaad — en wel veel beter dan jullie denken — jullie geweten zegt jullie Wie Ik ben en klaagt jullie aan!

Het is heel ernstig wat en hoe de Heere Jezus de volksmenigte toeroept (vers 28 en 37; vergelijk Spreuken 8 vers 1 en Spreuken 9 vers 3)! Ook vandaag kan niemand zeggen dat hij Hem nog nooit gehoord heeft!

"Waar Ik ben, kunt gij niet komen", zegt de Heere Jezus tegen alle ongelovigen (vers 34). Voor de Zijnen geldt echter die kostbare belofte: "En zo wanneer Ik heen gegaan zal zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben!" (hoofdstuk 14 vers 3).

Aan iedereen die dit leest, willen we nu de vraag stellen: 'Welke woorden gelden voor u, voor jou? Waar zul je zijn in de eeuwigheid?'

Johannes 7:37-53
37En op den laatsten dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.38Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.39(En dit zeide Hij van den Geest, Denwelken ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.)40Velen dan uit de schare, deze rede horende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet.41Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galilea komen?42Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?43Er werd dan tweedracht onder de schare, om Zijnentwil.44En sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de handen aan Hem.45De dienaars dan kwamen tot de overpriesters en Farizeen; en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet gebracht?46De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mens alzo gesproken, gelijk deze Mens.47De Farizeen dan antwoordden hun: Zijt ook gijlieden verleid?48Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeen?49Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt.50Nicodemus zeide tot hen, welke des nachts tot Hem gekomen was, zijnde een uit hen:51Oordeelt ook onze wet den mens, tenzij dat zij eerst van hem gehoord heeft, en verstaat, wat hij doet?52Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt gij ook uit Galilea? Onderzoek en zie, dat uit Galilea geen profeet opgestaan is.53En een iegelijk ging heen naar zijn huis.

De hoofdstukken 6 en 7 herinneren ons aan Exodus 16 en 17. In het zesde hoofdstuk stelt de Heere Jezus Zich voor als het ware Brood, dat uit de hemel gekomen is. Daar is het manna een beeld van. Hier in het zevende hoofdstuk staat Hij voor onze aandacht als de Rots uit Exodus 17, waaruit het water des levens in al zijn volheid voortvloeit. Jesaja laat direct aan het begin van hoofdstuk 55 van zijn Bijbelboek aan alle "dorstigen" de uitnodiging uitgaan om te komen tot de wateren van genade. Hier is het echter de Verlosser Zelf Die roept: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke" (vers 37). En de gelovige die met de Heilige Geest vervuld is, zal daarop vervolgens tot een kanaal van zegen voor anderen worden (vers 38 en 39).

Op elke uitspraak van de Heere Jezus volgen weer nieuwe twistgesprekken. Het is net als bij dorstige mensen die bij een heldere bron komen en dan eerst gaan discussiëren over de chemische samenstelling van het water, in plaats van het gewoon op te drinken!

Aan het eind van dit hoofdstuk lezen we nog over twee getuigenissen die, met betrekking tot de Heere Jezus, aan de Farizeeën gegeven worden. De dienaars die eropuit gestuurd waren om Hem gevangen te nemen, moeten toegeven dat Zijn woorden geen menselijke woorden zijn: "Nooit heeft een mens zo gesproken, als deze Mens" (vers 46). En dan is het Nicodémus die het heel voorzichtig opneemt voor Hem met Wie hij (in hoofdstuk 3) een persoonlijk en onvergetelijk gesprek heeft gehad.

Johannes 8:1-20
1Maar Jezus ging naar den Olijfberg.2En des morgens vroeg kwam Hij wederom in den tempel, en al het volk kwam tot Hem; en nedergezeten zijnde, leerde Hij hen.3En de Schriftgeleerden en de Farizeen brachten tot Hem een vrouw, in overspel gegrepen.4En haar gesteld hebbende in het midden, zeiden zij tot Hem: Meester, deze vrouw is op de daad zelve gegrepen, overspel begaande.5En Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulken gestenigd zullen worden; Gij dan, wat zegt Gij?6En dit zeiden zij, Hem verzoekende, opdat zij iets hadden, om Hem te beschuldigen. Maar Jezus, nederbukkende, schreef met den vinger in de aarde.7En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op, en zeide tot hen: Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op haar.8En wederom nederbukkende, schreef Hij in de aarde.9Maar zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de een na den andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen gelaten; en de vrouw in het midden staande.10En Jezus, Zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar: Vrouw, waar zijn deze uw beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld?11En zij zeide: Niemand, Heere! En Jezus zeide tot haar: Zo veroordeel Ik u ook niet; ga heen, en zondig niet meer.12Jezus dan sprak wederom tot henlieden, zeggende: Ik ben het licht der wereld; die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.13De Farizeen dan zeiden tot Hem: Gij getuigt van Uzelven; Uw getuigenis is niet waarachtig.14Jezus antwoordde, en zeide tot hen: Hoewel Ik van Mijzelven getuig, zo is nochtans Mijn getuigenis waarachtig; want Ik weet, van waar Ik gekomen ben, en waar Ik heenga; maar gijlieden weet niet, van waar Ik kom, en waar Ik heenga.15Gij oordeelt naar het vlees; Ik oordeel niemand.16En indien Ik ook oordeel, Mijn oordeel is waarachtig; want Ik ben niet alleen, maar Ik en de Vader, Die Mij gezonden heeft.17En er is ook in uw wet geschreven, dat de getuigenis van twee mensen waarachtig is.18Ik ben het, Die van Mijzelven getuig, en de Vader, Die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij.19Zij dan zeiden tot Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: Gij kent noch Mij, noch Mijn Vader; indien gij Mij kendet, zo zoudt gij ook Mijn Vader kennen.20Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, lerende in den tempel; en niemand greep Hem; want Zijn ure was nog niet gekomen.

De Schriftgeleerden en Farizeeën menen dat ze de Heere Jezus met een bijzonder listig opgezette val kunnen vangen. Door Hem is zowel de genade als de waarheid gekomen (hoofdstuk 1 vers 17). Wanneer Hij deze schuldige vrouw veroordeelt, waar blijft dan de genade die aan allen bekend is (Lukas 4 vers 22)? En wanneer Hij haar genade bewijst, doet Hij dat dan niet ten koste van de waarheid en is dat dan niet in tegenspraak met de wet?

In Zijn onfeilbare wijsheid laat de Heere Jezus hun zien dat deze wet hen allen aanklaagt. Men heeft het wel eens vergeleken met een zwaard zonder handgreep. De persoon die zo'n zwaard hanteert, verwondt in eerste instantie zichzelf. In plaats van echter de zonden waarvan men zich bewust is geworden, te belijden, trekken de aanklagers zich, de één na de ander, beschaamd terug (Job 5 vers 13). "Het Licht der wereld" staat voor hen (vers 12), maar "de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht" (hoofdstuk 3 vers 19). Men doet net als insecten, die zich ergens anders verstoppen zodra de steen waar ze onder zaten en die hen beschermde, opgetild wordt. Dan zegt de Enige Die zonder zonde was en daarom het recht gehad zou hebben het oordeel over deze vrouw uit te spreken, tegen haar: "Ga heen, en zondig niet meer" (vers 11).

Veel mensen doen alle moeite om door hun goede wandel vergeving bij God te verdienen, terwijl de Heere Jezus juist met vergeven begint, en pas daarna de opdracht geeft om niet meer te zondigen (vergelijk hoofdstuk 5 vers 14; Psalm 130 vers 4; 1 Johannes 3 vers 9).

Johannes 8:21-36
21Jezus dan zeide wederom tot hen: Ik ga heen, en gij zult Mij zoeken, en in uw zonden zult gij sterven; waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen.22De Joden dan zeiden: Zal Hij ook Zichzelven doden, omdat Hij zegt: Waar Ik heenga, kunt gijlieden niet komen?23En Hij zeide tot hen: Gijlieden zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, Ik ben niet uit deze wereld.24Ik heb u dan gezegd, dat gij in uw zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft, dat Ik Die ben, gij zult in uw zonden sterven.25Zij zeiden dan tot Hem: Wie zijt Gij? En Jezus zeide tot hen: Wat Ik van den beginne ulieden ook zegge.26Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordelen; maar Die Mij gezonden heeft, is waarachtig; en de dingen, die Ik van Hem gehoord heb, dezelve spreek Ik tot de wereld.27Zij verstonden niet, dat Hij hun van den Vader sprak.28Jezus dan zeide tot hen: Wanneer gij den Zoon des mensen zult verhoogd hebben, dan zult gij verstaan, dat Ik Die ben, en dat Ik van Mijzelven niets doe; maar deze dingen spreek Ik, gelijk Mijn Vader Mij geleerd heeft.29En Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, want Ik doe altijd, wat Hem behagelijk is.30Als Hij deze dingen sprak, geloofden velen in Hem.31Jezus dan zeide tot de Joden, die in Hem geloofden: Indien gijlieden in Mijn woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipelen;32En zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.33Zij antwoordden Hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt Gij dan: Gij zult vrij worden?34Jezus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een iegelijk, die de zonde doet, is een dienstknecht der zonde.35En de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in het huis, de zoon blijft er eeuwiglijk.36Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.

De Joden hadden tegen de Heere Jezus gezegd dat Zijn getuigenis niet waar was (vers 13). Wat voor zin had het dan nog, Hemzelf nu te vragen Wie Hij is (vers 25)? Op die vraag kan Hij hun slechts antwoorden: "Wat Ik van het begin u ook zeg" (vers 25). Zijn woorden vormen de volkomen uitdrukking van dat wat Hij is (Psalm 17 vers 3). Denk, in tegenstelling daarmee, eens aan het verschil tussen dat wat wij vaak zeggen of anderen laten zien, en dat wat wij in werkelijkheid zijn. Alles wat de Heere Jezus zei of deed, was in volkomen harmonie met de gedachten van Zijn Vader. "Ik doe altijd, wat Hem welbehagelijk is", kon Hij zeggen (vers 29). Voor ons is dit volmaakte Voorbeeld misschien een beetje onaangenaam, maar toch zouden we moeten proberen het na te volgen!

Aan allen die in Hem geloven, belooft de Heere Jezus volledige bevrijding. De onwetende Joden protesteren echter: Wij zijn nog nooit knechten van iemand geweest' (vers 33). Hebben ze last gekregen van geheugenverlies? Of zou het vanwege hun trots zijn, dat zij hun eigen geschiedenis in Egypte en Babylon, maar ook de tegenwoordige overheersing door de Romeinen, vergeten zijn? Zo is de mens. Nooit zal hij toegeven dat hij een slaaf van de zonde is. Hij verbeeldt zich dat hij vrij is en zelf over zijn doen en laten kan beslissen (2 Petrus 2 vers 19).

Gelovige vrienden, laten we gerust toegeven in welke vreselijke situatie wij ons bevonden, maar laten we ook de ware vrijheid vasthouden waarin de Zoon ons, als kinderen van God, gebracht heeft.

Johannes 8:37-59
37Ik weet, dat gij Abrahams zaad zijt; maar gij zoekt Mij te doden; want Mijn woord heeft in u geen plaats.38Ik spreek wat Ik bij Mijn Vader gezien heb; gij doet dan ook, wat gij bij uw vader gezien hebt.39Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zo zoudt gij de werken van Abraham doen.40Maar nu zoekt gij Mij te doden, een Mens, Die u de waarheid gesproken heb, welke Ik van God gehoord heb. Dat deed Abraham niet.41Gij doet de werken uws vaders. Zij zeiden dan tot Hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij; wij hebben een Vader, namelijk God.42Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw Vader ware, zo zoudt gij Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan; en kom van Hem. Want Ik ben ook van Mijzelven niet gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.43Waarom kent gij Mijn spraak niet? Het is, omdat gij Mijn woord niet kunt horen.44Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.45Maar Mij, omdat Ik u de waarheid zeg, gelooft gij niet.46Wie van u overtuigt Mij van zonde? En indien Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet?47Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt.48De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet wel, dat Gij een Samaritaan zijt, en den duivel hebt?49Jezus antwoordde: Ik heb den duivel niet; maar Ik eer Mijn Vader, en gij onteert Mij.50Doch Ik zoek Mijn eer niet; er is Een, Die ze zoekt en oordeelt.51Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid.52De Joden dan zeiden tot Hem: Nu bekennen wij, dat Gij den duivel hebt. Abraham is gestorven, en de profeten; en zegt Gij: Zo iemand Mijn woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid?53Zijt Gij meerder, dan onze vader Abraham, welke gestorven is, en de profeten zijn gestorven; wien maakt Gij Uzelven?54Jezus antwoordde: Indien Ik Mijzelven eer, zo is Mijn eer niets; Mijn Vader is het, Die Mij eert, Welken gij zegt, dat uw God is.55En gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem; en indien Ik zeg, dat Ik Hem niet ken, zo zal Ik ulieden gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar Ik ken Hem, en bewaar Zijn woord.56Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest.57De Joden dan zeiden tot Hem: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt Gij Abraham gezien?58Jezus zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, ben Ik.59Zij namen dan stenen op, dat zij ze op Hem wierpen. Maar Jezus verborg Zich, en ging uit den tempel, gaande door het midden van hen; en ging alzo voorbij.

In hoofdstuk 5 vers 45 heeft de Heere Jezus de Joden op het inconsequente van hun handelen opmerkzaam gemaakt. Zij beriepen zich op Mozes, terwijl zijn geschriften hen aanklaagden!

Hier noemen zij zich "Abrahams kinderen". Hun werken zijn echter van de duivel, die de leugenaar en de mensenmoordenaar vanaf het begin is (vers 44). Er bestaat een spreekwoord dat zegt: De appel valt niet ver van de boom (vergelijk Ezechiël 16 vers 44). En de Heere Jezus zegt hier dat uit het wezen van onze werken onze afkomst duidelijk zichtbaar wordt (vergelijk ook 1 Johannes 3 vers 7 - 10). Er bestaan hier op aarde slechts twee soorten families: de familie van God en die van de duivel. Bij welke hoor jij? Een kind van christelijke ouders heeft voor God net zo min rechten als deze Joden, die er zo trots op waren nakomelingen van Abraham te zijn. Daarmee is hun verantwoording juist des te groter!

Meerdere keren zeggen deze verharde Joden dat de Heere Jezus een duivel in Zich heeft (vers 48 - 52; vergelijk hoofdstuk 7 vers 20 en hoofdstuk 10 vers 20). En dan kunnen we niet anders dan het geduld van de Heere Jezus bewonderen! In verbinding met deze smaadheid laat Hij het aan de Vader over, om voor Zijn heerlijkheid in te staan. Ook hierin is Hij een groot Voorbeeld voor ons. Het enige wat wij te doen hebben, is dit: God erkennen en Zijn Woord bewaren (vers 55).

"Ik ben", zegt de Heere Jezus in vers 58. Hij 'was' niet alleen voordat Abraham was, maar Hij 'is' eeuwig, Hij is God (vergelijk Exodus 3 vers 14).

Johannes 9:1-16
1En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af.2En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden?3Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar dit is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.4Ik moet werken de werken Desgenen, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.5Zolang Ik in de wereld ben, zo ben Ik het Licht der wereld.6Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen des blinden;7En zeide tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (hetwelk overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende.8De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden, dat hij blind was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde?9Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het.10Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de ogen geopend?11Hij antwoordde en zeide: De Mens, genaamd Jezus, maakte slijk, en bestreek mijn ogen, en zeide tot mij: Ga heen naar het badwater Siloam, en was u. En ik ging heen, en wies mij, en ik werd ziende.12Zij dan zeiden tot hem: Waar is Die? Hij zeide: Ik weet het niet.13Zij brachten hem tot de Farizeen, hem namelijk, die te voren blind geweest was.14En het was sabbat, als Jezus het slijk maakte, en zijn ogen opende.15De Farizeen dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was. En hij zeide tot hen: Hij legde slijk op mijn ogen, en ik wies mij, en ik zie.16Sommigen dan uit de Farizeen zeiden: Deze Mens is van God niet, want Hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mens, die een zondaar is, zulke tekenen doen? En er was tweedracht onder hen.

Het evangelie naar Johannes is een Boek dat vertelt over persoonlijke ontmoetingen met de Heere Jezus. Denk maar aan: Nicodémus, de Samaritaanse vrouw, de verlamde te Bethesda. Het gaat over mannen en vrouwen van verschillende rang en stand, die allemaal persoonlijk met de Heere Jezus te doen krijgen. En jij, beste vriend, heb jij al een persoonlijke ontmoeting met de Heere Jezus gehad?

De blindgeborene, in het Schriftgedeelte voor vandaag, vormt een illustratie van onze natuurlijke toestand. Door de zonde zijn wij niet in staat om het licht van God op te merken. Ons zedelijk en geestelijk zicht is vanaf onze geboorte verduisterd. God Zelf moet ons daarom de ogen openen voor onze eigen toestand, voor de eisen van Zijn heiligheid en voor de wereld.

God heeft deze man en zijn ouders niet vanwege een ernstige zonde bestraft. Nee, door deze handicap kreeg de Heere Jezus de gelegenheid om opnieuw Zijn genade te laten schijnen. De zalf die de Heere gemaakt heeft van slijk, is een beeld van Zijn Mensheid, dat aan iedereen voorgesteld wordt. Maar om te kunnen zien, moet de mens eerst gewassen worden: het Woord (het water) openbaart hem Christus als de Gezondene van God (Siloam). In geloof gaat de blinde op pad en ziende komt hij terug! Daarna gaat het om zijn getuigenis. Zijn buren, allen die hem kennen, verwonderen zich: Hoe is het mogelijk? Is hij dat wel? Een bekering kan niet onopgemerkt blijven!

Heeft dat ook in ons leven een verandering bewerkt die voor iedereen zichtbaar is?

Johannes 9:17-34
17Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van Hem; dewijl Hij uw ogen geopend heeft? En hij zeide: Hij is een Profeet.18De Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind geweest was, en ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen, die ziende geworden was.19En zij vraagden hun, zeggende: Is deze uw zoon, welken gij zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?20Zijn ouders antwoordden hun en zeiden: Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is;21Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven; hij zal van zichzelven spreken.22Dit zeiden zijn ouders, omdat zij de Joden vreesden; want de Joden hadden alrede te zamen een besluit gemaakt, zo iemand Hem beleed Christus te zijn, dat die uit de synagoge zou geworpen worden.23Daarom zeiden zijn ouders: Hij heeft zijn ouderdom, vraagt hemzelven.24Zij dan riepen voor de tweede maal den mens, die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eer; wij weten, dat deze Mens een zondaar is.25Hij dan antwoordde en zeide: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; een ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie.26En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? Hoe heeft Hij uw ogen geopend?27Hij antwoordde hun: Ik heb het u alrede gezegd, en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij het wederom horen? Wilt gijlieden ook Zijn discipelen worden?28Zij gaven hem dan scheldwoorden, en zeiden: Gij zijt Zijn discipel; maar wij zijn discipelen van Mozes.29Wij weten, dat God tot Mozes gesproken heeft; maar Dezen weten wij niet, van waar Hij is.30De mens antwoordde, en zeide tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat gij niet weet, van waar Hij is, en nochtans heeft Hij mijn ogen geopend.31En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, dien hoort Hij.32Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen ogen geopend heeft.33Indien Deze van God niet ware, Hij zou niets kunnen doen.34Zij antwoordden, en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? En zij wierpen hem uit.

Nu de blinde man genezen is, vormt hij voor de Farizeeën een onaangename getuige van de macht van de Heere Jezus. Daarom proberen ze eerst of ze hem, of zijn ouders, iets kunnen laten zeggen waardoor het voor hen mogelijk zou zijn om dit wonder in twijfel te trekken. Nadat het hun niet gelukt dit te loochenen, doen ze alle moeite om Degene Die het wonder volbracht heeft, te kleineren en te onteren (hoofdstuk 8 vers 49). Ze zeggen nadrukkelijk: "Wij weten, dat deze Mens een zondaar is" (vers 24), terwijl de Heere hun nog kort tevoren Zelf de vraag gesteld had: "Wie van u overtuigt Mij van zonde?" (hoofdstuk 8 vers 46).

Er bestaat een groot verschil tussen de genezen man en zijn ouders. Zijn ouders vinden de waarheid van minder belang dan hun godsdienstige positie. De Heere Jezus als Christus belijden en delen in Zijn verwerping is meer dan zij kunnen verdragen. Ze zijn bang voor de smaad die dat onherroepelijk met zich meebrengt — en wat zijn er vandaag de dag veel mensen die precies zo denken! Hun zoon laat zich echter niet door zulke overwegingen van de wijs brengen. Het lukt de Farizeeën niet om het eenvoudige vertrouwen van deze man in Hem Die hem genezen heeft, aan het wankelen te brengen. Hij is uit de duisternis tot het licht gekomen; dat is voor hem geen bepaalde theorie of een leer, nee, het is gewoon realiteit! "Eén ding weet ik", zegt hij eenvoudig, "dat ik blind was, en nu zie!" (vers 25).

Kunnen wij hem deze woorden nazeggen?

Johannes 9:35-41; Johannes 10:1-6
35Jezus hoorde, dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende, zeide Hij tot hem: Gelooft gij in den Zoon van God?36Hij antwoordde en zeide: Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem moge geloven?37En Jezus zeide tot Hem: En gij hebt Hem gezien, en Die met u spreekt, Dezelve is het.38En hij zeide: Ik geloof, Heere! En hij aanbad Hem.39En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen, die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden.40En dit hoorden enigen uit de Farizeen, die bij Hem waren, en zeiden tot Hem: Zijn wij dan ook blind?41Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien; zo blijft dan uw zonde.
1Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.2Maar die door de deur ingaat, is een herder der schapen.3Dezen doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit.4En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijn stem kennen.5Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden; overmits zij de stem des vreemden niet kennen.6Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.

Het is tot zijn eigen geluk dat de genezen blinde man door de Farizeeën uitgeworpen is, want nu ontmoet hij Hem Die al voor hem uitgeworpen was en eveneens de tempel verlaten had (hoofdstuk 8 vers 59). Nu doet deze man een grote stap voorwaarts in de waarheid en erkent hij niet alleen de macht van de Heere Jezus, maar ook Zijn Persoon. Hij Die hij eerst nog zag als een profeet (vers 17), is voor hem nu "de Zoon van God" (vers 35 - 37).

Velen stellen zich ermee tevreden dat ze weten behouden te zijn. Over de Persoon van hun Redder blijven ze echter in onwetendheid. Misschien bent u één van hen, omdat u nog vastgehouden wordt door bepaalde godsdienstige systemen en nog niet de tegenwoordigheid van de Heere hebt ervaren, op de plaats waar Hij toegezegd heeft te zullen zijn (Mattheüs 18 vers 20).

Hoewel de Farizeeën beweerden dat ze de dingen duidelijk zagen, zijn ze door hun haat en godsdienstige hoogmoed verblind. In hoofdstuk 8 hebben ze het Woord van de Heere afgewezen. In hoofdstuk 9 wilden ze Zijn werk niet erkennen. Nu heeft Hij niets meer met hen te maken. Hij roept nu alleen nog Zijn eigen schapen bij hun naam, leidt ze naar buiten, en gaat Zelf voor hen uit. Maar zouden deze schapen zich niet kunnen vergissen en een vreemde volgen, die hen wil misleiden? O nee! Zij kennen één middel dat hen nooit bedriegt, in het herkennen van Hem Die ze toebehoren:

Zijn bekende stem!

Kent iedereen die dit leest, die stem zelf ook?

Johannes 10:7-21
7Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur der schapen.8Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord.9Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden.10De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slachte, en verderve; Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben.11Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.12Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.13En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen.14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.15Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.16Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder.17Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme.18Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.19Er werd dan wederom tweedracht onder de Joden, om dezer woorden wil.20En velen van hen zeiden: hij heeft den duivel, en is uitzinnig; wat hoort gij Hem?21Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden ogen openen?

We komen in dit evangelie geen gelijkenissen tegen. Hij Die "het Woord" is, spreekt een 'directe' taal tegen de mensen. De Heere gebruikt daarentegen wel kostbare beelden en bepaalde vergelijkingen om Zichzelf aan ons bekend te maken.

Het is goed om er eens bij stil te staan hoe vaak Hij zegt: "Ik ben...". (hoofdstuk 6 vers 35, 48 en 51; hoofdstuk 8 vers 12; hoofdstuk 10 vers 7, 9, 11 en 14; hoofdstuk 11 vers 25; hoofdstuk 14 vers 6; hoofdstuk 15 vers 1 en 5). Hier in de verzen 7 en 9 zegt Hij: "Ik ben de Deur der schapen". Om gered te kunnen worden, is het noodzakelijk "door Hem" in te gaan (vergelijk Efeze 2 vers 18). We hebben het echter ook nodig, dat we geleid worden. Als we aan onszelf overgelaten worden, dan lijken we op schapen, dieren zonder intelligentie, die verdwalen als ze geen leider hebben (lees Jesaja 53 vers 6).

In tegenstelling tot de huurlingen, rovers en dieven, de sluwe misleiders van de zielen, stelt de Heere Jezus Zich voor als de goede Herder (vers 11 en 14). En Hij geeft daar twee bewijzen voor. Het eerste is de vrijwillige overgave van Zijn leven, om de schapen in bezit te krijgen. Dat is voor hen het grootste bewijs van Zijn liefde en tegelijkertijd —laten we dat niet vergeten — de verheven reden voor de liefde van de Vader tot Hem (vers 17). Het tweede bewijs is de betrekking tot Zijn schapen. Hij kent ze stuk voor stuk en zij kennen Hem als hun Herder (vers 14). Zo'n nauwe band bevestigt dat Hij recht heeft op Zijn kudde — en op het hart van een ieder van ons!

Johannes 10:22-42
22En het was het feest der vernieuwing des tempels te Jeruzalem; en het was winter.23En Jezus wandelde in den tempel, in het voorhof van Salomo.24De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt Gij onze ziel op? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit.25Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en gij gelooft het niet. De werken, die Ik doe in den Naam Mijns Vaders, die getuigen van Mij.26Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb.27Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.28En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.29Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.30Ik en de Vader zijn een.31De Joden dan namen wederom stenen op, om Hem te stenigen.32Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt gij Mij?33De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over gods lastering, en omdat Gij, een Mens zijnde, Uzelven God maakt.34Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden?35Indien de wet die goden genaamd heeft, tot welke het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden;36Zegt gijlieden tot Mij, Dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?37Indien Ik niet doe de werken Mijns Vaders, zo gelooft Mij niet;38Maar indien Ik ze doe, en zo gij Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem.39Zij zochten dan wederom Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand.40En Hij ging wederom over de Jordaan, tot de plaats, waar Johannes eerst doopte; en Hij bleef aldaar.41En velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes deed wel geen teken; maar alles, wat Johannes van Dezen zeide, was waar.42En velen geloofden aldaar in Hem.

Met oneerlijke bedoelingen vragen de Joden opnieuw aan de Heere Jezus: "Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit" (vers 24). Hij had hun dat echter niet alleen al gezegd (bijvoorbeeld in hoofdstuk 8 vers 58), maar het ook aan hen laten zien (vers 25, 32, 37 en 38). Voortaan zal Hij echter alleen nog ten behoeve van Zijn kudde werkzaam zijn. De schapen behoren Hem rechtmatig toe. Ten eerste omdat ze uitdrukkelijk door de Vader aan Hem gegeven zijn (vers 29). Ten tweede omdat Hij ze Zelf gekocht heeft.

De kostbare verzen 27 en 28 vertellen ons tegelijkertijd twee dingen. Ten eerste wat Hij voor Zijn schapen doet: Hij geeft hun het eeuwige leven, Hij leidt ze, Hij houdt ze vast en beschermt ze met Zijn hand. En ten tweede zien we wat de kenmerken van Zijn schapen zijn: ze horen Zijn stem en volgen Hem. Is dat niet het enige juiste antwoord op Zijn wonderbare liefde?

Opnieuw proberen de Joden Hem te stenigen (vers 31; vergelijk hoofdstuk 8 vers 59), omdat ze Hem nu beschuldigen van lastering. Ze beweren van Hem dat Hij, een Mens, Zichzelf "God maakt" (vers 33). Inderdaad was dat het streven van de eerste Adam en al zijn nakomelingen: God gelijk te zijn. Maar de Heere Jezus heeft precies het tegenovergestelde gedaan: "Die in de gestaltenis van God zijnde...de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden... heeft Hij Zichzelf vernederd" (Filippi 2 vers 6 - 8).

In ieder geval besluit vers 42 met de woorden: "En velen geloofden aldaar in Hem" (zie ook hoofdstuk 8 vers 30). Zij zijn daardoor gelukkige schapen van Hem geworden!

Johannes 11:1-27
1En er was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanie, uit het vlek van Maria en haar zuster Martha.2(Maria nu was degene, die den Heere gezalfd heeft met zalf, en Zijn voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lazarus krank was.)3Zijn zusters dan zonden tot Hem, zeggende: Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank.4En Jezus, dat horende, zeide: Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde.5Jezus nu had Martha, en haar zuster, en Lazarus lief.6Als Hij dan gehoord had, dat hij krank was, toen bleef Hij nog twee dagen in de plaats, waar Hij was.7Daarna zeide Hij verder tot de discipelen: Laat ons wederom naar Judea gaan.8De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi! de Joden hebben U nu onlangs gezocht te stenigen, en gaat Gij wederom derwaarts?9Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet;10Maar indien iemand in den nacht wandelt, zo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is.11Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken.12Zijn discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt, zo zal hij gezond worden.13Doch Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps.14Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lazarus is gestorven.15En Ik ben blijde om uwentwil, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij geloven moogt; doch laat ons tot hem gaan.16Thomas dan, genaamd Didymus, zeide tot zijn medediscipelen: Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven.17Jezus dan, gekomen zijnde, vond, dat hij nu vier dagen in het graf geweest was.18(Bethanie nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadien van daar.)19En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haar broeder.20Martha dan, als zij hoorde, dat Jezus kwam, ging Hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten.21Zo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven;22Maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.23Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal wederopstaan.24Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.25Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven;26En een iegelijk, die leeft, en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?27Zij zeide tot Hem: Ja, Heere; ik heb geloofd, dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.

In hun bezorgdheid hebben de beide zusters uit Bethanië een eenvoudig bericht gestuurd aan de Heere Jezus, waarmee zij een voorbeeld zijn voor ons: "Heere, zie, die Gij liefhebt, is krank" (vers 3). Doordat zij Hem "Heere" noemen, geven zij duidelijk aan dat zij Zijn gezag erkennen en het niet zouden wagen om Hem bepaalde dingen voor te schrijven, bijvoorbeeld door tegen Hem te zeggen dat Hij zou moeten komen om hun broer te genezen. Ze brengen heel eenvoudig de zaak die hen zo zwaar op het hart ligt, onder Zijn aandacht. Ze kennen echter ook Zijn liefde en herinneren Hem daaraan.

Deze toegenegenheid is voor de Heere geen aanleiding om onmiddellijk naar Judea te gaan. Evenmin zouden de misdadige bedoelingen van de Joden Hem kunnen verhinderen Zich wel op het juiste moment daar naartoe te begeven. Zijn hele doen en laten werd bepaald door Zijn gehoorzaamheid aan Zijn Vader! En door deze vertraging zal de heerlijkheid van God des te meer geopenbaard worden, want Lazarus ligt al vier dagen in het graf als de Heere Jezus in Bethanië aankomt.

Waarschijnlijk hebben wij, van dichtbij, ook al eens mensen meegemaakt die door verdriet en rouw beproefd werden. Toen hebben wij wellicht ook ondervonden, dat menselijke sympathie in zo'n situatie in feite niet kan helpen, evenmin als de Joden dat in vers 19 konden. Maar alles wordt anders wanneer alle blikken gericht worden op Hem, Die "de Opstanding en het Leven" is (vers 25). Dan worden we ons terdege bewust van de grote waarde van de eeuwige dingen. En ons geloof mag nu al in deze hoop triomferen!

Johannes 11:28-44
28En dit gezegd hebbende, ging zij heen, en riep Maria, haar zuster, heimelijk, zeggende: De Meester is daar, en Hij roept u.29Deze, als zij dat hoorde, stond haastelijk op, en ging tot Hem.30(Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats, waar Hem Martha tegemoet gekomen was.)31De Joden dan, die met haar in het huis waren, en haar vertroostten, ziende Maria, dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar wene.32Maria dan, als zij kwam, waar Jezus was, en Hem zag, viel aan Zijn voeten, zeggende tot Hem: Heere, indien Gij hier geweest waart, zo ware mijn broeder niet gestorven.33Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen, ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven;34En zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Heere, kom en zie het.35Jezus weende.36De Joden dan zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had!37En sommigen uit hen zeiden: Kon Hij, Die de ogen des blinden geopend heeft, niet maken, dat ook deze niet gestorven ware?38Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd.39Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem: Heere, hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar gelegen.40Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?41Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag. En Jezus hief de ogen opwaarts, en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij gehoord hebt.42Doch Ik wist, dat Gij Mij altijd hoort; maar om der schare wil, die rondom staat, heb Ik dit gezegd, opdat zij zouden geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.43En als Hij dit gezegd had, riep Hij met grote stemme: Lazarus, kom uit!44En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met een zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem, en laat hem heengaan.

Martha voelt waarschijnlijk aan, dat haar zuster beter op de gedachten van de Heere Jezus kan ingaan dan zijzelf en roept daarom Maria erbij. Maar ook Maria kan alleen maar zeggen: "Heere, indien Gij hier geweest waart, ware mijn broeder niet gestorven" (vers 32; vergelijk vers 21). Zij kan, net als vele andere mensen die rouwen, slechts terugkijken. Met een bewogen hart laat de Heere Jezus Zich naar het graf brengen. We zien Hem daar huilen. Wist Hij niet wat Hij nu moest doen? Natuurlijk wel! Maar in de tegenwoordigheid van de afschuwelijke dood, met z'n verdrietige macht op de geest van de mensen, wordt de heilige Zoon van God door smart, verontwaardiging en ontzetting aangegrepen.

Ja, de Overwinnaar over de dood is aanwezig! Maar om voor de volksmenigte die daar getuige van is, de heerlijkheid van God te laten schijnen, moet eerst duidelijk aangetoond worden dat het lichaam van Lazarus werkelijk tot ontbinding is overgegaan (vers 39). En door een dankgebed, dat de Heere Jezus van tevoren al uitspreekt, schrijft Hij Zijn macht toe aan Degene Die Hem gezonden heeft (vers 41 en 42). Daarna geeft Hij pas met een luide stem de opdracht aan de overledene, die nog met doeken gebonden is, om uit het graf te komen. Wat een belevenis voor allen die dat meemaken!

Wij mogen ook vasthouden aan de belofte die de Heere Jezus aan Martha gaf: "...dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid van God zien zult". Misschien was dat niet precies hetgeen waarop we gehoopt hadden, maar toch is het zeker (vers 4 en 40)!

Johannes 11:45-57
45Velen dan uit de Joden, die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden, hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in Hem.46Maar sommigen van hen gingen tot de Farizeen, en zeiden tot hen, hetgeen Jezus gedaan had.47De overpriesters dan en de Farizeen vergaderden den raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen.48Indien wij Hem alzo laten geworden, zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk.49En een uit hen, namelijk Kajafas, die deszelven jaars hogepriester was, zeide tot hen: Gij verstaat niets;50En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat een mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga.51En dit zeide hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk;52En niet alleen voor dat volk, maar opdat Hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot een zou vergaderen.53Van dien dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij Hem doden zouden.54Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden; maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad, genaamd Efraim, en verkeerde aldaar met Zijn discipelen.55En het pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem, voor het pascha, opdat zij zichzelven reinigden.56Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den tempel: Wat dunkt u? Dunkt u, dat Hij niet komen zal tot het feest?57De overpriesters nu en de Farizeen hadden een gebod gegeven, dat, zo iemand wist, waar Hij was, hij het zou te kennen geven, opdat zij Hem mochten vangen.

God heeft Zijn Zoon niet alleen door de opwekking van Lazarus geantwoord, maar ook doordat Hij veel getuigen van deze wonderbare gebeurtenis tot geloof in Hem voerde (vers 42 en 45).

Dit wonder, het grootste wat in dit evangelie meegedeeld wordt, en ook het laatste wat voor Zijn eigen opstanding plaatsvond, brengt ook de beslissing dichterbij dat Hij zou sterven (vers 50). "Van die dag af" vonden er duistere overleggingen plaats, die uiteindelijk tot de grootste misdaad in de geschiedenis van de mensheid zouden leiden (vers 53). Dat was het antwoord van de Joden op de vraag van de Heere Jezus in hoofdstuk 10 vers 32.

De overpriesters doen alsof zij bang zijn dat het volgen van de Heere Jezus door het volk de aandacht zal trekken van de Romeinen en dat dit vergeldingsmaatregelen met zich mee zal brengen. Het was daarentegen juist de verwerping van de Heere waardoor veertig jaar later hun tempel (de plaats van de godsdienst van Jeruzalem) en hun natie verwoest zouden worden door de Romeinen (vers 48).

God laat toe, dat de gedachten van deze cynische en slechte mensen nog ver overtroffen worden door de voorzegging van Kajafas. De Heere Jezus zal Zijn leven geven voor het volk (want Israël zal later hersteld worden), maar ook opdat Hij daardoor "de kinderen van God, die verstrooid waren, tot één zou vergaderen" (vers 52). Satan doet niets anders dan roven en verstrooien (hoofdstuk 10 vers 12), terwijl de Heere Jezus door Zijn werk hier op aarde al degenen bijeenbrengt die tot de familie van God behoren.

Johannes 12:1-19
1Jezus dan kwam zes dagen voor het pascha te Bethanie, daar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken Hij opgewekt had uit de doden.2Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen, die met Hem aanzaten.3Maria dan, genomen hebbende een pond zalf van onvervalsten, zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haren Zijn voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalf.4Zo zeide dan een van Zijn discipelen, namelijk Judas, Simons zoon, Iskariot, die Hem verraden zou:5Waarom is deze zalf niet verkocht voor driehonderd penningen, en den armen gegeven?6En dit zeide hij, niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd.7Jezus dan zeide: Laat af van haar; zij heeft dit bewaard tegen den dag Mijner begrafenis.8Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.9Een grote schare dan der Joden verstond, dat Hij aldaar was; en zij kwamen, niet alleen om Jezus' wil, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien Hij uit de doden opgewekt had.10En de overpriesters beraadslaagden, dat zij ook Lazarus doden zouden.11Want velen van de Joden gingen heen om zijnentwil, en geloofden in Jezus.12Des anderen daags, een grote schare, die tot het feest gekomen was, horende, dat Jezus naar Jeruzalem kwam,13Namen de takken van palmbomen, en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna! Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren, Hij, Die is de Koning Israels!14En Jezus vond een jongen ezel, en zat daarop, gelijk geschreven is:15Vrees niet, gij dochter Sions, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin.16Doch dit verstonden Zijn discipelen in het eerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig, dat dit van Hem geschreven was, en dat zij Hem dit gedaan hadden.17De schare dan, die met Hem was, getuigde dat Hij Lazarus uit het graf geroepen, en hem uit de doden opgewekt had.18Daarom ging ook de schare Hem tegemoet, overmits zij gehoord had, dat Hij dat teken gedaan had.19De Farizeen dan zeiden onder elkander: Ziet gij wel, dat gij gans niet vordert? Ziet, de gehele wereld gaat Hem na.

In het aangrijpende beeld van de eerste drie verzen worden ons de verschillende voorrechten van de ware godsdienst voorgesteld. Dat zijn: de tegenwoordigheid van de Heere, gemeenschap, getuigenis, heilige dienst, aanbidding.

Het gaat niet om een feest ter ere van Lazarus; de Heere Jezus Zelf is het Middelpunt van deze samenkomst: "Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal" (vers 3).

Lazarus is een gestorvene die nieuw leven ontvangen heeft. Vandaar ook dat hij er recht op heeft om met Hem aan tafel te zitten. Dat geldt trouwens voor alle verlosten! Wat deze man zegt of doet, wordt niet meegedeeld; hij is daar gewoon aanwezig. En die aanwezigheid spreekt een taal waaruit duidelijk blijkt wat de Heere Jezus voor hem gedaan heeft.

Martha dient, maar hier is haar bezigheid duidelijk op zijn plaats (in tegenstelling tot Lukas 10 vers 40).

Maria verspreidt de geur van de "onvervalste, zeer kostbare nardus", de geur die zo ontzettend kostbaar is voor het hart van de Heere Jezus en waarmee bovendien het hele huis vervuld wordt. Dat is een prachtig beeld van aanbidding, de aanbidding die de dankbare verlosten gezamenlijk tot uitdrukking mogen brengen.

De ongelovige heeft voor zo'n godsdienst geen enkel goed woord over. Hij veracht het. En dat in feite alleen omdat hij een andere god bezit en die vereert: het geld (vers 6).

Lazarus deelt met de Heere in de haat van de mensen (vers 10; vergelijk Hebreeën 13 vers 13).

Hier lezen we over een feestelijke intocht in Jeruzalem. De Koning van Israël trekt Zijn stad binnen. Zijn reputatie was al voor Hem uitgegaan. Maar het aanzien dat het grote wonder Hem bezorgd had, was slechts van korte duur.

Johannes 12:20-36
20En er waren sommige Grieken uit degenen, die opgekomen waren, opdat zij op het feest zouden aanbidden;21Dezen dan gingen tot Filippus, die van Bethsaida in Galilea was, en baden hem, zeggende: Heer, wij wilden Jezus wel zien.22Filippus kwam en zeide het Andreas; en Andreas en Filippus wederom zeiden het Jezus.23Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden.24Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen; maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.25Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.26Zo iemand Mij dient, die volge Mij; en waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En zo iemand Mij dient, de Vader zal hem eren.27Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.28Vader, verheerlijk Uw Naam. Er kwam dan een stem uit den hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.29De schare dan, die daar stond, en dit hoorde, zeide, dat er een donderslag geschied was. Anderen zeiden: Een engel heeft tot Hem gesproken.30Jezus antwoordde en zeide: Niet om Mijnentwil is deze stem geschied, maar om uwentwil.31Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden.32En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.33(En dit zeide Hij, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zou.)34De schare antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord, dat de Christus blijft in der eeuwigheid; en hoe zegt Gij, dat de Zoon des mensen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des mensen?35Jezus dan zeide tot hen: Nog een kleinen tijd is het Licht bij ulieden; wandelt, terwijl gij het Licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange. En die in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.36Terwijl gij het Licht hebt, gelooft in het Licht, opdat gij kinderen des Lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus; en weggaande verborg Hij Zich van hen.

In oude graven in Egypte hebben onderzoekers tarwekorrels gevonden die duizenden jaren oud moeten zijn. Toch bezat dit zaad nog een bepaalde kiemkracht. Maar, hoeveel tijd er sindsdien ook is verstreken, hoe goed het zaad ook in kostbare vaten bewaard is — het kon zich niet vermeerderen! Het moest namelijk eerst in de grond gezaaid worden, dus eigenlijk 'opgeofferd' worden. Pas dan zouden er uit dit zaad aren kunnen groeien, waarin weer hetzelfde soort zaad zit. Pas dan zouden de oorspronkelijke korrels dus rijkelijk vrucht gedragen hebben!

Dat is het beeld dat de Heere Jezus hier gebruikt om te spreken over Zijn dood.

In Johannes 18 vers 4 lezen we: "Jezus dan, alles wetend wat over Hem komen zou...". Hij wist waarvoor Hij naar deze aarde was gekomen! Hij wist wat de mensen Hem zouden aandoen! Hij wist dat Hij onze zonden zou dragen in Zijn eigen lichaam, op het hout (1 Petrus 2 vers 24). Hij wist dat Hij door God voor ons tot zonde gemaakt zou worden (2 Korinthe 5 vers 21) en dat God Hem daarom, in die drie uren van duisternis, zou moeten verlaten (Psalm 22 vers 2). Hij wist dat alleen Híj het verzoeningswerk op Golgotha zou kunnen volbrengen, waardoor Zijn Vader verheerlijkt en wij verlost zouden worden. Ja, Hij wist dat Hij "zaad" zou zien (Jesaja 53 vers 10).

Sommige Grieken verlangden er dus naar om de Heere Jezus te zien. En daardoor werden Zijn gedachten op de wonderbare gevolgen van het kruis gericht: de zegening voor de volken onder de allesomvattende heerschappij van de Zoon des mensen; veel vrucht (vers 24); het oordeel over satan (vers 31); alle mensen zullen tot Hem getrokken worden (vers 32).

Gisteren hebben wij ook gezien dat de Heere Jezus altijd heeft geweten wat Hem te wachten stond. En denkende aan die wonderbare gevolgen van Zijn kruiswerk, denkende aan de verheerlijking van Zijn Vader en "de vreugde, die Hem voorgesteld was", heeft Hij het kruis verdragen en de schande veracht (Hebreeën 12 vers 2). Ja, ook al het lijden van "dit uur" trok op dat moment aan Zijn heilige ziel voorbij. En uit de woorden: "Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur!" (vers 27), kunnen we iets bespeuren van de zware strijd in Zijn hart. Wat zag Hij er, als waarachtig Mens, tegenop dit werk te moeten volbrengen! Toch wilde Hij niet anders, want Hij zegt: "Maar hierom ben Ik in dit uur gekomen". En vervolgens richt Hij Zich tot de Vader, Die Hem vanuit de hemel antwoordt met de belofte van de opstanding (vers 28).

Voor het Joodse volk brak hiermee de nacht aan. Het Licht stond op het punt om aan de horizon te verdwijnen: De Heere Jezus zou hen verlaten (vers 35; Jeremia 13 vers 16). Ook de dag van de genade, die nu nog voortduurt, nadert zijn einde. Binnenkort zal het moment aanbreken waarop het niet meer mogelijk zal zijn om te geloven (vers 40). Voor de Heere Jezus Zelf bestond er destijds een "nu" (vers 27 en 31) en voor ons is het nu ook de tijd om in Hem te geloven.

Johannes 12:37-50
37En hoewel Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans geloofden zij in Hem niet;38Opdat het woord van Jesaja, den profeet, vervuld werd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard?39Daarom konden zij niet geloven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft:40Hij heeft hun ogen verblind, en hun hart verhard; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan, en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze.41Dit zeide Jesaja, toen hij Zijn heerlijkheid zag, en van Hem sprak.42Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der Farizeen wil beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden.43Want zij hadden de eer der mensen lief, meer dan de eer van God.44En Jezus riep, en zeide: Die in Mij gelooft, gelooft in Mij niet, maar in Dengene, Die Mij gezonden heeft.45En die Mij ziet, die ziet Dengene, Die Mij gezonden heeft.46Ik ben een Licht, in de wereld gekomen, opdat een iegelijk, die in Mij gelooft, in de duisternis niet blijve.47En indien iemand Mijn woorden gehoord, en niet geloofd zal hebben, Ik oordeel hem niet; want Ik ben niet gekomen, opdat Ik de wereld oordele, maar opdat Ik de wereld zalig make.48Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage.49Want Ik heb uit Mijzelven niet gesproken; maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Die heeft Mij een gebod gegeven, wat Ik zeggen zal, en wat Ik spreken zal.50En Ik weet, dat Zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen Ik dan spreek, dat spreek Ik alzo, gelijk Mij de Vader gezegd heeft.

Met hoofdstuk 12 wordt een belangrijk deel van dit evangelie afgesloten. Vanaf hoofdstuk 13 richt de Heere Jezus Zich uitsluitend nog tot Zijn discipelen.

In het Schriftgedeelte voor vandaag lezen we Zijn laatste woorden tot het volk. Overeenkomstig de profetie van Jesaja zal het vanaf nu een verhard volk zijn. Vers 11 van hoofdstuk 1 is werkelijkheid geworden: "Hij is gekomen tot het Zijne (Israël), en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen". Het daaropvolgende vers (hoofdstuk 1 vers 12) is echter ook in vervulling gegaan. Er zijn mensen die Hem aangenomen hebben, en die daarmee het recht gekregen hebben om "kinderen Gods" te worden. Zelfs van de oversten geloofden er velen in Hem (vers 42). Ze waagden het echter niet om openlijk van hun geloof te getuigen. De reden daarvoor was: "Want zij hadden de eer van de mensen lief, meer dan de eer van God" (vers 43).

Wij hebben soms ook niet zoveel moed om ons geloof te belijden; komt dat ook vaak niet door dezelfde reden?

Nog een laatste keer legt de Heere Jezus openlijk en op plechtige wijze de nadruk op het Goddelijke karakter van Zijn dienst. Hij is Degene Die door God gezonden is (vers 44 en 49). Van Zijn woorden was er geen een dat niet de absolute uitdrukking was van Gods gedachten!

Enerzijds mogen we over dit wonderbare Voorbeeld nadenken, maar anderzijds moeten we ons ook door Hem laten onderwijzen! En dat heeft zowel betrekking op hetgeen wij zouden moeten zeggen als op de manier waarop wij het zeggen (vers 49).

Johannes 13:1-20
1En voor het feest van het pascha, Jezus wetende, dat Zijn ure gekomen was, dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot den Vader, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde.2En als het avondmaal gedaan was,, toen nu de duivel in het hart van Judas, Simons zoon, Iskariot, gegeven had, dat hij Hem verraden zou),3Jezus, wetende, dat de Vader Hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat Hij van God uitgegaan was, en tot God heenging,4Stond op van het avondmaal, en legde Zijn klederen af, en nemende een linnen doek, omgordde Zichzelven.5Daarna goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der discipelen te wassen, en af te drogen met den linnen doek, waarmede Hij omgord was.6Hij dan kwam tot Simon Petrus; en die zeide tot Hem: Heere, zult Gij mij de voeten wassen?7Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat Ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.8Petrus zeide tot Hem: Gij zult mijn voeten niet wassen in der eeuwigheid! Jezus antwoordde hem: Indien Ik u niet wasse, gij hebt geen deel met Mij.9Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd.10Jezus zeide tot hem: Die gewassen is, heeft niet van node, dan de voeten te wassen, maar is geheel rein. En gijlieden zijt rein, doch niet allen.11Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom zeide Hij: Gij zijt niet allen rein.12Als Hij dan hun voeten gewassen, en Zijn klederen genomen had, zat Hij wederom aan, en zeide tot hen: Verstaat gij, wat Ik ulieden gedaan heb?13Gij heet Mij Meester en Heere; en gij zegt wel, want Ik ben het.14Indien dan Ik, de Heere en de Meester, uw voeten gewassen heb, zo zijt gij ook schuldig, elkanders voeten te wassen.15Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gijlieden ook doet.16Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder, dan die hem gezonden heeft.17Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zo gij dezelve doet.18Ik zeg niet van u allen: Ik weet, welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt, opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven.19Van nu zeg Ik het ulieden, eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt, dat Ik het ben.20Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zende, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij, en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.

Voor het hart van de Heere Jezus betekende Zijn dood vooral "dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader" (vers 1; vergelijk hoofdstuk 16 vers 28). De Zijnen, die Hij liefhad, liet Hij hier echter in een wereld vol van zonden achter. En zoals bij een wandelaar in het Oosten die sandalen draagt, de voeten vies worden door het stof van de weg, zo komen de gelovigen hier op aarde ook voortdurend in aanraking met verontreinigingen. Hoewel hun hele lichaam door het bloed van het kruis gewassen is (vers 10; Openbaring 1 vers 5), is niet te voorkomen dat ze voortdurend blootgesteld worden aan het contact met het kwaad van de verontreiniging, in gedachten, woorden en daden. Maar de trouwe Heere heeft voorzorgsmaatregelen genomen! Hij waakt namelijk over de praktische heiligheid van de Zijnen. Als de grote Hogepriester wast Hij hun de voeten. Met andere woorden: Hij reinigt hen, doordat Hij hen ertoe brengt dat zij zichzelf beoordelen in het licht van het Woord (het water), dat Hij toepast op het geweten (Efeze 5 vers 26; Hebreeën 10 vers 22). Deze liefdesdienst hebben wij ook op elkaar toe te passen. Doordat wij aan de voeten van onze broeders of zusters plaats nemen, moeten wij hun in alle nederigheid door het Woord laten zien waar zij gefaald hebben, of aan welke gevaren ze bloot staan (Galaten 6 vers 1).

Beste vrienden, de Heere Jezus zegt niet: 'zalig zijt gij, wanneer gij deze dingen weet', maar: "zalig zijt gij, als gij ze doet" (vers 17).

Johannes 13:21-38
21Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde, en zeide: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden.22De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende, van wien Hij dat zeide.23En een van Zijn discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad.24Simon Petrus dan wenkte dezen, dat hij vragen zou, wie hij toch ware, van welken Hij dit zeide.25En deze, vallende op de borst van Jezus, zeide tot Hem: Heere, wie is het?26Jezus antwoordde: Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simons zoon, Iskariot.27En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doet, doe het haastelijk.28En dit verstond niemand dergenen, die aanzaten, waartoe Hij hem dat zeide.29Want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop, hetgeen wij van node hebben tot het feest, of, dat hij den armen wat geven zou.30Hij dan, de bete genomen hebbende, ging terstond uit. En het was nacht.31Als hij dan uitgegaan was, zeide Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt, en God is in Hem verheerlijkt.32Indien God in Hem verheerlijkt is, zo zal ook God Hem verheerlijken in Zichzelven, en Hij zal Hem terstond verheerlijken.33Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u. Gij zult Mij zoeken, en gelijk Ik den Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen; alzo zeg Ik ulieden nu ook.34Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt.35Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander.36Simon Petrus zeide tot Hem: Heere, waar gaat Gij heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heenga, kunt gij Mij nu niet volgen; maar gij zult Mij namaals volgen.37Petrus zeide tot Hem: Heere, waarom kan ik U nu niet volgen? Ik zal mijn leven voor U zetten.38Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor Mij zetten? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De haan zal niet kraaien, totdat gij Mij driemaal verloochend zult hebben.

Johannes noemt zichzelf in zijn evangelie: de discipel "die Jezus liefhad" (vers 23). Hij kende de liefde van de Heere voor al de Zijnen (vers 1), maar wist ook dat hij persoonlijk een onderwerp van deze liefde was. Hij genoot van deze liefde aan het hart van de Heere Jezus, die kostbare plaats voor vertrouwelijke mededelingen. Hier openbaart de Heere Jezus echter een vreselijke verborgenheid. Hij wijst Judas, die Hij vanaf het begin kende, aan als verrader (hoofdstuk 6 vers 64). Vervolgens voer de satan in deze mens, die bereid was hem te ontvangen en die daarop de nacht ingaat om zijn afschuwelijke misdaad uit te voeren.

Daarna spreekt de Heere Jezus opnieuw over het kruis, vanwaar Zijn heerlijkheid, door alle schande heen, zal stralen (vers 31). Maar Hij spreekt ook over Zijn opstanding, waardoor Hij Die God volkomen verheerlijkt heeft (vers 32), Zelf ook door God verheerlijkt zal worden.

Waaraan zullen de discipelen voortaan herkend kunnen worden, als Hij niet meer in hun midden is? De Heere Jezus geeft hun een duidelijk teken: de onderlinge liefde (vers 35). Is dat ook een kenmerk van ons? Het is goed om eens over deze vraag na te denken en onze eigen harten te onderzoeken!!

In tegenstelling tot Johannes, die zich bezighoudt met de toegenegenheid van de Heere tot hemzelf, spreekt Petrus over zijn eigen overgave en toewijding. Helaas zonder daarbij op de waarschuwing van de Heere Jezus te letten!

Johannes 14:1-14
1Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.2In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.3En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.4En waar Ik heenga, weet gij, en den weg weet gij.5Thomas zeide tot Hem: Heere, wij weten niet, waar Gij heengaat; en hoe kunnen wij den weg weten?6Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.7Indien gijlieden Mij gekend hadt, zo zoudt gij ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu kent gij Hem, en hebt Hem gezien.8Filippus zeide tot Hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.9Jezus zeide tot hem: Ben Ik zo langen tijd met ulieden, en hebt gij Mij niet gekend, Filippus? Die Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien; en hoe zegt gij: Toon ons den Vader?10Gelooft gij niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot ulieden spreek, spreek Ik van Mijzelven niet, maar de Vader, Die in Mij blijft, Dezelve doet de werken.11Gelooft Mij, dat Ik in den Vader ben en de Vader in Mij is; en indien niet, zo gelooft Mij om de werken zelve.12Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die in Mij gelooft, de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en zal meerder doen, dan deze; want Ik ga heen tot Mijn Vader.13En zo wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen; opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde.14Zo gij iets begeren zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.

We hebben in hoofdstuk 13 gezien hoe de Heere Jezus de Zijnen erop voorbereidde om hier op aarde al een deel met Hem te bezitten (hoofdstuk 13 vers 8). Nu gaat Hij heen om voor hen "plaats te bereiden" in het huis van Zijn Vader. Daarvoor is het nodig dat Hij hen eerst voorgaat. Als iemand weet dat hij gasten op bezoek krijgt, dan zorgt hij ervoor om in zijn huis aanwezig te zijn voordat die gasten komen. Zo is het ook bij de Heere Jezus. De Bijbel vertelt ons maar heel weinig details over de hemel. Eén ding is echter zeker: het is een gelukzalige plaats, omdat Híj daar is! Hijzelf wil ons daar tot Zijn eigen vreugde bij Zich hebben.

De Heere Jezus is de enige Weg om tot de Vader te kunnen komen. Hij is ook de Waarheid en het Leven. Steeds opnieuw heeft Hij, in woorden en werken, de Vader geopenbaard. Wat zal het Hem daarom verdriet gedaan hebben, dat de discipelen nog zo onwetend zijn! Maar moet Hij af en toe ook niet tegen ons zeggen: Nu heb je al zo'n lange tijd zoveel over Mij gehoord en gelezen in Mijn Woord — dat je Mij dan nog niet beter kent!

"En wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen", belooft de Heere (vers 13). "In Mijn Naam" is niet slechts een bepaalde formule, maar de veronderstelling dat Hij het met ons gebed eens kan zijn! Dán wordt ons gebed tot een gebed van de Heere Jezus Zelf, waarop wij beslist antwoord zullen krijgen. Niet alleen omdat Hij ons liefheeft, maar in eerste instantie omdat het daarbij om de verheerlijking van de Vader gaat. Is er een voortreffelijker beweegreden denkbaar?

Johannes 14:15-31
15Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden.16En Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid;17Namelijk den Geest der waarheid, Welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.18Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u.19Nog een kleinen tijd, en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven.20In dien dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u.21Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.22Judas, niet de Iskariot, zeide tot Hem: Heere, wat is het, dat Gij Uzelven aan ons zult openbaren, en niet aan de wereld?23Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken.24Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft.25Deze dingen heb Ik tot u gesproken, bij u blijvende.26Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welken de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb.27Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd.28Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom weder tot u. Indien gij Mij liefhadt, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot den Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.29En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschied is; opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt.30Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.31Maar opdat de wereld wete, dat Ik den Vader liefheb, en alzo doe, gelijkerwijs Mij de Vader geboden heeft. Staat op, laat ons van hier gaan.

Het duurt niet lang meer, dan zal de Heere Jezus Zijn geliefde discipelen verlaten. Hij laat hen echter niet als wezen achter. Hij zal hun een Goddelijke Persoon sturen, om hen te troosten, te ondersteunen en te helpen (vers 16). Die Persoon is de Heilige Geest, Die niet alleen met de gelovigen, maar zelfs in hen zal zijn, om hen te onderwijzen (vers 26). De Heere Jezus noemt Hem: "een andere Trooster", omdat Hijzelf de hemelse Trooster blijft, de Voorspraak bij de Vader (1 Johannes 2 vers 1).

De Heere Jezus geeft de Zijnen ook nog drie andere beloften. Ten eerste: het nieuwe leven, dat uit het Zijne voortkomt (vers 19). Ten tweede: een speciale plaats in de liefde van de Zoon — en de Vader — voor iedereen die door het houden van Zijn geboden zijn toewijding laat zien (vers 21 en 23). En ten derde: de vrede, Zíjn vrede (vers 27). Het is absoluut waar, dat Hij "niet gelijk de wereld geeft"! De wereld geeft weinig en eist veel. De wereld misleidt en verdooft het geweten en werkt als een kalmeringsmiddel, dat maar voor korte tijd een bepaalde uitwerking heeft op de onrust en ellende in de ziel. Maar als puntje bij paaltje komt, is alles wat de wereld kan bieden, één grote illusie! Zij kan geen ware vrede geven! De vrede die de Heere Jezus geeft, bevredigt het hart echter volkomen en is eeuwig!

Ten slotte maakt de Heere Jezus de discipelen nog duidelijk dat de ware liefde tot Hem niet wil dat Hij hier op aarde zou blijven. Dat zou immers heel zelfzuchtig zijn. Nee, de ware liefde zal zich juist samen met Hem verblijden over Zijn geluk (vers 28).

Johannes 15:1-15
1Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman.2Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.3Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.4Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.5Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.6Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.7Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden.8Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.9Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde.10Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde.11Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde.12Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb.13Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden.14Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede.15Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.

Ondanks de verzorging door de Goddelijke Wijngaardenier bleef Israël een onvruchtbare wijnberg (Psalm 80 vers 9 en 10; Jesaja 5 vers 2).

In tegenstelling daarmee stelt de Heere Jezus Zichzelf voor als de vruchtbare Wijnstok, Die vrucht draagt door Zijn discipelen. Maar zoals bij een gewone wijnstok alle ranken ook niet evenveel vrucht dragen, brengt de Heere Jezus een onderscheid aan onder hen die zeggen dat zij Hem kennen. Er zijn er bij die "geen vrucht" dragen en anderen die "vrucht" en "meer vrucht" dragen (vers 2). Er zijn er echter ook die "veel vrucht" dragen (vers 5).

Er moet aan twee voorwaarden voldaan worden, wil er vrucht gedragen kunnen worden. Ten eerste moet je 'in Hem blijven', zoals een rank aan de voedende wijnstok vast moet zitten. En ten tweede moet 'Hij in jou' zijn, zoals de rank zich laat doordrenken van het sap waarin haar leven is.

Laten we anderzijds ook nooit vergeten dat, wanneer de Vader ons "reinigt" — door ons, op een vaak pijnlijke manier, te snoeien — dat er alleen toe moet dienen dat wij meer vrucht zullen dragen (vers 2).

Zo'n innige gemeenschap heeft echter nog andere kostbare gevolgen! Dan is er een erkennen van de wil van God, en als gevolg daarvan weer de verhoring van onze gebeden, omdat wij niets anders meer willen dan datgene wat Hijzelf graag wil (vers 7). En er is vreugde (vers 11) en ten slotte is er de erkenning, die van onschatbaar grote waarde is, door Hem, Die ons Zijn vrienden noemt (vers 14).

Johannes 15:16-27
16Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.17Dit gebied Ik u, opdat gij elkander liefhebt.18Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.19Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld.20Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.21Maar al deze dingen zullen zij doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft.22Indien Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde.23Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader.24Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden Mij en Mijn Vader gehaat.25Maar dit geschiedt, opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat.26Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn, Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.27En gij zult ook getuigen, want gij zijt van den beginne met Mij geweest.

Wanneer het doel van onze gebeden is: vrucht dragen voor God, dan zullen ze altijd verhoord worden (vers 16). Waarin of waaruit bestaat die vrucht dan? Hoofdzakelijk in de liefde van de verlosten onderling en in een veelvoud van uitwerkingen hiervan. "Dit gebied Ik u", zegt de Heere Jezus, om ons nadrukkelijk te wijzen op elke dienst die voortkomt uit de liefde. Voor de derde keer spreekt Hij over dat nieuwe gebod, want zo belangrijk vindt Hij het (vers 17; zie ook vers 12 en hoofdstuk 13 vers 34). Is het geen verdrietige en abnormale situatie, wanneer de liefde ontbreekt tussen de gezinsleden? Hoeveel te meer is dat dan het geval onder kinderen van de familie van God! De haat van de kant van de wereld ten opzichte van de gelovigen (die door hun houding het gedrag van de wereld veroordelen) is daarentegen heel natuurlijk. Dat mag je ook verwachten, tenzij... de wereld in ons iets kan ontdekken wat zijzelf liefheeft, maar dat zou voor onszelf een heel slecht teken zijn!

"Een dienstknecht is niet meer dan zijn heer" (vers 20), herhaalt de Heere Jezus hier. In hoofdstuk 13 vers 16 stond deze uitspraak in verband met de dienst en hier heeft het betrekking op het lijden.

Enerzijds is de Naam Jezus voor de wereld een reden om ons te haten (vers 21), maar anderzijds vormt die Naam voor de Vader juist een aanleiding om onze gebeden te verhoren (zie het slot van vers 16).

Johannes 16:1-18
1Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij niet geergerd wordt.2Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen.3En deze dingen zullen zij u doen, omdat zij den Vader niet gekend hebben, noch Mij.4Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat, wanneer de ure zal gekomen zijn, gij dezelve moogt gedenken, dat Ik ze u gezegd heb; doch deze dingen heb Ik u van het begin niet gezegd, omdat Ik bij ulieden was.5En nu ga Ik heen tot Dengene, die Mij gezonden heeft, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij henen?6Maar omdat Ik deze dingen tot u gesproken heb, zo heeft de droefheid uw hart vervuld.7Doch Ik zeg u de waarheid: Het is u nut, dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden.8En Die gekomen zijnde, zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel:9Van zonde, omdat zij in Mij niet geloven;10En van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en gij zult Mij niet meer zien;11En van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.12Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, doch gij kunt die nu niet dragen.13Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.14Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.15Al wat de Vader heeft, is Mijn; daarom heb Ik gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en u verkondigen.16Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien, want Ik ga heen tot den Vader.17Sommigen dan uit Zijn discipelen zeiden tot elkander: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien; en: Want Ik ga heen tot den Vader?18Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een kleinen tijd? Wij weten niet, wat Hij zegt.

Het is dat de Heere Jezus Zelf gezegd heeft dat Zijn heengaan nuttig was voor de discipelen, anders zouden we het maar moeilijk kunnen begrijpen. Zo gaat het met veel dingen die wij niet begrijpen en ons op dat moment misschien bedroeven, maar die toch tot nut zijn voor ons (vers 6 en 7). De Heilige Geest, Die de Heere Jezus vanuit de hemel naar deze aarde zou sturen, zou de gelovigen in de hele waarheid leiden (vers 13). We kunnen constateren dat de Heere Jezus in de hoofdstukken 14 - 16 de Goddelijke inspiratie van alle Boeken van het Nieuwe Testament bevestigt door voor het werk van de Heilige Geest te wijzen op:

de evangeliën: "Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken, alles wat Ik u gezegd heb" (hoofdstuk 14 vers 26);

het Boek Handelingen: "Die zal van Mij getuigen" (hoofdstuk 15 vers 26 en 27);

de Brieven: "Die zal u alles leren" (hoofdstuk 14 vers 26);

en ten slotte het Boek Openbaring: "...en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen" (vers 13).

De aanwezigheid van de Heilige Geest hier op aarde heeft echter ook zwaarwegende gevolgen voor de wereld, doordat Hij haar laat zien dat zij verantwoordelijk is voor de verwerping van Christus (vers 8 - 11).

De vragen van de discipelen (vers 17 en 18) laten zien dat zij op dat moment niet in staat waren om het onderwijs van hun Meester te begrijpen (vers 12). Nu is de Heilige Geest echter aanwezig, Die de Heere Jezus verheerlijkt, doordat Hij ons van Hem verkondigt (vers 14). Laten wij Hem ook verheerlijken, door hetgeen de Heilige Geest ons verkondigt, in ons hart op te nemen en te bewaren!

Johannes 16:19-33
19Jezus dan bekende, dat zij Hem wilden vragen, en zeide tot hen: Vraagt gij daarvan onder elkander, dat Ik gezegd heb: Een kleinen tijd, en gij zult Mij niet zien, en wederom een kleinen tijd, en gij zult Mij zien?20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, dat gij zult schreien, en klagelijk wenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden.21Een vrouw, wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl haar ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap, dat een mens ter wereld geboren is.22En gij dan hebt nu wel droefheid; maar Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen.23En in dien dag zult gij Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: Al wat gij den Vader zult bidden in Mijn Naam, dat zal Hij u geven.24Tot nog toe hebt gij niet gebeden in Mijn Naam; bidt, en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap vervuld zij.25Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar de ure komt, dat Ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u vrijuit van den Vader zal verkondigen.26In dien dag zult gij in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u bidden zal;27Want de Vader Zelf heeft u lief, dewijl gij Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan.28Ik ben van den Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot den Vader.29Zijn discipelen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt Gij vrijuit, en zegt geen gelijkenis.30Nu weten wij, dat Gij alle dingen weet, en Gij hebt niet van node, dat U iemand vrage. Hierom geloven wij, dat Gij van God uitgegaan zijt.31Jezus antwoordde hun: Gelooft gij nu?32Ziet, de ure komt, en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden, een iegelijk naar het zijne, en gij Mij alleen zult laten; en nochtans ben Ik niet alleen; want de Vader is met Mij.33Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.

De discipelen zullen zeker verdriet hebben over het gescheiden zijn van hun Heere, maar Hij vertroost hen al bij voorbaat, door te spreken over de vreugde die hun te wachten staat, wanneer zij Hem, na Zijn opstanding, weer zullen zien (hoofdstuk 20 vers 20).

Wat bezit de gelovige toch ontzettend veel redenen om blij te zijn! Denk maar aan de hoop die de gelovige bezit, op de wederkomst van de Heere (vergelijk vers 22). Ook de gehoorzaamheid ten opzichte van Zijn geboden geeft blijdschap (hoofdstuk 15 vers 10 en 11 — heb jij dat al ervaren?). Afhankelijkheid en het antwoord op onze gebeden bewerken ook blijdschap (hoofdstuk 16 vers 24). De openbaringen van de Heere in Zijn Woord verheugen de gelovige (hoofdstuk 17 vers 13). En wat is de gemeenschap met de Vader en de Zoon iets geweldigs (1 Johannes 1 vers 3 en 4)! Al deze dingen vormen voor de gelovige onuitputtelijke bronnen, opdat zijn "blijdschap vervuld (dat is: volkomen) zij" (vers 24).

Waarom wil de Heere Jezus niet dat Hij de Vader voor Zijn discipelen (en ons) zal vragen (vers 26), terwijl dit juist het onderwerp is van het hele volgende hoofdstuk? Hij wil namelijk niet voor Zichzelf aanspraak maken op de genegenheid van de discipelen Nee, Hij heeft slechts één gedachte, dat zijzelf in verbinding gebracht mogen worden met de Vader. Vandaar ook dat Hij hen oproept om zich er niet tevreden mee te stellen dat Hij de Voorspraak zal zijn bij God, maar dat zij zelf persoonlijk de liefde van de Vader en de macht van Zijn Naam zullen ervaren. En Hij besluit met de woorden: "Hebt goede moed" (vers 33). Ook al is de wereld, de gemeenschappelijke vijand van Hem en de gelovigen, nog zo sterk, de Heere Jezus heeft haar overwonnen.

Johannes 17:1-13
1Dit heeft Jezus gesproken, en Hij hief Zijn ogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke.2Gelijkerwijs Gij Hem macht gegeven hebt over alle vlees, opdat al wat Gij Hem gegeven hebt, Hij hun het eeuwige leven geve.3En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt.4Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen;5En nu verheerlijk Mij, Gij Vader, bij Uzelven, met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.6Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren Uw, en Gij hebt Mij dezelve gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard.7Nu hebben zij bekend, dat alles, wat Gij Mij gegeven hebt, van U is.8Want de woorden, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend, dat Ik van U uitgegaan ben, en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt.9Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw.10En al het Mijne is Uw, en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt.11En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij een zijn, gelijk als Wij.12Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.13Maar nu kom Ik tot U, en spreek dit in de wereld, opdat zij Mijn blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven.

Nadat de Heere Jezus de laatste aanwijzingen aan Zijn geliefde discipelen heeft gegeven en enkele afscheidswoorden heeft gesproken, richt Hij Zich nu tot Zijn Vader. Hij Die nooit iets voor Zichzelf verlangd heeft, vraagt nu om de heerlijkheid, want het dient tot verheerlijking van God, de "rechtvaardige Vader" (vers 25), wanneer Hij de gehoorzame Zoon eert, doordat Hij Hem verheerlijkt.

Als een trouwe Boodschapper legt de Heere Jezus rekenschap af over Zijn opdracht die Hij hier op aarde vervulde (vers 4).

Eén kant van dit werk was: tot de Zijnen spreken over de Vader (vers 6 en 26). En nu spreekt Hij over de Zijnen tot de Vader, om hen bij Hem aan te bevelen, omdat Hij hen Zelf zal verlaten. Het is ontroerend om te horen welke argumenten Hij aanhaalt: "...zij hebben Uw Woord bewaard... en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt", zegt Hij het eerst, hoewel wij weten hoe zwak het geloof van de arme discipelen vaak was (vers 6 en 8; vergelijk hoofdstuk 14 vers 9).

Verder zegt Hij: "...want zij zijn de Uwen" (vers 9). Met andere woorden: hoe zou U hen dan kunnen verlaten?

Dan voegt Hij eraan toe: "... en Ik ben in hen verheerlijkt" (vers 10), waarbij Hij Zich beroept op de interesse van de Vader in de verheerlijking van Zijn Zoon.

Ten slotte legt Hij nog de nadruk op de moeilijke omstandigheden van Zijn verlosten, die zich in een gevaarlijke wereld bevinden, waar het geloof op de proef gesteld wordt. Als volmaakte Voorspraak komt Hij hier op voor de dingen van Zijn discipelen — en dat doet Hij vandaag nog steeds voor ons!

Johannes 17:14-26
14Ik heb hun Uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als Ik van de wereld niet ben.15Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze.16Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben.17Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.18Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, alzo heb Ik hen ook in de wereld gezonden.19En Ik heilige Mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.20En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen.21Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.22En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij een zijn, gelijk als Wij Een zijn;23Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in een, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt.24Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.25Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en dezen hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt.26En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal Hem bekend maken; opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.

De verlosten worden bij hun bekering niet weggenomen uit de wereld (vers 15). Ze worden door de Heere juist uitdrukkelijk in de wereld uitgezonden (vers 18), om daar het werk uit te voeren dat Hij hun heeft opgedragen. Desondanks zijn zij "niet van de wereld", evenmin als de Heere Jezus dat was (vers 16). Hun positie is die van vreemdelingen die de opdracht hebben om in een vijandig land hun hoogste Heere te dienen.

Dit onvergelijkbare hoofdstuk leert ons echter ook dat de gelovigen hier op aarde zeer zeker niet vergeten zijn, maar door "een grote Hogepriester" voor de troon van de genade gebracht worden (vergelijk Hebreeën 4 vers 14 - 16). En het is goed te luisteren naar de woorden die Hij in Zijn gebed voor hen die aan de wereld blootgesteld zijn, gebruikt:

"...dat Gij hen bewaart voor de boze" (vers 15).

"Heilig ze in Uw waarheid" (vers 17); dat is de afzondering van de wereld, samen met hen die Zijn Woord gehoorzamen.

"Opdat zij allen één zijn" (vers 21); dat is het verlangen van Zijn hart. Als we deze woorden horen, dan kunnen we niet anders dan ons diep schamen, wanneer wij denken aan de scheuringen onder christenen.

"...dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt" (vers 24). Zij die niet 'van' de wereld zijn, zullen niet 'in' de wereld blijven. Hun eeuwig deel is hun zijn bij de Heere Jezus, om Zijn heerlijkheid te aanschouwen. "Ik wil...", zegt Hij, want de aanwezigheid van de Zijnen bij Hem in de hemel is het resultaat van Zijn volmaakte werk en vormt een deel van Zijn heerlijkheid en de heerlijkheid van de Vader.

Johannes 18:1-11
1Jezus, dit gezegd hebbende, ging uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken Hij ging, en Zijn discipelen.2En Judas, die Hem verried, wist ook die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met Zijn discipelen.3Judas dan, genomen hebbende de bende krijgsknechten en enige dienaars van de overpriesters en Farizeen, kwam aldaar met lantaarnen, en fakkelen, en wapenen.4Jezus dan, wetende alles, wat over Hem komen zou, ging uit, en zeide tot hen: Wien zoekt gij?5Zij antwoordden Hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verried, stond ook bij hen.6Als Hij dan tot hen zeide: Ik ben het; gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde.7Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener.8Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.9Opdat het woord vervuld zou worden, dat Hij gezegd had: Uit degenen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.10Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van den dienstknecht was Malchus.11Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede. Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken?

Na de "heerlijkheid..., die Gij Mij gegeven hebt" (hoofdstuk 17 vers 22), komt "de drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft" (vers 11). Beide dingen neemt de Heere Jezus in volledige afhankelijkheid in ontvangst uit de hand van de Vader. In overeenstemming met het karakter van dit evangelie lezen we hier echter niet over de "zware strijd" (Lukas 22 vers 44). In de gedachten van de gehoorzame Zoon is het werk al volbracht (hoofdstuk 17 vers 4).

De verrader Judas weet waar hij de bewapende mannen naartoe moet brengen, opdat zij de Heere Jezus kunnen grijpen. Dat is de plaats waar hijzelf deelgenoot geweest is van menige vertrouwelijke en kostbare bijeenkomst.

Hij Die met verachting "Jezus de Nazaréner" genoemd wordt (vers 5), is niemand anders dan de Zoon van God. In het volle bewustzijn van hetgeen Hem te wachten staat, gaat Hij die dreigende groep tegemoet. En Hij geeft een bewijs van Zijn onbeperkte macht, waaraan men Hem, naar de Schriften, zou hebben kunnen herkennen (Psalm 27 vers 2). Met één enkel woord werpt Hij Zijn vijanden op de grond.

En waar is Zijn hart mee bezig op dit vreselijke moment? "... laat dezen heengaan" (vers 8), beveelt Hij de mannen die gekomen zijn om Hem gevangen te nemen. Tot aan het allerlaatste moment waakte Hij als de goede Herder over Zijn schapen. Nu is het uur gekomen dat Hij Zijn leven voor hen zal overgeven (hoofdstuk 10 vers 11).

Johannes 18:12-27
12De bende dan, en de overste over duizend, en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk, en bonden Hem;13En leidden Hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws vader van Kajafas, welke deszelven jaars hogepriester was.14Kajafas nu was degene, die den Joden geraden had, dat het nut was, dat een Mens voor het volk stierve.15En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel. Deze discipel nu was den hogepriester bekend, en ging met Jezus in des hogepriesters zaal.16En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den hogepriester bekend was, ging uit, en sprak met de deurwaarster, en bracht Petrus in.17De dienstmaagd dan, die de deurwaarster was, zeide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen Mens? Hij zeide: Ik ben niet.18En de dienstknechten en de dienaars stonden, hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich. Petrus stond bij hen, en warmde zich.19De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer.20Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in den tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken.21Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.22En als Hij dit zeide, gaf een van de dienaren, die daarbij stond, Jezus een kinnebakslag, zeggende: Antwoordt Gij alzo den hogepriester?23Jezus antwoordde hem: Indien Ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij Mij?24(Annas dan had Hem gebonden gezonden tot Kajafas, den hogepriester.)25En Simon Petrus stond en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt gij ook niet uit Zijn discipelen? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet.26Een van de dienstknechten des hogepriesters, die maagschap was van dengene, dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met Hem?27Petrus dan loochende het wederom. En terstond kraaide de haan.

Toen Petrus daar bij de mannen stond die zijn Meester gearresteerd en gebonden hadden, en hij zich warmde aan hun kolenvuur, had hij Hem, in praktisch opzicht, al verloochend.

Wanneer wij gezelschap zoeken in een wereld die de Heere Jezus gekruisigd heeft, dan stellen wij onszelf op de één of andere manier bloot aan het gevaar de Heere Jezus te onteren. We hoeven er niet op te rekenen bewaard te blijven (als antwoord op Zijn gebed in hoofdstuk 17 vers 15 - 17) wanneer wij de afzondering (waarvan Hij in dezelfde verzen spreekt; hoofdstuk 17 vers 16), niet in praktijk brengen.

Door zijn ontrouw ontkomt Petrus een bepaalde tijd aan de smaad en de vervolging. Was hij dan "meer dan zijn Heere" (hoofdstuk 15 vers 20), Die Zelf alle haat en verachting van de mensen moest ondervinden?

Op het huichelachtige verhoor door de hogepriester heeft de Heere Jezus niet geantwoord. Hij had Zijn getuigenis al openlijk gegeven. Nu is het aan Zijn rechters het bewijs van het kwaad te leveren, tenminste... als ze daartoe in staat zijn!

Dit evangelie onderstreept — duidelijker dan de andere drie evangeliën — de waardigheid en het gezag van de Zoon van God. Ondanks alle vernederingen die Hij moest ondergaan, en de manier waarop men meende over Hem te kunnen beschikken, beheerste Hij de hele situatie, als Degene Die "Zichzelf... heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer voor God tot een welriekende reuk" (Efeze 5 vers 2).

Johannes 18:28-40
28Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het rechthuis. En het was 's morgens vroeg; en zij gingen niet in het rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het pascha eten mochten.29Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen Mens?30Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien Deze geen kwaaddoener ware, zo zouden wij Hem u niet overgeleverd hebben.31Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij Hem, en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.32Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat Hij gezegd had, betekenende, hoedanigen dood Hij sterven zoude.33Pilatus dan ging wederom in het rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot Hem: Zijt Gij de Koning der Joden?34Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het u anderen van Mij gezegd?35Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?36Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien Mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zo zouden Mijn dienaren gestreden hebben, opdat Ik den Joden niet ware overgeleverd; maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.37Pilatus dan zeide tot Hem: Zijt Gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt, dat Ik een Koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem.38Pilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot de Joden, en zeide tot hen: Ik vind geen schuld in Hem.39Doch gij hebt een gewoonte, dat ik u op het pascha een loslate. Wilt gij dan, dat ik u den Koning der Joden loslate?40Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Niet Dezen, maar Bar-abbas! En Bar-abbas was een moordenaar.

Als de Joden de Heere Jezus voor de Romeinse stadhouder brengen, zorgen zij ervoor dat ze zelf niet verontreinigd worden... hoewel ze tegelijkertijd hun geweten met de grootste misdaad van alle tijden belasten!

De apostel Paulus heeft Timotheüs "de goede belijdenis" van Christus Jezus voor Pontius Pilatus tot voorbeeld gesteld (1 Timotheüs 6 vers 13). Ongeacht hetgeen het Hem zal kosten, bevestigt de Heere Zijn Koningschap, maar tegelijkertijd maakt Hij duidelijk dat Zijn Koninkrijk "niet van deze wereld" is (vers 36). Dit vers zou toch duidelijk genoeg moeten zijn voor allen die vandaag de dag strijden, dat wil zeggen allerlei pogingen ondernemen om het Koninkrijk van God hier op aarde op te richten. Een voortschrijdende verbetering van deze wereld, waardoor de Heere in staat gesteld zou worden om Zijn heerschappij op Zich te nemen, is niets anders dan een illusie. Als Hijzelf niet voor deze verbetering gezorgd heeft — hoe zouden christenen dat dan kunnen proberen?

"Wat is waarheid?", vraagt Pilatus (vers 38), maar hij verwacht geen antwoord. Hij doet net als vele andere mensen. In feite heeft men helemaal geen belang bij het antwoord op deze vraag, want, als puntje bij paaltje komt, is men bang voor het antwoord, dat een aanklacht zou betekenen voor hun eigen leven. De Waarheid stond hier in de Persoon van de Heere Jezus voor Pilatus (hoofdstuk 14 vers 6). Tevergeefs probeert deze man zich aan zijn verantwoordelijkheid te onttrekken, door voor te stellen om de Gevangene op het pascha vrij te laten. Eenstemmig verlangen de Joden echter dat de moordenaar Bar-Abbas, in plaats van Hem, vrijgelaten zal worden.

Johannes 19:1-16
1Toen nam Pilatus dan Jezus, en geselde Hem.2En de krijgsknechten, een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en wierpen Hem een purperen kleed om;3En zeiden: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! En zij gaven Hem kinnebakslagen.4Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Ziet, ik breng Hem tot ulieden uit, opdat gij wetet, dat ik in Hem geen schuld vinde.5Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon, en het purperen kleed. En Pilatus zeide tot hen: Ziet, de Mens!6Als Hem dan de overpriesters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden Hem en kruist Hem; want ik vind in Hem geen schuld.7De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet, en naar onze wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelven Gods Zoon gemaakt.8Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij meer bevreesd;9En ging wederom in het rechthuis, en zeide tot Jezus: Van waar zijt Gij? Maar Jezus gaf hem geen antwoord.10Pilatus dan zeide tot Hem: Spreekt Gij tot mij niet? Weet Gij niet, dat ik macht heb U te kruisigen, en macht heb U los te laten?11Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht hebben tegen Mij, indien het u niet van boven gegeven ware; daarom die Mij aan u heeft overgeleverd, heeft groter zonde.12Van toen af zocht Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen, zeggende: Indien gij Dezen loslaat, zo zijt gij des keizers vriend niet; een iegelijk, die zichzelven koning maakt, wederspreekt den keizer.13Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en zat neder op den rechterstoel, in de plaats, genaamd Lithostrotos, en in het Hebreeuws Gabbatha.14En het was de voorbereiding van het pascha, en omtrent de zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning!15Maar zij riepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem! Pilatus zeide tot hen: Zal ik uw Koning kruisigen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning, dan den keizer.16Toen gaf hij Hem dan hun over, opdat Hij gekruist zou worden. En zij namen Jezus, en leidden Hem weg.

Uit spot werpen de soldaten de Heere Jezus "een purperen kleed om" en zetten "een kroon van doornen" op Zijn hoofd. En Pilatus laat het toe, dat Hij op zo'n manier voor het volk geleid wordt, met de woorden: "Ziet, de Mens!" (vers 5).

"Kruisig Hem, kruisig Hem!", antwoorden de overpriesters en dienaars woedend. En opnieuw wordt er een aanklacht tegen Hem ingebracht: Hij heeft gelasterd en "Zichzelf Gods Zoon gemaakt" (vers 7). Dit brengt de stadhouder nog meer in verlegenheid. Hij Die daar voor hem staat, zou dus niet alleen een Koning, maar zelfs een God kunnen zijn (vers 8)! Om zekerheid te krijgen, beroept hij zich op zijn macht, maar de Heere Jezus zet hem weer terug op zijn ware plaats. Deze heidense regeringsfunctionaris hoort, waarschijnlijk voor de eerste keer in zijn leven, op Wiens gezag hij deze positie heeft gekregen: niet door de keizer, zoals hij meent, maar "van boven" (vers 11; Romeinen 13 vers 1). Omdat hij vanaf dat moment duidelijk aanvoelt dat hij geen enkele macht bezit om over de Aangeklaagde te kunnen beschikken, en dat hij bovendien helemaal niet opgewassen is tegen deze zaak, wil hij Hem graag vrijlaten. De Joden willen het echter anders en nemen daarom de toevlucht tot het laatste argument: "Indien gij Deze loslaat, zijt gij de vriend van de keizer niet" (vers 12). En ondanks de waarschuwing die hij in vers 11 heeft gekregen, probeert de stadhouder niet God, maar de mensen te behagen en te gehoorzamen. Dan besluit hij om, uit angst voor de wraak van de Joden en omdat hij bang is om zich het onbehagen van zijn meerderen op de hals te halen, de Onschuldige op te offeren.

Johannes 19:17-30
17En Hij, dragende Zijn kruis, ging uit naar de plaats, genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Golgotha;18Alwaar zij Hem kruisten, en met Hem twee anderen, aan elke zijde een, en Jezus in het midden.19En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS De NAZARENER De KONING DER JODEN.20Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats, waar Jezus gekruist werd, was nabij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks, en in het Latijn.21De overpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus: Schrijf niet: De Koning der Joden; maar, dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.22Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.23De krijgsknechten dan, als zij Jezus gekruist hadden, namen Zijn klederen, (en maakten vier delen, voor elken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheel geweven.24Zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben Mijn klederen onder zich verdeeld, en over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.25En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en Zijner moeders zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena.26Jezus nu, ziende Zijn moeder, en den discipel, dien Hij liefhad, daarbij staande, zeide tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.27Daarna zeide Hij tot den discipel: Zie, uw moeder. En van die ure aan nam haar de discipel in zijn huis.28Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst.29Daar stond dan een vat vol ediks, en zij vulden een spons met edik, en omlegden ze met hysop, en brachten ze aan Zijn mond.30Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En het hoofd buigende, gaf den geest.

Hij Die een paar dagen eerder met koninklijke majesteit Jeruzalem was binnengetrokken, gaat nu uit "Zijn kruis dragende" (vers 17).

Dezelfde tegenstelling blijkt ook uit het opschrift dat Pilatus boven het kruis had laten aanbrengen: "De Koning der Joden" is Dezelfde als "Jezus de Nazaréner".

Hij wordt tussen "twee anderen" gekruisigd en met de misdadigers op één lijn gesteld (Jesaja 53 vers 12). Dit evangelie vertelt echter niet over de lasteringen die Hij van de voorbijgangers te verduren had (Mattheüs 27 vers 39), en evenmin over de vreselijke uren waarin Hij van God verlaten was, toen Hij onze zonden droeg. Hier is alles slechts vrede, liefde en gehoorzaamheid aan God.

Vers 25 vertelt over de aanwezigheid van enkele vrouwen, die met een gebroken hart bij het kruis staan, en noemt hun namen. De Heere Jezus vertrouwt Zijn moeder vervolgens toe aan de discipel die, als geen ander, weet van Zijn genegenheden.

Let eens op hoe alles, tot in het kleinste detail, moet gebeuren "opdat de Schrift vervuld wordt": de verdeling van Zijn kleding (vers 24), de edik die men Hem te drinken geeft (vers 28; zie ook vers 36 en 37).

Daarna volbrengt Hijzelf de laatste handeling van Zijn vrijwillige gehoorzaamheid: Hij geeft Zijn geest over (hoofdstuk 10 vers 18).

Zijn liefde heeft aan het kruis alles volbracht. Als iemand mocht denken zelf nog iets te moeten doen om zeker te zijn van zijn heil, luister dan naar en geloof in de laatste woorden van de stervende Verlosser: "Het is volbracht!"

Johannes 19:31-42
31De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was (want die dag des sabbats was groot), baden Pilatus, dat hun benen zouden gebroken, en zij weggenomen worden.32De krijgsknechten dan kwamen, en braken wel de benen des eersten, en des anderen, die met Hem gekruist was;33Maar komende tot Jezus, als zij zagen, dat Hij nu gestorven was, zo braken zij Zijn benen niet.34Maar een der krijgsknechten doorstak Zijn zijde met een speer, en terstond kwam er bloed en water uit.35En die het gezien heeft, die heeft het getuigd, en zijn getuigenis is waarachtig; en hij weet, dat hij zegt, hetgeen waar is, opdat ook gij geloven moogt.36Want deze dingen zijn geschied, opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van Hem zal verbroken worden.37En wederom zegt een andere Schrift: Zij zullen zien, in Welken zij gestoken hebben.38En daarna Jozef van Arimathea (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vreze der Joden), bad Pilatus, dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.39En Nicodemus kwam ook (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloe; omtrent honderd ponden gewichts.40Zij namen dan het lichaam van Jezus, en bonden dat in linnen doeken met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven.41En er was in de plaats, waar Hij gekruist was, een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest.42Aldaar dan legden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was.

Toen de soldaten kwamen om de benen van de gekruisigden te breken en hen te doden, zagen zij dat zij dat bij de Heere Jezus niet hoefden te doen, omdat Hij al gestorven was. Door deze handeling gingen toen, bij de bekeerde misdadiger, de woorden van de Heere Jezus in vervulling: "Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn" (Lukas 23 vers 43). Eén van de soldaten schrok er echter niet voor terug om het lichaam van de Heere Jezus door een steek met een speer te ontwijden (vergelijk Zacharia 12 vers 10). Het antwoord op deze laatste smaad die Hem werd aangedaan, is een wonderbaar teken van genade: het bloed van de verzoening en het water van de reiniging vloeien uit Zijn doorboorde zijde.

Vervolgens vindt de begrafenis plaats van onze Heere, Die alle aanbidding waard is. God heeft twee discipelen toebereid om het lichaam van Zijn Zoon de eer te bewijzen, die in de Schriften werd aangekondigd (Jesaja 53 vers 9). Jozef en Nicodémus hadden tot dusver niet de moed gehad om openlijk partij te kiezen voor de Heere Jezus. Maar nu zijn ze, door deze vreselijke misdaad van hun eigen volk, als het ware wakker geschud en begrijpen ze, dat als ze verder bleven zwijgen, ze in feite instemden met deze daad.

Beste gelovige vrienden, laten we nooit vergeten dat de wereld onze Verlosser gekruisigd heeft. Zwijgen of welwillend staan tegenover degenen die Hem gedood hebben, betekent in feite hetzelfde als Hem verloochenen. Daarentegen is het nu de tijd dat wij ons moedig als Zijn discipelen te kennen geven.

Johannes 20:1-18
1En op den eersten dag der week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag den steen van het graf weggenomen.2Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben.3Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf.4En deze twee liepen tegelijk; en de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf.5En als hij nederbukte, zag hij de doeken liggen; nochtans ging hij er niet in.6Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen.7En den zweetdoek, die op Zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar in het bijzonder in een andere plaats samengerold.8Toen ging dan ook de andere discipel er in, die eerst tot het graf gekomen was, en zag het, en geloofde.9Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan.10De discipelen dan gingen wederom naar huis.11En Maria stond buiten bij het graf, wenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf;12En zag twee engelen in witte klederen zitten, een aan het hoofd, en een aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had.13En die zeiden tot haar: Vrouw! wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben.14En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet, dat het Jezus was.15Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende, dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weg gedragen hebt, zeg mij, waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.16Jezus zeide tot haar: Maria! Zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd: Meester.17Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.18Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen, dat zij den Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.

De eerste die op deze heerlijke opstandingsmorgen snel naar het graf gaat, is Maria Magdalena. Zij is de vrouw van wie de Heere Jezus zeven demonen had uitgedreven (Markus 16 vers 9).

Maar... iemand is haar voor geweest! De steen die voor de opening van het graf lag, is weggerold! Dát vertelt zij aan Petrus en Johannes, die op hun beurt nu ook gauw naar het graf gaan en daar met eigen ogen de opvallende bewijzen van Zijn opstanding zien! Helaas gaan deze beide mannen daarna weer terug naar huis. Maria kan echter niet weggaan en wordt slechts beheerst door één gedachte: ze wil haar geliefde Heere terugvinden (vers 13). Zelfs de aanwezigheid van de engelen lijkt haar niet te verrassen.

Zo'n toewijding kan en zal de Heere Jezus niet onbeantwoord laten. En wat Hij doet, had Maria nooit verwacht! Het is een levende Heere, Die zij nu mag ontmoeten, Die haar bij haar naam roept en Die haar vervolgens een uitermate belangrijke boodschap toevertrouwt. Hier zien we duidelijk dat een persoonlijke relatie met de Heere, het persoonlijk aanhangen van Hem alleen, het enige middel is tot een waar begrip van de dingen. De Heere geeft Maria de opdracht om aan Zijn "broeders" te gaan zeggen dat het kruis Hem absoluut niet van hen gescheiden heeft, maar juist de basis vormt voor totaal nieuwe betrekkingen. Een feit van onschatbaar grote waarde: Zijn Vader is onze Vader en Zijn God is onze God geworden! De Heere Jezus heeft ons, tot grote vreugde voor Zijn eigen hart, voor altijd in deze gelukzalige betrekkingen gebracht (Psalm 22 vers 23; Hebreeën 2 vers 11 en 12).

Johannes 20:19-31
19Als het dan avond was, op denzelven eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren om de vreze der Joden, kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden!20En dit gezegd hebbende, toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De discipelen dan werden verblijd, als zij den Heere zagen.21Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden, gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden.22En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest.23Zo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden.24En Thomas, een van de twaalven, gezegd Didymus, was met hen niet, toen Jezus daar kwam.25De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heere gezien. Doch hij zeide tot hen: Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steke in het teken der nagelen, en steke mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.26En na acht dagen waren Zijn discipelen wederom binnen, en Thomas met hen; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden, en zeide: Vrede zij ulieden!27Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand, en steek ze in Mijn zijde; en zijt niet ongelovig, maar gelovig.28En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heere en mijn God!29Jezus zeide tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zo hebt gij geloofd; zalig zijn zij, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben.30Jezus dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid Zijner discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek;31Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods; en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam.

Het is avond, op die wonderbare eerste dag van de week. Overeenkomstig Zijn belofte komt de Heere Jezus in het midden van Zijn discipelen, die bijeengekomen waren (hoofdstuk 14 vers 19). Hij laat hun door middel van de zekere tekenen in Zijn handen en Zijn zijde zien dat er voor hen vrede met God gemaakt is (Handelingen 1 vers 3). Hij blaast ook het nieuwe leven in hen (vers 22; vergelijk Genesis 2 vers 7 en 1 Korinthe 15 vers 45). Daarna zendt Hij hen uit om aan hen die geloven, vergeving van zonden te verkondigen (vers 23).

Thomas is er op deze eerste zondag niet bij. En als de andere discipelen hem vertellen "Wij hebben de Heere gezien" (vers 25), blijft zijn hart koud en ongelovig. Hoeveel kinderen van God ontzeggen zich, op een lichtvaardige wijze, het kostbare samenkomen rondom de Heere Jezus — misschien omdat zij diep in hun hart twijfelen aan Zijn tegenwoordigheid.

Thomas is een beeld van het gelovige Joodse overblijfsel, dat Hem later, als men Hem ziet, als hun Heere en God zal erkennen. Men zal dan vragen: "Wat zijn deze wonden in Uw handen?" (Zacharia 13 vers 6).

Het gelukzalig deel van de verlosten van nu is echter te mogen geloven zonder gezien te hebben (1 Petrus 1 vers 8). En tot dit doel zijn deze dingen ook opgeschreven. Niet alleen om gelezen, maar juist om geloofd te worden! Gegrond op het Woord van God, mag en moet ons geloof Hem aangrijpen, Die het Leven en de Zoon van God is (vers 31).

Johannes 21:1-14
1Na dezen openbaarde Jezus Zichzelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde Zich aldus:2Er waren te zamen Simon Petrus, en Thomas, gezegd Didymus, en Nathanael, die van Kana in Galilea was, en de zonen van Zebedeus, en twee anderen van Zijn discipelen.3Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip; en in dien nacht vingen zij niets.4En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet, dat het Jezus was.5Jezus dan zeide tot hen: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen.6En Hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip, en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.7De discipel dan, welken Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Heere! Simon Petrus dan, horende, dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt), en wierp zichzelven in de zee.8En de andere discipelen kwamen met het scheepje (want zij waren niet verre van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slepende het net met de vissen.9Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en vis daarop liggen, en brood.10Jezus zeide tot hen: Brengt van den vissen, die gij nu gevangen hebt.11Simon Petrus ging op, en trok het net op het land, vol grote vissen, tot honderd drie en vijftig; en hoewel er zovele waren, zo scheurde het net niet.12Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde Hem vragen: Wie zijt Gij? wetende, dat het de Heere was.13Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en den vis desgelijks.14Dit was nu de derde maal, dat Jezus Zijn discipelen geopenbaard is, nadat Hij van de doden opgewekt was.

Er komen slechts zeven discipelen naar de ontmoetingsplaats in Galilea, die de Heere Jezus met hen had afgesproken (Mattheüs 26 vers 32; 28 vers 7). En ook dezen schijnen het Onderwerp van hun verwachting vergeten te zijn. Simon Petrus, die door de Heere toch tot een visser van mensen was gemaakt, keert terug tot zijn oude bezigheid. Verbaast het ons dan nog, dat zij "in die nacht" niets vingen (vers 3)? Hoe zou het werk dat zij zichzelf uitgedacht hebben en dat zonder de aanwezigheid van de Heere uitgevoerd wordt, ooit vrucht kunnen dragen? Hij had hun immers al eerder gezegd dat zij zonder Hem (gescheiden van Hem) niets zouden kunnen doen (hoofdstuk 15 vers 5). Zodra Hij echter bij hen is, verandert alles! De rechterzijde heeft ten opzichte van de linkerzijde van de boot slechts één voordeel — maar wel een heel belangrijk voordeel! — : de Heere Jezus heeft hun die kant aangewezen!

En nu ontmoeten zij de Meester, Die voor Zijn vermoeide knechten alles al heeft toebereid. Hij heeft hun vissen niet nodig (vers 9), maar desondanks veracht Hij het resultaat van hun werk niet (vers 10) en laat het precies tellen (vers 11).

Vergeten wij ook niet vaak, net als de discipelen, die grote ontmoeting met de Heere, die heel binnenkort staat te gebeuren? Wij zouden in al onze omstandigheden, in nederlagen en successen, veel gauwer de hand van Hem moeten erkennen, Die op die manier tot ons spreekt, en dan zouden ook wij vaker kunnen zeggen: "Het is de Heere!" (vers 7).

Johannes 21:15-25
15Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere! Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren.16Hij zeide wederom tot hem ten tweeden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed Mijn schapen.17Hij zeide tot hem ten derden maal: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden maal tot hem zeide: Hebt gij Mij lief, en zeide tot Hem: Heere! Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.18Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet, alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen, waar gij niet wilt.19En dit zeide Hij, betekenende, met hoedanigen dood hij God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij.20En Petrus, zich omkerende, zag den discipel volgen, welken Jezus liefhad, die ook in het avondmaal op Zijn borst gevallen was, en gezegd had: Heere! wie is het, die U verraden zal?21Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: Heere, maar wat zal deze?22Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan? Volg gij Mij.23Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zou sterven. En Jezus had tot hem niet gezegd, dat hij niet sterven zou, maar: Indien Ik wil, dat hij blijve, totdat Ik kome, wat gaat het u aan?24Deze is de discipel, die van deze dingen getuigt, en deze dingen geschreven heeft; en wij weten, dat zijn getuigenis waarachtig is.25En er zijn nog vele andere dingen, die Jezus gedaan heeft, welke, zo zij elk bijzonder geschreven wierden, ik acht, dat ook de wereld zelve de geschrevene boeken niet zou bevatten. Amen.

De Heere Jezus moest hier op aarde nog een laatste liefdedienst aan Zijn discipel Petrus vervullen. Tot driemaal toe had hij zijn Meester verloochend. En tot driemaal toe moest hij door een pijnlijke vraag overtuigd worden van hetgeen in zijn hart aanwezig is: Je hebt beweerd dat je meer genegenheid voor Mij had dan de anderen hier, maar zij hebben Mij niet verloochend (Markus 14 vers 29). Waar is dan deze vurige liefde, waarover je sprak? Ik heb daar geen enkel bewijs van gezien.

Heere, U weet alles. U weet precies wat er in mijn hart is, is ten slotte het enige wat deze arme discipel kan antwoorden.

Zal de Heere hem nu terzijde stellen? Integendeel zelfs! Nu, nu Petrus zijn zelfvertrouwen verloren heeft, is hij geschikt voor een dienst. "Weid Mijn lammeren... Mijn schapen", zegt de Meester (in de grondtekst staat hier een verkleinwoord, waaruit een grote tederheid blijkt: Mijn kleine lammetjes). Door zich bezig te houden met hen die door de Heere Jezus geliefd worden, zal Petrus opnieuw de gelegenheid krijgen om zijn liefde voor de Heere te tonen.

Dit evangelie is nu ten einde. Maar alles wat de heerlijke Persoon over Wie dit evangelie volgeschreven staat, heeft gedaan, uitgesproken of ervaren, is van ontzettend groot belang en van onschatbare waarde en dat alles is God niet vergeten (vers 25).

En vandaag wordt van elke verloste verwacht dat hij of zij gehoor geeft aan de laatste woorden van zijn of haar Heere: "Volg gij Mij!" (verse 21).

Handelingen 1:1-14
1Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren;2Tot op den dag, in welken Hij opgenomen is, nadat Hij door den Heiligen Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven.3Aan welke Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.4En als Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun, dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij, zeide Hij, van Mij gehoord hebt.5Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen.6Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israel het Koninkrijk wederoprichten?7En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;8Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.9En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.10En alzo zij hun ogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding;11Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.12Toen keerden zij wederom naar Jeruzalem, van den berg, die genaamd wordt de Olijf berg, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar een sabbatsreize.13En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeus en Mattheus, Jakobus, de zoon van Alfeus, en Simon Zelotes, en Judas, de broeder van Jakobus.14Deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broederen.

Lukas, de geïnspireerde schrijver van het Boek Handelingen, begint zijn vertelling met de hemelvaart van de Heere Jezus, hoewel hij daar aan het eind van zijn evangelie ook al over geschreven heeft. Deze hemelvaart is echter van uitermate groot belang. Het komen van de Heilige Geest en het hele werk tot aan de uiteinden van de aarde, dat daaruit zou ontstaan, komt voort uit de tegenwoordigheid van Christus in de heerlijkheid (Johannes 16 vers 7). Bovendien bevestigt dit begin dat alles wat de apostelen zullen doen, in overeenstemming is met de bevelen die zij van de Heere ontvangen hebben (vers 2 en 8). Dat zal hun dienst rechtvaardigen.

"Gij zult Mijn getuigen zijn" (vers 8), zei de Heere Jezus tegen hen, want hun gedachten waren toen nog op dingen van deze aarde gericht (vers 6). Zij werden 'bewaarders' van de wonderbare waarheden die betrekking hadden op Hem Die geleden had, maar nu levend was (vers 3). Hij werd voor hun ogen opgenomen in de hemel (vers 9) en zal, overeenkomstig de zekere belofte die hun door middel van engelen werd meegedeeld, op dezelfde wijze terugkomen (vers 11). En zij zouden door de kracht van de Heilige Geest, Die zij heel binnenkort zouden ontvangen (vers 8), al deze dingen verkondigen.

De eerste samenkomst na de hemelvaart van de Heere Jezus is gewijd aan het gebed, en alle apostelen zijn daarbij aanwezig. Laten wij die aan het eind van de geschiedenis van de Gemeente hier op aarde zijn aangekomen, toch niet ontbreken op de samenkomst die de laatste zal zijn voor Zijn komst!

Handelingen 1:15-26
15En in dezelve dagen stond Petrus op in het midden der discipelen, en sprak (er was nu een schare bijeen van omtrent honderd en twintig personen):16Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is dergenen die Jezus vingen;17Want hij was met ons gerekend, en had het lot dezer bediening verkregen.18Deze dan heeft verworven een akker, door het loon der ongerechtigheid, en voorwaarts overgevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.19En het is bekend geworden allen, die te Jeruzalem wonen, alzo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker des bloeds.20Want er staat geschreven in het boek der Psalmen; Zijn woonstede worde woest, en er zij niemand die in dezelve wone. En: Een ander neme zijn opzienersambt.21Het is dan nodig, dat van de mannen, die met ons ongedaan hebben al den tijd, in welken de Heere Jezus onder ons ingegaan en uitgegaan is,22Beginnende van den doop van Johannes, tot den dag toe, in welken Hij van ons opgenomen is, een derzelven met ons getuige worde van Zijn opstanding.23En zij stelden er twee, Jozef, genaamd Barsabas, die toegenaamd was Justus, en Matthias.24En zij baden en zeiden: Gij Heere! Gij Kenner der harten van allen, wijs van deze twee een aan, dien Gij uitverkoren hebt;25Om te ontvangen het lot dezer bediening en des apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heenging in zijn eigen plaats.26En zij wierpen hun loten; en het lot viel op Matthias, en hij werd met gemene toestemming tot de elf apostelen gekozen.

Petrus neemt het woord, in het midden van de eerste discipelen. Hij herinnert hen aan het ongelukkige einde van Judas, die zichzelf van het leven heeft beroofd (Mattheüs 27 vers 5 - 8). Dat was een vreselijke dood, maar het eeuwige lot zal nog vele malen erger zijn (vers 25)! Steunend op het licht en het gezag van de Schriften wijst Petrus op de noodzaak dat de lege plaats van deze discipel weer opgevuld moet worden. Twaalf apostelen zouden de officiële getuigen zijn van de feitelijke grondslag van het christendom: de opstanding van de Heere Jezus (vergelijk 1 Korinthe 15 vers 5). Jozef en Matthias waren beiden mannen die het voorrecht hadden gehad om de Heere Jezus, samen met de anderen, tijdens Zijn dienst hier op aarde te mogen begeleiden. Misschien hoorden zij ook wel bij die zeventig die de Heere Jezus destijds had uitgezonden (Lukas 10 vers 1). Nadat de discipelen vervolgens tot de Heere, Die alle harten kent (vers 24), gebeden hebben om hun Zijn keuze bekend te maken, werpen zij het lot, waarop Matthias wordt aangewezen (Spreuken 16 vers 33).

Vandaag zou het niet meer goed zijn om het lot te werpen. De Heilige Geest is nu immers Persoonlijk hier op aarde in de gelovigen aanwezig en geeft hun het inzicht dat zij nodig hebben. In dit verband is het heel interessant deze gebeurtenis eens te vergelijken met de woorden van Handelingen 13 vers 2, waar de Geest gebiedt: "Zondert Mij af beiden Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb".

Handelingen 2:1-21
1En als de dag van het Pinkster feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtelijk bijeen.2En er geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van een geweldigen, gedreven wind, en vervulde het gehele huis, waar zij zaten.3En van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen.4En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.5En er waren Joden, te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen, die onder den hemel zijn.6En als deze stem geschied was, kwam de menigte samen, en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.7En zij ontzetten zich allen, en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Ziet, zijn niet alle dezen, die daar spreken, Galileers?8En hoe horen wij hen een iegelijk in onze eigen taal, in welke wij geboren zijn?9Parthers, en Meders, en Elamieten, en de inwoners zijn van Mesopotamie, en Judea, en Cappadocie, Pontus en Azie.10En Frygie, en Pamfylie, Egypte, en de delen van Libye, hetwelk bij Cyrene ligt, en uitlandse Romeinen, beiden Joden en Jodengenoten;11Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen de grote werken Gods spreken.12En zij ontzetten zich allen, en werden twijfelmoedig, zeggende, de een tegen den ander: Wat wil toch dit zijn?13En anderen, spottende, zeiden: Zij zijn vol zoeten wijns.14Maar Petrus, staande met de elven, verhief zijn stem, en sprak tot hen: Gij Joodse mannen, en gij allen, die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijn woorden tot uw oren ingaan.15Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van de dag.16Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet Joel:17En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.18En ook op Mijn dienstknechten, en op Mijn dienstmaagden, zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.19En Ik zal wonderen geven in den hemel boven, en tekenen op de aarde beneden, bloed en vuur, en rookdamp.20De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de grote en doorluchtige dag des Heeren komt.21En het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.

Sinds de hemelvaart van de Heere Jezus zijn er een aantal dagen voorbijgegaan. En dan gaat de belofte van Hem en Zijn Vader in vervulling (hoofdstuk 1 vers 4). In de gedaante van "verdeelde tongen als van vuur" komt de Heilige Geest, de Goddelijke Persoon, naar deze aarde en blijft op de discipelen. Onmiddellijk wordt Zijn kracht in de discipelen openbaar: ze zijn in staat om zich in talen uit te drukken die zij niet kenden. Zo komt God in genade tegemoet aan de vloek van Babel (Genesis 11 vers 1- 9).

Het Joodse Pinksterfeest zorgde ervoor dat er jaarlijks een aanzienlijk aantal van de onder de volken verstrooide Israëlieten naar Jeruzalem kwam. Deze grote toestroom biedt een prachtige gelegenheid voor de eerste grote evangelisatiesamenkomst. En wat krijgt de menigte daar verbazingwekkende dingen te horen! Iedereen kan, in zijn eigen taal, horen spreken over "de grote werken Gods" (vers 11). En dat terwijl de sprekers "ongeleerde en eenvoudige" Galileërs zijn (vergelijk hoofdstuk 4 vers 13; Johannes 7 vers 15).

Het is ook helemaal niet nodig om tot een bepaalde selecte groep te behoren of een speciale studie gevolgd te hebben, om een arbeider voor de Heere te kunnen zijn. Afhankelijkheid van Hem en het zich stellen onder de leiding van Zijn Geest, dat zijn de noodzakelijke voorwaarden! O, dat een ieder van ons daar toch aan mag voldoen!

Handelingen 2:22-41
22Gij Israelietische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener, een Man van God, onder ulieden betoond door krachten, en wonderen, en tekenen, die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk ook gijzelven weet;23Dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood;24Welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzo het niet mogelijk was, dat Hij van denzelven dood zou gehouden worden.25Want David zegt van Hem: Ik zag den Heere allen tijd voor mij; want Hij is aan mijn rechter hand, opdat ik niet bewogen worde.26Daarom is mijn hart verblijd; en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hope;27Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige over geven, om verderving te zien.28Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met verheuging door Uw aangezicht.29Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrij uit tot u te spreken van den patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.30Alzo hij dan een profeet was, en wist, dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lenden, zoveel het vlees aangaat, den Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten;31Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.32Dezen Jezus heeft God opgewekt; waarvan wij allen getuigen zijn.33Hij dan, door de rechter hand Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes, ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.34Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand.35Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten.36Zo wete dan zekerlijk het ganse huis Israels, dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus, Dien gij gekruist hebt.37En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders?38En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.39Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.40En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!41Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen.

Uitgaande van een tekst uit het Boek van de profeet Joël, heeft Petrus aan de Joden laten zien dat de kracht die in hun midden werkzaam was, van Goddelijke oorsprong is.

Als wij een Bijbeltekst overdenken, dan moeten we nooit vergeten dat het God is Die tot ons spreekt.

Petrus herinnert dan aan de wonderbare weg van Christus hier op aarde, aan Zijn dood en opstanding, die in vele Schriftplaatsen werd aangekondigd en waarvan de apostelen getuigden. En God heeft "deze Jezus", Die door het volk gekruisigd werd, aan Zijn rechterhand geplaatst en Hem tot Heere en Christus gemaakt.

Wat een schrik voor hen die Hem gedood hebben, nu zij van zo'n grote misdaad overtuigd raken! Als ze zo in het geweten getroffen zijn, worden de toehoorders aangegrepen door een diep berouw en komt er vrees en ontzetting over hen. Hoe kunnen ze God ooit weer tevreden stellen, na Hem zo gesmaad te hebben? In eerste instantie door werkelijk berouw te hebben en zich te bekeren, antwoordt Petrus (vers 38). Daarbij gaat het niet om een eenvoudige spijtbetuiging over het kwaad dat gedaan is, maar om een oprechte veroordeling (in overeenstemming met Gods gedachten) van de daden die gedaan zijn en een definitief afstand nemen van de vroegere levenshouding. Als dit gebeurt, dan is dat al een eerste openbaring van geloof (vandaar ook dat het niet meer nodig was, dat de apostelen hen opriepen te geloven).

Ten gevolge van deze eerste prediking bekeerden zich toen drieduizend personen, die ook werden gedoopt.

Handelingen 2:42-47; Handelingen 3:1-11
42En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.43En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen.44En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen;45En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had.46En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten;47En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.
1Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar den tempel, omtrent de ure des gebeds, zijnde de negende ure;2En een zeker man, die kreupel was van zijner moeders lijf, werd gedragen, welken zij dagelijks zetten aan de deur des tempels, genaamd de Schone, om een aalmoes te begeren van degenen, die in den tempel gingen;3Welke, Petrus en Johannes ziende, als zij in den tempel zouden ingaan, bad, dat hij een aalmoes mocht ontvangen.4En Petrus, sterk op hem ziende, met Johannes, zeide: Zie op ons.5En hij hield de ogen op hen, verwachtende, dat hij iets van hen zou ontvangen.6En Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geve ik u; in den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, sta op en wandel!7En hem grijpende bij de rechterhand richtte hij hem op, en terstond werden zijn voeten en enkelen vast.8En hij, opspringende, stond en wandelde, en ging met hen in den tempel, wandelende en springende, en lovende God.9En al het volk zag hem wandelen en God loven.10En zij kenden hem, dat hij die was, die om een aalmoes gezeten had aan de Schone poort des tempels; en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hem geschied was.11En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof, hetwelk Salomo's voorhof genaamd wordt, verbaasd zijnde.

Hoofdstuk 2 eindigt met een bewonderenswaardig beeld van het begin van de Gemeente. Toen waren er, net als nu, samenkomsten waarin men onderwijs ontving, samenkomsten waarin speciaal de Vader en de Heere Jezus gediend, geëerd werden, door Zijn dood te gedenken, en ook gebedssamenkomsten (vers 42).

Wij beperken het leven van de Gemeente echter vaak tot de samenkomsten, terwijl dat leven juist een voortzetting vindt in de huizen van hen die samen de Gemeente vormen (vers 46).

In vers 43 lezen we: "En een vrees kwam over alle ziel". Ernst kan dus in volkomen harmonie met vreugde zijn (vers 46).

In hoofdstuk 3 zien we hoe de kracht van de Heilige Geest zich niet alleen openbaart in de woorden van de apostelen, maar ook in hun werken.

Toen de arme verlamde man, die daar bij de 'schone' tempeldeur zat (vers 2), aan Petrus en Johannes om een aalmoes vroeg, had hij vast niet gerekend op de gave die hij zou ontvangen. Hij zou de wonderbare genezing, door het geloof in de Naam van de Heere Jezus, ontvangen! "Wat ik heb, dat geef ik u", zegt Petrus (vers 6). Als het erom gaat iets te geven, dan denken wij gewoonlijk het eerst aan geld (vers 6) en maar zelden aan de onuitputtelijke hemelse rijkdom die wij in onze Verlosser bezitten. Toch hebben wij het voorrecht, om onze omgeving juist daarmee bekend te mogen maken! Wat een verandering voor deze verlamde man! Tot nu toe zat hij "aan de deur" (vers 2). Nu komt hij echter in de tegenwoordigheid van God, om Hem te loven (vers 8). Zit u of jij misschien ook nog "aan de deur"?

Handelingen 3:12-26
12En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het volk: Gij Israelietische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat ziet gij zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of godzaligheid dezen hadden doen wandelen?13De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde, dat men Hem zoude loslaten.14Maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd, dat u een man, die een doodslager was, zou geschonken worden;15En den Vorst des levens hebt gij gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn.16En door het geloof in Zijn Naam heeft Zijn Naam dezen gesterkt, dien gij ziet en kent; en het geloof, dat door Hem is, heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven, in uw aller tegenwoordigheid.17En nu, broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten.18Maar God heeft alzo vervuld, hetgeen Hij door den mond van al Zijn profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zou.19Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren,20En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is;21Welken de hemel moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van al Zijn heilige profeten van alle eeuw.22Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal.23En het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke.24En ook al de profeten, van Samuel aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.25Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.26God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden.

Zodra men hoort over de genezing van de verlamde man, ontstaat er een grote toeloop van nieuwsgierige mensen. Ze zijn allemaal "met verbaasdheid en ontzetting" vervuld (vers 10). Petrus leidt de aandacht onmiddellijk van zichzelf en Johannes af, door dit wonder toe te schrijven aan de macht van de Naam van de Heere Jezus. Dit werk was een duidelijk zichtbaar bewijs van het leven en de kracht in de opstanding van Hem Die zij gedood hadden. "Gij hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend", zegt de apostel tegen hen. En hij zei dit niet om hen daarmee te veroordelen, maar hij sprak als iemand die de schande van deze zonde uit eigen ervaring kende (vers 14; Lukas 22 vers 57 en verder). "Ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt", voegt hij eraan toe (vers 17). En daarmee bevestigt hij als het ware de woorden die de Heere Jezus op het kruis uitsprak: "Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen" (Lukas 23 vers 34). De gelegenheid die de Joden hier kregen om het evangelie te horen en om zich te bekeren, was een antwoord op deze vraag van de Heere Jezus. Ze hadden het getuigenis van de Heilige Geest in hun midden, Die door de mond van Petrus tot hen sprak en in de Gemeente zichtbaar werd (hoofdstuk 2 vers 44 - 47).

Als het volk zich toen met belijdenis van hun zonde tot God gewend zou hebben, dan zou de Heere teruggekomen zijn. Maar dat wilde het volk niet doen en vandaar ook dat ze voortaan niet meer te verontschuldigen zijn vanwege hun onwetendheid.

Handelingen 4:1-22
1En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de priesters, en de hoofdman des tempels, en de Sadduceen;2Zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden, en verkondigden in Jezus de opstanding uit de doden.3En zij sloegen de handen aan hen, en zetten ze in bewaring tot den anderen dag; want het was nu avond.4En velen van degenen, die het woord gehoord hadden, geloofden; en het getal der mannen werd omtrent vijf duizend.5En het geschiedde des anderen daags, dat hun oversten en ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden;6En Annas, de hogepriester, en Kajafas, en Johannes, en Alexander, en zovele er van het hogepriesterlijk geslacht waren.7En als zij hen in het midden gesteld hadden, vraagden zij: Door wat kracht, of door wat naam hebt gijlieden dit gedaan?8Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen: Gij oversten des volks, en gij ouderlingen van Israel!9Alzo wij heden rechterlijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mens geschied, waardoor hij gezond geworden is;10Zo zij u allen kennelijk, en het ganse volk Israel, dat door den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, Dien gij gekruist hebt, Welken God van de doden heeft opgewekt, door Hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond.11Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is.12En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden.13Zij nu, ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende, dat zij ongeleerde en slechte mensen waren, verwonderden zich, en kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren.14En ziende den mens bij hen staan, die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.15En hun geboden hebbende uit te gaan buiten den raad, overlegden zij met elkander,16Zeggende: Wat zullen wij dezen mensen doen? Want dat er een bekend teken door hen geschied is, is openbaar aan allen, die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen.17Maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherpelijk dreigen, dat zij niet meer tot enig mens in dezen Naam spreken.18En als zij hen geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij ganselijk niet zouden spreken, noch leren, in den Naam van Jezus.19Maar Petrus en Johannes, antwoordende, zeiden tot hen: Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te horen dan God.20Want wij kunnen niet laten te spreken, hetgeen wij gezien en gehoord hebben.21Maar zij dreigden hen nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende, hoe zij hen straffen zouden, om des volks wil; want zij verheerlijkten allen God over hetgeen er geschied was.22Want de mens was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teken der genezing geschied was.

Het kan niet anders of zo'n grote wonderlijke gebeurtenis moet de tegenstand van satan oproepen. En we weten wie zijn werktuigen zijn: Annas, Kajafas, de priesters, de oversten, ouderlingen en Schriftgeleerden (vers 5 en 6). Kortom: de hoofdverantwoordelijken voor de veroordeling van de Heere Jezus. Als de discipelen nu door hen ontzien zouden worden, dan zouden ze toegegeven hebben dat ze onrechtvaardig gehandeld hadden door hun Meester te doden. Hun hoogmoed verhindert hun zo te handelen. Ze volharden in de haat tegen de Naam van de Heere Jezus. Voortaan zou Hijzelf de Toetssteen zijn: voor de één "een uiterste Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is", en voor de ander "een Steen des aanstoots, en een Rots der ergernis" (vergelijk vers 11 en 1 Petrus 2 vers 4 - 8).

Vers 12 is van uitermate groot belang! Daarin zien we de eenmalige waarde en de absolute noodzakelijkheid van deze kostbare Naam, waardoor men gered kan worden!

Men heeft aan de discipelen gemerkt dat ze "met Jezus geweest waren" (vers 13). Wanneer wij voortdurend in gemeenschap met de Heere leven, zal dat ook bij ons opgemerkt worden.

Ook al is de tegenstand van de oversten van de Joden nog zo groot, het kan de werkzaamheid van het evangelie niet verminderen of verhinderen (vers 4), noch de mond van de apostelen toesluiten; zij hebben hun opdracht om te spreken namelijk van God ontvangen (vers 19). En het Woord is als "een brandend vuur" in hen (vers 20; Jeremia 20 vers 9).

Handelingen 4:23-37
23En zij, losgelaten zijnde, kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden.24En als dezen dat hoorden, hieven zij eendrachtelijk hun stem op tot God, en zeiden: Heere! Gij zijt de God, Die gemaakt hebt den hemel, en de aarde, en de zee, en alle dingen, die in dezelve zijn.25Die door den mond van David Uw knecht, gezegd hebt: Waarom woeden de heidenen, en hebben de volken ijdele dingen bedacht?26De koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijeenvergaderd tegen den Heere, en tegen Zijn Gezalfde.27Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welken Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israels;28Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.29En nu dan, Heere, zie op hun dreigingen, en geef Uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid Uw woord te spreken;30Daarin, dat Gij Uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door den Naam van Uw heilig Kind Jezus.31En als zij gebeden hadden, werd de plaats, in welke zij vergaderd waren, bewogen. En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid.32En de menigte van degenen, die geloofden, was een hart en een ziel; en niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen ware, maar alle dingen waren hun gemeen.33En de apostelen gaven met grote kracht getuigenis van de opstanding van den Heere Jezus; en er was grote genade over hen allen.34Want er was ook niemand onder hen, die gebrek had; want zovelen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen, en legden dien aan de voeten der apostelen.35En aan een iegelijk werd uitgedeeld, naar dat elk van node had.36En Joses, van de apostelen toegenaamd Barnabas (hetwelk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus,37Alzo hij een akker had, verkocht dien, en bracht het geld, en legde het aan de voeten der apostelen.

Petrus en Johannes komen weer terug bij de andere discipelen (in vers 23 "de hunnen" genoemd) en delen hun het besluit van de oversten van het volk mee. Maar in plaats van te doen wat hun geboden was, nemen ze de toevlucht tot het gemeenschappelijke hulpmiddel: het gebed (zie ook hoofdstuk 6 vers 4; 12 vers 5 en 12; 14 vers 23). In de opstand van de Joden en de volken tegen God en Zijn heilige Knecht Jezus herkennen ze de vervulling van de Schriften. (En omdat het tot nu toe slechts om een gedeeltelijke vervulling gaat, laten de apostelen in hun citaat uit Psalm 2 het vreselijke, Goddelijk antwoord op deze uitdagingen van de mensen achterwege.)

Het woord "vrijmoedigheid" is kenmerkend voor dit hoofdstuk (vers 13, 29 en 31). Dat heeft niets te maken met de vleselijke energie waardoor Petrus vroeger gedrongen werd en die hem een paar tellen later weer had verlaten. De discipelen ontvangen deze vrijmoedigheid als het antwoord op hun gebed! Daarin mogen wij hen navolgen, wanneer wij merken dat het ons aan moed ontbreekt!

De verzen 32 - 37 geven een nieuwe, wonderbare beschrijving van de Gemeente, in de frisheid van haar eerste liefde. Ook al menen we dat we dit gelukkige begin niet opnieuw kunnen bereiken, toch mogen we ons gezamenlijk inspannen om deze geest te verwerkelijken. Dat kunnen we doen door ons egoïsme weg te doen en elke gelegenheid aan te grijpen om onze broeders en zusters te dienen.

Handelingen 5:1-16
1En een zeker man, met name Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have;2En onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bracht een zeker deel, en legde dat aan de voeten der apostelen.3En Petrus zeide: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt, en onttrekken van den prijs des lands?4Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt den mensen niet gelogen, maar Gode.5En Ananias, deze woorden horende, viel neder en gaf den geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden.6En de jongelingen, opstaande, schikten hem toe, en droegen hem uit, en begroeven hem.7En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw daar inkwam, niet wetende, wat er geschied was;8En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel.9En Petrus zeide tot haar: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken den Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen, die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.10En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf den geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen ze uit, en begroeven haar bij haar man.11En er kwam grote vreze over de gehele Gemeente, en over allen, die dit hoorden.12En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtelijk in het voorhof van Salomo.13En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen; maar het volk hield hen in grote achting.14En er werden meer en meer toegedaan, die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen;15Alzo dat zij de kranken uitdroegen op de straten, en legden op bedden en beddekens, opdat, als Petrus kwam, ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht.16En ook de menigte uit de omliggende steden kwamen gezamenlijk te Jeruzalem, brengende kranken, en die van onreine geesten gekweld waren; welke allen genezen werden.

Hoofdstuk 4 begon met het woordje "terwijl". Dat gaf het begin aan van de bezigheid van de vijand, 'van buitenaf'.

Hoofdstuk 5 begint met een soortgelijke inleiding door de woorden "en een zekere...", maar hier wordt het verderfelijke werk van de vijand 'van binnenuit' de Gemeente weergegeven. Tot en met vandaag is satan nog steeds op deze tweevoudige wijze bezig. De geest van nabootsen en het verlangen om in de ogen van anderen vroom en godsdienstig te lijken, hebben Ananias en Saffira tot leugen verleid. Petrus berispt hen met een heilige verontwaardiging en zij worden daarop onmiddellijk geslagen door de hand van God. Deze gebeurtenis heeft geen betrekking op hun eeuwig lot, maar is een openbaring van de regering van God hier op aarde.

Laten we niet menen dat God een zonde vandaag de dag als minder afschuwelijk beschouwt, omdat wij het onderwerp van Zijn genade zijn! Hij is heilig, en dat zouden ook Zijn kinderen moeten zijn (1 Petrus 1 vers 15 - 17).

Er komt vervolgens grote vrees over alle aanwezigen. Dit gevoel, deze houding, ten opzichte van Hem Die ook onze verborgen gedachten kan lezen, zou ook bij ons veel meer aanwezig moeten zijn.

De verzen 12 - 16 spreken over de wonderen van liefde die "door de handen van de apostelen" gebeurden, en laten ons zien dat het niet voldoende is gelovigen te bewonderen, maar dat men zélf de stap moet zetten en zichzelf bij "de Heere" moet aansluiten (vers 13 en 14). In Openbaring 21 vers 8 worden "de vreesachtigen" het eerst genoemd in het rijtje van hen die voor eeuwig verloren zijn.

Handelingen 5:17-32
17En de hogepriester stond op, en allen, die met hem waren (welke was de sekte der Sadduceen), en werden vervuld met nijdigheid.18En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de gemene gevangenis.19Maar de engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, en zeide:20Gaat heen, en staat, en spreekt in den tempel tot het volk al de woorden dezes levens.21Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen den morgenstond in den tempel, en leerden. Maar de hogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen den raad te zamen, en al de oudsten der kinderen Israels, en zonden naar den kerker, om hen te halen.22Doch als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden wederom, en boodschapten dit.23Zeggende: Wij vonden wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen.24Toen nu de hoge priester en de hoofdman des tempels, en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zou.25En er kwam een, en boodschapte hun, zeggende: Ziet, de mannen, die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in den tempel, en leren het volk.26Toen ging de hoofdman heen, met de dienaren, en bracht hen, doch niet met geweld (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd wierden).27En als zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor den raad; en de hogepriester vraagde hun, en zeide:28Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd, dat gij in dezen Naam niet zoudt leren? En ziet, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen Mens over ons brengen.29Maar Petrus en de apostelen antwoordden, en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn, dan den mensen.30De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout.31Deze heeft God door Zijn rechter hand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israel te geven bekering en vergeving der zonden.32En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden; en ook de Heilige Geest, Welken God gegeven heeft dengenen, die Hem gehoorzaam zijn.

Toen de hogepriester en zij die bij hem waren, zagen welke invloed deze ongeleerde mannen — die niet eens tot de geestelijkheid behoorden — op de volksmenigte hadden, werden ze heel jaloers. In het bijzonder de Sadduceeën, die de opstanding loochenden, kwamen in opstand tegen de apostelen, omdat die juist de opstanding van de Heere Jezus verkondigden (vers 17; hoofdstuk 4 vers 1 en 2). Omdat ze niet in staat waren hun gezag op een andere manier te laten gelden, werpen ze deze mannen, die niet tot zwijgen te brengen zijn, in de gevangenis. Maar de Heere stuurt een engel om Zijn dienstknechten te bevrijden, waarna zij onmiddellijk naar de tempel terugkeren om daar verder te gaan met hun onderwijs. Dit wordt dan weer aan de oversten meegedeeld, die hen daarop voor het Sanhedrin (de raad) laten verschijnen. "Gij wilt het bloed van deze Mens over ons brengen", zeggen ze tegen hen (vers 28), terwijl zij het destijds zelf voor Pilatus uitgeroepen hebben: "Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen" (Mattheüs 27 vers 25). De apostelen wordt dan nog een keer duidelijk te kennen gegeven, dat zij moeten zwijgen. Maar Petrus en de apostelen zeggen: "Men moet God meer gehoorzaam zijn, dan de mensen" (vers 29; zie hoofdstuk 4 vers 19). En opnieuw leggen zij een klaar getuigenis af van de heerlijke opstanding van de Heere Jezus en spreken over Hem als "een Vorst en Zaligmaker", en vertellen ook over de "vergeving van de zonden", door het geloof in Hem (vers 31).

`Jezus - Naam, waarvoor ik kniele, Bron van heil en alle kracht. Zalig rustoord van mijn ziele, hemels licht in 's werelds nacht. Onnaspeurlijk blijft die Naam in Zijn glans en rijkdom saam.'

Handelingen 5:33-42
33Als zij nu dit hoorden, barstte hun het hart, en zij hielden raad, om hen te doden.34Maar een zeker Farizeer stond op in den raad, met name Gamaliel, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan.35En hij zeide tot hen: Gij Israelietische mannen, ziet voor u, wat gij doen zult aangaande deze mensen.36Want voor deze dagen stond Theudas op, zeggende, dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is omgebracht, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden.37Na hem stond op Judas, de Galileer in de dagen der beschrijving, en maakte veel volks afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen, die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden.38En nu zeg ik ulieden: Houdt af van deze mensen, en laat hen gaan; want indien deze raad, of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden.39Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden.40En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij dezelve, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in den Naam van Jezus; en lieten hen gaan.41Zij dan gingen heen van het aangezicht des raads, verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geweest, om Zijns Naams wil smaadheid te lijden.42En zij hielden niet op, allen dag, in den tempel en bij de huizen, te leren, en Jezus Christus te verkondigen.

Na een engel maakt God nu gebruik van Gamaliël, een vooraanstaande Farizeeër (tegenpartij van de sekte van de Sadduceeën), om de Zijnen te bevrijden. Deze Gamaliël was een wetgeleerde, die onder de Joden grote bekendheid genoot en die geëerd werd. Heel rustig roept hij zijn collega's op tot geduld, door voorbeelden aan te halen die bij iedereen bekend waren. Uit de afloop van deze gebeurtenis zou, volgens Gamaliël, vanzelf blijken of dit een werk van mensen of van God was. Het is overigens niet zo moeilijk om te weten in welk rijtje men hen moet plaatsen die van zichzelf zeggen dat ze iets zijn (vers 36). Bij de apostelen is zo'n houding helemaal niet te bespeuren. Zij erkenden juist dat zij in zichzelf niets waren, en gaven alle eer aan de Naam van de Heere Jezus, Die zij onophoudelijk verkondigden (hoofdstuk 3 vers 12; 4 vers 10).

De Heere Jezus had Zijn discipelen voorzegd dat men zich aan hen zou vergrijpen, hen zou vervolgen en hen aan de synagogen en gevangenissen zou overleveren (Lukas 21 vers 12). Al deze beproevingen lieten inderdaad niet lang op zich wachten (vers 17 - 32). En deze zijn tot op de dag van vandaag het deel van ware gelovigen.

Vaak danken we de Heere dat Hij ons voor vervolgingen, zoals die in sommige landen nog voorkomen, bewaard heeft. Maar laten we niet vergeten dat het een eer is om voor Zijn Naam te lijden. De apostelen verheugden zich erover, dat zij waardig bevonden waren voor Hem te lijden (vers 41; vergelijk 1 Petrus 4 vers 19; Mattheüs 5 vers 11 en 12).

Handelingen 6:1-15
1En in dezelfde dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering der Grieksen tegen de Hebreen, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden.2En de twaalven riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten, en de tafelen dienen.3Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak.4Maar wij zullen volharden in het gebed, en in de bediening des Woords.5En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij verkoren Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en Filippus, en Prochorus, en Nicanor, en Timon, en Parmenas, en Nicolaus, een Jodengenoot van Antiochie;6Welken zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op.7En het woord Gods wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en een grote schare der priesteren werd den gelove gehoorzaam.8En Stefanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk.9En er stonden op sommigen, die waren van de synagoge, genaamd der Libertijnen, en der Cyreneers, en der Alexandrijnen, en dergenen, die van Cilicie en Azie waren, en twistten met Stefanus.10En zij konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak.11Toen maakten zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God.12En zij beroerden het volk, en de ouderlingen en de Schriftgeleerden; en hem aanvallende grepen zij hem, en leidden hem voor den raad;13En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.14Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.15En allen, die in den raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels.

Het prachtige beeld dat van de Gemeente geschetst werd in hoofdstuk 2 vers 42 en hoofdstuk 4 vers 32, wordt helaas al heel gauw vertroebeld. Er ontstaat gemopper (een bezwaar dat men niet openlijk kenbaar durft te maken) in het midden van de discipelen. Laten wij ervoor waken dat zo'n gemopper, als gevolg van ontevredenheid en jaloezie, bij ons niet de kop op steekt. Laten we zoiets bij ons direct in de kiem smoren, want "de verderver" maakt er gretig gebruik van om daardoor de onderlinge gemeenschap van de kinderen van God te verstoren (1 Korinthe 10 vers 10).

Om een einde te maken aan deze gang van zaken, wordt er een zevental mannen uitgekozen en vervolgens aangesteld. We zouden wellicht nooit verwacht hebben dat het voor het dienen van de tafels nodig zou zijn, dat men "vol van de Heilige Geest" was (vers 3). Maar dat is de normale toestand van de christen! En zo kan het ook bij ons zijn, wanneer wij er werkelijk naar verlangen! Niet dat wij dan om een nieuwe komst van de Heilige Geest moeten vragen, want dat menen sommigen. Nee, Hij woont immers al in de gelovigen! Maar voor ons is het van groot belang dat wij Hem ook alle ruimte geven in de tempel van ons hart! Ja, dat ons hele hart Hem ter beschikking staat!

Bij Stefanus zien we duidelijk de drie karakterkenmerken van de Heilige Geest naar voren komen: kracht, liefde en wijsheid (of bezonnenheid: vers 8 en 10, vergelijk 2 Timotheüs 1 vers 7). Door de werken en woorden (vers 8 en 10) van deze man van God worden de monden van al zijn vijanden toegesloten. Vandaar dat men daarop valse getuigen tegen hem oproept (Mattheüs 26 vers 59). Maar zijn aangezicht straalt dan al van een hemelse schoonheid (vers 15).

Handelingen 7:1-19
1En de hogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzo?2En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe: de God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamie, eer hij woonde in Charran;3En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land, dat Ik u wijzen zal.4Toen ging hij uit het land der Chaldeen, en woonde in Charran. En van daar, nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, daar gij nu in woont.5En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet een voetstap; en beloofde, dat Hij hem het zelve tot een bezitting geven zou, en zijn zade na hem, als hij nog geen kind had.6En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken, en kwalijk handelen, vierhonderd jaren.7En het volk, dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.8En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzo gewon hij Izak, en besneed hem op den achtsten dag; en Izak gewon Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen.9En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef, om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,10En verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, den koning van Egypteland; en hij stelde hem tot een overste over Egypte, en zijn gehele huis.11En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en Kanaan, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijs.12Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit.13En in de tweede reize werd Jozef zijn broederen bekend; en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.14En Jozef zond heen, en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.15En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.16En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som gelds, van de zonen van Emmor, den vader van Sichem.17Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte;18Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.19Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen.

De hogepriester geeft het woord aan Stefanus. Die benut deze gelegenheid echter niet om zichzelf te rechtvaardigen, vanwege de valse aanklachten die tegen hem zijn ingebracht. De Heilige Geest, met Wie hij vervuld is, leert hem wat hij "in dat uur" moet spreken (Lukas 12 vers 11 en 12). Hij maakt daarbij gebruik van de geschiedenis van Israël, om de wegen van God en Zijn trouw — en tegelijkertijd de ontrouw van het volk — te belichten. Deze vertelling, die een belangrijke plaats inneemt in het Woord van God, bevat inderdaad veel onderwijzingen in de vorm van voorbeelden, die tot vermaning, tot waarschuwing dienen (1 Korinthe 10 vers 11).

Abraham werd geroepen en gehoorzaamde (Hebreeën 11 vers 8). Hij had in geloof de beloften die God hem vóór en ná de geboorte van Izaäk had gegeven, aangegrepen. Zijn nakomelingen zouden zich in Egypte ophouden en daar onderdrukt worden. Vervolgens zouden ze uit dat land trekken, naar het land van de belofte en daar de Heere dienen: "Zij zullen Mij dienen" (vers 7). Deze woorden waren geschikt om het geweten van dit ongehoorzame en opstandige volk te bereiken.

De geschiedenis van Jozef, die door zijn broers werd verworpen en later door Farao werd verhoogd, is een opmerkelijke illustratie van de haat van de Joden tegen Christus en de heerlijke positie die God Hem gaf, nadat Hij Hem "uit al Zijn verdrukkingen" had verlost (vers 10).

Handelingen 7:20-43
20In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.21En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.22En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.23Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart, zijn broeders, de kinderen Israels, te bezoeken.24En ziende een, die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene, dien overlast geschiedde, en versloeg den Egyptenaar.25En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God door zijn hand hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.26En den volgenden dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten; en hij drong ze tot vrede, zeggende: Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?27En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?28Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt?29En Mozes vluchtte op dat woord en werd een vreemdeling in het land Madiam, waar hij twee zonen gewon.30En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren, in de woestijn van den berg Sinai, in een vlammig vuur van het doornenbos.31Mozes nu, dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging, om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heeren tot hem,32Zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Izaks, en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.33En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heilig land.34Ik heb merkelijk gezien de mishandeling Mijns volks, dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord en ben nedergekomen, om hen daaruit te verlossen; en nu, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden.35Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen, zeg ik, heeft God tot een overste en verlosser gezonden, door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornenbos.36Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode zee, en in de woestijn, veertig jaren.37Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen.38Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel, Die tot hem sprak op den berg Sinai, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven.39Denwelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte;40Zeggende tot Aaron: Maak ons goden, die voor ons heengaan; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet, wat hem geschied is.41En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.42En God keerde Zich, en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden Mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels?43Ja, gij hebt opgenomen den tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen, die gij gemaakt hebt, om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylon.

Stefanus wordt ervan beticht lasterlijke woorden over Mozes gesproken te hebben (hoofdstuk 6 vers 11), maar hij spreekt daarentegen juist met grote eerbied over deze patriarch! Hij vertelt over de schoonheid, die God in hem zag vanaf zijn geboorte (vers 20); later zijn macht in woorden en werken (vers 22); zijn liefde tot zijn broeders, die hem drong hen te bezoeken (vers 23); het onbegrip dat hij bij hen ondervond, toen hij hen wilde bevrijden (vers 25 en 35). Al deze karaktertrekken van Mozes worden opgenoemd om de blikken van het volk op de kostbare Verlosser te richten, Die door dit volk verworpen was. Mozes had Zijn komst overigens al aangekondigd en gezegd: "Die zult gij horen!" (vers 37). En Petrus had in zijn toespraak (hoofdstuk 3 vers 22), al eerder dan Stefanus, gewezen op de woorden uit Deuteronomium 18 vers 15. Het betreft hier dus een tweevoudig getuigenis van de vervulling van de Schriften!

Dit volk heeft echter vanaf het begin van haar geschiedenis steeds opnieuw laten zien dat het ongehoorzaam was en de afgoden diende. En ondanks de grootste bewijzen van de liefde en het geduld van God is het natuurlijke karakter van dit volk niet veranderd.

Zo is het ook met onze arme harten. Voor zover we ons kunnen herinneren, zelfs als kind, wordt er ook bij ons ongehoorzaamheid en begeerte gevonden. Alleen de macht van God is in staat geweest ons een nieuwe natuur te geven.

Handelingen 7:44-60
44De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide, dat hij denzelven maken zou naar de afbeelding, die hij gezien had;45Welken ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land, dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe;46Dewelke voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.47En Salomo bouwde Hem een huis.48Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt:49De hemel is Mij een troon, en de aarde een voetbank Mijner voeten. Hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats Mijner ruste?50Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?51Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.52Wien van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen, die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van Welken gijlieden nu verraders en moordenaars geworden zijt.53Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden!54Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten, en zij knersten de tanden tegen hem.55Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes, en de ogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus, staande ter rechter hand Gods.56En hij zeide: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechter hand Gods.57Maar zij, roepende met grote stemme, stopten hun oren, en vielen eendrachtelijk op hem aan;58En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun klederen af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus.59En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijn geest.60En vallende op de knieen, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.

Stefanus beëindigt zijn vertelling. Hij was als aangeklaagde voor de Raad verschenen, maar nu zijn de rollen omgekeerd. Hij is het die dit halsstarrige volk van de kant van God als het ware een proces aandoet (zie al Exodus 32 vers 9; 33 vers 3 en verder). Hij die vervuld was met de Heilige Geest, zegt tegen hen: "Gij weerstaat altijd de Heilige Geest" (vers 51). Ach! gebeurt het bij ons ook niet vaak, dat wij de Heilige Geest weerstaan, wanneer het erom gaat de wil van God te doen in plaats van onze eigen wil te volgen?

Wat zien we hier een groot contrast tussen de vrede van deze discipel — die helemaal opgaat in het aanschouwen van de heerlijkheid van de Heere Jezus, Die hij ziet staan aan de rechterhand van God — en de grote woede van zijn tegenstanders. Zij worden door haat gedreven, zonder ook maar het geringste spoor van zelfveroordeling te tonen over de misdaad die tot gevolg had dat de Joden eeuwenlang als volk verworpen waren en verstrooid werden over de gehele aarde.

Wanneer we de laatste woorden van deze trouwe getuige (vers 56 en 60) vergelijken met de woorden van zijn Heere op het kruis (Lukas 23 vers 46 en 34), dan zien we opnieuw dat deze discipel veel lijkt op zijn Meester, op Wie hij zijn ogen gericht heeft.

Deze moord vormt de tragische afsluiting van de geschiedenis van dit opstandige volk, waarover Stefanus verteld heeft. Hij bezegelt dit met zijn eigen bloed, doordat hij, na de lange lijst met namen van vervolgde profeten (vers 52), de eerste martelaar van de Gemeente werd (lees 1 Thessalonicenzen 2 vers 15 en 16).

Handelingen 8:1-25
1En Saulus had mede een welbehagen aan zijn dood. En er werd te dien dage een grote vervolging tegen de Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij werden allen verstrooid door de landen van Judea en Samaria, behalve de apostelen.2En enige godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen ten grave en maakten groten rouw over hem.3En Saulus verwoestte de Gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hen over in de gevangenis.4Zij dan nu, die verstrooid waren, gingen het land door, en verkondigden het Woord.5En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus.6En de scharen hielden zich eendrachtelijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, dewijl zij hoorden en zagen de tekenen, die hij deed.7Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen dezelve uit, roepende met grote stem; en vele geraakten en kreupelen werden genezen.8En er werd grote blijdschap in die stad.9En een zeker man, met name Simon, was te voren in de stad plegende toverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaria, zeggende van zichzelven, dat hij wat groots was.10Welken zij allen aanhingen, van den kleine tot den grote, zeggende: Deze is de grote kracht Gods.11En zij hingen hem aan, omdat hij een langen tijd met toverijen hun zinnen verrukt had.12Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods, en van den Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beiden, mannen en vrouwen.13En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Filippus; en ziende de tekenen en grote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich.14Als nu de apostelen, die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het Woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes;15Dewelken, afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten.16(Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleenlijk gedoopt in den Naam van den Heere Jezus.)17Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest.18En als Simon zag, dat, door de oplegging van de handen der apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan,19Zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat, zo wien ik de handen opleg, hij den Heiligen Geest ontvange.20Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!21Gij hebt geen deel noch lot in dit woord: want uw hart is niet recht voor God.22Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd.23Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid.24Doch Simon, antwoordende, zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt.25Zij dan nu, als zij het Woord des Heeren betuigd en gesproken hadden, keerden wederom naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele vlekken der Samaritanen.

De Heere heeft Zijn discipelen geboden: "Gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde" (hoofdstuk 1 vers 8). Tot nu toe hadden ze slechts het eerste deel van deze opdracht uitgevoerd. Om hen zover te brengen dat ze verder gaan met de volgende etappe, gebruikt de Heere, in Zijn wijsheid, een pijnlijk middel: de vervolging. De dood van Stefanus gaf hiertoe het startsein. Dat had namelijk de verstrooiing van de gelovigen tot gevolg, waardoor het evangelie nu ook op andere plaatsen verspreid werd. Een onaangename wind heeft dus gelukkige gevolgen gehad; deze wind was nodig om het zaad te verspreiden.

De evangelist Filippus (die in hoofdstuk 6 vers 5 genoemd wordt) gaat naar Samaria, om daar "Christus" te prediken. Hij predikt dus geen leer, maar een Persoon (vers 5; vergelijk vers 35).

Ons getuigenis zou meer kracht hebben wanneer wij, in plaats van waarheden voor te stellen, in onze omgeving meer zouden spreken van Hem Die ons hart vervult — of zou moeten vervullen!

Zo komt het dat deze Samaritanen, van wie de Joden een afkeer hadden en die door hen veracht werden, nu dezelfde gave van de Heilige Geest ontvangen als zij. Men heeft niet de toegang tot zo'n groot voorrecht door geboorte, noch door een bepaalde verdienste of geld — zoals Simon de tovenaar dacht, maar alles komt alleen door de genade van God!

Handelingen 8:26-40
26En een engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op, en ga heen tegen het zuiden, op den weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is.27En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candace, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem;28En hij keerde wederom, en zat op zijn wagen, en las den profeet Jesaja.29En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe, en voeg u bij dezen wagen.30En Filippus liep toe, en hoorde hem den profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?31En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus, dat hij zou opkomen, en bij hem zitten.32En de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open.33In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.34En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van Wien zegt de profeet dit, van zichzelven, of van iemand anders?35En Filippus deed zijn mond open en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus.36En alzo zij over weg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide: Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?37En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zeide: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is.38En hij gebood den wagen stil te houden; en zij daalden beiden af in het water, zo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem.39En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.40Maar Filippus werd gevonden, te Azote; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesarea kwam.

Filippus is zojuist het werktuig geweest tot een groot werk in Samaria. Wat zal het hem daarom verbaasd hebben, dat hij de opdracht krijgt dat arbeidsterrein te verlaten en naar een weg te gaan die "woest is" (Vers 26)! Wat een merkwaardige plaats om het evangelie te verkondigen! Hij gehoorzaamt echter zonder tegen te spreken.

En dan komt daar een wagen langs van een hoge Afrikaanse ambtenaar, een minister. Deze man heeft een lange reis ondernomen om te aanbidden in Jeruzalem. Maar hoe zou hij in deze stad, waar Gods Zoon verworpen was, ooit God hebben kunnen vinden? Desondanks brengt deze man vandaar een schat met zich mee, een schat die veel grotere waarde heeft dan alle schatten van zijn koningin (vers 27), namelijk een deel van de heilige Schrift. En God heeft hem bij het lezen geleid tot aan de kern van het Boek Jesaja, tot aan hoofdstuk 53. Op deze manier heeft de Heere alles voorbereid voor Zijn dienstknecht Filippus. En door hem leert deze man uit Ethiopië nu de Heere Jezus kennen. Daarop kan hij gedoopt worden en vervolgt hij even later zijn weg "met blijdschap" (vers 39). En we mogen gerust aannemen dat hij daarna in zijn eigen verre land een boodschapper van de genade is geworden.

Niet alleen zij die zich richten tot grote mensenmenigten, zijn evangelisten. Voor elke gelovige geldt dat hij of zij moet beginnen met gehoorzaam te zijn, vooral als je van werkkring of woonplaats gaat veranderen. Ook in de nieuwe omgeving zal de Heere gelegenheid geven dat je, op het juiste moment, iemand ontmoet die je over de Heere Jezus mag vertellen.

Handelingen 9:1-22
1En Saulus, blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot de hogepriester,2En begeerde brieven van hem naar Damaskus, aan de synagogen, opdat, zo hij enigen, die van dien weg waren, vond, hij dezelve, beiden mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem.3En als hij reisde, is het geschied, dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel;4En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul! wat vervolgt gij Mij?5En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt. Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.6En hij, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden, wat gij doen moet.7En de mannen, die met hem over weg reisden, stonden verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende.8En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijn ogen opendeed, zag hij niemand. En zij, hem bij de hand leidende, brachten hem te Damaskus.9En hij was drie dagen, dat hij niet zag, en at niet, en dronk niet.10En er was een zeker discipel te Damaskus, met name Ananias; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zeide: Zie, hier ben ik, Heere!11En de Heere zeide tot hem: Sta op, en ga in de straat, genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar een, met name Saulus, van Tarsen; want zie, hij bidt.12En hij heeft in een gezicht gezien, dat een man, met name Ananias, inkwam, en hem de hand oplegde, opdat hij wederom ziende werd.13En Ananias antwoordde: Heere! ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;14En heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen, die Uw Naam aanroepen.15Maar de Heere zeide tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israels.16Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.17En Ananias ging heen en kwam in het huis; en de handen op hem leggende, zeide hij: Saul, broeder! de Heere heeft mij gezonden, namelijk Jezus, Die u verschenen is op den weg, dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.18En terstond vielen af van zijn ogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende; en stond op, en werd gedoopt.19En als hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen, die te Damaskus waren.20En hij predikte terstond Christus in de synagogen, dat Hij de Zoon van God is.21En zij ontzetten zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene, die te Jeruzalem verstoorde, wie dezen Naam aanriepen, en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zou brengen tot de overpriesters?22Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden, die te Damaskus woonden, bewijzende, dat deze de Christus is.

In hoofdstuk 8 vers 3 wordt een man genoemd die een verbitterde vijand van de christenen is: Saulus. Volgens zijn eigen woorden was hij destijds "een godslasteraar... een vervolger, en een verdrukker", kortom: "de voornaamste" van de zondaren (1 Timotheüs 1 vers 13 en 15). Door de macht van God wordt satan echter één van zijn beste werktuigen ontrukt, en wordt deze man aangesteld in Zijn dienst.

Saulus stelt zich er niet mee tevreden dat hij alleen in Jeruzalem de christenen onderdrukt. Zijn woede en fanatisme strekken zich ook uit tot andere steden waarin het werk van God zich heeft uitgebreid (vergelijk hoofdstuk 26 vers 11). Vandaar ook dat we hem hier nu tegenkomen op de weg naar Damaskus. Hij heeft een volmacht van de hogepriester in handen en heeft een onverzoenlijke haat in zijn hart, ten opzichte van de volgelingen van de Heere Jezus. Onderweg wordt hij echter plotseling, rond de middag, door een stralend licht verblind en op de grond geworpen. We kunnen ons indenken dat hij enorm geschrokken moet zijn, toen hij hoorde dat Degene Die hem vanuit de heerlijkheid in de hoge aansprak, deze Jezus was Die hij, in Zijn discipelen, vervolgde. De Heere Jezus identificeert Zich namelijk met Zijn geliefde verlosten; zij zijn een deel van Hemzelf.

Vervolgens wordt Saulus naar Damaskus gebracht en vindt er in zijn ziel een wonderlijk werk plaats. De Heere geeft een zekere Ananias de opdracht om deze pasbekeerde op te zoeken, hem de ogen te openen en te dopen.

Handelingen 9:23-43
23En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden te zamen raad, om hem te doden.24Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem doden mochten.25Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in een mand.26Saulus nu, te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was.27Maar Barnabas, hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun, hoe hij op den weg den Heere gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had; en hoe hij te Damaskus vrijmoediglijk gesproken had in den Naam van Jezus.28En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem;29En vrijmoediglijk sprekende in den Naam van den Heere Jezus, sprak hij ook, en handelde tegen de Griekse Joden; maar deze trachtten hem te doden.30Doch de broeders, dit verstaande geleidden hem tot Cesarea, en zonden hem af naar Tarsen.31De Gemeenten dan, door geheel Judea, en Galilea, en Samaria, hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreze des Heeren, en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd.32En het geschiedde, als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden.33En aldaar vond hij een zeker mens, met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was.34En Petrus zeide tot hem: Eneas! Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op.35En zij zagen hem allen, die te Lydda en Sarona woonden, dewelke zich bekeerden tot den Heere.36En te Joppe was een zekere discipelin, met name Tabitha, hetwelk overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed.37En het geschiedde in die dagen, dat zij krank werd en stierf; en als zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal.38En alzo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende, dat hij niet zou vertoeven tot hen over te komen.39En Petrus stond op, en ging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden. En al de weduwen stonden bij hem, wenende, en tonende de rokken en klederen, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was.40Maar Petrus, hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad: en zich kerende tot het lichaam, zeide hij: Tabitha, sta op! En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij over einde.41En hij gaf haar de hand, en richtte haar op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor hen.42En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in den Heere.43En het geschiedde, dat hij vele dagen te Joppe bleef, bij een zekeren Simon, een lederbereider.

Zodra Paulus bekeerd is, begint hij de Naam te verkondingen waartegen hij voordien zo hardnekkig gestreden had (vers 20). Er zijn echter nog een aantal jaren nodig om hem voor te bereiden op de dienst waartoe hij in vers 15 geroepen was.

Beste gelovige jonge vrienden, wacht niet totdat je veel kennis vergaard hebt, voordat je anderen van de Heere vertelt. Maar meen ook niet, dat het voldoende is dat je gered bent, en dat je daarna onmiddellijk een bepaalde dienst kunt doen. Paulus had eerst een tijd van stilte nodig in Arabië (Galaten 1 vers 17), en daarna een tijd van teruggetrokkenheid in Tarsen (Handelingen 9 vers 30 en hoofdstuk 11 vers 25), voordat hij werd uitgezonden om samen met Barnabas het evangelie aan de volken te brengen. Pas veertien jaar na zijn bekering gaven de andere apostelen hem "de rechterhand van de gemeenschap" (Galaten 2 vers 9) voor het werk onder de volken.

We lezen in dit Schriftgedeelte ook over vier prachtige kenmerken van de begintijd de Gemeente: vrede, opbouwing, een heilige vrees en ten slotte een toename in het aantal personen, dankzij het werk van de Goddelijke Trooster (vers 31). De Heilige Geest is altijd bij en in ons, opdat ook wij deze eigenschappen verwerkelijken.

Dit hoofdstuk eindigt met de genezing van Eneas en de opwekking van Dorkas, twee wonderen die Petrus mocht doen en die het middel waren waardoor er zielen tot de Heere geleid werden en waardoor de discipelen de troost van de Heilige Geest mochten genieten.

Handelingen 10:1-24
1En er was een zeker man te Cesarea, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende, genaamd de Italiaanse;2Godzalig en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende.3Deze zag in een gezicht klaarlijk, omtrent de negende ure des daags, een engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius!4En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is het Heere? En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.5En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus.6Deze ligt te huis bij een Simon, lederbereider, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen, wat gij doen moet.7En als de engel, die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisknechten, en een godzaligen krijgsknecht van degenen, die gedurig bij hem waren;8En als hij hun alles verhaald had, zond hij hen naar Joppe.9En des anderen daags, terwijl deze reisden, en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak, om te bidden, omtrent de zesde ure.10En hij werd hongerig, en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een vertrekking van zinnen.11En hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en nedergelaten op de aarde;12In hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.13En er geschiedde een stem tot hem: Sta op, Petrus! slacht en eet.14Maar Petrus zeide: Geenszins, Heere! want ik heb nooit gegeten iets, dat gemeen of onrein was.15En een stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken.16En dit geschiedde tot drie maal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel.17En alzo Petrus in zichzelven twijfelde, wat toch het gezicht mocht zijn, dat hij gezien had, ziet, de mannen, die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort.18En iemand geroepen hebbende, vraagden zij, of Simon, toegenaamd Petrus, daar te huis lag.19En als Petrus over dat gezicht dacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u;20Daarom sta op, en ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want ik heb hen gezonden.21En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zeide: Ziet, ik ben het, dien gij zoekt; wat is de oorzaak, waarom gij hier zijt?22En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vrezende God, en die goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van een heiligen engel, dat hij u zou ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zou horen.23Als hij hen dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Doch des anderen daags ging Petrus met hen heen, en sommigen der broederen, die van Joppe waren, gingen met hem.24En des anderen daags kwamen zij te Cesarea. En Cornelius verwachtte hen, samengeroepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden.

Dit hoofdstuk is voor ons die tot de volken behoren, uitermate belangrijk. We zien hier hoe Petrus inderdaad de deuren van "het Koninkrijk der hemelen" voor hen opent (Mattheüs 16 vers 19). Het is heel opvallend hoe zorgvuldig en met welke genade God aan de ene kant Zijn dienstknecht en aan de andere kant Cornelius voorbereidt op de ontmoeting die voor de hoofdman — en voor ons — zulke wonderbare gevolgen zou hebben. De openbaring van God vindt, zowel bij de één als bij de ander, plaats tijdens dezelfde, kostbare bezigheid: tijdens het gebed.

Uit de terughoudendheid van Petrus om te eten van de inhoud van het grote linnen laken dat uit de hemel neerdaalde, blijkt hoe diep de Joodse vooroordelen — zelfs bij de discipelen — geworteld zaten. En we zien ook dat de Israëliet zich verheven voelde boven iemand uit de volken, uit de heidenen. Door dit visioen wilde God Zijn dienstknecht leren om geen onderscheid meer te maken tussen een 'rein' volk en de onreine naties. Allen, zowel Jood als heiden, zijn verontreinigde zondaren en zijn "onder de ongehoorzaamheid besloten", om vervolgens het onderwerp van dezelfde barmhartigheid te worden (Romeinen 10 vers 12 en hoofdstuk 11 vers 30 - 32).

Moge God ons er daarom voor bewaren, dat wij 'de persoon aan zien' (vers 34), en de één minder geschikt achten om het evangelie te ontvangen dan de ander. Wij hebben niet te kiezen, maar alleen te gehoorzamen!

Handelingen 10:25-48
25En als het geschiedde, dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij.26Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens.27En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren.28En hij zeide tot hen: Gij weet, hoe het een Joodsen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten.29Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden.30En Cornelius zeide: Over vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter negende ure bad ik in mijn huis.31En ziet, een man stond voor mij, in een blinkend kleed, en zeide: Cornelius! uw gebed is verhoord, en uw aalmoezen zijn voor God gedacht geworden.32Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus; deze ligt te huis in het huis van Simon, den lederbereider, aan de zee, welke, hier gekomen zijnde, tot u spreken zal.33Zo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt welgedaan, dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is.34En Petrus, den mond opendoende, zeide: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is;35Maar in allen volke, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam.36Dit is het woord, dat Hij gezonden heeft den kinderen Israels, verkondigende vrede door Jezus Christus; deze is een Heere van allen.37Gijlieden weet de zaak, die geschied is door geheel Judea, beginnende van Galilea, na den doop, welken Johannes gepredikt heeft;38Belangende Jezus van Nazareth, hoe Hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen, die van den duivel overweldigd waren; want God was met Hem.39En wij zijn getuigen van al hetgeen Hij gedaan heeft, beide in het Joodse land en te Jeruzalem; Welken zij gedood hebben, Hem hangende aan het hout.40Dezen heeft God opgewekt ten derden dage, en gegeven, dat Hij openbaar zou worden;41Niet al den volke, maar den getuigen, die van God te voren verkoren waren, ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was.42En heeft ons geboden den volke te prediken, en te betuigen, dat Hij is Degene, Die van God verordend is tot een Rechter van levenden en doden.43Dezen geven getuigenis al de profeten, dat een iegelijk, die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam.44Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden.45En de gelovigen, die uit de besnijdenis waren, zovelen als met Petrus gekomen waren, ontzetten zich, dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd.46Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God groot maken. Toen antwoordde Petrus:47Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben, gelijk als ook wij?48En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in den Naam des Heeren. Toen baden zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven.

God gebruikt verschillende middelen om de mensen ertoe te brengen Hem te erkennen. De bekeringen van de Ethiopiër (hoofdstuk 8), van Saulus (hoofdstuk 9) en van Cornelius (hoofdstuk 10) lijken niet op elkaar. In deze drie mannen mogen we de nakomelingen van de drie zonen van Noach herkennen.

Cham: de Afrikaanse en Aziatische rassen.

Sem: Israël en bepaalde (midden-) Oosterse volken. Jafeth: de volken uit het Noorden en Westen.

En we lezen in vers 43 dat "een ieder die in Hem (de Heere Jezus) gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam" (zie ook Openbaring 5 vers 9).

Cornelius behoort tot hen die "verre zijn" en die nu op hun beurt ook de blijde boodschap van vrede door Jezus Christus mogen horen (vers 36; hoofdstuk 2 vers 39; Efeze 2 vers 17).

Het waren inderdaad heerlijke bezoekers die dit huis, dat vroeger heidens was, aandeden. Allereerst een engel (vers 3), dan Petrus en zes andere broeders (hoofdstuk 11 vers 12) als de overbrengers van de boodschap van het evangelie. En ten slotte, en dat is de belangrijkste, de Heilige Geest Zelf, Die deze pasbekeerden als een Zegel ontvingen (Efeze 1 vers 13 en 14), en waardoor hun geloof en hun positie als kinderen van God werd bevestigd. Door dit openlijke teken kon men niet anders dan in dit hele gebeuren de wil van de genade van God erkennen. En Petrus kan dit dan ook slechts door de christelijke doop bevestigen (vers 48).

Handelingen 11:1-18
1De apostelen nu, en de broeders, die in Judea waren, hebben gehoord, dat ook de heidenen het Woord Gods aangenomen hadden.2En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen, die uit de besnijdenis waren,3Zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen, die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten.4Maar Petrus, beginnende, verhaalde het hun vervolgens, zeggende:5Ik was in de stad Joppe, biddende en zag in een vertrekking van zinnen een gezicht, namelijk een zeker vat, gelijk een groot linnen laken, nederdalende, bij de vier hoeken nedergelaten uit den hemel, en het kwam tot bij mij;6Op welk laken als ik de ogen hield, zo merkte ik, en zag de viervoetige dieren der aarde, en de wilde, en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.7En ik hoorde een stem, die tot mij zeide: Sta op, Petrus, slacht en eet.8Maar ik zeide: Geenszins, Heere, want nooit is iets, dat gemeen of onrein was, in mijn mond ingegaan.9Doch de stem antwoordde mij ten tweeden male uit den hemel: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken.10En dit geschiedde tot driemaal; en alles werd wederom opgetrokken in den hemel.11En ziet, ter zelfder ure stonden er drie mannen voor het huis, daar ik in was, die van Cesarea tot mij afgezonden waren.12En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan zou, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in des man huis ingegaan.13En hij heeft ons verhaald, hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond, en tot hem zeide: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus;14Die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en al uw huis.15En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin.16En ik werd gedachtig aan het woord des Heeren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest.17Indien dan God hun evengelijke gave gegeven heeft, als ook ons, die in de Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren?18En als zij dit hoorden, waren zij tevreden, en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven!

Laten we nooit iets beoordelen naar uiterlijke schijn of omstandigheden die ons slechts ten dele bekend zijn. Het kan zijn dat een christen handelt in gehoorzaamheid aan de Heere, terwijl wij zijn gedrag misschien vreemd vinden. Zo was het ook bij Petrus, toen hij bij Cornelius binnenging en samen met hem at. Zij "die uit de besnijdenis waren" (vers 2), keken ook niet verder dan deze uiterlijke details, terwijl er in dit huis juist wonderbare dingen gebeurd waren, waarover de apostel hun nu vertelt! Het heil voor de volken was al in het Oude Testament aangekondigd (bijvoorbeeld Jesaja 49 vers 1; hoofdstuk 65 vers 1). Vanaf zijn eerste toespraak had Petrus hier zelf ook op gewezen (hoofdstuk 2 vers 21 en 39). Er waren echter duidelijke bewijzen nodig, om de vooroordelen van de broeders uit Jeruzalem weg te nemen. Die worden hun hier, aan de hand van de vertelling van Petrus, gegeven en door zes getuigen, die bij hem waren, bevestigd. Als ze horen hoe de apostel licht over deze zaak had ontvangen en naar Cornelius geleid werd, en vooral dat de Heilige Geest op deze heidenen gekomen was, erkennen ze dit als de wil van God en eren ze Hem.

Laten we ons verblijden over deze gunst, die zich uitgestrekt heeft tot ons! En laten we — als we het nog niet gedaan hebben — er haast mee maken en ook zelf deze "bekering ten leven" aannemen (vers 18).

Handelingen 11:19-30; Handelingen 12:1-6
19Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Fenicie toe, en Cyprus, en Antiochie, tot niemand het Woord sprekende, dan alleen tot de Joden.20En er waren enige Cyprische en Cyreneische mannen uit hen, welken te Antiochie gekomen zijnde, spraken tot de Grieksen, verkondigende den Heere Jezus.21En de hand des Heeren was met hen; en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot den Heere.22En het gerucht van hen kwam tot de oren der Gemeente, die te Jeruzalem was; en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochie toe.23Dewelke, daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, werd verblijd, en vermaande hen allen, dat zij met een voornemen des harten bij den Heere zouden blijven.24Want hij was een goed man, en vol des Heiligen Geestes en des geloofs; en er werd een grote schare den Heere toegevoegd.25En Barnabas ging uit naar Tarsen, om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bracht hij hem te Antiochie.26En het is geschied, dat zij een geheel jaar samen vergaderden in de Gemeente, en een grote schare leerden; en dat de discipelen eerst te Antiochie Christenen genaamd werden.27En in dezelfde dagen kwamen enige profeten af van Jeruzalem te Antiochie.28En een uit hen, met name Agabus, stond op, en gaf te kennen door den Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld; dewelke ook gekomen is onder den keizer Claudius.29En naardat een iegelijk der discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste der broederen, die in Judea woonden.30Hetwelk zij ook deden, en zonden het tot de ouderlingen, door de hand van Barnabas en Saulus.
1En omtrent denzelfden tijd sloeg de koning Herodes de handen aan sommigen van de Gemeente, om die kwalijk te handelen.2En hij doodde Jakobus, den broeder van Johannes, met het zwaard.3En toen hij zag, dat het den Joden behagelijk was, voer hij voort, om ook Petrus te vangen (en het waren de dagen der ongehevelde broden);4Denwelken ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaren, willende na het paas feest hem voorbrengen voor het volk.5Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de Gemeente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.6Toen hem nu Herodes zou voorbrengen, sliep Petrus dienzelfden nacht tussen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden den gevangenis.

De deur van de genade, die voor de Joden als volk van God door het doden van Stefanus gesloten werd, is nu opengegaan voor de volken. Een groot aantal Grieken "bekeerde zich tot de Heere" (vers 20 en 21). De Heere Jezus heeft deze vrucht van Zijn werk voorzien, toen er Grieken kwamen die Hem wilden zien (Johannes 12 vers 20 en verder).

In Antiochië ontstaat nu een bloeiende gemeente, waar Barnabas en Saulus een jaar lang een dienst mogen doen. En omdat de mensen het leven (de levenswijze) van deze gelovigen met eigen ogen zien, geven ze hun de naam van hun Heere: ze worden hier voor het eerst "Christenen" genoemd (vers 26).

Het is een eer, maar ook een verantwoording om de naam van Christus te mogen dragen. Hoeveel — of hoe weinig —van de miljoenen belijders in de christenheid, die deze mooie naam 'christen' dragen, zijn het ook werkelijk?

De broederliefde onder de gelovigen in Antiochië komt naar voren in hun hulp "ten dienste van de broeders, die in Judéa woonden", die in nood zouden komen (vers 27 - 30).

Herodes Agrippa (hoofdstuk 12 vers 1) laat zien dat hij een waardige — maar dan in negatieve zin — opvolger is van zijn oom, Herodes Antipas (Lukas 13 vers 31 en 32; hoofdstuk 23 vers 11 en verder) en zijn grootvader, Herodes de Grote (Mattheüs 2). Gedreven door wreedheid en een verlangen om anderen te behagen (vergelijk vers 3 en Markus 6 vers 26), doodde hij "Jakobus, de broeder van Johannes, met het zwaard" (vers 2) en laat hij Petrus in de gevangenis gooien (vers 3 en 5).

Handelingen 12:7-25
7En ziet, een engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus, wekte hij hem op, zeggende: Sta haastelijk op. En zijn ketenen vielen af van de handen.8En de engel zeide tot hem: Omgord u, en bind uw schoenzolen aan. En hij deed alzo. En hij zeide tot hem: Werp uw mantel om, en volg mij.9En uitgaande volgde hij hem, en wist niet, dat het waarachtig was, hetgeen door den engel geschiedde, maar hij meende, dat hij een gezicht zag.10En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort, die naar de stad leidt; dewelke van zelve hun geopend werd. En uitgegaan zijnde, gingen zij een straat voort, en terstond scheidde de engel van hem.11En Petrus, tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk dat de Heere Zijn engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes, en uit al de verwachting van het volk der Joden.12En als hij alles overlegd had, ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toegenaamd was Markus, alwaar velen samenvergaderd en biddende waren.13En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam een dienstmaagd voor om te luisteren, met name Rhode.14En zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte, dat Petrus voor aan de voorpoort stond.15En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef er sterk bij, dat het alzo was. En zij zeiden: Het is zijn engel.16Maar Petrus bleef kloppende: en als zij opengedaan hadden, zagen zij hem, en ontzetten zich.17En als hij hen met de hand gewenkt had, dat zij zwijgen zouden, verhaalde hij hun, hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zeide: Boodschapt dit aan Jakobus en de broederen. En hij uitgegaan zijnde, reisde naar een andere plaats.18En als het dag was geworden, was er geen kleine beroerte onder de krijgsknechten, wat toch aan Petrus mocht geschied zijn.19En als Herodes hem gezocht had, en niet vond, en de wachters rechtelijk ondervraagd had, gebood hij, dat zij weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judea naar Cesarea, en hield zich aldaar.20En Herodes had in den zin tegen de Tyriers en Sidoniers te krijgen; maar zij kwamen eendrachtelijk tot hem, en Blastus, die des konings kamerling was, overreed hebbende, begeerden vrede, omdat hun land gespijzigd werd van des konings land.21En op een gezetten dag, Herodes, een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen.22En het volk riep hem toe: Een stem Gods, en niet eens mensen!23En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf den geest.24En het Woord Gods wies, en vermenigvuldigde.25Barnabas nu en Saulus keerden wederom van Jeruzalem, als zij den dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus.

Noch de kettingen, noch de zestien soldaten, noch de moordlustige bedoelingen van Herodes kunnen Petrus ervan weerhouden om in de gevangenis rustig te slapen. En er bestaat ook niets wat de Heere zou kunnen verhinderen om Zijn geliefde dienstknecht te bevrijden (Psalm 121 vers 5). Petrus wordt wakker gemaakt door een engel, die ook verder voor hem zorgt en hem uit de gevangenis leidt (vers 7 -10).

O, wat gaat alles gemakkelijk als God handelt! Hij kende de criminele "verwachting van het volk der Joden" (vers 11), maar had ook het voortdurende, "gedurig gebed" van de gemeente voor Petrus gehoord (vers 5) en dat was sterker.

Als de verhoring van dat gebed in de persoon van de apostel verschijnt, dan ontbreekt het geloof om die verhoring op te merken. Hoe vaak bidden wij met onze lippen, zonder werkelijk de inhoud van onze smekingen te verwachten! Vaak twijfelen we nog — hoewel het antwoord al voor de deur staat!

Herodes houdt zich doof voor alle Goddelijke waarschuwingen. Maar hij leent wel gewillig het oor aan de vleierijen van Tyriërs en Sidoniërs, die om politieke redenen de vriendschap van deze moordenaar zoeken. Plotseling wordt hij echter, voor het oog van allen, door een engel van de Heere geslagen en sterft hij een vreselijke dood. Het Woord van Degene Die hij in zijn dwaasheid had aangevallen, breidt zich daarentegen steeds verder uit (vers 24).

Handelingen 13:1-12
1En er waren te Antiochie, in de Gemeente, die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Barnabas, en Simeon, genaamd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes den viervorst opgevoed was, en Saulus.2En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beiden Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.3Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan.4Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af tot Seleucie, en van daar scheepten zij af naar Cyprus.5En gekomen zijnde te Salamis, verkondigden zij het woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar.6En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij een zekeren tovenaar, een valse profeet, een Jood, wiens naam was Bar-Jezus;7Welke was bij den stadhouder Sergius Paulus, een verstandigen man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te horen.8Maar Elymas, de tovenaar (want alzo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende den stadhouder van het geloof af te keren.9Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met den Heiligen Geest, en de ogen op hem houdende, zeide:10O gij kind des duivels, vol van alle bedrog, en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des Heeren?11En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn, en de zon niet zien voor een tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis: en rondom gaande, zocht hij, die hem met de hand mochten leiden.12Als de stadhouder zag, hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heeren.

Hier begint een nieuw gedeelte in het Boek Handelingen. De gemeente van Antiochië vormt het uitgangspunt van het werk dat onder de volken zou gebeuren. Barnabas en Saulus worden geroepen, door de Heilige Geest afgezonderd, en gaan op reis, begeleid door de gebeden van de gemeente. Hun eerste reisdoel is Cyprus, de plaats waar Barnabas vandaan kwam (hoofdstuk 4 vers 36). In Pafos aangekomen, worden de apostelen bij de stadhouder Sergius Paulus, de hoogste Romeinse regeringsambtenaar van het eiland, ontboden. Deze "verstandige man" kende de God van de Joden en wilde graag iets uit Zijn Woord horen (vers 7). Hij had echter een onrustig persoon tot raadsman: Elymas, een Joodse tovenaar (wiens bezigheid in de ogen van God een gruwel was; zie Deuteronomium 18 vers 9 en 10). Deze man maakte misbruik van de geestelijke behoeften van Sergius Paulus en oefende daarmee een onheilzame invloed op hem uit. De vijandschap van deze man bewerkte juist datgene wat hij probeerde te voorkomen. Door zijn houding is Paulus (hier voor het eerst zo genoemd) in staat om de stadhouder, in de bestraffing van de valse profeet, een bewijs te geven van de macht van de Heere.

Elymas is een beeld van het Joodse volk, dat vanwege haar tegenstand tegenover de Geest van God "voor een tijd" (vers 11) blind werd, hetgeen echter tot nut voor de volken is.

Handelingen 13:13-31
13En Paulus, en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylie. Maar Johannes, van hen scheidende, keerde weder naar Jeruzalem.14En zij, van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochie, een stad in Pisidie; en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.15En na het lezen der wet en der profeten, zonden de oversten der synagogen tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt.16En Paulus stond op, en wenkte met de hand, en zeide: Gij Israelietische mannen, en gij, die God vreest, hoort toe.17De God van dit volk Israel heeft onze vaderen uitverkoren, en het volk verhoogd, als zij vreemdelingen waren in het land Egypte, en heeft hen met een hogen arm daaruit geleid.18En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hun zeden verdragen in de woestijn.19En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaan, heeft Hij hun door het lot het land derzelve uitgedeeld.20En daarna omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun rechters, tot op Samuel, den profeet.21En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin, veertig jaren.22En dezen afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden David, den zoon van Jesse; een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen.23Van het zaad dezes heeft God Israel, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus;24Als Johannes eerst al den volke Israels voor Zijn aankomst, gepredikt had den doop der bekering.25Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wien meent gijlieden, dat ik ben? Ik ben de Christus niet; maar ziet, Hij komt na mij, Wien ik niet waardig ben de schoenen Zijner voeten te ontbinden.26Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden.27Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der profeten, die op elken sabbat dag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld;28En geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij zou gedood worden.29En als zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout, en legden Hem in het graf.30Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;31Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen, die met Hem opgekomen waren van Galilea tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk.

De apostelen vervolgen hun reis en komen in Pamfylië. Johannes (die ook wel Markus genoemd werd; hoofdstuk 12 vers 12) verlaat hen hier en keert terug naar Jeruzalem. Zijn geloof kwam niet overeen met de dienst die hij op zich genomen had, en was ook niet tegen de moeilijkheden opgewassen die hij op zich af zag komen. Het is niet voldoende om een dienstknecht van God te begeleiden of na te doen. Ook in een gemeenschappelijk werk is ieder persoonlijk verantwoording verschuldigd aan de Heere en kun je alleen in persoonlijk geloof vooruitgang boeken.

In de synagoge van Antiochië, "een stad in Pisidië" (vers 14), richt Paulus zich tot de Joden en herinnert hen, net als destijds Stefanus gedaan had, aan de geschiedenis van Israël. Hij laat hun zien hoe God de beloften die David gegeven waren, in de Heere Jezus vervuld heeft (Psalm 132 vers 11). Was deze koning immers zelf niet een kostbaar voorbeeld geweest van de Verlosser, Die van hem afstamde (vers 23)? In tegenstelling tot Saul, de koning naar het vlees, had God Zich in David immers een man verkozen 'naar Zijn hart', die Zijn wil zou doen (vers 22).

Uit alles bleek klaar en duidelijk dat de Heere Jezus de Messias was. Dit werd bewezen uit: het getuigenis van Johannes volgens de Profeten; de vervulling van de Schriften in de dood van de Heere Jezus, hoewel in Hem geen enkel oorzaak tot de dood gevonden werd (vers 28; Jesaja 53 vers 9), en bovenal door Zijn opstanding (vers 30).

Handelingen 13:32-52
32En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft.33Gelijk ook in den tweeden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.34En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;35Waarom hij ook in een anderen psalm zegt: Gij zult Uw Heilige niet over geven, om verderving te zien.36Want David, als hij in zijn tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd; en heeft wel verderving gezien;37Maar Hij, Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien.38Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt;39En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen een iegelijk, die gelooft, gerechtvaardigd wordt.40Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome, hetgeen gezegd is in de profeten:41Ziet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, hetwelk gij niet zult geloven, zo het u iemand verhaalt.42En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden de heidenen, dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.43En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Barnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods.44En op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad samen, om het Woord Gods te horen.45Doch de Joden, de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken, hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende.46Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen.47Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.48Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven.49En het Woord des Heeren werd door het gehele land uitgebreid.50Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen, en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen ze uit hun landpalen.51Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve, en kwamen te Ikonium.52En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest.

"En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof", schrijft de apostel aan de Korinthiërs (1 Korinthe 15 vers 14). Verbaast het ons dan nog, dat er hier in Handelingen zoveel nadruk gelegd wordt op de opstanding van de Heere Jezus?

Hierdoor werd de Joden duidelijk getoond dat Hij werkelijk de beloofde Messias was, over Wie Psalm 16 en andere Schriftplaatsen spraken (vers 34 en 35).

Voor de volken was Zijn opstanding een bewijs van de macht van God en van het toekomstig oordeel (hoofdstuk 17 vers 31).

Voor ons als gelovigen vormt de aanwezigheid van onze levende Verlosser in de heerlijkheid de garantie dat God Zijn werk tot onze rechtvaardigmaking heeft aangenomen (Romeinen 4 vers 25), dat ons deel hemels is (Kolosse 3 vers 1 en 2) en onze hoop "zeker en vast is" (Hebreeën 6 vers 18 -20).

Maar "de belofte, die tot de vaderen geschied is" (vers 32), deze goede boodschap, stoot bij de ongelukkige Joden op verzet en heeft lastering tot gevolg (vers 45). Daarop wenden de apostelen zich, op bevel van de Heere, tot de volken (vers 46), door te bevestigen dat elke gelovige "vergeving der zonden" ontvangt (vers 38 en 39).

Deze Joden achtten zichzelf het eeuwige leven niet waardig (vers 46). Dat was ongeloof, en zeer zeker geen nederigheid! De "oudste zoon" in de gelijkenis die de Heere Jezus vertelde, is een beeld van deze mensen (Lukas 15 vers 25 en verder). Door zijn egoïsme en eigengerechtigheid heeft hij zichzelf opzettelijk de vreugde van het vaderlijk huis ontzegd.

Handelingen 14:1-28
1En het geschiedde te Ikonium, dat zij te zamen gingen in de synagoge der Joden, en alzo spraken, dat een grote menigte, beiden van Joden en Grieken, geloofde.2Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, verwekten en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders.3Zij verkeerden dan aldaar een langen tijd, vrijmoediglijk sprekende in den Heere, Die getuigenis gaf aan het Woord Zijner genade, en gaf, dat tekenen en wonderen geschiedden door hun handen.4En de menigte der stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de apostelen.5En als er een oploop geschiedde, beiden van heidenen en van Joden, met hun oversten, om hun smaadheid aan te doen, en hen te stenigen,6Zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lykaonie, namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land;7En verkondigden aldaar het Evangelie.8En een zeker man, te Lystre, zat onmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijner moeders lijf, die nooit had gewandeld.9Deze hoorde Paulus spreken; welke de ogen op hem houdende, en ziende, dat hij geloof had om gezond te worden,10Zeide met grote stem: Sta recht op uw voeten! En hij sprong op en wandelde.11En de scharen, ziende, hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen, en zeiden in het Lycaonisch: De goden zijn den mensen gelijk geworden, en tot ons nedergekomen.12En zij noemden Barnabas Jupiter, en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde.13En de priester van Jupiter, die voor hun stad was, als hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de scharen.14Maar de apostelen, Barnabas en Paulus, dat horende, scheurden hun klederen, en sprongen onder de schare, roepende,15En zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel, en de aarde, en de zee, en al hetgeen in dezelve is;16Welke in de verledene tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen;17Hoewel Hij nochtans Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijs en vrolijkheid.18En dit zeggende, wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden.19Maar daarover kwamen Joden van Antiochie en Ikonium, en overreedden de scharen, en stenigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, menende, dat hij dood was.20Doch als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op, en kwam in de stad; en des anderen daags ging hij met Barnabas uit naar Derbe.21En als zij derzelve stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystre, en Ikonium, en Antiochie;22Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.23En als zij in elke Gemeente, met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij hen den Heere, in Welken zij geloofd hadden.24En Pisidie doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pamfylie.25En als zij te Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attalie.26En van daar scheepten zij af naar Antiochie, van waar zij der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk, dat zij volbracht hadden.27En daar gekomen zijnde, en de Gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij, wat grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij den heidenen de deur des geloofs geopend had.28En zij verkeerden aldaar geen kleinen tijd met de discipelen.

In Ikonium heeft het Woord dezelfde tweevoudige uitwerking als al eerder gebeurd was: geloof bij een grote menigte en tegenstand bij de overigen.

De apostelen spreken met vrijmoedigheid. Wat is het geheim van deze moed? Zij steunen op de Heere, Die meewerkt door hun woorden met tekenen en wonderen te bevestigen (vergelijk vers 3 en Markus 16 vers 20).

De genezing van de verlamde man in Lystre, nadat de apostelen uit Ikonium verdreven waren, maakt grote indruk op de arme heidenen. Ze willen de apostelen daarom als goden aanbidden, terwijl men hen gisteren in een andere plaats wilde stenigen! In de ogen van de apostelen was wat men nu van plan was om te doen echter veel erger. Met verontwaardiging roepen zij deze afgodendienaren dan ook op, zich tot de levende God te bekeren (vergelijk hoofdstuk 12 vers 22 en 23).

De gevoelens van de menigte wisselen echter heel snel. Voor de Joden die uit Ikonium gekomen waren, is het vrij eenvoudig om de menigte achter zich te krijgen en om Paulus, met toestemming van allen, te stenigen. De Heere bewaart echter Zijn trouwe dienstknecht, zodat hij door dit gebeuren niet angstig of ontmoedigd wordt. Rustig gaat hij daarna verder met zijn dienst, en bezoekt opnieuw de steden waarin hij al eerder het evangelie had verkondigd.

Dan is de eerste zendingsreis afgelopen. De apostelen brengen onmiddellijk verslag uit in de gemeente en vertellen alle heerlijke dingen die God met hen gedaan heeft.

Handelingen 15:1-21
1En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broederen, zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.2Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij geordineerd, dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag.3Zij dan, van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicie en Samarie, verhalende de bekering der heidenen; en deden al den broederen grote blijdschap aan.4En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de Gemeente, en de apostelen, en de ouderlingen; en zij verkondigden, wat grote dingen God met hen gedaan had.5Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeen, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden.6En de apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen, om op deze zaak te letten.7En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven.8En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons;9En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof.10Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?11Maar wij geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.12En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen, wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.13En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.14Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.15En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is:16Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen de tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten.17Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.18Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.19Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeren, niet beroere;20Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed.21Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elken sabbat in de synagogen gelezen.

De gelovigen van de gemeente in Jeruzalem en Judea waren van Joodse afkomst. Ze waren ontzettend blij, toen ze hoorden over de bekering van personen uit de volken. Sommigen meenden echter dat men, voordat men christen kon worden, eerst tot het Jodendom overgegaan moest zijn. Men zou deze personen, volgens hen, dus moeten besnijden en hun erop moeten wijzen dat ze de wet te houden hadden.

Paulus en Barnabas onderkennen direct het grote gevaar van zulke overleggingen. En vanwege dezelfde dingen zou de apostel er later toe gedwongen zijn om een ernstige Brief aan de Galaten te sturen. Terugkeren onder de slavernij van de wet, zegt hij in die Brief, is niets anders dan "van de genade vervallen" (Galaten 5 vers 1- 6).

Door deze aangelegenheid bestond het gevaar dat er een scheiding ontstond tussen de gelovigen in Jeruzalem en Antiochië. God leidt alles zo, dat er in Jeruzalem over gesproken wordt en de eenheid in de gemeente bewaard blijft. Petrus en Jakobus nemen het woord en bevestigen dat zowel zij uit de volken als zij uit de Joden op dezelfde wijze gered zijn, namelijk door de genade van de Heere Jezus (vers 11). En men moet ervoor oppassen de pasbekeerden te willen onderwerpen aan en te verontrusten door wat in Galaten 4 vers 9 de "zwakke en arme eerste beginselen" genoemd wordt (vers 19).

Toch bestaan er bepaalde aanwijzingen die God staande houdt, omdat die ouder zijn dan het volk Israël. Deze dingen gelden voor alle tijden en voor al Zijn schepselen. Daarbij gaat de onthouding van bloed terug tot op de zondvloed (Genesis 9 vers 4) en het respecteren van het huwelijk tot op de schepping (Mattheüs 19 vers 4 - 8).

Handelingen 15:22-41
22Toen heeft het den apostelen en den ouderlingen, met de gehele Gemeente, goed gedacht, enige mannen uit zich te verkiezen, en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochie: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Barsabas, en Silas, mannen, die voorgangers waren onder de broeders.23En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensen den broederen uit de heidenen, die in Antiochie, en Syrie, en Cilicie zijn, zaligheid.24Nademaal wij gehoord hebben, dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw zielen wankelende gemaakt, zeggende, dat gij moet besneden worden, en de wet onderhouden; welken wij dat niet bevolen hadden;25Zo heeft het ons eendrachtelijk te zamen zijnde, goed gedacht, enige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus.26Mensen, die hun zielen overgegeven hebben voor den Naam van onzen Heere Jezus Christus.27Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met den mond hetzelfde zullen verkondigen.28Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:29Namelijk, dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij weldoen. Vaart wel.30Dezen dan, hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochie; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over.31En zij, dien gelezen hebbende, verblijdden zich over de vertroosting.32Judas nu en Silas, die ook zelven profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten hen.33En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders wederom gaan met vrede, tot de apostelen.34Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven.35En Paulus en Barnabas onthielden zich te Antiochie, lerende en verkondigende met nog vele anderen, het Woord des Heeren.36En na enige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laat ons nu wederkeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het Woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het hebben.37En Barnabas ried, dat zij Johannes, die toegenaamd is Markus, zouden medenemen.38Maar Paulus achtte billijk, dat men dien niet zoude medenemen, die van Pamfylie af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk.39Er ontstond dan een verbittering, alzo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Markus medenam, en naar Cyprus afscheepte;40Maar Paulus verkoos Silas, en reisde heen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde.41En hij doorreisde Syrie en Cilicie, versterkende de Gemeenten.

De apostelen en de oudsten die in Jeruzalem samengekomen waren, hebben zich zorgvuldig beziggehouden met de vraag die aan hen werd voorgelegd. Door de werking van de Heilige Geest (vers 28) is de gehele gemeente het vervolgens eens met de conclusie van Jakobus (vers 22 - 25). En de brief die Judas en Silas gaan bezorgen, versterkt en vertroost de verontruste broeders van Antiochië (vers 24). Tegelijkertijd draagt het bezoek van deze beide dienstknechten van God veel bij tot opbouwing van de gemeente (vers 32).

De pogingen van de vijand om onvrede te stichten en tweedracht te zaaien, hebben hiermee juist het tegenovergestelde bewerkt. Het geloof van de volgelingen van de Heere is versterkt en de band van de gemeenschap onder de gemeenten is inniger geworden. Ook deze keer heeft de boze zich in zijn werk vergist.

Nadat elke moeilijkheid is opgeruimd, kan het werk van de Heere weer opgepakt worden. De zorg om de gemeenten die tijdens de eerste reis ontstaan zijn, is een reden dat Paulus een tweede reis onderneemt. Hij wil zien hoe het in geestelijk opzicht met de broeders gaat (vergelijk 2 Korinthe 1 vers 28). Deze keer wordt hij echter niet vergezeld door Barnabas. De reden daarvoor is onenigheid over zijn neef Markus. Later wint deze het vertrouwen van de apostel echter weer terug en is hij hem "zeer nut tot de dienst" (Kolosse 4 vers 10 ; 2 Timotheüs 4 vers 11).

Handelingen 16:1-15
1En hij kwam te Derbe en Lystre. En ziet, aldaar was een zeker discipel, met name Timotheus, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Grieksen vader;2Welken goeden getuigenis gegeven werd van de broederen te Lystre en Ikonium.3Deze wilde Paulus, dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, om der Joden wil, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was.4En alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun de verordeningen over, die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden.5De Gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal.6En als zij Frygie, en het land van Galatie doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het Woord in Azie te spreken.7En aan Mysie gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynie te reizen; en de Geest liet het hun niet toe.8En zij, Mysie voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Troas.9En van Paulus werd in den nacht een gezicht gezien: er was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonie, en help ons.10Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar Macedonie te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had, om denzelven het Evangelie te verkondigen.11Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothrace, en den volgende dag naar Neapolis.12En van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonie, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen.13En op den dag des sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen, die samengekomen waren.14En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster, van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.15En als zij gedoopt was, en haar huis, bad zij ons, zeggende: Indien gij hebt geoordeeld, dat ik den Heere getrouw ben, zo komt in mijn huis, en blijft er. En zij dwong ons.

Paulus bevindt zich weer in Lystre en Derbe waar op zijn eerste reis gemeenten ontstaan zijn. Hier leren we de jonge Timotheüs kennen. Zijn naam betekent: 'door God geëerd'. Hij was door zijn Godvrezende moeder en z'n grootmoeder opgevoed met het onderwijs in de heilige Schriften (2 Timotheüs 1 vers 5 en hoofdstuk 3 vers 15). Dat was een hele goede voorbereiding op de dienst die hij voortaan samen met de apostel Paulus zou vervullen. Daarover schrijft Paulus later: "dat hij, als een kind zijn vader, met mij gediend heeft in het Evangelie" (Filippi 2 vers 22).

Het woordje "wij", dat in vers 10 gebruikt wordt, laat ons zien dat Lukas, de schrijver van dit Bijbelboek, vanaf dat moment ook bij hen was.

Op een landkaart kunnen we zien dat zij eerst naar links in de provincie Azië (het gebied van Efeze) wilden gaan, toen naar rechts, naar Bithynië. Maar de apostel en zijn begeleiders werden door de Geest opgeroepen om linea recta naar Macedonië, aan de overkant van de Egeïsche Zee, te reizen.

De gehoorzame dienstknecht moet er altijd voor oppassen dat hij gesloten deuren met geweld wil openen; hij moet wachten op de aanwijzingen van Boven.

Filippi is dus de eerste stad van Europa waar het evangelie gehoord wordt. En daarbij wordt de bekering van Lydia als eerste genoemd. De Heere had haar hart ontsloten, opdat zij acht sloeg op de boodschap.

Laten we Hem toch vragen om ook onze harten te openen en dat Hij ons, elke keer als we Zijn Woord horen, voor afdwalen wil bewaren!

Handelingen 16:16-40
16En het geschiedde, als wij tot het gebed heengingen, dat een zekere dienstmaagd, hebbende een waarzeggenden geest, ons ontmoette, welke haar heren groot gewin toebracht met waarzeggen.17Dezelve volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen.18En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus, daarover ontevreden zijnde, keerde zich om, en zeide tot den geest: Ik gebied u in den Naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit ter zelfder ure.19Als nu de heren van dezelve zagen, dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas, en trokken hen naar de markt voor de oversten.20En als zij hen tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn.21En zij verkondigen zeden, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzo wij Romeinen zijn.22En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen, hun de klederen afgescheurd hebbende, bevalen hen te geselen.23En als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis, en geboden den stokbewaarder, dat hij hen zekerlijk bewaren zou.24Dewelke, zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker, en verzekerde hun voeten in de stok.25En omtrent den middernacht baden Paulus en Silas, en zongen Gode lofzangen en de gevangenen hoorden naar hen.26En er geschiedde snellijk een grote aardbeving, alzo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden; en terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los.27En de stokbewaarder, wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard, en zou zichzelven omgebracht hebben, menende, dat de gevangenen ontvloden waren.28Maar Paulus riep met grote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier.29En als hij licht geeist had, sprong hij in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten;30En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?31En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.32En zij spraken tot hem het woord des Heeren, en tot allen, die in zijn huis waren.33En hij nam hen tot zich in dezelve ure des nachts, en wies hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen.34En hij bracht hen in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was.35En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die mensen los.36En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden, dat gij zoudt losgelaten worden; gaat dan nu uit, en reist heen in vrede.37Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in het openbaar gegeseld, en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu heimelijk daaruit? Niet alzo; maar dat zij zelven komen, en ons uitleiden.38En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom den hoofdmannen; en zij werden bevreesd, horende, dat zij Romeinen waren.39En zij, komende, baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden.40En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in tot Lydia; en de broeders gezien hebbende, vertroostten zij dezelve, en gingen uit de stad.

De genezing van het bezeten meisje heeft voor de beide dienstknechten van God marteling en gevangenisstraf tot gevolg. Nu hadden ze kunnen denken: wat een merkwaardig ontvangst in Macedonië is dit, terwijl wij toch te hulp geroepen zijn (vers 9)! Maar Paulus brengt nu eerst zelf datgene in praktijk wat hij later tegen de christenen in deze stad zegt: "Verblijdt u in de Heere te allen tijd" (Filippi 4 vers 4). Ondanks hun verwondingen zijn Paulus en Silas in staat om in de gevangenis te zingen! Die griezelige en vieze muren hadden waarschijnlijk nooit eerder iets dergelijks weerkaatst. En wat waren deze lofliederen een geweldig getuigenis voor allen die het hoorden! Hoe moeilijker de omstandigheden zijn, hoe meer onze vrede en blijdschap zal spreken tot de harten van hen die ons kennen. Dat is ook vaak de reden waarom de Heere ons beproevingen stuurt.

Aan dit trouwe getuigenis voegt God het Zijne toe, door de gevangenen te bevrijden. De gevangenbewaarder roept het bevend uit: "Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?" En het wonderbare en tegelijkertijd zo eenvoudige antwoord richt zich ook vandaag nog tot elke verontruste ziel: "Geloof in de Heere Jezus Christus" (vers 30 en 31). En dan komt er vreugde in dit huis.

Na deze gedenkwaardige nacht worden de apostelen officieel vrijgelaten. Maar ze verlaten de stad niet voordat zij eerst nog "de broeders" vertroost en vermaand hebben (vers 40).

Handelingen 17:1-15
1En door Amfipolis en Apollonia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, alwaar een synagoge der Joden was.2En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften,3Dezelve openende, en voor ogen stellende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Christus, Dien ik, zeide hij, ulieden verkondige.4En sommigen uit hen geloofden, en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige.5Maar de Joden, die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven, en maakten, dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen.6En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten der stad, roepende: Dezen, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen;7Welke Jason in zijn huis genomen heeft; en alle dezen doen tegen de geboden des keizers, zeggende, dat er een andere Koning is, namelijk Jezus.8En zij beroerden de schare, en de oversten der stad, die dit hoorden.9Doch als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij hen gaan.10En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Berea; welke, daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden;11En dezen waren edeler, dan die te Thessalonica waren, als die het woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren.12Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse eerlijke vrouwen en van de mannen niet weinige.13Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord Gods ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen.14Doch de broeders zonden toen van stonde aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timotheus bleven aldaar.15En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe; en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheus, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij.

Vanuit Filippi gaan Paulus en zijn metgezellen naar een andere stad in Macedonië: Thessalonika. Enkele Joden en talrijke Grieken - waaronder voorname vrouwen - nemen daar het Woord aan dat hun verkondigd wordt (1 Thessalonika 1 vers 5). De meeste Joden echter stoken, gedreven door satan, het volk op tegen deze evangelisten. Zonder aarzeling maakt men daarbij gebruik van "boze mannen uit de marktboeven", hoewel ze die zelf verachten (vers 5). En tegenover de oversten van de stad wordt dezelfde reden aangevoerd als destijds bij Pilatus: "Wij hebben geen koning, dan de keizer" (vers 7; Johannes 19 vers 15).

Het verblijf van Paulus in Thessalonika was dus kort en heeft maar ongeveer drie weken geduurd. God heeft dit alles echter zo geleid ten gunste van ons. Nu zag de apostel zich er namelijk toe gedwongen om zijn onderwijs aan te vullen met twee Brieven, die ook voor ons allen rijke lessen bevatten!

In Berea zijn de Joden edeler en oprechter. In plaats van zich door jaloersheid te laten verblinden (vers 5), willen zij juist hun geloof bevestigen, door dagelijks de Schriften te onderzoeken, waaraan zij het hoogste gezag verleenden (vers 11; vergelijk Johannes 5 vers 39).

Iedereen die dit leest, willen we graag oproepen om dit voorbeeld na te volgen. Dat kun je doen door bijvoorbeeld de Schriftplaatsen die hier aangehaald worden, zelf op te zoeken en te lezen, want dat is ook het doel van deze korte overdenkingen.

`Ja, dat rijke Woord van boven toont, ontvouwt Zijn heerlijkheid, waar de ziel - die wil geloven - tot Zijn schat wordt ingeleid.'

Handelingen 17:16-34
16En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende, dat de stad zo zeer afgodisch was.17Hij handelde dan in de synagoge met de Joden, en met degenen, die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen, die hem voorkwamen.18En sommigen van de Epikureische en Stoische wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde.19En zij namen hem, en brachten hem op de plaats, genaamd Areopagus, zeggende: Kunnen wij niet weten, welke deze nieuwe leer zij, daar gij van spreekt?20Want gij brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen dan weten, wat toch dit zijn wil.21(Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen, die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen.)22En Paulus, staande in het midden van de plaats, genaamd Areopagus, zeide: Gij mannen van Athene! ik bemerke, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt.23Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Dezen dan, Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.24De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is; Deze, zijnde een Heere des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;25En wordt ook van mensenhanden niet gediend, als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven en den adem, en alle dingen geeft;26En heeft uit een bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op den gehelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hun woning.27Opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten; hoewel Hij niet verre is van een iegelijk van ons.28Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poeten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.29Wij dan, zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij, welke door mensenkunst en bedenking gesneden zijn.30God dan, de tijden der onwetendheid overzien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom, dat zij zich bekeren.31Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen, door een Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.32Als zij nu van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmede; en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan horen.33En alzo is Paulus uit het midden van hen uitgegaan.34Doch sommige mannen hingen hem aan, en geloofden; onder welke was ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, met name Damaris, en anderen met dezelve.

Terwijl Paulus alleen in Athene is, wordt hij geconfronteerd met allerlei bouwwerken en sculpturen in deze stad. Zijn geest wordt geprikkeld, wordt "in hem ontstoken" (vers 16) en hij is erover ontsteld als hij ziet dat deze stad, die bekend staat om zijn cultuur, zo vol is van afgodsbeelden en dat er een afschuwelijke afgodendienst bedreven wordt. Op het marktplein ontmoet hij filosofen van allerlei richtingen, mannen die wereldberoemd zijn om hun wijsheid.

De mens heeft verstand gekregen opdat hij de eeuwige kracht en Goddelijkheid van zijn Schepper zou kunnen erkennen (Romeinen 1 vers 20). Uit de onwetendheid van deze beroemde figuren blijkt eens te meer dat "de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid" (1 Korinthe 1 vers 21). Hij is voor deze mensen een "onbekende God" (vers 23). Paulus begint bij het begin en spreekt tot hen over de "Heere des hemels en der aarde" (vers 24), Die Zich niet alleen in de schepping, maar ook in de verlossing geopenbaard heeft. Deze almachtige God "verkondigt nu alle mensen alom, dat zij zich bekeren" (vers 30). Niemand — ook jij niet — kan dus ooit beweren dat dit Goddelijke bevel niet voor hem geldt.

Intellectuele nieuwsgierigheid heeft niets te maken met de ware behoefte van de ziel. Enkele toehoorders van Paulus tonen openlijk hun spot; anderen menen later altijd nog wel een keer een besluit te kunnen nemen (dat ze in feite op datzelfde moment al genomen hebben!). Toch zijn er ook mensen die geloven! Deze drievoudige uitwerking kom je vandaag de dag ook steeds weer tegen, wanneer het evangelie verkondigd wordt.

Handelingen 18:1-11
1En na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe;2En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italie gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;3En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk.4En hij handelde op elken sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken.5En als Silas en Timotheus van Macedonie afgekomen waren, werd Paulus door den Geest gedrongen, betuigende den Joden, dat Jezus is de Christus.6Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn klederen af, en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenen heengaan.7En van daar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van een man, met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de synagoge.8En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan den Heere met geheel zijn huis; en velen van de Korinthiers, hem horende, geloofden, en werden gedoopt.9En de Heere zeide tot Paulus door een gezicht in den nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet.10Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volks in deze stad.11En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord Gods.

In Korinthe maakt Paulus kennis met een Joods echtpaar: Aquila en Priscilla. Nadat zij Christus hebben leren kennen, zetten zij — in een niet nader omschreven situatie —hun leven voor de apostel op het spel (Romeinen 16 vers 4). Daarom voelde Paulus zich in het bijzonder met hen verbonden.

De stad Korinthe stond bekend om haar zedelijke verval en haar luxe. De apostel en zijn vrienden willen niet van deze rijkdom afhankelijk zijn, en laten dat zien door met hun eigen handen te werken (1 Korinthe 9 vers 15 en 18; 2 Korinthe 11 vers 8 en 9).

Met het oog op de weerstand onder de Joden schudt Paulus de verantwoording voor hen van zich af en vertelt hun dat hij zich voortaan tot de volken zal richten (vers 6). Maar uit de woorden van Romeinen 9 vers 2 - 5 merken we hoeveel verdriet en pijn het hem deed, hun dit te moeten zeggen.

Daarom bemoedigt de Heere Zijn geliefde dienstknecht. Hij openbaart hem dat, ook al voldoet Zijn aardse volk niet aan Zijn verwachtingen, Hij "veel volk in deze stad" heeft dat voor de hemel bestemd is (vers 10). Ja, het is een welbehagen voor God om uit deze bandeloze stad een groot aantal gelovigen te vergaderen. De beide Brieven aan deze gemeente bevestigen dat. Deze stad waarin men uiterlijk gezien nergens gebrek aan had, laat ons zien dat rijkdom en vermaak de ware behoeften van het menselijke hart niet kunnen bevredigen.

Handelingen 18:12-28
12Maar als Gallio stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eendrachtelijk tegen Paulus op, en brachten hem voor den rechterstoel.13Zeggende: Deze raadt den mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet.14En als Paulus zijn mond zou opendoen, zeide Gallio tot de Joden: Zo er enig ongelijk, of kwaad stuk begaan ware, o Joden, zo zou ik met reden ulieden verdragen;15Maar indien er geschil is over een woord, en namen, en over de wet, die onder u is, zo zult gij zelven toezien; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn.16En hij dreef hen weg van den rechterstoel.17Maar al de Grieken namen Sosthenes, den overste der synagoge, en sloegen hem voor den rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan.18En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en scheepte van daar naar Syrie; en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreen geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan.19En hij kwam te Efeze aan, en liet hen aldaar; maar hij ging in de synagoge, en handelde met de Joden.20En als zij baden, dat hij langer bij hen blijven zoude, bewilligde hij het niet.21Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze.22En als hij te Cesarea was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de Gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochie.23En als hij aldaar enige tijd geweest was, ging hij weg, en doorreisde vervolgens het land van Galatie en Frygie, versterkende al de discipelen.24En een zeker Jood, met name Apollos, van geboorte een Alexandrier, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften.25Deze was in den weg des Heeren onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken des Heeren, wetende alleenlijk den doop van Johannes.26En deze begon vrijmoediglijk te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem den weg Gods bescheidenlijker uit.27En als hij wilde naar Achaje reizen, de broeders, hem vermaand hebbende, schreven aan de discipelen, dat zij hem ontvangen zouden; welke, daar gekomen zijnde, heeft veel toegebracht aan degenen, die geloofden door de genade.28Want hij overtuigde de Joden met groten ernst in het openbaar, bewijzende door de Schriften, dat Jezus de Christus was.

Paulus wordt niet gehinderd door de aanslagen van de Joden en de aanklachten die ze bij Gallio tegen hem inbrengen, bij de verdere uitoefening van zijn werk in Korinthe. De Heere heeft immers beloofd hem te zullen beschermen (vers 10).

Vervolgens gaat hij weer op pad en reist door Efeze, waar hij Aquila en Priscilla achterlaat en gaat dan door Caesarea richting Jeruzalem. En ten slotte beëindigt hij zijn tweede zendingsreis in Antiochië. (Als je een Bijbelse landkaart hebt, dan kun je deze route op die kaart volgen.)

Met vers 23 begint vervolgens de derde zendingsreis van deze onvermoeibare apostel. Hij reist opnieuw door Frygië en Galatië (zie hoofdstuk 16 vers 6), waar gemeenten ontstaan zijn waarover hij zich zorgen maakt (Galaten 1 vers 2 en hoofdstuk 4 vers 11).

Intussen is er een andere dienstknecht van God aangekomen in Efeze. Dat is Apollos, die opvalt door de welbespraaktheid en de kracht waarmee hij het Woord verkondigt. Dat zijn de gevolgen van zijn ijver (vers 25), "want uit de overvloed des harten spreekt de mond" (Mattheüs 12 vers 34 en 35). Bovendien onderwijst hij zorgvuldig en met vrijmoedigheid "de zaken van de Heere" (vers 25). Deze gaven zijn voor Apollos echter geen verhindering om zich ootmoedig de waarheden die hij nog niet kende, door Aquila en Priscilla uit te laten leggen. Hij is bereid om te luisteren en daardoor is zijn dienst in Achaje, waar hij nadien naartoe gaat, van nog meer nut.

Handelingen 19:1-22
1En het geschiedde, terwijl Apollos te Korinthe was, dat Paulus, de bovenste delen des lands doorreisd hebbende, te Efeze kwam; en enige discipelen aldaar vindende,2Zeide hij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, of er een Heiligen Geest is.3En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden: In den doop van Johannes.4Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene, Die na hem kwam, dat is, in Christus Jezus.5En die hem hoorden werden gedoopt in den Naam van den Heere Jezus.6En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.7En alle deze waren omtrent twaalf mannen.8En hij ging in de synagoge, en sprak vrijmoediglijk, drie maanden lang met hen handelende, en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods.9Maar als sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van den weg des Heeren voor de menigte, week hij van hen, en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus.10En dit geschiedde twee jaren lang, alzo dat allen, die in Azie woonden, het Woord van den Heere Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken.11En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus;12Alzo dat ook van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken, en de boze geesten van hen uitvoeren.13En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivel bezweerders, hebben zich onderwonden den Naam van den Heere Jezus te noemen over degenen, die boze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt!14Dezen nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodsen overpriester, die dit deden.15Maar de boze geest, antwoordende, zeide: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij?16En de mens, in welken de boze geest was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kreeg de overhand tegen hen, alzo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden.17En dit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken, die te Efeze woonden; en er viel een vreze over hen allen, en de Naam van den Heere Jezus werd groot gemaakt.18En velen dergenen, die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hun daden.19Velen ook dergenen, die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen, en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid; en berekenden de waarde derzelve, en bevonden vijftig duizend zilveren penningen.20Alzo wies het Woord des Heeren met macht, en nam de overhand.21En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in den Geest, Macedonie en Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien.22En als hij naar Macedonie gezonden had twee van degenen, die hem dienden, namelijk Timotheus en Erastus, bleef hij zelf een tijd lang in Azie.

Getrouw aan zijn belofte (hoofdstuk 18 vers 21), gaat de apostel naar Efeze, de hoofdstad van de provincie Azië. Hij blijft drie jaar (hoofdstuk 20 vers 31) in deze plaats, waar Apollos eerder geweest was, terwijl die naar Korinthe is gegaan en daar 'begiet' waar Paulus heeft "geplant" (hoofdstuk 18 vers 27 en 28; 1 Korinthe 3 vers 6). We zien dus dat er bij deze dienstknechten van God geen enkele afgunst onder elkaar is, en evenmin dat men aanspraak maakt op een bepaald werkterrein.

De Efeziërs kenden tot nu toe alleen de doop van Johannes, door wie de berouwvolle Joden voorbereid werden op de komst van de Messias, Die op aarde zou heersen. De christen heeft daarentegen een hemelse positie. Door de Heilige Geest is hij met een gestorven en opgestane Christus in verbinding gebracht. De Brief aan de Efeziërs wordt in het bijzonder door deze waarheid gekenmerkt!

"Alzo nam het Woord van de Heere toe met macht" (vers 20), en dat niet alleen door de wonderen die de apostelen deden, maar ook doordat het Woord gezag had in de harten. Het Woord bracht de gelovigen ertoe hun daden te belijden en zich openlijk aan de toverkunsten te onttrekken. Toen ze vervuld waren met de "eerste liefde" (Openbaring 2 vers 4), wilden deze Efeziërs niets meer te maken hebben "met de onvruchtbare werken der duisternis" (Efeze 5 vers 11).

Beste vrienden, blijkt de kracht van het Woord van de Heere ook uit de vruchten die in ons leven zichtbaar worden?

Handelingen 19:23-41
23Maar op dienzelfden tijd ontstond er geen kleine beroerte, vanwege den weg des Heeren.24Want een, met name Demetrius, een zilversmid, die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, bracht dien van die kunst geen klein gewin toe;25Welke hij samenvergaderd hebbende, met de handwerkers van dergelijke dingen, zeide: Mannen, gij weet, dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben;26En gij ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk, niet alleen van Efeze, maar ook bijna van geheel Azie, overreed en afgekeerd heeft, zeggende, dat het geen goden zijn, die met handen gemaakt worden.27En wij zijn niet alleen in gevaar, dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van de grote godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook haar majesteit zal ten ondergaan, aan welke gans Azie en de gehele wereld godsdienst bewijst.28Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid, en riepen, zeggende: Groot is de Diana de Efezeren!29En de gehele stad werd vol verwarring; en zij liepen met een gedruis eendrachtelijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniers, metgezellen van Paulus op de reis.30En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe.31En sommigen ook der oversten van Azie, die hem vrienden waren, zonden tot hem, en baden, dat hij zichzelven op de schouwplaats niet zou begeven.32Zij riepen dan de ene dit, de andere wat anders; want de vergadering was verward en het meerder deel wist niet, om wat oorzaak zij samengekomen waren.33En zij deden Alexander uit de schare voortkomen, alzo hem de Joden voortstieten. En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen.34Maar als zij verstonden, dat hij een Jood was, werd er een stem van allen, roepende omtrent twee uren lang: Groot is de Diana der Efezeren!35En als de stads schrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Efeze! wat mens is er toch, die niet weet, dat de stad der Efezeren de kerkbewaarster zij van de grote godin Diana, en van het beeld, dat uit den hemel gevallen is?36Dewijl dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, zo is het behoorlijk dat gij stil zijt, en niets onbedachts doet.37Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die noch kerkrovers zijn, noch uw godin lasteren.38Indien dan nu Demetrius, en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand enige zaak hebben, de rechtsdagen worden gehouden, en er zijn stadhouders; laat hen elkander verklagen.39En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in een wettelijke vergadering beslecht worden.40Want wij staan in gevaar, dat wij van oproer zullen verklaagd worden om den dag van heden, alzo er geen oorzaak is, waardoor wij reden zullen kunnen geven van deze oploop. En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan.41

Er stond een geweldig grote tempel in Efeze, die aan de godin Diana (Artemis) gewijd was. (De vroegere tempel werd gerekend tot de zeven wonderen van de oude wereld.) De kunstenaars verdienden kapitalen aan het grote aantal mensen dat deze tempel bezocht. Zij verkochten namelijk miniatuur tempeltjes als aandenken, die zij van zilver maakten. En men begreep heel goed dat de prediking van het evangelie hun bloeiende handel negatief zou beïnvloeden. Daarom verenigden zij zich om zodoende beter voor hun eigen belangen op te kunnen komen. En men diende een aanklacht in, waarvoor men heel huichelachtig een godsdienstige reden aanhaalde (vergelijk Openbaring 18 vers 11).

Is het vandaag de dag echter anders? Worden ook nu veel mensen niet vanwege materiële belangen, die van invloed zijn op hun "welvaart" (vers 25), of door de mening van anderen ervan weerhouden om met ijver en oprechtheid naar de waarheid te zoeken?

Er ontstaat een geweldig tumult, en dat alles ten bate van hun godin — waaruit blijkt dat deze godin niet in staat was om voor haar eigen 'grootheid' op te komen (vergelijk 1 Koningen 18 vers 26 - 29).

De mensen van nu menen veel meer ontwikkeld te zijn dan vroeger. Toch vereert men ook nu nog afgoden — al zijn het andere dan toen — want het hart van de mens is absoluut niet anders dan vroeger! Het maakt niet uit of het bij de huidige idolen nu gaat om sportmannen, acteurs of zangers — de massa van vandaag loopt deze personen achterna, die de "god van deze eeuw" (2 Korinthe 4 vers 4) hun aanbiedt, en die door de mensen aanbeden worden. Hij, de satan, is namelijk een groot kunstenaar in het misleiden van zielen.

Handelingen 20:1-16
1Nadat nu het oproer gestild was, Paulus, de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonie te reizen.2En als hij die delen doorgereisd, en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland.3En als hij aldaar drie maanden overgebracht had, en hem van de Joden lagen gelegd werden, als hij naar Syrie zoude varen, zo werd hij van zin weder te keren door Macedonie.4En hem vergezelschapte tot in Azie Sopater van Berea; en van de Thessalonicensen Aristarchus en Sekundus; en Gajus van Derbe, en Timotheus en van die van Azie Tychikus en Trofimus.5Dezen, vooraf heengegaan zijnde, wachtten ons te Troas.6Wij nu scheepten af van Filippi na de dagen der ongehevelde broden, en kwamen in vijf dagen bij hen te Troas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden.7En op den eersten dag der week, als de discipelen bijeengekomen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen, zullende des anderen daags verreizen; en hij strekte zijne rede uit tot den middernacht.8En er waren vele lichten in de opperzaal waar zij vergaderd waren.9En een zeker jongeling, met name Eutychus, zat in het venster en met een diepen slaap overvallen zijnde, alzo Paulus lang tot hen sprak, door den slaap nederstortende, viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen.10Doch Paulus, afgekomen zijnde, viel op hem, en hem omvangende, zeide hij: Weest niet beroerd; want zijn ziel is in hem.11En als hij weder boven gegaan was, en brood gebroken en wat gegeten had, en lang, tot den dageraad toe, met hen gesproken had, vertrok hij alzo.12En zij brachten den knecht levende, en waren bovenmate vertroost.13Maar wij, vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het alzo bevolen, en hijzelf zou te voet gaan.14En als hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te Mitylene.15En van daar afgescheept zijnde, kwamen wij den volgenden dag tegen Chios over, en des anderen daags legden wij aan te Samos, en bleven te Trogyllion, en den dag daaraan kwamen wij te Milete.16Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in Azie zou verslijten; want hij spoedde zich, om (zo het hem mogelijk ware) op den pinksterdag te Jeruzalem te zijn.

Door de vijandige houding van de Efeziërs werd Paulus ertoe genoodzaakt die stad te verlaten (vergelijk Mattheüs 10 vers 23). Hij reist via Macedonië naar Griekenland, keert vervolgens op dezelfde weg weer terug en zeilt dan naar Troas. Het bericht in de verzen 7 - 12 bevestigt dat het avondmaal op de eerste dag van de week gevierd werd, net zoals wij dat nu nog steeds mogen doen.

Dat Eutychus in slaap valt tijdens de toespraak van Paulus vinden we misschien vreemd. Misschien zouden we, als we erbij geweest waren, hem er iets van gezegd hebben of ons eraan geërgerd hebben. Maar deze dienstknecht van de Heere spreekt vandaag, door middel van zijn Brieven, ook nog tot ons. En hoe is het dan bij ons? Letten wij altijd even goed op, als hij ons iets te 'vertellen' heeft? In beeld laat dit vreselijke ongeluk ons zien waartoe onverschilligheid ten opzichte van het Woord kan leiden, namelijk tot een val en een toestand van de dood. Maar de genade van God bewerkt hier een troostrijk wonder! Deze gebeurtenis herinnert ons echter ook aan de geschiedenis van de verantwoordelijke christenheid. Als geheel gezien, is de christenheid in slaap gevallen, is er verval en is in zekere zin de dood ingetreden. En dat alles als gevolg van een gebrek aan opmerkzaamheid ten opzichte van het onderwijs van de apostel. Toch heeft de Heere bij sommigen (bij u, bij jou?) een opwekking bewerkt, verbonden met voeding en troost voor de Zijnen, zodat zij uitzien naar het moment waarop de grote dag aanbreekt en zij deze aarde zullen verlaten.

Paulus maakt de reis van Troas naar Assus te voet (vers 13; is het voor ons ook een weldaad om alleen met de Heere te wandelen?). In Assus ontmoet hij zijn metgezellen weer, en vandaar zeilen zij samen richting Jeruzalem.

Handelingen 20:17-38
17Maar hij zond van Milete naar Efeze, en hij ontbood de ouderlingen der Gemeente.18En als zij tot hem gekomen waren, zeide hij tot hen: Gijlieden weet, van den eersten dag af, dat ik in Azie ben aangekomen, hoe ik bij u den gansen tijd geweest ben;19Dienende den Heere met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden;20Hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen;21Betuigende, beiden Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus.22En nu ziet, ik, gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar ontmoeten zal;23Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende, dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn.24Maar ik acht op geen ding, noch houde mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.25En nu ziet, ik weet, dat gij allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult.26Daarom betuig ik ulieden op deze huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen.27Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al den raad Gods.28Zo hebt dan acht op uzelven en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed.29Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen.30En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.31Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag, niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen.32En nu, broeders, ik bevele u Gode, en den woorde Zijner genade, Die machtig is u op te bouwen, en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden.33Ik heb niemands zilver, of goud, of kleding begeerd.34En gijzelve weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dergenen, die met mij waren, gediend hebben.35Ik heb u in alles getoond, dat men, alzo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden van den Heere Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven, dan te ontvangen.36En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden.37En er werd een groot geween van hen allen; en zij, vallende om den hals van Paulus, kusten hem;38Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord, dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden; en zij geleidden hem naar het schip.

In Miléte laat Paulus de oudsten van Efeze bij zich roepen om hen te vermanen en afscheid van hen te nemen. Hij herinnert hen aan de dienst die hij onder hen mocht doen, en het voorbeeld dat hij hun probeerde te geven. Hij waarschuwt hen voor de gevaren die de Gemeente van buitenaf (vers 29) en van binnenuit (vers 30) bedreigen. Hoe zouden zij zich daartegen moeten opstellen? Hij roept hen op tot waakzaamheid (vers 31) en beveelt hen bovenal aan in de genade van God (vers 32).

Wat hemzelf betreft, stond de apostel slechts één ding voor ogen: zowel zijn "loop" (dat wat hem persoonlijk betrof; vergelijk 2 Timotheüs 4 vers 7) als "de dienst" (die hij van de Heere ontvangen had) in getrouwheid te volbrengen (vers 24). Zijn leven had geen ander doel, geen andere zin; en hij is bereid zijn leven voor de Gemeente, waarvoor hij al zoveel tranen vergoten heeft, op te offeren (vers 19 en 31; Kolosse 1 vers 24).

Maar wat was dat vergeleken bij de onnoemelijk grote waarde die de Gemeente voor God heeft? Alles heeft Hij voor haar over gehad, zelfs het bloed van Zijn eigen Zoon (vers 28; 1 Petrus 1 vers 19). En deze onmetelijk hoge prijs vormt voor de apostel de reden voor zijn overgave en herinnert de oudsten van Efeze eraan hun verantwoording op zich te nemen.

Tot slot brengt Paulus hun nog een paar kostbare woorden van de Heere Jezus in herinnering: "Het is zaliger te geven, dan te ontvangen" (vers 35). O, dat wij dat zelf ook mogen ervaren, door Hem na te volgen, Die alles voor ons gegeven heeft.

Handelingen 21:1-14
1En als het geschiedde, dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zo liepen wij rechtuit en kwamen te Kos, en den dag daaraan te Rhodus, en van daar te Patara.2En een schip gevonden hebbende, dat naar Fenicie overvoer, gingen wij er in en voeren af.3En als wij Cyprus in het gezicht gekregen, en dat aan de linker hand gelaten hadden, voeren wij naar Syrie, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zoude aldaar den last ontladen.4En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.5Toen het nu geschiedde, dat wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit, en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad; en aan den oever nederknielende, hebben wij gebeden.6En als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip; maar zijlieden keerden wederom, elk naar het zijne.7Wij nu, de scheepvaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolemais, en de broeders gegroet hebbende, bleven een dag bij hen.8En des anderen daags, Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in het huis van Filippus, den evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.9Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden.10En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker profeet af van Judea, met name Agabus;11En hij kwam tot ons, en nam den gordel van Paulus, en zichzelven handen en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt de Heilige Geest: Den man, wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen.12Als wij nu dit hoorden, baden beiden wij en die van die plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.13Maar Paulus antwoordde: Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam van den Heere Jezus.14En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: De wil des Heeren geschiede.

Dat de broeders liefde voor elkaar hebben, blijkt steeds weer tijdens deze reis (vers 1, 6, 12 en verder). Zowel in Tyrus als in Miléte neemt Paulus afscheid van de broeders nadat hij eerst samen men hen aan de oever gebeden heeft (vers 5; hoofdstuk 20 vers 36 en 37). De Heilige Geest legt er de nadruk op, dat bij deze gelegenheid ook kinderen aanwezig waren. Zij zouden altijd in de samenkomsten aanwezig moeten zijn!

In Caesarea aangekomen, bezocht men Filippus, die in die plaats was gaan wonen, nadat hij, komende van Azote (Asdod), in alle steden gepredikt had (ongetwijfeld ook in Lydda en Joppe; hoofdstuk 8 vers 40; hoofdstuk 9 vers 32 en 36). De dochters van Filippus mochten ook een mooie dienst voor de Heere doen (vers 9), die zij echter niet tijdens de gemeentelijke samenkomsten uitoefenden (1 Korinthe 14 vers 3 en 34).

Paulus wordt op zijn reis in feite steeds gedreven door de onveranderlijke liefde tot zijn volk. Hij had gaven van de gemeenten in Macedonië en Achaje ontvangen en was blij die persoonlijk naar Jeruzalem te kunnen brengen (Romeinen 15 vers 25 en verder). Daarom laat hij zich niet door de waarschuwingen van de Heilige Geest (vers 4), noch door de vermaningen van de profeet Agabus (vers 11; zie hoofdstuk 11 vers 28), noch door de smekingen van de broeders (vers 12) van dit voornemen afbrengen.

Het komt ons niet toe, hierover te oordelen. Dit bericht is ons echter wel tot lering gegeven, dat zelfs een apostel de weg van afhankelijkheid kan verlaten, wanneer hij slechts zijn eigen gevoelens navolgt, ook al zijn die nog zo goed. Dat is een ernstige les voor ons allemaal!

Handelingen 21:15-32
15En na die dagen maakten wij ons gereed, en gingen op naar Jeruzalem.16En met ons gingen ook sommigen der discipelen van Cesarea, leidende met zich een zekeren Mnason, van Cyprus, een ouden discipel, bij dewelken wij zouden te huis liggen.17En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk.18En den volgenden dag ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen.19En als hij hen gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijn dienst gedaan had.20En zij, dat gehoord hebbende, loofden den Heere, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn, die geloven; en zij zijn allen ijveraars van de wet.21En zij zijn aangaande u bericht, dat gij al de Joden, die onder de heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende: dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijze der wet wandelen.22Wat is er dan te doen? Het is gans nodig, dat de menigte samenkome; want zij zullen horen, dat gij gekomen zijt.23Doe dan hetgeen wij u zeggen: Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben.24Neem dezen tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten nevens hen, opdat zij het hoofd bescheren mogen; en alle mogen weten, dat er niets is aan hetgeen, waarvan zij, aangaande u, bericht zijn; maar dat gij alzo wandelt, dat gij ook zelve de wet onderhoudt.25Doch van de heidenen, die geloven, hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij.26Toen nam Paulus de mannen met zich, en den dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in den tempel, en verkondigde, dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daar, totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was.27Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen hem de Joden van Azie in den tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem,28Roepende: Gij Israelietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd.29Want zij hadden te voren Trofimus, den Efezier, met hem in de stad gezien, welken zij meenden, dat Paulus in den tempel gebracht had.30En de gehele stad kwam in roer en het volk liep samen; en zij grepen Paulus, en trokken hem buiten den tempel; en terstond werden de deuren gesloten.31En als zij hem zochten te doden, kwam het gerucht tot den overste der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was.32Welke terstond krijgsknechten en hoofdmannen over honderd tot zich nam, en liep af naar hen toe. Zij nu, den oversten en de krijgsknechten ziende, hielden op van Paulus te slaan.

De apostel had zich voorgenomen om via Jeruzalem van Griekenland naar Rome te reizen (hoofdstuk 19 vers 21). Ondanks deze omweg, met al zijn moeiten, gebeurde de wil van de Heere (vers 14). Een zelfgekozen weg is nooit eenvoudig; je moet erop rekenen dat je daarop allerlei moeilijkheden zult tegenkomen! Paulus wordt door de oudsten van Jeruzalem opgeroepen om de Joodse wet na te komen, en zodoende de Joodse gelovigen gerust te stellen. Hierdoor werd hij ertoe verleid om tegen zijn eigen onderwijs in te handelen. Wat een pijnlijke situatie voor hem! Hieruit blijkt des te meer, dat de christenen in Jeruzalem nog steeds vasthielden aan hun Joodse godsdienst. Zij konden daar niet los van komen. Zij probeerden nieuwe wijn in oude zakken te doen (Mattheüs 9 vers 17). Tegen deze Israëlieten, deze "ijveraars van de wet" (vers 21), spreekt Jakobus, die in vers 18 aangehaald wordt, over "de volmaakte wet der vrijheid" en "de zuivere en onbevlekte godsdienst" (Jakobus 1 vers 25 - 27; hoofdstuk 2 vers 12). Deze godsdienst bestaat niet uit een reiniging van het lichaam (vergelijk vers 24), maar uit het opzoeken van hen die het moeilijk hebben en ook het "zichzelf onbesmet bewaren van de wereld".

Paulus is hier als het ware in een net verstrikt geraakt. Hij bezoekt de tempel en onderwerpt zich aan een ceremoniële cultus, om het zijn broeders naar de zin te maken. Dat is echter tevergeefs, want de Joden zien dit juist als een uitdaging en proberen hem daarom te doden, door de hele stad in opschudding te brengen (vers 30).

Handelingen 21:33-40; Handelingen 22:1-11
33Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had.34En onder de schare riep de ene dit, de andere wat anders. Doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij, dat men hem in de legerplaats zou brengen.35En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het, dat hij van de krijgsknechten gedragen werd vanwege het geweld der schare.36Want de menigte des volks volgde, al roepende: Weg met hem!37En als Paulus nu in de legerplaats zou geleid worden, zeide hij tot den overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zeide: Kent gij Grieks?38Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte, en de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde?39Maar Paulus zeide: Ik ben een Joods man van Tarsen, een burger van gene onvermaarde stad in Cilicie, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken.40En als hij het toegelaten had, Paulus, staande op de trappen, wenkte met de hand tot het volk; en als er grote stilte geworden was, sprak hij hen aan in de Hebreeuwse taal, zeggende:
1Mannen broeders en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal.2(Als zij nu hoorden, dat hij in de Hebreeuwse taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:)3Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicie geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliel onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt;4Die dezen weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beiden mannen en vrouwen.5Gelijk mij ook de hogepriester getuige is, en de gehele raad der ouderlingen; van dewelke ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damaskus gereisd, om ook degenen, die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden.6Maar het geschiedde mij, als ik reisde, en Damaskus genaakte, omtrent den middag, dat snellijk uit den hemel een groot licht mij rondom omscheen.7En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem, tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?8En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus, de Nazarener, Welken gij vervolgt.9En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd; maar de stem Desgenen, Die tot mij sprak, hoorden zij niet.10En ik zeide: Heere! wat zal ik doen? En de Heere zeide tot mij: Sta op, en ga heen naar Damaskus; en aldaar zal met u gesproken worden, van al hetgeen u geordineerd is te doen.11En als ik vanwege de heerlijkheid deszelven lichts niet zag, zo werd ik bij de hand geleid van degenen, die met mij waren, en kwam te Damaskus.

Paulus wordt door tussenkomst van de overste, de commandant van het Romeinse garnizoen, aan de macht van het volk onttrokken. Deze overste had hem in eerste instantie verward met een beruchte bandiet. Toen hij hem echter in het Grieks hoorde spreken, kwam hij tot bedaren en gaf hij Paulus zelfs toestemming om tot het volk te spreken. Nadat het rustig is geworden, vertelt Paulus over zijn verleden, waarin hij zich inderdaad ontzettend schuldig heeft gemaakt, maar dan juist in tegenstelling tot dat wat de Joden meenden. Begiftigd met buitengewone talenten en voorrechten, "een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër" (Filippi 3 vers 5), stond hij bekend als een godsdienstig en onberispelijk persoon. Zijn godsdienstige ijver had hem, ondanks de waarschuwingen van Gamaliël, er echter toe gedreven "tegen God te strijden" (vers 3; hoofdstuk 5 vers 39). En datzelfde deden de aanvoerders van deze volksmenigte hier ook. "Ik ben Jezus, de Nazaréner, Die gij vervolgt" (vers 8), was het vreselijke antwoord dat hij vanuit de hemel te horen kreeg. Door de zwakke christenen aan te vallen en tot de dood toe te vervolgen, streed hij in feite tegen de Zoon van God. In plaats van hem echter voor zijn roekeloze vermetelheid te straffen, opende de Heere hem, toen Hij hem het licht in de ogen weer teruggaf, ook de ogen van zijn hart (Efeze 1 vers 18). En de Heere maakte van deze man, die door God afgezonderd was vanaf zijn geboorte, een trouw werktuig voor Hem (Galaten 1 vers 15).

Handelingen 22:12-30
12En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden, die daar woonden,13Kwam tot mij, en bij mij staande, zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende! En ter zelfder ure werd ik ziende op hem.14En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen.15Want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.16En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende den Naam des Heeren.17En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was, en in den tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen was;18En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zeide: Spoed u, en ga in der haast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen.19En ik zeide: Heere, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp, en in de synagogen geselde, die in U geloofden;20En toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond, en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden.21En Hij zeide tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden.22Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leve.23En als zij riepen, en de klederen van zich smeten, en stof in de lucht wierpen,24Zo beval de overste, dat men hem in de legerplaats zou brengen, en zeide, dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht, om wat oorzaak zij alzo over hem riepen.25En alzo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd, die daar stond: Is het ulieden geoorloofd een Romeinsen mens, en dien onveroordeeld, te geselen?26Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe, en boodschapte het den overste, zeggende: Zie, wat gij te doen hebt; want deze mens is een Romein.27En de overste kwam toe, en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja.28En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som gelds verkregen. En Paulus zeide: Maar ik ben ook een burger geboren.29Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden.30En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval, dat de overpriesters en hun gehele raad zouden komen; en Paulus afgebracht hebbende, stelde hij hem voor hen.

"En nu, wat vertoeft (aarzelt) gij?", had Ananias de pasbekeerde gevraagd (vers 16). Beste vriend, als de Heere jou ook op je dwaalweg is tegengekomen en je Hem hebt leren kennen als je Verlosser, waarom aarzel je dan nog om met vrijmoedigheid je plaats in te nemen onder Zijn volgelingen?

Drie jaar na zijn belevenis op de weg naar Damaskus heeft Paulus in Jeruzalem het voorrecht "de Rechtvaardige te zien" (vers 14) en opdrachten uit Zijn mond te ontvangen (vers 17 en verder). Hij wilde zelf graag onder de Joden werken, omdat hij meende dat zijn getuigenis juist onder hen meer kracht zou hebben, omdat men hem immers kende als iemand die voordien een verbitterde vijand van de waarheid was (vers 19 en 20). Hij was echter afgezonderd voor een dienst onder de volken (Galaten 1 vers 15 en 16). Laten we het maar aan de Heere overlaten om een arbeidsterrein voor ons uit te kiezen!

Vers 18 blijft waar. Nog steeds nemen de Joden het getuigenis van de apostel niet aan. De overste wordt er opnieuw toe gedwongen hem voor hun woede in bescherming te nemen. Op het moment dat hij gemarteld zou worden, beroept Paulus zich op zijn recht als Romeins burger. Later leert hij de dingen die eerder in zijn ogen winst voor hem waren, juist als schadelijk te achten (hoofdstuk 23 vers 6; Filippi 3 vers 7).

Het hemels burgerrecht bezit niemand door geboorte. Het
kan ook niet met geld gekocht worden (vers 28). De enigen
die het bezitten, zijn zij die opnieuw geboren zijn (Johannes

3 vers 3; Filippi 3 vers 20).

Handelingen 23:1-15
1En Paulus, de ogen op den raad houdende, zeide: Mannen broeders! ik heb met alle goed geweten voor God gewandeld tot op dezen dag.2Maar de hogepriester Ananias beval dengenen, die bij hem stonden, dat zij hem op den mond zouden slaan.3Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand! Zit gij ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt gij, tegen de wet, dat men mij zal slaan?4En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt gij den hogepriester Gods?5En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders! dat het de hogepriester was; want er is geschreven: Den overste uws volks zult gij niet vloeken.6En Paulus wetende dat het ene deel was van de Sadduceen, en het andere van de Farizeen, riep in den raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeer, eens Farizeers zoon; ik word over de hoop en opstanding der doden geoordeeld.7En als hij dit gesproken had, ontstond er tweedracht tussen de Farizeen en de Sadduceen, en de menigte werd verdeeld.8Want de Sadduceen zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel, noch geest, maar de Farizeen belijden het beide.9En er geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der Farizeen stonden op, en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in dezen mens; en indien een geest tot hem gesproken heeft, of een engel, laat ons tegen God niet strijden.10En als er grote tweedracht ontstaan was, de overste, vrezende, dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood, dat het krijgsvolk zou afkomen, en hem uit het midden van hen wegrukken, en in de legerplaats brengen.11En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed, Paulus, want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt alzo moet gij ook te Rome getuigen.12En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenrotting, en vervloekten zichzelven, zeggende, dat zij noch eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben.13En zij waren meer dan veertig, die dezen eed te zamen gedaan hadden;14Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben ons zelven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.15Gij dan nu, laat den overste weten met den raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nadere kennis zoudt nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, eer hij bij u komt.

De overste kan niets ontdekken waarover men Paulus een verwijt zou kunnen maken. Hij snapt nog niet waarom de Joden zo ontzettend kwaad op deze man zijn. Om daarover wat beter geïnformeerd te zijn, laat hij de gevangene voor de Raad brengen. Met goed gekozen woorden (maar waren ze ook uitgesproken onder de leiding van de Heilige Geest?) krijgt Paulus de Farizeeën aan zijn kant. De opstanding van Jezus Christus vormde zeer zeker de basis van zijn onderwijs en was indirect de aanleiding tot de tegenstand van de Joden. Paulus heeft echter geen gelegenheid om de Naam van zijn Verlosser uit te spreken; hij heeft het grote meningsverschil tussen de traditionele vijanden, tussen de Farizeeën en de Sadduceeën, aangegrepen, waardoor het grote tumult in de Raad is ontstaan. En weer moet de overste Paulus in veiligheid brengen.

Na al deze gebeurtenissen heeft de apostel, die alleen en ontmoedigd is, versterking nodig. En de Heere Zelf staat Zijn dienstknecht bij (vers 11). Zonder één enkel verwijt —integendeel, de Heere waardeert het getuigenis juist dat Paulus zojuist in Jeruzalem heeft afgelegd — vertroost Hij hem en herinnert hem aan zijn opdracht: het heil niet aan de Joden, maar aan de volken te verkondigen. Met dat doel zal hij naar Rome gaan.

O, dat wij toch ook altijd zullen mogen ervaren dat de Heere bij ons is en wij ons nergens zorgen over hoeven te maken (Filippi 4 vers 5 en 6; 2 Timotheüs 4 vers 17).

Handelingen 23:16-35
16En als de zoon van Paulus' zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar, en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus.17En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling heen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen.18Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd, dat ik dezen jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen.19De overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen?20En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen, om van u te begeren, dat gij Paulus morgen in den raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken.21Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u.22De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt.23En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesarea trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen de derde ure des nachts;24En laat ze zadel beesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten, en behouden overbrengen tot den stadhouder Felix.25En hij schreef een brief, hebbende dezen inhoud:26Claudius Lysias aan den machtigsten stadhouder Felix groetenis.27Alzo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde, dat hij een Romein is.28En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hun raad;29Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet; maar geen beschuldiging tegen hem te zijn, die den dood of banden waardig is.30En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen deze man gelegd zou worden, zo heb ik hem terstond aan u gezonden; gebiedende ook den beschuldigers voor u te zeggen, hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel.31De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus, en brachten hem des nachts tot Antipatris.32En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij wederom naar de legerplaats.33Dewelken als zij te Cesarea gekomen waren, en den brief den stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld.34En de stadhouder, den brief gelezen hebbende, vraagde, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van Cilicie was,35Zeide hij: Ik zal u horen, als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat hij in het rechthuis van Herodes zou bewaard worden.

Samen met zijn aanklagers verschijnt Paulus voor Felix. De aanklagers hebben een heel goed redenaar uitgekozen als hun advocaat, omdat het er met hun zaak zo slecht voor staat. Maar wat een tegenstelling tussen de vleierijen (vers 3) en de grove lasteringen (vers 5; vergelijk Lukas 23 vers 2) die de redenaar Tertullus uitspreekt, en de waardigheid waarmee Paulus zijn geloof belijdt, hetgeen gepaard gaat met een oprechte opsomming van feiten!

Een sekte (vers 5 en 14) is een godsdienstige groepering die zich op een leider of op een speciale leer beroept. De verloste daarentegen moet zich enkel en alleen op Christus beroepen. De godsdienstige wereld zal echter ook de kinderen van God, die zich in gehoorzaamheid aan het Woord van haar afgescheiden hebben, een sekte noemen. Wat maakt het uit! Deze uitdrukking, zoals zovele andere, is een deel van de smaad van Christus. Zoals eens een Paulus, zo heeft ook de trouwe gelovige van nu het heerlijke voorrecht om de verachting van de wereld te delen met dé Nazarener (vers 5).

Het zou bij ons, net als bij Paulus, wel zo moeten zijn, dat wij ervoor zorgen dat wij "altijd een onergerlijk geweten hebben bij God en de mensen" (vers 16). Paulus dacht aan de dag van de opstanding, waarop hij rekenschap zou afleggen aan de Heere over zijn wandel en dienst. Laten ook wij dat nooit uit het oog verliezen!

Handelingen 24:1-21
1En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias af met de ouderlingen, en een zekeren voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor den stadhouder tegen Paulus.2En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende:3Dat wij grote vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten deze volke geschieden door uw voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij ganselijk en overal met alle dankbaarheid aan.4Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u, dat gij ons, naar uw bescheidenheid, kortelijk hoort.5Want wij hebben dezen man bevonden te zijn een pest, en een, die oproer verwekt onder al de Joden, door de ganse wereld, en een oppersten voorstander van de sekte der Nazarenen.6Die ook gepoogd heeft den tempel te ontheiligen, welken wij ook gegrepen hebben, en naar onze wet hebben willen oordelen.7Maar Lysias, de overste, daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht;8Gebiedende zijn beschuldigers tot u te komen; van dewelken gij zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen, waarvan wij hem beschuldigen.9En ook de Joden stemden het toe, zeggende, dat deze dingen alzo waren.10Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had, dat hij zou spreken, antwoordde: Dewijl ik weet, dat gij nu vele jaren over dit volk rechter zijt geweest, zo verantwoord ik mijzelven met des te beteren moed.11Alzo gij kunt weten, dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem;12En zij hebben mij noch in den tempel gevonden tot iemand sprekende, of enige samenrotting des volks makende, noch in de synagogen, noch in de stad;13En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij nu beschuldigen.14Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzo diene, gelovende alles, wat in de wet en in de profeten geschreven is;15Hebbende hoop op God, welke dezen ook zelf verwachten, dat er een opstanding der doden wezen zal, beiden der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen.16En hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen.17Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden.18Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in den tempel, niet met volk, noch met beroerte, enige Joden uit Azie;19Welke behoorden hier voor u tegenwoordig te zijn, en mij te beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij.20Of dat dezen zelf zeggen of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, als ik voor den raad stond;21Dan van dit enig woord, hetwelk ik riep, staande onder hen: Over de opstanding der doden word ik heden van ulieden geoordeeld!

Hier zien we dat de Heere deze keer geen gebruik maakt van een wonder om Zijn dienstknecht te bevrijden, zoals destijds wel gebeurde in Filippi (hoofdstuk 16 vers 26), of zoals het geval was bij Petrus (hoofdstuk 12 vers 7). Hij bestuurt de gebeurtenissen en gebruikt deze keer de neef van Paulus en het Romeinse burgerrecht van Paulus. De trotse minachting die de Romeinse commandant voor de Joden heeft — die hij ongetwijfeld graag een hak wilde zetten — is de menselijke kant in deze gebeurtenis. De Heere had Zijn dienstknecht beloofd dat hij in Rome van Hem zou getuigen (vers 11). Wat de vijanden ook mogen ondernemen, niets kan hierin verandering brengen of dit verhinderen. Al die dingen zullen er juist toe meewerken. En inderdaad, door de dreigementen die geuit worden, ziet Lysias maar één oplossing en dat is: Paulus onder goede bewaking naar Caesarea te laten brengen. Op die manier zou hij hem voor de geheime aanslag van de fanatieke Joden kunnen sparen.

Samen met de gevangene laat Lysias ook een brief, met betrekking tot Paulus, aan de stadhouder Felix overhandigen. Let eens op, hoe hij in die brief de feiten zo weet voor te stellen dat het hele gebeuren voor hemzelf gunstig uitpakt. Hij verbergt namelijk de fout die hij bijna begaan had (vers 27; hoofdstuk 22 vers 25). Bij de enorme schuld van de Joden vallen de misdragingen van hen uit de volken totaal in het niet.

De meer dan veertig mannen die een moord hadden willen begaan, konden hun eed natuurlijk niet gestand doen, en hebben daarmee de vloek op hun eigen hoofd doen neerkomen (vers 21).

Handelingen 24:22-27; Handelingen 25:1-12
22Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij hen uit, zeggende: Als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben, wanneer Lysias, de overste, zal afgekomen zijn, zo zal ik volle kennis nemen van uw zaken.23En hij beval den hoofdman over honderd, dat Paulus zou bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zou beletten hem te dienen, of tot hem te komen.24En na sommige dagen, Felix, daar gekomen zijnde met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus.25En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.26En tegelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zou worden, opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak met hem.27Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Festus in zijn plaats; en Felix, willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen.
1Festus dan, in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.2En de hogepriester, en de voornaamsten der Joden, verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem,3Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage, om hem op den weg om te brengen.4Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen.5Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.6En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags, op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij, dat Paulus zou voor gebracht worden.7En als hij daar gekomen was, stonden de Joden, die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;8Dewijl hij, antwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd.9Maar Festus, willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus, en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?10En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan; gelijk gij ook zeer wel weet.11Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen, waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.12Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan.

Ondanks het feit dat Paulus onschuldig is en ondanks de twijfelachtige geloofwaardigheid van zijn aanklagers, stelt Felix de beslissing uit, omdat hij te laf is en hij de gunst van de Joden probeert te winnen (vers 22). Hij schuift echter nog iets veel belangrijkers van zich af, namelijk de beslissing die betrekking heeft op zijn ziel!

Een paar dagen later laat Felix Paulus weer bij zich roepen, om van hem iets te horen over "het geloof in Christus" (vers 24). En dan laat Paulus hem een kant van de waarheid zien die hij waarschijnlijk niet verwacht had (vers 25). Het Woord maakt hem bang, maar dringt niet door tot zijn geweten, dat verhard is door de liefde voor het geld (vers 26). Hij zegt dat hij er later nog wel een keer met hem over zal praten en laat daardoor de gelegenheid die God hem geeft, waarschijnlijk voor altijd voorbijgaan. Ondanks dat zijn naam 'gelukkige' betekent, is hij aan het ware geluk voorbijgegaan. Laten we het niet vergeten: ná is het de geschikte tijd!

Er zijn twee jaren verstreken. De apostel zit nog steeds in de gevangenis. Maar de haat van de Joden is er niet minder om geworden. Toen Felix afgelost zou worden door Festus, planden de Joden een nieuwe aanslag tegen Paulus. De Heere redt Zijn getuige echter. Net zoals bij Felix (hoofdstuk 24 vers 27) en destijds ook bij Pilatus (Markus 15 vers 15) het geval was, heeft ook Festus maar één zorg: de gunst winnen van de Joden (vers 9). Paulus meent daarom opnieuw aanspraak te moeten maken op zijn recht als Romeins burger en beroept zich op de "rechterstoel van de keizer" (vers 10).

Handelingen 25:13-27
13En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea, om Festus te begroeten.14En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;15Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem;16Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben, enigen mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.17Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval, dat de man zoude voor gebracht worden;18Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde;19Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.20En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.21En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zoude worden, ter tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou.22En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen.23Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was en Bernice, met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis, met de oversten over duizend, en de mannen, die de voornaamsten de stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voor gebracht.24En Festus zeide: Koning Agrippa, en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welken mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende, dat hij niet meer behoort te leven.25Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden.26Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.27Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven.

Agrippa en Bernice waren (evenals Drusilla, de vrouw van Felix; hoofdstuk 24 vers 24) kinderen van Herodes III (hoofdstuk 12 vers 1) en vormden de vierde generatie van deze misdadige dynastie. Het beleefdheidsbezoek waarmee zij de stadhouder vereren, geeft Festus de gelegenheid om zich wat beter te informeren over zijn merkwaardige gevangene. Uit de korte samenvatting die hij over deze aangelegenheid geeft, blijkt dat hij maar heel weinig belangstelling heeft voor godsdienstige zaken. Het gaat, volgens hem, namelijk "over een zekere Jezus..." (vers 19). Ook vandaag heeft Christus voor een heleboel mensen geen grotere betekenis. Paulus bevestigde echter "dat Hij leeft", en daar ligt juist het grote verschil!

Paulus wordt dus 'met grote pracht" voor de 'groten' van het land geleid. Volgens de woorden van de Heere aan Ananias zou hij "een uitverkoren vat" zijn, om Zijn Naam voor koningen uit te dragen (hoofdstuk 9 vers 15). Hij was echter slechts een afgezant van een Koning, Die vele malen groter was dan zij voor wie hij nu te verschijnen had. Hij was "een gezant in een keten", zoals hij zichzelf noemt in Efeze 6 vers 20. Desondanks spreekt hij met grote vrijmoedigheid over zijn Heere, want "het Woord van God is niet gebonden" (2 Timotheüs 2 vers 9).

Handelingen 26:1-18
1En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u geoorloofd voor uzelven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich aldus:2Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word;3Allermeest, dewijl ik weet, dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen, die onder de Joden zijn. Daarom bid ik u, dat gij mij lankmoediglijk hoort.4Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden;5Als die van over lang mij te voren gekend hebben (indien zij het wilden getuigen), dat ik, naar de bescheidenste sekte van onzen godsdienst, als een Farizeer geleefd heb.6En nu sta ik, en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is;7Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.8Wat? wordt het bij ulieden ongelofelijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?9Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen den Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen.10Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe.11En door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft, en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buiten landse steden.12Waarover ook als ik naar Damaskus reisde, met macht en last, welk ik van de overpriesters had,13Zag ik, o koning, in het midden van den dag, op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel mij en degenen, die met mij reisden, omschijnende.14En als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik een stem, tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Het is u hard, tegen de prikkels de verzenen te slaan.15En ik zeide: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt.16Maar richt u op, en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen;17Verlossende u van dit volk, en van de heidenen, tot dewelke Ik u nu zende;18Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.

Paulus wordt opgeroepen om getuigenis af te leggen voor koning Agrippa en strekt, haast feestelijk zou je zeggen (in vers 2 noemt hij zichzelf "gelukkig"), zijn geboeide hand naar hem uit. Net als in hoofdstuk 22 vertelt hij over zijn ontmoeting met de Heere en over de omstandigheden waaronder hem zijn dienst werd toevertrouwd. Nadat zijn eigen ogen geopend waren, heeft hij de opdracht gekregen om de ogen van de mensen uit de volken te openen, opdat zij door het geloof toegang zouden krijgen tot het licht, tot de vrijheid, tot de vergeving van de zonden en tot het hemelse deel van de heiligen (vers 18; vergelijk Kolosse 1 vers 12 en 13).

De omstandigheden waarin mensen tot bekering komen, kunnen heel verschillend zijn. Petrus bevond zich in een schip toen hij zich bewust werd van zijn zondige toestand. Levi zat voor het tolhuis en Zacheüs in een boom, toen ze de roepstem van de Heere hoorden (Lukas 5 vers 27 en 28; hoofdstuk 19 vers 5). De Ethiopiër werd op zijn wagen bekeerd en de gevangenbewaarder rond middernacht in de gevangenis (hoofdstuk 8 vers 27 en verder; hoofdstuk 16 vers 29 en verder). Bij Paulus was het daarentegen "in het midden van de dag, op de weg" (vers 13). Er zijn gelovigen die precies kunnen zeggen waar en wanneer ze de Heere Jezus ontmoet hebben. Anderen kunnen het exacte tijdstip niet noemen. Hoe het ook zij, als je een kind van God bent, dan hoefje niet bang te zijn om over je bekering te vertellen, wanneer de gelegenheid zich voordoet. We kunnen ons daarbij nergens op beroemen, omdat we dan immers ook hebben te spreken over de verdrietige toestand waarin we ons bevonden. We mogen juist de wonderbare genade van God naar voren laten komen, waardoor Hij ons uit deze toestand bevrijd heeft. Hem alleen zij alle eer!

Handelingen 26:19-32
19Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat Hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest;20Maar heb eerst dengenen, die te Damaskus waren, en te Jeruzalem, en in het gehele land van Judea, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren, en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig.21Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den tempel gegrepen en gepoogd om te brengen.22Dan, hulp van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zoude:23Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en den heidenen.24En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festus met grote stem: Gij raast, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij!25Maar hij zeide: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand;26Want de koning weet van deze dingen, tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is; want dit is in geen hoek geschied.27Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet dat gij ze gelooft.28En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.29En Paulus zeide: Ik wenste wel van God, dat, en bijna en geheellijk, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, zodanigen wierden, gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden.30En als hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren;31En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: Deze mens doet niets des doods of der banden waardig.32En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen.

Paulus werd door Jezus Christus geroepen tot een uitzonderlijke dienst onder de volken en was daaraan "niet ongehoorzaam" (vers 19). Laten wij dat ook niet zijn, en laten we de bescheiden opdrachten die de Heere ons heeft toevertrouwd, trouw vervullen!

Voor Festus, een man zonder enige geestelijke behoefte, zijn de uitspraken van Paulus klinkklare onzin (vers 24). Inderdaad lezen we in 1 Korinthe 2 vers 14: "De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid".

Daarna richt de apostel zich rechtstreeks tot koning Agrippa. Hij doet dit zowel met eerbied als met het gezag dat het Woord hem geeft. De koning probeert zijn verlegenheid te verbergen, door om de vraag heen te draaien (vers 28). Iemand er bijna toe bewogen hebben christen te worden, betekent echter dat de persoon in kwestie nog steeds helemaal verloren is!

Wie van beiden bezit het meest te benijden deel, de koning of de gevangene? In het bewustzijn van zijn hoge positie voor God, denkt Paulus, de gevangene van Jezus Christus, niet aan de kroon van de man die hier voor hem staat, maar aan zijn ziel! Ook wij hebben ons niet bezig te houden of te laten beïnvloeden door de uiterlijke vertoning van de mensen; laten we altijd slechts aan hun eeuwige lot denken!

Paulus is achtereenvolgens voor de Raad, voor Felix, voor Festus en daarna voor Agrippa verschenen. Nu moet hij nog voor de keizer gebracht worden, die niemand minder was dan de wrede Nero.

Handelingen 27:1-17
1En als het besloten was, dat wij naar Italie zouden afvaren, leverden zij Paulus en enige andere gevangenen, over aan een hoofdman over honderd, met name Julius van de keizerlijke bende.2En in een Adramyttenisch schip gegaan zijnde, alzo wij de plaatsen langs Azie bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus, de Macedonier van Thessalonica, was met ons.3En des anderen daags kwamen wij aan te Sidon. En Julius, vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan, om van hen bezorgd te worden.4En van daar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus heen, omdat de winden ons tegen waren.5En de zee, die langs Cilicie en Pamfylie is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te Myra in Lycie.6En de hoofdman, aldaar een schip gevonden hebbende van Alexandrie, dat naar Italie voer, deed ons in hetzelve overgaan.7En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover Knidus gekomen waren, overmits het ons de wind niet toeliet, zo voeren wij onder Kreta heen, tegenover Salmone.8En hetzelve nauwelijks voorbij zeilende, kwamen wij in een zekere plaats genaamd Schonehavens, waar de stad Lasea nabij was.9En als veel tijd verlopen, en de vaart nu zorgelijk was, omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande hen Paulus,10En zeide tot hen: Mannen, ik zie, dat de vaart zal geschieden met hinder en grote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven.11Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper, dan hetgeen van Paulus gezegd werd.12En alzo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerder deel geraden ook van daar te varen, of zij enigszins te Fenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde een haven in Kreta, strekkende tegen het zuidwesten en tegen het noordwesten.13En alzo de zuidenwind zachtelijk waaide, meenden zij hun voornemen verkregen te hebben, en afgevaren zijnde, zeilden zij dicht voorbij Kreta henen.14Maar niet lang daarna, sloeg tegen hetzelve een stormwind, genaamd Euroklydon.15En als het schip daarmede weggerukt werd, en niet kon tegen den wind opzeilen, gaven wij het op, en dreven heen.16En lopende onder een zeker eilandje, genaamd Klauda, konden wij nauwelijks de boot machtig worden.17Dewelke opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulpselen, het schip ondergordende; en alzo zij vreesden, dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil, en dreven alzo henen.

Om de verbreiding van het evangelie te verhinderen, heeft de vijand eerst de mensen tegen Paulus opgehitst. En nu maakt hij gebruik van de verhinderingen in de natuur om hem de weg te versperren.

Veel christenen lijken op een zeilschip. Hun wandel is afhankelijk van de wind die er op dat moment waait. Is het een "zuidenwind", die hen zachtjes voort zal drijven, dan denken ze dat alles goed zal gaan en lichten zij vol goede moed het anker (vers 13). Hebben ze daarentegen de wind tegen, zeilen ze "langzaam" en "met moeite" voorwaarts, dan zijn ze ten slotte helemaal niet meer in staat om vooruit te komen (vers 7 en 8). Dan hier, dan daar zoeken ze naar menselijke bescherming en uitkomst in hun moeilijkheden (vers 4). En komt ten slotte de stormwind van de beproeving opzetten, dan zien ze het helemaal niet meer zitten en drijven ze willoos rond (vers 15).

Een schip dat door een motor aangedreven wordt, vervolgt daarentegen onder alle weersomstandigheden zijn koers. O, dat ook wij, ondanks alle stormen, door een actief en vast geloof voortgedreven mogen worden en altijd recht op het einddoel afgaan!

Hoewel de hoofdman zijn gevangene gunstig gezind is, heeft hij meer vertrouwen in de woorden van de stuurman dan in die van Paulus (vers 11). Komt het niet vaak voor, dat wij meer waarde hechten aan de mening van mensen en daarop vertrouwen dan op de leiding van het Woord en de Heilige Geest? — en dat tot onze eigen grote schade (vers 10)!

Handelingen 27:18-44
18En alzo wij van het onweder geweldiglijk geslingerd werden, deden zij den volgende dag een uitworp;19En den derden dag wierpen wij met onze eigen handen het scheepsgereedschap uit.20En als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen, en geen klein onweder ons drukte, zo werd ons voort alle hoop van behouden te worden benomen.21En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zeide: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben;22Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u, maar alleen van het schip.23Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan een engel Gods, Wiens ik ben, Welken ook ik dien,24Zeggende: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen, die met u varen.25Daarom zijt goedsmoeds, mannen, want ik geloof Gode, dat het alzo zijn zal, gelijkerwijs het mij gezegd is.26Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen.27Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzo wij in de Adriatische zee herwaarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden des nachts, vermoedden de scheepslieden, dat hun enig land naderde.28En het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde, wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vademen;29En vrezende, dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mochten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wensten, dat het dag werd.30Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden, en de boot nederlieten in de zee, onder den schijn, alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen,31Zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten: Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden.32Toen hieuwen de krijgsknechten de touwen af van de boot, en lieten haar vallen.33En ondertussen dat het dag zou worden, vermaande Paulus hen allen, dat zij zouden spijze nemen, en zeide: Het is heden de veertiende dag, dat gij verwachtende blijft zonder eten, en niets hebt genomen.34Daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uw behouding; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen.35En als hij dit gezegd had en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en hetzelve gebroken hebbende, begon hij te eten.36En zij allen, goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zelven spijze.37Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zes en zeventig zielen.38En als zij met spijze verzadigd waren, lichtten zij het schip, en wierpen het koren uit in de zee.39En toen het dag werd, kenden zij het land niet; maar zij merkten een zekeren inham, die een oever had, tegen denwelken zij geraden vonden, zo zij konden, het schip aan te zetten.40En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, meteen de roerbanden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe.41Maar vervallende op een plaats, die de zee aan beide zijden had, zetten zij het schip daarop; en het voorschip, vastzittende, bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren.42De raadslag nu der krijgslieden was, dat zij de gevangenen zouden doden, opdat niemand, ontzwommen zijnde, zoude ontvlieden.43Maar de hoofdman, willen Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval, dat degenen, die zwemmen konden, zich eerst zouden afwerpen, en te land komen;44En de anderen, sommigen op planken, en sommigen op enige stukken van het schip. En alzo is het geschied, dat zij allen behouden aan het land gekomen zijn.

Tijdens de storm is Paulus even rustig als toen hij voor stadhouders en koningen stond. De orkaan vormt voor hem geen verhindering om de stem van de God, Die hij toebehoort en Die hij mag dienen, te horen (vers 23). Terwijl de mensen in tijden van beproeving vaak laten zien hoe egoïstisch ze zijn, denkt de apostel alleen maar aan de redding van zijn medepassagiers. Hij stelt hen op hun gemak door het Woord van zijn God; vervolgens wijst hij hen erop, dat ze toch iets moeten eten, maar dat gebeurt niet zonder er eerst voor gedankt te hebben (1 Timotheüs 4 vers 4 en 5).

Na allerlei onverwachte gebeurtenissen en het verlies van het schip, komen ze allemaal toch gezond en behouden in "de haven van hun begeerte" aan (lees Psalm 107 vers 25 -30).

In dit schip, dat een speelbal was van de storm, mogen we een beeld zien van de christenheid hier op aarde. Haar begin was onder gunstige weersomstandigheden, maar al gauw kreeg zij te maken met de wind van beproevingen en vervolgingen, die satan tegen haar in het geweer bracht. Het gebrek aan voedsel, een tijd van diepe duisternis, de toevlucht tot allerlei menselijke hulpmiddelen, dat alles is het gevolg van het niet meer (willen) luisteren naar de stem van de apostel, in het Woord van God. De dag komt naderbij, en daarmee de definitieve schipbreuk van de belijdende christenheid (het schip). Maar te midden van hen die zich op Zijn Naam beroepen, kent de Heere echter hen die de Zijnen zijn. En niemand van hen die de Vader Hem gegeven heeft, zal Hij verloren laten gaan (2 Timotheüs 2 vers 19; Johannes 17 vers 12).

Handelingen 28:1-16
1En als zij ontkomen waren, toen verstonden zij, dat het eiland Melite heette.2En de barbaren bewezen ons geen gemene vriendelijkheid; want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om den regen, die overkwam, en om de koude.3En als Paulus een hoop rijzen bijeengeraapt en op het vuur gelegd had, kwam er een adder uit door de hitte, en vatte zijn hand.4En als de barbaren het beest zagen aan zijn hand hangen, zeiden zij tot elkander: Deze mens is gewisselijk een doodslager, welken de wraak niet laat leven, daar hij uit de zee ontkomen is.5Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads.6En zij verwachtten, dat hij zou opzwellen, of terstond dood nedervallen. Maar als zij lang gewacht hadden, en zagen, dat geen ongemak hem overkwam, werden zij veranderd, en zeiden, dat hij een god was.7En hier, omtrent dezelfde plaats, had de voornaamste van het eiland, met name Publius, zijn landhoeven, die ons ontving, en drie dagen vriendelijk herbergde.8En het geschiedde, dat de vader van Publius, met koortsen en den roden loop bevangen zijnde, te bed lag; tot denwelken Paulus inging, en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem gezond.9Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen, die krankheden hadden in het eiland, en werden genezen.10Die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zouden, bestelden zij ons hetgeen van node was.11En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandrie, dat in het eiland overwinterd had, hebbende tot een teken, Kastor en Pollux.12En als wij te Syrakuse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie dagen;13Van waar wij omvoeren, en kwamen aan te Regium; en alzo, na een dag, de wind zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te Puteoli;14Alwaar wij broeders vonden, en werden gebeden, zeven dagen bij hen te blijven; en alzo gingen wij naar Rome.15En vandaar kwamen de broeders, van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tot Appiusmarkt, en de drie tabernen; welke Paulus ziende, dankte hij God en greep moed.16En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan den overste des legers; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met den krijgsknecht, die hem bewaarde.

God heeft bewerkt dat er bijzonder vriendelijke gevoelens in de harten van de mensen ("de Barbaren") op het eiland Malta leven (net als eerder bij de hoofdman Julius gebeurd was; vers 2; hoofdstuk 27 vers 3). Zij trekken zich het lot van de schipbreukelingen aan en helpen en versterken hen waar ze kunnen.

De Heere wil graag Zijn dienstknecht, door een wonder, aan hen bekend maken. De apostel, die het helemaal geen minderwaardig karweitje vond om zelf mee te helpen bij het verzamelen van het hout voor het vuur, wordt door een adder gebeten, wat voor hem geen schadelijke gevolgen heeft. Dat was één van de tekenen die de discipelen zouden begeleiden. Een ander teken was de oplegging van handen bij zieken, om hen zodoende te genezen (Markus 16 vers 17 en 18).

De vriendelijkheid van de inwoners van Malta wordt al gauw beloond. Door de macht van God worden de zieken op dit eiland, te beginnen bij de vader van Publius, beter gemaakt. En we hopen dat ook veel van deze mensen genezing voor hun ziel gevonden hebben.

De weerstand van de vijand diende er dus alleen toe, dat het zaad van het evangelie in dit 'nieuwe land' gezaaid werd.

De reis van de apostel loopt ten einde. Voordat hij zijn broeders in Rome "enige geestelijke gave" kan meedelen (Romeinen 1 vers 11), wordt hij zelf bemoedigd door hun broederlijke gemeenschap. Ook de jongste gelovige kan het voorwerp tot vreugde en bemoediging zijn voor een dienstknecht van God.

Handelingen 28:17-31
17En het geschiedde na drie dagen dat Paulus samenriep degenen, die de voornaamsten der Joden waren. En als zij samengekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen;18Dewelken, mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geen schuld des doods in mij was.19Maar als de Joden zulks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen; doch niet, alsof ik iets had, mijn volk te beschuldigen.20Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israels ben ik met deze keten omvangen.21Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judea ontvangen; noch iemand van de broeders, hier gekomen zijnde, heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken.22Maar wij begeren wel van u te horen, wat gij gevoelt; want wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt.23En als zij hem een dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijn woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe.24En sommigen geloofden wel, hetgeen gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.25En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij; als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja, den profeet, tot onze vaderen,26Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij horen, en geenszins verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.27Want het hart dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze.28Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen.29En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting hebbenden onder elkander.30En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning; en ontving allen, die tot hem kwamen;31Predikende het Koninkrijk Gods, en lerende van den Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd.

Nauwelijks in Rome aangekomen, roept Paulus "de voornaamsten van de Joden" samen (vers 17). Hij legt hun de gang van zaken, bij zijn gevangenneming, uit. Het is absoluut niet zo, dat hij wrok koestert tegenover zijn volksgenoten, die hem zoveel kwaad berokkend hebben, en hij geeft hun nog steeds de eerste plaats in de prediking van het evangelie. Onvermoeid, van de vroege morgen tot de late avond, legt hij hun de waarheid uit, tot aan het moment dat zij weggaan (vers 25 en 29; lees Hebreeën 10 vers 38 en 39).

Paulus blijft twee jaar als gevangene in Rome. Hij mag echter ervaren dat de omstandigheden die hij door moet maken, juist tot bevordering van het evangelie dienen (Filippensen 1 vers 12). Heeft hij tijdens deze gevangenschap immers niet meerdere Brieven geschreven, waaronder die aan Efeze, Filippi en Kolosse? Wij zouden die nu niet in ons bezit hebben als hij vrij geweest zou zijn om deze gemeenten te bezoeken.

Het zijn overigens ook deze Brieven waardoor wij de geschiedenis van deze grote apostel iets verder kunnen volgen. De berichtgeving wordt hier in Handelingen namelijk afgebroken, waardoor dit Bijbelboek eigenlijk geen definitief slot heeft. Het is net alsof ons daardoor getoond wordt dat het werk van de Heilige Geest hier op aarde nog niet afgelopen is. Zolang de Gemeente op aarde is, gaat dit werk in het leven van elke gelovige afzonderlijk door.

Romeinen 1:1-17
1Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God,2(Hetwelk Hij te voren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften)3Van Zijn Zoon,, Die geworden is uit het zaad van David, naar het vlees;4Die krachtelijk bewezen is te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der doden) namelijk Jezus Christus, onzen Heere:5(Door Welken wij hebben ontvangen genade en het apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder al de heidenen, voor Zijn Naam;6Onder welken gij ook zijt, geroepenen van Jezus Christus!)7Allen, die te Rome zijt, geliefden Gods, en geroepen heiligen, genade zij u, en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.8Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld.9Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenke;10Allen tijd in mijn gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven werd, door den wil van God, om tot ulieden te komen.11Want ik verlang om u te zien, opdat ik u enige geestelijke gave mocht mededelen, ten einde gij versterkt zoudt worden;12Dat is, om mede vertroost te worden onder u, door het onderlinge geloof, zo het uwe als het mijne.13Doch ik wil niet, dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen (en ben tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u enige vrucht zou hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen.14Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen ben ik een schuldenaar.15Alzo hetgeen in mij is, dat is volvaardig, om u ook, die te Rome zijt, het Evangelie te verkondigen.16Want ik schaam mij des Evangelies van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.17Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

De Brieven die wij in de Bijbel tegenkomen, zijn door de apostelen aan de gemeenten of gelovigen gestuurd en daarin worden de christelijke waarheden uitgelegd. Terecht wordt de Brief aan de Romeinen nu de eerste plaats gegeven, hoewel deze na de anderen geschreven is, omdat het grote onderwerp van deze Brief het evangelie is. Voordat men namelijk christelijk onderwijs kan ontvangen, moet men immers eerst zelf christen geworden zijn! Beste vriend, deze gelegenheid heb jij ook gehad, ja, die heb je nu, als je haar tot dusver nog niet hebt aangegrepen! Belijd je zonde en schuld voor de Heere Jezus en neem Hem aan als je Verlosser, voordat je verder gaat met Gods Woord!

Er wordt van een zekere evangelist verteld dat hij, toen hij een aantal samenkomsten mocht houden in een bepaalde stad, elke avond de eerste zes hoofdstukken van de Romeinenbrief heeft voorgelezen. Verder heeft hij er die avonden geen enkel woord aan toegevoegd. Het gevolg is geweest dat er elke avond enkele mensen tot bekering kwamen. Dat is nu de kracht van het unieke Woord van God en het gezag van het evangelie, "want het is een kracht van God tot zaligheid voor een ieder die gelooft" (vers 16)!

Deze Brief werd voor de dramatische reis waarover aan het eind van het Boek Handelingen verteld wordt, geschreven. Paulus had de Romeinen dus nog niet gezien. Maar — en dat is altijd de voorwaarde voor een nuttige dienst — hij is vol liefde voor hen en vooral voor Jezus Christus, Die hij hen wil verkondigen. De eerste verzen worden geheel gevuld met de Naam Jezus Christus. Inderdaad, want is Hij immers niet de Inhoud van het evangelie? Vormt Hij niet de Grondslag voor elke betrekking tussen God en mensen?

Romeinen 1:18-32
18Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.19Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.20Want Zijn onzienlijke dingen worden, van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn.21Omdat zij, God kennende, Hem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt; maar zijn verijdeld geworden in hun overleggingen en hun onverstandig hart is verduisterd geworden;22Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden;23En hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.24Daarom heeft God hen ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hun lichamen onder elkander te onteren;25Als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geeerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid, amen.26Daarom heeft God hen overgegeven tot oneerlijke bewegingen; want ook hun vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature;27En insgelijks ook de mannen, nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hun dwaling, die daartoe behoorde, in zichzelven ontvangende.28En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen;29Vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;30Oorblazers, achterklappers, haters Gods, smaders, hovaardigen, laatdunkenden, vinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;31Onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen;32Dewelken, daar zij het recht Gods weten,, namelijk, dat degenen, die zulke dingen doen, des doods waardig zijn) niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen, die ze doen.

Voordat je iemand kunt vertellen op welke manier God de zondaar rechtvaardigt, is het eerst nodig dat de persoon in kwestie er zelf van overtuigd is, dat hij een zondaar is.

Je zou op de gedachte kunnen komen dat heidense volken te verontschuldigen zijn, omdat zij het geschreven Woord niet in hun bezit hebben. Zij hebben echter een ander 'boek' voor ogen, dat duidelijk 'te lezen' is: de schepping (Psalm 19 vers 1). Desondanks heeft men de Schrijver van dit 'boek' niet willen erkennen, noch Hem willen verheerlijken en men heeft het nagelaten Hem te danken (hetgeen het minste is wat mensen zouden moeten doen). Daarom zijn zij aan de satan overgeleverd, om de ergste dingen te volbrengen (vers 24).

Het beeld dat God hier schetst van de natuurlijke mens, is inderdaad niet zo mooi. Toch is dat uw, jouw en mijn beeld! Misschien ben je nu wel hevig verontwaardigd en zegje: 'Ik heb nog nooit zulke vreselijke zonden gedaan, zoals die in deze verzen beschreven worden!' Lees dan nog eens vers 30 en 31 — en beproef jezelf! Bestaat er bij jou werkelijk geen enkele overeenkomst met de andere leden van het menselijk geslacht? Bovendien verklaart God niet alleen de mensen die zo'n liederlijk leven geleid hebben, schuldig, maar ook alle mensen die "mede een welgevallen hebben in hen, die ze doen" (vers 32). Een romannetje lezen waarin over zo'n immoraliteit verteld wordt, en het wel leuk of interessant vinden om zulke droevige en onreine beschrijvingen te lezen, betekent in feite niets anders dan zichzelf onder hetzelfde rechtvaardige oordeel van God stellen (vers 32; Psalm 50 vers 18).

Romeinen 2:1-16
1Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mens, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij, die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.2En wij weten, dat het oordeel Gods naar waarheid is, over degenen, die zulke dingen doen.3En denkt gij dit, o mens, die oordeelt dengenen, die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?4Of veracht gij den rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende, dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt?5Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods.6Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken;7Dengenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven;8Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam, doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden;9Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek;10Maar heerlijkheid, en eer, en vrede een iegelijk, die het goede werkt, eerst den Jood, en ook den Griek.11Want er is geen aanneming des persoons bij God.12Want zovelen, als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan; en zovelen, als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden;13(Want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;14Want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn, dezen, de wet niet hebbende, zijn zichzelven een wet;15Als die betonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende).16In den dag wanneer God de verborgene dingen der mensen zal oordelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.

Iemand mag nog zo diep gevallen zijn, er zal altijd wel een ander te vinden zijn die het nog veel bonter gemaakt heeft, en waarmee men zich dus in z'n eigen voordeel kan vergelijken! Iemand die verzot is op gokspelletjes, zal wellicht de alcoholist verachten en een alcoholist kijkt, op zijn beurt, met minachting neer op een misdadiger. In werkelijkheid ligt de kiem voor elke vorm van laster in ons eigen hart. Wanneer wij anderen oordelen (vers 1), laten we daarmee zien dat we heel goed in staat zijn om het kwaad te onderscheiden; we laten daarmee zien dat we een geweten bezitten. En dat geweten veroordeelt onszelf, wanneer wij soortgelijke dingen doen. Ieder mens heeft een geweten (Genesis 3 vers 22). Daar maakt God, in Zijn goedheid, gebruik van, om ons tot berouw en bekering te bewegen (vers 4), maar niemand heeft het recht om het te gebruiken om zijn naaste te oordelen. De Enige Die de volmacht heeft om te oordelen, is Jezus Christus (vers 16; Johannes 5 vers 22; Handelingen 10 vers 42). Hij zal op zekere dag "de verborgen dingen der mensen" aan het licht brengen, al hun daden en bedoelingen die niet beleden zijn en die ze zorgvuldig geprobeerd hebben verborgen te houden (Mattheüs 10 vers 26).

Belijd Hem toch onverwijld al je verborgen, en misschien schandelijke, geheimen. Je geweten is geen vijandige stem, maar een vriend die je zegt dat je het allerbeste alles aan de Heere Jezus kunt belijden, want Hij wil je zo graag vergeven!

Romeinen 2:17-29
17Zie, gij wordt een Jood genaamd en rust op de wet; en roemt op God,18En gij weet Zijn wil, en beproeft de dingen, die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet;19En gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen, die in duisternis zijn;20Een onderrichter der onwijzen, en een leermeester der onwetenden, hebbende de gedaante der kennis en der waarheid in de wet.21Die dan een anderen leert, leert gij uzelven niet? Die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij?22Die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige?23Die op de wet roemt, onteert gij God door de overtreding der wet?24Want de Naam van God wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.25Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doet; maar indien gij een overtreder der wet zijt, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden.26Indien dan de voorhuid de rechten der wet bewaart, zal niet zijn voorhuid tot een besnijdenis gerekend worden?27En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt, u niet oordelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt?28Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is; noch die is de besnijdenis, die het in het openbaar in het vlees is;29Maar die is een Jood, die het in het verborgen is, en de besnijdenis des harten, in den geest, niet in de letter, is de besnijdenis; wiens lof niet is uit de mensen, maar uit God.

Dit hoofdstuk doet ons denken aan een rechtbank. De aangeklaagden verschijnen hier om beurten voor de hoogste Rechter. Na de veroordeling van de heiden (hoofdstuk 1) en de geciviliseerde mens (het begin van hoofdstuk 2) is het nu de beurt aan de Jood om voor het gerecht te verschijnen. Hij komt met opgeheven hoofd naar voren. Het feit dat hij Jood is, dat hem de wet gegeven is, waarop hij steunt, dat — volgens hem — alleen hij de ware God kent en Hem dient (vers 17 en verder), dat alles zal toch zeker duidelijk aantonen dat hij bevoorrecht is boven alle andere aangeklaagden. Daaruit blijkt toch overduidelijk dat hij vrijgesproken dient te worden. Maar wat antwoordt de hoogste Rechter daarop? Ik veroordeel je niet op je titels (vers 17), ook niet op je kennis (vers 18) en evenmin op je woorden (vers 21), maar enkel en alleen op je daden. Jij "die dan een ander leert... die predikt... die zegt" (vers 21 en 22), het enige wat Mij bij jou interesseert is wat je doet en... wat je juist niet doet (Mattheüs 23 vers 3). Alle voorrechten die jij opnoemde, kunnen je niet verontschuldigen, maar maken je schuld alleen maar des te groter!

De zonde van de heiden wordt "ongerechtigheid" genoemd (hoofdstuk 1 vers 18); dat is een wandel zonder wet, zonder remmingen, een wandel overeenkomstig de grillen van de eigen wil (1 Johannes 3 vers 4).

De zonde van de Jood heet "overtreding" (vers 23); met andere woorden: ongehoorzaamheid ten opzichte van de Goddelijke geboden, die hem bekend zijn.

En hoeveel groter is dan vandaag de verantwoording van de christenen, want zij bezitten immers het complete Woord van God!

Romeinen 3:1-18
1Welk is dan het voordeel van den Jood? Of welk is de nuttigheid der besnijdenis?2Vele in alle manier; want dit is wel het eerste, dat hun de Woorden Gods zijn toebetrouwd.3Want wat is het, al zijn sommigen ongelovig geweest? Zal hun ongelovigheid het geloof van God te niet doen?4Dat zij verre. Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer Gij oordeelt.5Indien nu onze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig, als Hij toorn over ons brengt? (Ik spreek naar den mens.)6Dat zij verre, anderszins hoe zal God de wereld oordelen?7Want indien de waarheid Gods door mijn leugen overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld?8En zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen, dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome? Welker verdoemenis rechtvaardig is.9Wat dan? Zijn wij uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beiden Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn;10Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een;11Er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt.12Allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die goed doet, er is ook niet tot een toe.13Hun keel is een geopend graf; met hun tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hun lippen.14Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;15Hun voeten zijn snel om bloed te vergieten;16Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;17En den weg des vredes hebben zij niet gekend.18Er is geen vreze Gods voor hun ogen.

Wie heeft gelijk? God, Die (ver)oordeelt, of de aangeklaagde, die zich verdedigt? De apostel roept het uit in vers 4: "Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig". Het Woord van God wordt niet ongeldig vanwege het feit dat de bewaarders van dit Woord, de Joden, het niet geloofden (vers 3; Hebreeën 4 vers 2). Zij beroemden zich erop de wet te bezitten (hoofdstuk 2 vers 17), hoewel dat tegen hen getuigde. Wat een tegenspraak! Ze lijken op een misdadiger die bij hoog en bij laag beweert onschuldig te zijn, terwijl hij de politie zelf het bewijsmateriaal in handen geeft waaruit duidelijk blijkt dat hij schuldig is. Vandaar dat de Heilige Geest — net zoals de officier van justitie dat bij een rechtszaak doet — voor deze Joodse aangeklaagde een hele rij onweerlegbare verzen laat voorlezen, die aan hun eigen Schriften ontnomen zijn (vers 10 - 18).

De aangeklaagde zou echter ook nog een ander argument naar voren kunnen brengen: Ik ontken mijn ongerechtigheid niet, maar dat laat immers nog meer de gerechtigheid van God naar voren komen; dus in feite dient het alleen daartoe!

Dat zou een moedwillige verdraaiing van zaken zijn! Als dat zo zou zijn, zou God de wereld niet kunnen en niet mogen oordelen (vers 6) en zou Hij haar juist dankbaar moeten zijn, omdat uit haar slechtheid juist Zijn trouw blijkt. Dan zou Hij echter opgehouden hebben rechtvaardig te zijn, en zou Hij Zichzelf verloochenen (2 Timotheüs 2 vers 13).

Voordat God tot de definitieve uitspraak van schuld overgaat, verwijdert Hij al deze verstandelijke redeneringen waarachter Zijn schepsel zich nog steeds probeert te verschuilen.

Romeinen 3:19-31
19Wij weten nu, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot degenen, die onder de wet zijn; opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij.20Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem; want door de wet is de kennis der zonde.21Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de wet en de profeten:22Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen, en over allen, die geloven; want er is geen onderscheid.23Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;24En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is;25Welken God voorgesteld heeft tot een verzoening, door het geloof in Zijn bloed, tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid, door de vergeving der zonden, die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods;26Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid in dezen tegenwoordigen tijd; opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene, die uit het geloof van Jezus is.27Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Der werken? Neen, maar door de wet des geloofs.28Wij besluiten dan, dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.29Is God een God der Joden alleen? en is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen;30Nademaal Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof.31Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre; maar wij bevestigen de wet.

Voor de veroordeling van God blijft nu elke mond gesloten. De aangeklaagden worden allen schuldig bevonden (vers 19). "Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods" (vers 23). En de vreselijke uitspraak: "...zult gij de dood sterven" (Genesis 2 vers 17), wordt bevestigd door de woorden: het loon van de zonde is de dood" (Romeinen 6 vers 23). Voor de ongelovigen, hetzij Jood of heiden, is dit oordeel definitief, en de rechterstoel, waarvoor ieder mens op zekere dag zal moeten verschijnen, is een beangstigende werkelijkheid (Openbaring 20 vers 11 en verder).

Maar dan treedt de Advocaat naar voren ten gunste van hen — zowel Jood als heiden — die in geloof voor Hem gekozen hebben. Hij probeert geen verzachtende omstandigheden aan te voeren voor het verleden, zoals de advocaten voor de menselijke rechtbanken vaak wel doen. Integendeel zelfs, Hij geeft eerlijk toe dat het oordeel rechtvaardig is! Maar Hij zegt erbij dat het oordeel al voltrokken is! De schuld is al vereffend. Het vreselijke loon van de zonde heeft Hij Zelf met Zijn eigen dood betaald!

Ja, de gerechtigheid van God is volkomen bevredigd; nooit kan iemand een misdaad die al verzoend is, voor de tweede keer aangerekend worden. En als God rechtvaardig is in het veroordelen en bestraffen van de zonde, dan is Hij ook rechtvaardig wanneer Hij de zondaar "die uit het geloof van Jezus is" rechtvaardigt (vers 26).

`Rechtvaardigheid drong aan op straf, genade vroeg om vrijgeleide. Hier trad Gods wijsheid tussenbeide, die allebei voldoening gaf O, wonderbare gunstbetoning, o, licht, dat zich van 't kruis verspreidt! Hier schittert Gods gerechtigheid, hier straalt genadige verschoning.'

Romeinen 4:1-12
1Wat zullen wij dan zeggen, dat Abraham, onze vader, verkregen heeft naar het vlees?2Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zo heeft hij roem, maar niet bij God.3Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.4Nu dengene, die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld.5Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.6Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken;7Zeggende: Zalig zijn zij, welker ongerechtigheden vergeven zijn, en welker zonden bedekt zijn;8Zalig is de man, welken de Heere de zonden niet toerekent.9Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis, of ook over de voorhuid? Want wij zeggen, dat Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.10Hoe is het hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was, of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.11En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs, die hem in de voorhuid was toegerekend; opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde;12En een vader der besnijdenis, dengenen namelijk, die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen in de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham, hetwelk in de voorhuid was.

Wanneer een ladder te kort is om iets wat heel hoog ligt, te kunnen pakken, dan maakt het niet meer uit of je nu op de bovenste of op de onderste sport staat. De ladder is en blijft te kort. "Want er is geen onderscheid", hebben we gelezen in hoofdstuk 3 vers 22. Noch de Jood, noch de Griek, is in staat de heerlijkheid van God te bereiken. Niemand is in staat dat te bereiken op de ladder van eigen gerechtigheid, want die is en zal altijd te kort blijven!

We hebben het bewijs dat zelfs Abraham (vers 3) en David (vers 6) het onomstreden recht gehad zouden hebben, zichzelf helemaal bovenaan de ladder van de eigen werken te stellen. Zij hebben daar echter geen gebruik van gemaakt, om daarmee door God gerechtvaardigd te worden. En wanneer zij dat al niet gedaan hebben, wie zou dan durven beweren dat hij dat wel zou kunnen? Om duidelijk aan te tonen dat het heil door genade geen enkele verbinding heeft met de vleselijke aanspraken en "de roem" van het Joodse volk (hoofdstuk 3 vers 27), herinneren de verzen 9 en 10 ons eraan dat de patriarch Abraham de gerechtigheid door geloof al voor het teken van de besnijdenis heeft ontvangen (Genesis 15 vers 6 en hoofdstuk 17 vers 4). Op het moment dat God hem gerechtvaardigd heeft, stond hij, in uiterlijk opzicht, dus nog gelijk aan iemand uit de volken.

Om gered, om behouden te kunnen worden, moet je allereerst je schuld inzien. Dat wil zeggen dat je instemt met het Goddelijk oordeel, zoals wij dat gezien hebben in het vorige hoofdstuk. Alleen "de goddeloze", en hij alleen, kan door God gerechtvaardigd worden (vers 5; vergelijk Mattheüs 9 vers 12).

Romeinen 4:13-25
13Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk, dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs.14Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel geworden, en de beloftenis te niet gedaan.15Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.16Daarom is zij uit het geloof, opdat zij naar genade zij; ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit het geloof Abrahams is, welke een vader is van ons allen;17(Gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld) voor Hem, aan Welken hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren;18Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad wezen.19En niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, dat alrede verstorven was, alzo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was.20En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer;21En ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen.22Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend.23Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is;24Maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, namelijk dengenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onzen Heere, uit de doden opgewekt heeft;25Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

God is machtig om, hetgeen Hij beloofd heeft, te volbrengen (vers 21). De mens is echter absoluut niet in staat om zijn verplichtingen na te komen. Vandaar dat er geen voorwaarden zijn verbonden aan de beloften die Abraham (en de christen) heeft ontvangen — het is voldoende als je gelooft.

Alle omstandigheden schenen hetgeen God aan Abraham beloofd had, tegen te spreken. Maar "hij heeft... niet getwijfeld" en was "ten volle verzekerd" (vers 20 en 21). Hoe kwam hij aan dat onwankelbare geloof? Dat bezat hij, omdat hij Hem, Die hem deze belofte gegeven had, kende en volledig vertrouwde! De handtekening van iemand voor wie we respect hebben, heeft voor ons veel meer waarde dan de ondertekening van iemand die we niet kennen. De handtekening van een bekende betekent voor ons tevens de garantie dat hij zijn verplichtingen zal nakomen.

Het geloof steunt in het volste vertrouwen op de belofte, omdat God, Die haar gegeven heeft, geloofd wordt (vers 3 en 17; vergelijk 2 Timotheüs 1 vers 12). Het geloof neemt de grote waarheden die in Zijn Woord bevestigd worden, in bezit: de dood van de Heere Jezus om onze schuld uit te wissen; Zijn opstanding om ons te kunnen rechtvaardigen (vers 25).

Beste vriend, nu je zover gekomen bent met lezen, willen wij je de vraag stellen of jij ook, samen met alle gelovigen, kunt zeggen: 'Dat geloof, waardoor ik gered ben, bezit ik'? Kun jij het ook zeggen: 'Voor mijn zonden is de Heere Jezus overgegeven; voor mijn rechtvaardigmaking heeft God Hem opgewekt'?

Romeinen 5:1-11
1Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus;2Door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods.3En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt;4En de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop;5En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.6Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te Zijner tijd voor de goddelozen gestorven.7Want nauwelijks zal iemand voor een rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven.8Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.9Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij door Hem behouden worden van den toorn.10Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij, verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven.11En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God, door onzen Heere Jezus Christus, door Welken wij nu de verzoening gekregen hebben.

Omdat hij vrijgesproken en gerechtvaardigd is, geeft de gelovige blijk van zijn vreugde (vers 1). De vrede met God is voortaan zijn deel! Dat is iets van onschatbare waarde! Hij is verzoend met de allerhoogste Rechter, doordat Deze Zijn toorn, die op ons rustte, op Zijn Zoon heeft doen neerkomen. Deze daad betekende "de dood van Zijn Zoon" (vers 10).

De liefde van God is werkelijk met niets te vergelijken! Het is Zijn liefde die ons hier voor de aandacht staat; en deze liefde vindt zijn oorsprong, ja zijn oorzaak, alleen in Hemzelf. Hij heeft arme schepselen, waarin niets te vinden was waardoor zij geliefd zouden kunnen worden, liefgehad voordat zij ook maar de kleinste stap in Zijn richting konden doen, omdat zij toen in zichzelf krachteloos, goddeloos (vers 6), zondaars (vers 8) en vijanden (vers 10) waren (1 Johannes 4 vers 10 en 19). Deze liefde is het die nu in onze harten is uitgegoten (vers 5).

Tegenover de wereld die zich beroemt op allerlei voordelen van nu en van het verleden, hoeft de gelovige in geen enkel opzicht beschaamd te staan (vers 5). De gelovige kan roemen in zijn onuitsprekelijke toekomst: de heerlijkheid van God (vers 2). En — hoe tegenstrijdig het ook mag klinken —hij is zelfs in staat om, in de tegenwoordige verdrukkingen, blij te zijn! Deze moeilijkheden brengen namelijk kostbare vruchten voort (vers 3 en 4), waardoor zijn hoop nog levendiger wordt en het verlangen in hem nog brandender wordt. "En niet alleen dit..." (vers 11), wij hebben het recht te roemen in de gaven, maar vooral in Hem Die ze ons geeft: God Zelf, Die door onze Heere Jezus Christus onze God geworden is.

Romeinen 5:12-21
12Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.13Want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.14Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou.15Doch niet, gelijk de misdaad, alzo is ook de genadegift, want indien, door de misdaad van een, velen gestorven zijn, zo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is van een mens Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.16En niet, gelijk de schuld was door den een, die gezondigd heeft, alzo is de gift; want de schuld is wel uit een misdaad tot verdoemenis, maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking.17Want indien door de misdaad van een de dood geheerst heeft door dien enen, veel meer zullen degenen, die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heersen door dien Enen, namelijk Jezus Christus.18Zo dan, gelijk door een misdaad de schuld gekomen is over alle mensen tot verdoemenis; alzo ook door een rechtvaardigheid komt de genade over alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens.19Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien enen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Enen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.20Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest;21Opdat, gelijk de zonde geheerst heeft tot den dood, alzo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus onzen Heere.

Voor een gelovige die zich op zijn sterfbed bekeert, zou deze Brief met vers 11 hebben kunnen eindigen. De vraag met betrekking tot zijn zonden is opgelost; hij is passend gemaakt voor de heerlijkheid van God. Maar hij die nog voortleeft hier op aarde, staat nog een pijnlijk probleem te wachten: hij heeft nog steeds de oude natuur, "de zonde" in zich, die, net als vroeger, alleen maar in staat is slechte vruchten voort te brengen. Verliest hij nu zijn heil?

Wat vanaf hoofdstuk 5 vers 12 tot aan hoofdstuk 8 volgt, leert ons hoe God in dit opzicht gezorgd heeft. Hij heeft niet alleen mijn daden geoordeeld, maar ook mijn eigen boze wil waaruit deze daden voortkomen, de "oude mens" (hoofdstuk 6 vers 6), die precies gelijk is aan zijn voorvader Adam.

Denk je eens in dat een betrouwbare drukker bij het produceren van een boek een paar ernstige fouten in een zin over het hoofd heeft gezien, fouten waardoor de gedachten van de schrijver helemaal verkeerd zouden worden weergegeven. Als de drukker de fouten laat voor wat ze zijn, komen ze dus in de hele oplage, ja, in elk boek afzonderlijk, voor. Ook al is de omslag van dat boek nog zo mooi, het verandert niets aan de inhoud. Om de oorspronkelijke gedachten van de schrijver goed weer te geven, is het daarom nodig dat er een nieuwe oplage gedrukt wordt, waar de fouten uitgehaald zijn.

Met de eerste Adam gaat het eigenlijk net als met die drukfout. Hoeveel mensen er ook van hem afstammen — het zijn allemaal zondaren! God heeft echter niet geprobeerd het geslacht van Adam te verbeteren. Hij heeft een nieuwe Mens 'voortgebracht': Christus, en heeft ons Zijn leven gegeven.

Romeinen 6:1-14
1Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?2Dat zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?3Of weet gij niet, dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn?4Wij zijn dan met Hem begraven, door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.5Want indien wij met Hem een plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding;6Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen.7Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.8Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven;9Wetende, dat Christus, opgewekt zijnde uit de doden, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over Hem.10Want dat Hij gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode.11Alzo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus, onzen Heere.12Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams.13En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.14Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.

Er zijn mensen die zeggen: Wat hebben we het nu gemakkelijk! Als de genade dan zo overstromend is en onze ongerechtigheden deze genade juist alleen maar des te duidelijk naar voren laat komen, dan moeten we daarvan profiteren. Laten we gewoon onze gang gaan en doen waar we zin in hebben. Laten we ons maar uitleven in onze vleselijke begeerten.' (vers 1 en 15).

Je kunt het je toch niet indenken dat de verloren zoon, na die geweldige ontvangst door zijn vader, toch weer naar het verre land zou willen terugkeren en zou zeggen: 'Nu weet ik dat ik thuis altijd weer welkom ben, wanneer ik op een gegeven moment zin heb om daarheen te gaan'?

Zulke gedachten zouden toch nooit bij een waar kind van God mogen en kunnen opkomen! Ten eerste omdat hij weet wat die genade zijn Redder gekost heeft en hij Hem niet wil bedroeven. En ten tweede omdat de zonde alle aantrekkingskracht voor hem verloren zou moeten hebben. Iemand die gestorven is, kan inderdaad niet meer aan allerlei vermaak deelnemen en kan evenmin door allerlei verzoekingen verleid worden. Mijn dood met Christus (vers 6) ontneemt de zonde elke kracht en elke heerschappij over mij. Dat is een wonderbare bevrijding!

In de verzen 13 - 18 van hoofdstuk 3 hebben we gezien dat de lichaamsonderdelen van een mens (zijn tong, voeten en ogen) "wapenen van de ongerechtigheid" in dienst van de zonde waren (vers 13). Bij mijn bekering zijn deze lichaamsdelen echter van eigenaar verwisseld. Ze zijn "wapenen der gerechtigheid" geworden, die ter beschikking staan van Hem Die alle recht op mij heeft verworven.

Romeinen 6:15-23
15Wat dan? Zullen wij zondigen, omdat wij niet zijn onder de wet, maar onder de genade? Dat zij verre.16Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen, dien gij gehoorzaamt, of der zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid?17Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer, tot hetwelk gij overgegeven zijt;18En vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid.19Ik spreek op menselijke wijze, om der zwakheid uws vleses wil; want gelijk gij uw leden gesteld hebt, om dienstbaar te zijn der onreinigheid en der ongerechtigheid, tot ongerechtigheid, alzo stelt nu uw leden, om dienstbaar te zijn der gerechtigheid, tot heiligmaking.20Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zo waart gij vrij van de gerechtigheid.21Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt? Want het einde derzelve is de dood.22Maar nu, van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebt gij uw vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.23Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onzen Heere.

Er is niets waarop de mens zo gesteld is als op zijn vrijheid. Toch is dat een volslagen illusie. De vrije wil is in feite niets anders dan slavernij aan de duivel. Dat ondervindt en weet de mens echter pas nadat hij tot bekering is gekomen. Pas wanneer hij wil wegvliegen, ontdekt de gevangen genomen vogel dat hij gekortwiekt is. "Een ieder, die de zonde doet, is een dienstknecht van de zonde", heeft de Heere Jezus gezegd. Maar Hij heeft eraan toegevoegd: "Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn" (Johannes 8 vers 34 en 36).

Vrij zijn — om onze eigen wil te doen? Nee, want daarmee zouden we ons namelijk weer onder dezelfde slavernij stellen! Dat we in het verleden de wil van de zondige mens vervuld hebben, zou voor ons eens en voor altijd genoeg geweest moeten zijn. En wat was daar de vrucht van (vers 21; 1 Petrus 4 vers 3)? Je hebt als een dwaas voor de verleider, genaamd satan, gewerkt en daarvoor het trieste loon "de dood" verdiend, deze dood die Christus in onze plaats heeft willen ondergaan (vers 23).

Nee, wanneer wij vrijgemaakt zijn, dan is dat alleen om God te dienen en Hem van harte te gehoorzamen (vers 17; 2 Korinthe 10 vers 5), zoals eens het geval was bij een neger in Afrika. Op zekere dag werd hij door een vriendelijke man, die medelijden met hem had, vrijgekocht. In plaats dat deze neger vanaf dat moment zijn eigen weg ging, om te doen en laten waar hij zelf zin in had, vroeg hij zijn weldoener bij hem te mogen blijven. Hij had, nadat hij was vrijgekocht, nog maar één wens: voortaan deze man dienen!

Romeinen 7:1-11
1Weet gij niet, broeders! (want ik spreek tot degenen, die de wet verstaan) dat de wet heerst over den mens, zo langen tijd als hij leeft?2Want een vrouw, die onder den man staat, is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.3Daarom dan, indien zij eens anderen mans wordt, terwijl de man leeft, zo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zo is zij vrij van de wet, alzo dat zij geen overspeelster is, als zij eens anderen mans wordt.4Zo dan, mijn broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.5Want toen wij in het vlees waren, wrochten de bewegingen der zonden, die door de wet zijn, in onze leden, om den dood vruchten te dragen.6Maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven zijn, onder welken wij gehouden waren; alzo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.7Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre. Ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide: Gij zult niet begeren.8Maar de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood.9En zonder de wet, zo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven.10En het gebod, dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.11Want de zonde, oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid, en door hetzelve gedood.

Niet alleen de verkeerde daden die ik gedaan heb, worden door de wet bestraft, maar ook mijn zondige natuur wordt veroordeeld, bijvoorbeeld het feit dat ik niet in staat ben om God en mijn naaste lief te hebben, zoals de wet dit voorschrijft. De zonde brengt mij dus onverbiddelijk onder het oordeel van de wet van God. Daarvan ben ik echter op dezelfde wijze bevrijd als van de zonde: door de dood, dat wil zeggen: mijn dood met Christus (vers 4). Wanneer iemand die schuldig is, gestorven is, kan geen enkele rechtbank nog iets tegen hem ondernemen.

Is de wet daarom een slechte zaak, omdat God mij tegen de scherpte van de wet moet beschermen? "Dat zij verre!", roept de apostel het opnieuw uit (vers 7). Wanneer ik in een museum één van de tentoongestelde voorwerpen in handen neem, ben ik mij er misschien niet van bewust dat ik in overtreding ben. Maar als er een bordje bij staat met 'verboden aan te raken' en ik doe het toch, dan ben ik dus duidelijk schuldig. Tegelijkertijd zullen veel bezoekers door zo'n bordje juist geprikkeld worden om toch even iets aan te raken. De trotse natuur van de mens dwingt hem er als het ware toe, om elk voorschrift te overtreden en daardoor zijn onafhankelijkheid te bevestigen.

Op dezelfde wijze 'betrapt' God mij door de wet op 'heterdaad' op mijn ongehoorzaamheid en brengt Hij de begeerte in mij aan het licht, om mij op die manier beter van zonde te overtuigen.

Romeinen 7:12-25
12Alzo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig, en rechtvaardig, en goed.13Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre. Maar de zonde is mij de dood geworden; opdat zij zou openbaar worden zonde te zijn; werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde boven mate werd zondigende door het gebod.14Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.15Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik.16En indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo stem ik de wet toe, dat zij goed is.17Ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde, die in mij woont.18Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.20Indien ik hetgene doe, dat ik niet wil, zo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde, die in mij woont.21Zo vind ik dan deze wet in mij: als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.22Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens;23Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is.24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?25Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere. [ (Romans 7:26) Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde. ]

Deze verzen worden wel eens vergeleken met iemand die in een moeras gezakt is en tevergeefs probeert zichzelf te bevrijden. Elke beweging die hij daarbij maakt, zorgt ervoor dat hij nog dieper wegzinkt. Wanneer hij uiteindelijk inziet dat hij zelf niets kan beginnen en verloren is, schreeuwt hij om hulp.

Dit drama vormt, in zedelijk opzicht, een illustratie van de geschiedenis van veel kinderen van God in de eerste tijd na hun bekering. De apostel verplaatst zich als het ware in de situatie van zo'n gelovige. (Dat het hier om een gelovige gaat, is overigens heel duidelijk, want wanneer hij niet bekeerd zou zijn, zou hij enerzijds niet zo'n strijd hebben, en anderzijds zou hij geen welgevallen vinden in de wet van God; vers 22.) De apostel schildert hier dus zijn hopeloze situatie. Ach! schreeuwt zo iemand; in plaats van vooruitgang te boeken, voel ik mij met de dag ellendiger! Van lieverlee heb ik ontdekt dat ik "onder de zonde" was (hoofdstuk 3 vers 9), en dat zij over mij heerste (hoofdstuk 5 vers 21 en hoofdstuk 6 vers 14), mij gevangen hield (hoofdstuk 7 vers 23), maar ook dat zij in mij woont (vers 17 en 20). Het is net als met een verraderlijke ziekte die al mijn organen die van levensbelang zijn, heeft aangetast. "Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?" (vers 24). Ik geef toe, dat ik daar zelf niet toe in staat ben, dat ik geen kracht heb — ik ben bereid mij aan iemand anders over te geven. En pas wanneer je zover gekomen bent, dan neemt de Heere Jezus je bij de hand.

Dit is een pijnlijke, maar toch noodzakelijke ervaring! Vanaf het moment dat ik niets meer van mijzelf verwacht, kan en mag ik alles van Christus verwachten.

Romeinen 8:1-11
1Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.2Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.3Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God, Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vlees.4Opdat het recht der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar den Geest.5Want die naar het vlees zijn, bedenken, dat des vleses is; maar die naar den Geest zijn, bedenken, dat des Geestes is.6Want het bedenken des vleses is de dood; maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;7Daarom dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet; want het kan ook niet.8En die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen.9Doch gijlieden zijt niet in het vlees, maar in den Geest, zo anders de Geest Gods in u woont. Maar zo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.10En indien Christus in ulieden is, zo is wel het lichaam dood om der zonden wil; maar de geest is leven om der gerechtigheid wil.11En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, zo zal Hij, Die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken, door Zijn Geest, Die in u woont.

De nood van hoofdstuk 7 wordt opgevolgd door een wonderbare vrede. Ik ben schuldig, maar heb geleerd dat er voor mij geen verdoemenis is; ik ben "in Christus Jezus", de enige plaats waar ik volkomen veilig ben. Als "ellendig mens" (hoofdstuk 7 vers 24), zonder kracht om het goede te doen, heb ik een kracht ontdekt: "de wet van de Geest van het leven", die mij "van de wet van de zonde"— dat wil zeggen van haar heerschappij — bevrijdt. Dat zijn de twee grote waarheden, die ik in geloof mag aangrijpen.

Ook al is iemand nog zo'n begaafde kunstenaar, en ook al heeft hij het allerbeste gereedschap tot zijn beschikking, toch kan hij met een stuk hout dat vol zit met wormensteken, niets beginnen. Hoe goed de wet ook mag zijn (hoofdstuk 7 vers 12), het is door het opstandig, verdorven, en door de worm van de zonde aangevreten "vlees" "krachteloos" en onwerkzaam geworden (vers 3 en 7). Wij bevonden ons "in het vlees" (vers 9) en waren ertoe gedwongen naar diens wil te handelen. Nu zijn wij echter "in Christus Jezus" en wandelen "naar de Geest" (vers 4).

Het is waar dat wij, zelfs wanneer wij niet meer "in het vlees" zijn, het vlees toch nog in ons hebben. Sinds wij echter geloofd hebben, woont de Geest van God Zelf als ware 'Huiseigenaar' in ons. Het vlees, "de oude mens", de vroegere eigenaar, is in zekere zin nu alleen nog maar een ongewenste huurder, die in een kamertje zit opgesloten. Hij heeft nergens meer recht op — maar ik moet er wel voor oppassen dat ik de deur niet voor hem op een kiertje zet.

Romeinen 8:12-21
12Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars niet aan het vlees, om naar het vlees te leven.13Want indien gij naar het vlees leeft, zo zult gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult gij leven.14Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.15Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, door Welken wij roepen: Abba, Vader!16Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.17En indien wij kinderen zijn, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen van God, en medeerfgenamen van Christus; zo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem verheerlijkt worden.18Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden.19Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods.20Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wil, die het der ijdelheid onderworpen heeft;21Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.

We zijn dus niet langer de "schuldenaars" van de onverzadigbare en wrede schuldeiser: "het vlees" (vers 12). We zijn namelijk kinderen van God geworden, en onze Vader laat het niet toe, dat we opnieuw onderdrukt worden. Hij heeft Zelf alles betaald wat wij schuldig waren, opdat wij vrij zouden worden en alleen van Hem afhankelijk zouden zijn.

Heel vroeger kon het wel eens gebeuren dat een Romeinse slaaf bevrijd en, bij hoge uitzondering, zelfs door zijn meester geadopteerd werd, zodat hij daardoor ook recht kreeg op de erfenis. Dat is nog maar een heel zwak beeld van datgene wat God gedaan heeft voor arme, gevallen en onreine schepselen, die zelfs in opstand waren gekomen tegen Hem. Hij heeft hun niet alleen vergeving, rechtvaardiging en volledige vrijheid geschonken, maar hen ook tot leden van Zijn eigen familie gemaakt. En zij zijn nu met Zijn eigen Geest verzegeld, waardoor de kinderen ook hun betrekking tot de Vader kennen. 'Papa' (in het Hebreeuws "Abba") is vaak het eerste woordje dat een klein kind duidelijk uit kan spreken (vers 15 en 16; 1 Johannes 2 vers 13).

Behalve de zekerheid die de Heilige Geest ons geeft, leert Hij ons ook om de reacties, de handelingen van ons lichaam, voor dood te houden. Dat wil zeggen dat wij niet meer op deze prikkelingen reageren en ons daar niet meer in uitleven (vers 13). En doordat wij ons door Hem laten leiden, geven we aan dat wij "kinderen van God" zijn (vers 14; vergelijk Mattheüs 5 vers 44 en 45). En wij mogen vol verwachting uitzien naar het moment dat wij voor de hele schepping als zodanig openbaar zullen zijn (vers 19), tot eer en verheerlijking van de Heere!

Romeinen 8:22-30
22Want wij weten, dat het ganse schepsel te zamen zucht, en te zamen als in barensnood is tot nu toe.23En niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zelven, zeg ik, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams.24Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu, die gezien wordt, is geen hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?25Maar indien wij hopen, hetgeen wij niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid.26En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.27En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt.28En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.29Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.30En die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.

Deze door de zonde verontreinigde aarde wordt door ongerechtigheid, lijden en angst geregeerd. De mens heeft de hele schepping (en vandaag de dag zelfs ook het heelal) onderworpen aan zijn eigen ijdelheid (vers 20) en aan "de dienstbaarheid [= slavernij] van de verderfenis" (vers 21). Het zuchten van alle onderdrukten stijgt omhoog tot de grote Rechter (Klaagliederen 3 vers 34 - 36). Wijzelf zuchten ook in "ons vernederd lichaam" (Filippi 3 vers 21). We zijn vermoeid door de zonde, die ons steeds omringt en die wij bovendien voortdurend in onszelf hebben te oordelen (vers 13). Onze zwakheid is groot. Wij weten niet wat wij bidden, of waar we om vragen moeten (vers 26). Eén van de taken van de Heilige Geest is het dan ook dat Hij Zich voor ons inzet, dat Hij voor ons spreekt, op een manier die God welgevallig is (vers 27). Wij weten ook niet wat goed voor ons is. Maar vers 28 verzekert ons dat alles wat er gebeurt, door God bepaald wordt en uiteindelijk tot uitvoering van Zijn raadsbesluit dient, waarvan Christus het Middelpunt is. Het doel van God is, Zijn Zoon in de heerlijkheid "broeders" te geven die Hij tevoren gekend, verordineerd (bestemd), geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt heeft (vers 29). Zij die vroeger ellendige en verloren schepselen waren, worden nu voor hun hemelse roeping toebereid.

De verschillende raadsbesluiten van God vormen als het ware stuk voor stuk schakels in een ketting, waardoor de achterliggende eeuwigheid verbonden wordt met de toekomstige eeuwigheid. Dát geeft zin en doel aan de tegenwoordige tijd!

Het is iets geweldig groots en wonderbaars, dit zo voor ogen te hebben en te mogen overdenken!

Romeinen 8:31-39
31Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?32Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?33Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.34Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechter hand Gods is, Die ook voor ons bidt.35Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, naaktheid, of gevaar, of zwaard?36(Gelijk geschreven is: Want om Uwentwil worden wij den gansen dag gedood; wij zijn geacht als schapen ter slachting.)37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft.38Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen,39Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.

Voor de ontvouwing van de eeuwige raadsbesluiten van God kan de verloste geen woorden vinden. Elke vraag die hij nog zou kunnen stellen, heeft hierin zijn volkomen antwoord gevonden.

God is vóór hem — welke vijand zou het nog durven wagen hem aan te vallen?

God rechtvaardigt hem — wie zou hem voortaan nog kunnen aanklagen?

De Enige Die hem zou kunnen verdoemen, is zijn grootste Voorspraak geworden: Christus. En wat zal een God Die ons in Zijn Zoon de Grootste van alle gaven gegeven heeft (2 Korinthe 9 vers 15), nu nog willen onthouden? Hij zal ons "met Hem... alle dingen schenken". Ja, wanneer het nodig is, ook de beproevingen (vers 28). Het lijkt er misschien op, dat die dingen ons eerder van de liefde van Christus zouden kunnen scheiden, omdat ze bij ons vaak gemopper en moedeloosheid kunnen bewerken. Maar het tegendeel is waar! Door dit alles zijn wij namelijk in staat om deze liefde op een manier te ondervinden en te ervaren zoals dat anders nooit mogelijk geweest zou zijn. In elke vorm van beproeving — verdrukking, angst, vervolging... — komt de veelvuldige genade van de Heere op een speciale wijze naar voren. Bijvoorbeeld als steun, troost, liefderijke zorg, volkomen medelijden... Hij komt aan elke vorm van lijden tegemoet met een Persoonlijke uitdrukking van Zijn liefde. En als wij Zijn liefde voor deze aarde, met al haar lijden, niet meer nodig zullen hebben, dan zullen wij toch, tot in alle eeuwigheid, de onderwerpen van de liefde van God blijven.

Romeinen 9:1-18
1Ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet (mijn geweten mij mede getuigenis gevende door den Heiligen Geest),2Dat het mij een grote droefheid, en mijn hart een gedurige smart is.3Want ik zou zelf wel wensen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broederen, die mijn maagschap zijn naar het vlees;4Welke Israelieten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst van God, en de beloftenissen;5Welker zijn de vaders, en uit welke Christus is, zoveel het vlees aangaat, Dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Amen.6Doch ik zeg dit niet, alsof het woord Gods ware uitgevallen; want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn.7Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen; maar: In Izaak zal u het zaad genoemd worden.8Dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.9Want dit is het woord der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal Ik komen, en Sara zal een zoon hebben.10En niet alleenlijk deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit een bevrucht was, namelijk Izaak, onzen Vader.11Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast bleve, niet uit de werken, maar uit den Roepende;12Zo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen.13Gelijk geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat.14Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Dat zij verre.15Want Hij zegt tot Mozes: Ik zal Mij ontfermen, diens Ik Mij ontferm, en zal barmhartig zijn, dien Ik barmhartig ben.16Zo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods.17Want de Schrift zegt tot Farao: Tot ditzelve heb Ik u verwekt, opdat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en opdat Mijn Naam verkondigd worde op de ganse aarde.18Zo ontfermt Hij Zich dan, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil.

De hoofdstukken 1- 8 doen ons denken aan de geschiedenis van de verloren zoon. Zijn zonde was heel groot geweest, maar de genade nog vele malen groter. Bekleed met het kleed van de gerechtigheid, is hij in het huis van zijn vader geen dagloner geworden, maar mag hij daar in het vervolg samen met hem genieten van de volledig herstelde gemeenschap tussen hen beiden (Lukas 15 vers 11 - 32).

In de hoofdstukken 9 - 11 gaat het eigenlijk om zijn oudere broer, dat wil zeggen: het Joodse volk. Daarbij gaat het dan om de voorrechten die dit volk van nature had, maar ook om haar afgunst. Net als de vader in de gelijkenis, zo wil ook de apostel het volk Israël tonen wat de alomvattende genade inhoudt. Deze genade is echter niet gebonden aan erfelijke voordelen. Niet alle nakomelingen van Abraham waren automatisch ook kinderen van de belofte. Ezau, bijvoorbeeld, deze goddeloze, kon de zegen niet beërven, hoewel hij de tweelingbroer van Jakob was. En over hem heeft God die vreselijke woorden moeten uitspreken: "Ezau heb Ik gehaat" (vers 13). Zouden we eraan durven twijfelen dat God, voordat Hij tot deze conclusie kwam, er eerst niet alles aan gedaan heeft om dit, zo mogelijk, te voorkomen? We hoeven daarbij slechts te denken aan de tranen die de Heere Jezus over het schuldige Jeruzalem heeft vergoten (Lukas 19 vers 41), een smart die weerklank vindt in het hart van de apostel (vers 2 en 3).

We willen het nog eens herhalen en duidelijk stellen: De behoudenis, door genade, kun je nooit en te nimmer verkrijgen door geboorterecht! Alle kinderen van gelovige ouders moeten zich daar heel goed van bewust zijn!

Romeinen 9:19-33
19Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan?20Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?21Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken, het ene vat ter ere, en het andere ter onere?22En of God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid;23En opdat Hij zou bekend maken den rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid?24Welke Hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.25Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde.26En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.27En Jesaja roept over Israel: Al ware het getal der kinderen Israels gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.28Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.29En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Indien de Heere Sebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijk gemaakt geweest.30Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, die de rechtvaardigheid niet zochten, de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid, die uit het geloof is.31Maar Israel, die de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen.32Waarom? Omdat zij die zochten niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet, want zij hebben zich gestoten aan den steen des aanstoots;33Gelijk geschreven is: Ziet, Ik leg in Sion een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; en een iegelijk, die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.

In hun hoogmoedige ongeloof wagen de mensen het God naar hun eigen maatstaven te beoordelen. Als Hij uiteindelijk toch doet wat Hij wil — zo zeggen sommigen — waarvoor legt Hij de verantwoording dan bij ons (vers 19)? Je kunt maar doen wat je zelf wilt — voegen ze er dan nog aan toe —als je ertoe voorbestemd bent, zul je vroeger of later toch wel gered worden. En ben je niet uitverkoren, dan kunnen al je pogingen immers toch geen verandering brengen in het uiteindelijke lot dat je te wachten staat. En op deze verkeerde voorstelling van zaken volgen weer andere vragen, zoals: Is het niet onrechtvaardig, om de één wel en de ander niet uit te verkiezen? Of: Wanneer God bij voorbaat al wist van het lot van de verlorenen, waarom heeft Hij hen dan geschapen? Of: Hoe kan een goede God Zijn schepselen nu prijsgeven aan het ongeluk?

Het moet heel duidelijk gesteld worden, en dat leert dit hoofdstuk ons ook: God heeft geen enkel "vat" tot oneer (of tot toom; vers 21 en 22) toebereid! Integendeel, Hij heeft ze "met veel lankmoedigheid verdragen" en dat doet Hij ook vandaag nog (vers 22). Het zijn echter de zondaren zelf die zich voortdurend voor het eeuwige verderf toebereiden.

We willen hier heel duidelijk nog iets tegen alle twijfelaars zeggen: God heeft jullie geroepen, jullie die op dit moment Zijn Woord in handen houden. Hij wil ook van jullie "vaten van de barmhartigheid" maken! Het enige waardoor dit verhinderd wordt, is jullie eigen afwijzing. Het ligt aan jullie zelf en absoluut niet aan Hem (!) of Hij Zijn liefdevolle bedoelingen met jullie kan verwerkelijken (lees 1 Timotheüs 2 vers 4).

Romeinen 10:1-13
1Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israel doe, is tot hun zaligheid.2Want ik geef hun getuigenis, dat zij een ijver tot God hebben, maar niet met verstand.3Want alzo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hun eigen gerechtigheid zoeken op te richten, zo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.4Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk, die gelooft.5Want Mozes beschrijft de rechtvaardigheid, die uit de wet is, zeggende: De mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.6Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in den hemel opklimmen? Hetzelve is Christus van boven afbrengen.7Of, wie zal in den afgrond nederdalen? Hetzelve is Christus uit de doden opbrengen.8Maar wat zegt zij? Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs, hetwelk wij prediken.9Namelijk, indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven, dat God Hem uit de doden opgewekt heeft, zo zult gij zalig worden.10Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid en met den mond belijdt men ter zaligheid.11Want de Schrift zegt: Een iegelijk, die in Hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.12Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want eenzelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen, die Hem aanroepen.13Want een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.

De toegenegenheid van de apostel voor zijn volk kwam op de juiste wijze naar voren: door voor haar te bidden (vers 1). Dat is ook onze eerste opdracht voor onze naaste die nog niet bekeerd is. Paulus wist uit eigen ervaring dat je je, met al je ijver voor God, toch op een verkeerde weg kunt bevinden. Hoeveel edele en oprechte voornemens mislukken er niet omdat ze "niet met verstand" gepaard gaan (vers 2). Dat geldt vooral voor die mensen die — tevergeefs — alles proberen om zelf de hemel te verdienen. Als je daar werkelijk wilt aankomen, dan hoefje alleen maar het Woord dat "nabij" is, aan te nemen (vers 8). Zij die op hun eigen manier in de hemel willen komen, lijken op een bergbeklimmer die in een gletsjerspleet gevallen is en daar, op eigen kracht, uit probeert te klimmen, in plaats van het touw vast te pakken dat zijn redder hem heeft toegeworpen.

De verzen 9 en 10 herinneren ons eraan dat het geloof van het hart onlosmakelijk verbonden is met de belijdenis van de mond. Als iemand niet de moed heeft om ooit eens zijn geloof te belijden — ook al is het met nog zulke eenvoudige woorden — dan kun je twijfelen aan de echtheid van zijn bekering.

In hoofdstuk 3 vers 23 hebben we gezien dat er met het oog op de zonde geen enkel onderscheid bestaat. Allen waren schuldig. En hier in hoofdstuk 10 vers 12 blijkt dat er ook wat het heil betreft, geen onderscheid is. Iedereen kan behouden worden, als hij maar wil. De Heere is rijk genoeg om aan de behoeften van allen die Hem aanroepen, tegemoet te komen.

Romeinen 10:14-21
14Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in Welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?15En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen!16Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd?17Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods.18Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld.19Maar ik zeg: Heeft Israel het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen, die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.20En Jesaja verstout zich, en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden.21Maar tegen Israel zegt Hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

"Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods" (vers 17). Het is dus absoluut noodzakelijk en wenselijk dat dit werkzame Woord op de hele aarde verkondigd wordt. De profeet heeft het al geschreven: "Hoe liefelijk zijn ... de voeten van Hem, ...die goede boodschap brengt..." (Jesaja 52 vers 7). Hiermee werd Christus bedoeld. Nu gaat het om "hen, die vrede verkondigen" (vers 15), want van de verlosten wordt verwacht dat zij het evangelie van de vrede doorgeven aan anderen. Ja, wanneer ieder van ons, op de plaats waar de Heere hem gesteld heeft, tot een ijverige boodschapper zou zijn, dan zou het evangelie "tot de einden der wereld" gehoord worden (vers 18). Vers 15 laat ons zien op welke wijze de gelovigen dat zouden moeten doen: Niet alleen met woorden, maar ook door het laten zien van een 'liefelijke' wandel, doordat hun voeten geschoeid zijn met de "bereidheid van het Evangelie van de vrede" (Efeze 6 vers 15).

En dan volgt er een verdrietige vraag: "Wie heeft... geloofd?" (vers 16; Jesaja 53 vers 1). Daaruit blijkt heel duidelijk dat veel harten gesloten blijven. Dat was ook het geval bij het volk Israël, ondanks alle waarschuwingen in het Oude Testament van Mozes (vers 19), David (vers 18) en Jesaja (vers 15, 16, 20 en 21). Dat betekent dus dat de wet, de Psalmen en de Profeten daarvan hebben getuigd.

Laten wij ervoor oppassen, dat ook wij niet "ongehoorzaam en tegensprekend" worden (vers 21)!

Romeinen 11:1-15
1Ik zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israeliet, uit het zaad Abrahams, van den stam Benjamin.2God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet, wat de Schrift zegt van Elia, hoe hij God aanspreekt tegen Israel, zeggende:3Heere! zij hebben Uw profeten gedood, en Uw altaren omgeworpen; en ik ben alleen overgebleven en zij zoeken mijn ziel.4Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb Mijzelven nog zeven duizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baal niet gebogen hebben.5Alzo is er dan ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.6En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer; en indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer.7Wat dan? Hetgeen Israel zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden.8(Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen) tot op den huidigen dag.9En David zegt: Hun tafel worde tot een strik, en tot een val, en tot een aanstoot, en tot een vergelding voor hen.10Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd.11Zo zeg ik dan: Hebben zij gestruikeld, opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken.12En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!13Want ik spreek tot u, heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk;14Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken, en enigen uit hen behouden mocht.15Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?

Ondanks haar ongeloof werd het volk Israël niet definitief verworpen. De apostel zelf was er een bewijs van, wat de genade nog ten gunste van de opstandige Joden zou willen en kunnen volbrengen (vers 1). Elia heeft zich ook vergist, toen hij destijds op een gegeven moment meende dat het hele volk de Heere verlaten had. En in zijn ontmoediging ging Elia zelfs zover, dat hij "God aanspreekt tegen Israël" (vers 2 en 3). Maar wat zien we dan een grote genade in het "Goddelijke antwoord" (vers 4)! De Heere heeft er in alle tijden voor gezorgd dat er een getrouw overblijfsel overbleef voor Hem, een overblijfsel dat weigerde om de knieën voor de afgoden van de wereld te buigen! Behoren wij, in deze tegenwoordige tijd, daar ook toe (vers 5)? Vers 9 geeft ons een voorbeeld van wat afgoden kunnen zijn: De zwelgpartijen aan "hun tafel" worden voor de ongelovigen, die bouwen op hun welvaart, tot een valstrik, en Psalm 69 vers 23 voegt eraan toe: "tot volle vergelding".

Na herhaalde oproepen en vermaningen werd Israël uiteindelijk verblind, ten gunste van de volken. Toch bleef het verlangen in de apostel brandende, dat de jaloersheid ten opzichte van hen die profiteerden van het heil (een jaloersheid waaronder hij zelf geleden heeft; Handelingen 13 vers 45; 17 vers 5; 22 vers 21 en 22), het Joodse volk ertoe zou aansporen de genade te zoeken, die voordien door haar versmaad werd (vers 14; hoofdstuk 10 vers 19).

O, dat het toch zo mag zijn, dat de mensen in onze omgeving, bij het zien van onze zegeningen, daar ook zelf naar zullen gaan verlangen!

Romeinen 11:16-36
16En indien de eerstelingen heilig zijn, zo is ook het deeg heilig, en indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.17En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeent, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden,18Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.19Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeent worden.20Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.21Want is het, dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe, dat Hij ook mogelijk u niet spare.22Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God; de strengheid wel over degenen, die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anderszins zult ook gij afgehouwen worden.23Maar ook zij, indien zij in het ongeloof niet blijven, zullen ingeent worden; want God is machtig om dezelve weder in te enten.24Want indien gij afgehouwen zijt uit den olijfboom, die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeent; hoeveel te meer zullen deze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen olijfboom geent worden?25Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.26En alzo zal geheel Israel zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob.27En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.28Zo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil;29Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk.30Want gelijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid;31Alzo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uw barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen.32Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn.33O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods, hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!34Want wie heeft den zin des Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest?35Of wie heeft Hem eerst gegeven, en het zal hem wedervergolden worden?36Want uit Hem, en door Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

Om de positie van Israël en die van de volken te verduidelijken, maakt de apostel gebruik van het beeld van een olijfboom. Deze boom is een beeld van Israël en de beloften van God, die eens aan Abraham, de wortel, gegeven zijn. Een deel van de takken van deze boom (de ongelovige Joden) werd vanwege "ongeloof" afgebroken (vers 20). En op die plaats werden takken van de wilde olijfboom geënt (vers 17). Het zal bekend zijn dat een tuinman juist het tegenovergestelde doet. Hij ent de takken van de soort die hij graag wil kweken, op de stam van een wilde boom. Deze tegennatuurlijke enting (vers 24), dus van de volken op de stam Israël, onderstreept de oneindige genade van God. De genade waardoor wij die geen Joden zijn, in het genot van de beloften die aan Abraham gegeven zijn, zijn gebracht. Daar trots op te zijn, zou de grootste hoogmoed betekenen (vers 20).

Na de opname van de Gemeente, dus van de ware gelovigen, zal het moment aanbreken waarop de afvallige christenheid op haar beurt geoordeeld zal worden. En dan zal het hele overblijfsel van Israël door haar grote Verlosser bevrijd worden (vers 26).

De volken hadden, wat hun afkomst betreft, dus geen enkel recht en Israël heeft haar recht verloren. Allen bevonden zich dus in dezelfde, ongeneeslijke toestand. Voor allen bestond er geen ander hulpmiddel dan de barmhartigheid van Boven. De apostel staat vol aanbidding stil bij de ondoorgrondelijke raadsbesluiten van God: "0 diepte van rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God...!" (vers 33).

Romeinen 12:1-8
1Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst.2En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.3Want door de genade, die mij gegeven is, zeg ik een iegelijk, die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgeen men behoort wijs te zijn; maar dat hij wijs zij tot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft.4Want gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, en de leden alle niet dezelfde werking hebben;5Alzo zijn wij velen een lichaam in Christus, maar elkeen zijn wij elkanders leden.6Hebbende nu verscheidene gaven, naar de genade, die ons gegeven is,7Zo laat ons die gaven besteden, hetzij profetie, naar de mate des geloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leren;8Hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.

Tot nu toe hebben we gelezen over datgene wat God voor ons gedaan heeft. De hoofstukken 12 - 15 leren ons nu wat Hij van ons verwacht. De Heere heeft immers alle rechten op ons leven verworven! Laten we Hem dan ook ter beschikking stellen wat van Hem is: ons lichaam, als "een levende... offerande" (in tegenstelling tot de dode offers van de Joodse godsdienst), opdat Hij door haar kan werken.

Voordat wij Hem echter kunnen dienen, moet ons vernieuwde "gemoed" (vers 2) de wil van de Heere erkennen (lees Kolosse 1 vers 9 en 10). Die wil is, ongeacht hetgeen wij er zelf van vinden, altijd goed, welgevallig en volmaakt (denk goed over deze woorden na!), omdat het Zijn wil is (vers 2; Johannes 4 vers 34). Het is ook heel belangrijk dat wij waken over onze gedachten en die oordelen, opdat ze nederig, gezond en rein zullen blijven en niet zelfzuchtig zullen worden (vergelijk Filippensen 4 vers 8).

De verzen 6 - 8 geven een opsomming van enkele genadegaven: profeteren, dienen in de gemeente, onderwijzen, vermanen, beheren en het leiden van de kudde. Misschien zeg je: 'Al deze dingen zijn niet op mij van toepassing. Dat geldt alleen voor oudere christenen, die ervaring hebben'. Dan willen we je erop wijzen dat het laatste wat in vers 8 genoemd wordt, in ieder geval wél voor jou geldt, hoe oud je ook bent: "die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid". En in 2 Korinthe 9 vers 7 schrijft de apostel: "God heeft de blijmoedige gever lief". Heerlijk, om dat te mogen weten en... te ervaren!

Romeinen 12:9-21
9De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan.10Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde; met eer de een de ander voorgaande.11Zijt niet traag in het benaarstigen. Zijt vurig van geest. Dient den Heere.12Verblijdt u in de hoop. Zijt geduldig in de verdrukking. Volhardt in het gebed.13Deelt mede tot de behoeften der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid.14Zegent hen, die u vervolgen; zegent en vervloekt niet.15Verblijdt u met de blijden; en weent met de wenenden.16Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.17Vergeldt niemand kwaad voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle mensen.18Indien het mogelijk is, zoveel in u is, houdt vrede met alle mensen.19Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven: Mij komt de wraak toe; Ik zal het vergelden, zegt de Heere.20Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.21Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.

In de verzen 1- 8 gaat het om onze dienst voor God. De verzen 9 - 16 noemen hoofdzakelijk onze opdrachten ten opzichte van onze broeders. En in de verzen 17 - 21 gaat het ten slotte om onze verantwoording met betrekking tot alle mensen.

Het is goed dat we over elke vermaning afzonderlijk goed nadenken, en deze dingen vervolgens in ons dagelijkse leven in daden omzetten.

Het gezag van het Woord van God strekt zich uit tot, en dient van invloed te zijn op ons persoonlijk leven, maar ook op ons gezinsleven, ons werk, enzovoort. Dat geldt voor de hele week, op zondag en in tijden van vreugde, maar ook als we verdriet hebben (vers 15). Er bestaat geen enkele omstandigheid waarin wij ons niet als christenen zouden kunnen (of zouden moeten) gedragen.

Vers 11 moedigt ons aan om actief bezig te zijn. En dat niet voor eigen roem, maar alle vormen van dienst die ons voorgesteld worden, zoals weldadigheid en gastvrijheid (vers 13), zouden we moeten doen met slechts één doel voor ogen: "Dient de Heere".

Zich in alle nederigheid om nederigen bekommeren (vers 16), met geduld ongerechtigheden en beledigingen verdragen (vers 17 - 20), dat zijn dingen die tegen onze natuur ingaan. Brengen we ze echter in praktijk, dan zal het leven van Christus in ons openbaar worden, zoals dat zich ook in Hem geopenbaard heeft (1 Petrus 2 vers 22 en 23). Het enige juiste antwoord op het kwaad is: 'goed doen', en dat is tevens de enige mogelijkheid om het kwade te overwinnen (vers 21).

Romeinen 13:1-14
1Alle ziel zij den machten, over haar gesteld, onderworpen; want er is geen macht dan van God, en de machten, die er zijn, die zijn van God geordineerd.2Alzo dat die zich tegen de macht stelt, de ordinantie van God wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen.3Want de oversten zijn niet tot een vreze den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vrezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben;4Want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf dengene, die kwaad doet.5Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen om der straffe, maar ook om des gewetens wil.6Want daarom betaalt gij ook schattingen; want zij zijn dienaars van God, in ditzelve geduriglijk bezig zijnde.7Zo geeft dan een iegelijk, wat gij schuldig zijt; schatting, dien gij de schatting, tol, dien gij den tol, vreze, dien gij de vreze, eer, die gij de eer schuldig zijt.8Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander liefheeft, die heeft de wet vervuld.9Want dit: Gij zult geen overspel doen, gij zult niet doden, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis geven, gij zult niet begeren; en zo er enig ander gebod is, wordt in dit woord als in een hoofdsom begrepen, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben gelijk uzelven.10De liefde doet den naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling der wet.11En dit zeg ik te meer, dewijl wij de gelegenheid des tijds weten, dat het de ure is, dat wij nu uit den slaap opwaken; want de zaligheid is ons nu nader, dan toen wij eerst geloofd hebben.12De nacht is voorbijgegaan, en de dag is nabij gekomen. Laat ons dan afleggen de werken der duisternis, en aandoen de wapenen des lichts.13Laat ons, als in den dag, eerlijk wandelen; niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid;14Maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden.

Als wij ons aan de machten die over ons gesteld zijn, onderwerpen, dan gehoorzamen wij God, Die hen heeft aangesteld, tenzij zij iets van ons eisen wat in duidelijke tegenstelling staat met de wil van de Heere (vergelijk Handelingen 4 vers 19 en 5 vers 29). De christen die profiteert van veiligheid en de openbare diensten, waarvoor de staat garant staat, moet zich ook als een goed burger gedragen. Hij moet gewetensvol zijn belastingen betalen (vers 7) en de wetten en verordeningen nakomen. Dat betekent dus dat je je bijvoorbeeld aan de maximum-snelheid moet houden. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden op te noemen. De gelovige moet in geen enkel opzicht aanstoot geven.

"Weest niemand iets schuldig" (vers 8), is een vermaning die wij in onze tijd, waar het kopen op afbetaling heel gewoon geworden is, niet mogen vergeten. Er bestaat slechts één schuld die ons verplichtingen oplegt en die we nooit kunnen inlossen: de liefde, want dat is het antwoord op de oneindige liefde van God tot ons. Overigens worden in dit ene woordje 'liefde' alle lessen van dit hoofdstuk samengevat: liefde "om des Heeren wil" (1 Petrus 2 vers 13), tot onze broeders en zusters, tot alle mensen.

Een belangrijke reden om trouw te blijven en onze harten daartoe op te wekken, is het feit dat "de morgenstond" komt (Jesaja 21 vers 12). Terwijl de zedelijke nacht van deze wereld voortduurt, wordt de gelovige opgeroepen om "de wapenen van het licht" aan te doen (vers 12; Efeze 6 vers 13 en verder), ja, de Heere Jezus Zelf aan te doen (vers 14). Dat betekent dat je Hem aan anderen laat zien, zoals je je ook aan andere mensen vertoond in smetteloze kleding. Word toch wakker, vrienden! Het is nu niet de tijd om voor jezelf te leven. De Heere staat op het punt om te komen!

Romeinen 14:1-18
1Dengene nu, die zwak is in het geloof, neemt aan, maar niet tot twistige samensprekingen.2De een gelooft wel, dat men alles eten mag, maar die zwak is, eet moeskruiden.3Die daar eet, verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordele hem niet, die daar eet; want God heeft hem aangenomen.4Wie zijt gij, die eens anderen huisknecht oordeelt? Hij staat, of hij valt zijn eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want God is machtig hem vast te stellen.5De een acht wel den enen dag boven den anderen dag; maar de ander acht al de dagen gelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.6Die den dag waarneemt, die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God.7Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zichzelven.8Want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.9Want daartoe is Christus ook gestorven, en opgestaan, en weder levend geworden, opdat Hij beiden over doden en levenden heersen zou.10Maar gij, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat veracht gij uw broeder? Want wij zullen allen voor den rechterstoel van Christus gesteld worden.11Want er is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden.12Zo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.13Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.14Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein.15Maar indien uw broeder om der spijze wil bedroefd wordt, zo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uw spijze, voor welken Christus gestorven is.16Dat dan uw goed niet gelasterd worde.17Want het Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, en vrede, en blijdschap, door den Heiligen Geest.18Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehagelijk, en aangenaam den mensen.

In het Boek Handelingen hebben we gezien hoeveel moeite het de christenen die uit het Jodendom kwamen, kostte om afstand te nemen van de vormen van die godsdienst. Vandaag de dag zijn er in de christenheid ook nog een heleboel gelovigen die grote waarde hechten aan uiterlijke gebruiken, zoals: geen vlees eten, feestdagen in acht houden, enzovoort. Laten we hen niet oordelen! Ik heb geen enkel recht om eraan te twijfelen dat iemand zoiets doet tot eer van de Heere (vers 6), van Wie hij een dienstknecht is en aan Wie hij verantwoording verschuldigd is. Gewoonlijk is de neiging om anderen te veroordelen een bewijs dat ik mijn eigen hart maar heel slecht ken. Wanneer ik mijzelf verafschuw en mij tegelijkertijd bewust ben van de genade van God, waardoor ik gedragen word, dan zal elke geest van arrogantie uit mijn gedachten verdwijnen. Hoe zou ik mijzelf trouwens als rechter kunnen voordoen terwijl ik zelf immers binnenkort voor de rechterstoel zal moeten verschijnen om rekenschap af te leggen van mijn doen en laten (vers 10 en 12), hoewel ik al gerechtvaardigd ben?

De beweegredenen voor het gedrag van anderen heb ik niet te beoordelen. Wel moet ik er voor mijzelf op toezien dat ik anderen geen aanstoot geef. Ik word zelf opgeroepen om mij van alles te onthouden wat een andere gelovige ten verderf (dat wil zeggen: tot schade voor de opbouwing) zou kunnen zijn. Vers 15 noemt daar de doorslaggevende reden voor: het gaat om de broeder "voor wie Christus gestorven is".

Romeinen 14:19-23; Romeinen 15:1-13
19Zo dan laat ons najagen, hetgeen tot den vrede, en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.20Verbreek het werk van God niet om der spijze wil. Alle dingen zijn wel rein; maar het is kwaad den mens, die met aanstoot eet.21Het is goed geen vlees te eten, noch wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot, of geergerd wordt, of waarin hij zwak is.22Hebt gij geloof? hebt dat bij uzelven voor God. Zalig is hij, die zichzelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt.23Maar die twijfelt, indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet. En al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.
1Maar wij, die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onsterken te dragen, en niet onszelven te behagen.2Dat dan een iegelijk van ons zijn naaste behage ten goede, tot stichting.3Want ook Christus heeft Zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is: De smadingen dergenen, die U smaden, zijn op Mij gevallen.4Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden.5Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus;6Opdat gij eendrachtelijk, met een mond, moogt verheerlijken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.7Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods.8En ik zeg, dat Jezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis, vanwege de waarheid Gods, opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen;9En de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken; gelijk geschreven is: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.10En wederom zegt Hij: Weest vrolijk, gij heidenen met Zijn volk!11En wederom: Looft den Heere, al gij heidenen, en prijst Hem, al gij volken!12En wederom zegt Jesaja: Er zal zijn de wortel van Jessai, en Die opstaat, om over de heidenen te gebieden; op Hem zullen de heidenen hopen.13De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes.

Deze verzen gaan door met het onderwerp hoe wij ons te gedragen hebben ten opzichte van andere gelovigen. Behalve de waarschuwing hun geen aanstoot te geven, vinden we hier ook positieve vermaningen.

Ten eerste: dat na te jagen "wat tot de vrede, en wat tot de stichting onder elkander dient" (vers 19). Anderen bekritiseren heeft het tegenovergestelde tot gevolg.

Ten tweede: "De zwakheden van de niet sterken te dragen" (hoofdstuk 2 vers 1; wat echter niet betekent dat je daarbij zonden door de vingers zou moeten zien). We moeten dat hoofdzakelijk in het gebed doen, en daarbij bedenken dat wij voor onze eigen zwakheden ook de bijstand van onze broeders en zusters nodig hebben.

Ten derde: niet datgene zoeken waar wij zelf een welgevallen in hebben, maar wat goed is voor onze naaste. Dan zullen we de voetstappen van ons volmaakte Voorbeeld volgen (vers 2 en 3). Menig lezer van de evangeliën is tot de verrassende ontdekking gekomen, dat de Heere Jezus nooit iets voor Zichzelf gedaan heeft.

Ten vierde: ernaar streven onderling eensgezind te zijn, opdat de gemeenschap in het dienen en verheerlijken van de Vader niet verstoord wordt (vers 5 en 6). En elkaar aannemen met dezelfde genade waardoor "ook Christus ons aangenomen heeft" (vers 7).

We willen ook nog wijzen op de Namen die hier aan "de God en Vader van onze Heere Jezus Christus" (vers 6) gegeven worden. Hij is "de God van de lijdzaamheid en van de vertroosting" (vers 5), dat Hij onze harten in Zijn Woord wil geven (vers 4). Hij is ook "de God van de hoop", en wil graag dat wij rijk zijn in de hoop (vers 13).

Romeinen 15:14-33
14Doch, mijn broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zelven vol zijt van goedheid, vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen.15Maar ik heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom dit indachtig makende, om de genade, die mij van God gegeven is;16Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen, het Evangelie van God bedienende, opdat de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest.17Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan.18Want ik zou niet durven iets zeggen, hetwelk Christus door mij niet gewrocht heeft, tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken;19Door kracht van tekenen en wonderheden, en door de kracht van den Geest Gods, zodat ik, van Jeruzalem af, en rondom, tot Illyrikum toe, het Evangelie van Christus vervuld heb.20En alzo zeer begerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus genoemd was, opdat ik niet op eens anders fondament zou bouwen;21Maar gelijk geschreven is: Denwelken van Hem niet was geboodschapt, die zullen het zien; en dewelke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.22Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te komen.23Maar nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende, om tot u te komen,24Zo zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, tot u komen; want ik hoop in het doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder tegenwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn.25Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.26Want het heeft dien van Macedonie en Achaje goed gedacht een gemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn.27Want het heeft hun zo goed gedacht; ook zijn zij hun schuldenaars; want indien de heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen.28Als ik dan dit volbracht, en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen.29En ik weet, dat ik, tot u komende, met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal.30En ik bid u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij;31Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen;32Opdat ik met blijdschap, door den wil van God, tot u mag komen, en met u verkwikt worden.33En de God des vredes zij met u allen. Amen.

De apostel is ervan overtuigd dat de christenen in Rome op de goede weg voortgaan (vers 14). Ervan uitgaan dat het goede bij onze broeders aanwezig is, betekent Christus te vertrouwen, Die in hen is. Daardoor worden zijzelf weer aangespoord om op datzelfde niveau te blijven.

Het is ontroerend om te zien hoe nederig Paulus zijn bezoek aan de Romeinen aankondigt. Niet alsof zij zijn vermaningen nodig zouden hebben, maar, integendeel, door te erkennen dat zijzelf heel goed in staat zijn om elkaar te vermanen (vers 14). Hij bezoekt hen ook niet met de gedachte dat zij dan de eer zullen hebben hem te mogen ontvangen, maar het is zijn verlangen zelf van het samenzijn te genieten (vers 24). En ten slotte schrijft deze grote apostel aan zijn broeders in Rome dat hij hun gebeden zo nodig heeft (vers 30). Op geen enkele wijze stelt Paulus zich dus boven de Romeinse gelovigen.

Gedrongen door zijn ijver voor het evangelie had Paulus vaak geprobeerd om naar Rome te gaan (vers 22). God stond dit, in Zijn grote wijsheid, echter niet toe, opdat de hoofdstad van de toenmalige wereld niet tot het middelpunt van Zijn werk zou worden. De gemeente van Rome zou zich er nadien niet op kunnen beroemen dat zij door een apostel gesticht zou zijn, om zich zodoende boven de andere gemeenten te verheffen. (Later is dit echter, zoals we weten, toch gebeurd!)

De Gemeente, als geheel, is de ware hemelse en eeuwige `Hoofdstad' van de heerlijkheid en in de wegen van God.

Romeinen 16:1-16
1En ik beveel u Febe, onze zuster, die een dienares is der Gemeente, die te Kenchreen is;2Opdat gij haar ontvangt in den Heere, gelijk het den heiligen betaamt, en haar bijstaat, in wat zaak zij u zou mogen van doen hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzelven.3Groet Priscilla en Aquila, mijn medewerkers in Christus Jezus;4Die voor mijn leven hun hals gesteld hebben; denwelken niet alleen ik danke, maar ook al de Gemeenten der heidenen.5Groet ook de Gemeente in hun huis. Groet Epenetus, mijn beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus.6Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft.7Groet Andronikus en Junias, mijn magen, en mijn medegevangenen, welke vermaard zijn onder de apostelen, die ook voor mij in Christus geweest zijn.8Groet Amplias, mijn beminde in den Heere.9Groet Urbanus, onzen medearbeider in Christus, en Stachys, mijn beminde.10Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet hen, die van het huisgezin van Aristobulus zijn.11Groet Herodion, die van mijn maagschap is. Groet hen, die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk, die in den Heere zijn.12Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen die in den Heere arbeiden. Groet Persis, de beminde zuster, die veel gearbeid heeft in den Heere.13Groet Rufus, den uitverkorene in den Heere, en zijn moeder en de mijne.14Groet Asynkritus, Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders, die met hen zijn.15Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en al de heiligen, die met henlieden zijn.16Groet elkander met een heiligen kus. De Gemeenten van Christus groeten ulieden.

Hoofdstuk 12 heeft ons lessen gegeven over de christelijke toewijding en dienst. Hoofdstuk 16 laat zien dat deze dingen ook in praktijk gebracht worden door verschillende geliefde gelovigen in Rome, aan wie Paulus zijn groeten doet.

Iemand heeft eens gezegd: 'Hier wordt ons een voorbeeld gegeven van een bladzijde uit het boek van de eeuwigheid. Er bestaat geen enkele dienst die we voor de Heere doen die niet in Zijn boek vermeld wordt. En daarbij gaat het niet alleen om de dienst, maar ook om de wijze waarop iemand haar verricht. Elke dienst en elke broeder of zuster wordt daar afzonderlijk in vermeld.'

Zo worden in vers 12 de namen van Tryfena en Tryfosa, die "in de Heere arbeiden", niet in één adem met Persis genoemd, omdat zij "veel gearbeid heeft in de Heere". De diensten van deze drie gelovigen worden dus afzonderlijk aangehaald. Alles wordt erkend en genoteerd door Hem, Die Zich niet vergist.

Paulus vergeet datgene wat voor hemzelf gedaan is, ook niet (vers 2 en 4). Hier worden zijn medearbeiders Priscilla en Aquila opnieuw genoemd (Handelingen 18). De gemeente kwam heel eenvoudig in hun huis samen (wat een contrast met de geweldige kerkgebouwen die sindsdien in Rome gebouwd zijn!).

De groeten in Christus dragen ertoe bij, dat de band van de broederlijke gemeenschap verstevigd wordt. We zouden nooit moeten verzuimen de groeten die ons door broeders en zusters meegegeven zijn, over te brengen.

Romeinen 16:17-27
17En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelve.18Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hun buik; en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen.19Want uw gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijde mij dan uwenthalve; en ik wil, dat gij wijs zijt in het goede, doch onnozel in het kwade.20En de God des vredes zal den satan haast onder uw voeten verpletteren. De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen.21U groeten, Timotheus, mijn medearbeider, en Lucius, en Jason, en Socipater, mijn bloedverwanten.22Ik, Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den Heere.23U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de gehele Gemeente. U groet Erastus, de rentmeester der stad, en de broeder Quartus.24De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.25Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest;26Maar nu geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is gemaakt;27Den zelven alleen wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

Ondanks dat Paulus vreugde beleefde aan de gelovigen in Rome (vers 19), verloor hij de gevaren waaraan zij blootstonden, niet uit het oog. Voordat hij zijn Brief beëindigt, waarschuwt hij hen voor valse leraars. Dezen zijn te herkennen aan het feit dat zij werken voor eigen welgevallen, zodat hun eigen eer gestreeld wordt en hun eigen lusten bevredigd worden (dat is het dienen van hun eigen buik, zoals vers 18 dat zegt; Filippi 3 vers 19). Hiervoor bestaat slechts één middel: zich van hen afwenden en "onschuldig in het kwade" blijven, dus niet met hen in discussie gaan of hun dwalingen bestuderen (vers 17 - 19; Spreuken 19 vers 27)! Desondanks blijven we niet koud en onverschillig onder deze openbaringen van het kwaad. Om ons te bemoedigen, verzekert de Heilige Geest ons daarom dat de God van de vrede heel binnenkort de satan onder onze voeten zal verpletteren (vers 20).

Onder de eerste christenen bevonden zich meerdere familieleden van Paulus (vers 11 en 21). Dit zal zeker een vrucht van zijn gebeden geweest zijn (hoofdstuk 9 vers 3 en 10 vers 1). Dat ons dit toch mag aansporen tot voorbede voor onze onbekeerde familieleden!

Wat God van ons geloof verwacht, is gehoorzaamheid (vers 19 en 26). En wat ons geloof door "onze Heere Jezus Christus" van Hem mag verwachten, is kracht (vers 25), wijsheid (vers 27) en genade (vers 20 en 24). Samen met de apostel mogen we Hem de eer geven, Hem danken, en vooral leven tot Zijn welgevallen.

1 Corinthiërs 1:1-16
1Paulus, een geroepen apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Sosthenes, de broeder,2Aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepenen heiligen, met allen, die den Naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onzen Heere;3Genade zij u en vrede van God onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.4Ik dank mijn God allen tijd over u, vanwege de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus;5Dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede en alle kennis;6Gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u;7Alzo dat het u aan gene gave ontbreekt, verwachtende de openbaring van onzen Heere Jezus Christus.8Welke God u ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag van onzen Heere Jezus Christus.9God is getrouw, door Welken gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onzen Heere.10Maar ik bid u, broeders, door den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en dat onder u geen scheuringen zijn, maar dat gij samengevoegd zijt in een zelfden zin, en in een zelfde gevoelen.11Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van het huisgezin van Chloe zijn, dat er twisten onder u zijn.12En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus.13Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus' naam gedoopt?14Ik dank God, dat ik niemand van ulieden gedoopt heb, dan Krispus en Gajus;15Opdat niet iemand zegge, dat ik in mijn naam gedoopt heb.16Doch ik heb ook het huisgezin van Stefanus gedoopt; voorts weet ik niet, of ik iemand anders gedoopt heb.

Door de dienst van Paulus was er in Korinthe een grote gemeente ontstaan (Handelingen 18 vers 10). En omdat hij niet alleen een ijverig evangelist, maar ook een trouwe herder was, bekommerde hij zich nog steeds, met liefdevolle zorg, om de Korinthiërs (vergelijk 2 Korinthe 11 vers 28). Vanuit Efeze schrijft hij hun deze eerste Brief, die ook gericht is aan "allen, die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats" (vers 2). Als u (jij) tot hen behoort, dan is deze Brief dus ook voor u (jou) bedoeld.

Paulus had verdrietige dingen over de Korinthiërs gehoord. Er waren in deze gemeente allerlei verkeerde dingen naar voren gekomen. Voordat hij echter dit bedroevende thema aansnijdt, herinnert hij de gelovigen eerst aan hun geestelijke rijkdommen, die zij aan de genade van God te danken hadden (vers 4 en 5).

Laten wij ook maar eens proberen om al onze waardevolle voorrechten op te tellen! Dat zal ons helpen nog meer onze verantwoording te voelen en ons christelijke leven nog ernstiger te nemen. En laten we vooral de Heere danken voor al deze dingen, zoals de apostel dat ook doet!

Het eerste waar de gemeente van Korinthe daarna op gewezen wordt, is hun onenigheid. Men volgde mensen na (Paulus, Apollos, Cefas en Christus, als een Leraar Die boven anderen verheven was; Johannes 3 vers 2), in plaats van verenigd te zijn in de gemeenschap van Jezus Christus, Gods Zoon (vers 9).

O, dat die kostbare gemeenschap toch ook altijd ons deel mag zijn en dat wij die altijd zullen ervaren en genieten (1 Johannes 1 vers 3)!

1 Corinthiërs 1:17-31
17Want Christus heeft mij niet gezonden, om te dopen, maar om het Evangelie te verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde.18Want het woord des kruises is wel dengenen, die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het een kracht Gods;19Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken.20Waar is de wijze? Waar is de schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Heeft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?21Want nademaal, in de wijsheid Gods, de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid, zo heeft het Gode behaagd, door de dwaasheid der prediking, zalig te maken, die geloven;22Overmits de Joden een teken begeren, en de Grieken wijsheid zoeken;23Doch wij prediken Christus, den Gekruisigde, den Joden wel een ergernis, en den Grieken een dwaasheid;24Maar hun, die geroepen zijn, beiden Joden en Grieken, prediken wij Christus, de kracht Gods, en de wijsheid Gods.25Want het dwaze Gods is wijzer dan de mensen; en het zwakke Gods is sterker dan de mensen.26Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen.27Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen;28En het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken;29Opdat geen vlees zou roemen voor Hem.30Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid, en heiligmaking, en verlossing;31Opdat het zij, gelijk geschreven is: Die roemt, roeme in den Heere.

Voor ons "die behouden worden" is "het woord van het kruis" "een kracht van God" (vers 18). Voor alle andere mensen is het slechts een dwaasheid. Alles wat het kruis betekent: de dood van de Rechtvaardige, hetgeen door Gods gerechtigheid geëist werd; de onverdiende vergeving voor zondaren; het terzijde stellen van de natuurlijke mens —dat zijn allemaal waarheden die tegen het menselijk verstand ingaan en waar de mens zich van nature in zijn eigen eer voelt aangetast. Als men daarentegen wonderen en opzienbarende werken kan laten zien of een hoog ideaal nastreeft, dat gepaard gaat met een hoog moreel, hetgeen veel moeite kost — ja, dan heb je een godsdienst waar niemand aanstoot aan neemt. Maar alle wijzen, alle verstandigen en Schriftgeleerden, kortom: de grote denkers van deze tijd (maar ook van alle tijden), worden in vers 18 onder één noemer samengevat: het zijn zij "die verloren gaan".

Het is een feit dat er zich onder de verlosten van de Heere maar weinig wijzen, machtigen en edelen bevinden (vers 26). Voor hen is het namelijk veel moeilijker om te worden als "de kinderkens" dan voor de anderen (Mattheüs 18 vers 3 en hoofdstuk 11 vers 25). Om Zichzelf te verheerlijken, zoekt God datgene uit wat zwak, onedel en veracht is. En zo worden de christenen door de wereld ook ingeschat. Maar wat heeft de eigen waarde dan nog voor betekenis, voor hen die "in Christus Jezus" zijn? Hij is voor hen namelijk alles geworden: kracht, wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en verlossing (vers 24 en 30).

1 Corinthiërs 2:1-16
1En ik, broeders, als ik tot u ben gekomen, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden, of van wijsheid, u verkondigende de getuigenis van God.2Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd.3En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in vele beving.4En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht;5Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods.6En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch een wijsheid, niet dezer wereld, noch der oversten dezer wereld, die te niet worden;7Maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was;8Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben.9Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.10Doch God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest; want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.11Want wie van de mensen weet, hetgeen des mensen is, dan de geest des mensen, die in hem is? Alzo weet ook niemand, hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.12Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn;13Dewelke wij ook spreken, niet met woorden, die de menselijke wijsheid leert, maar met woorden, die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.14Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.15Doch de geestelijke mens onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.16Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die Hem zou onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus.

Wij weten dat bepaalde zaken in deze wereld vaak gewonnen kunnen worden door een goede overredingskunst, door een vurig pleidooi met "bewegelijke (overredende) woorden van de menselijke wijsheid" (vers 4). God heeft geen gebruik gemaakt van deze menselijke capaciteiten, noch van een goede wervingscampagne, om het geloof mee te delen (vers 4 en 5). Ondanks zijn opleiding heeft Paulus in Korinthe niet met zijn wijsheid, zijn kennis en welbespraaktheid gepronkt. Dat zou in tegenspraak geweest zijn met zijn onderwijs, want het kruis van Christus, dat hij verkondigde, betekende immers het einde van alles waar de mens nog trots op zou kunnen zijn.

Het is echter absoluut niet zo, dat de gelovige daarom nu veel te kort zou komen. Hij heeft namelijk de onzichtbare dingen ontvangen, "die ons van God geschonken zijn" — en tegelijkertijd ook het Middel om deze dingen te ervaren en te genieten: de Heilige Geest. Hij is de enige Gevolmachtigde Die God gebruikt om ons Zijn gedachten mee te delen (vers 12) .

Wat heeft een muziekstuk voor nut als er geen instrumenten zijn die het kunnen spelen? Wat heb je aan een CD als je geen CD-speler hebt? Wat voor uitwerking zou een prachtig concert hebben op luisteraars die doof zijn? Evenmin is de taal van de Heilige Geest te begrijpen door "de natuurlijke mens". De "geestelijk mens" kan daarentegen de "geestelijke dingen" die door de Heilige Geest geleerd worden, wel verstaan (vers 13 - 15).

1 Corinthiërs 3:1-15
1En ik, broeders, kon tot u niet spreken als tot geestelijken, maar als tot vleselijken, als tot jonge kinderen in Christus.2Ik heb u met melk gevoed, en niet met vaste spijs; want gij vermocht toen nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet.3Want gij zijt nog vleselijk; want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedracht, zijt gij niet vleselijk, en wandelt gij niet naar den mens?4Want als de een zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; zijt gij niet vleselijk?5Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welken gij geloofd hebt, en dat, gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft?6Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.7Zo is dan noch hij, die plant, iets, noch hij, die nat maakt, maar God, Die den wasdom geeft.8En die plant, en die nat maakt, zijn een; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.9Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.10Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fondament gelegd; en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe.11Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.12En indien iemand op dit fondament bouwt: goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen;13Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.14Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.15Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.

Omdat de Korinthiërs zich alleen bezighielden met de scheuringen, hadden ze, in geestelijke opzicht, geen vooruitgang geboekt. Ze lijken op slechte leerlingen die in hun domheid gaan bekvechten over wie van hen toch de beste leraar en het mooiste klaslokaal heeft. Paulus maakt hun duidelijk dat het van onvolwassenheid getuigt, wanneer je je met de dienstknecht in plaats van met zijn onderwijs bezighoudt. Dat betekent niets anders dan dat je "nog vleselijk" bent (vers 2 en 3). En hoe vaak overkomt het ons niet, dat we de waarheid verwisselen met degene die haar brengt. Wanneer wij bijvoorbeeld met een vooroordeel naar een dienstknecht van God luisteren en menen dat hij ons toch niets te geven heeft, dan ontvangen we precies datgene wat we verwacht hebben, namelijk niets!

Daarna wijst Paulus op de verantwoordelijkheid van degene die het onderwijs geeft. In het werk van God, dat met een akker of met een bouwwerk vergeleken wordt, heeft iedere arbeider een eigen taak. Hij kan verschillend materiaal aandragen. Hij kan goed materiaal aandragen (dat wil zeggen: verschillende kanten van de waarheid en daardoor personen die God kan erkennen als de Zijnen) waardoor de zielen opgebouwd worden, door hun de gerechtigheid van God (goud), de verlossing (zilver) en de heerlijkheden van Christus (kostbare stenen) voor te stellen. Hij kan echter ook, onder een schijn van iets geweldigs te presteren, met hout, hooi en stoppels bouwen, dus met valse leer, en daarmee onbekeerde personen binnenbrengen. Deze arbeid zal door vuur vernietigd worden.

Laat iedereen er daarom op toezien hoe (en niet hoeveel) hij bouwt — en dat op het enige en onwankelbare Fundament: Jezus Christus.

1 Corinthiërs 3:16-23; 1 Corinthiërs 4:1-5
16Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt, en de Geest Gods in ulieden woont?17Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.18Niemand bedriege zichzelven. Zo iemand onder u dunkt, dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs moge worden.19Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid;20En wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn.21Niemand dan roeme op mensen; want alles is uwe.22Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe.23Doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods.
1Alzo houde ons een ieder mens, als dienaars van Christus, en uitdelers der verborgenheden Gods.2En voorts wordt in de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde.3Doch mij is voor het minste, dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menselijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet.4Want ik ben mijzelven van geen ding bewust; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar Die mij oordeelt, is de Heere.5Zo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten; en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.

Behalve de ware arbeiders, die echter slecht werk kunnen leveren (vers 15), bestaan er ook valse dienstknechten, die de tempel van God verderven (vers 17). Laat niemand zich vergissen in wat hij is, of wat hij doet (vers 18)! En laten we oppassen voor menselijke waardebepalingen en verstandelijke besluiten! Dat zijn bedrieglijke maatstaven! De wijsheid van de wereld is dwaasheid bij God — de wijsheid van God is dwaasheid in de ogen van de wereld (vers 19). Al naar gelang het doel dat wij nastreven, zal ons de ene of de andere wijsheid begerenswaardig toe schijnen. "De natuurlijke mens" kijkt met medelijden neer op de christen, die, naar zijn mening, de voordelen en het genot van de tegenwoordige tijd opoffert voor een onduidelijke en onzekere toekomst.

Laat het maar zo zijn, dat wij allemaal door wat anderen een dwaasheid vinden, bevangen zijn! Wat zijn immers al die arme, ijdele dingen waarmee we zouden kunnen pronken, in vergelijking bij datgene wat wij als gelovigen bezitten? "Zij zijn alle van u", zegt Paulus (vers 22); alles behoort ons toe, omdat wij Christus toebehoren, Die alles bezit. In de afhankelijkheid van Hem staat ons alles ter beschikking wat wij in Zijn dienst nodig hebben.

Maar belangrijker dan al het andere is, dat wij "getrouw bevonden" worden (hoofdstuk 4 vers 2). Iedereen, groot of klein, is een zaakwaarnemer en zal als zodanig — niet van de kant van zijn broeders, maar van Hem Die de harten kent — zijn lof ontvangen (vers 5).

1 Corinthiërs 4:6-21
6En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelven en Apollos bij gelijkenis toegepast, om uwentwil; opdat gij aan ons zoudt leren, niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de een om eens anders wil, opgeblazen wordt tegen den ander.7Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? En zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?8Alrede zijt gij verzadigd, alrede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerst; en och, of gij heerstet, opdat ook wij met u heersen mochten!9Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en den engelen, en den mensen.10Wij zijn dwazen om Christus' wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten.11Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats;12En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen;13Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe.14Ik schrijf deze dingen niet om u te beschamen, maar als mijn lieve kinderen vermaan ik u.15Want al hadt gij tien duizend leermeesters in Christus, zo hebt gij toch niet vele vaders; want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld.16Zo vermaan ik u dan: zijt mijn navolgers.17Daarom heb ik Timotheus tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig maken mijn wegen, die in Christus zijn, gelijkerwijs ik alom in alle Gemeenten leer.18Doch sommigen zijn opgeblazen, alsof ik tot ulieden niet komen zou.19Maar ik zal haast tot u komen, zo de Heere wil, en ik zal dan verstaan, niet de woorden dergenen, die opgeblazen zijn, maar de kracht.20Want het Koninkrijk Gods is niet gelegen in woorden, maar in kracht.21Wat wilt gij? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in den geest der zachtmoedigheid?

De oorzaak van de onderlinge twist in Korinthe was hoogmoed (vergelijk Lukas 22 vers 24). Iedereen liep te koop met zijn eigen geestelijke gaven en kennis (hoofdstuk 1 vers 5) en vergat daarbij, dat hij alles slechts uit genade ontvangen had. Maar de kiem hiervan zit ook in ons eigen hart! Om nederig te blijven is het goed om steeds de vraag uit vers 7 voor de aandacht te houden: "En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen?"

Zichzelf op de voorgrond plaatsen, is iets anders dan "Jezus Christus, en Die gekruisigd" (hoofdstuk 2 vers 2) als Middelpunt hebben. In feite betekent het niets anders dan dat je nu al wilt heersen, terwijl er geschreven staat: "indien wij verdragen" (in de tegenwoordige tijd), "wij zullen ook met Hem heersen" (2 Timotheüs 2 vers 12). Voor zichzelf had Paulus deze dingen niet omgekeerd. Gewillig nam hij de plaats in van één van de "uitvaagsels van de wereld", verguisd door iedereen (vers 13). Dat is een positie waar slechts weinige christenen zich tevreden mee kunnen en willen stellen! Omdat Paulus echter wist dat het om het ware geluk van zijn geliefde Korinthiërs ging, smeekte hij hen om hem te volgen op deze weg. Hij was hun geestelijke vader (vers 15) en wilde graag dat zij op hem zouden lijken, zoals kinderen op hun natuurlijke vader lijken. Zouden ze zijn waarschuwingen echter in de wind slaan, dan was hij bereid om "met de roede" tot hen te komen. Dat betekende dat hij streng met hen zou handelen. Dat is een opdracht die hij als vader dan ten gunste van zijn "lieve kinderen" (vers 14) zou uitoefenen.

1 Corinthiërs 5:1-13
1Men hoort ganselijk, dat er hoererij onder u is, en zodanige hoererij, die ook onder de heidenen niet genoemd wordt, alzo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft.2En zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?3Doch ik, als wel met het lichaam afwezend, maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb alrede, als of ik tegenwoordig ware, dengene, die dat alzo bedreven heeft, besloten,4In den Naam van onzen Heere Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest samen vergaderd zullen zijn, met de kracht van onzen Heere Jezus Christus,5Denzulken over te geven aan den satan, tot verderf des vleses, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus.6Uw roem is niet goed. Weet gij niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?7Zuivert dan den ouden zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.8Zo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdesem, noch in den zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.9Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;10Doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de rovers, of met de afgodendienaars; want anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.11Maar nu heb ik u geschreven, dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een rover; dat gij met zodanig een ook niet zult eten.12Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn?13Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij deze boze uit ulieden weg.

Hier behandelt de apostel een ontzettend pijnlijk onderwerp. Behalve de verdrietige scheuringen was er in de gemeente van Korinthe nog iets veel ergers aan de hand. Er was morele zonde aanwezig, waardoor de hele gemeente verontreinigd was, hoewel dit kwaad door één persoon bedreven was (vergelijk Jozua 7 vers 13 en verder). Dit "zuurdeeg", dat bij de Korinthiërs leed en droefheid had moeten bewerken, verhinderde hen echter niet om "opgeblazen" te zijn (vers 2). Ze doen net als een melaatse die zijn ziekte probeert te verdoezelen en zijn wonden probeert te verbergen onder prachtige kleding. Ter wille van de Heere vraagt Paulus oprechtheid en waarheid van hen (vers 8). En hij schrikt er niet voor terug om dit kwaad openlijk bekend te maken. Voor elke dienst en elke christelijke belijdenis is het eerst nodig, dat het geweten volkomen in orde is. En de heiligheid vereist het, dat de gelovigen niet alleen in hun eigen leven afstand nemen van alle vormen van kwaad, maar dat zij zich ook afwenden van hen die in de zonde leven, hoewel die zich misschien kinderen van God noemen (vers 11).

Wat is dan de reden dat wij ons persoonlijk en als gemeente ver moeten houden van elke gemeenschap en elke vorm van lichtvaardig omgaan met het kwaad? Niet omdat wij menen beter te zijn dan anderen, maar om de oneindig grote waarde van het Offer, waardoor onze zonden verzoend zijn (vers 7).

1 Corinthiërs 6:1-20
1Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?2Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtzaken?3Weet gij niet, dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken, die dit leven aangaan?4Zo gij dan gerechtzaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover, die in de Gemeente minst geacht zijn.5Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzo onder u geen, die wijs is, ook niet een, die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders?6Maar de ene broeder gaat met den anderen broeder te recht, en dat voor ongelovigen.7Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?8Maar gijlieden doet ongelijk, en doet schade, en dat den broederen.9Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beerven?10Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beerven.11En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods;12Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder de macht van geen mij laten brengen.13De spijzen zijn voor de buik, en de buik is voor de spijzen; maar God zal beide dezen en die te niet doen. Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere en de Heere voor het lichaam.14En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door Zijn kracht.15Weet gij niet, dat uw lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen, en maken ze leden ener hoer? Dat zij verre.16Of weet gij niet, dat die de hoer aanhangt, een lichaam met haar is? Want die twee, zegt Hij, zullen tot een vlees wezen.17Maar die den Heere aanhangt, is een geest met Hem.18Vliedt de hoererij. Alle zonde, die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.19Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is, Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt?20Want gij zijt duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.

Er was nog iets niet in orde in Korinthe. Er waren broeders die hun onderlinge twist tot voor de rechtbank uitvochten. Wat een verdrietig getuigenis! De apostel berispt zowel degene die het onrecht gedaan heeft, als degene die het niet verdragen heeft.

Daarna geeft hij een opsomming van vreselijke dingen die onder de heidense volken gebruikelijk zijn, en wijst hij de Korinthiërs er uitdrukkelijk op, dat het niet mogelijk is behouden te zijn en desondanks in ongerechtigheid verder te leven. "En dit waart gij", zegt hij tegen hen. Maar zie dan, wat God gedaan heeft! Hij heeft jullie afgewassen, geheiligd en gerechtvaardigd! Is dat dan gebeurd opdat jullie je opnieuw zouden kunnen verontreinigen (vers 11)?

Behalve dat hij niet moet zondigen, is de gelovige niets verboden — maar als hij niet oppast, dan kan hij wel door alles overweldigd worden (vers 12). Het kwaad steekt niet in de dingen op zich, maar in de liefde die in het hart aanwezig is voor deze dingen.

De verzen 13 - 20 hebben betrekking op de reinheid. O, dat dit toch vooral in de harten van jonge gelovigen gegraveerd mag staan! We zijn geen baas over ons eigen lichaam, zodat we daarmee zouden kunnen doen wat we zelf willen. God heeft ons lichaam gekocht — en laten we nooit vergeten hoe hoog de prijs daarvoor was! — om daaruit voor Christus een lid van Zijn Lichaam te maken (vers 15), en een tempel voor de Heilige Geest, dat heilig moet zijn, net als haar Goddelijke Bewoner (vers 19).

1 Corinthiërs 7:1-31
1Aangaande nu de dingen, waarvan gij mij geschreven hebt: het is een mens goed geen vrouw aan te raken.2Maar om der hoererijen wil zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijke vrouw zal haar eigen man hebben.3De man zal aan de vrouw de schuldige goedwilligheid betalen; en desgelijks ook de vrouw aan den man.4De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en desgelijks ook de man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw.5Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met beider toestemming voor een tijd, opdat gij u tot vasten en bidden moogt verledigen; en komt wederom bijeen, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden.6Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel.7Want ik wilde, dat alle mensen waren, gelijk als ikzelf ben; maar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, de een wel aldus, maar de andere alzo.8Doch ik zeg den ongetrouwden, en den weduwen: Het is hun goed, indien zij blijven, gelijk als ik.9Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat zij trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.10Doch den getrouwden gebiede niet ik, maar de Heere, dat de vrouw van den man niet scheide.11En indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of met den man verzoene; en dat de man de vrouw niet verlate.12Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: Indien enig broeder een ongelovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate.13En een vrouw, die een ongelovige man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate.14Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.15Maar indien de ongelovige scheidt, dat hij scheide. De broeder of de zuster wordt in zodanige gevallen niet dienstbaar gemaakt; maar God heeft ons tot vrede geroepen.16Want wat weet gij, vrouw, of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij, man, of gij de vrouw zult zalig maken?17Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzo wandele; en alzo verordene ik in al de Gemeenten.18Is iemand, besneden zijnde, geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand, in de voorhuid zijnde, geroepen, die late zich niet besnijden.19De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods.20Een iegelijk blijve in die beroeping, daar hij in geroepen is.21Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever.22Want die in den Heere geroepen is, een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Heeren; desgelijks ook, die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus.23Gij zijt duur gekocht, wordt geen dienstknechten der mensen.24Een iegelijk, waarin hij geroepen is, broeders, die blijve in hetzelve bij God.25Aangaande de maagden nu, heb ik geen bevel des Heeren; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb, om getrouw te zijn.26Ik houde dan dit goed te zijn, om den aanstaanden nood, dat het, zeg ik, den mens goed is alzo te zijn.27Zijt gij aan een vrouw verbonden, zoek geen ontbinding; zijt gij ongebonden van een vrouw, zoek geen vrouw.28Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; en indien een maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vlees; en ik spare ulieden.29Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende;30En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende;31En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.

Nadat de apostel in hoofdstuk 6 vers 13 - 20 de gelovigen gewaarschuwd heeft voor onreinheid, spreekt hij in hoofdstuk 7 over de weg die de gelovige met toestemming van de Heere kan gaan: het huwelijk. De jonge christen die door het Woord bewaard is op zijn weg (Psalm 119 vers 9), doet er goed aan, zich in deze belangrijke beslissing volkomen door de Heere te laten leiden.

In hoofdstuk 8 spreekt Paulus over het vlees uit de slachthuizen, dat vaak op de altaren van de heidenen geofferd werd voordat het op de markt verkocht werd. Voor velen lag hier een gewetensprobleem (vergelijk Romeinen 14). In onze landen is dit geen actuele vraag meer, maar deze vermaningen gelden voor alle situaties waarin het gevaar bestaat dat wij andere gelovigen aanstoot geven.

De Korinthiërs wisten veel, hadden veel kennis! Telkens herhaalt de apostel de woorden: "Weet gij niet...?"; met andere woorden: 'Het is jullie toch bekend?!' (zie hoofdstuk 6 vers 2, 3, 9, 15 en 19). Maar waartoe diende hen al deze kennis? Ze deden niet anders dan zichzelf daarop beroemen!

Voor ons — die veel waarheden vaak meer met het hoofd dan met het hart kennen — bestaat hetzelfde gevaar. Om te weten hoe "men behoort te kennen", moet men God liefhebben (vers 3). En Hem liefhebben betekent: datgene in praktijk brengen wat voor ons een voorrecht is om te mogen weten (Johannes 14 vers 21 en 23).

1 Corinthiërs 7:32-40; 1 Corinthiërs 8:1-13
32En ik wil, dat gij zonder bekommernis zijt. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, hoe hij den Heere zal behagen;33Maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe hij de vrouw zal behagen.34Een vrouw en een maagd zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen des Heeren, opdat zij heilig zij, beide aan lichaam en aan geest; maar die getrouwd is, bekommert zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen.35En dit zeg ik tot uw eigen voordeel; niet opdat ik een strik over u zou werpen, maar om u te leiden tot hetgeen wel voegt, en bekwaam is, om den Heere wel aan te hangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden.36Maar zo iemand acht, dat hij ongevoegelijk handelt met zijn maagd, indien zij over den jeugdigen tijd gaat, en het alzo moet geschieden; die doe wat hij wil, hij zondigt niet; dat zij trouwen.37Doch die vast staat in zijn hart, geen noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn hart besloten heeft, dat hij zijn maagd zal bewaren, die doet wel.38Alzo dan, die haar ten huwelijk uitgeeft, die doet wel; en die ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter.39Een vrouw is door de wet verbonden, zo langen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zo is zij vrij, om te trouwen, dien zij wil, alleenlijk in den Heere.40Maar zij is gelukkiger, indien zij alzo blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook den Geest Gods te hebben.
1Aangaande nu de dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat wij allen te zamen kennis hebben. De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.2En zo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend, gelijk men behoort te kennen.3Maar zo iemand God liefheeft, die is van Hem gekend.4Aangaande dan het eten der dingen, die den afgoden geofferd zijn, wij weten, dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan een.5Want hoewel er ook zijn, die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde (gelijk er vele goden en vele heren zijn),6Nochtans hebben wij maar een God, den Vader, uit Welken alle dingen zijn, en wij tot Hem; en maar een Heere, Jezus Christus, door Welken alle dingen zijn, en wij door Hem.7Doch in allen is de kennis niet; maar sommigen, met een geweten des afgods tot nog toe, eten als iets dat den afgoden geofferd is; en hun geweten, zwak zijnde, wordt bevlekt.8De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij hebben geen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek.9Maar ziet toe, dat deze uw macht niet enigerwijze een aanstoot worde dengenen, die zwak zijn.10Want zo iemand u, die de kennis hebt, ziet in der afgoden tempel aanzitten, zal het geweten deszelven, die zwak is, niet gestijfd worden, om te eten de dingen, die den afgoden geofferd zijn?11En zal de broeder, die zwak is, door uw kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven is?12Doch gijlieden, alzo tegen de broeders zondigende, en hun zwak geweten kwetsende, zondigt tegen Christus.13Daarom, indien de spijs mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere.

Opgeblazen door hun gaven en kennis, had een aantal mannen in de gemeente van Korinthe zichzelf een speciale plaats toegemeten. Zelfverheffing leidt echter altijd tot vernedering van anderen. Dat zien we ook hier, want bij deze mannen was het zelfs zover gekomen dat ze het gezag van de apostel, en daarmee het gezag van God, aanvochten. Paulus ziet zich er daarom toe gedwongen, zijn dienst en wandel te rechtvaardigen. Het evangelie verkondigen was zijn opdracht, zoals hij die uit de mond van de Heere ontvangen had. En hij was niet ongehoorzaam geweest aan "dat hemels gezicht" (Handelingen 26 vers 17 - 19).

Het voorbeeld van een akkerbouwer komt veel vaker in de Schrift voor. Daarbij wordt eerst de nadruk gelegd op de moeite die het een boer kost om de aarde te bewerken (Genesis 3 vers 17). Dan gaat het om de hoop en het geloof, waardoor de landbouwer aangespoord moet worden (vers 10; 2 Timotheüs 2 vers 6). En ten slotte moet hij met geduld wachten op "de kostbare vrucht van het land" (Jakobus 5 vers 7). De Korinthiërs waren "Gods akkerwerk" (hoofdstuk 3 vers 9), en de trouwe knecht van de Heere verrichtte daarop zijn werk, een werk waarbij hij zich veel dingen waar hij recht op had, heeft ontzegd, om vooral geen verhindering te zijn voor het evangelie van Christus. (Wat bestaan er veel dingen waar wij veel minder recht op hebben, maar waardoor onze dienst toch vaak gehinderd wordt!) Paulus was hier bezig met een moeizaam werk: wieden. Hij trok als het ware al het onkruid uit het veld van de Korinthiërs, dat er in de loop van de tijd gegroeid was.

1 Corinthiërs 9:1-27
1Ben ik niet een apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus, onzen Heere, gezien? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere?2Zo ik anderen geen apostel ben, nochtans ben ik het ulieden; want het zegel mijns apostelschaps zijt gijlieden in den Heere.3Mijn verantwoording aan degenen, die onderzoek over mij doen, is deze.4Hebben wij niet macht, om te eten en te drinken?5Hebben wij niet macht, om een vrouw, een zuster zijnde, met ons om te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broeders des Heeren, en Cefas?6Of hebben alleen ik en Barnabas geen macht van niet te werken?7Wie dient ooit in den krijg op eigen bezoldiging? Wie plant een wijngaard, en eet niet van zijn vrucht? Of wie weidt een kudde, en eet niet van de melk der kudde?8Spreek ik dit naar den mens, of zegt ook de wet hetzelfde niet?9Want in de wet van Mozes is geschreven: Gij zult een dorsenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen?10Of zegt Hij dat ganselijk om onzentwil? Want om onzentwil is dat geschreven; overmits die ploegt, op hoop moet ploegen, en die op hoop dorst, moet zijn hoop deelachtig worden.11Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het een grote zaak, zo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien?12Indien anderen deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Doch wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet enige verhindering geven aan het Evangelie van Christus.13Weet gij niet, dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten? en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar delen?14Alzo heeft ook de Heere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven.15Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven, opdat het alzo aan mij geschieden zou; want het ware mij beter te sterven, dan dat iemand dezen mijn roem zou ijdel maken.16Want indien ik het Evangelie verkondige, het is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!17Want indien ik dat gewillig doe, zo heb ik loon, maar indien onwillig, de uitdeling is mij evenwel toebetrouwd.18Wat loon heb ik dan? Namelijk dat ik, het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stelle, om mijn macht in het Evangelie niet te misbruiken.19Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen.20En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen, die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou.21Degenen, die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet zijnde (Gode nochtans zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen, die zonder de wet zijn, winnen zou.22Ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zou; allen ben ik alles geworden, opdat ik immers enigen behouden zou.23En dit doe ik om des Evangelies wil, opdat ik hetzelve mede deelachtig zou worden.24Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een den prijs ontvangt? Loopt alzo, dat gij dien moogt verkrijgen.25En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich in alles. Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke.26Ik loop dan alzo, niet als op het onzekere; ik kamp alzo, niet als de lucht slaande;27Maar ik bedwing mijn lichaam, en breng het tot dienstbaarheid, opdat ik niet enigszins, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.

De apostel was, in alle nederigheid, voor allen een dienstknecht, om hen zodoende voor het evangelie te winnen. Betekent dat, dat we kunnen aannemen dat hij daarom tot allerlei compromissen bereid geweest is? Zeer zeker niet! Wanneer Paulus enerzijds een "verleider" voor Christus was, dan was hij anderzijds toch altijd "waarachtig" (2 Korinthe 6 vers 8). Net zoals de Heere Jezus handelde bij de bron van Sichar, zo wist ook Paulus iedereen op zijn eigen terrein en in zijn eigen taal, dus op diens eigen niveau, te bereiken. De Joden stelde hij de God van Israël voor de aandacht, maar wees hun ook op hun verantwoording in de verwerping van de Verlosser, de Zoon van David, en de vergeving van de zonden (Handelingen 13 vers 14 en verder). De volken die de afgoden dienden, verkondigde hij de enige God, Die geduld heeft met Zijn schepselen en Die tegen hen zegt dat zij zich moeten bekeren (Handelingen 17 vers 22 en verder).

Er stond de apostel voortdurend slechts één ding voor ogen: de kroon waarmee al zijn moeite beloond zou worden. Deze kroon werd als het ware gevormd door de zielen van hen die door zijn dienst behouden zijn geworden (1 Thessalonika 2 vers 19; Filippi 4 vers 1). Hij strekte zich uit naar dat doel, en liep zoals een atleet in het stadion, die zijn lichaam onderwerpt aan een strenge tucht en die enkel en alleen aan de overwinning denkt.

Een sportman of sportvrouw heeft slechts vergankelijke eer voor ogen, een lauwerkrans die morgen weer verwelkt is (vers 25). Onze christelijke wedloop zal echter met een kostbare, onverwelkbare kroon beloond worden. Laten we daarom zo lopen dat we die zullen winnen (vers 24; 2 Timotheüs 4 vers 8)!

1 Corinthiërs 10:1-13
1En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;2En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;3En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;4En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus.5Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.6En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.7En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.8En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend.9En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slagen vernield.10En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.11En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.12Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.13Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.

In het voorbeeld van Israël laat de apostel de grote verantwoording zien van hen die belijden christenen te zijn. Uiterlijk hebben zij aan de voortreffelijkste, geestelijke zegeningen deel gekregen: Christus, Zijn werk, Zijn Geest, Zijn Woord... (vers 3 en 4). Toch kan God aan de meesten van hen geen welgevallen hebben, omdat het hun ontbreekt aan geloof (vers 5; Hebreeën 10 vers 38). Door de geschiedenis van het volk in de woestijn geeft de Heere ons een verdrietig voorbeeld van hetgeen uit onze eigen harten voort kan komen, zelfs onder de dekmantel van het christendom: begeerte, afgodendienst, mopperen... En de Heere waarschuwt ons heel ernstig voor de gevolgen van deze vruchten van het vlees — hoewel de genade ten gunste van de gelovigen werkzaam is.

De verzoeker probeert er alles aan te doen om het kwaad dat werkzaam is in ons (en dat wij zo graag zouden willen overwinnen), aan te wakkeren, opdat wij ten val zullen komen. En als hem dat lukt, dan is dat vaak op een moment waarop wij meenden — in eigen kracht — vast te staan (vers 12).

Gelukkig lezen we dan: "God is getrouw" (vers 13). Dat is ook een geweldige bemoediging voor ons! Hij kent onze zwakheid en zal het de satan niet toestaan ons meer te verzoeken dan wij kunnen verdragen (vergelijk Job 1 vers 12 en 2 vers 6). En Hij heeft bij voorbaat een glorierijke uitkomst voor de verzoeking voorbereid (vers 13). Laten we, elke keer als de vijand komt, steunen op deze beloften en niet op eigen kracht! Ja, God is getrouw!

1 Corinthiërs 10:14-33; 1 Corinthiërs 11:1
14Daarom, mijn geliefden, vliedt van den afgodendienst.15Als tot verstandigen spreek ik; oordeelt gij, hetgeen ik zeg.16De drinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?17Want een brood is het, zo zijn wij velen een lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn.18Ziet Israel, dat naar het vlees is: hebben niet degenen, die de offeranden eten, gemeenschap met het altaar?19Wat zeg ik dan? Dat een afgod iets is, of dat het afgodenoffer iets is?20Ja, ik zeg, dat hetgeen de heidenen offeren, zij den duivelen offeren, en niet Gode; en ik wil niet, dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.21Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken, en den drinkbeker der duivelen; gij kunt niet deelachtig zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen.22Of tergen wij den Heere? Zijn wij sterker dan Hij?23Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.24Niemand zoeke dat zijns zelfs is; maar een iegelijk zoeke dat des anderen is.25Eet al wat in het vleeshuis verkocht wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil;26Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.27En indien u iemand van de ongelovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende, om des gewetens wil.28Maar zo iemand tot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer; eet het niet, om desgenen wil, die u dat te kennen gegeven heeft, en om des gewetens wil. Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzelve.29Doch ik zeg: om het geweten, niet van uzelven, maar des anderen; want waarom wordt mijn vrijheid geoordeeld van een ander geweten?30En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen, waarvoor ik dankzeg?31Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het al ter ere Gods.32Weest zonder aanstoot te geven, en den Joden, en den Grieken, en der Gemeente Gods.33Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden.
1Weest mijn navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.

De gemeenschap met God is het gezegende deel van de gelovige en sluit elke deelname aan afgoderij, ook al lijkt het nog zo onschuldig, uit. Deze gemeenschap komt op bijzondere wijze tot uitdrukking aan "de tafel des Heeren" (vers 21). Allen die deelnemen aan het breken van het brood en drinken van de beker, zijn in principe verlosten van de Heere; lang niet alle verlosten nemen daar echter aan deel. In het geloof mogen wij hen echter allemaal verenigd zien in dat ene brood, het zichtbare teken van het ene Lichaam. Het brengt de eenheid van de Gemeente tot uitdrukking, een eenheid waarvan de godsdienstige wereld meent deze in eigen kracht tot stand te moeten en te kunnen brengen (terwijl deze immers al bestaat!).

Wanneer ik niet steeds mijn eigen belangen op het oog heb, zal ik veel tijd over hebben om mij in te zetten voor de belangen van anderen (hetgeen ook de belangen van Jezus Christus zijn; vergelijk Filippi 2 vers 21). De belangen van anderen zoeken, wil echter niet alleen zeggen dat je bezorgd bent over hun welzijn, maar ook dat je rekening houdt met hun geweten. Dat betekent dat je om hen bepaalde dingen doet en andere dingen juist nalaat. Dat brengt mij ertoe, om mijzelf steeds dezelfde vraag te stellen: 'Heb ik de vrijheid om met dankzegging deel te nemen aan hetgeen op mijn weg komt? Is dat wat ik op dit moment doe —ook al gaat het daarbij alleen om eten en drinken (in tegenstelling tot vers 7) — tot eer van God of niet?'

1 Corinthiërs 11:2-16
2En ik prijs u, broeders, dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoudt, gelijk ik die u overgegeven heb.3Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.4Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd;5Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof haar het haar afgesneden ware.6Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke.7Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.8Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit den man.9Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man.10Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil.11Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man, in den Heere.12Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God.13Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde?14Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is?15Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?16Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de Gemeenten Gods.

Er zijn maar weinig gedeelten in de Bijbel waarover zoveel verschil van mening is ontstaan als over het onderwijs in dit hoofdstuk (vers 16). Waarom houdt de apostel — beter gezegd: de Heilige Geest — zich bezig met zulke schijnbaar onbelangrijke vragen als het lange haar van de vrouw en haar bidden zonder hoofdbedekking?

Het is goed er allereerst aan te denken dat ons christen-zijn niet bestaat uit een aantal opmerkelijke daden, die van tijd tot tijd volbracht dienen te worden. Nee, zij bestaat uit een geheel van (kleine) handelingen, waaruit ons dagelijks leven is opgebouwd (Lukas 16 vers 10). Anderzijds is het ook goed om eraan te denken dat God verheven is. Hij hoeft ons niet altijd de redenen aan te geven voor datgene wat Hij in Zijn Woord van ons verlangt. Gehoorzamen zonder erover te discussiëren, dat is de enige en ware gehoorzaamheid!

Deze aanwijzingen mogen we dan ook als een soort toetssteen beschouwen, voor elk christelijk meisje en elke christelijke vrouw. Het is net alsof de Heere vraagt: Wil je dat voor Mij doen?'

Is het ook het verlangen van jouw hart, om je afhankelijkheid en onderwerping door deze uiterlijke tekenen te tonen? Of wil je liever met de mode meedoen en denk je dat men niet zo moeilijk moet doen?

En laten we ten slotte het ernstige feit nooit vergeten dat de onzichtbare wereld van de engelen ziet hoe de gelovigen reageren op de gedachten van God (vers 10). Wat zien zij bij ons? Wat zien ze bij mij?

1 Corinthiërs 11:17-34
17Dit nu, hetgeen ik u aanzegge, prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter, maar tot erger samenkomt.18Want eerstelijk, als gij samenkomt in de Gemeente, zo hoor ik, dat er scheuringen zijn onder u; en ik geloof het ten dele;19Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u.20Als gij dan bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren avondmaal eten.21Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken.22Hebt gij dan geen huizen, om er te eten en te drinken? Of veracht gij de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen, die niet hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet.23Want ik heb van den Heere ontvangen, hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken Hij verraden werd, het brood nam;24En als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.25Desgelijks nam Hij ook den drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed. Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.26Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt.27Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.28Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker.29Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.30Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.31Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.32Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.33Zo dan, mijn broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander.34Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen, als ik zal gekomen zijn.

Er kwamen scheuringen voor in Korinthe, wat natuurlijk ook invloed had op de samenkomsten. De rijken beschaamden de armen en prikkelden hen tot jaloersheid. En wat nog erger was: het avondmaal werd verward met een liefdesmaal (een gemeenschappelijke maaltijd) en werd door velen op onwaardige wijze gevierd. De apostel grijpt deze aangelegenheid aan, om hen eraan te herinneren wat de Heere speciaal aan hem geopenbaard had. Het avondmaal is een heilige nagedachtenis aan Christus, Die Zichzelf voor ons heeft overgegeven. Het is een gedachtenismaaltijd, dat zeker tot het hart van de deelnemers afzonderlijk spreekt, maar ook algemeen het belangrijke feit verkondigt: Hij Die de Heere is, heeft moeten sterven! En wij worden opgeroepen om deze dood van de Heere, tot aan Zijn wederkomst, te verkondigen, en wel op een wijze zoals ons geleerd is, door deze eenvoudige en toch zo kostbare tekenen.

Deze gedachtenismaaltijd spreekt echter ook tot het geweten van de gelovigen. De dood van Christus betekent namelijk de veroordeling van de zonde. Deelnemen aan het avondmaal zonder zich vooraf zelf geoordeeld te hebben, stelt ons daarmee (voor deze aarde) bloot aan de gevolgen van het oordeel. Hierdoor laat zich ook de zwakheid, de ziekte, ja zelfs dood van sommigen in Korinthe (en misschien ook onder ons) verklaren (vers 30).

Het is echter niet goed om uit een zekere angst dan maar niet deel te nemen aan het avondmaal (vers 28). Het mag (en moet) met een brandende liefde in het hart juist ons antwoord zijn op de woorden van de Heere Jezus: "Doet dat tot Mijn gedachtenis!"

1 Corinthiërs 12:1-13
1En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet, dat gij onwetende zijt.2Gij weet, dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden heengetrokken, naar dat gij geleid werdt.3Daarom maak ik u bekend, dat niemand, die door den Geest Gods spreekt, Jezus een vervloeking noemt; en niemand kan zeggen, Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.4En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest;5En er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere;6En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt.7Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is.8Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid, en een ander het woord der kennis, door denzelfden Geest;9En een ander het geloof, door denzelfden Geest; en een ander de gaven der gezondmakingen, door denzelfden Geest.10En een ander de werkingen der krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging der talen.11Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.12Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, maar een lichaam zijn, alzo ook Christus.13Want ook wij allen zijn door een Geest tot een lichaam gedoopt; hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij dienstknechten, hetzij vrijen; en wij zijn allen tot een Geest gedrenkt.

Wat het samenkomen als gemeente aangaat, geeft de apostel daarin het vieren van het avondmaal de eerste plaats (hoofdstuk 11 vers 20 - 34). Pas daarna spreekt hij over de gaven en diensten tot opbouwing. Laten wij nooit vergeten dat het dienen van God — het vieren van het avondmaal tot gedachtenis aan de dood van de Heere Jezus en ook de aanbidding van Hem en de Vader — het belangrijkste is van alle samenkomsten.

Paulus herinnert deze vroegere afgodendienaars eraan, dat zij in het verleden door satanische geesten geleid werden (vers 2). Wat een verandering! Nu is het de Geest van God Die hen leidt en Die in hen werkt, door de gaven die Hij aan hen geeft, "zoals Hij wil" (vers 11). De apostel noemt deze gaven op en wijst hun er nadrukkelijk op, dat zij hun tot nut gegeven zijn.

Om zowel de eenheid van de gemeente alsook de verscheidenheid aan gaven te illustreren, gebruikt de apostel het menselijk lichaam als voorbeeld. Hoewel het lichaam opgebouwd is uit verschillende ledematen en organen, die niet onafhankelijk van elkaar kunnen functioneren, vormt zij desondanks toch één uniek organisme. Het wordt door de wil bestuurd: het hoofd geeft aan elk afzonderlijk 'onderdeel' te kennen wat er gedaan moet worden.

Zo is het ook met het Lichaam van Christus. Hoewel het gevormd wordt door vele leden (evenveel leden als er gelovigen bestaan), wordt zij door één enkele Geest geleid tot uitvoering van één wil: de wil van de Heere, Die het Hoofd is (Efeze 4 vers 15 en 16). Het is dus niet aan ons, om zelf te bepalen wat we zouden kunnen doen (vers 11) en evenmin mogen we zelf de plaats uitkiezen waar we een bepaalde taak zouden kunnen uitoefenen (vers 18).

1 Corinthiërs 12:14-31
14Want ook het lichaam is niet een lid, maar vele leden.15Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is hij daarom niet van het lichaam?16En indien het oor zeide: Dewijl ik het oog niet ben, zo ben ik van het lichaam niet; is het daarom niet van het lichaam?17Ware het gehele lichaam het oog, waar zou het gehoor zijn? Ware het gehele lichaam gehoor, waar zou de reuk zijn?18Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft.19Waren zij alle maar een lid, waar zou het lichaam zijn?20Maar nu zijn er wel vele leden, doch maar een lichaam.21En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van node.22Ja veeleer, de leden, die ons dunken de zwakste des lichaams te zijn, die zijn nodig.23En die ons dunken de minst eerlijke leden des lichaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eer aan; en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering.24Doch onze sierlijke hebben het niet van node; maar God heeft het lichaam alzo samengevoegd, gevende overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft;25Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.26En hetzij dat een lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat een lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.27En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.28En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.29Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen krachten?30Hebben zij allen gaven der gezondmakingen? Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij allen uitleggers?31Doch ijvert naar de beste gaven; en ik wijs u een weg, die nog uitnemender is.

Het functioneren van ons lichaam roept grote bewondering bij ons op! David roept het uit in Psalm 139 vers 14: "Ik loof U, omdat ik op een heel ontzagwekkende wijze wonderbaar gemaakt ben". Ja, er bestaat een grote verscheidenheid in ledematen, zintuigen en organen, en desondanks vormt het één harmonieus geheel. En het kleinste 'onderdeeltje' daarin is onmisbaar en heeft zijn eigen functie in het geheel. Het oog en de pink bijvoorbeeld kunnen elkaar niet vervangen. Maar de kleinste vinger van de hand kan wel het stof uit het oog wegvegen, waardoor het zo geïrriteerd wordt. Zo hebben de verschillende leden elkaar nodig. Als ook maar één enkel orgaan niet naar behoren werkt, dan zal al gauw het hele lichaam ziek worden.

Al deze dingen zijn een treffend beeld van de Gemeente, het Lichaam van Christus. "De leden, die ons dunken de zwakste van het lichaam te zijn, die zijn nodig" (vers 22) en elk lid moet ervoor oppassen zijn eigen functie (vers 15 en 16) of die van de ander (vers 21) te minachten. Een oude of gebrekkige christin kan door haar gebeden, door een opbeurend woord of misschien door materiële hulp, de dienst van een evangelist of herder ondersteunen. Zo moet iedereen met datgene wat hij of zij ontvangen heeft, "als goede uitdelers van de menigerlei genade van God" dienen (1 Petrus 4 vers 10).

Wij willen need'rig Gode leven, U volgen, waar U ons geleidt, ons U geheel ten dienste geven met nooit volbrachte dankbaarheid...'

1 Corinthiërs 13:1-13
1Al ware het, dat ik de talen der mensen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal, of luidende schel geworden.2En al ware het dat ik de gave der profetie had, en wist al de verborgenheden en al de wetenschap; en al ware het, dat ik al het geloof had, zodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zo ware ik niets.3En al ware het, dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.4De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk, zij is niet opgeblazen;5Zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;6Zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid;7Zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen, zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.8De liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij profetieen, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.9Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;10Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.11Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.12Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.13En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.

Nadat eerst, in beeld, de verschillende leden van het Lichaam van Christus genoemd zijn (de voet, de hand, het oor, het oog; hoofdstuk 12), is het alsof wij in hoofdstuk 13 het hart tegenkomen. De taak van het hart is: alle andere organen aansturen en opwarmen. Het hart vormt als het ware de centrale van waaruit alles bestuurd wordt.

We moeten er goed aan denken dat de liefde geen extra gave is boven alle anderen die in hoofdstuk 12 opgenoemd worden, maar de noodzakelijke drijfkracht voor de uitoefening van al die gaven. De liefde is "een weg" die voor allen toegankelijk is en tot iedereen leidt (hoofdstuk 12 vers 31). Zoals een weg wordt aangelegd om bewandeld of bereden te worden, zo zul je de liefde pas werkelijk ervaren als je er zelf gebruik van maakt. Vandaar dat dit wonderbare hoofdstuk ons geen speciale definitie van de liefde geeft. Er wordt maar een beperkt aantal dingen opgenoemd. Dit geeft ons echter al genoeg stof om over na te denken en om ons over te verootmoedigen. We lezen hier wat de liefde doet, en vooral ook wat zij niet doet. Deze "weg" was de weg die Christus hier op aarde bewandelde. En het is goed om op te merken dat in het lijstje dat in dit hoofdstuk genoemd wordt, iedere keer Zijn Naam ingevuld kan worden op de plaats van het woordje 'liefde' zonder dat daardoor de strekking verandert (zie 1 Johannes 4 vers 8).

Met onze kennis van de nog onzichtbare dingen 'zien' we alles heel beperkt, onduidelijk en is het nog onzeker. Maar spoedig "zullen wij zien aangezicht tot aangezicht". Dan zal onze Heere, Die ons door en door kent, ons ook invoeren in de volmaakte kennis van Zijn Persoon (vers 12; Psalm 139 vers 1 en verder). Dan zal de onvergankelijke liefde in Zijn en ons hart volkomen en voor eeuwig bevredigd zijn.

1 Corinthiërs 14:1-19
1Jaagt de liefde na, en ijvert om de geestelijke gaven, maar meest, dat gij moogt profeteren.2Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet den mensen, maar Gode; want niemand verstaat het, doch met den geest spreekt hij verborgenheden.3Maar die profeteert, spreekt den mensen stichting, en vermaning en vertroosting.4Die een vreemde taal spreekt, die sticht zichzelven; maar die profeteert die sticht de Gemeente.5En ik wil wel, dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer, dat gij profeteert; want die profeteert, is meerder dan die vreemde talen spreekt, tenzij dan, dat hij het uitlegge, opdat de Gemeente stichting moge ontvangen.6En nu, broeders, indien ik tot u kwam, en sprak vreemde talen, wat nuttigheid zou ik u doen, zo ik tot u niet sprak, of in openbaring, of in kennis, of in profetie of in lering?7Zelfs ook de levenloze dingen, die geluid geven, hetzij fluit, hetzij citer, zo zij geen onderscheid met hun klank geven, hoe zal bekend worden, hetgeen op de fluit of op de citer gespeeld wordt?8Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden?9Alzo ook gijlieden, indien gij niet door de taal een duidelijke rede geeft, hoe zal verstaan worden hetgeen gesproken wordt? Want gij zult zijn als die in de lucht spreekt.10Er zijn, naar het voorvalt, zo vele soorten van stemmen in de wereld, en geen derzelve is zonder stem.11Indien ik dan de kracht der stem niet weet, zo zal ik hem, die spreekt, barbaars zijn; en hij, die spreekt, zal bij mij barbaars zijn.12Alzo ook gij, dewijl gij ijverig zijt naar geestelijke gaven, zo zoekt dat gij moogt overvloedig zijn tot stichting der Gemeente.13Daarom, die in een vreemde taal spreekt, die bidde, dat hij het moge uitleggen.14Want indien ik in een vreemde taal bid, mijn geest bidt wel, maar mijn verstand is vruchteloos.15Wat is het dan? Ik zal wel met den geest bidden, maar ik zal ook met het verstand bidden; ik zal wel met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen.16Anderszins, indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene, die de plaats eens ongeleerden vervult, amen zeggen op uw dankzegging, dewijl hij niet weet, wat gij zegt?17Want gij dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticht.18Ik dank mijn God, dat ik meer vreemde talen spreek, dan gij allen;19Maar ik wil liever in de Gemeente vijf woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tien duizend woorden in een vreemde taal.

Vele gelovigen klagen over de tegenwoordige zwakheid, omdat er in de gemeenten zo'n gebrek aan gaven is. Maar... beijveren zij zichzelf wel voor deze geestelijke gaven, waartoe vers 1 ons oproept? Misschien heeft de Heere Zich voorgenomen om jou een bepaalde gave toe te vertrouwen, en wacht Hij erop dat het brandende verlangen daarnaar in jouw hart zichtbaar wordt! Vraag Hem erom, maar vraag dan tegelijkertijd ook om nederigheid, opdat je je niet zult beroemen op 'jouw' gave; die is namelijk niet voor jezelf, maar voor de gemeente bedoeld (vers 12).

Dat is iets waarin de Korinthiërs helaas faalden. Zij maakten gebruik van de gaven tot hun eigen eer. En het resultaat daarvan was: een grote wanorde. De apostel bepaalt hen opnieuw bij de werkelijke waarde van de dingen, door hun te laten zien dat de gave van het spreken in talen —waarop zij zich het meest beroemden — juist één van de geringste was (vers 5). De gave van profetie daarentegen is — en blijft — heel begerenswaardig. Daarbij gaat het niet meer, zoals vroeger, om het openbaren van de toekomst, maar het dient tot opbouwing, tot vermaning en tot troost.

Vers 15 leert ons dat ons verstand ook moet meewerken bij het bidden, alsook bij het lofzingen. Wij die in de tegenwoordigheid van de Heere vaak zo verstrooid kunnen zijn en kunnen afdwalen met onze gedachten, moeten er goed over nadenken wat wij voor God tot uitdrukking brengen! Laten we ons beijveren daar goed bij stil te staan! En laat onze geest in alles geleid worden door de Heilige Geest!

1 Corinthiërs 14:20-40
20Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen.21In de wet is geschreven: Ik zal door lieden van andere talen, en door andere lippen tot dit volk spreken, en ook alzo zullen zij Mij niet horen, zegt de Heere.22Zo dan, de vreemde talen zijn tot een teken niet dengenen, die geloven, maar den ongelovigen; en de profetie niet den ongelovigen, maar dengenen, die geloven.23Indien dan de gehele Gemeente bijeenvergaderd ware, en zij allen in vreemde talen spraken, en enige ongeleerden of ongelovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen, dat gij uitzinnig waart?24Maar indien zij allen profeteerden, en een ongelovige of ongeleerde inkwame, die wordt van allen overtuigd, en hij wordt van allen geoordeeld.25En alzo worden de verborgene dingen zijns harten openbaar; en alzo, vallende op zijn aangezicht, zal hij God aanbidden, en verkondigen, dat God waarlijk onder u is.26Wat is het dan, broeders? Wanneer gij samenkomt, een iegelijk van u, heeft hij een psalm, heeft hij een leer, heeft hij een vreemde taal, heeft hij een openbaring, heeft hij een uitlegging; laat alle dingen geschieden tot stichting;27En zo iemand een vreemde taal spreekt, dat het door twee, of ten meeste drie geschiede, en bij beurte; en dat een het uitlegge.28Maar indien er geen uitlegger is, dat hij zwijge in de Gemeente; doch dat hij tot zichzelven spreke, en tot God.29En dat twee of drie profeten spreken, en dat de anderen oordelen.30Doch indien een ander, die er zit, iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.31Want gij kunt allen, de een na den ander profeteren, opdat zij allen leren, en allen getroost worden.32En de geesten der profeten zijn den profeten onderworpen.33Want God is geen God van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.34Dat uw vrouwen in de Gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.35En zo zij iets willen leren, laat haar te huis haar eigen mannen vragen; want het staat lelijk voor de vrouwen, dat zij in de Gemeente spreken.36Is het Woord Gods van u uitgegaan? Of is het tot u alleen gekomen?37Indien iemand meent een profeet te zijn, of geestelijke, die erkenne, dat, hetgeen ik u schrijf, des Heeren geboden zijn.38Maar zo iemand onwetend is, die zij onwetend.39Zo dan, broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken.40Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.

De gave van het spreken in talen werd gegeven voor evangelisatie en niet voor opbouw van de gemeente. In dit hoofdstuk vormt het woord 'opbouwing' eigenlijk het sleutelwoord, ja, de toetssteen waaraan elke handeling onderworpen zou moeten zijn. Komt datgene wat ik meen te moeten zeggen of wat ik mij heb voorgenomen om te doen, werkelijk ten goede aan mijn broeders en zusters (Efeze 4 vers 29)? Wanneer ik alleen hun welzijn op het oog heb, zal ik tegelijkertijd ook zelf gezegend worden. Denk ik daarentegen alleen aan mijn eigen belangen en mijn persoonlijke eer, dan zal het uiteindelijk slechts tot schade voor mijzelf en anderen zijn (hoofdstuk 3 vers 15).

Er zijn nog twee dingen te noemen waardoor het leven van de gemeente gekenmerkt zou moeten worden, namelijk 'eerbaarheid' en 'orde' (vers 40). Deze twee dingen vormen als het ware twee dammen, waartussen de stroom van de Heilige Geest zou moeten vloeien. Het gaat daarbij om praktische aanwijzingen die betrekking hebben op het gezonde mensenverstand (vers 26 - 33) of op de Goddelijke orde (vers 34 en 35). De apostel wilde niet dat de Korinthiërs onwetend zouden zijn (hoofdstuk 12 vers 1). Wanneer iemand zichzelf echter niet wil laten onderwijzen over de dingen die betrekking hebben op de gemeente, "die zij onwetend" (vers 38)! God is een God van de vrede (vers 33), en Hij wil dat de gemeente in overeenstemming is met Zijn eigen karaktertrekken en de plaats is waarheen Hij onbekeerde mensen kan leiden, opdat zij daar Zijn tegenwoordigheid zullen mogen ervaren (vers 24 en 25).

1 Corinthiërs 15:1-19
1Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat;2Door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.3Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften;4En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;5En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.6Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het meren deel nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen.7Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen.8En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.9Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb.10Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is.11Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzo prediken wij, en alzo hebt gij geloofd.12Indien nu Christus gepredikt wordt, dat Hij uit de doden opgewekt is, hoe zeggen sommigen onder u, dat er geen opstanding der doden is?13En indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt.14En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof.15En zo worden wij ook bevonden valse getuigen Gods; want wij hebben van God getuigd, dat Hij Christus opgewekt heeft, Dien Hij niet heeft opgewekt, zo namelijk de doden niet opgewekt worden.16Want indien de doden niet opgewekt worden, zo is ook Christus niet opgewekt.17En indien Christus niet opgewekt is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden.18Zo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.19Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.

Na dit alles bleef er nog één ernstige kwestie over om te regelen: sommigen in Korinthe loochenden namelijk de opstanding. Paulus laat zien dat men niet aan deze leer kan tornen zonder daarbij het hele gebouw van het christelijke geloof aan het wankelen te brengen. Als er geen opstanding zou bestaan, dan is Christus Zelf ook niet opgestaan. Dat zou betekenen dat Zijn werk niet door God zou zijn aangenomen, dat de dood niet was overwonnen en dat wij dan nog in onze zonden zouden zijn. Het evangelie zou daarmee volkomen zinloos zijn geworden en ons geloof heeft dan geen enkel houvast meer. Het leven van zelfverloochening en afzondering door de christen zou daarmee eveneens zinloos geworden zijn. En dan zou de gelovige iemand zijn die het meest te betreuren zou zijn van alle mensen.

God zij dank is dat absoluut niet waar, want "de Heere is waarlijk opgestaan!" (Lukas 24 vers 34). Met het oog op de belangrijkheid van deze waarheid kunnen we ook begrijpen waarom God zoveel moeite gedaan heeft de opstanding van de Heere vast te leggen. In eerste instantie heeft Hij dat gedaan door middel van de Schriften (vers 3 en 4), maar de opstanding werd bovendien bevestigd door geloofwaardige getuigen, zoals Cefas, Jakobus en Paulus zelf (hoewel hij zich als onwaardig betitelt), die apostelen waren. Verder waren er nog veel meer getuigen, want de Heere was na Zijn opstanding verschenen aan "meer dan vijfhonderd broeders op éénmaal, van wie het merendeel nog over is" (vers 6). En ongetwijfeld hebben de meesten van hen die dit alles op dit moment lezen, de Heere Jezus zelf ook 'met eigen ogen gezien' en weten ze uit ervaring dat hun "Verlosser leeft" (vergelijk Job 19 vers 25).

1 Corinthiërs 15:20-34
20Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, en is de Eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn.21Want dewijl de dood door een mens is, zo is ook de opstanding der doden door een Mens.22Want gelijk zij allen in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden.23Maar een iegelijk in zijn orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst.24Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.25Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.26De laatste vijand, die te niet gedaan wordt, is de dood.27Want Hij heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen. Doch wanneer Hij zegt, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, zo is het openbaar, dat Hij uitgenomen wordt, Die Hem alle dingen onderworpen heeft.28En wanneer Hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon Zelf onderworpen worden Dien, Die Hem alle dingen onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.29Anders, wat zullen zij doen, die voor de doden gedoopt worden, indien de doden ganselijk niet opgewekt worden? Waarom worden zij voor de doden ook gedoopt?30Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?31Ik sterf alle dagen, hetwelk ik betuig bij onzen roem, dien ik heb in Christus Jezus, onzen Heere.32Zo ik, naar den mens, tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij, indien de doden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij.33Dwaalt niet, kwade samensprekingen verderven goede zeden.34Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet. Want sommigen hebben de kennis van God niet. Ik zeg het u tot schaamte.

De opgestane Christus is de ontslapen gelovigen slechts voorgegaan. Zij zullen bij Zijn komst weer opstaan. En wat de overige doden betreft, die zullen later "levend gemaakt worden" (vers 22), om dan voor de troon van het gericht te moeten verschijnen (Openbaring 20 vers 12). Pas dan zal alles definitief aan Christus onderworpen zijn. Dan zullen onze gedachten zich verliezen in de oneindigheid van de gelukzalige eeuwigheid, waar God uiteindelijk "alles in allen" zijn zal (vers 28).

Nadat de apostel dit heerlijke gedeelte, dat hij als het ware tussen zijn betoog heeft ingeschoven (vers 28 - 30), heeft beëindigd, deelt hij nog iets belangrijks mee. Hij laat zien dat het gedrag van alle mensen — en in eerste instantie van hemzelf (vers 30 - 32) — bepaald wordt door de vraag of je wel of niet gelooft in het toekomstige leven. Wat bestaan er ontzettend veel ongelukkige mensen, wier godsdienst eigenlijk alleen maar bestaat uit de woorden: "Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij" (vers 32). Zij maken zichzelf wijs dat er na de dood niets meer is, en menen zich op deze manier te kunnen verontschuldigen voor het onbeperkte en vaak ongeremde genieten tijdens hun korte bestaan. In feite gedragen ze zich hiermee niet anders "als onredelijke dieren, die de natuur volgen" (2 Petrus 2 vers 12).

De christen zou echter zijn geloof wakker moeten houden (vers 34) en ervoor moeten oppassen zich in gevaarlijk gezelschap te begeven. Het geloof zou hem juist ervan moeten weerhouden om "met de dronkaards" van deze wereld te eten en te drinken (vers 33; Mattheüs 24 vers 49). O, dat wij toch, tot aan Zijn wederkomst, genoeg zullen hebben aan het gezelschap van de Heere en de Zijnen!

1 Corinthiërs 15:35-50
35Maar, zal iemand zeggen: Hoe zullen de doden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?36Gij dwaas, hetgeen gij zaait, wordt niet levend, tenzij dat het gestorven is;37En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet, dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe, of van enig der andere granen.38Maar God geeft hetzelve een lichaam, gelijk Hij wil, en aan een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.39Alle vlees is niet hetzelfde vlees; maar een ander is het vlees der mensen, en een ander is het vlees der beesten, en een ander der vissen, en een ander der vogelen.40En er zijn hemelse lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse, en een andere der aardse.41Een andere is de heerlijkheid der zon, en een andere is de heerlijkheid der maan, en een andere is de heerlijkheid der sterren; want de ene ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.42Alzo zal ook de opstanding der doden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverderfelijkheid;43Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid; het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.44Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam.45Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel; de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.46Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.47De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den hemel.48Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen.49En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des hemelsen dragen.50Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet beerven kunnen, en de verderfelijkheid beerft de onverderfelijkheid niet.

Hoe zal het lichaam waarmee de gelovigen in heerlijkheid bekleed zullen zijn, eruitzien (vers 35)? De Bijbel bevredigt nooit onze nieuwsgierigheid. "Dwaas!", is het enige antwoord dat de Bijbel ons geeft op alle pogingen die wij ondernemen om ons hier een beeld van te vormen. Als je een onbekend zaadje in handen krijgt, kun je nooit zeggen wat voor plantje daaruit zal ontstaan. Niemand zou uit zichzelf hebben kunnen vermoeden dat er uit die gewone, éénkleurige rups een vlinder met de allermooiste kleuren zou voortkomen.

Om echter het wonder van dat kiemen, of die gedaanteverwisseling, te kunnen beleven, is eerst het sterven nodig van het zaad en de slaap van de rups, die een pop is geworden (vergelijk Johannes 12 vers 24).

Zo zal de verloste die ontslapen is, verschijnen in een opstandingslichaam. Er staat het stoffelijke lichaam van nu, het eenvoudige omhulsel van de ziel, een wonderbare toekomst te wachten! Het zal in "onverderfelijkheid" opgewekt worden (vers 42), zodat de dood er geen macht meer over zal hebben. Het zal een lichaam "in heerlijkheid" en "in kracht" zijn (vers 43), waarin geen ziekte of zwakheid meer gevonden wordt. Het zal een "geestelijk lichaam" zijn (vers 44), dat dan definitief bevrijd is van het vlees en haar verlangens en dat dan een volmaakt werktuig van de Heilige Geest zal zijn. En ten slotte — o, wat heerlijk! — zal het aan het lichaam van Christus gelijk zijn (vers 48 en 49)!

Hebben we nu niet genoeg kostbare informatie ontvangen over onze toekomstige toestand? Hebben we niet alle reden om God nu al in onze lichamen te verheerlijken (hoofdstuk 6 vers 14 en 20)?

1 Corinthiërs 15:51-58; 1 Corinthiërs 16:1-9
51Ziet, ik zeg u een verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden;52In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin; want de bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.53Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.54En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning.55Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?56De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.57Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.58Zo dan, mijn geliefde broeders! Zijt standvastig, onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.
1Aangaande nu de verzameling, die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de Gemeenten in Galatie verordend heb, doet ook gij alzo.2Op elken eersten dag der week, legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende een schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn.3En wanneer ik daar zal gekomen zijn, zal ik hen, die gij zult bekwaam achten door brieven, zenden, om uw gave naar Jeruzalem over te dragen.4En indien het der moeite waardig mocht zijn, dat ik ook zelf reizen zou, zo zullen zij met mij reizen.5Doch ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonie zal doorgegaan zijn, (want ik zal door Macedonie gaan);6En ik zal mogelijk bij u blijven, of ook overwinteren, opdat gij mij moogt geleiden, waar ik zal henenreizen.7Want ik wil u nu niet zien in het voorbijgaan, maar ik hoop enigen tijd bij u te blijven, indien het de Heere zal toelaten.8Maar ik zal te Efeze blijven tot den pinkster dag.9Want mij is een grote en krachtige deur geopend, en er zijn vele tegenstanders.

Deze meesterlijke uitleg over de leer van de opstanding zou zonder verdere openbaring niet compleet zijn: niet alle gelovigen zullen ontslapen. De levenden zullen niet vergeten worden wanneer de Heere Jezus terugkomt. "In een punt des tijds", een oogwenk, een ondeelbaar moment (vers 52) zal de buitengewone verandering plaatsvinden, waardoor iedere gelovige passend gemaakt zal worden voor de tegenwoordigheid bij God. Net zoals de gasten in de gelijkenis in Mattheüs 22, die voor de koninklijke bruiloft uitgenodigd waren en hun oude kleren moesten inwisselen voor een prachtig bruiloftskleed, zo zullen ook de doden en de levenden dan een onverderfelijk en onsterfelijk lichaam 'aankrijgen'. Dan zal de overwinning van Christus over de dood, waarvan Hij door Zijn eigen opstanding al het bewijs gegeven heeft, in de Zijnen een geweldige vervulling vinden.

Evenals iedere waarheid moet ook deze "verborgenheid" praktische gevolgen hebben in het leven van elke verloste. Onze hoop is "vast" (Hebreeën 6 vers 19); laten we daarom ook "onbeweeglijk, altijd overvloedig zijn in het werk van de Heere" (vers 58; het antwoord op vers 32). Ook al is er hier op aarde misschien geen vrucht zichtbaar, toch zal dat eens in de opstanding te zien zijn.

Hoofdstuk 16 geeft ons een voorbeeld van een christelijke dienst: de collecte op de eerste dag van de week. Deze was van grote betekenis voor het hart van de apostel, maar is dat ook voor het hart van de Heere (zie ook Hebreeën 13 vers 16)!

1 Corinthiërs 16:10-24
10Zo nu Timotheus komt, ziet, dat hij buiten vreze bij u zij; want hij werkt het werk des Heeren, gelijk als ik.11Dat hem dan niemand verachte; maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen.12En wat aangaat Apollos, den broeder, ik heb hem zeer gebeden, dat hij met de broederen tot u komen zou; maar het was ganselijk zijn wil niet, dat hij nu zou komen; doch hij zal komen, wanneer het hem wel gelegen zal zijn.13Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk.14Dat al uw dingen in de liefde geschieden.15En ik bid u, broeders, gij kent het huis van Stefanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zichzelven den heiligen ten dienst hebben geschikt;16Dat gij ook u aan de zodanigen onderwerpt, en aan een iegelijk, die medewerkt en arbeidt.17En ik verblijde mij over de aankomst van Stefanas, en Fortunatus, en Achaikus, want dezen hebben vervuld hetgeen mij aan u ontbrak;18Want zij hebben mijn geest verkwikt, en ook den uwen. Erkent dan de zodanigen.19U groeten de Gemeenten van Azie. U groeten zeer in den Heere Aquila en Priscilla, met de Gemeente, die te hunnen huize is.20U groeten al de broeders. Groet elkander met een heiligen kus.21De groetenis met mijn hand van Paulus.22Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking; Maran-atha!23De genade van den Heere Jezus Christus zij met u.24Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen.

Deze verzen bevatten de laatste aanwijzingen van de apostel, nog enkele mededelingen en ten slotte de groeten aan zijn geliefde Korinthiërs. Hij noemt enkele personen bij name, van wie hij weet dat ze trouwe en achtenswaardige broeders zijn: Stefanas, Fortunátus en Acháïkus, en stelt hen tot een voorbeeld voor anderen (zie 1 Timotheüs 3 vers 13).

De gelovigen in Korinthe, die zich slechts met de uiterlijke en opvallende uitwerkingen van het christendom bezighielden, heeft Paulus achtereenvolgens de beweegredenen voor de aandacht gesteld die hen tot handelen zou moeten aanzetten:

"Doet het al ter ere van God" (hoofdstuk 10 vers 31).

- "Laat alle dingen geschieden tot stichting [= opbouw]" (hoofdstuk 14 vers 26).

"Laat alle dingen eerbaar en met orde geschieden" (hoofdstuk 14 vers 40).

- "Dat al uw dingen in de liefde geschieden" (hoofdstuk 16 vers 14).

Ondanks de strenge toon in deze Brief (vergelijk 2 Korinthe 7 vers 8) besluit Paulus toch met een woord van liefde. Afgezien van de scheuringen die in Korinthe aanwezig waren, zegt hij: "Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus!" (vers 24). Zouden zich onder hen echter personen bevinden die de Heere niet liefhadden, dan sloten die zichzelf uit van deze groet en dan zou de wederkomst van de Heere voor die personen een heel ernstig karakter hebben! "Maranatha!", de Heere komt! O, dat wij toch allemaal vol vreugde en met verlangen naar Hem uitzien!

2 Corinthiër 1:1-11
1Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, en Timotheus, de broeder, aan de Gemeente Gods, die te Korinthe is, met al de heiligen, die in geheel Achaje zijn:2Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.3Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden, en de God aller vertroosting;4Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen, die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting, met welke wij zelven van God vertroost worden.5Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig.6Doch hetzij dat wij verdrukt worden, het is tot uw vertroosting en zaligheid, die gewrocht wordt in de lijdzaamheid van hetzelfde lijden, hetwelk wij ook lijden; hetzij dat wij vertroost worden, het is tot uw vertroosting en zaligheid;7En onze hoop van u is vast, als die weten, dat, gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gij ook alzo gemeenschap hebt aan de vertroosting.8Want wij willen niet, broeders, dat gij onwetende zijt van onze verdrukking, die ons in Azie overkomen is, dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, alzo dat wij zeer in twijfel waren, ook van het leven.9Ja, wij hadden al zelven in onszelven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God, Die de doden verwekt;10Die ons uit zo groten dood verlost heeft, en nog verlost; op Welken wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal.11Alzo gijlieden ook medearbeidt voor ons door het gebed, opdat over de gave, door vele personen aan ons teweeggebracht ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde.

Paulus heeft zijn eerste Brief aan de Korinthiërs niet geschreven als iemand die veel kritiek heeft of een rechter wilde zijn. Hij was zelf verootmoedigd en ontzet over de berichten die hij over deze gemeente ontvangen had. En dat des te meer daar hij die berichten kreeg op het moment dat hij in de stad Efeze in Azië was, waar hij veel vijanden had en waar hij ernstig verdrukt werd (vers 8; 1 Korinthe 16 vers 9).

Maar zelfs een periode van zo'n overmatig lijden kan tot een oorzaak van dankbaarheid zijn, want de verdrukking heeft een tweevoudige uitwerking. Ten eerste kunnen zulke omstandigheden ertoe leiden dat de gelovige zijn zelfvertrouwen verliest (vers 9). Ten tweede drijven de moeilijkheden hem uit tot de Heere en zal hij het meeleven van de Heere kunnen ondervinden. Door zoveel lijden te ondervinden, heeft de apostel ook de overvloedige vertroosting mogen ervaren (vers 5).

Troost is altijd iets persoonlijks. Maar als iemand dat in zijn eigen leven heeft meegemaakt, is hij op zijn beurt ook beter in staat zich te verplaatsen in het leed van een ander en kan hij veel meer met die ander meeleven. Als een christen met hulp van de Heere de beproevingen heeft doorstaan, dan is hij in staat om anderen die bedroefd zijn, te troosten en hun blikken op "de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden, en de God van alle vertroosting" te richten (vers 3).

2 Corinthiër 1:12-24
12Want onze roem is deze, namelijk de getuigenis van ons geweten, dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleselijke wijsheid, maar in de genade Gods, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulieden.13Want wij schrijven u geen andere dingen, dan die gij kent, of ook erkent; en ik hoop, dat gij ze ook tot het einde toe erkennen zult;14Gelijkerwijs gij ook ten dele ons erkend hebt, dat wij uw roem zijn, gelijk gij ook de onze zijt, in den dag van den Heere Jezus.15En op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen, opdat gij een tweede genade zoudt hebben;16En door uw stad naar Macedonie gaan, en wederom van Macedonie tot u komen, en van ulieden naar Judea geleid worden.17Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik het naar het vlees voor, hetgeen ik voorneem, opdat bij mij zou wezen, ja, ja, en neen, neen?18Doch God is getrouw, dat ons woord, hetwelk tot u is geschied, niet is geweest ja en neen.19Want de Zoon van God, Jezus Christus, Die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij, en Silvanus, en Timotheus, was niet ja en neen, maar is geweest ja in Hem.20Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons.21Maar Die ons met u bevestigt in Christus, en Die ons gezalfd heeft, is God;22Die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.23Doch ik aanroepe God tot een Getuige over mijn ziel, dat ik, om u te sparen, nog te Korinthe niet ben gekomen.24Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer blijdschap; want gij staat door het geloof.

Het was niet de gewoonte van de apostel om 'ja' te zeggen wanneer hij 'nee' bedoelde (vers 17). De Korinthiërs konden hem vertrouwen, hij had geen bijgedachten en bewees in zijn handelen en het nemen van besluiten in het dagelijkse leven dezelfde oprechtheid als waarmee hij hun destijds ook het onvervalste evangelie verkondigd had (zie hoofdstuk 2 vers 17 en 4 vers 2). Wat is dat ontzettend belangrijk! Wanneer een kind van God zich niet aan de waarheid houdt, dan bestaat het gevaar dat zijn omgeving, die dit ontdekt, ook gaat twijfelen aan het Woord, waarvan zo iemand dan een onbetrouwbare getuige is geworden. Paulus zelf vertoonde een volmaakte oprechtheid, of het daarbij nu ging om de betrekkingen tot de wereld of om andere christenen (vers 12). Was hij immers geen boodschapper van "de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige", Die er borg voor stond dat alle beloften van God in vervulling zouden gaan (vers 20; Openbaring 3 vers 14)?

De verzen 21 en 22 herinneren ons aan drie gezichtspunten met betrekking tot de gave van de Heilige Geest.

God heeft ons door Hem gezalfd, dat wil zeggen: voor Zichzelf geheiligd en ons in staat gesteld om op Zijn gedachten in te gaan.

— God heeft ons met Hem verzegeld. Met andere woorden: een stempel op ons gedrukt, waaruit blijkt dat wij Hem toebehoren.

Ten slotte heeft Hij ons de Heilige Geest als Onderpand gegeven voor onze hemelse goederen en daarmee het eerste bewijs gegeven van hun daadwerkelijk bestaan. En Hij is tevens het Middel waardoor wij "in onze harten" nu al van deze dingen mogen genieten.

2 Corinthiër 2:1-17
1Maar ik heb dit bij mijzelven voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zou.2Want indien ik ulieden bedroef, wie is het toch, die mij zal vrolijk maken, dan degene, die van mij bedroefd is geworden?3En ditzelfde heb ik u geschreven, opdat ik, daar komende, niet zou droefheid hebben van degenen, van welke ik moest verblijd worden; vertrouwende van u allen, dat mijn blijdschap uw aller blijdschap is.4Want ik heb ulieden uit vele verdrukking en benauwdheid des harten, met vele tranen geschreven, niet opdat gij zoudt bedroefd worden, maar opdat gij de liefde zoudt verstaan, die ik overvloediglijk tot u heb.5Doch indien iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten dele (opdat ik hem niet bezware) ulieden allen.6Den zodanige is deze bestraffing genoeg, die van velen geschied is.7Alzo dat gij daarentegen hem liever moet vergeven en vertroosten, opdat de zodanige door al te overvloedige droefheid niet enigszins worde verslonden.8Daarom bid ik u, dat gij de liefde aan hem bevestigt.9Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik uw beproeving mocht verstaan, of gij in alles gehoorzaam zijt.10Dien gij nu iets vergeeft, dien vergeef ik ook; want zo ik ook iets vergeven heb, dien ik vergeven heb, heb ik het vergeven om uwentwil, voor het aangezicht van Christus, opdat de satan over ons geen voordeel krijge;11Want zijn gedachten zijn ons niet onbekend.12Voorts, als ik te Troas kwam, om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in den Heere, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond;13Maar, afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonie.14En Gode zij dank, Die ons allen tijd doet triomferen in Christus, en den reuk Zijner kennis door ons openbaar maakt in alle plaatsen.15Want wij zijn Gode een goede reuk van Christus, in degenen, die zalig worden, en in degenen, die verloren gaan;16Dezen wel een reuk des doods ten dode; maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?17Want wij dragen niet, gelijk velen, het Woord Gods te koop, maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus.

Paulus had zijn reis naar Korinthe uitgesteld, opdat er tijd zou zijn dat zijn eerste Brief een bepaalde uitwerking kon hebben. Dankzij de genade van God had die Brief ook de beoogde uitwerking gehad op het geweten van zowel de gemeente als geheel, als ook op degene die uitgesloten moest worden.

Nu stonden de Korinthiërs echter bloot aan een ander gevaar, namelijk dat zij zich tegenover de berouwvolle schuldige niet genadig zouden betonen. Van een te veroordelen nalatigheid waren ze overgegaan tot een gestrengheid zonder liefde. Satan houdt zich altijd met ons bezig, opdat wij van het ene uiterste in het andere vallen. Hij gebruikt verschillende middelen om zijn bedoelingen, die nooit veranderen, te bereiken: het getuigenis voor Christus te verstoren en de mensen onder zijn heerschappij te houden. En hij vindt het helemaal niet erg als er grapjes over hem gemaakt worden — zoals in de wereld gebruikelijk is —als zijn verschrikkelijke bedoelingen daardoor maar verdoezeld of vergeten worden. Laten we daarom oppassen voor elke vorm van lichtzinnigheid met betrekking tot de duivel en zijn macht!

In zijn ongerustheid over de Korinthiërs heeft de apostel een mooi arbeidsterrein verlaten, om Titus te kunnen ontmoeten, die hem iets over hen zou kunnen vertellen. Het is echter een troost voor Paulus te weten dat hij, overal waar hij naartoe gaat, "de goede reuk van Christus" verspreidt (vers 15).

Is deze reuk ook merkbaar voor allen die ons kennen, maar bovenal door God Zelf?

2 Corinthiër 3:1-18
1Beginnen wij onszelven wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?2Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle mensen;3Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door den Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten.4En zodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God.5Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken, als uit onszelven; maar onze bekwaamheid is uit God;6Die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars des Nieuwen Testaments, niet der letter, maar des Geestes; want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.7En indien de bediening des doods in letteren bestaande, en in stenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzo dat de kinderen Israels het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien, om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zou worden,8Hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn?9Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.10Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen dele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid.11Want indien hetgeen te niet gedaan wordt, in heerlijkheid was, veel meer is hetgeen blijft, in heerlijkheid.12Dewijl wij dan zodanige hoop hebben, zo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in het spreken;13En doen niet gelijkerwijs Mozes, die een deksel op zijn aangezicht legde, opdat de kinderen Israels niet zouden sterk zien op het einde van hetgeen te niet gedaan wordt.14Maar hun zinnen zijn verhard geworden; want tot op den dag van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des Ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt.15Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart.16Doch zo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zo wordt het deksel weggenomen.17De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.18En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.

De mensen beoordeelden de leer die Paulus predikte, naar de wandel van de Korinthiërs. Zij waren als een levende 'aanbevelingsbrief' voor hem, beter gezegd: "een brief van Christus", Wiens Naam in hun harten geschreven stond (vers 3). Alle christenen zijn brieven van Christus, die God naar mensen stuurt die de Bijbel niet lezen, opdat zij een 'levend evangelie' voor ogen zouden hebben. Helaas staan deze brieven vaak vol vlekken en zijn soms zelfs onleesbaar geworden, in plaats van dat zij bekend zijn en gelezen worden (vers 2). Laten we daarom waakzaam zijn, dat er op onze gezichten geen sluier voorkomt waardoor de christelijke uitstraling gehinderd wordt. Met deze sluier bedoelen we dan de zorgen, de zelfzucht, de wereldgelijkvormigheid, enzovoort. Maar bovenal moet voorkomen worden dat er "een bedekking" op onze eigen harten (vers 15; bijvoorbeeld een slecht geweten) aanwezig is, waardoor de stralen van Hem, Die licht en liefde is, er niet meer in zouden kunnen doordringen. Als je een plant verstopt onder een kist of een emmer, dan zal hij op den duur wegkwijnen. Als zo'n plant echter gewoon het nodige zonlicht, voeding en water krijgt, zal hij het hele jaar door goed groeien en zal hij te zijner tijd vrucht dragen. Zo gaat het ook met onze zielen. Wanneer wij ons in de tegenwoordigheid van Christus bevinden en ons met Hem bezighouden, dan zullen we stapje voor stapje veranderd worden en meer op Hem gaan lijken. Dat wil de Heere graag in ons bewerken door Zijn Geest (vers 18).

2 Corinthiër 4:1-15
1Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo vertragen wij niet;2Maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het Woord Gods vervalsende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende bij alle gewetens der mensen, in de tegenwoordigheid Gods.3Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zo is het bedekt in degenen, die verloren gaan;4In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.5Want wij prediken niet onszelven, maar Christus Jezus, den Heere; en onszelven, dat wij uw dienaars zijn om Jezus' wil.6Want God, Die gezegd heeft, dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is Degene, Die in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.7Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons;8Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig;9Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven;10Altijd de doding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden.11Want wij, die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.12Zo dan, de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden.13Dewijl wij nu denzelfden Geest des geloofs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook;14Wetende, dat Hij, Die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken, en met ulieden daar zal stellen.15Want al deze dingen zijn om uwentwil, opdat de vermenigvuldigde genade, door de dankzegging van velen, overvloedig worde ter heerlijkheid Gods.

Heeft ieder van ons, net als de apostel, "de bedekking der schande verworpen", dus de schandelijke dingen in eigen hart en leven weggedaan (vers 2)? Het hart van Paulus was als een glanzende spiegel. Zijn hart kaatste elke straal dat het opving, getrouw terug naar zijn omgeving. En wat was het onderwerp dat uitgestraald werd en voor de andere mensen zichtbaar werd? "De heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus" (vers 6).

Wat vormde deze kennis van Christus in de heerlijkheid een ontzettend grote schat voor Paulus! Hijzelf was slechts een vat, waarin die schat verborgen zat, een simpel, aarden vat, dat gemakkelijk kapot kon breken en in zichzelf niet veel waarde had. Zou het werktuig van God namelijk gekenmerkt worden door geweldige menselijke eigenschappen, dan zou de aandacht van anderen niet uitgaan naar de schat die zichtbaar moest worden, maar naar het vat zelf. Juweliers weten heel goed dat door de vele versieringen aan een ring in feite de aandacht afgetrokken kan worden van de edelsteen bovenop de ring. Hun mooiste sieraden stellen zij daarom ook juist tentoon op een neutrale, donkere lap zijde.

Zo werd ook Paulus, het vat, verdrukt, vervolgd, terneer geworpen en zag hij soms geen uitweg meer, opdat de schat — het leven van de Heere Jezus — volkomen in hem geopenbaard zou kunnen worden (vers 10).

De beproevingen van een gelovige dragen ertoe bij, dat elke glans van hemzelf weggenomen wordt, opdat Hij, Die Zelf het Licht is, des te meer door hem kan stralen!

2 Corinthiër 4:16-18; 2 Corinthiër 5:1-10
16Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.17Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbij gaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid;18Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.
1Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.2Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, overkleed te worden.3Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden.4Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.5Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft.6Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten, dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere;7(Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.)8Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen, en bij den Heere in te wonen.9Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehagelijk te zijn.10Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.

Wat besteden wij toch vaak veel zorg aan "onze uitwendige mens" (vers 16)! Ach, werd onze "inwendige" mens ook maar zo goed behandeld! Het hart van de apostel werd vernieuwd door dit "uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid" (vers 17), dat zo overvloedig aanwezig was dat al het lijden dat hij moest verdragen in die tijd, daarbij voor hem in het niet viel. Doordat hij "door geloof en niet door aanschouwen" wandelde (hoofdstuk 5 vers 7), hield hij zijn blikken voortdurend gericht op de dingen die men niet ziet, maar die eeuwig zijn (hoofdstuk 4 vers 18). En daarvan kon hij door het "onderpand van de Geest" genieten (hoofdstuk 5 vers 5). Daarom werd hij ook niet vertraagd (moedeloos; hoofdstuk 4 vers 1 en 16).

De gedachte aan de rechterstoel van Christus zou ons voortdurend moeten aanzetten tot ijver en vrees! We zijn zeker van onze behoudenis en zullen daar dan ook niet verschijnen om geoordeeld te worden. Maar daar zal ons leven als een film aan ons oog voorbijgaan, en alles wat wij gedaan hebben, zal dan openbaar worden, "hetzij goed, hetzij kwaad" en we zullen dienovereenkomstig winst of verlies hebben (vers 10). Tegelijkertijd zal de Heere daar echter ook laten zien hoe groot Zijn genade is geweest in ons leven vanwege de zonden, die we ook na onze bekering helaas nog zo vaak hebben gedaan. Een kunstenaar die een beschadigd portret gerepareerd heeft, zal, om te laten zien dat hij goed werk geleverd heeft, er een foto van het portret in oorspronkelijke staat naast hangen. Omdat wij vaak zo ongevoelig zijn ten opzichte van de zonde, weten wij ook de genade, waardoor wij vergeving ontvangen en wij gedragen worden, vaak niet op zijn waarde te schatten. Voor de rechterstoel van Christus zullen we uiteindelijk de oneindige grootte van Zijn genade leren zien en erkennen.

2 Corinthiër 5:11-21
11Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw gewetens geopenbaard te zijn.12Want wij prijzen onszelven u niet wederom aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij stof zoudt hebben tegen degenen, die in het aangezicht roemen en niet in het hart.13Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode; hetzij dat wij gematigd van zinnen zijn, wij zijn het ulieden.14Want de liefde van Christus dringt ons;15Als die dit oordelen, dat, indien Een voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En Hij is voor allen gestorven, opdat degenen, die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die voor hen gestorven en opgewekt is.16Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees; en indien wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, nochtans kennen wij Hem nu niet meer naar het vlees.17Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel; het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden.18En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft.19Want God was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.20Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen.21Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Paulus verlangde naar de hemelse heerlijkheid (vers 2), maar in de tijd dat hij daarop wachtte, beijverde hij zich om de Heere welgevallig te zijn (vers 9). Hij had niets te verbergen, noch voor God, noch voor mensen (vers 11). Hij leefde niet meer voor zichzelf. Met lichaam en ziel was hij een slaaf van de voor hem gestorven en opgestane Christus (vers 15). De Heere had hem — evenals elke verloste — tot een bepaald werk geroepen: tot een gezant van God, de Allerhoogste, om de wereld verzoening aan te bieden.

De apostel werd door twee belangrijke dingen gedrongen tot het uitvoeren van deze taak en de mensen te overtuigen, ten eerste vanwege de ernst van het oordeel (hij kende "de schrik des Heeren"; vers 11), en ten tweede vanwege de liefde van Christus tot de mensen. Ook al is iemand nog zo welbespraakt, zonder deze liefde zou hij slechts tot "een klinkend metaal" worden (vers 14; 1 Korinthe 13 vers 1).

En waaruit bestaat de boodschap van verzoening? Christus, de enige Mens zonder zonde, heeft Zich op het kruis tot zonde laten maken om daardoor de verzoening te bewerken. Op deze wijze heeft God in Zijn grote genade de zonde, waardoor wij van Hem gescheiden waren, weggedaan (vers 21). "Het oude is voorbijgegaan", dus dat is volkomen weg, want God lapt niets op! Hij wil juist alles nieuw maken en wil ook graag van jou "een nieuw schepsel" maken (vers 17). Daarvoor is het echter nodig dat je eerst met Hem verzoend wordt! Ben je dat?

2 Corinthiër 6:1-18; 2 Corinthiër 7:1
1En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben.2Want Hij zegt: In den aangenamen tijd heb Ik u verhoord, en in den dag der zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet, nu is het de dag der zaligheid!3Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde.4Maar wij, als dienaars van God, maken onszelven in alles aangenaam, in vele verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden,5In slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten,6In reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde,7In het woord der waarheid, in de kracht van God, door de wapenen der gerechtigheid aan de rechter en aan de linker zijde;8Door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders, en nochtans waarachtigen;9Als onbekenden, en nochtans bekend; als stervenden, en ziet, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood;10Als droevig zijnde, doch altijd blijde; als arm, doch velen rijk makende; als niets hebbende, en nochtans alles bezittende.11Onze mond is opengedaan tegen u, o Korinthiers, ons hart is uitgebreid.12Gij zijt niet nauw in ons, maar gij zijt nauw in uw ingewanden.13Nu, om dezelfde vergelding te doen,, ik spreek als tot mijn kinderen) zo wordt gij ook uitgebreid.14Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen; want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?15En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de gelovige met den ongelovige?16Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods; gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn.17Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen.18En Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.
1Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden, laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleses en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreze Gods.

"...in vele verdraagzaamheid", dus met volharding, dát moet het kenmerk zijn van een dienstknecht van God (en dus van elke gelovige; vers 4 en hoofdstuk 12 vers 12). Door de manier waarop Paulus de beproevingen verdroeg, kwam de grote waarde van het evangelie dat hij verkondigde, veel beter naar voren dan alleen door zijn woorden.

Een christen is een merkwaardig iemand! In zekere zin heeft hij twee gezichten. In de ogen van de wereld verschijnt hij in oneer, is hij een verleider, een onbekende, iemand die bedroefd en arm is, "als niets hebbende". En wat is hij daarentegen in de ogen van God? Waarachtig, bekend, levend, altijd blij, en ten slotte "alles bezittende" (vers 8 - 10). En dit is tevens zijn ware gezicht!

De vermaningen die daarna volgen, vinden we misschien enghartig en streng. Toch komen ze voort uit het wijd open hart van de apostel (vers 11). Het woord "afzondering' schrikt ons vaak af, en toch betekent heiligheid niets anders dan afzondering voor God (Leviticus 20 vers 26). Het ene voleindigen (hoofdstuk 7 vers 1) houdt noodzakelijkerwijs ook de verwerkelijking van het andere in. Afzondering van de wereld; de verzen 14 en 15 hebben niet alleen betrekking op een huwelijk met een ongelovige, maar op elke verbinding die met een ongelovige aangegaan kan worden. Afzondering van de godsdienstige wereld geeft ons een onvergelijkbare vervanging: de tegenwoordigheid van de Heere Jezus in het midden van de Zijnen, en het genot van de gezegende betrekkingen tot God, onze Vader. En in hoofdstuk 7 vers 1 vinden we ten slotte de afzondering van het kwaad, in welke vorm dan ook. Durven wij ons hart, dat de beloften van God bezit, nog te verontreinigen (1 Johannes 3 vers 3)?

2 Corinthiër 7:2-12
2Geeft ons plaats; wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht.3Ik zeg dit niet tot uw veroordeling; want ik heb te voren gezegd, dat gij in onze harten zijt, om samen te sterven en samen te leven.4Ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roems over u; ik ben vervuld met vertroosting; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking.5Want ook, als wij in Macedonie gekomen zijn, zo heeft ons vlees geen rust gehad; maar wij waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vrees.6Doch God, Die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus.7En niet alleen door zijn komst, maar ook door de vertroosting, met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uw ijver voor mij; alzo dat ik te meer verblijd ben geweest.8Want hoewel ik u in den zendbrief bedroefd heb, het berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd heeft; want ik zie, dat dezelve zendbrief, hoewel voor een kleinen tijd, u bedroefd heeft.9Nu verblijde ik mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar omdat gij bedroefd zijt geweest tot bekering; want gij zijt bedroefd geweest naar God, zodat gij in geen ding schade van ons geleden hebt.10Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid; maar de droefheid der wereld werkt den dood.11Want ziet, ditzelfde dat gij naar God zijt bedroefd geworden, hoe grote naarstigheid heeft het in u gewrocht? Ja, verantwoording, ja, onlust, ja, vrees, ja, verlangen, ja, ijver, ja, wraak; in alles hebt gij uzelven bewezen rein te zijn in deze zaak.12Hoewel ik dan aan u geschreven heb, dat is niet om diens wil, die onrecht gedaan had, noch om diens wil, die onrecht gedaan was; maar opdat onze vlijtigheid voor u bij u openbaar zou worden, in de tegenwoordigheid Gods.

Door de liefde van Christus is het hart van Paulus nauw verbonden met de Korinthiërs. En deze liefde was even waar en groot toen hij hen zijn eerste, strenge Brief moest schrijven. Maar nu staat zijn hart wijd open en kan hij zijn genegenheid als het ware de vrije loop laten.

Jongelui, vergeet nooit dat zij die jullie — voor zover dat nodig is — op strenge toon terechtwijzen en waarschuwen, gewoonlijk dezelfde zijn die jullie ook het meest liefhebben (Openbaring 3 vers 19). Dit is ware liefde (vergelijk Spreuken 27 vers 6).

De gemeente van Korinthe heeft het kwaad in haar midden geoordeeld; daardoor heeft zij haar reinheid en oprechtheid getoond (vers 11). Zou zij een vreselijke zonde in haar midden geduld hebben, dan gebeurde dat uit onwetendheid en nalatigheid. De Korinthiërs hebben zich zowel over hun toestand als over het kwaad dat in hun midden was voorgekomen, verootmoedigd. Nu waren zij daar bedroefd over, in overeenstemming met Gods gedachten.

Vers 10 laat ons zien dat een oppervlakkig spijt hebben, schaamte en een sprekend geweten, nog geen echt berouw en ommekeer tot God is. Echt berouw tonen, betekent dat je de zonden op dezelfde wijze beoordeelt als God, en dat je het kwaad dus onderkent en wegdoet. Dat geldt zowel voor onze daden van voor als die van na onze bekering (Spreuken 28 vers 13). Oprecht berouw met bekering is de eerste vrucht van het geloof. Droefheid, overeenkomstig Gods gedachten, is daarom iets waarover je je kunt verblijden (vers 9).

Heeft ieder die dit leest, ook werkelijk berouw gehad en zich daadwerkelijk bekeerd?

2 Corinthiër 7:13-16; 2 Corinthiër 8:1-8
13Daarom zijn wij vertroost geworden over uw vertroosting; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden.14Want indien ik iets bij hem over u geroemd heb, zo ben ik niet beschaamd geworden; maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, alzo is ook onze roem, dien ik bij Titus geroemd heb, waarheid geworden.15En zijn innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jegens u, als hij uw aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe gij hem met vreze en beven hebt ontvangen.16Ik verblijde mij dan, dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben.
1Voorts maken wij u bekend, broeders, de genade van God, die in de Gemeenten van Macedonie gegeven is.2Dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap, en hun zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid.3Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest;4Ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening, die voor de heiligen geschiedt.5En zij deden niet alleen, gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil van God.6Alzo dat wij Titus vermaanden, dat, gelijk hij te voren begonnen had, hij ook alzo nog deze gave bij u voleinden zou.7Zo dan, gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof, en in woord, en in kennis, en in alle naarstigheid, en in uw liefde tot ons, ziet, dat gij ook in deze gave overvloedig zijt.8Ik zeg dit niet als gebiedende, maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid uwer liefde beproevende.

De gehoorzaamheid van de Korinthiërs heeft bij Titus blijdschap en genegenheid voor hen opgewekt en daarover was Paulus dubbel verblijd en werd hij versterkt (hoofdstuk 7 vers 13 en 15). Toch was er bij hen nog niet zoveel ijver aanwezig als bij de heiligen van Macedonië (hoofdstuk 8). Die gelovigen hadden namelijk niet zomaar een deel van hun middelen en hun tijd gegeven. Ze hadden niet, zoals sommigen, gewacht tot het eind van hun leven, om God dan nog de jammerlijke resten van hun krachten aan te bieden. Nee! ze hadden eerst zichzelf gegeven. En dat begon niet met een bepaalde dienst aan de heiligen. Nee, ze hadden zichzelf eerst aan de Heere gegeven (vers 5). En uit deze eerste gave kwamen alle andere gaven voort, ook alles wat zij deden ten behoeve van de apostelen, de dienstknechten van de Heere. Was dat een ontzettend moeilijke opgave voor de Macedoniërs? Nee, integendeel! "De overvloed van hun blijdschap" kon zelfs de "vele beproeving van de verdrukking" verdragen. En hun "zeer diepe armoede" veranderde in "de rijkdom van hun milddadigheid" (vers 2). Wat wij misschien heel gemakkelijk een last zouden kunnen noemen, ervoeren zij als een bijzondere genade (vers 4).

Geve God ons ook zo'n gelukkige overgave aan de Heere! Ook voor ons is het een groot voorrecht door middel van het dienen van de Zijnen, Hemzelf te mogen dienen.

2 Corinthiër 8:9-24
9Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.10En ik zeg in dezen mijn mening; want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen, maar ook het willen van over een jaar te voren hebt begonnen.11Maar nu voleindigt ook het doen; opdat, gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzo zij het voleindigen uit hetgeen gij hebt.12Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft.13Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking;14Maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen; opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen, opdat er gelijkheid worde.15Gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over; en die weinig verzameld had, had niet te weinig.16Doch Gode zij dank, Die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft;17Dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde, gewillig tot u gereisd is.18En wij hebben ook met hem gezonden den broeder, die lof heeft in het Evangelie door al de Gemeenten;19En dat niet alleen, maar hij is ook van de Gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren Zelven, en de volvaardigheid uws gemoeds;20Dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed, die van ons wordt bediend;21Als die bezorgen, hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere, maar ook voor de mensen.22Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikmaals beproefd hebben, dat hij naarstig is; en nu veel naarstiger, door het groot vertrouwen, dat hij heeft tot ulieden.23Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der Gemeenten, en een eer van Christus.24Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde, en van onzen roem van u, ook voor het aangezicht der Gemeenten.

Wat betekende de liefde van de Macedoniërs in vergelijking met het allergrootste voorbeeld van "onze Heere Jezus Christus"? Zij hadden hun diepe armoede niet zelf uitgekozen (vers 2). Maar Hij, de "Erfgenaam van alles" (Hebreeën 1 vers 2), heeft Zijn hemelse heerlijkheden verlaten en is vrijwillig arm geworden. Toen Hij geboren werd, was er hier beneden geen plaats voor Hem en lag Hij in een kribbe. Hij was zo arm, dat Hij hier op aarde zelfs niets had waarop Hij Zijn hoofd kon neerleggen (vers 9; Psalm 40 vers 18; Psalm 41 vers 2; Lukas 9 vers 58). Waarom? Om ons diezelfde heerlijkheden te kunnen geven en ons tot mede-erfgenamen van Hem te kunnen maken. Dat is het geheim van Zijn oneindige genade en daarom is Hij onze aanbidding zo waard!

De Korinthiërs hadden het mooie verlangen andere gemeenten te helpen, niet echt tot uitvoer gebracht. De apostel schrijft hun dat het goed is iets te willen, maar dat het beter is, het ook te doen. Hoe staat het met onze goede voornemens? Blijft het niet vaak bij een voornemen? Eigenlijk had ik die en die een Bijbel of een kalender willen geven... Eigenlijk had ik hem willen bezoeken, omdat hij al zo lang ziek is... Er zijn zoveel kleine dingen waartoe God de gelegenheid geeft om te doen, maar... O, dat Hij ons de bereidwilligheid voor het willen en het doen mag geven (vers 11 en 12). Hij is het namelijk Die zowel het één als het ander in ons werkt, naar Zijn welgevallen (Filippi 2 vers 13). De vertraging tussen de werking in ons hart en de uitvoering met onze handen ligt aan onze nalatigheid.

Het was een zorg voor Paulus om niet alleen voor elk bedrog bewaard te blijven, maar zelfs ook voor elke schijn van kwaad voor de mensen.

2 Corinthiër 9:1-15
1Want van de bediening, die voor de heiligen geschiedt, is mij onnodig aan u te schrijven.2Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedoniers, dat Achaje van over een jaar bereid is geweest; en de ijver, van u begonnen, heeft er velen verwekt.3Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem, dien wij over u hebben, niet zou ijdel gemaakt worden in dezen dele; opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn;4En dat niet mogelijk, zo de Macedoniers met mij kwamen, en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen: gij) beschaamd worden in deze vasten grond der roeming.5Ik heb dan nodig geacht deze broeders te vermanen, dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uw te voren aangedienden zegen; opdat die gereed zij, alzo als een zegen, en niet als een vrekheid.6En dit zeg ik: Die spaarzamelijk zaait, zal ook spaarzamelijk maaien; en die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien.7Een iegelijk doe, gelijk hij in zijn hart voorneemt; niet uit droefheid, of uit nooddwang; want God heeft een blijmoedigen gever lief.8En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u; opdat gij in alles te allen tijd, alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn.9Gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven; Zijn gerechtigheid blijft in der eeuwigheid.10Doch Die het zaad den zaaier verleent, Die verlene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid;11Dat gij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, welke door ons werkt dankzegging tot God.12Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God;13Dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer belijdenis onder het Evangelie van Christus, en over de goeddadigheid der mededeling aan hen en aan allen;14En door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u.15Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave.

Laten we in de tegenwoordige tijd toch met gulle hand zaaien (dat wil zeggen: geven), opdat we op de dag van de oogst geen spijt zullen krijgen van onze terughoudendheid, want dan kan er niets meer aan veranderd worden (vergelijk vers 6 en Lukas 6 vers 38). Laten we dat wat God ons op het hart legt, ook doen — en dat met een blij hart! Hetgeen wij voor onszelf achterhouden, zal ons absoluut niet rijker maken en... wat wij geven, zal ons zeker niet armer maken (Spreuken 28 vers 27). De genade van God zal ons altijd alles geven — niet alles wat wij graag willen — maar alles wat Hij nodig acht en wat voldoende is (vers 8).

De verzen 11 en 14 herinneren ons eraan dat onbaatzuchtige vrijgevigheid bij hen die ondersteund worden, dankzegging voor God teweegbrengt, maar ook dat er gebeden opgezonden worden voor hen die gegeven hebben.

Uitgaande van de vraag met betrekking tot weldadigheid (wat wij misschien als een bijzaak zouden kunnen zien), weet de apostel onze gedachten te richten op de heerlijkste dingen: de vernedering van de Heere (hoofdstuk 8 vers 9) en de "onuitsprekelijke gave" van God (vers 15). Laten wij ons ook meer beijveren om van de kleine dingen waardoor ons dagelijks leven zo vaak bepaald wordt, over te gaan tot de gelukzalige waarheden van ons geloof. Een eenvoudige maaltijd, een familiebijeenkomst, een cadeau dat met liefde klaargemaakt of ontvangen wordt, zijn allemaal gelegenheden om God te danken. En dan mogen we ook denken aan en danken voor de hoogste Gave, Die de God van liefde aan deze wereld heeft gegeven: het zenden van Zijn Zoon (vers 15; Johannes 3 vers 16).

2 Corinthiër 10:1-18
1Voorts ik Paulus zelf bid u, door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, die, tegenwoordig zijnde, wel gering ben onder u, maar afwezend stout ben tegen u;2Ik bid dan, dat ik, tegenwoordig zijnde, niet stout moge zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stoutelijk gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons achten, alsof wij naar het vlees wandelden.3Want wandelende in het vlees, voeren wij den krijg niet naar het vlees;4Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleselijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten;5Dewijl wij de overleggingen ter nederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus;6En gereed hebben, hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid, wanneer uw gehoorzaamheid zal vervuld zijn.7Ziet gij aan wat voor ogen is? Indien iemand bij zichzelven betrouwt, dat hij van Christus is, die denke dit wederom uit zichzelven, dat gelijkerwijs hij van Christus is, alzo ook wij van Christus zijn.8Want indien ik ook iets overvloediger zou roemen van onze macht, welke de Heere ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uw nederwerping, zo zal ik niet beschaamd worden;9Opdat ik niet zou schijnen, alsof ik u door de brieven wilde verschrikken.10Want de brieven (zeggen zij) zijn wel gewichtig en krachtig; maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak, en de rede is verachtelijk.11Dezulke bedenke dit, dat hoedanigen wij zijn in het woord door brieven, als wij afwezig zijn, wij ook zodanigen zijn inderdaad, als wij tegenwoordig zijn.12Want wij durven onszelven niet rekenen of vergelijken met sommigen, die zichzelven prijzen; maar deze verstaan niet, dat zij zichzelven met zichzelven meten, en zichzelven met zichzelven vergelijken.13Doch wij zullen niet roemen buiten de maat; maar dat wij, naar de maat des regels, welke maat ons God toegedeeld heeft, ook tot u toe zijn gekomen.14Want wij strekken onszelven niet te wijd uit, als die tot u niet zouden komen; want wij zijn ook gekomen tot u toe, in het Evangelie van Christus;15Niet roemende buiten de maat in anderer lieden arbeid, maar hebbende hoop, als uw geloof zal gewassen zijn, dat wij onder ulieden overvloediglijk zullen vergroot worden naar onzen regel;16Om het Evangelie te verkondigen in de plaatsen, die op gene zijde van u gelegen zijn; niet om te roemen in eens anders regel over hetgeen alrede bereid is.17Doch wie roemt, die roeme in den Heere.18Want niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd.

Paulus had er niet toe kunnen besluiten "met de roede" bij de Korinthiërs te komen, om hen vanwege het kwaad terecht te wijzen (vers 2; 1 Korinthe 4 vers 21). Hij wilde hun veel liever schrijven en daarna de uitwerking van zijn Brief afwachten. Enkelen hadden echter dit geduld en de afwezigheid van de apostel aangegrepen om zijn dienst te minachten. Zij gebruikten de ootmoed, de zachtmoedigheid en mildheid van de apostel als voorwendsel om hem te verachten (vers 1). De natuurlijke mens heeft slechts bewondering voor hetgeen mooi lijkt; hij beoordeelt naar "wat voor ogen is" (vers 7). De wapens van een soldaat van Jezus Christus zijn echter niet vleselijk (vers 4). In Efeze 6 vers 10 en verder worden die wapens opgenoemd. Laten we eraan denken op welke wijze Gideon, Simson, Jonathan, David, Hizkia — om maar enkelen te noemen — hun grootste overwinningen behaald hebben. En laten we ons niet door menselijke eigenschappen zoals welbespraaktheid of een liefelijke houding, laten misleiden. Laten we altijd het Woord van God navolgen, en nooit degene die het Woord brengt, hoe begaafd hij ook mag zijn en ook al hebben wij via hem allerlei goede dingen ontvangen.

De mensen zijn vaak zo onverstandig, dat zij zich met anderen gaan vergelijken en zich dan iets gaan inbeelden (vers 12). Wij als gelovigen hebben slechts één Voorbeeld voor onze wandel en onze dienst, een Voorbeeld waardoor wijzelf ootmoedig worden, wanneer wij ons met Hem vergelijken. Dat ene grote Voorbeeld is de Heere Jezus!

2 Corinthiër 11:1-15
1Och, of gij mij een weinig verdroegt in de onwijsheid; ja ook, verdraagt mij!2Want ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen, namelijk aan Christus.3Doch ik vrees, dat niet enigszins, gelijk de slang Eva door haar arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van de eenvoudigheid, die in Christus is.4Want indien degene, die komt, een anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij een anderen geest ontvingt, dien gij niet hebt ontvangen, of een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zo verdroegt gij hem met recht.5Want ik acht, dat ik nergens minder in ben geweest dan de uitnemendste apostelen.6En indien ik ook slecht ben in woorden, nochtans ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden.7Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb, opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb?8Ik heb andere Gemeenten beroofd, bezoldiging van haar nemende, om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen.9Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van Macedonie kwamen; en ik heb mijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog alzo houden.10De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden.11Waarom? Is het, omdat ik u niet liefheb? God weet het!12Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen, die oorzaak hebben willen, opdat zij in hetgeen zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij.13Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus.14En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts.15Zo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaars zich veranderen, als waren zij dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken.

Er waren valse apostelen die graag een plekje voor zichzelf, in de plaats van Paulus, in het hart van de Korinthiërs wilden veroveren. Vandaar dat Paulus zich genoodzaakt ziet om over zichzelf te spreken en noemt dat een "onwijsheid" (vers 1). Hij doet dit echter niet om daarmee in een goed blaadje te komen bij de gelovigen, opdat zij hem goedgezind zouden zijn (zie hoofdstuk 12 vers 15). Het gaat hem slechts om één ding: de eer van Christus. Daarom roept hij, haast hartstochtelijk, de liefde van de Korinthiërs op voor de ene ware Bruidegom van de Bruid (de Gemeente).

De Korinthiërs liepen het gevaar hun oor te lenen aan "een ander Evangelie" (vers 4). Zij waren minder geestelijk dan de Efeziërs, die hen beproefd hadden, die voorgaven apostelen te zijn, maar het niet waren en die zij daarom als "leugenaars bevonden" hebben (Openbaring 2 vers 2).

Veel christenen lopen hetzelfde gevaar als de Korinthiërs, en wel vanwege het feit dat zij het ware christendom eigenlijk te veeleisend vinden. Een evangelie dat de mens grootmaakt en dat ruimte laat voor het vlees, verdragen ze daarentegen veel beter.

Achter deze valse arbeiders ontmaskert de apostel hun meester: de satan. Omdat deze vroeger zelf een stralende cherub is geweest (Ezechiël 28 vers 12 en verder), weet hij heel goed hoe hij zich nu nog als zodanig moet voordoen, om de mensen met zijn listen te verleiden, zoals hij destijds Eva verleid heeft (vers 3 en 14). En hij is veel gevaarlijker wanneer hij zich voordoet als een slang of een engel des lichts (vers 14) dan wanneer hij ons frontaal aanvalt als een brullende leeuw (1 Petrus 5 vers 8). We zullen zijn listige plannen alleen kunnen verijdelen door ons vast te klampen aan het Woord van de Heere.

2 Corinthiër 11:16-33
16Ik zeg wederom, dat niemand mene, dat ik onwijs ben; doch zo niet, neemt mij dan aan als een onwijze, opdat ik ook een weinig moge roemen.17Dat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in deze vasten grond der roeming.18Dewijl velen roemen naar het vlees, zo zal ik ook roemen.19Want gij verdraagt gaarne de onwijzen, dewijl gij wijs zijt.20Want gij verdraagt het, zo u iemand dienstbaar maakt, zo u iemand opeet, zo iemand van u neemt, zo zich iemand verheft, zo u iemand in het aangezicht slaat.21Ik zeg dit naar oneer, gelijk of wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik ook stout.22Zijn zij Hebreen? Ik ook. Zijn zij Israelieten? Ik ook. Zijn zij het zaad van Abraham? Ik ook.23Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde) ik ben boven hen; in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in doods gevaar menigmaal.24Van de Joden heb ik veertig slagen min een, vijfmaal ontvangen.25Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht.26In het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders;27In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.28Zonder de dingen, die van buiten zijn, overvalt mij dagelijks de zorg van al de Gemeenten.29Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geergerd, dat ik niet brande?30Indien men moet roemen, zo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid.31De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die geprezen is in der eeuwigheid, weet, dat ik niet lieg.32De stadhouder van den koning Aretas in Damaskus, bezette de stad der Damaskenen, willende mij vangen;33En ik werd door een venster in een mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijn handen.

De aanvallen op de dienst van Paulus vormen voor de Heilige Geest een gelegenheid om ons een duidelijk beeld te geven van de moeiten en het lijden van deze dienstknecht. Ja, hij was een dienstknecht van Christus. Het bewijs daarvoor wordt gegeven in de vorm van een lange lijst van verschillende soorten van lijden, dat Paulus ter wille van het evangelie heeft verdragen. De verzen 23 - 28 en 31 en 32 laten ons zien waaruit datgene wat de apostel in hoofdstuk 4 vers 17 als "onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat" noemde, in feite bestond. En wat was de Goddelijke hulpbron, waardoor hij in staat was deze buitengewone dingen te verdragen? Zijn gedachten waren voortdurend vervuld met "een zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid", namelijk de verheerlijkte Christus, Die zijn eeuwige Loon was.

Beste vrienden, hier ligt ook het geheim van onze kracht. Laten wij altijd voor ogen houden dat hoe meer wij ons met de Heere Jezus bezighouden, hoe minder tijd we zullen hebben om aan allerlei kleine moeilijkheden te denken. En wat is alles wat wij te verduren hebben, vergeleken bij de verdrukkingen die de grote apostel heeft moeten doormaken? Hoe meer gewicht de liefde van Christus op de weegschaal van ons hart legt, hoe minder zwaarwegend de tegenwoordige omstandigheden en zorgen ons zullen lijken en dan zullen we ons minder door deze dingen terneer laten drukken.

Eén zorg is er echter die ons nooit zwaar genoeg op het hart kan liggen: "de zorg van al de gemeenten" (vers 28). Dat openbaart zich in eerste instantie bij ons door voorbede. Geve de Heere ons een grote genegenheid in het hart voor Zijn geliefde Gemeente en elke gelovige afzonderlijk.

2 Corinthiër 12:1-10
1Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren.2Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel;3En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam geschied zij, weet ik niet, God weet het),4Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is te spreken.5Van den zodanige zal ik roemen, doch van mijzelven zal ik niet roemen, dan in mijn zwakheden.6Want zo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn, want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houde daarvan af, opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet, dat ik ben, of dat hij uit mij hoort.7En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.8Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken.9En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.10Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

Een "mens in Christus" is iemand voor wie het vlees al zijn rechten verloren heeft (Romeinen 8 vers 1 en 2). Zo iemand is "een nieuw schepsel" (hoofdstuk 5 vers 17). Zijn positie voor God is dezelfde als die van Christus, en hij neemt die nu al in geloof in, in de hemel. Paulus werd echter in werkelijkheid voor een bepaalde tijd in die heerlijke omgeving verplaatst. We kunnen ons indenken dat dat voor hem een onvergetelijke gebeurtenis was. En Wie heeft hij daar in het paradijs mogen en kunnen zien? De opgestane en verheerlijkte Christus! En wat heeft hij daar mogen en kunnen horen? De taal van de hemel, die niet tot uitdrukking gebracht mag en kan worden in de taal van mensen (vers 4). Wat een uitzonderlijke gunst voor hem!

Maar deze eenmalige ervaring kon nadien ook een zeker gevaar voor de apostel betekenen. En om hem voor hoogmoed te bewaren, werd hem daarom "een scherpe doorn in het vlees" gegeven (vers 7). Misschien was dit één of andere handicap, waardoor hij in zijn prediking geminacht werd (hoofdstuk 10 vers 1 en 10; Galaten 4 vers 14). En de apostel smeekte de Heere of hij ervan bevrijd mocht worden, omdat zijn dienst eronder leed. Als antwoord zegt de Heere: "Mijn genade is u genoeg" (vers 9). Ook al leek het tegendeel waar te zijn, toch was de genade juist door deze doorn in het vlees werkzaam. Die doorn diende er immers toe, dat elke werking van het vlees, die lastige begeleider in zijn werk, bij de apostel in de kiem gesmoord werd.

Ja, voor de christen zijn gebreken en beproevingen juist kostbaar. Zij dragen ertoe bij dat de mens zijn eigen zwakheid voelt en kent, opdat de kracht van God juist dan tot ontplooiing kan komen (vers 9 en 10; hoofdstuk 4 vers 7 en verder).

2 Corinthiër 12:12-21
12De merktekenen van een apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met tekenen, en wonderen, en krachten.13Want wat is er, waarin gij minder geweest zijt dan de andere Gemeenten, anders, dan dat ikzelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk.14Ziet, ik ben ten derden male gereed, om tot u te komen, en zal u niet lastig zijn; want ik zoek niet het uwe, maar u; want de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen.15En ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uw zielen ten koste gegeven worden; hoewel ik, u overvloediger beminnende, weiniger bemind worde.16Doch het zij zo, ik heb u niet bezwaard; maar alzo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen.17Heb ik door iemand dergenen, die ik tot u gezonden heb, van u mijn voordeel gezocht?18Ik heb Titus gebeden, en den broeder medegezonden; heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in denzelfden geest gewandeld? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen?19Meent gij wederom, dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de tegenwoordigheid van God in Christus; en dit alles, geliefden, tot uw stichting.20Want ik vrees, dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet enigszins zal vinden zodanigen als ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zodanig als gij niet wilt; dat er niet enigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap, oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten;21Opdat wederom, als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen, die te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onreinigheid, en hoererij, en ontuchtigheid, die zij gedaan hebben.

Het was een grote smart voor de apostel te moeten ondervinden dat hij verdacht gemaakt werd en beschuldigd werd van zelfzuchtige drijfveren (vers 14 en 16; hoofdstuk 7 vers 2 en 3; vergelijk Handelingen 20 vers 33). Terwijl hij daarentegen juist onafgebroken, samen met zijn medewerkers, een onberispelijke wandel vertoond had in het navolgen van "dezelfde voetstappen" als die van Christus (vers 18). En als hij dan al uitvoerig op deze lastering ingaat, dan is dat niet om zichzelf te rechtvaardigen, maar omdat hij daarmee de opbouw van zijn geliefde Korinthiërs op het oog heeft (vers 19; 1 Korinthe 14 vers 26). Zou men de dienst van de apostel niet erkennen, dan stond dat gelijk aan de verwerping van het gezag van het Goddelijke Woord dat hij verkondigde.

Ook vandaag bestaan er veel christenen die bepaalde gedeelten van het geïnspireerde Woord van God afwijzen. Dat betreft dan vooral de Brieven van Paulus. Vers 21 laat zien tot welke zonden zo'n verwaarlozing en verachting kan leiden.

In dit hoofdstuk komen we dus zowel de toestand van de hoogste heerlijkheid tegen waarin de christen verheven kan worden, alsook de ellendigste toestand waarin hij kan vervallen. Wat een contrast bestaat er tussen het opgetrokken zijn tot in de derde hemel en het vleselijke verval onder de christenen. Denk erom, ook wij zijn tot beide dingen in staat! Wat een belangrijke les en waarschuwing voor elke heilige!

2 Corinthiër 13:1-14
1Dit is de derde maal, dat ik tot u kom; in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.2Ik heb het te voren gezegd, en zeg het te voren als tegenwoordig zijnde de tweede maal, en ik schrijf het nu afwezende aan degenen, die te voren gezondigd hebben, en aan al de anderen, dat, zo ik wederom kom, ik hen niet zal sparen;3Dewijl gij zoekt een proeve van Christus, Die in mij spreekt, Welke in u niet zwak is, maar krachtig is onder u.4Want hoewel Hij gekruist is door zwakheid, zo leeft Hij nochtans door de kracht Gods. Want ook wij zijn zwak in Hem, maar zullen met Hem leven door de kracht Gods in u.5Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.6Doch ik hoop, dat gij zult verstaan, dat wij niet verwerpelijk zijn.7En ik wens van God, dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat gij het goede zoudt doen, en wij als verwerpelijk zouden zijn.8Want wij vermogen niets tegen de waarheid, maar voor de waarheid.9Want wij verblijden ons, wanneer wij zwak zijn, en gij sterk zijt. En wij wensen ook dit, namelijk uw volmaking.10Daarom schrijf ik, afwezende, deze dingen, opdat ik niet, tegenwoordig zijnde, strengheid zou gebruiken, naar de macht, die mij de Heere gegeven heeft tot opbouwing, en niet tot nederwerping.11Voorts, broeders, zijt blijde, wordt volmaakt, zijt getroost, zijt eensgezind, leeft in vrede; en de God der liefde en des vredes zal met u zijn.12Groet elkander met een heiligen kus. U groeten al de heiligen.13De genade van den Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap des Heiligen Geestes, zij met u allen. Amen.14

De eerste Brief aan de Korinthiërs heeft de Gemeente tot onderwerp. In de tweede Brief gaat het om het christelijke dienen. We komen daarin de gevoelens, het smeken, de moeiten, het lichamelijk lijden en het lijden van de ziel van de dienstknecht van de Heere tegen. Paulus was slechts een zwak werktuig, maar hij verlangde hier op aarde ook geen beter deel dan dat wat zijn Meester was toegevallen. Christus was hier op aarde in nederigheid en zwakheid gekruisigd, maar nu leeft Hij door de kracht van God, Die Hem heeft opgewekt (vers 4).

Tot besluit van deze Brief bidt de apostel Paulus nog één keer tot God voor zijn geliefde Korinthiërs. Dit gebed kan in één woord weergegeven worden, het ging om hun "volmaking" (vers 9). Tegelijkertijd vermaant hij henzelf echter ook: "wordt volmaakt" (vers 11). Door de hulp van de Heere in te roepen word je namelijk niet van je verantwoording ontheven om jezelf ook met ijver in te zetten voor je vooruitgang in de christelijke wandel en dienst.

Daarna zegt Paulus nog tegen de Korinthiërs: "weest blijde..., weest getroost, weest eensgezind, leeft in vrede" (vers 11).

Laat ieder die dit leest, deze vermaningen ook op zichzelf toepassen, opdat je zult kunnen genieten van de zegeningen die daarmee verbonden zijn. Ja, "de genade van de Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen!" (vers 13).


This document may be found online at the following URL: http://www.stempublishing.com/authors/koechlin/dbd/nl/localStorageYear4.html.

You are welcome to freely access and use this material for personal study or sending to other Bible students, compiling extracts for notes etc, but please do not republish without permission.

With the prayerful desire that the Lord Jesus Christ will use this God-given ministry in this form for His glory and the blessing of many in these last days before His coming. © Les Hodgett contact at stempublishing dot com.