Deze Psalm sluit aan bij de voorgaande, doordat de verzen 6 en 12 van Psalm 42 in vers 5 herhaald worden. Het is vaak nodig dat mijn ziel op deze manier wordt vermaand om niet terneergeslagen te zijn, op God te vertrouwen en Hem altijd maar weer te prijzen. Hij is niet alleen "de menigvuldige Verlossing", maar ook "mijn God", van Wie ik constant afhankelijk ben, de Bron van "mijn sterkte" (vers 2).
Zijn licht en Zijn waarheid zullen mij leiden, wanneer ik Hem daarom vraag, zoals de Psalmist dat doet in vers 3 en 4, opdat ik meer mag begrijpen van aanbidding en tot aanbidding zal komen.
Gisteren hebben we de uitdrukking gelezen: "de God mijns levens". In de Psalm voor vandaag vinden we in vers 4 een opmerkelijke aanvulling hierop: "de God der blijdschap van mijn verheuging".
Beste gelovige vrienden, hebben wij - met eerbied gesproken - genoeg aan God om gelukkig te zijn? Is Hij alleen het Onderwerp van onze vreugde, zoals Hij het voor de Heere Jezus was? (Lukas 10 vers 21).
Als onze ziel zo'n God kent, kan ze dan nog terneergeslagen en onrustig zijn? "Uw hart worde niet ontroerd", zei de Heere Jezus tegen Zijn discipelen, "gij gelooft in God, gelooft ook in Mij" (Johannes 14 vers 1). En op een andere plaats: "Hebt geloof op God" (Markus 11 vers 22). Het geloof is het enige redmiddel dat echt werkzaam is tegen alles wat deze wereld ons aan verdriet of onrust kan bezorgen.
Terwijl de Psalmen in het eerste Boek bijna allemaal door David geschreven zijn, zijn de Psalmen 42 tot en met 49, waar we ons nu mee bezig houden, geschreven door de zonen van Korach.
Zij waren de onderwerpen van genade, die gespaard bleven voor het oordeel dat hun vader trof (zie Numeri 26 vers 11). Het is daarom heel opmerkelijk hoe deze mannen herinneren aan "een werk" door God gewerkt "in de dagen van ouds" (vers 2). Zij zijn beter in staat dan wie ook om de Goddelijke barmhartigheid te waarderen en te roemen. Nee, het zwaard kon de zonen van Israël niet redden en hen het land in hun bezit geven (men hoeft slechts te denken aan de doortocht door de Rode Zee bij de inneming van Jericho). En de herinnering aan de grote bevrijdingen in het verleden is dan ook een leerzame les voor deze getrouwen. Zij kunnen evenmin als hun vaders op eigen wapens vertrouwen, om de overwinning te behalen (vers 7). "Door U" en "in Uw Naam" (vers 6; Hoséa 1 vers 7), dát zijn de enige hulpbronnen van een gelovige!
Een ander verschil met het eerste Boek is de Naam Die voor God gebruikt wordt: El of Elohim (hetgeen God betekent), terwijl tot en met Psalm 41 sprake was van Jehova (de eeuwig Zijnde, de Onveranderlijke). Dat is het verdrietige bewijs daarvoor dat de gelovigen hier geen enkele verbinding met de Godsdienst meer hebben waarvan zij afgevallen zijn. Het verbond dat door de Naam Jehova bezegeld was, is verbroken (Exodus 6 vers 3 en 6 tot en met 8); de gelovige roept echter toch nog de allerhoogste God aan.
Vanaf vers 10 verandert de toon in deze Psalm. In plaats van steeds op God te zien, op het licht van Zijn aangezicht en op de macht van Zijn Naam (vers 4 en 6), zien de gelovigen nu op de beproevingen die ze doormaken. We weten allemaal uit eigen ervaring dat de ziel van een verloste zich niet altijd op dezelfde hoogte bevindt.
Toch is het geloof van deze rechtvaardigen niet aan het wankelen gebracht. Ze schrijven alles wat hen overkomen is toe aan God en nemen de slagen aan als komende uit Zijn hand (Job 1 vers 21). Ze hebben een goed geweten. Hun voetstappen zijn niet van de weg van gehoorzaamheid afgeweken en evenmin is hun hart "achterwaarts gekeerd" (vers 19). En God, Die de geheimen van het hart kent, is Getuige van dit alles.
Laten we vers 22 nooit vergeten!
Waar heeft de bijzondere uitdrukking "de ganse dag gedood" (vers 23) eigenlijk betrekking op? In Romeinen 8 vers 36 wordt deze tekst geciteerd en dat kan ons verder helpen deze tekst te begrijpen. Het betekent dat we door de beproevingen aan onze eigen nietigheid en ons totale onvermogen herinnerd worden. Maar hetzelfde gedeelte in Romeinen roept ons ook op om de overwinning die hier tegenover staat, in de praktijk te verwerkelijken: "Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad" (Romeinen 8 vers 37).
Onder de leiding van de Heilige Geest, "een vaardig Schrijver", roept deze Psalm ons op om Christus, de Veelgeliefde, te loven, Hem Die in schoonheid en liefelijkheid ver boven alle mensenkinderen verheven is. Voordat er echter ook maar één woord van lof over de lippen komt, is die lof toebereid in het hart. In het hart is over Hem nagedacht en het hart is steeds voller van Hem geworden, ja, stroomt over! (vergelijk Mattheüs 12 vers 34). En daarna roemen de lippen Zijn Persoon, Zijn Woord en Zijn werken.
Je zou kunnen zeggen dat de eredienst op zondag het ene loflied is dat alle coupletten in zich verenigt, de verschillende coupletten die de Geest in de loop van de week aan de verlosten leert, over die onuitputtelijke onderwerpen van de heerlijkheid en schoonheid van de Heere Jezus. Hij is "de Koning", maar de verzen 7 en 8 (die in Hebreeën 1 vers 8 en 9 aangehaald worden) noemen Hem "God". Wanneer Hij in al Zijn majesteit en pracht verschijnt, dan is Hij het Onderwerp van alle bewondering. Zijn macht komt naar voren in het vreselijke oordeel dat Hij uitoefent (vers 4 tot en met 6).
Zijn kleding is doordrongen van een welriekende reuk: Mirre herinnert aan Zijn lijden, aloë aan Zijn dood (Johannes 19 vers 39) en kassie aan Zijn verhoging.
Maar wat voor Christus nog meer waarde zal hebben dan al deze heerlijkheden, is de schoonheid van de bruid die tot Hem gebracht zal worden (hier Jeruzalem), en de liefde die zij Hem zal betonen.
Beste gelovige vriend(in), het is een groot voorrecht om Hem nu al deze dankbare liefde te mogen brengen. "Omdat Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neer!" (vers 12).
Veel gelovigen hebben in tijden van verdrukking zelf de woorden uit vers 2 ervaren! De christen mag in het uur van de beproeving, en in het bijzonder in tijden van verzoeking, niet vergeten dat deze Toevlucht, deze Sterkte, deze Hulp krachtig bevonden wordt en dat zij hem ter beschikking staat.
De gelovige kan in zichzelf nooit hulpbronnen vinden; die zijn alleen in God te vinden, dat wil zeggen in de gemeenschap met Hem!
Door een verandering (trilling) van de aarde, die door God bewerkt werd en zoals die in vers 3 genoemd wordt, werd Korach levend verslonden. Zijn zonen bleven echter gespaard. En zo zal het de gelovigen van het joodse overblijfsel ook vergaan. Zij zullen in veiligheid zijn, want hun Toevlucht is niemand minder dan de HEERE Zelf (Psalm 91 vers 9 en 10). Wat een grote tegenstelling met de mensen die in die eindtijd hier op aarde zullen wonen (vergelijk Lukas 21 vers 26 en Openbaring 6 vers 14 tot en met 17)!
Met het oog op deze kolkende en schuimende watermassa van het gericht (vers 4), herinnert God er aan dat er een rivier van genade stroomt. Deze rivier mondt uit in talloze beekjes, dat wil zeggen dat zij zich op veelvuldige wijze openbaart. Deze beekjes "verblijden de stad Gods" en allen die daar een toevlucht vinden.
Het slot van deze Psalm toont ons de getrouwen, zoals zij daar vanuit "een Hoog Vertrek" rustig de vervulling van het laatste oordeel van God volgen.
Deze Psalm geeft uitdrukking aan de vreugde die het hart van de overwinnaar zal vervullen wanneer Christus na het oordeel, waarvan in Psalm 46 sprake was, Zijn rijk zal oprichten.
Israël zal een voorrangspositie boven alle volkeren innemen en hen leren God te loven, Zijn heerlijkheden en verhevenheid te roemen (vers 4 en 7; vergelijk Jesaja 2 vers 2 en 3).
Nadat de betrekkingen van het volk met God hersteld zijn, lezen we dat de Naam van de HEERE (Jehova) weer genoemd wordt (al in Psalm 46 vers 8 en 12). Het is Christus, Die eindelijk erkend wordt en Zijn Naam als de grote Koning van de hele aarde zal aannemen (Zacharia 14 vers 9).
We begrijpen waarom wij als christenen Hem niet Jezus onze Koning noemen. Wij zijn immers hemelburgers en behoren niet tot het aardse koninkrijk. Christus zal niet over ons, maar met de Gemeente regeren. Zij zal in dezelfde positie staan als Hij, zoals een koningin aan de zijde staat van de koning, haar echtgenoot.
Zouden wij niet zingen, wij die niet alleen een grote Koning, maar een Goddelijke Verlosser hebben te prijzen, een opgestane Heere, een hemelse Bruidegom, Die Zijn Gemeente liefheeft en zal komen om Haar bij Zich te nemen?
Hoeveel heerlijkheden zijn toch in deze ene Persoon verenigd! Wonderbare heerlijkheden, die onze mond en ons hart nu al zouden moeten vervullen met het eeuwige loflied van ware aanbidders.
Met Psalm 48 komt er een einde aan het profetisch overzicht dat met Psalm 42 is begonnen. Er wordt ons iets getoond van de laatste aanval van de koningen van deze aarde op Jeruzalem en ook hoe zij volkomen in verwarring geraken (vers 5 tot en met 8). De vrome Joden zullen dan vaststellen dat hetgeen zij gehoord hebben, dan ten gunste van hen in vervulling zal gaan (vers 9; Psalm 44 vers 2).
Ja, ze hebben niet voor niets op God vertrouwd! Elke steen van deze geliefde stad heeft een grote waarde voor hen, nadat zij eerder door de verbanning zoveel geleden hebben! En ze bevinden zich hier binnen in de tempel, waar ze zo naar verlangd hebben (Psalm 42 vers 5; Psalm 43 vers 4 en 5), en ze zijn zich de goedheid van hun God heel goed bewust (vers 10).
Mogen ook wij ons daar niet mee bezighouden en over Zijn grote liefde nadenken als wij daar samenkomen waar Hij beloofd heeft aanwezig te zullen zijn?
Dan zal de lof echter niet alleen het hart van de gelovigen die nu nog overal verspreid zijn, vervullen, maar zal het zich uitstrekken tot aan het einde der aarde. Dan zal eindelijk de lof weerklinken die de Naam van onze grote God, in Wie geroemd wordt, zo waard is (vers 11).
Beste vriend(in), is deze God - Die het hele wereldgebeuren in Zijn hand heeft en bestuurt en dat wat Zijn mond gesproken heeft ook zal vervullen - uw (jouw) God voor nu en tot in alle eeuwigheid? Is Hij uw (jouw) Leider tot aan het laatste moment hier op aarde (vers 15)?
In verband met de toekomst die de Geest van God ons in de voorgaande Psalmen geschetst heeft, richt Hij Zich nu tot alle bewoners van deze aarde, ongeacht hun sociale stand (vers 2 en 3).
Wat heeft alle rijkdom waarop men zich beroemt en alle vertrouwen stelt, in feite voor nut als de allergrootste schat van deze aarde nog niet in staat is om één enkele ziel te verlossen (vers 8 en 9)? De losprijs is zo onmetelijk groot, dat wij die nooit zelf zouden kunnen opbrengen! "Maar God zal mijn ziel... verlossen", zegt vers 16. En wij weten welke prijs Hij daarvoor moest betalen (1 Petrus 1 vers 18 en 19).
Als iemand graag aanzien in deze wereld wil verkrijgen, laat hij dan nog eens goed nadenken over vers 13, en dat aangevuld wordt door vers 21! Wat zal het resultaat zijn van al dat streven naar eer, van al die "dwaasheid" (vers 14)? Wat is het einde van deze wedloop waar talloze mensen aan meedoen, of ze nu rijk of arm zijn, of het nu om een hooggeplaatste of de 'gewone man' gaat (vers 3)? Het einde is in de dood, waarin niets meegenomen kan worden (vers 18).
De dood verijdelt alle voorzorgsmaatregelen die de mens meende te kunnen nemen. De dood houdt er geen rekening mee, hoe zuinig je ook met je lichaam bent omgesprongen tijdens je leven. De dood verduistert elke vreugde en drukt de stempel van vreselijke onzekerheid op alle plannen (Lukas 12 vers 20).
Daarom sluiten de mensen de ogen, uit angst hem in het gezicht te moeten zien. Voor de verlosten is de dood echter de laatste stap die gezet wordt naar het huis van de Vader, "... want Hij zal mij opnemen" (vers 16).
De vorige Psalm herinnert alle bewoners van deze aarde aan de vergankelijkheid en ijdelheid van de rijkdom en eer, twee dingen die een enorme aantrekkingskracht hebben voor de mensen van alle tijden.
In Psalm 50 richt God Zich tot Israël, Zijn volk (vers 7), om haar de nutteloosheid van de offers te tonen. Die zijn evenmin in staat om een ziel te verlossen, noch "hen die naderen" te "volmaken". Door één enkel offer heeft God Zijn verbond met Israël gesloten (vers 5; Hebreeën 10 vers 1 en 10). Wat Hij daarentegen nu wel van al de Zijnen verwacht, is dat zij dank offeren (vers 14 en 23; Hebreeën 13 vers 15).
Hoewel vers 15 een korte tekst is, vormt zij in feite een samenvatting van onze hele bevrijdingsgeschiedenis. Ten eerste is er het gebed, dan het Goddelijk antwoord dat ons beloofd wordt, en ten slotte de dankzegging ("gij zult Mij eren"). Helaas wordt dit laatste door ons zo vaak vergeten!
Laten we ons vertrouwen op God stellen, Hem aanroepen en dan zal Hij Zijn belofte vervullen!
De verzen 16 tot en met 22 zijn een waarschuwing van God aan de goddelozen. Hoewel zij de mond vol hebben van vrome woorden, is hun praktijk er niet naar en haten zij de tucht. Laten wij er voor oppassen dat wij zelf niet op deze mensen gaan lijken!
Laten we ook letten op die prachtige inleiding (vers 2 en 3) die, zoals zo vaak het geval is, het thema van de Psalm weergeeft: God spreekt tot de aarde om de pracht en schoonheid van de Persoon van Christus, de hoogste Rechter en heerlijke Koning in Sion, te openbaren.
Deze Psalm werd door David geschreven toen hij zich in heel pijnlijke omstandigheden bevond (2 Samuël 12). De gevoelens die hier weergegeven worden, worden door een werkelijk inzicht van de zonde in de ziel opgeroepen, en het laat ons ook de door de Heilige Geest aangegeven weg tot herstel van de gemeenschap zien.
Laten we al die moeizame etappes eens overdenken. Ten eerste het toegeven, het belijden van onze misstap (vers 5). Dan het bewustzijn dat Gód beledigd werd en niet alleen deze of gene persoon (vers 6). Vervolgens worden we herinnerd aan onze eigen verdorven natuur (vers 7). Daarna komt het voelen van de eisen van God, wat de "waarheid in het binnenste" betreft (laten we vers 8 nooit vergeten). Dan komt het verlangen naar een rein geweten en een vaste geest (vers 12), en ten slotte het verlangen terug te keren tot praktische heiliging (vers 13), tot vreugde en een dienst vol overgave (vers 10 en 14).
Als de gelovige eenmaal weer hersteld is, dan zal hij in
staat zijn anderen met de genade, die ook hem heeft vergeven, bekend te maken (vers 15; vergelijk Lukas 22 vers 32).
Op deze hele weg is er geen sprake van het brengen van offers (vers 18) en vinden we evenmin allerlei rituelen die bij berouw zouden moeten behoren. Nee, een gebroken geest, een oprecht ootmoedig hart, dát is het enige wat God op grond van het werk van Christus kan aannemen (vers 18 en 19).
Vrienden, als we ons door één of andere zonde hebben laten overrompelen, laten we dan deze Psalm opnieuw in de tegenwoordigheid van God gaan lezen. Maar dan niet als een belijdenis van David, maar als ons persoonlijk gebed!
Tot aan het eind van dit tweede Boek (Psalm 72) komen we nu alleen nog Psalmen van David tegen. Meerdere daarvan zijn, evenals Psalm 51, onder heel bijzondere omstandigheden geschreven.
In 1 Samuël 22 vers 9 en verder, lezen we dat Doëg, de Edomiet, aan Saul meldt dat David bij Achimélech, de priester, is gekomen. En even later wordt dan melding gemaakt van het bloedbad dat volgt. Deze Doëg is een beeld van de antichrist. Een profetisch persoon die de belichaming van het kwaad is en zich daar zelfs op beroemt (vers 3).
Wat een tegenstelling tussen vers 8 van Psalm 45, dat zich tot de Heere Jezus richt, en de verzen 3 tot en met 5 van Psalm 52, die spreken tegen de "geweldige"!
Tot troost voor de rechtvaardige zal de profetie van vers 7 in Openbaring 20 vers 19 in vervulling gaan.
In verband met deze macht van de boze, vertrouwt de psalmist helemaal op God (vers 10) en prijst Hem zelfs (vers 11).
Om in de harten van de verlosten lofgezangen te bewerken, maakt de Geest van God zelfs gebruik van de zwaarste beproevingen. De ongelovige daarentegen kent geen vrede, en al zijn onzekere steunpunten zijn het niet waard om op te vertrouwen, zoals we dat lezen in vers 9. Zijn "rijkdom is verrot" en zijn "goud en zilver is verroest", zoals de apostel Jakobus dat zegt in zijn Brief (hoofdstuk 5 vers 2 en 3).
Met uitzondering van vers 6 en de Naam "God" in plaats van HEERE (Jehova), is deze Psalm bijna woordelijke een weergave van Psalm 14. In Romeinen 3 vers 10 tot en met 12 worden de verzen 2 tot en met 4 aangehaald om het totale faillissement van het hele menselijke ras aan te tonen, een conclusie die niemand ooit zal kunnen tegenspreken.
"Er is niemand, die goed doet" (vers 2). "Ook niet één" voegt vers 4 er aan toe. En toch weten wij dat er één zo'n Mens geweest is: Hij Die uit de hemel is neergekomen, de heilige Uitzondering op alle mensenkinderen, Waarop God met welgevallen vanuit de hemel kon neerzien (vers 3; vergelijk Mattheüs 3 vers 16 en 17).
"Er is geen God", zegt de dwaas in zijn hart, hoewel z'n geweten hem het tegendeel zegt. En dat terwijl hij zich met Gods toestemming hier op aarde mag bewegen, door Zijn goedheid hier mag leven en Zijn adem mag inademen (Handelingen 17 vers 28). Maar hij houdt niet van God. Alles wat met God te maken heeft, irriteert hem mateloos. Daarom doet hij ook alle moeite zichzelf ervan te overtuigen dat God niet bestaat. En in de plaats van God neemt hij dan de 'almachtige' wetenschap of de filosofie.
Als hij ondanks alles toch gedwongen wordt om bepaalde dingen, die hij met zijn verstand niet kan verklaren, toe te geven, dan spreekt de ongelovige graag heel wazig over de natuur of van de voorziening. Ook daarmee wil hij vermijden de Naam van God, Die hem angst aanjaagt, uit te spreken, want God is licht. Hij is het Die alle" werkers der ongerechtigheid" te schande zal maken.
Na Doëg, de Edomiet, hebben de Zifieten op een achterbakse manier aan Saul de verblijfplaats van David, zijn rivaal, verraden. Saul kon daardoor de achtervolging van David weer opnemen. Deze geschiedenis vinden we in 1 Samuël 23 vers 19 en verder. Het belangrijkste wordt daar echter niet genoemd. Dat is het gebed dat de verworpen koning op het moment van gevaar, vol van vertrouwen, opzendt tot zijn God.
Zo moet er ook in het leven van de christen, te midden van alle omstandigheden van het dagelijkse leven, in het verborgen continu een 'gebedslijn' tussen hem en de Heere zijn.
Dat vinden we bijvoorbeeld ook steeds weer terug in het Boek Nehemia (hoofdstuk 1 vers 11; 2 vers 4; 4 vers 4; 5 vers 19; 6 vers 14 en verder).
De wereld, die God niet voor ogen stelt (vers 5) en die niets begrijpt van de macht van het gebed, zal de manier waarop een gelovige aan een dreigend gevaar ontkomt, altijd toeschrijven aan 'een gelukkig toeval'. (Juist 1 Samuël 23 vers 26, waar David zich steeds op een andere kant van de berg bevindt dan Saul, is hiervan een prachtig voorbeeld).
De verloste kent echter de Naam van Hem Die hem redt in alle nood, en deze Naam wordt door hem geprezen (vers 3, 8 en 9). God is zijn Helper, maar nog meer, Hij ondersteunt de ziel zo lang de beproeving duurt, want anders zou de gelovige misschien ontmoedigd kunnen raken (vers 6).
De gelovige, door angst en verschrikkingen des doods" overvallen, antwoordt niet zelf op "de roep van de vijand", op de verdrukking door goddelozen, die hem in hun gloeiende haat vervolgen, maar wendt zich tot God (vers 4 en 5). Dat is het beste wat ook wij altijd moeten doen, in plaats van slagvaardig te reageren op giftige woorden. Toch moeten we niet om wraak gaan smeken zoals David dat doet in deze verzen.
Profetisch gezien verplaatsen deze Psalmen ons van de huidige genadetijd over in de tijd dat het rijk alleen door het oordeel van de onrechtvaardigen opgericht kan worden. De boosheid van de wereld bereikt vandaag de dag nog niet zo'n hoogtepunt, zoals dat in die vreselijke tijd wel het geval zal zijn. Dat wordt nu door de aanwezigheid van de Heilige Geest hier op aarde nog tegengehouden, nog afgeremd (2 Thessalonika 2 vers 6 en 7). De hier genoemde kenmerken zijn nu echter ook al zichtbaar: geweld, twist (vers 10), ongerechtigheid en overlast (of moeite zoals een andere vertaling het zegt) (vers 11), verderving, list en bedrog (vers 12). In zo'n omgeving kan de gelovige zich niet thuis voelen! Evenals de gelovigen van het overblijfsel, verlangt ook hij naar de plaats van rust (vers 7), naar het huis van de Vader. Dat is zijn hoop en het onderwerp van zijn lofgezang!
Naar 't Vaderhuis, daar zal ik eeuwig rusten aan Jezus' hart, hier kan mij niets meer lusten. Waar Jezus woont, daar is mijn waar tehuis. Naar 't Vaderhuis!
Naar 't Vaderhuis, daar in der heil'gen midden zie ik het Lam - dáár zal ik Hem aanbidden. Dáár is mijn plaats, hoe ook de vijand bruis'. Naar 't Vaderhuis!
Met de man over wie David in de verzen 13 tot en met 14 spreekt, wordt waarschijnlijk Achitofel, de Giloniet bedoeld. In 2 Samuël 15 tot en met 17 lezen we van zijn verraad en zelfmoord. Profetisch gezien hebben deze woorden echter betrekking op de ongelukkige Judas.
Zijn er betere woorden te bedenken die nog duidelijker de toegenegenheid beschrijven, zoals die tot uitdrukking komt in vers 14? "Mijn leidsman en mijn bekende" (of: vertrouwde).
Hier hebben we een bewijs dat, ook al wordt er nog zoveel van liefde en vertrouwen betoond, dat dit niet in staat is om het natuurlijke hart van de mens te gewinnen. In dat hart woont namelijk "krijg" tegen God (vers 22; vergelijk Markus 14 vers 45). Wat voor gevoelens moet de Heere Jezus hier beneden op aarde toch gehad hebben! Hij kon op niemand rekenen en niemand vertrouwen (Johannes 2 vers 24).
In verband met zo'n ontplooiing van het kwaad, roept de Psalmist ook ons op: "Werp uw zorg op de HEERE..." (vers 23).
Een last op de schouders hindert de mens bij het lopen. Daarom zegt Hebreeën 12 vers 1 tegen ons: "Laten wij alle last... afleggen en met volharding de wedloop lopen". Vanaf het moment dat wij al onze last op God geworpen hebben, is het voor ons geen last meer, als wij alles wat ons zo terneerdrukt en onrustig maakt, aan Hem overlaten en in Zijn handen geven.
Deze Psalm werd, evenals Psalm 34, geschreven in de tijd dat David in Gath die verdrietige ervaringen opdeed (1 Samuël 21 vers 11 tot en met 15).
De verzen 6 en 7 herinneren ons aan de Heere Jezus in verbinding met hen die tegen Hem samenspannen om Hem met list te vangen en Zijn woorden te verdraaien (Mattheüs 22 vers 34 en 41; Lukas 11 vers 53 en 20 vers 20). Hun boosheid werd door Hem beantwoord met vertrouwen op Zijn Vader. Laten we Hem hierin navolgen!
Om op God te kunnen vertrouwen, moet men Hem echter eerst kennen. Een klein kind legt zijn hand gewoonlijk niet in die van een vreemde. Het is het Woord Dat ons Hem openbaart, op Wie wij kunnen steunen. Daarom roept de gelovige het ook tot tweemaal toe uit: "In God zal ik Zijn Woord prijzen; ik vertrouw op God" (vers 5, 11 en 12).
De bozen letten op de stappen die de gelovige zet (vers 7), maar God telt diezelfde schreden (vers 9). We weten dat Hij het getal van de haren van ons hoofd kent, zoals Mattheüs 10 vers 30 ons zegt.
En hier zien we ook dat Hij weet van elke traan van Zijn kinderen, zelfs de tranen die in het verborgen vergoten worden! Als ik dan bij "mijn omzwerven" een val van de vijand tegenkom, dan zal Hij Die mijn ziel van de eeuwige dood gered heeft, ook mijn voeten voor struikelen bewaren (vers 14; Psalm 94 vers 18; Psalm 116 vers 8; Judas vers 24).
Evenals de Psalmen 51 en 56 begint ook deze Psalm met de inleidende woorden: "Wees mij genadig, o God!"
De Goddelijke genade is mijn hulpbron, zowel tegen het kwaad dat mij omgeeft, als tegen de zonde die in mij is (Psalm 51). Of de vijand nu Absalom, Filistijn of Saul heet, of satan, of wereld - de veilige toevlucht van mijn ziel is in U, Heere Jezus, "onder de schaduw van Uw vleugelen" (vers 2). Wanneer ik onder deze bescherming sta, dan hoef ik niet bang te zijn voor hetgeen uit de mond van de mens uitgaat, noch voor het net dat zij voor mij gespannen hebben (vers 5 en 7; vergelijk Psalm 91 vers 3 en 4). God is het "Die het aan mij voleindigen zal" (vers 3).
Diezelfde gedachte ligt opgesloten in de woorden van Romeinen 8 vers 28: "En wij weten, dat hun, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede". Geloof brengt ons tot vertrouwen en dan ervaren wij dat "alle dingen" -ook die, die totaal tegen ons eigen denken in gaan en die we niet kunnen begrijpen - door God bestuurd worden met het doel ons te zegenen.
Hier is de gelovige echter meer bezorgd om de heiligheid van God dan om zijn eigen verlossing (vers 6, herhaald in vers 12 en Psalm 108 vers 6).
Dat was ook het gebed van de Heere Jezus in verband met het kruis dat voor Hem stond: "Vader, verheerlijk Uw Naam!" (Johannes 12 vers 28).
Dat zou in alle omstandigheden van het leven ook het eerste verlangen van ons hart moeten zijn!
De verzen 2 tot en met 6 laten er geen twijfel over bestaan wat menselijke gerechtigheid is. En mochten we dit te kras uitgedrukt vinden, dan hoeven we slechts terug te denken aan het kruis. De betrekkingen van de mensen onderling worden maar al te vaak geregeerd door de macht van de sterkste, waarbij de leugen en het gif van kwaadsprekerij vaak als wapens gebruikt worden (vers 44 en 5; Psalm 14: 4).
Ja, de wereld om ons heen is, evenals in de dagen van David, vol van ongerechtigheid. Onze instelling als christen moet echter wel heel anders zijn dan die van de vrome Israëliet, zoals die naar voren komt in de verzen 7 tot en met 11. In de tijd van de grote verdrukking zal deze Israëliet zich slechts kunnen wenden tot de God van wraak, opdat de dag dat de gerechtigheid hier op aarde zal heersen, verhaast mag worden. Deze dag zal zeker komen! Echter, ondertussen is het nu nog "de dag der zaligheid" (2 Korinthe 6 vers 2).
Daarom mogen wij die zelf genade ondervonden hebben, voorbede doen voor alle mensen bij de Heiland-God. De ongerechtigheid, die ons omringd, is voor ons juist een gelegenheid om goed te doen en "de vrucht der rechtvaardigheid" te zaaien (Jakobus 3 vers 18).
We moeten niet proberen de wereld te verbeteren. Dat is onmogelijk! Nee, te midden van deze wereld hebben wij juist het karakter van onze Verlosser te vertonen.
Van alle Psalmen die betrekking hebben op omstandigheden uit het leven van David, is dit de oudste (zie 1 Samuël 19 vers 11 tot en met 17).
Deze werd geschreven in die dramatische nacht waarin Saul, tot drie keer toe, zijn misdadige handlangers eropuit stuurde om David, die hij haatte, te bewaken (vers 11), te halen (vers 14) en te doden (vers 15). In onze Psalm zien we hun hardnekkigheid om kwaad te doen (vers 7 en 15). Tijdens deze angstige nacht wendt de verdrukte zich tot zijn God: "Waak op mij tegemoet... God Israëls! ontwaak..." (vers 5 en 6; vergelijk Psalm 44 vers 23 en Markus 4 vers 38).
David kent zijn God in Zijn grote macht. Hij weet dat deze God hem kan bevrijden, wanneer Hij dat wil. Hij kent echter nog maar weinig van Zijn trouw, Zijn waakzaamheid en Zijn liefdevolle zorg voor de Zijnen (vergelijk Mattheüs 8 vers 2 en 3).
De verzen 3 tot en met 8 van Psalm 121 zijn een antwoord op de onrust van de gelovige: "Uw Bewaarder zal niet sluimeren". En in het laatste vers van de Psalm voor vandaag lezen we dat David niet alleen de sterkte, maar ook de goedheid van zijn God heeft ervaren. Hij prijst God voor deze twee karakterkenmerken!
Saul was van plan om zijn vijand 's morgens vroeg te vermoorden (1 Samuël 19 vers 11), maar voor David - en ook voor ons (!) - wordt die morgen tot de morgen van verlossing, vreugde en lofgezang (vers 17; 2 Samuël 23 vers 4).
In 2 Samuël 8 en 1 Kronieken 18 lezen we over de glorieuze overwinningen van David op de Syriërs en de Edomieten. Als we die gedeelten lezen, zouden we nooit op de gedachte komen dat Israël en zijn koning juist op dat moment door zo'n verdrukking gingen (vers 3 tot en met 5, 12 en 13).
De overwinning van een christen is vaak het gevolg van een moeizame innerlijke strijd die alleen de Heere kent. En een deel van de buit die wij in deze strijd 'veroveren', bestaat uit de les die God ons in die tijd in het verborgene van ons hart heeft gegeven. In die zin is de uitdrukking uit Romeinen 8 vers 37: "meer dan overwinnaars", voor ons ook best te begrijpen.
Zoals het in het eerste vers van deze Psalm staat, is deze Psalm dan ook "tot lering" geschreven. David heeft geleerd -en herinnert ons daar aan - dat redding van de kant van de mensen ijdel is (vers 13; vergelijk Psalm 146 vers 3), maar dat wij samen met God machtige daden zullen doen (vers 14).
"Maar nu hebt Gij hun, die U vrezen, een banier gegeven,
om die op te werpen, vanwege de waarheid" (vers 6). Laten
wij de banier van de waarheid met vaste hand hooghouden.
De voorgaande Psalmen toonden ons de verbinding van de enkeling met God. Hier gaat het echter om gemeenschappelijke oefeningen van het hele volk. Laten we de eenheid van de verlosten van de Heere nooit uit het oog verliezen. Het zijn allen "beminden" (vers 7), laten we dat nooit vergeten. En allen zijn geroepen gezamenlijk getuigenis af te leggen.
Als de gelovige het kwaad op allerlei manieren op zich af ziet komen, hij door mensen vervolgd wordt en zijn "hart overstelpt is", dan vindt hij zijn toevlucht bij God (vers 3 en 4).
Dat was ook de ervaring van David, die eerst door Saul en later door Absalom vervolgd werd. En dat zal ook de ervaring van het gelovig overblijfsel zijn, dat voor de heerschappij van de antichrist zal vluchten.
"Leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn". De Geest van God brengt de gelovige op hoogten waar het natuurlijk verstand geen toegang heeft, hoogten waarbij je je eigen onwaardigheid, om daar te mogen zijn, zo duidelijk voelt.
En vanaf de hoogte op die rots prijst de gelovige alles wat de Heere voor Hem is, alle bescherming en hulp die hij in Hem vindt. Hij is "Een sterke Toren voor de vijand" (vergelijk Spreuken 18 vers 10) en een "Hut" tegen onweer of de gloeiende hitte van de zon. Hij biedt bescherming onder Zijn "vleugelen". Die vleugelen spreken ons van liefde en veiligheid.
Evenals in Psalm 56 vers 13 denkt de gelovige ook hier terug aan zijn geloften, dat wil zeggen aan de verplichtingen die hij tegenover God is aangegaan (vers 6 en 9).
Voor ons christenen spreken deze geloften van het gevoelen dat de Heere een recht op ons heeft, dat we ons bewust zijn dat we niet meer onszelf toebehoren, maar dat we ons ter beschikking hebben te stellen aan God, aan Hem Die ons verlost heeft (2 Korinthe 5 vers 15; lees ook Romeinen 12 vers 1).
Van deze Psalm lezen we niet dat hij betrekking heeft op een bepaalde omstandigheid uit het leven van David. Dat is een bevestiging van het feit dat de ziel "te allen tijde" (vers 8) rustig op God - Hij wordt zeven keer genoemd - op Hem alleen, moet vertrouwen!
Wat vinden we in deze Psalm toch kostbare uitdrukkingen van dit vertrouwen (vers 2, 3, 6 tot en met 9). Maar bovenal vinden we hier ook een verwijzing naar het kostbare Onderwerp van mijn vertrouwen: Christus, de Rots der eeuwen, op Wie zowel mijn heil als mijn heerlijkheid is gegrond (vers 8). Als ik dat in mijn leven praktiseer, dan kan ik ook anderen oproepen om op Hem te vertrouwen (vers 9). Dan kan ik hen tegelijkertijd ook voor elke andere bedrieglijke toevlucht waarschuwen.
Het maakt inderdaad niet uit of de mens nu boven- of onderaan op de sociale ladder staat, iedereen pronkt met nietige ijdelheid en met bedrieglijke aanmatiging. Op de weegschaal van God zullen ze allemaal te licht bevonden worden (vers 10; vergelijk Daniël 5 vers 27).
Voor ons christenen geldt dat we het slot van vers 11 nooit moeten vergeten: "Wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op"!
"Zet er het hart niet op!" Veel kinderen van God die eens trouw waren toen ze alleen nog maar God hadden om op te vertrouwen (vers 2), hebben geen stand kunnen houden in de verzoeking van de welstand (Spreuken 11 vers 28). "De verleiding van de rijkdom" heeft het levende Woord verstikt, zodat Het daarom zonder vrucht is gebleven" (Mattheüs 13 vers 22).
Kunnen wij het innige morgengebed van de Psalmist ook tot het onze maken? Hij ervaart de dorheid van deze wereld en verlangt daarom alleen maar naar zijn God. Van Hem is zijn verwachting en Hij is zijn Vreugde. Dag en nacht is deze God het Onderwerp van al zijn ijverige overpeinzingen. Een mens bezit niets kostbaarders dan zijn leven. De gelovige heeft echter een nog grotere schat gevonden, de goedheid van zijn God. In zijn hart overdenkt hij alle bewijzen die hij hiervan heeft ontvangen (vers 4 en 8).
Let eens op de wonderbare vooruitgang die hier geboekt wordt. Als eerste lezen we "Mijn ziel dorst naar U" (vers 2). Dan: "mijn ziel zou ... verzadigd worden" (vers 6; Jeremia 31 vers 25). En ten slotte: "mijn ziel is aan U verkleefd" (vers 9). Ziet u die opklimmende gedachtegang? Wanneer mijn blikken naar de wereld gaan, dan ervaar ook ik deze dorst en dit smachten. De wereld heeft immers geen blijvende bevrediging te bieden. Denk ik echter aan de Heere en houd ik mij alleen met Hem bezig, dan vindt mijn ziel bevrediging. Dan is er aanbidding in mijn hart voor Hem. Dan is Hij mijn Alles en heb ik genoeg aan Hem! En dan kan ik Hem, gesterkt door en verbonden met Hem, in deze dorre wereld ook navolgen. Deze woestijnreis zal echter al heel gauw voorbij zijn. Morgen zal het doel van de pelgrim zichtbaar worden. En wat is dat doel? Dat is de Heere Zelf in al Zijn heerlijkheid, Die wij dan met onze eigen ogen zullen zien. Heeft Hij niet Zelf daarom gebeden? "Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen" (Johannes 17 vers 24; vergelijk dit met vers 3 van onze Psalm). Geve de Heere, dat Hij in het hart van ons allen dat verlangen vindt, als antwoord op Zijn eigen verlangen!
De gelovige ondervindt niet alleen de dorheid van de wereld, waarin hij zijn dorst niet kan stillen (Psalm 63 vers 2), maar ervaart ook de vijandschap van de mensen. Tegen hem maken zij hun tong zo scherp als een zwaard (Psalm 55 vers 22; 57 vers 5).
Trouw heeft altijd al haat bij de ongelovigen opgewekt en dat zal ook altijd zo blijven. We hoeven ons daar niet over te verbazen. We moeten er echter wel voor zorgen dat ons gedrag niet terecht aanleiding geeft tot een aanklacht.
Laten we tegen dat zwaard en die pijlen, het borstharnas van de gerechtigheid aandoen (dat wil zeggen dat we een onbesproken wandel moeten hebben; Efeze 6 vers 14; lees ook 1 Petrus 2 vers 12).
Laten we ook elke openbaring van boosheid met "zachtmoedige wijsheid" tegemoet treden (Jakobus 3 vers 13). Wanneer we dat in praktijk brengen, dan zal God onze zaak in Zijn handen nemen (Romeinen 12 vers 17 tot en met 19).
"Wie zal ze zien?" vroegen de vijanden van de rechtvaardigen (vers 6; zie ook Psalm 10 vers 12 en 59 vers 8). God ziet ze echter! Zijn blik doorgrondt de diepten van het hart en ziet al hun boosaardige plannen (vers 7). En als antwoord op de pijl (het "bittere woord"), die op de oprechten gericht en plotseling afgeschoten wordt (vers 5), maakt God Zijn eigen pijl klaar. Gods pijl, die even plotseling de verlosten op het juiste moment zal bevrijden (vers 8).
Voordat de lof bij het aanbreken van het duizendjarig rijk allesomvattend zal zijn (Psalm 66), wordt het als het ware in de stilheid van het hart van de verlosten voorbereid.
Deze stille aanbidding moet ook iets vertrouwds voor ons zijn. Met deze aanbidding wordt niet gewacht tot de zondagmorgen, om alleen dan tot God op te stijgen. Ware aanbidding komt zonder woorden tot uitdrukking. Laten we ons hierin toch oefenen. Dat kan in de pauze op het werk, 's nachts op bed (Psalm 63 vers 7). Altijd zal deze aanbidding door de Hoorder van het gebed (vers 3) gehoord en begrepen worden.
Nadat de zondevergeving een feit is geworden (vers 4), kan Israël (maar evengoed de christen) de tegenwoordigheid van God en de vreugde van Zijn gemeenschap genieten (vers 5).
Deze Psalm besluit met een wonderbare beschrijving van de aardse zegeningen van de toekomst. Het zijn voorbeelden van de geestelijke rijkdommen van de gelovige, die hij nu al mag bezitten. Wanneer hij "in een land, dor en mat, zonder water" versmacht (Psalm 63 vers 2), dan moet hij er altijd aan denken dat "de rivier Gods" vol water is (vers 10).
Beste vrienden, is het daarom niet onze eigen schuld wanneer onze ziel soms zo uitgedroogd is? (Johannes 4 vers 14 en 15).
"Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen", zegt vers 9 nog. Ja, dat het begin, het verloop en het einde van elke dag bij ons toch ook vervuld mogen zijn met een lied dat overstroomt van geluk en liefde!
In de gelukkige tijden, waarvan we in Psalm 65 gelezen hebben, zal het de opdracht van Israël zijn om de volken op te roepen tot vreugde en lof, in eerste instantie om Gods vreselijke werken (vers 3 en 5), maar vervolgens ook om Zijn goedheid met betrekking tot Zijn volk. De uittocht uit Egypte en het binnengaan van Kanaän (vers 6) zijn de eerste vertoningen van grote machtsdaden, die altijd weer aangehaald zouden moeten worden.
Christenen, laten we nooit ophouden met roemen in het kruis van onze Heere Jezus Christus! Hij heeft ons van het juk van de vorst van deze wereld (Egypte) bevrijd en ons ingevoerd in de hemelse zegeningen.
Dan zal er ook teruggedacht worden aan het lange lijden van Israël (vers 10 tot en met 12). De Joden werden (en worden nog altijd) op vele wijzen beproefd, verdrukt en met voeten getreden (vers 12) door de volken waaronder zij verstrooid zijn en leven. Maar binnenkort zullen ze God, Die hun ziel in leven gehouden en hen in de smeltoven van de beproeving gereinigd heeft, prijzen.
Laten wij dit kostbare Goddelijke doel, ook met ons, nooit vergeten!
Vers 18 herinnert ons aan volgende belangrijke waarheid: God kan onze gebeden niet verhoren zo lang ons geweten nog met een niet-geoordeelde zonde beladen is. Laten we er toch haast mee maken en die belijden, opdat we opnieuw Zijn gemeenschap mogen ervaren! (Jesaja 1 vers 15; Psalm 32 vers 5 en 6).
Israël vraagt om gezegend te worden, opdat de wil van God en Zijn heil op de hele aarde erkend zouden worden (vers 2 en 3).
Zijn wij in onze gebeden gewoonlijk niet veel te veel met onszelf bezig? Laten we er toch meer om vragen dat de genade, waarvan wijzelf het onderwerp zijn, en de zegeningen die wij mogen genieten, opgemerkt mogen worden door hen die ons omringen. Ja, dat hen dit tot de Heere Jezus mag trekken!
De hoofdstukken 9 tot en met 11 van de Brief aan de Romeinen maken ons duidelijk hoe Israël terzijde gesteld is, om God in staat te stellen Zijn genade voortaan aan de volken te betonen. En daar wordt ons ook getoond hoe dit deelhebben van de volken aan de beloften van Abraham de Joden tot jaloersheid zou moeten verwekken (lees Romeinen 11 vers 11 en 12).
Onder de heerschappij van de Messias zal er echter zowel voor de een als voor de ander plaats zijn (Psalm 22 vers 28). Alle volken van deze aarde zullen tezamen met het joodse volk gezegend worden. Dan zal er geen jaloersheid, noch nationale trots meer zijn. Israël zal nog slechts één verlangen hebben: te zien hoe alle volken zich in God verheugen en Hem prijzen (vers 4 en 6).
Dan zal het Lam in de hemel en op aarde verhoogd worden, want Hij is het waard!
"Gij zijt waardig... want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie..." (Openbaring 5 vers 9).
Zo vreselijk als God in Zijn oordelen over de goddelozen is, zo vol lieflijkheid betoont Hij Zich over hen die Hem toebehoren en die Hij "rechtvaardigen" noemt (vers 4). Hij neemt zelfs die prachtige Naam: "Vader der wezen" en "Richter der weduwen" aan (vers 6; Psalm 146 vers 9; Jeremia 49 vers 11). Daarmee laat Hij zien dat Hij Zich op bijzondere wijze bekommert om hen die hun natuurlijke steun hebben verloren.
De eenzamen zijn het onderwerp van Zijn speciale zorg: "God, Die de eenzamen zet in een huisgezin" (vers 7). Hoevelen hebben dit kostbare zelf mogen ervaren! Bij hun bekering werden deuren toegesloten. Sommige familieleden wilden niets meer met hen te maken hebben en hen misschien zelfs niet meer in huis hebben. Ter wille van de Heere hadden ze "huis of broeders of zusters" moeten verlaten. Maar de "Vader der wezen" heeft hen in Zijn eigen familie opgenomen, waar ze andere broeders en zusters gevonden hebben (Markus 10 vers 29 en 30).
Tot en met het vijftiende vers wordt gewezen op de zorg van God voor Zijn volk tijdens de woestijnreis (vergelijk vers 2 en 8 met Numeri 10 vers 33 tot en met 36). Nooit is Hij gestopt met waken over Israël, Zijn "grote heerschaar" (vers 12).
Vandaag heeft de Heere echter nog "andere schapen" die bij de joodse stal horen (Johannes 10 vers 16). Bent u, ben jij ook één van hen? Kun je vertellen van de liefde van deze goede Herder?
Er zal een moment komen waarop alle menselijke aanspraken op macht (de "bultige bergen" uit vers 17), plaats zullen moeten maken voor de macht van God. Alleen Hij kan aanspraak maken op alle macht. God heeft het hoogste bewijs dat Hij boven alles staat, niet geleverd door de overwinning op de vijanden van Israël. Nee, het hoogste bewijs is geleverd door Christus doordat Hij de overwinning op satan (de sterkere, die ons gevangen hield) behaalde en door Zijn triomferende opstanding (vers 19; Romeinen 1 vers 4).
Verheven boven alle hemelen is de Heere Jezus Diegene Die in Zijn hoedanigheid als Mens gaven ontvangt. In Efeze 4 vers 8 tot en met 10, waar vers 19 geciteerd wordt, deelt Hij die gaven uit. Zijn Gemeente mag vandaag de dag tot Haar opbouwing over deze gaven beschikken. Door de Heilige Geest zijn deze gaven over de Gemeente uitgegoten (Handelingen 2 vers 33).
Wij mogen in elk opzicht met vers 20 instemmen en zeggen: "Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons (of: draagt Hij ons). Die God is onze Zaligheid".
Inderdaad, onze God is een God van zaligheid, van heil. Bij Hem zijn "uitkomsten tegen de dood" (hoewel vers 21 in eerste instantie betrekking heeft op het ontstaan van Israël als volk). Hij geeft hen die door Zijn macht zijn gevangen, een hemels en eeuwig deel met de Eerstgeborene uit de doden, met de opgestane Zoon des mensen.
Het slot van deze Psalm laat ons een andere kant van de oprichting van het rijk zien. De weg van God met Zijn volk, die in de woestijn is begonnen (vers 8), wordt beëindigd in het heiligdom, het beeld van de heerlijke rust (vers 25; vergelijk 2 Samuël 6 vers 17 en 7 vers 6). De stammen van Israël die eindelijk vergaderd zijn, zullen gezamenlijk delen in deze rust. Vers 28 noemt Juda, met Zebulon en Nafthali verenigd, maar ook Benjamin, de jongste. Deze stam was destijds door het oordeel bijna uitgeroeid (Richteren 21); daarmee is deze stam een beeld van het volk Israël als geheel, dat door de verdrukking ging. Maar nu heerst het, want God heeft de sterkte van Zijn volk geboden (vers 29). En de hele aarde zal zich onderwerpen: de koningen (vers 30), de gezanten (aanzienlijken) (vers 32), de koninkrijken (vers 33). Allen worden opgeroepen de macht en majesteit, die in Israël zichtbaar zullen worden, toe te schrijven aan God.
"0 God! Zij hebben Uw gangen gezien" (vers 25). Daarbij gaan onze gedachten ook uit naar de discipelen van Johannes de Doper, die "ziende op Jezus, daar wandelende" Hem navolgden (Johannes 1 vers 36). Ja, laten wij bij het lezen van het Woord de volkomen wandel van de Heere in de woestijn bezien, in de verwachting Hem in de eeuwige rust en heerlijkheid van aangezicht tot aangezicht te zullen zien.
Heer' Jezus, kom, wij wensen U te aanschouwen, Uw Godd'lijk aangezicht, o Heer' bestraald met hemels licht, U, Die, als 's Vaders Beeld, Zijn hart en ook Zijn hemel deelt. Ja, Heer' Gij komt ons halen, voert ons in 's hemels zalen; daar wordt volmaakt u dank gebracht, o Lam, voor ons geslacht.
In Psalm 68 werd ons Christus als Overwinnaar voorgesteld, Die naar de hemel opgevaren is en heerlijke gaven ontvangen heeft (vers 19).
In Psalm 69 vinden we Hem voorgesteld als de Vernederde, in smaad en onuitsprekelijke smart zoals Hij moest teruggeven wat Hij niet geroofd had (vers 5). Deze volgorde hebben we al bij Psalm 21, gevolgd door 22, gezien, opdat niemand zich in de Persoon zal vergissen, Die wij hier te midden van zoveel lijden mogen aanschouwen.
Zoals de ark het volk de weg gebaand heeft door de Jordaan (de doodsrivier), zo is Christus voorgegaan, doordat Hij de last van de misdaden, de "dwaasheid" van het volk, op Zich nam (vers 6). Hij zonk neer in de diepten van de modder van de zonde, in de waterdiepten van het oordeel (vers 3); Hij ziet de vreselijke put van de dood, die Hem dreigt te verslinden (vers 16), maar ondanks alles blijft Hij Zijn gebed tot Zijn God richten (vers 14).
De aanhaling van vers 10 in Romeinen 15 vers 3 roept ons op dit grote Voorbeeld na te volgen. De Heere Jezus probeerde nooit Zichzelf te behagen en Zich aan de smaadheden te onttrekken (Mattheüs 27 vers 43).
Hij vraagt er ook om, dat Zijn beproeving niet tot een steen des aanstoots voor de gelovigen zal zijn, wanneer zij zien dat Iemand Die zo trouw is als Hij, in zo'n nood verkeert (vers 7).
De Psalmen 22 en 69 spreken beide van het lijden van de Heere. Toch bestaat er een wezenlijk verschil tussen deze beide Psalmen. In Psalm 22 zien we Christus het verzoeningswerk voor onze zonden voleindigen; daar wordt Hij ons voorgesteld als Hem Die door God in onze plaats geslagen wordt. In Psalm 69 daarentegen zien we het lijden van de Heere Jezus zoals dat van de kant van de mensen is gekomen - en wat hebben ze toch veel middelen gevonden om Hem te mishandelen!
Het woord 'versmaadheid' komen we telkens weer tegen in deze Psalm (vers 8, 10, 20 en 21). Het oneindig gevoelige hart van de Heere werd daardoor gebroken (vers 21). In Hem zijn de heerlijkheid van God, Zijn liefde en Zijn heiligheid openlijk met voeten getreden door de boosheid van de mensen. En aan het kruis is vers 22 letterlijk in vervulling gegaan (Mattheüs 27 vers 34 en 48).
Het grote onbegrip en de onverschilligheid van de discipelen was een andere oorzaak van diepe smart voor de Heiland. "Ik heb gewacht naar medelijden, maar er is er geen...".
Terecht zullen de vertegenwoordigers van het mensdom, die schuldig zijn aan zo'n gruwelijke daad en geen berouw getoond hebben, de gramschap en de toom ondergaan, waar het overblijfsel in vers 25 om vraagt. Geve de Heere echter, dat ieder die dit leest mag behoren tot hen die Zijn Naam liefhebben (vers 37).
Maar al te vaak raakt het lijden van een ander ons niet meer (vergelijk Psalm 69 vers 21). Dat komt nog veel duidelijker naar voren wanneer we zelf beproefd worden. In zulke situaties denken we gewoonlijk alleen maar aan onszelf, aan onze eigen last. Soms is het voor ons misschien zelfs wel een zekere opluchting, te weten dat niet alleen wijzelf te lijden hebben, maar dat ook anderen lijden.
Bij de Heere Jezus was dit echter niet het geval. Hoewel Hij Zelf "ellendig en in smart" was, was het de wens van Zijn hart dat allen die God zoeken, vrolijk zouden zijn en zich in Hem verheugen (vers 5). In Psalm 69 vers 7 deed Hij al voorbede: "Laat hen door Mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israëls!" Zijn hele verlangen was, dat God verheven zou worden en dat de Zijnen zich in Hem zouden verheugen (vers 5).
Daarentegen worden zij die Hem naar het leven stonden, beschaamd en schaamrood, zij die in Zijn lijden een behagen hadden (vers 3).
Wij weten echter, dat het verlangen naar wraak, zoals dat in de verzen 3 en 4 aangehaald wordt, nooit in het hart van de Heiland - het hart vol van liefde - opgekomen is. Integendeel! In het diepste lijden hield Hij Zich nog in genade bezig met hen die Hem mishandelden en bad zelfs tot God hen te vergeven! (Lukas 23 vers 34).
0 Lam, voor onze zonden op Golgotha geslacht, U wordt uit vele monden de lof en eer gebracht! Door liefde, Heer, gedreven hebt U aan 't kruis geboet. U gaf voor ons Uw leven en kocht ons met Uw bloed.
Geen mens kan ooit doorgronden de diepte van het leed, dat U hebt ondervonden, toen U - verlaten - streed.
"Want Gij zijt... mijn Vertrouwen van mijn jeugd aan", zegt de psalmist (vers 5). En in vers 17: "0 God! Gij hebt mij geleerd van mijn jeugd aan, en tot nog toe verkondig ik Uw wonderen".
De gelovige die al jong de school van God binnengaat en daar leert op Hem te vertrouwen, mag zich gelukkig prijzen! "Op U heb ik gesteund", zegt ook vers 6. De Heere is zijn sterke Toevlucht (vers 7), zijn Rotssteen ter woning, zijn Burcht (vers 3). Deze uitdrukkingen komen we vaak in de Psalmen tegen (bijvoorbeeld ook in Psalm 31 vers 3 en 4).
In onze landen worden we gewoonlijk niet blootgesteld aan vervolgingen. We kunnen echter nooit genoeg benadrukken dat we de vijanden die op onze "ziel loeren", niet minder te vrezen hebben dan die, die in de verzen 10 en 13 genoemd worden.
1 Petrus 2 vers 11 waarschuwt ons voor "de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel". Zodra die opduiken, hebben we snel de toevlucht tot God te nemen. Bij Hem zijn we veilig en zullen we volledige bevrijding vinden.
Voor de verlosten is de Heere echter meer dan een sterke Toevlucht. "Mijn lof is gedurig van U... Laat mijn mond vervuld worden met Uw lof, de ganse dag met Uw heerlijkheid" (vers 6, 8, 14, 22 en 23). Alleen de Heere Jezus kon zo spreken (vergelijk ook de verzen 6, 11 en 12 met de overeenkomstige verzen 10, 12 en 9 van Psalm 22).
Geve de Heere, dat ook wij gelovigen in staat mogen zijn om iets daarvan in praktijk te brengen.
Waarschijnlijk heeft David deze Psalm geschreven toen hij op de vlucht was voor zijn zoon Absalom.
De man Gods gaat, als hij al op leeftijd gekomen is (vers 9 en 18), nog een keer door "veel benauwdheden en kwaden" (vers 20). Dan wendt hij zich tot zijn God: "Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God".
Jesaja 46 vers 4 geeft een Goddelijk antwoord op dit gebed: "En tot de ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik u dragen". Nee, God heeft Zijn dienstknecht niet verlaten en zal hem wiens ziel Hij verlost heeft, ook nooit verlaten (vers 23; lees Psalm 37 vers 25). Juist daarom niet, omdat Hij Zijn Zoon op het kruis heeft geoordeeld om deze verlossing te kunnen volbrengen.
Wanneer Hij van onze jeugd af aan onze God is - en we hopen dat dit vooral ook voor al onze jonge lezers zo mag zijn - dan is Hij ook de God van ons hele leven.
Let er toch eens op hoe vaak de psalmist herinnert aan de gerechtigheid van God en hoe hij die prijst (vers 2, 15, 16, 19 en 24). Wonende in een wereld waar ongerechtigheid heerst (en dat is sindsdien echt niet veranderd!), weet de psalmist, in tegenstelling daarmee, deze Goddelijke gerechtigheid juist te waarderen. Eens zal deze gerechtigheid over de hele aarde triomferen. Dat zal zijn wanneer deze aarde aan de heerlijke Koning - over Wie in Psalm 72 vers 1 gesproken wordt - gegeven zal worden en Hij over haar zal heersen.
Salomo is het onderwerp van deze Psalm, zoals vers 1 al aangeeft. Hij is een beeld van Christus, de Koning van de gerechtigheid en de vrede.
Na een tijd van lijden en strijd, waarover de voorgaande Psalmen spreken, zal de rechtvaardige en gezegende heerschappij van de Messias, de Zoon van David, volgen. Bij Hem zullen de armen en verdrukten, alle ellendigen van deze aarde, medelijden en hulp vinden. Geweld en onderdrukking, uitbuiting van de zwaksten door de sterkeren, al deze ongerechtigheid zal dan ten einde zijn. Ook alle materiële ellende en ondervoeding, waar vandaag de dag minstens de helft van de wereldbevolking door getroffen wordt, zal dan voorbij zijn.
Dan zal er een overvloed aan "koren in het land op de hoogte der bergen" zijn (vers 16), maar ook "veelheid van vrede" (vers 7). Zijn dat niet de dingen waar de mensheid het meest naar verlangt?
Eindelijk zullen dan al deze zegeningen een dankbare weerklank opwekken in de harten van de mensen, mensen die vandaag nog zo ondankbaar zijn tegenover al deze weldaden van God. De hemel zal de aarde zegenen en deze zal met dank antwoorden (vergelijk Hoséa 2 vers 21 en 22). Dan zal de heerlijkheid van de Heere de aarde bedekken (vers 19; Numeri 14 vers 21).
Met deze lofzang en overdenking over de ware Salomo eindigt het tweede Boek van de Psalmen.
Het derde Boek van de Psalmen begint met 11 Psalmen van Asaf. Hij was het die in de dagen van David het gezang leidde en met cimbalen begeleidde (1 Kronieken 16 vers 5).
Psalm 73 deelt ons zijn ervaringen mee. Door het vergelijken van zijn eigen lot met dat van de goddeloze, is Asaf erg ontmoedigd geraakt. Het lijkt hem toe dat God de moeiten en plagen (in de vorm van tuchtigingen) bestemd heeft voor hen die Hem vrezen, terwijl dit, volgens Asaf, de dwazen en goddelozen - waarvan vers 3 en de daaropvolgende verzen een vreselijk beeld schetsen - juist bespaard blijft. Deze trouwe man worstelt hiermee en is geprikkeld (vers 21). Hij is niet ver meer van het punt verwijderd, dat hij God zal betichten van onrechtvaardigheid en onverschilligheid. Als het dan zo is, denkt hij, wat heeft het dan nog voor zin om mijn hart te reinigen?
Op de één of andere manier is het ons ook wel eens overkomen dat we jaloers waren op hen die onbeperkt van alles wat dit leven te bieden heeft, konden genieten. Zij vreesden God niet en lieten zich nergens van weerhouden.
Jonge christenen die studeren, kennen vast wel studiegenoten die zowel over (veel) geld beschikken als er allerlei vrije principes op na houden. Jongelui, - maar dat geldt natuurlijk voor ons allemaal - laten we onze eigen rijkdommen die wij in de Heere mogen bezitten en die niet te vergelijken zijn met menselijke waarden, toch nooit vergeten! Denk altijd aan de hoop die van ons niet de ellendigsten, maar juist de gelukkigsten van alle mensen hier op aarde maakt! (1 Korinthe 15 vers 19).
De psalmist gaat verder met prakkiseren en dat bezorgt hem veel moeite (vers 16). En dan opeens breekt het licht door! God leidt hem binnen in de heiligdommen van Zijn gemeenschap en maakt hem duidelijk waar de weg van de goddelozen zal eindigen (vergelijk Psalm 37 vers 38). De afgrond waar zij aan voorbijgaan, is glibberig en leidt onherroepelijk tot hun ondergang. Hun weg hier beneden zal slechts een ijdele droom geweest zijn (vers 18 en 20). Spreuken 23 vers 17 en 18 vermaant ons ook om niet afgunstig te zijn op de zondaars en zegt dat er voor hen die de Heere vrezen, "een beloning" zal zijn. De weg van beiden zal een einde hebben, maar wat een verschil! (Romeinen 6 vers 22).
Ja, hoe zou de gelovige dit ooit kunnen vergeten? Hij klaagt zichzelf dan ook aan en zegt onnuttig te zijn geweest en van niets te hebben geweten (vers 22). Wat toch een enorm verschil tussen het lot van de onrechtvaardige en dat wat hij, de gelovige, zelfs in de beproeving al mag bezitten! Is het voor hem immers geen eer om in de nabijheid van de Heere te mogen zijn? "Ik zal dan gedurig bij U zijn!" (vers 23). Hij mag Hem kennen zoals die kostbare uitdrukkingen in vers 26 Hem noemen. En in de hemel heeft hij zijn deel (Christus Zelf; vers 25).
Christenen die zich met politiek bezighouden, moesten van wereldse mensen al vaak de opmerking horen: 'Jullie hebben de hemel, laat ons dan de aarde!' Ook al is deze opmerking ironisch bedoeld, toch is het waar!
Dat ons leven toch in deze ene zin samengevat kan worden: "Nevens U lust mij ook niets op de aarde!" (vers 25). De Heere Jezus heeft dit op volmaakte wijze tot uitdrukking gebracht!
Het "waarom", waar deze Psalm mee begint, lijkt op de grote vraag aan het begin van Psalm 22. Maar de verwerping van Israël - al is het ook slechts voor een bepaalde tijd - heeft een reden, die dit volk uiteindelijk zal begrijpen: Het is vanwege hun eigen zonden (Zacharia 12 vers 10), terwijl Christus om onze ongerechtigheden werd verlaten!
In het derde Boek van de Psalmen gaat het niet meer alleen om het overblijfsel uit Juda, maar om de getrouwen uit alle twaalf stammen. Ook tegen hen zal de "toorn roken", zij het niet tot "in eeuwigheid" (vers 1; Psalm 30 vers 6).
Deze arme gelovigen zien op de restanten van het heiligdom, dus het einde van de openbare godsdienst. Ze overwegen de macht van de vijanden. Van de kant van God hebben ze geen enkel teken ter bemoediging ontvangen. Integendeel, ze begrijpen heel goed dat Hij het Zelf is Die zo'n verwoesting heeft toegelaten.
Toch vertrouwen ze op de God "van ouds af" en denken aan alles wat Hij vroeger volbracht heeft om Zijn volk te bevrijden. "Gedenk", zeggen ze (vers 2, 18 en 22). Ze weten dat ze Zijn verlosten zijn en dat de vijand daarom, met zijn aanval op Israël en diens godsdienst, in werkelijkheid God Zelf veracht en gesmaad heeft (vers 10 en 18). Deze aangelegenheid betreft Hemzelf en daarom zal Hij dan ook niet nalaten Zelf Zijn twistzaak te voeren (vers 22).
Dit lied van Asaf volgt op zijn ervaringen van Psalm 73. Nu is hij niet meer afgunstig op de dwazen en goddelozen. Maar omdat hij nu weet van het einde dat hen te wachten staat (Psalm 73 vers 17), waarschuwt hij hen in opdracht van God (vers 5 en verder). Deze dienst is ook onze opdracht. Ook wij hebben zondaars te herinneren aan de almacht en gerechtigheid van God en mogen daarbij niet vergeten van Zijn liefde te vertellen.
In profetisch opzicht is het Christus Die hier spreekt over het moment waarop Hij Israël zal ontvangen (vers 3; Psalm 73 vers 24). Dan zal iedereen de plaats innemen die de Heere hem aanwijst. Velen die de eersten geweest zijn, zullen de laatsten zijn en de laatsten zullen de eersten zijn (vers 8; Markus 10 vers 31-1 Samuël 2 vers 7).
Over het algemeen probeert iedereen zich in deze wereld, ten koste van de ander, omhoog te werken. Laten wij, als christenen, niet vergeten dat de Heere Zelf ons hier beneden de plaats heeft aangewezen om van Hem te getuigen -zoals Hij ook de plaats bereid heeft die wij straks in het Vaderhuis zullen innemen. Hij heeft onze plaats bepaald voor nu en later!
De psalmist zegt in vers 2: "...dat Uw Naam nabij is". En voor ons is het juist deze Vadernaam Die ons nu, in deze tijd, verzekert van Zijn liefdevolle zorg en ons voortdurend de vrije toegang tot Hem verleent (Efeze 2 vers 18).
Laten we er ook op letten dat "de hoorn" (vers 5, 6 en 11), waarvan vaak gesproken wordt in de Psalmen en Profeten, het symbool is van macht en waardigheid.
Het moment zal komen waarop God Zijn woonstede te midden van Zijn volk Israël zal hebben, om Zich aan hen en door hen bekend te maken (vers 2 en 3). Maar in de tegenwoordige tijd is er ook een getuigenis voor Hem! Door de Gemeente, de "woonstede Gods in de Geest", maakt Hij nu Zijn veelvoudige wijsheid bekend (Efeze 2 vers 22 en 3 vers 10).
En wat verwacht Hij van ons? Dat de Heere Jezus door ons zichtbaar mag worden, in de omgeving waar wij ons bevinden!
Het overblijfsel overdenkt en verheft de macht die hem bevrijd zal hebben. God is "doorluchtiger en heerlijker", maar ook "vreselijk" in het oordeel dat Hij volvoeren en waardoor Hij alle "zachtmoedigen der aarde" verlossen zal. Het overblijfsel zal de karakterkenmerken van zijn grote Voorbeeld vertonen: "Dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart" (Mattheüs 11 vers 29). Dit in tegenstelling tot de hoogmoedigen (vers 6). Juist van hun kant zal het overblijfsel, vanwege zijn geloof, te lijden hebben gehad.
De trouwe gelovige zal in een zelfzuchtige en harde wereld constant met voeten getreden worden. Maar dat zal niet altijd zo blijven. Vers 11 laat ons zien op welke manier God zal ingrijpen. Hij zal "de grimmigheid des mensen" er toe gebruiken, dat ze zich wederzijds zullen ombrengen.
Evenals Psalm 73 bestaat ook deze Psalm uit twee gedeelten. Het eerste deel toont ons de verbittering in de geest van de psalmist. En in het tweede deel begrijpt hij de weg van God, die "in het heiligdom" is (vers 14; Psalm 73 vers 17).
Deze keer is het niet de welvaart van de goddelozen waarmee hij zich plaagt, maar het verlies van vroegere zegeningen. "Ik overdacht de dagen van ouds... Houdt Zijn goedertierenheid op?" (vers 6 en 9).
Helaas vormt een beproeving vaak aanleiding tot een soortgelijk klagen en tot een tevergeefs treuren. Men beoordeelt de liefde van de Heere vaak naar de omstandigheden die Hij toelaat in ons leven. Wanneer Hij ons geen gunst meer bewijst (vers 8), dan beginnen we aan Hem te twijfelen. Zulke overleggingen veranderen echter absoluut niets aan Zijn trouwe liefde. Zulke gedachten zijn voor ons juist een verhindering om te genieten van de liefde die Hij ons in Zijn troost bereid heeft. "Mijn ziel weigerde getroost te worden" (vers 3).
"Dit krenkt mij" (vers 11), zegt Asaf nog als hij op zichzelf ziet en zich met anderen vergelijkt. God toont hem echter de nutteloosheid van al zijn klagen. En dan gaan z'n gedachten een andere richting uit. Niet dat hij stopt de ingeslagen weg te overdenken. Nee, maar wat hij nu ziet, zijn de wonderen van God. En dan denkt hij eraan Hem te prijzen.
Deze lange Psalm herinnert aan de wonderen (vers 4 en 12) die door de God "Die wonder doet" (Psalm 77 vers 15), volbracht werden ten gunste van de Zijnen.
Het volk wordt opgeroepen om het oor te luister te leggen bij deze vertelling, die hen tot lering gegeven werd. Als opschrift staat er dan ook "een onderwijzing (of leerdicht) van Asaf" boven deze Psalm.
Wat ons christenen betreft, zo weten wij dat de geschiedenis van Israël "tot waarschuwing van ons" werd opgeschreven (1 Korinthe 10 vers 11). Overeenkomstig de woorden van vers 2 is het een uitvoerige gelijkenis (die ons echter aan waar gebeurde dingen herinnert). In Mattheüs 13 vers 35 gaat dit vers door de Heere Jezus profetisch in vervulling.
Ten slotte tonen de verzen 4 en 6 aan, dat de herinnering aan de wonderen die vroeger gebeurd zijn, zoals die in vers 12 tot en met 16 opgenoemd worden, in het bijzonder voor het toekomstig geslacht bedoeld is. En wel met een drievoudig doel, zoals dat in vers 7 wordt gezegd: de kinderen ertoe te brengen hun vertrouwen op God te stellen en Zijn daden niet te vergeten, en ten slotte Zijn geboden te bewaren.
Verwacht Hij dat ook niet van ons? Laten we de Heere vragen ons ervoor te bewaren dat we gaan lijken op de Israëlieten in de woestijn. Toen waren zij: "Een ongehoorzaam en weerspannig geslacht... en welks geest niet getrouw was met God" (vers 8; Ezechiël 20 vers 18). O, dat we ons toch steeds opnieuw door de lessen uit het verleden laten onderwijzen, door de dingen "die wij gehoord hebben en weten, en die onze vaders ons verteld hebben" (vers 3).
Wat was het antwoord van het volk op de wonderen van God (vers 11)? Het antwoordt hierop met de werken van het vlees, waar Galaten 5 vers 19 en verder ons een verdrietige opsomming van geeft.
Het vijfde hoofdstuk van de Brief aan de Galaten herinnert ons eraan, dat de christenen van deze slavernij bevrijd werden, zoals Israël uit de slavernij van Egypte verlost werd. Maar de vrijheid waarin we nu gezet zijn, mag voor ons geen aanleiding zijn om het vlees naar zijn begeerten te laten handelen. Daarom voegt de apostel eraan toe: "Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheid van het vlees niet" (Galaten 5 vers 1, 13,16 en 25).
Nu terug naar Psalm 78. Vers 17 en wat daar verder op volgt, laat ons zien hoe de begeerte in het hart van het volk is ontwaakt. Het manna (een beeld van de Heere en Zijn Woord) was voor hen niet meer voldoende (vers 23 en 24; zie Numeri 11 vers 4 en verder). Hoewel zij toch getuigen van de macht van God geweest waren, vreesden de Israëlieten er niet voor Hem om te verzoeken, door te zeggen: "Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?" (vers 19; vergelijk 2 Koningen 7 vers 2).
Ook voor ons, beste vrienden, heeft de Heere "de deuren des hemels" wijd geopend om ons te zegenen (vers 23). Laten we dit van onze kant toch beantwoorden met een steeds groter vertrouwen en meer dankbaarheid!
Wij danken voor de zegeningen die U ons heden hebt bereid. U zegent ons met goede dingen, Uw trouwe hand is 't die ons leidt. U ziet in Jezus, onze Heer, met gunst en goedheid op ons neer.
Doordat het volk niet meer denkt aan de vroegere zegeningen en ondankbaar is, is God genoodzaakt om bij Zijn opsomming van alles wat Hij voor Israël gedaan heeft, helemaal terug te gaan tot het begin. Tot aan vers 51 worden we herinnerd aan de plagen in Egypte, daarna aan de uittocht (vers 52), de woestijnreis (vers 53) en de intocht van het volk in het land Kanaän (vers 54). Vers 55 is een samenvatting van het Boek Jozua, terwijl de daaropvolgende verzen ons verplaatsen in de tijd van de Richteren en het eerste Boek van Samuël. De verzen 60 en 61 zijn een toespeling op het feit dat de ark door de Filistijnen werd buitgemaakt (1 Samuël 4).
Vervolgens zien we hoe de Heere op drievoudige wijze ingrijpt. Ten eerste slaat Hij Zijn vijanden (vers 66). Ten tweede zet Hij de tien trouweloze stammen - uitgebeeld door Jozef en Efraïm - terzijde (vers 67; geschiedkundig gaat het hier om het koningschap van Saul en zijn opvolgers: 2 Samuël 2 vers 8 tot en met 11). En ten derde gaat Exodus 15 vers 17 in vervulling (vers 69) en wordt Juda verheven, omdat het de koninklijke stam van David is. En in het feit dat nergens gezegd wordt dat deze stam minder schuldig was tegenover God dan de andere, mogen we de vrije keuze van God en Zijn genade opmerken, die hier wordt geprezen (vergelijk Johannes 15 vers 16 en Romeinen 9 vers 15). Deze stam is echter onlosmakelijk verbonden met hem die de gezalfde des Heeren is.
Dat is ook de reden waarom God ons heeft uitverkoren en ons heeft liefgehad (vers 68: wij zijn het eigendom van Christus, Zijn Geliefde; vergelijk Johannes 17 vers 6, 9 en 10).
Deze Psalm geeft uitdrukking aan de gevoelens en de gebeden van het overblijfsel van Israël, wanneer de volkeren Israël ingenomen en de tempel ontwijd zullen hebben. De gelovigen klagen dat zij het onderwerp van de hoon en spot van hun buren zijn geworden (vers 4; vergelijk Psalm 80 vers 7 en 44 vers 14).
In onze landen, waar de onderdrukking van vroeger plaats gemaakt heeft voor godsdienstige tolerantie, blijft spot ook een van de modernste wapens van vervolging. De trouwe gelovige wordt als fanatiek, hoogmoedig of zweverig betiteld. We zullen daar niet aan ontkomen, als we afgezonderd van de wereld onze weg willen blijven gaan.
Behalve de vijanden van buitenaf, kan de gelovige die nog niet volkomen bevrijd is, ook met aanklagers uit zijn eigen binnenste te maken krijgen. Dat zijn de ongerechtigheden die hij vroeger begaan heeft en die hem weer in de gedachten komen; beproeving is namelijk vaak de aanleiding tot een pijnlijk onderzoek van het eigen geweten. Dan roept de ziel, die alle ellende voelt, de erbarmingen van Boven in (vers 8). "Help ons, o God van ons heil! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil" (vers 9). Hoewel onze positie als verlosten verschilt van die van de psalmist, is het ook om Zijns Naams wil - omdat God getrouw en rechtvaardig is tegenover Zijn Zoon - dat Hij onze zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid (1 Johannes 1 vers 9).
Aan het eind van Psalm 79 wordt het volk Israël er door God aan herinnerd, dat zij de schapen van Zijn weide zijn. Psalm 80 begint met de uitroep: "0 Herder Israëls!". Zoals verstrooide schapen die niet in staat zijn zelf hun weg terug te vinden, zo roepen de gelovigen het uit: "0 God! breng ons terug" (vers 4, 8 en 20). Dit werk van herstel, na een periode van verwarring en rondzwerven, is een deel van de zorg van onze goede Herder (Psalm 23 vers 4).
"Verschijn blinkende", vraagt het overblijfsel in de verdrukking. Efraïm, Benjamin en Manasse waren destijds de stammen die onder hun banier direct de ark (een beeld van Christus) volgden (Numeri 10 vers 22 tot en met 24).
Vanaf vers 13 vragen de gelovigen zich verwonderd af: Waarom heeft God de wijnstok, Israël, die Hij uit Egypte uitgeleid en met zoveel zorgvuldigheid geplant heeft, toch aan de plundering van het vuur prijsgegeven? In Jesaja 5 vers 4 geeft de HEERE, in de vorm van een andere vraag, hierop Zijn antwoord: Waarom heeft Mijn wijngaard stinkende druiven opgebracht, terwijl Ik goede verwachtte? Maar in tegenstelling tot de wijnstok Israël, die ondanks alle verzorging van de Goddelijke Wijngaardenier onvruchtbaar bleef, betitelt Johannes 15 Christus als "de ware Wijnstok". Hij wordt in vers 18 van onze Psalm aangeduid als "de Man Uwer (Gods) rechterhand" en als "des mensen Zoon" - een Naam Die Hij Zich in de evangeliën vaak Zelf geeft (Zoon des mensen).
Israël wordt opgeroepen te zingen, zoals destijds gebeurd was aan de oever van de Rode Zee bij het geluid van de trommel (vers 3; Exodus 15 vers 20). Maar na de bevrijding uit Egypte, waar vers 7 over spreekt, zou de God van Israël nog veel grotere dingen ten gunste van het volk volbracht hebben, als zij maar naar Hem hadden willen luisteren. God was vooral bereid hen "met het vette der tarwe" (fijn meel spreekt altijd van Christus) en met "honing uit de rotsstenen" (een beeld van de zoetigheid van de Goddelijke genade) te voeden. Hij is echter gedwongen om verdrietig te concluderen: "Israël heeft Mij niet gewild" (vers 12). Hoe aangrijpend is Zijn uitroep: "Israël, of gij naar Mij hoordet!" (vers 9) en even later: "Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had" (vers 14; vergelijk Deuteronomium 5 vers 29).
Beste gelovige vrienden, God heeft ook de zwaarste last van onze schouder afgetrokken: de last van de zonde (vers 7). Maar denken we er ook aan dat Hij nog vele andere zegeningen voor ons klaar heeft liggen? Die ontvangen wij op voorwaarde dat wij naar die zegeningen verlangen en Zijn Woord gehoorzamen! Hij heeft overwinningen voor ons klaarliggen (vers 15); Hij wil ons met Christus en Zijn liefde voeden.
O, laten we onze harten toch wijd openzetten voor Hem. Hij wil graag onze harten vullen en Zijn lof zal dan in onze monden zijn (vergelijk vers 11).
'Waar het hart vol van is, stroomt de mond van over', zegt het spreekwoord en dat gaat zeker hier op.
Elke dag, ja ied're stond, zij Uw lof meer in mijn mond.
De hoogste Rechter heeft de mens over deze aarde aangesteld, met de verplichting gerechtigheid uit te oefenen (lees Deuteronomium 1 vers 17). Maar ach! we hoeven maar om ons heen te kijken om te zien op welke manier de mens deze verantwoording nakomt. Vaak zijn we diep geschokt over het onrecht dat ons omringt, vooral als we er zelf het slachtoffer van worden. Dat vraagt van onze kant enorm veel geduld! (Jakobus 5 vers 10 en 11).
We kunnen er nu iets van begrijpen wat de gevoelens van de werkelijk rechtvaardige God moeten zijn, maar ook hoeveel geduld Hij met deze wereld heeft! Juist toen Zijn heilige Zoon door de mensen tot het Onderwerp van het allergrootste onrecht werd gemaakt, is Zijn geduld zo duidelijk naar voren gekomen.
En wie anders dan Zijn eigen kinderen zouden vandaag de dag de gerechtigheid van God in deze wereld moeten openbaren? (Laten we echter niet vergeten dat het ook een onrecht is wanneer wij iemand ongunstig beoordelen, omdat hij of zij op het eerste oog misschien een slechte indruk op ons maakt.) Wij kunnen elke dag onder de mensen "de arme en de wees... de verdrukte en de arme" ontmoeten (vers 3), onder mensen met wie wij in eerste instantie misschien meenden niets te maken te hebben. Laat ieder van ons zich toch eens afvragen of het niet onze persoonlijke taak is hen op te zoeken, om hen vol medeleven -zonder nog maar te spreken van de materiële hulp die we hen kunnen geven - iets van de liefde van de Heere Jezus door te geven.
Tijdens de grote verdrukking zullen de volkeren die samen een bondgenootschap zijn aangegaan en in vers 7 tot en met 9 genoemd worden, met elkaar overleggen om de naam van Israël van deze aarde te verdelgen (Jesaja 10 vers 24). Onder hen zal Assur, de koning van het Noorden, een beslissende rol vervullen. Met het oog op de vernietiging die hen bedreigt, de vreselijkste die dit ongelukkige volk ooit heeft meegemaakt, zullen de getrouwen van het overblijfsel zich tot God wenden. Hun vijanden zijn ook Zijn vijanden (vers 3); dit verbond werd tegen Hem gesloten (vers 6).
Aan de andere kant zijn de gelovigen zich bewust dat ze Hem toebehoren. Ze zijn Zijn "verborgenen" (vers 4), evenals die zevenduizend in de dagen van Achab die ondanks de vervolging hun knieën niet gebogen hadden voor Baäl (1 Koningen 19 vers 18). Ja, God kan hen Zijn hulp niet ontzeggen, omdat al deze volken in hun blinde dwaasheid oorlog tegen Hem voeren (vers 6; vergelijk Psalm 2 vers 2 en Openbaring 19 vers 19). De gelovigen denken aan de bevrijdingen van vroeger, aan de grote gebeurtenissen uit de geschiedenis van Israël (vers 10: Richteren 4; vers 12: Richteren 7 en 8).
Zouden wij christenen, die niet door de toekomstige vreselijke tijd hebben heen te gaan, minder volharding en vertrouwen tonen? De vijandigheid van de wereld zou op ons slechts die uitwerking moeten hebben, dat wij ons helemaal in de handen van de Heere werpen!
In de schepping heeft ieder levend wezen een hol of een nest gevonden. Maar evenmin als de Heere kent de gelovige hier op aarde een plek van ware rust (vers 4; Mattheüs 8 vers 20). Zijn genegenheden liggen ergens anders: in de hemelse woningen, waar zijn plaats bereid is (Johannes 14 vers 2; vergelijk vers 3 en 11).
In sommige Bijbelvertalingen wordt vers 4 als volgt geschreven: "Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt. . . bij Uw altaren, HEERE der heerscharen, mijn Koning, en mijn God!" De puntjes lijken er de nadruk op te leggen dat het gemoed overstroomt van hetgeen waarmee het vervuld is: "Uw altaren, HEERE der heerscharen!" Het koperen en gouden altaar spreken van Christus, in Zijn offer en voorbede, van Hem Wiens aanwezigheid in het Vaderhuis voor ons het meest waardevolle is. Maar de weg die daarheen leidt, gaat door een wereld die een tranendal is (en de zonen van Korach, de schrijvers van deze Psalm, hebben dat zelf ervaren: zie Psalm 42 vers 4). Het gaat erom dat deze weg in onze harten gebaand is, met andere woorden: wanneer niets ons scheidt van Hem, naar Wie wij onderweg zijn, dan zullen zelfs tranen tot een weldadige ervaring worden. We zullen gaan van kracht tot kracht en niet van val tot val. En uiteindelijk zullen de wonderbare beloften van vers 12 ons deel zijn.
Laten we de woorden van vers 10 goed onthouden, want het kostbare geheim van de verhoring van onze gebeden is het gevolg van het feit dat wij die gebeden uitspreken in de Naam van de Heere Jezus, de Gezalfde van God.
Het onderwerp van deze Psalm is de vergeving die God Zijn volk geeft. De gelovigen twijfelen niet aan Zijn goedertierenheid, maar tegelijkertijd voelen ze het gewicht van de rechtvaardige toorn tegenover Zijn schuldig volk.
Ja, God is goedertieren; zou Hij daarom dan niet vergeven? Maar Hij is eveneens heilig, rechtvaardig en waarachtig; hoe zou Hij één zonde door de vingers kunnen zien? Goedertierenheid en waarheid, gerechtigheid en vrede, deze Goddelijke kenmerken zijn vanuit menselijk oogpunt bezien niet met elkaar te verenigen, maar hebben elkaar toch ontmoet (vers 11).
Aan het kruis zie ik de zonde geoordeeld, de gerechtigheid bevredigd en de genade tot ontplooiing komen (Romeinen 5 vers 21). Een heerlijke harmonie!
Er zijn zoveel mensen die deze wonderbare plaats van ontmoeting daar bij het kruis nog niet kennen! Zij hebben een totaal verkeerd beeld van God! Ze willen in Hem graag de strenge rechter zien die zijn schepsel voor zijn plezier laat lijden. Of ze stellen zich Hem voor als een 'lieve God', die 'kleine' zonden over het hoofd ziet, die gauw tevreden is als je bedoelingen maar goed zijn en je je maar genoeg inspant om goed te doen. Wat een noodlottige gedachte! De rechtvaardige God veroordeelt de zonde, elke zonde, maar de God van liefde wil de zondaar vergeven. En aan het kruis, waar dit werk volbracht werd, leer ik Hem kennen!
Rechtvaardigheid drong aan op straf, genade vroeg om vrijgeleide. Hier trad Gods wijsheid tussenbeide, die allebei voldoening gaf O wonderbare gunstbetoning, o licht, dat zich van 't kruis verspreidt! Hier schittert Gods gerechtigheid, hier straalt genadige verschoning.
In deze Psalm van David (de enige overigens in het derde Boek van de Psalmen), wendt hij zich in verschillende hoedanigheden tot de Heere. Hij noemt zich ellendig en arm, Gods gunstgenoot, en ten slotte Zijn knecht. Vanuit deze positie smeekt hij om verlossing (vers 2), vreugde (vers 4) en kracht (vers 16). Deze knecht kent namelijk zijn Meester; hij weet dat Hij God is, Hij alleen (vers 10), dat Hij "vergevende, en van grote goedertierenheid" is (vers 5), "barmhartig en genadig... lankmoedig, en groot van goedertierenheid en waarheid" (vers 15; zie ook Jona 4 vers 2). Met dezelfde uitdrukking heeft de Heere Zich destijds aan Mozes geopenbaard, daar bij de berg Sinaï (Exodus 34 vers 6).
De psalmist onderkent echter ook zijn eigen zwakheid; hij weet dat hij in zichzelf tot niets in staat is; in eigen kracht kan hij de juiste weg niet gaan. "Leer mij HEERE! Uw weg" , vraagt hij. En dan: "Verenig mijn hart tot de vreze van Uw Naam" (vers 11). Vroeger heeft J.N. Darby eens geschreven: 'Het hart heeft de neiging om door duizend onderwerpen, duizend vluchtige gedachten, verdeeld te geraken. Daarom vraagt de psalmist aan de Heere om hem maar één doel te geven. Ook voor ons hart is het nodig zich alleen op Christus te concentreren. Bij Hem vind je kracht. In al onze nietigheid hebben we in Zijn grootheid onze plaats en onze kracht gevonden'.
O, dat dit "gebed van David", zoals in het eerste vers staat, ook het gebed van een ieder van ons zal zijn, en dan in het bijzonder vers 11!
Tussen Sion, de heilige en door God Zelf gestichte stad, en de machtige volken van deze aarde: Egypte, Babel, Tyrus... rijken die de mens tot eigen eer gebouwd heeft, bestaat een volkomen tegenstelling. Het ogenblik zal aanbreken waarop God de volken zal registreren en ieder zijn burgerrecht zal verlenen.
God kent slechts twee vormen van afstamming, dus twee vormen van geboorterecht. Het verschil zit hierin, of iemand opnieuw geboren is of niet.
Het burgerrecht van de gelovige is in de hemel (Filippi 3 vers 20). Voor eeuwig is hij een burger van het nieuwe Jeruzalem, en God ziet hem als dáár geboren (vers 5).
Het andere geboorterecht is dat van de wereld. Dat is vergankelijk, "want de gedaante van deze wereld gaat voorbij" (1 Korinthe 7 vers 31), terwijl "het vaste fundament Gods staat" (2 Timotheüs 2 vers 19). Daarom zal van ieder mens hier op aarde, ook al is hij nog zo beroemd, gezegd worden: "deze is aldaar geboren" (vers 4).
"Al mijn fonteinen, zullen binnen U zijn", zingen de verlosten (vers 7). Hoe zouden wij, die door genade hemelburgers zijn geworden, onze vreugde uit de bronnen van deze wereld kunnen putten? Laat het toch veel meer werkelijkheid bij ons zijn, als we zingen: Gij zijt ons alles: onze Sterkte, Verlossing, Wijsheid, Licht en Kracht. Wat één der Uwen goeds bewerkte, 't werd al door Uw genâ volbracht; al wat wij zijn of hebben, Heer, zij U alleen tot lof en eer.
Ja, alles wat we zijn of hebben of mogen doen, vindt zijn oorsprong in Hem. Hij is de Bron!
We mogen wel stellen dat deze Psalm één van de donkerste bladzijden uit het Woord van God is. Er is hier slechts sprake van duisternis en dood. Er dringt geen enkele lichtstraal door in de duisternis; de ziel in nood heeft geen enkel uitzicht op bevrijding.
En desondanks kon een dienstknecht van God zeggen dat dit op een gegeven moment de enige Psalm was waarin hij troost vond. Omdat deze Psalm uitdrukking geeft aan de gedachten van een gelovige, was dit voor hem een bewijs dat ook hijzelf een gelovige moest zijn, hoewel zijn ziel in grote nood was en de hemel gesloten leek.
Misschien is één van onze lezers op dit moment ook onrustig, onzeker. Misschien wacht hij erop dat God hem licht in zijn situatie en de zekerheid van zijn heil schenkt (of dat hij die zekerheid terug mag vinden). Juist dit verdriet en dit zuchten, dat opstijgt tot God, zijn de bewijzen van Goddelijk leven in deze persoon. Zo iemand moet een gelovige zijn, want een ongelovige verlangt immers nooit naar God!
"Mijn gebed komt U voor in de morgenstond", zegt de psalmist (vers 14). Laten we hem hierin toch navolgen en ook al in de vroege morgen onze omstandigheden bij de Heere bekend maken. Maar dan niet alleen de dingen die ons verontrusten (Psalm 5 vers 4).
In verschillende verzen van onze Psalm zien we dat de diepte van de angst, de pijn en de eenzaamheid van de gelovige van toepassing is op de Heere Jezus, op Hem Die ter wille van ons de grootste ellende van allen heeft ervaren (bijvoorbeeld vers 7 tot en met 9 en 17 tot en met 19; zie ook Psalm 69 vers 30).
We kunnen lezen dat Ethan, de Ezrahiet, maar ook Heman, de schrijver van de vorige Psalm, bij de wijzen hoorde die in wijsheid alleen overtroffen werden door Salomo (1 Koningen 4 vers 31). Beide mannen waren van de familie van Zerah, de zoon van Juda (1 Kronieken 2 vers 6). Hun geestelijke aanleg was echter totaal verschillend. Terwijl Heman alleen spreekt over kuilen en duistere plaatsen, van grimmigheid en toorn, komen woorden als goedertierenheid en trouw steeds weer voor in de Psalm van Ethan. Steeds opnieuw wordt herinnerd aan deze Goddelijk kenmerken en worden ze geprezen. Het is net alsof er op deze manier een antwoord gegeven wordt op de nood van de voorgaande Psalm, net alsof Ethan deze "onderwijzing" geschreven heeft om het geloof van zijn broer weer aan te wakkeren.
Zo hebben twee gelovige vrienden altijd het voorrecht om elkaar te bemoedigen om vertrouwen te hebben (Spreuken 27 vers 17; 1 Samuël 23 vers 16). God is goedertieren, God is getrouw; zo mogen wij Hem kennen. En ons geloof klemt zich aan zo'n God vast, zelfs wanneer de omstandigheden in tegenstelling zijn met deze goedertierenheid en trouw (lees 1 Korinthe 1 vers 9; 10 vers 13). Wanneer we op de omstandigheden zien, zijn we vaak bang; zien we echter op de Heere en denken we aan Zijn trouwe liefde, dan zullen we de moed nooit verliezen.
De verzen 4 en 5 hebben betrekking op de beloften die David en zijn nageslacht ontvangen hebben. Dat betekent dus dat ze betrekking hebben op Christus (vergelijk 2 Samuël 7 vers 16).
Om beloften of afspraken die mensen onderling maken, te bekrachtigen, wordt van beide partijen verwacht dat ze hun handtekening zetten of, zoals vroeger vaak gebeurde, elkaar een onderpand geven. God heeft echter zelfs Zijn eigen Zoon gegeven om de vervulling van Zijn beloften veilig te stellen. "Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem (Christus) ja, en zijn in Hem amen" (2 Korinthe 1 vers 20). Wie zou de verplichtingen die door zo'n Persoon verzekerd zijn, in Hem bekrachtigd worden, in twijfel durven trekken?
"Ik heb hulp besteld bij een Held" (vers 20). Kennen wij deze Hulp, beste vrienden? Roepen wij Hem ook aan om hulp? Altijd is Hij bereid om Zijn macht te gebruiken ten behoeve van hen die Hij in Zijn grote nederigheid Zijn broeders noemt. Als Hij Mens geworden is, dan is dat om hen te verlossen, maar ook om in staat te zijn medelijden te hebben met hun menselijke zwakheden (Hebreeën 2 vers 17; 4 vers 15).
In de uitdrukkingen die God gebruikt om over de ware David te spreken, herkennen we Zijn grote liefde tot Hem: Hij is Zijn "Uitverkorene" (vers 4 en 20), de Knecht, Die Hij gevonden en met olie gezalfd heeft (vers 21). Alleen Christus kan de "Hoogste over de koningen der aarde" genoemd worden (vers 28).
Christenen hebben het grote voorrecht Hem nu al te mogen kennen en Zijn verschijning met verlangen tegemoet te mogen zien (2 Timotheüs 4 vers 8).
Aan de belofte die David in 2 Samuël 7 vers 13 ontving, en waar de verzen 5 en 29 van onze Psalm aan herinneren, werd een voorwaarde toegevoegd. Wanneer zijn nakomelingen ongerechtigheid zouden bedrijven, dan zou God niet aarzelen hen te tuchtigen (vers 31 tot en met 33; 2 Samuël 7 vers 14). Maar ach! we kennen de verdrietige geschiedenis van het koningschap van Juda, en vers 38 en de daaropvolgende laten ons zien dat God in verband met deze tuchtiging woord gehouden heeft. Alle beproevingen van Israël, ook de verdrukking die hen nog te wachten staat, zijn het gevolg van deze ontrouw.
De hoon en smaad, die als het ware terugvallen op God, zijn ontzettend pijnlijk voor de gelovigen (vers 42, 46, 51 en 52). "Hoe lang?" (vers 47). Hoe vaak is deze angstige vraag nu al gesteld in de Psalmen (bijvoorbeeld in 74 vers 10; 79 vers 5; 80 vers 5, enzovoort).
Als men te lijden heeft, dan lijkt het altijd alsof die periode lang duurt (Job 7 vers 3 en 4). Als antwoord op deze uitroep zal de Heere Zijn oordeel tot "een afgesneden zaak" op aarde maken, die dagen verkorten (Romeinen 9 vers 28 en Markus 13 vers 20), want die tuchtiging is niet Zijn laatste woord. Jesaja 28 vers 21 zegt: "Zijn werk zal vreemd zijn... Zijn daad zal vreemd zijn!" Overeenkomstig Zijn eigen belofte zal God Zijn volk in Christus, de Zoon Davids, Zijn goedertierenheden voor altijd laten genieten (vers 50; 2 Samuël 7 vers 15 en verder).
We zijn nu aangekomen bij het Boek Ezechiël. Omdat dit geen gemakkelijk Boek is, wordt het vaak overgeslagen. Toch geldt ook hier: "Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is; opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust" (2 Timotheüs 3 vers 16 en 17). Laten we daarom de Heere vragen om Zijn hulp, zodat we toch opgebouwd mogen worden bij het overdenken van dit Bijbelboek.
De profeet Ezechiël was, evenals zijn tijdgenoot Jeremia, een priester. Maar terwijl Jeremia in Jeruzalem bleef, bevond Ezechiël zich onder de gevangenen die tijdens de regering van Jojachin naar het land van de Chaldeeën weggevoerd waren (vers 3). Hier, bij de rivier Chebar, komt het Woord van God tot hem en wordt hij getuige van een buitengewone verschijning. Te midden van vuur en glanzend metaal (vermoedelijk erts), een beeld van de Goddelijke gerechtigheid die haar recht uitoefent, ziet de profeet vier eigenaardige levende wezens. Het waren de cherubs, de beschermers en verdedigers van de heiligheid van God (hoofdstuk 10). Hun kenmerken (aangezichten, vleugels, voeten en handen) zijn vier symbolen waardoor God ons Zijn karakterkenmerken in gerechtigheid en oordeel wil tonen. Dat betreft: de kennis, de kracht, de volharding en de snelheid, die door de overeenkomstige aangezichten van een mens, een leeuw, een stier en een arend uitgebeeld worden. Deze symbolen vinden we, met vele andere, terug in het Boek Openbaring, dat ook een Boek van oordeel is (zie Openbaring 4 vers 6 en 7).
Het geheel van wat de profeet zag, leek op een vreselijke wagen met verscheidene verdiepingen. De raderen, die wel heel verschrikkelijk waren om te zien, gingen naar de aarde en stegen weer op, schijnbaar op willekeurige wijze. Hun beweging was echter afhankelijk van de levende wezens, die gingen "waarheen de geest was om te gaan" (vers 20).
Deze raderen zijn een symbool van de regering of voorzienigheid van God. De gebeurtenissen in deze wereld worden door Zijn Geest bestuurd â "Die blaast (waait), waarheen Hij wil" (Johannes 3 vers 8) â en niet door toeval, zoals velen beweren, omdat ze weigeren naar boven te zien. Ze zien wel de "raderen", maar niet Hem Die deze in beweging zet. De profeet echter verheft, geleid door de Geest, zijn ogen en aanschouwt het wonderbaarste gedeelte van het visioen (vers 26 en verder). Boven de raderen, de cherubs en het uitspansel ontdekt hij "de gelijkenis van de troon" met "de gelijkenis als de gedaante van een mens, daar bovenop" (vers 26).
En samen met de profeet zien wij dat het hele wereldgebeuren naar de wil en de bedoeling van een Mens in de heerlijkheid geregeerd wordt: Christus Zelf, stralend in Goddelijke glans!
Voor deze wonderbare vertoning valt Ezechiël onmiddellijk op zijn aangezicht (vergelijk Openbaring 1 vers 12 - 17).
Evenals bij Jesaja, in hoofdstuk 6 van zijn Boek, vormt deze geweldig verschijning voor Ezechiël het uitgangspunt van zijn roeping en opdracht. De Geest van God grijpt hem, zet hem op zijn voeten en opent zijn verstand voor de Goddelijke woorden, waarmee hij zich eerst zelf moet voeden, voordat hij het kan doorgeven (vergelijk Openbaring 10 vers 8 - 11). Ten eerste ervaart hij hiervan de uitwerking op zijn eigen ziel. Het is namelijk onmogelijk het Woord op anderen toe te passen zonder eerst zelf de zoetigheid â of juist de scherpte â ervan ondervonden te hebben (hoofdstuk 3 vers 1 - 3; Jeremia 15 vers 16). In z'n algemeenheid geldt dat het geheim van een dienst die nuttig is voor de Heere, gelegen is in het zich van jongs af aan voeden met het Woord van God.
De HEERE zegt tegen Zijn boodschapper dat Israël zal weigeren om naar hem te luisteren, wat betekent dat ze in feite "niet naar Mij willen horen" (hoofdstuk 3 vers 7). Ook voor de christen van nu geldt dat zijn spreken geen eigen woorden zouden moeten zijn, maar dat het de woorden van de Heere moeten zijn (1 Petrus 4 vers 11). Zo'n boodschap laat geen ruimte over voor nutteloze discussies. En die boodschap moet in het hart opgenomen worden (hoofdstuk 3 vers 10).
Het voorhoofd van het huis van Israël was hard, maar de Heere gaf Zijn dienstknecht een des te grotere wilskracht (vergelijk hoofdstuk 3 vers 8 en 9 met Jesaja 50 vers 7 en Lukas 9 vers 51). Zijn naam houdt overigens ook die belofte in, want Ezechiël betekent: 'God zal versterken'.
Ezechiël wordt door de Geest van God naar Tel-Abib, midden onder de weggevoerden van zijn volk, gebracht (vers 15). Uit de mond van de HEERE verneemt hij zijn bestemming als wachter en ontvangt hij de, daarmee verbonden, dienstvoorschriften.
Deze post eist voortdurende waakzaamheid en tegelijkertijd een gewetensvolle zorgvuldigheid bij het overbrengen van de Goddelijke waarschuwingen. We moeten echter constateren dat het daarbij niet meer gaat om de oproep tot omkering voor het volk als geheel. De wetteloze moet gewaarschuwd worden; de verantwoording om te luisteren ligt bij ieder persoonlijk.
De verantwoording van de dienstknecht bestaat erin allen het Woord te brengen, ongeacht "hetzij dat zij horen zullen, of hetzij dat zij het laten zullen" (hoofdstuk 2 vers 5 en 7; 3 vers 11 en 27).
God beoordeelt hen die Hij in Zijn dienst gebruikt, niet naar de resultaten die zij boeken â zoals de mensen meestal doen â maar God kijkt naar hun trouw (1 Korinthe 4 vers 2). Daarom moeten wij ons niet laten ontmoedigen wanneer sommigen niet naar het Woord des levens willen luisteren, dat wij hen brengen.
Beste vrienden, het is heel ernstig eraan te denken dat elke gelovige zijn post als een wachter moet innemen en de opdracht heeft getuigenis af te leggen voor zijn Heere. Komen wij deze verplichting, deze taak na?
Vanaf hoofdstuk 4 confronteert de HEERE Ezechiël, door verschillende tekenen, met de smartelijke omstandigheden waardoor zijn volk heeft te gaan. Een dienstknecht van God die zelf de school van vernedering en lijden heeft doorlopen, kan naderhand veel meer begrip opbrengen voor hen die het dan hebben te ondergaan en kan hen met gezag vermanen. Hij kent de situatie uit eigen ervaring en kan hen op de juiste wijze waarschuwen.
Door op zijn zij te gaan liggen en zijn brood op uitwerpselen te bakken, droeg Ezechiël, in beeld, de gevolgen van de ongerechtigheid van zijn volk (hoofdstuk 4 vers 4). Daarna krijgt hij de opdracht van God om z'n haar en baard af te scheren. Dat was een veronterende handeling voor een priester, die in de wet verboden was (Leviticus 21 vers 5). Hoofdstuk 5 vers 11 en 12 geeft de symbolische betekenis van deze handeling weer. Israël, het sieraad van de HEERE, wordt terzijde gesteld en zal getroffen worden door verschillende oordelen, oordelen die uitgezocht zijn door Hem, Die de schuld van ieder persoonlijk afweegt (vers 1). Sommigen zullen, tijdens de belegering van de stad, het slachtoffer van de pest en de honger worden. Anderen zullen door het zwaard vallen. En weer anderen zullen ten slotte verstrooid en vervolgd worden. Mozes had deze straffen al aangekondigd (Leviticus 26 vers 14 en verder en Deuteronomium 28 vers 15 en verder). En sindsdien heeft de geschiedenis van Israël steeds bevestigd dat God niet anders kan dan Zijn Woord in vervulling doen gaan (Ezechiël 12 vers 28).
Is het ons opgevallen welke naam God aan Zijn dienstknecht geeft? "Mensenkind" of, zoals in andere vertalingen staat: "mensenzoon". (We kunnen ook zeggen: zoon des mensen. Dat is een titel van de Heere Jezus, van Wie Ezechiël een beeld is.) Deze naam legt de nadruk op de uitverkorene onder de mensen. Iemand die in staat is als een plaatsvervanger uit naam van het hele krachteloze mensengeslacht te spreken (zie Prediker 7 vers 28).
Nadat de HEERE in hoofdstuk 6 de verwoesting heeft aangekondigd, zegt Hij in hoofdstuk 7, op indringende wijze, dat de onheilvolle dag, de dag van Zijn toorn, gekomen is. Zijn grote geduld met het schuldige volk heeft eeuwen lang geduurd. Na talloze waarschuwingen gaat het nu uiteindelijk naar het einde.
Daarbij denken we aan het grote geduld dat God nu nog heeft met een wereld die Zijn Zoon gekruisigd heeft. Maar ook dat geduld zal eens eindigen op "de dag van de toorn". Wat zal dat een vreselijke, een ontzettende dag zijn, die met niets te vergelijken is (Romeinen 2 vers 5)! Hoofdstuk 7 van het Boek Ezechiël is daar slechts een zwak beeld van. De mensen zullen ontsteld zijn (vers 17 en 18). Het zilver en goud dat tot op dat moment almachtig was, zal dan waardeloos zijn geworden. Men zal het als vuil op de straten gooien, omdat men zich eindelijk bewust wordt dat de ziel er niet door gered kan worden. Op die dag zal het niemand kunnen verlossen, want God neemt niets anders aan tot verlossing van de mensen dan het kostbare bloed van Christus (vers 19; vergelijk Spreuken 11 vers 4 en 1 Petrus 1 vers 18 en 19).
In een volgend visioen wordt Ezechiël naar Jeruzalem gebracht, waar God hem de boze gruwelen toont die in het geheim in Zijn heiligdom bedreven worden. "Een beeld der ijvering, dat tot naijver verwekt" (vers 3) is het eerste wat Ezechiël daar ziet. Dat herinnert aan het beeld dat Manasse al in de tempel had laten oprichten (2 Koningen 21 vers 7 en 23 vers 6; vergelijk Mattheüs 24 vers 15). En als Ezechiël de muur doorbreekt (vers 8), betrapt hij niet het uitschot van het volk, maar ziet hij juist de oudsten van het volk, die in de duisternis bezig zijn met het vereren van allerlei beelden "van kruipende dieren en verfoeilijke beesten" (vers 10).
Dat mogen we vergelijken met de onreine vruchten van onze fantasie, dat wat zich in de verborgen schuilhoeken van onze arme harten vormt en waardoor het hart, als het ware, tot een onreine 'voorstelling' wordt gemaakt.
Te midden van al deze afgoden zien we een zekere Jaäzanja zijn functie uitoefenen. Dat is een zoon van de trouwe Safan (zie 2 Kronieken 34 vers 8, 15 en verder). Wat een verschil tussen vader en zoon!
Vervolgens laat de HEERE aan Ezechiël nog vrouwen zien die de Thammuz, een afschuwelijke afgod, bewenen. En ten slotte ziet hij vijfentwintig mannen. Dat is een beeld van de vierentwintig klassen van het priesterdom en de hogepriester zelf, zoals zij zich neerbuigen voor de zon (vergelijk Deuteronomium 4 vers 19 en 32 vers 16)!
Laten we eraan denken dat het God Zelf is Die het kwaad voor de ogen van de Zijnen blootlegt. Hij alleen kan ons geweten verlichten en ons de juiste gevoelens ervan geven, hoezeer Hij door dit kwaad in Zijn eer wordt aangetast.
Ezechiël heeft met eigen ogen kunnen constateren op welke gruwelijke wijze de eer van de Heere met voeten getreden werd. Daarom kan hij nu ook begrijpen hoe rechtvaardig de straf is die daarop volgt! En die straf staat voor de poort (vers 2)! Maar het zij verre van God dat Hij de rechtvaardigen met de goddelozen zal doen omkomen (Genesis 18 vers 25). In het midden van de zes mannen die met het gereedschap voor de verwoesting uitgerust zijn, bevindt zich nog een zevende persoon. Die heeft echter het gereedschap van de genade aan zijn heup gebonden: een "schrijvers-inktkoker". Dat zal hij, op bevel van de HEERE, gebruiken om een teken op het voorhoofd te maken van hen die zuchten en jammeren over de zonde (vers 4; vergelijk Openbaring 9 vers 4). Waarschijnlijk gaat het hierbij om de letter T, de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. Dat diende namelijk als teken en ondertekening; in Job 31 vers 35 lezen we ook: "Zie, mijn oogmerk" (of: ondertekening).
"De man, die met linnen bekleed was" (vers 3) doet ons denken aan de Heere Jezus. Hij heeft binnen de grote christenheid, die door het kwaad beheerst wordt en op het punt staat om geoordeeld te worden, Zijn zegel gedrukt op iedereen die Zijn eigendom is. De Heilige Geest is dat Goddelijke 'merkteken' waaraan God Zijn kinderen herkent.
Nadat alle getrouwen dit beschermingsteken ontvangen hebben, kan het vernietigingsbevel aan de wrekers gegeven worden. En het oordeel moet allereerst de meest verantwoordelijke personen treffen: het begint bij het verontreinigde heiligdom dat Ezechiël bezocht had (vers 6; vergelijk 1 Petrus 4 vers 17).
Dit is een heel ernstige kant van de geschiedenis van Israël! Eens had de HEERE Zich een woonplaats te midden van dit volk verkozen (Deuteronomium 12 vers 5). Hij was gekomen om die plaats in genade en tot welzijn van de Zijnen in te nemen. Zij waren er echter verantwoordelijk voor daar de heiligheid te bewaren die Zijn huis betaamt (Psalm 93 vers 5). Nu waren in deze heilige tempel echter de ergste heidense gruwelen bedreven. We mogen gerust zeggen dat dat de grootste uitdaging was. Ja, Israël had er alles aan gedaan om de HEERE uit Zijn heiligdom te verdrijven (hoofdstuk 8 vers 6). Daarom verwijdert God Zich nu! Maar het is aangrijpend te zien hoe langzaam Hij dat doet. Stap voor stap, om te laten zien hoe groot Zijn verdriet is, nu Hij weg moet gaan. Het is net alsof Hij tegen Israël wil zeggen: 'Houd je Mij dan niet tegen?'
De heerlijkheid blijft allereerst "op de dorpel van het huis" (vers 4 en hoofdstuk 9 vers 3). Dan verheft zij zich en blijft zij nog boven de ingang "de Oostpoort van het huis des HEEREN" staan (vers 19). Het lijkt alsof de heerlijkheid er niet toe kan besluiten om definitief weg te gaan.
Gelovige vrienden, laten we toch niet vergeten dat wij Gods tempel zijn en dat Zijn Geest in ons woont (in 1 Korinthe 3 vers 16 en 17 als Gemeente en 1 Korinthe 6 vers 19 in ieder persoonlijk). Als deze tempel (ons hart) met afgoden gevuld is (al is het maar gedeeltelijk), dan zal de bedroefde Geest niet meer kunnen werken en is de kostbare gemeenschap met God onderbroken. Hij is "een na-ijverig God" (Jozua 24 vers 19 en 20), Die het niet verdragen kan dat wij verdeeld zijn in onze toegenegenheid (2 Korinthe 6 vers 15 en 16).
Nadat wij in hoofdstuk 8 gezien hebben hoe de godsdienstige zonde van de bewoners van Jeruzalem geopenbaard werd, vinden we hier in de verzen 1 - 12 de zonde van hun politieke leiders. De God van Israël maakt Zich op, om hun raad en voorzorgsmaatregelen te verijdelen. En Hij geeft daarvan het bewijs door één van de mannen te doden, terwijl Ezechiël tegen hen spreekt.
"Ach, Heere HEERE! zult Gij gans een voleinding maken met het overblijfsel van Israël?", roept de profeet angstig uit. Nee, want zelfs zonder de volledige verstrooiing van het volk af te wachten, spreekt de HEERE er al over dat het weer bijeen vergaderd en hersteld zal worden. Hij zal hen "enerlei hart geven... een nieuwe geest... een vlezen hart" (vers 19). En voordat Hij Zijn heerlijkheid van dit verontreinigde heiligdom dat verwoest moet worden, helemaal terug zal trekken, belooft Hij aan hen die hun belofte ten opzichte van Hem zullen nakomen, dat Hij hen "een weinig tijd tot een heiligdom" zal zijn (vers 16). Wonderbare genade van God! De hulpbron uit 1 Koningen 8 vers 48 zal ontbreken, maar hoe ver ze ook door eigen schuld van Jeruzalem verwijderd zullen zijn, desondanks zullen ze Hem kunnen vinden en aanbidden.
Wat is deze gedachte en deze ervaring sindsdien tot grote troost geweest voor talloze eenzame gelovigen!
Het visioen van Ezechiël in Jeruzalem besluit ermee dat de heerlijkheid zich verwijdert van die plaats waar de discipelen later getuigen zouden zijn van de hemelvaart van de Heere Jezus (vers 23; Handelingen 1 vers 12). Daarna wordt de geest van de profeet teruggebracht naar Chaldea.
Jeremia droeg een juk om z'n hals (Jeremia 28 vers 10), en Ezechiël wordt hier opgeroepen "gereedschap van vertrek" te dragen. Hij moest dus spullen bij zich hebben die nodig zouden zijn om in ballingschap te gaan. De betekenis is dus dezelfde als bij Jeremia. Hiermee waren deze beide profeten tot een "wonderteken" (zinnebeeld) van hetgeen de HEERE van plan was te doen (vers 11).
Kinderen van God, ons hele doen en laten zou onze gehoorzaamheid aan God zichtbaar moeten maken. Het zou onze vreemdelingschap hier beneden moeten openbaren en moeten laten zien dat we spoedig zullen vertrekken, natuurlijk niet om in gevangenschap te gaan, maar om naar onze eeuwig Vaderhuis te gaan! Ezechiël werd ondervraagd over zijn vreemde gedrag (vers 9). Het zou bij ons ook vaker gebeuren dat mensen ons vragen gaan stellen, wanneer er maar meer trouw bij ons aanwezig was. Wanneer wij bang zijn om op te vallen en geen duidelijke positie van afzondering van de wereld innemen, dan laten wij menige gelegenheid om getuigenis af te leggen van de hoop die in ons is, voorbijgaan (1 Petrus 3 vers 15).
De bijzondere profetie van vers 13 is letterlijk in vervulling gegaan. Zedekia, die blind gemaakt was, heeft het land van zijn gevangenschap immers niet kunnen zien (vergelijk Jeremia 39 vers 7).
In de verzen 26 - 28 wordt ons meegedeeld hoe het huis Israëls dacht over de profetie die hen veroordeelde. Ze wagen het niet dit te weerspreken, maar ze schuiven de gedachten aan de vervulling daarvan wel zover mogelijk van zich af. Vandaag de dag lijkt het er soms ook op dat de slechte knechten van de Heere tegen Hem zeggen: 'Kom maar zo laat mogelijk terug!'
De levensduur van een gebouw hangt voor een groot deel niet alleen af van de stenen, maar juist van het cement dat gebruikt werd. Veel bouwwerken die de Romeinen bouwden, zijn vanwege de uitermate goede kwaliteit van het cement tot nu toe bewaard gebleven, terwijl de standbeelden die veel later gemaakt zijn, soms allang kapot zijn. Om de steeds groter wordende scheuren in de eenheid van Israël te verbergen, hadden de valse profeten gebruik gemaakt van het slechte cement van de "vrede" die geen vrede was (vers 10). Hun kalmerende toespraken konden echter niet verhinderen dat 'de muren' op de dag van de storm instortten (vergelijk Mattheus 7 vers 26 en 27).
Laten we nooit vergeten dat elke gelovige een arbeider van de Heere is! Het ene Fundament, Jezus Christus, is gelegd en iedere gelovige moet erop toezien met welk materiaal hij daarop bouwt (1 Korinthe 3 vers 10 - 15).
De verzen 17 - 21 laten ons zien dat de zielen van hen die slecht 'ingemetseld' zijn, letterlijk door nietigheden gevangen genomen worden, vooral door de ijdelheid van de mode en de geriefelijkheid, het gemak (2 Petrus 2 vers 14). Laten we toch waken over onze zielen!
In vers 22 wordt er nog een laatste oordeel uitgesproken over hen die "het hart van de rechtvaardige door valsheid hebt bedroefd gemaakt". Hoeveel heeft Christus hier op aarde moeten lijden door zulke huichelarij!
Het lijkt erop dat enkelen van de oudsten met goede bedoelingen naar Ezechiël toe gaan. Ze willen de HEERE om raad vragen. Maar de profeet wordt door zijn God gewaarschuwd zich niet door de schijn te laten bedriegen. Het hart van deze mannen was vervuld van de afgoden en die vormden een muur tussen hen en God. Ze zijn "allen door hun drekgoden van Mij vervreemd", lezen we in vers 5 (vergelijk Lukas 16 vers 15).
Eén van de lessen die we nooit mogen vergeten, is dat de belangrijkste voorwaarde om de gedachten van de Heere te kennen en te begrijpen, niet de mate van onze kennis, onze christelijke ervaring of onze Bijbelkennis is, maar juist de toestand van ons hart! Is ons hart oprecht voor God? Of verbergen wij dingen die we niet willen toegeven? Zijn er ook bij ons afgoden die diep geworteld in ons hart liggen? Dan hoeven we de oorzaak waardoor God soms niet op onze gebeden antwoordt, nergens anders te zoeken! Prent je de woorden van de Heere toch goed in: "Zonder Mij kunt gij niets doen" (vergelijk vers 5). Denk altijd aan het kostbare tegenovergestelde: "Indien gij in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden" (Johannes 15 vers 5 en 7).
We mogen het met de Psalmist zeggen: "HEERE! Gij doorgrondt en kent mij... Gij weet alles" en het met hem vragen: "Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten. En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op de eeuwige weg" (Psalm 139 vers 1,4, 23 en 24). Als dat ons oprechte gebed is, zal de Heere altijd antwoorden!
God laat Zijn dienstknecht weten welke oordelen Hij bereid heeft liggen: het zwaard, de honger, boos gedierte en de pest (vers 21). En Hij zegt dat zelfs de aanwezigheid van drie mannen van grote betekenis, zoals Noach, Daniël en Job, niet voldoende zou zijn om het schuldige land te redden. De HEERE verbindt de namen van deze drie uitzonderlijke getuigen, die in heel verschillende tijdperken geleefd hebben (Daniël leefde nog in Babel), om eraan te herinneren dat de vreze Gods en de gerechtigheid ten allen tijd gepraktiseerd kunnen worden. Zelfs in zulke duistere tijden die aan de zondvloed vooraf gingen! En op zo'n handelen zal God met persoonlijke uitredding antwoorden (vergelijk Spreuken 11 vers 8). Dus niemand heeft het recht om verontschuldigingen aan te voeren voor zijn doen en laten. Niemand kan zich beroepen op de omgeving waarin hij leeft, of op de invloeden waaraan hij is blootgesteld.
In hoofdstuk 15 zien we het beeld van de wijnstok Israël (zie ook hoofdstuk 17 vers 6; 19 vers 10). Als er dan geen vrucht te vinden was, dan kan toch het hout nog wel gebruikt worden voor het een of het ander (vers 3)? Absoluut niet! Het is waardeloos en alleen nog goed genoeg om verbrand te worden. Wat een vreselijk lot voor de onvruchtbare ranken van de wijnstok Israël ... en de ranken die de Vader noodgedwongen van de ware Wijnstok zal moeten wegsnijden (Johannes 15 vers 1 en 2)!
Dit aangrijpende hoofdstuk beschrijft het vreselijke gedrag van Jeruzalem tegenover de HEERE, aan Wie men alles te danken had. De onreine afkomst en de naaktheid van het kleine verachte kind dat na de geboorte op het veld geworpen en verlaten werd (wat bij sommige heidense volken vandaag ook nog gebeurt), brengen het medelijden naar voren van Hem Die, nadat Hij het kind in deze ellendige toestand heeft aangetroffen, het graag in leven wilde houden. Hij had later een verbond met het kind gesloten en kosten noch moeite gespaard om het gelukkig te maken. Deze Goddelijke zorg laat daarentegen de afschuwelijke ondankbaarheid van hen die zich overgaven aan de grootste afgodendienst en die de kostbare gaven van hun Weldoener misbruikten voor de bevrediging van hun eigen afschuwelijke hartstochten, des te duidelijker naar voren komen.
Deze verdrietige geschiedenis is inderdaad de geschiedenis van ieder mens. God heeft Zijn schepsel in de vreselijkste toestand van krachteloosheid en zedelijk verval gevonden (vergelijk Lukas 10 vers 30 - 35). Hij heeft er alles aan gedaan om de mens daaruit op te trekken en hem nieuw leven te geven. En hoe heeft de mens op al deze genade van God geantwoord (Lukas 8 vers 27 en 39)?
Beste vrienden, het is heel ernstig eraan te denken dat dit onbeschrijfelijke gedrag ook het onze is wanneer wij dat wat van de Heere is en tot Zijn verheerlijking zou moeten dienen, gebruiken voor onze eigen hartstochten. En dan maakt het niet uit of het daarbij gaat om materiële goederen of om onze lichamen (1 Korinthe 6 vers 19 en 20).
De betrekking van Jeruzalem tot de HEERE maakte haar zonden des te erger. In dit opzicht stond Sodom, ja zelfs Samaria, dat voor de Joden het onderwerp van diepste verachting was, minder schuldig (vers 52; Johannes 4 vers 9).
Wij weten overigens dat satan hen die in verbinding met God staan, soms tot een diepere val kan brengen dan andere mensen, want door hen wil hij juist de heerlijkheid van de Heere verduisteren.
De toestand van de zonde die in vers 49 beschreven wordt, moet ons tot nadenken stemmen: "hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid" en als gevolg daarvan: onvermijdelijke zelfzucht. Dat was ook het uitgangspunt, van waaruit Sodom uiteindelijk tot zulke vreselijke zonden kwam en waarvan de totale vernietiging het gevolg was (2 Petrus 2 vers 6).
En desondanks... tegen alle verwachting in zien we in de verzen 60 - 63 dat dat niet het definitieve lot is dat het ondankbare Jeruzalem zal ondervinden! Haar ontrouw heeft niets kunnen veranderen aan de trouw van haar Goddelijke Bruidegom. Eens zal de schuldige stad het onderwerp zijn van een nog groter erbarmen dan zij aan het begin heeft ervaren. Ja, de laatste woorden van deze hoofdstukken, die vol staan met schanddaden en gruwelen, bewerken bij ons één en al verbazing: "Wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan heb, spreekt de Heere HEERE" (vers 63; Romeinen 11 vers 33).
De gelijkenis van de beide grote arenden en de wijnstok, die in de verzen 11 - 21 uitgelegd wordt, illustreert de gebeurtenissen die zich destijds hebben afgespeeld. De koning van Babel, de eerste grote arend, voert Jojachin, de zwakke scheut van de koninklijke ceder, weg en eigent zich de rechten over de wijnstok Juda toe. Hij benoemt Zedekia tot leider en laat hem zweren in de Naam van de HEERE. Maar de koning van Juda aarzelt niet om deze eed te verbreken. Als werktuig in de hand van de HEERE bestraft de koning van Babel daarom deze trouweloze vorst, die het verbond verbrak, en voert hem weg in gevangenschap.
Deze wandaad van Zedekia woog heel zwaar, omdat daardoor de Naam van de HEERE tegenover de heidense volken onteerd werd. Dat liet zien hoe weinig deze Naam in eer gehouden werd door hen die deze Naam in zich droegen (Exodus 23 vers 21).
Als u, als jij, verlost bent door de Heere Jezus, dan ben je ervoor verantwoordelijk om "de goede Naam, Die over u aangeroepen is" (Jakobus 2 vers 7) voor de wereld om je heen te eren. De mensen in onze omgeving houden ons veel meer in de gaten dan wij denken; zonder medelijden zullen ze alles waarin wij niet consequent handelen, onder elkaar breed uitmeten, omdat ze dat kunnen gebruiken om zichzelf te verontschuldigen! En hoe zouden wij hen naderhand tot de Heiland kunnen leiden, voor Wie wij zo weinig genegenheid getoond hebben?
Het raadsel van hoofdstuk 17 wordt op Goddelijk wijze opgelost. God spreekt over de scheut die Hij nu Zelf â en niet meer de grote arend â van dezelfde Goddelijke ceder van David af zal nemen en als een krachtige boom, vol vruchten, op een hoge en verheven berg zal planten. We begrijpen dat het hierbij gaat om de Heere Jezus en Zijn toekomstig rijk (vergelijk Jesaja 11 vers 1 en Psalm 2 vers
In hoofdstuk 18 zien we een uiteenzetting tussen de HEERE en de mannen van Israël. In plaats van zich te verootmoedigen, als ze zien dat de tuchtigingen in vervulling gaan, proberen ze zich door een zelfbedacht spreekwoord te rechtvaardigen (vers 2). "De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden". Met andere woorden: onze generatie moet betalen voor de voorgaande; onze vaders hebben gezondigd en wij moeten nu de gevolgen daarvan dragen (zie Jeremia 31 vers 29 en 30). Dus ze beschuldigen God van onrechtvaardigheid! Maar dit hoofdstuk veegt al hun valse bezwaren onder tafel; zij oogsten wat ze zelf gezaaid hebben (Galaten 6 vers
Herkennen we bij deze mannen niet een verdrietige neiging van ons eigen hart? Ook wij proberen immers vaak de schuld voor onze eigen misstappen op de ander te schuiven. Dat verraadt onze blindheid en hoogmoed en die houding verhindert ons ook om de heilzame lessen van de Heere te leren (zie Genesis 3 vers 12 en Romeinen 2 vers 1).
Dit hele hoofdstuk onderstreept de persoonlijke verantwoordelijkheid van elke ziel (van ieder mens) ten opzichte van God. En we herhalen het nog een keer: niemand wordt gered door de Godvrezendheid van zijn ouders of grootouders, en dat gebeurt evenmin door het (trouw) bezoeken van de samenkomsten van de kinderen van God. "De ziel, die zondigt, die zal sterven" (vers 20). "Want de bezoldiging van de zonde is de dood" (hoewel er hier in Ezechiël slechts sprake is van een lichamelijke dood), "maar de genadegift van God is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heere" (Romeinen 6 vers 23).
God werd door dit blinde en schuldige volk beschuldigd van onrechtvaardigheid (zoals veel ongelovigen vandaag nog doen), en daarin gingen ze zelfs zover dat ze zeiden: "De weg des Heeren is niet recht" (vers 25 en 29; hoofdstuk 33 vers 17 en 20).
Dan ziet God Zich als het ware gedwongen om te vragen: 'Heb Ik lust in de dood van de wetteloze?' Wat een vraag! In Zijn oneindige liefde wil God, onze Zaligmaker, "dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen" (1 Timotheüs 2 vers 4; 2 Petrus 3 vers 9). Daarom zijn de laatste woorden van dit hoofdstuk nog een keer een oproep van Zijn genade aan Zijn volk... en misschien ook aan jou: "Bekeert u en leeft!"
Net als de gelijkenis van de twee grote arenden in hoofdstuk 17 laat het beeld van de leeuwin en haar jongen de gebeurtenis van de laatste koningen van Juda en haar tragische geschiedenis zien. De zonen van de trouwe Josia, Joahaz en Jojakim, bevestigen beiden wat de HEERE in het voorgaande hoofdstuk gezegd had. Deze slechte vorsten droegen de straf voor hun eigen zonden en de gerechtigheid van hun vader had geen macht om het te bevrijden (zie hoofdstuk 18 vers 5 en verder en 10 - 13).
Opnieuw wordt er gesproken over de gevangenschap van de laatste koning van Juda en over de vernietiging door vuur van de wijnstok Israël. Misschien vragen sommigen zich af, waarom deze gebeurtenissen toch zo'n grote plaats innemen in het Boek van God, terwijl ze in de gewone geschiedenisboeken nauwelijks genoemd worden. Maar in de ogen van God gaat het om een groot keerpunt in de geschiedenis van de mensheid. De zetel van Zijn regering verliet Israël voor meerdere eeuwen. Jeruzalem was niet langer de plaats waar de HEERE Zijn woning hier op aarde had.
De tijd (bedeling) van de volken begon, die tot op heden nog voortduurt en pas zal eindigen met de oprichting van het rijk van Christus en het herstel van Israël.
De oudsten, die, zoals het lijkt, niets geleerd hebben van hun eerste bezoek (hoofdstuk 14), komen opnieuw bij Ezechiël. Door Zijn dienstknecht laat God hun de lijst met de gruwelen die in Israël bedreven zijn, voorlezen, en nu niet meer in symbolische taal â een lijst die zo oud is als de geschiedenis van dit volk.
In Egypte waren ze al in opstand gekomen en hadden ze geweigerd hun afgoden weg te doen. Ze hadden niet willen luisteren naar Hem, Die Zich openbaarde (vers 8). Opdat er toch wel naar Hem geluisterd zou worden, had de HEERE Zijn volk in de woestijn geleid. Niets maakt meer indruk dan de stilte van de woestijn. Daarom is dat zo'n gunstige plaats om naar God te (leren) luisteren. Daar wordt men niet door allerlei geluiden afgeleid. Daar in de Sinaï werden aan Israël de inzettingen en de rechten van de HEERE meegedeeld (vers 10 en 11). Later predikte Johannes in de woestijn dat men berouw moest hebben en kondigde hij de komst van de Messias aan (Johannes 1 vers 23). En ten slotte zal het volk, voor de verschijning van de Heere, nogmaals in de woestijn geleid worden, opdat God daar tot hun harten kan spreken (Hosea 2 vers 13). Mozes, Paulus en vele andere dienstknechten werden gedurende lange tijd in de woestijn toebereid op hun dienst (Exodus 3; Galaten 1 vers 17 en 18).
Beste vrienden, laten wij daarom niet in opstand komen wanneer wij door de Heere in die noodzakelijke stilte geleid worden. Op welke wijze dat ook mag gebeuren (gedwongen eenzaamheid, langdurige ziekte, enzovoort), laten we er dan altijd aan denken dat het de Heere Zelf is Die die plaats voor ons bepaald heeft.
God leidt de Zijnen niet alleen in de woestijn om tegen hen te spreken, maar doet dat ook wanneer Hij hen wil tuchtigen. En we begrijpen best waarom. Evenmin als ouders hun kinderen in het bijzijn van vreemden zullen bestraffen, maar hen even apart nemen, zo is ook de tuchtiging een zaak tussen God en Zijn verlosten. Het gaat om iets waar de wereld niets mee te maken heeft. Maar ach! Hoe vaak zijn we niet bang om alleen te zijn met de Heere. Dat komt doordat we een slecht geweten hebben en dan proberen we Hem te ontlopen door helemaal op te gaan in onze dagelijkse bezigheden. Toch is het beslist noodzakelijk dat de gelovigen 'gereinigd' worden. God kan geen compromissen, noch bepaalde vermengingen bij hen verdragen. En wat betreft hen die weigeren naar Hem te luisteren, het zij zo, laat hen dan maar hun afgoden dienen (vers 39; vergelijk Hosea 4 vers 17 en Openbaring 22 vers 11), maar ze moeten niet doen alsof ze Hem ook dienen.
We weten dat het hele geslacht van de krijgslieden van Israël in de woestijn gevallen is en dat alleen het geslacht van de kleine kinderen in het land Kanaän is ingegaan (Deuteronomium 2 vers 14). Wanneer het ogenblik zal zijn aangebroken dat de tien stammen, die nu nog in "de woestijn van de volkeren" (vers 35) verstrooid zijn, bijeen verzameld worden, dan zal God opnieuw de opstandelingen treffen, want niemand van hen mag in Zijn land komen. Pas daarna zal Hij de offergaven van Zijn volk kunnen aannemen en er een welgevallen in hebben (vers 40 en 41; Maleachi 3 vers 4).
"Is hij niet een verdichter van gelijkenissen?", zei men, met een zekere verachting, van Ezechiël. Zijn uitspraken leken voor het volk alleen maar moeilijk te begrijpen omdat men ze niet wilde begrijpen. Op dezelfde wijze beroepen de ongelovigen zich vandaag de dag ook nog op de moeilijkheden in het Woord van God. Dat gebruiken ze als een uitvlucht om zich niet aan dat Woord te onderwerpen.
In dit vreselijke hoofdstuk wordt het zwaard, het eerste van de vier vernietigende oordelen (zie hoofdstuk 14 vers 21), uit de schede getrokken, om de straf te voltrekken. De HEERE maakt gebruik van de koning van Babel om het zwaard te hanteren. We zien hem "aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen" om zijn goden te raadplegen (vers 21).
Zal hij zijn aanval beginnen bij Jeruzalem of bij "Rabba der kinderen Ammons"? In de ogen van het volk van Juda is deze waarzegging vals en waardeloos (vers 23). En dat was zeker het geval! Maar de HEERE, Die boven alles staat, heeft tot de val van Jeruzalem (vers 27) en het eind van het koningschap besloten. De kroon zal van de onheilige en goddeloze vorst van Israël (vers 25) afgenomen worden (de onheilige is hij die de zegeningen van God met voeten treedt; vergelijk hoofdstuk 22 vers 26 en in Hebreeën 12 vers 16, het voorbeeld van Ezau).
Voortaan zal er geen nakomeling van David meer op de troon zitten, "totdat Hij komt, Die daartoe recht heeft", dat is Christus (vers 27).
Jeruzalem wordt hier "de bloedstad" genoemd (vers 2). Alle lagen van de bevolking, elke rang en stand, stonden schuldig. De vorsten hadden als wolven het bloed vergoten, op alle mogelijke manieren de wet overtreden en de zielen verdelgd (vers 6 en 27). De valse profeten hadden geplunderd, de kostbaarheden weggenomen en de zielen verslonden (vers 25 en 27). En ten slotte had het volk zich schuldig gemaakt aan afpersing en roof en verdrukte het de "ellendige en nooddruftige" (vers 29). De HEERE had tevergeefs uitgezien naar een man "die de muur mocht optrekken" en die, zoals Mozes, voor Hem "in de scheur voor Zijn aangezicht gestaan had" ten behoeve van het land (vers 30; Psalm 106 vers 23)!
Deze tweevoudige taak komt overeen met de opdrachten voor de christen: waken en bidden. Waken om het binnendringen van het kwaad en de wereld, in de Gemeente en in onze harten, te verhinderen. En in het gebed opkomen voor het getuigenis van de Heere.
De grote waarde die God aan de afzondering van de Zijnen hecht, wordt door hoofdstuk 23 nog een keer onderstreept. In het beeld van de vreselijke daden van Ohola (Samaria of de tien stammen) en Oholiba (Jeruzalem en Juda), spreekt God tot ons over de strafwaardige verbindingen van Israël met de buurlanden: Egypte, Assyrië en Babel, en van Zijn tuchtiging, waarvoor Hij deze landen gebruikte. Wanneer een christen verbindingen heeft aangeknoopt met de wereld, moet hij ook vaak door middel van hun hand de straf ondergaan.
Hier begint een nieuw gedeelte in de profetie, gedateerd op de dag waarop de laatste belegering van Jeruzalem begint (vergelijk 2 Koningen 25 vers 1). Opnieuw maakt God een vergelijking met een pot (hoofdstuk 11 vers 3). Hij verkondigt dat niet alleen de inhoud (de bewoners van de stad) zal verbranden, maar dat ook de pot zelf (Jeruzalem, met zijn hardnekkige roest) in het ontstoken vuur zal smelten.
Het vreselijke einde van de stad is ons bekend (2 Kronieken 36 vers 19). Maar ook voor Ezechiël zelf brengt diezelfde dag lijden en verdriet met zich mee: zijn vrouw wordt hem plotseling ontnomen. Door zijn eigen omstandigheden laat de profeet aan het volk weten welk leed hun zal overkomen wanneer de HEERE hun het dierbaarste zal ontnemen: hun hoofdstad en hun heiligdom.
Hier zien we in waarheid dat een dienstknecht van God aan de beproevingen van hen onder wie hij leeft, moet deelhebben. Wat heeft deze man Gods een leed ondervonden! En we zien hoe hij zich aan alles wat de God van Israël van verlangt, onderwerpt, om een "wonderteken" voor zijn volk te zijn (vers 27) .
Geve de Heere, dat wij bruikbare werktuigen voor Hem zijn en dat wij gehoorzame discipelen zijn, ook al verlangt Hij misschien niet van ons dat wij zulke grote offers brengen!
Net als in andere profetieën volgen ook hier, op de aankondiging van de oordelen over Israël, voorzeggingen met betrekking tot de volken (zie Jesaja 13 - 23; Jeremia 46 -51).
Hoofdstuk 21 heeft ons al van de koning van Babel laten zien, hoe hij aarzelde om "Rabba der kinderen Ammons" eerder aan te vallen dan Jeruzalem. En bij die gelegenheid kondigen de verzen 28 - 32 van datzelfde hoofdstuk het oordeel over deze nakomelingen van Lot aan, die voortdurend de vijanden van Israël waren. De kinderen van Ammon waren destijds gespaard gebleven, maar in plaats dat zij daaruit iets leerden, toonden ze een boosaardig leedvermaak over het ongeluk dat het heiligdom, het verachte land Israël en het koninkrijk van Juda trof (vers 3 en 6). Men had gespot met Israël en het ongeluk dat haar overkwam (Spreuken 17 vers 5), maar over de HEERE wordt in Spreuken 3 vers 34 ook gezegd: "Zeker, de spotters zal Hij bespotten". En in het Nieuwe Testament wordt deze tekst aangehaald: "God weerstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade" (Jakobus 4 vers 6; 1 Petrus 5 vers 5). Ja, hoogmoed was het kenmerk van Ammon en zijn broeder Moab (Zefanja 2 vers 8; Jesaja 16 vers 6). Maar de HEERE zal hen vernederen en hun land aan de plunderende nomaden ten eigendom geven (vers 4 en 10).
De Edomieten en de Filistijnen hebben zich ook schuldig gemaakt ten opzichte van Israël. Beide volken hebben van de ondergang van Israël gebruik gemaakt om zich te wreken vanwege oude zaken (vers 12 en 15). Maar zij kregen zelf met de wraak van de HEERE te maken.
De hoofdstukken 26 - 28 zijn gewijd aan Tyrus, een welvarende Fenicische stad en de heerseres over de zeeën en hét handelscentrum van de oudheid. Zoals een handelaar zichzelf feliciteert met het verdwijnen van de naburige concurrent, zo verheugde Tyrus zich ook over het ongeluk dat Jeruzalem trof. Maar juist deze gevaarlijke blijdschap vormde de aanleiding tot haar eigen ondergang.
Hoofdstuk 27 geeft een opsomming van haar klandizie en leveranciers en vormt een lange lijst van goederen waarin destijds gehandeld werd. Tyrus is een beeld van de wereld en haar rijkdommen. De mensen hebben altijd gemeend dat een hogere levensstandaard hét middel was om de mensheid uit al haar moeite en ellende te bevrijden. En nog steeds wordt alles op alles gezet om aan deze materiële welvaart te werken. Alle pogingen van de mens zijn erop gericht om de wereld mooier en het leven aangenamer te maken.
Al dit streven naar vooruitgang â wat zeer zeker niet tot doel heeft om de zielen tot God te brengen (!) â heeft slechts tot gevolg gehad dat men zeer tevreden was met zichzelf (hoofdstuk 27 vers 3). Dat is ook de aanmatiging van Laodicéa: "Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb aan geen ding gebrek". Onder al die kostbare waren van Tyrus zoekt men echter tevergeefs naar het goud dat in het vuur beproefd is, dus naar de Goddelijke gerechtigheid. Ook de "witte klederen" van de praktische wandel en de "ogenzalf" van de Heilige Geest, voor het oog van het geloof, is daar niet te vinden. Dat alles kan men slechts 'kopen' bij de Heere Jezus (Openbaring 3 vers 17 en 18).
De geweldige vorst van Tyrus, die zichzelf als een god verhoogd heeft, is het onderwerp van een profetie die op hem persoonlijk van toepassing is. Zijn straf herinnert ons aan het oordeel dat Herodes trof, want hij vond het prachtig om door de Tyriërs en de Sidoniërs gevleid te worden, die van hem zeiden: "Een stem van God, en niet van een mens!" (Handelingen 12 vers 20 - 23).
In het beeld van de koning van Tyrus wil God tot ons spreken over een geheimzinnig en vreselijk iemand, over satan zelf. De vorst van deze wereld, waarvan Tyrus een beeld is, benut de rijkdommen van de wereld om de hartstochten van de mensen te bevredigen en om hen in zijn slavernij te houden.
Uit de verzen 12 - 15 weten wij dat satan niet altijd de vijand van God en de gelovigen geweest is. Als een wonderbare cherub, "vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid", was hij ook volkomen in zijn wegen, tot op de dag dat er ongerechtigheid in hem gevonden werd (vers 15). In zijn hart had hij zich zo verheven dat hij zijn plaats als schepsel heeft verlaten en zelf als God wilde zijn (vers 2; Jesaja 14 vers 13). Hoogmoed heeft "het oordeel van de duivel" tot gevolg (1 Timotheüs 3 vers 6). En door zijn verzoeking: "gij zult als God wezen" (zie Genesis 3 vers 5) heeft satan ook de mensen in zijn val meegesleurd. Maar hij is op het kruis door Christus overwonnen en de Bijbel laat ons het vreselijke lot zien dat hem nog te wachten staat (Openbaring 20 vers 10).
Na Tyrus volgt een korte profetie over diens 'buurman' en bondgenoot Sidon. Sidon behoorde tot hen die het huis van Israël verachtten (vers 24 en 26) en zal de HEERE, door Zijn oordelen, leren kennen.
Daarna volgen vier hoofdstukken (29 - 32) die voor het overgrote deel aan Egypte gewijd zijn. Dit volk, een rivaal van Assyrië en daarna van Babel, speelde een grote rol in de geschiedenis van Israël. Egypte streefde ook naar de wereldheerschappij. God gaf dat echter aan Nebukadrezar en Egypte werd, op haar beurt, een provincie van het grote Babylonische rijk.
Je kunt je afvragen waarom God het éne heidense volk voorgetrokken heeft boven het andere, om te heersen over de wereld. Maar één van de redenen waarom Egypte vernederd moest worden, was de valse hoop die Israël op dat volk gesteld had (hoofdstuk 29 vers 6 en 16). Het mocht niet de schijn hebben dat Juda en haar koningen gelijk gehad zouden hebben door op Egypte te steunen.
Egypte was een geknakte rietstaf, die de hand verwondde van degene die op haar leunde (vers 6 en 7; Jesaja 36 vers 6). In Zijn grote trouw heeft de Heere het al vaker goed geacht om onze menselijke steunpunten weg te nemen, om onze eigen nietigheid te openbaren en ons te leren alleen op Hem te vertrouwen!
De HEERE is niet vergeten dat Egypte voortdurend tot een valstrik voor Zijn volk was geweest. En nu liet Hij dat zien! Bovendien gaf Hij dit land aan Nebukadrezar als een beloning voor zijn werk tegen Tyrus (hoofdstuk 29 vers 19 en 20). De slagen waarmee Egypte zou worden geslagen, doen ons denken aan de plagen die dit land, in de dagen van Mozes, verwoestten: haar rivieren en kanalen, haar afgoden en haar bewoners. Het ergste was de dood van de eerstgeborenen geweest, toen de Heere het oordeel over alle drekgoden van Egypte voltrok (vers 13; Exodus 7 vers 5). Het voltrekken van al deze oordelen aan de volken zou inderdaad resultaat boeken, dat als een refrein aan het slot van elke profetie herhaald wordt: "Zij zullen weten, dat Ik de HEERE ben" (hoofdstuk 23 vers 49; 24 vers 27; 25 vers 5, 7, 11 en 17; 26 vers 6; 28 vers 24 en 26; 29 vers 21; 30 vers 19 en 26).
De heilige God weet alles van ieder mens en het is onmogelijk om aan Zijn eisen, met betrekking tot de zonde, te ontkomen. Vandaag openbaart Hij Zich in Jezus Christus echter nog als de Heiland-God! Kent u, ken jij Hem als zodanig? Dan mag je instemmen met het volgende lied:
0 Heiland-God, Uw liefde is groot! U had geen lust in onze dood, maar in ons heil en leven. U hebt reeds in de eeuwigheid besloten om Uw heerlijkheid en 't zoonschap ons te geven. In Christus zijn we U aangenaam. Wij mogen als Uw kind'ren saam, U Abba Vader noemen. O Vader, zo dichtbij gebracht, bewond'ren wij Uw liefdemacht. U willen we eeuwig roemen.
Denk erom, iedereen die vandaag niets van Zijn genade wil weten en Hem nu niet als Heiland wil leren kennen, zal later in het oordeel Hem als Rechter ontmoeten (Amos 4 vers 12; Handelingen 17 vers 30 en 31)!
Dit hoofdstuk (maar ook de volgende), lijkt ons misschien heel moeilijk. Maar de profetieën die we daarin tegenkomen, worden een stuk duidelijker voor ons wanneer wij ze plaatsen in het licht van de eindtijd. Daarmee bedoelen we: het tijdstip waarop alle menselijke en nationale machten die tegen Israël gestreden hebben, geslagen zullen worden, om daarna plaats te maken voor de heerschappij van Christus.
In dit "klaaglied" (vers 16) wordt ons het lot van de volken op een symbolische wijze voorgesteld. Ze ontmoeten elkaar "in de onderste plaatsen der aarde", en bevinden zich te midden van de verslagenen (vers 18 en 21). Het eerst lezen we over Assur, het Assyrië van de laatste dagen, die machtige boom, waarvan de val in hoofdstuk 31 beschreven wordt. Dan worden Elam (Perzië) en Mesech-Tubal (Rusland) genoemd. Ook Edom, de vorst van het Noorden, zien we daar en de Sidoniërs, maar ook de Farao en "zijn ganse menigte". Grote en kleine volken komen daar op die onheilvolle plaats samen, nadat zij kortere of langere tijd een bepaalde rol gespeeld hebben op het toneel van deze wereld. Wat is er van hun glans terechtgekomen? Welk nut heeft al die heldenmoed gehad? De schrik die zij eerder verbreidden, imponeert nu niemand meer en is zelfs tot een schande voor henzelf geworden (vers 30). Alles wat zo hoog in aanzien stond "in het land der levenden", stelt op de drempel van de eeuwigheid niets meer voor. Dan krijgt iedereen slechts één vraag te horen: 'Staat je naam in het Boek des levens?' (Openbaring 20 vers 15).
Aan het begin van dit nieuwe gedeelte van het Boek Ezechiël herinnert God de profeet aan zijn opdracht als wachter (zie hoofdstuk 3 vers 16 en verder). Hij moest de wetteloze waarschuwen en hem vermanen op de weg van ongerechtigheid om te keren. Dat is ook nu de taak van iedere verloste van de Heere, want zo iemand heeft immers, door het Woord van God, kennis van de ernst van de tegenwoordige tijd. Wanneer mijn bazuin een onzekere toon afgeeft (1 Korinthe 14 vers 8) of zelfs zwijgt, zal God zeker een andere wachter voor Zich uitkiezen. Maar... ik heb dan mijn plicht verzaakt, heb niet aan mijn verantwoording beantwoord en zal daarvoor rekenschap hebben af te leggen. De apostel Paulus heeft deze dienst in Efeze echter wel trouw vervuld en kan het tegen de oudsten van de stad zeggen: "...dat ik rein ben van het bloed van u allen... dat ik... niet opgehouden heb een ieder met tranen te vermanen" (Handelingen 20 vers 26, 27 en 31).
Vers 10 kan toegepast worden op allen die zich wel van de last van hun zonden bewust zijn, maar die God, Die vergeeft, nog niet kennen. Als antwoord op die angstige vraag herhaalt de HEERE Zijn kostbare woorden uit hoofdstuk 18 vers 23: "Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft" (vers 11). "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderft, maar het eeuwige leven heeft" (Johannes 3 vers 16).
Ezechiël krijgt bericht over de verovering van Jeruzalem. De HEERE had hem tevoren gezegd op welke wijze hij daarvan op de hoogte gebracht zou worden (vergelijk vers 21 en 22 met hoofdstuk 24 vers 25 - 27). Vanwege de hoogmoed van hen die in Judea overblijven, zal Hij nu het land in een woestenij veranderen.
Het slot van dit hoofdstuk is heel ernstig (vers 30 - 33). Het laat zien dat de woorden van Ezechiël gewaardeerd werden: een liefelijk lied, een mooie stem! Maar ach! in het praktische leven hadden deze woorden voor hen geen enkele betekenis! En ongetwijfeld was dat de reden waarom de profeet, voor een bepaalde tijd, stom gemaakt werd (vers 22); dat was een oordeel over het volk en niet over hemzelf. De trompet van een wachter weerklinkt niet om zich over de melodie daarvan te verheugen. Nee, het gaat juist om een waarschuwingssignaal! Wee hen die er geen acht op slaan!
Is het vandaag anders? Het lijkt erop dat sommige, zogenaamde, christenen de verkondiging van Gods Woord graag horen, maar... absoluut niet geneigd zijn hetgeen hen geleerd werd, in praktijk te brengen! Hoe komt dat? Door gebrek aan oprechtheid! De schijn die men hoog houdt, komt niet overeen met de ware toestand van het hart (zie het slot van vers 31; Jesaja 29 vers 13).
O, dat de woorden van onderstaand lied toch ook de praktijk van alledag voor ons mogen zijn:
Welzalig hij die 't Woord der waarheid wil geloven en door Uw Woord en Geest, zich willig leiden laat. Hij geeft de wereld op en zoekt de dingen boven, waar Christus Jezus is, Die boven alles gaat!
Dit hoofdstuk veroordeelt, op scherpe wijze, de slechte herders (de koningen, vorsten en aanvoerders van het volk). Zij hebben niet alleen verzuimd zich om de zwakke, zieke, verwonde of verdwaalde schapen te bekommeren, maar hebben zichzelf zelfs verrijkt, ten koste van de kudde. Ze hebben gehandeld zonder God te vrezen en zonder liefde voor het volk. Ze deden juist alsof de kudde hun eigendom was en hebben erover geheerst, in plaats van er voorbeelden voor te zijn (1 Petrus 5 vers 2 - 4).
Met het oog op deze plichtsverzaking besluit de HEERE om Zichzelf om Zijn schapen te bekommeren. "Ziet, Ik, ja Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze opzoeken", zegt Hij (vers 11). En wij kennen de wonderbare liefde van de "Herder van Israël" (Psalm 80 vers 2), die, in tegenstelling tot de slechtheid van de andere herders, zo duidelijk naar voren komt. Hij belooft te midden van Zijn schapen te zullen zijn, hen te zullen "uitvoeren", te "vergaderen", "bij de stromen" en naar "goede weide" te zullen brengen. En zij zullen "neerliggen in een goede kooi" (vergelijk Psalm 23).
Het verlorene wil Hij zoeken, het weggedrevene terugbrengen, het gebrokene verbinden en het kranke sterken (vers 15). Hierbij gaat het om de definitieve bijeenbrenging en zegening van het volk Israël, in de toekomst.
Maar het is tevens een kostbaar beeld van de liefdevolle zorg van de Heere voor Zijn verlosten van vandaag, ja, voor ieder die Hem toebehoort, persoonlijk (lees 1 Petrus 5 vers 7).
De HEERE bekritiseert, op indringende wijze, de zelfzucht van de sterke en vette schapen en belooft het onrecht tegenover de magere en zwakke schapen te vergelden. Vervolgens wijst Hij met welgevallen en liefde â wat we heel goed kunnen begrijpen â op de herder die Hij zal verwekken: op Zijn knecht David. Door hem, die eerst een trouwe herder van de kudde van zijn vader en daarna van het volk Israël was (1 Samuël 17 vers 34 en 35; 2 Samuël 5 vers 2), wil God tot ons spreken over Zijn Geliefde.
"Ik ben de goede Herder" (Johannes 10 vers 14), kon de Heere Jezus zeggen, in tegenstelling tot alle slechte herders van wie aan het begin van dit hoofdstuk sprake was. Hij was met ontferming bewogen over de scharen in Israël, "omdat zij vermoeid en verstrooid waren, als schapen die geen herder hebben" (Mattheus 9 vers 36). Het kenmerk van de goede Herder is echter, dat Hij Zijn leven aflegt voor de schapen (Johannes 10 vers 11). Dat is het hoogste bewijs van Zijn goedertierenheid, die alle zorg die in dit hoofdstuk beschreven wordt, ver te boven gaat. En Hij voegt eraan toe: "Ik ken de Mijnen, en word door de Mijnen gekend" (Johannes 10 vers 14). Dit zijn woorden die we met de verzen 30 en 31 van ons hoofdstuk kunnen vergelijken!
Wat een aangrijpende uitdrukking: "Mijn schapen, schapen van Mijn weide!" (vergelijk Psalm 100 vers 3). In Ezechiël 36 vers 38 lezen we nog andere aanduidingen: "...de geheiligde schapen, ...de schapen van Jeruzalem..., mensenkudden".
Van de buren van het volk Israël was vooral de schuld van Edom groot (vers 5). Hoofdstuk 35 is een profetie tegen deze nakomelingen van Ezau. Bij al het leedvermaak dachten ze bovendien gebruik te kunnen maken van de verwoesting van Israël en het land in bezit te kunnen nemen (hoofdstuk 35 vers 10). Maar de Heere was daar aanwezig en Hij waakte! Had Hij het al niet, voordat Jakob en Ezau geboren werden, gezegd: "...en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal de mindere dienen"? (Genesis 25 vers 23). En Hij neemt Zijn woord nooit terug.
Edom had gespot met "de eeuwige hoogten" (of "eeuwige heuvels"), die God Zelf zo genoemd had in de beide zegeningen van Jozef (vers 2; Genesis 49 vers 26; Deuteronomium 33 vers 15). Deze bergen en heuvels hadden "de smaad der heidenen gedragen" (vers 6), want naar heidens gebruik had het goddeloze volk daar, in de dagen van Salomo, hoogten opgericht (1 Koningen 11 vers 7). Het zal de Heere echter behagen hen met vruchten te vervullen (vergelijk Psalm 72 vers 16)
Net als eens de ongelovigen, zo zeggen de vijanden van dit land dat het zijn bewoners "opeet" (vers 13; Numeri 13 vers 32). Maar God zal het de volken niet meer toestaan om Zijn volk te bespotten en het erfdeel van Zijn volk met schande te overladen. Het zal niet meer "op de klapachtige lip en in opspraak van het volk" komen (vers 3).
God spreekt nu over het werk dat Hij door Zijn Geest in de harten van de zonen van Israël â en in het hart van ieder mens â zal volbrengen. Laten we de verzen 25 - 27 maar eens vergelijken met dat wat de Heere Jezus zegt over de nieuwe geboorte van Nicodémus. "Zo iemand niet geboren wordt uit water (vers 25) en Geest (vers 27), hij kan in het Koninkrijk van God niet ingaan" (Johannes 3 vers 5). Het water, dat reinigt, is altijd een beeld van het Woord, dat door de Heilige Geest toegepast wordt op hart en geweten, om tot heil aangenomen en geloofd te worden (vergelijk Johannes 4 vers 14).
Het nieuwe leven, dat gratis aan allen die geloven, gegeven wordt, is de voorwaarde om in het rijk en in de familie van God in te kunnen gaan. Maar het is niet voldoende dat een klein kind ter wereld komt. Het moet naderhand ook leren lopen en naar school gaan. Zo is het ook met een kind van God (vers 27).
Bovendien zal het vroeger of later geestelijke ervaringen moeten opdoen: "gij zult een walging van uzelf hebben" (vers 31; zie hoofdstuk 6 vers 9; 20 vers 43). De Geest van God leidt de wedergeboren ziel naar deze zelfkennis (vergelijk Job 42 vers 6).
Nicodémus, de leraar van Israël, had deze dingen moeten weten (Johannes 3 vers 10). In de Profeten was er namelijk nadrukkelijk op gewezen (zie ook Ezechiël 11 vers 19; Jeremia 24 vers 7 en verder). Maar hoe is dat met jou, beste vriend? Jij bent misschien van kind af aan in deze dingen onderwezen. Zou jij het daarom nog niet veel beter moeten weten?
Dit buitengewone hoofdstuk completeert het voorgaande, door ons te laten zien hoe God deze keer Zijn geheel herstelde volk nieuw leven geeft. Zoals de verzen 11 - 14 zeggen, heeft dit aangrijpende gezicht betrekking op de nationale opstanding van Israël (na de opname van de Gemeente). De tegenwoordige terugkeer van een aantal Joden naar Palestina lijkt de inleiding hiertoe te zijn. Op het woord van de profeet komen de beenderen bij elkaar, worden met spieren, vlees en huid overdekt, maar hun dode toestand verandert niet. Dat is een nationale opwekking, die niet te vergelijken is met de geestelijke opwekking die het volk ervaren zal wanneer Christus Zijn heerschappij zal aanvaarden. Inderdaad, om leven te geven, moet de Geest van God werkzaam zijn, en Hij zal het doen door het geweten en de genegenheden van het volk op te wekken (Psalm 104 vers 30).
Het totale onvermogen van de mens zelf wordt benadrukt door de vraag die aan de profeet gesteld wordt (vers 3). In deze beenderen is geen kracht, noch leven. Maar dat alles laat juist de macht van God, "Die de doden levend maakt, en roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren" (Romeinen 4 vers 17), des te duidelijker naar voren komen.
En het werk dat Hij in ons volbracht heeft, is nog veel groter, nog veel wonderbaarlijker! Wij die eertijds dood in zonden en misdaden waren, heeft Hij levend gemaakt met Christus (Johannes 5 vers 21; Efeze 2 vers 5; Kolosse 2 vers 13).
Ten gevolge van de ontrouw van Salomo hadden de tien stammen, onder de regering van zijn zoon Rehabeam en onder aanvoering van Efraïm, zich afgescheiden van Juda en Benjamin. Sindsdien is deze breuk nooit meer hersteld. Dat zal echter wel gebeuren wanneer Christus zal verschijnen om te heersen; en Ezechiël kondigt dat aan, door middel van de beide stukken hout die in zijn hand tot één geheel worden (vergelijk Jeremia 3 vers 18). De HEERE laat zien dat Hij, zonder dat moment af te wachten, de eenheid van het volk altijd in Zijn gedachten heeft gehad. En evenmin hebben de profeten, en later de apostelen, het geheel van de twaalf stammen ooit uit het oog verloren (1 Koningen 18 vers 31; Handelingen 26 vers 7; Jakobus 1 vers 1).
Zo is het ook met de Gemeente van de Heere Jezus. Door de schuld van de mens is haar eenheid niet meer zichtbaar, maar in Zijn ogen blijft zij desondanks bestaan. Dat moeten we nooit vergeten! Met het oog op de totale verwarring en scheuringen in de christenheid is het troostvol eraan te denken, dat er één ware Gemeente is, samengesteld uit alle ware gelovigen. "Eén Lichaam is het" en "één Heere": Christus, van Wie David hier een beeld is (Efeze 4 vers 4 en 5; 1 Korinthe 12 vers 5 en 12).
"Zij zullen allen tezamen een enige Koning tot koning hebben; en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn" (vers 22). "Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen tezamen één Herder hebben" (vers 24; vergelijk Johannes 10 vers 16).
In de hoofstukken 38 en 39 verschijnt er een vreselijke persoonlijkheid ten tonele. In de profetie zijn we hem al eerder onder de naam van de Assyriër tegengekomen. Hier draagt hij de naam Gog, en zijn heerschappij strekt zich uit tot aan Magog, het voormalige land van de Scythen, ten Noorden van de Zwarte Zee, een volk dat eens als ontzettend barbaars bekend stond (vergelijk Kolosse 3 vers 11). Gog is de vorst van Rosch (zoals in sommige Bijbelvertalingen vermeld staat), Mesech en Tubal (zie Genesis 10 vers 2). In deze namen kunnen we iets terugvinden van Rusland, Moskou en Tobolsk (een stad in Siberië). Aan de spits van een geweldig bondgenootschap van Aziatische volken zal deze leider, veel gruwelijker dan Attila of welke veroveraar uit de geschiedenis dan ook, als een stormwind het land Israël overrompelen, om het in bezit te nemen. Maar God zal direct, vanuit de hemel, ingrijpen om hen te vernietigen (vers 22) en bovendien zullen deze verschillende nationaliteiten en rassen elkaar onderling ombrengen (vers 21). Er is vaak maar weinig voor nodig om de vriend van gisteren in een verbitterde vijand te veranderen.
Op deze manier werden eens ook Josafat en het volk Juda gered (2 Kronieken 20 vers 23).
Beste vrienden, zou Hij, Die zulke bevrijdingen kan bewerken, door welke gevaren dan ook die ons bedreigen, verrast kunnen worden? Laten we het handelen toch aan Hem overlaten, wanneer wij met de aanvallen van de vijanden te maken hebben!
Gog en zijn bondgenoten, zijn trawanten, met hun talloze troepen, zullen "op de bergen Israëls" vernietigd worden. Om ons een indruk te geven van de omvang van deze geweldige, laatste aanval, wordt in vers 9 gezegd dat de bewoners nadien zeven jaar lang kunnen stoken van de achtergelaten krijgsuitrusting en vers 14 voegt eraan toe, dat men zeven maanden nodig heeft om de doden te begraven. Zo zal het land dat Gog wilde innemen, tot zijn eigen graf worden. En bovendien zal God een gericht zenden over Magog, het eigen gebied van de aanvaller.
Alles wat betrekking heeft op de vernietiging van de Assyriër met zijn legers, is meer dan twintig eeuwen geleden in het Boek van God opgeschreven (vergelijk hoofdstuk 38 vers 17). Maar dat zal de door satan verblinde mensenmenigte er niet van weerhouden om zich naar de plaats te begeven die bestemd is voor haar eigen bloedbad.
Zo vertelt het Evangelie, al meer dan tweeduizend jaar, waarheen de brede weg leidt (Mattheus 7 vers 13). Desondanks is het aantal mensen dat blindelings deze weg in het verderf volgt, ontzettend groot.
De gebeurtenissen die hier in Ezechiël beschreven worden, zijn de laatste die voorafgaan aan de heerschappij van Christus. Voortaan zal Israël in vrede wonen; niemand zal het meer verschrikken en vele heidense volken zullen de HEERE leren vrezen.
Vanaf het veertigste hoofdstuk tot aan het slot van dit Bijbelboek zijn we getuige van een heel nieuw visioen van de profeet. Dat verplaatst ons naar het land Israël, in de tijd van het duizendjarig vrederijk. Het herstelde en bijeen-vergaderde Israël woont nu in veiligheid; de Heilige Geest is over het volk uitgegoten (hoofdstuk 39 vers 25 - 29). Nu is het een welgevallen voor God om Zijn eigen woonplaats op aarde te beschrijven, de plaats waar Zijn heerlijkheid opnieuw zal kunnen wonen.
Zoals de HEERE ten tijde van Mozes op de berg het model van de eerste woning getoond had (Exodus 25 vers 40; Hebreeën 8 vers 5), openbaart Hij op een andere berg in een gezicht aan Ezechiël alle details van de toekomstige tempel. En ieder van ons mag de vermaning uit vers 4 op zichzelf toepassen: "Hoor met uw oren, en zet uw hart op alles wat Ik u zal doen zien".
De profeet onderzoekt achtereenvolgens drie poorten, waardoor men toegang heeft tot de voorhof. Elke poort lijkt op een klein huisje, met een gang in het midden en aan weerszijden drie kamers.
Laten we eraan denken dat het meetriet dat de rondleider gebruikt, "van zes ellen, elke el van een el en een handbreed" was (vers 5; dat wil zeggen zeven handbreedtes), een maat die alleen door God gebruikt wordt! Dat moet ons leren alles naar Zijn maatstaf, de maatstaf van het heiligdom, te beoordelen!
In het eerste deel van dit Boek hebben we gezien dat de tempel van Salomo ontwijd werd, dat God daar niet meer gediend werd, dat de priesters daarin zelfs de afgoden aanbaden en de koningen hun taak volledig verzaakt hebben. Ten gevolge daarvan werd de tempel verwoest, het Joodse volk weggevoerd en als volk terzijde gesteld.
Maar God staat nooit toe, dat Zijn plannen door de ontrouw van mensen doorkruist worden! Hij moet op dezelfde plaats waar Hij onteerd werd, geheel verheerlijkt worden. De beloften, aan David gegeven, moeten in vervulling gaan. Er moet een nieuwe tempel gebouwd en een nieuw priesterdom ingesteld worden. En dat alles onder de heerschappij van een nieuwe Koning â Christus â Die in gerechtigheid over een berouwvol volk zal regeren. Dat alles zal in het duizendjarig rijk verwerkelijkt worden, ten tijde van de "wederoprichting van alle dingen", waarover Petrus spreekt (Handelingen 3 vers 21).
Dat is het onderwerp van de hoofdstukken 40 - 48. En laten wij ons door de Heilige Geest door deze Schriftgedeelten laten leiden, zoals de profeet hier stap voor stap door zijn wonderbare gids geleid werd. Met Zijn hulp zullen ook wij deze wonderbare tempel, als het ware, bezoeken, de tempel die eens in Jeruzalem gebouwd zal worden, opdat men daar God kan vinden en aanbidden.
De profeet en zijn gids zijn via de zuilengang het huis binnengegaan. Het is, evenals de tempel van Salomo, in een heiligdom van veertig el lengte ingedeeld, en met het heilige der heiligen, in de vorm van een kubus, waarvan elke zijde twintig el lang is. Ondanks de aanmerkelijke oppervlakte die door het heiligdom en de zijvertrekken ingenomen wordt â en die ons van de grootheid van het rijk van Christus spreekt â zien we dat de maten binnenin precies overeenkomen met die van de eerste tempel (1 Koningen 6 vers 17 en 20).
Het plan van God is onveranderlijk; Zijn bedoelingen, met betrekking tot Christus en de zegen voor de wereld, zijn niet veranderd. En Hij neemt de moeite om Zijn gedachten lang van tevoren, als een getuigenis van Zijn trouw en goedertierenheid, in Zijn heilig Boek voor te stellen. Hij zal volvoeren wat Hij Zich heeft voorgenomen.
Het lezen van deze gedeelten zou in het bijzonder tot het geweten van de Israëlieten moeten spreken en hen bewijzen, dat Gods gedachten nog altijd uitgaan naar dit volk.
Vanaf vers 15 wordt er een beschrijving gegeven van het gebouw, daarna van het altaar en ten slotte van de deuren van het heiligdom. Hun versiering geeft uitdrukking aan de kenmerken van de heerschappij: macht in het oordeel (de cherubs, die met de uitvoering daarvan vertrouwd zijn); vrede en overwinning (de palmen).
Behalve de zijkamers, die, zoals bij de eerste tempel, het huis met drie verdiepingen omringen (hoofdstuk 41 vers 6 en verder; vergelijk 1 Koningen 6 vers 5), staat de priesters nog een groot aantal andere kamers ter beschikking, die op de voorhof uitkomen. Hier moeten ze de allerheiligste dingen eten, het daar neerleggen en daar ook van kleding die voor het verrichten van hun dienst nodig is, wisselen (vers 13 en 14).
In tegenstelling hiermee denken we weer aan het hemelse deel van de verlosten van de Heere, die allen "een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen" (2 Korinthe 5 vers 1).
De Heere Jezus kon het tegen Zijn discipelen zeggen, dat er in het Huis van Zijn Vader vele woningen zijn (dat betekent dat er plaats is voor allen; Johannes 14 vers 2). Toen Hij hen verliet, ging Hij heen om hen in dit hemels heiligdom, waar alle gelovigen heel binnenkort door Hem ingevoerd zullen worden, een plaats te bereiden.
Laten we er goed om denken, dat de kamers heilig (vers 13), de priester heilig en de offeranden allerheiligst zijn. God denkt aan de verontreinigingen die vroeger door goddeloze koningen in Zijn tempel bedreven werden (hoofdstuk 43 vers 8). Voortaan zal een geweldige muur van vijfhonderd rieten (roeden) lang en breed het heiligdom met de zijkamers omringen, om scheiding aan te brengen tussen het heilige en onheilige (vers 20).
Het toekomstig heiligdom werd bezichtigd en rondom gemeten. Als alles klaargemaakt is, afgezonderd van het onheilige, ontbreekt er nog één ding, de reden van haar bestaan: de tegenwoordigheid van God. Nu voltrekt zich de wonderbare gebeurtenis , zoals dat ook gebeurde op de dag van de inwijding van de tempel van Salomo: de heerlijkheid van God, die de profeet in hoofdstuk 11 zag verdwijnen, komt terug om het huis te bewonen. Hier verschijnt deze heerlijkheid, komend vanuit het Oosten, na zoveel eeuwen van afwezigheid! En deze terugkeer gaat gepaard met een onvergelijkbare belofte: "Ik zal in het midden van hen (de kinderen Israëls) wonen in eeuwigheid" (vers 7 en 9; zie ook Haggaï 2 vers 10).
De waakzame profeet heeft dit gezicht niet alleen voor zichzelf ontvangen. God roept hem op, de zonen van Israël te informeren over het huis en het algemene bouwplan (vers 10). De uitwerking die dat op hen zal hebben, is opmerkelijk: er is geen bewondering, noch vreugde, maar allereerst beschaming! En pas nadat deze verootmoediging in de harten bewerkt zal zijn, zal Ezechiël hun alle details van de nieuwe tempel kunnen laten zien (vers 11).
Laten we dit belangrijke grondbeginsel zelf nooit vergeten, want voor alle tijden geldt: de Heere kan Zijn gedachten pas dan meedelen wanneer we eerst onze eigen harten geoordeeld hebben.
In hoofdstuk 41 werd het altaar van hout, dat zich binnen in het gebouw bevindt, genoemd. En nu gaat het om het brandofferaltaar, dat midden in de voorhof staat. We lezen hoe dat altaar eruitziet, welke afmetingen het heeft en ten slotte lezen we de aanwijzingen die betrekking hebben op de dienst aan dit altaar.
Velen verbazen zich er misschien over, dat er in de toekomstige tempel weer sprake zal zijn van het brengen van offers, omdat men dat in tegenspraak vindt met de volmaaktheid en voor altijd geldende werk van Christus. De Brief aan de Hebreeën bevestigt inderdaad, dat het bloed van stieren en bokken onmogelijk zonden kan wegnemen. Daarom is de Heere Jezus gekomen, om eens en voor altijd "een slachtoffer voor de zonden" te offeren (Hebreeën 10 vers 1 en verder). Het gaat hier echter niet om een stap terug; het werk dat de Heere Jezus op het kruis volbracht heeft, vormt de grondslag voor de zegeningen voor zowel Israël als de Gemeente (Psalm 22 vers 23 en verder). We kunnen daarom begrijpen dat de offers die in de toekomst op dit altaar gebracht zullen worden, niet dienen om te herinneren aan de zonden, maar opdat juist het offer van Christus in gedachtenis wordt gehouden. Als een zichtbaar teken van herinnering, dat nodig is voor het vergeetachtige mensenhart, zal het dan voor het Israël van God en het volk dat geboren zal worden, in zekere zin de betekenis hebben zoals het avondmaal nu voor de christenen (Psalm 22 vers 31); beiden hebben het karakter van de herinnering aan Christus' offer. "Doet dat tot Mijn gedachtenis" (1 Korinthe 11 vers 24)!
Met uitzondering van de vorst (die op de onderworpen en gezegende aarde, de plaatsvervangende koning en een beeld van Christus daarboven is), zal niemand meer gebruik mogen maken van de poort waardoor de heiligheid van de HEERE naar binnen is gegaan. Opnieuw een tegenstelling met de christen! Die heeft namelijk vrije toegang tot de hemelse gewesten, waar zijn Verlosser is, en wel op dezelfde weg van opstanding.
Ezechiël aanschouwt de heerlijkheid die het heiligdom vervult, en valt, net als aan het begin, op zijn aangezicht (vers 4; hoofdstuk 1 vers 28). Nu zegt de HEERE hem welke verplichtingen de heiligheid van Zijn tegenwoordigheid met zich meebrengt. Geen enkele vreemdeling die onbesneden van hart of vlees is, zal in Zijn tempel mogen binnengaan. Vandaar dat het nodig is de poorten te bewaken. De HEERE bepaalt Zelf wie de wachters zullen zijn (vers 11). Zij moeten zich opstellen in de wachterkamers, die binnenin elke poort gemaakt moeten worden, en moeten de identiteit van iedereen die naar binnen wil, controleren.
Deze taak komt toe aan de Levieten. Zij waren "het huis Israëls tot een aanstoot van de ongerechtigheid geweest", omdat zij "hen gediend hebben voor het aangezicht van hun drekgoden" (vers 12; Maleachi 2 vers 8 en 9). De barmhartigheid van God vertrouwt hun toch weer een werk toe, dat echter van minder betekenis is dan hun vroegere opdracht.
Daarin ligt ook een belangrijke les voor ons! Onze ontrouw brengt onherroepelijk gevolgen met zich mee, niet voor de dienst op zich, maar voor onszelf. Het kan zijn dat er dan een deel van de taken van ons wordt afgenomen en aan trouwe arbeiders wordt gegeven.
Eleazar en Ithamar, de zonen van Aäron, hadden beiden de priesterdienst vervuld, na de dood van hun broeders Nadab en Abihu (Numeri 3 vers 4). Vanwege de verdorvenheid van de zonen van Eli en het verraad van Abjathar (1 Samuël 3 vers 12 en 13; 1 Koningen 1 vers 7 en 8; 2 vers 27) verspeelden de nakomelingen van Ithamar later hun rechten. Daarom wordt nauwkeurig bijgehouden dat de priesters zonen van Zadok, uit de familie van Eleazar, zijn (1 Kronieken 6 vers 50 - 53). Het recht op uitoefening van deze dienst kan dan ook niet op grond van persoonlijke capaciteiten verworven worden, maar is enkel en alleen gegrond op geboorterecht (Psalm 87 vers 5). Dat gold toen, maar geldt evengoed voor vandaag. De verlosten van de Heere hebben alleen op grond van wedergeboorte allen het voorrecht tot het beoefenen van die prachtige priesterdienst.
Maar zoals het met elk voorrecht is, brengt ook deze verplichtingen met zich mee. De aanwijzingen die de priesters hier ontvangen, zijn heel precies, zowel voor het vervullen van hun dienst alsook voor hun gezinsleven (vergelijk Leviticus 21). Ze moeten speciaal letten op reinheid!
Dat is ook onze verantwoording; ook wij moeten oppassen voor elke vorm van verontreiniging, wij die door genade tot "een heilig priesterdom" geworden zijn, "om geestelijke offeranden op te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus" (1 Petrus 2 vers 5; vergelijk ook 1 Thessalonika 4 vers 4).
Het hefoffer is een bepaald stuk land dat bij de verdeling van het land voor de HEERE bestemd was. De priesters zouden daar wonen (vers 4). Daarna wordt het eigendom van de Levieten, de stad en de vorst bepaald, want God waakt erover dat er in Israël geen verdrukking noch ongerechtigheid meer zal zijn (vers 9 en hoofdstuk 46 vers 18).
Dezelfde uitdrukking, hefoffer', heeft ook betrekking op de gaven die de Israëlieten, overeenkomstig de opbrengst van hun velden en kudden, aan de HEERE zullen brengen (vergelijk Leviticus 27 vers 30). Als christenen, onder de genade, zijn wij niet verplicht een bepaald deel van hetgeen wij bezitten, te geven. Maar zouden wij daarom minder bereidwillig zijn om voor de dienst van de Heere te geven?
In de verzen 15 en 17 komen we de verschillende offers tegen die in het Boek Leviticus voorgeschreven zijn. Het brandoffer doet ons denken aan Christus, Die Zich aan God geofferd heeft tot een welriekende reuk (Efeze 5 vers 2). Het spijsoffer spreekt over Zijn leven van lijden en overgave. Het vredeoffer spreekt ons erover dat we ons met Christus kunnen voeden; in Hem zijn wij verzekerd van alle zegeningen en dat vormt de grondslag voor onze aanbidding. In het zondoffer wordt ons ten slotte het heilige Offer voorgesteld, Dat door God gezonden werd tot verzoening voor onze zonden (1 Johannes 2 vers 2; 4 vers 10).
Hoofdstuk 45 besluit met de aanwijzingen voor het Pascha, het eerste van de grote jaarlijkse feesten (Deuteronomium 16). Voortaan zal elke Israëliet de kostbare betekenis daarvan begrijpen en aan het Lam van God kunnen denken, Wiens bloed hem voor het oordeel heeft beschermd.
Het tweede feest, het feest der weken (pinksteren), wordt hier niet genoemd. We begrijpen waarom, want dat feest heeft betrekking op de Gemeente, welks deel hemels is en waarvoor dus geen plaats is in dit beeld van het aardse rijk.
In vers 25 is er daarentegen wel weer sprake van het derde feest, dat eenvoudig "het feest" genoemd wordt. Het gaat om het loofhuttenfeest, waar echter maar heel weinig over gezegd wordt, omdat het een beeld van het duizendjarig vrederijk is, dat dan gekomen zal zijn.
Hoofdstuk 46 spreekt over het feest van de sabbat en het feest van de nieuwe maan en geeft aanwijzingen over de verplichtingen van de vorst met betrekking tot deze beide feesten.
Misschien verbazen we ons erover dat dit profetisch gezicht zo belangrijk is en daarom zo precies omschreven wordt. Maar â we herhalen het nog eens â nadat God zoveel oneer werd aangedaan in Israël, is het volkomen terecht en juist dat er zoveel nadruk gelegd wordt op de toekomstige godsdienst, waarin Hij bevredigd en eindelijk verheerlijkt zal worden hier op aarde. En Hij wil graag dat wij ons samen met Hem verheugen, wij die Hem nu als Zijn hemels volk mogen loven.
Er blijft nog een wonderbaar detail in deze tempel van de toekomst voor de profeet over om te overdenken. Vanonder de drempel, evenals vanonder de troon van God Zelf, borrelt water op uit een frisse, krachtige, onuitputtelijke bron. Het stroomt en breidt zich steeds verder uit (hoewel er geen sprake is van aanvoer), en Ezechiël gaat met zijn hemelse begeleider langs de oever. Bij iedere volgende duizend el wordt hij opgeroepen om door het water te gaan. En al gauw vindt hij geen grond meer onder de voeten, "want de wateren waren hoge wateren, waar men door zwemmen moest" (vers 5).
Wat een kostbaar beeld van de stroom van genade, die voor ons uit het heiligdom voortkomt! Net als de profeet leren ook wij de diepte van deze stroom steeds meer waarderen, naarmate wij meer ervaringen opdoen in ons christelijk leven, totdat wij ons ervan bewust worden, dat deze genade ondoorgrondelijk is (2 Petrus 3 vers 18).
Deze buitengewone rivier zal naar het Oosten stromen en het gebied dat tegenwoordig de meest woeste plaats op aarde is, dan leven en vruchtbaarheid brengen. Daarbij gaat het om het gebied van de Dode Zee (vers 8; vergelijk Joël 3 vers 18 en Zacharia 14 vers 8). Het zoute water zal dan gezond gemaakt worden en ook rijk aan vis zijn; de woestijn zal veranderen in waterbeken (Jesaja 41 vers 18); niets zal dan meer herinneren aan de vloek van Sodom. Op deze manier brengt de Goddelijke en levengevende genade vruchten voort voor God, overal waar het zich uitbreidt, ook in onze harten (Johannes 7 vers 38).
De grenzen van het land Israël worden vastgesteld en binnen deze grenzen krijgt elke stam zijn erfdeel. Dat is een rechte strook grond, dat zich van de Middellandse Zee tot ver over de Jordaan uitstrekt (tot aan de Eufraat, overeenkomstig de Goddelijke beloften, die dan eindelijk in vervulling zullen gaan: Exodus 23 vers 31; Jozua 1 vers 4).
Wanneer wij deze opdeling vergelijken met de ingewikkelde lijn van grenzen, die oorspronkelijk door Jozua en zijn boden vastgelegd werden (Jozua 18), dan komen we tot bewondering, hoe eenvoudig alles is, wanneer God de dingen bepaalt! Elk gebied wordt gelijkmatig verdeeld, zodat er geen jaloezie kan ontstaan, noch commentaar gegeven kan worden (lees Jozua 17 vers 14). En als om elke strijdvraag te voorkomen, bepaalt de HEERE Zelf dat Jozef twee delen zal ontvangen (vers 13; de vervulling van Genesis 48 vers 5).
Ruben, Gad en de halve stam Manasse hadden destijds hun deel verkozen buiten het gebied van de andere stammen. Nu zullen zij te midden van hun broeders wonen, binnen de grenzen die God hun heeft aangewezen (hoofdstuk 48 vers 4, 6 en 27). Dan zal er ook geen scheiding meer bestaan tussen Juda en de tien stammen. De ene groep zal dan in het Noorden, de andere in het Zuiden wonen, aan weerskanten van "de heilige heffing". Op deze manier zal voortaan Psalm 133 vers 1 in praktijk gebracht worden: "Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen".
Men heeft het Boek Ezechiël vaak vergeleken met het Boek Openbaring. Beide Boeken beginnen met een heerlijk, maar ook ernstig visioen, beschrijven vervolgens de toekomstige oordelen en besluiten uiteindelijk met een beeld van de gelukzalige toekomstige regering.
Maar Ezechiël beziet deze gebeurtenissen vanuit een ander gezichtspunt, en wel met betrekking tot Israël. Het Boek Openbaring daarentegen geeft ons in de laatste hoofdstukken, op symbolische wijze, een voorstelling van hetgeen betrekking heeft op de Gemeente en haar hemelse toekomst. De heilige stad, die in Openbaring 21 beschreven en gemeten wordt, is daar een beeld van. In de hemel komt zij overeen met het aardse Jeruzalem, waarvan we lezen in de verzen 30 - 35; ook zij heeft twaalf poorten, waarop de namen staan van de twaalf stammen van Israël (Openbaring 21 vers 12; vergelijk ook wat in Ezechiël 47 vers 1 en 12 over de rivier gezegd wordt, met Openbaring 22 vers 1 en 2).
De prachtige naam die de stad in de toekomst zal dragen: "De HEERE is aldaar", herinnert ons eraan dat het nieuwe Jeruzalem "de tabernakel van God" zal zijn (Openbaring 21 vers 3); ja nog meer: dat de hoogste gedachte van God in Christus is, dat God uiteindelijk "alles in allen" zal zijn (1 Korinthe 15 vers 28).
Geve de Heere dat Hij nu al in het hart van ieder van ons mag wonen!
Het evangelie naar Lukas brengt ons de Heere Jezus in zekere zin het dichtste bij ons. In dit evangelie mogen we Hem namelijk bewonderen als de volmaakte Mens. God heeft Lukas â de geliefde arts, die tot op het laatst een trouwe begeleider van de apostel Paulus was (Kolosse 4 vers 14; 2 Timotheüs 4 vers 11) â uitverkoren om ons deze openbaring van de Heere Jezus te geven. Dat wordt gedaan in de vorm van een bericht, dat aan een zekere Theofilus (= door God geliefd) is geschreven.
Het thema waarover de evangelist wil schrijven, brengt hem ertoe dit heel zorgvuldig te doen. Het betreft namelijk de wijze waarop de Heere Jezus de gestalte van een Mens aannam en Zijn intrede deed in deze wereld. Natuurlijk had de Heere Jezus als een volwassene hier op aarde kunnen komen. Hij wilde onze geschiedenis echter helemaal Zelf doorleven, vanaf de geboorte tot aan de dood, maar dan tot verheerlijking van God.
Het begin van de beschrijving laat ons Zacharias zien, een Godvrezende priester, die zijn dienst vervult in de tempel. Terwijl hij op deze plechtige plaats met het reukoffer bezig is, bemerkt hij plotseling tot zijn grote schrik dat hij niet meer alleen is. Aan de rechterkant van het reukofferaltaar staat een engel, die een Goddelijke boodschap mag doorgeven: Zacharias en zijn vrouw Elizabeth zullen een zoon krijgen. Vanaf zijn geboorte zal deze jongen afgezonderd zijn voor God. Hij zal tot een groot profeet worden, met de speciale opdracht om Israël voor te bereiden op de komst van hun Messias (vergelijk vers 17 met Maleachi 4 vers 5 en 6).
Het hart van Zacharias blijft ongelovig ten opzichte van deze geweldige boodschap. Toch is het, desondanks, een verhoring van zijn gebeden (vers 13). Ach, wij zijn niet beter. Soms verwachten wij ook niet meer dat datgene zal gebeuren waar wij de Heere om gebeden hebben. Op de vraag van Zacharias: "Waarbij zal ik dat weten?" (vers 18), openbaart de hemelse boodschapper zijn naam: "Gabriël" (vers 19). Die naam betekent: God is machtig. Ja, hetgeen de engel uit naam van God mocht overbrengen, zal ondanks de verdrietige en verstandelijke redeneringen van Zacharias toch voor hem in vervulling gaan. En Zacharias zal tot aan de geboorte van het kind niet meer kunnen spreken, terwijl zijn vrouw Elizabeth, die het onderwerp van Goddelijke genade is, zich bescheiden verborgen zal houden, om de aandacht niet op haarzelf te richten.
Daarna krijgt de engel Gabriël nog een buitengewone opdracht: hij moet naar Maria, een maagd uit Israël, gaan en haar vertellen dat zij de moeder van de Heiland zal worden. Wat een wonderbare gebeurtenis, met onafzienbare gevolgen!
We kunnen best begrijpen dat Maria hierdoor erg opgewonden is en helemaal van slag raakt. Maar ondanks dat zij denkt aan een onmogelijkheid, blijkt uit haar vraag in vers 34 geen verlangen naar een teken (een kenmerk van ongeloof), zoals dat wel het geval was bij Zacharias (vers 18). Maria gelooft en onderwerpt zich aan de Goddelijke wil en zegt: "Zie, de dienstmaagd des Heeren" (vers 38).
Verwacht Hij, Die ons verlost heeft, niet hetzelfde antwoord van ons?
Maria kan niet anders dan de blijde boodschap waar de engel met haar over gesproken heeft, met Elizabeth delen. Vandaar dat ze vlug naar haar familie toe gaat.
Wat een geweldig gesprek vindt er plaats tussen deze beide vrouwen! Dat is een prachtige illustratie van Maleachi 3 vers 16: "Alsdan spreken, die de HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste..." Wat hen beiden bezighoudt, is de heerlijkheid van God, de vervulling van Zijn beloften en de zegeningen die het gevolg van geloof zullen zijn.
Zijn dat ook de onderwerpen waarover wij spreken, wanneer wij elkaar als kinderen van God ontmoeten?
"Zalig is zij die geloofd heeft", roept Elizabeth uit (vers 45). En Maria antwoordt: "Mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker" (vers 47). Dat is voldoende bewijs, dat Maria niet anders dan door geloof behouden is. Als zondares had zij, evenals alle mensen, de Heiland nodig, Die door haar geboren zou worden. Zij voegt eraan toe: "Omdat Hij de lage staat van Zijn dienstmaagd heeft aangezien" (vers 48). Ondanks de buitengewone eer die haar ten deel is gevallen, blijft Maria de plaats innemen die haar past, ten opzichte van Hem. Wat zou zij gezegd hebben als ze had geweten van de cultus waarvan zij in de rooms-katholieke wereld het onderwerp is geworden?
"Rijken heeft Hij ledig weggezonden" (vers 53). God stuurt alleen hen leeg weg die vervuld zijn van zichzelf. Het is heel opmerkelijk hoe de prachtige lofprijzing van Maria lijkt op die van Hanna, in 1 Samuël 2.
Elizabeth brengt het kind ter wereld dat "een profeet van de Allerhoogste" wordt (vers 76). De buren en de familie zijn blij met haar. Ja, de eerste hoofdstukken van het Lukasevangelie staan vol met blijdschap (hoofdstuk 1 vers 14, 44, 47 en 58; hoofdstuk 2 vers 10)!
Nu heeft Zacharias de gelegenheid om zijn geloof te tonen, door de prachtige naam van het kind te bevestigen (Johannes betekent: de Heere is genadig). Onmiddellijk daarna kan hij weer praten en met zijn eerste woorden looft en prijst hij God. Vol van de Heilige Geest roemt hij de grote redding, die de HEERE ten gunste van Zijn volk zal volbrengen.
En als christenen hebben wij nog veel meer reden om het loflied aan te heffen! Door het komen van Christus en het volbrengen van Zijn werk op het kruis, heeft God ons niet van aardse vijanden, maar van de macht van satan bevrijd. Wanneer wij daarvan verlost zijn, is het dan geen groot voorrecht voor ons om de Heere "zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons leven" te dienen (vers 74 en 75)?
Zacharias voegt eraan toe: "...waarmee ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte" (vers 78). Ten tijde van Ezechiël had de heerlijkheid zich verheven en vervolgens teruggetrokken. En nu â wat een wonderbare gebeurtenis â komt deze Goddelijke heerlijkheid terug, om het krachteloze en ellendige volk op te zoeken (vers 79). En dat niet meer in de vorm van een verblindende wolk, maar in de gedaante van een bescheiden, klein Kind.
Zonder het te weten, wordt keizer Augustus één van de werktuigen in de hand van God, die Hij gebruikt om Zijn wonderbare raadsbesluiten te vervullen. Bij allen onbekend, begeven Jozef en Maria zich naar Bethlehem, waar de geboorte van de Heere Jezus plaatsvindt. Maar op welke wijze deed de Zoon van God Zijn intrede hier beneden! Hij werd in een kribbe gelegd, omdat er in de herberg geen plaats voor Hem was! Zijn komst stoort de wereld. Vele harten lijken op deze herberg: er is geen plaats voor de Heere Jezus.
Het zijn niet de groten van deze aarde, maar eenvoudige herders aan wie de blijde boodschap wordt verkondigd, namelijk "dat u heden geboren is de Zaligmaker" (vers 11). Hij is voor hen en voor ons geboren. Ook al bekommert de wereld zich niet om de geboorte van de Verlosser, toch roemt de hele hemel in dit onvergelijkbaar geheim: "God is geopenbaard in het vlees.... gezien van de engelen" (1 Timotheüs 3 vers 16). Zij zijn het die God in een wonderbaar koor de eer geven, vrede op aarde en Gods welgevallen aan de mensen verkondigen (vergelijk Spreuken 8 vers 31). Dankzij het teken dat aan de herders gegeven werd, vinden zij het Kind. Ze vertellen wat zij zojuist hebben gezien en gehoord, en geven op hun beurt ook God de eer (vers 20).
Laten we ons bij hen aansluiten met onze dank en onze lof!
In verbinding met het Kind werd alles gedaan wat de wet van de Heere voorschreef. (De aanduiding "Heere" wordt in de verzen 22 - 24 vier maal herhaald, als om aan te tonen, dat God recht op dit Kind heeft en dat Gods wil bij dit Kind van jongs af aan vervuld wordt.) Uit het offer dat Jozef en Maria in de tempel brengen, blijkt duidelijk hoe arm ze waren (lees Leviticus 12 vers 8). En ook hier zijn het niet de leiders van het volk die de Verlosser van Israël te zien krijgen, maar eenvoudige en Godvrezende, oude mensen: Simeon en Anna. Waarom werd hun deze gunst toegestaan? Omdat zij Hem verwachtten!
De Geest leidt Simeon in de tempel en laat hem Degene zien Die "de vertroosting van Israël", het heil van God, het licht van de heidenen en de heerlijkheid van het volk is. Hij mag dat Kind met eigen ogen zien en in zijn armen nemen; wat zal dit alles voor zijn geloof betekend hebben! Hij looft God en zegt daarna, dat de Heere Jezus tot een Toetssteen zal zijn, om de toestand van de harten te openbaren (Jesaja 8 vers 14). En dat is Hij vandaag de dag nog steeds!
Dan komt Anna naar voren. Zij is een vrouw van gebed en een trouwe getuige, die instemt met de lof die God gebracht werd. Doordat zij niet week uit de tempel, bracht zij Psalm 84 vers 5 in praktijk. Ten slotte spreekt zij uit de volheid van haar hart.
Wat is zij een geweldig voorbeeld voor ons!
Dit Schriftgedeelte is van grote betekenis. Het geeft ons een eenmalige indruk van wat God voor goed en nodig achtte, om ons over de kindertijd en de jeugd van de Heere Jezus mee te delen. Daarom hebben wij hier het onvergelijkbare Voorbeeld, in het bijzonder voor onze kinderen en jonge-mensen. Hij is volmaakt in Zijn betrekkingen tot Zijn hemelse Vader, Wiens dingen of aangelegenheden bij Hem boven alles gaan (vers 49). Hij is eveneens onberispelijk in Zijn omgang met de leraars in de tempel. Hoewel Hij oneindig veel wijzer is dan zij allen (Psalm 119 vers 99 en 100), luistert Hij naar hen en stelt hun vragen die Hij Zelf alleen kan beantwoorden (vers 47). Eveneens is Hij onberispelijk in Zijn gedrag naar Zijn ouders toe. In vers 51 wordt uitdrukkelijk gezegd: "En Hij... was hun onderdanig". Er mag dus nooit verondersteld worden dat Hij uit ongehoorzaamheid aan hen weggelopen zou zijn! Hij, Die Zich bewust was van Zijn hoogheid als Zoon van God, is in het huis van Zijn ouders van jongs af aan volkomen gehoorzaam geweest. Hij is in al Zijn doen en laten het grote Voorbeeld voor jong en oud!
Graag willen we ook nog wijzen op de ijver die Hij in Zijn jeugd al had voor de tempel en waardoor, op zo'n jonge leeftijd, Zijn interesse voor de Goddelijke waarheden al duidelijk naar voren komt. In de wereldberoemde stad Jeruzalem, die Hij waarschijnlijk voor het eerst in Zijn leven bezocht, bestond er voor Hem geen enkel ander aantrekkingspunt.
Daarbij mogen we onszelf de vraag stellen: welke waarde heeft de tegenwoordigheid van de Heere en Zijn onderwijs voor ons?
Vroeger waren de wegen zo slecht dat ze elke keer eerst hersteld moesten worden wanneer er een hoge persoonlijkheid met zijn gevolg langs zou komen. In geestelijk opzicht is dat de dienst van Johannes de Doper. Hij had de opdracht om de Joden op de komst van de Messias voor te bereiden en waarschuwt hen dat hun hoedanigheid als kinderen van Abraham niet voldoende is om hen voor de komende toorn te bewaren. Wat God van hen vraagt, is bekering, dat gepaard moet gaan met het brengen van ware vruchten. Bekering of toom, dat is de keuze waarvoor Israël â maar ook ieder ander mens â gesteld wordt.
Er komen achtereenvolgens mensen uit alle lagen van de bevolking bij Johannes. En aan ieder heeft hij een boodschap van God over te brengen. Zo heeft het Woord voor elke omstandigheid en voor ieder mens, tot welke bevolkingsgroep hij ook mag behoren, een antwoord.
Ten slotte komen de soldaten bij Johannes. Misschien hadden zij verwacht onder de banier van de Messias geplaatst te kunnen worden, om zich met dat leger van het juk van de Romeinen te bevrijden. Het antwoord van Johannes zal hen daarom erg verrast hebben (vers 14).
Laten we niet menen dat de Heere ons nodig zou hebben om opzienbarende dingen te volbrengen. Wat Hij van ons verwacht, is een oprecht getuigenis in zachtmoedigheid en tevredenheid met de situatie waarin wij ons bevinden (1 Korinthe 7 vers 24).
Johannes heeft het volk vermaand en hun de goede boodschap verkondigd (vers 18). Als een getrouw afgezant heeft hij over Christus en Zijn macht gesproken. Toen was zijn opdracht vervuld en was zijn dienst geëindigd.
Dat is een prachtig voorbeeld voor ons, die graag de Heere willen dienen! Het staat niet in onze macht iemand te bekeren. Maar ons leven en onze woorden moeten hen die ons kennen, erop voorbereiden de Heere Jezus aan te nemen. Het is niet voldoende op te roepen tot bekering; we moeten zelf iets van de Verlosser laten zien.
Vervolgens lezen we in dit Schriftgedeelte dat de Heere Jezus verschijnt. In Zijn genade neemt Hij de plaats in bij diegenen van Zijn volk die de eerste stap op de goede weg gezet hebben. Hij wordt gedoopt, Hij bidt (wat we alleen in het Lukas-evangelie lezen), en als het Goddelijk antwoord daalt dan de Heilige Geest op Hem neer. Tegelijkertijd richt de stem van de Vader zich persoonlijk tot Hem (in Mattheüs 3 vers 17 is die stem bedoeld voor de aanwezigen): "Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen!" (vers 22).
O, dat het ook bij ons zo mag zijn, dat wij al ons welbehagen in Hem vinden!
Het geslachtsregister van de Heere Jezus (de lijn van Maria) gaat terug tot op Adam en op God en bevestigt daarmee zowel Zijn eigenschap als Zoon des mensen als Zoon van God. Mattheüs 1 vers 1 - 17 bevestigt Zijn aanspraak, als Zoon van David en Abraham, als Erfgenaam van de Goddelijke beloften voor Israël.
De Heere Jezus werd verzocht in de woestijn, de plaats waar het volk Israël vroeger steeds weer begon te mopperen en te begeren (Psalm 106 vers 14). De eerste aanval van de vijand biedt de Heere Jezus de gelegenheid ons te herinneren aan een fundamentele waarheid. De mens heeft een ziel, die voedsel nodig heeft: het Woord van God, dat in gehoorzaamheid aangenomen wordt.
Daarna biedt satan alle koninkrijken van de wereld, met hun heerlijkheid, aan deze volkomen afhankelijke Mens aan. (Hoeveel mensen zijn er niet die hun ziel voor veel minder 'verkocht' hebben!) De wereld vormt inderdaad een deel van het erfdeel dat voor de Heere Jezus bestemd is. Maar of het nu om de hele wereld ging of om een gewoon stukje brood, Christus wilde helemaal niets anders aannemen dan alleen datgene wat uit de hand van Zijn Vader kwam (Psalm 2 vers 8).
Daarna spreekt de satan voor de tweede keer tegen Hem op een vleiende toon: "Indien Gij Gods Zoon zijt..." (vers 3 en 9). Alsof dát bewezen zou moeten worden! Het betekende dat datgene wat de Vader zojuist op plechtige wijze verklaard had (hoofdstuk 3 vers 22), in twijfel getrokken werd en dat stond dus gelijk aan het verzoeken van God.
De Heere Jezus zou geen voorbeeld voor ons hebben kunnen zijn wanneer Hij de duivel, dankzij Zijn Goddelijke macht, niet had overwonnen. Maar Hij triomfeerde door de wapens die ook de mensen ter beschikking staan: volledige afhankelijkheid van God, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Zijn Woord en een onwankelbaar vertrouwen in Zijn beloften.
We zien dat de dienst van de Heere Jezus begint in Nazareth, waar Hij opgegroeid was. Misschien is het bij ons wel zo, dat we meer moed hebben om onder de heidenen het evangelie te verkondigen dan dat wij onder hen die ons zo goed kennen, de kant van de Heere kiezen. Laten we dan een voorbeeld aan de Heere Jezus nemen. Ook ons getuigenis behoort thuis te beginnen, in onze eigen omgeving.
De Goddelijke Leraar leest in de synagoge een gedeelte voor uit Jesaja, waarin Hijzelf als de Boodschapper van genade wordt voorgesteld (Jesaja 61 vers 1). Hij verkondigt gevangenen dat ze uit de gevangenis bevrijd zullen worden (Jesaja 42 vers 7). Stel je eens voor, dat bepaalde gevangenen op een gegeven moment strafvermindering of vrijlating in het vooruitzicht werd gesteld, en dat sommigen dan toch liever in de gevangenis zouden willen blijven. Of dat er zouden zijn die, omdat ze blijven beweren onschuldig te zijn, eerst op rechtmatige wijze vrijgesproken willen worden. Sommigen zouden misschien kunnen zeggen: dat aanbod geldt niet voor mij, want mijn schuld is veel te groot, terwijl anderen gewoonweg weigeren deze boodschap van genade te geloven. Zou dat alles niet ontzettend dwaas, ja, zelfs heel onwaarschijnlijk zijn? En toch kom je veel mensen tegen die op deze manier het heil afwijzen. Gelukkig zijn er echter ook gevangenen van satan die met blijdschap de aangeboden bevrijding aannemen.
Op welke gevangene lijkt u, lijk jij?
Het slot van de gebeurtenis die hier beschreven wordt, is heel triest. We zien daar hoe de inwoners van Nazareth, een beeld van het volk als geheel, tegenover de goede boodschap staan.
Omdat de Heere Jezus verdreven is uit Nazareth, vervolgt Hij Zijn dienst in Kapernaüm. Hij leerde en genas met macht, waarover de mensen, als ze Hem hadden willen erkennen als de Zoon van God, helemaal niet verbaasd hadden hoeven te zijn (vers 32 en 36).
De demonen daarentegen vergisten zich niet! Jakobus 2 vers 19 zegt dat zij geloven en sidderen. En terwijl de Heere Jezus hier op aarde was, vermeerderden zij juist hun activiteit om zo voor de Zijnen een hindernis te zijn op hun weg. De Heere Jezus ontmoette deze onreine geesten zelfs in de synagoge, maar Hij stond hun niet toe over Hem te spreken.
In de verzen 38 en 39 wordt verteld over de genezing van de schoonmoeder van Simon. De Heere Jezus komt vol liefde naar de patiënt toe, want Hij houdt Zich niet alleen op een afstand met onze ellende bezig. En hoe gebruikt deze vrouw haar herkregen gezondheid? Op een manier die ons allemaal iets te zeggen heeft: "zij van stonde aan opstaande, diende hen".
Ook al was de Heere Jezus een Vreemdeling in deze wereld, toch stond Hij niet onverschillig tegenover de moeite en ellende van de mensen. Als het avond geworden is, wordt Zijn wonderbaar werk niet onderbroken. En vanaf de vroege morgen is Hij bereid Zijn taak weer op te nemen. Hij had Zich slechts voor een poosje teruggetrokken, om alleen te zijn met God. Deze afhankelijkheid laat Hij Zich door de volksmenigte, die Hem bij zich had willen houden, niet ontnemen.
We zijn nu aangekomen bij de bekende geschiedenis van de wonderbare visvangst, maar ook bij een nog veel wonderlijke gebeurtenis: de bekering van Simon. Wat doet deze man, terwijl de Goddelijke Leraar de volksmenigte die bij Hem staat, onderwijst? Hij wast zijn netten, die van de vruchteloze arbeid van de voorgaande nacht vies geworden waren. De Heere Jezus dwingt hem om te luisteren. Hij vraagt hem om een stukje met Hem van de kant af te varen, zodat Hij vanuit de boot tegen de mensen op de kant en tegelijkertijd tegen de man naast Zich kan spreken. Daarna spreekt de Heere Jezus ook nog op een andere manier tot Simon en zijn metgezellen. Hij vult hun netten en maakt Zich daarmee bekend als de Heere van het heelal, Die volgens Psalm 8 vers 7 en 9 de vissen gebiedt en Die alles kan, daar waar de mens tot niets in staat is. Aangegrepen door angst en door de tegenwoordigheid van de Heere overtuigd geworden van zonde, werpt Simon zich voor Hem neer en roept het uit: "Ga uit van mij!" (vers 8). Maar zou de Heiland dan vol liefde naar deze zondaar gezocht hebben, om nu Zijn handen weer van hem af te trekken?
Alleen Lukas vertelt ons over deze beslissende ontmoeting van de Heere Jezus met Zijn discipel Petrus. Later vertelt Lukas in het Boek Handelingen over dezelfde Petrus, hoe hij als visser van mensen een werktuig tot een wonderbare 'vangst' van ongeveer drieduizend zielen is geworden (Handelingen 2 vers 41).
Hier komt een man die erg melaats is, naar de Heere Jezus toe. En omdat hij Zijn macht erkent, wordt hij door de wil van Zijn liefde genezen.
Vers 16 ontvouwt ons opnieuw het geheim van deze volmaakte Mens: Zijn gebedsleven.
De volmaaktheid van een mens bestaat uit het verwerkelijken van volledige afhankelijkheid van God en dat komt tot uitdrukking in het gebed. Daarom laat Lukas ons het onvergelijkbare Voorbeeld zo vaak zien, in deze gezegende houding (hoofdstuk 3 vers 21; 5 vers 16; 6 vers 12; 9 vers 18 en 29; 11 vers 1; 22 vers 32, 41 en 44).
Vervolgens zien wij hoe vier mannen, voor wie geen hindernis te groot is, een arme verlamde man bij de Heere Jezus brengen (Markus 2 vers 3). Laat deze ijver en dit volhardende geloof toch ook voor ons een aansporing zijn! Ook wij kunnen hen wier bekering ons zo na aan het hart ligt, tot de Heere brengen (in gebed), en misschien kunnen we hen uitnodigen om samen met ons daarheen te gaan waar Hij beloofd heeft aanwezig te zullen zijn.
In de hoofdstukken 4 en 5 wordt de zonde gezien vanuit verschillende gezichtspunten:
als macht van satan in hem die door demonen bezeten is (hoofdstuk 4 vers 33 en 41);
in de vorm van onreinheid, bij de melaatse;
en ten slotte als in een toestand van schuld voor God (de verlamde).
De Heere Jezus is gekomen om aan al deze drie behoeften tegemoet te komen: Hij bevrijdt, Hij reinigt en vergeeft.
Levi (of Mattheüs; Mattheüs 9 vers 9) is met zijn werk bezig als hij de roepstem van de Heere Jezus hoort. Hij laat alles liggen, staat op en volgt Hem. Daarna neemt hij de Heere Jezus op in zijn huis en nodigt hij tegelijkertijd allerlei collega's uit, om hen in de gelegenheid te stellen zijn Meester te ontmoeten. (Dat dit toch ook het motief mag zijn bij onze uitnodigingen!) Deze tollenaars, die de belasting ophaalden voor de Romeinse bezetter, werden door de Joden gehaat. Zij verrijkten zich bij hun werk namelijk ook zelf en dat op kosten van de Joden. Op deze manier trokken ze persoonlijk gewin uit de Romeinse overheersing. Dat maakt ook duidelijk waarom de Schriftgeleerden en Farizeeën zo verbolgen waren, toen zij zagen dat de Heere Jezus en Zijn discipelen in gezelschap verkeerden van deze tollenaars. Hoeveel mensen zijn er niet die meer geneigd zijn om zich aan de zondaar te onttrekken dan aan de zonde!
Als antwoord op dit mopperen maakt de Heere Jezus Zich bekend als de grote Heelmeester van de zielen. Een arts houdt zich niet bezig met gezonde mensen (of zij die menen gezond te zijn). Zo kan de Heere Jezus ook alleen diegene aannemen die zijn eigen zondige toestand wil erkennen.
Daarna brengen de Schriftgeleerden en de Farizeeën een vraag naar voren met betrekking tot het vasten. De Heere Jezus antwoordt hun, dat dit teken van droefheid niet gepast is zolang Hij, de Bruidegom, nog in hun midden is. Bovendien is de slavernij van de wet en zijn de voorschriften niet te verenigen met de vrijheid en vreugde die de genade brengt (vers 36 en 37).
De Heere Jezus was gekomen om een nieuwe ordening in te voeren, maar Israël vond de oude orde van de wet beter (vergelijk hoofdstuk 5 vers 39). Zo is de mens; hij heeft liever de geboden, omdat die hem in staat stellen te roemen in zichzelf, ook al vervult hij die geboden maar op heel beperkte wijze. De genade daarentegen vernedert de mens juist, door hem als verloren te beschouwen. Om deze reden hielden de Joden ook streng vast aan de sabbat. En de Heere Jezus geeft de Farizeeën hier twee lessen in verband met dit onderwerp. De eerste is ontnomen aan de Schriften en aan de geschiedenis van Israël (vers 3 en 4), en de tweede aan Zijn eigen voorbeeld van liefde (vers 9 en 10). Wat is de enige uitwerking hiervan op hun harten? Ze smeden een aanslag tegen Hem, om van Hem af te komen!
Vervolgens roept de Heere Zijn apostelen. Maar voordat Hij dit doet, volhardt Hij een hele nacht in het gebed, want wat was deze keuze uitermate belangrijk voor het werk dat later gedaan moest worden! De Heere Jezus kende het natuurlijke karakter van al Zijn discipelen. Hij wist wat eenieder van hen zich nog eigen moest maken of juist nog moest opgeven. Hij kende hen door en door, maar had hen ook lief â net zoals Hij ook jou kent en liefheeft (Johannes 10 vers 14 en 27).
Ten slotte lezen we dat Hij, Die alles wist, ook de verrader Judas met Zich meenam! Ook hierin triomfeert Zijn volkomen onderwerping. De Heere Jezus was gekomen om de Schriften te vervullen.
We worden vaak getroffen door de onderwijzingen van de Meester. Laten we ze echter toch ook diep in onze harten laten doordringen, maar bovenal: laten we ze in praktijk brengen! De meeste van deze dingen vinden we ook terug in de hoofdstukken 5 - 7 van het Mattheüs-evangelie. Hier in Lukas heeft het echter een meer persoonlijk karakter. Er staat niet: 'zalig zij...', maar "zalig zijt gij..."!
Vers 31 vormt een samenvatting van de vermaningen die aan "u, die dit hoort" (vers 27) gericht zijn: "En gelijk gij wilt, dat de mensen u doen zullen, doet gij hun ook evenzo". Wat zouden onze medemensen goed behandeld worden wanneer wij dit woord meer zouden gehoorzamen!
Al deze karakterkenmerken staan haaks op onze eigen hoogmoedige, zelfzuchtige en ongeduldige natuur. De Heere legt er de nadruk op, dat dit de karakterkenmerken van God Zelf zijn. Maar ook, dat wij, door deze dingen te praktiseren, hier op aarde als kinderen van de hemelse Vader herkend kunnen worden (vers 35 en 36). In de hemel zullen we inderdaad geen gelegenheid meer hebben om deze dingen te openbaren. Daar zijn namelijk geen vijanden meer om lief te hebben, geen onrecht om te verdragen en daar is geen ellende om te verzachten. Het is onze verantwoording, maar ook ons voorrecht, om op deze aarde op de Heere Jezus te lijken, om de zachtmoedigheid, liefde, ootmoed en geduld van ons volmaakte Voorbeeld, "Die, toen Hij gescholden werd, niet terugschold, en toen Hij leed, niet dreigde", te weerspiegelen (1 Petrus 2 vers 21 en 23).
`0 maak ons tot Uw eer zachtmoedig, need'rig goed; leer ons Uw juk te dragen Heer, met rust in ons gemoed.
Heer, laat Uw heerlijk beeld ons zo voor ogen staan, dat onze harten onverdeeld alleen voor U nog slaan.'
Als je iets op de lens van een microscoop legt wat daar niet thuishoort, kun je door dit apparaat niets meer zien. Merkwaardigerwijs is het bij ons juist omgekeerd! Hoe groter de balk in ons eigen oog is, hoe scherper onze blik om de splinter in het oog van de broeder op te merken!
In vers 46 stelt de Heere Jezus een vraag die ons allemaal tot nadenken zou moeten stemmen: "En wat noemt gij Mij "Heere, Heere!", en doet niet wat Ik zeg?" Spreken we in onze gebeden soms niet wat al te lichtvaardig of te ondoordacht de Naam van de Heere Jezus uit? We hebben namelijk geen enkel recht Hem zo te noemen wanneer wij niet bereid zijn om in alles Zijn wil te doen (1 Johannes 2 vers 4). Door genade hebben veel kinderen van gelovige ouders Jezus Christus als hun Redder aangenomen. Kun je echter ook zeggen, dat zij zich werkelijk aan Hem hebben overgegeven, zolang zij niet Zijn gezag als Heere erkennen? Echt christendom bestaat hierin, dat men niet meer voor zichzelf leeft, maar voor Hem Die voor ons gestorven is, en ook Hem dienen en verwachten (1 Thessalonicenzen 1 vers 9 en 10; 2 Korinthe 5 vers 15).
Als je al je hoop "op de aarde" vestigt, betekent dat, dat je op een gegeven moment een enorme val zult maken (vers 49). Ja, laten we tot de Heere Jezus gaan, naar Zijn Woord luisteren en dát in praktijk brengen (vers 47)!
`U bent mijn Heer, door Uw genade roem ik Uw eigendom te zijn...
U, Jezus, breng ik roem en ere; U wilt door mij geprezen zijn. Niets is er wat ik meer begere, dan U mijn leven toe te wij'n. Uw knecht te zijn is groter ere, dan dat ik over de aard' regere.'
Bij de hoofdman uit Kapernaüm komen edele gevoelens naar voren. Hij heeft grote waardering voor een eenvoudige slaaf; hij staat welwillend tegenover het volk Israël; hij is nederig (hij zegt: "ik ben niet waardig" - vers 6; vergelijk vers 4); hij heeft begrip voor gezag en is plichtsbewust, hetgeen hij zich in het soldatenleven eigen heeft gemaakt (vers 8)!
Het zijn echter niet deze hoogstaande eigenschappen die de Heere Jezus zo in hem bewondert, maar het is het geloof van deze vreemdeling. De Heere Jezus stelt hem tot een voorbeeld. Geloof kan alleen bestaan door het onderwerp waarop zij gebaseerd is. En hier betreft dat de almacht van de Heere. Hoe meer men bekend is met de grootheid van het onderwerp, hoe groter het geloof zal zijn. O, dat Christus toch ontzettend groot mag zijn voor onze harten!
Als de Heere Jezus en de volksmenigte, die met Hem meeloopt, in de buurt van het stadje Naïn komen, komt er van de andere kant ook een stoet aan. Dat is een rouwstoet, zoals men die destijds op straat kon tegenkomen (zie het slot van Prediker 12 vers 5). Het is een vreselijke herinnering aan het feit dat de dood het loon van de zonde is. Deze keer gaat het om een hele trieste gebeurtenis, want het betreft hier de enige zoon van een weduwe. Bewogen door medelijden, begint de Heere Jezus met het troosten van de weduwe. Daarna raakt Hij de baar aan (zoals Hij in hoofdstuk 5 vers 13 de melaatse aangeraakt heeft, zonder daardoor Zelf verontreinigd te worden; vergelijk Numeri 19 vers 11). En daarna gaat de overledene zitten en begint te praten! Laten we nooit vergeten dat de belijdenis met de mond een noodzakelijk bewijs is van het leven in ons (Romeinen 10 vers 9)!
Vanuit de gevangenis, waar hij door Herodes was opgesloten (hoofdstuk 3 vers 20), stuurt Johannes de Doper twee van zijn discipelen naar de Heere Jezus toe. Ze moeten Hem vragen stellen met betrekking tot Wie Hij is. Uit deze vragen blijkt duidelijk de twijfel en neerslachtigheid van Johannes. Hij had het rijk aangekondigd â en zat daar nu voor in de gevangenis. Zou het dan werkelijk mogelijk zijn, dat deze Jezus Degene was "Die zou komen"?
Met het oog op de tegenwoordige toestand in de christenheid, de vervolgingen die gelovigen in veel landen hebben te verduren en de onverschilligheid van de mensen van deze wereld tegenover het evangelie, beginnen velen aan de macht van de Heere en Zijn Koninkrijk te twijfelen. Dat rijk zal echter niet voor de opname van de Gemeente en de vervulling van profetische gebeurtenissen opgericht worden.
De werken van de Heere Jezus zijn een antwoord op de vragen van de beide boodschappers.
Johannes de Doper had getuigd van de Heere Jezus. Nu is het de Heere Zelf Die, tegenover dezelfde volksmenigte, getuigt van Johannes. En er klinkt weemoed door in Zijn woorden, wanneer Hij spreekt over de wijze waarop dit uitverkoren geslacht op de dienst van deze wegbereider en van Hemzelf heeft gereageerd (vers 31). Noch de klaagliederen van Johannes (zijn oproep tot bekering), noch de goede boodschap van de Verlosser, die vreugde en lof had moeten bewerken, hadden weerklank gevonden in de harten van het volk en hun leiders.
Ook de Farizeeër Simon heeft de Heere Jezus uitgenodigd om bij hem te komen eten, maar toch is er een verschil met de tollenaar Levi uit hoofdstuk 5 vers 29. Wellicht had Simon gedacht dat het hem eer zou opleveren, maar de Heere Jezus leert hem daarentegen juist een vernederende les. Een vrouw die bekend stond om haar zondig leven, is ook in het huis van Simon binnengekomen. Aan de voeten van de Heere Jezus stromen haar tranen van berouw en tegelijkertijd verspreidt de geur van haar huldiging zich door het hele huis. Het is niet de Farizeeër Simon, maar deze zondares die het hart van de Heiland verkwikt en versterkt heeft. Zij is zich namelijk bewust van haar grote schuld tegenover God en komt in gepaste houding tot de Heere Jezus, namelijk met "een gebroken en verslagen hart" (Psalm 51 vers 19). Voordat de Heere Jezus een woord van genade, waarop zij wacht, tot haar spreekt, heeft Hij Simon "wat te zeggen" (vers 40), omdat Hij zijn verborgen gedachten heel goed kent.
Wat kunnen wij vaak onze eigen naam in de plaats van die van Simon horen noemen! "Ik heb u wat te zeggen", zegt de Meester tegen iemand (of allen) onder ons. Hij zegt als het ware: Jij vergelijkt je misschien met anderen en denkt dat je gunstig bij hen afsteekt, omdat zij geen christelijke opvoeding hebben genoten en jij wel. Wat echter telt in Mijn ogen, is de liefde tot Mij, en de bewijzen die je Mij daarvan geeft!
Dat we er toch altijd van doordrongen mogen zijn, hoeveel onze Verlosser ons vergeven heeft, opdat wij Hem nog meer zullen liefhebben!
De Heere Jezus wordt behalve door de discipelen, ook gevolgd door enkele vrouwen, "die Hem dienden van hun goederen" (vers 3). Wat zij voor Hem gedaan hebben, wordt aangeduid als een gevolg van hetgeen Hij eerst voor hen deed (vers 2).
De verzen 4 - 15 vertellen de gelijkenis van de zaaier en de betekenis daarvan. Er zijn drie dingen die een verhindering vormen voor het voortbrengen van vruchten door de aardbodem: de vogels, een beeld van de duivel (vers 12), de stenen, hier een beeld van het verharde hart, dat ontoegankelijk is voor een diepere en blijvende uitwerking, en ten slotte de doornen, die spreken van de wereld met al zijn zorgen, haar rijkdommen en haar vermaak (vers 14).
Maar zelfs het beste land moet bewerkt worden! Het is pijnlijk voor de aardbodem om opengetrokken en omgeploegd te worden, opdat het zaad erin kan worden opgenomen en kan ontkiemen. Zo bewerkt God (vaak door beproevingen) het geweten van hen die het Woord zullen opnemen.
Dit werk kan echter niet gebeuren bij de eerste drie grondsoorten. Het is nutteloos om een weg te bewerken die voortdurend belopen wordt. En op steenachtige grond is het al helemaal onmogelijk die diep los te graven. Wat de doornen aangaat, is het allereerst nodig dat die uitgeroeid worden, maar... de wortels van deze wereld zitten heel diep in sommige harten.
Elke grondsoort vormt een kenmerk voor de manier van luisteren naar het Woord van God. Dat Woord bewaren en met volharding vruchten voortbrengen, dat is het kenmerk van "de goede aarde" (vers 15).
Niemand zal op de gedachte komen een lamp aan te steken en die vervolgens onder "een vat" of "een bed" te zetten. Als kinderen van het licht zijn wij hier nog op aarde om op een duidelijke wijze de deugden van Hem Die licht is, te vertonen in de duisternis van deze wereld (vers 16; Mattheüs 5 vers 14; 1 Petrus 2 vers 9).
Als Zijn moeder en Zijn broers bij de Heere Jezus komen, grijpt Hij deze gelegenheid aan om nog een keer te spreken over hen "die Gods Woord horen, en dat doen" (vers 21; hoofdstuk 6 vers 47). Alleen zij mogen en kunnen zich beroepen op een verbinding met Hem!
De Heere Jezus viel aan boord van het schip in slaap. Hierin zien we Hem als Mens, Die vermoeid is van Zijn dagtaak. Een paar tellen later zien we Hem echter als de almachtige God, Die de wind en golven gebiedt.
Door angst overvallen, roepen de discipelen het uit: "Wie is toch Deze?", een vraag die we al vaker gehoord hebben (vers 25; hoofdstuk 5 vers 21; 7 vers 49).
Ook een zekere Agur heeft eens de vraag gesteld: "Wie heeft de wateren in een kleed gebonden?" (Spreuken 30 vers 4). Hij, Die "ook de winden en het water gebiedt" en Die aan de discipelen, die gebrek aan geloof hebben, Zijn macht openbaart, is de Zoon van God, de Schepper. Zijn macht is tot op vandaag niet veranderd! Maar... hoe staat het met óns geloof?
De Goddelijke macht, waarvan de Heere Jezus een voorbeeld gaf door het stillen van die geweldige storm, staat hier tegenover een nog veel vreselijker macht: de macht van satan. De wil van deze ongelukkige Gadarener was volkomen in bezit genomen door een leger van demonen. Men had tevergeefs geprobeerd hem "met ketenen en met boeien" te bedwingen (vers 29). Dat is een beeld van de vergeefse inspanningen van de menselijke maatschappij om de lusten te beteugelen. De bezetene woonde in de graven en was in zedelijk opzicht zelf al dood. Hij was naakt, dat wil zeggen dat hij, net als Adam, niet in staat was zijn toestand voor God te verbergen. Wat een triest beeld van de zedelijke verwording van een schepsel!
Gelukkig mogen we ook zeggen: wat een verandering, toen de Heere Jezus door middel van Zijn bevrijding ingreep (lees Efeze 2 vers 1- 6)!
De mensen uit de stad hebben dit ook moeten constateren. Ze zien de man daar zitten "aan de voeten van Jezus, gekleed en wèl bij zijn verstand" (vers 35).
Ja, de verloste vindt eindelijk vrede en rust bij zijn Redder; God bekleedt hem met gerechtigheid en geeft hem verstand Hem te erkennen. Maar ach! De wereld stoort zich meer aan en wordt meer verontrust door de tegenwoordigheid van God dan door de heerschappij van satan.
De man die genezen is van zijn bezetenheid, wil nu met de Heere Jezus meegaan (vergelijk Filippi 1 vers 23). Maar de Heere heeft nog een werk voor hem te doen en wijst hem een bepaald arbeidsterrein aan: zijn eigen huis en woonplaats. Daar mag hij gaan vertellen hoeveel de Heere Jezus voor hem gedaan heeft (Psalm 66 vers 16).
Jaïrus, de overste van de synagoge, die "een enige dochter, van omtrent twaalf jaren" heeft, die op sterven ligt, vraagt de Heere Jezus om in zijn huis te komen. Deze Jaïrus heeft niet zoveel geloof als de hoofdman uit hoofdstuk 7; die wist namelijk dat een woord van de Heere voldoende zou zijn om zijn knecht, zelfs op afstand, te genezen. Onderweg naar het huis van Jaïrus wordt de Heere Jezus, in het geheim, door een vrouw aangeraakt. Jarenlang had zij bij allerlei artsen gelopen, maar helaas zonder enig resultaat. De Heere Jezus wil haar behalve genezing echter ook de zekerheid van de vrede geven. Daarom dwingt Hij haar om zich bekend te maken.
Al wandelende naar het huis van Jaïrus spreekt de Heere Jezus met "een tong der geleerden" om de bezorgde vader te bemoedigen (vers 50; vergelijk hoofdstuk 7 vers 13 en Jesaja 50 vers 4).
Eenmaal in dat huis aangekomen, gebeurt er vervolgens iets buitengewoons. Op de stem van van de "Vorst des levens" (Handelingen 3 vers 15) gaat het kind onmiddellijk staan. De Heere Jezus weet echter dat het meisje nu voedsel nodig heeft en in Zijn liefelijke zorgzaamheid zorgt Hij ervoor dat ze haar dat geven.
In deze twee gebeurtenissen zien we hoe de liefde van de Heere zich ook na de bevrijding nog openbaart. Bij de vrouw wil Hij een persoonlijke betrekking met Hem tot stand brengen en haar zover brengen dat ze openlijk voor Hem uitkomt. En bij het meisje is Hij nog bezorgd over haar voeding en versterking.
De Heere Jezus stuurt Zijn apostelen op pad. De kracht en de volmacht die Hij hun geeft, is alles wat zij op de weg nodig hebben (vers 3).
Bij hun terugkeer haasten de twaalven zich om Hem alles te vertellen, "al wat zij gedaan hadden" (vers 10). Wat een verschil, als we dit vergelijken met Handelingen 14 vers 27, waar Paulus en Barnabas vertelden welke "grote dingen God met hen gedaan had" (zie ook Handelingen 21 vers 19 en 1 Korinthe 15 vers 10).
Daarop neemt de Heere Jezus hen mee in de stilte. De volksmenigte wordt dat echter direct gewaar en volgt hen, zodat Hij, zonder ook maar het geringste teken van ongeduld of onwilligheid, Zijn dienst weer voortzet. Hij houdt Zich met de mensen bezig, spreekt tegen hen en geneest hen. De discipelen daarentegen willen al die mensen maar wat graag wegsturen, misschien uit zorg voor hen, zoals ze dat doen voorkomen (vers 12), maar het kan ook zijn dat ze bang zijn dat door al die drukte hun eigen rust in gevaar komt. De Meester bekommert Zich echter om deze mensenmenigte en leert daarbij tegelijkertijd de Zijnen een lesje. Nadat vastgesteld is dat zij niet in staat zijn om deze menigte met hun eigen middelen te voeden, grijpt de Heere Jezus in met Zijn eigen macht. Laten we goed bedenken dat Hij die vijf broden en die twee vissen helemaal niet nodig had. In Zijn grote genade wil Hij echter het weinige wat wij in staat zijn te geven en wat wij Hem ter beschikking willen stellen, nemen en dat wil Hij rijkelijk vermeerderen. Hij kan uit het kleine beetje van ons een volheid van zegen doen voortkomen. Zijn kracht zal altijd in de zwakheid van Zijn dienstknechten volbracht worden (2 Korinthe 12 vers 9).
De scharen zagen de Heere Jezus als een Profeet en niet als Christus, de Zoon van God (vers 19). Voor de Heere Jezus is dat de aanleiding om over Zijn weg van verwerping en lijden te spreken en de Zijnen op te roepen Hem te volgen. Deze weg betekent niet alleen het zich ontzeggen van bepaalde dingen, maar juist zelfverloochening en het volledig wegdoen van de eigen wil. Christenen zijn voor de wereld en haar begeerten gestorven (Galaten 6 vers 14), maar zijn levend voor God en voor de hemel. Daarentegen hebben zij die hun leven hier op aarde willen leven, de eeuwige dood in het vooruitzicht. Denk erom: bij deze beslissende keuze staat onze ziel op het spel! En die heeft meer waarde dan de hele wereld!
Met het inslaan van de moeizame weg naar het kruis, wil de Heere Jezus tegelijkertijd de Zijnen moed inspreken en laat hun zien waar die weg zal eindigen: samen met Hem in heerlijkheid.
En wat is op de berg der verheerlijking het grote onderwerp waarover gesproken wordt? De dood van de Heere Jezus. Daarover spreekt Hij met Mozes en Elia, omdat Hij dat niet kon doen met Zijn discipelen (vers 22; Mattheüs 16 vers 21 en 22). Hoe groot de getuigen van het Oude Testament echter ook mogen zijn, zij moeten wijken voor de heerlijkheid van de "geliefde Zoon". De wet en de profeten hebben hun einde gevonden; voortaan spreekt God in Zoon. Laten we toch naar Hem luisteren (vers 35; Hebreeën 1 vers 1)!
Na de gebeurtenis van de verheerlijking, waarvan de Heere Jezus het Middelpunt was, ziet Hij Zich geplaatst tegenover een vreselijke situatie: de invloed van satan op een knaap en de grote nood van z'n vader. De bevrijding die Hij bewerkt, bewerkt de verheerlijking van de grootheid van God (vers 43).
Bij de discipelen zien we tegenstrijdige gevolgen openbaar worden. Zij volgen Hem, Die door Zijn vrijwillige vernedering aan het kruis gebracht wordt. En tegelijkertijd houden zij zich bezig met de vraag wie van hen toch de meeste zal zijn (vers 46). Ze hebben zelf in de Naam van de Heere demonen uitgeworpen â wat niet altijd lukte (vers 40) âmaar verbieden een ander datzelfde te doen (vers 49; vergelijk Numeri 11 vers 26 - 29). Terwijl de Meester Zich opmaakt om het verlossingswerk voor de mensen â en ook voor hen â te volbrengen, willen Jakobus en Johannes het vuur van het oordeel op de Samaritanen laten neerdalen, omdat die weigeren Hem op te nemen. Zelfzucht, jaloersheid, enghartigheid, wrok en wraakplannen, in dat alles openbaart zich de verdrietige geest waardoor vaak ook ons arme, natuurlijke hart beheerst wordt (vers 55).
In het volle bewustzijn van hetgeen Hem te wachten staat, maar met een heilige vastbeslotenheid, onderneemt de Heere Jezus nu Zijn laatste tocht naar Jeruzalem. "Zo richtte Hij Zijn aangezicht, om naar Jeruzalem te reizen" (vers 51).
Onze geliefde Verlosser laat Zich niet van Zijn doel, dat Zijn liefde Hem gesteld heeft, afbrengen.
`Heiland, niets kon U verhind'ren om die weg van smart te gaan... '
Het is niet zo moeilijk om te zeggen: "Heere, ik zal u volgen, waar Gij ook heengaat" (vers 57), maar het werkelijk doen, is iets anders. De Heere Jezus heeft er namelijk geen geheim van gemaakt, wat het volgen van Hem met zich meebrengt (zie vers 23). De grootste verhindering hiervoor komen we niet tegen op die weg, maar ligt in ons eigen hart. En om ons te helpen dat bij onszelf te ontdekken, schijnt het licht van de Heere tot in de verborgen hoeken van ons hart. Er zijn verschillende dingen op te noemen die bij ons heel gauw de plaats van gehoorzaamheid die wij de Heere Jezus verschuldigd zijn, kunnen innemen. Denk maar aan een verlangen naar geriefelijkheid (vers 58), deze of gene menselijke overweging, een bepaalde genegenheid of gewoonte (vers 59 en 61). Het is heel gevaarlijk deze dingen niet te willen loslaten, want als we dit in ons hart blijven meedragen, leidt dat onherroepelijk eens tot het spijt hebben van..., tot een omzien naar vroeger..., ja, misschien zelfs tot de beschamende en definitieve conclusie: het kost mij te veel om Hem te volgen!
In hoofdstuk 10 benoemt de Heere Jezus zeventig arbeiders, die vervolgens door Hemzelf uitgezonden worden in de oogst. Hij geeft hun bepaalde aanwijzingen mee en stuurt hen "als lammeren in het midden der wolven" (vers 3). Ze moeten namelijk de kenmerken van nederigheid en zachtmoedigheid van Hem openbaren, Die in het midden van diezelfde wolven het Lam was. Net als toen zijn er ook nu maar weinig arbeiders. Laten we daarom de Heere van de oogst hierom vragen (2 Thessalonika 3 vers 1). Dan zal Hij het op Zich nemen, nieuwe arbeiders te benoemen, hen op te leiden en uit te zenden. Om echter met ijver en in alle oprechtheid daarom te kunnen vragen, moet je ook zelf bereid zijn om uitgezonden te worden!
De Heere Jezus spreekt op ernstige toon tot de steden waarin Hij leerde en zoveel wonderen heeft gedaan. Hij onderstreept daarom hier de grote verantwoordelijkheid van de bewoners. Wat zou Hij vandaag van zoveel jonge mensen moeten zeggen, die in christelijke gezinnen zijn opgegroeid en daardoor bevoorrecht waren, maar daardoor ook meer verantwoordelijk zijn dan anderen?
Vol blijdschap keren de zeventig terug tot de Heere Jezus. Het feit dat zij demonen uitgedreven hebben, brengt de gedachten van de Heere Jezus naar het moment waarop de duivel zelf uit de hemel verdreven en op de aarde geworpen zal worden (Openbaring 12 vers 7 en verder). De Heere Jezus roept Zijn discipelen echter op, zich te verheugen om een heel andere reden: de hemel, die van de aanwezigheid van satan gereinigd zal zijn, zal hun woonplaats worden! Nu al staan hun namen daar opgetekend. En de Heere Jezus Zelf verheugt Zich ook met een grote blijdschap, niet om de macht die uitgeoefend was, maar over de raadsbesluiten van de God van liefde. Het was een welgevallen voor de Vader om Zich in de Zoon te openbaren. En aan wie werd deze openbaring gegeven â volkomen in tegenstelling tot dat wat wij vaak tegen kinderen zeggen: 'Als je groot bent, dan zul je het wel begrijpen'? Die openbaring werd gegeven aan "kinderkens", aan onmondigen, en aan hen die in hun nederigheid en eenvoudig geloof op kinderen lijken. Voldoen wij aan deze voorwaarden?
De Heere Jezus beantwoordt de vraag van een wetgeleerde met een tegenvraag, die aan het geweten van deze man gericht is. Om aan bepaalde gevolgen te ontkomen, wil de wetgeleerde maar wat graag de reikwijdte van het woordje "naaste" beperken. De Heere Jezus leert hem echter, dat Hij in eerste instantie Zelf deze Naaste is (vers 36 en 37) en dat naar Zijn voorbeeld een verloste, door z'n liefde tot alle mensen, hun naaste wordt.
In deze man, die beroofd en halfdood is achtergelaten, mogen we een beeld zien van de verloren en hulpeloze zondaar. In de priester en de Leviet herkennen we de tevergeefse toevlucht tot de godsdienst. In de barmhartige Samaritaan ontmoeten we echter de Redder, Die Zich neerboog en Zich om onze ellende bekommerde en ons uit de hopeloze en verdrietige situatie verlost heeft. Bij de herberg mogen we denken aan de Gemeente, de plaats waar hij die gered is, de nodige verzorging ontvangt. En de waard is vervolgens een beeld van de Heilige Geest, Die door het Woord en het gebed (de twee penningen) de nodige zorg geeft. Het Woord en het gebed vormen het onderwerp van de verzen 38 - 42 en het eerste gedeelte van hoofdstuk 11 (vers 1 - 13). Als eindconclusie zegt de Heere niet meer: "Doet dat (de wet), en gij zult leven" (vers 28), maar: "Ga heen, en doe gij evenzo" (vers 37).
Daarna volgt de gebeurtenis in het huis van Zijn vrienden; daar waar de Heere Jezus opgenomen werd, waar men Hem diende, naar Hem geluisterd werd en men Hem liefhad. Martha wordt echter zo in beslag genomen door het dienen, dat zij daarop gewezen moet worden. De Heere verblijdt Zich echter over het hart van Maria, dat openstaat voor Zijn Woord (1 Samuël 15 vers 22).
De discipelen zijn onder de indruk over de plaats die het gebed in het leven van hun Meester inneemt. Laten we toch net doen als zij en de Heere vragen om ons te leren bidden. Gaat het daarbij dan om het uit het hoofd leren van bepaalde zinsneden? De gelijkenis van de beide vrienden leert het tegendeel. Elke behoefte mag heel eenvoudig en duidelijk tot uitdrukking gebracht worden, net zoals die ene man dat deed: "Vriend, leen mij drie broden" (vers 5). We kunnen misschien ook met een geestelijke behoefte die plotseling opkomt en, om zo maar te zeggen, aan de deur van ons hart klopt, geconfronteerd worden (vers 6). Laten we ervoor oppassen zoiets af te wijzen, maar laten we het juist veel meer behandelen als een "vriend van de reis" (vers 6). En als we dan niets bezitten, om daaraan tegemoet te komen en te geven? Dan mogen we ons vol vertrouwen wenden tot de Goddelijke Vriend en hoeven daarbij nooit bang te zijn dat het Hem ongelegen komt. In Zijn grote liefde wil God Zijn kinderen maar wat graag antwoorden en Hij zal hen nooit beschamen. Integendeel, als het zelfs mocht gebeuren dat wij uit onwetendheid of uit een gebrek aan wijsheid om "een steen" (vers 11) zouden vragen, dan weet Hij dat verzoek om te zetten in "goede gaven" (vers 13).
Zolang de mens geen ontmoeting heeft gehad met de Heere Jezus, is hij voor God even stom als die bezetene uit vers 14. Maar eenmaal door Christus gered, ontvangt hij bij zijn bekering de gave van de Heilige Geest (vergelijk vers 13), en daarna is hij in staat z'n stem te verheffen tot lof en om te bidden. Laten we toch veel gebruik maken van dit grote voorrecht!
Alleen de macht van de Heere Jezus, de Overwinnaar over "een sterke", kan ons van het kwaad dat in onszelf aanwezig is, bevrijden. Een begeerte die op andere wijze is weggedaan, zal onherroepelijk op een gegeven moment door een andere vervangen worden. Ons hart lijkt op het huis uit vers 25. Het is tevergeefs ons hart 'schoon te vegen' en 'te versieren' zolang niet de nieuwe Gast, de Heere Jezus, toestemming van ons heeft gekregen om daarin te wonen en te heersen.
Daarna herhaalt de Heere Jezus dat de zegen niet van bepaalde familiebetrekkingen (vers 27 en 28; vergelijk hoofdstuk 8 vers 21) noch van voorrechten van een bepaald geslacht afhankelijk is. De zegen wordt alleen beloofd aan hen die het Woord van God horen en bewaren!
Vers 33 is een herhaling van de les uit hoofdstuk 8 vers 16. De korenmaat, een inhoudsmaat, is een symbool voor bezigheid en het zakendoen; het bed is een beeld van slaap en luiheid. Dat zijn twee dingen die precies het tegenovergestelde van elkaar zijn. Toch zijn beide dingen in staat om het kleine vlammetje van ons getuigen uit te blussen. In Mattheüs 5 vers 15 moest de lamp schijnen "voor allen, die in het huis zijn". Hier wordt de lamp aangestoken "opdat zij, die inkomen" â de bezoekers â "het licht zien mogen".
Via het oog, dat "boos is" (vers 34), komt de duisternis van de zonde bij ons binnen. Laten we er altijd goed op letten, welke richting onze blikken uitgaan (Job 31 vers 1). Denk aan bepaalde boeken en moderne media (maar er zijn ook nog andere dingen op te noemen) die ons hart verontreinigen en onze gevoelens verleiden (2 Korinthe 7 vers 1)!
Voor de tweede keer wordt de Heere Jezus door een Farizeeër uitgenodigd om te komen eten (vergelijk hoofdstuk 7 vers 36). En Zijn gastheer neemt hier zelfs de vrijheid kritiek op Hem te leveren. Daaruit ontwikkelt zich een heftig gesprek, in het verloop waarvan Hij, Die de harten kent, de boosheid en de huichelarij van deze verantwoordelijke klasse onder de bevolking aan de kaak stelt. Hoewel zij voor het oog van andere mensen de schijn ophielden erg vroom te zijn, vertoonden de Farizeeën en wetgeleerden innerlijk, dus verborgen voor die anderen, een toestand van verdorvenheid en van de dood. Zij lijken op graftomben, die ergens verborgen liggen en waar de mensen gewoon overheen lopen, zonder dat te weten (vers 44).
Wie heeft het ooit gewaagd op zo'n strenge toon te spreken tegen iemand die hem had uitgenodigd? Maar de Farizeeën hadden echter zelf eens van de Heere Jezus gezegd, dat Hij waarachtig is "en naar niemand vraagt; want", zo zeiden ze: "Gij ziet de persoon van de mensen niet aan" (Mattheüs 22 vers 16). Wat een voorbeeld voor ons, die maar al te goed weten hoe wij met goed gekozen woorden (die soms verre van oprecht zijn) ons aanzien kunnen verwerven bij anderen! Onder het voorwendsel beleefd te willen zijn, kunnen we in zekere zin dezelfde valsheid en formaliteit vertonen die de Heere Jezus bij de Farizeeën zo veroordeelt.
Omdat ze geen weerwoord hebben, proberen de tegenstanders van de Heere Jezus Hem nu op een misstap te betrappen. In Psalm 119 lezen we, profetisch, enkele van Zijn gebeden, die Hij uitsprak op momenten waarop Hij zo'n tegenstand ondervond (vers 98, 110, 150, enzovoort).
De huichelarij, die zo kenmerkend was voor de Farizeeën, kon ook in een andere vorm een gevaar betekenen voor de discipelen. De volgelingen van de Heere Jezus kunnen hun betrekking tot Hem verborgen houden voor de ogen van de wereld. Daarom bemoedigt de Heere Jezus de Zijnen, in aanwezigheid van een grote schare, om tegenover de mensen openlijk voor Hem uit te komen, zonder angst te hebben voor eventuele gevolgen. Wij weten dat deze discipelen en de christenen in de eerste eeuwen inderdaad vreselijke vervolgingen te verduren hebben gehad. Met liefdevolle zorg bereidt de Heere Zijn vrienden (vers 4) voor op deze zware dagen en richt Hij hun aandacht op de hemelse Vader. Zou God, Die Zich om het lot van een klein, in de ogen van mensen waardeloos musje bekommert, niet voor Zijn eigen kinderen zorgen, die door beproevingen hebben te gaan? En wat het getuigenis betreft, dat zij zouden hebben af te leggen, hoefden zij zich geen zorgen te maken. De Heilige Geest zou hen op zo'n moment de juiste woorden in de mond geven.
In onze dagen worden de gelovigen in westerse landen niet vervolgd of gedood. Maar als zij trouw zijn, ondervinden ze toch de haat en verachting van de wereld en ook dat is altijd moeilijk te verdragen. Deze vermaningen, maar ook de beloften die ermee gepaard gaan, gelden daarom ook voor ons. Laten we de Heere vragen ons meer moed te geven, om altijd, in alle omstandigheden, Zijn Naam te belijden.
Iemand uit de mensenmenigte stelt de Heere Jezus hier een vraag met betrekking tot een erfeniskwestie. Dit is voor de Heere een gelegenheid om de wortel van al deze onenigheid te openbaren: dat is gierigheid of inhaligheid. "Want de geldzucht is een wortel van alle kwaad" (1 Timotheüs 6 vers 10). De gelijkenis van de rijke man met zijn te kleine schuren is een illustratie van deze hebzucht. Onder de dekmantel van zorgzaam te moeten handelen, kun je je eigen zakken vullen, rijkdom vergaren, rekenen en op de lange termijn plannen! Maar dat is juist de grootste kortzichtigheid, want het betekent dat je, wat betreft het kostbaarste wat je bezit, je eigen ziel, nalatig bent en jezelf bedriegt! In zijn dwaasheid had de rijke man ook gemeend zijn ziel te kunnen bevredigen, door hem "vele goederen" aan te bieden (vers 19). Maar de onsterfelijke ziel heeft heel ander voedsel nodig! Ja, "dwaas", dat is de naam die God aan deze man geeft (vers 20; vergelijk Jeremia 17 vers 11 aan het eind). Op hoeveel grafstenen zou ook vandaag deze naam nog kunnen staan (Psalm 52 vers 7)!
In tegenstelling hiermee leert de Heere Jezus de Zijnen dat ware zorg bestaat uit het stellen van je vertrouwen op God. Alle zorgen voor onze dagelijkse behoeften worden tenietgedaan door de woorden: "...uw Vader weet, dat gij deze dingen behoeft" (vers 30). Wanneer Zijn rijk en Zijn belangen de eerste plaats innemen in ons hart en bij ons dus altijd op de voorgrond staan, dan zal Hij Zichzelf volkomen om onze behoeften bekommeren.
De rijke man in de gelijkenis had voor zichzelf schatten verzameld (vers 21) en had daarbij alles verloren, ook zijn ziel. De Heere Jezus laat Zijn discipelen nu een middel zien om schatten te verzamelen die beschermd worden tegen alle risico's. Daarbij gaat het om het geven van aalmoezen en het uitdelen van hun bezittingen. Dat staat gelijk aan een veilige belegging, in dit geval bij de bank van de hemel (vers 33; vergelijk hoofdstuk 18 vers 22), met als gevolg dat je hart zich absoluut zeker steeds zal bezighouden met je hemelse schat en dat je met een groot verlangen uitziet naar de komst van de Heere (lees 1 Petrus 1 vers 4).
De Heere Jezus komt terug! Heeft deze hoop ook een praktische uitwerking in ons leven? Maken wij ons nu al los van deze wereld, die we binnenkort zeker zullen verlaten? Reinigen wij onszelf, "gelijk Hij rein is" (1 Johannes 3 vers 3)? Zijn we vervuld met een ijver voor de zielen en verheugen wij ons? En denk vooral eens aan de vreugde van onze geliefde Verlosser, Wiens liefhebbend hart dan volkomen bevredigd zal zijn! Hij laat het Zich niet ontnemen om hen die Hem hier op aarde hebben gediend en verwacht, Zelf te ontvangen en te bedienen aan de feestmaaltijd van genade (vers 37). Dan zal de "getrouwe en voorzichtige huisbezorger" (rentmeester) zijn beloning ontvangen. En de knecht die "de wil van zijn heer" kende, maar er bewust niet naar gehandeld heeft (vers 47; Jakobus 4 vers 17), zal dan ook z'n ernstige vergelding ontvangen.
"En een ieder, aan wie veel gegeven is..." O, laat ieder van ons toch bij zichzelf nagaan wat hij of zij ontvangen heeft âen daaruit zijn of haar conclusie trekken!
Tot aan de "doop" van Zijn dood, wordt de Heere Jezus "geperst" (benauwt het Hem; vers 50). Het kruis is noodzakelijk, opdat Zijn liefde volkomen tot uiting kan komen en weerklank kan vinden in de harten van de mensen.
Zijn komst stelt de mensen voor een beslissing. Te midden van gezinnen die eertijds nog samen een weg van goddeloosheid gingen, wordt Hij door de één opgenomen en door de ander verworpen. Ook vandaag zijn er nog veel huizen die lijken op de beschrijving die we vinden in de verzen 52 en 53!
In ware liefde tot hun zielen richt de Heere Jezus Zich opnieuw tot de Joden, die "geveinsden" (d.w.z. huichelaars; vers 56). We hoeven ons niet te verwonderen over de hardheid waarmee Hij soms tegen hen moet spreken. Hij wordt daartoe gedwongen vanwege de hardheid van hun eigen harten. Er is een hamer nodig om de steenrotsen te verpletteren (Jeremia 23 vers 29).
Israël had zich blootgesteld aan de toorn van God, hun "Tegenpartij" (vers 58). Maar toen was God in Christus gekomen om Zijn volk verzoening aan te bieden. Het volk weigerde echter dit aan te nemen en de voortekenen van het oordeel te erkennen (vers 56). Ook vandaag biedt God ieder mens nog verzoening aan, voordat het moment aanbreekt dat men Hem alleen nog als onverbiddelijke Rechter kan ontmoeten (2 Korinthe 5 vers 19 en 20).
In hoofdstuk 13 vers 1 - 5 herinnert de Heere Jezus Zijn toehoorders aan twee ernstige gebeurtenissen die kort tevoren plaatsvonden en Hij gebruikt dit als gelegenheid om hen te vermanen zich te bekeren. O, dat ook wij elke gelegenheid aangrijpen om de mensen om ons heen te waarschuwen!
De geschiedenis van Israël, uitgebeeld in de onvruchtbare vijgenboom, is tegelijkertijd de geschiedenis van de hele mensheid. God heeft alles geprobeerd om iets goeds van Zijn schepselen in ontvangst te kunnen nemen. Maar helaas is de natuurlijke mens, ondanks alle godsdienstige schijn (mooie bladeren), niet in staat om ook maar de geringste vrucht voor God voort te brengen. Dus beslaat hij zonder nut de aarde en moet hij geoordeeld worden (vers 7). Het geduldige werk van Christus in het midden van Zijn aardse volk was de uiterste poging van de Goddelijke Wijngaardenier om vruchten te kunnen oogsten.
De Heere Jezus gaat verder met Zijn dienen in genade en geneest een arme, zieke vrouw. Hij wist precies hoe lang haar beproeving al duurde (vers 16).
Dit wonder, dat ook weer op de sabbat gebeurde, gebruiken de huichelachtige tegenstanders als voorwendsel. Het antwoord van de Heere doet hen echter beschaamd staan en herinnert hen aan de verplichtingen die zij hadden, om liefde te betonen aan een zuster, een dochter van Abraham.
De twee korte gelijkenissen die daarna volgen, geven een beschrijving van de grote, zichtbare ontwikkeling die de christenheid hier op aarde zou doormaken, hoe zij door het zuurdeeg van de valse leer doordrongen en door de begerigheid van mensen (de vogels, die gekenmerkt worden door hun gulzigheid) verwoest zou worden. En ten slotte zal de grote boom van de christenheid hetzelfde lot ondergaan als de vijgenboom Israël (vers 9).
Nooit lezen we dat de Heere Jezus de nieuwsgierigheid van de mensen bevredigde. Als Hem gevraagd wordt of het er weinigen zijn die gered zullen worden, dan is dat voor Hem een aanleiding om tot het persoonlijk geweten te spreken. Het is alsof Hij wil zeggen: 'Maak je niet druk om een ander, maar zorg ervoor dat je zelf bij dat aantal zult horen.'
Zeker, de poort is eng, maar het rijk is groot genoeg om allen op te nemen die er nu naar binnen willen gaan! En komt deze enge poort je niet zo gelegen, heb je eigenlijk geen zin om erdoor naar binnen te gaan (vers 24), dan zul je later "de deur gesloten" vinden (vers 25). Is er iets ernstigers denkbaar dan het kloppen, het tevergeefs roepen en dan het vreselijke antwoord te moeten horen: "Ik ken u niet!"? Sommigen zullen dan misschien roepen: 'Dat is een vergissing! Ik heb toch gelovige ouders gehad en ging regelmatig naar de samenkomsten! Ook heb ik in mijn Bijbel gelezen en lofliederen gezongen!' Maar de Heere zal alleen hen in de hemel opnemen die Hem hier beneden in hun hart hebben opgenomen.
Deze strenge woorden richt de Heere Jezus in het bijzonder aan het volk Israël. Terwijl Herodes, die wrede en sluwe "vos", de kuikens van Israël vernietigde, heeft hun ware Koning geprobeerd hen onder Zijn vleugels te verzamelen (vers 34). Men heeft Hem en Zijn genade echter niet gewild. En nu verlaat de Heere der heerlijkheid Zijn "huis", waar men Hem niet opgenomen heeft (vers 35; Johannes 1 vers 11) en begeeft Hij Zich op Zijn weg naar het kruis.
Hier zien we dat de Heere Jezus opnieuw op bezoek is bij één van de Farizeeën. En deze keer is Hij het Onderwerp van openlijke kwaadwillendheid. Er wordt op Hem gelet (vers 1), om Hem met betrekking tot de sabbat op een fout te betrappen. Maar de Heere Jezus geneest de waterzuchtige man en snoert Zijn tegenstanders de mond, net als in hoofdstuk 13 vers 15. Daarna is Hij het Die hen beziet (vers 7). Zijn ogen, waaraan niets ontgaat, volgen als het ware de wedstrijd die zich afspeelt om de beste plaats aan tafel te krijgen.
Vandaag gaat het in de wereld en ook vaak bij ons nog precies zo. Er wordt op alle mogelijke manier geprobeerd om voor zichzelf de grootste eer of de beste dingen te krijgen. Voor ons als gelovigen geldt echter, dat de laagste plaats de plaats is waar je het meest gelukkig zult zijn, want dat is namelijk de plaats waar wij de Heere Jezus zullen ontmoeten!
We hoeven ons niet af te vragen vanaf welke plaats de Heere Jezus dit hele gebeuren in ogenschouw nam, want de Farizeeër was zeker niet genegen om Hem een betere, een hogere plaats aan te bieden. Als de Heere Jezus al een les voor de gasten had, dan had Hij er ook één voor de heer des huizes. De eersten heeft Hij geleerd welke plaats zij zouden moeten kiezen. En de heer des huizes vertelt Hij welke gasten hij moet uitzoeken.
De Heere brengt ons er altijd toe, de beweegredenen van ons eigen hart na te gaan. Laten we ons gerust afvragen: waarom handelen we zus of zo. Doen we dat in de hoop er een voordeeltje uit te kunnen slaan of er achting mee te behalen? Of is het enkel en alleen de liefde die ons drijft en die in de overgave aan Hem volkomen bevredigd wordt?
Wie van hen die uitgenodigd waren voor "een groot avondmaal", heeft de slechtste uitvlucht bedacht? Koop je werkelijk een stuk land zonder dat je het eerst bekeken hebt? Of koop je een aantal ossen zonder dat je weet hoe sterk ze zijn? En de man die pas getrouwd was, had zijn vrouw toch mee kunnen nemen! Door het afwijzen van de uitnodiging liepen ze niet alleen het feest mis, maar beledigden zij ook de heer des huizes.
God heeft voor het grote avondmaal van Zijn genade allereerst het Joodse volk uitgenodigd. Daarna, na hun afwijzing, allen die hun eigen armoede, gebreken en ellende niet konden verbergen. Met zulke schepselen zal eenmaal Zijn hemel gevuld zijn (vergelijk het slot van vers 21 met vers 13). Er zijn nog steeds plaatsen vrij! Die van jou misschien? Of heb je hem al ingenomen?
Vers 26 wil ons gewoon leren dat alles wat ons ervan weerhoudt om een volgeling van de Heere Jezus te worden â ook al zijn het je eigen ouders â onmiddellijk tot een te verafschuwen verhindering moet worden. Niets mag ons in de weg staan om tot Hem te komen, want daar begint het mee! Je moet eerst tot Hem komen (vers 26) en pas daarna kun je Hem navolgen (vers 27). De vijand is echter ook machtig. Het zou dwaas zijn om op pad te gaan zonder eerst de kosten te berekenen. Die kosten zijn heel hoog, want het gaat erom zich alles te ontzeggen wat men bezit (vers 33). Als je je kruis draagt, kun je geen andere lasten met je meedragen. Het gewin is echter met niets te vergelijken, want dat is Christus Zelf (Filippi 3 vers 8)!
De drie gelijkenissen in dit hoofdstuk vormen samen één wonderbaar geheel. Hier wordt ons de toestand van een zondaar vanuit drie verschillende gezichtspunten getoond, ten eerste als een schaap, dan als een penning en ten slotte als een kind, maar alle drie zijn ze verloren! En vervolgens zien we hier dat het in Goddelijke liefde volbrachte heil werd uitgevoerd door de Zoon (de goede Herder), door de Heilige Geest (de ijverig vrouw) en door de Vader.
De zorgzame herder zoekt niet alleen zijn schaap "totdat hij het vindt" (vers 4; vergelijk het slot van vers 8), maar hij neemt het dier daarna ook op z'n eigen schouders, om het naar huis te dragen.
Zoals een penning een muntstuk is met het portret van het staatshoofd erop die haar in omloop bracht, zo is de mens een beeld van Hem Die hem geschapen heeft. Aan een verloren penning heb je niets. Ook de mens was niet meer te gebruiken, was nutteloos geworden, toen hij verloren raakte. Maar toen heeft de Heilige Geest "een kaars" aangestoken; Hij is ijverig aan het werk gegaan en heeft ons in onze duisternis en onze stof gevonden!
Elke gelijkenis spreekt van de vreugde van de rechtmatige eigenaar, een vreugde die ernaar verlangt, gedeeld te worden met anderen. De vreugde van God vindt weerklank bij de engelen. Wanneer zij juichten bij de schepping (Job 38 vers 7) en we hen daarna horen loven bij de geboorte van de Verlosser (Lukas 2 vers 31), dan zal de hemel ook gevuld worden met blijdschap "over één zondaar, die zich bekeert (vers 10). Zo hoog is de prijs voor een ziel in de ogen van de God van liefde!
Het eerste beeld dat ons hier geschetst wordt, is die van een jongeman die zijn vader beschouwt als een hindernis voor zijn eigen geluk, daarom bij hem weggaat en op een dwaze manier alles wij hij van zijn vader heeft ontvangen, verkwanselt. Vervolgens zien we hoe hij in een vreemd land totaal aan lager wal is geraakt en zelfs gebrek lijdt aan de eerste levensbehoeften. Heeft ieder die dit tot zover gelezen heeft, hierin zijn eigen geschiedenis herkend? Zo ja, dan is het te hopen dat die geschiedenis ook op dezelfde manier zal eindigen als bij deze jongeman!
Gebukt onder de zware last van zijn omstandigheden, komt hij uiteindelijk tot zichzelf. Hij herinnert zich dan de overvloed in het huis van zijn vader, staat op en gaat terug naar huis.
Dan zien we het derde beeld. De haast waarmee zijn vader hem tegemoet gaat, de open armen, de omhelzing, de belijdenis, gevolgd door volkomen vergeving, het beste kleed ter vervanging van de lompen. Beste vriend, als je je bewust bent geworden van je grote zedelijke ellende, laat dit bericht je dan laten zien dat er een grote liefde voor jou is in het hart van God, Die nog steeds op je wacht! Aarzel toch niet langer en ga nu tot Hem! Dan zul je, net als de zoon uit de gelijkenis, aangenomen worden.
Helaas merkt de vader dat niet iedereen deelneemt aan zijn vreugde. De oudste broer, die zich er niet voor geschaamd zou hebben om plezier te maken met z'n vrienden terwijl zijn eigen broer verloren was, weigert nu om op het feest te komen. Dat is een beeld van het Joodse volk dat in de wet volhardt, maar ook van allen die zichzelf te goed vinden om hun hart voor de genade van God open te stellen.
Misschien verbazen we ons over deze rijke man, die van zijn onrechtvaardige rentmeester toch een pluimpje krijgt, of zijn we verrast door de conclusie van de Heere Jezus: "Maakt uzelf vrienden uit de onrechtvaardige Mammon..." (vers 9). Deze uitdrukking vormt echter de sleutel tot deze gelijkenis.
Hier beneden is niets wat de mens zijn eigendom kan noemen. De rijkdommen die hij meent te bezitten, behoren in werkelijkheid toe aan God; voor de mens zijn dit dus onrechtvaardige rijkdommen. De mens werd hier op aarde geplaatst om haar te beheren, maar hij gedraagt zich als een dief! Wat God hem in handen gelegd heeft, om Hem daarmee te dienen, heeft hij gebruikt tot bevrediging van zijn eigen begeerten. Maar voor zolang hij de goederen van de Goddelijke Eigenaar nog in handen heeft, kan hij nog tot inkeer komen en ze in de toekomst vervolgens gebruiken ten gunste van anderen.
De rentmeester in hoofdstuk 12 vers 42 was trouw en verstandig, maar degene die hier genoemd wordt, is ontrouw. Hij handelt echter wel verstandig, en dat is de eigenschap die de Heere in hem waardeert. Als mensen van deze wereld al zo uit voorzorg handelen, zouden wij als "kinderen van het licht" ons dan niet nog veel meer moeten bezighouden met de ware rijkdommen (vers 11; hoofdstuk 12 vers 33)?
Vers 13 wijst ons erop, dat wij geen twee harten kunnen bezitten: één voor Christus en één voor de Mammon en de dingen van deze wereld.
Wie willen wij liefhebben en dienen (1 Koningen 18 vers 21)?
De Heere Jezus zegt tegen de hebzuchtige Farizeeën dat God hun harten kent en anders beoordeelt dan de mensen. Boven de grootste werken van deze aarde, al het succes en de eerzucht, staat het vreselijke oordeel van vers 15 geschreven: "Een gruwel voor God".
Wat zal het in het hiernamaals geheel anders zijn! De Heere Jezus geeft hier een aangrijpend voorbeeld van. Deze rijke man was zo'n ontrouwe rentmeester. Hoewel zijn naaste bij hem voor de deur lag, gebruikte hij datgene wat God hem op deze aarde had toevertrouwd om te beheren, voor zichzelf, voor zijn luxe en egoïstische levensstijl. Voor de rijke en ook de arme man blijft echter één ding hetzelfde: op een gegeven moment, vroeg of laat, krijgen beiden met de dood te maken. En deze vertelling van Hem, Die niet liegen kan, laat zien dat onze geschiedenis niet afgelopen is met de dood. Er komt nog een hoofdstuk achteraan, het definitieve besluit, zou je kunnen zeggen. De Heere Jezus slaat hier in zekere zin de laatste bladzijde van het verhaal om, en laat ons nog iets lezen over de uiteindelijke afloop. Wat zullen we in het hiernamaals ontdekken en waarover stellen zoveel mensen, met angst en beven, vragen? Daar is een plaats van grote gelukzaligheid, maar ook een "plaats der pijniging", van ellende en smart. Dáár zal het echter te laat zijn om nog te geloven, en te laat om het evangelie te verkondigen.
Denk erom: "Nu is het de dag van de zaligheid!" (2 Korinthe 6 vers 2).
Het is normaal dat de wereld, die beheerst wordt door het kwaad, vol ergernis en aanleidingen tot vallen is. Dat een christen echter ook voor iemand een aanleiding tot vallen kan zijn, is ontzettend verdrietig â en heel ernstig voor de gelovige.
De Heere, Die ons vergeeft (hoofdstuk 7 vers 48), leert ons hier hoe wij moeten vergeven (vers 3 en 4). De apostelen voelen echter dat zij meer geloof nodig hebben om volgens dit principe van genade te kunnen handelen. Dat vragen zij nu aan de Heere.
Hij antwoordt hun dat een andere deugd ook beslist noodzakelijk is: gehoorzaamheid, want alleen door de kennis en het vervullen van de wil van God mogen we op Hem rekenen. Ja, het geloof is onlosmakelijk verbonden met gehoorzaamheid, en dat met nederigheid.
"Wij zijn onnuttige dienstknechten" (vers 10), zó moeten wij over onszelf denken, want God kan ook zonder ons werken! En wanneer Hij ons toch wil en kan gebruiken, dan is dat enkel en alleen uit genade. Maar de Heere Jezus denkt niet zo over hen die Zijn vrienden zijn (vergelijk vers 7 en 8 met hoofdstuk 12 vers 37; Johannes 15 vers 15).
Vervolgens lezen we over een ontmoeting tussen tien melaatsen en de Heere Jezus. Zij roepen tot Hem om hulp en worden op hun weg naar de priesters genezen. Slechts één, een Samaritaan, vindt het echter belangrijk om zijn Redder te danken.
Zo zijn er onder de christenen ook maar weinigen van hen die gered zijn, die 'terugkeren' om God te verheerlijken en de Heere hiervoor te danken. Bent u, ben jij, één van hen?
Tegen elke logica in, houden de Farizeeën zich hier bezig met het moment dat het Koninkrijk van God zal komen âhoewel zij tegelijkertijd de Koning, Die Zich in hun midden bevindt, afwijzen (vers 21). Hem willen zij niet erkennen en aannemen.
Het Koninkrijk van God, dat vaak genoemd wordt in het Lukasevangelie, is de atmosfeer, het gebied, waar de rechten van God erkend worden. Dat betreft in eerste instantie de hemel â vandaar ook dat wij in het Mattheüs-evangelie vooral de uitdrukking "het Koninkrijk der hemelen" tegenkomen (bijvoorbeeld Mattheüs 3 vers 2; 4 vers 17; 5 vers 3; enzovoort).
Toch moet het ook zijn uitwerking hebben op Israël en deze aarde. En om de onderdanen op de proef te stellen, is de Koning, in alle bescheidenheid, tot hen gekomen, zonder daarbij de aandacht op Zichzelf te richten (vers 20); en als zodanig werd Hij verworpen. Wat is daar het gevolg van? Het Koninkrijk bestaat nu alleen nog in de hemelse vorm. Het zal te zijner tijd wel op aarde opgericht worden, maar dan door middel van oordelen, die dan plotseling zullen komen en vreselijk zullen zijn. De zondvloed en de snelheid waarmee Sodom verwoest werd, zijn hier een ernstig voorbeeld van. Maar de beelden die gegeven worden in de verzen 27 - 30, spreken ook duidelijke taal over de tijd waarin wij leven!
Er bestaat echter één plaats waar de zedelijke rechten van de Heere nu al erkend worden: het hart van eenieder die Hem toebehoort.
Beste vriend, is jouw hart ook al een stukje terrein van het Koninkrijk van God?
De gelijkenis van de weduwe en de onrechtvaardige rechter is een bemoediging voor ons, om met volharding te bidden (Romeinen 12 vers 12; Kolosse 4 vers 2). We zien hier dat een slechte rechter zich uiteindelijk toch laat vermurwen. Zal de God van liefde dan niet veel meer reden hebben om Zijn "uitverkorenen" te hulp te komen en te bevrijden? Soms doet Hij dat niet direct, omdat de vrucht waar Hij op wacht, nog niet rijp is. Laten we echter niet vergeten dat Hij Zichzelf moet dwingen tot geduld, want Zijn liefde dringt Hem ertoe snel te handelen (vers 7 en 8). Er zal nog een tijd komen â de laatste, grote verdrukking â dat deze Schriftplaats voor de uitverkorenen van het Joodse volk geheel in vervulling zal gaan.
De Farizeeër â die erg met zichzelf is ingenomen en God zijn eigen gerechtigheid voor de aandacht stelt - en de tollenaar â die zich, in het bewustzijn van zijn zonden, afzijdig houdt - doen ons in zedelijk opzicht aan de nakomelingen van Kaïn en Abel denken (Abel was echter gerechtvaardigd; Mattheüs 23 vers 35.)
Wij hebben alleen het recht tot God te naderen in het bewustzijn een zondaar te zijn. Het is voor de mensen heel erg vernederend zijn werken (vers 12), zijn verstandelijke besluiten, zijn wijsheid en ervaring volkomen terzijde te moeten stellen. Maar de Goddelijke waarheden van het Koninkrijk kunnen alleen door het eenvoudig geloof verstaan worden. Het vertrouwen van een klein kind geeft ons hier een ontroerend voorbeeld van.
Zal de Heere Jezus, bij Zijn wederkomst, zo'n geloof bij ons vinden (vers 8)?
Met het oog op de overste die ogenschijnlijk alle goede eigenschappen in zich verenigde, zou iemand anders dan de Heere Jezus, zonder aarzelen, gezegd hebben: 'Hier is iemand die mij zal eren, een discipel zoals ik hem graag zou zien; die moet ik proberen voor mijzelf te winnen'. Maar God ziet het hart aan (1 Samuël 16 vers 7), en de Heere Jezus doorgrondt nu het hart van deze man.
"Wat moet ik doen ...?", vroeg hij (zie vers 18). Op deze basis kan de Heere Jezus hem alleen maar aan de wet herinneren. Waarom zou hij dan hebben moeten stelen? Hij was immers rijk. Waarom zou hij doden of een vals getuigenis afleggen? Hij wilde immers zijn goede naam in ere houden? Waarom zou hij zijn ouders niet eren? Ze hadden hem immers een prachtige erfenis nagelaten!
In werkelijkheid overtrad deze man het eerste gebod, omdat zijn rijkdommen als afgoden voor hem waren (Exodus 20 vers 3).
Het verdriet van deze man â die menselijkerwijs gesproken alles bezat om gelukkig te zijn: een mooie positie, onmetelijke rijkdom en de beste leeftijd om van dit alles te kunnen genieten â laat aan hen die jaloers zijn op zulke voorrechten, zien dat je hierdoor niet echt gelukkig kunt worden. Integendeel, als het hart vol is van deze dingen, dan vormt dat juist een verhindering om de Heere Jezus te volgen en deel te hebben aan het eeuwige leven.
De Heere stond Zelf op het punt om het werk dat toegang geeft tot dit leven, te volbrengen. Het is goed om rustig na te denken over elk woord dat in de verzen 32 en 33 genoemd wordt en dan te zeggen: Zoveel heeft de Heere Jezus voor mij geleden!
Het bezoek van de Heere Jezus aan Jericho was voor deze beide mannen waarschijnlijk de enige gelegenheid om de Heere te ontmoeten. Ondanks allerlei verhinderingen grepen zij deze gelegenheid dan ook met beide handen aan (vergelijk hoofdstuk 16 vers 16).
De blinde man kan de Heiland niet zien en bovendien proberen de mensen hem tot zwijgen te brengen. Maar des te harder gaat hij roepen. En hij krijgt antwoord op zijn geloof.
Zacheüs kon de Heere Jezus niet zien, omdat hij zelf zo klein was en de Heere omringd werd door heel veel mensen. Daarom loopt hij een eindje vooruit en klimt hij in een boom, zonder zich daarbij iets van het gepraat van de mensen aan te trekken. Ook hij triomfeert over de moeilijkheden en wordt daar rijkelijk voor beloond! Denk je eens in, hoe verbaasd en blij hij geweest zal zijn, toen hij zijn naam hoorde noemen en er tegen hem gezegd werd dat hij snel uit die boom moest komen, om de Heere Jezus in zijn eigen huis te ontvangen!
Beste vriend, de Heere Jezus komt vandaag ook nog bij jou langs en biedt je Zijn heil aan (vers 9). Laat je toch door niets weerhouden om te zien Wie Hij is (vergelijk vers 3); niet doordat je zelf van nature tot iets in staat bent, niet door bepaalde vormen van een valse godsdienst (die een verhindering voor jou kunnen zijn, net zoals dat bij de volksmenigte het geval was), niet uit angst voor de mening van een ander. De Meester roept ook jou vandaag nog bij name: 'Vandaag wil Ik bij jou binnenkomen, in je hart!'
Laat je Hem zo zonder meer voorbijgaan?
Deze gelijkenis stelt ons de verwerping van de Heere Jezus als Koning voor (vers 14) en tegelijkertijd de verantwoording van de Zijnen in de tijd van Zijn afwezigheid. In de gelijkenis van de talenten, in Mattheüs 25, heeft de Heere, overeenkomstig Zijn soevereiniteit, elke knecht een verschillend bedrag gegeven, maar de beloning voor hun trouw is dezelfde. Daarentegen wordt hier aan elke knecht één pond toevertrouwd en komt de beloning overeen met hetgeen ieder afzonderlijk daarmee gedaan heeft.
God geeft aan elke gelovige hetzelfde heil, hetzelfde Woord, dezelfde Geest, zonder daarbij te spreken over de bijzondere genadegaven die Hij een ieder afzonderlijk toebedeelt. Allen hebben echter niet dezelfde ijver om deze gaven te gebruiken tot verheerlijking van hun Meester, Die afwezig is. Het geheim voor het dienen ligt in de mate van liefde die men heeft voor degene die men dient. Hoe groter de liefde voor iemand, hoe groter de overgave en de ijver voor hem zal zijn.
De derde knecht vond dat zijn heer heel streng en onrechtvaardig was. Vandaar dat hij hem haatte en niet voor hem werkte. Dat is een beeld van alle zogenaamde christenen, die God datgene wat zij schijnen te bezitten, af zal nemen (vers 26).
Helaas komt het ook onder ware kinderen van God voor, dat zij de gaven weliswaar aannemen, maar weigeren om daarmee de dienst te vervullen. Zij ontnemen de Heere, en ten slotte zichzelf, de vrucht die Hij samen met hen had willen genieten.
De weg van de Heere Jezus nadert zijn einde: Jeruzalem, de stad waarheen Hij Zijn aangezicht gericht had (hoofdstuk 9 vers 51), in het bewustzijn van hetgeen Hem daar te wachten stond. Desondanks menen de discipelen een tijd lang, dat Zijn Koninkrijk binnenkort openbaar zou worden (vergelijk vers 11). De Heere Jezus toont Zijn grootheid, doordat Hij het veulen voor Zich opeist (en bestaan er in ons leven ook niet veel dingen waarvan gezegd zou kunnen worden: "De Heere heeft het nodig"? â vers 34).
Onder het gejuich van Zijn discipelen houdt de Koning Zijn majestueuze intocht in de stad. In tegenstelling tot deze vreugde tonen de Farizeeën echter een vijandige onverschilligheid (vers 39). Je zou inderdaad kunnen denken dat stenen ontvankelijker zouden zijn voor de werking van de Goddelijke kracht dan de verharde harten van het ongelukkige Joodse volk.
Bij de aanblik van deze stad moet de Heere Jezus huilen. Hij weet wat de tragische gevolgen van haar verblinding zullen zijn. Hij weet en ziet nu al dat, veertig jaar later, het machtige leger van Titus deze stad, die met grote schuld beladen is, zal belegeren (vergelijk Jesaja 29 vers 3 en 6). Onbeschrijfelijke tonelen van een bloedbad en van verwoesting trekken als het ware aan Zijn ogen voorbij!
Daarna gaat Hij de stad in en vervolgens de tempel binnen. Wat heeft de Heere er een moeite mee, om te moeten aanzien dat er op deze heilige plaats zo'n handel gedreven wordt. Met een heilige energie maakt Hij een eind aan deze praktijken (vergelijk Ezechiël 8 vers 6).
Als de Farizeeën bij het dopen door Johannes aanwezig waren geweest, dan zouden zij de Heere Jezus nu niet hebben hoeven vragen met welk recht Hij "deze dingen" doet (zie hoofdstuk 7 vers 30). Toen had God immers op plechtige wijze aangeduid dat de Heere Jezus Zijn geliefde Zoon was en Hij had Hem voor Zijn dienst voorzien van kracht (hoofdstuk 3 vers 22). Bleek trouwens niet overduidelijk uit alles wat de Heere Jezus deed of zei, dat het de Vader was Die Hem gezonden had (Johannes 12 vers 49 en 50)?
De Heere geeft deze mensen, die niet voor rede vatbaar zijn, nog een kans om zichzelf te herkennen in de gelijkenis van de slechte wijngaardeniers. Doordat Israël weigerde om God de vruchten van gehoorzaamheid te brengen, heeft het Zijn boodschappers en Zijn profeten veracht, mishandeld en soms zelfs gedood (2 Kronieken 36 vers 15 en 16).
En toen God, in Zijn grote liefde, hun Zijn eigen Zoon gaf, hebben zij niet geaarzeld Hem "buiten de wijngaard" te werpen en te doden.
De Heere telt de vreselijke gevolgen van deze laatste misdaad op: God zal dit slechte volk laten ombrengen. Hij zal anderen (die Hij uit de heidenen neemt) de opdracht geven om vruchten voor Hem voort te brengen. En wanneer er ten slotte van de aardse tempel geen enkele steen meer op de andere overgebleven zal zijn (hoofdstuk 19 vers 44; 21 vers 5 en 6), zal Christus, 'de verworpen Steen', in de opstanding tot de kostbare grondslag van een geestelijk en hemels huis, de Gemeente, worden (lees 1 Petrus 2 vers 4 en verder).
Op de arglistige vraag van deze 'geheime agenten' antwoordt de Heere Jezus, zoals gewoonlijk, door tot hun geweten te spreken. Men moet ieder geven wat hem toekomt, en in eerste instantie betreft dat: gehoorzaamheid en eer aan God (Romeinen 13 vers 7).
De Heere Jezus bewijst de Sadduceeën op heel eenvoudige wijze de werkelijkheid van de opstanding, door het noemen van de benaming die God Zichzelf geeft: "de God van Abraham, en de God van Izaäk, en de God van Jakob" (vers 37; Exodus 3 vers 6). Toen God op deze wijze tegen Mozes sprak, hadden de genoemde patriarchen deze aarde al lang verlaten, maar Hij noemde Zich nog steeds 'hun God'. Voor Hem waren zij dus nog 'levend', en zij zullen opstaan. Deze mannen van geloof hadden vastgehouden aan dingen die beloofd waren en die boven het leven uitgingen. En ze lieten zien dat zij deze dingen zeer zeker verwachtten. "Daarom schaamt Zich God voor hen niet, om hun God genaamd te worden" (Hebreeën 11 vers 13 - 16).
O, dat wij als gelovigen ons toch meer mocht beijveren om aan de mensen in onze omgeving te laten zien dat wij een levende hoop hebben!
De Farizeeën en de Sadduceeën zijn typische vertegenwoordigers van de twee godsdienstige stromingen aller tijden: Enerzijds bestaat er een wettisch formalisme, het aanhangen van tradities. Anderzijds is er een rationalisme (of modernisme), dat twijfelt aan (de waarheid van) het Woord en haar grondbeginselen.
De Heere Jezus ontmoette allerlei soorten mensen: rijk en arm, geleerd en onwetend, vleiers en tegensprekers. In Zijn wonderbare wijsheid kent Hij de beweegredenen en de gevoelens van ieder afzonderlijk. Tegenover allen neemt Hij een houding aan die overeenkomt met hun toestand. Hij legt de zelfgenoegzaamheid en hebzucht van de oversten van het volk bloot en waarschuwt hen die het gevaar lopen zich door hen te laten misleiden. Hij ziet hoe de weduwen het slachtoffer van de hebzucht van de Schriftgeleerden worden.
Daarom legt Hij in het bijzonder de nadruk op de gave van één van deze arme mensen. Deze vrouw had namelijk het laatste geld wat zij bezat, haar hele levensonderhoud, in de schatkist geworpen. Maar dat niet alleen! Door zo te handelen, gaf zij duidelijk aan voor haar verdere leven helemaal op God te vertrouwen en van Hem afhankelijk te zijn (1 Timotheüs 5 vers 5; vergelijk 2 Korinthe 8 vers 1 - 5). De Heere lette niet zozeer op hoeveel iemand geeft, maar juist op datgene wat iemand voor zichzelf achterhoudt. De Heere rekent heel anders dan wij (vers 3), en dat is een bemoediging voor allen die niet veel kunnen geven (2 Korinthe 8 vers 12). Veel "kleine penningen" kunnen een vermogen toevoegen aan de hemelse schat (vergelijk hoofdstuk 12 vers 33; 18 vers 22)!
Menigeen is verblind door de prachtige stenen en versieringen van de tempel. Maar ook hier oordeelt de Heere Jezus heel anders dan mensen. Hij weet hoe het er van binnen in deze tempel uitziet en vergelijkt dat met "een kuil van de moordenaars" (hoofdstuk 19 vers 46). Vervolgens laat Hij hun het einde van deze dingen zien, die door de mensen zo geacht en bewonderd worden (vers 6).
De Heere Jezus had Zijn discipelen in hoofdstuk 17 al aangekondigd dat er plotselinge straffen zouden komen, waardoor Israël en de rest van de wereld getroffen zou worden, omdat men Hem verworpen heeft.
Maar te midden van een veroordeeld volk weet de Heere nog altijd hen te onderscheiden die Hem toebehoren. Net als in hoofdstuk 12 waarschuwt en bemoedigt Hij hen bij voorbaat al, met het oog op deze moeilijke tijden (vergelijk-vers 14 en 15 met hoofdstuk 12 vers 11 en 12). "Bezit uw zielen in lijdzaamheid" (vers 19). Deze vermaning geldt voor ons allemaal. "Weest dan lankmoedig (of 'hebt geduld'), broeders... want de toekomst van de Heere nadert" (Jakobus 5 vers 7 en 8). "God is lankmoedig" (hoofdstuk 18 vers 7) en wil graag dat Zijn kinderen diezelfde karaktertrek openbaren.
De verzen 20 en 21 gingen, voordat de Romeinen in het jaar 70 Jeruzalem verwoestten, letterlijk in vervulling. Nadat de aanvallende legermacht haar stellingen rondom de muren voor de eerste keer had ingenomen, werd de belegering plotseling opgeheven. Blijkbaar zonder enige reden trok het grote leger weg in noordelijke richting. De christenen die zich de woorden van de Heere Jezus herinnerden, benutten deze tijd van rust om de stad in alle haast te verlaten, voordat de Romeinse legers terug zouden komen om haar opnieuw in te sluiten. Vers 24 heeft betrekking op de daaropvolgende periode, de periode die nu al meer dan 2000 jaar duurt.
Vanaf vers 25 hebben de aangekondigde tekenen betrekking op nog toekomstige gebeurtenissen. Dat zullen vreselijke tijden zijn. De duurzaamste dingen zullen dan wankelen, ook de zielen van de mensen. Ook nu is de wereld al bevangen door angst. De mensen proberen zich te verstoppen, om zich op die manier te beschermen (Openbaring 6 vers 15 en verder). Voor de gelovigen van die tijd zal de bevrijding (in vers 28 "verlossing" genoemd) echter van Boven komen. Dat zal de wederkomst van de Heere Jezus in heerlijkheid zijn. Wij, de gelovigen van deze tijd, verwachten echter op dit moment al Zijn komen op de wolken. Dat is een zekere belofte! Ja, hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar Zijn woorden zullen niet vergaan (vers 33).
Gewoonlijk wordt "brasserij" (overmatig eten) niet gezien als een grove zonde. Toch wordt dit hier in één adem genoemd met "dronkenschap", omdat dit soort dingen ertoe bijdraagt dat het hart traag wordt. Het beïnvloedt het egoïsme in sterke mate; en daarbij vergeet men de behoeften van de mensen die hem omringen (vergelijk hoofdstuk 16 vers 19 en verder). De blijde verwachting van de komst van de Heere Jezus verdwijnt steeds meer en meer uit het trage hart (het slot van vers 34). En uiteindelijk nemen de zorgen van het leven het hart volkomen in beslag.
Om deze reden worden de vermaningen om nuchter en waakzaam te zijn, in de Brieven vaak tezamen genoemd (1 Thessalonicenzen 5 vers 6 en 7; 1 Petrus 1 vers 13; 4 vers 7; 5 vers 8). In het Schriftgedeelte voor vandaag vermaant de Heere Jezus ons ook: "En wacht uzelf .. Waakt dan te aller tijd, biddende..." (vers 34 en 36).
De oversten van het volk zijn in verlegenheid gebracht. Ze weten niet hoe ze hun misdadige plannen kunnen verwezenlijken, omdat ze merken dat de mensen graag naar de Heere Jezus luisteren (hoofdstuk 19 vers 48). Satan komt hen echter te hulp. Hij heeft al een werktuig toebereid: Judas. Op dit moment vaart hij in hem (vers 3) en beheerst, van meet af aan, de wil van deze arme discipel. Judas gaat onmiddellijk op pad om die afschuwelijke zaak te regelen.
Wanneer het erom gaat het pascha â en nu het avondmaal âte vieren, wordt er niets aan het initiatief van de discipelen overgelaten. De Heere Jezus vraagt hun het voor te bereiden, maar verwacht ook dat zij Hem zullen vragen waar dat zal moeten gebeuren.
Hoeveel christenen zijn er niet die zelf de plaats van hun samenkomen uitgekozen hebben, in plaats van deze vraag aan de Heere te stellen! En toch is alles zo eenvoudig. Het is voldoende zich door iemand met een kruik water te laten leiden â een beeld van de Heilige Geest, Die ons het Woord verklaart. De grote bovenzaal laat zien dat daar waar de Heere Jezus Zelf is, genoeg plaats is voor alle gelovigen.
"Ik heb grotelijks [vurig] begeerd...", zegt Hij tegen Zijn discipelen, als het moment is aangebroken (vers 15). Wat een liefde! De Heere Jezus spreekt niet over een gunst die Hij hun betoont, maar over het verlangen van Zijn eigen hart, net als iemand die voordat hij zijn familie gaat verlaten, als afscheid graag nog één keer met hen samen wil zijn.
Dit is het laatste gesprek tussen de Meester en Zijn discipelen. Maar ach! wat doen zij in deze heilige momenten? Ze twisten erover wie van hen toch de meeste is! En met welk een groot geduld en hoe zachtmoedig tikt de Heere hen dan op de vingers! Een laatste keer herinnert Hij hen (en ook ons!) eraan, dat "de meeste" juist hij of zij is die bereid is anderen te dienen. Hijzelf heeft dat onophoudelijk gedaan (vergelijk vers 27 en hoofdstuk 12 vers 37). Hij maakt hun niet alleen geen enkel verwijt, maar spreekt zelfs Zijn waardering uit voor hun overgave en trouw: "En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen" (vers 28).
De zwakke discipelen zouden echter zelf ook nog in verzoekingen komen, waardoor hun geloof in gevaar gebracht zou worden. Daarom openbaart de Heere Jezus hun op welke wijze Hij in het vervolg de Zijnen zal dienen: Zijn voorbede zou aan hun beproeving voorafgaan en hen in die omstandigheden ondersteunen (Johannes 17 vers 9, 11 en 15).
Toen Hij bij hen was, hadden ze aan geen ding gebrek. Hij waakte over alles en beschermde hen. Nu, nu Hij hen zou verlaten, moesten ze voor zichzelf strijden. Maar dat moest niet met vleselijke wapens gebeuren (vers 38; 2 Korinthe 10 vers 4), en dat betrof evenmin een strijd "tegen vlees en bloed" (Efeze 6 vers 12).
En dan is het moment voor satan, die vreselijke vijand, aangebroken (1 Petrus 5 vers 8).
Hier, in het Lukas-evangelie, worden over de bijzonder ernstige gebeurtenissen in Gethsémané enkele details genoemd die we in de andere evangeliën niet tegenkomen. We zien dat de Heere Jezus neerknielt (vers 41) en dat Hem een engel verschijnt om Hem te versterken (vers 43). We voelen iets van de angst in het hart van de Heere Jezus, gedurende deze strijd. En we weten met welke vijand Hij te maken had. De strijd was zo zwaar dat Zijn zweet op een gegeven moment als grote druppels bloed werd! Maar zelfs met deze angst in het hart, is Zijn volmaaktheid te zien. Op onze verharde harten maakt het kwaad vaak maar weinig indruk, terwijl de gedachte de zonden te moeten dragen, Hem, de heilige en volmaakte Mens, met ontzetting en angst vervulde.
Daarna komt de Heere Jezus terug bij Zijn discipelen en ziet dat ze in slaap gevallen zijn. Op de berg werden zij destijds, in tegenwoordigheid van Zijn heerlijkheid, ook door slaap overmand (hoofdstuk 9 vers 32). En hier gebeurde hetzelfde, maar nu in verbinding met Zijn lijden. Hij had hun geleerd om te vragen: "Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze" (hoofdstuk 11 vers 4; Mattheüs 6 vers 13). Maar waar bleef hun gebed, toen de vijand naderde?
Dan komt Judas eraan, samen met die andere mannen. Het is wonderbaar om op te merken hoe de Heere, Die zojuist nog die hevige strijd gestreden had, bij het zien van deze mensen zo'n volmaakt geduld, zo'n volmaakte genade (vers 51) en zo'n rust openbaart.
Arme Petrus! Terwijl de Heere Jezus bad, sliep hij. Terwijl Hij Zich gevangen liet nemen en weg liet voeren â "als een lam" dat weggeleid werd om geslacht te worden (Jeremia 11 vers 19; Jesaja 53 vers 7) â sloeg Petrus er met het zwaard op los (vers 50; vergelijk Johannes 18 vers 10). En toen de Heere Jezus tegenover de mensen getuigde van de waarheid, verloochende Petrus Hem tot driemaal toe! Hij ging bij de anderen op het binnenplein zitten, die zojuist zijn Meester gegrepen hadden en nu tegen Hem getuigden (Psalm 1 vers 1 en Psalm 69 vers 13). Hoe zou Petrus het in zulke omstandigheden ooit voor Hem hebben kunnen opnemen?
Door een eenvoudige blik van de Heere Jezus werd het hart van deze arme discipel echter gebroken. Die ene blik bereikte veel meer dan verwijten hadden kunnen bewerken. O, die blik! Het geweten van Petrus wordt ervan doordrongen en daarin begint het werk van herstel. Deze verloochening, die de Heere Jezus zo ontzettend bedroefd heeft, komt voor Hem nog bij alle andere smaad die Hij moest verdragen (vers 63 - 65).
De mensen tegenover wie Hij geplaatst is, worden ertoe gedwongen zelf te erkennen dat Hij zowel "de Zoon des mensen" (vers 69) als "de Zoon van God" (vers 70) is. Daarom kan de Heere Jezus hun antwoorden: "Gij zegt, dat Ik het ben". Na deze woorden is hun schuld des te groter wanneer ze Hem veroordelen.
De eenstemmigheid met betrekking tot de Heere Jezus komt gemakkelijk tot stand. En de oversten van het volk staan gezamenlijk op, om Hem naar Pilatus te brengen. Welke aanklacht brengen zij tegen deze Gevangene in? Hij zou het volk verleiden tot slechte dingen, zeggen ze; maar Hij had er toch alleen maar alles aan gedaan opdat het hart van het volk tot God teruggevoerd zou worden. Volgens hen zou Hij verbieden om de keizer belasting te betalen, terwijl Hij juist het tegendeel beweerd had door te zeggen: "Geeft dan de keizer, wat van de keizer is" (hoofdstuk 20 vers 25).
Al deze leugens hebben op Pilatus echter niet die uitwerking waar de Joden zo op gehoopt hadden. In zijn verlegenheid zoekt de stadhouder naar een oplossing om zichzelf uit deze situatie te redden. Hij stuurt de Heere Jezus daarom naar Herodes toe. Bij deze man zien we, met betrekking tot de Heere Jezus, een mengeling van angst (hoofdstuk 9 vers 7), haat (hoofdstuk 13 vers 31) en nieuwsgierigheid (vers 8). Zijn nieuwsgierigheid wordt echter niet bevredigd en dan komt de hele morele verdorvenheid van deze man duidelijk naar voren. Voor zijn eigen plezier vernedert hij een weerloze Gevangene, hoewel hem verteld was over de wonderen van Zijn liefde! En teleurgesteld stuurt hij Hem uiteindelijk weer terug naar Pilatus.
Als we zo hebben mogen nadenken over Hem Die zo vreselijk behandeld, bespot en veracht werd, dan verheugen onze harten zich op het moment dat Hij in heerlijkheid zal verschijnen en dat dan iedereen zal moeten erkennen dat Hij de Heere is, tot verheerlijking van God de Vader (Jesaja 49 vers 7; Filippensen 2 vers 11).
Pilatus is nu in groter verlegenheid dan ooit. Hij roept de overpriesters, de oversten en het volk bij elkaar en zegt, tot driemaal toe, tegen hen dat hij in deze Jezus niets kan ontdekken waarvoor Hij de dood schuldig zou zijn. Pilatus wil Hem graag vrijlaten, maar het volk houdt daardoor des te meer vast aan hun eis dat Hij gekruisigd moet worden. Een mensenmassa kan binnen de kortste keren tot een laffe en wrede menigte worden, omdat men, onder de dekmantel van anonimiteit, de laagste instincten de vrije loop kan laten. En hier is dat des te meer het geval, omdat men zelfs door de eigen leiders aangespoord wordt. Hun geschreeuw heeft ten slotte de overhand en in ruil voor de vrijlating van de moordenaar Bar-Abbas, bereikt men dat de Heere Jezus aan hun wil wordt overgegeven. Voor Pilatus, een gewetenloze man, heeft een mensenleven minder waarde dan de gunst van de massa van het volk.
Van hen die deze onschuldig Veroordeelde begeleiden, worden velen door medelijden aangegrepen en huilen. Maar een uiting van het gevoel is nog geen bewijs dat God werkzaam is in een hart. Anders zouden deze vrouwen wel over zichzelf en deze misdadige stad gehuild hebben (net zoals de Heere Jezus dat deed in hoofdstuk 19 vers 41). Veel mensen zijn getroffen door de goedheid van de Heere en zijn verontwaardigd over het onrecht dat Hem is aangedaan. Ze staan er echter niet bij stil, dat zij door hun zonden een persoonlijke verantwoording dragen voor Zijn dood (Jesaja 53 vers 6).
De Heere Jezus wordt naar die afschuwelijke Schedelplaats gebracht en daar tussen twee "kwaaddoeners" gekruisigd. "Vader, vergeef het hun" (vers 34), is het verheven antwoord dat Hij geeft op al het kwaad dat de mensen Hem hebben aangedaan (vergelijk hoofdstuk 6 vers 27). Wanneer zij berouw zouden hebben, zou hun misdaad â de grootste in de geschiedenis van de mensheid â juist door Zijn dood verzoend worden. Bij het kruis, waar alle lagen van de bevolking vertegenwoordigd zijn â van de oversten af (vers 35) tot aan de ellendige "kwaaddoener" toe (vers 39) â komt de totale verdorvenheid van het menselijk hart duidelijk aan het licht. Op schaamteloze wijze wordt de Heere Jezus bestookt met nieuwsgierige blikken, spot en uitdagingen. Een gruwelijke smaad wordt Hem aangedaan! Er komt echter ook een wonderbaar gesprek tot stand tussen de gekruisigde Heiland en één van de misdadigers, die overtuigd is geraakt van zijn zonde (vers 41). God heeft zijn hart verlicht en nu ziet hij in deze verachte en met doornen gekroonde Mens, Die naast hem zal sterven, het heilige Offer, de glorierijke Koning (vers 42). En hij ontvangt daar een belofte van onvergelijkbaar grote waarde (vers 43). Op het kruis geniet de Heere Jezus zo al een eerste vrucht van de vreselijke moeite van Zijn ziel (Jesaja 53 vers 11).
Na de drie uren van ondoordringbare duisternis herkrijgt de Heere Jezus de betrekking tot God. Deze was, gedurende het van God verlaten zijn dat Hij moest ondergaan, onderbroken geweest. En dan geeft Hij, in volledige rust, Zijn geest over in de handen van de Vader. De dood van de Rechtvaardige is de aanleiding tot een laatste getuigenis, dat God door de mond van de Romeinse hoofdman van Hem laat geven (vers 47).
De tussenkomst van Jozef van Arimathéa laat zien dat de genade deze man, die rijk was â iets waarover vaker gesproken wordt in het Lukas-evangelie; zie hoofdstuk 18 vers 24; Mattheüs 27 vers 57 â en ook een overste van het volk was, bereikt heeft. Deze discipel was speciaal toebereid voor de dienst die hij nu vervulde: de begrafenis van het lichaam van de Heere Jezus (overeenkomstig Jesaja 53 vers 9).
Vervolgens stelt de Heilige Geest ons een aantal trouwe vrouwen voor de aandacht, van wie verschillende keren gezegd wordt dat zij de Heere vanuit Galilea volgden (vers 49 en 55). Zij stonden ook bij het kruis van Golgotha. Daarna hebben zij, meer uit liefde dan uit begrip, specerijen toebereid om Zijn lichaam te balsemen. En ten slotte zien we hoe zij op de eerste morgen van de week naar het graf gaan en daar een heerlijke ontmoeting hebben. Daar bij het graf zijn twee engelen, om hun te vertellen dat hun voorbereidingen niet meer nodig zijn. De Persoon Die zij zoeken, is niet meer in het graf; Hij is opgestaan!
De christelijke ervaring van veel kinderen van God gaat helaas niet verder dan het kruis. De verbaasde vraag uit vers 5 zou ook aan hen gesteld kunnen worden. Beste vrienden, laten we ons verheugen! De Heere Jezus is niet alleen onze Heiland, Die aan het kruis voor onze zonden gestorven is. Hij leeft van eeuwigheid tot eeuwigheid (Openbaring 1 vers 18), en wij zullen met Hem leven (Johannes 14 vers 19).
Overrompeld door verdriet zijn twee discipelen op weg naar Emmaüs. Ze hadden al hun aardse hoop op een Messias voor Israël verloren en keerden nu terug naar hun werk op het land en hun dagelijkse bezigheden (Markus 16 vers 12). De geheimzinnige Vreemdeling Die met hen oploopt, geeft echter een totaal andere richting aan hun gedachten. Het eerste wat Hij doet, is Zich verwonderen over hun gebrek aan begrip en hun ongeloof (vers 25). Dat zijn twee dingen die veelal samen gaan. Vaak is onze onwetendheid het gevolg van ons ongeloof (Hebreeën 11 vers 3)! Daarna opent de Heere Jezus de Schriften voor Zijn beide metgezellen en laat hen de dingen ontdekken die daarin "van Hem geschreven" stonden (vers 27). Laten we nooit vergeten dat de enige sleutel tot het Oude Testament, en vooral tot de profetieën, is: de Heere Jezus daarin te zoeken (Openbaring 19 vers 10).
Let eens op, hoe de Heere Jezus Zich laat weerhouden om verder te gaan, door degenen die Hem nodig hebben: Hij gaat naar binnen, om bij deze beide discipelen te blijven. O, dat dat toch ook meer onze ervaring mag zijn! Laten we toch in het bijzonder leren om onze omstandigheden â wanneer wij ontmoedigd zijn en de dingen anders gaan dan wij gehoopt hadden â in Zijn tegenwoordigheid aan te nemen zoals ze zijn. Dan zal de "vertroosting der Schriften" ook onze gedachten op de levende Heiland richten en zal ons hart ook brandende in ons worden (lees Romeinen 15 vers 4).
Op het moment van Zijn opstanding had de Heere Jezus direct terug kunnen gaan naar de hemel. Maar Hij wilde eerst nog Zijn geliefde discipelen ontmoeten (Johannes 16 vers 22). Hij wilde hun niet alleen het bewijs van Zijn opstanding geven, maar hun ook laten zien dat Hij voor altijd Mens bleef, de Mens Christus Jezus, Die zij hier op aarde gekend, gevolgd en gediend hadden.
Beste gelovige vrienden, Hij Die wij heel binnenkort in de hemel zullen zien, is geen 'geest' en geen 'vreemde'. Nee, Hij is de Heere Jezus uit de evangeliën, de Zoon des mensen, die Lukas aan ons heeft voorgesteld, de liefdevolle Heiland, Die wij hier op aarde hebben leren kennen.
"Moet" en "moest" lezen wij in de verzen 7, 26, 44 en 46. Het hele raadsbesluit van God moest in het lijden van Christus, maar ook in Zijn verheerlijking, in vervulling gaan.
De Heere Jezus koos Bethanië uit, als de plaats waar Hij afscheid neemt van de Zijnen. In beeld plaatste Hij hen daarmee, gedurende de tijd van Zijn afwezigheid, op een nieuwe bodem, buiten het Joodse systeem (vers 50): op de grondslag van het nieuwe leven en van gemeenschap (Johannes 12 vers 1).
De laatste woorden van de Heere Jezus zijn een belofte (vers 49). Zijn laatste handeling is een zegening (vers 50). Hij is weliswaar bij hen weggegaan, maar het hart van de Zijnen stroomt voortaan over van vreugde en lof.
Als onderwerpen van diezelfde liefde mogen ook wij onze God en Vader roemen en ons in onze volmaakte Verlosser verheugen!
"De eniggeboren Zoon", Die de Vader openbaart â dat is de samenvatting van dit evangelie (vers 18; zie 1 Johannes 4 vers 9).
Hij wordt ons in het eerste vers, waar elk woord van bijzonder groot belang is, direct al voorgesteld als: "het Woord", als een eeuwige Persoon, als zijnde "bij God", maar desondanks God Zelf. Hoe ver we in gedachten ook zouden proberen terug te gaan in de tijd âHij bestond (Psalm 90 vers 2).
Dit scheppende Woord, de enige Bron van leven en licht, heeft Zich niet vanuit de majesteit van de hemel tot ons willen richten; Het is Zelf in deze wereld gekomen (vers 9) en heeft Zich onderworpen aan onze grenzen van ruimte en tijd. O, het is een ondoorgrondelijk geheim: "het Woord is vlees geworden" (vers 14; 1 Timotheüs 3 vers 16)! Het Woord is niet gekomen als een snelle Boodschapper, Die onmiddellijk weer terugkeerde tot Hem Die Hem gezonden had. Het "heeft onder ons gewoond" (vers 14; eigenlijk staat hier 'getabernakeld', dat wil zeggen 'in een tent gewoond'), zonder daarbij ooit op te houden "in de schoot des Vaders" te zijn (vers 18).
Alles wat God in Zijn natuur is: liefde en licht, (genade voor het hart en waarheid voor het geweten van de zondaar), is ons nabij gekomen in Hem. Ja, dat alles straalt voort uit deze wonderbare Persoon, Die al onze aanbidding waard is.
De zedelijke duisternis van de mens heeft het ware licht echter "niet begrepen" (vers 5). De wereld heeft haar Schepper niet erkend. De Zijnen hebben hun Messias niet aangenomen (vers 11).
En u, en jij? Hebt u, heb jij Hem wel aangenomen? Zo ja, dan ben je een kind van God (vers 12; Galaten 3 vers 26).
Het was niet de last van hun zonden waardoor de afgevaardigden van de Joden tot Johannes de Doper gedreven werden. Nee, het was meer de nieuwsgierigheid en het verlangen om zichzelf een mening te kunnen vormen dat zij hem opzochten. Misschien werden ze ook door een zekere onrust gedreven. Hoe het ook zij, hun vraag gaf Johannes een mooie gelegenheid om zijn boodschap door te geven (vergelijk 1 Petrus 3 vers 15). Hij had niets over zichzelf te vertellen (vers 22). Hij was gewoon een "stem" (vers 23). Hij was "door God gezonden... opdat hij van het Licht getuigen zou" (vers 6 - 8).
Laten we echter niet vergeten dat alle verlosten er ook toe geroepen zijn om van het Licht te getuigen en vooral om als "kinderen van het licht" te wandelen (Efeze 5 vers 8). In zichzelf zijn zij niets anders dan werktuigen, door welke Christus, het zedelijke Licht van de wereld, geopenbaard moet worden.
God heeft Zijn dienstknecht van tevoren laten zien hoe hij Hem van Wie hij moest getuigen, kon erkennen. "Zie, het Lam Gods", roept Johannes uit, als de Heere Jezus verschijnt (vers 29). God had Zichzelf van een heilig Offer voorzien, om de zonde van de wereld weg te nemen (vergelijk Genesis 22 vers 8). Sinds de zondeval werd dat Offer verwacht en door de profeten, en ook door de beelden van het oude verbond, aangekondigd (Jesaja 53 vers 7; Exodus 12 vers 3). En wat een Offer! Het Lam van God is ook de Zoon van God!
De wandel van de Heere Jezus (en niet alleen het teken uit de hemel; vers 32 en 33) vervulde het hart van Johannes met overtuiging en vreugde (vers 36). Deze dingen spreken altijd tot het geweten van anderen! Zijn twee discipelen horen wat hij zegt en sluiten zich daarop bij de Heere Jezus aan. Zij volgen Hem en genieten Zijn aanwezigheid â zoals wij dat vandaag, overeenkomstig Mattheüs 18 vers 20, ook mogen en kunnen verwerkelijken.
Andreas geeft ons nog een ander voorbeeld. Hij leidt "eerst zijn broeder Simon" tot de Heere Jezus. Laten wij ook eerst aan onze naaste denken die de Heere Jezus nog niet kent, voordat wij gaan nadenken over allerlei andere activiteiten.
Andreas is een bescheiden discipel. Maar de dienst die hij op deze dag verrichtte, zou grote gevolgen hebben, want deze Simon is de apostel Petrus geworden!
Filippus luistert naar de roepstem van de Heere Jezus, vindt daarna Nathanaël en spreekt met hem over de Nazareeër, als de beloofde Messias. Geen enkel argument legt echter zoveel gewicht in de schaal als die eenvoudige uitnodiging: "Kom en zie" (vers 47).
In dit hoofdstuk verheffen een heleboel verschillende namen en titels de eeuwige, tegenwoordige en toekomstige heerlijkheden van de Heere Jezus Christus. We lezen over: Woord, Leven, Licht, eniggeboren Zoon in de schoot van de Vader, Lam van God, Meester, Messias of Christus, ware Nazareeër, Koning van Israël en Zoon des mensen.
De Heere Jezus is uitgenodigd voor een bruiloft. Het is echter heel opmerkelijk dat de hele gebeurtenis zich hier buiten de feestzaal afspeelt en dat er verder niets meegedeeld wordt over het bruidspaar. Van hen weten we alleen dat zij de gelukkige gedachte hebben gehad om de Heere Jezus en Zijn discipelen uit te nodigen.
Beste vrienden, kunnen wij de Heere met al onze omstandigheden in verbinding brengen? Zou het voor Hem altijd mogelijk zijn om aan onze familiefeesten en ons vermaak deel te nemen? De ware vreugde, waarvan de wijn in het Woord van God een beeld is, kan alleen Hij ons geven! Het is echter het water dat voor de reiniging bedoeld is, dat deze wijn van vreugde voortbrengt. Zo is het bij ons, maar zo zal het eens ook voor Israël zijn, in de tijd van haar herstel. Wij genieten de geestelijke vreugde alleen in die mate waarin wij, daaraan voorafgaand, zelfoordeel toegepast hebben.
Het is de mens eigen "eerst de goede wijn" voor te zetten (vers 10). Van jongs af aan wil de mens niets liever dan genieten van alles wat het leven te bieden heeft, want met het ouder worden, nemen de zorgen, de kommer, het lichamelijk verval immers alleen maar toe, en ten slotte zal de dood komen. De beste wijn was het eerst opgeraakt.
De Heere Jezus handelt echter anders! Hij heeft eeuwige vreugden 'klaar liggen' voor de Zijnen; vreugden die het niet waard zijn vergeleken te worden met het ijdele geluk van deze aarde. Laat ons toch naar geen andere vreugde verlangen dan die Hij zal geven!
De Heere Jezus gaat van Kapernaüm naar Jeruzalem, want "het pascha der Joden was nabij" (vers 13). Dit feest had niets meer te maken met het karakter van "hoogtijden des HEEREN", noch met "heilige samenroepingen" (Leviticus 23 vers 2; vergelijk Johannes 7 vers 2). Voor deze gelegenheid was de tempel namelijk gevuld met een schandalige handel. Handelaren verkochten daar allerlei offerdieren. Met verontwaardiging reinigt de Heere Jezus dan ook het huis van Zijn Vader (vers 16).
Gelovige vrienden, ons lichaam is een tempel van de Heilige Geest. Wanneer onreine gewoonten of gedachten dat lichaam in bezit genomen hebben, laten we dan, net als de Heere, orde op zaken stellen en ons heiligen! Hij is naijverig, Hij duldt het niet dat onze genegenheden naar andere dingen uitgaan. Onze toewijding en genegenheid behoren alleen Zijn Vader toe!
De mensen van wie in de verzen 23 - 25 sprake is, geloofden met hun verstand in de Heere Jezus, zonder dat hun hart er werkelijk bij betrokken was. Zij erkenden Zijn macht wonderen te kunnen doen, maar dat was niet echt 'geloof'. Daarom vertrouwde de Heere Jezus Zich niet aan hen toe (vers 24), want "het geloof" is "uit het gehoor... door het Woord Gods" (vergelijk vers 22 en Romeinen 10 vers 17). De volmaakte kennis die de Heere Jezus van het hart van de mens heeft, is een bewijs van Zijn Goddelijkheid, ja, van het feit dat Hij God Zelf is (vers 25; lees Jeremia 17 vers 9 en 10). Zijn liefde voor de mens is daarom echter niet verkoeld, want de beweegredenen van Zijn liefde liggen in Hemzelf, en niet in de mensen.
Vol angst, maar gedreven door het verlangen van zijn ziel, gaat Nicodémus naar Hem toe, Die het Leven en het Licht is (hoofdstuk 1 vers 4 en 5). Deze overste van de Joden, deze voortreffelijke leraar van Israël, leert bij de Goddelijke Leraar een waarheid die voor hem zowel bevreemdend als vernederend is. Noch zijn kwaliteiten, noch zijn kennis, of welke andere menselijke capaciteit dan ook, geven hem recht op het Koninkrijk van God, want zoals men door de natuurlijke geboorte de mensenwereld binnentreedt, zo is er een andere geboorte nodig om zijn intrede te kunnen doen in het koninkrijk (vers 5).
In het antwoord van de Heere Jezus komen we tweeërlei "moet" tegen. Het ene heeft betrekking op de mensen: "Gij moet wederom geboren worden" (vers 7). Het andere, het vreselijke tegenovergestelde, heeft betrekking op onze Verlosser, Die onze aanbidding waard is: "...alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden" (vers 14). De verhoging van Jezus Christus, hetgeen ik met mijn ogen van geloof zie op het kruis van Golgotha, redt mij van het eeuwige verderf vers 14 en 15; vergelijk Numeri 21 vers 8 en 9). Wanneer ik op Hem zie, dan leer ik de liefde van God voor deze wereld (en daarmee voor mij persoonlijk) kennen. Op Golgotha zie ik het hoogste bewijs dat Hij van deze liefde gegeven heeft. De wereld zal niet geoordeeld worden zonder eerst geliefd te zijn geweest. Het hele evangelie ligt in die ene wonderbare Bijbeltekst opgesloten: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verderft, maar het eeuwige leven heeft" (vers 16).
Dit is het enige heilsmiddel voor talloze zondaren, waarover wij nooit uitgedacht zullen raken!
De discipelen van Johannes werden een beetje jaloers, toen zij zagen dat hun meester aan betekenis verloor, ten gunste van een Ander (vers 26; hoofdstuk 4 vers 1). Met uitzondering van twee (van wie Andreas er één was), die Johannes verlaten hadden om de Heere Jezus te volgen (hoofdstuk 1 vers 37), hadden deze mannen de opdracht van de voorloper niet goed begrepen. Hij stelt zichzelf voor als "de vriend van de bruidegom" (vers 29). En wat ontevredenheid bij zijn discipelen bewerkte, maakte voor hem juist zijn blijdschap volkomen. Het maakte hem gelukkig om ten gunste van de Heere terug te kunnen treden.
Het prachtige antwoord van Johannes zou ook als lijfâ
spreuk in onze harten geprent moeten zijn: "Hij moet wasâ
sen [toenemen, groeien], maar ik minder worden" (vers 30).
Dit woord biedt Johannes de gelegenheid om de Heere Jezus te verheffen: Hij is boven allen; niet alleen door de autoriteit die Hem toegekend wordt door de menigte, maar juist doordat Hij "van boven komt" (vers 31). En Hij komt niet als een engel, maar als het Onderwerp van alle toegenegenheden van de Vader, als Zijn Erfgenaam (Hebreeën 1 vers 2).
De hele mensheid werd (wordt) door deze Bezoeker op de proef gesteld en in tweeën verdeeld: De ene groep gelooft in de Zoon; zij bezitten nu al het eeuwige leven. De andere groep gelooft niet; de toorn van God blijft op hen. Wat een vreselijke gedachte! Aan welke kant sta jij (hoofdstuk 20 vers 31)?
God heeft Zijn eniggeboren Zoon niet alleen voor goed bekend staande personen, zoals Nicodémus, naar deze aarde gezonden. Deze wonderbare "Gave van God" (vers 10) werd (en wordt nog steeds) ook aan de ellendigste zondaar aangeboden. Daar hebben we hier een prachtig beeld van!
In Zijn onbegrijpelijke vernedering gaat de Zoon van God, als waarachtig Mens, hier bij een bron zitten. Hij is moe en heeft dorst. Desondanks denkt Hij alleen maar aan het heil van één van Zijn schepselen, een vrouw die hier bij Hem komt. Let nu eens op het gedrag van de Heere Jezus, hoe Hij probeert haar vertrouwen te winnen! Hij vraagt háár om een gunst en gaat als het ware naast haar staan, doordat Hij begint met het spreken over dingen die haar bekend zijn. In haar verlangen naar geluk had deze vrouw uit vele teleurstellende bronnen van deze wereld water gedronken. Bij vijf mannen heeft ze naar dat geluk gezocht en toch kreeg ze steeds opnieuw dorst. De Heiland weet echter waar voor haar "levend water" te vinden is. De Bron daarvan is Hij Zelf (vers 10, 13 en 14; vergelijk Jeremia 2 vers 13 en 18 en Jeremia 17 vers 13). Zonder de oorsprong en de uitwerking daarvan te kennen, wil deze Samaritaanse vrouw deze buitengewone gave graag van Hem ontvangen. Allereerst is het echter nodig dat de Heere Jezus Zijn vinger legt op datgene wat in het leven van deze vrouw niet in orde is (vers 16 - 18). Je kunt namelijk niet gelukkig zijn zolang het licht van God je geweten nog niet is binnengedrongen. De genade van de Heere Jezus is niet los te koppelen van de waarheid (hoofdstuk 1 vers 17).
Het is heel opmerkelijk dat het eerste onderwijs dat de Heere Jezus aan deze arme Samaritaanse vrouw geeft, geen betrekking heeft op haar wandel, maar op de aanbidding, het grootste voorrecht van alle gelovigen. Waar, wanneer en Wie moet de lof gebracht worden? Omdat de godsdienst van vormen en ceremoniën terzijde gesteld was, was het uur van aanbidding in geest en waarheid gekomen â en dat is nu. Aan Wie en door wie moet deze aanbidding gebracht worden? Niet meer aan de HEERE (Jehova), de God van Israël, maar aan de Vader, en dat door hen die in een hele nieuwe betrekking tot God zijn komen te staan. Aan de kinderen van God is het gegeven om voortaan lof te brengen. Zij worden "ware aanbidders" genoemd (vers 23).
En jullie, naar wie â met het oog op dit doel â ook gezocht is, willen jullie de Heere deze vrucht van de moeite van Zijn ziel nog langer onthouden (Hebreeën 13 vers 15)?
Alles wat de vrouw zojuist gehoord heeft, maakt dat zij haar waterkruik laat staan en snel naar de stad gaat, om daar te vertellen van Hem Die zij ontmoet heeft.
De discipelen laten zien dat ze niet in staat zijn om op de gedachten van hun Meester in te gaan. De Heere Jezus vond Zijn kracht en vreugde in de gemeenschap met Zijn Vader (vers 34) en in dat wat voor Hem lag. Hij zag de toekomstige oogst al voor Zich. Die oogst bestond uit allen die Hij verlossen zou (vers 35; vergelijk Psalm 126 vers 6).
De Heere Jezus brengt twee dagen door in het midden van de Samaritanen, die, net als Hijzelf, veracht werden (vergelijk hoofdstuk 8 vers 48). En veel van deze mensen geloven in Hem, niet meer om hetgeen de vrouw hun verteld had, maar als gevolg van hun persoonlijke contact met de Heiland, "de Zaligmaker van de wereld" (vers 42; 1 Johannes 4 vers 14).
Beste vrienden, om de Heere Jezus te leren kennen, moet je je niet tevreden stellen met de ervaringen van een ander! Zoek naar een persoonlijke en alles beslissende ontmoeting met Hem!
Vervolgens gaat de Heere Jezus naar Galilea. Daar ontmoet Hij een koninklijke beambte, die zich grote zorgen maakt over zijn doodzieke zoon. Deze man staat erop dat de Meester met hem meegaat om zijn zoon te genezen. Uit deze houding blijkt dat het geloof van deze man lang niet zo groot is als dat van die Romeinse hoofdman in dezelfde stad, Kapernaüm. Die hoofdman vond zichzelf niet waardig om de Heere in zijn huis te ontvangen en was tevreden met een enkel woord van de Hem, opdat zijn knecht beter zou worden (Lukas 7 vers 7).
Het eerste wat de Heere Jezus dan doet, is deze angstige vader duidelijk maken dat het voor het geloof niet nodig is iets te zien, maar dat het juist gaat om het eenvoudig vertrouwen op Zijn woord (vers 48; vergelijk hoofdstuk 2 vers 23). En om deze man op de proef te stellen, gaat de Heere niet met hem mee. De macht van de dood moet echter wel plaats maken voor de macht van het leven dat van Boven is gekomen (1 Johannes 5 vers 12).
De vijver Bethesda (Huis van barmhartigheid) is een beeld van het oude verbond. De zieke mensen hadden kracht nodig om zich in het genezende water te kunnen werpen. Maar om deze kracht te kunnen ontwikkelen, hadden ze gezond moeten zijn. Zo is het ook met de wet: het kan alleen leven geven aan degene die haar vervult â en niemand is daartoe in staat.
Het lijkt alsof de Heere Jezus, bij zoveel zieken, blinden en verlamden, slechts oog had voor die ene. Je zou je kunnen afvragen waarom? Om het genot van Zijn genade te ervaren zijn twee dingen nodig: je moet ernaar verlangen en ook de noodzaak ervan inzien. Deze twee dingen komen bij deze ene man duidelijk naar voren, wanneer de Heere hem vraagt: "Wilt gij gezond worden?" (vers 6). Het antwoord van deze ongelukkige is: "Heere, ik heb geen mens...". Omdat hem steeds iemand anders voor geweest was in de vijver, was z'n hele leven tot nu toe op één grote teleurstelling uitgelopen. Ongetwijfeld had hij vroeger op de hulp van zijn familie of vrienden gerekend. Maar die mensen waren het waarschijnlijk al lang zat geworden, hem steeds te helpen. En hij had maar liefst 38 jaar nodig gehad om nu ook zijn laatste illusies te verliezen. Nu heeft hij niemand meer! Of toch wel? Ja, de Heere Jezus is er!
Beste vriend, als je misschien nog onbekeerd bent, wacht dan niet langer en begrijp toch, dat alleen de Heere Jezus je kan redden. Het is echter de vraag of je dat ook werkelijk wilt!
De haat van de Joden vormt voor de Heere Jezus een gelegenheid om nog enkele van Zijn heerlijkheden te openbaren:
Zijn werk van liefde, om de zonde van de wereld weg te nemen (vers 17; hoofdstuk 1 vers 29). Bij het zien en meemaken van zoveel ellende in Zijn schepping kunnen de Zoon en de Vader niet rusten.
De oneindige genegenheid van de Vader tot de Zoon, met Wie Hij alle raadsbesluiten deelt (vers 20; hoofdstuk 3 vers 35).
De kracht van het leven dat in Hem is (vers 21 en 26), en waardoor Hij nu allen die in Hem geloven, eeuwig leven geeft (vers 24). Deze macht zal Hij in het toekomstige "uur" gebruiken voor de opwekking van de doden (vers 28 en 29).
Het oordeel dat Hem, in Zijn hoedanigheid als Zoon, gegeven is (vers 22 en 27).
Ten slotte Zijn volkomen gehoorzaamheid (vers 30)! Hij, aan Wie elk schepsel gehoorzaamheid verschuldigd is (vers 23), onderwerpt Zich vrijwillig! Wat een gehoorzaamheid!
Wanneer de Heere Jezus over Zijn eigen heerlijkheden spreekt, dan is dat alleen omdat die zo nauw verbonden zijn met Zijn Vader. De Zoon niet eren, betekent: Hem beledigen Die Hem gezonden heeft (vers 23; 1 Johannes 2 vers 23).
O, dat ook wij, bij het zien van al deze volmaaktheden van onze Verlosser, toch meer bewondering (het slot van vers 20) en aanbidding in onze harten mogen hebben voor Hem!
De Heere Jezus beroept Zich, in verband met het ongeloof van de Joden, op een viervoudig getuigenis: dat van Johannes (vers 32- 35), dat van Zijn eigen werken (vers 36), dat van de Vader, Die Hem bij de Jordaan had aangeduid als Zijn geliefde Zoon (vers 37), en ten slotte dat van de Schriften (vers 39). In de Boeken van Mozes is er vaak sprake van de Messias (vers 46; zie bijvoorbeeld Genesis 49 vers 10, 24 en 25; Numeri 24 vers 17). Hoewel de Joden deden voorkomen dat ze deze man van God vereerden, geloofden ze zijn woorden niet, want ze verwierpen Hem Die hij had aangekondigd (vers 46; Deuteronomium 18 vers 15). Zij zullen daarentegen later wel bereid zijn om de antichrist aan te nemen (vers 43).
"Onderzoekt de Schriften", zegt de Heere Jezus in vers 39, want degene die dat doet, zal toenemen in kennis met betrekking tot de kostbare Persoon van de Heere Jezus.
Eer van mensen aannemen en zoeken naar hun goedkeuring is ook een vorm van ongeloof (vers 44), want God zegt dat wij in onszelf niets zijn (Galaten 6 vers 3), en dat wij niets hebben waarop wij ons zouden kunnen beroemen (2 Korinthe 10 vers 17). In plaats van in Hem te geloven, vinden wij het vaak veel fijner om ons zo te gedragen dat anderen ons mogen! De Heere Jezus zocht echter nooit de eer van mensen (vers 41; vergelijk dit met de woorden van de apostel Paulus in 1 Thessalonika 2 vers 6). Wij kunnen navolgers van Hem zijn, wanneer wij de liefde van God en het verlangen om alleen Hem welgevallig te zijn, in ons hebben (vergelijk vers 42).
De volksmenigte is de Heere Jezus gevolgd. Maar zoals ook nu ook nog bij vele christenen het geval is, worden deze mensen meer door Zijn macht dan door Zijn genade en Zijn volmaaktheden aangetrokken. Het één gaat echter niet zonder het ander. In deze gebeurtenis, waarbij het brood vermenigvuldigd wordt, zal de Heere Jezus de combinatie van deze beide dingen duidelijk aantonen. De kleine knaap uit vers 9 herinnert ons eraan, dat wij op elke leeftijd iets voor de Heere en tot het welzijn van anderen kunnen doen. Het lijkt erop dat hij de enige is die wat te eten heeft meegenomen van huis. Hij wordt het middel om in de behoeften van vijfduizend mannen te voorzien, omdat hij het weinige wat hij bezit, aan de Heere ter beschikking stelt.
Laten we nooit menen dat we te jong zijn, of dat we niet over voldoende middelen beschikken, wanneer de Heere Jezus ons in Zijn dienst wil gebruiken. Hij weet heel goed hoe Hij 'dat beetje van ons' kan gebruiken.
Als gevolg van dit wonder willen de mensen de Heere Jezus grijpen en Hem tot Koning maken. Hij kan het Koninkrijk echter niet uit de hand van mensen aannemen (hoofdstuk 5 vers 41) en evenmin uit de hand van satan (Mattheüs 4 vers 9 - 10). Het is God Zelf Die Hem tot Koning maakt (Psalm 2 vers 6).
Ten slotte zien we Hem nog bij een andere gebeurtenis. Ook hier komen beide dingen, Zijn macht en Zijn genade, duidelijk samen naar voren, wanneer Hij Zijn discipelen ontmoet op de stormachtige zee en hun onrust tenietdoet.
De Heere Jezus laat Zich niet misleiden. Hij weet heel goed dat de volksmenigte Hem alleen volgt om de heel eenvoudige reden dat deze mensen hopen dat Hij hen in het vervolg ook van brood zal voorzien. Vandaar dat Hij hen ertoe wil aanzetten voor de hemel te werken (vers 27). Laten we onszelf eens afvragen wat het doel van ons werk is? Hebben wij daarbij in eerste instantie de hemelse dingen op het oog, waarmee we onze ziel voeden omdat het dingen zijn die blijven? Of weegt het aardse doel bij ons het zwaarst? Denk er dan wel om, dat deze bestemd is om vernietigd te worden!
Betekent dat, dat wij dan toch bepaalde werken moeten doen om gered te kunnen worden? Talloze mensen, ook in de christenheid van vandaag, denken dat (vergelijk vers 28). Het Woord zegt ons echter: "Uit genade zijt gij zalig geworden [d.i. behouden] door het geloof .. niet uit de werken" (Efeze 2 vers 8 en 9). God erkent slechts één werk â en dat werkt Hij Zelf in ons â het geloof in de Redder, Die Hij gezonden heeft (vers 29). Alles komt van Hem: het levende water (de Heilige Geest: hoofdstuk 4 vers 10) en "het Brood des levens" (Christus Zelf: vers 35).
Hoe komt het dan, dat onze zielen niet altijd bevredigd zijn? Gaat de Heere dan wat nonchalant om met Zijn beloften (vers 35; hoofdstuk 4 vers 14)? Nee, absoluut niet! Maar wijzelf, van onze kant, voldoen soms niet aan de voorwaarden! "Wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten", zegt de Heere Jezus (vers 35). We hebben geloof nodig om gered te worden, maar ook geloof voor elke dag, om onze behoeften alleen te laten stillen uit Zijn volheid.
"Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen", belooft de Heiland vol liefde (vers 37). Ga tot Hem, als je het tot nu toe nog niet gedaan hebt! Hij zal je niet afwijzen.
Opdat de mens echter tot de Heere Jezus kan komen, moet de Heilige Geest een werk in het hart volbrengen. De mens kan geen enkele stap in de richting van God zetten tenzij hij door Hem getrokken wordt (vers 44). Misschien zegt iemand nu wel: 'Dan is het dus niet mijn schuld, dat ik me niet bekeerd heb'.
Integendeel, je bent zelf ten volle verantwoordelijk om dit Goddelijke werk in jou te laten gebeuren. Juist nu, op dit moment, wil God jou tot Zich trekken. Weersta Hem toch niet langer!
De genade die de Heere Jezus aan de zondaar betoont, is een uitdrukking van Zijn eigen liefde, maar ook van Zijn wil. Hij wil Zijn schepsel zo graag het leven geven (vers 40). De Heere Jezus was gekomen om deze wil te vervullen, en om niets anders te doen (vers 38; vergelijk Hebreeën 10 vers 9: "Zie, Ik kom, om Uw wil te doen").
De mens heeft een lichaam en een ziel. Daarom kan hij niet alleen van brood, het voedsel voor zijn lichaam, leven. Ook de ziel heeft voeding nodig! En het enige waarmee de ziel gevoed kan worden, is het Goddelijke Woord, "het brood uit de hemel", Christus Zelf (Lukas 4 vers 4).
`Jezus is het Brood des levens, uit de hemel neergedaald; Hij schenkt aan de ziele voedsel, waar geen and're spijs bij haalt.'
Ondanks de belofte die God hun gegeven had, vroegen de kinderen Israëls, toen zij het manna ontdekten in de woestijn, aan elkaar: Wat is dit?' (Exodus 16 vers 15). Hetzelfde ongeloof openbaart zich nu bij hun nakomelingen. Die discussiëren met elkaar over de bijzondere spijze waarover de Heere Jezus tot hen gesproken had: Zijn vlees en bloed, dat wil zeggen: Zijn dood. Een op aarde levende Christus is niet voldoende om ons leven te kunnen schenken. We moeten ons de dood van Christus eigen maken (in beeld gesproken: Zijn vlees eten en Zijn bloed drinken) om het eeuwige leven te bezitten. Daarna moeten wij ons elke dag opnieuw voor de zonde dood houden. Wij zijn immers met Hem voor de wereld en de zonde gestorven. De natuurlijke mens kan dat niet begrijpen. Die wil wel een voorbeeld hebben, maar vindt het veel te moeilijk om te erkennen dat zijn eigen toestand totaal verdorven en doemwaardig is.
Velen die beleden hadden Zijn discipelen te zijn, verlaten de Heere Jezus omdat Zijn woorden hen afschrikken, in plaats dat zij hierover verder doorvragen bij Hem. Hij probeert niet hen hiervan te weerhouden, door het afzwakken van de waarheid. Hij beproeft echter wel het hart van hen die bij Hem blijven: "Wilt gij ook niet weggaan?" (vers 67), waarop Petrus dat prachtige antwoord geeft: "Heere, tot Wie zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden van eeuwig leven!"
O, dat dat ook ons antwoord mag zijn (vers 68 en 69; lees Hebreeën 10 vers 38 en 39)!
De broers van de Heere Jezus behoorden ook bij hen die niet geloofden, omdat zij de eer van mensen zochten (vers 4 en 5; vergelijk hoofdstuk 5 vers 44). Ze rekenden erop dat Zijn geliefdheid bij het volk ook een gunstige invloed zou hebben op de rest van de familie, dus ook op henzelf. Zouden ze daarentegen in Hem, als de Zoon van God, geloofd hebben, dan hadden ze geweten hoe groot de afstand, wat de aardse banden betreft, in feite was tussen hen en Hem (lees Lukas 8 vers 21 en 2 Korinthe 5 vers 16). Later geloofden Zijn broers gelukkig wel in Hem en lezen we dat zij bij Zijn discipelen horen (Handelingen 1 vers 14).
Nu is hun principe echter nog gelijk aan die van de meeste mensen: gebruik je gaven en capaciteiten tot eigen voordeel, zodat je zelf bekend en geëerd wordt (vers 4). De Heere Jezus heeft, in tegenstelling hiermee, nooit anders gedaan dan de eer zoeken "van Hem, Die Hem gezonden heeft" (vers 18). En Hij gaat dan ook pas op naar het feest op het tijdstip dat door God bepaald is.
O, wat komen wij hierin veel tekort, bij het zien van dit volmaakte Voorbeeld! Veel van onze problemen zijn een gevolg van ons overhaaste handelen en ons aarzelen in het gehoorzamen van de aanwijzingen van God. Vers 17 herinnert ons eraan, dat onderwerping aan de wil van God hét middel is om de waarheid te kunnen erkennen.
In Jeruzalem ontmoet de Heere Jezus Joden die Hem haten en Hem, sinds Hij de verlamde in Bethesda op de sabbat genezen had, proberen te doden (vers 1; hoofdstuk 5 vers 16).
Als we vers 20 en 25 met elkaar vergelijken, dan blijkt duidelijk hoe huichelachtig die Joden zijn. De Heere Jezus was toen, net zoals Hij dat nu ook nog vaak is, het onderwerp van een ijdele, verstandelijke besluitvorming! Iedereen geeft zijn mening weer; er wordt gediscussieerd over de bedoeling van de leiders. In werkelijkheid veroorzaken de aanwezigheid van de Heere Jezus en Zijn woorden echter een grote opwinding, omdat de mensen innerlijk onrustig worden door Zijn stem. Zonder het toe te willen geven, voelen ze heel goed aan dat dit de stem van God Zelf is (vergelijk vers 28). Ze proberen daar op alle mogelijke manieren onderuit te komen, door zichzelf wijs te maken dat deze Galileeër de Christus niet kan zijn; zij kennen immers Zijn familie en plaats van herkomst. De Heere Jezus antwoordt hun: Jullie kennen Mij inderdaad â en wel veel beter dan jullie denken â jullie geweten zegt jullie Wie Ik ben en klaagt jullie aan!
Het is heel ernstig wat en hoe de Heere Jezus de volksmenigte toeroept (vers 28 en 37; vergelijk Spreuken 8 vers 1 en Spreuken 9 vers 3)! Ook vandaag kan niemand zeggen dat hij Hem nog nooit gehoord heeft!
"Waar Ik ben, kunt gij niet komen", zegt de Heere Jezus tegen alle ongelovigen (vers 34). Voor de Zijnen geldt echter die kostbare belofte: "En zo wanneer Ik heen gegaan zal zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben!" (hoofdstuk 14 vers 3).
Aan iedereen die dit leest, willen we nu de vraag stellen: 'Welke woorden gelden voor u, voor jou? Waar zul je zijn in de eeuwigheid?'
De hoofdstukken 6 en 7 herinneren ons aan Exodus 16 en 17. In het zesde hoofdstuk stelt de Heere Jezus Zich voor als het ware Brood, dat uit de hemel gekomen is. Daar is het manna een beeld van. Hier in het zevende hoofdstuk staat Hij voor onze aandacht als de Rots uit Exodus 17, waaruit het water des levens in al zijn volheid voortvloeit. Jesaja laat direct aan het begin van hoofdstuk 55 van zijn Bijbelboek aan alle "dorstigen" de uitnodiging uitgaan om te komen tot de wateren van genade. Hier is het echter de Verlosser Zelf Die roept: "Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke" (vers 37). En de gelovige die met de Heilige Geest vervuld is, zal daarop vervolgens tot een kanaal van zegen voor anderen worden (vers 38 en 39).
Op elke uitspraak van de Heere Jezus volgen weer nieuwe twistgesprekken. Het is net als bij dorstige mensen die bij een heldere bron komen en dan eerst gaan discussiëren over de chemische samenstelling van het water, in plaats van het gewoon op te drinken!
Aan het eind van dit hoofdstuk lezen we nog over twee getuigenissen die, met betrekking tot de Heere Jezus, aan de Farizeeën gegeven worden. De dienaars die eropuit gestuurd waren om Hem gevangen te nemen, moeten toegeven dat Zijn woorden geen menselijke woorden zijn: "Nooit heeft een mens zo gesproken, als deze Mens" (vers 46). En dan is het Nicodémus die het heel voorzichtig opneemt voor Hem met Wie hij (in hoofdstuk 3) een persoonlijk en onvergetelijk gesprek heeft gehad.
De Schriftgeleerden en Farizeeën menen dat ze de Heere Jezus met een bijzonder listig opgezette val kunnen vangen. Door Hem is zowel de genade als de waarheid gekomen (hoofdstuk 1 vers 17). Wanneer Hij deze schuldige vrouw veroordeelt, waar blijft dan de genade die aan allen bekend is (Lukas 4 vers 22)? En wanneer Hij haar genade bewijst, doet Hij dat dan niet ten koste van de waarheid en is dat dan niet in tegenspraak met de wet?
In Zijn onfeilbare wijsheid laat de Heere Jezus hun zien dat deze wet hen allen aanklaagt. Men heeft het wel eens vergeleken met een zwaard zonder handgreep. De persoon die zo'n zwaard hanteert, verwondt in eerste instantie zichzelf. In plaats van echter de zonden waarvan men zich bewust is geworden, te belijden, trekken de aanklagers zich, de één na de ander, beschaamd terug (Job 5 vers 13). "Het Licht der wereld" staat voor hen (vers 12), maar "de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht" (hoofdstuk 3 vers 19). Men doet net als insecten, die zich ergens anders verstoppen zodra de steen waar ze onder zaten en die hen beschermde, opgetild wordt. Dan zegt de Enige Die zonder zonde was en daarom het recht gehad zou hebben het oordeel over deze vrouw uit te spreken, tegen haar: "Ga heen, en zondig niet meer" (vers 11).
Veel mensen doen alle moeite om door hun goede wandel vergeving bij God te verdienen, terwijl de Heere Jezus juist met vergeven begint, en pas daarna de opdracht geeft om niet meer te zondigen (vergelijk hoofdstuk 5 vers 14; Psalm 130 vers 4; 1 Johannes 3 vers 9).
De Joden hadden tegen de Heere Jezus gezegd dat Zijn getuigenis niet waar was (vers 13). Wat voor zin had het dan nog, Hemzelf nu te vragen Wie Hij is (vers 25)? Op die vraag kan Hij hun slechts antwoorden: "Wat Ik van het begin u ook zeg" (vers 25). Zijn woorden vormen de volkomen uitdrukking van dat wat Hij is (Psalm 17 vers 3). Denk, in tegenstelling daarmee, eens aan het verschil tussen dat wat wij vaak zeggen of anderen laten zien, en dat wat wij in werkelijkheid zijn. Alles wat de Heere Jezus zei of deed, was in volkomen harmonie met de gedachten van Zijn Vader. "Ik doe altijd, wat Hem welbehagelijk is", kon Hij zeggen (vers 29). Voor ons is dit volmaakte Voorbeeld misschien een beetje onaangenaam, maar toch zouden we moeten proberen het na te volgen!
Aan allen die in Hem geloven, belooft de Heere Jezus volledige bevrijding. De onwetende Joden protesteren echter: Wij zijn nog nooit knechten van iemand geweest' (vers 33). Hebben ze last gekregen van geheugenverlies? Of zou het vanwege hun trots zijn, dat zij hun eigen geschiedenis in Egypte en Babylon, maar ook de tegenwoordige overheersing door de Romeinen, vergeten zijn? Zo is de mens. Nooit zal hij toegeven dat hij een slaaf van de zonde is. Hij verbeeldt zich dat hij vrij is en zelf over zijn doen en laten kan beslissen (2 Petrus 2 vers 19).
Gelovige vrienden, laten we gerust toegeven in welke vreselijke situatie wij ons bevonden, maar laten we ook de ware vrijheid vasthouden waarin de Zoon ons, als kinderen van God, gebracht heeft.
In hoofdstuk 5 vers 45 heeft de Heere Jezus de Joden op het inconsequente van hun handelen opmerkzaam gemaakt. Zij beriepen zich op Mozes, terwijl zijn geschriften hen aanklaagden!
Hier noemen zij zich "Abrahams kinderen". Hun werken zijn echter van de duivel, die de leugenaar en de mensenmoordenaar vanaf het begin is (vers 44). Er bestaat een spreekwoord dat zegt: De appel valt niet ver van de boom (vergelijk Ezechiël 16 vers 44). En de Heere Jezus zegt hier dat uit het wezen van onze werken onze afkomst duidelijk zichtbaar wordt (vergelijk ook 1 Johannes 3 vers 7 - 10). Er bestaan hier op aarde slechts twee soorten families: de familie van God en die van de duivel. Bij welke hoor jij? Een kind van christelijke ouders heeft voor God net zo min rechten als deze Joden, die er zo trots op waren nakomelingen van Abraham te zijn. Daarmee is hun verantwoording juist des te groter!
Meerdere keren zeggen deze verharde Joden dat de Heere Jezus een duivel in Zich heeft (vers 48 - 52; vergelijk hoofdstuk 7 vers 20 en hoofdstuk 10 vers 20). En dan kunnen we niet anders dan het geduld van de Heere Jezus bewonderen! In verbinding met deze smaadheid laat Hij het aan de Vader over, om voor Zijn heerlijkheid in te staan. Ook hierin is Hij een groot Voorbeeld voor ons. Het enige wat wij te doen hebben, is dit: God erkennen en Zijn Woord bewaren (vers 55).
"Ik ben", zegt de Heere Jezus in vers 58. Hij 'was' niet alleen voordat Abraham was, maar Hij 'is' eeuwig, Hij is God (vergelijk Exodus 3 vers 14).
Het evangelie naar Johannes is een Boek dat vertelt over persoonlijke ontmoetingen met de Heere Jezus. Denk maar aan: Nicodémus, de Samaritaanse vrouw, de verlamde te Bethesda. Het gaat over mannen en vrouwen van verschillende rang en stand, die allemaal persoonlijk met de Heere Jezus te doen krijgen. En jij, beste vriend, heb jij al een persoonlijke ontmoeting met de Heere Jezus gehad?
De blindgeborene, in het Schriftgedeelte voor vandaag, vormt een illustratie van onze natuurlijke toestand. Door de zonde zijn wij niet in staat om het licht van God op te merken. Ons zedelijk en geestelijk zicht is vanaf onze geboorte verduisterd. God Zelf moet ons daarom de ogen openen voor onze eigen toestand, voor de eisen van Zijn heiligheid en voor de wereld.
God heeft deze man en zijn ouders niet vanwege een ernstige zonde bestraft. Nee, door deze handicap kreeg de Heere Jezus de gelegenheid om opnieuw Zijn genade te laten schijnen. De zalf die de Heere gemaakt heeft van slijk, is een beeld van Zijn Mensheid, dat aan iedereen voorgesteld wordt. Maar om te kunnen zien, moet de mens eerst gewassen worden: het Woord (het water) openbaart hem Christus als de Gezondene van God (Siloam). In geloof gaat de blinde op pad en ziende komt hij terug! Daarna gaat het om zijn getuigenis. Zijn buren, allen die hem kennen, verwonderen zich: Hoe is het mogelijk? Is hij dat wel? Een bekering kan niet onopgemerkt blijven!
Heeft dat ook in ons leven een verandering bewerkt die voor iedereen zichtbaar is?
Nu de blinde man genezen is, vormt hij voor de Farizeeën een onaangename getuige van de macht van de Heere Jezus. Daarom proberen ze eerst of ze hem, of zijn ouders, iets kunnen laten zeggen waardoor het voor hen mogelijk zou zijn om dit wonder in twijfel te trekken. Nadat het hun niet gelukt dit te loochenen, doen ze alle moeite om Degene Die het wonder volbracht heeft, te kleineren en te onteren (hoofdstuk 8 vers 49). Ze zeggen nadrukkelijk: "Wij weten, dat deze Mens een zondaar is" (vers 24), terwijl de Heere hun nog kort tevoren Zelf de vraag gesteld had: "Wie van u overtuigt Mij van zonde?" (hoofdstuk 8 vers 46).
Er bestaat een groot verschil tussen de genezen man en zijn ouders. Zijn ouders vinden de waarheid van minder belang dan hun godsdienstige positie. De Heere Jezus als Christus belijden en delen in Zijn verwerping is meer dan zij kunnen verdragen. Ze zijn bang voor de smaad die dat onherroepelijk met zich meebrengt â en wat zijn er vandaag de dag veel mensen die precies zo denken! Hun zoon laat zich echter niet door zulke overwegingen van de wijs brengen. Het lukt de Farizeeën niet om het eenvoudige vertrouwen van deze man in Hem Die hem genezen heeft, aan het wankelen te brengen. Hij is uit de duisternis tot het licht gekomen; dat is voor hem geen bepaalde theorie of een leer, nee, het is gewoon realiteit! "Eén ding weet ik", zegt hij eenvoudig, "dat ik blind was, en nu zie!" (vers 25).
Kunnen wij hem deze woorden nazeggen?
Het is tot zijn eigen geluk dat de genezen blinde man door de Farizeeën uitgeworpen is, want nu ontmoet hij Hem Die al voor hem uitgeworpen was en eveneens de tempel verlaten had (hoofdstuk 8 vers 59). Nu doet deze man een grote stap voorwaarts in de waarheid en erkent hij niet alleen de macht van de Heere Jezus, maar ook Zijn Persoon. Hij Die hij eerst nog zag als een profeet (vers 17), is voor hem nu "de Zoon van God" (vers 35 - 37).
Velen stellen zich ermee tevreden dat ze weten behouden te zijn. Over de Persoon van hun Redder blijven ze echter in onwetendheid. Misschien bent u één van hen, omdat u nog vastgehouden wordt door bepaalde godsdienstige systemen en nog niet de tegenwoordigheid van de Heere hebt ervaren, op de plaats waar Hij toegezegd heeft te zullen zijn (Mattheüs 18 vers 20).
Hoewel de Farizeeën beweerden dat ze de dingen duidelijk zagen, zijn ze door hun haat en godsdienstige hoogmoed verblind. In hoofdstuk 8 hebben ze het Woord van de Heere afgewezen. In hoofdstuk 9 wilden ze Zijn werk niet erkennen. Nu heeft Hij niets meer met hen te maken. Hij roept nu alleen nog Zijn eigen schapen bij hun naam, leidt ze naar buiten, en gaat Zelf voor hen uit. Maar zouden deze schapen zich niet kunnen vergissen en een vreemde volgen, die hen wil misleiden? O nee! Zij kennen één middel dat hen nooit bedriegt, in het herkennen van Hem Die ze toebehoren:
Zijn bekende stem!
Kent iedereen die dit leest, die stem zelf ook?
We komen in dit evangelie geen gelijkenissen tegen. Hij Die "het Woord" is, spreekt een 'directe' taal tegen de mensen. De Heere gebruikt daarentegen wel kostbare beelden en bepaalde vergelijkingen om Zichzelf aan ons bekend te maken.
Het is goed om er eens bij stil te staan hoe vaak Hij zegt: "Ik ben...". (hoofdstuk 6 vers 35, 48 en 51; hoofdstuk 8 vers 12; hoofdstuk 10 vers 7, 9, 11 en 14; hoofdstuk 11 vers 25; hoofdstuk 14 vers 6; hoofdstuk 15 vers 1 en 5). Hier in de verzen 7 en 9 zegt Hij: "Ik ben de Deur der schapen". Om gered te kunnen worden, is het noodzakelijk "door Hem" in te gaan (vergelijk Efeze 2 vers 18). We hebben het echter ook nodig, dat we geleid worden. Als we aan onszelf overgelaten worden, dan lijken we op schapen, dieren zonder intelligentie, die verdwalen als ze geen leider hebben (lees Jesaja 53 vers 6).
In tegenstelling tot de huurlingen, rovers en dieven, de sluwe misleiders van de zielen, stelt de Heere Jezus Zich voor als de goede Herder (vers 11 en 14). En Hij geeft daar twee bewijzen voor. Het eerste is de vrijwillige overgave van Zijn leven, om de schapen in bezit te krijgen. Dat is voor hen het grootste bewijs van Zijn liefde en tegelijkertijd âlaten we dat niet vergeten â de verheven reden voor de liefde van de Vader tot Hem (vers 17). Het tweede bewijs is de betrekking tot Zijn schapen. Hij kent ze stuk voor stuk en zij kennen Hem als hun Herder (vers 14). Zo'n nauwe band bevestigt dat Hij recht heeft op Zijn kudde â en op het hart van een ieder van ons!
Met oneerlijke bedoelingen vragen de Joden opnieuw aan de Heere Jezus: "Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit" (vers 24). Hij had hun dat echter niet alleen al gezegd (bijvoorbeeld in hoofdstuk 8 vers 58), maar het ook aan hen laten zien (vers 25, 32, 37 en 38). Voortaan zal Hij echter alleen nog ten behoeve van Zijn kudde werkzaam zijn. De schapen behoren Hem rechtmatig toe. Ten eerste omdat ze uitdrukkelijk door de Vader aan Hem gegeven zijn (vers 29). Ten tweede omdat Hij ze Zelf gekocht heeft.
De kostbare verzen 27 en 28 vertellen ons tegelijkertijd twee dingen. Ten eerste wat Hij voor Zijn schapen doet: Hij geeft hun het eeuwige leven, Hij leidt ze, Hij houdt ze vast en beschermt ze met Zijn hand. En ten tweede zien we wat de kenmerken van Zijn schapen zijn: ze horen Zijn stem en volgen Hem. Is dat niet het enige juiste antwoord op Zijn wonderbare liefde?
Opnieuw proberen de Joden Hem te stenigen (vers 31; vergelijk hoofdstuk 8 vers 59), omdat ze Hem nu beschuldigen van lastering. Ze beweren van Hem dat Hij, een Mens, Zichzelf "God maakt" (vers 33). Inderdaad was dat het streven van de eerste Adam en al zijn nakomelingen: God gelijk te zijn. Maar de Heere Jezus heeft precies het tegenovergestelde gedaan: "Die in de gestaltenis van God zijnde...de gestaltenis van een dienstknecht aangenomen hebbende, en is de mensen gelijk geworden... heeft Hij Zichzelf vernederd" (Filippi 2 vers 6 - 8).
In ieder geval besluit vers 42 met de woorden: "En velen geloofden aldaar in Hem" (zie ook hoofdstuk 8 vers 30). Zij zijn daardoor gelukkige schapen van Hem geworden!
In hun bezorgdheid hebben de beide zusters uit Bethanië een eenvoudig bericht gestuurd aan de Heere Jezus, waarmee zij een voorbeeld zijn voor ons: "Heere, zie, die Gij liefhebt, is krank" (vers 3). Doordat zij Hem "Heere" noemen, geven zij duidelijk aan dat zij Zijn gezag erkennen en het niet zouden wagen om Hem bepaalde dingen voor te schrijven, bijvoorbeeld door tegen Hem te zeggen dat Hij zou moeten komen om hun broer te genezen. Ze brengen heel eenvoudig de zaak die hen zo zwaar op het hart ligt, onder Zijn aandacht. Ze kennen echter ook Zijn liefde en herinneren Hem daaraan.
Deze toegenegenheid is voor de Heere geen aanleiding om onmiddellijk naar Judea te gaan. Evenmin zouden de misdadige bedoelingen van de Joden Hem kunnen verhinderen Zich wel op het juiste moment daar naartoe te begeven. Zijn hele doen en laten werd bepaald door Zijn gehoorzaamheid aan Zijn Vader! En door deze vertraging zal de heerlijkheid van God des te meer geopenbaard worden, want Lazarus ligt al vier dagen in het graf als de Heere Jezus in Bethanië aankomt.
Waarschijnlijk hebben wij, van dichtbij, ook al eens mensen meegemaakt die door verdriet en rouw beproefd werden. Toen hebben wij wellicht ook ondervonden, dat menselijke sympathie in zo'n situatie in feite niet kan helpen, evenmin als de Joden dat in vers 19 konden. Maar alles wordt anders wanneer alle blikken gericht worden op Hem, Die "de Opstanding en het Leven" is (vers 25). Dan worden we ons terdege bewust van de grote waarde van de eeuwige dingen. En ons geloof mag nu al in deze hoop triomferen!
Martha voelt waarschijnlijk aan, dat haar zuster beter op de gedachten van de Heere Jezus kan ingaan dan zijzelf en roept daarom Maria erbij. Maar ook Maria kan alleen maar zeggen: "Heere, indien Gij hier geweest waart, ware mijn broeder niet gestorven" (vers 32; vergelijk vers 21). Zij kan, net als vele andere mensen die rouwen, slechts terugkijken. Met een bewogen hart laat de Heere Jezus Zich naar het graf brengen. We zien Hem daar huilen. Wist Hij niet wat Hij nu moest doen? Natuurlijk wel! Maar in de tegenwoordigheid van de afschuwelijke dood, met z'n verdrietige macht op de geest van de mensen, wordt de heilige Zoon van God door smart, verontwaardiging en ontzetting aangegrepen.
Ja, de Overwinnaar over de dood is aanwezig! Maar om voor de volksmenigte die daar getuige van is, de heerlijkheid van God te laten schijnen, moet eerst duidelijk aangetoond worden dat het lichaam van Lazarus werkelijk tot ontbinding is overgegaan (vers 39). En door een dankgebed, dat de Heere Jezus van tevoren al uitspreekt, schrijft Hij Zijn macht toe aan Degene Die Hem gezonden heeft (vers 41 en 42). Daarna geeft Hij pas met een luide stem de opdracht aan de overledene, die nog met doeken gebonden is, om uit het graf te komen. Wat een belevenis voor allen die dat meemaken!
Wij mogen ook vasthouden aan de belofte die de Heere Jezus aan Martha gaf: "...dat, zo gij gelooft, gij de heerlijkheid van God zien zult". Misschien was dat niet precies hetgeen waarop we gehoopt hadden, maar toch is het zeker (vers 4 en 40)!
God heeft Zijn Zoon niet alleen door de opwekking van Lazarus geantwoord, maar ook doordat Hij veel getuigen van deze wonderbare gebeurtenis tot geloof in Hem voerde (vers 42 en 45).
Dit wonder, het grootste wat in dit evangelie meegedeeld wordt, en ook het laatste wat voor Zijn eigen opstanding plaatsvond, brengt ook de beslissing dichterbij dat Hij zou sterven (vers 50). "Van die dag af" vonden er duistere overleggingen plaats, die uiteindelijk tot de grootste misdaad in de geschiedenis van de mensheid zouden leiden (vers 53). Dat was het antwoord van de Joden op de vraag van de Heere Jezus in hoofdstuk 10 vers 32.
De overpriesters doen alsof zij bang zijn dat het volgen van de Heere Jezus door het volk de aandacht zal trekken van de Romeinen en dat dit vergeldingsmaatregelen met zich mee zal brengen. Het was daarentegen juist de verwerping van de Heere waardoor veertig jaar later hun tempel (de plaats van de godsdienst van Jeruzalem) en hun natie verwoest zouden worden door de Romeinen (vers 48).
God laat toe, dat de gedachten van deze cynische en slechte mensen nog ver overtroffen worden door de voorzegging van Kajafas. De Heere Jezus zal Zijn leven geven voor het volk (want Israël zal later hersteld worden), maar ook opdat Hij daardoor "de kinderen van God, die verstrooid waren, tot één zou vergaderen" (vers 52). Satan doet niets anders dan roven en verstrooien (hoofdstuk 10 vers 12), terwijl de Heere Jezus door Zijn werk hier op aarde al degenen bijeenbrengt die tot de familie van God behoren.
In het aangrijpende beeld van de eerste drie verzen worden ons de verschillende voorrechten van de ware godsdienst voorgesteld. Dat zijn: de tegenwoordigheid van de Heere, gemeenschap, getuigenis, heilige dienst, aanbidding.
Het gaat niet om een feest ter ere van Lazarus; de Heere Jezus Zelf is het Middelpunt van deze samenkomst: "Zij bereidden Hem dan aldaar een avondmaal" (vers 3).
Lazarus is een gestorvene die nieuw leven ontvangen heeft. Vandaar ook dat hij er recht op heeft om met Hem aan tafel te zitten. Dat geldt trouwens voor alle verlosten! Wat deze man zegt of doet, wordt niet meegedeeld; hij is daar gewoon aanwezig. En die aanwezigheid spreekt een taal waaruit duidelijk blijkt wat de Heere Jezus voor hem gedaan heeft.
Martha dient, maar hier is haar bezigheid duidelijk op zijn plaats (in tegenstelling tot Lukas 10 vers 40).
Maria verspreidt de geur van de "onvervalste, zeer kostbare nardus", de geur die zo ontzettend kostbaar is voor het hart van de Heere Jezus en waarmee bovendien het hele huis vervuld wordt. Dat is een prachtig beeld van aanbidding, de aanbidding die de dankbare verlosten gezamenlijk tot uitdrukking mogen brengen.
De ongelovige heeft voor zo'n godsdienst geen enkel goed woord over. Hij veracht het. En dat in feite alleen omdat hij een andere god bezit en die vereert: het geld (vers 6).
Lazarus deelt met de Heere in de haat van de mensen (vers 10; vergelijk Hebreeën 13 vers 13).
Hier lezen we over een feestelijke intocht in Jeruzalem. De Koning van Israël trekt Zijn stad binnen. Zijn reputatie was al voor Hem uitgegaan. Maar het aanzien dat het grote wonder Hem bezorgd had, was slechts van korte duur.
In oude graven in Egypte hebben onderzoekers tarwekorrels gevonden die duizenden jaren oud moeten zijn. Toch bezat dit zaad nog een bepaalde kiemkracht. Maar, hoeveel tijd er sindsdien ook is verstreken, hoe goed het zaad ook in kostbare vaten bewaard is â het kon zich niet vermeerderen! Het moest namelijk eerst in de grond gezaaid worden, dus eigenlijk 'opgeofferd' worden. Pas dan zouden er uit dit zaad aren kunnen groeien, waarin weer hetzelfde soort zaad zit. Pas dan zouden de oorspronkelijke korrels dus rijkelijk vrucht gedragen hebben!
Dat is het beeld dat de Heere Jezus hier gebruikt om te spreken over Zijn dood.
In Johannes 18 vers 4 lezen we: "Jezus dan, alles wetend wat over Hem komen zou...". Hij wist waarvoor Hij naar deze aarde was gekomen! Hij wist wat de mensen Hem zouden aandoen! Hij wist dat Hij onze zonden zou dragen in Zijn eigen lichaam, op het hout (1 Petrus 2 vers 24). Hij wist dat Hij door God voor ons tot zonde gemaakt zou worden (2 Korinthe 5 vers 21) en dat God Hem daarom, in die drie uren van duisternis, zou moeten verlaten (Psalm 22 vers 2). Hij wist dat alleen HÃj het verzoeningswerk op Golgotha zou kunnen volbrengen, waardoor Zijn Vader verheerlijkt en wij verlost zouden worden. Ja, Hij wist dat Hij "zaad" zou zien (Jesaja 53 vers 10).
Sommige Grieken verlangden er dus naar om de Heere Jezus te zien. En daardoor werden Zijn gedachten op de wonderbare gevolgen van het kruis gericht: de zegening voor de volken onder de allesomvattende heerschappij van de Zoon des mensen; veel vrucht (vers 24); het oordeel over satan (vers 31); alle mensen zullen tot Hem getrokken worden (vers 32).
Gisteren hebben wij ook gezien dat de Heere Jezus altijd heeft geweten wat Hem te wachten stond. En denkende aan die wonderbare gevolgen van Zijn kruiswerk, denkende aan de verheerlijking van Zijn Vader en "de vreugde, die Hem voorgesteld was", heeft Hij het kruis verdragen en de schande veracht (Hebreeën 12 vers 2). Ja, ook al het lijden van "dit uur" trok op dat moment aan Zijn heilige ziel voorbij. En uit de woorden: "Nu is Mijn ziel ontroerd; en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur!" (vers 27), kunnen we iets bespeuren van de zware strijd in Zijn hart. Wat zag Hij er, als waarachtig Mens, tegenop dit werk te moeten volbrengen! Toch wilde Hij niet anders, want Hij zegt: "Maar hierom ben Ik in dit uur gekomen". En vervolgens richt Hij Zich tot de Vader, Die Hem vanuit de hemel antwoordt met de belofte van de opstanding (vers 28).
Voor het Joodse volk brak hiermee de nacht aan. Het Licht stond op het punt om aan de horizon te verdwijnen: De Heere Jezus zou hen verlaten (vers 35; Jeremia 13 vers 16). Ook de dag van de genade, die nu nog voortduurt, nadert zijn einde. Binnenkort zal het moment aanbreken waarop het niet meer mogelijk zal zijn om te geloven (vers 40). Voor de Heere Jezus Zelf bestond er destijds een "nu" (vers 27 en 31) en voor ons is het nu ook de tijd om in Hem te geloven.
Met hoofdstuk 12 wordt een belangrijk deel van dit evangelie afgesloten. Vanaf hoofdstuk 13 richt de Heere Jezus Zich uitsluitend nog tot Zijn discipelen.
In het Schriftgedeelte voor vandaag lezen we Zijn laatste woorden tot het volk. Overeenkomstig de profetie van Jesaja zal het vanaf nu een verhard volk zijn. Vers 11 van hoofdstuk 1 is werkelijkheid geworden: "Hij is gekomen tot het Zijne (Israël), en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen". Het daaropvolgende vers (hoofdstuk 1 vers 12) is echter ook in vervulling gegaan. Er zijn mensen die Hem aangenomen hebben, en die daarmee het recht gekregen hebben om "kinderen Gods" te worden. Zelfs van de oversten geloofden er velen in Hem (vers 42). Ze waagden het echter niet om openlijk van hun geloof te getuigen. De reden daarvoor was: "Want zij hadden de eer van de mensen lief, meer dan de eer van God" (vers 43).
Wij hebben soms ook niet zoveel moed om ons geloof te belijden; komt dat ook vaak niet door dezelfde reden?
Nog een laatste keer legt de Heere Jezus openlijk en op plechtige wijze de nadruk op het Goddelijke karakter van Zijn dienst. Hij is Degene Die door God gezonden is (vers 44 en 49). Van Zijn woorden was er geen een dat niet de absolute uitdrukking was van Gods gedachten!
Enerzijds mogen we over dit wonderbare Voorbeeld nadenken, maar anderzijds moeten we ons ook door Hem laten onderwijzen! En dat heeft zowel betrekking op hetgeen wij zouden moeten zeggen als op de manier waarop wij het zeggen (vers 49).
Voor het hart van de Heere Jezus betekende Zijn dood vooral "dat Hij uit deze wereld zou overgaan tot de Vader" (vers 1; vergelijk hoofdstuk 16 vers 28). De Zijnen, die Hij liefhad, liet Hij hier echter in een wereld vol van zonden achter. En zoals bij een wandelaar in het Oosten die sandalen draagt, de voeten vies worden door het stof van de weg, zo komen de gelovigen hier op aarde ook voortdurend in aanraking met verontreinigingen. Hoewel hun hele lichaam door het bloed van het kruis gewassen is (vers 10; Openbaring 1 vers 5), is niet te voorkomen dat ze voortdurend blootgesteld worden aan het contact met het kwaad van de verontreiniging, in gedachten, woorden en daden. Maar de trouwe Heere heeft voorzorgsmaatregelen genomen! Hij waakt namelijk over de praktische heiligheid van de Zijnen. Als de grote Hogepriester wast Hij hun de voeten. Met andere woorden: Hij reinigt hen, doordat Hij hen ertoe brengt dat zij zichzelf beoordelen in het licht van het Woord (het water), dat Hij toepast op het geweten (Efeze 5 vers 26; Hebreeën 10 vers 22). Deze liefdesdienst hebben wij ook op elkaar toe te passen. Doordat wij aan de voeten van onze broeders of zusters plaats nemen, moeten wij hun in alle nederigheid door het Woord laten zien waar zij gefaald hebben, of aan welke gevaren ze bloot staan (Galaten 6 vers 1).
Beste vrienden, de Heere Jezus zegt niet: 'zalig zijt gij, wanneer gij deze dingen weet', maar: "zalig zijt gij, als gij ze doet" (vers 17).
Johannes noemt zichzelf in zijn evangelie: de discipel "die Jezus liefhad" (vers 23). Hij kende de liefde van de Heere voor al de Zijnen (vers 1), maar wist ook dat hij persoonlijk een onderwerp van deze liefde was. Hij genoot van deze liefde aan het hart van de Heere Jezus, die kostbare plaats voor vertrouwelijke mededelingen. Hier openbaart de Heere Jezus echter een vreselijke verborgenheid. Hij wijst Judas, die Hij vanaf het begin kende, aan als verrader (hoofdstuk 6 vers 64). Vervolgens voer de satan in deze mens, die bereid was hem te ontvangen en die daarop de nacht ingaat om zijn afschuwelijke misdaad uit te voeren.
Daarna spreekt de Heere Jezus opnieuw over het kruis, vanwaar Zijn heerlijkheid, door alle schande heen, zal stralen (vers 31). Maar Hij spreekt ook over Zijn opstanding, waardoor Hij Die God volkomen verheerlijkt heeft (vers 32), Zelf ook door God verheerlijkt zal worden.
Waaraan zullen de discipelen voortaan herkend kunnen worden, als Hij niet meer in hun midden is? De Heere Jezus geeft hun een duidelijk teken: de onderlinge liefde (vers 35). Is dat ook een kenmerk van ons? Het is goed om eens over deze vraag na te denken en onze eigen harten te onderzoeken!!
In tegenstelling tot Johannes, die zich bezighoudt met de toegenegenheid van de Heere tot hemzelf, spreekt Petrus over zijn eigen overgave en toewijding. Helaas zonder daarbij op de waarschuwing van de Heere Jezus te letten!
We hebben in hoofdstuk 13 gezien hoe de Heere Jezus de Zijnen erop voorbereidde om hier op aarde al een deel met Hem te bezitten (hoofdstuk 13 vers 8). Nu gaat Hij heen om voor hen "plaats te bereiden" in het huis van Zijn Vader. Daarvoor is het nodig dat Hij hen eerst voorgaat. Als iemand weet dat hij gasten op bezoek krijgt, dan zorgt hij ervoor om in zijn huis aanwezig te zijn voordat die gasten komen. Zo is het ook bij de Heere Jezus. De Bijbel vertelt ons maar heel weinig details over de hemel. Eén ding is echter zeker: het is een gelukzalige plaats, omdat HÃj daar is! Hijzelf wil ons daar tot Zijn eigen vreugde bij Zich hebben.
De Heere Jezus is de enige Weg om tot de Vader te kunnen komen. Hij is ook de Waarheid en het Leven. Steeds opnieuw heeft Hij, in woorden en werken, de Vader geopenbaard. Wat zal het Hem daarom verdriet gedaan hebben, dat de discipelen nog zo onwetend zijn! Maar moet Hij af en toe ook niet tegen ons zeggen: Nu heb je al zo'n lange tijd zoveel over Mij gehoord en gelezen in Mijn Woord â dat je Mij dan nog niet beter kent!
"En wat gij begeren zult in Mijn Naam, dat zal Ik doen", belooft de Heere (vers 13). "In Mijn Naam" is niet slechts een bepaalde formule, maar de veronderstelling dat Hij het met ons gebed eens kan zijn! Dán wordt ons gebed tot een gebed van de Heere Jezus Zelf, waarop wij beslist antwoord zullen krijgen. Niet alleen omdat Hij ons liefheeft, maar in eerste instantie omdat het daarbij om de verheerlijking van de Vader gaat. Is er een voortreffelijker beweegreden denkbaar?
Het duurt niet lang meer, dan zal de Heere Jezus Zijn geliefde discipelen verlaten. Hij laat hen echter niet als wezen achter. Hij zal hun een Goddelijke Persoon sturen, om hen te troosten, te ondersteunen en te helpen (vers 16). Die Persoon is de Heilige Geest, Die niet alleen met de gelovigen, maar zelfs in hen zal zijn, om hen te onderwijzen (vers 26). De Heere Jezus noemt Hem: "een andere Trooster", omdat Hijzelf de hemelse Trooster blijft, de Voorspraak bij de Vader (1 Johannes 2 vers 1).
De Heere Jezus geeft de Zijnen ook nog drie andere beloften. Ten eerste: het nieuwe leven, dat uit het Zijne voortkomt (vers 19). Ten tweede: een speciale plaats in de liefde van de Zoon â en de Vader â voor iedereen die door het houden van Zijn geboden zijn toewijding laat zien (vers 21 en 23). En ten derde: de vrede, ZÃjn vrede (vers 27). Het is absoluut waar, dat Hij "niet gelijk de wereld geeft"! De wereld geeft weinig en eist veel. De wereld misleidt en verdooft het geweten en werkt als een kalmeringsmiddel, dat maar voor korte tijd een bepaalde uitwerking heeft op de onrust en ellende in de ziel. Maar als puntje bij paaltje komt, is alles wat de wereld kan bieden, één grote illusie! Zij kan geen ware vrede geven! De vrede die de Heere Jezus geeft, bevredigt het hart echter volkomen en is eeuwig!
Ten slotte maakt de Heere Jezus de discipelen nog duidelijk dat de ware liefde tot Hem niet wil dat Hij hier op aarde zou blijven. Dat zou immers heel zelfzuchtig zijn. Nee, de ware liefde zal zich juist samen met Hem verblijden over Zijn geluk (vers 28).
Ondanks de verzorging door de Goddelijke Wijngaardenier bleef Israël een onvruchtbare wijnberg (Psalm 80 vers 9 en 10; Jesaja 5 vers 2).
In tegenstelling daarmee stelt de Heere Jezus Zichzelf voor als de vruchtbare Wijnstok, Die vrucht draagt door Zijn discipelen. Maar zoals bij een gewone wijnstok alle ranken ook niet evenveel vrucht dragen, brengt de Heere Jezus een onderscheid aan onder hen die zeggen dat zij Hem kennen. Er zijn er bij die "geen vrucht" dragen en anderen die "vrucht" en "meer vrucht" dragen (vers 2). Er zijn er echter ook die "veel vrucht" dragen (vers 5).
Er moet aan twee voorwaarden voldaan worden, wil er vrucht gedragen kunnen worden. Ten eerste moet je 'in Hem blijven', zoals een rank aan de voedende wijnstok vast moet zitten. En ten tweede moet 'Hij in jou' zijn, zoals de rank zich laat doordrenken van het sap waarin haar leven is.
Laten we anderzijds ook nooit vergeten dat, wanneer de Vader ons "reinigt" â door ons, op een vaak pijnlijke manier, te snoeien â dat er alleen toe moet dienen dat wij meer vrucht zullen dragen (vers 2).
Zo'n innige gemeenschap heeft echter nog andere kostbare gevolgen! Dan is er een erkennen van de wil van God, en als gevolg daarvan weer de verhoring van onze gebeden, omdat wij niets anders meer willen dan datgene wat Hijzelf graag wil (vers 7). En er is vreugde (vers 11) en ten slotte is er de erkenning, die van onschatbaar grote waarde is, door Hem, Die ons Zijn vrienden noemt (vers 14).
Wanneer het doel van onze gebeden is: vrucht dragen voor God, dan zullen ze altijd verhoord worden (vers 16). Waarin of waaruit bestaat die vrucht dan? Hoofdzakelijk in de liefde van de verlosten onderling en in een veelvoud van uitwerkingen hiervan. "Dit gebied Ik u", zegt de Heere Jezus, om ons nadrukkelijk te wijzen op elke dienst die voortkomt uit de liefde. Voor de derde keer spreekt Hij over dat nieuwe gebod, want zo belangrijk vindt Hij het (vers 17; zie ook vers 12 en hoofdstuk 13 vers 34). Is het geen verdrietige en abnormale situatie, wanneer de liefde ontbreekt tussen de gezinsleden? Hoeveel te meer is dat dan het geval onder kinderen van de familie van God! De haat van de kant van de wereld ten opzichte van de gelovigen (die door hun houding het gedrag van de wereld veroordelen) is daarentegen heel natuurlijk. Dat mag je ook verwachten, tenzij... de wereld in ons iets kan ontdekken wat zijzelf liefheeft, maar dat zou voor onszelf een heel slecht teken zijn!
"Een dienstknecht is niet meer dan zijn heer" (vers 20), herhaalt de Heere Jezus hier. In hoofdstuk 13 vers 16 stond deze uitspraak in verband met de dienst en hier heeft het betrekking op het lijden.
Enerzijds is de Naam Jezus voor de wereld een reden om ons te haten (vers 21), maar anderzijds vormt die Naam voor de Vader juist een aanleiding om onze gebeden te verhoren (zie het slot van vers 16).
Het is dat de Heere Jezus Zelf gezegd heeft dat Zijn heengaan nuttig was voor de discipelen, anders zouden we het maar moeilijk kunnen begrijpen. Zo gaat het met veel dingen die wij niet begrijpen en ons op dat moment misschien bedroeven, maar die toch tot nut zijn voor ons (vers 6 en 7). De Heilige Geest, Die de Heere Jezus vanuit de hemel naar deze aarde zou sturen, zou de gelovigen in de hele waarheid leiden (vers 13). We kunnen constateren dat de Heere Jezus in de hoofdstukken 14 - 16 de Goddelijke inspiratie van alle Boeken van het Nieuwe Testament bevestigt door voor het werk van de Heilige Geest te wijzen op:
de evangeliën: "Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken, alles wat Ik u gezegd heb" (hoofdstuk 14 vers 26);
het Boek Handelingen: "Die zal van Mij getuigen" (hoofdstuk 15 vers 26 en 27);
de Brieven: "Die zal u alles leren" (hoofdstuk 14 vers 26);
en ten slotte het Boek Openbaring: "...en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen" (vers 13).
De aanwezigheid van de Heilige Geest hier op aarde heeft echter ook zwaarwegende gevolgen voor de wereld, doordat Hij haar laat zien dat zij verantwoordelijk is voor de verwerping van Christus (vers 8 - 11).
De vragen van de discipelen (vers 17 en 18) laten zien dat zij op dat moment niet in staat waren om het onderwijs van hun Meester te begrijpen (vers 12). Nu is de Heilige Geest echter aanwezig, Die de Heere Jezus verheerlijkt, doordat Hij ons van Hem verkondigt (vers 14). Laten wij Hem ook verheerlijken, door hetgeen de Heilige Geest ons verkondigt, in ons hart op te nemen en te bewaren!
De discipelen zullen zeker verdriet hebben over het gescheiden zijn van hun Heere, maar Hij vertroost hen al bij voorbaat, door te spreken over de vreugde die hun te wachten staat, wanneer zij Hem, na Zijn opstanding, weer zullen zien (hoofdstuk 20 vers 20).
Wat bezit de gelovige toch ontzettend veel redenen om blij te zijn! Denk maar aan de hoop die de gelovige bezit, op de wederkomst van de Heere (vergelijk vers 22). Ook de gehoorzaamheid ten opzichte van Zijn geboden geeft blijdschap (hoofdstuk 15 vers 10 en 11 â heb jij dat al ervaren?). Afhankelijkheid en het antwoord op onze gebeden bewerken ook blijdschap (hoofdstuk 16 vers 24). De openbaringen van de Heere in Zijn Woord verheugen de gelovige (hoofdstuk 17 vers 13). En wat is de gemeenschap met de Vader en de Zoon iets geweldigs (1 Johannes 1 vers 3 en 4)! Al deze dingen vormen voor de gelovige onuitputtelijke bronnen, opdat zijn "blijdschap vervuld (dat is: volkomen) zij" (vers 24).
Waarom wil de Heere Jezus niet dat Hij de Vader voor Zijn discipelen (en ons) zal vragen (vers 26), terwijl dit juist het onderwerp is van het hele volgende hoofdstuk? Hij wil namelijk niet voor Zichzelf aanspraak maken op de genegenheid van de discipelen Nee, Hij heeft slechts één gedachte, dat zijzelf in verbinding gebracht mogen worden met de Vader. Vandaar ook dat Hij hen oproept om zich er niet tevreden mee te stellen dat Hij de Voorspraak zal zijn bij God, maar dat zij zelf persoonlijk de liefde van de Vader en de macht van Zijn Naam zullen ervaren. En Hij besluit met de woorden: "Hebt goede moed" (vers 33). Ook al is de wereld, de gemeenschappelijke vijand van Hem en de gelovigen, nog zo sterk, de Heere Jezus heeft haar overwonnen.
Nadat de Heere Jezus de laatste aanwijzingen aan Zijn geliefde discipelen heeft gegeven en enkele afscheidswoorden heeft gesproken, richt Hij Zich nu tot Zijn Vader. Hij Die nooit iets voor Zichzelf verlangd heeft, vraagt nu om de heerlijkheid, want het dient tot verheerlijking van God, de "rechtvaardige Vader" (vers 25), wanneer Hij de gehoorzame Zoon eert, doordat Hij Hem verheerlijkt.
Als een trouwe Boodschapper legt de Heere Jezus rekenschap af over Zijn opdracht die Hij hier op aarde vervulde (vers 4).
Eén kant van dit werk was: tot de Zijnen spreken over de Vader (vers 6 en 26). En nu spreekt Hij over de Zijnen tot de Vader, om hen bij Hem aan te bevelen, omdat Hij hen Zelf zal verlaten. Het is ontroerend om te horen welke argumenten Hij aanhaalt: "...zij hebben Uw Woord bewaard... en hebben geloofd, dat Gij Mij gezonden hebt", zegt Hij het eerst, hoewel wij weten hoe zwak het geloof van de arme discipelen vaak was (vers 6 en 8; vergelijk hoofdstuk 14 vers 9).
Verder zegt Hij: "...want zij zijn de Uwen" (vers 9). Met andere woorden: hoe zou U hen dan kunnen verlaten?
Dan voegt Hij eraan toe: "... en Ik ben in hen verheerlijkt" (vers 10), waarbij Hij Zich beroept op de interesse van de Vader in de verheerlijking van Zijn Zoon.
Ten slotte legt Hij nog de nadruk op de moeilijke omstandigheden van Zijn verlosten, die zich in een gevaarlijke wereld bevinden, waar het geloof op de proef gesteld wordt. Als volmaakte Voorspraak komt Hij hier op voor de dingen van Zijn discipelen â en dat doet Hij vandaag nog steeds voor ons!
De verlosten worden bij hun bekering niet weggenomen uit de wereld (vers 15). Ze worden door de Heere juist uitdrukkelijk in de wereld uitgezonden (vers 18), om daar het werk uit te voeren dat Hij hun heeft opgedragen. Desondanks zijn zij "niet van de wereld", evenmin als de Heere Jezus dat was (vers 16). Hun positie is die van vreemdelingen die de opdracht hebben om in een vijandig land hun hoogste Heere te dienen.
Dit onvergelijkbare hoofdstuk leert ons echter ook dat de gelovigen hier op aarde zeer zeker niet vergeten zijn, maar door "een grote Hogepriester" voor de troon van de genade gebracht worden (vergelijk Hebreeën 4 vers 14 - 16). En het is goed te luisteren naar de woorden die Hij in Zijn gebed voor hen die aan de wereld blootgesteld zijn, gebruikt:
"...dat Gij hen bewaart voor de boze" (vers 15).
"Heilig ze in Uw waarheid" (vers 17); dat is de afzondering van de wereld, samen met hen die Zijn Woord gehoorzamen.
"Opdat zij allen één zijn" (vers 21); dat is het verlangen van Zijn hart. Als we deze woorden horen, dan kunnen we niet anders dan ons diep schamen, wanneer wij denken aan de scheuringen onder christenen.
"...dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt" (vers 24). Zij die niet 'van' de wereld zijn, zullen niet 'in' de wereld blijven. Hun eeuwig deel is hun zijn bij de Heere Jezus, om Zijn heerlijkheid te aanschouwen. "Ik wil...", zegt Hij, want de aanwezigheid van de Zijnen bij Hem in de hemel is het resultaat van Zijn volmaakte werk en vormt een deel van Zijn heerlijkheid en de heerlijkheid van de Vader.
Na de "heerlijkheid..., die Gij Mij gegeven hebt" (hoofdstuk 17 vers 22), komt "de drinkbeker, die Mij de Vader gegeven heeft" (vers 11). Beide dingen neemt de Heere Jezus in volledige afhankelijkheid in ontvangst uit de hand van de Vader. In overeenstemming met het karakter van dit evangelie lezen we hier echter niet over de "zware strijd" (Lukas 22 vers 44). In de gedachten van de gehoorzame Zoon is het werk al volbracht (hoofdstuk 17 vers 4).
De verrader Judas weet waar hij de bewapende mannen naartoe moet brengen, opdat zij de Heere Jezus kunnen grijpen. Dat is de plaats waar hijzelf deelgenoot geweest is van menige vertrouwelijke en kostbare bijeenkomst.
Hij Die met verachting "Jezus de Nazaréner" genoemd wordt (vers 5), is niemand anders dan de Zoon van God. In het volle bewustzijn van hetgeen Hem te wachten staat, gaat Hij die dreigende groep tegemoet. En Hij geeft een bewijs van Zijn onbeperkte macht, waaraan men Hem, naar de Schriften, zou hebben kunnen herkennen (Psalm 27 vers 2). Met één enkel woord werpt Hij Zijn vijanden op de grond.
En waar is Zijn hart mee bezig op dit vreselijke moment? "... laat dezen heengaan" (vers 8), beveelt Hij de mannen die gekomen zijn om Hem gevangen te nemen. Tot aan het allerlaatste moment waakte Hij als de goede Herder over Zijn schapen. Nu is het uur gekomen dat Hij Zijn leven voor hen zal overgeven (hoofdstuk 10 vers 11).
Toen Petrus daar bij de mannen stond die zijn Meester gearresteerd en gebonden hadden, en hij zich warmde aan hun kolenvuur, had hij Hem, in praktisch opzicht, al verloochend.
Wanneer wij gezelschap zoeken in een wereld die de Heere Jezus gekruisigd heeft, dan stellen wij onszelf op de één of andere manier bloot aan het gevaar de Heere Jezus te onteren. We hoeven er niet op te rekenen bewaard te blijven (als antwoord op Zijn gebed in hoofdstuk 17 vers 15 - 17) wanneer wij de afzondering (waarvan Hij in dezelfde verzen spreekt; hoofdstuk 17 vers 16), niet in praktijk brengen.
Door zijn ontrouw ontkomt Petrus een bepaalde tijd aan de smaad en de vervolging. Was hij dan "meer dan zijn Heere" (hoofdstuk 15 vers 20), Die Zelf alle haat en verachting van de mensen moest ondervinden?
Op het huichelachtige verhoor door de hogepriester heeft de Heere Jezus niet geantwoord. Hij had Zijn getuigenis al openlijk gegeven. Nu is het aan Zijn rechters het bewijs van het kwaad te leveren, tenminste... als ze daartoe in staat zijn!
Dit evangelie onderstreept â duidelijker dan de andere drie evangeliën â de waardigheid en het gezag van de Zoon van God. Ondanks alle vernederingen die Hij moest ondergaan, en de manier waarop men meende over Hem te kunnen beschikken, beheerste Hij de hele situatie, als Degene Die "Zichzelf... heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer voor God tot een welriekende reuk" (Efeze 5 vers 2).
Als de Joden de Heere Jezus voor de Romeinse stadhouder brengen, zorgen zij ervoor dat ze zelf niet verontreinigd worden... hoewel ze tegelijkertijd hun geweten met de grootste misdaad van alle tijden belasten!
De apostel Paulus heeft Timotheüs "de goede belijdenis" van Christus Jezus voor Pontius Pilatus tot voorbeeld gesteld (1 Timotheüs 6 vers 13). Ongeacht hetgeen het Hem zal kosten, bevestigt de Heere Zijn Koningschap, maar tegelijkertijd maakt Hij duidelijk dat Zijn Koninkrijk "niet van deze wereld" is (vers 36). Dit vers zou toch duidelijk genoeg moeten zijn voor allen die vandaag de dag strijden, dat wil zeggen allerlei pogingen ondernemen om het Koninkrijk van God hier op aarde op te richten. Een voortschrijdende verbetering van deze wereld, waardoor de Heere in staat gesteld zou worden om Zijn heerschappij op Zich te nemen, is niets anders dan een illusie. Als Hijzelf niet voor deze verbetering gezorgd heeft â hoe zouden christenen dat dan kunnen proberen?
"Wat is waarheid?", vraagt Pilatus (vers 38), maar hij verwacht geen antwoord. Hij doet net als vele andere mensen. In feite heeft men helemaal geen belang bij het antwoord op deze vraag, want, als puntje bij paaltje komt, is men bang voor het antwoord, dat een aanklacht zou betekenen voor hun eigen leven. De Waarheid stond hier in de Persoon van de Heere Jezus voor Pilatus (hoofdstuk 14 vers 6). Tevergeefs probeert deze man zich aan zijn verantwoordelijkheid te onttrekken, door voor te stellen om de Gevangene op het pascha vrij te laten. Eenstemmig verlangen de Joden echter dat de moordenaar Bar-Abbas, in plaats van Hem, vrijgelaten zal worden.
Uit spot werpen de soldaten de Heere Jezus "een purperen kleed om" en zetten "een kroon van doornen" op Zijn hoofd. En Pilatus laat het toe, dat Hij op zo'n manier voor het volk geleid wordt, met de woorden: "Ziet, de Mens!" (vers 5).
"Kruisig Hem, kruisig Hem!", antwoorden de overpriesters en dienaars woedend. En opnieuw wordt er een aanklacht tegen Hem ingebracht: Hij heeft gelasterd en "Zichzelf Gods Zoon gemaakt" (vers 7). Dit brengt de stadhouder nog meer in verlegenheid. Hij Die daar voor hem staat, zou dus niet alleen een Koning, maar zelfs een God kunnen zijn (vers 8)! Om zekerheid te krijgen, beroept hij zich op zijn macht, maar de Heere Jezus zet hem weer terug op zijn ware plaats. Deze heidense regeringsfunctionaris hoort, waarschijnlijk voor de eerste keer in zijn leven, op Wiens gezag hij deze positie heeft gekregen: niet door de keizer, zoals hij meent, maar "van boven" (vers 11; Romeinen 13 vers 1). Omdat hij vanaf dat moment duidelijk aanvoelt dat hij geen enkele macht bezit om over de Aangeklaagde te kunnen beschikken, en dat hij bovendien helemaal niet opgewassen is tegen deze zaak, wil hij Hem graag vrijlaten. De Joden willen het echter anders en nemen daarom de toevlucht tot het laatste argument: "Indien gij Deze loslaat, zijt gij de vriend van de keizer niet" (vers 12). En ondanks de waarschuwing die hij in vers 11 heeft gekregen, probeert de stadhouder niet God, maar de mensen te behagen en te gehoorzamen. Dan besluit hij om, uit angst voor de wraak van de Joden en omdat hij bang is om zich het onbehagen van zijn meerderen op de hals te halen, de Onschuldige op te offeren.
Hij Die een paar dagen eerder met koninklijke majesteit Jeruzalem was binnengetrokken, gaat nu uit "Zijn kruis dragende" (vers 17).
Dezelfde tegenstelling blijkt ook uit het opschrift dat Pilatus boven het kruis had laten aanbrengen: "De Koning der Joden" is Dezelfde als "Jezus de Nazaréner".
Hij wordt tussen "twee anderen" gekruisigd en met de misdadigers op één lijn gesteld (Jesaja 53 vers 12). Dit evangelie vertelt echter niet over de lasteringen die Hij van de voorbijgangers te verduren had (Mattheüs 27 vers 39), en evenmin over de vreselijke uren waarin Hij van God verlaten was, toen Hij onze zonden droeg. Hier is alles slechts vrede, liefde en gehoorzaamheid aan God.
Vers 25 vertelt over de aanwezigheid van enkele vrouwen, die met een gebroken hart bij het kruis staan, en noemt hun namen. De Heere Jezus vertrouwt Zijn moeder vervolgens toe aan de discipel die, als geen ander, weet van Zijn genegenheden.
Let eens op hoe alles, tot in het kleinste detail, moet gebeuren "opdat de Schrift vervuld wordt": de verdeling van Zijn kleding (vers 24), de edik die men Hem te drinken geeft (vers 28; zie ook vers 36 en 37).
Daarna volbrengt Hijzelf de laatste handeling van Zijn vrijwillige gehoorzaamheid: Hij geeft Zijn geest over (hoofdstuk 10 vers 18).
Zijn liefde heeft aan het kruis alles volbracht. Als iemand mocht denken zelf nog iets te moeten doen om zeker te zijn van zijn heil, luister dan naar en geloof in de laatste woorden van de stervende Verlosser: "Het is volbracht!"
Toen de soldaten kwamen om de benen van de gekruisigden te breken en hen te doden, zagen zij dat zij dat bij de Heere Jezus niet hoefden te doen, omdat Hij al gestorven was. Door deze handeling gingen toen, bij de bekeerde misdadiger, de woorden van de Heere Jezus in vervulling: "Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn" (Lukas 23 vers 43). Eén van de soldaten schrok er echter niet voor terug om het lichaam van de Heere Jezus door een steek met een speer te ontwijden (vergelijk Zacharia 12 vers 10). Het antwoord op deze laatste smaad die Hem werd aangedaan, is een wonderbaar teken van genade: het bloed van de verzoening en het water van de reiniging vloeien uit Zijn doorboorde zijde.
Vervolgens vindt de begrafenis plaats van onze Heere, Die alle aanbidding waard is. God heeft twee discipelen toebereid om het lichaam van Zijn Zoon de eer te bewijzen, die in de Schriften werd aangekondigd (Jesaja 53 vers 9). Jozef en Nicodémus hadden tot dusver niet de moed gehad om openlijk partij te kiezen voor de Heere Jezus. Maar nu zijn ze, door deze vreselijke misdaad van hun eigen volk, als het ware wakker geschud en begrijpen ze, dat als ze verder bleven zwijgen, ze in feite instemden met deze daad.
Beste gelovige vrienden, laten we nooit vergeten dat de wereld onze Verlosser gekruisigd heeft. Zwijgen of welwillend staan tegenover degenen die Hem gedood hebben, betekent in feite hetzelfde als Hem verloochenen. Daarentegen is het nu de tijd dat wij ons moedig als Zijn discipelen te kennen geven.
De eerste die op deze heerlijke opstandingsmorgen snel naar het graf gaat, is Maria Magdalena. Zij is de vrouw van wie de Heere Jezus zeven demonen had uitgedreven (Markus 16 vers 9).
Maar... iemand is haar voor geweest! De steen die voor de opening van het graf lag, is weggerold! Dát vertelt zij aan Petrus en Johannes, die op hun beurt nu ook gauw naar het graf gaan en daar met eigen ogen de opvallende bewijzen van Zijn opstanding zien! Helaas gaan deze beide mannen daarna weer terug naar huis. Maria kan echter niet weggaan en wordt slechts beheerst door één gedachte: ze wil haar geliefde Heere terugvinden (vers 13). Zelfs de aanwezigheid van de engelen lijkt haar niet te verrassen.
Zo'n toewijding kan en zal de Heere Jezus niet onbeantwoord laten. En wat Hij doet, had Maria nooit verwacht! Het is een levende Heere, Die zij nu mag ontmoeten, Die haar bij haar naam roept en Die haar vervolgens een uitermate belangrijke boodschap toevertrouwt. Hier zien we duidelijk dat een persoonlijke relatie met de Heere, het persoonlijk aanhangen van Hem alleen, het enige middel is tot een waar begrip van de dingen. De Heere geeft Maria de opdracht om aan Zijn "broeders" te gaan zeggen dat het kruis Hem absoluut niet van hen gescheiden heeft, maar juist de basis vormt voor totaal nieuwe betrekkingen. Een feit van onschatbaar grote waarde: Zijn Vader is onze Vader en Zijn God is onze God geworden! De Heere Jezus heeft ons, tot grote vreugde voor Zijn eigen hart, voor altijd in deze gelukzalige betrekkingen gebracht (Psalm 22 vers 23; Hebreeën 2 vers 11 en 12).
Het is avond, op die wonderbare eerste dag van de week. Overeenkomstig Zijn belofte komt de Heere Jezus in het midden van Zijn discipelen, die bijeengekomen waren (hoofdstuk 14 vers 19). Hij laat hun door middel van de zekere tekenen in Zijn handen en Zijn zijde zien dat er voor hen vrede met God gemaakt is (Handelingen 1 vers 3). Hij blaast ook het nieuwe leven in hen (vers 22; vergelijk Genesis 2 vers 7 en 1 Korinthe 15 vers 45). Daarna zendt Hij hen uit om aan hen die geloven, vergeving van zonden te verkondigen (vers 23).
Thomas is er op deze eerste zondag niet bij. En als de andere discipelen hem vertellen "Wij hebben de Heere gezien" (vers 25), blijft zijn hart koud en ongelovig. Hoeveel kinderen van God ontzeggen zich, op een lichtvaardige wijze, het kostbare samenkomen rondom de Heere Jezus â misschien omdat zij diep in hun hart twijfelen aan Zijn tegenwoordigheid.
Thomas is een beeld van het gelovige Joodse overblijfsel, dat Hem later, als men Hem ziet, als hun Heere en God zal erkennen. Men zal dan vragen: "Wat zijn deze wonden in Uw handen?" (Zacharia 13 vers 6).
Het gelukzalig deel van de verlosten van nu is echter te mogen geloven zonder gezien te hebben (1 Petrus 1 vers 8). En tot dit doel zijn deze dingen ook opgeschreven. Niet alleen om gelezen, maar juist om geloofd te worden! Gegrond op het Woord van God, mag en moet ons geloof Hem aangrijpen, Die het Leven en de Zoon van God is (vers 31).
Er komen slechts zeven discipelen naar de ontmoetingsplaats in Galilea, die de Heere Jezus met hen had afgesproken (Mattheüs 26 vers 32; 28 vers 7). En ook dezen schijnen het Onderwerp van hun verwachting vergeten te zijn. Simon Petrus, die door de Heere toch tot een visser van mensen was gemaakt, keert terug tot zijn oude bezigheid. Verbaast het ons dan nog, dat zij "in die nacht" niets vingen (vers 3)? Hoe zou het werk dat zij zichzelf uitgedacht hebben en dat zonder de aanwezigheid van de Heere uitgevoerd wordt, ooit vrucht kunnen dragen? Hij had hun immers al eerder gezegd dat zij zonder Hem (gescheiden van Hem) niets zouden kunnen doen (hoofdstuk 15 vers 5). Zodra Hij echter bij hen is, verandert alles! De rechterzijde heeft ten opzichte van de linkerzijde van de boot slechts één voordeel â maar wel een heel belangrijk voordeel! â : de Heere Jezus heeft hun die kant aangewezen!
En nu ontmoeten zij de Meester, Die voor Zijn vermoeide knechten alles al heeft toebereid. Hij heeft hun vissen niet nodig (vers 9), maar desondanks veracht Hij het resultaat van hun werk niet (vers 10) en laat het precies tellen (vers 11).
Vergeten wij ook niet vaak, net als de discipelen, die grote ontmoeting met de Heere, die heel binnenkort staat te gebeuren? Wij zouden in al onze omstandigheden, in nederlagen en successen, veel gauwer de hand van Hem moeten erkennen, Die op die manier tot ons spreekt, en dan zouden ook wij vaker kunnen zeggen: "Het is de Heere!" (vers 7).
De Heere Jezus moest hier op aarde nog een laatste liefdedienst aan Zijn discipel Petrus vervullen. Tot driemaal toe had hij zijn Meester verloochend. En tot driemaal toe moest hij door een pijnlijke vraag overtuigd worden van hetgeen in zijn hart aanwezig is: Je hebt beweerd dat je meer genegenheid voor Mij had dan de anderen hier, maar zij hebben Mij niet verloochend (Markus 14 vers 29). Waar is dan deze vurige liefde, waarover je sprak? Ik heb daar geen enkel bewijs van gezien.
Heere, U weet alles. U weet precies wat er in mijn hart is, is ten slotte het enige wat deze arme discipel kan antwoorden.
Zal de Heere hem nu terzijde stellen? Integendeel zelfs! Nu, nu Petrus zijn zelfvertrouwen verloren heeft, is hij geschikt voor een dienst. "Weid Mijn lammeren... Mijn schapen", zegt de Meester (in de grondtekst staat hier een verkleinwoord, waaruit een grote tederheid blijkt: Mijn kleine lammetjes). Door zich bezig te houden met hen die door de Heere Jezus geliefd worden, zal Petrus opnieuw de gelegenheid krijgen om zijn liefde voor de Heere te tonen.
Dit evangelie is nu ten einde. Maar alles wat de heerlijke Persoon over Wie dit evangelie volgeschreven staat, heeft gedaan, uitgesproken of ervaren, is van ontzettend groot belang en van onschatbare waarde en dat alles is God niet vergeten (vers 25).
En vandaag wordt van elke verloste verwacht dat hij of zij gehoor geeft aan de laatste woorden van zijn of haar Heere: "Volg gij Mij!" (verse 21).
Lukas, de geïnspireerde schrijver van het Boek Handelingen, begint zijn vertelling met de hemelvaart van de Heere Jezus, hoewel hij daar aan het eind van zijn evangelie ook al over geschreven heeft. Deze hemelvaart is echter van uitermate groot belang. Het komen van de Heilige Geest en het hele werk tot aan de uiteinden van de aarde, dat daaruit zou ontstaan, komt voort uit de tegenwoordigheid van Christus in de heerlijkheid (Johannes 16 vers 7). Bovendien bevestigt dit begin dat alles wat de apostelen zullen doen, in overeenstemming is met de bevelen die zij van de Heere ontvangen hebben (vers 2 en 8). Dat zal hun dienst rechtvaardigen.
"Gij zult Mijn getuigen zijn" (vers 8), zei de Heere Jezus tegen hen, want hun gedachten waren toen nog op dingen van deze aarde gericht (vers 6). Zij werden 'bewaarders' van de wonderbare waarheden die betrekking hadden op Hem Die geleden had, maar nu levend was (vers 3). Hij werd voor hun ogen opgenomen in de hemel (vers 9) en zal, overeenkomstig de zekere belofte die hun door middel van engelen werd meegedeeld, op dezelfde wijze terugkomen (vers 11). En zij zouden door de kracht van de Heilige Geest, Die zij heel binnenkort zouden ontvangen (vers 8), al deze dingen verkondigen.
De eerste samenkomst na de hemelvaart van de Heere Jezus is gewijd aan het gebed, en alle apostelen zijn daarbij aanwezig. Laten wij die aan het eind van de geschiedenis van de Gemeente hier op aarde zijn aangekomen, toch niet ontbreken op de samenkomst die de laatste zal zijn voor Zijn komst!
Petrus neemt het woord, in het midden van de eerste discipelen. Hij herinnert hen aan het ongelukkige einde van Judas, die zichzelf van het leven heeft beroofd (Mattheüs 27 vers 5 - 8). Dat was een vreselijke dood, maar het eeuwige lot zal nog vele malen erger zijn (vers 25)! Steunend op het licht en het gezag van de Schriften wijst Petrus op de noodzaak dat de lege plaats van deze discipel weer opgevuld moet worden. Twaalf apostelen zouden de officiële getuigen zijn van de feitelijke grondslag van het christendom: de opstanding van de Heere Jezus (vergelijk 1 Korinthe 15 vers 5). Jozef en Matthias waren beiden mannen die het voorrecht hadden gehad om de Heere Jezus, samen met de anderen, tijdens Zijn dienst hier op aarde te mogen begeleiden. Misschien hoorden zij ook wel bij die zeventig die de Heere Jezus destijds had uitgezonden (Lukas 10 vers 1). Nadat de discipelen vervolgens tot de Heere, Die alle harten kent (vers 24), gebeden hebben om hun Zijn keuze bekend te maken, werpen zij het lot, waarop Matthias wordt aangewezen (Spreuken 16 vers 33).
Vandaag zou het niet meer goed zijn om het lot te werpen. De Heilige Geest is nu immers Persoonlijk hier op aarde in de gelovigen aanwezig en geeft hun het inzicht dat zij nodig hebben. In dit verband is het heel interessant deze gebeurtenis eens te vergelijken met de woorden van Handelingen 13 vers 2, waar de Geest gebiedt: "Zondert Mij af beiden Barnabas en Saulus tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb".
Sinds de hemelvaart van de Heere Jezus zijn er een aantal dagen voorbijgegaan. En dan gaat de belofte van Hem en Zijn Vader in vervulling (hoofdstuk 1 vers 4). In de gedaante van "verdeelde tongen als van vuur" komt de Heilige Geest, de Goddelijke Persoon, naar deze aarde en blijft op de discipelen. Onmiddellijk wordt Zijn kracht in de discipelen openbaar: ze zijn in staat om zich in talen uit te drukken die zij niet kenden. Zo komt God in genade tegemoet aan de vloek van Babel (Genesis 11 vers 1- 9).
Het Joodse Pinksterfeest zorgde ervoor dat er jaarlijks een aanzienlijk aantal van de onder de volken verstrooide Israëlieten naar Jeruzalem kwam. Deze grote toestroom biedt een prachtige gelegenheid voor de eerste grote evangelisatiesamenkomst. En wat krijgt de menigte daar verbazingwekkende dingen te horen! Iedereen kan, in zijn eigen taal, horen spreken over "de grote werken Gods" (vers 11). En dat terwijl de sprekers "ongeleerde en eenvoudige" Galileërs zijn (vergelijk hoofdstuk 4 vers 13; Johannes 7 vers 15).
Het is ook helemaal niet nodig om tot een bepaalde selecte groep te behoren of een speciale studie gevolgd te hebben, om een arbeider voor de Heere te kunnen zijn. Afhankelijkheid van Hem en het zich stellen onder de leiding van Zijn Geest, dat zijn de noodzakelijke voorwaarden! O, dat een ieder van ons daar toch aan mag voldoen!
Uitgaande van een tekst uit het Boek van de profeet Joël, heeft Petrus aan de Joden laten zien dat de kracht die in hun midden werkzaam was, van Goddelijke oorsprong is.
Als wij een Bijbeltekst overdenken, dan moeten we nooit vergeten dat het God is Die tot ons spreekt.
Petrus herinnert dan aan de wonderbare weg van Christus hier op aarde, aan Zijn dood en opstanding, die in vele Schriftplaatsen werd aangekondigd en waarvan de apostelen getuigden. En God heeft "deze Jezus", Die door het volk gekruisigd werd, aan Zijn rechterhand geplaatst en Hem tot Heere en Christus gemaakt.
Wat een schrik voor hen die Hem gedood hebben, nu zij van zo'n grote misdaad overtuigd raken! Als ze zo in het geweten getroffen zijn, worden de toehoorders aangegrepen door een diep berouw en komt er vrees en ontzetting over hen. Hoe kunnen ze God ooit weer tevreden stellen, na Hem zo gesmaad te hebben? In eerste instantie door werkelijk berouw te hebben en zich te bekeren, antwoordt Petrus (vers 38). Daarbij gaat het niet om een eenvoudige spijtbetuiging over het kwaad dat gedaan is, maar om een oprechte veroordeling (in overeenstemming met Gods gedachten) van de daden die gedaan zijn en een definitief afstand nemen van de vroegere levenshouding. Als dit gebeurt, dan is dat al een eerste openbaring van geloof (vandaar ook dat het niet meer nodig was, dat de apostelen hen opriepen te geloven).
Ten gevolge van deze eerste prediking bekeerden zich toen drieduizend personen, die ook werden gedoopt.
Hoofdstuk 2 eindigt met een bewonderenswaardig beeld van het begin van de Gemeente. Toen waren er, net als nu, samenkomsten waarin men onderwijs ontving, samenkomsten waarin speciaal de Vader en de Heere Jezus gediend, geëerd werden, door Zijn dood te gedenken, en ook gebedssamenkomsten (vers 42).
Wij beperken het leven van de Gemeente echter vaak tot de samenkomsten, terwijl dat leven juist een voortzetting vindt in de huizen van hen die samen de Gemeente vormen (vers 46).
In vers 43 lezen we: "En een vrees kwam over alle ziel". Ernst kan dus in volkomen harmonie met vreugde zijn (vers 46).
In hoofdstuk 3 zien we hoe de kracht van de Heilige Geest zich niet alleen openbaart in de woorden van de apostelen, maar ook in hun werken.
Toen de arme verlamde man, die daar bij de 'schone' tempeldeur zat (vers 2), aan Petrus en Johannes om een aalmoes vroeg, had hij vast niet gerekend op de gave die hij zou ontvangen. Hij zou de wonderbare genezing, door het geloof in de Naam van de Heere Jezus, ontvangen! "Wat ik heb, dat geef ik u", zegt Petrus (vers 6). Als het erom gaat iets te geven, dan denken wij gewoonlijk het eerst aan geld (vers 6) en maar zelden aan de onuitputtelijke hemelse rijkdom die wij in onze Verlosser bezitten. Toch hebben wij het voorrecht, om onze omgeving juist daarmee bekend te mogen maken! Wat een verandering voor deze verlamde man! Tot nu toe zat hij "aan de deur" (vers 2). Nu komt hij echter in de tegenwoordigheid van God, om Hem te loven (vers 8). Zit u of jij misschien ook nog "aan de deur"?
Zodra men hoort over de genezing van de verlamde man, ontstaat er een grote toeloop van nieuwsgierige mensen. Ze zijn allemaal "met verbaasdheid en ontzetting" vervuld (vers 10). Petrus leidt de aandacht onmiddellijk van zichzelf en Johannes af, door dit wonder toe te schrijven aan de macht van de Naam van de Heere Jezus. Dit werk was een duidelijk zichtbaar bewijs van het leven en de kracht in de opstanding van Hem Die zij gedood hadden. "Gij hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend", zegt de apostel tegen hen. En hij zei dit niet om hen daarmee te veroordelen, maar hij sprak als iemand die de schande van deze zonde uit eigen ervaring kende (vers 14; Lukas 22 vers 57 en verder). "Ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt", voegt hij eraan toe (vers 17). En daarmee bevestigt hij als het ware de woorden die de Heere Jezus op het kruis uitsprak: "Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen" (Lukas 23 vers 34). De gelegenheid die de Joden hier kregen om het evangelie te horen en om zich te bekeren, was een antwoord op deze vraag van de Heere Jezus. Ze hadden het getuigenis van de Heilige Geest in hun midden, Die door de mond van Petrus tot hen sprak en in de Gemeente zichtbaar werd (hoofdstuk 2 vers 44 - 47).
Als het volk zich toen met belijdenis van hun zonde tot God gewend zou hebben, dan zou de Heere teruggekomen zijn. Maar dat wilde het volk niet doen en vandaar ook dat ze voortaan niet meer te verontschuldigen zijn vanwege hun onwetendheid.
Het kan niet anders of zo'n grote wonderlijke gebeurtenis moet de tegenstand van satan oproepen. En we weten wie zijn werktuigen zijn: Annas, Kajafas, de priesters, de oversten, ouderlingen en Schriftgeleerden (vers 5 en 6). Kortom: de hoofdverantwoordelijken voor de veroordeling van de Heere Jezus. Als de discipelen nu door hen ontzien zouden worden, dan zouden ze toegegeven hebben dat ze onrechtvaardig gehandeld hadden door hun Meester te doden. Hun hoogmoed verhindert hun zo te handelen. Ze volharden in de haat tegen de Naam van de Heere Jezus. Voortaan zou Hijzelf de Toetssteen zijn: voor de één "een uiterste Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is", en voor de ander "een Steen des aanstoots, en een Rots der ergernis" (vergelijk vers 11 en 1 Petrus 2 vers 4 - 8).
Vers 12 is van uitermate groot belang! Daarin zien we de eenmalige waarde en de absolute noodzakelijkheid van deze kostbare Naam, waardoor men gered kan worden!
Men heeft aan de discipelen gemerkt dat ze "met Jezus geweest waren" (vers 13). Wanneer wij voortdurend in gemeenschap met de Heere leven, zal dat ook bij ons opgemerkt worden.
Ook al is de tegenstand van de oversten van de Joden nog zo groot, het kan de werkzaamheid van het evangelie niet verminderen of verhinderen (vers 4), noch de mond van de apostelen toesluiten; zij hebben hun opdracht om te spreken namelijk van God ontvangen (vers 19). En het Woord is als "een brandend vuur" in hen (vers 20; Jeremia 20 vers 9).
Petrus en Johannes komen weer terug bij de andere discipelen (in vers 23 "de hunnen" genoemd) en delen hun het besluit van de oversten van het volk mee. Maar in plaats van te doen wat hun geboden was, nemen ze de toevlucht tot het gemeenschappelijke hulpmiddel: het gebed (zie ook hoofdstuk 6 vers 4; 12 vers 5 en 12; 14 vers 23). In de opstand van de Joden en de volken tegen God en Zijn heilige Knecht Jezus herkennen ze de vervulling van de Schriften. (En omdat het tot nu toe slechts om een gedeeltelijke vervulling gaat, laten de apostelen in hun citaat uit Psalm 2 het vreselijke, Goddelijk antwoord op deze uitdagingen van de mensen achterwege.)
Het woord "vrijmoedigheid" is kenmerkend voor dit hoofdstuk (vers 13, 29 en 31). Dat heeft niets te maken met de vleselijke energie waardoor Petrus vroeger gedrongen werd en die hem een paar tellen later weer had verlaten. De discipelen ontvangen deze vrijmoedigheid als het antwoord op hun gebed! Daarin mogen wij hen navolgen, wanneer wij merken dat het ons aan moed ontbreekt!
De verzen 32 - 37 geven een nieuwe, wonderbare beschrijving van de Gemeente, in de frisheid van haar eerste liefde. Ook al menen we dat we dit gelukkige begin niet opnieuw kunnen bereiken, toch mogen we ons gezamenlijk inspannen om deze geest te verwerkelijken. Dat kunnen we doen door ons egoïsme weg te doen en elke gelegenheid aan te grijpen om onze broeders en zusters te dienen.
Hoofdstuk 4 begon met het woordje "terwijl". Dat gaf het begin aan van de bezigheid van de vijand, 'van buitenaf'.
Hoofdstuk 5 begint met een soortgelijke inleiding door de woorden "en een zekere...", maar hier wordt het verderfelijke werk van de vijand 'van binnenuit' de Gemeente weergegeven. Tot en met vandaag is satan nog steeds op deze tweevoudige wijze bezig. De geest van nabootsen en het verlangen om in de ogen van anderen vroom en godsdienstig te lijken, hebben Ananias en Saffira tot leugen verleid. Petrus berispt hen met een heilige verontwaardiging en zij worden daarop onmiddellijk geslagen door de hand van God. Deze gebeurtenis heeft geen betrekking op hun eeuwig lot, maar is een openbaring van de regering van God hier op aarde.
Laten we niet menen dat God een zonde vandaag de dag als minder afschuwelijk beschouwt, omdat wij het onderwerp van Zijn genade zijn! Hij is heilig, en dat zouden ook Zijn kinderen moeten zijn (1 Petrus 1 vers 15 - 17).
Er komt vervolgens grote vrees over alle aanwezigen. Dit gevoel, deze houding, ten opzichte van Hem Die ook onze verborgen gedachten kan lezen, zou ook bij ons veel meer aanwezig moeten zijn.
De verzen 12 - 16 spreken over de wonderen van liefde die "door de handen van de apostelen" gebeurden, en laten ons zien dat het niet voldoende is gelovigen te bewonderen, maar dat men zélf de stap moet zetten en zichzelf bij "de Heere" moet aansluiten (vers 13 en 14). In Openbaring 21 vers 8 worden "de vreesachtigen" het eerst genoemd in het rijtje van hen die voor eeuwig verloren zijn.
Toen de hogepriester en zij die bij hem waren, zagen welke invloed deze ongeleerde mannen â die niet eens tot de geestelijkheid behoorden â op de volksmenigte hadden, werden ze heel jaloers. In het bijzonder de Sadduceeën, die de opstanding loochenden, kwamen in opstand tegen de apostelen, omdat die juist de opstanding van de Heere Jezus verkondigden (vers 17; hoofdstuk 4 vers 1 en 2). Omdat ze niet in staat waren hun gezag op een andere manier te laten gelden, werpen ze deze mannen, die niet tot zwijgen te brengen zijn, in de gevangenis. Maar de Heere stuurt een engel om Zijn dienstknechten te bevrijden, waarna zij onmiddellijk naar de tempel terugkeren om daar verder te gaan met hun onderwijs. Dit wordt dan weer aan de oversten meegedeeld, die hen daarop voor het Sanhedrin (de raad) laten verschijnen. "Gij wilt het bloed van deze Mens over ons brengen", zeggen ze tegen hen (vers 28), terwijl zij het destijds zelf voor Pilatus uitgeroepen hebben: "Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen" (Mattheüs 27 vers 25). De apostelen wordt dan nog een keer duidelijk te kennen gegeven, dat zij moeten zwijgen. Maar Petrus en de apostelen zeggen: "Men moet God meer gehoorzaam zijn, dan de mensen" (vers 29; zie hoofdstuk 4 vers 19). En opnieuw leggen zij een klaar getuigenis af van de heerlijke opstanding van de Heere Jezus en spreken over Hem als "een Vorst en Zaligmaker", en vertellen ook over de "vergeving van de zonden", door het geloof in Hem (vers 31).
`Jezus - Naam, waarvoor ik kniele, Bron van heil en alle kracht. Zalig rustoord van mijn ziele, hemels licht in 's werelds nacht. Onnaspeurlijk blijft die Naam in Zijn glans en rijkdom saam.'
Na een engel maakt God nu gebruik van Gamaliël, een vooraanstaande Farizeeër (tegenpartij van de sekte van de Sadduceeën), om de Zijnen te bevrijden. Deze Gamaliël was een wetgeleerde, die onder de Joden grote bekendheid genoot en die geëerd werd. Heel rustig roept hij zijn collega's op tot geduld, door voorbeelden aan te halen die bij iedereen bekend waren. Uit de afloop van deze gebeurtenis zou, volgens Gamaliël, vanzelf blijken of dit een werk van mensen of van God was. Het is overigens niet zo moeilijk om te weten in welk rijtje men hen moet plaatsen die van zichzelf zeggen dat ze iets zijn (vers 36). Bij de apostelen is zo'n houding helemaal niet te bespeuren. Zij erkenden juist dat zij in zichzelf niets waren, en gaven alle eer aan de Naam van de Heere Jezus, Die zij onophoudelijk verkondigden (hoofdstuk 3 vers 12; 4 vers 10).
De Heere Jezus had Zijn discipelen voorzegd dat men zich aan hen zou vergrijpen, hen zou vervolgen en hen aan de synagogen en gevangenissen zou overleveren (Lukas 21 vers 12). Al deze beproevingen lieten inderdaad niet lang op zich wachten (vers 17 - 32). En deze zijn tot op de dag van vandaag het deel van ware gelovigen.
Vaak danken we de Heere dat Hij ons voor vervolgingen, zoals die in sommige landen nog voorkomen, bewaard heeft. Maar laten we niet vergeten dat het een eer is om voor Zijn Naam te lijden. De apostelen verheugden zich erover, dat zij waardig bevonden waren voor Hem te lijden (vers 41; vergelijk 1 Petrus 4 vers 19; Mattheüs 5 vers 11 en 12).
Het prachtige beeld dat van de Gemeente geschetst werd in hoofdstuk 2 vers 42 en hoofdstuk 4 vers 32, wordt helaas al heel gauw vertroebeld. Er ontstaat gemopper (een bezwaar dat men niet openlijk kenbaar durft te maken) in het midden van de discipelen. Laten wij ervoor waken dat zo'n gemopper, als gevolg van ontevredenheid en jaloezie, bij ons niet de kop op steekt. Laten we zoiets bij ons direct in de kiem smoren, want "de verderver" maakt er gretig gebruik van om daardoor de onderlinge gemeenschap van de kinderen van God te verstoren (1 Korinthe 10 vers 10).
Om een einde te maken aan deze gang van zaken, wordt er een zevental mannen uitgekozen en vervolgens aangesteld. We zouden wellicht nooit verwacht hebben dat het voor het dienen van de tafels nodig zou zijn, dat men "vol van de Heilige Geest" was (vers 3). Maar dat is de normale toestand van de christen! En zo kan het ook bij ons zijn, wanneer wij er werkelijk naar verlangen! Niet dat wij dan om een nieuwe komst van de Heilige Geest moeten vragen, want dat menen sommigen. Nee, Hij woont immers al in de gelovigen! Maar voor ons is het van groot belang dat wij Hem ook alle ruimte geven in de tempel van ons hart! Ja, dat ons hele hart Hem ter beschikking staat!
Bij Stefanus zien we duidelijk de drie karakterkenmerken van de Heilige Geest naar voren komen: kracht, liefde en wijsheid (of bezonnenheid: vers 8 en 10, vergelijk 2 Timotheüs 1 vers 7). Door de werken en woorden (vers 8 en 10) van deze man van God worden de monden van al zijn vijanden toegesloten. Vandaar dat men daarop valse getuigen tegen hem oproept (Mattheüs 26 vers 59). Maar zijn aangezicht straalt dan al van een hemelse schoonheid (vers 15).
De hogepriester geeft het woord aan Stefanus. Die benut deze gelegenheid echter niet om zichzelf te rechtvaardigen, vanwege de valse aanklachten die tegen hem zijn ingebracht. De Heilige Geest, met Wie hij vervuld is, leert hem wat hij "in dat uur" moet spreken (Lukas 12 vers 11 en 12). Hij maakt daarbij gebruik van de geschiedenis van Israël, om de wegen van God en Zijn trouw â en tegelijkertijd de ontrouw van het volk â te belichten. Deze vertelling, die een belangrijke plaats inneemt in het Woord van God, bevat inderdaad veel onderwijzingen in de vorm van voorbeelden, die tot vermaning, tot waarschuwing dienen (1 Korinthe 10 vers 11).
Abraham werd geroepen en gehoorzaamde (Hebreeën 11 vers 8). Hij had in geloof de beloften die God hem vóór en ná de geboorte van Izaäk had gegeven, aangegrepen. Zijn nakomelingen zouden zich in Egypte ophouden en daar onderdrukt worden. Vervolgens zouden ze uit dat land trekken, naar het land van de belofte en daar de Heere dienen: "Zij zullen Mij dienen" (vers 7). Deze woorden waren geschikt om het geweten van dit ongehoorzame en opstandige volk te bereiken.
De geschiedenis van Jozef, die door zijn broers werd verworpen en later door Farao werd verhoogd, is een opmerkelijke illustratie van de haat van de Joden tegen Christus en de heerlijke positie die God Hem gaf, nadat Hij Hem "uit al Zijn verdrukkingen" had verlost (vers 10).
Stefanus wordt ervan beticht lasterlijke woorden over Mozes gesproken te hebben (hoofdstuk 6 vers 11), maar hij spreekt daarentegen juist met grote eerbied over deze patriarch! Hij vertelt over de schoonheid, die God in hem zag vanaf zijn geboorte (vers 20); later zijn macht in woorden en werken (vers 22); zijn liefde tot zijn broeders, die hem drong hen te bezoeken (vers 23); het onbegrip dat hij bij hen ondervond, toen hij hen wilde bevrijden (vers 25 en 35). Al deze karaktertrekken van Mozes worden opgenoemd om de blikken van het volk op de kostbare Verlosser te richten, Die door dit volk verworpen was. Mozes had Zijn komst overigens al aangekondigd en gezegd: "Die zult gij horen!" (vers 37). En Petrus had in zijn toespraak (hoofdstuk 3 vers 22), al eerder dan Stefanus, gewezen op de woorden uit Deuteronomium 18 vers 15. Het betreft hier dus een tweevoudig getuigenis van de vervulling van de Schriften!
Dit volk heeft echter vanaf het begin van haar geschiedenis steeds opnieuw laten zien dat het ongehoorzaam was en de afgoden diende. En ondanks de grootste bewijzen van de liefde en het geduld van God is het natuurlijke karakter van dit volk niet veranderd.
Zo is het ook met onze arme harten. Voor zover we ons kunnen herinneren, zelfs als kind, wordt er ook bij ons ongehoorzaamheid en begeerte gevonden. Alleen de macht van God is in staat geweest ons een nieuwe natuur te geven.
Stefanus beëindigt zijn vertelling. Hij was als aangeklaagde voor de Raad verschenen, maar nu zijn de rollen omgekeerd. Hij is het die dit halsstarrige volk van de kant van God als het ware een proces aandoet (zie al Exodus 32 vers 9; 33 vers 3 en verder). Hij die vervuld was met de Heilige Geest, zegt tegen hen: "Gij weerstaat altijd de Heilige Geest" (vers 51). Ach! gebeurt het bij ons ook niet vaak, dat wij de Heilige Geest weerstaan, wanneer het erom gaat de wil van God te doen in plaats van onze eigen wil te volgen?
Wat zien we hier een groot contrast tussen de vrede van deze discipel â die helemaal opgaat in het aanschouwen van de heerlijkheid van de Heere Jezus, Die hij ziet staan aan de rechterhand van God â en de grote woede van zijn tegenstanders. Zij worden door haat gedreven, zonder ook maar het geringste spoor van zelfveroordeling te tonen over de misdaad die tot gevolg had dat de Joden eeuwenlang als volk verworpen waren en verstrooid werden over de gehele aarde.
Wanneer we de laatste woorden van deze trouwe getuige (vers 56 en 60) vergelijken met de woorden van zijn Heere op het kruis (Lukas 23 vers 46 en 34), dan zien we opnieuw dat deze discipel veel lijkt op zijn Meester, op Wie hij zijn ogen gericht heeft.
Deze moord vormt de tragische afsluiting van de geschiedenis van dit opstandige volk, waarover Stefanus verteld heeft. Hij bezegelt dit met zijn eigen bloed, doordat hij, na de lange lijst met namen van vervolgde profeten (vers 52), de eerste martelaar van de Gemeente werd (lees 1 Thessalonicenzen 2 vers 15 en 16).
De Heere heeft Zijn discipelen geboden: "Gij zult Mijn getuigen zijn, zo te Jeruzalem, als in geheel Judéa en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde" (hoofdstuk 1 vers 8). Tot nu toe hadden ze slechts het eerste deel van deze opdracht uitgevoerd. Om hen zover te brengen dat ze verder gaan met de volgende etappe, gebruikt de Heere, in Zijn wijsheid, een pijnlijk middel: de vervolging. De dood van Stefanus gaf hiertoe het startsein. Dat had namelijk de verstrooiing van de gelovigen tot gevolg, waardoor het evangelie nu ook op andere plaatsen verspreid werd. Een onaangename wind heeft dus gelukkige gevolgen gehad; deze wind was nodig om het zaad te verspreiden.
De evangelist Filippus (die in hoofdstuk 6 vers 5 genoemd wordt) gaat naar Samaria, om daar "Christus" te prediken. Hij predikt dus geen leer, maar een Persoon (vers 5; vergelijk vers 35).
Ons getuigenis zou meer kracht hebben wanneer wij, in plaats van waarheden voor te stellen, in onze omgeving meer zouden spreken van Hem Die ons hart vervult â of zou moeten vervullen!
Zo komt het dat deze Samaritanen, van wie de Joden een afkeer hadden en die door hen veracht werden, nu dezelfde gave van de Heilige Geest ontvangen als zij. Men heeft niet de toegang tot zo'n groot voorrecht door geboorte, noch door een bepaalde verdienste of geld â zoals Simon de tovenaar dacht, maar alles komt alleen door de genade van God!
Filippus is zojuist het werktuig geweest tot een groot werk in Samaria. Wat zal het hem daarom verbaasd hebben, dat hij de opdracht krijgt dat arbeidsterrein te verlaten en naar een weg te gaan die "woest is" (Vers 26)! Wat een merkwaardige plaats om het evangelie te verkondigen! Hij gehoorzaamt echter zonder tegen te spreken.
En dan komt daar een wagen langs van een hoge Afrikaanse ambtenaar, een minister. Deze man heeft een lange reis ondernomen om te aanbidden in Jeruzalem. Maar hoe zou hij in deze stad, waar Gods Zoon verworpen was, ooit God hebben kunnen vinden? Desondanks brengt deze man vandaar een schat met zich mee, een schat die veel grotere waarde heeft dan alle schatten van zijn koningin (vers 27), namelijk een deel van de heilige Schrift. En God heeft hem bij het lezen geleid tot aan de kern van het Boek Jesaja, tot aan hoofdstuk 53. Op deze manier heeft de Heere alles voorbereid voor Zijn dienstknecht Filippus. En door hem leert deze man uit Ethiopië nu de Heere Jezus kennen. Daarop kan hij gedoopt worden en vervolgt hij even later zijn weg "met blijdschap" (vers 39). En we mogen gerust aannemen dat hij daarna in zijn eigen verre land een boodschapper van de genade is geworden.
Niet alleen zij die zich richten tot grote mensenmenigten, zijn evangelisten. Voor elke gelovige geldt dat hij of zij moet beginnen met gehoorzaam te zijn, vooral als je van werkkring of woonplaats gaat veranderen. Ook in de nieuwe omgeving zal de Heere gelegenheid geven dat je, op het juiste moment, iemand ontmoet die je over de Heere Jezus mag vertellen.
In hoofdstuk 8 vers 3 wordt een man genoemd die een verbitterde vijand van de christenen is: Saulus. Volgens zijn eigen woorden was hij destijds "een godslasteraar... een vervolger, en een verdrukker", kortom: "de voornaamste" van de zondaren (1 Timotheüs 1 vers 13 en 15). Door de macht van God wordt satan echter één van zijn beste werktuigen ontrukt, en wordt deze man aangesteld in Zijn dienst.
Saulus stelt zich er niet mee tevreden dat hij alleen in Jeruzalem de christenen onderdrukt. Zijn woede en fanatisme strekken zich ook uit tot andere steden waarin het werk van God zich heeft uitgebreid (vergelijk hoofdstuk 26 vers 11). Vandaar ook dat we hem hier nu tegenkomen op de weg naar Damaskus. Hij heeft een volmacht van de hogepriester in handen en heeft een onverzoenlijke haat in zijn hart, ten opzichte van de volgelingen van de Heere Jezus. Onderweg wordt hij echter plotseling, rond de middag, door een stralend licht verblind en op de grond geworpen. We kunnen ons indenken dat hij enorm geschrokken moet zijn, toen hij hoorde dat Degene Die hem vanuit de heerlijkheid in de hoge aansprak, deze Jezus was Die hij, in Zijn discipelen, vervolgde. De Heere Jezus identificeert Zich namelijk met Zijn geliefde verlosten; zij zijn een deel van Hemzelf.
Vervolgens wordt Saulus naar Damaskus gebracht en vindt er in zijn ziel een wonderlijk werk plaats. De Heere geeft een zekere Ananias de opdracht om deze pasbekeerde op te zoeken, hem de ogen te openen en te dopen.
Zodra Paulus bekeerd is, begint hij de Naam te verkondingen waartegen hij voordien zo hardnekkig gestreden had (vers 20). Er zijn echter nog een aantal jaren nodig om hem voor te bereiden op de dienst waartoe hij in vers 15 geroepen was.
Beste gelovige jonge vrienden, wacht niet totdat je veel kennis vergaard hebt, voordat je anderen van de Heere vertelt. Maar meen ook niet, dat het voldoende is dat je gered bent, en dat je daarna onmiddellijk een bepaalde dienst kunt doen. Paulus had eerst een tijd van stilte nodig in Arabië (Galaten 1 vers 17), en daarna een tijd van teruggetrokkenheid in Tarsen (Handelingen 9 vers 30 en hoofdstuk 11 vers 25), voordat hij werd uitgezonden om samen met Barnabas het evangelie aan de volken te brengen. Pas veertien jaar na zijn bekering gaven de andere apostelen hem "de rechterhand van de gemeenschap" (Galaten 2 vers 9) voor het werk onder de volken.
We lezen in dit Schriftgedeelte ook over vier prachtige kenmerken van de begintijd de Gemeente: vrede, opbouwing, een heilige vrees en ten slotte een toename in het aantal personen, dankzij het werk van de Goddelijke Trooster (vers 31). De Heilige Geest is altijd bij en in ons, opdat ook wij deze eigenschappen verwerkelijken.
Dit hoofdstuk eindigt met de genezing van Eneas en de opwekking van Dorkas, twee wonderen die Petrus mocht doen en die het middel waren waardoor er zielen tot de Heere geleid werden en waardoor de discipelen de troost van de Heilige Geest mochten genieten.
Dit hoofdstuk is voor ons die tot de volken behoren, uitermate belangrijk. We zien hier hoe Petrus inderdaad de deuren van "het Koninkrijk der hemelen" voor hen opent (Mattheüs 16 vers 19). Het is heel opvallend hoe zorgvuldig en met welke genade God aan de ene kant Zijn dienstknecht en aan de andere kant Cornelius voorbereidt op de ontmoeting die voor de hoofdman â en voor ons â zulke wonderbare gevolgen zou hebben. De openbaring van God vindt, zowel bij de één als bij de ander, plaats tijdens dezelfde, kostbare bezigheid: tijdens het gebed.
Uit de terughoudendheid van Petrus om te eten van de inhoud van het grote linnen laken dat uit de hemel neerdaalde, blijkt hoe diep de Joodse vooroordelen â zelfs bij de discipelen â geworteld zaten. En we zien ook dat de Israëliet zich verheven voelde boven iemand uit de volken, uit de heidenen. Door dit visioen wilde God Zijn dienstknecht leren om geen onderscheid meer te maken tussen een 'rein' volk en de onreine naties. Allen, zowel Jood als heiden, zijn verontreinigde zondaren en zijn "onder de ongehoorzaamheid besloten", om vervolgens het onderwerp van dezelfde barmhartigheid te worden (Romeinen 10 vers 12 en hoofdstuk 11 vers 30 - 32).
Moge God ons er daarom voor bewaren, dat wij 'de persoon aan zien' (vers 34), en de één minder geschikt achten om het evangelie te ontvangen dan de ander. Wij hebben niet te kiezen, maar alleen te gehoorzamen!
God gebruikt verschillende middelen om de mensen ertoe te brengen Hem te erkennen. De bekeringen van de Ethiopiër (hoofdstuk 8), van Saulus (hoofdstuk 9) en van Cornelius (hoofdstuk 10) lijken niet op elkaar. In deze drie mannen mogen we de nakomelingen van de drie zonen van Noach herkennen.
Cham: de Afrikaanse en Aziatische rassen.
Sem: Israël en bepaalde (midden-) Oosterse volken. Jafeth: de volken uit het Noorden en Westen.
En we lezen in vers 43 dat "een ieder die in Hem (de Heere Jezus) gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam" (zie ook Openbaring 5 vers 9).
Cornelius behoort tot hen die "verre zijn" en die nu op hun beurt ook de blijde boodschap van vrede door Jezus Christus mogen horen (vers 36; hoofdstuk 2 vers 39; Efeze 2 vers 17).
Het waren inderdaad heerlijke bezoekers die dit huis, dat vroeger heidens was, aandeden. Allereerst een engel (vers 3), dan Petrus en zes andere broeders (hoofdstuk 11 vers 12) als de overbrengers van de boodschap van het evangelie. En ten slotte, en dat is de belangrijkste, de Heilige Geest Zelf, Die deze pasbekeerden als een Zegel ontvingen (Efeze 1 vers 13 en 14), en waardoor hun geloof en hun positie als kinderen van God werd bevestigd. Door dit openlijke teken kon men niet anders dan in dit hele gebeuren de wil van de genade van God erkennen. En Petrus kan dit dan ook slechts door de christelijke doop bevestigen (vers 48).
Laten we nooit iets beoordelen naar uiterlijke schijn of omstandigheden die ons slechts ten dele bekend zijn. Het kan zijn dat een christen handelt in gehoorzaamheid aan de Heere, terwijl wij zijn gedrag misschien vreemd vinden. Zo was het ook bij Petrus, toen hij bij Cornelius binnenging en samen met hem at. Zij "die uit de besnijdenis waren" (vers 2), keken ook niet verder dan deze uiterlijke details, terwijl er in dit huis juist wonderbare dingen gebeurd waren, waarover de apostel hun nu vertelt! Het heil voor de volken was al in het Oude Testament aangekondigd (bijvoorbeeld Jesaja 49 vers 1; hoofdstuk 65 vers 1). Vanaf zijn eerste toespraak had Petrus hier zelf ook op gewezen (hoofdstuk 2 vers 21 en 39). Er waren echter duidelijke bewijzen nodig, om de vooroordelen van de broeders uit Jeruzalem weg te nemen. Die worden hun hier, aan de hand van de vertelling van Petrus, gegeven en door zes getuigen, die bij hem waren, bevestigd. Als ze horen hoe de apostel licht over deze zaak had ontvangen en naar Cornelius geleid werd, en vooral dat de Heilige Geest op deze heidenen gekomen was, erkennen ze dit als de wil van God en eren ze Hem.
Laten we ons verblijden over deze gunst, die zich uitgestrekt heeft tot ons! En laten we â als we het nog niet gedaan hebben â er haast mee maken en ook zelf deze "bekering ten leven" aannemen (vers 18).
De deur van de genade, die voor de Joden als volk van God door het doden van Stefanus gesloten werd, is nu opengegaan voor de volken. Een groot aantal Grieken "bekeerde zich tot de Heere" (vers 20 en 21). De Heere Jezus heeft deze vrucht van Zijn werk voorzien, toen er Grieken kwamen die Hem wilden zien (Johannes 12 vers 20 en verder).
In Antiochië ontstaat nu een bloeiende gemeente, waar Barnabas en Saulus een jaar lang een dienst mogen doen. En omdat de mensen het leven (de levenswijze) van deze gelovigen met eigen ogen zien, geven ze hun de naam van hun Heere: ze worden hier voor het eerst "Christenen" genoemd (vers 26).
Het is een eer, maar ook een verantwoording om de naam van Christus te mogen dragen. Hoeveel â of hoe weinig âvan de miljoenen belijders in de christenheid, die deze mooie naam 'christen' dragen, zijn het ook werkelijk?
De broederliefde onder de gelovigen in Antiochië komt naar voren in hun hulp "ten dienste van de broeders, die in Judéa woonden", die in nood zouden komen (vers 27 - 30).
Herodes Agrippa (hoofdstuk 12 vers 1) laat zien dat hij een waardige â maar dan in negatieve zin â opvolger is van zijn oom, Herodes Antipas (Lukas 13 vers 31 en 32; hoofdstuk 23 vers 11 en verder) en zijn grootvader, Herodes de Grote (Mattheüs 2). Gedreven door wreedheid en een verlangen om anderen te behagen (vergelijk vers 3 en Markus 6 vers 26), doodde hij "Jakobus, de broeder van Johannes, met het zwaard" (vers 2) en laat hij Petrus in de gevangenis gooien (vers 3 en 5).
Noch de kettingen, noch de zestien soldaten, noch de moordlustige bedoelingen van Herodes kunnen Petrus ervan weerhouden om in de gevangenis rustig te slapen. En er bestaat ook niets wat de Heere zou kunnen verhinderen om Zijn geliefde dienstknecht te bevrijden (Psalm 121 vers 5). Petrus wordt wakker gemaakt door een engel, die ook verder voor hem zorgt en hem uit de gevangenis leidt (vers 7 -10).
O, wat gaat alles gemakkelijk als God handelt! Hij kende de criminele "verwachting van het volk der Joden" (vers 11), maar had ook het voortdurende, "gedurig gebed" van de gemeente voor Petrus gehoord (vers 5) en dat was sterker.
Als de verhoring van dat gebed in de persoon van de apostel verschijnt, dan ontbreekt het geloof om die verhoring op te merken. Hoe vaak bidden wij met onze lippen, zonder werkelijk de inhoud van onze smekingen te verwachten! Vaak twijfelen we nog â hoewel het antwoord al voor de deur staat!
Herodes houdt zich doof voor alle Goddelijke waarschuwingen. Maar hij leent wel gewillig het oor aan de vleierijen van Tyriërs en Sidoniërs, die om politieke redenen de vriendschap van deze moordenaar zoeken. Plotseling wordt hij echter, voor het oog van allen, door een engel van de Heere geslagen en sterft hij een vreselijke dood. Het Woord van Degene Die hij in zijn dwaasheid had aangevallen, breidt zich daarentegen steeds verder uit (vers 24).
Hier begint een nieuw gedeelte in het Boek Handelingen. De gemeente van Antiochië vormt het uitgangspunt van het werk dat onder de volken zou gebeuren. Barnabas en Saulus worden geroepen, door de Heilige Geest afgezonderd, en gaan op reis, begeleid door de gebeden van de gemeente. Hun eerste reisdoel is Cyprus, de plaats waar Barnabas vandaan kwam (hoofdstuk 4 vers 36). In Pafos aangekomen, worden de apostelen bij de stadhouder Sergius Paulus, de hoogste Romeinse regeringsambtenaar van het eiland, ontboden. Deze "verstandige man" kende de God van de Joden en wilde graag iets uit Zijn Woord horen (vers 7). Hij had echter een onrustig persoon tot raadsman: Elymas, een Joodse tovenaar (wiens bezigheid in de ogen van God een gruwel was; zie Deuteronomium 18 vers 9 en 10). Deze man maakte misbruik van de geestelijke behoeften van Sergius Paulus en oefende daarmee een onheilzame invloed op hem uit. De vijandschap van deze man bewerkte juist datgene wat hij probeerde te voorkomen. Door zijn houding is Paulus (hier voor het eerst zo genoemd) in staat om de stadhouder, in de bestraffing van de valse profeet, een bewijs te geven van de macht van de Heere.
Elymas is een beeld van het Joodse volk, dat vanwege haar tegenstand tegenover de Geest van God "voor een tijd" (vers 11) blind werd, hetgeen echter tot nut voor de volken is.
De apostelen vervolgen hun reis en komen in Pamfylië. Johannes (die ook wel Markus genoemd werd; hoofdstuk 12 vers 12) verlaat hen hier en keert terug naar Jeruzalem. Zijn geloof kwam niet overeen met de dienst die hij op zich genomen had, en was ook niet tegen de moeilijkheden opgewassen die hij op zich af zag komen. Het is niet voldoende om een dienstknecht van God te begeleiden of na te doen. Ook in een gemeenschappelijk werk is ieder persoonlijk verantwoording verschuldigd aan de Heere en kun je alleen in persoonlijk geloof vooruitgang boeken.
In de synagoge van Antiochië, "een stad in Pisidië" (vers 14), richt Paulus zich tot de Joden en herinnert hen, net als destijds Stefanus gedaan had, aan de geschiedenis van Israël. Hij laat hun zien hoe God de beloften die David gegeven waren, in de Heere Jezus vervuld heeft (Psalm 132 vers 11). Was deze koning immers zelf niet een kostbaar voorbeeld geweest van de Verlosser, Die van hem afstamde (vers 23)? In tegenstelling tot Saul, de koning naar het vlees, had God Zich in David immers een man verkozen 'naar Zijn hart', die Zijn wil zou doen (vers 22).
Uit alles bleek klaar en duidelijk dat de Heere Jezus de Messias was. Dit werd bewezen uit: het getuigenis van Johannes volgens de Profeten; de vervulling van de Schriften in de dood van de Heere Jezus, hoewel in Hem geen enkel oorzaak tot de dood gevonden werd (vers 28; Jesaja 53 vers 9), en bovenal door Zijn opstanding (vers 30).
"En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof", schrijft de apostel aan de Korinthiërs (1 Korinthe 15 vers 14). Verbaast het ons dan nog, dat er hier in Handelingen zoveel nadruk gelegd wordt op de opstanding van de Heere Jezus?
Hierdoor werd de Joden duidelijk getoond dat Hij werkelijk de beloofde Messias was, over Wie Psalm 16 en andere Schriftplaatsen spraken (vers 34 en 35).
Voor de volken was Zijn opstanding een bewijs van de macht van God en van het toekomstig oordeel (hoofdstuk 17 vers 31).
Voor ons als gelovigen vormt de aanwezigheid van onze levende Verlosser in de heerlijkheid de garantie dat God Zijn werk tot onze rechtvaardigmaking heeft aangenomen (Romeinen 4 vers 25), dat ons deel hemels is (Kolosse 3 vers 1 en 2) en onze hoop "zeker en vast is" (Hebreeën 6 vers 18 -20).
Maar "de belofte, die tot de vaderen geschied is" (vers 32), deze goede boodschap, stoot bij de ongelukkige Joden op verzet en heeft lastering tot gevolg (vers 45). Daarop wenden de apostelen zich, op bevel van de Heere, tot de volken (vers 46), door te bevestigen dat elke gelovige "vergeving der zonden" ontvangt (vers 38 en 39).
Deze Joden achtten zichzelf het eeuwige leven niet waardig (vers 46). Dat was ongeloof, en zeer zeker geen nederigheid! De "oudste zoon" in de gelijkenis die de Heere Jezus vertelde, is een beeld van deze mensen (Lukas 15 vers 25 en verder). Door zijn egoïsme en eigengerechtigheid heeft hij zichzelf opzettelijk de vreugde van het vaderlijk huis ontzegd.
In Ikonium heeft het Woord dezelfde tweevoudige uitwerking als al eerder gebeurd was: geloof bij een grote menigte en tegenstand bij de overigen.
De apostelen spreken met vrijmoedigheid. Wat is het geheim van deze moed? Zij steunen op de Heere, Die meewerkt door hun woorden met tekenen en wonderen te bevestigen (vergelijk vers 3 en Markus 16 vers 20).
De genezing van de verlamde man in Lystre, nadat de apostelen uit Ikonium verdreven waren, maakt grote indruk op de arme heidenen. Ze willen de apostelen daarom als goden aanbidden, terwijl men hen gisteren in een andere plaats wilde stenigen! In de ogen van de apostelen was wat men nu van plan was om te doen echter veel erger. Met verontwaardiging roepen zij deze afgodendienaren dan ook op, zich tot de levende God te bekeren (vergelijk hoofdstuk 12 vers 22 en 23).
De gevoelens van de menigte wisselen echter heel snel. Voor de Joden die uit Ikonium gekomen waren, is het vrij eenvoudig om de menigte achter zich te krijgen en om Paulus, met toestemming van allen, te stenigen. De Heere bewaart echter Zijn trouwe dienstknecht, zodat hij door dit gebeuren niet angstig of ontmoedigd wordt. Rustig gaat hij daarna verder met zijn dienst, en bezoekt opnieuw de steden waarin hij al eerder het evangelie had verkondigd.
Dan is de eerste zendingsreis afgelopen. De apostelen brengen onmiddellijk verslag uit in de gemeente en vertellen alle heerlijke dingen die God met hen gedaan heeft.
De gelovigen van de gemeente in Jeruzalem en Judea waren van Joodse afkomst. Ze waren ontzettend blij, toen ze hoorden over de bekering van personen uit de volken. Sommigen meenden echter dat men, voordat men christen kon worden, eerst tot het Jodendom overgegaan moest zijn. Men zou deze personen, volgens hen, dus moeten besnijden en hun erop moeten wijzen dat ze de wet te houden hadden.
Paulus en Barnabas onderkennen direct het grote gevaar van zulke overleggingen. En vanwege dezelfde dingen zou de apostel er later toe gedwongen zijn om een ernstige Brief aan de Galaten te sturen. Terugkeren onder de slavernij van de wet, zegt hij in die Brief, is niets anders dan "van de genade vervallen" (Galaten 5 vers 1- 6).
Door deze aangelegenheid bestond het gevaar dat er een scheiding ontstond tussen de gelovigen in Jeruzalem en Antiochië. God leidt alles zo, dat er in Jeruzalem over gesproken wordt en de eenheid in de gemeente bewaard blijft. Petrus en Jakobus nemen het woord en bevestigen dat zowel zij uit de volken als zij uit de Joden op dezelfde wijze gered zijn, namelijk door de genade van de Heere Jezus (vers 11). En men moet ervoor oppassen de pasbekeerden te willen onderwerpen aan en te verontrusten door wat in Galaten 4 vers 9 de "zwakke en arme eerste beginselen" genoemd wordt (vers 19).
Toch bestaan er bepaalde aanwijzingen die God staande houdt, omdat die ouder zijn dan het volk Israël. Deze dingen gelden voor alle tijden en voor al Zijn schepselen. Daarbij gaat de onthouding van bloed terug tot op de zondvloed (Genesis 9 vers 4) en het respecteren van het huwelijk tot op de schepping (Mattheüs 19 vers 4 - 8).
De apostelen en de oudsten die in Jeruzalem samengekomen waren, hebben zich zorgvuldig beziggehouden met de vraag die aan hen werd voorgelegd. Door de werking van de Heilige Geest (vers 28) is de gehele gemeente het vervolgens eens met de conclusie van Jakobus (vers 22 - 25). En de brief die Judas en Silas gaan bezorgen, versterkt en vertroost de verontruste broeders van Antiochië (vers 24). Tegelijkertijd draagt het bezoek van deze beide dienstknechten van God veel bij tot opbouwing van de gemeente (vers 32).
De pogingen van de vijand om onvrede te stichten en tweedracht te zaaien, hebben hiermee juist het tegenovergestelde bewerkt. Het geloof van de volgelingen van de Heere is versterkt en de band van de gemeenschap onder de gemeenten is inniger geworden. Ook deze keer heeft de boze zich in zijn werk vergist.
Nadat elke moeilijkheid is opgeruimd, kan het werk van de Heere weer opgepakt worden. De zorg om de gemeenten die tijdens de eerste reis ontstaan zijn, is een reden dat Paulus een tweede reis onderneemt. Hij wil zien hoe het in geestelijk opzicht met de broeders gaat (vergelijk 2 Korinthe 1 vers 28). Deze keer wordt hij echter niet vergezeld door Barnabas. De reden daarvoor is onenigheid over zijn neef Markus. Later wint deze het vertrouwen van de apostel echter weer terug en is hij hem "zeer nut tot de dienst" (Kolosse 4 vers 10 ; 2 Timotheüs 4 vers 11).
Paulus bevindt zich weer in Lystre en Derbe waar op zijn eerste reis gemeenten ontstaan zijn. Hier leren we de jonge Timotheüs kennen. Zijn naam betekent: 'door God geëerd'. Hij was door zijn Godvrezende moeder en z'n grootmoeder opgevoed met het onderwijs in de heilige Schriften (2 Timotheüs 1 vers 5 en hoofdstuk 3 vers 15). Dat was een hele goede voorbereiding op de dienst die hij voortaan samen met de apostel Paulus zou vervullen. Daarover schrijft Paulus later: "dat hij, als een kind zijn vader, met mij gediend heeft in het Evangelie" (Filippi 2 vers 22).
Het woordje "wij", dat in vers 10 gebruikt wordt, laat ons zien dat Lukas, de schrijver van dit Bijbelboek, vanaf dat moment ook bij hen was.
Op een landkaart kunnen we zien dat zij eerst naar links in de provincie Azië (het gebied van Efeze) wilden gaan, toen naar rechts, naar Bithynië. Maar de apostel en zijn begeleiders werden door de Geest opgeroepen om linea recta naar Macedonië, aan de overkant van de Egeïsche Zee, te reizen.
De gehoorzame dienstknecht moet er altijd voor oppassen dat hij gesloten deuren met geweld wil openen; hij moet wachten op de aanwijzingen van Boven.
Filippi is dus de eerste stad van Europa waar het evangelie gehoord wordt. En daarbij wordt de bekering van Lydia als eerste genoemd. De Heere had haar hart ontsloten, opdat zij acht sloeg op de boodschap.
Laten we Hem toch vragen om ook onze harten te openen en dat Hij ons, elke keer als we Zijn Woord horen, voor afdwalen wil bewaren!
De genezing van het bezeten meisje heeft voor de beide dienstknechten van God marteling en gevangenisstraf tot gevolg. Nu hadden ze kunnen denken: wat een merkwaardig ontvangst in Macedonië is dit, terwijl wij toch te hulp geroepen zijn (vers 9)! Maar Paulus brengt nu eerst zelf datgene in praktijk wat hij later tegen de christenen in deze stad zegt: "Verblijdt u in de Heere te allen tijd" (Filippi 4 vers 4). Ondanks hun verwondingen zijn Paulus en Silas in staat om in de gevangenis te zingen! Die griezelige en vieze muren hadden waarschijnlijk nooit eerder iets dergelijks weerkaatst. En wat waren deze lofliederen een geweldig getuigenis voor allen die het hoorden! Hoe moeilijker de omstandigheden zijn, hoe meer onze vrede en blijdschap zal spreken tot de harten van hen die ons kennen. Dat is ook vaak de reden waarom de Heere ons beproevingen stuurt.
Aan dit trouwe getuigenis voegt God het Zijne toe, door de gevangenen te bevrijden. De gevangenbewaarder roept het bevend uit: "Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde?" En het wonderbare en tegelijkertijd zo eenvoudige antwoord richt zich ook vandaag nog tot elke verontruste ziel: "Geloof in de Heere Jezus Christus" (vers 30 en 31). En dan komt er vreugde in dit huis.
Na deze gedenkwaardige nacht worden de apostelen officieel vrijgelaten. Maar ze verlaten de stad niet voordat zij eerst nog "de broeders" vertroost en vermaand hebben (vers 40).
Vanuit Filippi gaan Paulus en zijn metgezellen naar een andere stad in Macedonië: Thessalonika. Enkele Joden en talrijke Grieken - waaronder voorname vrouwen - nemen daar het Woord aan dat hun verkondigd wordt (1 Thessalonika 1 vers 5). De meeste Joden echter stoken, gedreven door satan, het volk op tegen deze evangelisten. Zonder aarzeling maakt men daarbij gebruik van "boze mannen uit de marktboeven", hoewel ze die zelf verachten (vers 5). En tegenover de oversten van de stad wordt dezelfde reden aangevoerd als destijds bij Pilatus: "Wij hebben geen koning, dan de keizer" (vers 7; Johannes 19 vers 15).
Het verblijf van Paulus in Thessalonika was dus kort en heeft maar ongeveer drie weken geduurd. God heeft dit alles echter zo geleid ten gunste van ons. Nu zag de apostel zich er namelijk toe gedwongen om zijn onderwijs aan te vullen met twee Brieven, die ook voor ons allen rijke lessen bevatten!
In Berea zijn de Joden edeler en oprechter. In plaats van zich door jaloersheid te laten verblinden (vers 5), willen zij juist hun geloof bevestigen, door dagelijks de Schriften te onderzoeken, waaraan zij het hoogste gezag verleenden (vers 11; vergelijk Johannes 5 vers 39).
Iedereen die dit leest, willen we graag oproepen om dit voorbeeld na te volgen. Dat kun je doen door bijvoorbeeld de Schriftplaatsen die hier aangehaald worden, zelf op te zoeken en te lezen, want dat is ook het doel van deze korte overdenkingen.
`Ja, dat rijke Woord van boven toont, ontvouwt Zijn heerlijkheid, waar de ziel - die wil geloven - tot Zijn schat wordt ingeleid.'
Terwijl Paulus alleen in Athene is, wordt hij geconfronteerd met allerlei bouwwerken en sculpturen in deze stad. Zijn geest wordt geprikkeld, wordt "in hem ontstoken" (vers 16) en hij is erover ontsteld als hij ziet dat deze stad, die bekend staat om zijn cultuur, zo vol is van afgodsbeelden en dat er een afschuwelijke afgodendienst bedreven wordt. Op het marktplein ontmoet hij filosofen van allerlei richtingen, mannen die wereldberoemd zijn om hun wijsheid.
De mens heeft verstand gekregen opdat hij de eeuwige kracht en Goddelijkheid van zijn Schepper zou kunnen erkennen (Romeinen 1 vers 20). Uit de onwetendheid van deze beroemde figuren blijkt eens te meer dat "de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid" (1 Korinthe 1 vers 21). Hij is voor deze mensen een "onbekende God" (vers 23). Paulus begint bij het begin en spreekt tot hen over de "Heere des hemels en der aarde" (vers 24), Die Zich niet alleen in de schepping, maar ook in de verlossing geopenbaard heeft. Deze almachtige God "verkondigt nu alle mensen alom, dat zij zich bekeren" (vers 30). Niemand â ook jij niet â kan dus ooit beweren dat dit Goddelijke bevel niet voor hem geldt.
Intellectuele nieuwsgierigheid heeft niets te maken met de ware behoefte van de ziel. Enkele toehoorders van Paulus tonen openlijk hun spot; anderen menen later altijd nog wel een keer een besluit te kunnen nemen (dat ze in feite op datzelfde moment al genomen hebben!). Toch zijn er ook mensen die geloven! Deze drievoudige uitwerking kom je vandaag de dag ook steeds weer tegen, wanneer het evangelie verkondigd wordt.
In Korinthe maakt Paulus kennis met een Joods echtpaar: Aquila en Priscilla. Nadat zij Christus hebben leren kennen, zetten zij â in een niet nader omschreven situatie âhun leven voor de apostel op het spel (Romeinen 16 vers 4). Daarom voelde Paulus zich in het bijzonder met hen verbonden.
De stad Korinthe stond bekend om haar zedelijke verval en haar luxe. De apostel en zijn vrienden willen niet van deze rijkdom afhankelijk zijn, en laten dat zien door met hun eigen handen te werken (1 Korinthe 9 vers 15 en 18; 2 Korinthe 11 vers 8 en 9).
Met het oog op de weerstand onder de Joden schudt Paulus de verantwoording voor hen van zich af en vertelt hun dat hij zich voortaan tot de volken zal richten (vers 6). Maar uit de woorden van Romeinen 9 vers 2 - 5 merken we hoeveel verdriet en pijn het hem deed, hun dit te moeten zeggen.
Daarom bemoedigt de Heere Zijn geliefde dienstknecht. Hij openbaart hem dat, ook al voldoet Zijn aardse volk niet aan Zijn verwachtingen, Hij "veel volk in deze stad" heeft dat voor de hemel bestemd is (vers 10). Ja, het is een welbehagen voor God om uit deze bandeloze stad een groot aantal gelovigen te vergaderen. De beide Brieven aan deze gemeente bevestigen dat. Deze stad waarin men uiterlijk gezien nergens gebrek aan had, laat ons zien dat rijkdom en vermaak de ware behoeften van het menselijke hart niet kunnen bevredigen.
Paulus wordt niet gehinderd door de aanslagen van de Joden en de aanklachten die ze bij Gallio tegen hem inbrengen, bij de verdere uitoefening van zijn werk in Korinthe. De Heere heeft immers beloofd hem te zullen beschermen (vers 10).
Vervolgens gaat hij weer op pad en reist door Efeze, waar hij Aquila en Priscilla achterlaat en gaat dan door Caesarea richting Jeruzalem. En ten slotte beëindigt hij zijn tweede zendingsreis in Antiochië. (Als je een Bijbelse landkaart hebt, dan kun je deze route op die kaart volgen.)
Met vers 23 begint vervolgens de derde zendingsreis van deze onvermoeibare apostel. Hij reist opnieuw door Frygië en Galatië (zie hoofdstuk 16 vers 6), waar gemeenten ontstaan zijn waarover hij zich zorgen maakt (Galaten 1 vers 2 en hoofdstuk 4 vers 11).
Intussen is er een andere dienstknecht van God aangekomen in Efeze. Dat is Apollos, die opvalt door de welbespraaktheid en de kracht waarmee hij het Woord verkondigt. Dat zijn de gevolgen van zijn ijver (vers 25), "want uit de overvloed des harten spreekt de mond" (Mattheüs 12 vers 34 en 35). Bovendien onderwijst hij zorgvuldig en met vrijmoedigheid "de zaken van de Heere" (vers 25). Deze gaven zijn voor Apollos echter geen verhindering om zich ootmoedig de waarheden die hij nog niet kende, door Aquila en Priscilla uit te laten leggen. Hij is bereid om te luisteren en daardoor is zijn dienst in Achaje, waar hij nadien naartoe gaat, van nog meer nut.
Getrouw aan zijn belofte (hoofdstuk 18 vers 21), gaat de apostel naar Efeze, de hoofdstad van de provincie Azië. Hij blijft drie jaar (hoofdstuk 20 vers 31) in deze plaats, waar Apollos eerder geweest was, terwijl die naar Korinthe is gegaan en daar 'begiet' waar Paulus heeft "geplant" (hoofdstuk 18 vers 27 en 28; 1 Korinthe 3 vers 6). We zien dus dat er bij deze dienstknechten van God geen enkele afgunst onder elkaar is, en evenmin dat men aanspraak maakt op een bepaald werkterrein.
De Efeziërs kenden tot nu toe alleen de doop van Johannes, door wie de berouwvolle Joden voorbereid werden op de komst van de Messias, Die op aarde zou heersen. De christen heeft daarentegen een hemelse positie. Door de Heilige Geest is hij met een gestorven en opgestane Christus in verbinding gebracht. De Brief aan de Efeziërs wordt in het bijzonder door deze waarheid gekenmerkt!
"Alzo nam het Woord van de Heere toe met macht" (vers 20), en dat niet alleen door de wonderen die de apostelen deden, maar ook doordat het Woord gezag had in de harten. Het Woord bracht de gelovigen ertoe hun daden te belijden en zich openlijk aan de toverkunsten te onttrekken. Toen ze vervuld waren met de "eerste liefde" (Openbaring 2 vers 4), wilden deze Efeziërs niets meer te maken hebben "met de onvruchtbare werken der duisternis" (Efeze 5 vers 11).
Beste vrienden, blijkt de kracht van het Woord van de Heere ook uit de vruchten die in ons leven zichtbaar worden?
Er stond een geweldig grote tempel in Efeze, die aan de godin Diana (Artemis) gewijd was. (De vroegere tempel werd gerekend tot de zeven wonderen van de oude wereld.) De kunstenaars verdienden kapitalen aan het grote aantal mensen dat deze tempel bezocht. Zij verkochten namelijk miniatuur tempeltjes als aandenken, die zij van zilver maakten. En men begreep heel goed dat de prediking van het evangelie hun bloeiende handel negatief zou beïnvloeden. Daarom verenigden zij zich om zodoende beter voor hun eigen belangen op te kunnen komen. En men diende een aanklacht in, waarvoor men heel huichelachtig een godsdienstige reden aanhaalde (vergelijk Openbaring 18 vers 11).
Is het vandaag de dag echter anders? Worden ook nu veel mensen niet vanwege materiële belangen, die van invloed zijn op hun "welvaart" (vers 25), of door de mening van anderen ervan weerhouden om met ijver en oprechtheid naar de waarheid te zoeken?
Er ontstaat een geweldig tumult, en dat alles ten bate van hun godin â waaruit blijkt dat deze godin niet in staat was om voor haar eigen 'grootheid' op te komen (vergelijk 1 Koningen 18 vers 26 - 29).
De mensen van nu menen veel meer ontwikkeld te zijn dan vroeger. Toch vereert men ook nu nog afgoden â al zijn het andere dan toen â want het hart van de mens is absoluut niet anders dan vroeger! Het maakt niet uit of het bij de huidige idolen nu gaat om sportmannen, acteurs of zangers â de massa van vandaag loopt deze personen achterna, die de "god van deze eeuw" (2 Korinthe 4 vers 4) hun aanbiedt, en die door de mensen aanbeden worden. Hij, de satan, is namelijk een groot kunstenaar in het misleiden van zielen.
Door de vijandige houding van de Efeziërs werd Paulus ertoe genoodzaakt die stad te verlaten (vergelijk Mattheüs 10 vers 23). Hij reist via Macedonië naar Griekenland, keert vervolgens op dezelfde weg weer terug en zeilt dan naar Troas. Het bericht in de verzen 7 - 12 bevestigt dat het avondmaal op de eerste dag van de week gevierd werd, net zoals wij dat nu nog steeds mogen doen.
Dat Eutychus in slaap valt tijdens de toespraak van Paulus vinden we misschien vreemd. Misschien zouden we, als we erbij geweest waren, hem er iets van gezegd hebben of ons eraan geërgerd hebben. Maar deze dienstknecht van de Heere spreekt vandaag, door middel van zijn Brieven, ook nog tot ons. En hoe is het dan bij ons? Letten wij altijd even goed op, als hij ons iets te 'vertellen' heeft? In beeld laat dit vreselijke ongeluk ons zien waartoe onverschilligheid ten opzichte van het Woord kan leiden, namelijk tot een val en een toestand van de dood. Maar de genade van God bewerkt hier een troostrijk wonder! Deze gebeurtenis herinnert ons echter ook aan de geschiedenis van de verantwoordelijke christenheid. Als geheel gezien, is de christenheid in slaap gevallen, is er verval en is in zekere zin de dood ingetreden. En dat alles als gevolg van een gebrek aan opmerkzaamheid ten opzichte van het onderwijs van de apostel. Toch heeft de Heere bij sommigen (bij u, bij jou?) een opwekking bewerkt, verbonden met voeding en troost voor de Zijnen, zodat zij uitzien naar het moment waarop de grote dag aanbreekt en zij deze aarde zullen verlaten.
Paulus maakt de reis van Troas naar Assus te voet (vers 13; is het voor ons ook een weldaad om alleen met de Heere te wandelen?). In Assus ontmoet hij zijn metgezellen weer, en vandaar zeilen zij samen richting Jeruzalem.
In Miléte laat Paulus de oudsten van Efeze bij zich roepen om hen te vermanen en afscheid van hen te nemen. Hij herinnert hen aan de dienst die hij onder hen mocht doen, en het voorbeeld dat hij hun probeerde te geven. Hij waarschuwt hen voor de gevaren die de Gemeente van buitenaf (vers 29) en van binnenuit (vers 30) bedreigen. Hoe zouden zij zich daartegen moeten opstellen? Hij roept hen op tot waakzaamheid (vers 31) en beveelt hen bovenal aan in de genade van God (vers 32).
Wat hemzelf betreft, stond de apostel slechts één ding voor ogen: zowel zijn "loop" (dat wat hem persoonlijk betrof; vergelijk 2 Timotheüs 4 vers 7) als "de dienst" (die hij van de Heere ontvangen had) in getrouwheid te volbrengen (vers 24). Zijn leven had geen ander doel, geen andere zin; en hij is bereid zijn leven voor de Gemeente, waarvoor hij al zoveel tranen vergoten heeft, op te offeren (vers 19 en 31; Kolosse 1 vers 24).
Maar wat was dat vergeleken bij de onnoemelijk grote waarde die de Gemeente voor God heeft? Alles heeft Hij voor haar over gehad, zelfs het bloed van Zijn eigen Zoon (vers 28; 1 Petrus 1 vers 19). En deze onmetelijk hoge prijs vormt voor de apostel de reden voor zijn overgave en herinnert de oudsten van Efeze eraan hun verantwoording op zich te nemen.
Tot slot brengt Paulus hun nog een paar kostbare woorden van de Heere Jezus in herinnering: "Het is zaliger te geven, dan te ontvangen" (vers 35). O, dat wij dat zelf ook mogen ervaren, door Hem na te volgen, Die alles voor ons gegeven heeft.
Dat de broeders liefde voor elkaar hebben, blijkt steeds weer tijdens deze reis (vers 1, 6, 12 en verder). Zowel in Tyrus als in Miléte neemt Paulus afscheid van de broeders nadat hij eerst samen men hen aan de oever gebeden heeft (vers 5; hoofdstuk 20 vers 36 en 37). De Heilige Geest legt er de nadruk op, dat bij deze gelegenheid ook kinderen aanwezig waren. Zij zouden altijd in de samenkomsten aanwezig moeten zijn!
In Caesarea aangekomen, bezocht men Filippus, die in die plaats was gaan wonen, nadat hij, komende van Azote (Asdod), in alle steden gepredikt had (ongetwijfeld ook in Lydda en Joppe; hoofdstuk 8 vers 40; hoofdstuk 9 vers 32 en 36). De dochters van Filippus mochten ook een mooie dienst voor de Heere doen (vers 9), die zij echter niet tijdens de gemeentelijke samenkomsten uitoefenden (1 Korinthe 14 vers 3 en 34).
Paulus wordt op zijn reis in feite steeds gedreven door de onveranderlijke liefde tot zijn volk. Hij had gaven van de gemeenten in Macedonië en Achaje ontvangen en was blij die persoonlijk naar Jeruzalem te kunnen brengen (Romeinen 15 vers 25 en verder). Daarom laat hij zich niet door de waarschuwingen van de Heilige Geest (vers 4), noch door de vermaningen van de profeet Agabus (vers 11; zie hoofdstuk 11 vers 28), noch door de smekingen van de broeders (vers 12) van dit voornemen afbrengen.
Het komt ons niet toe, hierover te oordelen. Dit bericht is ons echter wel tot lering gegeven, dat zelfs een apostel de weg van afhankelijkheid kan verlaten, wanneer hij slechts zijn eigen gevoelens navolgt, ook al zijn die nog zo goed. Dat is een ernstige les voor ons allemaal!
De apostel had zich voorgenomen om via Jeruzalem van Griekenland naar Rome te reizen (hoofdstuk 19 vers 21). Ondanks deze omweg, met al zijn moeiten, gebeurde de wil van de Heere (vers 14). Een zelfgekozen weg is nooit eenvoudig; je moet erop rekenen dat je daarop allerlei moeilijkheden zult tegenkomen! Paulus wordt door de oudsten van Jeruzalem opgeroepen om de Joodse wet na te komen, en zodoende de Joodse gelovigen gerust te stellen. Hierdoor werd hij ertoe verleid om tegen zijn eigen onderwijs in te handelen. Wat een pijnlijke situatie voor hem! Hieruit blijkt des te meer, dat de christenen in Jeruzalem nog steeds vasthielden aan hun Joodse godsdienst. Zij konden daar niet los van komen. Zij probeerden nieuwe wijn in oude zakken te doen (Mattheüs 9 vers 17). Tegen deze Israëlieten, deze "ijveraars van de wet" (vers 21), spreekt Jakobus, die in vers 18 aangehaald wordt, over "de volmaakte wet der vrijheid" en "de zuivere en onbevlekte godsdienst" (Jakobus 1 vers 25 - 27; hoofdstuk 2 vers 12). Deze godsdienst bestaat niet uit een reiniging van het lichaam (vergelijk vers 24), maar uit het opzoeken van hen die het moeilijk hebben en ook het "zichzelf onbesmet bewaren van de wereld".
Paulus is hier als het ware in een net verstrikt geraakt. Hij bezoekt de tempel en onderwerpt zich aan een ceremoniële cultus, om het zijn broeders naar de zin te maken. Dat is echter tevergeefs, want de Joden zien dit juist als een uitdaging en proberen hem daarom te doden, door de hele stad in opschudding te brengen (vers 30).
Paulus wordt door tussenkomst van de overste, de commandant van het Romeinse garnizoen, aan de macht van het volk onttrokken. Deze overste had hem in eerste instantie verward met een beruchte bandiet. Toen hij hem echter in het Grieks hoorde spreken, kwam hij tot bedaren en gaf hij Paulus zelfs toestemming om tot het volk te spreken. Nadat het rustig is geworden, vertelt Paulus over zijn verleden, waarin hij zich inderdaad ontzettend schuldig heeft gemaakt, maar dan juist in tegenstelling tot dat wat de Joden meenden. Begiftigd met buitengewone talenten en voorrechten, "een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër" (Filippi 3 vers 5), stond hij bekend als een godsdienstig en onberispelijk persoon. Zijn godsdienstige ijver had hem, ondanks de waarschuwingen van Gamaliël, er echter toe gedreven "tegen God te strijden" (vers 3; hoofdstuk 5 vers 39). En datzelfde deden de aanvoerders van deze volksmenigte hier ook. "Ik ben Jezus, de Nazaréner, Die gij vervolgt" (vers 8), was het vreselijke antwoord dat hij vanuit de hemel te horen kreeg. Door de zwakke christenen aan te vallen en tot de dood toe te vervolgen, streed hij in feite tegen de Zoon van God. In plaats van hem echter voor zijn roekeloze vermetelheid te straffen, opende de Heere hem, toen Hij hem het licht in de ogen weer teruggaf, ook de ogen van zijn hart (Efeze 1 vers 18). En de Heere maakte van deze man, die door God afgezonderd was vanaf zijn geboorte, een trouw werktuig voor Hem (Galaten 1 vers 15).
"En nu, wat vertoeft (aarzelt) gij?", had Ananias de pasbekeerde gevraagd (vers 16). Beste vriend, als de Heere jou ook op je dwaalweg is tegengekomen en je Hem hebt leren kennen als je Verlosser, waarom aarzel je dan nog om met vrijmoedigheid je plaats in te nemen onder Zijn volgelingen?
Drie jaar na zijn belevenis op de weg naar Damaskus heeft Paulus in Jeruzalem het voorrecht "de Rechtvaardige te zien" (vers 14) en opdrachten uit Zijn mond te ontvangen (vers 17 en verder). Hij wilde zelf graag onder de Joden werken, omdat hij meende dat zijn getuigenis juist onder hen meer kracht zou hebben, omdat men hem immers kende als iemand die voordien een verbitterde vijand van de waarheid was (vers 19 en 20). Hij was echter afgezonderd voor een dienst onder de volken (Galaten 1 vers 15 en 16). Laten we het maar aan de Heere overlaten om een arbeidsterrein voor ons uit te kiezen!
Vers 18 blijft waar. Nog steeds nemen de Joden het getuigenis van de apostel niet aan. De overste wordt er opnieuw toe gedwongen hem voor hun woede in bescherming te nemen. Op het moment dat hij gemarteld zou worden, beroept Paulus zich op zijn recht als Romeins burger. Later leert hij de dingen die eerder in zijn ogen winst voor hem waren, juist als schadelijk te achten (hoofdstuk 23 vers 6; Filippi 3 vers 7).
Het hemels burgerrecht bezit niemand door geboorte. Het
kan ook niet met geld gekocht worden (vers 28). De enigen
die het bezitten, zijn zij die opnieuw geboren zijn (Johannes
3 vers 3; Filippi 3 vers 20).
De overste kan niets ontdekken waarover men Paulus een verwijt zou kunnen maken. Hij snapt nog niet waarom de Joden zo ontzettend kwaad op deze man zijn. Om daarover wat beter geïnformeerd te zijn, laat hij de gevangene voor de Raad brengen. Met goed gekozen woorden (maar waren ze ook uitgesproken onder de leiding van de Heilige Geest?) krijgt Paulus de Farizeeën aan zijn kant. De opstanding van Jezus Christus vormde zeer zeker de basis van zijn onderwijs en was indirect de aanleiding tot de tegenstand van de Joden. Paulus heeft echter geen gelegenheid om de Naam van zijn Verlosser uit te spreken; hij heeft het grote meningsverschil tussen de traditionele vijanden, tussen de Farizeeën en de Sadduceeën, aangegrepen, waardoor het grote tumult in de Raad is ontstaan. En weer moet de overste Paulus in veiligheid brengen.
Na al deze gebeurtenissen heeft de apostel, die alleen en ontmoedigd is, versterking nodig. En de Heere Zelf staat Zijn dienstknecht bij (vers 11). Zonder één enkel verwijt âintegendeel, de Heere waardeert het getuigenis juist dat Paulus zojuist in Jeruzalem heeft afgelegd â vertroost Hij hem en herinnert hem aan zijn opdracht: het heil niet aan de Joden, maar aan de volken te verkondigen. Met dat doel zal hij naar Rome gaan.
O, dat wij toch ook altijd zullen mogen ervaren dat de Heere bij ons is en wij ons nergens zorgen over hoeven te maken (Filippi 4 vers 5 en 6; 2 Timotheüs 4 vers 17).
Samen met zijn aanklagers verschijnt Paulus voor Felix. De aanklagers hebben een heel goed redenaar uitgekozen als hun advocaat, omdat het er met hun zaak zo slecht voor staat. Maar wat een tegenstelling tussen de vleierijen (vers 3) en de grove lasteringen (vers 5; vergelijk Lukas 23 vers 2) die de redenaar Tertullus uitspreekt, en de waardigheid waarmee Paulus zijn geloof belijdt, hetgeen gepaard gaat met een oprechte opsomming van feiten!
Een sekte (vers 5 en 14) is een godsdienstige groepering die zich op een leider of op een speciale leer beroept. De verloste daarentegen moet zich enkel en alleen op Christus beroepen. De godsdienstige wereld zal echter ook de kinderen van God, die zich in gehoorzaamheid aan het Woord van haar afgescheiden hebben, een sekte noemen. Wat maakt het uit! Deze uitdrukking, zoals zovele andere, is een deel van de smaad van Christus. Zoals eens een Paulus, zo heeft ook de trouwe gelovige van nu het heerlijke voorrecht om de verachting van de wereld te delen met dé Nazarener (vers 5).
Het zou bij ons, net als bij Paulus, wel zo moeten zijn, dat wij ervoor zorgen dat wij "altijd een onergerlijk geweten hebben bij God en de mensen" (vers 16). Paulus dacht aan de dag van de opstanding, waarop hij rekenschap zou afleggen aan de Heere over zijn wandel en dienst. Laten ook wij dat nooit uit het oog verliezen!
Hier zien we dat de Heere deze keer geen gebruik maakt van een wonder om Zijn dienstknecht te bevrijden, zoals destijds wel gebeurde in Filippi (hoofdstuk 16 vers 26), of zoals het geval was bij Petrus (hoofdstuk 12 vers 7). Hij bestuurt de gebeurtenissen en gebruikt deze keer de neef van Paulus en het Romeinse burgerrecht van Paulus. De trotse minachting die de Romeinse commandant voor de Joden heeft â die hij ongetwijfeld graag een hak wilde zetten â is de menselijke kant in deze gebeurtenis. De Heere had Zijn dienstknecht beloofd dat hij in Rome van Hem zou getuigen (vers 11). Wat de vijanden ook mogen ondernemen, niets kan hierin verandering brengen of dit verhinderen. Al die dingen zullen er juist toe meewerken. En inderdaad, door de dreigementen die geuit worden, ziet Lysias maar één oplossing en dat is: Paulus onder goede bewaking naar Caesarea te laten brengen. Op die manier zou hij hem voor de geheime aanslag van de fanatieke Joden kunnen sparen.
Samen met de gevangene laat Lysias ook een brief, met betrekking tot Paulus, aan de stadhouder Felix overhandigen. Let eens op, hoe hij in die brief de feiten zo weet voor te stellen dat het hele gebeuren voor hemzelf gunstig uitpakt. Hij verbergt namelijk de fout die hij bijna begaan had (vers 27; hoofdstuk 22 vers 25). Bij de enorme schuld van de Joden vallen de misdragingen van hen uit de volken totaal in het niet.
De meer dan veertig mannen die een moord hadden willen begaan, konden hun eed natuurlijk niet gestand doen, en hebben daarmee de vloek op hun eigen hoofd doen neerkomen (vers 21).
Ondanks het feit dat Paulus onschuldig is en ondanks de twijfelachtige geloofwaardigheid van zijn aanklagers, stelt Felix de beslissing uit, omdat hij te laf is en hij de gunst van de Joden probeert te winnen (vers 22). Hij schuift echter nog iets veel belangrijkers van zich af, namelijk de beslissing die betrekking heeft op zijn ziel!
Een paar dagen later laat Felix Paulus weer bij zich roepen, om van hem iets te horen over "het geloof in Christus" (vers 24). En dan laat Paulus hem een kant van de waarheid zien die hij waarschijnlijk niet verwacht had (vers 25). Het Woord maakt hem bang, maar dringt niet door tot zijn geweten, dat verhard is door de liefde voor het geld (vers 26). Hij zegt dat hij er later nog wel een keer met hem over zal praten en laat daardoor de gelegenheid die God hem geeft, waarschijnlijk voor altijd voorbijgaan. Ondanks dat zijn naam 'gelukkige' betekent, is hij aan het ware geluk voorbijgegaan. Laten we het niet vergeten: ná is het de geschikte tijd!
Er zijn twee jaren verstreken. De apostel zit nog steeds in de gevangenis. Maar de haat van de Joden is er niet minder om geworden. Toen Felix afgelost zou worden door Festus, planden de Joden een nieuwe aanslag tegen Paulus. De Heere redt Zijn getuige echter. Net zoals bij Felix (hoofdstuk 24 vers 27) en destijds ook bij Pilatus (Markus 15 vers 15) het geval was, heeft ook Festus maar één zorg: de gunst winnen van de Joden (vers 9). Paulus meent daarom opnieuw aanspraak te moeten maken op zijn recht als Romeins burger en beroept zich op de "rechterstoel van de keizer" (vers 10).
Agrippa en Bernice waren (evenals Drusilla, de vrouw van Felix; hoofdstuk 24 vers 24) kinderen van Herodes III (hoofdstuk 12 vers 1) en vormden de vierde generatie van deze misdadige dynastie. Het beleefdheidsbezoek waarmee zij de stadhouder vereren, geeft Festus de gelegenheid om zich wat beter te informeren over zijn merkwaardige gevangene. Uit de korte samenvatting die hij over deze aangelegenheid geeft, blijkt dat hij maar heel weinig belangstelling heeft voor godsdienstige zaken. Het gaat, volgens hem, namelijk "over een zekere Jezus..." (vers 19). Ook vandaag heeft Christus voor een heleboel mensen geen grotere betekenis. Paulus bevestigde echter "dat Hij leeft", en daar ligt juist het grote verschil!
Paulus wordt dus 'met grote pracht" voor de 'groten' van het land geleid. Volgens de woorden van de Heere aan Ananias zou hij "een uitverkoren vat" zijn, om Zijn Naam voor koningen uit te dragen (hoofdstuk 9 vers 15). Hij was echter slechts een afgezant van een Koning, Die vele malen groter was dan zij voor wie hij nu te verschijnen had. Hij was "een gezant in een keten", zoals hij zichzelf noemt in Efeze 6 vers 20. Desondanks spreekt hij met grote vrijmoedigheid over zijn Heere, want "het Woord van God is niet gebonden" (2 Timotheüs 2 vers 9).
Paulus wordt opgeroepen om getuigenis af te leggen voor koning Agrippa en strekt, haast feestelijk zou je zeggen (in vers 2 noemt hij zichzelf "gelukkig"), zijn geboeide hand naar hem uit. Net als in hoofdstuk 22 vertelt hij over zijn ontmoeting met de Heere en over de omstandigheden waaronder hem zijn dienst werd toevertrouwd. Nadat zijn eigen ogen geopend waren, heeft hij de opdracht gekregen om de ogen van de mensen uit de volken te openen, opdat zij door het geloof toegang zouden krijgen tot het licht, tot de vrijheid, tot de vergeving van de zonden en tot het hemelse deel van de heiligen (vers 18; vergelijk Kolosse 1 vers 12 en 13).
De omstandigheden waarin mensen tot bekering komen, kunnen heel verschillend zijn. Petrus bevond zich in een schip toen hij zich bewust werd van zijn zondige toestand. Levi zat voor het tolhuis en Zacheüs in een boom, toen ze de roepstem van de Heere hoorden (Lukas 5 vers 27 en 28; hoofdstuk 19 vers 5). De Ethiopiër werd op zijn wagen bekeerd en de gevangenbewaarder rond middernacht in de gevangenis (hoofdstuk 8 vers 27 en verder; hoofdstuk 16 vers 29 en verder). Bij Paulus was het daarentegen "in het midden van de dag, op de weg" (vers 13). Er zijn gelovigen die precies kunnen zeggen waar en wanneer ze de Heere Jezus ontmoet hebben. Anderen kunnen het exacte tijdstip niet noemen. Hoe het ook zij, als je een kind van God bent, dan hoefje niet bang te zijn om over je bekering te vertellen, wanneer de gelegenheid zich voordoet. We kunnen ons daarbij nergens op beroemen, omdat we dan immers ook hebben te spreken over de verdrietige toestand waarin we ons bevonden. We mogen juist de wonderbare genade van God naar voren laten komen, waardoor Hij ons uit deze toestand bevrijd heeft. Hem alleen zij alle eer!
Paulus werd door Jezus Christus geroepen tot een uitzonderlijke dienst onder de volken en was daaraan "niet ongehoorzaam" (vers 19). Laten wij dat ook niet zijn, en laten we de bescheiden opdrachten die de Heere ons heeft toevertrouwd, trouw vervullen!
Voor Festus, een man zonder enige geestelijke behoefte, zijn de uitspraken van Paulus klinkklare onzin (vers 24). Inderdaad lezen we in 1 Korinthe 2 vers 14: "De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn; want zij zijn hem dwaasheid".
Daarna richt de apostel zich rechtstreeks tot koning Agrippa. Hij doet dit zowel met eerbied als met het gezag dat het Woord hem geeft. De koning probeert zijn verlegenheid te verbergen, door om de vraag heen te draaien (vers 28). Iemand er bijna toe bewogen hebben christen te worden, betekent echter dat de persoon in kwestie nog steeds helemaal verloren is!
Wie van beiden bezit het meest te benijden deel, de koning of de gevangene? In het bewustzijn van zijn hoge positie voor God, denkt Paulus, de gevangene van Jezus Christus, niet aan de kroon van de man die hier voor hem staat, maar aan zijn ziel! Ook wij hebben ons niet bezig te houden of te laten beïnvloeden door de uiterlijke vertoning van de mensen; laten we altijd slechts aan hun eeuwige lot denken!
Paulus is achtereenvolgens voor de Raad, voor Felix, voor Festus en daarna voor Agrippa verschenen. Nu moet hij nog voor de keizer gebracht worden, die niemand minder was dan de wrede Nero.
Om de verbreiding van het evangelie te verhinderen, heeft de vijand eerst de mensen tegen Paulus opgehitst. En nu maakt hij gebruik van de verhinderingen in de natuur om hem de weg te versperren.
Veel christenen lijken op een zeilschip. Hun wandel is afhankelijk van de wind die er op dat moment waait. Is het een "zuidenwind", die hen zachtjes voort zal drijven, dan denken ze dat alles goed zal gaan en lichten zij vol goede moed het anker (vers 13). Hebben ze daarentegen de wind tegen, zeilen ze "langzaam" en "met moeite" voorwaarts, dan zijn ze ten slotte helemaal niet meer in staat om vooruit te komen (vers 7 en 8). Dan hier, dan daar zoeken ze naar menselijke bescherming en uitkomst in hun moeilijkheden (vers 4). En komt ten slotte de stormwind van de beproeving opzetten, dan zien ze het helemaal niet meer zitten en drijven ze willoos rond (vers 15).
Een schip dat door een motor aangedreven wordt, vervolgt daarentegen onder alle weersomstandigheden zijn koers. O, dat ook wij, ondanks alle stormen, door een actief en vast geloof voortgedreven mogen worden en altijd recht op het einddoel afgaan!
Hoewel de hoofdman zijn gevangene gunstig gezind is, heeft hij meer vertrouwen in de woorden van de stuurman dan in die van Paulus (vers 11). Komt het niet vaak voor, dat wij meer waarde hechten aan de mening van mensen en daarop vertrouwen dan op de leiding van het Woord en de Heilige Geest? â en dat tot onze eigen grote schade (vers 10)!
Tijdens de storm is Paulus even rustig als toen hij voor stadhouders en koningen stond. De orkaan vormt voor hem geen verhindering om de stem van de God, Die hij toebehoort en Die hij mag dienen, te horen (vers 23). Terwijl de mensen in tijden van beproeving vaak laten zien hoe egoïstisch ze zijn, denkt de apostel alleen maar aan de redding van zijn medepassagiers. Hij stelt hen op hun gemak door het Woord van zijn God; vervolgens wijst hij hen erop, dat ze toch iets moeten eten, maar dat gebeurt niet zonder er eerst voor gedankt te hebben (1 Timotheüs 4 vers 4 en 5).
Na allerlei onverwachte gebeurtenissen en het verlies van het schip, komen ze allemaal toch gezond en behouden in "de haven van hun begeerte" aan (lees Psalm 107 vers 25 -30).
In dit schip, dat een speelbal was van de storm, mogen we een beeld zien van de christenheid hier op aarde. Haar begin was onder gunstige weersomstandigheden, maar al gauw kreeg zij te maken met de wind van beproevingen en vervolgingen, die satan tegen haar in het geweer bracht. Het gebrek aan voedsel, een tijd van diepe duisternis, de toevlucht tot allerlei menselijke hulpmiddelen, dat alles is het gevolg van het niet meer (willen) luisteren naar de stem van de apostel, in het Woord van God. De dag komt naderbij, en daarmee de definitieve schipbreuk van de belijdende christenheid (het schip). Maar te midden van hen die zich op Zijn Naam beroepen, kent de Heere echter hen die de Zijnen zijn. En niemand van hen die de Vader Hem gegeven heeft, zal Hij verloren laten gaan (2 Timotheüs 2 vers 19; Johannes 17 vers 12).
God heeft bewerkt dat er bijzonder vriendelijke gevoelens in de harten van de mensen ("de Barbaren") op het eiland Malta leven (net als eerder bij de hoofdman Julius gebeurd was; vers 2; hoofdstuk 27 vers 3). Zij trekken zich het lot van de schipbreukelingen aan en helpen en versterken hen waar ze kunnen.
De Heere wil graag Zijn dienstknecht, door een wonder, aan hen bekend maken. De apostel, die het helemaal geen minderwaardig karweitje vond om zelf mee te helpen bij het verzamelen van het hout voor het vuur, wordt door een adder gebeten, wat voor hem geen schadelijke gevolgen heeft. Dat was één van de tekenen die de discipelen zouden begeleiden. Een ander teken was de oplegging van handen bij zieken, om hen zodoende te genezen (Markus 16 vers 17 en 18).
De vriendelijkheid van de inwoners van Malta wordt al gauw beloond. Door de macht van God worden de zieken op dit eiland, te beginnen bij de vader van Publius, beter gemaakt. En we hopen dat ook veel van deze mensen genezing voor hun ziel gevonden hebben.
De weerstand van de vijand diende er dus alleen toe, dat het zaad van het evangelie in dit 'nieuwe land' gezaaid werd.
De reis van de apostel loopt ten einde. Voordat hij zijn broeders in Rome "enige geestelijke gave" kan meedelen (Romeinen 1 vers 11), wordt hij zelf bemoedigd door hun broederlijke gemeenschap. Ook de jongste gelovige kan het voorwerp tot vreugde en bemoediging zijn voor een dienstknecht van God.
Nauwelijks in Rome aangekomen, roept Paulus "de voornaamsten van de Joden" samen (vers 17). Hij legt hun de gang van zaken, bij zijn gevangenneming, uit. Het is absoluut niet zo, dat hij wrok koestert tegenover zijn volksgenoten, die hem zoveel kwaad berokkend hebben, en hij geeft hun nog steeds de eerste plaats in de prediking van het evangelie. Onvermoeid, van de vroege morgen tot de late avond, legt hij hun de waarheid uit, tot aan het moment dat zij weggaan (vers 25 en 29; lees Hebreeën 10 vers 38 en 39).
Paulus blijft twee jaar als gevangene in Rome. Hij mag echter ervaren dat de omstandigheden die hij door moet maken, juist tot bevordering van het evangelie dienen (Filippensen 1 vers 12). Heeft hij tijdens deze gevangenschap immers niet meerdere Brieven geschreven, waaronder die aan Efeze, Filippi en Kolosse? Wij zouden die nu niet in ons bezit hebben als hij vrij geweest zou zijn om deze gemeenten te bezoeken.
Het zijn overigens ook deze Brieven waardoor wij de geschiedenis van deze grote apostel iets verder kunnen volgen. De berichtgeving wordt hier in Handelingen namelijk afgebroken, waardoor dit Bijbelboek eigenlijk geen definitief slot heeft. Het is net alsof ons daardoor getoond wordt dat het werk van de Heilige Geest hier op aarde nog niet afgelopen is. Zolang de Gemeente op aarde is, gaat dit werk in het leven van elke gelovige afzonderlijk door.
De Brieven die wij in de Bijbel tegenkomen, zijn door de apostelen aan de gemeenten of gelovigen gestuurd en daarin worden de christelijke waarheden uitgelegd. Terecht wordt de Brief aan de Romeinen nu de eerste plaats gegeven, hoewel deze na de anderen geschreven is, omdat het grote onderwerp van deze Brief het evangelie is. Voordat men namelijk christelijk onderwijs kan ontvangen, moet men immers eerst zelf christen geworden zijn! Beste vriend, deze gelegenheid heb jij ook gehad, ja, die heb je nu, als je haar tot dusver nog niet hebt aangegrepen! Belijd je zonde en schuld voor de Heere Jezus en neem Hem aan als je Verlosser, voordat je verder gaat met Gods Woord!
Er wordt van een zekere evangelist verteld dat hij, toen hij een aantal samenkomsten mocht houden in een bepaalde stad, elke avond de eerste zes hoofdstukken van de Romeinenbrief heeft voorgelezen. Verder heeft hij er die avonden geen enkel woord aan toegevoegd. Het gevolg is geweest dat er elke avond enkele mensen tot bekering kwamen. Dat is nu de kracht van het unieke Woord van God en het gezag van het evangelie, "want het is een kracht van God tot zaligheid voor een ieder die gelooft" (vers 16)!
Deze Brief werd voor de dramatische reis waarover aan het eind van het Boek Handelingen verteld wordt, geschreven. Paulus had de Romeinen dus nog niet gezien. Maar â en dat is altijd de voorwaarde voor een nuttige dienst â hij is vol liefde voor hen en vooral voor Jezus Christus, Die hij hen wil verkondigen. De eerste verzen worden geheel gevuld met de Naam Jezus Christus. Inderdaad, want is Hij immers niet de Inhoud van het evangelie? Vormt Hij niet de Grondslag voor elke betrekking tussen God en mensen?
Voordat je iemand kunt vertellen op welke manier God de zondaar rechtvaardigt, is het eerst nodig dat de persoon in kwestie er zelf van overtuigd is, dat hij een zondaar is.
Je zou op de gedachte kunnen komen dat heidense volken te verontschuldigen zijn, omdat zij het geschreven Woord niet in hun bezit hebben. Zij hebben echter een ander 'boek' voor ogen, dat duidelijk 'te lezen' is: de schepping (Psalm 19 vers 1). Desondanks heeft men de Schrijver van dit 'boek' niet willen erkennen, noch Hem willen verheerlijken en men heeft het nagelaten Hem te danken (hetgeen het minste is wat mensen zouden moeten doen). Daarom zijn zij aan de satan overgeleverd, om de ergste dingen te volbrengen (vers 24).
Het beeld dat God hier schetst van de natuurlijke mens, is inderdaad niet zo mooi. Toch is dat uw, jouw en mijn beeld! Misschien ben je nu wel hevig verontwaardigd en zegje: 'Ik heb nog nooit zulke vreselijke zonden gedaan, zoals die in deze verzen beschreven worden!' Lees dan nog eens vers 30 en 31 â en beproef jezelf! Bestaat er bij jou werkelijk geen enkele overeenkomst met de andere leden van het menselijk geslacht? Bovendien verklaart God niet alleen de mensen die zo'n liederlijk leven geleid hebben, schuldig, maar ook alle mensen die "mede een welgevallen hebben in hen, die ze doen" (vers 32). Een romannetje lezen waarin over zo'n immoraliteit verteld wordt, en het wel leuk of interessant vinden om zulke droevige en onreine beschrijvingen te lezen, betekent in feite niets anders dan zichzelf onder hetzelfde rechtvaardige oordeel van God stellen (vers 32; Psalm 50 vers 18).
Iemand mag nog zo diep gevallen zijn, er zal altijd wel een ander te vinden zijn die het nog veel bonter gemaakt heeft, en waarmee men zich dus in z'n eigen voordeel kan vergelijken! Iemand die verzot is op gokspelletjes, zal wellicht de alcoholist verachten en een alcoholist kijkt, op zijn beurt, met minachting neer op een misdadiger. In werkelijkheid ligt de kiem voor elke vorm van laster in ons eigen hart. Wanneer wij anderen oordelen (vers 1), laten we daarmee zien dat we heel goed in staat zijn om het kwaad te onderscheiden; we laten daarmee zien dat we een geweten bezitten. En dat geweten veroordeelt onszelf, wanneer wij soortgelijke dingen doen. Ieder mens heeft een geweten (Genesis 3 vers 22). Daar maakt God, in Zijn goedheid, gebruik van, om ons tot berouw en bekering te bewegen (vers 4), maar niemand heeft het recht om het te gebruiken om zijn naaste te oordelen. De Enige Die de volmacht heeft om te oordelen, is Jezus Christus (vers 16; Johannes 5 vers 22; Handelingen 10 vers 42). Hij zal op zekere dag "de verborgen dingen der mensen" aan het licht brengen, al hun daden en bedoelingen die niet beleden zijn en die ze zorgvuldig geprobeerd hebben verborgen te houden (Mattheüs 10 vers 26).
Belijd Hem toch onverwijld al je verborgen, en misschien schandelijke, geheimen. Je geweten is geen vijandige stem, maar een vriend die je zegt dat je het allerbeste alles aan de Heere Jezus kunt belijden, want Hij wil je zo graag vergeven!
Dit hoofdstuk doet ons denken aan een rechtbank. De aangeklaagden verschijnen hier om beurten voor de hoogste Rechter. Na de veroordeling van de heiden (hoofdstuk 1) en de geciviliseerde mens (het begin van hoofdstuk 2) is het nu de beurt aan de Jood om voor het gerecht te verschijnen. Hij komt met opgeheven hoofd naar voren. Het feit dat hij Jood is, dat hem de wet gegeven is, waarop hij steunt, dat â volgens hem â alleen hij de ware God kent en Hem dient (vers 17 en verder), dat alles zal toch zeker duidelijk aantonen dat hij bevoorrecht is boven alle andere aangeklaagden. Daaruit blijkt toch overduidelijk dat hij vrijgesproken dient te worden. Maar wat antwoordt de hoogste Rechter daarop? Ik veroordeel je niet op je titels (vers 17), ook niet op je kennis (vers 18) en evenmin op je woorden (vers 21), maar enkel en alleen op je daden. Jij "die dan een ander leert... die predikt... die zegt" (vers 21 en 22), het enige wat Mij bij jou interesseert is wat je doet en... wat je juist niet doet (Mattheüs 23 vers 3). Alle voorrechten die jij opnoemde, kunnen je niet verontschuldigen, maar maken je schuld alleen maar des te groter!
De zonde van de heiden wordt "ongerechtigheid" genoemd (hoofdstuk 1 vers 18); dat is een wandel zonder wet, zonder remmingen, een wandel overeenkomstig de grillen van de eigen wil (1 Johannes 3 vers 4).
De zonde van de Jood heet "overtreding" (vers 23); met andere woorden: ongehoorzaamheid ten opzichte van de Goddelijke geboden, die hem bekend zijn.
En hoeveel groter is dan vandaag de verantwoording van de christenen, want zij bezitten immers het complete Woord van God!
Wie heeft gelijk? God, Die (ver)oordeelt, of de aangeklaagde, die zich verdedigt? De apostel roept het uit in vers 4: "Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig". Het Woord van God wordt niet ongeldig vanwege het feit dat de bewaarders van dit Woord, de Joden, het niet geloofden (vers 3; Hebreeën 4 vers 2). Zij beroemden zich erop de wet te bezitten (hoofdstuk 2 vers 17), hoewel dat tegen hen getuigde. Wat een tegenspraak! Ze lijken op een misdadiger die bij hoog en bij laag beweert onschuldig te zijn, terwijl hij de politie zelf het bewijsmateriaal in handen geeft waaruit duidelijk blijkt dat hij schuldig is. Vandaar dat de Heilige Geest â net zoals de officier van justitie dat bij een rechtszaak doet â voor deze Joodse aangeklaagde een hele rij onweerlegbare verzen laat voorlezen, die aan hun eigen Schriften ontnomen zijn (vers 10 - 18).
De aangeklaagde zou echter ook nog een ander argument naar voren kunnen brengen: Ik ontken mijn ongerechtigheid niet, maar dat laat immers nog meer de gerechtigheid van God naar voren komen; dus in feite dient het alleen daartoe!
Dat zou een moedwillige verdraaiing van zaken zijn! Als dat zo zou zijn, zou God de wereld niet kunnen en niet mogen oordelen (vers 6) en zou Hij haar juist dankbaar moeten zijn, omdat uit haar slechtheid juist Zijn trouw blijkt. Dan zou Hij echter opgehouden hebben rechtvaardig te zijn, en zou Hij Zichzelf verloochenen (2 Timotheüs 2 vers 13).
Voordat God tot de definitieve uitspraak van schuld overgaat, verwijdert Hij al deze verstandelijke redeneringen waarachter Zijn schepsel zich nog steeds probeert te verschuilen.
Voor de veroordeling van God blijft nu elke mond gesloten. De aangeklaagden worden allen schuldig bevonden (vers 19). "Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods" (vers 23). En de vreselijke uitspraak: "...zult gij de dood sterven" (Genesis 2 vers 17), wordt bevestigd door de woorden: het loon van de zonde is de dood" (Romeinen 6 vers 23). Voor de ongelovigen, hetzij Jood of heiden, is dit oordeel definitief, en de rechterstoel, waarvoor ieder mens op zekere dag zal moeten verschijnen, is een beangstigende werkelijkheid (Openbaring 20 vers 11 en verder).
Maar dan treedt de Advocaat naar voren ten gunste van hen â zowel Jood als heiden â die in geloof voor Hem gekozen hebben. Hij probeert geen verzachtende omstandigheden aan te voeren voor het verleden, zoals de advocaten voor de menselijke rechtbanken vaak wel doen. Integendeel zelfs, Hij geeft eerlijk toe dat het oordeel rechtvaardig is! Maar Hij zegt erbij dat het oordeel al voltrokken is! De schuld is al vereffend. Het vreselijke loon van de zonde heeft Hij Zelf met Zijn eigen dood betaald!
Ja, de gerechtigheid van God is volkomen bevredigd; nooit kan iemand een misdaad die al verzoend is, voor de tweede keer aangerekend worden. En als God rechtvaardig is in het veroordelen en bestraffen van de zonde, dan is Hij ook rechtvaardig wanneer Hij de zondaar "die uit het geloof van Jezus is" rechtvaardigt (vers 26).
`Rechtvaardigheid drong aan op straf, genade vroeg om vrijgeleide. Hier trad Gods wijsheid tussenbeide, die allebei voldoening gaf O, wonderbare gunstbetoning, o, licht, dat zich van 't kruis verspreidt! Hier schittert Gods gerechtigheid, hier straalt genadige verschoning.'
Wanneer een ladder te kort is om iets wat heel hoog ligt, te kunnen pakken, dan maakt het niet meer uit of je nu op de bovenste of op de onderste sport staat. De ladder is en blijft te kort. "Want er is geen onderscheid", hebben we gelezen in hoofdstuk 3 vers 22. Noch de Jood, noch de Griek, is in staat de heerlijkheid van God te bereiken. Niemand is in staat dat te bereiken op de ladder van eigen gerechtigheid, want die is en zal altijd te kort blijven!
We hebben het bewijs dat zelfs Abraham (vers 3) en David (vers 6) het onomstreden recht gehad zouden hebben, zichzelf helemaal bovenaan de ladder van de eigen werken te stellen. Zij hebben daar echter geen gebruik van gemaakt, om daarmee door God gerechtvaardigd te worden. En wanneer zij dat al niet gedaan hebben, wie zou dan durven beweren dat hij dat wel zou kunnen? Om duidelijk aan te tonen dat het heil door genade geen enkele verbinding heeft met de vleselijke aanspraken en "de roem" van het Joodse volk (hoofdstuk 3 vers 27), herinneren de verzen 9 en 10 ons eraan dat de patriarch Abraham de gerechtigheid door geloof al voor het teken van de besnijdenis heeft ontvangen (Genesis 15 vers 6 en hoofdstuk 17 vers 4). Op het moment dat God hem gerechtvaardigd heeft, stond hij, in uiterlijk opzicht, dus nog gelijk aan iemand uit de volken.
Om gered, om behouden te kunnen worden, moet je allereerst je schuld inzien. Dat wil zeggen dat je instemt met het Goddelijk oordeel, zoals wij dat gezien hebben in het vorige hoofdstuk. Alleen "de goddeloze", en hij alleen, kan door God gerechtvaardigd worden (vers 5; vergelijk Mattheüs 9 vers 12).
God is machtig om, hetgeen Hij beloofd heeft, te volbrengen (vers 21). De mens is echter absoluut niet in staat om zijn verplichtingen na te komen. Vandaar dat er geen voorwaarden zijn verbonden aan de beloften die Abraham (en de christen) heeft ontvangen â het is voldoende als je gelooft.
Alle omstandigheden schenen hetgeen God aan Abraham beloofd had, tegen te spreken. Maar "hij heeft... niet getwijfeld" en was "ten volle verzekerd" (vers 20 en 21). Hoe kwam hij aan dat onwankelbare geloof? Dat bezat hij, omdat hij Hem, Die hem deze belofte gegeven had, kende en volledig vertrouwde! De handtekening van iemand voor wie we respect hebben, heeft voor ons veel meer waarde dan de ondertekening van iemand die we niet kennen. De handtekening van een bekende betekent voor ons tevens de garantie dat hij zijn verplichtingen zal nakomen.
Het geloof steunt in het volste vertrouwen op de belofte, omdat God, Die haar gegeven heeft, geloofd wordt (vers 3 en 17; vergelijk 2 Timotheüs 1 vers 12). Het geloof neemt de grote waarheden die in Zijn Woord bevestigd worden, in bezit: de dood van de Heere Jezus om onze schuld uit te wissen; Zijn opstanding om ons te kunnen rechtvaardigen (vers 25).
Beste vriend, nu je zover gekomen bent met lezen, willen wij je de vraag stellen of jij ook, samen met alle gelovigen, kunt zeggen: 'Dat geloof, waardoor ik gered ben, bezit ik'? Kun jij het ook zeggen: 'Voor mijn zonden is de Heere Jezus overgegeven; voor mijn rechtvaardigmaking heeft God Hem opgewekt'?
Omdat hij vrijgesproken en gerechtvaardigd is, geeft de gelovige blijk van zijn vreugde (vers 1). De vrede met God is voortaan zijn deel! Dat is iets van onschatbare waarde! Hij is verzoend met de allerhoogste Rechter, doordat Deze Zijn toorn, die op ons rustte, op Zijn Zoon heeft doen neerkomen. Deze daad betekende "de dood van Zijn Zoon" (vers 10).
De liefde van God is werkelijk met niets te vergelijken! Het is Zijn liefde die ons hier voor de aandacht staat; en deze liefde vindt zijn oorsprong, ja zijn oorzaak, alleen in Hemzelf. Hij heeft arme schepselen, waarin niets te vinden was waardoor zij geliefd zouden kunnen worden, liefgehad voordat zij ook maar de kleinste stap in Zijn richting konden doen, omdat zij toen in zichzelf krachteloos, goddeloos (vers 6), zondaars (vers 8) en vijanden (vers 10) waren (1 Johannes 4 vers 10 en 19). Deze liefde is het die nu in onze harten is uitgegoten (vers 5).
Tegenover de wereld die zich beroemt op allerlei voordelen van nu en van het verleden, hoeft de gelovige in geen enkel opzicht beschaamd te staan (vers 5). De gelovige kan roemen in zijn onuitsprekelijke toekomst: de heerlijkheid van God (vers 2). En â hoe tegenstrijdig het ook mag klinken âhij is zelfs in staat om, in de tegenwoordige verdrukkingen, blij te zijn! Deze moeilijkheden brengen namelijk kostbare vruchten voort (vers 3 en 4), waardoor zijn hoop nog levendiger wordt en het verlangen in hem nog brandender wordt. "En niet alleen dit..." (vers 11), wij hebben het recht te roemen in de gaven, maar vooral in Hem Die ze ons geeft: God Zelf, Die door onze Heere Jezus Christus onze God geworden is.
Voor een gelovige die zich op zijn sterfbed bekeert, zou deze Brief met vers 11 hebben kunnen eindigen. De vraag met betrekking tot zijn zonden is opgelost; hij is passend gemaakt voor de heerlijkheid van God. Maar hij die nog voortleeft hier op aarde, staat nog een pijnlijk probleem te wachten: hij heeft nog steeds de oude natuur, "de zonde" in zich, die, net als vroeger, alleen maar in staat is slechte vruchten voort te brengen. Verliest hij nu zijn heil?
Wat vanaf hoofdstuk 5 vers 12 tot aan hoofdstuk 8 volgt, leert ons hoe God in dit opzicht gezorgd heeft. Hij heeft niet alleen mijn daden geoordeeld, maar ook mijn eigen boze wil waaruit deze daden voortkomen, de "oude mens" (hoofdstuk 6 vers 6), die precies gelijk is aan zijn voorvader Adam.
Denk je eens in dat een betrouwbare drukker bij het produceren van een boek een paar ernstige fouten in een zin over het hoofd heeft gezien, fouten waardoor de gedachten van de schrijver helemaal verkeerd zouden worden weergegeven. Als de drukker de fouten laat voor wat ze zijn, komen ze dus in de hele oplage, ja, in elk boek afzonderlijk, voor. Ook al is de omslag van dat boek nog zo mooi, het verandert niets aan de inhoud. Om de oorspronkelijke gedachten van de schrijver goed weer te geven, is het daarom nodig dat er een nieuwe oplage gedrukt wordt, waar de fouten uitgehaald zijn.
Met de eerste Adam gaat het eigenlijk net als met die drukfout. Hoeveel mensen er ook van hem afstammen â het zijn allemaal zondaren! God heeft echter niet geprobeerd het geslacht van Adam te verbeteren. Hij heeft een nieuwe Mens 'voortgebracht': Christus, en heeft ons Zijn leven gegeven.
Er zijn mensen die zeggen: Wat hebben we het nu gemakkelijk! Als de genade dan zo overstromend is en onze ongerechtigheden deze genade juist alleen maar des te duidelijk naar voren laat komen, dan moeten we daarvan profiteren. Laten we gewoon onze gang gaan en doen waar we zin in hebben. Laten we ons maar uitleven in onze vleselijke begeerten.' (vers 1 en 15).
Je kunt het je toch niet indenken dat de verloren zoon, na die geweldige ontvangst door zijn vader, toch weer naar het verre land zou willen terugkeren en zou zeggen: 'Nu weet ik dat ik thuis altijd weer welkom ben, wanneer ik op een gegeven moment zin heb om daarheen te gaan'?
Zulke gedachten zouden toch nooit bij een waar kind van God mogen en kunnen opkomen! Ten eerste omdat hij weet wat die genade zijn Redder gekost heeft en hij Hem niet wil bedroeven. En ten tweede omdat de zonde alle aantrekkingskracht voor hem verloren zou moeten hebben. Iemand die gestorven is, kan inderdaad niet meer aan allerlei vermaak deelnemen en kan evenmin door allerlei verzoekingen verleid worden. Mijn dood met Christus (vers 6) ontneemt de zonde elke kracht en elke heerschappij over mij. Dat is een wonderbare bevrijding!
In de verzen 13 - 18 van hoofdstuk 3 hebben we gezien dat de lichaamsonderdelen van een mens (zijn tong, voeten en ogen) "wapenen van de ongerechtigheid" in dienst van de zonde waren (vers 13). Bij mijn bekering zijn deze lichaamsdelen echter van eigenaar verwisseld. Ze zijn "wapenen der gerechtigheid" geworden, die ter beschikking staan van Hem Die alle recht op mij heeft verworven.
Er is niets waarop de mens zo gesteld is als op zijn vrijheid. Toch is dat een volslagen illusie. De vrije wil is in feite niets anders dan slavernij aan de duivel. Dat ondervindt en weet de mens echter pas nadat hij tot bekering is gekomen. Pas wanneer hij wil wegvliegen, ontdekt de gevangen genomen vogel dat hij gekortwiekt is. "Een ieder, die de zonde doet, is een dienstknecht van de zonde", heeft de Heere Jezus gezegd. Maar Hij heeft eraan toegevoegd: "Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn" (Johannes 8 vers 34 en 36).
Vrij zijn â om onze eigen wil te doen? Nee, want daarmee zouden we ons namelijk weer onder dezelfde slavernij stellen! Dat we in het verleden de wil van de zondige mens vervuld hebben, zou voor ons eens en voor altijd genoeg geweest moeten zijn. En wat was daar de vrucht van (vers 21; 1 Petrus 4 vers 3)? Je hebt als een dwaas voor de verleider, genaamd satan, gewerkt en daarvoor het trieste loon "de dood" verdiend, deze dood die Christus in onze plaats heeft willen ondergaan (vers 23).
Nee, wanneer wij vrijgemaakt zijn, dan is dat alleen om God te dienen en Hem van harte te gehoorzamen (vers 17; 2 Korinthe 10 vers 5), zoals eens het geval was bij een neger in Afrika. Op zekere dag werd hij door een vriendelijke man, die medelijden met hem had, vrijgekocht. In plaats dat deze neger vanaf dat moment zijn eigen weg ging, om te doen en laten waar hij zelf zin in had, vroeg hij zijn weldoener bij hem te mogen blijven. Hij had, nadat hij was vrijgekocht, nog maar één wens: voortaan deze man dienen!
Niet alleen de verkeerde daden die ik gedaan heb, worden door de wet bestraft, maar ook mijn zondige natuur wordt veroordeeld, bijvoorbeeld het feit dat ik niet in staat ben om God en mijn naaste lief te hebben, zoals de wet dit voorschrijft. De zonde brengt mij dus onverbiddelijk onder het oordeel van de wet van God. Daarvan ben ik echter op dezelfde wijze bevrijd als van de zonde: door de dood, dat wil zeggen: mijn dood met Christus (vers 4). Wanneer iemand die schuldig is, gestorven is, kan geen enkele rechtbank nog iets tegen hem ondernemen.
Is de wet daarom een slechte zaak, omdat God mij tegen de scherpte van de wet moet beschermen? "Dat zij verre!", roept de apostel het opnieuw uit (vers 7). Wanneer ik in een museum één van de tentoongestelde voorwerpen in handen neem, ben ik mij er misschien niet van bewust dat ik in overtreding ben. Maar als er een bordje bij staat met 'verboden aan te raken' en ik doe het toch, dan ben ik dus duidelijk schuldig. Tegelijkertijd zullen veel bezoekers door zo'n bordje juist geprikkeld worden om toch even iets aan te raken. De trotse natuur van de mens dwingt hem er als het ware toe, om elk voorschrift te overtreden en daardoor zijn onafhankelijkheid te bevestigen.
Op dezelfde wijze 'betrapt' God mij door de wet op 'heterdaad' op mijn ongehoorzaamheid en brengt Hij de begeerte in mij aan het licht, om mij op die manier beter van zonde te overtuigen.
Deze verzen worden wel eens vergeleken met iemand die in een moeras gezakt is en tevergeefs probeert zichzelf te bevrijden. Elke beweging die hij daarbij maakt, zorgt ervoor dat hij nog dieper wegzinkt. Wanneer hij uiteindelijk inziet dat hij zelf niets kan beginnen en verloren is, schreeuwt hij om hulp.
Dit drama vormt, in zedelijk opzicht, een illustratie van de geschiedenis van veel kinderen van God in de eerste tijd na hun bekering. De apostel verplaatst zich als het ware in de situatie van zo'n gelovige. (Dat het hier om een gelovige gaat, is overigens heel duidelijk, want wanneer hij niet bekeerd zou zijn, zou hij enerzijds niet zo'n strijd hebben, en anderzijds zou hij geen welgevallen vinden in de wet van God; vers 22.) De apostel schildert hier dus zijn hopeloze situatie. Ach! schreeuwt zo iemand; in plaats van vooruitgang te boeken, voel ik mij met de dag ellendiger! Van lieverlee heb ik ontdekt dat ik "onder de zonde" was (hoofdstuk 3 vers 9), en dat zij over mij heerste (hoofdstuk 5 vers 21 en hoofdstuk 6 vers 14), mij gevangen hield (hoofdstuk 7 vers 23), maar ook dat zij in mij woont (vers 17 en 20). Het is net als met een verraderlijke ziekte die al mijn organen die van levensbelang zijn, heeft aangetast. "Wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood?" (vers 24). Ik geef toe, dat ik daar zelf niet toe in staat ben, dat ik geen kracht heb â ik ben bereid mij aan iemand anders over te geven. En pas wanneer je zover gekomen bent, dan neemt de Heere Jezus je bij de hand.
Dit is een pijnlijke, maar toch noodzakelijke ervaring! Vanaf het moment dat ik niets meer van mijzelf verwacht, kan en mag ik alles van Christus verwachten.
De nood van hoofdstuk 7 wordt opgevolgd door een wonderbare vrede. Ik ben schuldig, maar heb geleerd dat er voor mij geen verdoemenis is; ik ben "in Christus Jezus", de enige plaats waar ik volkomen veilig ben. Als "ellendig mens" (hoofdstuk 7 vers 24), zonder kracht om het goede te doen, heb ik een kracht ontdekt: "de wet van de Geest van het leven", die mij "van de wet van de zonde"â dat wil zeggen van haar heerschappij â bevrijdt. Dat zijn de twee grote waarheden, die ik in geloof mag aangrijpen.
Ook al is iemand nog zo'n begaafde kunstenaar, en ook al heeft hij het allerbeste gereedschap tot zijn beschikking, toch kan hij met een stuk hout dat vol zit met wormensteken, niets beginnen. Hoe goed de wet ook mag zijn (hoofdstuk 7 vers 12), het is door het opstandig, verdorven, en door de worm van de zonde aangevreten "vlees" "krachteloos" en onwerkzaam geworden (vers 3 en 7). Wij bevonden ons "in het vlees" (vers 9) en waren ertoe gedwongen naar diens wil te handelen. Nu zijn wij echter "in Christus Jezus" en wandelen "naar de Geest" (vers 4).
Het is waar dat wij, zelfs wanneer wij niet meer "in het vlees" zijn, het vlees toch nog in ons hebben. Sinds wij echter geloofd hebben, woont de Geest van God Zelf als ware 'Huiseigenaar' in ons. Het vlees, "de oude mens", de vroegere eigenaar, is in zekere zin nu alleen nog maar een ongewenste huurder, die in een kamertje zit opgesloten. Hij heeft nergens meer recht op â maar ik moet er wel voor oppassen dat ik de deur niet voor hem op een kiertje zet.
We zijn dus niet langer de "schuldenaars" van de onverzadigbare en wrede schuldeiser: "het vlees" (vers 12). We zijn namelijk kinderen van God geworden, en onze Vader laat het niet toe, dat we opnieuw onderdrukt worden. Hij heeft Zelf alles betaald wat wij schuldig waren, opdat wij vrij zouden worden en alleen van Hem afhankelijk zouden zijn.
Heel vroeger kon het wel eens gebeuren dat een Romeinse slaaf bevrijd en, bij hoge uitzondering, zelfs door zijn meester geadopteerd werd, zodat hij daardoor ook recht kreeg op de erfenis. Dat is nog maar een heel zwak beeld van datgene wat God gedaan heeft voor arme, gevallen en onreine schepselen, die zelfs in opstand waren gekomen tegen Hem. Hij heeft hun niet alleen vergeving, rechtvaardiging en volledige vrijheid geschonken, maar hen ook tot leden van Zijn eigen familie gemaakt. En zij zijn nu met Zijn eigen Geest verzegeld, waardoor de kinderen ook hun betrekking tot de Vader kennen. 'Papa' (in het Hebreeuws "Abba") is vaak het eerste woordje dat een klein kind duidelijk uit kan spreken (vers 15 en 16; 1 Johannes 2 vers 13).
Behalve de zekerheid die de Heilige Geest ons geeft, leert Hij ons ook om de reacties, de handelingen van ons lichaam, voor dood te houden. Dat wil zeggen dat wij niet meer op deze prikkelingen reageren en ons daar niet meer in uitleven (vers 13). En doordat wij ons door Hem laten leiden, geven we aan dat wij "kinderen van God" zijn (vers 14; vergelijk Mattheüs 5 vers 44 en 45). En wij mogen vol verwachting uitzien naar het moment dat wij voor de hele schepping als zodanig openbaar zullen zijn (vers 19), tot eer en verheerlijking van de Heere!
Deze door de zonde verontreinigde aarde wordt door ongerechtigheid, lijden en angst geregeerd. De mens heeft de hele schepping (en vandaag de dag zelfs ook het heelal) onderworpen aan zijn eigen ijdelheid (vers 20) en aan "de dienstbaarheid [= slavernij] van de verderfenis" (vers 21). Het zuchten van alle onderdrukten stijgt omhoog tot de grote Rechter (Klaagliederen 3 vers 34 - 36). Wijzelf zuchten ook in "ons vernederd lichaam" (Filippi 3 vers 21). We zijn vermoeid door de zonde, die ons steeds omringt en die wij bovendien voortdurend in onszelf hebben te oordelen (vers 13). Onze zwakheid is groot. Wij weten niet wat wij bidden, of waar we om vragen moeten (vers 26). Eén van de taken van de Heilige Geest is het dan ook dat Hij Zich voor ons inzet, dat Hij voor ons spreekt, op een manier die God welgevallig is (vers 27). Wij weten ook niet wat goed voor ons is. Maar vers 28 verzekert ons dat alles wat er gebeurt, door God bepaald wordt en uiteindelijk tot uitvoering van Zijn raadsbesluit dient, waarvan Christus het Middelpunt is. Het doel van God is, Zijn Zoon in de heerlijkheid "broeders" te geven die Hij tevoren gekend, verordineerd (bestemd), geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt heeft (vers 29). Zij die vroeger ellendige en verloren schepselen waren, worden nu voor hun hemelse roeping toebereid.
De verschillende raadsbesluiten van God vormen als het ware stuk voor stuk schakels in een ketting, waardoor de achterliggende eeuwigheid verbonden wordt met de toekomstige eeuwigheid. Dát geeft zin en doel aan de tegenwoordige tijd!
Het is iets geweldig groots en wonderbaars, dit zo voor ogen te hebben en te mogen overdenken!
Voor de ontvouwing van de eeuwige raadsbesluiten van God kan de verloste geen woorden vinden. Elke vraag die hij nog zou kunnen stellen, heeft hierin zijn volkomen antwoord gevonden.
God is vóór hem â welke vijand zou het nog durven wagen hem aan te vallen?
God rechtvaardigt hem â wie zou hem voortaan nog kunnen aanklagen?
De Enige Die hem zou kunnen verdoemen, is zijn grootste Voorspraak geworden: Christus. En wat zal een God Die ons in Zijn Zoon de Grootste van alle gaven gegeven heeft (2 Korinthe 9 vers 15), nu nog willen onthouden? Hij zal ons "met Hem... alle dingen schenken". Ja, wanneer het nodig is, ook de beproevingen (vers 28). Het lijkt er misschien op, dat die dingen ons eerder van de liefde van Christus zouden kunnen scheiden, omdat ze bij ons vaak gemopper en moedeloosheid kunnen bewerken. Maar het tegendeel is waar! Door dit alles zijn wij namelijk in staat om deze liefde op een manier te ondervinden en te ervaren zoals dat anders nooit mogelijk geweest zou zijn. In elke vorm van beproeving â verdrukking, angst, vervolging... â komt de veelvuldige genade van de Heere op een speciale wijze naar voren. Bijvoorbeeld als steun, troost, liefderijke zorg, volkomen medelijden... Hij komt aan elke vorm van lijden tegemoet met een Persoonlijke uitdrukking van Zijn liefde. En als wij Zijn liefde voor deze aarde, met al haar lijden, niet meer nodig zullen hebben, dan zullen wij toch, tot in alle eeuwigheid, de onderwerpen van de liefde van God blijven.
De hoofdstukken 1- 8 doen ons denken aan de geschiedenis van de verloren zoon. Zijn zonde was heel groot geweest, maar de genade nog vele malen groter. Bekleed met het kleed van de gerechtigheid, is hij in het huis van zijn vader geen dagloner geworden, maar mag hij daar in het vervolg samen met hem genieten van de volledig herstelde gemeenschap tussen hen beiden (Lukas 15 vers 11 - 32).
In de hoofdstukken 9 - 11 gaat het eigenlijk om zijn oudere broer, dat wil zeggen: het Joodse volk. Daarbij gaat het dan om de voorrechten die dit volk van nature had, maar ook om haar afgunst. Net als de vader in de gelijkenis, zo wil ook de apostel het volk Israël tonen wat de alomvattende genade inhoudt. Deze genade is echter niet gebonden aan erfelijke voordelen. Niet alle nakomelingen van Abraham waren automatisch ook kinderen van de belofte. Ezau, bijvoorbeeld, deze goddeloze, kon de zegen niet beërven, hoewel hij de tweelingbroer van Jakob was. En over hem heeft God die vreselijke woorden moeten uitspreken: "Ezau heb Ik gehaat" (vers 13). Zouden we eraan durven twijfelen dat God, voordat Hij tot deze conclusie kwam, er eerst niet alles aan gedaan heeft om dit, zo mogelijk, te voorkomen? We hoeven daarbij slechts te denken aan de tranen die de Heere Jezus over het schuldige Jeruzalem heeft vergoten (Lukas 19 vers 41), een smart die weerklank vindt in het hart van de apostel (vers 2 en 3).
We willen het nog eens herhalen en duidelijk stellen: De behoudenis, door genade, kun je nooit en te nimmer verkrijgen door geboorterecht! Alle kinderen van gelovige ouders moeten zich daar heel goed van bewust zijn!
In hun hoogmoedige ongeloof wagen de mensen het God naar hun eigen maatstaven te beoordelen. Als Hij uiteindelijk toch doet wat Hij wil â zo zeggen sommigen â waarvoor legt Hij de verantwoording dan bij ons (vers 19)? Je kunt maar doen wat je zelf wilt â voegen ze er dan nog aan toe âals je ertoe voorbestemd bent, zul je vroeger of later toch wel gered worden. En ben je niet uitverkoren, dan kunnen al je pogingen immers toch geen verandering brengen in het uiteindelijke lot dat je te wachten staat. En op deze verkeerde voorstelling van zaken volgen weer andere vragen, zoals: Is het niet onrechtvaardig, om de één wel en de ander niet uit te verkiezen? Of: Wanneer God bij voorbaat al wist van het lot van de verlorenen, waarom heeft Hij hen dan geschapen? Of: Hoe kan een goede God Zijn schepselen nu prijsgeven aan het ongeluk?
Het moet heel duidelijk gesteld worden, en dat leert dit hoofdstuk ons ook: God heeft geen enkel "vat" tot oneer (of tot toom; vers 21 en 22) toebereid! Integendeel, Hij heeft ze "met veel lankmoedigheid verdragen" en dat doet Hij ook vandaag nog (vers 22). Het zijn echter de zondaren zelf die zich voortdurend voor het eeuwige verderf toebereiden.
We willen hier heel duidelijk nog iets tegen alle twijfelaars zeggen: God heeft jullie geroepen, jullie die op dit moment Zijn Woord in handen houden. Hij wil ook van jullie "vaten van de barmhartigheid" maken! Het enige waardoor dit verhinderd wordt, is jullie eigen afwijzing. Het ligt aan jullie zelf en absoluut niet aan Hem (!) of Hij Zijn liefdevolle bedoelingen met jullie kan verwerkelijken (lees 1 Timotheüs 2 vers 4).
De toegenegenheid van de apostel voor zijn volk kwam op de juiste wijze naar voren: door voor haar te bidden (vers 1). Dat is ook onze eerste opdracht voor onze naaste die nog niet bekeerd is. Paulus wist uit eigen ervaring dat je je, met al je ijver voor God, toch op een verkeerde weg kunt bevinden. Hoeveel edele en oprechte voornemens mislukken er niet omdat ze "niet met verstand" gepaard gaan (vers 2). Dat geldt vooral voor die mensen die â tevergeefs â alles proberen om zelf de hemel te verdienen. Als je daar werkelijk wilt aankomen, dan hoefje alleen maar het Woord dat "nabij" is, aan te nemen (vers 8). Zij die op hun eigen manier in de hemel willen komen, lijken op een bergbeklimmer die in een gletsjerspleet gevallen is en daar, op eigen kracht, uit probeert te klimmen, in plaats van het touw vast te pakken dat zijn redder hem heeft toegeworpen.
De verzen 9 en 10 herinneren ons eraan dat het geloof van het hart onlosmakelijk verbonden is met de belijdenis van de mond. Als iemand niet de moed heeft om ooit eens zijn geloof te belijden â ook al is het met nog zulke eenvoudige woorden â dan kun je twijfelen aan de echtheid van zijn bekering.
In hoofdstuk 3 vers 23 hebben we gezien dat er met het oog op de zonde geen enkel onderscheid bestaat. Allen waren schuldig. En hier in hoofdstuk 10 vers 12 blijkt dat er ook wat het heil betreft, geen onderscheid is. Iedereen kan behouden worden, als hij maar wil. De Heere is rijk genoeg om aan de behoeften van allen die Hem aanroepen, tegemoet te komen.
"Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods" (vers 17). Het is dus absoluut noodzakelijk en wenselijk dat dit werkzame Woord op de hele aarde verkondigd wordt. De profeet heeft het al geschreven: "Hoe liefelijk zijn ... de voeten van Hem, ...die goede boodschap brengt..." (Jesaja 52 vers 7). Hiermee werd Christus bedoeld. Nu gaat het om "hen, die vrede verkondigen" (vers 15), want van de verlosten wordt verwacht dat zij het evangelie van de vrede doorgeven aan anderen. Ja, wanneer ieder van ons, op de plaats waar de Heere hem gesteld heeft, tot een ijverige boodschapper zou zijn, dan zou het evangelie "tot de einden der wereld" gehoord worden (vers 18). Vers 15 laat ons zien op welke wijze de gelovigen dat zouden moeten doen: Niet alleen met woorden, maar ook door het laten zien van een 'liefelijke' wandel, doordat hun voeten geschoeid zijn met de "bereidheid van het Evangelie van de vrede" (Efeze 6 vers 15).
En dan volgt er een verdrietige vraag: "Wie heeft... geloofd?" (vers 16; Jesaja 53 vers 1). Daaruit blijkt heel duidelijk dat veel harten gesloten blijven. Dat was ook het geval bij het volk Israël, ondanks alle waarschuwingen in het Oude Testament van Mozes (vers 19), David (vers 18) en Jesaja (vers 15, 16, 20 en 21). Dat betekent dus dat de wet, de Psalmen en de Profeten daarvan hebben getuigd.
Laten wij ervoor oppassen, dat ook wij niet "ongehoorzaam en tegensprekend" worden (vers 21)!
Ondanks haar ongeloof werd het volk Israël niet definitief verworpen. De apostel zelf was er een bewijs van, wat de genade nog ten gunste van de opstandige Joden zou willen en kunnen volbrengen (vers 1). Elia heeft zich ook vergist, toen hij destijds op een gegeven moment meende dat het hele volk de Heere verlaten had. En in zijn ontmoediging ging Elia zelfs zover, dat hij "God aanspreekt tegen Israël" (vers 2 en 3). Maar wat zien we dan een grote genade in het "Goddelijke antwoord" (vers 4)! De Heere heeft er in alle tijden voor gezorgd dat er een getrouw overblijfsel overbleef voor Hem, een overblijfsel dat weigerde om de knieën voor de afgoden van de wereld te buigen! Behoren wij, in deze tegenwoordige tijd, daar ook toe (vers 5)? Vers 9 geeft ons een voorbeeld van wat afgoden kunnen zijn: De zwelgpartijen aan "hun tafel" worden voor de ongelovigen, die bouwen op hun welvaart, tot een valstrik, en Psalm 69 vers 23 voegt eraan toe: "tot volle vergelding".
Na herhaalde oproepen en vermaningen werd Israël uiteindelijk verblind, ten gunste van de volken. Toch bleef het verlangen in de apostel brandende, dat de jaloersheid ten opzichte van hen die profiteerden van het heil (een jaloersheid waaronder hij zelf geleden heeft; Handelingen 13 vers 45; 17 vers 5; 22 vers 21 en 22), het Joodse volk ertoe zou aansporen de genade te zoeken, die voordien door haar versmaad werd (vers 14; hoofdstuk 10 vers 19).
O, dat het toch zo mag zijn, dat de mensen in onze omgeving, bij het zien van onze zegeningen, daar ook zelf naar zullen gaan verlangen!
Om de positie van Israël en die van de volken te verduidelijken, maakt de apostel gebruik van het beeld van een olijfboom. Deze boom is een beeld van Israël en de beloften van God, die eens aan Abraham, de wortel, gegeven zijn. Een deel van de takken van deze boom (de ongelovige Joden) werd vanwege "ongeloof" afgebroken (vers 20). En op die plaats werden takken van de wilde olijfboom geënt (vers 17). Het zal bekend zijn dat een tuinman juist het tegenovergestelde doet. Hij ent de takken van de soort die hij graag wil kweken, op de stam van een wilde boom. Deze tegennatuurlijke enting (vers 24), dus van de volken op de stam Israël, onderstreept de oneindige genade van God. De genade waardoor wij die geen Joden zijn, in het genot van de beloften die aan Abraham gegeven zijn, zijn gebracht. Daar trots op te zijn, zou de grootste hoogmoed betekenen (vers 20).
Na de opname van de Gemeente, dus van de ware gelovigen, zal het moment aanbreken waarop de afvallige christenheid op haar beurt geoordeeld zal worden. En dan zal het hele overblijfsel van Israël door haar grote Verlosser bevrijd worden (vers 26).
De volken hadden, wat hun afkomst betreft, dus geen enkel recht en Israël heeft haar recht verloren. Allen bevonden zich dus in dezelfde, ongeneeslijke toestand. Voor allen bestond er geen ander hulpmiddel dan de barmhartigheid van Boven. De apostel staat vol aanbidding stil bij de ondoorgrondelijke raadsbesluiten van God: "0 diepte van rijkdom, zowel van de wijsheid als van de kennis van God...!" (vers 33).
Tot nu toe hebben we gelezen over datgene wat God voor ons gedaan heeft. De hoofstukken 12 - 15 leren ons nu wat Hij van ons verwacht. De Heere heeft immers alle rechten op ons leven verworven! Laten we Hem dan ook ter beschikking stellen wat van Hem is: ons lichaam, als "een levende... offerande" (in tegenstelling tot de dode offers van de Joodse godsdienst), opdat Hij door haar kan werken.
Voordat wij Hem echter kunnen dienen, moet ons vernieuwde "gemoed" (vers 2) de wil van de Heere erkennen (lees Kolosse 1 vers 9 en 10). Die wil is, ongeacht hetgeen wij er zelf van vinden, altijd goed, welgevallig en volmaakt (denk goed over deze woorden na!), omdat het Zijn wil is (vers 2; Johannes 4 vers 34). Het is ook heel belangrijk dat wij waken over onze gedachten en die oordelen, opdat ze nederig, gezond en rein zullen blijven en niet zelfzuchtig zullen worden (vergelijk Filippensen 4 vers 8).
De verzen 6 - 8 geven een opsomming van enkele genadegaven: profeteren, dienen in de gemeente, onderwijzen, vermanen, beheren en het leiden van de kudde. Misschien zeg je: 'Al deze dingen zijn niet op mij van toepassing. Dat geldt alleen voor oudere christenen, die ervaring hebben'. Dan willen we je erop wijzen dat het laatste wat in vers 8 genoemd wordt, in ieder geval wél voor jou geldt, hoe oud je ook bent: "die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid". En in 2 Korinthe 9 vers 7 schrijft de apostel: "God heeft de blijmoedige gever lief". Heerlijk, om dat te mogen weten en... te ervaren!
In de verzen 1- 8 gaat het om onze dienst voor God. De verzen 9 - 16 noemen hoofdzakelijk onze opdrachten ten opzichte van onze broeders. En in de verzen 17 - 21 gaat het ten slotte om onze verantwoording met betrekking tot alle mensen.
Het is goed dat we over elke vermaning afzonderlijk goed nadenken, en deze dingen vervolgens in ons dagelijkse leven in daden omzetten.
Het gezag van het Woord van God strekt zich uit tot, en dient van invloed te zijn op ons persoonlijk leven, maar ook op ons gezinsleven, ons werk, enzovoort. Dat geldt voor de hele week, op zondag en in tijden van vreugde, maar ook als we verdriet hebben (vers 15). Er bestaat geen enkele omstandigheid waarin wij ons niet als christenen zouden kunnen (of zouden moeten) gedragen.
Vers 11 moedigt ons aan om actief bezig te zijn. En dat niet voor eigen roem, maar alle vormen van dienst die ons voorgesteld worden, zoals weldadigheid en gastvrijheid (vers 13), zouden we moeten doen met slechts één doel voor ogen: "Dient de Heere".
Zich in alle nederigheid om nederigen bekommeren (vers 16), met geduld ongerechtigheden en beledigingen verdragen (vers 17 - 20), dat zijn dingen die tegen onze natuur ingaan. Brengen we ze echter in praktijk, dan zal het leven van Christus in ons openbaar worden, zoals dat zich ook in Hem geopenbaard heeft (1 Petrus 2 vers 22 en 23). Het enige juiste antwoord op het kwaad is: 'goed doen', en dat is tevens de enige mogelijkheid om het kwade te overwinnen (vers 21).
Als wij ons aan de machten die over ons gesteld zijn, onderwerpen, dan gehoorzamen wij God, Die hen heeft aangesteld, tenzij zij iets van ons eisen wat in duidelijke tegenstelling staat met de wil van de Heere (vergelijk Handelingen 4 vers 19 en 5 vers 29). De christen die profiteert van veiligheid en de openbare diensten, waarvoor de staat garant staat, moet zich ook als een goed burger gedragen. Hij moet gewetensvol zijn belastingen betalen (vers 7) en de wetten en verordeningen nakomen. Dat betekent dus dat je je bijvoorbeeld aan de maximum-snelheid moet houden. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden op te noemen. De gelovige moet in geen enkel opzicht aanstoot geven.
"Weest niemand iets schuldig" (vers 8), is een vermaning die wij in onze tijd, waar het kopen op afbetaling heel gewoon geworden is, niet mogen vergeten. Er bestaat slechts één schuld die ons verplichtingen oplegt en die we nooit kunnen inlossen: de liefde, want dat is het antwoord op de oneindige liefde van God tot ons. Overigens worden in dit ene woordje 'liefde' alle lessen van dit hoofdstuk samengevat: liefde "om des Heeren wil" (1 Petrus 2 vers 13), tot onze broeders en zusters, tot alle mensen.
Een belangrijke reden om trouw te blijven en onze harten daartoe op te wekken, is het feit dat "de morgenstond" komt (Jesaja 21 vers 12). Terwijl de zedelijke nacht van deze wereld voortduurt, wordt de gelovige opgeroepen om "de wapenen van het licht" aan te doen (vers 12; Efeze 6 vers 13 en verder), ja, de Heere Jezus Zelf aan te doen (vers 14). Dat betekent dat je Hem aan anderen laat zien, zoals je je ook aan andere mensen vertoond in smetteloze kleding. Word toch wakker, vrienden! Het is nu niet de tijd om voor jezelf te leven. De Heere staat op het punt om te komen!
In het Boek Handelingen hebben we gezien hoeveel moeite het de christenen die uit het Jodendom kwamen, kostte om afstand te nemen van de vormen van die godsdienst. Vandaag de dag zijn er in de christenheid ook nog een heleboel gelovigen die grote waarde hechten aan uiterlijke gebruiken, zoals: geen vlees eten, feestdagen in acht houden, enzovoort. Laten we hen niet oordelen! Ik heb geen enkel recht om eraan te twijfelen dat iemand zoiets doet tot eer van de Heere (vers 6), van Wie hij een dienstknecht is en aan Wie hij verantwoording verschuldigd is. Gewoonlijk is de neiging om anderen te veroordelen een bewijs dat ik mijn eigen hart maar heel slecht ken. Wanneer ik mijzelf verafschuw en mij tegelijkertijd bewust ben van de genade van God, waardoor ik gedragen word, dan zal elke geest van arrogantie uit mijn gedachten verdwijnen. Hoe zou ik mijzelf trouwens als rechter kunnen voordoen terwijl ik zelf immers binnenkort voor de rechterstoel zal moeten verschijnen om rekenschap af te leggen van mijn doen en laten (vers 10 en 12), hoewel ik al gerechtvaardigd ben?
De beweegredenen voor het gedrag van anderen heb ik niet te beoordelen. Wel moet ik er voor mijzelf op toezien dat ik anderen geen aanstoot geef. Ik word zelf opgeroepen om mij van alles te onthouden wat een andere gelovige ten verderf (dat wil zeggen: tot schade voor de opbouwing) zou kunnen zijn. Vers 15 noemt daar de doorslaggevende reden voor: het gaat om de broeder "voor wie Christus gestorven is".
Deze verzen gaan door met het onderwerp hoe wij ons te gedragen hebben ten opzichte van andere gelovigen. Behalve de waarschuwing hun geen aanstoot te geven, vinden we hier ook positieve vermaningen.
Ten eerste: dat na te jagen "wat tot de vrede, en wat tot de stichting onder elkander dient" (vers 19). Anderen bekritiseren heeft het tegenovergestelde tot gevolg.
Ten tweede: "De zwakheden van de niet sterken te dragen" (hoofdstuk 2 vers 1; wat echter niet betekent dat je daarbij zonden door de vingers zou moeten zien). We moeten dat hoofdzakelijk in het gebed doen, en daarbij bedenken dat wij voor onze eigen zwakheden ook de bijstand van onze broeders en zusters nodig hebben.
Ten derde: niet datgene zoeken waar wij zelf een welgevallen in hebben, maar wat goed is voor onze naaste. Dan zullen we de voetstappen van ons volmaakte Voorbeeld volgen (vers 2 en 3). Menig lezer van de evangeliën is tot de verrassende ontdekking gekomen, dat de Heere Jezus nooit iets voor Zichzelf gedaan heeft.
Ten vierde: ernaar streven onderling eensgezind te zijn, opdat de gemeenschap in het dienen en verheerlijken van de Vader niet verstoord wordt (vers 5 en 6). En elkaar aannemen met dezelfde genade waardoor "ook Christus ons aangenomen heeft" (vers 7).
We willen ook nog wijzen op de Namen die hier aan "de God en Vader van onze Heere Jezus Christus" (vers 6) gegeven worden. Hij is "de God van de lijdzaamheid en van de vertroosting" (vers 5), dat Hij onze harten in Zijn Woord wil geven (vers 4). Hij is ook "de God van de hoop", en wil graag dat wij rijk zijn in de hoop (vers 13).
De apostel is ervan overtuigd dat de christenen in Rome op de goede weg voortgaan (vers 14). Ervan uitgaan dat het goede bij onze broeders aanwezig is, betekent Christus te vertrouwen, Die in hen is. Daardoor worden zijzelf weer aangespoord om op datzelfde niveau te blijven.
Het is ontroerend om te zien hoe nederig Paulus zijn bezoek aan de Romeinen aankondigt. Niet alsof zij zijn vermaningen nodig zouden hebben, maar, integendeel, door te erkennen dat zijzelf heel goed in staat zijn om elkaar te vermanen (vers 14). Hij bezoekt hen ook niet met de gedachte dat zij dan de eer zullen hebben hem te mogen ontvangen, maar het is zijn verlangen zelf van het samenzijn te genieten (vers 24). En ten slotte schrijft deze grote apostel aan zijn broeders in Rome dat hij hun gebeden zo nodig heeft (vers 30). Op geen enkele wijze stelt Paulus zich dus boven de Romeinse gelovigen.
Gedrongen door zijn ijver voor het evangelie had Paulus vaak geprobeerd om naar Rome te gaan (vers 22). God stond dit, in Zijn grote wijsheid, echter niet toe, opdat de hoofdstad van de toenmalige wereld niet tot het middelpunt van Zijn werk zou worden. De gemeente van Rome zou zich er nadien niet op kunnen beroemen dat zij door een apostel gesticht zou zijn, om zich zodoende boven de andere gemeenten te verheffen. (Later is dit echter, zoals we weten, toch gebeurd!)
De Gemeente, als geheel, is de ware hemelse en eeuwige `Hoofdstad' van de heerlijkheid en in de wegen van God.
Hoofdstuk 12 heeft ons lessen gegeven over de christelijke toewijding en dienst. Hoofdstuk 16 laat zien dat deze dingen ook in praktijk gebracht worden door verschillende geliefde gelovigen in Rome, aan wie Paulus zijn groeten doet.
Iemand heeft eens gezegd: 'Hier wordt ons een voorbeeld gegeven van een bladzijde uit het boek van de eeuwigheid. Er bestaat geen enkele dienst die we voor de Heere doen die niet in Zijn boek vermeld wordt. En daarbij gaat het niet alleen om de dienst, maar ook om de wijze waarop iemand haar verricht. Elke dienst en elke broeder of zuster wordt daar afzonderlijk in vermeld.'
Zo worden in vers 12 de namen van Tryfena en Tryfosa, die "in de Heere arbeiden", niet in één adem met Persis genoemd, omdat zij "veel gearbeid heeft in de Heere". De diensten van deze drie gelovigen worden dus afzonderlijk aangehaald. Alles wordt erkend en genoteerd door Hem, Die Zich niet vergist.
Paulus vergeet datgene wat voor hemzelf gedaan is, ook niet (vers 2 en 4). Hier worden zijn medearbeiders Priscilla en Aquila opnieuw genoemd (Handelingen 18). De gemeente kwam heel eenvoudig in hun huis samen (wat een contrast met de geweldige kerkgebouwen die sindsdien in Rome gebouwd zijn!).
De groeten in Christus dragen ertoe bij, dat de band van de broederlijke gemeenschap verstevigd wordt. We zouden nooit moeten verzuimen de groeten die ons door broeders en zusters meegegeven zijn, over te brengen.
Ondanks dat Paulus vreugde beleefde aan de gelovigen in Rome (vers 19), verloor hij de gevaren waaraan zij blootstonden, niet uit het oog. Voordat hij zijn Brief beëindigt, waarschuwt hij hen voor valse leraars. Dezen zijn te herkennen aan het feit dat zij werken voor eigen welgevallen, zodat hun eigen eer gestreeld wordt en hun eigen lusten bevredigd worden (dat is het dienen van hun eigen buik, zoals vers 18 dat zegt; Filippi 3 vers 19). Hiervoor bestaat slechts één middel: zich van hen afwenden en "onschuldig in het kwade" blijven, dus niet met hen in discussie gaan of hun dwalingen bestuderen (vers 17 - 19; Spreuken 19 vers 27)! Desondanks blijven we niet koud en onverschillig onder deze openbaringen van het kwaad. Om ons te bemoedigen, verzekert de Heilige Geest ons daarom dat de God van de vrede heel binnenkort de satan onder onze voeten zal verpletteren (vers 20).
Onder de eerste christenen bevonden zich meerdere familieleden van Paulus (vers 11 en 21). Dit zal zeker een vrucht van zijn gebeden geweest zijn (hoofdstuk 9 vers 3 en 10 vers 1). Dat ons dit toch mag aansporen tot voorbede voor onze onbekeerde familieleden!
Wat God van ons geloof verwacht, is gehoorzaamheid (vers 19 en 26). En wat ons geloof door "onze Heere Jezus Christus" van Hem mag verwachten, is kracht (vers 25), wijsheid (vers 27) en genade (vers 20 en 24). Samen met de apostel mogen we Hem de eer geven, Hem danken, en vooral leven tot Zijn welgevallen.
Door de dienst van Paulus was er in Korinthe een grote gemeente ontstaan (Handelingen 18 vers 10). En omdat hij niet alleen een ijverig evangelist, maar ook een trouwe herder was, bekommerde hij zich nog steeds, met liefdevolle zorg, om de Korinthiërs (vergelijk 2 Korinthe 11 vers 28). Vanuit Efeze schrijft hij hun deze eerste Brief, die ook gericht is aan "allen, die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats" (vers 2). Als u (jij) tot hen behoort, dan is deze Brief dus ook voor u (jou) bedoeld.
Paulus had verdrietige dingen over de Korinthiërs gehoord. Er waren in deze gemeente allerlei verkeerde dingen naar voren gekomen. Voordat hij echter dit bedroevende thema aansnijdt, herinnert hij de gelovigen eerst aan hun geestelijke rijkdommen, die zij aan de genade van God te danken hadden (vers 4 en 5).
Laten wij ook maar eens proberen om al onze waardevolle voorrechten op te tellen! Dat zal ons helpen nog meer onze verantwoording te voelen en ons christelijke leven nog ernstiger te nemen. En laten we vooral de Heere danken voor al deze dingen, zoals de apostel dat ook doet!
Het eerste waar de gemeente van Korinthe daarna op gewezen wordt, is hun onenigheid. Men volgde mensen na (Paulus, Apollos, Cefas en Christus, als een Leraar Die boven anderen verheven was; Johannes 3 vers 2), in plaats van verenigd te zijn in de gemeenschap van Jezus Christus, Gods Zoon (vers 9).
O, dat die kostbare gemeenschap toch ook altijd ons deel mag zijn en dat wij die altijd zullen ervaren en genieten (1 Johannes 1 vers 3)!
Voor ons "die behouden worden" is "het woord van het kruis" "een kracht van God" (vers 18). Voor alle andere mensen is het slechts een dwaasheid. Alles wat het kruis betekent: de dood van de Rechtvaardige, hetgeen door Gods gerechtigheid geëist werd; de onverdiende vergeving voor zondaren; het terzijde stellen van de natuurlijke mens âdat zijn allemaal waarheden die tegen het menselijk verstand ingaan en waar de mens zich van nature in zijn eigen eer voelt aangetast. Als men daarentegen wonderen en opzienbarende werken kan laten zien of een hoog ideaal nastreeft, dat gepaard gaat met een hoog moreel, hetgeen veel moeite kost â ja, dan heb je een godsdienst waar niemand aanstoot aan neemt. Maar alle wijzen, alle verstandigen en Schriftgeleerden, kortom: de grote denkers van deze tijd (maar ook van alle tijden), worden in vers 18 onder één noemer samengevat: het zijn zij "die verloren gaan".
Het is een feit dat er zich onder de verlosten van de Heere maar weinig wijzen, machtigen en edelen bevinden (vers 26). Voor hen is het namelijk veel moeilijker om te worden als "de kinderkens" dan voor de anderen (Mattheüs 18 vers 3 en hoofdstuk 11 vers 25). Om Zichzelf te verheerlijken, zoekt God datgene uit wat zwak, onedel en veracht is. En zo worden de christenen door de wereld ook ingeschat. Maar wat heeft de eigen waarde dan nog voor betekenis, voor hen die "in Christus Jezus" zijn? Hij is voor hen namelijk alles geworden: kracht, wijsheid, gerechtigheid, heiligheid en verlossing (vers 24 en 30).
Wij weten dat bepaalde zaken in deze wereld vaak gewonnen kunnen worden door een goede overredingskunst, door een vurig pleidooi met "bewegelijke (overredende) woorden van de menselijke wijsheid" (vers 4). God heeft geen gebruik gemaakt van deze menselijke capaciteiten, noch van een goede wervingscampagne, om het geloof mee te delen (vers 4 en 5). Ondanks zijn opleiding heeft Paulus in Korinthe niet met zijn wijsheid, zijn kennis en welbespraaktheid gepronkt. Dat zou in tegenspraak geweest zijn met zijn onderwijs, want het kruis van Christus, dat hij verkondigde, betekende immers het einde van alles waar de mens nog trots op zou kunnen zijn.
Het is echter absoluut niet zo, dat de gelovige daarom nu veel te kort zou komen. Hij heeft namelijk de onzichtbare dingen ontvangen, "die ons van God geschonken zijn" â en tegelijkertijd ook het Middel om deze dingen te ervaren en te genieten: de Heilige Geest. Hij is de enige Gevolmachtigde Die God gebruikt om ons Zijn gedachten mee te delen (vers 12) .
Wat heeft een muziekstuk voor nut als er geen instrumenten zijn die het kunnen spelen? Wat heb je aan een CD als je geen CD-speler hebt? Wat voor uitwerking zou een prachtig concert hebben op luisteraars die doof zijn? Evenmin is de taal van de Heilige Geest te begrijpen door "de natuurlijke mens". De "geestelijk mens" kan daarentegen de "geestelijke dingen" die door de Heilige Geest geleerd worden, wel verstaan (vers 13 - 15).
Omdat de Korinthiërs zich alleen bezighielden met de scheuringen, hadden ze, in geestelijke opzicht, geen vooruitgang geboekt. Ze lijken op slechte leerlingen die in hun domheid gaan bekvechten over wie van hen toch de beste leraar en het mooiste klaslokaal heeft. Paulus maakt hun duidelijk dat het van onvolwassenheid getuigt, wanneer je je met de dienstknecht in plaats van met zijn onderwijs bezighoudt. Dat betekent niets anders dan dat je "nog vleselijk" bent (vers 2 en 3). En hoe vaak overkomt het ons niet, dat we de waarheid verwisselen met degene die haar brengt. Wanneer wij bijvoorbeeld met een vooroordeel naar een dienstknecht van God luisteren en menen dat hij ons toch niets te geven heeft, dan ontvangen we precies datgene wat we verwacht hebben, namelijk niets!
Daarna wijst Paulus op de verantwoordelijkheid van degene die het onderwijs geeft. In het werk van God, dat met een akker of met een bouwwerk vergeleken wordt, heeft iedere arbeider een eigen taak. Hij kan verschillend materiaal aandragen. Hij kan goed materiaal aandragen (dat wil zeggen: verschillende kanten van de waarheid en daardoor personen die God kan erkennen als de Zijnen) waardoor de zielen opgebouwd worden, door hun de gerechtigheid van God (goud), de verlossing (zilver) en de heerlijkheden van Christus (kostbare stenen) voor te stellen. Hij kan echter ook, onder een schijn van iets geweldigs te presteren, met hout, hooi en stoppels bouwen, dus met valse leer, en daarmee onbekeerde personen binnenbrengen. Deze arbeid zal door vuur vernietigd worden.
Laat iedereen er daarom op toezien hoe (en niet hoeveel) hij bouwt â en dat op het enige en onwankelbare Fundament: Jezus Christus.
Behalve de ware arbeiders, die echter slecht werk kunnen leveren (vers 15), bestaan er ook valse dienstknechten, die de tempel van God verderven (vers 17). Laat niemand zich vergissen in wat hij is, of wat hij doet (vers 18)! En laten we oppassen voor menselijke waardebepalingen en verstandelijke besluiten! Dat zijn bedrieglijke maatstaven! De wijsheid van de wereld is dwaasheid bij God â de wijsheid van God is dwaasheid in de ogen van de wereld (vers 19). Al naar gelang het doel dat wij nastreven, zal ons de ene of de andere wijsheid begerenswaardig toe schijnen. "De natuurlijke mens" kijkt met medelijden neer op de christen, die, naar zijn mening, de voordelen en het genot van de tegenwoordige tijd opoffert voor een onduidelijke en onzekere toekomst.
Laat het maar zo zijn, dat wij allemaal door wat anderen een dwaasheid vinden, bevangen zijn! Wat zijn immers al die arme, ijdele dingen waarmee we zouden kunnen pronken, in vergelijking bij datgene wat wij als gelovigen bezitten? "Zij zijn alle van u", zegt Paulus (vers 22); alles behoort ons toe, omdat wij Christus toebehoren, Die alles bezit. In de afhankelijkheid van Hem staat ons alles ter beschikking wat wij in Zijn dienst nodig hebben.
Maar belangrijker dan al het andere is, dat wij "getrouw bevonden" worden (hoofdstuk 4 vers 2). Iedereen, groot of klein, is een zaakwaarnemer en zal als zodanig â niet van de kant van zijn broeders, maar van Hem Die de harten kent â zijn lof ontvangen (vers 5).
De oorzaak van de onderlinge twist in Korinthe was hoogmoed (vergelijk Lukas 22 vers 24). Iedereen liep te koop met zijn eigen geestelijke gaven en kennis (hoofdstuk 1 vers 5) en vergat daarbij, dat hij alles slechts uit genade ontvangen had. Maar de kiem hiervan zit ook in ons eigen hart! Om nederig te blijven is het goed om steeds de vraag uit vers 7 voor de aandacht te houden: "En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen?"
Zichzelf op de voorgrond plaatsen, is iets anders dan "Jezus Christus, en Die gekruisigd" (hoofdstuk 2 vers 2) als Middelpunt hebben. In feite betekent het niets anders dan dat je nu al wilt heersen, terwijl er geschreven staat: "indien wij verdragen" (in de tegenwoordige tijd), "wij zullen ook met Hem heersen" (2 Timotheüs 2 vers 12). Voor zichzelf had Paulus deze dingen niet omgekeerd. Gewillig nam hij de plaats in van één van de "uitvaagsels van de wereld", verguisd door iedereen (vers 13). Dat is een positie waar slechts weinige christenen zich tevreden mee kunnen en willen stellen! Omdat Paulus echter wist dat het om het ware geluk van zijn geliefde Korinthiërs ging, smeekte hij hen om hem te volgen op deze weg. Hij was hun geestelijke vader (vers 15) en wilde graag dat zij op hem zouden lijken, zoals kinderen op hun natuurlijke vader lijken. Zouden ze zijn waarschuwingen echter in de wind slaan, dan was hij bereid om "met de roede" tot hen te komen. Dat betekende dat hij streng met hen zou handelen. Dat is een opdracht die hij als vader dan ten gunste van zijn "lieve kinderen" (vers 14) zou uitoefenen.
Hier behandelt de apostel een ontzettend pijnlijk onderwerp. Behalve de verdrietige scheuringen was er in de gemeente van Korinthe nog iets veel ergers aan de hand. Er was morele zonde aanwezig, waardoor de hele gemeente verontreinigd was, hoewel dit kwaad door één persoon bedreven was (vergelijk Jozua 7 vers 13 en verder). Dit "zuurdeeg", dat bij de Korinthiërs leed en droefheid had moeten bewerken, verhinderde hen echter niet om "opgeblazen" te zijn (vers 2). Ze doen net als een melaatse die zijn ziekte probeert te verdoezelen en zijn wonden probeert te verbergen onder prachtige kleding. Ter wille van de Heere vraagt Paulus oprechtheid en waarheid van hen (vers 8). En hij schrikt er niet voor terug om dit kwaad openlijk bekend te maken. Voor elke dienst en elke christelijke belijdenis is het eerst nodig, dat het geweten volkomen in orde is. En de heiligheid vereist het, dat de gelovigen niet alleen in hun eigen leven afstand nemen van alle vormen van kwaad, maar dat zij zich ook afwenden van hen die in de zonde leven, hoewel die zich misschien kinderen van God noemen (vers 11).
Wat is dan de reden dat wij ons persoonlijk en als gemeente ver moeten houden van elke gemeenschap en elke vorm van lichtvaardig omgaan met het kwaad? Niet omdat wij menen beter te zijn dan anderen, maar om de oneindig grote waarde van het Offer, waardoor onze zonden verzoend zijn (vers 7).
Er was nog iets niet in orde in Korinthe. Er waren broeders die hun onderlinge twist tot voor de rechtbank uitvochten. Wat een verdrietig getuigenis! De apostel berispt zowel degene die het onrecht gedaan heeft, als degene die het niet verdragen heeft.
Daarna geeft hij een opsomming van vreselijke dingen die onder de heidense volken gebruikelijk zijn, en wijst hij de Korinthiërs er uitdrukkelijk op, dat het niet mogelijk is behouden te zijn en desondanks in ongerechtigheid verder te leven. "En dit waart gij", zegt hij tegen hen. Maar zie dan, wat God gedaan heeft! Hij heeft jullie afgewassen, geheiligd en gerechtvaardigd! Is dat dan gebeurd opdat jullie je opnieuw zouden kunnen verontreinigen (vers 11)?
Behalve dat hij niet moet zondigen, is de gelovige niets verboden â maar als hij niet oppast, dan kan hij wel door alles overweldigd worden (vers 12). Het kwaad steekt niet in de dingen op zich, maar in de liefde die in het hart aanwezig is voor deze dingen.
De verzen 13 - 20 hebben betrekking op de reinheid. O, dat dit toch vooral in de harten van jonge gelovigen gegraveerd mag staan! We zijn geen baas over ons eigen lichaam, zodat we daarmee zouden kunnen doen wat we zelf willen. God heeft ons lichaam gekocht â en laten we nooit vergeten hoe hoog de prijs daarvoor was! â om daaruit voor Christus een lid van Zijn Lichaam te maken (vers 15), en een tempel voor de Heilige Geest, dat heilig moet zijn, net als haar Goddelijke Bewoner (vers 19).
Nadat de apostel in hoofdstuk 6 vers 13 - 20 de gelovigen gewaarschuwd heeft voor onreinheid, spreekt hij in hoofdstuk 7 over de weg die de gelovige met toestemming van de Heere kan gaan: het huwelijk. De jonge christen die door het Woord bewaard is op zijn weg (Psalm 119 vers 9), doet er goed aan, zich in deze belangrijke beslissing volkomen door de Heere te laten leiden.
In hoofdstuk 8 spreekt Paulus over het vlees uit de slachthuizen, dat vaak op de altaren van de heidenen geofferd werd voordat het op de markt verkocht werd. Voor velen lag hier een gewetensprobleem (vergelijk Romeinen 14). In onze landen is dit geen actuele vraag meer, maar deze vermaningen gelden voor alle situaties waarin het gevaar bestaat dat wij andere gelovigen aanstoot geven.
De Korinthiërs wisten veel, hadden veel kennis! Telkens herhaalt de apostel de woorden: "Weet gij niet...?"; met andere woorden: 'Het is jullie toch bekend?!' (zie hoofdstuk 6 vers 2, 3, 9, 15 en 19). Maar waartoe diende hen al deze kennis? Ze deden niet anders dan zichzelf daarop beroemen!
Voor ons â die veel waarheden vaak meer met het hoofd dan met het hart kennen â bestaat hetzelfde gevaar. Om te weten hoe "men behoort te kennen", moet men God liefhebben (vers 3). En Hem liefhebben betekent: datgene in praktijk brengen wat voor ons een voorrecht is om te mogen weten (Johannes 14 vers 21 en 23).
Opgeblazen door hun gaven en kennis, had een aantal mannen in de gemeente van Korinthe zichzelf een speciale plaats toegemeten. Zelfverheffing leidt echter altijd tot vernedering van anderen. Dat zien we ook hier, want bij deze mannen was het zelfs zover gekomen dat ze het gezag van de apostel, en daarmee het gezag van God, aanvochten. Paulus ziet zich er daarom toe gedwongen, zijn dienst en wandel te rechtvaardigen. Het evangelie verkondigen was zijn opdracht, zoals hij die uit de mond van de Heere ontvangen had. En hij was niet ongehoorzaam geweest aan "dat hemels gezicht" (Handelingen 26 vers 17 - 19).
Het voorbeeld van een akkerbouwer komt veel vaker in de Schrift voor. Daarbij wordt eerst de nadruk gelegd op de moeite die het een boer kost om de aarde te bewerken (Genesis 3 vers 17). Dan gaat het om de hoop en het geloof, waardoor de landbouwer aangespoord moet worden (vers 10; 2 Timotheüs 2 vers 6). En ten slotte moet hij met geduld wachten op "de kostbare vrucht van het land" (Jakobus 5 vers 7). De Korinthiërs waren "Gods akkerwerk" (hoofdstuk 3 vers 9), en de trouwe knecht van de Heere verrichtte daarop zijn werk, een werk waarbij hij zich veel dingen waar hij recht op had, heeft ontzegd, om vooral geen verhindering te zijn voor het evangelie van Christus. (Wat bestaan er veel dingen waar wij veel minder recht op hebben, maar waardoor onze dienst toch vaak gehinderd wordt!) Paulus was hier bezig met een moeizaam werk: wieden. Hij trok als het ware al het onkruid uit het veld van de Korinthiërs, dat er in de loop van de tijd gegroeid was.
De apostel was, in alle nederigheid, voor allen een dienstknecht, om hen zodoende voor het evangelie te winnen. Betekent dat, dat we kunnen aannemen dat hij daarom tot allerlei compromissen bereid geweest is? Zeer zeker niet! Wanneer Paulus enerzijds een "verleider" voor Christus was, dan was hij anderzijds toch altijd "waarachtig" (2 Korinthe 6 vers 8). Net zoals de Heere Jezus handelde bij de bron van Sichar, zo wist ook Paulus iedereen op zijn eigen terrein en in zijn eigen taal, dus op diens eigen niveau, te bereiken. De Joden stelde hij de God van Israël voor de aandacht, maar wees hun ook op hun verantwoording in de verwerping van de Verlosser, de Zoon van David, en de vergeving van de zonden (Handelingen 13 vers 14 en verder). De volken die de afgoden dienden, verkondigde hij de enige God, Die geduld heeft met Zijn schepselen en Die tegen hen zegt dat zij zich moeten bekeren (Handelingen 17 vers 22 en verder).
Er stond de apostel voortdurend slechts één ding voor ogen: de kroon waarmee al zijn moeite beloond zou worden. Deze kroon werd als het ware gevormd door de zielen van hen die door zijn dienst behouden zijn geworden (1 Thessalonika 2 vers 19; Filippi 4 vers 1). Hij strekte zich uit naar dat doel, en liep zoals een atleet in het stadion, die zijn lichaam onderwerpt aan een strenge tucht en die enkel en alleen aan de overwinning denkt.
Een sportman of sportvrouw heeft slechts vergankelijke eer voor ogen, een lauwerkrans die morgen weer verwelkt is (vers 25). Onze christelijke wedloop zal echter met een kostbare, onverwelkbare kroon beloond worden. Laten we daarom zo lopen dat we die zullen winnen (vers 24; 2 Timotheüs 4 vers 8)!
In het voorbeeld van Israël laat de apostel de grote verantwoording zien van hen die belijden christenen te zijn. Uiterlijk hebben zij aan de voortreffelijkste, geestelijke zegeningen deel gekregen: Christus, Zijn werk, Zijn Geest, Zijn Woord... (vers 3 en 4). Toch kan God aan de meesten van hen geen welgevallen hebben, omdat het hun ontbreekt aan geloof (vers 5; Hebreeën 10 vers 38). Door de geschiedenis van het volk in de woestijn geeft de Heere ons een verdrietig voorbeeld van hetgeen uit onze eigen harten voort kan komen, zelfs onder de dekmantel van het christendom: begeerte, afgodendienst, mopperen... En de Heere waarschuwt ons heel ernstig voor de gevolgen van deze vruchten van het vlees â hoewel de genade ten gunste van de gelovigen werkzaam is.
De verzoeker probeert er alles aan te doen om het kwaad dat werkzaam is in ons (en dat wij zo graag zouden willen overwinnen), aan te wakkeren, opdat wij ten val zullen komen. En als hem dat lukt, dan is dat vaak op een moment waarop wij meenden â in eigen kracht â vast te staan (vers 12).
Gelukkig lezen we dan: "God is getrouw" (vers 13). Dat is ook een geweldige bemoediging voor ons! Hij kent onze zwakheid en zal het de satan niet toestaan ons meer te verzoeken dan wij kunnen verdragen (vergelijk Job 1 vers 12 en 2 vers 6). En Hij heeft bij voorbaat een glorierijke uitkomst voor de verzoeking voorbereid (vers 13). Laten we, elke keer als de vijand komt, steunen op deze beloften en niet op eigen kracht! Ja, God is getrouw!
De gemeenschap met God is het gezegende deel van de gelovige en sluit elke deelname aan afgoderij, ook al lijkt het nog zo onschuldig, uit. Deze gemeenschap komt op bijzondere wijze tot uitdrukking aan "de tafel des Heeren" (vers 21). Allen die deelnemen aan het breken van het brood en drinken van de beker, zijn in principe verlosten van de Heere; lang niet alle verlosten nemen daar echter aan deel. In het geloof mogen wij hen echter allemaal verenigd zien in dat ene brood, het zichtbare teken van het ene Lichaam. Het brengt de eenheid van de Gemeente tot uitdrukking, een eenheid waarvan de godsdienstige wereld meent deze in eigen kracht tot stand te moeten en te kunnen brengen (terwijl deze immers al bestaat!).
Wanneer ik niet steeds mijn eigen belangen op het oog heb, zal ik veel tijd over hebben om mij in te zetten voor de belangen van anderen (hetgeen ook de belangen van Jezus Christus zijn; vergelijk Filippi 2 vers 21). De belangen van anderen zoeken, wil echter niet alleen zeggen dat je bezorgd bent over hun welzijn, maar ook dat je rekening houdt met hun geweten. Dat betekent dat je om hen bepaalde dingen doet en andere dingen juist nalaat. Dat brengt mij ertoe, om mijzelf steeds dezelfde vraag te stellen: 'Heb ik de vrijheid om met dankzegging deel te nemen aan hetgeen op mijn weg komt? Is dat wat ik op dit moment doe âook al gaat het daarbij alleen om eten en drinken (in tegenstelling tot vers 7) â tot eer van God of niet?'
Er zijn maar weinig gedeelten in de Bijbel waarover zoveel verschil van mening is ontstaan als over het onderwijs in dit hoofdstuk (vers 16). Waarom houdt de apostel â beter gezegd: de Heilige Geest â zich bezig met zulke schijnbaar onbelangrijke vragen als het lange haar van de vrouw en haar bidden zonder hoofdbedekking?
Het is goed er allereerst aan te denken dat ons christen-zijn niet bestaat uit een aantal opmerkelijke daden, die van tijd tot tijd volbracht dienen te worden. Nee, zij bestaat uit een geheel van (kleine) handelingen, waaruit ons dagelijks leven is opgebouwd (Lukas 16 vers 10). Anderzijds is het ook goed om eraan te denken dat God verheven is. Hij hoeft ons niet altijd de redenen aan te geven voor datgene wat Hij in Zijn Woord van ons verlangt. Gehoorzamen zonder erover te discussiëren, dat is de enige en ware gehoorzaamheid!
Deze aanwijzingen mogen we dan ook als een soort toetssteen beschouwen, voor elk christelijk meisje en elke christelijke vrouw. Het is net alsof de Heere vraagt: Wil je dat voor Mij doen?'
Is het ook het verlangen van jouw hart, om je afhankelijkheid en onderwerping door deze uiterlijke tekenen te tonen? Of wil je liever met de mode meedoen en denk je dat men niet zo moeilijk moet doen?
En laten we ten slotte het ernstige feit nooit vergeten dat de onzichtbare wereld van de engelen ziet hoe de gelovigen reageren op de gedachten van God (vers 10). Wat zien zij bij ons? Wat zien ze bij mij?
Er kwamen scheuringen voor in Korinthe, wat natuurlijk ook invloed had op de samenkomsten. De rijken beschaamden de armen en prikkelden hen tot jaloersheid. En wat nog erger was: het avondmaal werd verward met een liefdesmaal (een gemeenschappelijke maaltijd) en werd door velen op onwaardige wijze gevierd. De apostel grijpt deze aangelegenheid aan, om hen eraan te herinneren wat de Heere speciaal aan hem geopenbaard had. Het avondmaal is een heilige nagedachtenis aan Christus, Die Zichzelf voor ons heeft overgegeven. Het is een gedachtenismaaltijd, dat zeker tot het hart van de deelnemers afzonderlijk spreekt, maar ook algemeen het belangrijke feit verkondigt: Hij Die de Heere is, heeft moeten sterven! En wij worden opgeroepen om deze dood van de Heere, tot aan Zijn wederkomst, te verkondigen, en wel op een wijze zoals ons geleerd is, door deze eenvoudige en toch zo kostbare tekenen.
Deze gedachtenismaaltijd spreekt echter ook tot het geweten van de gelovigen. De dood van Christus betekent namelijk de veroordeling van de zonde. Deelnemen aan het avondmaal zonder zich vooraf zelf geoordeeld te hebben, stelt ons daarmee (voor deze aarde) bloot aan de gevolgen van het oordeel. Hierdoor laat zich ook de zwakheid, de ziekte, ja zelfs dood van sommigen in Korinthe (en misschien ook onder ons) verklaren (vers 30).
Het is echter niet goed om uit een zekere angst dan maar niet deel te nemen aan het avondmaal (vers 28). Het mag (en moet) met een brandende liefde in het hart juist ons antwoord zijn op de woorden van de Heere Jezus: "Doet dat tot Mijn gedachtenis!"
Wat het samenkomen als gemeente aangaat, geeft de apostel daarin het vieren van het avondmaal de eerste plaats (hoofdstuk 11 vers 20 - 34). Pas daarna spreekt hij over de gaven en diensten tot opbouwing. Laten wij nooit vergeten dat het dienen van God â het vieren van het avondmaal tot gedachtenis aan de dood van de Heere Jezus en ook de aanbidding van Hem en de Vader â het belangrijkste is van alle samenkomsten.
Paulus herinnert deze vroegere afgodendienaars eraan, dat zij in het verleden door satanische geesten geleid werden (vers 2). Wat een verandering! Nu is het de Geest van God Die hen leidt en Die in hen werkt, door de gaven die Hij aan hen geeft, "zoals Hij wil" (vers 11). De apostel noemt deze gaven op en wijst hun er nadrukkelijk op, dat zij hun tot nut gegeven zijn.
Om zowel de eenheid van de gemeente alsook de verscheidenheid aan gaven te illustreren, gebruikt de apostel het menselijk lichaam als voorbeeld. Hoewel het lichaam opgebouwd is uit verschillende ledematen en organen, die niet onafhankelijk van elkaar kunnen functioneren, vormt zij desondanks toch één uniek organisme. Het wordt door de wil bestuurd: het hoofd geeft aan elk afzonderlijk 'onderdeel' te kennen wat er gedaan moet worden.
Zo is het ook met het Lichaam van Christus. Hoewel het gevormd wordt door vele leden (evenveel leden als er gelovigen bestaan), wordt zij door één enkele Geest geleid tot uitvoering van één wil: de wil van de Heere, Die het Hoofd is (Efeze 4 vers 15 en 16). Het is dus niet aan ons, om zelf te bepalen wat we zouden kunnen doen (vers 11) en evenmin mogen we zelf de plaats uitkiezen waar we een bepaalde taak zouden kunnen uitoefenen (vers 18).
Het functioneren van ons lichaam roept grote bewondering bij ons op! David roept het uit in Psalm 139 vers 14: "Ik loof U, omdat ik op een heel ontzagwekkende wijze wonderbaar gemaakt ben". Ja, er bestaat een grote verscheidenheid in ledematen, zintuigen en organen, en desondanks vormt het één harmonieus geheel. En het kleinste 'onderdeeltje' daarin is onmisbaar en heeft zijn eigen functie in het geheel. Het oog en de pink bijvoorbeeld kunnen elkaar niet vervangen. Maar de kleinste vinger van de hand kan wel het stof uit het oog wegvegen, waardoor het zo geïrriteerd wordt. Zo hebben de verschillende leden elkaar nodig. Als ook maar één enkel orgaan niet naar behoren werkt, dan zal al gauw het hele lichaam ziek worden.
Al deze dingen zijn een treffend beeld van de Gemeente, het Lichaam van Christus. "De leden, die ons dunken de zwakste van het lichaam te zijn, die zijn nodig" (vers 22) en elk lid moet ervoor oppassen zijn eigen functie (vers 15 en 16) of die van de ander (vers 21) te minachten. Een oude of gebrekkige christin kan door haar gebeden, door een opbeurend woord of misschien door materiële hulp, de dienst van een evangelist of herder ondersteunen. Zo moet iedereen met datgene wat hij of zij ontvangen heeft, "als goede uitdelers van de menigerlei genade van God" dienen (1 Petrus 4 vers 10).
Wij willen need'rig Gode leven, U volgen, waar U ons geleidt, ons U geheel ten dienste geven met nooit volbrachte dankbaarheid...'
Nadat eerst, in beeld, de verschillende leden van het Lichaam van Christus genoemd zijn (de voet, de hand, het oor, het oog; hoofdstuk 12), is het alsof wij in hoofdstuk 13 het hart tegenkomen. De taak van het hart is: alle andere organen aansturen en opwarmen. Het hart vormt als het ware de centrale van waaruit alles bestuurd wordt.
We moeten er goed aan denken dat de liefde geen extra gave is boven alle anderen die in hoofdstuk 12 opgenoemd worden, maar de noodzakelijke drijfkracht voor de uitoefening van al die gaven. De liefde is "een weg" die voor allen toegankelijk is en tot iedereen leidt (hoofdstuk 12 vers 31). Zoals een weg wordt aangelegd om bewandeld of bereden te worden, zo zul je de liefde pas werkelijk ervaren als je er zelf gebruik van maakt. Vandaar dat dit wonderbare hoofdstuk ons geen speciale definitie van de liefde geeft. Er wordt maar een beperkt aantal dingen opgenoemd. Dit geeft ons echter al genoeg stof om over na te denken en om ons over te verootmoedigen. We lezen hier wat de liefde doet, en vooral ook wat zij niet doet. Deze "weg" was de weg die Christus hier op aarde bewandelde. En het is goed om op te merken dat in het lijstje dat in dit hoofdstuk genoemd wordt, iedere keer Zijn Naam ingevuld kan worden op de plaats van het woordje 'liefde' zonder dat daardoor de strekking verandert (zie 1 Johannes 4 vers 8).
Met onze kennis van de nog onzichtbare dingen 'zien' we alles heel beperkt, onduidelijk en is het nog onzeker. Maar spoedig "zullen wij zien aangezicht tot aangezicht". Dan zal onze Heere, Die ons door en door kent, ons ook invoeren in de volmaakte kennis van Zijn Persoon (vers 12; Psalm 139 vers 1 en verder). Dan zal de onvergankelijke liefde in Zijn en ons hart volkomen en voor eeuwig bevredigd zijn.
Vele gelovigen klagen over de tegenwoordige zwakheid, omdat er in de gemeenten zo'n gebrek aan gaven is. Maar... beijveren zij zichzelf wel voor deze geestelijke gaven, waartoe vers 1 ons oproept? Misschien heeft de Heere Zich voorgenomen om jou een bepaalde gave toe te vertrouwen, en wacht Hij erop dat het brandende verlangen daarnaar in jouw hart zichtbaar wordt! Vraag Hem erom, maar vraag dan tegelijkertijd ook om nederigheid, opdat je je niet zult beroemen op 'jouw' gave; die is namelijk niet voor jezelf, maar voor de gemeente bedoeld (vers 12).
Dat is iets waarin de Korinthiërs helaas faalden. Zij maakten gebruik van de gaven tot hun eigen eer. En het resultaat daarvan was: een grote wanorde. De apostel bepaalt hen opnieuw bij de werkelijke waarde van de dingen, door hun te laten zien dat de gave van het spreken in talen âwaarop zij zich het meest beroemden â juist één van de geringste was (vers 5). De gave van profetie daarentegen is â en blijft â heel begerenswaardig. Daarbij gaat het niet meer, zoals vroeger, om het openbaren van de toekomst, maar het dient tot opbouwing, tot vermaning en tot troost.
Vers 15 leert ons dat ons verstand ook moet meewerken bij het bidden, alsook bij het lofzingen. Wij die in de tegenwoordigheid van de Heere vaak zo verstrooid kunnen zijn en kunnen afdwalen met onze gedachten, moeten er goed over nadenken wat wij voor God tot uitdrukking brengen! Laten we ons beijveren daar goed bij stil te staan! En laat onze geest in alles geleid worden door de Heilige Geest!
De gave van het spreken in talen werd gegeven voor evangelisatie en niet voor opbouw van de gemeente. In dit hoofdstuk vormt het woord 'opbouwing' eigenlijk het sleutelwoord, ja, de toetssteen waaraan elke handeling onderworpen zou moeten zijn. Komt datgene wat ik meen te moeten zeggen of wat ik mij heb voorgenomen om te doen, werkelijk ten goede aan mijn broeders en zusters (Efeze 4 vers 29)? Wanneer ik alleen hun welzijn op het oog heb, zal ik tegelijkertijd ook zelf gezegend worden. Denk ik daarentegen alleen aan mijn eigen belangen en mijn persoonlijke eer, dan zal het uiteindelijk slechts tot schade voor mijzelf en anderen zijn (hoofdstuk 3 vers 15).
Er zijn nog twee dingen te noemen waardoor het leven van de gemeente gekenmerkt zou moeten worden, namelijk 'eerbaarheid' en 'orde' (vers 40). Deze twee dingen vormen als het ware twee dammen, waartussen de stroom van de Heilige Geest zou moeten vloeien. Het gaat daarbij om praktische aanwijzingen die betrekking hebben op het gezonde mensenverstand (vers 26 - 33) of op de Goddelijke orde (vers 34 en 35). De apostel wilde niet dat de Korinthiërs onwetend zouden zijn (hoofdstuk 12 vers 1). Wanneer iemand zichzelf echter niet wil laten onderwijzen over de dingen die betrekking hebben op de gemeente, "die zij onwetend" (vers 38)! God is een God van de vrede (vers 33), en Hij wil dat de gemeente in overeenstemming is met Zijn eigen karaktertrekken en de plaats is waarheen Hij onbekeerde mensen kan leiden, opdat zij daar Zijn tegenwoordigheid zullen mogen ervaren (vers 24 en 25).
Na dit alles bleef er nog één ernstige kwestie over om te regelen: sommigen in Korinthe loochenden namelijk de opstanding. Paulus laat zien dat men niet aan deze leer kan tornen zonder daarbij het hele gebouw van het christelijke geloof aan het wankelen te brengen. Als er geen opstanding zou bestaan, dan is Christus Zelf ook niet opgestaan. Dat zou betekenen dat Zijn werk niet door God zou zijn aangenomen, dat de dood niet was overwonnen en dat wij dan nog in onze zonden zouden zijn. Het evangelie zou daarmee volkomen zinloos zijn geworden en ons geloof heeft dan geen enkel houvast meer. Het leven van zelfverloochening en afzondering door de christen zou daarmee eveneens zinloos geworden zijn. En dan zou de gelovige iemand zijn die het meest te betreuren zou zijn van alle mensen.
God zij dank is dat absoluut niet waar, want "de Heere is waarlijk opgestaan!" (Lukas 24 vers 34). Met het oog op de belangrijkheid van deze waarheid kunnen we ook begrijpen waarom God zoveel moeite gedaan heeft de opstanding van de Heere vast te leggen. In eerste instantie heeft Hij dat gedaan door middel van de Schriften (vers 3 en 4), maar de opstanding werd bovendien bevestigd door geloofwaardige getuigen, zoals Cefas, Jakobus en Paulus zelf (hoewel hij zich als onwaardig betitelt), die apostelen waren. Verder waren er nog veel meer getuigen, want de Heere was na Zijn opstanding verschenen aan "meer dan vijfhonderd broeders op éénmaal, van wie het merendeel nog over is" (vers 6). En ongetwijfeld hebben de meesten van hen die dit alles op dit moment lezen, de Heere Jezus zelf ook 'met eigen ogen gezien' en weten ze uit ervaring dat hun "Verlosser leeft" (vergelijk Job 19 vers 25).
De opgestane Christus is de ontslapen gelovigen slechts voorgegaan. Zij zullen bij Zijn komst weer opstaan. En wat de overige doden betreft, die zullen later "levend gemaakt worden" (vers 22), om dan voor de troon van het gericht te moeten verschijnen (Openbaring 20 vers 12). Pas dan zal alles definitief aan Christus onderworpen zijn. Dan zullen onze gedachten zich verliezen in de oneindigheid van de gelukzalige eeuwigheid, waar God uiteindelijk "alles in allen" zijn zal (vers 28).
Nadat de apostel dit heerlijke gedeelte, dat hij als het ware tussen zijn betoog heeft ingeschoven (vers 28 - 30), heeft beëindigd, deelt hij nog iets belangrijks mee. Hij laat zien dat het gedrag van alle mensen â en in eerste instantie van hemzelf (vers 30 - 32) â bepaald wordt door de vraag of je wel of niet gelooft in het toekomstige leven. Wat bestaan er ontzettend veel ongelukkige mensen, wier godsdienst eigenlijk alleen maar bestaat uit de woorden: "Laat ons eten en drinken, want morgen sterven wij" (vers 32). Zij maken zichzelf wijs dat er na de dood niets meer is, en menen zich op deze manier te kunnen verontschuldigen voor het onbeperkte en vaak ongeremde genieten tijdens hun korte bestaan. In feite gedragen ze zich hiermee niet anders "als onredelijke dieren, die de natuur volgen" (2 Petrus 2 vers 12).
De christen zou echter zijn geloof wakker moeten houden (vers 34) en ervoor moeten oppassen zich in gevaarlijk gezelschap te begeven. Het geloof zou hem juist ervan moeten weerhouden om "met de dronkaards" van deze wereld te eten en te drinken (vers 33; Mattheüs 24 vers 49). O, dat wij toch, tot aan Zijn wederkomst, genoeg zullen hebben aan het gezelschap van de Heere en de Zijnen!
Hoe zal het lichaam waarmee de gelovigen in heerlijkheid bekleed zullen zijn, eruitzien (vers 35)? De Bijbel bevredigt nooit onze nieuwsgierigheid. "Dwaas!", is het enige antwoord dat de Bijbel ons geeft op alle pogingen die wij ondernemen om ons hier een beeld van te vormen. Als je een onbekend zaadje in handen krijgt, kun je nooit zeggen wat voor plantje daaruit zal ontstaan. Niemand zou uit zichzelf hebben kunnen vermoeden dat er uit die gewone, éénkleurige rups een vlinder met de allermooiste kleuren zou voortkomen.
Om echter het wonder van dat kiemen, of die gedaanteverwisseling, te kunnen beleven, is eerst het sterven nodig van het zaad en de slaap van de rups, die een pop is geworden (vergelijk Johannes 12 vers 24).
Zo zal de verloste die ontslapen is, verschijnen in een opstandingslichaam. Er staat het stoffelijke lichaam van nu, het eenvoudige omhulsel van de ziel, een wonderbare toekomst te wachten! Het zal in "onverderfelijkheid" opgewekt worden (vers 42), zodat de dood er geen macht meer over zal hebben. Het zal een lichaam "in heerlijkheid" en "in kracht" zijn (vers 43), waarin geen ziekte of zwakheid meer gevonden wordt. Het zal een "geestelijk lichaam" zijn (vers 44), dat dan definitief bevrijd is van het vlees en haar verlangens en dat dan een volmaakt werktuig van de Heilige Geest zal zijn. En ten slotte â o, wat heerlijk! â zal het aan het lichaam van Christus gelijk zijn (vers 48 en 49)!
Hebben we nu niet genoeg kostbare informatie ontvangen over onze toekomstige toestand? Hebben we niet alle reden om God nu al in onze lichamen te verheerlijken (hoofdstuk 6 vers 14 en 20)?
Deze meesterlijke uitleg over de leer van de opstanding zou zonder verdere openbaring niet compleet zijn: niet alle gelovigen zullen ontslapen. De levenden zullen niet vergeten worden wanneer de Heere Jezus terugkomt. "In een punt des tijds", een oogwenk, een ondeelbaar moment (vers 52) zal de buitengewone verandering plaatsvinden, waardoor iedere gelovige passend gemaakt zal worden voor de tegenwoordigheid bij God. Net zoals de gasten in de gelijkenis in Mattheüs 22, die voor de koninklijke bruiloft uitgenodigd waren en hun oude kleren moesten inwisselen voor een prachtig bruiloftskleed, zo zullen ook de doden en de levenden dan een onverderfelijk en onsterfelijk lichaam 'aankrijgen'. Dan zal de overwinning van Christus over de dood, waarvan Hij door Zijn eigen opstanding al het bewijs gegeven heeft, in de Zijnen een geweldige vervulling vinden.
Evenals iedere waarheid moet ook deze "verborgenheid" praktische gevolgen hebben in het leven van elke verloste. Onze hoop is "vast" (Hebreeën 6 vers 19); laten we daarom ook "onbeweeglijk, altijd overvloedig zijn in het werk van de Heere" (vers 58; het antwoord op vers 32). Ook al is er hier op aarde misschien geen vrucht zichtbaar, toch zal dat eens in de opstanding te zien zijn.
Hoofdstuk 16 geeft ons een voorbeeld van een christelijke dienst: de collecte op de eerste dag van de week. Deze was van grote betekenis voor het hart van de apostel, maar is dat ook voor het hart van de Heere (zie ook Hebreeën 13 vers 16)!
Deze verzen bevatten de laatste aanwijzingen van de apostel, nog enkele mededelingen en ten slotte de groeten aan zijn geliefde Korinthiërs. Hij noemt enkele personen bij name, van wie hij weet dat ze trouwe en achtenswaardige broeders zijn: Stefanas, Fortunátus en Acháïkus, en stelt hen tot een voorbeeld voor anderen (zie 1 Timotheüs 3 vers 13).
De gelovigen in Korinthe, die zich slechts met de uiterlijke en opvallende uitwerkingen van het christendom bezighielden, heeft Paulus achtereenvolgens de beweegredenen voor de aandacht gesteld die hen tot handelen zou moeten aanzetten:
"Doet het al ter ere van God" (hoofdstuk 10 vers 31).
- "Laat alle dingen geschieden tot stichting [= opbouw]" (hoofdstuk 14 vers 26).
"Laat alle dingen eerbaar en met orde geschieden" (hoofdstuk 14 vers 40).
- "Dat al uw dingen in de liefde geschieden" (hoofdstuk 16 vers 14).
Ondanks de strenge toon in deze Brief (vergelijk 2 Korinthe 7 vers 8) besluit Paulus toch met een woord van liefde. Afgezien van de scheuringen die in Korinthe aanwezig waren, zegt hij: "Mijn liefde zij met u allen in Christus Jezus!" (vers 24). Zouden zich onder hen echter personen bevinden die de Heere niet liefhadden, dan sloten die zichzelf uit van deze groet en dan zou de wederkomst van de Heere voor die personen een heel ernstig karakter hebben! "Maranatha!", de Heere komt! O, dat wij toch allemaal vol vreugde en met verlangen naar Hem uitzien!
Paulus heeft zijn eerste Brief aan de Korinthiërs niet geschreven als iemand die veel kritiek heeft of een rechter wilde zijn. Hij was zelf verootmoedigd en ontzet over de berichten die hij over deze gemeente ontvangen had. En dat des te meer daar hij die berichten kreeg op het moment dat hij in de stad Efeze in Azië was, waar hij veel vijanden had en waar hij ernstig verdrukt werd (vers 8; 1 Korinthe 16 vers 9).
Maar zelfs een periode van zo'n overmatig lijden kan tot een oorzaak van dankbaarheid zijn, want de verdrukking heeft een tweevoudige uitwerking. Ten eerste kunnen zulke omstandigheden ertoe leiden dat de gelovige zijn zelfvertrouwen verliest (vers 9). Ten tweede drijven de moeilijkheden hem uit tot de Heere en zal hij het meeleven van de Heere kunnen ondervinden. Door zoveel lijden te ondervinden, heeft de apostel ook de overvloedige vertroosting mogen ervaren (vers 5).
Troost is altijd iets persoonlijks. Maar als iemand dat in zijn eigen leven heeft meegemaakt, is hij op zijn beurt ook beter in staat zich te verplaatsen in het leed van een ander en kan hij veel meer met die ander meeleven. Als een christen met hulp van de Heere de beproevingen heeft doorstaan, dan is hij in staat om anderen die bedroefd zijn, te troosten en hun blikken op "de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden, en de God van alle vertroosting" te richten (vers 3).
Het was niet de gewoonte van de apostel om 'ja' te zeggen wanneer hij 'nee' bedoelde (vers 17). De Korinthiërs konden hem vertrouwen, hij had geen bijgedachten en bewees in zijn handelen en het nemen van besluiten in het dagelijkse leven dezelfde oprechtheid als waarmee hij hun destijds ook het onvervalste evangelie verkondigd had (zie hoofdstuk 2 vers 17 en 4 vers 2). Wat is dat ontzettend belangrijk! Wanneer een kind van God zich niet aan de waarheid houdt, dan bestaat het gevaar dat zijn omgeving, die dit ontdekt, ook gaat twijfelen aan het Woord, waarvan zo iemand dan een onbetrouwbare getuige is geworden. Paulus zelf vertoonde een volmaakte oprechtheid, of het daarbij nu ging om de betrekkingen tot de wereld of om andere christenen (vers 12). Was hij immers geen boodschapper van "de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige", Die er borg voor stond dat alle beloften van God in vervulling zouden gaan (vers 20; Openbaring 3 vers 14)?
De verzen 21 en 22 herinneren ons aan drie gezichtspunten met betrekking tot de gave van de Heilige Geest.
God heeft ons door Hem gezalfd, dat wil zeggen: voor Zichzelf geheiligd en ons in staat gesteld om op Zijn gedachten in te gaan.
â God heeft ons met Hem verzegeld. Met andere woorden: een stempel op ons gedrukt, waaruit blijkt dat wij Hem toebehoren.
Ten slotte heeft Hij ons de Heilige Geest als Onderpand gegeven voor onze hemelse goederen en daarmee het eerste bewijs gegeven van hun daadwerkelijk bestaan. En Hij is tevens het Middel waardoor wij "in onze harten" nu al van deze dingen mogen genieten.
Paulus had zijn reis naar Korinthe uitgesteld, opdat er tijd zou zijn dat zijn eerste Brief een bepaalde uitwerking kon hebben. Dankzij de genade van God had die Brief ook de beoogde uitwerking gehad op het geweten van zowel de gemeente als geheel, als ook op degene die uitgesloten moest worden.
Nu stonden de Korinthiërs echter bloot aan een ander gevaar, namelijk dat zij zich tegenover de berouwvolle schuldige niet genadig zouden betonen. Van een te veroordelen nalatigheid waren ze overgegaan tot een gestrengheid zonder liefde. Satan houdt zich altijd met ons bezig, opdat wij van het ene uiterste in het andere vallen. Hij gebruikt verschillende middelen om zijn bedoelingen, die nooit veranderen, te bereiken: het getuigenis voor Christus te verstoren en de mensen onder zijn heerschappij te houden. En hij vindt het helemaal niet erg als er grapjes over hem gemaakt worden â zoals in de wereld gebruikelijk is âals zijn verschrikkelijke bedoelingen daardoor maar verdoezeld of vergeten worden. Laten we daarom oppassen voor elke vorm van lichtzinnigheid met betrekking tot de duivel en zijn macht!
In zijn ongerustheid over de Korinthiërs heeft de apostel een mooi arbeidsterrein verlaten, om Titus te kunnen ontmoeten, die hem iets over hen zou kunnen vertellen. Het is echter een troost voor Paulus te weten dat hij, overal waar hij naartoe gaat, "de goede reuk van Christus" verspreidt (vers 15).
Is deze reuk ook merkbaar voor allen die ons kennen, maar bovenal door God Zelf?
De mensen beoordeelden de leer die Paulus predikte, naar de wandel van de Korinthiërs. Zij waren als een levende 'aanbevelingsbrief' voor hem, beter gezegd: "een brief van Christus", Wiens Naam in hun harten geschreven stond (vers 3). Alle christenen zijn brieven van Christus, die God naar mensen stuurt die de Bijbel niet lezen, opdat zij een 'levend evangelie' voor ogen zouden hebben. Helaas staan deze brieven vaak vol vlekken en zijn soms zelfs onleesbaar geworden, in plaats van dat zij bekend zijn en gelezen worden (vers 2). Laten we daarom waakzaam zijn, dat er op onze gezichten geen sluier voorkomt waardoor de christelijke uitstraling gehinderd wordt. Met deze sluier bedoelen we dan de zorgen, de zelfzucht, de wereldgelijkvormigheid, enzovoort. Maar bovenal moet voorkomen worden dat er "een bedekking" op onze eigen harten (vers 15; bijvoorbeeld een slecht geweten) aanwezig is, waardoor de stralen van Hem, Die licht en liefde is, er niet meer in zouden kunnen doordringen. Als je een plant verstopt onder een kist of een emmer, dan zal hij op den duur wegkwijnen. Als zo'n plant echter gewoon het nodige zonlicht, voeding en water krijgt, zal hij het hele jaar door goed groeien en zal hij te zijner tijd vrucht dragen. Zo gaat het ook met onze zielen. Wanneer wij ons in de tegenwoordigheid van Christus bevinden en ons met Hem bezighouden, dan zullen we stapje voor stapje veranderd worden en meer op Hem gaan lijken. Dat wil de Heere graag in ons bewerken door Zijn Geest (vers 18).
Heeft ieder van ons, net als de apostel, "de bedekking der schande verworpen", dus de schandelijke dingen in eigen hart en leven weggedaan (vers 2)? Het hart van Paulus was als een glanzende spiegel. Zijn hart kaatste elke straal dat het opving, getrouw terug naar zijn omgeving. En wat was het onderwerp dat uitgestraald werd en voor de andere mensen zichtbaar werd? "De heerlijkheid van God in het aangezicht van Jezus Christus" (vers 6).
Wat vormde deze kennis van Christus in de heerlijkheid een ontzettend grote schat voor Paulus! Hijzelf was slechts een vat, waarin die schat verborgen zat, een simpel, aarden vat, dat gemakkelijk kapot kon breken en in zichzelf niet veel waarde had. Zou het werktuig van God namelijk gekenmerkt worden door geweldige menselijke eigenschappen, dan zou de aandacht van anderen niet uitgaan naar de schat die zichtbaar moest worden, maar naar het vat zelf. Juweliers weten heel goed dat door de vele versieringen aan een ring in feite de aandacht afgetrokken kan worden van de edelsteen bovenop de ring. Hun mooiste sieraden stellen zij daarom ook juist tentoon op een neutrale, donkere lap zijde.
Zo werd ook Paulus, het vat, verdrukt, vervolgd, terneer geworpen en zag hij soms geen uitweg meer, opdat de schat â het leven van de Heere Jezus â volkomen in hem geopenbaard zou kunnen worden (vers 10).
De beproevingen van een gelovige dragen ertoe bij, dat elke glans van hemzelf weggenomen wordt, opdat Hij, Die Zelf het Licht is, des te meer door hem kan stralen!
Wat besteden wij toch vaak veel zorg aan "onze uitwendige mens" (vers 16)! Ach, werd onze "inwendige" mens ook maar zo goed behandeld! Het hart van de apostel werd vernieuwd door dit "uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid" (vers 17), dat zo overvloedig aanwezig was dat al het lijden dat hij moest verdragen in die tijd, daarbij voor hem in het niet viel. Doordat hij "door geloof en niet door aanschouwen" wandelde (hoofdstuk 5 vers 7), hield hij zijn blikken voortdurend gericht op de dingen die men niet ziet, maar die eeuwig zijn (hoofdstuk 4 vers 18). En daarvan kon hij door het "onderpand van de Geest" genieten (hoofdstuk 5 vers 5). Daarom werd hij ook niet vertraagd (moedeloos; hoofdstuk 4 vers 1 en 16).
De gedachte aan de rechterstoel van Christus zou ons voortdurend moeten aanzetten tot ijver en vrees! We zijn zeker van onze behoudenis en zullen daar dan ook niet verschijnen om geoordeeld te worden. Maar daar zal ons leven als een film aan ons oog voorbijgaan, en alles wat wij gedaan hebben, zal dan openbaar worden, "hetzij goed, hetzij kwaad" en we zullen dienovereenkomstig winst of verlies hebben (vers 10). Tegelijkertijd zal de Heere daar echter ook laten zien hoe groot Zijn genade is geweest in ons leven vanwege de zonden, die we ook na onze bekering helaas nog zo vaak hebben gedaan. Een kunstenaar die een beschadigd portret gerepareerd heeft, zal, om te laten zien dat hij goed werk geleverd heeft, er een foto van het portret in oorspronkelijke staat naast hangen. Omdat wij vaak zo ongevoelig zijn ten opzichte van de zonde, weten wij ook de genade, waardoor wij vergeving ontvangen en wij gedragen worden, vaak niet op zijn waarde te schatten. Voor de rechterstoel van Christus zullen we uiteindelijk de oneindige grootte van Zijn genade leren zien en erkennen.
Paulus verlangde naar de hemelse heerlijkheid (vers 2), maar in de tijd dat hij daarop wachtte, beijverde hij zich om de Heere welgevallig te zijn (vers 9). Hij had niets te verbergen, noch voor God, noch voor mensen (vers 11). Hij leefde niet meer voor zichzelf. Met lichaam en ziel was hij een slaaf van de voor hem gestorven en opgestane Christus (vers 15). De Heere had hem â evenals elke verloste â tot een bepaald werk geroepen: tot een gezant van God, de Allerhoogste, om de wereld verzoening aan te bieden.
De apostel werd door twee belangrijke dingen gedrongen tot het uitvoeren van deze taak en de mensen te overtuigen, ten eerste vanwege de ernst van het oordeel (hij kende "de schrik des Heeren"; vers 11), en ten tweede vanwege de liefde van Christus tot de mensen. Ook al is iemand nog zo welbespraakt, zonder deze liefde zou hij slechts tot "een klinkend metaal" worden (vers 14; 1 Korinthe 13 vers 1).
En waaruit bestaat de boodschap van verzoening? Christus, de enige Mens zonder zonde, heeft Zich op het kruis tot zonde laten maken om daardoor de verzoening te bewerken. Op deze wijze heeft God in Zijn grote genade de zonde, waardoor wij van Hem gescheiden waren, weggedaan (vers 21). "Het oude is voorbijgegaan", dus dat is volkomen weg, want God lapt niets op! Hij wil juist alles nieuw maken en wil ook graag van jou "een nieuw schepsel" maken (vers 17). Daarvoor is het echter nodig dat je eerst met Hem verzoend wordt! Ben je dat?
"...in vele verdraagzaamheid", dus met volharding, dát moet het kenmerk zijn van een dienstknecht van God (en dus van elke gelovige; vers 4 en hoofdstuk 12 vers 12). Door de manier waarop Paulus de beproevingen verdroeg, kwam de grote waarde van het evangelie dat hij verkondigde, veel beter naar voren dan alleen door zijn woorden.
Een christen is een merkwaardig iemand! In zekere zin heeft hij twee gezichten. In de ogen van de wereld verschijnt hij in oneer, is hij een verleider, een onbekende, iemand die bedroefd en arm is, "als niets hebbende". En wat is hij daarentegen in de ogen van God? Waarachtig, bekend, levend, altijd blij, en ten slotte "alles bezittende" (vers 8 - 10). En dit is tevens zijn ware gezicht!
De vermaningen die daarna volgen, vinden we misschien enghartig en streng. Toch komen ze voort uit het wijd open hart van de apostel (vers 11). Het woord "afzondering' schrikt ons vaak af, en toch betekent heiligheid niets anders dan afzondering voor God (Leviticus 20 vers 26). Het ene voleindigen (hoofdstuk 7 vers 1) houdt noodzakelijkerwijs ook de verwerkelijking van het andere in. Afzondering van de wereld; de verzen 14 en 15 hebben niet alleen betrekking op een huwelijk met een ongelovige, maar op elke verbinding die met een ongelovige aangegaan kan worden. Afzondering van de godsdienstige wereld geeft ons een onvergelijkbare vervanging: de tegenwoordigheid van de Heere Jezus in het midden van de Zijnen, en het genot van de gezegende betrekkingen tot God, onze Vader. En in hoofdstuk 7 vers 1 vinden we ten slotte de afzondering van het kwaad, in welke vorm dan ook. Durven wij ons hart, dat de beloften van God bezit, nog te verontreinigen (1 Johannes 3 vers 3)?
Door de liefde van Christus is het hart van Paulus nauw verbonden met de Korinthiërs. En deze liefde was even waar en groot toen hij hen zijn eerste, strenge Brief moest schrijven. Maar nu staat zijn hart wijd open en kan hij zijn genegenheid als het ware de vrije loop laten.
Jongelui, vergeet nooit dat zij die jullie â voor zover dat nodig is â op strenge toon terechtwijzen en waarschuwen, gewoonlijk dezelfde zijn die jullie ook het meest liefhebben (Openbaring 3 vers 19). Dit is ware liefde (vergelijk Spreuken 27 vers 6).
De gemeente van Korinthe heeft het kwaad in haar midden geoordeeld; daardoor heeft zij haar reinheid en oprechtheid getoond (vers 11). Zou zij een vreselijke zonde in haar midden geduld hebben, dan gebeurde dat uit onwetendheid en nalatigheid. De Korinthiërs hebben zich zowel over hun toestand als over het kwaad dat in hun midden was voorgekomen, verootmoedigd. Nu waren zij daar bedroefd over, in overeenstemming met Gods gedachten.
Vers 10 laat ons zien dat een oppervlakkig spijt hebben, schaamte en een sprekend geweten, nog geen echt berouw en ommekeer tot God is. Echt berouw tonen, betekent dat je de zonden op dezelfde wijze beoordeelt als God, en dat je het kwaad dus onderkent en wegdoet. Dat geldt zowel voor onze daden van voor als die van na onze bekering (Spreuken 28 vers 13). Oprecht berouw met bekering is de eerste vrucht van het geloof. Droefheid, overeenkomstig Gods gedachten, is daarom iets waarover je je kunt verblijden (vers 9).
Heeft ieder die dit leest, ook werkelijk berouw gehad en zich daadwerkelijk bekeerd?
De gehoorzaamheid van de Korinthiërs heeft bij Titus blijdschap en genegenheid voor hen opgewekt en daarover was Paulus dubbel verblijd en werd hij versterkt (hoofdstuk 7 vers 13 en 15). Toch was er bij hen nog niet zoveel ijver aanwezig als bij de heiligen van Macedonië (hoofdstuk 8). Die gelovigen hadden namelijk niet zomaar een deel van hun middelen en hun tijd gegeven. Ze hadden niet, zoals sommigen, gewacht tot het eind van hun leven, om God dan nog de jammerlijke resten van hun krachten aan te bieden. Nee! ze hadden eerst zichzelf gegeven. En dat begon niet met een bepaalde dienst aan de heiligen. Nee, ze hadden zichzelf eerst aan de Heere gegeven (vers 5). En uit deze eerste gave kwamen alle andere gaven voort, ook alles wat zij deden ten behoeve van de apostelen, de dienstknechten van de Heere. Was dat een ontzettend moeilijke opgave voor de Macedoniërs? Nee, integendeel! "De overvloed van hun blijdschap" kon zelfs de "vele beproeving van de verdrukking" verdragen. En hun "zeer diepe armoede" veranderde in "de rijkdom van hun milddadigheid" (vers 2). Wat wij misschien heel gemakkelijk een last zouden kunnen noemen, ervoeren zij als een bijzondere genade (vers 4).
Geve God ons ook zo'n gelukkige overgave aan de Heere! Ook voor ons is het een groot voorrecht door middel van het dienen van de Zijnen, Hemzelf te mogen dienen.
Wat betekende de liefde van de Macedoniërs in vergelijking met het allergrootste voorbeeld van "onze Heere Jezus Christus"? Zij hadden hun diepe armoede niet zelf uitgekozen (vers 2). Maar Hij, de "Erfgenaam van alles" (Hebreeën 1 vers 2), heeft Zijn hemelse heerlijkheden verlaten en is vrijwillig arm geworden. Toen Hij geboren werd, was er hier beneden geen plaats voor Hem en lag Hij in een kribbe. Hij was zo arm, dat Hij hier op aarde zelfs niets had waarop Hij Zijn hoofd kon neerleggen (vers 9; Psalm 40 vers 18; Psalm 41 vers 2; Lukas 9 vers 58). Waarom? Om ons diezelfde heerlijkheden te kunnen geven en ons tot mede-erfgenamen van Hem te kunnen maken. Dat is het geheim van Zijn oneindige genade en daarom is Hij onze aanbidding zo waard!
De Korinthiërs hadden het mooie verlangen andere gemeenten te helpen, niet echt tot uitvoer gebracht. De apostel schrijft hun dat het goed is iets te willen, maar dat het beter is, het ook te doen. Hoe staat het met onze goede voornemens? Blijft het niet vaak bij een voornemen? Eigenlijk had ik die en die een Bijbel of een kalender willen geven... Eigenlijk had ik hem willen bezoeken, omdat hij al zo lang ziek is... Er zijn zoveel kleine dingen waartoe God de gelegenheid geeft om te doen, maar... O, dat Hij ons de bereidwilligheid voor het willen en het doen mag geven (vers 11 en 12). Hij is het namelijk Die zowel het één als het ander in ons werkt, naar Zijn welgevallen (Filippi 2 vers 13). De vertraging tussen de werking in ons hart en de uitvoering met onze handen ligt aan onze nalatigheid.
Het was een zorg voor Paulus om niet alleen voor elk bedrog bewaard te blijven, maar zelfs ook voor elke schijn van kwaad voor de mensen.
Laten we in de tegenwoordige tijd toch met gulle hand zaaien (dat wil zeggen: geven), opdat we op de dag van de oogst geen spijt zullen krijgen van onze terughoudendheid, want dan kan er niets meer aan veranderd worden (vergelijk vers 6 en Lukas 6 vers 38). Laten we dat wat God ons op het hart legt, ook doen â en dat met een blij hart! Hetgeen wij voor onszelf achterhouden, zal ons absoluut niet rijker maken en... wat wij geven, zal ons zeker niet armer maken (Spreuken 28 vers 27). De genade van God zal ons altijd alles geven â niet alles wat wij graag willen â maar alles wat Hij nodig acht en wat voldoende is (vers 8).
De verzen 11 en 14 herinneren ons eraan dat onbaatzuchtige vrijgevigheid bij hen die ondersteund worden, dankzegging voor God teweegbrengt, maar ook dat er gebeden opgezonden worden voor hen die gegeven hebben.
Uitgaande van de vraag met betrekking tot weldadigheid (wat wij misschien als een bijzaak zouden kunnen zien), weet de apostel onze gedachten te richten op de heerlijkste dingen: de vernedering van de Heere (hoofdstuk 8 vers 9) en de "onuitsprekelijke gave" van God (vers 15). Laten wij ons ook meer beijveren om van de kleine dingen waardoor ons dagelijks leven zo vaak bepaald wordt, over te gaan tot de gelukzalige waarheden van ons geloof. Een eenvoudige maaltijd, een familiebijeenkomst, een cadeau dat met liefde klaargemaakt of ontvangen wordt, zijn allemaal gelegenheden om God te danken. En dan mogen we ook denken aan en danken voor de hoogste Gave, Die de God van liefde aan deze wereld heeft gegeven: het zenden van Zijn Zoon (vers 15; Johannes 3 vers 16).
Paulus had er niet toe kunnen besluiten "met de roede" bij de Korinthiërs te komen, om hen vanwege het kwaad terecht te wijzen (vers 2; 1 Korinthe 4 vers 21). Hij wilde hun veel liever schrijven en daarna de uitwerking van zijn Brief afwachten. Enkelen hadden echter dit geduld en de afwezigheid van de apostel aangegrepen om zijn dienst te minachten. Zij gebruikten de ootmoed, de zachtmoedigheid en mildheid van de apostel als voorwendsel om hem te verachten (vers 1). De natuurlijke mens heeft slechts bewondering voor hetgeen mooi lijkt; hij beoordeelt naar "wat voor ogen is" (vers 7). De wapens van een soldaat van Jezus Christus zijn echter niet vleselijk (vers 4). In Efeze 6 vers 10 en verder worden die wapens opgenoemd. Laten we eraan denken op welke wijze Gideon, Simson, Jonathan, David, Hizkia â om maar enkelen te noemen â hun grootste overwinningen behaald hebben. En laten we ons niet door menselijke eigenschappen zoals welbespraaktheid of een liefelijke houding, laten misleiden. Laten we altijd het Woord van God navolgen, en nooit degene die het Woord brengt, hoe begaafd hij ook mag zijn en ook al hebben wij via hem allerlei goede dingen ontvangen.
De mensen zijn vaak zo onverstandig, dat zij zich met anderen gaan vergelijken en zich dan iets gaan inbeelden (vers 12). Wij als gelovigen hebben slechts één Voorbeeld voor onze wandel en onze dienst, een Voorbeeld waardoor wijzelf ootmoedig worden, wanneer wij ons met Hem vergelijken. Dat ene grote Voorbeeld is de Heere Jezus!
Er waren valse apostelen die graag een plekje voor zichzelf, in de plaats van Paulus, in het hart van de Korinthiërs wilden veroveren. Vandaar dat Paulus zich genoodzaakt ziet om over zichzelf te spreken en noemt dat een "onwijsheid" (vers 1). Hij doet dit echter niet om daarmee in een goed blaadje te komen bij de gelovigen, opdat zij hem goedgezind zouden zijn (zie hoofdstuk 12 vers 15). Het gaat hem slechts om één ding: de eer van Christus. Daarom roept hij, haast hartstochtelijk, de liefde van de Korinthiërs op voor de ene ware Bruidegom van de Bruid (de Gemeente).
De Korinthiërs liepen het gevaar hun oor te lenen aan "een ander Evangelie" (vers 4). Zij waren minder geestelijk dan de Efeziërs, die hen beproefd hadden, die voorgaven apostelen te zijn, maar het niet waren en die zij daarom als "leugenaars bevonden" hebben (Openbaring 2 vers 2).
Veel christenen lopen hetzelfde gevaar als de Korinthiërs, en wel vanwege het feit dat zij het ware christendom eigenlijk te veeleisend vinden. Een evangelie dat de mens grootmaakt en dat ruimte laat voor het vlees, verdragen ze daarentegen veel beter.
Achter deze valse arbeiders ontmaskert de apostel hun meester: de satan. Omdat deze vroeger zelf een stralende cherub is geweest (Ezechiël 28 vers 12 en verder), weet hij heel goed hoe hij zich nu nog als zodanig moet voordoen, om de mensen met zijn listen te verleiden, zoals hij destijds Eva verleid heeft (vers 3 en 14). En hij is veel gevaarlijker wanneer hij zich voordoet als een slang of een engel des lichts (vers 14) dan wanneer hij ons frontaal aanvalt als een brullende leeuw (1 Petrus 5 vers 8). We zullen zijn listige plannen alleen kunnen verijdelen door ons vast te klampen aan het Woord van de Heere.
De aanvallen op de dienst van Paulus vormen voor de Heilige Geest een gelegenheid om ons een duidelijk beeld te geven van de moeiten en het lijden van deze dienstknecht. Ja, hij was een dienstknecht van Christus. Het bewijs daarvoor wordt gegeven in de vorm van een lange lijst van verschillende soorten van lijden, dat Paulus ter wille van het evangelie heeft verdragen. De verzen 23 - 28 en 31 en 32 laten ons zien waaruit datgene wat de apostel in hoofdstuk 4 vers 17 als "onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat" noemde, in feite bestond. En wat was de Goddelijke hulpbron, waardoor hij in staat was deze buitengewone dingen te verdragen? Zijn gedachten waren voortdurend vervuld met "een zeer uitnemend eeuwig gewicht van de heerlijkheid", namelijk de verheerlijkte Christus, Die zijn eeuwige Loon was.
Beste vrienden, hier ligt ook het geheim van onze kracht. Laten wij altijd voor ogen houden dat hoe meer wij ons met de Heere Jezus bezighouden, hoe minder tijd we zullen hebben om aan allerlei kleine moeilijkheden te denken. En wat is alles wat wij te verduren hebben, vergeleken bij de verdrukkingen die de grote apostel heeft moeten doormaken? Hoe meer gewicht de liefde van Christus op de weegschaal van ons hart legt, hoe minder zwaarwegend de tegenwoordige omstandigheden en zorgen ons zullen lijken en dan zullen we ons minder door deze dingen terneer laten drukken.
Eén zorg is er echter die ons nooit zwaar genoeg op het hart kan liggen: "de zorg van al de gemeenten" (vers 28). Dat openbaart zich in eerste instantie bij ons door voorbede. Geve de Heere ons een grote genegenheid in het hart voor Zijn geliefde Gemeente en elke gelovige afzonderlijk.
Een "mens in Christus" is iemand voor wie het vlees al zijn rechten verloren heeft (Romeinen 8 vers 1 en 2). Zo iemand is "een nieuw schepsel" (hoofdstuk 5 vers 17). Zijn positie voor God is dezelfde als die van Christus, en hij neemt die nu al in geloof in, in de hemel. Paulus werd echter in werkelijkheid voor een bepaalde tijd in die heerlijke omgeving verplaatst. We kunnen ons indenken dat dat voor hem een onvergetelijke gebeurtenis was. En Wie heeft hij daar in het paradijs mogen en kunnen zien? De opgestane en verheerlijkte Christus! En wat heeft hij daar mogen en kunnen horen? De taal van de hemel, die niet tot uitdrukking gebracht mag en kan worden in de taal van mensen (vers 4). Wat een uitzonderlijke gunst voor hem!
Maar deze eenmalige ervaring kon nadien ook een zeker gevaar voor de apostel betekenen. En om hem voor hoogmoed te bewaren, werd hem daarom "een scherpe doorn in het vlees" gegeven (vers 7). Misschien was dit één of andere handicap, waardoor hij in zijn prediking geminacht werd (hoofdstuk 10 vers 1 en 10; Galaten 4 vers 14). En de apostel smeekte de Heere of hij ervan bevrijd mocht worden, omdat zijn dienst eronder leed. Als antwoord zegt de Heere: "Mijn genade is u genoeg" (vers 9). Ook al leek het tegendeel waar te zijn, toch was de genade juist door deze doorn in het vlees werkzaam. Die doorn diende er immers toe, dat elke werking van het vlees, die lastige begeleider in zijn werk, bij de apostel in de kiem gesmoord werd.
Ja, voor de christen zijn gebreken en beproevingen juist kostbaar. Zij dragen ertoe bij dat de mens zijn eigen zwakheid voelt en kent, opdat de kracht van God juist dan tot ontplooiing kan komen (vers 9 en 10; hoofdstuk 4 vers 7 en verder).
Het was een grote smart voor de apostel te moeten ondervinden dat hij verdacht gemaakt werd en beschuldigd werd van zelfzuchtige drijfveren (vers 14 en 16; hoofdstuk 7 vers 2 en 3; vergelijk Handelingen 20 vers 33). Terwijl hij daarentegen juist onafgebroken, samen met zijn medewerkers, een onberispelijke wandel vertoond had in het navolgen van "dezelfde voetstappen" als die van Christus (vers 18). En als hij dan al uitvoerig op deze lastering ingaat, dan is dat niet om zichzelf te rechtvaardigen, maar omdat hij daarmee de opbouw van zijn geliefde Korinthiërs op het oog heeft (vers 19; 1 Korinthe 14 vers 26). Zou men de dienst van de apostel niet erkennen, dan stond dat gelijk aan de verwerping van het gezag van het Goddelijke Woord dat hij verkondigde.
Ook vandaag bestaan er veel christenen die bepaalde gedeelten van het geïnspireerde Woord van God afwijzen. Dat betreft dan vooral de Brieven van Paulus. Vers 21 laat zien tot welke zonden zo'n verwaarlozing en verachting kan leiden.
In dit hoofdstuk komen we dus zowel de toestand van de hoogste heerlijkheid tegen waarin de christen verheven kan worden, alsook de ellendigste toestand waarin hij kan vervallen. Wat een contrast bestaat er tussen het opgetrokken zijn tot in de derde hemel en het vleselijke verval onder de christenen. Denk erom, ook wij zijn tot beide dingen in staat! Wat een belangrijke les en waarschuwing voor elke heilige!
De eerste Brief aan de Korinthiërs heeft de Gemeente tot onderwerp. In de tweede Brief gaat het om het christelijke dienen. We komen daarin de gevoelens, het smeken, de moeiten, het lichamelijk lijden en het lijden van de ziel van de dienstknecht van de Heere tegen. Paulus was slechts een zwak werktuig, maar hij verlangde hier op aarde ook geen beter deel dan dat wat zijn Meester was toegevallen. Christus was hier op aarde in nederigheid en zwakheid gekruisigd, maar nu leeft Hij door de kracht van God, Die Hem heeft opgewekt (vers 4).
Tot besluit van deze Brief bidt de apostel Paulus nog één keer tot God voor zijn geliefde Korinthiërs. Dit gebed kan in één woord weergegeven worden, het ging om hun "volmaking" (vers 9). Tegelijkertijd vermaant hij henzelf echter ook: "wordt volmaakt" (vers 11). Door de hulp van de Heere in te roepen word je namelijk niet van je verantwoording ontheven om jezelf ook met ijver in te zetten voor je vooruitgang in de christelijke wandel en dienst.
Daarna zegt Paulus nog tegen de Korinthiërs: "weest blijde..., weest getroost, weest eensgezind, leeft in vrede" (vers 11).
Laat ieder die dit leest, deze vermaningen ook op zichzelf toepassen, opdat je zult kunnen genieten van de zegeningen die daarmee verbonden zijn. Ja, "de genade van de Heere Jezus Christus, en de liefde van God, en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen!" (vers 13).
This document may be found online at the following URL: http://www.stempublishing.com/authors/koechlin/dbd/nl/localStorageYear4.html.
You are welcome to freely access and use this material for personal study or sending to other Bible students, compiling extracts for notes etc, but please do not republish without permission.
With the prayerful desire that the Lord Jesus Christ will use this God-given ministry in this form for His glory and the blessing of many in these last days before His coming. © Les Hodgett
.
We zijn nu aangekomen bij het tweede Boek van de Psalmen. Profetisch gezien heeft het betrekking op de tijd dat het getrouwe joodse overblijfsel, vervolgd door de antichrist, uit Jeruzalem zal moeten vluchten. De verzen 3, 5 en 7 spreken duidelijk van de smart die deze verbanning met zich meebrengt.
Evenals in het eerste Boek het geval was, geven veel uitdrukkingen in dit tweede ook vaak iets weer van de Heere Jezus. Hij heeft immers meer geleden onder het kwaad van Zijn volk dan wie ook (lees bijvoorbeeld vers 8 en 11).
Is er een ander beeld denkbaar dat op zo indringende wijze het smachten van de ziel naar de tegenwoordigheid van God weergeeft als hetgeen vers 2 ons schetst? O, dat wij toch ook elke keer weer zo vurig naar Zijn tegenwoordigheid verlangen, wanneer onze gemeenschap met de Heere door een misstap van onszelf onderbroken is! Dat toch ieder die dit leest Hem bij deze kostbare Naam mag kennen: "de God mijns levens" (vers 9). Dat komt overeen met de 'lijfspreuk' van Paulus, waarmee je dan van harte mag instemmen: "Want het leven is mij Christus" (Filippensen 1 vers 21).
Christus is het Die dag aan dag mijn leven wil leiden. Ja, Hij wil heel mijn leven vervullen met Zichzelf. Hij wil graag het kostbare Onderwerp van heel mijn hart zijn!
"Waar is uw God?" vragen de ongelovigen misschien spottend (vers 4 en 11; vergelijk Mattheüs 27 vers 43). En ook al kennen zij Hem niet, dat het dan bij mij toch wel zo mag zijn dat ik dag en nacht weet waar Hij te vinden is. Dat ik aan mijn liefde voor Hem uitdrukking geef door lied en gebed (vers 9).