Als het in verband met het verleden (Psalm 90) goed is om dankbaar te zijn, dan is het ook goed om met het oog op de toekomst het vertrouwen op God te stellen. De gevaren van de huidige maatschappij, waar een gelovige vandaag de dag aan bloot staat, zijn enorm groot. De vogelvanger (vers 3), de leeuw, de adder, de draak (of slang) (vers 13), wie zou dat anders moeten zijn dan satan zelf? Spreekt "de zeer verderfelijke pestilentie... die in de donkerheid wandelt" (vers 3 en 6) niet van de zonde die vele malen erger is dan welke zware ziekte ook? "De pijl, die des daags vliegt" is een zinspeling op slechte gedachten, die door reclame in de straat, door lectuur of een twijfelachtig gesprek bij ons kunnen opkomen. "De schrik des nachts" zijn de zorgen die een rustige slaap, die de Heere voor ons bereid heeft (Psalm 4 vers 9), zo vaak verhinderen.
Wat ook de strik of de dreiging mag zijn, we mogen ervan verzekerd zijn een Schuilplaats, een Toevlucht en Burg te hebben. De almachtige God Zelf, de Allerhoogste! (vers 1,2 en 9).
Laten we Hem, Die te midden van dezelfde gevaren dit vertrouwen volkomen verwerkelijkt heeft, toch navolgen. Christus heeft de verleider, die het waagde deze Psalm aan te halen, overwonnen en te schande gemaakt. Vanaf vers 9 wordt het gebed van de volmaakte Mens beantwoord, door de beloften van God. Wij mogen deze beloften ook genieten in de mate waarin wij, evenals de Heere Jezus, ons vertrouwen op God stellen en wij Hem liefhebben (vers 14).
De grote daden van God en Zijn zeer diepe gedachten zijn een onuitputtelijk onderwerp van aanbidding voor de verlosten (vers 6; vergelijk Psalm 40 vers 6). Maar de mens die de Schepper in al Zijn werken niet kent, is in de ogen van God "een onnuttig man... en een dwaas" (vers 7), ook al zou hij de grootste geleerde zijn.
Zowel de goddeloze als de rechtvaardige zal groeien en bloeien (vers 8 en 14). Het kruid (of gras) loopt uit en bloeit in de zomer, daarna wordt het gemaaid (vers 8). Zo vergaat het ook de goddelozen, ze komen om (vers 10; vergelijk 2 Korinthe 4 vers 3). De rechtvaardige lijkt daarentegen op de palmboom of de ceder op de Libanon (vers 13 en 14). Wat gaat er veel tijd voorbij voordat deze prachtige bomen volgroeid zijn! Maar ze hebben hun plaats in de voorhoven van de tempel van God en bloeien daar tot Zijn eer.
Psalm 93 herinnert ons eraan dat de macht van God ouder ("van eeuwigheid af") en geweldiger is dan de macht van de vijand (vers 2 tot en met 4). De branding ("aanstoting"; vers 3) spreekt van de onrust van de wereld (Jesaja 57 vers 20; vergelijk Psalm 89 vers 10). Op Gods Woord kan men echter vertrouwen, Zijn "getuigenissen zijn zeer getrouw" (vers 5).
"De heiligheid is Uw huis sierlijk". Bij ons in huis willen we absoluut geen viezigheid of wanorde hebben. Kunnen we dan ook begrijpen dat er voor de heilige God nog veel meer reden bestaat om de zonde niet in Zijn huis, dat vandaag gevormd wordt door de Gemeente, toe te laten? (lees 2 Korinthe 6 vers 16 en verder).
In tegenstelling tot de Israëliet van de eindtijd moet de christen ervoor oppassen niet te gaan verlangen naar wraak (Romeinen 12 vers 17 en verder). Dat wil echter niet zeggen dat hij minder te lijden heeft van het kwaad en de ongerechtigheid die in deze wereld heersen. Trots (vers 2), goddeloosheid (vers 3), brutaliteit en ongerechtigheid (vers 4), onderdrukking en geweld (vers 5 en 6), alles heeft zijn vrije loop.
Op zijn weg door deze wereld kan de gelovige, bij het zien van dit alles, niet ongevoelig blijven. En hoe meer hij zich bewust is van de heiligheid van God, hoe meer afkeer van het kwade hij zal hebben (Psalm 97 vers 10). Daarom heeft Christus, de volmaakte Mens, hier op aarde meer dan wie ook geleden. In Markus 3 vers 5 zien we dat Hij "bedroefd over de verharding van hun hart" was. En Zelf is Hij het Onderwerp van de allergrootste ongerechtigheid geweest (vers 21).
Doordat wij dit kwaad waarin wij leven opmerken, komen er bij ons vaak moeitevolle gedachten opzetten: Ziet God deze dingen dan niet? Waarom grijpt Hij toch niet in? Gewoonlijk krijgen we van de Heere hiervoor geen verklaring, maar geeft Hij ons juist vertroostingen (vers 19). Door ons de ogen te openen voor al dit kwaad is het voor ons gemakkelijker om ons hiervan af te scheiden. De Heere doet dit echter opdat wij Hem meer zullen aanhangen en opdat onze hoop inniger mag worden. Geve de Heere, dat de vertroostingen van Boven onze ziel meer en meer met vreugde en verlangen mogen vervullen!
Bij hen die ervaren hebben dat de macht van God tot heil werkte, heeft dit tot uitwerking dat ze willen jubelen. Aan de oever van de Rode Zee heeft eens een verlost volk het lied van de bevrijding laten opstijgen tot God. Maar helaas leert de geschiedenis van Israël ook een andere les. Vanaf de eerste stappen in de woestijn zien we dat men getuige van de machtige daden van God kan zijn (vers 9) zonder Zijn wegen te erkennen (vers 10). De geschiedenis toont ook dat niet alleen de goddeloze farao zijn hart verhardde (Exodus 8 vers 15, 32 en verder), maar dat Israël niet aarzelde het eveneens te doen (vers 8).
De namen Massa (verzoeking) en Meriba (twist; zie Exodus 17 vers 7) zijn voor altijd in de geschiedenis gegraveerd (vergelijk Numeri 11 vers 3 en 34; hier vinden we ook dat namen blijvend aangeven wat er is gebeurd). Zulke misstappen hebben de verdrietige etappes van de woestijnreis van dit volk gemarkeerd en gekenmerkt. Laten deze namen voor ons, beste vrienden, toch als een waarschuwing dienen!
Deze Psalm wordt in de Brief aan de Hebreeën geciteerd, maar tot onze vermaning staat er dan eerst: "Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet" (Hebreeën 3 vers 7 en verder). Met het hart moet men naar de Heere luisteren. Laten we vandaag toch op "Zijn stem" letten, opdat Hij ons morgen in Zijn heerlijke rust kan invoeren.
Nadat de gelovige Israëlieten zichzelf in Psalm 95 vermaand hebben: "Laat ons juichen... laat ons aanbidden... laat ons knielen", roepen ze nu de hele aarde en de schepping op hen na te volgen: "Zingt... looft... aanbidt" (vers 1,2 en 9). De dag zal komen waarop de heidense volken hun goden de rug zullen toekeren en de "geslachten der volken" de God van Israël "eer en sterkte" geven (vers 7).
De verlosten van nu hoeven niet te wachten op de heerschappij van de Heere, om Hem pas dan te kunnen aanbidden. Zij mogen en kunnen het nu al uitroepen: "Hem zij de heerlijkheid en de kracht" (Openbaring 1 vers 6). Het is namelijk niet alleen de openbaring van de heerlijkheden van Christus die deze lof in hen bewerkt. De majesteit, pracht, sterkte en heerlijkheid van de Koning van de hele aarde zijn immers nu nog onzichtbaar, verborgen in het hemels heiligdom (vers 6). Maar de grote en voortdurende oorzaak van aanbidding door de gelovige in deze tijd is de liefde van zijn Verlosser: "Hem Die ons liefheeft en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed...".
Deze Psalm werd geschreven en gezongen naar aanleiding van de terugkeer van de ark - een beeld van Christus - in het midden van het volk Israël (1 Kronieken 16 vers 23 tot en met 30). Nu zal de Heere echter niet meer terugkeren om de wereld te redden, maar juist om haar te oordelen (vers 13; vergelijk Johannes 3 vers 17 en 5 vers 22). Hij zal de volken "in alle rechtmatigheid" (vers 10), in "gerechtigheid" en in "Zijn waarheid" oordelen (vers 13; Psalm 45 vers 4 en 5).
Deze Psalm beschrijft de oprichting van het aardse vrederijk in macht, zoals ook beschreven staat in Jesaja 11 vers 4 en 5 en Openbaring 19 vers 6. Alles wat zich verzet tegen de heerschappij van de Heere, zal verteerd worden (vers 3 tot en met 5), terwijl de harten van alle gelovigen juist vervuld zullen zijn met gejubel (vers 8 en verder). Dan wordt niet alleen meer verteld van de heerlijkheid van de HEERE (zoals in Psalm 96 vers 3), maar ze zal gezien worden (vers 6). En eindelijk zullen de bewoners van de aarde het verschil tussen de heerschappij die door mensen uitgeoefend wordt en de door God opgerichte gerechtigheid erkennen.
Ook de engelen, die in vers 7 "goden" genoemd worden en lange tijd getuigen van de ongerechtigheid op aarde waren, zullen dan eindelijk de triomf van de gerechtigheid kunnen bijwonen. Zij zullen zien dat de Eerstgeborene (Christus) door God in de wereld (de bewoonde aarde) ingebracht zal worden en Hem, samen met de heiligen op aarde, aanbidden (Hebreeën 1 vers 6).
De drie laatste verzen gelden voor alle tijden, want God heeft Zijn ogen altijd gericht op hen die Hem liefhebben, op "de oprechten van hart". In Zijn grote genade noemt Hij hen "gunstgenoten" en "rechtvaardigen". En Hij verwacht van hen, dat zij het kwaad haten en zich in Hem verheugen! (vers 10 en 12; vergelijk Romeinen 12 vers 9 en Filippi 4 vers 4 en verder). Hij zal dan, van Zijn kant, niet nalaten hun zielen te bewaren en licht te geven voor de weg die ze hier beneden hebben te gaan (vers 10 en 11).
Deze Psalmen beginnen op dezelfde manier als respectievelijk Psalm 96 en 97.
"Zingt de HEERE een nieuw lied" (Psalm 98 vers 1). Dit nieuwe lied heeft Christus, in de nieuwe openbaringen van Zijn heerlijkheid, als Onderwerp. Bij het aanbreken van Zijn heerschappij, wanneer God Zijn heil bekend gemaakt en Zijn gerechtigheid geopenbaard zal hebben (vers 2; Psalm 97), zal dit lied in de hemel weerklinken. En dit lied zal weerklank vinden bij alle schepselen (lees Openbaring 5 vers 9 tot en met 13). De hemel en de aarde zullen in harmonie met elkaar zingen. Een allesomvattende vreugde zal dan eindelijk het antwoord zijn op de goedertierenheid en trouw van God (vers 3).
"De HEERE regeert", herhaalt Psalm 99. Nadat Zijn gericht voltrokken is, neemt Zijn heerlijkheid weer de plaats "tussen de cherubs" in, de plaats die destijds vanwege de ongerechtigheid van het volk verlaten werd (Exodus 25 vers 22; Ezechiël 10). Zijn heiligheid wordt tot driemaal toe uitgeroepen: "Die heilig is... Hij is heilig... de HEERE, onze God, is heilig" (vers 3, 5 en 9; vergelijk Jesaja 6 vers 2 en 3).
Deze driemaal heilige God is echter ook de God Die vergeeft (vers 8). En wij weten dat Hij dit kan doen, zonder Zichzelf te verloochenen, dankzij het werk aan het kruis.
Slechts daar, op grond van deze vergeving, kan de voorbede van Mozes, Aäron en Samuël beantwoord worden, de vergeving die door genade nu al ons deel is (Exodus 32 vers 11 en 32; Numeri 16 vers 47; 1 Samuël 7 vers 5 en 12 vers 23).
Psalm 100 is een Psalm van dankzegging, die de "ganse aarde" oproept om God te loven en Hem met vreugde te dienen.
Voor ons is dit een nog veel groter voorrecht, voor ons die God als een goede Vader en de Heere Jezus als een zorgzame Herder mogen kennen (vergelijk vers 3 aan het eind). Maar is het voor ons ook een vreugde de Heere te dienen? Of gedragen wij ons alsof Hij een strenge Meester zou zijn, Die ons een zwaar juk oplegt? (Mattheüs 25 vers 24 en verder). Beste vrienden, dat we toch nu al die vreugde mogen genieten die altijd het gevolg is van een gehoorzame dienst (Johannes 15 vers 10 en 11), opdat wij later ook dat heerlijke woord mogen horen: "Ga in, in de vreugde van uw Heere" (Mattheüs 25 vers 21 en 23).
Met Psalm 101 begint een nieuwe serie Psalmen. Deze eerste uit die serie is in zekere zin als de tekst van de verklaring die de Koning aflegt, bij het aantreden van Zijn heerschappij. De basisprincipes waarop de heerschappij van het land zal rusten, worden bekend gemaakt: wijsheid, oprechtheid, gerechtigheid en afzondering van het kwaad. Wat een verschil tussen deze eenvoudige en vaste grondslagen en de omvangrijke wetboeken van de menselijke rechtspraak! Alles zal voor dit rijk toebereid zijn; verdorvenheid, kwaadsprekerij, hoogmoed, bedrog en leugen zullen niet meer geduld worden. Wij zijn geroepen samen met de Heere te heersen; daarom past het ons om nu al de grondslagen van dit rijk, in onze wandel hier op aarde, in praktijk te brengen.
Het opschrift boven deze Psalm richt onze blikken op de Ellendigste van alle verdrukten: de Heere Jezus in Zijn lijden, "als Hij overstelpt is, en Zijn klacht uitstort". Dit is echter niet een klacht waarin sprake is van ongeduld noch van morren, maar juist van volkomen onderwerping. Het is een klacht die voor God uitgestort wordt, niet voor mensen! Wie zou overigens de Heere begrepen kunnen hebben? Zelfs van Zijn discipelen was niemand daartoe in staat. De verzen 6 en 7 geven uitdrukking aan Zijn volkomen zedelijke eenzaamheid hier op aarde.
Hoe meer een mens zich van anderen onderscheidt, hoe meer hij zich alleen voelt. En Christus was afgezonderd van de mensen, vanwege Zijn volmaaktheid. Hij heeft daarom deze eenzaamheid niet alleen tijdens de uren aan het kruis, maar gedurende Zijn hele leven hier op aarde ervaren. Tranen zijn Zijn drank geweest, Zijn dagelijks deel (vers 10).
En Hij is niet alleen gesmaad in bepaalde situaties die de evangeliën ons meedelen. Hij is "heel de dag" het Onderwerp van de haat van Zijn vijanden geweest (vers 9). Hij heeft de toom van de mensen ten opzichte van Zichzelf duidelijk ervaren. Maar nog vele malen erger was de toorn van God, die Hij moest ondergaan toen Hij onze Plaatsvervanger werd (vers 11). Echter, datzelfde moment werd toen voor God "de tijd om... genadig te zijn" (vers 14). Deze genade zal er voor het Sion van Israël zijn, maar is nu al het deel van allen die in Hem geloven.
God heeft vanuit de hemel de gevangenen van satan, die de eeuwige dood gewijd waren, gezien. Hij heeft hun zuchten gehoord (vers 20 en 21), en daarom heeft Hij Zijn Zoon naar deze aarde gezonden.
Als ware Mens heeft Christus gesmeekt tot Hem, Die Hem van de dood kon redden (vers 25; Hebreeën 5 vers 7 en verder). Maar in hetzelfde vers (24) krijgt "het gebed van Hem, Die gans ontbloot is" (vers 18) een opmerkelijk antwoord als troost. Als Mens heeft Christus gesmeekt; als God krijgt Hij antwoord. En wij mogen getuigen zijn van dit wonderbare gesprek dat tot stand komt tussen God de Vader en God de Zoon. Dat is een ondoorgrondelijk geheim!
Wie is deze ellendige, eenzame en met smaad overdekte Mens, Die zo diep Zijn zwakheid heeft gevoeld? Dat is Hij Die eertijds de aarde heeft gegrondvest en de hemelen heeft uitgebreid (Micha 5 vers 1)!
We lezen in vers 25: "Neem Mij niet weg in het midden Mijner dagen". Nee, Zijn jaren zullen nooit eindigen! De schepping zal verouderen en ten onder gaan; de Schepper echter blijft tot in alle eeuwigheid. Hij is tot in alle eeuwigheid Dezelfde. En de Hebreeënbrief, die deze verzen aanhaalt, voegt eraan toe dat de Zoon, door Wie de hele heerlijkheid van God uitgestraald wordt, ook Degene is Die "de reinigmaking onzer zonden door Zichzelf teweeg gebracht heeft" (Hebreeën 1 vers 2, 3 en 10 tot en met 12).
Wat is de waarde van het werk, dat door zo'n kostbare Persoon volbracht werd, toch onmetelijk groot! Voor God, maar ook voor ons!
Hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij!
Laten wij, net als David, onze ziel toch steeds weer oproepen om God te loven en Zijn talloze weldaden te gedenken! Helaas zijn wij eerder geneigd om nauwkeurig een lijst bij te houden van die dingen waaraan wij gebrek hebben dan dat wij een lijst maken van ontvangen zegeningen. Wat zijn we toch ondankbaar en wat mopperen we vaak! Denk bijvoorbeeld alleen maar eens aan het eten. Hebben we nooit aanmerkingen op hetgeen er op ons bord komt? En dat terwijl we even eerder de Heere ervoor gedankt hebben!
Er bestaat echter nog iets veel hogers dan alle gaven die God ons dagelijks geeft. Onze zielen hebben nog veel meer oorzaak God voortdurend voor de vergeving van onze zonden te danken (vers 3). Als Hij ons gegeven zou hebben naar wat wij verdiend hadden, dan zou het eeuwig oordeel ons deel zijn (vers 10). Nu heeft Hij echter al onze zonden oneindig ver van ons verwijderd (vers 12), Hij heeft ze achter Zijn rug geworpen (Jesaja 38 vers 17), wit als sneeuw gemaakt (Jesaja 1 vers 18), als een wolk opgelost (Jesaja 44 vers 22), in de diepte van de zee gegooid (Micha 7 vers 19) en Hij zal ze nooit meer gedenken (Jesaja 43 vers 25; Hebreeën 10 vers 17).
De goedertierenheid van God kent geen grenzen voor hen "die Hem vrezen" (vers 11, 13 en 17; vergelijk Jesaja 55 vers 7 tot en met 9). Hem vrezen betekent dus niet meer te hoeven vrezen voor Zijn toorn. Dat mag de geesteshouding zijn van hen die Zijn geduld, genade, goedertierenheid en barmhartigheid hebben leren kennen (vers 8; Psalm 130 vers 4) en die daarin telkens weer een nieuwe oorzaak vinden om Hem te loven.
De Psalmen 104 tot en met 106 zijn een samenvatting van de eerste Boeken van de Bijbel. Psalm 104 prijst de schepping, terwijl 105 en 106 herinneren aan de geschiedenis van de patriarchen en het volk Israël.
De schepping, door de Schepper Zelf beschreven. Wat een Schrijver en wat een onderwerp om zich mee bezig te houden!
Hier lezen we opnieuw over het scheppingswerk tijdens de eerste zes dagen van Genesis 1. Op de eerste dag: het licht (vers 2); op de tweede: het uitspannen van de hemel om scheiding te brengen tussen de wateren (vers 2 en 3); op de derde: het gronden van de aarde en het verzamelen van de wateren en het ontstaan van het plantenrijk (vers 5 tot en met 9; 14 en verder); op de vierde dag: het maken van de grote lichten (vers 19 en 22); op de vijfde: het wemelen van de dieren in de zee en in de lucht (vers 25, 26, 12 en 17); en ten slotte op de zesde dag: de schepping van de levende wezens op aarde (vers 11, 21 en verder), met als kroon de schepping van de mens (vers 15 en 23).
Laten we er echter op letten dat de klemtoon hier niet gelegd wordt op de macht en wijsheid van God, maar op Zijn goedertierenheid. Alles werd tot het welzijn en tot vreugde voor Zijn schepsels gepland en uitgevoerd (vers 11 en verder).
Als we vers 5 vergelijken met Psalm 102 vers 26, mogen we in deze God, Die "zeer groot" is (vers 1; Psalm 145 vers 3), de Oorsprong van alle dingen, de Zoon, erkennen en aanbidden. Hij was één met de Vader in al Zijn raadsbesluiten en in al Zijn liefde!
Wij zijn altijd geneigd om grote waarde te hechten aan het werk dat de mensen doen (vers 23). Maar wat is dat werk klein in vergelijking tot de grote werken van God, tot die talloze bewijzen van Zijn wijsheid! (vers 24). En elk schepsel is in eerste instantie van Hem en niet van menselijke arbeid afhankelijk (vers 27 en 28; Mattheüs 7 vers 11). Laten we ervoor oppassen dat we alles wat wij verdienen, alles wat ons ten deel valt, toch niet gaan zien als eigen verdienste! Nee, het is alles door Zijn genade! Ja, "het aardrijk is vol van Uw goederen". Het is alles van Hem (!), laten we daar acht op slaan en dat in gedachten houden!
Het is echter zo, dat je de schepping kunt bewonderen en er van genieten zonder Hem Die dat alles gemaakt heeft, werkelijk te kennen. Hoeveel kunstenaars en filosofen zijn er niet die deze waarheid verwarren met de natuur, en dan nog wel een natuur waarin de zonde haar onreine sporen heeft achtergelaten! Als een zondaar naar de natuur kijkt, dan wordt hij daardoor niet onderwezen in hetgeen God is in Zijn heiligheid, rechtvaardigheid, gerechtigheid en genade. Om vertrouwelijke omgang met een architect te hebben, is er meer nodig dan alleen de gebouwen die hij ontworpen heeft, te bekijken, gebouwen die bovendien door de huurders wel helemaal verbouwd of zelfs vernield kunnen zijn. Nee, men moet een geregelde omgang met de persoon zelf hebben, weten wat zijn karakter is, hoe zijn familie, gewoontes en dergelijke zijn.
En laten we ook nooit vergeten dat wij uit onszelf God niet kunnen ontdekken. Hij moet Zichzelf openbaren en dan niet aan onze zintuigen, maar aan onze ziel, want God is een Geest (Johannes 4 vers 24). En Hij openbaart Zich niet alleen in de natuur, maar ook in Zijn Woord (Psalm 19).
De verzen 1 tot en met 15 van deze Psalm vormen (samen met Psalm 96) een onderdeel van hetgeen David bij de terugkeer van de ark "voor het eerst... door de dienst van Asaf" had opgedragen (1 Kronieken 16 vers 8 tot en met 22). Met slechts één klein verschil, dat echter wel heel opmerkelijk is! In 1 Kronieken 16 vers 15 staat als vermaning: "Gedenkt tot in eeuwigheid aan Zijn verbond". In vers 1 8 van onze Psalm staat echter: "Hij gedenkt Zijn verbond
tot in eeuwigheid". Ook al heeft Zijn volk gefaald en zijn ze het verbond met hun God vergeten, toch gedenkt Hij altijd Zijn beloften, die Hij Abraham, Izaäk en Jakob heeft gedaan (2 Timotheüs 2 vers 13). Die beloften waren alles wat deze geloofsmannen bezaten. In de ogen van hun tijdgenoten telden deze mannen nauwelijks mee. Ze waren maar "weinig en vreemdelingen" in het land (vers 12), zoals de christenen dat vandaag de dag ook zijn. Maar God waakte over hen, zoals Hij nu ook over ons waakt (vers 14, 15 en bijvoorbeeld Genesis 31 vers 24).
Toen zond Hij "een man" die, in beeld, Zijn raadsbesluiten vervulde: Jozef, een kostbaar voorbeeld van de Heere Jezus. Nadat hij eerst knecht en daarna een gevangene was, werd hij door "de heerser der volken" bevrijd. En deze heerser maakte hem "tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed" (vers 17 tot en met 21).
Gestorven, en door de macht van God opgewekt, zal Christus als Heere over de hele aarde aangesteld worden, en in Hem zullen alle beloften van God vervuld worden (Handelingen 2 vers 36).
Door het hele Boek Exodus heen zien we een ontvouwing van de macht van God. Als eerste zien we de grote wonderwerken van het oordeel over Egypteland (vers 27 tot en met 36), daarna de wonderen van genade ten gunste van het volk Israël (vers 37 tot en met 41). De vreselijke plagen waarmee Egypte geslagen werd, waren echter niet alleen bedoeld om de farao angst aan te jagen en te tuchtigen. De HEERE wilde Zich door tekenen en wonderen vooral ook aan Zijn eigen volk openbaren (vers 27; Exodus 14 vers 31).
"Hij sprak..." en die dingen gebeurden (vers 31 en 34). Net als bij de schepping was slechts één woord van Hem nodig, om die talloze kleine handlangers van Zijn toorn ten tonele te laten verschijnen: "een vermenging van ongedierte, luizen, sprinkhanen, kevers" (vergelijk Hebreeën 11 vers 3 en verder). En wat een vernedering voor de mensen, om door verachtelijke insecten overwonnen te worden.
Israël verlaat, na het Pascha gevierd te hebben, Egypte en verruilt daarmee alle ellende voor grote rijkdommen (vers 37). Het volk heeft gezucht onder de verdrukking; God laat het met vreugde en gejubel uittrekken (vers 43). Dit volk, dat zo zwaar moest werken, zal de erfenis van de arbeid der volken bezitten (vers 44). En dit hele werk van bevrijding en verlossing is het gevolg van de verplichting die de HEERE met Abraham was aangegaan (vers 42; lees Genesis 15 vers 13 en 14). Niets zal de trouwe God verhinderen "Zijn heilig Woord" te vervullen (vers 42; Lukas 1 vers 72 en 73).
In Psalm 105 was alleen het werk van God zichtbaar; er werd niet gesproken over de zonden van Israël. Psalm 106 spreekt over diezelfde tijd, vanaf de uittocht uit Egypte, maar legt dan de nadruk op de verantwoordelijkheid van het volk (vergelijk bijvoorbeeld die gebeurtenis met de kwakkels in Psalm 105 vers 40 en Psalm 106 vers 14 en 15).
Onze eigen geschiedenis heeft ook twee kanten. Aan de ene kant staat het volkomen werk van de genade, dat ons gered heeft. En daarna heeft deze genade als het ware de verantwoording voor ons op zich genomen om ons, ondanks alle hindernissen en moeilijkheden, veilig naar het einddoel te leiden (Filippi 1 vers 6). Maar aan de andere kant staat onze wandel, die maar al te vaak door omwegen en misstappen vertraagd wordt. Hoe zeer hebben wij Hem nodig, Die veel beter dan Mozes, ononderbroken "in de scheur" staat, om voorbede te doen voor de Zijnen (vers 23; Romeinen 8 vers 34).
"Vergeet geen van Zijn weldaden", was de vermaning in Psalm 103. Dat vergeten betekent niets anders dan het openzetten van de deur naar begeerte en dat leidt weer tot opstandigheid (vers 7, 13, 14 en 21). In een ondankbaar hart heeft satan vrij spel daarin zondige verlangens te zaaien. Hij weet precies hoe hij iemand die de gaven van God niet meer zo waardeert, de dingen van deze wereld aanlokkelijk moet voorstellen. En uiteindelijk brengt hij zo iemand, stapje voor stapje, in openlijke opstand tegen God.
Geve de Heere, dat we toch altijd letten op Zijn wonderen en denken aan Zijn goedertierenheden (vers 7).
In Psalm 105 beschreven de werkwoorden het almachtig ingrijpen van God: "Hij zond" (vers 17, 26 en 28), "Hij sprak" (vers 31 en 34), "maakte" (vers 32), "versloeg" (vers 36), "voerde uit" (vers 37 en 43), enzovoort. Hier in Psalm 106 hebben we gezien dat de gedachten en de handelingen van de mensen (en wat voor handelingen!) op de voorgrond treden. "Zij geloofden niet... zij murmureerden... zij vermengden zich met de heidenen...zij dienden hun afgoden... zij hebben de duivelen geofferd... zij vergoten onschuldig bloed... zij verontreinigden zich..." (vers 24 tot en met 39). Wat is de geschiedenis van dit volk toch hartverscheurend! Steeds dieper verzonken ze in het kwaad en deden alles om de toom van God te ontsteken! (vers 40). Men zou verwachten dat Hij hen daarom definitief zou verwerpen, maar deze verschrikkelijk aanklacht eindigt juist met de overwinning van de genade! Opnieuw is het God Die handelt: "Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde... En Hij dacht hun ten beste... en het berouwde Hem... Daarom gaf Hij hun barmhartigheid" (vers 44 tot en met 46). Op deze ondoorgrondelijke barmhartigheid zal een eeuwige lof het antwoord zijn (vers 48).
Door de zonde die in vers 24 genoemd wordt, werd het hart van God wel in bijzondere mate bedroefd. "Zij versmaadden ook het gewenste land...". Beste gelovige vrienden, wij zijn op weg naar een Vaderland dat oneindig veel heerlijker is dan het aardse Kanaän: de hemelse stad, het Vaderhuis! Is dat Huis voor ons iets waar we naar verlangen, of verachten wij het? Onze hele wandel hier beneden zal daarvan afhankelijk zijn!
In profetisch opzicht ziet het vijfde Boek van de Psalmen de verlosten van Israël (Juda en de tien stammen) als in hun land verzameld (vers 3), bij "de dageraad" (Psalm 108 vers 3). Dat betekent: bij het aanbreken van het duizendjarig rijk. In Psalm 107 denken ze terug aan de verdrukkingen op hun terugweg, aan het schreeuwen tot God in hun grote nood, aan Zijn bevrijding. En ten slotte horen we de lof opklinken, die Hem toekomt.
In het algemeen gezien, beschrijven deze vier beelden - vers 4 tot en met 9; 10 tot en met 16; 17 tot en met 22; 23 tot en met 32 - de verschillende wegen van God tot heil van een ziel (vers 9).
Deze ziel heeft misschien gedurende langere tijd doelloos en rusteloos in de dorre woestenij van deze wereld rondgezworven (vers 4 en 5; vergelijk Genesis 21 vers 14 en verder). In het bewustzijn van het bittere gebrek heeft ze tot God geroepen, Die haar verzadigd, bevredigd en in de Goddelijk rust gebracht heeft (vers 7 en 9)...
De ziel heeft misschien onder de slavernij van satan, de verdrukker, in de duisternis en in de ijzeren ketens van de zonde gezucht (vers 2 en 10). God heeft haar uitgeleid en de banden verbroken (vers 14 en 16)...
Misschien heeft die ziel hopeloosheid gekend, omdat ze geveld was door een ziekte of getroffen door een ongeluk, waardoor ze tot aan de poorten van de dood was genaderd, het einde van de weg van ieder mens (vers 17 en 18)...
... Totdat God Zijn Woord stuurde en haar genas (vers 20).
Kan ieder van ons het beamen dat de Heere zijn of haar ziel gevonden en gered heeft?
Veel mensen denken alleen in tijden van beproeving aan God. Is het dan verwonderlijk dat Hij hen beproevingen stuurt? Evenals de matrozen in vers 23 tot en met 30 worden de mensen soms in uitzichtloze situaties geplaatst (Lukas 8 vers 23 en verder). God wil daarmee bewerken dat zij hun totale onmacht en de nietigheid van hun wijsheid gaan inzien (vers 27; Psalm 108 vers 13). Waarom? Om hen zover te brengen dat ze Hem gaan aanroepen. Hij staat, als het ware, te wachten om in te grijpen. Op Zijn stem zullen de golven bedaren (vers 29). Wanneer de mens ermee instemt dat de Heere het roer overneemt, om zich door Hem naar de langverwachte haven te laten leiden (vers 30), dan komt tegelijkertijd de geest van de mens tot rust!
Deze verschillende wegen van God tot heil van een ziel vinden een parallel in het leven van de gelovige. De aardse bronnen waaruit hij dronk, kunnen opdrogen (vers 33; vergelijk 1 Koningen 17 vers 7), maar tegelijkertijd zal de Heere levend water laten vinden, op een plek waar hij het niet zocht (vers 35; Exodus 15 vers 22 tot en met 25). Juist wat zo dor en bitter leek, zal voor de ziel tot een bron van vreugde en kracht worden. "Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandig letten op de goedertierenheid des HEEREN" (vers 43).
Ja, wees ervan verzekerd dat al onze omstandigheden, zowel de moeilijke als de aangename, door "Zijn goedertierenheid", die "tot in eeuwigheid" is, worden bepaald! (vergelijk vers 1).
"Ik zal in de dageraad opwaken" (vers 3). Zijn wij ons, net als David, ervan bewust hoe waardevol de eerste momenten van een dag zijn, wanneer we die in gemeenschap met de Heere doorbrengen (vergelijk Psalm 63 vers 2)? De ervaring leert dat, wanneer wij deze gelegenheid niet aangrijpen, we er in de loop van de dag gewoonlijk geen kans meer voor krijgen.
De verzen 6 en 7 herinneren ons aan twee waarheden die we in onze gebeden nooit uit het oog mogen verliezen. Ten eerste, dat de bevrijding en de zegen van de gelovige niet gescheiden kunnen worden van de heerlijkheid van God. Dat vergeten wij maar al te vaak bij ons bidden, en zijn dan op een zelfzuchtige manier alleen met de dingen bezig die onszelf aangaan. Laat we echter de woorden van Mattheüs 6 vers 33 ter harte nemen: "Zoekt eerst het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u er bij gegeven worden".
Ten tweede moeten wij, omdat we de liefde van de Heere tot de Zijnen kennen, niet nalaten aanspraak te maken op deze liefde, op deze liefde te bouwen en te rekenen. "Opdat Uw beminden bevrijd worden", zegt de Psalmist (vers 7; vergelijk Johannes 11 vers 3).
Vanaf vers 7 worden de verzen 7 tot en met 14 van Psalm 60 herhaald. Ze hebben betrekking op het tijdstip waarop God de grenzen van Israël weer zal herstellen. Hij heeft in Zijn heiligdom gesproken (vers 8), en Zijn eerste woorden zijn: "Daarom zal Ik van vreugde opspringen...". Het is een vreugde voor de Heere om de Zijnen te zegenen en hen aan Zijn erfdeel te laten deelhebben.
Hoewel de inhoud van deze Psalm over vreselijke dingen spreekt, is het begin toch dat de "God mijns lofs" wordt aangeroepen (vers 1). Geen enkele dreiging, geen enkele vorm van neerslachtigheid verhinderde de Heere Jezus om Zijn ogen op te heffen tot de Vader en Hem te loven. Integendeel, dit hele gebeuren was voor Hem juist een aanleiding om dat te doen! Hoe verdedigde Hij Zich toen Hij omgeven was "met hatelijke woorden"? (vers 3). Hij zegt: "Maar Ik was steeds in het gebed" (vers 4).
Beste gelovige vrienden, dat zou ook onze enige 'tegenspraak' moeten zijn, wanneer wij onrechtvaardig of vijandig behandeld worden. Als wij zwijgen - en dus alleen met God hierover praten - dan zal Hij niet zwijgen en in onze plaats antwoorden (vers 1; Romeinen 12 vers 19).
Christus was echter de Enige "Die zulk een tegenspreken... tegen Zich" heeft verdragen (Hebreeën 12 vers 3). Zijn tegenstanders (die in de Hebreeuwse grondtekst dezelfde naam dragen als hun meester: satan) hebben niet alleen zonder oorzaak tegen Hem gestreden, maar de Heere Jezus moet het ook uitroepen: "Zij hebben Mij kwaad voor goed opgelegd" (vers 5).
Onder hen bevond zich ook Judas. Zijn handelwijze getuigde van grote ondankbaarheid, omdat hij immers ook het onderwerp was geweest van de innige toegenegenheid van de Heere. In Handelingen 1 vers 20 wordt vers 8 van onze Psalm op hem toegepast. (En in de toekomst heeft dit betrekking op de antichrist.)
Wat waren er toch veel oorzaken aanwezig waardoor het hart van de Heiland verslagen had kunnen worden (vers 16).
"Maak het met Mij om Uws Naams wil", smeekt de Ellendige en Nooddruftige (dat is Christus; vers 21 en 22; vergelijk Johannes 12 vers 28). "Opdat zij weten, dat dit Uw hand is" (vers 27). God was het aan Zijn eigen heerlijkheid verschuldigd Hem, Die Hem aanriep, te bevrijden. En daarvan spreekt Psalm 110! Wat straalt er in die Psalm toch een grootheid naar voren van de Persoon, Die eens de "Man van smarten" was geweest! God heeft Hem verhoogd. We zingen het in een lied: Hij troont nu Boven, hoog verheven, als God en Mens, met eer omgeven...
De HEERE stond aan de rechterhand van de Nooddruftige, om Hem te redden (Psalm 109 vers 31); dat was het verleden. En nu, op dit moment, zit Hij aan Gods rechterhand (vers 1; Efeze 1 vers 20). Vers 5 belooft voor de toekomst: de HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage van Zijn toom". De vijanden uit Psalm 109 zullen tot een voetbank voor Zijn voeten worden. Hun onderwerping zal deel uitmaken van Zijn heerlijkheid.
Deze Psalm wordt acht keer aangehaald in het Nieuwe Testament, en is praktisch de leidraad voor de hele Brief aan de Hebreeën (hoofdstuk 1 vers 13; 7 vers 17; 10 vers 13 en verder).
Ten slotte wordt er aan de beloften die de Messias gegeven zijn, nog één toegevoegd, die betrekking heeft op Zijn weg hier op aarde (vers 7). Christus zou als Mens hier beneden enkele zeldzame ogenblikken van verfrissing ondervinden. Dit was om Zijn ziel te bemoedigen en te versterken (bijvoorbeeld Lukas 7 vers 9 en 44; 9 vers 20; 10 vers 21 en 39; 23 vers 42; enzovoort).
Groot zijn "de werken" van de Schepper-God (vers 2). Maar wat te zeggen van Zijn eenmalig "doen" (vers 3), van de verlossing? (vers 9). Hoeveel "majesteit en heerlijkheid" mogen we toch daarin zien! We aanbidden Hem, Die dit werk volbracht heeft, en kunnen en mogen instemmen met de woorden van de apostel Paulus: "Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?" (Romeinen 8 vers 32). Zorgt Hij niet dagelijks voor ons levensonderhoud? (vers 5). Ja, uit alles wat God doet, blijkt duidelijk wat Hij is: "Genadig en barmhartig" (vers 4).
Als wij Zijn daden overdenken, versterkt dat bij ons het vertrouwen in Zijn Woord. Nooit is Zijn handelen in tegenstelling met Zijn voorschriften. Zowel het één als het ander is waarheid. "Zijn bevelen zijn getrouw" (vers 7). Daar kun je altijd op vertrouwen en door die op te volgen, zul je "goed verstand" ontvangen (vers 10).
God te vrezen is de eerste stap van de mens op de weg van wijsheid. En zoals de woorden van vers 5 het zeggen, is dat tevens de enige weg om het grote hongerprobleem van deze wereld op te lossen, maar ook de enige weg waaraan de volken niet denken!
De lof van de HEERE "bestaat tot in eeuwigheid" (vers 10). Dat geldt trouwens ook voor Zijn gerechtigheid (vers 3) en Zijn bevelen (vers 8). O, dat we nu toch al Zijn lof mogen aanheffen!
Deze Psalm sluit aan bij de voorgaande. (Dit blijkt ook duidelijk uit de alfabetische volgorde van de verzen die er in sommige Bijbelvertalingen bij vermeld staat).
In Psalm 111 bestaat de gerechtigheid van God tot in eeuwigheid (vers 3). In Psalm 112 lezen we dat de gerechtigheid van hen die God vrezen, tot in eeuwigheid bestaat (vers 3 en 9). Vers 1 van de Psalm voor vandaag sluit aan bij het laatste vers van Psalm 111, ja, gaat zelfs nog verder. Het vrezen van God, de weg van de wijsheid, is ook de weg van zegen. Het gaat er niet meer alleen om de bevelen van God uit te voeren, maar ook om er een welgevallen in te hebben. Dat was ook het deel van de Heere Jezus, Die het zeggen kon: "Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen" (Psalm 40 vers 9; zie ook Johannes 4 vers 34).
Er zijn mensen die constant in angst leven dat ze slechte berichten zullen ontvangen. Het vrezen van God neemt de erge gebeurtenissen (vers 7) of angst voor mensen (vers 8) weg. Het hart van hem die op God vertrouwt, wordt niet angstig gemaakt door hetgeen er gebeurt (Spreuken 1 vers 33). Zo'n hart is juist vast (vers 7), omdat de Heere het steunt (vers 8; vergelijk Johannes 14 vers 1 en 27).
Een vast hart kan echter tegelijkertijd ook een fijngevoelig hart, vol van liefde, zijn. De rechtvaardige is genadig (vers 5), strooit uit en geeft aan de armen (vers 9). "Hij is genadig, en barmhartig", zoals God Zelf is (vergelijk vers 4 met Psalm 111 vers 4 en Jakobus 5 vers 11).
Wat zijn er voor de "knechten des HEEREN" toch talloze redenen om "de Naam des HEEREN" te loven (vers 1). Eens lagen zij in het stof des doods terneer, ja, in de drek van de zonde (vers 7). Maar God heeft Zich tot hen neergebogen, om "op de aarde" te zien (vers 6). Laten we nooit vergeten dat, hoe groot Hij ook is, Hij desondanks kennis neemt van alles wat elk van Zijn schepselen betreft. Hij is met hun lot begaan. Hij heeft hun totaal hopeloze situatie gezien. En zoals de koning in de gelijkenis had Hij er een welgevallen in, om deze arme en ellendige mensen uit te nodigen om aan Zijn maaltijd van genade deel te nemen (Mattheüs 22 vers 10; vergelijk 1 Samuël 2 vers 8 en Lukas 1 vers 52 en 53).
De God van Israël had de verdrukking van Zijn volk gezien, hun geschreeuw gehoord, en wist van hun smarten. En Hij daalde neer om hen te bevrijden (Psalm 113 vers 6; Exodus 3 vers 7 en 8). Met macht leidde Hij Zijn volk uit Egypte. Op Zijn bevel vluchtte het water van de Rode Zee, om het volk van God doorgang te verlenen. De Jordaan keerde achterwaarts, om de doortocht mogelijk te maken. De rotssteen gaf water, waardoor ze hun dorst konden lessen. God weet waar en hoe Hij verkwikking en leven moet geven, om aan de behoeften van de Zijnen tegemoet te komen. Maar Hij zal een nog groter wonder ten gunste van de Zijnen volbrengen, wanneer Hij hun harde hart zal veranderen in een waterfontein, tot zegen voor de hele aarde.
Net als Mozes en Jozua, zo zal ook het overblijfsel van Israël later God vragen om ter wille van Zijn heerlijkheid in te grijpen, opdat Zijn Naam erkend wordt door alle volken (vers 1 en 2; Exodus 32 vers 12; Jozua 7 vers 9). Ja, eens zal God terugkomen op de uitdaging die de Zijnen zo bedroefd heeft: "Waar is nu hun God?" (vers 2; Psalm 42 vers 4; vergelijk Mattheüs 27 vers 43).
"Onze God is toch in de hemel", antwoorden de gelovigen, en hun hart gaat naar Hem uit, is bij Hem! Bij de mensen van de wereld is er gewoonlijk niet zoveel tijd voor nodig om vast te stellen waar hun interesses liggen en waartoe ze geneigd zijn. De meesten van hen schamen zich niet voor hun afgoden, zoals zilver en goud (vers 4), kunst en techniek, ontspanning en amusement, evenals hun zang- en filmidolen of andere beroemde persoonlijkheden.
Laten wij toch ook vertellen Wie onze God is! Laat dat direct aan ons te zien zijn! Laten we er toch voor zorgen dat Zijn Naam nu al bekend wordt in onze omgeving. Hoe meer wij Zijn eer zoeken en niet de onze (vers 1), hoe meer Hij bekend gemaakt zal worden door ons. Dat is ook het gevolg, naar de mate waarin wij ons vertrouwen alleen op Hem stellen (vers 11).
In tegenstelling tot de aardse lof en zegen van het rijk (vers 16 en 17), verheugen wij ons als christenen in het feit dat wij met Christus gestorven zijn en met Hem onze zegeningen in de hemelse gewesten hebben (Efeze 1 vers 3).
Dit lied zal gezongen worden door de Israëliet die in zijn land is teruggekeerd. De verloste van de Heere heeft vandaag de dag nog veel meer reden om te zingen: "Ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost... mijn ziel gered van de dood" (vers 6 en 8). De herinnering aan zo'n groot heil maakt de gelovige er ook van bewust dat zijn Verlosser een recht op hem heeft verworven.
Vers 8 spreekt van een drievoudige bevrijding: God redt onze zielen; Hij ondersteunt het hart dat door de beproevingen bezwaard is; en ten slotte bewaart Hij ons, zo zwak als wij zijn, voor het gevaar dat wij lopen om te struikelen in de valstrikken en verzoekingen. Daarom mag ieder van ons zichzelf wel de vraag stellen, zoals vers 12 het zegt: "Wat zal ik de HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen?" "Ik heb lief...", antwoordt de psalmist.
Dat zijn de eerste woorden van deze Psalm en dat is ook de eerste uitwerking van het evangelie. Het vormt de basis voor alle andere uitwerkingen. Dan kan de mond spreken uit de volheid van het hart en de Naam van de Heere belijden (vers 10; 2 Korinthe 4 vers 13).
Er zijn echter meer gelegenheden om van Hem te spreken dan alleen tegenover onze medemensen! "Ik zal de beker der verlossingen opnemen... Ik zal U offeren een offerande van dankzegging... in de tegenwoordigheid van al Zijn volk" (vers 13,17 en 14). Laten we Hem deze lofoffers toch met heel ons hart brengen, "dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden" (Hebreeën 13 vers 15).
Als wij zelf van de Heere mogen genieten (Psalm 116), dan zullen we ook anderen oproepen om Hem samen met ons te aanbidden. Zo zal het ook bij de Israëlieten zijn. Ooit waren ze ontzettend jaloers vanwege al hun voorrechten en hadden ze een grote minachting voor de volken. Maar eens zullen ze zelf de aanleiding zijn tot een wereldwijde lof (vers 1; Romeinen 10 vers 19; 15 vers 11).
De goedertierenheid en de waarheid van God worden weer gezamenlijk genoemd (vers 2; zie Psalm 108 vers 5; 115 vers 1). Zij vormen de openbaring van de natuur en het wezen van God tegenover de mensen: Liefde en Licht. Wat is deze kostbare en korte Psalm (die overigens precies in het midden van de Bijbel staat) toch een onuitputtelijke bron van onderwerpen om over na te denken!
In Psalm 118 is de goedertierenheid van God het onderwerp van lof. Ingesloten en bedreigd door de hele wereld, zal Israël ervaren dat alle hulp van mensen en hooggeplaatsten ijdel is (vers 8 en 9; Psalm 108 vers 13). De Naam van de Heere zal de enige Bescherming zijn.
Als wij aan onszelf denken, dan worden wij het meest bedreigd door de begeerte van ons eigen zwakke hart (Jakobus 1 vers 14). Talloze keren stonden wij op het punt te struikelen, maar God kwam ons te hulp. Hij heeft onze voeten voor vallen bewaard (vers 13; Psalm 116 vers 8). En de mens zal niets tegen ons (vers 6), noch voor ons (vers 8) kunnen doen, want de Heere is onze Sterkte (vers 14).
Deze Psalm neemt een belangrijke plaats in, onder de profetieën die betrekking hebben op de Heere Jezus. Vers 22, dat in de evangeliën en in 1 Petrus 2 vers 7 aangehaald wordt, spreekt zowel van Zijn verwerping alsook van de plaats die Hij zal innemen. Laten deze raadsbesluiten van God in Christus toch altijd "wonderlijk in onze ogen" zijn (vers 23)!
De verzen 25 en 26 herinneren aan de intocht van de Heere Jezus in Jeruzalem en aan het roepen van de volksmenigte: "Och,... geef nu heil" (in het Hebreeuws: 'Hosanna') "Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren!" (Mattheüs 21 vers 9). Het joodse volk heeft Hem op die dag al zo aangeroepen en vereerd, zoals de Schriften dat aankondigden. En deze Schriften zouden het volk vandaag de ogen moeten openen. Het ogenblik zal echter aanbreken waarop deze Schriftplaats werkelijk in vervulling zal gaan. De triomferende Messias zal dan door het getrouwe overblijfsel opgenomen en begroet worden.
Bij de Joden behoorde deze Psalm tot de godsdienstige ceremoniën rond het pascha. Dit is ook het loflied geweest dat de Heere Jezus samen met Zijn discipelen na het avondmaal gezongen heeft (Markus 14 vers 26). Wat zal Hij op dat moment gevoeld hebben bij het uitspreken van de verzen 6, 12, 22 en 27: "Bindt het feestoffer... tot aan de hoornen van het altaar"!
Deze Psalm besluit met dezelfde woorden als waarmee hij begonnen is: met het loven van de onwankelbare goedertierenheid van de HEERE (vers 1 en 29).
"Welgelukzalig zij die het Woord van God horen en bewaren", zei de Heere Jezus tegen de mensen om Hem heen (Lukas 11 vers 28). Over dit geluk en dat grote voorrecht zal deze hele wonderbare Psalm ons onderwijzen.
Gelukkig! Ja, inderdaad zijn het de oprechten ("de reinen van hart", Mattheüs 5 vers 8) die zich in de woorden van de Heere verblijden en hun vreugde vinden in het onderhouden van Zijn inzettingen (vers 16). Maar dubbel gelukkig zijn zij die deze inzettingen ook nog zorgvuldig bewaren (vers 2, 4, 5 en 8) en daarin wandelen (vers 1).
In vers 9 wordt een indringende en ernstige vraag gesteld. Ze heeft echter geen enkele betekenis voor de jonge mensen van deze wereld, die openlijk met de nauwgezetheid van jonge gelovigen spotten. Maar voor deze laatsten is deze vraag uitermate belangrijk! "Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden?" Het antwoord volgt direct: "Als hij dat houdt naar Uw Woord"!
Laten we altijd goed letten op dit geheim van een reine wandel, opdat we beschermd worden voor zonde tegen God (vers 11) en ook tegen ons eigen lichaam (1 Korinthe 6 vers 18). Wanneer wij het Woord in ons hart bewaren en belangrijke teksten, zoals hier vers 9, inprenten in ons hart, dan zullen we "in de boze dag", wanneer de verzoeking op ons afkomt, bewapend zijn (Efeze 6 vers 13 en 17). Immers, wanneer wij ijverig en nauwgezet de inzettingen van de Heere in acht nemen, dan zal de trouwe God ons met dezelfde zorgvuldigheid bewaren. O, dat Zijn Woord toch maar rijkelijk in ons mag wonen! (Kolosse 3 vers 16).
Laten wij, als we onze Bijbel openen, toch altijd eerst de Heere vragen ons de ogen te openen, opdat we de wonderen in Zijn Woord mogen ontdekken (vers 18), maar laten we ook vragen dat Hij tegelijkertijd onze ogen van al het ijdele zal afwenden (vers 37). Ja, dat ene woordje "ijdelheid", op hoeveel dingen heeft dat toch betrekking! Het is namelijk niet mogelijk om onze vreugde te vinden in het Woord en ons tegelijkertijd ook bezig te houden met de dingen van deze wereld, zoals bijvoorbeeld de liefde tot het geld (vers 36; Lukas 16 vers 13).
Een andere hindernis waardoor de Schriften zo vaak gesloten blijven voor ons, is een slecht geweten. Hoe zouden we ons kunnen verheugen over hetgeen ons aanklaagt? Dan moeten we eerst onze misstap of onze toestand belijden. "Ik heb U mijn wegen verteld", zegt de psalmist, en daarna kan hij er aan toevoegen: "Leer mij..." (vers 26 en 33; Psalm 32 vers 5 en 8); "Geef mij... te verstaan" (vers 27); "Geef mij het verstand" (vers 34). Dat zijn allemaal gebeden die voor de Heere welgevallig zijn. Zijn getuigenissen zijn "mijn raadslieden" (vers 24). Maar ik moet mij door hen wel raad willen laten geven!
Let ook eens op de voortuitgang die we kunnen opmerken in de verzen 30, 32 en 36. De gelovige heeft voor de weg van de waarheid gekozen. Vervolgens neemt hij zich voor, daarop te wandelen en vraagt hij God hem ervoor te bewaren deze weg te verbreden. Hij wil juist graag dat zijn hart wijd open staat, opdat het onderwerp van al zijn genegenheid hem met meer macht zal aantrekken (Filippi 3 vers 14). Ten slotte rekent hij op God, dat Hij hem hierop zal laten wandelen (vers 35).
Het Woord van God bepaalt het hele leven van de gelovige. Het onderwijst hem hoe hij moet antwoorden op onrecht dat hem wordt aangedaan. Dat hoeft niet per se met woorden te gebeuren, maar kan ook door het geduld en vertrouwen te tonen dat het Woord hem leert (vers 42). Omdat het "het Woord der waarheid" is (vers 43), geeft Het de gelovige een zeker gezag wanneer hij spreekt, een heilige vrijheid in zijn wandel. Waarom zijn wij dan vaak zo terughoudend in ons kleine getuigenis? Is het niet juist daarom, omdat het ons ontbreekt aan deze kracht en de innerlijke overtuiging die het Woord der waarheid ons geeft, wanneer wij Het geloven, liefhebben en erover nadenken?
"Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest" (vers 54). Welk een Heere hebben wij! Van welk staatshoofd â en al zou het nog zo'n beste zijn â zou ooit gezegd kunnen worden dat zijn wetten een onderwerp van blijdschap zijn, voor hen die zich daaraan hebben te onderwerpen?
De verzen 57 tot en met 64 laten ons zien dat het hart van de gelovige bezig is zijn wandel in overeenstemming te brengen met de wil van de Heere. "Ik heb mijn wegen overdacht..." (vers 59), zegt deze Godvrezende schrijver. Daarna zegt hij pas: "... en heb mijn voeten gewend". Is het bij ons vaak niet precies andersom?!
Laten we ook letten op de woorden van vers 63! "Ik ben een metgezel van allen... die Uw bevelen onderhouden" (zie vers 79 en 115). Laten we onszelf afvragen met wie wij omgang hebben (Spreuken 13 vers 20).
Het gebed van vers 17 is verhoord. "Gij hebt Uw knecht goed gedaan" (vers 65). Maar dat gebeurde wel op een manier die de psalmist niet verwacht had: door verdrukking. "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest", zegt hij in vers 71. Waarom? Want "eer ik verdrukt werd, dwaalde ik" (vers 67). De goede Herder was ertoe gedwongen dit pijnlijke middel toe te passen, om Zijn verdwaald schaap weer op de weg terug te brengen. De ziel heeft hierdoor echter een nog belangrijkere ervaring opgedaan: ze heeft haar God leren kennen en hoeft niet meer alles te begrijpen om te weten dat Zijn liefde niet veranderd is. "Ik weet", zegt zij, "dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt" (vers 75).
Bij de nomaden in de woestijn vereist het vervaardigen van een waterzak een zorgvuldige en geduldige voorbereiding. Het leer wordt eerst blootgesteld aan rook, opdat het de bittere smaak en z'n oorspronkelijke geur verliest. Dat zou later immers een ongunstige invloed op het reine water hebben. Zo is het ook met de christen (vers 83). Hij wordt door het vuur van de beproeving geleid, om hem zijn natuurlijke bitterheid en onbuigzaamheid af te nemen en hem voor de dienst geschikt te maken. "Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig..." (vers 73). Het gelukkige gebed van een verloste!
Ja, Heere, vorm ook mijn geest door de middelen die U zult kiezen en die U nodig acht; maak mij onderdanig aan Uw wil en maak mij buigzaam!
Hoe vast de aarde ook gegrondvest mag zijn (vers 90), Gods Woord staat nog vaster. Wat een geluk, in een wereld waar alles zo onzeker is, een wereld waar de koorstachtige bezigheid van de gevallen mens zich ontplooit, naar eigen gedachten, die allemaal zullen vergaan! Wat is het dan goed de eeuwig blijvende gedachten van God te mogen kennen en Zijn onwankelbare beloften te mogen vertrouwen! Hemel en aarde zullen vergaan, maar Zijn Woorden zullen nooit vergaan (Mattheüs 24 vers 35).
De hele schepping heeft overigens één doel en dat is dat alle dingen Hem dienen, "zij allen zijn Uw knechten" (vers 91). Dat is ook ons grote voorrecht, maar... laten we Hem dan wel met inzicht en van ganser harte dienen!
Alleen de Heere Jezus heeft de verzen 97 tot en met 112 werkelijk in praktijk gebracht. Hij was "voorzichtiger dan de ouden" (of zoals een andere vertaling het zegt: "had meer inzicht"), want Hij bewaarde de Goddelijke voorschriften, terwijl de ouden er genoegen mee namen ze te onderwijzen (vers 100). Hij was wijzer dan alle vijanden die Hem strikken probeerden te leggen (vers 110; Mattheüs 22 vers 15 en 34).
Wie zou het wagen om zonder verlichting op pad te gaan in een omgeving vol met hindernissen? In de duisternis van deze wereld, te midden van alle valstrikken waarmee de goddelozen op ons loeren (vers 95 en 110), is het Woord onze lamp, het onmisbare licht op ons pad (vers 105). We kunnen er nooit te veel gebruik van maken om te zien waar we onze voeten moeten neerzetten! (vers 101).
Het Woord, Dat een licht op mijn pad is, laat mij ook zien hoe dicht de duisternis om mij heen is. En als ik die diepe duisternis opmerk, dan kan ik niet anders dan al het kwaad en de gemeenheid verafschuwen. Zonder deze Goddelijke Maatstaf, zonder Zijn licht over deze zaken, zou ik mij inderdaad kunnen vergissen en het goede kwaad en de leugen waarheid kunnen noemen. De Bijbel, waarin de gedachten van God staan, leert mij echter de wereld en wat daarin is, te zien zoals Hij het ziet.
"Maak mij verstandig", herhaalt de gelovige meerdere keren (vers 34, 125 en 169). Gewoonlijk wordt het verstand als een natuurlijke gave gezien. Je hebt het vanaf je geboorte al meegekregen. Maar dit gebed laat ons zien dat het mogelijk is om verstand te verkrijgen. Het is namelijk het Woord Dat werkelijk inzicht geeft (vers 130).
"Ik ben Uw knecht", zegt de psalmist en hij is vastbesloten de wil van God te doen (vers 125). Deze wil wordt in Zijn Woord door verschillende uitdrukkingen weergegeven: wet, geboden, inzettingen, voorschriften, verordeningen, getuigenissen, recht... allemaal woorden die betrekking hebben op dat ene, op Zijn wil. Toch hebben ze elk afzonderlijk een verschillende betekenis. Elk woord op zich geeft een bepaalde gedachte weer.
Het Woord richt Zich nu niet meer in een wettische vorm tot de gelovige. De gehoorzaamheid van de gelovige is het gevolg van de liefde die hij niet alleen voor de wonderbare getuigenissen van de Heere (vers 113 en 127) heeft, maar ook voor Zijn Naam voelt (vers 132).
In de verzen 137 tot en met 144 wordt de nadruk gelegd op de gerechtigheid van God. Voor hem die de Heere vreest, in Zijn licht wandelt en Zijn goedertierenheid kent (vers 149 en 159), is deze gerechtigheid niet iets wat hem schrik aanjaagt. Te midden van een onrechtvaardige wereld is het voor de gelovige juist iets heerlijks om te roemen in deze gerechtigheid van God, die, evenals Zijn goedertierenheid, tot in eeuwigheid duurt (vers 142 en 144).
"Uw Woord is zeer gelouterd" (vers 140). Hoe meer Het beproefd wordt (zoals goud in een smeltoven), hoe meer Het laat zien dat Het de reinheid Zelf is.
Vers 145 en de daaropvolgende verzen geven uitdrukking aan de bijzondere afhankelijkheid van de gelovige. "Maak mij levend", vraagt hij hier vier keer (vers 149, 154, 156 en 159; zie ook vers 25, 40, 88 en 107). Het is God Die het leven geeft. Hij is het ook Die dit leven bewaart en onderhoudt. Dit gebed heeft echter in eerste instantie betrekking op de ziel van de verloste. "Maak mij levend naar Uw Woord" (vers 107), want "de mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woord, dat door de mond Gods uitgaat" (Mattheüs 4 vers 4; Deuteronomium 8 vers 3).
Het is goed om de woorden van vers 160 altijd in gedachten te houden: "Het begin van (in een andere vertaling: "heel") uw Woord is waarheid". De Bijbel is niet samengesteld uit verschillende waarheden die je naar believen kunt uitzoeken en toepassen. Nee, de Bijbel is één geheel, of je dat nu aanneemt of niet. De complete Bijbel is de Waarheid (Johannes 17 vers 17).
De gelovige die zonder aanleiding vervolgd wordt door vorsten, is bang â niet voor z'n achtervolger, maar voor het Woord, hij vreest ongehoorzaam te worden aan het Woord (vers 161). En toch is dit Woord ook zijn vreugde (vers 162)! O, dat het Woord van God ook voor onze harten toch een grote schat mag zijn! Er liggen onuitputtelijke rijkdommen in verborgen, rijkdommen die alleen ontdekt kunnen worden door hem die dit Woord tot Richtsnoer voor zijn leven maakt.
Als men eerst zelf iets ontvangen heeft, is men later ook in staat iets te brengen. Vers 171 herinnert ons eraan dat lof de vrucht is vanuit een hart dat onderwezen werd door de Goddelijke inzettingen. Verzadigd door deze inzettingen, zullen we tegen de Heere kunnen spreken en Hem op gepaste wijze kunnen aanbidden. En dan zullen we ook aan onze omgeving duidelijk een signaal kunnen afgeven, duidelijk kunnen spreken over alles wat we in het Woord gevonden en waarover we nagedacht hebben (vers 172).
De laatste verzen, die een samenvatting zijn van de hele Psalm, bieden gelegenheid om nu het hoofdthema van dit Schriftgedeelte aan te wijzen. Door de verdrukking zullen de Israëlieten ertoe gebracht worden om hun eigen dwaling in te zien (vers 176). In de verdrukking zullen de Israëlieten geleerd hebben om de wet van de Heere lief te hebben (vers 163, 167 en 174), hun wandel daarnaar te richten (vers 165 tot en met 167), het kwade te haten (vers 163) en alleen redding bij God te zoeken (vers 166). Voordat de definitieve bevrijding (vers 174) zal plaatsvinden, zal er al een innerlijk herstel bewerkt zijn. Daardoor zal God in staat zijn om ten gunste van de Zijnen in te grijpen en hen in de zegeningen van het rijk in te voeren.
De komende 15 Psalmen (120 tot en met 134) zijn eigenlijk opeenvolgende coupletten van één lied. Het lijkt op een trap waarvan elke trede je een stukje verder omhoog brengt. In dat lied wordt nog een keer de bevrijding en het herstel van het overblijfsel van Israël getoond.
In Psalm 120 bevinden deze gelovigen zich in gevangenschap te midden van de volken en we horen hen zuchten. Ze lijden er enorm onder dat ze moeten wonen bij hen "die de vrede haten". Christenen! Dat wij het ons toch ook meer bewust mogen zijn, hoe de wereld zich tegen God en ten gevolge daarvan ook tegen Zijn kinderen keert. De mensen van deze wereld kennen geen vrede en zijn nog minder in staat vrede te geven. Maar wat zegt de Heere tegen de Zijnen? "Mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld hem geeft, geef Ik hem u" (Johannes 14 vers 27).
In Psalm 121 wendt de gelovige zijn blikken af van de verdrukking en heft ze op tot de bergen (Sion, voorwerp van al zijn hoop: zie Psalm 87 vers 1 en 2). Zijn hulp zal echter van nog hoger komen, van de Schepper Zelf, Die deze bergen gemaakt heeft. God beantwoordt dit vertrouwen met ontroerende persoonlijke beloften (vers 3 tot en met 8). Elke gelovige mag weten dat de Heere dit ook tegen hem of haar persoonlijk zegt. Ook al bevind je je nog in deze wereld, toch zul je als antwoord op het gebed van jouw Verlosser (de Heere Jezus) tot de Vader altijd en overal bewaard worden. (Het woord "Bewaarder" of "bewaren" komt hier zes keer voor). "Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze" (vergelijk vers 7 met Johannes 17 vers 15).
De liefde die de Israëliet voor Jeruzalem heeft, is een beeld van het verlangen en de toegenegenheid van de christen tot de Gemeente, een verlangen dat zo kostbaar is voor het hart van Christus. Gaan wij nu al met vreugde (vers 1) naar de plaats waarvan Hij beloofd heeft daar in het midden te zullen zijn, om daar Zijn Naam te prijzen (vergelijk vers 4)?
"Wel moeten zij varen, die U beminnen" (vers 6). Woorden waar we goed over moeten nadenken en die we in ons moeten opnemen. De liefde tot de Gemeente is een bron van geestelijk welzijn. Hoe openbaart zich deze liefde? Door om vrede te bidden en op alle mogelijke manieren het beste voor haar te zoeken (vers 6 tot en met 9).
Psalm 123 leert ons afhankelijkheid. De gelovige heft de ogen omhoog tot zijn God, in het bewustzijn dat alle hulpbronnen in Hem te vinden zijn (vergelijk 2 Kronieken 20 vers 12). De gelovige heeft nergens recht op, het is enkel en alleen genade! Wat heeft hij van de kant van mensen te verwachten? Zij die hier beneden zo zorgeloos en in weelde hun weg gaan, zullen hem slechts verachting en bespotting brengen (vers 3 en 4; 1 Korinthe 4 vers 13). En de gelovige is alleen in staat al deze dingen te verdragen wanneer hij zijn geloofsoog gericht blijft houden op zijn Verlosser in de hemel (vers 1; Psalm 141 vers 8). En al heel spoedig zal dit zien in geloof veranderd worden in een zien van aangezicht tot aangezicht. Vandaag wordt de gelovige misschien nog overladen met allerlei smaad, maar morgen zal hij verzadigd worden met Zijn beeld (Psalm 17 vers 15).
In de Psalmen 120 tot en met 123 werd een beschrijving gegeven van het volk in de verdrukking. De beide Psalmen voor vandaag laten vervolgens zijn bevrijding zien. De gelovige herhaalt maar wat graag dat deze bevrijding alleen te danken is aan het ingrijpen van God. Zonder Zijn ingrijpen zou hij zeker verslonden (124 vers 3), overstroomd (vers 4 en 5) en tot roof geworden zijn (vers 6). Maar als God voor en "bij ons" is, wat kunnen zij die "tegen ons" zijn, dan nog beginnen (vers 2; Romeinen 8 vers 31)? De Heere weet de Zijnen aan die vreselijke "strik van de vogelvangers" te ontrukken (vers 7). Profetisch gezien, zijn ze een beeld van de antichrist en de Assyriër, werktuigen van satan die hij gebruikt tegen het overblijfsel van Israël. Voor ons zijn ze een beeld van de vijanden van onze zielen. Wanneer wij ons vertrouwen op Christus stellen, dan zal Hij ons uit hun net, uit "de zonde, die ons lichtelijk omringt", laten ontsnappen (Hebreeën 12 vers 1; Psalm 91 vers 3).
Met dat vertrouwen begint Psalm 125 ook. Het vertrouwen op Hem, Die ons voor struikelen kan bewaren (Judas 24). Als wij op de Heere vertrouwen, dan zullen we niet wankelen (vers 1). Maar om veilig te kunnen wandelen, heb je meer nodig dan alleen vaste schreden. Onze weg moet ook recht zijn. Laten we hen "die zich neigen tot hun kromme wegen", toch niet achterna lopen (vers 5). En vergeet niet dat de oprechtheid in onze harten moet wonen, voordat dit in onze wandel tot uitdrukking kan komen (vers 4).
Zoals iemand die uit een nare droom wakker wordt, zo zullen de getrouwen eerst niet in staat zijn om hun plotselinge bevrijding te begrijpen. Maar al heel gauw zullen er lofliederen klinken. En de volkeren zullen hierop als in een echo reageren: "De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan" (vers 2; Psalm 14 vers 7). Hun tranen zullen als het ware voor het water zorgen op de velden met een rijke oogst (vers 5). Dat was de dienst van de Heere Jezus hier beneden op aarde (vers 6). Wenende is Hij de weg van het kruis gegaan. "Als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen, maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht", zegt de Heere Jezus in Johannes 12 vers 24. Triomferend zal Hij verschijnen, beladen met de vrucht van de moeite van Zijn ziel, met Zijn verlosten, die Hij als kostbare garven aan Zijn hart drukt.
Psalm 127 herinnert ons eraan dat elke onderneming tot mislukken gedoemd is wanneer de toestemming van de Heere niet het uitgangspunt van al ons handelen vormt. Een bepaalde zaak kan heel goed lijken en veel tijd en energie kosten, maar zal onherroepelijk tot niets lijden wanneer Hij er niet aan meegewerkt heeft (vergelijk Johannes 15 vers 5). Het rustig en vol vertrouwen bezig zijn van de christen, gevolgd door een vredige slaap, staat in schril contrast met het koortsachtige en eerzuchtige werk van de mensen van deze wereld (Prediker 2 vers 23).
En jullie jonge mensen, die er misschien aan denken om 'een huis te bouwen', vergeet niet dat een huwelijk een te belangrijke aangelegenheid is om daar alleen mee bezig te zijn. Laat je door de Heere leiden!
"Welgelukzalig is een ieder, die de HEERE vreest... welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan" (Psalm 128 vers 1 en 2). De mens wil graag de dingen omkeren. Hij meent met verbetering van de materiële omstandigheden het geluk te kunnen bereiken. Zijn ellende heeft echter in eerste instantie betrekking op zijn ziel. De mens is ongelukkig, omdat hij een zondaar is. Het eerste wat hij daarom moet doen, is zich tot God wenden, Hem vrezen en in Zijn wegen wandelen (vers 1). Dan zal de zegen zich over alles wat hem betreft, uitspreiden. "De godzaligheid is tot alle dingen nut" (1 Timotheüs 4 vers 8). Een dienstknecht van de Heere heeft eens geschreven: 'Dat betekent niet, dat wij een succes zullen hebben dat bestaat in de bevrediging van onze eigen verlangens. Maar wij zullen dan genieten van het feit dat we hier beneden in de Goddelijke gunst staan'. Lees hierbij ook Psalm 37 vers 4.
Dan nu naar Psalm 129. Van 'de jeugd af aan' hebben de Israëlieten in Egypte te lijden gehad onder een zware verdrukking. Die verdrukking zal echter nog niets zijn in vergelijking met de verdrukking die ze onder het juk van de antichrist zullen ervaren. En Christus heeft Zich in de gestalte van een Knecht, van tevoren al één gemaakt met het lijden van Zijn volk (vergelijk vers 3 met Mattheüs 27 vers 26).
Maar de HEERE is rechtvaardig (vers 4). De goddelozen zullen uitgetrokken worden (vers 6). Zij zullen niet tot de garven behoren die de grote Maaier met vreugde zal inzamelen (vers 7; Psalm 126 vers 5 en 6). Zij zullen geen deel hebben aan de zegeningen van het rijk (vers 8).
Het is niet de verdrukking van Psalm 129, maar het bewustzijn van de zonde dat de ziel van de rechtvaardige in "diepten" geplaatst heeft (Psalm 130 vers 1). Maar hoe diep gezonken hij zich ook voelt, hij mag altijd tot God roepen. "Bij Hem is veel verlossing" (vers 7).
Het vierde vers verbaast ons misschien een beetje. Volgens onze bescheiden mening zou vergeving immers tot gevolg moeten hebben dat de vrees verdwijnt. Maar het omgekeerde is juist het geval! Iemand schreef: 'Het bewustzijn van de genade geeft ware diepte aan de werking van het geweten. We zullen het vreselijke van onze positie slechts kunnen afmeten aan de moeite van het kruis, aan wat het de Heiland gekost heeft om ons daaruit op te trekken'. (Lees Romeinen 6 vers 10 en 1 Petrus 1 vers 17 tot en met 19).
De beproevingen van een gelovige dragen er onherroepelijk toe bij, dat hij zich verootmoedigt en dat zijn eigen wil gebroken wordt (Psalm 131 vers 1). God staat deze beproevingen toe, en de gelovige zou zich eraan moeten onderwerpen. Als hem dat wat hem dierbaar was, ontnomen werd, dan voelt zijn ziel zich als "gespeend" (vers 2). Hij lijkt op een klein kind dat plotseling geen moedermelk meer krijgt, maar nog wel steeds in de nabijheid van de moeder is. Op dat moment kan het kind nog niet begrijpen dat dit nodig is voor z'n groei. Zo vindt de Heere het soms nodig ons iets af te nemen wat kostbaar voor ons was en waarvan we meenden er niet zonder te kunnen. Hij doet dat, opdat wij ons vertrouwen dan alleen maar meer op Hem zullen stellen (vers 3; lees nog een keer Psalm 130 vers 5 tot en met 7).
Dit prachtige lied brengt ons terug bij de dag waarop koning David de ark naar Jeruzalem liet brengen (2 Samuël 6 vers 17). Later, bij de inwijding van de tempel, beëindigde Salomo zijn gebed met de woorden uit vers 8 tot en met 10 (2 Kronieken 6 vers 41 en 42). Profetisch gezien, spreekt deze Psalm van de invoering van het duizendjarig rijk. God zal in Zijn rust ingaan (vers 14). De hele aarde zal dan gezegend zijn en zich verheugen (vers 15 en 16). Christus, de ware Zoon van David, zal de allesomvattende kroon ontvangen (vers 17 en 18). De onvoorwaardelijke beloften van God zullen zich in Hem, door Hem en voor Hem vervullen.
Laten we er echter goed om denken dat dit het resultaat zal zijn van "Zijn lijden" (vers 1; vergelijk 1 Kronieken 22 vers 14; David is een beeld van Christus, de verworpen Koning, terwijl Salomo de Messias in Zijn heerlijkheid uitbeeldt). Omdat Christus geleden heeft, zal Hij zo hoog verheven worden. En omdat Hij hier beneden het moeitevolle lijden van Zijn ziel heeft ervaren, zal de aarde van de rust van God genieten.
Vergelijk de volgende verzen eens met elkaar. Vers 2 en 11, 5 en 13, 8 en 14, 9 en 16, 10 en 17 en 18. Dan kom je tot de conclusie dat de gelovige die de eer van God aan het hart gaat, telkens opnieuw verhoringen beleeft, verhoringen die al zijn denken overtreffen. Hij heeft namelijk te doen met Hem, "Die machtig is meer dan overvloedig te doen, boven al wat wij bidden of denken" (Efeze 3 vers 20).
Het eerste vers van Psalm 133 zou in onze samenkomsten en huizen een vanzelfsprekende zaak moeten zijn. Is dat ook zo? Als broeders eendrachtig samenwonen, is dat voor henzelf een goede en liefelijke zaak, maar dat is het bovenal voor het hart van de Vader! De leden van de familie van God zijn met elkaar verenigd, omdat zij allemaal met dezelfde Persoon, Christus, verbonden zijn. Zij vormen, om zo te zeggen, de zoom van Zijn kleed, dat wat hier beneden van Hem te zien is (vergelijk Exodus 28 vers 33 en 34). Hij is Boven, de ware Aäron, de Hogepriester, maar Hij heeft Zijn Geest gegeven, Die als "kostbare olie" neerdaalt op de broeders, die daar bijeen vergaderd zijn, waar God de eeuwige zegen wil schenken (vers 3; Handelingen 2 vers 33; Efeze 4 vers 2 tot en met 4).
Met Psalm 134 zijn de verlosten van het aardse volk op de laatste en hoogste van de vijftien treden aangekomen. Eindelijk hebben ze het doel, waar ze zo verlangend naar uitgezien hebben, bereikt; ze zijn de poorten van Jeruzalem binnen gegaan (Psalm 122 vers 1 en 2); ze staan nu in het Huis van de HEERE.
Heel binnenkort zullen de verlosten van de Heere hun hemels doel bereiken: het Vaderhuis. "Want aldaar zal geen nacht zijn", zegt Openbaring 21 vers 25. Daar zal het niet meer nodig zijn dat we nog opgeroepen worden om lof te zingen. Die lof zal als vanzelf uit onze harten opborrelen, wanneer wij de Heere Jezus zullen zien van aangezicht tot aangezicht!
In Psalm 134 zagen we de knechten van de HEERE in Zijn Huis staan, om Hem te prijzen. Psalm 135 zegt ons wat het Onderwerp van hun lof zal zijn: de grote Naam van hun God.
In Psalm 133 was het eendrachtig bij elkaar wonen van de broeders goed en liefelijk. In het derde vers van de Psalm voor vandaag is het de Heere Zelf Die goed en liefelijk is. De aanbidder heeft "gesmaakt dat de Heere goedertieren is" (1 Petrus 2 vers 3). Hoe kostbaar broederlijke gemeenschap ook mag zijn, niets kan het ondervinden van de liefde van de Heere vervangen. Gaan we slechts naar de samenkomsten van de Gemeente om andere christenen te ontmoeten? Of is het omdat wij daar mogen genieten van de gezegende aanwezigheid van de Heere?
God heeft Zich Israël â maar ook iedere verloste â "tot Zijn eigendom" verkozen (vers 4; vergelijk Mattheüs 13 vers 44). En Hij heeft, om hen te verwerven, de machtigste daden volbracht (vers 5 tot en met 12). Wat zijn de afgoden van de wereld toch ijdel en belachelijk, vergeleken bij zo'n grote God! En wat zijn de mensen die op hen vertrouwen (vers 18), toch te betreuren!
De God van Israël te mogen prijzen, Die voor ons "de God en Vader van onze Heere Jezus Christus" geworden is, is het grote voorrecht voor allen die Hem vrezen (vers 20; Efeze 1 vers 3).
Alle wegen die God met Zijn schepselen gaat, hebben één en dezelfde drijfveer: Zijn goedertierenheid, die duurt tot in eeuwigheid. Als eerste komt dat naar voren in de "grote wonderen" die Hij ten gunste van de mens volbracht. Dat was al het geval voordat de mens bestond, toen God een gunstige omgeving schiep die voor zijn leven en onderhoud nodig was (vers 4 tot en met 9). Een moeder maakt ook al voor de geboorte van haar kind de kinderkamer en alle andere dingen die voor de kleine nodig zijn, zorgvuldig klaar.
Vanaf vers 10 kunnen we de liefde van God naar voren zien komen in het werk van de verlossing. Dat wordt geïllustreerd door de uittocht uit Egypte en de intocht van het volk Israël in het land Kanaän. De dankbare verlosten kunnen het uitzingen: "Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid" (vers 23).
De uitdrukking "Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" aan het eind van vers 10, 15, 17 tot en met 20, verrast ons misschien een beetje. Maar laten we niet vergeten dat zelfs de bestraffing van de goddelozen een onderdeel is van de liefdevolle raadsbesluiten van God voor de Zijnen en ook van de zegen van de toekomstige wereld. Als we dat in het oog houden, dan kunnen we ook de verzen 8 en 9 van Psalm 137 beter begrijpen.
De mensen spreken vaak heel lichtvaardig van 'de lieve God'. Maar dat ze toch eens wat meer over de draagwijdte van dit bijvoeglijk naamwoord, dat door allerlei opvallende getuigenissen bevestigd wordt, na mochten denken, en dan ook deze liefde beantwoorden!
Hier begint een nieuwe serie Psalmen, waarvan de meeste door David geschreven zijn. Zij pakken de draad van het definitieve herstel van Israël weer op, vanaf de tijd van de slavernij onder de volken (Psalm 137), vervolgens door de verdrukking heen, tot aan de bevrijding en de algehele lof.
Het begin van Psalm 137 herinnert aan de gevangenschap in Babel. Hoe zouden deze arme weggevoerden op bevel hebben kunnen zingen en zich hebben kunnen verheugen onder het juk van de onderdrukker? Ver van Jeruzalem bestaat er voor hen geen vreugde. Ook al had men hen van alles ontroofd, toch kon men hen deze herinnering niet ontnemen. Zo vergaat het ook ons, gelovige vrienden, als vreemdelingen in een vijandige wereld. Hier vinden we niets voor onze harten, maar we bezitten een vreugde in Christus die niemand ons af kan nemen (Johannes 16 vers 22). Laten we de hemelse stad toch nooit vergeten! (vers 5).
In Psalm 138 zien we dat de gelovige, ondanks zijn vernedering (vers 6), toch van harte zingt en bidt in de richting van Jeruzalem (vers 2; 1 Koningen 8 vers 47 en verder). En naderhand kan hij het zeggen: "zo hebt Gij mij verhoord", hoewel er nog geen verandering is gekomen in zijn omstandigheden. God heeft hem echter "versterkt met kracht in zijn ziel" (vers 3). En het is deze kracht die voor de gelovigen ook zo uitermate belangrijk is (Efeze 3 vers 16).
God zal alles wat hem betreft voleinden (vers 8) en dat niet door de verplettering van de bozen (het eind van Psalm 137), maar door de wederkomst van de Heere Jezus!
We lezen in 1 Johannes 1 vers 5 dat God Licht is. En in Hebreeën 4 vers 13 staat: "En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem". Voor een zondaar is het vreselijk om te weten dat deze heilige blik, die zijn gedachten blootlegt en zijn diep verborgen gedachten kent, steeds op hem gericht is. In eerste instantie heeft hij dan ook slechts één gedachte: hoe kan ik aan deze vreselijke lichtstralen ontkomen. Maar zij dringen zelfs door tot in de diepste duisternis, waar hij zich probeerde te verbergen (vers 11). En ze zullen hem volgen tot aan het einde van de aarde, gaan zelfs terug tot in het verre verleden... (Genesis 3 vers 8; Johannes 3 vers 19). Het is ontzettend dwaas om te denken dat je God zou kunnen ontlopen. En het is eveneens dom om te menen dat je je kunt verbergen voor Hem, Die je juist gelukkig wil maken. Als je ziek bent, dan prakkiseer je er toch ook niet over om iets te verbergen voor de dokter. Je weet best, dat het in je eigen belang is, als je tenminste weer gezond wilt worden, dat je hem alles vertelt wat je voelt. Waarom dan anders handelen als God je ziel wil redden en je van de zonde wil bevrijden? Belijd Hem toch al het kwaad, van klein tot groot, dat je inwendig verteert. Laat je geweten grondig onderzoeken door Zijn licht. O, laten de woorden van vers 23 en 24 toch ook jouw gebed zijn: "Doorgrond mij, o God!" en onderzoek mij steeds opnieuw! Breng toch alles in orde in mijn leven. Laat me toch geen "schadelijke weg" inslaan (die U en mijzelf zoveel schade zal berokkenen), maar "leid mij op de eeuwige weg".
Deze Psalm laat ons er iets van vermoeden hoeveel de gelovigen van het overblijfsel, in die vreselijke tijd van de verdrukking, te lijden zullen hebben.
Tot nu toe heeft de genade van God ons in onze landen bewaard voor vervolgingen. Maar toch is het goed onszelf af en toe eens de vraag te stellen: 'Als ik morgen als christen zou moeten lijden, zou ik dan deze naam nog willen dragen?'
Laten we bovendien nooit vergeten dat ook wij voortdurend met vijanden te doen hebben, vijanden die wij juist daarom zo afschuwelijk vinden, omdat wij ze zo goed kennen. Van deze kwade, gewelddadige mens (vers 2), die kwaad bedenkt (vers 3), die zijn tong scherpt als een slang (vers 4) en moeite doet om mijn voeten om te stoten (vers 5), laat de Brief aan de Romeinen ons iets vreselijks zien: hij woont in mijn eigen hart! (Romeinen 3 vers 13; 7 vers 17).
Diezelfde Brief bevat echter ook, om het zo maar te zeggen, zijn overlijdensbericht (lees Romeinen 6 vers 6). De dood heeft mij van deze "oude mens" bevrijd; ik hoef niet meer tegen hem te vechten, maar moet hem beschouwen als zijnde met Christus gekruisigd.
En wat de vijand van buitenaf betreft, ook dan is het God Die mij beschermt. De gelovige mag het zeggen: "HEERE, HEERE, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage van de strijd" (vers 7). De helm van het heil (of van de zaligheid) is een onmisbaar onderdeel van de wapenrusting van God (Efeze 6 vers 17).
Wij kunnen de Heere nooit vermoeien door tot Hem gaan! Integendeel zelfs, het gebed van een gelovige is juist een welriekende reuk voor Hem! (vers 2; vergelijk Openbaring 5 vers 8).
Helaas is onze mond echter ook in staat om bittere woorden uit te spreken. Zonder hulp van Boven zou niemand z'n tong in bedwang kunnen houden (Jakobus 3 vers 8 en 9). "HEERE! zet een wacht voor mijn mond", vraagt hier de man Gods. De mond spreekt echter alleen dat uit wat het hart bezighoudt (Psalm 39 vers 2 tot en met 4). Ook het hart heeft een opmerkzame "wacht" nodig, om niet te neigen "tot een kwade zaak" (vers 4).
Laten we ten slotte de terechtwijzing niet gaan beschouwen als een beschadiging van ons eergevoel, maar als een gunst, als "olie voor het hoofd", die de Heere voor de Zijnen bewaard heeft (vers 5; vergelijk 2 Samuël 16 vers 5 en 10; Galaten 6 vers 1).
Nu naar Psalm 142. Toen David door Saul vervolgd werd, verstopte hij zich in de spelonk van Adullam (1 Samuël 22; Psalm 57). Hij zwierf met zijn metgezellen rond "in woestijnen" en verborg zich "in spelonken, en in holen der aarde" (Hebreeën 11 vers 38). Er was voor hen geen enkele toevlucht van de kant van de mensen meer te verwachten (vers 5). Zijn geloof deed hem echter uitroepen: "0 HEERE!... Gij zijt mijn Toevlucht" (vers 6).
"De rechtvaardigen zullen mij omringen" (vers 8). Christus, de ware David, zal hen die Hij met Zijn gerechtigheid bekleed heeft, met Zich meevoeren in Zijn heerlijkheid.
"Hoor mijn gebed...", roept de gelovige uit in zijn hoogste nood, "verberg Uw aangezicht niet van mij... verhoor mij". Wat een enorm verschil tussen deze onrust en het vaste vertrouwen dat vandaag het deel van de christen kan zijn! Laatstgenoemde is er zeker van dat hij, door de Heere Jezus, altijd vrije toegang heeft tot de Vader (Hebreeën 4 vers 16). En toch moet datzelfde verlangen naar gemeenschap ook hem aansporen. "Mijn ziel is voor U als een dorstig land" (vers 6; vergelijk Psalm 63 vers 2). Ja, elke dag, vanaf de vroege morgen, is het nodig dat ik niet alleen naar het Woord van God luister, maar ook Zijn goedertierenheid opmerk, door mijn hart voor Hem open te stellen (vers 8). Het bewustzijn van de liefde van de Heere zal mijn vertrouwen op Hem versterken. En dan zal ik Hem vragen mij Zijn weg bekend te maken en mij daar vervolgens op te doen wandelen.
Als ik Hem "mijn God" en mijzelf Zijn "knecht" noem (vers 12), dan verplicht ik mij ertoe datgene te doen waarin Hij een welgevallen heeft. En dan moet Zijn "goede Geest" mij geleiden "in een effen land" (vers 10). In werkelijkheid zijn deze dingen met elkaar verbonden. Aan de ene kant is het genieten van de gemeenschap met de Heere noodzakelijk, om Zijn wil te kennen. Aan de andere kant kunnen wij die gemeenschap alleen genieten wanneer wij in gehoorzaamheid Zijn wil doen!
"Leer mij Uw welbehagen doen", was het gebed in Psalm 143 vers 10. "...Die mijn handen onderwijst ten strijde", zegt David hier. De christelijke strijd kent ook zijn 'wetten'. En iedereen die hem wil "behagen, die hem tot de krijg aangenomen heeft" (2 Timotheüs 2 vers 4 en 5), moet in zekere zin eerst zijn militaire opleiding afsluiten. Maar om uiteindelijk de overwinnaar te kunnen worden, vertrouwt hij toch niet op zijn verworven ervaringen en evenmin op z'n eigen moed. De Heere Zelf, zegt hij hier, is "mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en aan Wie ik mij betrouw" (vers 2).
De Bevrijder van Boven, Die zal antwoorden op het roepen van het overblijfsel (vers 5 tot en met 11), zal uiteindelijk de poort tot de zegeningen van het duizendjarig rijk openen (vers 12 tot en met 15).
Laten we nooit vergeten dat in tegenstelling tot het aardse volk Israël, de tegenwoordige zegeningen van de christen geestelijk zijn, in de hemelse gewesten, in Christus (Efeze 1 vers 3). Daarom liggen die ook â evenals Christus â buiten het bereik van de beproevingen hier beneden en is het mogelijk om zelfs in de moeilijkste omstandigheden deze zegeningen te genieten.
Omgekeerd mogen wij, wanneer het lijkt dat het met onze gezondheid, onze zaak of gezinsleven heel goed gaat, daaruit niet de conclusie trekken dat het ook onze ziel goed gaat, noch dat wij in de weg van de Heere zijn. Helaas kan het ook heel anders zijn...
Christus (van Wie David een voorbeeld is) heft hier de lofzang aan (zie het opschrift boven deze Psalm), de lofzang die zich in deze laatste Psalmen zal uitstrekken over de hele schepping (vergelijk Psalm 22 vers 26 en verder). En wij kunnen samen met Hem zingen: "0 mijn God... ik zal U verhogen... Te allen dage zal ik U loven... in eeuwigheid en altoos". "De HEERE is groot... en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk" (vers 3). Zijn daden zijn machtig, wonderbaar en vreselijk (vers 4, 5, 6 en 12). Zijn goedertierenheid is groot en alomvattend (vers 7,8 en 9); de gedachtenis aan Zijn grootheid zal uitgestort worden (vers 7). Er wordt verteld van Zijn kracht en Zijn gerechtigheid zal geprezen worden. Maar één van Zijn heerlijkheden overtreft alle andere: dat is de genade (vers 8). Die genade brengt heil voort, maar in de verzen 14 tot en met 20 worden nog meer uitwerkingen genoemd.
De HEERE, de Jehova van het Oude Testament, ondersteunt (Psalm 37 vers 24)..., richt op (Psalm 146 vers 8)..., geeft voedsel en verzadigt (Psalm 107 vers 9)..., is nabij allen die Hem aanroepen (Psalm 34 vers 18 en 19)..., vervult de wensen van hen die Hem vrezen, hoort hun roepen en redt hen, en bewaart allen die Hem liefhebben. Ja, "uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade" (Johannes 1 vers 16). En al deze werkwoorden: "verhogen... loven... prijzen... roemen... vermelden... vertellen...", zijn niets anders dan het terechte antwoord van de verlosten op de ontplooiing van deze grote genade!
Laten we niet wachten totdat we in de hemel zijn met het loven van onze Heiland-God. "Ik zal de HEERE prijzen in mijn leven", zegt de psalmist hier (vers 2; vergelijk Psalm 34 vers 2). Hij alleen is onze hulde, maar ook ons vertrouwen, waard. De verzen 3 en 4 waarschuwen ons er heel indringend voor om niet op mensen te vertrouwen. Dat gevaar is altijd aanwezig. Je kunt dat op verschillende manieren doen, door bijvoorbeeld te proberen een aanbeveling van iemand te krijgen. Verwacht toch geen enkele hulp van prinsen â ook al kan God zeer zeker bij gelegenheid van hen gebruik maken, ten gunste van ons. Ook al zijn ze nog zo hoog geplaatst, bij hen is geen heil te vinden (vers 3). Ze zijn gelijk aan "een voorbijgaande schaduw" (Psalm 144 vers 4). En als ze ongelovig zijn, dan zullen ze, samen met al hun plannen, op zekere dag te gronde gaan (vers 4).
Wat zouden we zeggen van een kind van welgestelde ouders, wanneer hij bij arme buren zou gaan bedelen? Wij hebben een oneindig machtige God als Vader, de alleenwijze God is het Die ons liefheeft (Romeinen 16 vers 27); wat willen we dan nog van mensen verwachten? Hij bevrijdt de gevangenen van satan (vers 7); Hij opent de ogen van het geloof (Efeze 1 vers 18); Hij richt hen die terneergedrukt worden door een zware last, weer op. Hij heeft de rechtvaardigen lief (vers 8). De vreemdeling en wees mogen Zijn zorg genieten, die tegemoet komt aan hun behoeften (vergelijk Lukas 4 vers 18). Laten we al deze weldaden van God toch eens optellen - we zullen zien dat het om een enorm aantal gaat (!) - dan kunnen we niet anders dan Hem aanbidden!
"Loof de HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden!" (Psalm 103 vers 2).
De Psalmen 146 tot en met 150 beginnen en eindigen allemaal met "Looft de HEERE", anders gezegd: "Hallelujah!" Deze uitroep van vreugde zal de aarde vervullen wanneer Israël bijeen vergaderd en Jeruzalem weer opgebouwd zal zijn (vers 2).
Aan wie heeft de God van Israël een welgevallen? Aan hen die Hem vrezen en die nederig op Zijn goedheid vertrouwen. Hij heeft daarentegen geen welgevallen aan de sterkte waarop de mens zich beroemt (vers 10 en 11; Openbaring 3 vers 8).
Zelfs in onze tijd, waarin alles gekenmerkt wordt door snelheid, zijn noch "de benen van de man" (vers 10), noch de laatste technische uitvindingen nodig om het Woord van de Heere "zeer snel" te laten lopen (vers 15; 2 Thessalonika 3 vers 1). Wanneer elke gelovige persoonlijk, op de plaats waar hij gesteld is, getuigenis zou afleggen, zou het evangelie zich heel snel in eigen kracht verbreiden (Psalm 68 vers 12).
Het ondoorgrondelijke bezig zijn van God omvat verschillende terreinen, zoals het genezen van hen die gebroken van hart zijn (vers 3) en het tellen van de sterren (vers 4). Maar Hij zorgt ook dat de jaargetijden wisselen, ten gunste van Zijn schepselen. Hij zorgt voor de regen (vers 8; Deuteronomium 28 vers 12), geeft sneeuw (vers 16), laat Zijn wind waaien (vers 18). Laten we daar goed om denken, wanneer we eens menen te moeten klagen over het weer!
Ja, "onze Heere is groot en van veel kracht; aan Zijn verstand is geen getal" (vers 5).
Deze Psalm brengt de allesomvattende lof tot een hoogtepunt. Het zal zowel in de hemelen (vers 1 tot en met 6) als ook op de aarde (vers 7 tot en met 13) weerklinken. Het zal een wonderbaar concert zijn, waaraan ieder schepsel zijn toon mag bijdragen!
Maar hoe bestaat het, dat stoffelijke dingen opgeroepen worden om in te stemmen met deze symfonie (vers 3, 7 en verder)? Romeinen 8 laat ons zien dat de hele schepping na de zondeval aan de vruchteloosheid (ijdelheid) onderworpen is; de mens heeft er slechts gebruik van gemaakt tot eigen roem. Maar het ogenblik komt dat de schepping uiteindelijk "zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis" en alleen God verheerlijkt wordt (Romeinen 8 vers 20 en 21; Jesaja 55 vers 12 en 13). Het 'zuchten' van nu zal dan veranderd zijn in een prachtig opbloeien. Ja, op haar manier zal zij dan spreken van de heerlijkheid van God en haar stem zal gehoord worden (Psalm 19 vers 2 tot en met 4). Tegelijkertijd zal zij haar Schepper en Bevrijder verheffen, Hem Die haar gemaakt heeft en Die door Zijn kruis de grondslag heeft gelegd tot de "wederoprichting aller dingen" (Handelingen 3 vers 21).
Vers 12 doet ons denken aan het mooie antwoord dat Mozes aan farao gaf: "Wij zullen gaan met onze jongen en met onze oude lieden; met onze zonen en en met onze dochters... want wij hebben een feest des HEEREN" (Exodus 10 vers 9). En vers 14 laat ons de plaats zien die God in de toekomst aan Israël zal geven, dit volk "dat nabij Hem is".
We zijn aan het eind van het Boek van de Psalmen aangekomen, het Boek van de ervaring, waarvan de laatste pagina pas aan het eind van ons aardse bestaan omgeslagen zal worden. En we moeten vaststellen dat al het lijden wat er in beschreven staat, slechts dit ene doel had: God te loven, door alles wat adem heeft. O, dat het bij ons toch zo mag zijn, dat elke beproeving "bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus" (1 Petrus 1 vers 7).
Het Boek van de Psalmen begon ermee dat God de mensen gelukkig prees, en het eindigt met de lof aan God door de mensen. We hebben gehoord dat het "Hallelujah" achtereenvolgens ten eerste werd uitgezongen door het bevrijde overblijfsel (Psalm 146), daarna door Jeruzalem (Psalm 147) en ten slotte door de schepping (Psalm 148). Psalm 149 heeft het nieuwe lied van Israël en de laatste oordelen, die aan de oprichting van het rijk voorafgaan, als onderwerp.
Psalm 150 antwoordt ten slotte op alle vragen met betrekking tot de lof: Wie moet er aanbeden worden? Maar ook, waar (vers 1), waarom (vers 2), hoe (vers 3 tot en met 5) en door wie (vers 6) moet Hem de aanbidding gebracht worden?
Alle verschillende uitdrukkingen van deze allesomvattende lof vormen samen een volkomen harmonie. Dit lied is eenmalig: het verheft de machtige daden en oneindige grootheid van Hem, Die dan al Zijn raadsbesluiten tot Zijn eigen verheerlijking en tot een allesomvattende zegen vervuld zal hebben.
Laten we er altijd aan denken dat de meeste gedachten en beginselen in het Boek van de Spreuken een bepaalde onderlinge samenhang hebben. En het is heel belangrijk die te zien en te onderzoeken.
Vers 1 zegt ons: "De mens heeft beraadslagingen des harten". Dus de mens bedenkt van alles in zijn eigen hart. "Het hart des mensen overdenkt zijn weg", gaat vers 9 verder. En deze beraadslagingen, deze wegen, kunnen iedereen die zijn eigen hart niet kent en diens beweegredenen niet beoordeelt, zuiver (vers 2) en recht (vers 25) toe lijken. Een arme wat geld toestoppen, is op zich een goede zaak, maar het kan ook gegeven worden om zelf in aanzien te komen bij anderen (Mattheüs 6 vers 1). Maar God, Die de harten "weegt" (Spreuken 21 vers 2), herkent in onze bedoelingen de schadelijke wegen of de wegen van de dood (vers 25; Psalm 139 vers 24). Laten we dan ook de raad uit vers 3 opvolgen en alles wat ons bezighoudt aan de Heere overgeven, of het daarbij nu om grote of kleine dingen gaat (Job 5 vers 8). Hem laten handelen; Hem onze weg laten bepalen; hetgeen we zeggen, door Hém laten voorschrijven; dát is echte afhankelijkheid. Dát is de houding waarin de Heere een welgevallen heeft en die voor ons veilig is.
De verzen 10 tot en met 15 leren ons wat gepast is voor een koning. Laten we daarbij ook denken aan de waardigheid waartoe de genade van de Heere ons verheven heeft (Openbaring 5 vers 10). 'Adeldom verplicht', zeggen we wel eens (vergelijk Jesaja 32 vers 8). Rechtvaardigheid en oprechtheid moeten de kenmerken zijn van de mede-erfgenamen van het rijk.
Als er bekendgemaakt zou worden dat er op een bepaalde plek hier op aarde goud gevonden is, dan zouden daar in een mum van tijd steden ontstaan. Een advertentie met de mededeling dat men op heel eenvoudige wijze geld kan verdienen, zal talloze reacties opleveren. Het verkrijgen van wijsheid zal daarentegen geen al te grote wedloop ontketenen (vergelijk vers 16). De waarde hiervan wordt alleen door de discipelen (de volgelingen) van de Heere Jezus, die acht slaan op Zijn woorden, ingezien (vers 20; Psalm 119 vers 127). De buit die met hoogmoedigen gedeeld wordt, heeft voor hen geen aantrekkingskracht meer. Nee, zo'n discipel houdt zich liever op bij de nederigen en zachtmoedigen (vers 19). U en jij ook?
Het is het hart van de wijze dat zijn mond inzicht geeft (vers 23). Liefde dicteert hem "liefelijke redenen", die voor zieke zielen als een medicijn werken.
In tegenstelling tot de oprechten (vers 17) en hem die wijs van hart is (vers 21), tonen de verzen 27 tot en met 30 ons de "Belialsman", die "verkeerd" en gewelddadig is. Hij "graaft kwaad", lastert, zaait tweedracht, brengt scheiding en verleidt anderen tot kwaad. Laten we oppassen voor zulke gevaarlijke metgezellen. Laten we in deze wereld toch de weg van de oprechten volgen, die op hun hoede zijn en het kwaad willen mijden (vers 17; 2 Timotheüs 2 vers 22).
Ook is het goed om nog eens na te denken over vers 32. De mooiste overwinning die een mens kan behalen, is dat hij zijn eigen geest beheerst. (Dit staat in schril contrast met hoofdstuk 25 vers 28).
Vrede in een huis is vele malen belangrijker dan welke vorm van rijkdom of succes dan ook (vers 1).
Vers 14 laat ons zien hoe een strijd begint. Men laat verkeerde woorden aan de mond ontsnappen. Je handelt dan net als iemand "die het water opening geeft". Probeer dat later maar eens weer terug te nemen!
Maar als de strijd ergens is begonnen en heftig dreigt te worden, dan is het goed de volgende houding aan te nemen: "verlaat de strijd".
Het kan ook zijn dat je onenigheid veroorzaakt zonder daarbij zelf tot één van de strijdende partijen te behoren. Je kunt bijvoorbeeld een bepaalde zaak weer aanhalen in plaats van haar toe te dekken (vers 9). "De liefde dekt alle overtredingen toe" (hoofdstuk 10 vers 12; 1 Petrus 4 vers 8). Bewust over de fouten van iemand anders zwijgen, betekent echt niet altijd dat je er mee instemt of ze probeert te verontschuldigen. Nee, integendeel, je lijdt eronder en je schaamt je ervoor ze weer op te noemen.
Verstandig is hij die z'n voordeel weet te behalen uit elke terechtwijzing, ook uit een bestraffing, opdat hij vooruitgang boekt (vers 10). Het geloof in het hart van de gelovige is veel kostbaarder dan goud. Dat geloof kan niet vergaan. Wel is het nodig dat de beproeving dit geloof van alle slakken (onreinheid) reinigt. God handelt dan als een zilver- of goudsmid, die dit edelmetaal smelt in een smeltkroes of oven, zoals we dat ook lezen in Maleachi 3 vers 3. Door Zijn werk reinigt Hij de Zijnen van alles wat niet verenigbaar is met Zijn heiligheid (Job 23 vers 10).
Een dienstknecht van de Heere schrijft: 'Het is werkelijk een grote genade van de kant van God, de Goddelijke wijsheid toe te passen op alle aspecten van het leven van de mensen, te midden van de verwarring die door de zonde is ontstaan'. Het gevolg daarvan is, dat wij verantwoordelijk zijn deze wijsheid in ons dagelijks leven in daden om te zetten! Ze is ons gegeven om 'uitgeleefd' te worden, en "de verstandige" houdt haar steeds voor ogen (vers 24; Prediker 2 vers 14). De dwaas daarentegen laat zijn fantasie de vrije loop en in gedachten en ijdele begeerten zwerft hij tot aan het einde van de aarde. We denken daarbij aan de verloren zoon, die de goederen van zijn vader er in een ver land doordraaide. O, wat bezorgt een dwaas zoon zijn ouders toch veel verdriet! (vers 21 en 25). Laten we Salomo, de schrijver van dit Boek, toch meer navolgen. Hij had namelijk voor zichzelf om "een verstandig hart" gebeden (1 Koningen 3 vers 9).
Wie borg staat voor iemand, is een valse vriend. Hij vertrouwt zijn naaste op ondoordachte wijze en noodzaakt deze naaste vervolgens zijn vertrouwen op hem te stellen (vers 18; Jeremia 17 vers 5). Vers 17 toont ons daarentegen waar men een ware vriend aan kan herkennen. Hij openbaart zich in de moeilijkheden en dan wordt ook duidelijk wat een broeder is. "Een vriend heeft te allen tijd lief". Wie zou meer recht op deze naam hebben dan de Heere Jezus Zelf? "Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zet voor zijn vrienden" (Johannes 15 vers 13). En juist dà t heeft Hij gedaan!
Zich afzijdig houden en alleen voor zichzelf leven, is een teken van zelfzuchtigheid en vaak ook van hoogmoed. Romeinen 15 vers 1 tot en met 3 haalt het voorbeeld van de Heere Jezus aan en vermaant ons, niet datgene te zoeken wat onszelf bevalt (vers 1), maar juist dat wat tot nut en opbouwing van onze naaste is. De tong is het middel om te communiceren met de naaste, hetzij ten goede of ten kwade. De mond kan een "springader der wijsheid" zijn (vers 4), maar kan ook strijd oproepen (vers 6), geruchten verspreiden (vers 8), pronken (vers 12; Jakobus 3 vers 5), voorbarige antwoorden geven (vers 13) en een hard oordeel vellen (vers 23). Maar... deze verdrietige vruchten van het vlees worden gegeten door degene die ze zelf voortgebracht heeft (vers 20 en 21; Lukas 6 vers 38). Ze zullen voor hem als slagen zijn (vers 6), tot ondergang, tot een valstrik voor zijn ziel worden (vers 7), ja, tot schande (vers 13), zelfs tot de dood (vers 21). In sommige Bijbelvertalingen staat er in vers 8 dat de woorden van de oorblazer (lasteraar) "zijn als lekkernijen". Daar lijkt het op, maar in werkelijkheid is het vergif en wat ligt er een bittere nasmaak in verborgen!
De verzen 11 en 12 laten ons nog een andere vorm van dwaasheid zien. Dat is de dwaasheid van een hooggeplaatst mens die alle vertrouwen in de onzekerheid van de rijkdom gesteld heeft en meent daardoor veilig te zijn en beschermd te worden (lees ook Markus 10 vers 24). Voor de rechtvaardige is er echter geen enkele andere toevlucht dan de Naam van de Heere, Die sterker is dan de sterkste toren (vers 10; vergelijk Psalm 91 vers 2).
"Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed" (vers 2). Want zo'n ziel is blootgesteld aan alle gevaren, waar ze geen acht op slaat. Bovendien loopt iemand die niet tegengehouden wordt door de waarschuwingen van het Woord, het gevaar om overhaast te handelen of te spreken en daardoor een misstap te begaan (dat wil zeggen: te zondigen; vers 2). Als we onze eigen ziel liefhebben â en we bezitten immers niets wat kostbaarder is! â dan hebben erop toe te zien dat ze onderwezen wordt, opdat ze verstand verkrijgt (vers 8).
Meerdere verzen spreken over de arme. De achting die mensen in deze wereld ondervinden, staat vaak in nauw verband met hun vermogen. Maar al te vaak worden arme mensen geminacht, zelfs wanneer men hen ondersteunt (Jakobus 2 vers 6). Maar God denkt eraan dat Zijn Zoon hier beneden "de Arme" was. Hij bekommert Zich om hen die in oprechtheid hun weg gaan (vers 1; hoofdstuk 22 vers 23), en Hij opent Zijn hemel voor hen (Lukas 14 vers 21 en verder en Lukas 16 vers 22). "Het goed (rijkdom) brengt veel vrienden toe" (vers 4; hoofdstuk 14 vers 20). Maar het is dan wel een heel speciaal soort vrienden, je zou ze beter vijanden kunnen noemen. Zulke mensen praten met je mee en in feite werken ze op die manier mee aan de ondergang van hun `slachtoffers'!
De mens die arm en van iedereen verlaten is, kan echter de ware Vriend vinden, Die altijd bij hem blijft. Dat is de Heere Jezus, Die "meer aanhankelijk is dan een broeder" (hoofdstuk 18 vers 24).
Luiheid heeft, vooral als het om het horen gaat (Hebreeën 5 vers 11), voor de trage ziel verwoestende gevolgen (vers 15). Dat doet iemand "in diepe slaap vallen", en zo iemand zou juist moeten waken en wachten op de komst van de Heere (vergelijk Mattheüs 25 vers 5). Luiheid veroorzaakt ook honger voor de ziel en in geestelijk opzicht word je arm (hoofdstuk 20 vers 13). En, beste vriend, wanneer je ziel honger heeft, maak dan niet de fout dat je haar gaat voeden met hetgeen niet kan verzadigen (Jesaja 55 vers 2). Er bestaat maar één soort gezonde 'voeding' voor de ziel: het Woord van God. Met Christus, het ware Brood uit de hemel, verzadigd te worden, geeft volgens vers 23 de zekerheid dat je niet door het kwaad bezocht zult worden.
Behalve woorden van wijsheid bestaat er ook een soort onderwijzing die je doet afdwalen (vers 27; 1 Timotheüs 6 vers 20 en 21). Hierbij gaat het om de vrucht van al die gedachten die in het hart van de mens opkomen (vers 21). Daarnaar te luisteren betekent dat je van de weg van gehoorzaamheid afwijkt en daarom tuchtiging nodig hebt (vers 18 en 25). Bij tucht denken wij vaak alleen maar aan straf, maar het gaat meer om correctie. Denk maar aan de piloot van een vliegtuig die op aanwijzingen van de verkeersleiding de koers van zijn machine iets wijzigt. De terechtwijzingen van de Heere moeten deze uitwerking op ons hebben. Tucht is een voorrecht voor de zoon (vers 18; hoofdstuk 13 vers 24) en hij die verstandig is, zal er baat bij vinden (vers 25; hoofdstuk 9 vers 8).
Wijn, dat een beeld is van de gemeenschap met de vreugde van de wereld, leidt tot spotternij (vers 1; lees ook Jesaja 28 vers 7 en 14).
Veel mensen die niet aarzelen om hun eigen "weldadigheid" (vers 6), hun eigen onberispelijkheid (vers 9; vergelijk 1 Johannes 1 vers 8 en 10) uit te bazuinen, laten daarmee zien dat ze hun natuurlijk hart slecht kennen. Alleen de nieuwe mens (de rechtvaardige) is welgevallig voor God, door in getrouwheid en oprechtheid te wandelen (vers 7).
Vers 10 kunnen we in verbinding brengen met Deuteronomium 25 vers 13 tot en met 16: "Gij zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben... Gij zult een volkomen en zuivere weegsteen hebben". In de praktijk van alle dag betekent dit bijvoorbeeld, dat men de fouten van zichzelf niet met toegevendheid en die van de ander juist streng beoordeelt.
Dat brengt ons bij vers 11. Hoe jong een christen ook mag zijn, er wordt van hem verwacht dat hij zich als dusdanig bekendmaakt. En dat gebeurt meer door zijn wandel dan door zijn woorden. Dat wil zeggen dat hij rein en oprecht moet zijn, dat hij afstand moet nemen van elke vorm van ongeregeldheid, elk slecht gedrag en elke vorm van bedrog. Zo'n wandel valt op, omdat zij zich van het tweeslachtig en onbehoorlijk gedrag van veel 'kameraden' onderscheidt! De Heere helpe ons om een moedig getuigenis voor Hem af te leggen, door een voorbeeld te nemen aan de trouw die alleen Hij volkomen verwerkelijkt heeft (vergelijk het eind van vers 6)!
Iemand heeft Spreuken eens vergeleken met een leidraad die ons in de doolhof van deze wereld, waar een misstap vaak zulke bittere gevolgen kan hebben, de weg van wijsheid en leven toont. Te midden van de duidelijk waarneembare verwarring en het verval in moreel opzicht kan iedereen in dit Boek praktische lessen vinden, die nodig zijn om de valstrikken te ontlopen (vers 25). Leugen, kwaadsprekerij, ongepaste woorden tegenover de ouders, hebzucht, wraakgevoelens, bedrog, het niet nakomen van beloften..., om voor deze gevaren bewaard te blijven, is het verstandig om het gezelschap van bepaalde personen te ontvluchten (Psalm 1 vers 1). Vers 19 geeft de raad: "Vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt". Als we omgang hebben met zo iemand, dan zullen kwaadsprekerij en valse beschuldigingen het gevolg zijn, en er is geen opbouwing. En onze eigen vertrouwelijke mededelingen zullen overal verspreid worden.
De lippen van wetenschap (wijsheid) zijn precies het tegenovergestelde van hetgeen hierboven genoemd is. Zulke lippen lijken als het ware op een vaas waarin het boeket van geopenbaarde waarheden prachtig tot zijn recht komt; de juiste vaas geeft waarde aan een boeket! (vers 15; Efeze 4 vers 29).
Laten we daarom altijd omgang zoeken met hen die ons de lessen van wijsheid kunnen meedelen (vergelijk hoofdstuk 8 vers 11 en 19). Dat heeft veel meer waarde dan het vergankelijke goud of een "menigte van robijnen". "Het sieraad der jongelingen is hun kracht" (vers 29), een kracht die haar oorsprong vindt in de Heere en in staat stelt de boze te overwinnen (Efeze 6 vers 10; 1 Johannes 2 vers 13 en 14).
Veel mensen denken God niets schuldig te zijn als ze Hem af en toe een paar goede werken als 'offer' brengen. Ze menen dat ze zichzelf door het volbrengen van bepaalde godsdienstige handelingen of het houden van bepaalde geboden, kunnen verlossen van een zondig leven. Wat een noodlottige vergissing! Er is slechts één ding dat de Heere welgevallig is, namelijk "gerechtigheid en recht te doen" (vers 3). Maar dat is iets wat alleen de rechtvaardige kan doen, dus hij die door God gerechtvaardigd is. Tot aan de bekering wordt ieder mens gekenmerkt door zijn boze hart. Z'n geheime verlangens zijn het kwaad toegewijd; alleen hijzelf staat in het middelpunt; hij heeft geen liefde voor de naaste (vers 10), noch oprecht medelijden met hen die door het ongeluk getroffen zijn (vers 13). Al deze gevoelens kunnen soms door een aangeboren vriendelijkheid verdoezeld, of met een zeker natuurlijk meevoelen met iemand vermengd worden (een ongelovige kan een 'goed' hart hebben of zich door oprechtheid profileren; vers 2). In werkelijkheid heeft het echt goed en oprecht zijn, zijn oorsprong alleen in God, en de volmaakte vervulling hiervan wordt alleen in Christus gevonden. Vers 12 brengt ons bij Hem. Hij was "de zeer Rechtvaardige" (Job 34 vers 17) en als zodanig heeft alleen Hij het recht om te richten (Johannes 5 vers 27 tot en met 30). Hij "let verstandig op het huis van de goddeloze", en als Hij daarin werkelijk geen ommekeer bespeurt, zal Hij het in het ongeluk storten (vers 12; Psalm 37 vers 35 en 36).
Gerechtigheid en recht doen, is niet alleen iets wat aangenaam voor de Heere is (vers 3), maar ook een vreugde voor hem die het in praktijk brengt (vers 15). Veel mensen menen dat het christen zijn iets moeilijks en dwangmatigs is. Maar juist het tegendeel is waar! De gelovige die in een goede geestelijke toestand verkeert, ervaart het als iets heerlijks om de Heere gehoorzaam te zijn. En omgekeerd heeft datgene wat de wereld vreugde noemt, helemaal geen aantrekkingskracht meer voor zijn hart (vers 17).
In de woning van een wijze bevindt zich een kostbare schat (het Woord van God) en olie (de kracht van de Heilige Geest) (vers 20; vergelijk 1 Koningen 17 vers 16). De wijze heeft dit 'voedsel' nodig om op de weg van rechtvaardigheid en weldadigheid te kunnen wandelen (vers 21). Door hiervan 'te eten', krijgt hij geestelijke kracht om de macht van de vijand te overwinnen en ten val te brengen (vers 22; Prediker 7 vers 19).
Echter, zowel zijn kracht als zijn wijsheid heeft niets gemeen met de wijsheid van de mensen, die voor God niet kan bestaan (vers 30; 1 Korinthe 1 vers 19). O, dat wij toch bij deze werkelijk wijze mensen mogen behoren! Laat er in onze huizen toch geen gebrek zijn aan het Woord en de vreugde van de Geest. Laten we daaruit onze kracht putten! Dat toch niemand van ons zal lijken op die dwaze meisjes uit de gelijkenis, die geen olie in hun lampen hadden! (Mattheüs 25).
God heeft zowel de rijke als de arme uit hetzelfde stof gemaakt. Zowel bij hun geboorte als bij hun sterven bestaat er tussen hen geen enkel verschil. En er zijn gelegenheden te over dat deze beiden elkaar ontmoeten (hoofdstuk 29 vers 13; Job 31 vers 15). De welstand en de macht van de rijke (vers 7 en 16) zijn dus vergankelijke dingen, die het niet waard zijn vergeleken te worden met de dingen die eeuwige gevolgen hebben: een goede naam en gunst (vers 1). De enige rijkdom die werkelijk begerenswaardig is, is de eer die en het leven dat God geeft aan hen die nederig zijn en Hem vrezen (vers 4; Mattheüs 5 vers 5).
Het verschil in vermogen zou voor hen die hier op aarde rijkelijk bedeeld zijn, juist een aanleiding moeten zijn om hun ogen, hart en hand open te doen (lees nog een keer vers 9). Als wij ermee beginnen om de behoeften rondom ons te zien, daardoor bewogen worden en ten slotte proberen naar vermogen te helpen, dan handelen we precies zoals onze geliefde Heere gehandeld heeft. "En Jezus, uitgaande, zag... werd innerlijk met ontferming bewogen... brak de broden, en gaf ze..." (Markus 6 vers 34 tot en met 44).
Sommige ongelovige filosofen beweren dat een kind onschuldig geboren wordt en pas later door z'n omgeving bedorven is. Uit vers 15 blijkt echter dat het tegendeel waar is (vergelijk Genesis 8 vers 21; Psalm 51 vers 7). Maar de knaap die volgens de aanwijzingen in Gods Woord grootgebracht wordt (vers 6), zal na z'n bekering, gedurende heel zijn leven de vruchten van deze opvoeding voortbrengen.
In dit nieuwe gedeelte van de Spreuken is de Wijsheid gestopt met het spreken in tegenstellingen, en maakt nu weer gebruik van rechtstreekse vermaningen (zoals ook al eerder in de hoofdstukken 1 tot en met 9). Het is echter verloren moeite tegen iemand te praten die niet wil horen. Voordat het onderwijs begint, wordt de jonge scholier opgeroepen om zijn oor te neigen en z'n hart te richten op het "heerlijke" (vers 20; Filippensen 1 vers 10) en dan moet hij dit alles overdenken en tot onderwerp van zijn gesprek maken. En wat is het doel van deze onderwijzing? In eerste instantie hem die dit onderwijs ontvangt, zover te brengen dat hij zijn vertrouwen stelt op God, Die hij kent. Vervolgens geeft de les hem een veilig richtsnoer, met andere woorden: het geeft hem zekerheden die het vergelijk met alle andere wijsheid kunnen doorstaan. Ten slotte spoort het hem aan om zelf "de redenen der waarheid" door te geven (vers 17 tot en met 21).
De waarschuwingen die dan volgen, zijn negatief. Het is goed om vooral bij vers 28 wat langer stil te staan. "Zet de oude paden niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben" (vergelijk hoofdstuk 23 vers 10). Velen ervaren de geestelijke fundamenten op grond waarvan gelovigen uit voorgaande generaties een gelukkig leven leidden en die de goedkeuring konden wegdragen van God, als veel te eng. Dit vers roept hen als het ware toe: 'Pas op! Gevaar!' Bovendien betekent het steeds verder doordringen op de verschillende terreinen van deze wereld eveneens dat er steeds minder interesse getoond wordt voor het terrein dat voor ons bestemd is en waar de Heere Zich bevindt (vergelijk Psalm 16 vers 6).
In de verzen 1 tot en met 6 worden we gewaarschuwd voor begeerte. Het verlangen naar de "smakelijke spijzen" van de groten van deze aarde (vers 3) is even gevaarlijk als het verlangen naar het brood van hem "die boos is van oog" (vers 6; Psalm 141 vers 4). Als je probeert in de gunst te komen bij iemand, dan ben je na verloop van tijd aan die persoon gebonden. Hun brood is echter bedrieglijke spijze. De winst die het in eerste instantie voor je leek op te leveren, wordt later tot een bron van veel moeilijkheden. Als men streeft naar aardse goederen, blijven de zorgen niet uit. De mens noemt het misschien 'handelen uit voorzorg', maar het wordt van lieverlee steeds meer tot een enorme drang naar het vergaren van bezit. Men denkt door het nemen van maatregelen de toekomst van zichzelf en de kinderen veilig te kunnen stellen. Dat is echter een enorme misrekening! Al deze rijkdom is immers vergankelijk, "want het zal zich gewis vleugels maken" (vers 5; vergelijk Jakobus 5 vers 2); daarom prent de Wijsheid haar volgelingen in om niet vernuftig te zijn in eigen ogen (vers 4). Werkelijke wijsheid is niet het verwerven van rijkdom, maar juist de rijkdom van onze Meester ten gunste van anderen gebruiken (Lukas 16 vers 8).
Vers 13 doet ons denken aan de nalatigheid van David in de opvoeding van zijn kinderen (zie 1 Koningen 1 vers 6). Lichamelijke straf heeft niet de dood tot gevolg. Integendeel, als men er nooit gebruik van maakt, dan kunnen de gevolgen juist desastreus zijn (2 Samuël 18 vers 33). Onze ziel redden uit het dodenrijk is inderdaad een kwestie van leven en dood! Laten onze harten toch naar deze lessen luisteren! (vers 12; vergelijk hoofdstuk 22 vers 15).
Moet een kind dat al volwassen is, ook nog steeds naar de raad van de ouders luisteren? Vers 22 geeft ons een duidelijk antwoord. Dit behoort tot de eer die hen toekomt en daar doet ouderdom of rijpheid niets aan af. Het is een vreugde voor gelovige ouders om bij hun kinderen vruchten van de opvoeding te zien (vers 15, 16 en 24). En als we vers 24 toepassen op de vreugde die de Vader in Zijn veelgeliefde Zoon, de Rechtvaardige en Wijze â in de ware zin van het woord â gevonden heeft (Mattheus 3 vers 17), dan krijgt dit vers voor ons nog veel meer betekenis.
Het is de Heere Zelf Die meer dan wie ook (en dat geldt ook voor de ouders) aanspraak op ons kan maken. "Mijn zoon! geef Mij uw hart", zegt Hij in vers 26 tegen eenieder van ons. Hij verlangt niet naar een bepaald deel van onze bezittingen of onze tijd, Hij verlangt onze toewijding! Al het andere volgt dan als vanzelf. Met eerbied gesproken zegt de Heere eigenlijk: 'Als je Mij je hele hart geeft, dan geef je Mij in feite dat terug wat van Mij is; dat is Mijn loon, dat Ik Mij op Golgotha zo duur verworven heb'.
Het slot van dit hoofdstuk beschrijft de verdrietige toestand van iemand die door de alcohol zover gekomen is, dat hij niet meer weet wat hij doet. Hij werd door de wijn overweldigd (Jesaja 28 vers 1), is niet meer in staat om de vleselijke verleidingen te weerstaan (vers 33) en richt zichzelf op deze manier te gronde (vers 21).
Beste vriend(in), wat doet u, wat doe jij, met je hart?
Mensen die kwaad bedrijven, kunnen voor ons christenen een aanleiding tot afgunst (vers 1) of tot toom zijn (vers 19; Psalm 37 vers 1). Zulke gevoelens tonen echter alleen maar onze eigen slechte geestelijke toestand. Laat de aanblik van deze arme zondaars bij ons toch veel meer medelijden opwekken en de ijver om hen, in overeenstemming met het evangelie, te waarschuwen en van de dood te redden! (Ezechiël 3 vers 18; Handelingen 20 vers 26). Laten we ons niet op onze zogenaamde onwetendheid beroepen en dat aanvoeren als verontschuldiging voor ons nietsdoen. "Hij, Die de harten weegt" (vers 12; vergelijk hoofdstuk 21 vers 2), kent onze ware beweegredenen. Ons zwijgen kan een gebrek aan liefde zijn, of angst voor bespotting, of zwakheid in onze eigen overtuiging.
Misschien vragen we ons soms af, waarom goddeloze mensen toch vaak zo'n gemakkelijk leven hebben, terwijl de gelovigen soms zo zwaar beproefd worden? De sleutel van dit geheim wordt ons in één woord meegedeeld: de toekomst. "Want de kwade zal geen beloning hebben" (vers 20), zijn einde is het eeuwig verderf, dat hij onherroepelijk tegemoet gaat (vergelijk Psalm 73 vers 17). Hij struikelt om in het ongeluk te storten (vers 16).
Daarentegen "zal er beloning wezen" voor hem die de wijsheid gevonden heeft. Deze Goddelijke wijsheid is een Persoon: Christus Zelf (hoofdstuk 8 vers 22 en verder). En de hoop van de gelovige zal vervuld worden, want het Onderwerp van zijn verwachting is dezelfde Persoon: de Heere Jezus, Die spoedig komt!
Dit korte gedeelte is de afsluiting van het deel van Spreuken dat "de woorden der wijzen" genoemd wordt (hoofdstuk 22 vers 17).
Als mensen proberen om voorkomend te handelen tegenover hun medemensen, dan gaat dat vaak ten koste van de gerechtigheid en de waarheid. De mens Gods moet in dit opzicht onberispelijk zijn (vers 23 tot en met 25).
Vers 27 herinnert de jonge gelovige eraan dat hij allereerst moet zorgen voor werk en een inkomen, om in de behoeften van de zijnen te kunnen voorzien, voordat hij er aan denkt een gezin te stichten, "... en bouw daarna uw huis".
Een beginneling neemt echter risico's wanneer hij alleen gaat bouwen. Vers 3 toont ons in dit geval een Architect Die we volledig kunnen vertrouwen: de Wijsheid, dat is de Heere (vergelijk Psalm 127 vers 1).
In het leven van een trouw christen is er evenwicht. De Heere laten handelen, vormt voor hem geen verhindering om ook zelf ijverig bezig te zijn, want hij heeft de gelegenheid gehad om te zien wat de gevolgen van luiheid zijn op velerlei gebied (vers 30 tot en met 34). Beste vriend, om geestelijk gebrek in je toekomstig huis te vermijden, roept vers 4 je op om de binnenkamers van je hart van tevoren met wijsheid te vullen. En God zal je hart "alle kostbaar en liefelijk goed" geven, wat je in het Woord zult vinden (Mattheüs 13 vers 52).
Hier begint het derde deel van het Bijbelboek Spreuken. De dienstknechten van Hizkia - de koning die deed wat goed, recht en waarachtig is... door met z'n gehele hart naar de wet en het gebod te handelen (2 Kronieken 31 vers 20 en 21) - noemen eerst de dingen op die betrekking hebben op de koningen: hun eer (vers 2 - een eer die niet gelijk is aan die van 2 Kronieken 32 vers 27), hun hart (vers 3), hun troon (vers 5) en datgene wat gepast is in hun tegenwoordigheid (vers 6). De meeste van deze Spreuken lijken op poëtische vergelijkingen, die ons helpen ze beter te begrijpen en te onthouden.
De verzen 8 tot en met 10 roepen ons op voorzichtig en bedachtzaam met onze naaste om te gaan, opdat we later niet beschaamd zullen worden.
De verzen 11 tot en met 15 houden zich bezig met woorden. Een woord, gesproken op het juiste moment, is een vrucht van Goddelijke gerechtigheid (goud), maar is altijd verbonden met genade (zilver). Zelfs als het om een berisping gaat, zal het toch waardevol zijn voor het oor dat ernaar wil luisteren (vers 12).
Vers 13 herinnert ons eraan hoe wij moeten zijn: getrouwe gezanten. Staan we er altijd genoeg bij stil dat we de boodschap, die God ons toevertrouwd heeft, in getrouwheid vertolken? En dan niet alleen als verfrissing voor hen die het ontvangen, maar zeker ook tot bevrediging van het hart van Hem Die ons stuurt!
Honing is goed, maar als dat het enige is wat we eten, dan zullen we het maar al te gauw niet meer lusten. Zo is het ook met de natuurlijke neigingen: vriendschap, blijde dingen in de familie enzovoort zijn aangenaam en doen ons goed, maar... we moeten ze niet een al te grote plaats in ons leven geven, want dat leidt tot zelfzuchtigheid en afkeer (vers 16 en 27).
Het evangelie is de blijde boodschap in de ware zin van het woord: levend water voor dorstige zielen (vergelijk vers 25). En elke gelovige is als een kanaal waardoor dit frisse water van de genade kan stromen, om de dorst van anderen te lessen (Johannes 7 vers 38). Maar pas op! Een beetje vuil in een bron is voldoende om het water ondrinkbaar te maken! Een gebrek aan standvastigheid ten opzichte van het kwaad, een enkel moment van nalatigheid, en de bron is plotseling troebel en bedorven. Dat gebeurt ook als je met een stok over de bodem van een heldere beek strijkt (vers 26).
Als men zijn geest niet kan beheersen, dan levert men haar, als een stad zonder muren, weerloos over aan de vijandelijke aanvallen (vers 28). Ongeduld, wraakgevoelens, afgunst, hoogmoed, twijfel, begeerte... het hele leger van slechte gedachten zal dan heel gauw ingang vinden. Daarom roept 1 Petrus 1 vers 13 ons op om de lendenen van ons verstand te omgorden en nuchter te zijn, met andere woorden: onze fantasie in toom te houden.
Geen eerbetoon maar slagen, dat is het beste middel om een dwaas op de weg van de wijsheid te brengen (vers 1 tot en met 8). Over het algemeen bewerkt de tuchtiging van de Heere en de berisping van de rechtvaardige meer vooruitgang bij ons dan gelukwensen en eerbetoon. Laten we daar dan ook niet onverstandig mee omgaan als het onszelf betreft; laten we niet op dieren lijken, die slechts met zweep en toom tot gehoorzaamheid gebracht kunnen worden, "opdat het tot u niet nadere" (vers 3; Psalm 32 vers 9). Het is immers veel beter om wijsheid te verkrijgen, door ons door het Woord te laten beleren, dan dat wij het door moeizame ervaringen moeten ondervinden.
Het voorbeeld van de profeet Micha bij Achab laat ons zien dat de verzen 4 en 5 elkaar niet tegenspreken (1 Koningen 22 vers 13 tot en met 28). Door de dwaze Achab naar zijn eigen dwaasheid te antwoorden (vers 15), bereikte Micha diens geweten, zodat hij zich erg onbehaaglijk voelde. En toen Micha hem later in overeenstemming met de gedachten van God antwoordde en niet meer naar zijn dwaasheid, liet de man van God duidelijk zien dat hij zich op geen enkele wijze aan hen verbond (vers 17).
Een kreupele wandel â of het daarbij nu om de wandel van de rechtvaardige (hoofdstuk 25 vers 26) of die van de dwaas gaat, maakt niet uit (hoofdstuk 26 vers 7 en 9) â het ontneemt alle kracht aan het mondelinge getuigenis. Ja, laten we erop bedacht zijn dat onze wandel als het zaai klaar maken van de bodem is, waardoor het evangelie van de vrede opgenomen kan worden (Efeze 6 vers 15).
Nadat eerst de dwaas beschreven werd (vers 1 tot en met 12), worden hier andere personen getoond die eveneens te verafschuwen zijn. De eerste is de luiaard (vers 13 tot en met 16), die we al vaker tegengekomen zijn. Hij gebruikt mogelijke gevaren of problemen als aanleiding om zich aan zijn taak te onttrekken (vers 13). Ja, het kan zelfs zover komen dat hij het nalaat zich te voeden (vers 15). "Een deur keert om op haar scharnier" (vers 14); hoewel dit een heen en weer gaande beweging is, blijft de deur vast op zijn plaats. Laten we onszelf eens afvragen of het bij ons anders is dan bij de luiaard, of wij in ons christelijke leven vooruitgang geboekt hebben! De luiaard keert zich om op zijn bed. Men kan zich bewegen, heen en weer gaan, zonder werkelijk bezig te zijn.
Ook de strijdlustige wordt ons beschreven (vers 17 tot en met 21). Hij is heel geschikt om het vuur van de strijd aan te wakkeren. Vers 17 is echter op veel dingen van toepassing. Door bijvoorbeeld deel te nemen aan sociale, maatschappelijke en politieke conflicten, stelt een kind van God zich bloot aan 'hondenbeten'.
Daarna komen we de oorblazer tegen, die er eveneens toe bijdraagt dat de strijd oplaait (vers 20 en 22). Dan lezen we nog van de bedrieger, die de haat van zijn hart verbergt achter een sluier van liefelijke woorden (vers 23 tot en met 25; zie 2 Samuël 20 vers 9 en 10; Jeremia 12 vers 6).
De Heere Jezus heeft met de verschillende vormen van kwaad en huichelarij, zoals dat in deze verzen beschreven wordt, te maken gehad (Mattheus 17 vers 17; Psalm 38 vers 13). En wat heeft Hij hieronder veel geleden!
Zich beroemen op de dag van morgen (vers 1), is net doen alsof die dag jezelf toebehoort en je ermee kunt doen wat je zelf wilt: plannen maken, op bepaalde momenten verplichtingen aangaan, voor een ander borg staan (vers 13). Laten we eens lezen wat Jakobus hierover zegt (hoofdstuk 4 vers 13 tot en met 16).
Anderzijds richt vers 1 zich speciaal tot hen die de kwestie van hun heil steeds maar weer naar later verschuiven. 2 Korinthe 6 vers 2 zegt echter heel uitdrukkelijk: "Ziet, nu is het de dag der zaligheid"!
Wat doet het goed als je op een vriend kunt vertrouwen. De liefdevolle raadgevingen die hij geeft, komen uit zijn hart en verheugen ons (vers 9). De ware vriend is echter niet degene die alleen maar liefdevolle woorden tegen ons spreekt. Integendeel, een echte vriend zal er niet voor terugschrikken om ons te berispen, ook al zou onze hoogmoed daardoor beschadigd worden (vers 5 en 6). Zo is de Heere Jezus de trouwe Vriend. Hij heeft ons te lief om niet in te grijpen als er iets mis gaat. Chirurgen zien zich er vaak toe gedwongen om een grote wond te maken, om de inwendige organen te kunnen bereiken en het kwaad weg te kunnen snijden. Zo is het ook in geestelijk opzicht. "Gezwellen der wonde zijn in de boze een zuivering, alsook de slagen van het binnenste van de buik" (hoofdstuk 20 vers 30). Of zoals een andere vertaling het zegt, dat bloedige striemen het kwaad uitzuiveren en dat slagen de schuilhoeken van het hart reinigen. Ja, laten we deze noodzakelijke verwondingen toch zonder mopperen accepteren, door er steeds de liefdevolle en vaste hand van onze beste Vriend in te zien.
Deze verzen behandelen vooral het huiselijke leven en de vriendschapsbanden. Laten we voorzichtig zijn in de keuze van een vriend. Het is het beste er eerst van overtuigd te zijn dat hij hetzelfde geloof deelt, dat je de vrijheid zult hebben om samen neer te knielen, dat hij in staat zal zijn ons aangezicht te scherpen (vers 17). Vriendschap is echter nooit een eenzijdig gebeuren. En als we ons beklagen over gebrek aan liefde bij de ander, dan is dat vaak een bewijs dat we er zelf ook te weinig van openbaren, want liefde antwoordt op liefde (vers 19).
Vers 20 herinnert ons aan een eigenschap van onze ogen. Ze zijn onverzadigbaar (1 Johannes 2 vers 16). En vers 22 laat zien dat dwaasheid onlosmakelijk verbonden is met de menselijke natuur (zie ook hoofdstuk 22 vers 15; Prediker 9 vers 3; Romeinen 3 vers 11). Door niets kan dit definitief uitgebannen worden; "Zijn dwaasheid zou van hem niet wijken" (vers 22). Een te pessimistische voorstelling van zaken? Helaas niet! De mens verkeert voortdurend in een toestand van opstand tegen zijn Schepper; hij wijst de genade, die aangeboden wordt, af; hij wil niet handelen in overeenstemming met de eeuwige interesses van God... en dat alles zouden we geen dwaasheid mogen noemen? Dan komt de vraag op hoe men dan wijs kan worden. Dat kan alleen door in Christus het Goddelijke leven aan te nemen.
De verzen 23 tot en met 27 spreken over de menselijke voorzorg, over aardse goederen en een vergankelijke kroon. Christenen, laten ook wij zorg dragen, maar dan om ons van blijvende goederen (hoofdstuk 8 vers 18; Lukas 12 vers 33) en een onvergankelijke kroon te verzekeren (1 Korinthe 9 vers 25).
Bij vers 1 moeten we onwillekeurig denken aan de angst die het schuldige volk Israël als een vorm van straf werd aangekondigd (Leviticus 26 vers 36 tot en met 38). Gewoonlijk hangt het gedrag van een mens af van de toestand van zijn geweten (vers 1). Bij een slecht geweten zal hij altijd onrustig zijn en overal gevaren zien. Heeft hij daarentegen een goed geweten, dan zal hij rustig en vol vertrouwen in Gods tegenwoordigheid kunnen verkeren en zal hij ook het vertrouwen van de mensen genieten (1 Johannes 3 vers 21; Genesis 3 vers 8).
Vers 13 is uitermate belangrijk! Het toont iedere zondaar de weg van berouw en vergeving, maar laat ook duidelijk zien waarom sommige christenen niet verder komen, niet groeien in het geloof. Om de onderbroken gemeenschap met God weer terug te kunnen krijgen, is het absoluut nodig om de begane misstappen te belijden. Maar... daarna moet het verkeerde, met hulp van de Heere, ook nagelaten worden. Anders was die belijdenis niet oprecht en is het eigenlijk alsof je de spot drijft met God.
In feite zijn er veel meer dingen dan we in eerste instantie misschien zouden denken, die van onze morele toestand afhankelijk zijn. Echt inzicht bijvoorbeeld is het deel van eenieder die de Heere zoekt. Zulke mensen begrijpen alles (vers 5). Daarentegen bestaan er ook mensen die steeds dezelfde vragen stellen. In principe komt dat alleen doordat de Persoon van Christus maar zo weinig waarde voor hen heeft.
Vers 9 laat zien dat gehoorzaamheid aan God en de verhoring van gebeden eveneens met elkaar verbonden zijn (vergelijk Johannes 15 vers 7).
Als wij menen dat we de brede en gemakkelijke weg van onze eigen wil kunnen combineren met de weg van gehoorzaamheid aan de Heere, dan vergissen we ons heel erg en het eindresultaat zal altijd zijn dat we zullen vallen (vers 18). Het doel dat een mens nastreeft â of het er nu om te doen is om rijk te worden (vers 20) of gewoon om een stuk brood te verdienen (vers 21) â kan voor hem de eerste aanzet (en soms zelfs een excuus!) tot menigerlei overtreding zijn. 'Het doel heiligt de middelen', zegt het spreekwoord! Wat een groot contrast met de volmaakte Mens! In de woestijn wees Hij het voorstel van de verleider om Zich op een andere manier van brood te voorzien dan het uit de hand van Zijn Vader te ontvangen, resoluut van de hand.
De verzen 22 tot en met 27 laten ons zien dat de voorzorg van de mens, op verschillende terreinen, tot misrekeningen leidt. Het lijkt in eerste instantie misschien beter om met de naaste mee te praten in plaats van hem terecht te wijzen, als je tenminste bij hem in de gunst wilt komen, maar later zal juist het tegendeel blijken (vers 23). Voordat je de ander iets geeft, zegt het gezonde mensenverstand dat het beter is er eerst van overtuigd te zijn dat je er zelf geen schade van zult hebben. Sommigen gaan zelfs zover dat ze zeggen: 'Ieder is z'n eigen naaste!' Maar de belofte van vers 27 maakt ons welzijn juist afhankelijk van onze vrijgevigheid. God neemt het op Zich om voor de behoeften van hen te zorgen die Hem zo'n bewijs van hun liefde en tegelijkertijd van hun vertrouwen in Hem geven (Psalm 41 vers 2 tot en met 4).
In dit Boek worden de wijze en de dwaas, de rechtvaardige en de goddeloze, de arme en de rijke, de koning en de knecht, en nog vele andere personen gezien in hun tegenovergestelde betrekkingen tot elkaar en in hun verantwoordelijkheid tegenover God.
De verzen 1 en 2 sluiten aan bij hoofdstuk 28. "Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden..." Als de trots van een man niet gebroken wordt, dan zal hijzelf plotseling en zonder dat er nog mogelijkheid tot herstel is, met de goddelozen, de Belials mensen, verbroken worden (hoofdstuk 6 vers 15). Dat was het lot van Farao, Saul, Absalom... Het is altijd heel ernstig, zeer zeker voor een gelovige, om de tucht van de Heere te verachten (Hebreeën 12 vers 5).
"Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader..." (vers 3). Als dat al opgaat in onze gezinnen, hoe veel te meer is deze tekst dan van toepassing op de familie van God. Het is de vreugde van onze hemelse Vader, te zien dat Zijn kinderen de Wijsheid, Die Jezus Christus is, liefhebben (2 Johannes 4; 3 Johannes 4).
Meerdere verzen spreken over gerechtigheid, over recht doen. Dat wordt vooral verwacht van de heerser of koning (vers 4, 12 en 14). Maar alle rechtvaardigen (vers 7; dat wil zeggen: zij die door het werk van Christus gerechtvaardigd zijn) hebben vol medeleven kennis te nemen van de rechten van de arme.
Al deze onderwijzingen hebben vooral betrekking op de onderlinge verhoudingen.
"De roede en de bestraffing geven wijsheid". De roede kan zowel betrekking hebben op de eigenlijke zin van het woord, in het gebruik bij kinderen, maar het kan ook een bepaalde vorm van tucht van de Heere voor de Zijnen zijn. En er bestaat geen ergere straf dan aan zichzelf overgelaten te worden (vers 15; Psalm 81 vers 13).
Haastige woorden (vers 20), toorn (vers 22) en hoogmoed (vers 23) zijn de oorzaak van veel overtredingen. Maar in tegenstelling tot de eerste Adam richt vers 23 onze blikken op de Heere Jezus. Zijn weg van vernedering, die met niets anders te vergelijken is, heeft de hoogste eer tot gevolg (Filippensen 2 vers 5 tot en met 11).
Een andere valstrik is vrees voor mensen; deze vrees kan nooit samengaan met de vrees voor God (vers 25). Als men mensen wil behagen (of hen niet wil mishagen), dan is het onmogelijk om tegelijkertijd de Heere te behagen. Hoeveel mensen zijn al niet door slechte kameraden tot het kwaad verleid, omdat ze geen 'nee' tegen hen durfden te zeggen! Als we ons moedig hebben te gedragen en we zijn bang voor de gevolgen, laten we ons vertrouwen dan op God stellen! Hij zal ons in veiligheid brengen, ons in een hoog vertrek stellen.
Ten slotte herinnert vers 27 ons eraan dat er geen enkele gemeenschap bestaat tussen gerechtigheid en ongerechtigheid (2 Korinthe 6 vers 14 en 15). God beware ons in Zijn gemeenschap!
Tot nu toe heeft God door Salomo, die wijzer was dan alle andere mensen, gesproken. Maar het is net alsof God wil aantonen dat Zijn Boek niets te danken heeft aan menselijke wijsheid, omdat Hij nu Agur gebruikt. Deze man betitelt zichzelf zelfs als "onvernuftiger dan iemand".
Nadat deze Agur zich zo voorgesteld (vers 2) en zijn grote onkunde bekend gemaakt heeft, begint hij fundamentele vragen te stellen. Wie is de Schepper? Wie is Zijn Zoon? Hoe verkrijgt men toegang tot de hemel? Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moest God Zichzelf openbaren. Hij moest Zelf uit de hemel neerdalen, omdat de mens niet kon opklimmen, en Zijn heerlijke raadsbesluiten in Zijn gelouterd Woord meedelen (vers 5; vergelijk de vragen van vers 4 met Johannes 3 vers 13; Efeze 4 vers 10; Markus 4 vers 41; Lukas 1 vers 31 en 32).
Agur kent de grenzen van zijn verstand, maar weet ook dat zijn eigen hart verdorven is en richt daarom een tweevoudig gebed tot God. Ten eerste vraagt hij, dat de ijdelheid (het streven naar eigen roem, naar aanzien bij de mensen) en leugentaal van hem verwijderd mogen worden. En ten tweede, dat hij afhankelijk zal blijven, want hij onderkent de gevaren van rijkdom en armoede. Dit zijn heel wijze gebeden, die het navolgen zeker waard zijn!
Agur heeft geen verkeerde mening over zichzelf, maar kent ook de principes van de wereld: opstand, eigengerechtigheid, hoogmoed, onderdrukking (vers 11 tot en met 14). Is ons "geslacht", wat dat betreft, beter?
Tot ons onderwijs heeft Agur aan de ene kant de gevaarlijke of onaangename, en aan de andere kant - in tegenstelling hiermee - juist de wijze en mooie dingen geconstateerd en groepsgewijs samengevoegd. De lust van de ogen en het vlees willen beide bevredigd worden: "Geef, geef!" Beide hebben dezelfde onverzadigbare moeder: "de bloedzuiger", dat wil zeggen: de dorst naar vermaak, die elk mens 'aankleeft' en probeert zijn leven te vernietigen (vers 15 en 16). Bij deze lust voelt de hoogmoed zich ook goed thuis (1 Johannes 2 vers 16). Hoogmoed openbaart zich op verschillende manieren. Maar in vers 17, waar vooral de jongeren onder ons eens heel goed over na moeten denken, wordt de nadruk vooral gelegd op het verachten van het gezag en de geest van onafhankelijkheid. Deze basisprincipes van de wereld staan in vers 18 en 19 tegenover de ondoorgrondelijke wegen van God in het gericht, maar ook in liefde.
De verzen 21 tot en met 23 noemen vier dingen op die te verafschuwen zijn, omdat zij de door God ingestelde orde omverwerpen. Dan leren wij dat de wijsheid hand in hand gaat met het bewustzijn van eigen zwakheid, met voorzorg, met vertrouwen, met gemeenschap, met nederigheid (vers 24 tot en met 28), terwijl schoonheid met de wandel verbonden is (vers 29 tot en met 31).
Wat kunnen we toch veel lessen leren in het gezelschap van een man die zichzelf als onvernuftig betitelt, maar die juist vanwege zijn nederigheid door God tot de wijzen gerekend wordt (1 Korinthe 1 vers 26 tot en met 29; 2 vers 12 en 13; 8 vers 2)!
Wie was deze koning Lemuël? Hij wordt verder nergens genoemd. Alles wat wij van deze jonge vorst weten, zijn de aanbevelingen van zijn moeder, alsook demobetekenis van zijn naam: 'De aan God gewijde'. "Ja, wat, o zoon mijner geloften?", heeft deze vrome vrouw uitgeroepen. Net als Hanna haar kleine Samuël, heeft ook deze vrouw haar kind aan de HEERE toegewijd, Die alle recht op hem heeft. Daarom voelde zij zich ook verantwoordelijk om hem als een Nazireeër te onderwijzen. Ernstige voorbeelden uit de geschiedenis van Israël hadden aangetoond waartoe een koning onder invloed van vrouwen of sterke drank kon komen (1 Koningen 11 en 1 Koningen 16 vers 8 en 9). Lemuël wordt voor deze slechte neigingen gewaarschuwd (Prediker 10 vers 17; Hoséa 4 vers 11).
Maar daarna krijgt hij ook positieve vermaningen te horen. Hij moet tot steun en voorspraak voor alle ongelukkigen zijn! Je zou kunnen denken dat zoiets maar een heel bescheiden rol voor een koning is. Maar deze lessen vormen juist de kern van zuivere godsdienst, zoals we dat vinden in Jakobus 1 vers 27: zichzelf rein houden van de wereld (van haar verdoving, van haar vuiligheid) en zich om verdrukten bekommeren.
De jonge Lemuël heeft zich woord voor woord de lessen "waarmee zijn moeder hem onderwees", herinnerd. Als u of jij, net als hij, het onschatbare voorrecht hebt gehad om door een Godvrezende moeder opgevoed te worden, let er dan ook op dat alle lessen uit de kindertijd niet vergeten worden!
Deze bewonderenswaardige beschrijving van de "deugdelijke huisvrouw" laat ons zien hoe de wijsheid (het leven van Christus Zelf) in alle details van het bestaan en het gezinsleven in de praktijk omgezet kan en moet worden. Geve de Heere ook alle jonge christinnen het verlangen om Hem welgevallig te zijn, door op deze flinke, 'deugdelijke' vrouw te lijken!
Welke eigenschappen kenmerken haar? Zij is actief, opgewekt, vol energie, barmhartig, wijs en vriendelijk. Haar arbeidsterrein is haar huis (lees Titus 2 vers 4 en 5). Haar verschijning is krachtig en waardig (vers 17 en 25; vergelijk 1 Petrus 3 vers 3 en verder). Haar bedoeling is om haar man, het onderwerp van haar blijde overgave, te eren (vers 23) en om vrucht voor hem te brengen (vers 16). Haar geheim wordt ons uiteindelijk pas in vers 30 geopenbaard: zij vreest de Heere! Ja, werkelijk, zo'n volmaakte vrouw, wie zal haar vinden? "Een verstandige vrouw is van de HEERE", zegt hoofdstuk 19 vers 14. Daarom jonge mensen, vertrouw niet op je eigen mening, die je misschien wat al te haastig gevormd hebt, en kijk niet alleen naar de buitenkant. 'Schijn bedriegt', en dat hebben al vele anderen voor jou moeten ervaren. De bekoring die uitgaat van een mooi gezichtje, is zeker niet altijd de juiste weerspiegeling van echte christelijke waarden.
En daar we nu aan het eind van dit Boek zijn aangekomen, is het goed om nog eens de vermaning uit hoofdstuk 4 vers 23 te herhalen: "Behoed uw hart boven al wat te bewaren is", want in eerste instantie behoort ons hart de Heere toe!
De inhoud van het Boek Prediker kunnen we samenvatten met de woorden van de Heere Jezus: "Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorsten" (Johannes 4 vers 13). De bron van Sichar is een beeld van de verdorde en bedrieglijke wereld, waar geen blijvend geluk te vinden is. De meeste mensen lijken echter op die Samaritaanse vrouw. Ze zijn pas bereid om het levende water, de kosteloze gave van de Zoon van God, aan te nemen nadat zij eerst talloze keren ervaren hebben dat 'het water' van deze wereld op geen enkele manier hun dorst kan lessen (vergelijk Jeremia 2 vers 13).
Deze ervaring werd al eerder opgedaan en wordt in dit Boek beschreven, opdat we dat niet meer zelf opnieuw hoeven te ondervinden. Maar ja, we weten zelf wel hoe wij zijn! Die ervaring werd al opgedaan door hem die vanwege zijn grootheid en wijsheid het beste in staat was, om "alles wat er geschiedt onder de hemel" te onderzoeken (vers 13). Deze prediker is niemand minder dan Salomo, de koning te Jeruzalem. Zijn getuigenis blijft voor alle tijden even waardevol, want "er is niets nieuws onder de zon".
Ongetwijfeld zijn er sindsdien veel dingen veranderd, maar het hart van de mens is altijd hetzelfde gebleven en de gevolgen van de zonde zijn nog steeds aanwezig. "Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden" (vers 15).
De prediker heeft zijn hart eerst gewijd aan het weten. Hoeveel dingen waar we heel enthousiast over kunnen worden, zijn er niet te ontdekken op allerlei gebied: kunst, wetenschap, reizen, archeologie...! Vandaag de dag, met alle moderne middelen die er nu zijn, staan al deze dingen aan onze jeugd ter beschikking. Maar hoe verder de wijze met zijn onderzoekingen komt, hoe moeilijker de problemen worden en hoe meer hij ontmoedigd wordt. De menselijke geest is als het ware gevangen tussen de muren van zijn eigen overdenkingen. Alleen het Woord van God kan de gedachten bevrijden en ware kennis geven. De eindconclusie van de wijze is hier, dat het alles een ondankbaar bezig-zijn is, het vermoeit, geeft narigheid en verdriet (hoofdstuk 1 vers 13 en 18; 12 vers 12).
"Welaan", zegt hij dan, "laten we ons dan alleen maar bezig houden met het vermaak van dit leven" (hoofdstuk 2 vers 1 tot en met 3). Maar ook op dat gebied is zijn ervaring na korte tijd uitgeput. IJdelheid, niets anders dan onzin, met deze woorden vat hij deze dingen samen. Elke menselijke vreugde wordt bedorven door het bewustzijn dat het niet van blijvende aard is (Spreuken 14 vers 13).
Zou de overvloed aan aardse goederen misschien in staat zijn om onze verlangens te bevredigen? Wie zou daar beter een antwoord op kunnen geven dan Salomo? Wie was beter in staat om rijkdom te vergaren en te beheren dan hij? Wie kon beter grote dingen volbrengen â die de mens zich in zijn eerzucht steeds weer voorneemt om uit te voeren â dan hij (2 Kronieken 9 vers 22 en verder)? Luister daarom naar zijn mening over dit alles: "Het was al ijdelheid en kwelling des geestes" (vers 11; of zoals in andere Bijbelvertalingen staat: "najagen van wind").
"Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, die hij arbeidt onder de zon?". Dat was de eerste vraag die Prediker zich stelde in hoofdstuk 1 vers 3. En het antwoord kwam in hoofdstuk 2 vers 11: "Daarin was geen voordeel". Op dit moment vermoeit hij zich, zijn dagen brengen verdriet en z'n zakelijke bezigheden bezorgen hem narigheid. Zelfs 's nachts kan hij geen rust vinden (vers 22 en 23). En wat de toekomst betreft, merkt hij op dat niets van blijvende aard is.
Hoe gaat een kind van God om met deze vertwijfeling (vers 20)? Het is hem niet verboden het leven lief te hebben en hier beneden goede dagen te zien. Maar dat genieten gebeurt niet bij het doorwandelen van deze wereld, om daarin z'n geluk te vinden. Het is wel zo, dat hijzelf, voor het zien van deze goede dagen, aan de voorwaarden moet voldoen:"... die stille zijn tong van het kwaad... doe het goede... zoeke vrede en jage die na" (1 Petrus 3 vers 10 en 11); als we niet gelukkig zijn, dan geven we maar al te gauw de schuld aan anderen!
Aan de andere kant is het ook nodig te werken, maar dat moet "met stilheid" voor de Heere gedaan worden en niet om ons eigen eergevoel te strelen (2 Thessalonicenzen 3 vers 12; Colossenzen 3 vers 23 tot en met 25).
Beste vrienden, laat ieder van ons zich persoonlijk de vraag stellen: Wat is het doel van mijn werk?' Want er is een groot verschil of wij de dingen zien in het licht van de zon, dus vanuit het aardse standpunt, of vanuit de eeuwigheid! En alleen dit laatste zal openbaren of ons doen werkelijk winst gebracht heeft!
God bepaalt de tijden van al Zijn schepselen. Hij heeft de datum van onze geboorte en alle gebeurtenissen in ons leven vastgesteld. Net als de psalmist kan ook de christen vol vertrouwen zeggen: "Mijn tijden zijn in Uw hand" (Psalm 31 vers 16). En "er is niet toe te doen, noch is er af te doen", bij alles wat Hij doet (vers 14). "Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd" (vers 11); de schepping is volmaakt uit de hand van God voortgekomen. Maar ondanks alle wonderen die nog in de natuur zichtbaar zijn, kunnen wij de schepping vandaag niet meer in haar oorspronkelijke pracht en frisheid bewonderen. De mens heeft haar door zijn wetteloosheid en z'n kwaad verontreinigd en verwoest (vers 16); hij heeft haar "aan de ijdelheid (of: vruchteloosheid) onderworpen" (Romeinen 8 vers 20). Al die dorens en distels herinneren ons aan de zondeval (Genesis 3 vers 18).
Bovendien is het hele bestaan van de mens zelf niets anders dan een verdrietig overblijfsel van verloren gegane zegening, te midden van de restanten van de schipbreuk die door de zonde veroorzaakt is. En ten slotte roept vers 20 bij ons herinnering op aan het doodsoordeel dat uitgesproken is in Genesis 3 vers 19: "Gij zijt stof, en gij zult tot stof weerkeren".
Voor ieder mens komt de "tijd om te sterven" (vers 2), en dat moment kan wel eens veel sneller aanbreken dan wij zelf verwachten! Daarom willen we tegen iedere lezer die nog niet gered is, zeggen, dat er nu nog een tijd is om je te bekeren. En die tijd is nu!
Waarom is deze wereld eigenlijk vervuld met ongerechtigheid, tranen, onderdrukking en strijd? Men doet alle moeite om deze problemen, door middel van sociale en maatschappelijke systemen, op te lossen en herstel te bewerken door het beleggen van internationale conferenties. Maar de enige ware oorzaak wordt nooit genoemd, omdat de mens met al zijn hoogmoed weigert om toe te geven dat dit alles veroorzaakt wordt door zijn eigen zondige toestand.
Het is echt niet zo, dat de Heere onverschillig staat tegenover al dit leed (Klaagliederen 3 vers 34 tot en met 36), maar Hij gebruikt de nood van de mens om Zichzelf als de enige ware Trooster te openbaren (2 Korinthe 1 vers 3; Jesaja 51 vers 12).
Vanaf vers 4 onderzoekt de prediker de verschillende vormen van "het boze werk, dat onder de zon geschiedt". En telkens komt hij tot dezelfde conclusie: "IJdelheid en kwelling des geestes... een moeilijke bezigheid" (vers 4, 6, 8 en 16). Zijn overleggingen zijn van algemene betekenis en deze wijsheid wordt zelfs door mensen van de wereld erkend.
Vers 6 zegt bijvoorbeeld dat de rust van de geest, onder eenvoudige omstandigheden, meer waard is dan "beide vuisten vol met arbeid", met bovendien nog een heleboel zorgen en narigheid (zie ook 1 Timotheüs 6 vers 6).
Ook al heeft een menselijke verbinding vaak veel voordelen bij het werk, in de wandel of in de strijd, toch ligt de ware kracht van een christen enkel en alleen in zijn persoonlijke gemeenschap met de Heere.
Vers 17 van het vorige hoofdstuk en het eerste vers van hoofdstuk 5 herinneren ons eraan wat gepast is in de tegenwoordigheid van God. Laten we er toch op letten dat onze houding en onze verschijning in de samenkomsten eerbiedig en bescheiden zijn. De gelovigen moeten altijd gekenmerkt worden door de vreze Gods, en we hebben geen enkel recht tot welke nalatigheid ook (ook niet onder het voorwendsel dat we nu immers in de tijd van vrijheid en genade leven!).
Vanaf vers 9 is er weer sprake van rijkdom. "Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat..." De gierigaard lijkt op iemand die zijn dorst probeert te lessen met zeewater. Hoe meer hij drinkt, hoe erger zijn dorst wordt. Dat is het bedrieglijke van de rijkdom (Mattheus 13 vers 22). Men denkt gebruik te maken van het geld, maar in werkelijkheid is men een slaaf van het geld. Er zijn slechts twee mogelijkheden: of hij die rijkdom heeft, bewaart het tot zijn eigen geestelijke schade (vers 12), of het vermogen gaat verloren zonder dat iemand er baat bij heeft (vers 14; Jakobus 5 vers 3). Vroeg of laat zal men van haar moeten scheiden, omdat de dood is gekomen (vers 14). Er wordt wel eens gezegd dat het doodshemd geen zakken heeft. De schatten die in sommige oude graven gevonden zijn, zijn de voormalige bezitters niet nagevolgd in het hiernamaals.
1 Timotheüs 6 vers 17 tot en met 19 regelt het probleem van de rijkdom voor een christen op volkomen wijze.
"... immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdel; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal". De ervaringen van Prediker zijn een bevestiging van de woorden van de psalmist (Psalm 39 vers 6 en 7).
De mens, zijn omgeving, zijn bezigheid, alles is vergankelijk. Alleen zijn ziel blijft tot in eeuwigheid bestaan, en juist hierom bekommert hij zich over het algemeen maar heel weinig. "Al de arbeid van de mens is voor zijn mond", zegt vers 7. En in vers 3 lezen we dat "... zijn ziel niet verzadigd werd van het goed". De Heere Jezus vertelde eens de geschiedenis van de rijke man die zijn ziel bedroog door haar aardse goederen aan te bieden (Lukas 4 vers 4 en 12 vers 16 tot en met 20). Het wordt je bang om het hart, als je denkt aan die talloze mensen die hun tijd verknoeien met al hun capaciteiten en geweldige krachtsinspanningen om iets tot stand te brengen. Ze jagen een bepaald, onbestendig en vluchtig doel na. Het is één en al jagen naar wind. En terwijl zij zich zo rusteloos en zonder het goede te zien (5 en 6) aftobben, glijdt het leven "als een schaduw" voorbij (vers 12). Maar toch zal men eens hierover rekenschap moeten afleggen aan God !
Christenen, dat ons dit toch de ogen mag openen! We zullen nooit de gelegenheid hebben om ons leven opnieuw te leven. Laten we het daarom nu helemaal voor de Heere besteden, tot eer van Hem!
De prediker heeft de wereld onderzocht en wat heeft hij overal gezien? IJdelheid, lijden, verwarring en dwaasheid. Dan komt de vraag voor de wijze naar voren: "Hoe moet hij zich gedragen te midden van deze toestand, hoe moet hij staan tegenover dingen waaraan hij niets kan veranderen?" In de vorm van kernachtige uitspraken, die ons doen denken aan het Boek Spreuken, geeft Prediker ons nu adviezen in wijsheid en voorzichtigheid.
Laten we het huis waarin gerouwd wordt, niet ontlopen (vers 2 tot en met 4). Het zal ons bepalen bij de vergankelijkheid en ons tot ernstig nadenken brengen. Het zien van het verdriet van de ander zal ons hart gevoeliger maken en ons misschien een paar woorden van meeleven ingeven, die er misschien toe kunnen bijdragen dat de gedachten van de bedroefden op de Heere gericht worden.
Daarna volgen andere vermaningen: "Wees niet haastig in uw geest om te toornen". De toorn is meestal een kindje van de haast en wordt vaak begeleid door dwaasheid (vers 9).
"Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze?" (vers 10; Richteren 6 vers 13). We moeten niet menen dat het vandaag moeilijker is de Heere te volgen dan in de tijd van onze ouders en grootouders. Dezelfde hulpbronnen die zij in het Woord van God en in de gemeenschap met Hem gevonden hebben, staan ook ons ter beschikking om ons door deze wereld, die moreel gezien niet veranderd is, te leiden.
Wat betekent de vermaning in vers 16? Lopen we het gevaar om in onze wandel te zorgvuldig te zijn? Zeker niet! Ons geweten zal nooit en te nimmer te fijngevoelig zijn. Maar toch bestaat er een gevaar waaraan pasbekeerden vaak ten val komen. Ze zijn in hun houding of woorden soms zo overdreven; ze gaan verder dan de mate van hun geloof. Tegelijkertijd zijn ze geneigd om andere christenen streng te beoordelen, eenvoudig omdat ze zichzelf nog te weinig kennen (Romeinen 12 vers 3).
Vers 21 brengt de andere kant onder onze aandacht. Het kan ook zijn dat men zelf het onderwerp van de kritiek van anderen is. Als we echter weten in overeenstemming met de gedachten van de Heere gehandeld te hebben, dan hoeven we hierop geen acht te slaan. "Want die God vreest, die ontgaat dat al" (vers 18); zo iemand weet de gevaarlijkste omstandigheden (kritiek kan een negatieve invloed op je hebben!) het hoofd te bieden.
Eén van de andere valstrikken wordt ons genoemd in vers 26: "Een vrouw, wier hart netten en garen, en haar handen banden zijn". Hij die welgevallig is voor God (dat wil zeggen: Hem vreest en gehoorzaamt), mag erop rekenen dat hij bewaard zal worden en zal ontkomen, maar "de zondaar zal door haar gevangen worden".
In het Woord van God komen we twee geschiedenissen tegen die, hoewel ze elkaars tegenovergestelde zijn, het bovenstaande heel goed illustreren. Denk maar aan hetgeen Jozef meemaakte in Genesis 39 vers 7 en verder, en aan de verdrietige geschiedenis van Simson, die door Delila gebonden werd (Richteren 16 vers 4 en verder). Jonge gelovigen, denk toch eens goed over deze twee voorbeelden na!
"Want ieder voornemen heeft tijd en wijze" (vers 6). Een andere vertaling zegt: "Voor elke zaak bestaat een tijd en een gerechtelijke beslissing". Als iemand examen moet doen, zijn twee dagen belangrijk voor hem: ten eerste de dag van het examen en vervolgens de dag van uitslag. De "tijd" die God aan iemand geeft hier op aarde, komt overeen met de eerste dag. Maar... de dag van uitslag, van oordeel, zal onherroepelijk volgen! In zijn onkunde buit de zondaar het feit uit dat "niet haastig het oordeel over de boze daad geschiedt" (vanwege het grote geduld van God!) en doet veel meer kwaad (vers 11). "Dat ook de mens zijn tijd niet weet" (hoofdstuk 9 vers 12; Jeremia 8 vers 6 en 7), noch "wat er geschieden zal" (vers 7), terwijl de wijze, door God beleerd, alle dingen beoordeelt (vers 1; 1 Korinthe 2 vers 15 en 16). Het vergaat hem als een Paulus; de gedachte aan de rechterstoel van Christus bewerkt vrees in hem. Doordat hij zich bewust is van de ernst van de tegenwoordige tijd en dat het gerechtelijk oordeel zal volgen (vers 5), zet hij alles op alles om de Heere welgevallig te zijn (2 Korinthe 5 vers 9 tot en met 11).
De prediker kent geen openbaring over de toekomst zoals wij die kennen. Desalniettemin weet hij hoe belangrijk het is God te vrezen en zegt "dat het hen zal welgaan, die God vrezen" (vers 12). Misschien zullen ze met vervolging te maken krijgen, maar niemand heeft de macht "om de geest in te houden" of gevangen te nemen (vers 8 en 9). Niets zal in staat zijn hen te scheiden van liefde van Christus (Romeinen 8 vers 35).
"Alle ding wedervaart hun, gelijk aan alle anderen", zegt vers 2. God staat toe dat er in het leven van iedereen bepaalde dingen gebeuren â die wij al naar gelang óf geluk óf ongeluk noemen â om te zien of hierdoor het hart van Zijn schepsel zich omkeert tot Hem. De Heere heeft overigens nergens beloofd dat de gelovige, na diens bekering, beproevingen bespaard zullen blijven. Maar de verschillende omstandigheden van het leven, of ze nu invloed hebben op onze gezondheid, ons werk of ons gezin, zijn gelegenheden om te tonen in hoeverre het christelijk geloof onze houding in de beproevingen bepaalt. In het zakken voor een examen bijvoorbeeld, wat de onbekeerde misschien pech of onrechtvaardigheid zal noemen, zal het kind van God de veilige en wijze hand van zijn hemelse Vader erkennen.
"... dat de loop niet is van de snellen, noch de strijd van de helden" (vers 11; vergelijk Romeinen 9 vers 16). Het is de mens die zijn weg met God gaat die hierin altijd overwinnaar is. In 2 Timotheüs 4 vers 7 wordt ons een arme, oude gevangene voor de aandacht gebracht, die zijn loop beëindigd en de goede strijd gestreden heeft.
De gelijkenis van de arme wijze man (vers 13 tot en met 15) richt onze blikken op de Heere Jezus. Hij heeft ons van onze machtige vijand bevrijd (vergelijk Hebreeën 2 vers 14 en 15). Laten we daarom niet ondankbaar en vergeetachtig zijn, zoals de bewoners van die kleine stad, maar laten we juist naar Zijn woorden luisteren (vers 15 en 16; 1 Korinthe 11 vers 24).
Vers 8 is voor ons een groot waarschuwingsbord, waar we goed op moeten letten: "Wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten". God heeft voor een ieder van ons grenzen vastgesteld, een afrastering rondom ons opgericht om ons te beschermen (voor kinderen is dat bijvoorbeeld het gezag van hun ouders of verzorgers). God weet precies wat er aan de andere kant van die omheining ligt. Wij denken vaak dat daar het plezier te vinden is, de blijdschap die Hij ons onthoudt. Integendeel! Wat Hij ons wil besparen, zijn juist de giftige beten die ons van buiten de omheining te wachten staan. De slang ligt op de loer en heeft maar een klein openingetje nodig om bij ons binnen te komen. Een klein beetje zonde, "een weinig dwaasheid" (vers 1) is al voldoende om het getuigenis van een kind van God in gevaar te brengen (vergelijk 1 Korinthe 5 vers 6). Dan wordt de lieflijke reuk van Christus, die ons zou moeten kenmerken, veranderd in de slechte geur van het verderf (Galaten 6 vers 8).
Het ontbreken van verstand is juist bij hen die regeren, te verafschuwen (vers 5 en verder). Dat heeft namelijk grote gevolgen voor iedereen die aan hen onderworpen zijn. Of ze hebben eronder te lijden, of ze volgen het slechte voorbeeld na (zie bijvoorbeeld 2 Koningen 21 vers 9 en 16). Dat is echter nog geen reden om maar slechte dingen over de regering te zeggen of zelfs maar te denken (vers 20). Integendeel, als christenen hebben we juist de opdracht om voor hen te bidden (1 Timotheüs 2 vers 1 en 2).
Bij vers 12 gaan onze gedachten onwillekeurig uit naar Christus, de ware Wijze. "En zij... allen... verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen" (Lukas 4 vers 22).
Je zou denken dat 'het water' wel de minst geschikte plaats zou zijn om brood uit te werpen (vers 1). Maar dit brood is het brood des levens en het water is een beeld van de wereld die gekenmerkt wordt door opstand en onrust. En dát is de plaats waar de Heere ons geroepen heeft om met vrijmoedigheid het evangelie te verspreiden (vers 2), zonder daarbij acht te slaan op de moeilijkheden (vers 4), zonder vragen te stellen (vers 5; Johannes 3 vers 8) en zonder vermoeid te raken van onze inspanningen (vers 6).
En als we daarna geneigd zijn om onszelf een bepaalde verdienste toe te schrijven, laten we er dan aan denken dat dit alles het werk van God is (vers 5 aan het eind).
Vers 3 herinnert ons aan de genade, de kern van het evangelie (Jesaja 55 vers 10 en 11). Maar laten we erom denken dat de aankondiging van het oordeel daar ook deel van uitmaakt.
"Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd..., en wandel in de wegen van uw hart..." Dat is de filosofie van veel jonge mensen die zorgeloos voortleven. Het eind van deze tekst zou hen echter tot nadenken moeten brengen: "Maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht" (vers 9). Ja, God zal rekenschap van jou vragen over elke vorm van vermaak: 'Voor wie en voor wat heb je geleefd?' Niet alles is beperkt tot deze aarde. God bestaat en deze God is tevens Rechter.
Beste vriend, als je nog niet bekeerd bent, laat deze waarschuwing je dan bij het eerste vers van hoofdstuk 12 brengen!
"En gedenk aan uw Schepper in de dagen van uw jongelingschap" (vers 1). Dat is de meest gunstige tijd om je tot de Heere te wenden en om al je capaciteiten voortaan in Zijn dienst te stellen, want met het ouder worden nemen de krachten af en het hart is dan ook meer geneigd zich te verharden. Het ouder worden en de dood worden door middel van beelden in de verzen 2 tot en met 7 beschreven. Dan komt de tragische conclusie aan het eind van dit Boek, dat overeenkomt met het begin (vers 8; hoofdstuk 1 vers 2),
Hoe dankbaar kunnen we de Heere zijn dat dit Boek van de prediker maar één kant van de waarheid toont! De openbaring van God als Rechter (vers 14) sluit vandaag nog aan bij de openbaring van de Heiland-God. Daarom mag dit Schriftgedeelte evenmin als welk ander gedeelte ook uit het verband van het Goddelijke Woord genomen worden. De verschillende Boeken die samengevoegd werden tot de Bijbel, werden door "de enige Herder" gegeven en door dezelfde Geest geïnspireerd (vers 11). Het is goed om al deze woorden als "prikkelen, en gelijk nagelen" in ons geweten door te laten dringen, opdat we ontvankelijk worden voor het heil.
In tegenstelling tot de boeken die mensen geschreven hebben, krijgen we nooit een afkeer van het Woord van God als we Dit met een gebed in ons hart lezen (vers 12). Dit Woord zal ons onderwijzen in wat alle mensen betaamt: God te vrezen en Zijn geboden te onderhouden. Al het andere is slechts ijdelheid.
Voordat we ons met dit Boek bezig gaan houden, is het goed de Heere te vragen ons te bewaren voor elke ontheiligende gedachte.
Prediker heeft ons geleerd dat de leegte in het menselijk hart niet opgevuld kan worden door de wereld. Het Hooglied stelt ons de Goddelijke liefde voor de aandacht waardoor het hart wel bevredigd kan worden.
Het is goed steeds in gedachten te houden dat het in dit Boek in eerste instantie gaat om een beeld van de toekomstige Koning, Christus, met Israël, Zijn aardse bruid. Op het moment dat Zijn rijk wordt opgericht, wordt de genegenheid van dit volk weer aangewakkerd en het zal dan eindelijk de liefde van de ware Salomo beantwoorden. In de korte overdenkingen zullen we echter in het bijzonder de nadruk leggen op hetgeen in praktisch opzicht op de tegenwoordige behoeften van de christen van toepassing is. De liefde is de verbinding die van levensbelang is, die elke verloste verbindt met zijn Verlosser. Van Hem naar ons toe is deze verbinding oneindig en onveranderlijk, van ons naar Hem toe helaas maar al te vaak zo zwak en onbestendig! Laten we Hem toch steeds opnieuw vragen om ons tot Hem te trekken, opdat wij Hem nalopen (vers 4).
De verzen 5 en 6 zijn een belijdenis van het schuldige verleden. De bruid die hier spreekt, weet heel goed dat als zij liefelijk is, dat dit niet uit eigen verdienste is (lees Efeze 1 vers 6). Maar nu zoekt zij de tegenwoordigheid van de Herder (vers 7 en 8), van de Koning (vers 12). Hem heeft zij lief; Hij is voortdurend het Voorwerp van haar hart, zoals een bundeltje mirre haar kleren doordringt met een heerlijke geur die haar overal begeleidt (vers 13; 2 Korinthe 2 vers 14 -16).
Een appelboom onderscheidt zich van de bomen in het bos door zijn vruchten (vers 3). Te midden van de mensen heeft alleen Christus deze vrucht voor God voortgebracht en van de zoetigheid daarvan mogen Zijn verlosten nu genieten (vers 5; Numeri 18 vers 13). Net als Maria deed aan de voeten van de Heere Jezus, zo moeten ook wij ons nu voeden, door naar Zijn woord te luisteren en daaraan te gehoorzamen.
"De liefde is Zijn banier over mij" (vers 4). Als soldaten van Jezus Christus volgen wij onze Aanvoerder en dat niet uit dwang, maar uit aanhankelijkheid tot Zijn Persoon.
De Bijbel eindigt met Zijn belofte: "Zie, Ik kom haastig" (Openbaring 22 vers 7, 12 en 20). Wat bewerken deze woorden toch een weerklank in de harten van hen die Hem liefhebben! "Dat is de stem van mijn Liefste, ziet Hem, Hij komt...!" (vers 8). O, dat wij ons toch "totdat die dag aankomt", als een duif "zijnde in de kloven der steenrotsen" ophouden, om zo voor vuiligheid en gevaar beschermd te zijn (vers 14 en 17). En laten we ook oppassen voor de kleine vossen, die de bloeiende wijngaard bederven (vers 15). Met het groter worden, worden deze eens zo kleine vossen steeds heerszuchtiger (Romeinen 6 vers 14). Bovendien is met het verdwijnen van de bloei, ook elke belofte op vrucht verdwenen. Laten we vandaag toch geen enkel compromis aangaan, noch een zonde â hoe onbeduidend misschien ook in onze ogen â dulden in ons leven. Later kan dit namelijk zo uitgroeien en ons zo gaan beheersen, dat de Heere de vrucht die Hem toebehoort, ontnomen wordt.
Als wij er moeite mee hebben om de aanwezigheid van de Heere te ervaren terwijl wij op bed liggen (vers 1; een beeld van luiheid) of aan de andere kant ons te midden van het lawaai van de stad bevinden (vers 2), hoeven we ons daar niet over te verbazen. Juist in de stilte van onze kamer en op de knieën zullen we daarentegen altijd Hem, Die onze ziel liefheeft, ontmoeten (vergelijk vers 4). Maar laten we oppassen dat er ook dan niets tussen komt wat onze gedachten kan afleiden en onze gemeenschap met Hem kan verstoren (vers 5)!
Uit de woestijn, een beeld van een dorre wereld, kan een welriekende reuk voor God opstijgen (vers 6). Eens heeft de Heere Jezus deze wereld doorwandeld en Zijn hele leven was een welgevallen voor de Vader. Mirre spreekt van Zijn lijden (vanaf de kribbe tot aan het graf; Mattheus 2 vers 11; Johannes 19 vers 39), wierook van Zijn verschillende morele volmaaktheden. "Allerlei poeder van de kruidenverkoper" herinnert ons ten slotte aan de dagelijkse ervaringen waarin Hij God verheerlijkt heeft. Ook wij worden opgeroepen om, net als de Heere Jezus, zo'n welriekende reuk tot God te laten opstijgen.
Zowel voor Israël alsook voor de Gemeente zal de woestijnreis binnenkort ten einde zijn (vers 6; vergelijk Numeri 21 vers 19 en 20). De ware Salomo zal dan alles gereed gemaakt hebben, met het oog op de rust van het duizendjarig vrederijk (vers 7 - 10). Zijn kroon zal Hem sieren, en deze dag zal een dag "van de vreugde Zijns harten" zijn (vers 11; Psalm 132 vers 18).
Waarop zijn de blikken van de bruid gericht, terwijl de Heere met welgevallen op haar neerziet? Maar al te vaak laten wij ons door de beelden en de opwindende gebeurtenissen van de wereld (de Libanon) verblinden! Onwetend als wij zijn, herkennen we soms "de woningen der leeuwen" niet meer, noch "de bergen der luipaarden" (vers 8). Maar de Heere, Die de gevaren van deze betoverende wereld waaraan wij blootgesteld zijn, ziet, probeert ons in liefde daarvan los te maken. "Bij Mij van de Libanon af .. Kom bij Mij" (vers 8). Wat ons verre zou moeten houden van deze wereld is meer de liefde tot Hem dan dat wij bang voor haar gevaren zijn. "Mijn zuster, o bruid!", namen die op een liefelijke manier herinneren aan de banden die ons aan Hem verbinden. De Heere heeft het alleenrecht op de ziel, die Hij liefheeft. Deze ziel is als een verzegelde fontein, waarop Hij alleen recht heeft om uit te drinken, een besloten hof, waar niets vreemds mag binnendringen en waarvan de bloemen, de vruchten en de heerlijke geuren alleen voor Hem bestemd zijn. Opdat deze welriekende reuk werkelijk vrij zal komen, is het soms nodig dat Hij een wind van beproeving of een zuidenwind laat waaien (vers 16). Daardoor worden de genegenheden voor Hem en onze toewijding tot Hem weer aangewakkerd en dan wordt er opnieuw verlangd naar Zijn tegenwoordigheid. En dan zal Hijzelf antwoorden op deze uitnodiging en er een vreugde in vinden om dat wat onze zwakke liefde voor Hem voortbrengt, te plukken, te proeven en met ons te delen (hoofdstuk 5 vers 1).
Herkennen we ook bij onszelf niet vaak een zelfzuchtigheid en onvergeeflijke onverschilligheid, ondanks dat de Heere ons liefheeft? De Heere Jezus klopt aan de deur van ons hart, maar wij... Onze geestelijk lauwheid, onze liefde tot gemak, het nalaten van zelfoordeel, in dat alles vinden we veel oorzaken om niet naar Zijn stem te luisteren. Dan gaat de Heere verdrietig verder. Als het zover bij ons komt, laten we dan toch een even grote ijver ontplooien als deze jonge bruid, opdat we Zijn gemeenschap weer terugvinden. Deze bruid kan maar niet genoeg vurige uitdrukkingen bedenken en prachtige vergelijkingen maken om haar Geliefde te beschrijven. En wij, beste vrienden, wat zouden wij te zeggen hebben als men ons zou vragen Wie de Heere Jezus is (vergelijk Mattheüs 16 vers 15 en 16)? Wat is Hij ons meer dan een ander (vers 9)? Zouden wij kunnen vertellen van Zijn liefde, Zijn macht, Zijn vernedering en van Zijn gehoorzaamheid tot de dood aan het kruis? Zouden we iets kunnen zeggen over Zijn genade, Zijn wijsheid, de volmaaktheid in Zijn wandel en dienst? "Toen wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte dat wij Hem zouden begeerd hebben", zei Israël door de mond van de profeet (Jesaja 53 vers 2). Maar de schoonheid van de persoonlijke heerlijkheid van de Messias (die verborgen is voor het ongelovige volk) brengt de bruid hier tot de uitroep: "Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk"!
Is deze kostbare Persoon ook werkelijk het Voorwerp van ons verlangen?
De vurige beschrijving die de Sulammith van haar Geliefde gegeven heeft, brengt anderen ertoe Hem, samen met haar, te zoeken. Dat moet ook het resultaat van ons getuigenis zijn. De mensen in onze omgeving mogen zich wat dat betreft niet vergissen. Alleen dat wat uitdrukkelijk uit de volheid van onze harten voortkomt, zal hen tot de Heere Jezus kunnen leiden. De "dochters van Jeruzalem" hebben alleen van de heerlijkheid van de Bruidegom gehoord, maar die van de bruid was voor hen al zichtbaar. Zij is de "schoonste onder de vrouwen" (vers 1; 13). De zedelijke schoonheid van de Gemeente, waarin die van de Heere Jezus weerspiegeld wordt, zal onbekeerden bereid maken het evangelie aan te nemen.
Maar bovenal zal deze schoonheid door de Heere gewaardeerd worden (vers 4). Ook Zijn ogen rusten op Haar, Die Hij liefgehad heeft tot in de dood. En wat ziet Hij in Haar? De volmaaktheden waarmee Hij Haar bekleed heeft (vergelijk Ezechiël 16 vers 7 - 14). Hij kan Haar zelfs "Mijn volmaakte" noemen (vers 9), omdat Hij Haar onverschilligheid vergeven heeft en één ding vasthoudt: Zij heeft Zich niet voor Hem geschaamd; Zij heeft Zijn Naam openlijk bekend gemaakt. En Hij, van Zijn kant, belijdt dan voor God dat Zij Hem toebehoort (Mattheus 10 vers 32).
En wij denken aan het moment dat spoedig zal aanbreken, als de Goddelijke Bruidegom de Gemeente voor Zich zal stellen, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar heilig en onberispelijk voor de eeuwigheid (Efeze 5 vers 27; 1 vers 4).
In Psalm 45 vers zegt de aardse bruid: "Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; omdat Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neer". In zekere zin bevat het Hooglied het antwoord op deze oproep: "Ik ben van mijn Liefste", zegt de bruid van de Koning (vers 10). Zij is zich bewust van de banden die haar aan Hem verbinden: Hij is haar Heere (is Hij de enige?). Zij beroemt zich niet op haar positie als koningin, maar op de liefde van de Bruidegom. Het is niet meer haar schoonheid (die in de verzen 1 - 9 beschreven wordt) die de Koning begeert. Ze zegt met grote zekerheid: "Zijn genegenheid is tot mij".
Er is wel eens gezegd dat dit gedeelte de hoogste toon van het Hooglied is, maar tegelijkertijd ook de meest nederige en onderdanige. Er zeker van zijn dat de Heere ons liefheeft, is absoluut geen aanmatiging, want deze liefde is op geen enkele wijze gebaseerd op een bepaalde verdienste van onze kant. Een ziel die dit weet, is in de genade bevestigd. En we hopen dat iedereen die dit leest, deze zekerheid bezit en persoonlijk weet dat hij of zij door de Heere Jezus geliefd is.
Aan de wijnstok Israël, die zo lange tijd onvruchtbaar is gebleven, zullen uiteindelijk knoppen en bloei zichtbaar worden, hetgeen tevens de belofte van een heerlijke oogst inhoudt (vers 12). Van iedere verloste wordt nu echter al verwacht dat hij God, door Jezus Christus, zal aanbidden door de kostelijke vruchten van lof te offeren die voor de Geliefde bewaard zijn (vers 13; Hebreeën 13 vers 15; Deuteronomium 26).
De genegenheid van de joodse bruid zal, na al de beproevingen waardoor zij gereinigd zal zijn, niet die gelukkige onbezorgdheid kennen zoals de Gemeente die vandaag al mag ervaren. De Gemeente geniet nu al, met Christus, van die kostelijke gemeenschap. God zij geprezen! Voor ons bestaan er nu geen voorwaarden meer waaraan eerst voldaan zou moeten worden, geen onzekerheid zoals die in feite nog weerklinkt in de woorden "waart... vond... zou..." (vers 1 en 2). Onze namen staan voor altijd gegraveerd in de stenen op de schouders en op de borst van onze Hogepriester (vers 6; Exodus 28 vers 11, 12 en 29). Wij zijn deelgenoten van deze volmaakte liefde, die alle vrees uitdrijft (1 Johannes 4 vers 18). En het is aan het kruis waar we deze liefde in haar hoogste vorm hebben leren kennen. De liefde is groter geweest dan al onze zonden en sterker dan de straf die op de zonde moest volgen: de dood. Zelfs de golven van het oordeel hebben die liefde in het hart van de Verlosser niet kunnen uitblussen (vers 7; Psalm 42 vers 8).
In de "kleine zuster" van Juda mogen we een beeld zien van de tien stammen die pas na de bruid (Juda) hun zedelijke en geestelijke ontwikkeling zullen bereiken (vers 8). Dan pas zal er vrede heersen (vers 10), en de hele wijngaard Israël zal dan vrucht brengen (vers 11 en 12). Dan zal getuigd worden van de ware Salomo en zal Hij geloofd worden (vers 13).
Maar vandaag is het ónze stem, de stem van óns hart, die de Heere zo graag wil horen! De Bruid antwoordt samen met de Heilige Geest: "Amen. Ja, kom, Heere Jezus!" (vers 14; Openbaring 22 vers 17 en 20).
Daniël onderscheidt zich van de overige profeten. Zijn Boek heeft betrekking op "de tijden van de heidenen" (Lukas 21 vers 24). Dat wil zeggen: op de lange tijdsperiode vanaf de wegvoering naar Babel tot aan het herstel van het toekomstig Israël onder de heerschappij van Christus. Maar deze man van God spreekt, door zijn eigen voorbeeld, ook tot onze harten. Van en door hem kunnen wij ontzettend veel lessen leren!
De allereerste les is dat hij zich vast in zijn hart heeft voorgenomen zich niet te verontreinigen (vers 8). Hij is als een jonge vreemdeling aan het hof van de heidense koning gekomen en had natuurlijk best allerlei uitvluchten kunnen bedenken om zich aan de koninklijke levenswijze aan te passen (tegen de eisen van Gods wet in). Wat is er immers over van de joodse godsdienst, nu een deel van de heilige voorwerpen uit de verwoeste tempel naar Babel is gebracht (vers 2)? En is hijzelf niet een gevangene, aan wie â hoewel hij onderwerp is van een bijzondere welwillendheid â het weigeren van het koninklijke voedsel als een spotternij aangerekend zou kunnen worden? Betekent dat niet, dat hij op een gevaarlijke wijze de aandacht op zichzelf en zijn vrienden zou vestigen?
Maar zo redeneerde Daniël niet! Voor deze man van het geloof nemen noch zijn persoonlijke moeilijkheden, noch de vijandige omgeving, noch het verval in de joodse godsdienst ook maar iets weg van het gezag van het Woord van zijn God. Beste vrienden, heeft dat Woord evenveel waarde voor ons? Dan moeten we, net als deze jongemannen, ervoor zorgen dat alles wat onze lichamen en onze geest zou kunnen verontreinigen, ver van ons verwijderd blijft (2 Korinthe 7 vers 1).
Wanneer wij ernaar verlangen trouw te zijn, mogen we altijd op de hulp van de Heere rekenen. Hij is Heere van onze omstandigheden en wanneer wij moedig stelling genomen hebben voor Hem, dan staat Hij het, ter wille van Zichzelf, niet toe dat wij door de wereld te schande gemaakt worden. Altijd blijft Zijn belofte bestaan: "Want die Mij eren, zal Ik eren" (1 Samuël 2 vers 30).
Hier grijpt God op tweeërlei wijze in, ten gunste van Daniël en zijn vrienden. Ten eerste bewerkt Hij het hart van Aspenaz, zodat deze hen gunstig gezind is (vergelijk dit met de geschiedenis van Jozef in Genesis 39 vers 21). Daarna laat Hij de vier jongemannen er zo goed uitzien dat de verandering in het voedsel volkomen gerechtvaardigd is.
Sommige jonge christenen die studeren, kunnen zich op geestelijk gebied in een soortgelijke situatie als Daniël en zijn drie vrienden bevinden. Door af te zien van bepaalde informatiebronnen op het gebied van wetenschap en cultuur die vandaag de dag als absoluut noodzakelijk worden beschouwd, zouden zij, menselijk gezien, onder moeten doen voor hun medestudenten. Maar wanneer zij, in geloof, afstand nemen van deze dingen, is hun de zegen van boven gewaarborgd!
Dat zien we ook heel duidelijk bij deze vier jongemannen, die glansrijk door het examen komen! Nadien zijn zij trouwe getuigen van God, terwijl we over die andere jongeren die samen met hen weggevoerd werden, helemaal niets meer lezen (Psalm 119 vers 98 en 100).
Wat bestaan er toch veel overeenkomsten tussen de tijd waarin Daniël leefde en die waarin Jozef leefde. God sprak door profetische dromen tot Nebukadnezar, zoals eens ook tot de Farao (Genesis 41). En de uitlegger die Hij voor dit werk heeft toebereid, is in beide gevallen een jonge gevangene uit het volk Israël. Omdat Daniël zich in acht nam voor elke vorm van verontreiniging (vergelijk Genesis 39), was hij uitverkoren om de verborgenheden van God te openbaren.
Beste jonge vrienden, vergeet nooit dat de Heere je in de mate waarin jij je rein bewaart van de wereld, zal onderwijzen en voor Zijn dienst zal kunnen gebruiken!
Het is goed eraan te denken dat Daniël op de achtergrond blijft totdat de totale onmacht van de mens in het verstaan van Gods gedachten duidelijk naar voren is gekomen. De Chaldeeën zeggen het zelf: "Er is geen mens op de aardbodem, die het woord van de koning te kennen zou kunnen geven... dan de goden" (vers 10 en 11; hoofdstuk 5 vers 11). Net als eens de tovenaars (geleerden) van Egypte (Exodus 8 vers 19), kunnen zij niet anders dan hun onwetendheid toegeven. Deze eindconclusie van de Chaldeeën had de hoogmoedige vorst tot verootmoediging en beschaming moeten brengen! Maar in plaats daarvan wordt hij juist kwaad en geeft hij bevel alle wijzen te doden.
Vers 14 legt, in tegenstelling daarmee, juist de nadruk op het verstand en juiste inzicht van Daniël. Hij bedingt tijd, om de hele aangelegenheid aan God voor te leggen.
Het is goed om op de volgorde van de gang van zaken te letten: "Toen" bad Daniël samen met zijn vrienden (vers 17 en 18)... "Toen werd aan Daniël... de verborgenheid geopenbaard" en "toen loofde Daniël de God des hemels" (vers 19).
Onze eerste opdracht is om "in alles" onze begeerten bij God bekend te maken (Filippi 4 vers 6). Daniël maakt zijn drie vrienden deelgenoot van zijn zorgen, opdat zij samen met hem kunnen bidden. Het is een groot voorrecht om een moeilijkheid te mogen delen met gelovige vrienden en die vervolgens gemeenschappelijk voor de Heere te brengen! En wat heeft dat een geweldige uitwerking, want daardoor zullen we Zijn uitdrukkelijke belofte ervaren (Mattheus 18 vers 19)!
God kan niet doof blijven voor het smeken van deze mannen, die Hem vrezen. Hij maakt de verborgenheid aan Zijn dienstknecht bekend (Psalm 25 vers 14). Iemand anders zou daarop misschien linea recta naar de koning gegaan zijn, maar Daniël had iets veel belangrijkers te doen: zijn God danken en prijzen (vergelijk Genesis 24 vers 26). Pas daarna laat hij zich bij koning Nebukadnezar brengen. En daar komt nog een prachtige karaktertrek van deze man Gods naar voren: zijn nederigheid. Net als Jozef (Genesis 41 vers 16) treedt Daniël helemaal naar de achtergrond, om zodoende alle eer aan God te gunnen (vers 30; hoofdstuk 1 vers 17; Ezechiël 28 vers 3).
Beste gelovige vrienden, hopelijk zijn ook wij in staat om, als de Heere ons voor Zijn dienst kan gebruiken, bescheiden te blijven en elke verdienste, elke vrucht aan Hem toe te schrijven.
In een kort, aangrijpend gedeelte wordt de geschiedenis van de volken aan de koning getoond. Dat gebeurt door middel van het beeld van een man, dat van boven tot onder uit verschillende metalen bestaat. Het hoofd van goud is een beeld van het eerste wereldrijk, het Babylonische, nadat God Zijn troon uit het midden van Israël heeft weggenomen. Prachtig stralend, maar van korte duur, moest dit koningschap vervolgens plaatsmaken voor het Medo-Perzische rijk (de borst en armen van zilver). Dat werd weer gevolgd door het Griekse rijk van Alexander (de buik en dijen van koper). En ten slotte zijn de benen en voeten een beeld van het vierde rijk, dat sterk zal zijn als ijzer, maar ook brutaal en vernielzuchtig. Het is niet moeilijk om daarin een beeld te zien van het Romeinse rijk.
Sinds de invasie van de barbaren, waardoor er een einde kwam aan de eerste verschijningsvorm van dit rijk, is de geschiedenis van dit rijk tijdelijk onderbroken. We kunnen zeggen dat de periode van de Gemeente er als het ware tussen geschoven is. Maar volgens de profetie zal het Romeinse rijk binnenkort opnieuw, voor een korte tijd, gevormd worden. In dat rijk zal een aspect van zwakheid aanwezig zijn, wat voorgesteld wordt door het ijzer vermengd met leem (de tien verschillende koningen van het Romeinse beest; Openbaring 17 vers 12), waardoor het kwetsbaar zal zijn (vers 41 en 42). Dan zal "een steen zonder handen afgehouwen" komen, dat is de invoering van het rijk van Christus en, tot haar eigen welzijn, een einde maken aan de heerschappij van "een mens van de aarde" (Psalm 10 vers 18).
Was het misschien door de herinnering aan zijn droom, dat Nebukadnezar op het idee kwam om een geweldig standbeeld in het dal van Dura op te richten? Hoe het ook zij, deze daad van afgoderij heeft een symbolische betekenis. Ze laat zien waardoor het hart van de mens beheerst wordt. Ten eerste is het beeld van goud; dit edelmetaal is een voorwerp van algehele verering. Ten tweede heeft het beeld de vorm van een mens; de mens is inderdaad steeds geneigd zichzelf te aanbidden, zichzelf in de plaats van God te stellen. En ten derde lijkt het beangstigend veel op het beeld van het beest in de grote verdrukking. Want ook dat beeld zal door iedereen, onder bedreiging van de doodstraf, aanbeden moeten worden. En het getrouwe overblijfsel van Israël zal daardoor ontzettend op de proef gesteld worden (Openbaring 13 vers 15 en verder). Sadrach, Mesach en Abed-Nego zijn een beeld van dit overblijfsel. Zal God ingrijpen en hen redden? Een uitdaging voor de koning! "Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden", zeggen deze jongemannen (vers 16). Met andere woorden: 'God zal u antwoorden!'
De christen hoeft zijn geloof niet te rechtvaardigen voor de ongelovigen. Het erkennen van de Heere is voldoende voor hem.
Hoe er ook gedreigd wordt, niets kan deze drie mannen van de weg van gehoorzaamheid aan God afbrengen, net zo min als dat eerder het geval was met de verleiding met "de spijs... noch met de wijn" van de koning (hoofdstuk 1 vers 8). Nadat zij in het kleine getrouw geweest waren, zijn ze het nu ook in het grote (Lukas 16 vers 10).
Dit hoofdstuk laat ons zien wat de gelovige moet doen, wat satan kan doen, maar ook wat God doet. "Vrees niet... Ik zal bij u zijn...; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken". Dat was de belofte die in Jesaja 43 vers 1 en 2 aan het gelovig overblijfsel gegeven werd. En God vervult die! Als de drie mannen in de brandende oven worden geworpen, ondervinden ze niet alleen geen enkele schade, maar hebben ze daar bovendien nog een wonderbare ontmoeting. Het kost ons niet veel moeite om in de geheimzinnige metgezel die plotseling bij hen is, de Zoon van God te herkennen. Ja, de smeltoven van de beproeving is een ontmoetingsplaats van de Heere en de Zijnen!
Terwijl de mannen die opdracht gekregen hadden om de veroordeelden in het vuur te gooien, zelf door het vuur gedood werden, werden de drie vrienden en hun kleding er niet door aangetast. Ze roken zelfs niet naar rook! Eén ding verbrandde echter wel in die oven: de boeien waarmee ze gebonden waren (vers 25).
Is dat voor een christen ook niet vaak het resultaat van de beproeving? Daardoor wordt hij namelijk van de een of andere verbinding met de wereld bevrijd, en dat bewerkt dan dat hij vrij met de Heere Jezus kan wandelen.
De woede van de koning heeft plaatsgemaakt voor ontsteltenis (vers 24). Door de bereidheid hun leven te geven, konden deze jonge getuigen de werkelijkheid van hun geloof en iets van hun God aan de koning laten zien.
Dit hoofdstuk geeft, zonder verdere uitleg, een bekendmaking van Nebukadnezar door. De woordkeuze is heel anders dan wat je normaal gesproken van een staatshoofd zou verwachten! Het gaat hierbij meer om een getuigenis dat voor de hele wereld afgelegd wordt. Laten we niet bang zijn, voor zover we daartoe in de gelegenheid zijn, om luid en duidelijk te vertellen wat de Heere voor ons heeft gedaan!
De koning begint met een beschrijving van zijn eigen toestand. Hij was rustig (vers 4) â maar het was een bedrieglijke rust; hij had voorspoed â maar het leven van de mens bestaat uit meer dan alleen goederen (Lukas 12 vers 15); alles wat de almachtige God in zijn handen gegeven had, diende alleen om zijn eigen hoogmoed te strelen en ter verheerlijking van hemzelf. Om hem uit deze valse zekerheid te halen, krijgt hij een droom, opdat dit tot resultaat zal hebben dat hij onrustig en angstig zal worden (vers 5). Dit is een heilzame angst! Onrust is vaak het eerste teken dat God aan het geweten werkt. Maar ook nu is Nebukadnezar pas bereid de uitleg van Daniël aan te nemen nadat er geen andere menselijke hulpmiddelen meer over zijn. De wijzen, geleerden, tovenaars, Chaldeeën, waarzeggers... allen toonden hun onmacht (2 Timotheüs 3 vers 9). De koning constateert dat in Daniël "de geest van de heilige goden" aanwezig is (vers 8 en 18; vergelijk Genesis 41 vers 38). Alleen de Geest van God kan het Woord van God verklaren (1 Korinthe 2 vers 11).
We kunnen best begrijpen dat Daniël een innerlijke strijd te strijden had, toen hij de betekenis van de droom vernam. Onder zulke omstandigheden de waarheid spreken, bracht het gevaar met zich mee ter dood gebracht te zullen worden. Toch deinst hij niet terug. Het bewustzijn deze opdracht van God gekregen te hebben, geeft hem de moed om de koning het boek van zijn toekomst te openen. Dat wil echter niet zeggen dat hij, ondanks zijn moed, niet met wijsheid en zachtmoedigheid te werk gaat. Hij verstaat het in een geest van genade, met zout gezouten, te spreken (Kolosse 4 vers 6).
Geve de Heere, dat ook wij, door het voorbeeld van deze trouwe dienstknecht, bemoedigd mogen worden! Wij die, door het Woord, weten van de eeuwige bestemming van onbekeerde zondaren, moeten deze vreselijke kant van de waarheid niet verdoezelen en niet bang zijn dat het tegen de zin van de mensen is, daarover te spreken!
De grote boom is een beeld van de koning, maar ook van de wereld in het algemeen (zie Ezechiël 31 vers 3 - 9). Hoogmoedig en bloeiend (vers 4), is hij geplant om aan alle behoeften van de mensheid tegemoet te komen en haar lusten te bevredigen. In zijn beschuttende schaduw en onder de verschillende takken is er plaats en voeding voor iedereen (vers 21). De wereld vergeet echter één ding, namelijk dat "de Allerhoogste" heerst (vers 25). Daarom zal het oordeel haar treffen en God waarschuwt iedereen door Zijn Woord: "breek uw zonden af" (vers 27) en laat u met God verzoenen (2 Korinthe 5 vers 20; vergelijk Jesaja 58 vers 6 en 7).
In Zijn lankmoedigheid heeft God de koning twaalf maanden de tijd gegeven om met zijn zonden te breken (vers 27 en 29). Maar ach, de verborgen wortel van de zonde, de hoogmoed, groeit verder uit tot "hovaardij" (hoofdstuk 5 vers 20). En de dag komt waarop Nebukadnezar zelf het signaal geeft tot zijn eigen onheil: door zijn dwaze manier van spreken probeert hij zich gelijk te stellen met God (vers 30). Hij is nog niet uitgesproken of daar klinkt het Goddelijke oordeel vanuit de hemel en... wordt onmiddellijk voltrokken. Wat een trieste vertoning! De hoogste persoonlijkheid destijds op aarde verliest z'n verstand, wordt vernederd en lijkt nu op een onverstandig dier (Psalm 73 vers 21 en 22).
Inderdaad, de onderwerping aan de wil van God is het enige wat een mens verhoogt. Zodra de koning geleerd heeft om zijn ogen naar de hemel op te heffen, wordt hij weer beter. Hij die eens de grootheid van zijn paleis, de sterkte van zijn macht en de eer van zijn eigen heerlijkheid rondbazuinde, verkondigt voortaan aan alle bewoners van de aarde: "Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk de Koning des hemels" (vers 37). Wat een verandering in het hart van deze man! Gisteren nog een goddeloze, vandaag een aanbidder! Hij erkent dat het terecht was dat hij deze ernstige les moest leren. De Allerhoogste, Die "de laagste onder de mensen" verhoogt (vers 17), "is machtig te vernederen hen die in hoogmoed wandelen" (vers 37; Lukas 18 vers 14).
Dit bericht kan voor Psalm 2 vers 10 de eindconclusie zijn: "Nu dan, gij koningen, handelt verstandig".
De tijd van Nebukadnezar werd gekenmerkt door de vervolging van hen die trouw wilden blijven (hoofdstuk 3). De tijd van zijn opvolger Belsazar wordt daarentegen gekenmerkt door godsdienstige onverschilligheid, zorgeloosheid en genotzucht. In de wereldgeschiedenis wisselen zulke perioden elkaar telkens af en onze eeuw van 'informatie en tolerantie' vertoont veel overeenkomst met die van de goddeloze Belsazar. In onze westerse landen worden de gelovigen niet meer vervolgd, maar God wordt er wel op een andere manier beledigd; in de feestgelagen van deze koning zien we daar een beeld van. De slechte koning schrikt er niet voor terug om de heilige vaten uit de tempel te laten halen en daarmee zijn tafel op te sieren. En dit feest van uitspatting duurt voort... totdat er iets vreselijks gebeurt! Aan de wand, "tegenover de kandelaar" (vergelijk Numeri 8 vers 2), verschijnen de vingers van een hand, die een paar woorden schrijven en daarna weer verdwijnen... De koning verbleekt, zijn knieën knikken en alle grote mannen met hem zijn ontsteld. Welke wijze zal dit ongelukzalige opschrift kunnen lezen (1 Korinthe 1 vers 19)? De lichtvaardige en wereldsgezinde vorst kent Daniël niet (vergelijk Exodus 1 vers 8). Maar de koningin-moeder kan een beschrijving van hem geven. Zij nam geen deel aan het drinkgelag, en de profeet evenmin. Afzondering van de wereld en geestelijk inzicht gaan altijd hand in hand!
God waarschuwt de mensen in deze tijd niet meer door geheimzinnige boodschappen, maar door Zijn Woord.
Dit is de derde keer dat Daniël, op een kritiek moment, ten tonele verschijnt om de gedachten van God uit te leggen. Hier zijn we echter bij het laatste uur in de geschiedenis van Babel aangekomen. En de man van God verkondigt, zonder iets te ontzien, haar ondergang. Belsazar heeft zich niet om het getuigenis van zijn vader bekommerd (vers 22). Daniël kan hem alleen nog het onherroepelijke oordeel aankondigen. God heeft aan drie uitdrukkingen genoeg om het lot van Babel en haar vorst te bepalen:
"Mené, mené", dat is geteld en nog eens geteld. We mogen de herhaling bewonderen! Het is net alsof de rechtvaardige God voor Zijn definitieve conclusie nog eens zorgvuldig alles nagaat (vergelijk Genesis 18 vers 21) .
"Tekél" betekent 'gewogen'! Deze slechte koning met zijn groten zijn "in de weegschaal opgewogen" en zijn samen "lichter dan de ijdelheid" bevonden (Psalm 62 vers 10).
En ten slotte "UpharsÃn" (of "Perés"), wat 'verdeeld' betekent. De Allerhoogste, Die "over de koninkrijken der mensen" heerst, zal het koninkrijk van Belsazar aan een ander geven (hoofdstuk 4 vers 17). De geschiedenis deelt ons mee hoe Cyrus, de Pers, nadat hij de loop van de Eufraat (die dwars door Babel loopt) omgeleid heeft, de uitgedroogde rivierbedding gebruikte om, onder de bescherming van de nacht en het feestgelag in het paleis, met zijn soldaten de stad binnen te dringen.
Laat deze ernstige geschiedenis toch ook een les voor ons zijn! Laten we waken en nuchter zijn, zodat we niet door de komst van de Heere verrast te worden.
Het rijk van het gouden hoofd was in één nacht ten onder gegaan. Daniël maakte haar begin mee en was zeventig jaar later ook bij haar val aanwezig. En hier komen we de profeet weer tegen, als een grijsaard van negentig jaar, die altijd nog boven de gebeurtenissen en personen staat. Hij is net zo min onder de indruk van alle menselijke glans als van de val. Hoewel hij een vreemdeling is (zowel in geestelijk opzicht als in de eigenlijke zin van het woord), heeft hij met dezelfde vastberadenheid de trotse Nebukadnezar, de wereldsgezinde Belsazar en nu ook de zwakke Darius gediend (vergelijk 1 Petrus 2 vers 18 en verder). Deze trouw brengt hem het vertrouwen van de koning aan, maar ook de afgunst van zijn collega's. Zij maken een samenzwering tegen hem, en de koning, die door hun huichelarij misleid wordt, ondertekent een niet te herroepen besluit (wij kennen nog het spreekwoord: 'Het is een wet van Meden en Perzen', dus: 'het staat vast'). Maar Daniël kan zich daar niet aan onderwerpen, hoewel hij een trouwe dienaar is.
Inderdaad had deze man Gods een heilige gewoonte â en deze onrechtvaardige aanslag was nodig, opdat wij daarvan op de hoogte gebracht zouden worden. Driemaal per dag knielde hij neer in zijn kamer om tot God te bidden (lees 1 Koningen 8 vers 48 en 50 en Psalm 55 vers 18).
Beste vrienden, wij kunnen knielen zo vaak wij willen zonder dat wij ergens bang voor hoeven te zijn. Laten we dan ook van dit grote voorrecht gebruik maken, om daardoor en daarin, net als Daniël, de verborgen bron van kracht en wijsheid te ontdekken.
In de leeuwenkuil herhaalt zich het wonder van de vuuroven uit hoofdstuk drie. De man Gods wordt bewaard voor de tanden van de roofdieren, zoals z'n drie vrienden bewaard bleven voor de gloed van het vuur. En Hebreeën 11 vers 33 en 34 laat ons hun gemeenschappelijk geheim zien: "Die door het geloof... de muilen van de leeuwen toegestopt" en "de kracht van het vuur hebben uitgeblust".
Je kunt je afvragen waarom God deze dienstknecht bevrijd heeft, terwijl zoveel andere martelaren hun leven moesten laten op de brandstapels en in de arena's (vergelijk Hebreeën 11 vers 37). Het was vooral om Zijn macht te tonen en dat Hij Zijn getuige beschermde. God vond het nodig dit aan Darius kenbaar te maken. Deze episode uit het leven van de profeet komt woord voor woord overeen met de ervaring die ons in Psalm 57 wordt meegedeeld (vers 4, 5 en het zo ernstige vers 6).
Daniël doet ons vaak aan de Heere Jezus denken. Christus was trouw van het begin tot het eind van Zijn leven hier op aarde. Hij was hier een vreemdeling, afgezonderd van de wereld, maar altijd bereid haar goed te doen en haar de gedachten van God te openbaren. Net als Daniël heeft Hij nooit aanleiding gegeven tot enige aanklacht en is Hij onschuldig veroordeeld, juist vanwege Zijn trouw (vergelijk vers 4). Maar Hij is glorierijk opgestaan uit de dood (vanuit het bereik van de brullende leeuw; Psalm 22 vers 14 en 22), die in de toekomst het eeuwige deel van de bozen zal zijn. Ja, alle eer aan onze Verlosser!
Het is goed om acht te slaan op de indeling van het Boek Daniël. De eerste zes hoofdstukken vertellen ons over het leven van deze man Gods. In de laatste zes hoofdstukken zullen we nu lezen over zijn profetieën.
Nu is het de beurt aan Daniël een droom te hebben. Het algemene onderwerp van deze droom is gelijk aan die van Nebukadnezar in hoofdstuk 2. Maar deze keer worden de vier opeenvolgende wereldrijken, in de tijd van de volken, voorgesteld door dieren. Babel wordt uitgebeeld door de leeuw met arendsvleugels (vergelijk Jeremia 4 vers 7; 49 vers 19, 22 en 30). Perzië wordt weergegeven door de wilde, bloeddorstige beer. In de snelle en verscheurende luipaard mogen we een beeld zien van het Griekse rijk. En wat het vierde dier aangaat, dat "schrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk" was, kunnen we in de hele dierenwereld geen enkel dier noemen dat er zo afschrikwekkend uitziet (hoofdstuk 2 vers 40). Hierbij gaat het om het Romeinse rijk, vooral in de verschijningsvorm die het in de toekomst weer zal hebben, dat wil zeggen: met tien hoornen (of tien koningen) en een kleine vooruitstekende hoorn. Deze laatste is een beeld van de leider van dit rijk, een handlanger van satan, een man met een niet te evenaren intelligentie en een onovertroffen scherpzinnigheid, die zichzelf in dienst van mateloze eerzucht zal stellen en vreselijke Godslasteringen zal uitspreken.
"Dit zag ik, totdat..." (vergelijk hoofdstuk 2 vers 34). "De Oude van dagen", God Zelf, zal deze belichaming van de geest van de boze plotseling vernietigen, voordat Hij de "heerschappij, en eer, en het Koninkrijk" (vers 14) aan de Zoon des mensen zal geven.
Mochten we deze profetische onderwerpen erg moeilijk vinden, dan moeten we maar net doen als Daniël, die "de waarheid" wilde weten (vers 19) en daar ook om vroeg. Onze hele interesse zou uit moeten gaan naar deze gebeurtenissen, die nu op het punt staan te gebeuren, maar dan om een andere reden! Ten eerste zien wij hoe het in de wereld waarin wij nu leven, zal toegaan na de opname van de Gemeente. En wij zien nu al heel duidelijk hoe zich bepaalde stromingen aftekenen die op dit vreselijke eindgebeuren zullen uitlopen. Denk maar aan de onderdrukking en het geweld (vers 19), en dat iedere verbinding met God wordt afgewezen (de dieren; lees 2 Petrus 2 vers 12), maar ook de mateloze verheffing van de mens (de hoorn, die zich verheft, door grote dingen te spreken).
Verder moeten we ook niet vergeten dat er getuigen zullen zijn, hier "de heiligen der hoge plaatsen" genoemd (vers 18), die deze vreselijk tijd zullen moeten doormaken. Zij zullen ontzettend te lijden hebben, ja, om zo te zeggen, vernietigd worden (vers 25). Maar dan zal hun het rijk en het gericht gegeven worden (vers 18 en 22; Openbaring 20 vers 4). En dat wat in vers 14 aan de Zoon des mensen toegezegd werd, zal eveneens aan het volk van de heiligen der hoge plaatsen gegeven worden (vers 27). De tegenwoordige heerschappijen (vers 27) zullen voordien met voeten getreden zijn (vers 23). Maar dan zullen ze zelf onder de heerschappij komen, wanneer de Heere, Die meer dan wie ook trouw was tot in de dood, de Zijnen in genade met Zich zal verenigen, om samen met Hem te heersen.
Het nieuwe gezicht dat Daniël, voor het einde van het eerste rijk, te zien krijgt (vers 1), heeft al betrekking op het tweede rijk (Perzië) en haar definitieve ontwikkeling. De Medo-Perzische heerschappij (de ram) moest door de "geitenbok" (het Griekse rijk) verslagen en vervangen worden. Dit rijk zal op haar beurt bij de dood van Alexander uiteenvallen en dan opgedeeld worden onder vier generaals (vers 8). Het is heel opmerkelijk hoe de geschiedenis dit gezicht stap voor stap bevestigd heeft.
Vervolgens gaat de profetie zonder overgang over de tegenwoordige tijd heen en verplaatst ons dan naar "de tijd van het einde" (vers 17). Terwijl het westen door het beest (hoofdstuk 7) geregeerd zal worden, zal zich in het oosten een andere, buitengewoon sterke, persoonlijkheid verheffen, op een plaats die voordien door een van de andere hoornen werd ingenomen. Dat is de Assyriër, die in de andere Profeten aangehaald wordt. Zijn hele eerzucht zal uitgaan naar groei en meer verheffing van zichzelf. Hij zal zich uitbreiden in de richting van "het sierlijke land" (vers 9; dat is Israël) en in zijn goddeloze vermetelheid de godsdienst uit Jeruzalem verwijderen (vers 11). Niets zal zijn hoogmoed en waanzin kunnen weerstaan.
Zo gaat het... de hemelse gaven en het offer van Christus worden met voeten getreden en "de waarheid ter aarde" geworpen. Dat is de houding en het gedrag van iedereen die het geloof verloochent (vers 9 - 12).
De engel Gabriël krijgt opdracht om het gezicht waardoor Daniël zo verschrikt werd, aan hem uit te leggen. In de laatste tijd van het toekomstig rijk â het noordelijk deel van het uiteengevallen Griekse rijk â wanneer de boosheid van de mens haar hoogtepunt bereikt zal hebben (vers 23), zal zich een Assyrische koning verheffen, die zich zal onderscheiden van de kleine hoorn uit hoofdstuk 7. Deze mens zal zijn buitengewone verstand gebruiken om kwaad te doen (vers 24 en 25). Uiteindelijk zal hij het zelfs wagen om Christus aan te vallen. Maar dan zal hij door het rechtstreekse ingrijpen van God (zonder mensenhand) verpletterd worden.
Dit hoofdstuk heeft ons dus laten zien hoe de hoornen van de ram (de Meden en de Perzen) verpletterd en door de hoorn van de geitenbok (Griekenland) vervangen werden en uiteindelijk door de brutale koning zelf. God staat het toe, dat deze man zich verheft, dat hij zijn rivaal uit de weg ruimt, de aarde met zijn geweldige daden vervult â maar het einde is dat hij zelf verpletterd zal worden (Spreuken 6 vers 15). De geschiedenis geeft ons meer dan eens voorbeelden van deze gang van zaken. Zo verging het ook Alexander de Grote, de onstuimige veroveraar, die op drieëndertigjarige leeftijd stierf, nadat hij een enorm rijk onderworpen had. Hij is een treffend voorbeeld van de woorden van de Heere Jezus: "Want wat baat het een mens, als hij de gehele wereld wint, en lijdt schade aan zijn ziel?" (Mattheus 16 vers 26).
Dit prachtige hoofdstuk laat ons zien hoe Daniël gebruik maakt van de beide hemelse hulpmiddelen die ook ons altijd ter beschikking staan: het Woord en het gebed.
Deze keer wordt hij niet in een gezicht onderwezen, maar hij onderzoekt de schriften zelf. Zij vertellen hem ten eerste dat de bevrijding van Israël aanstaande is (vers 2; lees Jeremia 29 vers 10 en verder), maar ook waarom zijn volk geslagen en verstrooid werd, namelijk door de hand van de HEERE en onder welke voorwaarden het herstel kan plaatsvinden (vers 11; lees Leviticus 26 vers 40 en verder). Ten derde ontdekt hij welke houding passend is, opdat God hoort en vergeeft (lees 1 Koningen 8 vers 47 en verder). Met het oog op Jeruzalem herhaalt Daniël in zijn gebed woord voor woord de uitdrukkingen die Salomo voorgeschreven heeft: "wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddeloos gehandeld" (vers 5 en 15; hoofdstuk 6 vers 11).
Daniël wordt ons niet alleen als een onberispelijk man voor de aandacht gesteld, maar hij heeft, gedurende zijn hele leven in de verbanning, ook de gevolgen van andermans zonden gedragen. Desondanks belijdt hij de ongerechtigheid, alsof hij het zelf begaan zou hebben; hij ondervindt de smart en de vernedering daarvan voor God; hij neemt de ongerechtigheden van zijn volk op zich. Dat is het wat Christus op een volkomen wijze gedaan heeft. Zelf vrij van elke zonde, heeft Hij onze zonden op Zich genomen en heeft die beleden, alsof ze door Hemzelf begaan waren. Hij heeft helemaal alleen, in onze plaats, de straf gedragen die wij verdiend hadden (Psalm 40 vers 13).
Daniël handelt hier niet in zijn hoedanigheid als profeet (vergelijk vers 6). Hij maakt zich hier veel meer tot voorspraak voor het volk Israël en hij vindt de geschikte beweegredenen om het hart van God te raken. Hij vraagt Hem in te grijpen en wel "om des Heeren wil" (vers 17), om Zijn "barmhartigheden, die groot zijn" (vers 18), ja, "om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd" (vers 19; vergelijk Psalm 25 vers 11 en Leviticus 22 vers 32).
Zo'n gebed is uitermate welgevallig voor God! En Hij haast Zich dan ook, hierop te antwoorden. Opnieuw is Gabriël Zijn bode, dezelfde engel die later uitverkoren was om de geboorte van de Heiland en Zijn wegbereider aan te kondigen (Lukas 1 vers 19 en 26).
Hier heeft deze engel echter geen opdracht om een blijde boodschap te brengen, integendeel zelfs! Hij geeft Daniël uitleg over:
De verwerping van de Messias, na 69 (7 + 62) jaarweken â deze 483 jaren (69 x 7) te rekenen vanaf de herbouw van Jeruzalem in de tijd van Nehemia.
De verwoesting van de stad en de tempel door de Romeinen, onder leiding van Titus (vers 26).
Het tragische misverstand van de Joden, die, door satan verblind, in een toekomstige tijd in plaats van de Christus "een verwoester", de Antichrist (vers 27), zullen aannemen.
In Mattheüs 24 vanaf vers 15 lezen we dat de Heere Jezus deze profetieën van Daniël op ernstige wijze bevestigt.
Soms antwoordt God onmiddellijk op de gebeden van de Zijnen. In hoofdstuk 9 vers 21 komt Zijn woord tot Daniël terwijl deze nog bidt. In tegenstelling daarmee, zoals in dit hoofdstuk, wacht Hij soms ook wel eens met ingrijpen, om de oprechtheid van ons verlangen en de volharding van ons geloof op de proef te stellen. Maar zelfs wanneer wij langere tijd moeten bidden voordat onze gebeden verhoord worden, mogen we nooit denken dat de Heere ons niet zou horen. Hij zegt tegen Daniël dat Hij zijn gebed vanaf de eerste dag gehoord heeft. Dit twaalfde vers laat ons de toestand van het hart zien, die zo welgevallig voor God is en, als het ware, de sleutel vormt tot de betrekkingen met de hemel. Laten we altijd aan het geheim van Daniël denken: hij heeft zijn hart erop gezet "om te verstaan" en zich "te verootmoedigen".
Wanneer we de Man Die in vers 5 en 6 genoemd wordt, vergelijken met de Persoon Die de apostel Johannes op het eiland Patmos ziet (Openbaring 1 vers 13 - 16), dan begrijpen we dat Hij Die hier verschijnt met de kenmerken van onbeperkte gerechtigheid, niemand anders kan zijn dan de verworpen Messias (hoofdstuk 9 vers 26), Die verheerlijkt zal worden. In de tegenwoordigheid van deze Man wordt zelfs iemand die Godvrezender is dan anderen door dodelijke angst overvallen. (Om een kanaal van Goddelijke openbaringen te kunnen zijn, moet eerst de dood in ons gewerkt hebben â 2 Korinthe 4 vers 12.)
Het is echter hetzelfde woord van genade waardoor Daniël hier en Johannes later gerustgesteld worden: "Vrees niet... Vrees niet, gij zeer gewenste man!" (vers 12 en 19).
Voordat de zichtbare kant van de profetie gezien kan worden, brengt hoofdstuk 10 eerst de verborgen kant onder de aandacht: het hemelse tegenbeeld van de gebeurtenissen hier beneden. Hoewel de groten van deze wereld menen vrij te zijn, zijn ze in feite slechts willoze marionetten; zij worden van boven, door de satanische "overheden en machten" en door hun begeerten bestuurd (Efeze 2 vers 2 en 6 vers 12). Maar God beschikt eveneens over Zijn legers van engelen, met hun aanvoerders (Hebreeën 1 vers 14). En het is een wonderbaar feit dat wij door onze gebeden hun onzichtbare krachten in werking kunnen stellen, dezelfde strijd kunnen voeren en met Elia en Daniël mogen ervaren dat "een krachtig gebed van de rechtvaardige" ontzettend veel kan bewerken (Jakobus 5 vers 16).
In het elfde hoofdstuk geeft God Zijn profeet een vooruitblik op de gebeurtenissen die zouden gaan plaatsvinden. Drie Perzische koningen zouden elkaar opvolgen: Cambyses II, Smerdis, de magiër en Darius Hystaspes (die wij in Ezra 4 vers 6 , 7 en 24 mogen herkennen). Na hen zal de rijke en machtige Xerxes (dat is koning Ahasveros uit het Boek Esther) een vreselijke aanval doen op Griekenland. Dan volgt de bliksemsnelle opmars van Alexander de Grote (vers 3 en 4), de nog snellere verdeling van zijn rijk, naar alle "vier winden des hemels" (een treffende illustratie van het Boek Prediker), gevolgd door een langdurige strijd tussen zijn beide voornaamste erfgenamen.
Dit hoofdstuk spreekt tot in detail over de rivaliteit tussen twee van de vier dynastieën die het Griekse rijk van Alexander onder zich zouden verdelen. In de koning van het Noorden herkennen we de dynastie van de Seleuciden, die in de noordelijke omgeving van Palestina, in Syrië en Klein-Azië, regeerden. De koningen van het Zuiden waren de Ptolomeüssen, die Egypte beheersten. Tussen deze twee machtige concurrenten zouden de oorlogen en verbonden, bewerkt door menselijke vleierijen, elkaar afwisselen. Er zouden afpersingen, dreigementen en huwelijksverbindingen tussen deze beide heersende families bestaan, die weer gevolgd zouden worden door moord. De betrekkingen tussen de volken zijn sindsdien nauwelijks veranderd. De geschiedenisboeken staan in feite bol van alles wat er in het hart van de mens gevonden wordt: hebzucht (vers 8), geweld en misdaad (vers 14), zedeloosheid (vers 17), bedrog (vers 23), verderf (vers 24), verraad (vers 25) en leugen (vers 27).
Nu, tweeduizend jaren later, lijken deze uiteenzettingen om het land Israël (vers 16), waarbij deze hoogmoedige heersers gedurende een klein aantal jaren tegenover elkaar stonden, misschien nutteloos. Maar de internationale politiek ten tijde van de koningen van de Ptolomeüssen en Seleuciden, is hier met opzet zo precies omschreven. Bepaalde ongelovigen zouden namelijk eens van alles willen ondernemen om te bewijzen dat dit hoofdstuk pas na de gebeurtenissen die hierin vermeld staan, geschreven zou zijn. Nu moet men echter versteld staan over de betrouwbaarheid en correctheid van Gods Woord.
"Geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging" (2 Petrus 1 vers 20). Zoals de woorden van de Heere zelf bewijzen, is er vanaf vers 36 sprake van gebeurtenissen die nog moeten plaatsvinden en waarvoor hetgeen er in het verleden plaatsvond, in zekere zin een aanduiding, een inleiding vormde.
Zo is Antiochus Epiphanes, de koning van Syrië, die overduidelijk in vers 31 beschreven wordt, en die een varken offerde in de tempel en er daarna een standbeeld van Jupiter liet oprichten om zich op de Joden te wreken, slechts een voorbeeld van de toekomstige koning van het Noorden of Assyrië. De verzen 40 - 45 hebben betrekking op deze profetische persoonlijkheid, terwijl de verzen 36 - 39 spreken over de Antichrist, de "koning", die zich in diezelfde tijd in Jeruzalem zal laten aanbidden. Hij zal een supermens zijn, die onder invloed van satan alle verdorven en hoogmoedige neigingen van het hart van de mens in zich zal verenigen en voleindigen. Hij zal handelen naar eigen goeddunken (in volkomen tegenstelling tot Christus; Hebreeën 10 vers 7), de ergste lasteringen tegen God uitspreken, Zijn Christus verachten, zich boven alles verheffen, door te steunen op geld, geweld en leugen.
Dit alles is de geest van de Antichrist, die wij, zonder al te veel moeite, nu al in de wereld om ons heen kunnen herkennen.
De vervulling van de eerste, profetisch aangekondigde gebeurtenissen is het zekere bewijs dat datgene wat voor de eindtijd is voorzegd, eveneens zal plaatsvinden. De tegenwoordige tijd van genade geldt als een lange tussenperiode, die nu al meer dan tweeduizend jaar duurt, waardoor de loop van de profetie als het ware onderbroken is. In deze tijdsperiode heeft iedereen nog de gelegenheid zich te bekeren en zich daardoor voor het aanstaande oordeel in veiligheid te brengen.
Uit het volk van Daniël zal "al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek" gered worden (vers 1). De zogenaamde "verstandigen" (vers 10) zullen opstaan tot het "eeuwige leven", de anderen "tot eeuwige afgrijzing", tot de eeuwige verdoemenis. Dan zullen de tijden van het gericht in vervulling gaan; het lot van ieder mens zal dan definitief vastgelegd worden en niets hier op aarde zal dan de ontplooiing van Gods raadsbesluiten meer in de weg kunnen staan.
Laten we het niet vergeten: de profetie heeft altijd Israël tot onderwerp. Zelfs de geschiedenis van de (konink-)rijken van de volken zal uit het gezichtspunt van hun betrekkingen tot het uitverkoren volk bezien worden. Maar in de gedachten van God staat de verheerlijking van Christus altijd op de eerste en centrale plaats. Daarom zijn die gedachten voor de goddelozen verborgen en verzegeld, terwijl de verstandigen opgeroepen worden ze te verstaan.
En ook wij zullen ze slechts in die mate kunnen verstaan waarin de verheerlijking van de Heere Jezus ons ter harte gaat.
De profetieën van Hosea, een tijdgenoot van Jesaja, brengen ons terug in de tijd van het tweede Boek Koningen, in de tijd van de wegvoeringen. Ze richten zich hoofdzakelijk tot de tien stammen (vaak Efraïm genoemd, naar de naam van hun aanvoerder), die zich sneller aan afgoderij overgegeven hebben dan Juda.
Verontreinigd door zijn afgoden, trouweloos aan het verbond met zijn God, wordt Israël hier uitgebeeld door "een vrouw der hoererijen", die de profeet tot vrouw moet nemen. Zelfs de namen van haar kinderen betekenen veroordeling (vergelijk Jesaja 8 vers 1 - 4; laten we er goed om denken, dat de uitdrukkingen 'hoererij bedrijven' of 'echtbreuk plegen' in dit hoofdstuk altijd betekenen: God verlaten en de afgoden aanhangen). Israël heeft de betrekkingen waardoor het met de HEERE verbonden was, zelf kapot gemaakt.
Vers 10, dat Paulus aanhaalt in de Brief aan de Romeinen, leert ons echter dat de overtreding van Israël een onverwachte en wonderbare uitwerking ten gevolge heeft: de gelovigen, "niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen", zullen voortaan "kinderen van de levende God genaamd worden" (Romeinen 9 vers 24 en 26). Deze levende God wordt tot Vader. Het oordeel "Lo-Ammi", dat uitgesproken werd over het schuldige Israël, zal gevolgd worden door de roeping van een hemels volk, één familie, dat zich samen met zijn God en Vader mag verheugen in de onlosmakelijke verbinding, een positie die zelfs door onze zonden niet beïnvloed kan worden (1 Petrus 2 vers 10).
De rechtszaak van Israël is niet te verdedigen (vers 2; vergelijk Jesaja 1 vers 18). Na een verpletterende aanklacht verkondigt God de strafmaatregelen voor de ontrouw van dit volk: "Ik zal uw weg met doornen omheinen..." (vers 5), "Daarom zal Ik... Mijn koren wegnemen" (vers 8). "Daarom...", en dan zou men wellicht een nog zwaardere straf verwachten. Maar wat wordt er in vers 13 gezegd? "Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken". Wat een onvergelijkbare genade van God! De zonde van de Zijnen zal voor Hem juist aanleiding zijn, Zijn oneindige erbarmen te ontplooien. In plaats van de ondankbare en schuldige 'echtgenote' weg te jagen, neemt Hij haar bij de hand, om onder vier ogen en op een aangrijpende wijze met haar te spreken.
Maar waarom wordt dan het ongelukzalige "dal Achor" genoemd? Herinnert dat niet aan de zonde van Achan, met z'n tragische gevolgen (Jozua 7 vers 26)? God heeft echter juist dit dal uitgekozen om voortaan "tot een deur der hoop" te worden (vergelijk Jesaja 65 vers 10).
Moreel gezien, geldt voor ons precies hetzelfde. Dat dal van innerlijke onrust, de plaats waar wij, vanwege onze zonden, met God te doen hebben, wordt "tot een deur der hoop". Zo laat God ons zien dat het noodzakelijk is voor het genot van de gemeenschap met Hem, dat wij Hem eerst onze zonden beleden hebben.
In de afgekapte stijl van schrijven die de profeet Hosea eigen is, laat hij op de beschrijving van de tragische toestand van Israël, zonder overgang, de belofte van herstel volgen (vers 17 - 22). De genade van God zal nieuwe banden aanknopen met het volk. Het volk zal dan geen slaaf meer zijn, zoals de gekochte vrouw (hoofdstuk 3 vers 2), en niet meer zeggen: "Mijn Baäl!" (mijn meester), maar "mijn Man" (hoofdstuk 2 vers 15).
"Ik zal u Mij ondertrouwen" (of verloven), zegt de Heere tot driemaal toe, om als het ware Zijn verplichtingen te bekrachtigen (vers 18 en 19). Zoals de verlovingsring aan de vinger van een jonge bruid, zo zou deze belofte tot het hart van het arme volk hebben moeten spreken. Het had het volk moeten aansporen om de toegenegenheid voor de HEERE in stand te houden (vergelijk Jeremia 2 vers 2).
Dat geldt ook voor de Gemeente, die er alleen voor Christus zou moeten zijn. In 1 Korinthe 11 vers 2 zegt Paulus: "... ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen" (of zoals een andere vertaling het zegt: "ik heb u aan één man verloofd"). En in Efeze 5 vers 25 - 27 laat hij zien wat Christus voor de Gemeente gedaan heeft, nu nog doet en nog zal doen.
De korte profetieën uit het derde hoofdstuk beschrijven op treffende wijze de tegenwoordige toestand van de Israëlieten: ze hebben geen koning, noch godsdienst. Ze dienen geen afgoden, noch de HEERE (vers 4). Het huis Israëls is leeg, schoongeveegd, versierd, bereid tot vervulling van Mattheus 12 vers 44 en 45. Daarna volgt echter de ommekeer en zal het volk weer de Goddelijke zegeningen, door de goedheid van de Heere, ervaren (vers 5).
De verzen 1 en 2 herinneren ons aan Romeinen 3 vers 9 -19, waar niet alleen van de Joden, maar van alle mensen sprake is. Israël heeft echter een extra verantwoordelijkheid, omdat hem "de Woorden Gods zijn toevertrouwd", maar deze kennis heeft het bewust verworpen en de wet vergeten (vers 6, Romeinen 3 vers 2). Hij heeft zijn God verlaten (vers 12), om de afgoden aan te hangen.
Spreekt deze uitdrukking ook niet tot ons, christenen? Er zijn talloze mogelijkheden en gelegenheden om ons aan het gezag dat de Heere over ons leven moet hebben, te onttrekken!
Welke straf zal het ellendige volk deze keer treffen? De vreselijkste die er bestaat: de verlatenheid. Hun toestand is ongeneeslijk, hopeloos. God kan niet anders meer, en zegt: "omdat gij... zal Ik ook uw kinderen vergeten" (vers 6). "Ik zal over uw dochters geen bezoeking doen" (vers 14) en even verderop: "Efraïm is vergezeld met de afgoden; laat hem varen" (vers 17).
Dit vreselijke beeld van de verdorvenheid van de tien stammen moet echter tot een waarschuwing dienen voor Juda. Gilgal en Beth-Aven (wat 'afgodenhuis' betekent en een ironische aanduiding is voor Bethel, dat is 'huis van God'), plaatsen van belofte en zegen in de geschiedenis van Israël, zijn tot middelpunten van ongerechtigheid geworden, tot centra van een goddeloze godsdienst. De HEERE beveelt uitdrukkelijk aan Juda daar niet heen te gaan (vers 15).
De profeet richt zich speciaal tot de leiders van Israël: de priesters en het koningshuis. Zij die het goede voorbeeld hadden moeten geven, zijn tot "een strik" voor het volk geworden (vers 1). En het resultaat is vreselijk: "En die afwijken, verdiepen zich..." (vers 2).
In hoofdstuk 4 vers 15 had de HEERE Juda indringend geboden om niet als Efraïm te handelen. Tevergeefs! Nadat in vers 5 de val van Efraïm aangekondigd is, wordt er onmiddellijk aan toegevoegd: "ook zal Juda met hen vallen". Wat werden er toch ontzettend veel ongerijmdheden en hoogmoed bij deze ongelukkige Israëlieten gevonden (vers 5). "Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren" (vers 4). Desondanks naderen ze tot de HEERE met hun offers, alsof er niets gebeurd is. Maar ze zullen Hem niet vinden (vers 6), want als je doet alsof je godsdienstig bent zonder eerst je zondeprobleem met Hem opgelost te hebben, dan beledig je God.
Efraïm ontdekt zijn ziekte (vers 13). Maar in plaats van zijn schuld te belijden (vers 15) en zich tot de grote Geneesheer te wenden om hulp, gaat hij naar de Assyriërs toe.
Zo vergaat het veel mensen. Als hun geweten hen onrustig maakt, zoeken ze hulp en verstrooiing in een wereld die niet kan genezen, in plaats van zich voor God te verootmoedigen.
Hosea heeft zojuist verteld waar God, als het ware, op staat te wachten, voordat Hij Israël kan genezen: "totdat zij zichzelf schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken" (hoofdstuk 5 vers 15). Is het niet aangrijpend dat direct daarna de profeet het volk, in zekere zin, bij de hand neemt en zegt: "Komt en laat ons weerkeren tot de HEERE"? Hij Die ons geslagen heeft, zal ons verbinden. Een herder vertelde eens hoe hij een schaap dat steeds dwars lag, zelfs een poot moest breken, opdat het bij hem zou blijven en zich niet aan zijn zorg zou onttrekken.
Vers 4 keert terug tot het beeld van de zedelijke toestand van het volk â en helaas is dat ook het beeld van vele christenen. Velen hebben een veelbelovende bekering gehad, en toch zou ook hen nu het verwijt gemaakt kunnen worden: "uw weldadigheid is... als een vroegkomende dauw, die heengaat' (vers 4; Openbaring 2 vers 4). O, geve de Heere dat ondanks de soms zinloze contacten waaraan wij in deze wereld blootstaan en we ons niet altijd kunnen onttrekken, toch de frisheid van onze toegenegenheid tot Hem mag blijven bestaan!
Efraïm en Juda offerden hun dieren tevergeefs (hoofdstuk 5 vers 6). De HEERE antwoordt hen: "Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer" (vers 6; dit vers wordt, tot tweemaal toe, met de uitdrukking "barmhartigheid" aangehaald door de Heere tegenover de Farizeeën: Mattheüs 9 vers 13 en 12 vers 7). De liefde tot Christus en de liefde tot de naaste, die daaruit voortkomt, is de enige drijfveer die erkenning vindt bij God, voor elke dienst (1 Korinthe 13 vers 1 - 3).
De HEERE wil Israël maar wat graag genezen (vers 1) en verlossen (vers 13).
Zo denkt de Heere ook over jou, als je nog onbekeerd bent. Maar verlang jij zelf ook naar 'genezing', heb je belang bij dat wat de Heere jou wil geven (Johannes 5 vers 6)? De Heere Jezus heeft eens over de stad Jeruzalem gezegd: "Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen... en gij hebt niet gewild!" (Lukas 13 vers 34).
De ellendige toestand van Israël werd al eerder beschreven in het beeld van een overspelige vrouw (hoofdstuk 2) en een "onhandige koe" (hoofdstuk 4 vers 16). In dit hoofdstuk wordt het volk achtereenvolgens vergeleken met een gistend deeg (vers 4), een koek die niet omgekeerd is (vers 8), een onnozele duif (vers 11) en een bedrieglijke boog (vers 16). Met een spottende ondertoon wordt de hoogmoed en het gebrek aan verstand bij dit volk door de HEERE omschreven. Terwijl Efraïm zich met vreemden heeft ingelaten, werd zijn kracht verteerd. De "grauwigheid", of grijsheid, is een teken van het verdwijnen van z'n kracht... "en hij merkt het niet" (vers 9).
Wat ons betreft is het goed er altijd aan te denken dat elke verbinding met de wereld, in welke vorm dan ook, tot gevolg heeft dat de christen zijn gemeenschap met de Heere verliest. Het ontneemt hem, zonder dat hij het weet, alle geestelijke kracht! Het voorbeeld van Simson laat dit op een heel duidelijke wijze zien en is een ernstige waarschuwing voor ons (Richteren 16 vers 19 en 20).
De oordelen die het schuldige volk zullen treffen, worden met bazuingeklank aangekondigd (vergelijk Mattheus 24 vers 31; Openbaring 8 vers 6 en verder). Maar het volk zal zich er met mooi klinkende woorden tegen verzetten: "Mijn God! wij, Israël, kennen U" (vers 2). Daar zal slechts het onverbiddelijke antwoord op volgen: "Ik zeg u, Ik ken u niet" (Lukas 13 vers 27). In Mattheus 7 vers 21 roepen de naamchristenen: "Heere, Heere!" zonder zich ooit om de wil van God bekommerd te hebben. Zo wordt ook in het Schriftgedeelte van vandaag, in de verzen 2 - 4, de tegenspraak tussen de uitdrukking "Mijn God" en een geest van totale onafhankelijkheid, duidelijk naar voren gebracht. Terwijl het eens God was Die bepaalde wie koning moest zijn en Die alle aanwijzingen gaf voor de godsdienst, voor het dienen van Hem, had Israël zelf een vorst aangesteld en de basis gelegd voor de afgodendienst (vers 4, 5 en 11; 1 Koningen 12 vers 20 en 28 - 33). Vandaag de dag gelooft iedereen in de christenheid zelf de manier waarop men samenkomt, zelf de regels voor de godsdienst te kunnen bepalen. En in de verschillende christelijke groeperingen is alles aanwezig om aan deze menselijke inzichten tegemoet te komen, terwijl Gods Woord toch duidelijke aanwijzingen geeft (1 Korinthe 14).
De kinderen Israëls zullen zijn als "een vat, waar men geen lust toe heeft" (vers 8; Jesaja 30 vers 14). "De HEERE heeft aan hen geen welgevallen" (vers 13). O, dat van eenieder van ons gezegd kan worden dat hij "een vat ter ere" is, "geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid". En laten we de verplichtingen die gelden voor "een ieder, die de Naam van Christus noemt", nooit vergeten en altijd nakomen (2 Timotheüs 2 vers 19 -22)!
In 2 Koningen 15 vers 8 tot en met hoofdstuk 17 vers 18 vinden we de historische gebeurtenissen die overeenkomen met deze profetieën. De laatste heersers van Israël hielden het, politiek gezien, voor juist om afwisselend te steunen op Egypte en Assyrië (vers 3; vergelijk hoofdstuk 7 vers 11 en 2 koningen 17 vers 4). En juist dat werd hun noodlottig. Ook zij die vluchtten uit Jeruzalem en Juda, zochten hun toevlucht in Egypte (in Mof), in plaats van in het land van de HEERE te blijven, zoals Jeremia hen gesmeekt had (vers 6; Jeremia 42 vers 10 en 19).
Maar lijken wij ook niet vaak op hen? Hoe vaak zoeken wij, als we in moeilijkheden gekomen zijn, hulp bij mensen in plaats van bij de Heere (Psalm 60 vers 13)?
Efraïm werd beroofd van zijn zonen en bleef kinderloos en zonder vrucht voor God, net zoals het geval was bij de vijgenboom die door de Heere Jezus vervloekt werd (vers 16; Markus 11 vers 12 - 14).
Deze profetie is door de huidige verstrooiing van de tien stammen in vervulling gegaan, en zal voortduren tot haar herstel in het duizendjarig vrederijk. En het lot van de eigenlijke Joden (Juda en Benjamin) is, sinds ze de Messias verworpen hebben, dat zij "omzwervende zijn onder de heidenen" (vers 17; Deuteronomium 28 vers 64 en 65). Zij hebben de tijd dat er in genade naar hen omgezien werd, "de dagen der bezoeking", niet erkend (Lukas 19 vers 44) en daarom moesten "de dagen der vergelding" komen en moest het oordeel hen treffen (vers 7).
"Want hun brood zal voor hun ziel zijn", dus voor henzelf zijn, werd in hoofdstuk 9 vers 4 gezegd. En in het eerste vers van het hoofdstuk voor vandaag zien wij wat Israël met zijn vrucht gedaan heeft. Beste vrienden, welk gebruik maken wij van hetgeen de Heere ons heeft toevertrouwd? Wat doen wij met onze kracht, ons verstand, ons geheugen, onze vrije tijd, de materiële dingen, enzovoort? Stellen wij dat alles in Zijn dienst of gebruiken we het voor de bevrediging van onze eigen verlangens?
De verzen 5 - 8 vertellen, een beetje spottend, over het verdwijnen van het gouden kalf van Beth-Aven (Bethel), over de opwinding onder de afgodenpriesters en het volk, over de verwoesting van Samaria en het einde van de laatste koning, die ook Hosea heette.
Daarin zien we echter ook een toespeling op de grote nood in Israël, wanneer dit volk door de grote verdrukking, in de eindtijd, zal hebben te gaan. Toen de Heere Jezus naar het kruis ging, sprak Hij de laatste woorden van vers 8 tot de dochters van Jeruzalem (Lukas 23 vers 30). Die tijd zal komen. Was het nu echter niet de tijd om te handelen zoals vers 12 het zegt: "zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid, braakt (ontgint) u een braakliggend land"?
Ja, is het nu niet de tijd om een nieuw leven te beginnen, dat ontstaat bij de wedergeboorte? Dit vers is een ernstige oproep aan allen die de kwestie van hun heil naar later datum willen verschuiven: Het is mi de tijd om de Heere te zoeken! Misschien laat Hij Zich morgen niet meer vinden (lees Jesaja 55 vers 6 en 7).
Naar aanleiding van de reis die de Heere Jezus als klein Kind uit Egypte maakte, wordt vers 1 in Mattheüs 2 vers 15 aangehaald. Omdat Israël volkomen gefaald heeft, stelt God Zijn Zoon in haar plaats (vergelijk Jesaja 49 vers 3). Hij begon overnieuw met de geschiedenis van het volk, en deze keer tot volmaakte verheerlijking van God.
Nadat God op zo'n bijzondere wijze had gewezen op Hem, Die Zijn gedachten van genade en heil ten uitvoer zou brengen, kan Hij nu ook vertellen wat er in Zijn hart omgaat. Het gericht dat Hij gedwongen was uit te voeren, was voor Hemzelf nog veel pijnlijker dan voor het volk. Zijn gevoelens als Vader werden ten diepste geraakt door het weerbarstige kind. Hij denkt eraan hoe Hij Efraïm leerde lopen, op de arm nam en te eten gaf (vers 3). Hij had hen van de slavernij bevrijd en aan Zichzelf verbonden, maar wel met koorden der liefde! Wat is het dan ontzettend verdrietig om te zien dat Efraïm zich niet bewust was van z'n eigen zedelijke verval (hoofdstuk 7 vers 9), noch van de zorgvolle liefde van God. "Maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas" (vers 3).
Beste lezer, misschien heb jij je ook, nog maar pas of al een tijdje geleden, van de Heere verwijderd. Denk er dan aan, dat Hij Zich sindsdien bezighoudt met jouw herstel! Zijn erbarmen komt tegemoet aan al je ellende. Maakt dat dan geen enkele indruk op jou? Laat je toch trekken door Zijn liefde, laat je door Hem terugbrengen!
Efraïm bevindt zich in dezelfde omstandigheden als later de gemeente van Laodicéa. Het spreekt dezelfde gedachte uit, het is uitermate tevreden met zichzelf: "Evenwel ben ik rijk geworden" (vers 9; Openbaring 3 vers 17). Maar God kijkt niet naar uiterlijke resultaten. In geestelijk opzicht is dit volk er heel ellendig aan toe, het is arm, blind en naakt, net zoals veel christenen vandaag voor God ook zijn. Door zijn leugenachtigheid en bedrog, zijn wereldgelijkvormigheid en vertrouwen op de mens, heeft Efraïm er alles aan gedaan om de toorn van God te prikkelen en de HEERE zal dit vergelden (vers 15; Deuteronomium 28 vers 37).
Om echter aan te tonen dat de weg tot terugkeer nog altijd openstaat, maakt God gebruik van de geschiedenis van Jakob, de man die op een uitgekookte manier zijn broer van zijn positie verdrong. Maar op zekere dag had deze patriarch, in Pniël, een ontmoeting met God. Daar heeft hij met Hem gestreden en overwonnen. Dat gebeurde echter niet door zijn mannelijke kracht, maar door huilen en smeken. Later, nadat hij zijn huis gereinigd had, leerde hij God in Bethel kennen als "de Almachtige" (Genesis 32 vers 24 en verder, en hoofdstuk 35). Tot de Heere roepen, zich verootmoedigen, de vreemde goden wegdoen, dat deed Jakob wel, maar Efraïm niet.
Dat is het wat wij, bij het op onszelf toepassen van vers 7, nooit mogen verzuimen: "Gij dan, bekeer u tot uw God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht gedurig op uw God" (vergelijk Jesaja 31 vers 6).
Wat is het toch aangrijpend om deze berisping, die verbonden is met lieflijkheid, uit de mond van God te horen, deze oproep om terug te keren tot de gelukkige tijden van vroeger. Maar helaas was het tevergeefs; God moest het oordeel uitoefenen en de toevlucht nemen tot Zijn onbeperkte genade, opdat Israël tot berouw zou komen en tot Hem teruggevoerd zou worden. "Want er is geen Heiland (Redder) dan Ik", zegt de HEERE (vers 4). Daarvan moest Efraïm zich eerst nog overtuigen, nadat het tevergeefs redding gezocht had bij de koning en de richters (vers 10). "De zaligheid is in geen ander", bevestigt Handelingen 4 vers 12; dit vers spreekt over de Naam van de Heere Jezus.
God kende Zijn volk in de woestijn. Toen wandelde Israël door "onbezaaid land" achter Hem aan (vers 5; Jeremia 2 vers 2). Iemand heeft eens gezegd dat het volk toen alleen maar God en het zand om zich heen had en het werkelijk stap voor stap op de HEERE moest rekenen. Later heeft de welstand, nadat men "zat geworden" was, ertoe bijgedragen dat men zich van God verwijderde en zich schuldig maakte (vers 6; Deuteronomium 32 vers 15 en 18).
Helaas is dit ook vaak het geval in het leven van een christen. Zodra hij meent voor de dagelijkse behoeften niet meer op de Heere te hoeven rekenen, bestaat het gevaar dat hij trots wordt en God, van Wie hij afhankelijk is, vergeet.
In 1 Korinthe 15 vers 55 weerklinkt als het ware de echo van de overwinningsuitroep uit vers 14. Naast de belofte, met betrekking tot de definitieve bevrijding van Israël, richt de Geest onze blikken op de opstanding en op Hem, Die de dood heeft overwonnen.
Als afsluiting van de lange woordenwisseling tussen de HEERE en Zijn volk ontspint er zich een wonderbaar gesprek. De Geest dicteert Israël de woorden van berouw: vers 3 en 4. God, Die acht slaat op het eerste teken van ommekeer (vergelijk Lukas 15 vers 20), belooft daarop direct: "Ik zal hun afkering genezen" (vers 5). De Heere verlaten, is inderdaad de ergste van alle 'ziekten'; daarbij gaat het namelijk om de ziel. "Ik zal hen vrijwillig liefhebben", voegt de HEERE eraan toe. Zijn toegenegenheid zal daarna ongehinderd tot uitdrukking komen in de rijkste zegeningen (vers 6 - 8).
En hoe zal Efraïm daarop antwoorden? Door elke verbinding met de afgoden weg te doen (vers 9). Voortaan zal de liefde van God voldoende voor hen zijn!
Kunnen wij dat ook van de Heere Jezus voor ons zeggen? In een lied zingen we het: 'Ik ben Uw, en Gij zijt mijn, liefde heeft ons saam verbonden...' (vergelijk 1 Johannes 4 vers 19). En wanneer wij in Zijn liefde blijven, zal het een vreugde voor Hem zijn om door ons vruchten voort te brengen (het slot van vers 9; Johannes 15 vers 8 - 10).
Zo eindigt de profetie van Hosea. Zijn naam houdt een belofte in, want die betekent 'redding' of 'bevrijding'. Als wij onszelf meerdere keren herkend hebben in het karakter van Efraïm, laten we dan ook de ernstige waarschuwingen die hij ontving, ter harte nemen. "Wie is wijs?" Is hij het niet, die ten allen tijde de gedachten van God verstaat en in Zijn wegen wandelt (vers 10)?
Boven deze profetie van Joël zou je als opschrift kunnen zetten: De dag des HEEREN (of 'van de Heere'). Daarbij gaat het natuurlijk niet om een dag van vierentwintig uur, maar om een toekomstige tijdsperiode, een tijd waarin de wil van God, zowel op aarde als in de hemel, vervuld zal worden (Mattheüs 6 vers 10).
Sinds de zondeval heeft de mens, gedreven door zijn eigen lusten, alleen dat gedaan waar hij zelf zin in heeft. Daarom kun je zeggen dat de tijd waarin we nu nog leven, 'de dag van de mens' genoemd kan worden. Daarom moet de Heere, wanneer Hij zal ingrijpen om Zijn wil door te voeren, allereerst door oordelen een einde maken aan de menselijke hoogmoed. In geestelijk opzicht begint de dag des Heeren in ons leven op het moment waarop wij Zijn gezag volledig erkennen.
Hosea was een profeet voor Israël, terwijl Joël zich richt tot Juda. Als aanleiding daartoe maakt hij gebruik van een aantal natuurrampen, namelijk de verschillende manieren waarop het land verwoest werd door allerlei ongedierte. Er is, in het oosten, nauwelijks iets te bedenken wat indrukwekkender is dan een sprinkhanenplaag. Denk je maar eens in hoe het is wanneer er een enorm groot leger van miljarden insecten op een vruchtbare omgeving aanvalt en dat gebied in de kortst mogelijke tijd verandert in een woestenij.
Via deze catastrofe, die in de dagen van Joël plaatsvond, spreekt hij over een gesel, die in de toekomst zal komen: de invasie van de Assyriërs.
De HEERE noemt deze wilde aanvallers "Mijn groot leger" (vers 11 en 25), hoewel ze aangevoerd worden door de hoogmoedige Assyriër. Die is namelijk alleen maar een voltrekker van Zijn Woord, "de roede van Mijn toom", zegt Jesaja 10 vers 5.
Wanneer wij getuchtigd worden, moeten we nooit de liefdevolle en trouwe hand achter dit alles uit het oog verliezen. Denk er altijd maar aan dat deze mislukking, dat ongeluk, deze zorgen van de Heere Zelf komen, omdat Hij het nodig achtte voor jou. En laten we toch nooit doen als dat boze kind, dat meent zich aan de straf te kunnen onttrekken door de roede waarmee het naar alle waarschijnlijkheid geslagen zal worden, kapot te maken.
We kunnen ons haast geen voorstelling maken van die grote stormachtige aanval, "zoals van ouds niet geweest is", hoe het zal zijn als die onweerstaanbare vloed over de muren tot in de huizen zal komen. Deze invasie wordt in een ander Schriftgedeelte "de overvloeiende gesel" genoemd (Jesaja 28 vers 15). Maar wordt dit vreselijke beeld van tevoren al niet aan Israël getoond, om haar geweten wakker te schudden? Nu is het nog de tijd voor Israël âja voor iedereen â om met het hele hart, "met geween, en met rouwklacht", om te keren tot God, "want Hij is genadig en barmhartig..." (vers 12 en 13; lees Jakobus 5 vers 11).
"Blaast de bazuin", herhaalt de profeet (vers 1 en 15; zie Numeri 10 vers 9), hetgeen een beeld is van aanhoudend gebed van het geloof! Dan zal de Heere, in het uur van het gevaar, aan de Zijnen denken.
"Bekeert u tot de HEERE, uw God", zo luidt de oproep in vers 13. "Wie weet, Hij mocht Zich wenden... en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten" (vers 14). Wie weet? Wat ons betreft, dan weten wij juist heel goed, dat God nooit ongevoelig blijft onder de tranen en het smeken van de Zijnen. Bewogen door erbarmen, vermeerdert Hij onmiddellijk Zijn beloften: definitieve vernietiging van de vijanden van het volk; overvloed aan materiële goederen, zelfs meer dan men verloren heeft (vers 25). En het allerkostbaarste van deze zegeningen die Hij achter Zich overlaat, is Zijn Geest, Die Hij rijkelijk over de Israëlieten zal uitgieten, tot een getuigenis tegenover de hele wereld (vers 28). Deze tijd moet nog komen, want Israël is nu helaas nog niet bereid om deze Gave te ontvangen. Op die bewuste pinksterdag baseerde Petrus zich echter al op deze Schriftplaats, om aan de Joden uit te leggen wat er toen was gebeurd (Handelingen 2 vers 17).
"Al wie de Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden", zegt vers 32, dat in Handelingen 2 vers 21 en Romeinen 10 vers 13 aangehaald wordt. 'Aanroepen' wil zeggen: zich in gebed richten tot Hem, zich beroepen op deze Naam, de Naam van de Heere Jezus, de Enige waardoor wij gered kunnen worden. Te midden van de grootste verdrukking zal God iedereen redden â en Hij redt ook nu nog â die zich tot Hem wendt. "Bekeert u... en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen" (Handelingen 2 vers 38). Deze belofte geldt ook nog voor vandaag, ook voor jou!
Het herstel van Juda en Jeruzalem gaat gepaard met het oordeel over de volken. Deze volken zullen dan tot een tragische ontdekking komen: doordat zij Israël verstrooid en het land onder zich verdeeld hebben (vers 2), hebben zij in feite God Zelf aangevallen. "Wat hebt gij met Mij te doen?", is de vreselijke vraag die vanuit de hemel gesteld wordt (vers 4). Saulus van Tarsus moest het ook ervaren, dat hij, door het vervolgen van de christenen, de Heere Jezus Zelf vervolgde (Handelingen 9 vers 4 en 5).
Door een totale ommekeer van de omstandigheden zullen deze volken het lot leren kennen dat zij het volk van God hebben aangedaan. Hun daad zal uiteindelijk op hun eigen hoofd terechtkomen. Dat is een onveranderlijk beginsel in de regering van God (zie Genesis 9 vers 6; Richteren 1 vers 7, enzovoort). Totaal verblind, zullen deze volken hun wapens smeden en tegelijkertijd hun eigen ondergang bewerkstelligen. Dan zal de hoogste Rechter hen naar de plaats des onheils roepen (vers 9 - 12). "Menigten, menigten in het dal van de dorswagen", of zoals andere vertalingen het zeggen: in het dal van de beslissing (vers 14).
Deze onheilspellende 'wijnoogst' zal, als de laatste daad, de inleiding vormen tot de dag des Heeren (Openbaring 14 vers 18 - 20). Voortaan zal de genade in overvloed kunnen vloeien voor het gereinigde volk (vers 21). En omdat het gereinigd zal zijn, zal God, ten teken van de grootste gunst, dan Zelf in haar midden wonen.
Om de inspiratie van de Bijbel te kunnen loochenen, wijzen ongelovigen vaak op het aantal en de grote verscheidenheid van de schrijvers. Maar juist dát is een bevestiging dat dit Boek het Woord van God is! De volkomen overeenstemming van de getuigenissen van veertig schrijvers, die zich over een tijdsperiode van meer dan vijftienhonderd jaar uitstrekt, is een onweerlegbaar wonder. Om de uitvoer van een groot kunstwerk voor te bereiden, zal een architect gebruik maken van ingenieurs, tekenaars, technici, enzovoort, die ieder op zijn vakgebied bepaalde vaardigheden bezit. Desondanks beschouwt men het bouwwerk als iets wat door die ene man, de architect, ontworpen is. Het is naar zijn plan uitgevoerd en zal op zijn naam komen te staan.
De dienstknechten die God gebruikte om Zijn Woord te schrijven, zijn heel verschillend. Daniël was een vorst, Jeremia en Ezechiël waren priesters, Amos was een eenvoudige herder (vers 1). Maar de Goddelijke roeping heeft hen geschaard in de rij van "heilige mensen Gods", die "door de Heilige Geest gedreven" spraken (hoofdstuk 7 vers 14 en 15; 2 Petrus 1 vers 21). Zijn Boek kan daarom alleen maar de volkomen harmonie tussen alle delen van de Heilige Schrift bevestigen.
Amos begint daar waar de profetie van Joël in vervulling ging (vergelijk vers 2 met Joël 3 vers 16). Joël sprak over het geheel van volken. Amos noemt achtereenvolgens Syrië, Filistea, Tyrus, Edom, Ammon (en in hoofdstuk 2 Moab), om duidelijk te maken dat elk volk op zich de maat van hun zonden vol gemaakt heeft.
Met Moab is de lijst met overtreders nog niet afgesloten. Juda en Israël worden ook genoemd onder de schuldige volken! En de zonde van Israël is zelfs groter dan die van alle buurlanden. Die hadden hun boosheid namelijk alleen uitgeoefend tegenover hun vijanden, terwijl in Israël de zwakken onderdrukt werden door de sterken, de profeten de mond gesnoerd en de Nazireeërs verontreinigd werden (vers 12). "Omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen, en de behoeftige om een paar schoenen" (vers 6 en hoofdstuk 8 vers 6); ze hebben de arme vertreden, de rechtvaardige verdrukt en het recht van de noodlijdende verbogen (hoofdstuk 5 vers 11 en 12).
Onwillekeurig gaan onze gedachten dan naar de Heere Jezus, Die vaak aangeduid wordt met de woorden "de Rechtvaardige" (bijvoorbeeld Handelingen 22 vers 14) en "ellendig en nooddruftig" (Psalm 40 vers 18 en 41 vers 2). Onophoudelijk werd Hij verdrukt en onderdrukt, voordat Hij verraden, verkocht, en ten slotte ter dood veroordeeld werd (Jakobus 2 vers 6 en 5 vers 6).
De HEERE roept bij Zijn volk de wonderdaden in herinnering die Hij eens ten gunste van hen volbracht heeft. En hierdoor kwamen hun overtredingen nog des te duidelijker naar voren. Hij heeft hun gruwelijke vijanden verdelgd (vers 9); Hij heeft hen uit Egypte bevrijd en door de woestijn geleid (vers 10).
Deze machtsdaden en grote liefde herinneren ons aan het grote heilswerk dat Hij volbracht heeft ten gunste van alle mensen! De mens, van zijn kant, staat echter vaak ontzettend ondankbaar tegenover dit grote werk. Welk antwoord heb jij op de liefde van de Heiland gegeven?
Israël was een geslacht (familie) dat God uitverkoren had uit alle andere geslachten op aarde. "Daarom...", zegt de HEERE verder, om aan te tonen dat deze uitverkiezing de grootste verplichtingen met zich meebracht.
We willen er nog een keer op wijzen: des te inniger de verhouding, des te groter de verantwoording (lees Mattheus 11 vers 20 - 24). Eén en dezelfde fout wordt heel verschillend aangerekend, al naar gelang het door een vreemde, een knecht of door een zoon gedaan werd.
God maakt Zich op, om Zijn volk door het oordeel te treffen. Maar niets gebeurt zonder voorafgaande waarschuwing. Het brullen van de leeuw is voor een kudde een doeltreffend signaal, een waarschuwing. Amos, de herder uit Tekoa, kent dit maar al te goed en hij probeert dan ook het geweten van het volk dat in slaap gesukkeld is, wakker te schudden. "Doet het horen..." en "hoort...", roept hij.
Maar God zal nog een ander middel gebruiken, om Israël uit haar gevoelloosheid en verharding te doen ontwaken. De hele profetie van Amos staat vol toespelingen op een aardbeving die twee jaar later zou plaatsvinden (hoofdstuk 1 vers 1; 2 vers 13 - 16; 3 vers 14 en 15; 6 vers 11; 9 vers 1 en 11, enzovoort).
Laten wij die door genade tot de hemelse familie van God mogen behoren, toch altijd letten op de waarschuwingen die onze hemelse Vader ons geeft.
Toen de HEERE eertijds de plagen over Egypte liet komen, beschermde Hij Israël daartegen (Exodus 8 vers 22; 9 vers 6, 7 en 26; 10 vers 23; 12 vers 12 en 13). Wat een ommekeer, ook in moreel opzicht (vers 11): nu ziet Hij Zich ertoe gedwongen om Zijn volk "naar de wijze van Egypte" te slaan (vers 10). Hongersnood, droogte, schadelijke ziekten voor de planten, epidemieën, aardbevingen. Er volgen achtereenvolgens vijf rampen, alle met het doel te spreken tot het geweten van dit opstandige volk. Wat is het dan intriest te moeten horen dat er ook vijf keer hetzelfde refrein klinkt: "Nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij" (vers 6, 8, 9, 10 en 11).
Laten we echter niet met stenen gaan gooien naar dit volk! Moet de Heere met ons vaak ook niet hetzelfde geduld hebben? Als Hij middelen moet gebruiken die pijnlijk zijn voor ons, dan is dat altijd om ons te sparen, als "een vuurbrand uit het vuur gerukt" (vergelijk Zacharia 3 vers 2). Zijn wij omgekeerd tot Hem? Laten we eraan denken dat men vroeger of later God moet ontmoeten! Wanneer de zondaar niet nu, in de tijd van genade, met een berouwvol hart tot de Heere Jezus gaat, zal Hij hem eens met het oordeel moeten treffen (Lukas 12 vers 58 en 59). "Zo schik (bereid) u... om uw God te ontmoeten!" (vers 12).
Bestaat er vandaag de dag dan geen manier voor de mens om aan deze vreselijke ontmoeting te ontkomen? Gelukkig wel! Dan moet je nu je zonden belijden en de vergeving aannemen, die de Heere Jezus je heel graag wil geven. Beste vriend, heb je dat al gedaan?
"Komt te Beth-El, en overtreedt te Gilgal; maakt het overtreden veel...", zo klonk de ironische oproep in hoofdstuk 4 vers 4. Maar nu smeekt God hen: "Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal..."; "Zoekt Mij, en leeft"; "Zoekt de HEERE, en leeft" (vers 4 - 6).
Om te leven heeft de mens geen godsdienst, maar een Verlosser nodig! En de Heere Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven; niemand komt tot de Vader dan door Hem (Johannes 14 vers 6). Erkennen wij de grootheid van Hem Die de werelden gemaakt heeft en hen draagt (Hebreeën 1 vers 2 en 3)? Wanneer wij in een heldere nacht "het zevengesternte en de Orion" aan het firmament kunnen ontdekken, dan is er bij ons misschien verbazing en bewondering. Dan proberen we ons wellicht een voorstelling te maken van de onmetelijke afstanden in het heelal, hoewel dat vergeefse moeite zal zijn, want we kunnen ons absoluut geen voorstelling van deze grootheid maken. De Zoon van God heeft echter een nog veel groter en wonderbaarder werk volbracht! De dreigende schaduw van de eeuwige dood, die ons al omringde, heeft Hij veranderd in de morgenstond. De dood is verslonden in overwinning â door Zijn opstanding (vers 8; 1 Korinthe 15 vers 54).
Zeker, de duisternis regeert nog altijd in deze wereld. Onderdrukking en onrecht zijn aan de orde van de dag, dat weten we allemaal. Maar de christen is niet terneergedrukt; zelfs in "een boze tijd" (vers 13) weet hij waar hij zijn Verlosser kan vinden. En iedere keer als wij onze Bijbel openen, zou onze leus moeten zijn: 'Zoek Hem!' (Psalm 27 vers 8).
Het goede is in overeenstemming met God (Psalm 4 vers 6). "Zoekt het goede... opdat gij leeft" (vers 14) komt op hetzelfde neer als "zoekt de HEERE, en leeft" (vers 6). Maar om naar het goede te trachten, moet men het liefhebben, net zoals men het kwade zal mijden in de mate waarin men het verafschuwt (vers 15; Romeinen 12 vers 9). Misschien is er nu iemand die zegt: 'Het is echter niet altijd gemakkelijk het goede van het kwade te onderscheiden'. Dat klopt, en de menselijke moraal zal ons daarbij nauwelijks verder kunnen helpen, omdat zij slechts mens met mens kan vergelijken. De enige en zekere leidraad hierin is het Woord van onze God.
Net zoals talloze christenen vandaag telkens in hun gebeden herhalen: 'Uw Koninkrijk kome' en daarmee de dag van het oordeel naderbij roepen, hebben sommigen ook toen verlangd naar de dag des HEEREN, zonder daarbij echter te bedenken dat het de dag van hun eigen ongeluk kon zijn. En zij vermeerderden hun godsdienstige vormen: feesten, offeranden, enzovoort, en meenden daarmee hun eigenlijke toestand voor God te kunnen verbergen! "Doe het getier van uw liederen van Mij weg", is daarop het strenge antwoord van de Heere (vers 23; zie bijvoorbeeld ook Jesaja 1 vers 13 - 15). Ach, hoeveel liederen en gebeden zijn voor God slechts als nutteloos lawaai! Laten we toch nooit vergeten dat Hij verlangt naar oprechtheid van het hart (Psalm 51 vers 6)!
Stefanus heeft later, voor de oudsten van de Joden, de verzen 25 - 27 aangehaald, opdat zij zich ervan bewust zouden worden hoe oud en ernstig hun zonde was (Handelingen 7 vers 42 en 43).
God had al eerder bij Zijn volk dat afgeweken was, de vinger gelegd op de hardnekkigheid, de hoogmoed, het egoïsme en de zucht naar gemak (hoofdstuk 2 vers 6; 4 vers 1, 5 vers 11; vergelijk 1 Korinthe 10 vers 24; 1 Johannes 3 vers 17). Ze gebruikten hun verstand en capaciteiten voor hun eigen genoegen (vers 5).
Dat spreekt ook tot ons geweten! Is het niet oneerlijk om dat wat de Heere ons voor Zijn dienst heeft toevertrouwd, voor onszelf te gebruiken? Daarbij vergeten we zelfs, dat een leven voor eigen plezier, het leven voor de bevrediging van de eigen verlangens, ons in geestelijk opzicht in de slavernij van de vijand brengt (vergelijk vers 7).
Ten slotte zien we hier iets wat hand in hand gaat met de materiële welstand en de zucht naar vermaak: dat men zich niet bekommert "over de verbreking van Jozef" (vers 6). De tijdgenoten van Amos leden niet meer onder de scheiding, dat er twee koninkrijken in Israël waren.
Vandaag de dag hebben deze dingen, namelijk het streven naar vermaak en het opkomen voor de eigen belangen, dezelfde uitwerking: een onvergeeflijke onverschilligheid met betrekking tot het verval in de Gemeente en de scheuringen onder christenen.
Vers 8 zegt nog eens duidelijk dat God een grote afkeer heeft van de hoogmoed, de wortel van iedere zonde. O, dat de Heere ons toch mag leren dat we deze hoogmoed, of het nu duidelijk aan het daglicht treedt of niet, in ons veroordelen! Laten we eraan denken dat Hij de hoogmoedigen weerstaat, maar de nederigen genade geeft (Jakobus 4 vers 6).
In hoofdstuk 3 vers 7 heeft de HEERE beloofd niets te zullen doen zonder vooraf Zijn knechten, de profeten, in kennis te stellen van Zijn plannen. Daarom onderwijst Hij hier Amos ook over Zijn bedoelingen. En op dit bewijs van vertrouwen antwoordt de profeet op dezelfde wijze als eens Abraham deed (Genesis 18 vers 17 en 23), en wel met aanhoudende voorbede. Hij spreekt met de vrijmoedigheid van iemand die een vertrouwde omgang met zijn God heeft: 'Is deze straf niet te streng? Vergeet toch niet, dat Jakob klein is'. (God Zelf noemt hem in Jesaja 41 vers 14 een worm, dus precies het tegengestelde van het gepronk van dit arme volk, dat beweerde: "Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen?" â hoofdstuk 6 vers 13.)
Maar juist nadat Amos op zo'n aangrijpende wijze voor zijn volk is opgekomen en heeft gesmeekt, wordt hijzelf door één van de godsdienstige leiders van een samenzwering beticht! Wat lijkt hij hiermee op de Heere Jezus, Die door de Hogepriester en de Schriftgeleerden ook aangeklaagd werd, met de woorden: "Wij hebben bevonden, dat Deze het volk afkeert..." (Lukas 23 vers 2).
In plaats van zich daarover te ergeren of aanspraak te maken op de eer die een profeet gebracht zou moeten worden, geeft Amos eenvoudig toe dat hij van geringe afkomst is. Zijn volmacht om te spreken is niet gebaseerd op zijn geboorte, noch op zijn opvoeding, maar uitsluitend op de Goddelijke roeping (vergelijk Galaten 1 vers 1). Daarna vertelt hij de goddeloze en hebzuchtige priester wat hem van de kant van de HEERE te wachten staat.
Het gezicht van de korf met vruchten moet aan Amos duidelijk maken dat Israël rijp is voor het oordeel. In tegenstelling tot de nacht van het Pascha zal de verderver het volk nu niet meer voorbijgaan (vers 2), "en ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enige zoon" (vers 10). Het nutteloze lawaai van de liederen (hoofdstuk 5 vers 23) zal veranderen in gehuil en de gezangen zullen worden tot klaagliederen (vers 3 en 10). Het slot van vers 3 spreekt over stilzwijgen, om aan te geven dat er een einde gemaakt zal worden aan al dat nutteloze lawaai. Voortaan zal elke mond voor de Heere gesloten blijven. En het slot van dit hoofdstuk spreekt zelfs over het zwijgen van God Zelf, het ergste oordeel dat er bestaat! Er bestaan maar weinig Schriftplaatsen die zo schokkend zijn als vers 11 en 12. Pas wanneer zij het niet meer horen, zullen de mensen de grote waarde van het Goddelijke Woord, dat zij zo lange tijd veracht hebben, gaan inzien. Dan zullen ze in onbeschrijfelijke vertwijfeling "zwerven van zee tot zee... zij zullen omlopen... maar zullen het niet vinden" (vergelijk 1 Samuël 28 vers 6 en 15).
Beste vrienden, vandaag ligt het Woord van God nog binnen ons handbereik. "Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart", zegt de apostel in Romeinen 10 vers 8. Nooit tevoren is de Bijbel op zo'n grote schaal verspreid als nu het geval is. Wat er echter helaas zo vaak ontbreekt, is de honger en de dorst bij de mens om zich de beloften en de onderwijzingen in het Woord toe te eigenen. Geve God, dat dit verlangen wel in het hart van een ieder van ons aanwezig is!
"Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien" (Galaten 6 vers 7). De voorgaande hoofdstukken hebben ons laten zien wat Israël gezaaid heeft. Daarom hoeft het erge wat ze hier oogsten, ons ook niet te verrassen. Het laatste gezicht van Amos is veruit het ergste wat hij te zien kreeg. Hij ziet de Heere Zelf bij het altaar staan en hoort Hem het bevel tot de definitieve vernietiging geven. Niemand zal ontkomen. De vertwijfelde vlucht van de schuldigen doet ons denken aan Psalm 139 (vergelijk vers 2 met Psalm 139 vers 8). Deze Psalm vertelt echter vooral over een gelovige die aan het licht probeert te ontkomen. Hier gaat het daarentegen om zondaren die opgejaagd worden door de vreselijke angst voor het oordeel.
Toch is dat oordeel niet het einde van dit Boek. Vanaf vers 8 verschijnt de genade. Alle kaf is uit de zeef waar het volk overheen is gegaan, verwijderd, maar toch is er geen enkel korreltje verloren gegaan (vers 9). Op het moment dat God heeft bepaald, zal Hij laten zien dat Hij Zijn uitverkorenen heeft bewaard. De verzen 11 - 15 geven een beschrijving van het definitieve herstel en de zegen. Dan zullen alle dingen aan Christus onderworpen zijn.
Als verlosten van de Heere zullen wij Hem niet als Voorvechter voor de gerechtigheid â Die bij het altaar staat, en zoals Amos Hem zag â ontmoeten. Nee, wij zullen Hem zien zitten aan de rechterhand van God, met eer en heerlijkheid gekroond (Hebreeën 2 vers 8 en 9). Ja, door het geloof mogen we Hem daar nu ook al zien!
De korte profetie van Obadja is helemaal gewijd aan Edom. Dit volk was de meest verbitterde vijand van Israël, hoewel het de naaste bloedverwant was. Het stamde immers af van Ezau, de tweelingbroer van Jakob. En deze familiebanden hadden tot het geweten van Edom moeten spreken. De HEERE roept dit bij hem in gedachtenis, door te wijzen op "het geweld, begaan aan uw broeder Jakob" (vers 10).
In "de kloven van de steenrotsen", van het gebergte Seïr, leefde Edom van de roof. Omdat hij meende daar voor elke vorm van vergelding in veiligheid te zijn, was hij enorm arrogant geworden. Maar de HEERE sprak: "Ik zal u van daar neerstoten" (vers 4). Vroeg of laat stuit de menselijke hoogmoed af op de tussenkomst van de Almachtige, wat een opzienbarende val tot gevolg zal hebben (2 Korinthe 10 vers 4 en 5). Wat zal dat een pijnlijk ontwaken zijn uit de aloude droom die de mens van alle tijden al gekoesterd heeft, de droom de hemel te kunnen bereiken (Babel: Genesis 11 vers 4) en aan God gelijk te zullen zijn (Filippensen 2 vers 6). Ook in de tegenwoordige tijd spaart de mens kosten noch moeite om het heelal te onderzoeken en zijn "nest tussen de sterren" te kunnen maken (vers 4). Maar de Heere antwoordt: "Ik zal u van daar neerstoten".
Beste vrienden, laten we ons toch niet door menselijke grootheid, noch door wetenschappelijke successen en techniek laten verblinden. Vergeet niet dat deze wereld onder het oordeel ligt en dat God rekenschap van haar zal vragen over de plaats die ze de Heere Jezus gegeven heeft aan het kruis.
"Toen zoudt gij niet...", zo klinkt de stem van de Goddelijke Rechter, en de aanklachten worden steeds erger. Eerst gaat het alleen maar om schuldige blikken, om leedvermaak over het lijden en het ongeluk van de ander. Dezelfde schaamteloze, cynische blikken waren ook op de Heere Jezus aan het kruis gericht." Zij schouwen het aan, zij zien op Mij" (Psalm 22 vers 18). Maar de slechtheid van Edom (en bij de vijanden van de Heere Jezus) kwam ook tot uitdrukking in woorden en daden.
"Zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd..." (Psalm 22 vers 8; vergelijk dit met het eind van vers 12). Bestaat er iets gemeners dan iemand wie iets ergs overkomt, op die manier te beledigen? Gedreven door roofzuchtige begeerte heeft Edom het ongeluk van Israël aangegrepen, en zich vergrepen aan diens rijkdom en de ontkomenen op onbarmhartige wijze uitgeroeid. Al deze misdaden blijven niet ongestraft. De dag des Heeren zal een definitieve en volledige vergelding van "de berg Sion" op "Ezau's gebergte" brengen. Terwijl een overblijfsel uit de overige volken gelukkig onder de heerschappij van de Messias zal leven, zal Edom van de landkaart van het duizendjarig rijk worden weggevaagd. Wat een ernstige zaak, dat het geslacht van Ezau, die eens de zegen veracht heeft, compleet verdwijnt!
In tegenstelling tot de andere profeten onderwijst Jona ons meer door zijn aangrijpende geschiedenis dan door zijn woorden. Hij had destijds het herstel van de grenzen van Israël aangekondigd, hetgeen een goed bericht voor het volk was (2 Koningen 14 vers 25). Hier krijgt hij echter een minder aangename opdracht, want hij moest het oordeel over Ninevé aankondigen. Ninevé was een grote, heidense stad, die ontzettend schuldig stond voor God. Jona trekt zich echter terug en vlucht weg "van het aangezicht des HEEREN" (vers 3). Hij ging de weg van de eigen wil! Een dienstknecht van God kan echter niet zelf de boodschap, noch zijn arbeidsterrein, uitkiezen! Tegelijkertijd was zijn handelen natuurlijk ontzettend dwaas. Hoe zou hij ooit kunnen ontkomen aan Hem Die alles ziet en over de elementen beschikt, om iemand die ongehoorzaam is, te weerhouden (Lukas 8 vers 25)?
Let eens op, hoe het met Jona, stap voor stap, bergafwaarts gaat (vers 3 en 5; hoofdstuk 2 vers 6). Eerst bevindt hij zich op een aangename weg (dat is de betekenis van Jafo), die echter tot het verderf (Tarsis) leidt. En nu, nu hij in het ruim van het schip een plaatsje heeft gevonden, slaapt hij, terwijl de storm woedt. De kapitein moet hem wakker schudden uit zijn diepe slaap. Bestaat er voor een kind van God iets wat meer vernederend is dan door de wereld tot de orde geroepen te worden?
Profetisch laat deze geschiedenis ons het volk Israël zien, dat ontrouw was aan de ontvangen opdracht, en dat als onderwerp van het oordeel van God in de zee van de volken geworpen werd, hetgeen tot heil van de volken (matrozen) was (Romeinen 11 vers 11 - 15).
Alles wat de HEERE beschikt, zegt en beveelt, zal dienen tot de uitvoering van Zijn plannen (hoofdstuk 1 vers 4; 2 vers 2 en 10; 4 vers 6, 7 en 8). Dat geldt voor Jona, voor Ninevé, maar ook voor de Heere Jezus Zelf. In het smartelijke en vurige gebed dat hier vanuit de plaats van de dood omhoog stijgt, herkennen we de stem van Hem, Die Zich eens in de grootste nood bevond (vergelijk vers 2 met Psalm 130 vers 1 en 2; vers 3 met Psalm 42 vers 8; vers 5 en 6 met Psalm 69 vers 2, 3, enzovoort). Maar terwijl Jona ten gevolge van eigen ongehoorzaamheid diep in de problemen kwam, is Christus vanwege onze ongehoorzaamheid en tot ons heil door de donkere golven van de dood heen gegaan. Zijn lijden en sterven is ons tot redding geworden.
Die drie dagen, daar in de buik van de grote vis, zijn de beste geweest in de geschiedenis van Jona. Ze leren ook ons dat we onder alle omstandigheden de Heere Jezus mogen en kunnen aanroepen. Hij geeft ons van tevoren de volle zekerheid dat ons gebed gehoord wordt. "...en Hij antwoordde mij", zegt de profeet al wanneer hij nog in de buik van de vis zit (vers 2).
Vers 8 maakt ons duidelijk waarom wij vaak zo weinig genieten van de genade van de Heere. Dat komt doordat we onze blikken richten op "ijdelheden" (of zoals het in andere vertalingen staat: op nietige afgoden), dingen waarvan satan gebruik maakt, om de aandacht van de mensen in deze wereld af te leiden en hen te verleiden.
Helaas versterkt het feit, het onderwerp geweest te zijn van de genade van God, de trotse zelfzucht bij Jona; iets wat ook onze natuur vaak zo eigen is.
Eigenlijk is die oproep van Jona in de stad Ninevé de enige profetie die we in zijn Boek tegenkomen. En zelfs die gaat niet in vervulling, want als reactie op zijn prediking vrezen de bewoners van deze slechte stad, met de koning voorop, God en ze geloven Zijn woorden en hebben berouw. Ook deze gezindheid wordt in de hemel opgemerkt (vers 10; hoofdstuk 1 vers 2), en God reageert in genade (zie Jeremia 18 vers 7 en 8).
De Heere Jezus haalde de mannen van Ninevé aan als voorbeeld voor de Joden in Zijn tijd, terwijl zij toen oneindig veel "meer dan Jona" in hun midden hadden (Mattheus 12 vers 40 en 41). Zij hadden inderdaad een veel grotere verantwoordelijkheid dan die heidense Ninevieten. De Zoon van God was hier gekomen, niet om de wereld te oordelen, maar om haar te redden (Johannes 12 vers 47). Zichzelf als zondaar erkennen, de Heere Jezus als Verlosser aannemen, dat is de enige mogelijkheid om aan het eeuwig verderf, de eeuwige verdoemenis, te ontkomen. De aankondiging van het oordeel is ook een deel van het evangelie. "En gelijk het de mensen gezet is eenmaal te sterven, en daarna het oordeel", waarschuwt de Heilige Schrift (Hebreeën 9 vers 27). Dit "eenmaal" kan voor jou, onbekeerde lezer, ieder moment aanbreken. Je weet immers niet, of je nog over een bepaalde termijn, ook al waren het nog maar veertig dagen, te beschikken hebt (Lukas 12 vers 20). "Daarom, weest ook gij bereid", zegt de Heere Jezus in Mattheüs 24 vers 44. Ja, nu is het de dag van het heil!
De vergeving die Ninevé toegezegd wordt, lijkt haaks te staan op de prediking van Jona en die zelfs te ontkrachten. Helaas is het lot van deze stad voor Jona van minder belang dan zijn eigen naam, z'n eigen eer. Hij vergeet dat hij even tevoren zelf het onderwerp van genade geweest is; hij verheugt zich niet over die genade, maar was wel blij met zijn eigen genoegen (het slot van vers 6).
Jona doet ons aan Elia denken, die ontmoedigd onder de jeneverboom ging zitten (vergelijk vers 3 en 8 met 1 Koningen 19 vers 4). En net als hij, zijn ook wij in staat om ons over allerlei kleine dingen op te winden. Bij de kleinste "wonderboom" â wat toch maar een onzekere bescherming biedt â die ons door God afgenomen wordt, raakt ons bloed soms al aan de kook! Maken wij ons ook altijd zo druk om het eeuwige leven van zoveel mensen om ons heen? Gaat ons dat ook zo aan het hart?
Had zich juist toen geen nieuwe gelegenheid voor de dienst van de profeet voorgedaan, in plaats van daar maar mopperend op zijn uitkijkpost te blijven zitten (vers 5)? Had hij niet naar Ninevé, dat gespaard was gebleven, terug moeten gaan, maar dan met een heel andere boodschap, om daar de Naam van deze God te verkondigen, Die hijzelf ook als de God van genade had leren kennen, "barmhartig... lankmoedig en groot van goedertierenheid", en Die dat zojuist op duidelijke wijze getoond had? Een buitengewone gelegenheid â een verloren gegane gelegenheid!
Laten we de gelegenheid die de Heere vandaag nog aan een ieder van ons geeft, toch niet uit zelfzucht of hardnekkigheid voorbij laten gaan (2 Koningen 7 vers 9)!
Micha is een tijdgenoot van Jesaja, Hosea en Amos. Net als zij profeteerde ook hij in de tijd van de regering van Jotham, Achaz en Jehizkia. De verdrietige geschiedenis van Achaz, waarover we in 2 Koningen 16 lezen, en de geschiedenis van de slechte koningen van Israël, rechtvaardigen meer dan voldoende de vreselijke woorden van de HEERE die Hij hier uitspreekt en waarbij Hij de hele wereld tot getuige neemt. Hier doet Hij Zijn heiligheid gelden, om door middel van Zijn oordelen te laten verkondigen, dat Hij niets van doen wil en kan hebben met de ongerechtigheden van Samaria en Jeruzalem.
Vanaf vers 8 zien we hoezeer het lijden van zijn volk Micha aan het hart gaat. "Verkondigt het niet te Gath", smeekt hij (vers 10; 2 Samuël 1 vers 18 en 20). Dit citaat uit 'het klaaglied van de boog' herinnert ons eraan, dat de vijanden van de Heere â hier de Filistijnen â altijd bereid zijn zich te verheugen over de misstappen van Gods volk, omdat zij daarin gemakkelijk een uitvlucht voor hun eigen zonden kunnen vinden.
Denk er daarom aan, gelovige vrienden, dat wanneer jullie iets onplezierigs over een andere gelovige horen, jullie dat niet lichtvaardig doorvertellen. Dat zal tot oneer van de Gemeente en daarmee bovenal tot oneer voor de Naam van de Heere zijn.
Tot aan vers 16 wonen wij, als het ware, de zegetocht van de Assyriërs bij, als voltrekkers van het oordeel van de HEERE. Zaänan betekent 'uittocht', Maroth betekent 'bitterheid', Maresa 'bezit'; zo heeft de naam van elke stad die ingenomen werd, bij deze gelegenheid een tragische betekenis.
Hoofdstuk 21 van het eerste Boek Koningen vertelt ons hoe de goddeloze Achab het erfdeel van Naboth begeerde en dat op gewelddadige wijze, door machtsmisbruik, in bezit nam (zie Micha 6 vers 16). Tegen hen die onheil (ongerechtigheid; vers 1) bedenken, bedenkt de Heere ongeluk ("een kwaad", dat wil zeggen oordeel; vers 3). Maar laten we daarentegen een dikke streep zetten onder de vraag in vers 7: "Doen Mijn woorden geen goed bij hem, die recht wandelt?" Kunnen wij uit eigen ervaring antwoorden: 'Ja Heere, Uw woorden zijn goed, ze zijn een vreugde voor mijn hart' (Jeremia 15 vers 16; Johannes 6 vers 68)?
"Dit land zal de rust niet zijn", zegt de profeet verder (vers 10). De wereld is inderdaad zo onrustig dat ieder oprecht mens wel moet toegeven: 'hier op aarde kun je nergens echte rust vinden'. God noemt ons ook de oorzaak hiervan: "omdat het verontreinigd is". Evenmin als de Heere Jezus in deze door de zonde verdorven wereld een plaats kon vinden waar Hij zijn hoofd kon neerleggen, kunnen de verlosten zich, te midden van hetgeen tot oneer van God is, op hun gemak voelen.
Wat jou betreft, onbekeerde vriend, als jij het zelf ook al ervaren hebt dat de wereld je geen vrede kan geven, laat je dan toch zeggen waar je die plaats wel kunt vinden, waar je vermoeide ziel tot rust kan komen. Waar dat is? Bij de Heere Jezus! "Komt tot Mij" â zo nodigt Hij je uit â"en Ik zal u rust geven" (Mattheüs 11 vers 28).
In hoofdstuk 2 werden al eerder de valse profeten genoemd. Waar kon men hen aan herkennen? Zij probeerden de ware dienstknechten van God, zoals Micha en Jesaja, tot zwijgen te brengen. Zij pasten hun uitspraken aan, aan het verlangen van het volk, om zodoende bij hen in de gunst te komen (vergelijk Romeinen 16 vers 18). Zij vleiden de lusten, de verlangens van hun toehoorders (hoofdstuk 2 vers 11) en lieten de zielen met een valse zekerheid inslapen. Om hun maat vol te maken, probeerden ze zich niet alleen geliefd te maken bij het volk, maar wilden ze zich ook nog ten koste van anderen verrijken (vers 11). Hun begeerte was onverzadigbaar en ze verkochten hun leugens voor een hoge prijs (vers 5; Jesaja 56 vers 11; Jeremia 6 vers 13). En het was voor hen helemaal niet zo moeilijk dit slechte spel te spelen, omdat de wereld in het algemeen, om haar eigen kwaad te verbergen, niet anders wil en doet dan "leraars vergaderen, naar hun eigen begeerlijkheden" (2 Timotheüs 4 vers 3). Dat zien we ook in de treurige geschiedenis van Achab, die gisteren al aangehaald werd: vierhonderd profeten bedrogen hem, vertelden hem wat hij wilde horen... terwijl hij iemand anders, Micha, die hem de waarheid zei, in de gevangenis liet gooien (1 Koningen 22; 2 Kronieken 18).
De dienstknecht van God is "vol kracht van de Geest van de Heere" (een toestand die ons allen zou moeten kenmerken: vers 8; Efeze 5 vers 18). Hij waarschuwt de verantwoordelijke personen van het volk: de hoofden en oversten. In Jeremia 26 vers 17 - 19, waar Micha 3 vers 12 aangehaald wordt, zien we welke heilzame uitwerking deze profetie had.
Wanneer aangetoond is dat de mens vanuit zichzelf tot niets meer in staat is, is het moment voor God aangebroken om Zich te openbaren. Nadat vastgesteld is dat "dit land de rust niet zal zijn" (hoofdstuk 2 vers 10), kan God tot ons spreken over Zijn rust. Er worden tegenwoordig talloze pogingen ondernomen om vrede te bewerkstelligen. Het resultaat is, in het beste geval, een goedbedoelde, maar toch dwaze verbeelding zelf nog iets te kunnen presteren â in het ergste geval een verwerpelijk vertrouwen op mensen âen altijd een gevolg van onbekendheid met het Woord van God. Daarom zijn al deze pogingen, alle moeiten, uiteindelijk ook gedoemd te mislukken. De wereld zal pas de vrede kunnen genieten wanneer God die geeft. En wanneer zal Hij dat doen? Niet voordat Zijn rechten erkend worden! Maar dan... o, wat zal dat een verandering zijn! Alle afgoden zullen opgeruimd zijn. De bewondering voor de werken van de mens zal dan plaatsgemaakt hebben voor de eer die God toekomt. Alle volken zullen samen Hem eren en bij Hem wijsheid en kennis zoeken.
Christenen, wij hebben nu al het grote voorrecht dat te mogen doen! "Laat ons opgaan" naar de plaats waar de Heere beloofd heeft aanwezig te zullen zijn. Hij zal ons onderwijzen aangaande "Zijn wegen", wordt er dan aan toegevoegd. Wat is het voor ons een groot verlies wanneer wij de samenkomsten waar het Woord van God uitgelegd en overdacht wordt, niet bezoeken. Laten we echter niet vergeten wat het gevolg van het luisteren naar het Woord van God zou moeten zijn: "opdat... wij in Zijn paden wandelen" (vers 2; Jakobus 1 vers 22).
In het vierde hoofdstuk heeft God gesproken over het herstel van Israël en de oorlogshandelingen die daarmee verbonden zijn. Hier noemt Hij Degene Die zowel de Heerser, alsook het Werktuig tot de bevrijding zal zijn. In Christus zal God al Zijn raadsbesluiten vervullen. Hij, "Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid" (vers 1), zou in Bethlehem, dat kleine plaatsje in Judea, geboren worden (zie Mattheus 2 vers 3 - 6). En Hij, de Rechter van Israël, zou door Zijn eigen verblind en misdadig volk geslagen worden (hoofdstuk 4 vers 14; Jesaja 50 vers 6). We kunnen ons dan ook best voorstellen met welke gevoelens God Zijn toekomstige heerlijkheid kan aankondigen en uitleggen: "nu zal Hij groot zijn... en Deze zal Vrede zijn" (vers 3 en 4). Wat zijn deze woorden, ook voor het hart van elke verloste, toch ontzettend kostbaar!
Dit hoofdstuk spreekt zowel over de Heere Jezus als over Israël. De bevrijding en de zegening van het gelovig overblijfsel van dit volk zijn verbonden met de majesteit van de Naam van de HEERE. Verder wordt hier ook gesproken over de Assur, de vijand van het einde. Die zal tot zijn eigen verderf de Herder Jakobs ontmoeten, Wiens opgave het zal zijn, niet alleen de kudde te weiden (vers 3), maar haar ook te verdedigen. Uiteindelijk zal het kwaad in al zijn vormen uit het land uitgeroeid worden (vers 9 - 14). De reiniging die koning Josia doorvoerde, is hier een beeld van (2 Kronieken 34 vers 3 - 7).
Opnieuw klinkt weer die oproep: "Hoort nu" (vers 1). We kunnen zeggen dat daarmee het derde deel van dit Bijbelboek geopend wordt (de andere beide keren vinden we in hoofdstuk 1 vers 2 en 3 vers 1). Laten ook wij altijd goed luisteren naar dat wat de almachtige God, aan Wie iedereen gehoorzaamheid verschuldigd is, zegt en verwacht. Stelt Hij Zich tevreden met godsdienstige vormen? Absoluut niet! "Wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God?" (vers 8). Deze opdracht is niet veranderd sinds de dagen van Mozes (Deuteronomium 10 vers 12). Het is eenvoudig en heeft niets opzienbarends! En toch is het niets minder dan te wandelen op een God waardige wijze. Hij is Licht: laten we daarom recht doen. Hij is Liefde: laten we daarom weldadigheid liefhebben.
"Waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij", vraagt de HEERE in vers 3 (vergelijk Jesaja 43 vers 22). Deze aangrijpende vraag gaat je toch aan het hart!? Sinds Egypte zijn alle wegen van God met de Zijnen slechts in genade geweest. Heeft Hij het van Zijn kant, hen en ons, aan iets laten ontbreken? Nee, we moeten toegeven: de reden van onze zwakheid ligt altijd bij onszelf en hoeven we nooit in Hem te zoeken.
"Hoort de roede", vermaant de HEERE ten slotte in vers 9. Ja, de roede spreekt â ook tot ons geweten! Laten we toch naar haar stem luisteren! De Heere heeft alleen het beste met ons voor (Openbaring 3 vers 19).
"Ai mij!" of "Wee mij!", roept de profeet uit, omdat hij zich bewust wordt van zijn eigen ellende, evenals dat van het volk. Algemeen gezien, vinden we hier de bittere ervaring die de mens bij zichzelf ondervindt. Hij ontdekt dat hij zichzelf niet kan helpen, en dat er geen vrucht in hem te vinden is (vers 1), maar ook dat hij niet op de machthebbers en andere groten van deze aarde kan steunen ("de beste van hen is als een doorn": vers 4; Psalm 118 vers 9). En het laatste wat hij ontdekt, is dat ook zijn naaste hem zal teleurstellen, als hij op hem gaat bouwen. Een pijnlijke, maar noodzakelijke ervaring!
Heb jij die al opgedaan? Ben jij ervan overtuigd dat alleen Christus al je vertrouwen waard is? "Er is niemand oprecht onder de mensen" (vers 2). Dat wat je noch in jezelf, noch in anderen zult en kunt vinden, vind je in Hem (vers 7).
De Heere Jezus haalt vers 6 aan, om de gevolgen van Zijn komst te beschrijven (Mattheüs 10 vers 34 - 36). Hij stelt iedereen op de proef en zegt dat wie niet voor Hem is, tegen Hem is (Lukas 11 vers 23). Aan welke kant sta jij?
Dit Boek eindigt met de zekerheid en de beloften van genade. "Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen" (vers 19). Wat een geluk, te weten dat al onze zonden voor altijd weggedaan, begraven zijn!
Als we dát bedenken, dan kunnen we niet anders en moeten we het uitroepen: Heere, "Wie is een God gelijk Gij!" (vers 18).
Waar is een God aan U gelijk, vol liefde, vol genade, Die ons, gezonken in het slijk, met gunsten overlaadde? De zondemacht week voor Uw kracht. U gaf Uw Eengeboor'ne tot redding van verloor'nen.
Waarschijnlijk komt Nahum, net als Jona, uit Galilea, want daar liggen namelijk de plaatsen Elkos en Gath-Hefer (2 Koningen 14 vers 25). Dat laat zien hoe slecht de Joden hun eigen Schriften kenden, toen zij zeiden dat er geen profeet uit Galilea was opgestaan (Johannes 7 vers 52).
Nahum heeft nog iets anders gemeenschappelijk met Jona: hun profetieën hebben betrekking op Ninevé, "de grote stad" (Jona 1 vers 2), die eens gespaard bleef vanwege het berouw, maar nu teruggekeerd was naar al haar vroegere slechtheid. Het werk van God in de harten van de ouders had geen weerklank gevonden in de harten van de kinderen. En nu, na meer dan een eeuw van geduld (in plaats van de veertig dagen, die Jona noemde) bevestigt deze God, Die langzaam is tot toorn (vers 3; Jona 4 vers 2), Zijn onherroepbaar oordeel. Wat zien we hier een grote tegenstelling tussen de manier waarop de HEERE Zich aan de vijanden kenbaar maakt (vers 2 en verder) en de manier waarop Hij, dezelfde God, Zich openbaart aan hen die op Hem vertrouwen (vers 7). Van de laatstgenoemden kent Hij ieder persoonlijk.
In Romeinen 10 vers 15 wordt vers 15 aangehaald (zie ook Jesaja 52 vers 7) en heeft daar betrekking op de blijde boodschap, in de ware zin van het woord, het evangelie van genade. Hoe is het met ons, die vandaag de dag zo gemakkelijk overal naartoe kunnen reizen; ligt het ons ook op het hart om de Waarheid te verspreiden, om heil en vrede te verkondigen? Denk eens aan de Heere Jezus, Die een lange, moeizame voetreis ondernam, om daar bij de bron van Sichar die Samaritaanse vrouw te kunnen ontmoeten (Johannes 4).
Waarschijnlijk is Ninevé, de hoofdstad van het Assyrische rijk, kort na de zondvloed gesticht door de opstandige Nimrod (zijn naam betekent ook 'opstandeling'; Genesis 10 vers 8 - 12). Gedreven door dezelfde geest als die "geweldig jager voor het aangezicht des Heeren", heeft deze stad er plezier in om de volken te vervolgen, zoals een roofdier z'n buit najaagt (vers 11 - 13). Het Boek van God, waarin haar hoogmoedig begin genoteerd staat ("van de dagen af"; vers 8), laat ons nu haar plotselinge einde meemaken. Uit spot wordt Ninevé opgeroepen zich tegen de "eerstrooier" te verdedigen (vers 1). Maar "zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter" (Psalm 127 vers 1).
De geschiedenis vertelt dat de rivier Tigris, waarvan het water tot dan toe om de stad heen stroomde en haar beschermde, tijdens de belegering plotseling enorm aanzwol (vers 6 en 8) en een deel van de beschermwal meesleurde. Door de bres die ontstond, drongen de soldaten de stad binnen, om in de straten en huizen hun onbarmhartige moord- en plunderwerk uit te voeren (vers 3, 4 en 8 - 10).
"De stem van uw gezanten zal niet meer gehoord worden", zo besluit vers 13. Daarbij gaan onze gedachten naar Rabsaké, de schaamteloze woordvoerder van de koning van Assyrië, die bij Hizkia kwam (2 Koningen 18 vers 19 en verder). Zijn dreigementen gingen echter nooit in vervulling. Zo zal ook de wereld, met al haar glans, aanmatiging, verachting en lastering, eens voor altijd vergaan.
Terwijl de geschiedenisboeken van de mensen met voorliefde spreken over de grootheid van Assyrië en daarentegen vrijwel zwijgen over diens val, wijdt het Woord van God een heel Bijbelboek aan deze noodlottige dag. We willen er nog eens op wijzen dat de Bijbel geen geschiedenisboek is. De gebeurtenissen die erin beschreven staan, worden ons alleen maar meegedeeld vanwege hun betrekking tot Israël en vanuit moreel oogpunt. Historici gaan ervanuit dat het verzwakte Ninevé gevallen is door een aanval van een aantal bondgenoten. God weet dat het ongeluk Ninevé getroffen heeft omdat het een bloedstad vol leugen, geweld en roof was (vers 1). Het moest oogsten wat het gezaaid had. Een halve eeuw eerder had het immers No (of: No-Ammon) hetzelfde lot laten ondergaan (vers 8 - 10). "Wie zal er medelijden mee hebben?" (vers 7).
Zo is het ook met het egoïsme in de wereld. Zij die daar niet zelf het slachtoffer van worden, maken zich in ieder geval niet druk over het ongeluk dat een ander treft. "Vanwaar zal ik u troosters zoeken?", voegt Nahum eraan toe. En juist zijn naam betekent 'trooster'! De getrouwe echter, dÃe wordt door deze profetie getroost, omdat hij ervaart dat God, ondanks dat het misschien anders lijkt, toch Zijn hand houdt over alle gebeurtenissen in de wereld. Hij zal alle dingen tot Zijn eer en ten goede laten meewerken, voor hen die Hem liefhebben (Romeinen 8 vers 28).
Dit Bijbelboek, dat ons herinnert aan het Boek Jeremia, laat ons als het ware een gesprek tussen de profeet en zijn God beluisteren.
Met het oog op het steeds toenemend kwaad, stort Habakuk de nood van zijn hart uit voor de HEERE. Jeruzalem stond op het punt te bezwijken onder de aanvallen van het leger van de Chaldeeën. De profeet ziet in een vreselijk gezicht de wrede en bloeddorstige soldaten, werktuigen in de hand van de HEERE om de opstandige volken te straffen. Wat zullen alle ongelovigen en zorgeloze zondaren dan ontdaan zijn (vers 5, dat in Handelingen 13 vers 41 aangehaald wordt)!
Maar ook de man Gods zelf raakt erdoor in verwarring! Hoe kan God zo'n ontplooiing van ongerechtigheid op zijn beloop laten (Psalm 83; Openbaring 10 vers 7 noemt deze vraag "de verborgenheid van God")? Hoe kan God dit alles aanzien? "Mijn God, mijn Heilige", roept de profeet uit als hij zich bewust is van zijn betrekking tot Hem, Wiens ogen te rein zijn om het kwaad te zien (vers 12 en 13).
Ja, het is een voortdurende belediging voor Hem, te zien hoe de verdorvenheid en het geweld op deze aarde hand over hand toenemen! De blik van God kon, vanwege Zijn absolute reinheid, slechts op één enkel Mens met welgevallen neerzien. Maar om dezelfde reden moest God Zijn ogen ook van Hem afwenden, toen Hij voor ons tot zonde gemaakt werd.
Wanneer wij, op wat voor manier dan ook, beproefd worden, dan is het goed precies zo te handelen als Habakuk. Hij zegt: "Ik stond op mijn wacht"; met andere woorden: hij beklom de (wacht-)toren (vergelijk Spreuken 18 vers 10). Dat was (en is!) de plaats waar bescherming te vinden is, de plaats waar we afgezonderd zijn van al het tumult om ons heen en waar we alles van bovenaf, vanuit Gods standpunt, kunnen bezien (Jesaja 55 vers 8 en 9). Daar ontvangt de dienstknecht van God ook antwoord op zijn angstige vraag: "de rechtvaardige", wordt tegen hem gezegd, "zal door zijn geloof leven" (vers 4). Daar lag de oplossing voor de moeilijke situatie waarin hij zich bevond. Rondom hem is er niets veranderd: de vijanden zijn nog altijd aanwezig en alle vormen van ongerechtigheid ontwikkelen zich nog steeds verder. Maar het geloof van de rechtvaardige kan en mag steunen op de zekerheid van het Woord van zijn God. Dan komt er een einde aan al het bange vragen. Hij gelooft, hij weet, dat deze aarde, die vandaag vervuld is met de ijdelheid van de mensen, binnenkort vervuld zal zijn met "de heerlijkheid des HEEREN" (vers 14; Jesaja 11 vers 9). Dan ontvangt hij duidelijkheid over het lot van goddelozen, hoewel hun oordeel nog op zich laat wachten (vers 6 - 20).
Laten we vooral ook letten op de grote tegenstelling tussen de daden van de ongelovigen en de gerechtigheid en het leven van het geloof. Dit geloof is nodig voor de redding, maar eveneens voor de wandel door deze wereld. Vers 4 wordt in het Nieuwe Testament drie maal aangehaald (Romeinen 1 vers 17; Galaten 3 vers 11; Hebreeën 10 vers 38). Daar zien we dat er grote nadruk op gelegd wordt, dat het geloof het enige middel is om gerechtigheid en het eeuwige leven te verwerven.
De Heere heeft de stem van de aarde het zwijgen opgelegd (hoofdstuk 2 vers 20), maar de gelovige mag altijd zijn gebed voor Hem uitspreken. Hij zegt wat hij gezien (vers 3 en verder) en wat hij gehoord heeft (vers 2 en 16). Het gezicht van de Chaldese vijanden is verdwenen. In plaats daarvan ziet de profeet nu de majesteit van de wrekende God. Begeleid door vreselijke tekenen gaat deze God door met het oordelen van de volken en het redden van Zijn volk (vers 12 en 13).
Welke gevoelens komen op bij de profeet, bij het zien van deze indrukwekkende gebeurtenis?
Ten eerste de angst, die hij niet verbergt. Maar hij weet ook dat hij een beroep mag doen op de barmhartigheid van God, zelfs gedurende Zijn rechtvaardige toom (vers 2; Psalm 78 vers 38). God hoort altijd het hulpgeroep van een ziel!
Vervolgens zien we bij de profeet gevoelens van vreugde (vers 18)! Hoewel de materiële zegeningen ontbreken (vers 17), kan de man Gods zich toch verheugen. Hij vindt zijn vreugde namelijk niet in de omstandigheden, maar in de God van zijn heil (vergelijk Filippi 4 vers 4). "De Heere HEERE is mijn Sterkte... Hij zal mij doen treden op mijn hoogten" (vers 19; Psalm 18 vers 33 en 34).
Geve de Heere ook ons de geestelijke kracht om de hoogten te beklimmen, vanwaar het geloof kan heersen over de omstandigheden en over de wereld. Het oordeel over deze aarde is aanstaande, en omdat onze tijd lijkt op die van Habakuk, laten ook wij daarom lijken op deze man van God.
Zefanja heeft geprofeteerd tijdens de regering van de trouwe Josia. Waarom is het taalgebruik in zijn Boek dan toch zo scherp? Omdat het volk slechts onder dwang het goede voorbeeld van de koning gevolgd was (2 Kronieken 34 vers 33).
Het oordeel geldt voor alle groeperingen: 1) voor de afgodendienaren; 2) voor hen die tegelijkertijd de HEERE en hun koning (Malcham of Moloch) proberen te dienen; 3) voor hen die zich bewust van de HEERE afwenden; 4) voor allen die onverschillig zijn, dat wil zeggen, die Hem niet zoeken, noch naar Hem vragen (vers 4 - 6).
Onder de mensen van vandaag kom je nog steeds dezelfde groepen tegen en allemaal snellen zij hetzelfde oordeel tegemoet, want, ook al zijn deze profetieën in het verleden gedeeltelijk al in vervulling gegaan, toch moeten we niet vergeten dat de vreselijke "grote dag des Heeren" nog moet komen. Al meer dan 2500 jaar wordt er over deze dag gesproken, ten eerste door de profeten, daarna door de Heere Jezus in de evangeliën en ten slotte halen de apostelen die dag ook aan in hun Brieven. Als die dag in de tijd van Zefanja al aanstaande was, hoeveel te meer dan nu (vers 14). "Opdat gij gedachtig zijt aan de woorden, die door de heilige profeten tevoren gesproken zijn, en aan ons gebod, die apostelen van de Heere en Zaligmaker zijn", zegt Petrus tegen ons. Laten we ervoor oppassen dat we "de belofte van Zijn toekomst" nooit vergeten en uit het oog verliezen (2 Petrus 3 vers 2 - 4).
Deze profetieën, die spreken over het toekomstig oordeel dat de goddelozen zal treffen, lijken voor kinderen van God niet zo belangrijk te zijn. Zij verwachten immers niet de definitieve verwoesting, waarvan hier sprake is, maar zien uit naar de wederkomst van de Heere Jezus, Die komt om Zijn Gemeente op te nemen (1 Thessalonicenzen 5 vers 4 en 9). Maar de aankondiging van de rechtvaardige vergelding van het kwaad zou ons juist de ogen moeten openen voor het karakter van de wereld waarin wij leven, zodat wij ons daar nog duidelijker van kunnen afzonderen (2 Petrus 3 vers 10 - 12).
Omdat God al het kwaad van de mensen van nu niet bestraft en Hij nog niet handelt naar dat de mens verdiend heeft, zouden we maar al te gauw kunnen vergeten hoezeer Hij het kwaad verafschuwt. Daarom dragen zulke Schriftplaatsen ertoe bij, dat wij Gods gedachten hierover niet vergeten. In al z'n aanmatiging en dwaze zelfzucht zegt Ninevé: "Ik ben het, en buiten mij is geen meer" (vers 15). Dat is ook de leus van Babel (Jesaja 47 vers 8). Maar laten we er goed op letten dat er diep in onze eigen harten niet eenzelfde gedachte zal opkomen.
In tegenstelling daarmee stelt vers 3 ons de zachtmoedigen voor de aandacht, die door de Heere Jezus "zalig" genoemd worden en die op Hem lijken (Mattheus 5 vers 5 en 11 vers 29). Profetisch gezien, gaat het hier om het gelovige joodse overblijfsel (het slot van vers 9; hoofdstuk 3 vers 13), dat opgeroepen wordt om de HEERE te zoeken, om dan veilig te zijn in de dag van de toorn. De naam Zefanja betekent overigens: 'die de Heere verbergt of bewaart'.
Nadat de HEERE de volken bestraft heeft, zal Hij Zijn hand tegen Jeruzalem, die opstandige, verdorven en onderdrukkende stad, opheffen! Maar de vier verwijten die volgen in vers 2, kunnen ook op kinderen van God van toepassing zijn, wanneer zij geen acht slaan op het Woord â "zij hoort naar de stem niet; zij neemt de tucht niet aan" â of nalatig zijn in het gebed â "zij vertrouwt niet op de HEERE; tot haar God nadert zij niet".
Dan zullen de woorden van de Heere Jezus in vervulling gaan: "...de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden" (Mattheus 24 vers 40). De opstandigen, de trotsen zullen weggenomen worden (vers 11), en de HEERE zal hier beneden een ellendig en arm volk overlaten, dat alleen op Hem vertrouwt (vers 12). Wat een vreugde voor dit overblijfsel (vers 14), en een nog grotere vreugde voor de Heere, Wiens genegenheden bevredigd zullen zijn!
Vers 17 heeft betrekking op de regering van Christus. Maar vinden deze woorden nu al geen weerklank in de harten van elke verloste? Ja, laten we veel aan Zijn vreugde denken. Hij, Die op deze aarde heeft gehuild, kent nu al een volmaakte en wonderbare vreugde: Hij verheugt Zich "over u", gelovige vriend (Psalm 126 vers 6). Na de moeite van Zijn ziel zal Hij â en de Zijnen met Hem â in alle eeuwigheid genieten van de volmaakte rust van de liefde (vers 17; Jeremia 32 vers 41).
Het Boek Ezra vertelt ons hoe Zerubbabel en zijn metgezellen, na de terugkeer uit Babel, beginnen met de herbouw van de tempel. Maar ook, hoe zij zich daarvan lieten weerhouden door de bedreigingen en toespelingen van hun vijanden.
Sinds de stopzetting van het werk waren er vijftien jaren voorbijgegaan. En die bedreigingen waren niets anders dan een armzalige uitvlucht, die door de profeet helemaal niet meer genoemd wordt. Hij verwijt het volk iets heel anders. Tegenover de verwoesting van het huis van de HEERE stelt hij de ijver die door iedereen aan de dag gelegd wordt om zijn eigen huis te verfraaien (Filippi 2 vers 21). Een verdrietige zelfzucht, maar ook een grote misrekening! Al hun werken en hun moeiten hadden namelijk slechts gebrek gebracht (vergelijk Psalm 127 vers 1 en 2).
Gelovige vrienden, vandaag is het nog de tijd om te bouwen aan het huis van God, de Gemeente van de levende God (1 Timotheüs 3 vers 15). En hoe kan men daaraan meewerken? Door zich bezig te houden met de zielen, de "levende stenen", opgebouwd op het Fundament, Jezus Christus; door zich te bekommeren om de Gemeente, zoals de apostel dat iedere dag deed; door niet na te laten de samenkomsten te bezoeken... (1 Korinthe 3 vers 10 - 17; 2 Korinthe 11 vers 28; Hebreeën 10 vers 25). Helaas gaat een gebrek aan ijver en liefde voor de Gemeente vaak hand in hand met de zorg voor eigen gemak. O, laten wij onze harten toch op onze wegen richten (vers 5 en 7)!
De eerste boodschap van Haggaï was een berisping. Met de tweede, bijna een maand later, nadat de leiders en het volk geluisterd hadden, mag hij hen bemoedigen. "Wees sterk... en werkt", drukt de HEERE hen op het hart (vers 5), want het gaat om Zijn eigen eer. Hun werk wordt gedaan met het oog op een Persoon: "de Wens aller heidenen", Christus, Die in heerlijkheid zal verschijnen (vers 8).
Maar waar is daartoe de kracht te vinden? Het antwoord is: "Ik ben met u". De almachtige God, de HEERE der heerscharen, staat hen bij. En dat wat Hij geeft, is voldoende: "Het Woord... en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet!" (vers 5 en 6). Dat zijn gezegende Hulpbronnen! En die staan ook ons, die â net als Haggaï â in een tijd van verval leven, elk moment ter beschikking.
In zijn derde boodschap herinnert de profeet aan de praktische heiligheid, zonder welke geen enkel werk erkenning kan vinden bij God. En de tweeledige vraag die de priesters gesteld wordt, bevestigt het algemene principe dat een verontreinigde wereld nooit door het contact met ons gereinigd zal worden. Integendeel zelfs! Wij zullen zelf op den duur juist onherroepelijk door die slechte omgeving aangetast worden (1 Korinthe 15 vers 33).
De Heere Jezus heeft beloofd: "Ik ben met u al de dagen" (Mattheus 28 vers 20). Maar laten wij van onze kant ook altijd bij Hem blijven.
Het volk heeft de nare ervaring opgedaan, dat de tijd die men van God afneemt, geen enkel gewin oplevert. Nu zal men ook het tegenovergestelde ontdekken. De HEERE belooft dat Hij zal zegenen (vers 20).
Of het nu gaat om een christelijke zakenman die zondags z'n zaak gesloten houdt en daardoor minder omzet heeft, of om de industrieel die tot op de cent nauwkeurig z'n belastingaangifte doet, elk kind van God zal ontdekken dat de woorden van de Heere Jezus waar zijn: "Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen (die nodig zijn voor het dagelijkse leven) zullen u toegeworpen worden" (Mattheüs 6 vers 33).
De laatste boodschap van Haggaï bevat ontroerende woorden van genade, die aan Zerubbabel persoonlijk gericht zijn. Deze naam betekent: 'in Babel geboren' (en zijn Chaldeeuwse naam, Sesbazar (Ezra 1 vers 8), betekent waarschijnlijk 'blij in verdrukking'). De HEERE roept hem bij zijn naam, alsof Hij tegen hem wil zeggen: Jij arme man, die aan de verbanning ontkomen bent, Ik heb buitengewoon kostbare beloften voor jou. De hele aarde zal beven, maar wees niet bang, Ik heb voor jou een onwankelbaar rijk bewaard (vers 7, 22 en 23; aangehaald in Hebreeën 12 vers 26).
In deze erfgenaam van David mogen we een beeld zien van Christus, Die door God uitverkoren is als Bevrijder en ook eens over Israël zal regeren.
Zacharia is, samen met Haggaï, de woordvoerder van de HEERE bij de zonen van Juda, die uit de gevangenschap teruggekeerd zijn (Ezra 5 vers 1). Wat zijn de eerste woorden die de HEERE door deze dienstknecht tot Zijn volk laat zeggen? "Keert weer tot Mij!" Men moet eerst berouw hebben en de zonden belijden (Mattheüs 3 vers 2 en 4 vers 17; Handelingen 2 vers 38). Daarna komt pas de belofte: "...zo zal Ik tot u weerkeren" (vers 3).
De vaderen zijn gestorven, en met hen de profeten, zoals Jeremia, die hen zo trouw gewaarschuwd hebben. Maar de Goddelijke woorden zijn niet voorbijgegaan; zij zijn onvoorwaardelijk in vervulling gegaan (Mattheus 24 vers 35). Op de boze wegen en de slechte handelingen van Juda volgde de straf, namelijk de gevangenschap in Babel (vers 12).
O, dat deze ontzettend harde les toch tot een waarschuwing zal zijn voor alle volgende geslachten!
Vanaf vers 7 tot en met hoofdstuk 6 vertelt de profeet over een aantal zeldzame gezichten. Het algemene onderwerp van deze visioenen is de regering van God door de volken (de ruiters en de paarden); en in de achtergrond, het herstel van Israël (de mirten, een toespeling op het loofhuttenfeest en een beeld van het herstel, dat volgt op berouw), want God heeft voor de Zijnen, die door beproeving en zwakheid gaan, altijd "goede woorden, troostende woorden" (vers 13). En die woorden zijn even zeker en onveranderlijk als de aankondiging van Zijn oordelen.
De jonge Zacharia had veel moeite met deze gezichten, die ongetwijfeld ook voor ons moeilijk te begrijpen zijn. Maar wat doet hij elke keer weer, wanneer hij voor nieuwe raadsels kwam te staan? Dan aarzelde hij niet om zijn hemelse begeleider om uitleg te vragen. Laten we zijn voorbeeld toch navolgen! Onze belangstelling in het Woord zal de Heere altijd welgevallig zijn. Laten we Hem toch vragen ons verstand te openen, om Zijn wonderen te begrijpen (Psalm 119 vers 18; Lukas 24 vers 45; 2 Timotheüs 2 vers 7).
De hoornen die in het tweede gezicht genoemd worden, komen overeen met de paarden uit het eerste visioen. Het gaat daarbij dus om de grote koninkrijken van de volken, die hier in het karakter van hun macht gezien worden (vergelijk Daniël 8). Werklieden (zoals Kores), die door God gebruikt worden, zullen een einde maken aan hun macht.
Het derde gezicht heeft het herstel van Jeruzalem tot onderwerp. Tegenwoordig verwoest, met afgebroken muren en verbrande poorten (Nehemia 2 vers 13), zal de stad dan weer bewoond worden. De Heere zal dan als een vurige muur rondom haar zijn (vers 5) en de arme verstrooiden zullen dan weer veilig in de stad samenzijn. De liefde van God tot hen is zo groot, dat hij die probeert hen aan te tasten, in werkelijkheid "Zijn oogappel" aanraakt (vers 8; zie Deuteronomium 32 vers 10).
En bovendien geldt voor hen de belofte dat de HEERE in heerlijkheid in hun midden zal zijn (vers 5, 10 en 11).
Dezelfde voorrechten zijn vandaag ook het deel van de kinderen van God!
Er wordt weer een nieuw gezicht aan Zacharia getoond. De hogepriester, Jozua â een beeld van het volk â staat voor de Engel des HEEREN. Maar satan is daar ook bij aanwezig, in zijn gebruikelijke rol van aanklager (Openbaring 12 vers 10). De vuile kleren van Josua bieden hem namelijk een goede gelegenheid voor zijn aanvallen. De HEERE had immers zulke duidelijke aanwijzingen voor de reiniging van de priesters gegeven (bijvoorbeeld Leviticus 8 vers 6 en 7; Numeri 19 vers 7 en verder), dat men zich zeer zeker aan straf blootstelde, wanneer men bevlekt voor Hem zou verschijnen. Maar we hebben het al gelezen: hij die de vijand meent te kunnen aanvallen, is als Gods oogappel (hoofdstuk 2 vers 8), als "een vuurbrand uit het vuur gerukt" (vers 2).
De arme aangeklaagde kan echter niets tot zijn verdediging inbrengen. De Rechter heeft Zelf voor alles zorg gedragen. Maar... zonder daarbij ook maar iets van het vuil te dulden! "Zie", zegt Hij, "Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen" (vers 4). Dat zijn geen gewone schone kleren, maar feestkleren (vergelijk Mattheus 22 vers 12)! Gereinigd en gerechtvaardigd heeft Josua voortaan ook een dubbele verantwoording: hij moet in de wegen van de Heere wandelen en trouw de wacht waarnemen (vers 7).
Beste vriend, om je te kunnen verheugen in de genade van de Heere, moet je eerst dezelfde plaats innemen als Josua.
De verzen 8 - 10 wijzen vervolgens op de Messias (de Spruit), Die in gerechtigheid over een gereinigd volk zal heersen.
Door zijn vragen neemt ook Zacharia een plaats in, in de rij van profeten die volgens 1 Petrus 1 vers 10 en 11 ijverig onderzochten en nadachten over hun eigen geschriften. Daarin zochten zij Hem, Die ons nu in Zijn lijden en heerlijkheden geopenbaard is (bijvoorbeeld hoofdstuk 13 vers 5 - 7 en 6 vers 13). In het hoofdstuk van vandaag vinden we verschillende voorbeelden van Christus! Hij is de ware Kandelaar van goud, het Licht der wereld (Johannes 8 vers 12). Hij is ook de Goddelijke Zerubbabel, Die borg staat voor de zegeningen van Zijn volk. In hoofdstuk 3 vers 9 was Hij de Steen, het Fundament, en hier zien we Hem als de Hoofdsteen (Gevelsteen) van het bouwwerk (vers 7). Met andere woorden, Hij is het Die het werk aan het huis van God in genade begint en voleindigt (vers 9; Ezra 3 vers 10; 5 vers 15 en 16).
In de zeven lampen van de heilige kandelaar mogen we een beeld zien van de gelovigen (Openbaring 1 vers 20). Ook zij worden "het licht der wereld" genoemd (lees Mattheus 5 vers 14 - 16). En dit licht wordt door de Heilige Geest (de olie), de enige Goddelijke Bron voor al het werken van de verlosten, in stand gehouden. "Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest", zegt de Heere (vers 6; Psalm 44 vers 4 - 9). Wanneer wij ons bewust zijn van onze eigen onmacht, dan wil God graag voor ons handelen en elke "berg" op onze weg opruimen (vers 7; Mattheüs 17 vers 20). Laten we daarom de tegenwoordige dag "van de kleine dingen" ook niet verachten (vers 10); het kan een dag van groot geloof en grote overgave en toewijding zijn.
â¢
In dit korte hoofdstuk lezen we over twee gezichten. Het eerste laat ons, in de vorm van een vliegende boekrol, het Woord van God zien, dat werkzaam is om het kwaad openbaar te maken. Hebreeën 4 vers 12 en 13 zegt dat dit Woord levend, werkzaam en doordringend is (hier verschaft het zich met geweld ingang in de huizen; vers 4). Voor het licht van het Woord zijn alle dingen "naakt en geopend" en het beoordeelt de gedachten en de overleggingen van het hart. Wij moeten onszelf door dit Woord laten onderzoeken.
In de verzen 5 - 11 zien we een nog zeldzamer voorwerp vliegen: een efa. Dat is een inhoudsmaat (en maar al te vaak een bedrieglijke maat; Micha 6 vers 10; Deuteronomium 25 vers 14), met daarin goddeloosheid, die haar maat vol heeft gemaakt. Dat komt overeen met "de verborgenheid der ongerechtigheid", die vandaag al werkzaam is, maar nog niet geopenbaard is (het loden gewicht ligt nog op de efa, vers 8; 2 Thessalonicenzen 2 vers 7). Wanneer het haar oorspronkelijke plaats weer zal innemen (in Sinear, dat is Babel; een beeld van de wereld), dan zal de goddeloosheid in de persoon van de Antichrist officieel als een god vereerd worden.
Wat een tegenstelling tussen dit huis uit vers 11, dat een tempel vol zonden is, en het huis dat God laat bouwen, om Zelf in het midden van de Zijnen te wonen (hoofdstuk 4 vers 9)!
Bij het achtste en laatste gezicht moeten we onwillekeurig denken aan het eerste (hoofdstuk 1). Toch is er een verschil, want de paarden zijn hier voor de wagens gespannen (de vier koninkrijken) en verschijnen tussen de bergen van koper (een beeld van de duurzaamheid van de regering van God). In het beeld van de sterke paarden kunnen we Rome ontdekken, dat probeert z'n heerschappij over de hele aarde uit te strekken. (En God heeft daar gebruik van gemaakt, opdat het evangelie over de gehele bewoonde aarde gepredikt zou worden.)
De verzen 9 - 15 geven ons een beeld van drie personen, die op reis zijn en uit Babel komen om hun broeders met gaven en bemoedigingen te helpen. De betekenis van de namen van deze mannen zijn veelzeggend. De eerste Cheldaï betekent: 'volhoudend' (naderhand wordt hij Chelem genoemd, dat is 'sterke'). De tweede is Tobia: 'de HEERE is goed'. En ten slotte lezen we van Jedaja: 'de HEERE weet het'. Zij worden ontvangen door Josia (dat is: 'de Heere steunt').
Toch vormt Josua hier het middelpunt, met andere woorden: de Heere Jezus, de Heiland-God, van Wie Josua hier een beeld is, want hij verenigt het priesterschap en koningschap in zijn persoon.
Op de dag van Zijn heerlijkheid zal de Heere de Zijnen datgene geven wat zij, alleen op grond van genade, voor Hem bereid hebben (Lukas 19 vers 24 - 26). Deze kronen die Hem allemaal teruggegeven worden (vers 11), zal Hij de nederige getrouwen geven die Hem in de tijd dat Hij veracht werd, geëerd hebben (vers 14). Zult u, zul jij, daar ook bij zijn, om ze aan Zijn voeten neer te werpen (Openbaring 4 vers 10)?
De hoofdstukken 1 - 6 vormen als het ware een boek dat vertelt over de visioenen. Bij hoofdstuk 7 begint dan vervolgens een boek met bepaalde uitspraken.
De bewoners van Bethel sturen afgevaardigden uit, om te informeren of men moet vasten en weeklagen. Dat biedt de profeet de gelegenheid voor zijn eerste uitlegging. Voordat hij antwoord geeft, richt hij zich tot hun geweten (vergelijk Lukas 13 vers 23 en 24; 20 vers 2, 3 en 22 - 25). Is het eigenlijk niet zo, dat ze door hun vasten medelijden wilden opwekken, in plaats dat het een teken van echt berouw was? Het werd voor de huichelachtige Joden zelfs tot een middel om aanzien te verwerven, hetgeen door de Heere Jezus ten scherpste veroordeeld werd (Mattheus 6 vers 16).
De ernstige vraag in vers 5 lijkt op de vinger van God, die ook naar onze harten wijst. Wat zijn de ware beweegredenen van ons doen en laten? Ging het ons daarbij altijd om de Heere, of waren er diep in ons hart toch bepaald bijbedoelingen? We kunnen Hem niet misleiden met bepaalde vormen van vroomheid! Aan de andere kant ontgaat Hem echter ook niets van datgene wat werkelijk in liefde voor Hem gedaan wordt! De Heere Jezus wist precies wat de drijfveer van het handelen van Maria was en zei: "Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan" (Markus 8 vers 35 en 14 vers 6).
God, Die Licht en Liefde is, herinnert ons steeds aan Zijn eisen, die voor altijd geldig blijven: waarheid en barmhartigheid (vers 9 en verder). Wat Hij helaas gevonden heeft, zijn weerbarstige schouders, dove oren en harten, zo hard als diamant. En dat verklaart en rechtvaardigt daarom ook Zijn strenge oordeel.
"Alzo zegt de HEERE...", brengt de profeet onvermoeibaar tot uitdrukking (vers 2, 3, 4, 6, 7, 9, 14, 19, 20 en 23).
Wanneer wijzelf de Bijbel lezen, of aan anderen voorhouden, laten we dan nooit uit het oog verliezen dat het God Zelf is Die spreekt!
De arme kinderen van Juda horen beloften die tegemoetkomen aan hun huidige situatie, want God zal hen niet vergeten (Zacharia betekent: 'De HEERE gedenkt'). Het onbewoonde en verwoeste Jeruzalem zal opnieuw bewoond worden. Er zal opnieuw geleefd worden in de stad (Nehemia 11 vers 1 en 2). En de Eerste Die daarheen terugkeert, zal de HEERE Zelf zijn (vers 3; zie hoofdstuk 1 vers 16). En met Hem zal de zegening terugkeren en de angst verdwijnen.
Geldt dat, in geestelijk opzicht, in de Gemeente niet precies zo? De tegenwoordigheid van de Heere, in het midden van de Zijnen, verzekert hen van alles wat zij nodig hebben.
Laten we de vermaning uit vers 16, die in Efeze 4 vers 25 aangehaald wordt, ook op onszelf toepassen: "Spreekt de waarheid, een ieder met zijn naaste". En aan het eind van vers 19 staat: "Hebt dan de waarheid... lief".
Nu kan de Heere de afgevaardigden van Bethel antwoord geven op hun vraag wat het vasten betreft (hoofdstuk 7 vers 2 en 3). De vastendagen zullen "tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen" (vers 19; de vervulling van Psalm 122). Zouden zij die zich in de tegenwoordigheid van de bruidegom mogen bevinden, kunnen treuren (vergelijk Mattheüs 9 vers 14 en 15)?
Deze uitspraak betreft de buurlanden van Israël. Hun gedrag werd, zonder dat zij het zelf wisten, in de gaten gehouden, "want de HEERE heeft een oog over de mens" (vers 1 en 8). Ja, hoeveel mensen zijn er niet die deze heilige blik vergeten en doen alsof Hij niets zou zien.
God maakt Zich op om de menselijke wijsheid en de kracht van Tyrus, de valse toevlucht van Ekron, evenals de hoogmoed en gruwelen van de Filistijnen, uit te roeien. Daarmee wordt de weg geopend voor de Messias, om vrede te verkondigen en tot aan de einden der aarde te regeren.
Hij is inderdaad gekomen, deze Koning, "rijdende op een ezel" (vers 9; Johannes 12 vers 15), maar Zijn volk heeft Hem niet aangenomen. En al bijna tweeduizend jaar lang is de profetie als het ware tussen vers 9 en 10 blijven steken. Maar heel spoedig zal deze profetie verder z'n beloop hebben. Na de vreselijke oordelen zal de Koning weer in Zijn volkomen majesteit verschijnen. Zijn liefelijkheid (voortreffelijkheid) en schoonheid zullen bewonderd worden. "Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort op Uw lippen", wordt in het lied dat aan de Koning gewijd is, gezegd (Psalm 45 vers 3).
Wat is het ontzettend aangrijpend, dat Zijn verlosten dan als kostbare edelstenen in Zijn kroon zullen zijn (vers 16). Zo zullen zij aan de wonderbare schoonheid van de Koning mogen bijdragen (Jesaja 62 vers 3). Tegelijkertijd zal alleen al het feit van hun vereniging met Hem getuigen van onuitsprekelijke goedertierenheid (Psalm 31 vers 20 en 22).
Het verdrukte Joodse volk, dat teleurgesteld is in de afgoden en bedrogen is uitgekomen met hun slechte leiders, zal lange tijd zijn als een kudde zonder herder (vers 2; vergelijk Mattheus 9 vers 36). Maar God zal omzien naar "het huis van Juda", waaruit Christus, "de Hoeksteen", voortgekomen is (vers 4). Evenmin zal Hij het huis van Jozef â zij die uit Efraïm zijn, dat wil zeggen: de verstrooide tien stammen â vergeten. En Hij zal hen redden, hen laten wonen en hen antwoorden (vers 6). Wat zal er dan een vreugde in de harten zijn (vers 7), nadat men zo vaak getroost was "met ijdelheid" (vers 2).
Beste gelovige vriend, ten opzichte van jou heeft de Heere een nog veel groter erbarmen getoond! Is dat voor jou dan niet voortdurend een onderwerp van grote vreugde?
Zoals de verloren zoon in het verre land tot zichzelf kwam, toen hij terugdacht aan het huis van zijn vader, zo zullen de Israëlieten die ontkomen zijn, "in verre plaatsen" aan hun God denken en "zullen leven... en weerkeren" (vers 9; Lukas 15 vers 17). "Ik zal hen oproepen, en zal ze vergaderen", belooft de HEERE (vers 8 en 10; Johannes 11 vers 52).
De liefde van de Heere Jezus zal pas door de aanwezigheid van de Zijnen volkomen bevredigd zijn. Voordat Hij Zijn aardse volk voltallig in het land terugbrengt, zal Hij Zijn Gemeente in het Huis van de Vader invoeren, waar Hij hen een plaats bereid heeft (vergelijk Johannes 14 vers 2).
Het vuur in de verzen 1 - 3 spreekt van de toom tegen het land en het volk, vanwege de misdaad waaraan men zich schuldig zou maken op Golgotha.
In vers 4 wordt de profeet opgeroepen om achtereenvolgens de goede Herder (Christus, Die de schapen weidt) en de dwaze herder (dat is de Antichrist; vers 15 - 17), uit te beelden. Tot aan vers 14 worden we verplaatst naar de tijd van de evangeliën. De kopers, verkopers en slechte herders uit vers 5 komen overeen met de Romeinen en de politieke en religieuze leiders van de Joden. De Heere Jezus betitelt hen als dieven en rovers, als huurlingen en roofzuchtige wolven (Johannes 10 vers 8 en 12; Ezechiël 34). Hij, de goede Herder, kwam om hun positie in te nemen en het volk te weiden; Hij bracht het volk welbehagen en nationale eenheid (de twee herdersstokken, die "liefelijkheid" en "samenbinders" genoemd worden; vers 7). Uitgezonderd enkele "ellendigen onder de schapen" (vers 11; Lukas 14 vers 21) heeft het volk Zijn liefdevolle bedoelingen niet begrepen.
De verzen 12 en 13, die precies in vervulling zijn gegaan, vertellen ons welke spotprijs men voor de HEERE overhad (Mattheus 26 vers 15). Dan komt de vraag: Welke waarde heeft de Heere Jezus voor ons?
Vervolgens wijzen de verzen 15 - 17, zonder verdere inleiding of overgang, op de toekomstige heerschappij van "de nietige herder" (Johannes 5 vers 43), want deze satanische persoonlijkheid zal verwekt worden tot een oordeel over de "slachtschapen", dat wil zeggen: over het volk dat zich schuldig gemaakt heeft door hun ware Herder te verwerpen.
Wie is er hier aan het woord? Hij "Die de hemel uitbreidt, en de aarde grondvest" en in de mens het verstand gevormd heeft, waar hij zo trots op is (en wat hij maar al te vaak zo slecht gebruikt; vergelijk Jesaja 42 vers 5). Zou zo'n machtige God de aardse gebeurtenissen niet vast in Zijn handen hebben? Zou Hij door de aanvallen die bedacht worden door een geest die Hij Zelf geschapen heeft, verrast worden? Onmogelijk! En wanneer alle volken van deze aarde, volledig verblind door hun haat, samen optrekken tegen Jeruzalem om deze stad te belegeren, dan zal die stad voor henzelf tot een beker gif, tot een "lastige steen" worden. Want "te dien dage" zal de HEERE de leiders van Juda en de bewoners van Jeruzalem glorierijk versterken. Hij zal door hen, maar ook in hen, werken. God zal over Zijn nederig en berouwvol volk "de Geest van de genade en van de gebeden" uitstorten (vers 10). In Hem Die zij doorstoken hebben, zullen de Joden dan eindelijk hun trouwe Herder, de Erfgenaam van de troon van David, de eniggeboren Zoon van God, erkennen.
Gelovige vriend, wanneer het waar is, dat de Heere er een behagen in heeft ook door ons te werken (en dat Ãs waar!), laten we het werk dat Hij zo graag in ons wil volbrengen, nooit uit het oog verliezen! Waaruit dat werk bestaat? Hij wil ons steeds opnieuw het kruis en de wonderbare gevolgen daarvan onder de aandacht brengen.
En de verzen 11 - 14 brengen tevens duidelijk naar voren dat iedereen, persoonlijk, de schuld van zijn zonde met God in het reine moet brengen.
Zojuist werden de blikken van Israël (en ook die van ons) gericht op het kruis (hoofdstuk 12 vers 10). Het bloed van Christus verzoent onze zonden, maar Zijn doorstoken zijde is ook een levende bron. Dat is ook een beeld van de praktische reiniging die het Woord in ons geweten bewerkt (Psalm 51 vers 3 en 8). Op die dag zullen de afgoden uitgeroeid zijn (Ezechiël 36 vers 25); de stemmen die leugen spreken, zullen zwijgen. Dan zal de Geliefde Zijn wonderbare geschiedenis vertellen: Als Mens naar deze aarde gekomen, heeft Hij de gestalte van een slaaf aangenomen, om Zijn schepselen te dienen (vergelijk hoofdstuk 11 vers 12 en Exodus 21 vers 2 - 6). Hij is in het bijzijn van Zijn eigen vrienden verwond (vergelijk Johannes 20 vers 27). Hij werd door de HEERE geslagen.
"Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd", zegt Filippi 2 vers 9. Ja, al heel spoedig zal dezelfde Heere Zich in de glorie van Zijn macht voorstellen aan de wereld. Waar deze gebeurtenis zal plaatsvinden? Op dezelfde plaats waar Hij eens deze aarde heeft verlaten, namelijk op de Olijfberg, die dan onder Zijn voeten uiteen zal splijten (hoofdstuk 14 vers 4; Handelingen 1 vers 11 en 12).
Maar Hij zal niet alleen terugkomen. "...en al de heiligen met U", wordt in vers 5 gezegd. Als een koninklijke stoet zal Christus dan de Zijnen met Zich meevoeren, die Hij al eerder tot Zich genomen zal hebben in de hemel. Het Nieuwe Testament bevestigt deze spoedige en triomferende "toekomst van onze Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen" (1 Thessalonika 3 vers 13).
Hier vinden we het slot van het schouwspel. Bij de opening van de laatste episode zal de situatie, door de plotselinge verschijning van de Heere der heerlijkheid, totaal veranderd zijn. Zelfs het decor zal anders zijn. Een ongehoorde omwenteling zal het land compleet veranderen. De volken die daardoor verrast worden, terwijl zij oorlog voeren tegen Jeruzalem en de Goddelijke Koning, zullen bemerken dat ze plotseling door een vreselijke plaag getroffen worden (vers 12). Voortaan zullen de volken, in plaats van naar Jeruzalem op te trekken om de stad te belegeren, jaarlijks bedevaarten naar Jeruzalem moeten maken om daar de Koning, de HEERE, te aanbidden (vers 16). En aan hen die niet gehoorzamen, zal de regen onthouden worden. Zelfs de bellen van de paarden â de paarden die in de profetie van Zacharia zo'n grote plaats innemen â zullen dan de volgende inscriptie dragen: "De heiligheid des HEEREN", want alle kracht van de mensen â uitgebeeld door de paarden â zal voortaan voor God geheiligd zijn.
Geve de Heere, dat dit teken van afzondering en toewijding aan Hem ook nu al in onze harten gegraveerd staat! O, dat er toch niets binnendringt in onze harten wat niet met deze leus in overeenstemming is: "De heiligheid des HEEREN". Dan zal het bij ons nu al zo zijn als in die dag, waarop Hij openlijk "in Zijn heiligen" verheerlijkt en bewonderd zal worden (2 Thessalonika 1 vers 10).
Dit is een heel ernstig Bijbelboek. Het bevat de laatste Goddelijke oproep aan het geweten en het hart van het Joodse volk. Te midden van dit volk zou vierhonderd jaar later Christus verschijnen. Wat laat het gesprek tussen de HEERE en Zijn volk zien? Van de kant van God wordt vanaf de eerste woorden de eeuwige, persoonlijke liefde, de Bron van elke zegening, zichtbaar: "Ik heb u liefgehad..." En wat zien we aan de kant van Israël? Ondankbaarheid en gewetenloosheid, kortom: de schaamteloosheid waarmee dit volk meent bewijzen te kunnen verlangen van de Goddelijke goedertierenheid. Welke vader, welke werkgever zou het kunnen verdragen dat hij met zo'n minachting behandeld wordt (vers 6)? Dit volk heeft echter niet alleen de eer die de HEERE toekwam, maar ook Zijn absoluut geldende voorschriften (vers 8; Leviticus 22 vers 17 - 25) en Zijn meest liefdevolle gevoelens met voeten getreden.
We hoeven echter niet al te lang zoeken naar lessen voor onszelf? Laten we oppassen dat wij niet gaan twijfelen aan de liefde van de Heere, of zelfs gaan mopperen en ons tegen Zijn wil gaan verzetten. Laten we niet onverschillig of met afkeer (vers 13) aan de vele bewijzen van Gods genade voorbijgaan. Die beginnen bij het kruis, waar Hij Zijn Zoon voor ons heeft overgegeven! Hoeveel waarde hebben de rechten en heeft de liefde van God voor ons?
'U bent aan 't kruis voor mij gestorven, daar hebt U voor mijn schuld geboet; U hebt een recht op mij verworven naar ziel en lichaam door Uw bloed. Geen vijand kan mij U ontroven; ik zal Uw liefde eeuwig loven.'
De Heere heeft speciaal tegen de priesters iets te zeggen. Zij hadden het zich ter harte moeten nemen dat zij Zijn Naam moesten eren (vers 2). Ook het ware christelijke dienen van vandaag heeft slechts datzelfde doel. Helaas is het echter maar al te vaak meer de dienstknecht dan zijn Heere Die gediend wordt.
Van wie anders dan Christus zou gezegd kunnen worden: "Er werd geen onrecht in Zijn lippen gevonden" (vers 6)? Zelfs de dienaars van de farizeeën moesten het toegeven: "Nooit heeft een mens gesproken, als deze Mens" (Johannes 7 vers 46). Deze volmaaktheid brengt het verdrietige karakter van de godsdienstige leiders (priesters, schriftgeleerden en Farizeeën) in de tijd dat de Heere Jezus hier op aarde wandelde, des te duidelijker naar voren. De Heere Jezus heeft het "verbond" gehouden (vers 5); zij hebben het verbroken. Hij wandelde in vrede en oprechtheid met God; zij zijn van de weg afgeweken. Hij "bekeerde er velen van ongerechtigheid"; zij hebben "velen doen struikelen" (vers 7 en 8; Jesaja 9 vers 16). "De wet der waarheid was in Zijn mond" (vers 6); zij vermoeiden de HEERE met hun woorden (vers 17; Mattheus 6 vers 7).
"Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouweloos handelt!", waarschuwen de verzen 15 en 16. Onze geest is net zo gevoelig als een cassettebandje of een cd-schijfje. Alles, zelfs het kleinste detail, wordt opgenomen en opgeslagen. Laten we daarom heel erg waakzaam zijn en ons alleen bezig houden met "al wat waarachtig is, al wat eerbaar is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt" (Filippensen 4 vers 8)!
Maleachi betekent 'boodschapper van de HEERE'. De Heere Jezus gebruikt het eerste vers van het hoofdstuk van vandaag voor Johannes de Doper. Daarmee heeft Hij aan deze man, die de opdracht had het hart van het volk voor te bereiden voor Hemzelf, een eretitel gegeven (Mattheüs 11 vers 10).
De verwerping van de Messias en Zijn wegbereider heeft de loop van de profetie onderbroken. Hier wordt stilzwijgend aan de tegenwoordige tijd van de Gemeente voorbijgegaan en zien we dat de HEERE, door een werk van loutering en reiniging, de draad als het ware weer oppakt met de zonen van Levi (vers 2 en 3; Psalm 66 vers 10; Job 28 vers 1).
Sommigen van ons hebben misschien wel eens toegekeken bij het werk van een zilversmid, hoe hij bezig was het zilver te reinigen. Gedurende het smeltproces zit hij naast de smeltoven. Het hele procedure is pas afgelopen wanneer hij duidelijk zijn eigen spiegelbeeld in het glanzende metaal kan zien. Dat is een prachtige illustratie van hetgeen de Heere in ons volbrengt! Hij weet onze omstandigheden zo te leiden, soms door het vuur van de beproeving aan te wakkeren, om ons van elke onreine verbinding te bevrijden. En Hij zal met groot geduld doorgaan met dit werk, totdat Zijn stralend beeld in ons weerspiegeld wordt (vergelijk Zacharia 13 vers 9; 2 Korinthe 3 vers 18).
Wat zal er door de Heere heen gaan, wat zal Hij ondervinden, wanneer wij Hem de gaven die Hem toebehoren en waar Hij recht op heeft, ontroven? Als wij Hem niet meer dienen en vertrouwen? "Beproeft Mij", zegt Hij tegen Zijn volk. Ja, de Heere verheugt Zich, wanneer ons geloof het Hem mogelijk maakt ons te zegenen!
God stelt ons hier die enkelingen voor de aandacht die trouw, nederig en nog verborgen waren. Hun zou de eer te beurt vallen Zijn Zoon, bij Zijn komst hier op aarde, te mogen ontvangen. Zij zijn Zijn eigendom; hun namen staan opgeschreven in "een gedenkboek". In de evangeliën worden enkelen van hen met name genoemd: Maria, Zacharia, Elizabeth, Simeon, Anna...
En hoe is het vandaag? Behoort u, behoor jij, ook bij hen die de Heere vrezen en die met elkaar over Hem praten en Zijn wederkomst verwachten?
Later, tijdens de grote verdrukking, zal er een overblijfsel bestaan dat de Naam van de HEERE zal vrezen (hoofdstuk 4 vers 2; Openbaring 12 vers 17). Voor hen "zal de Zon der gerechtigheid opgaan". Aan alle werken van de duisternis zal dan een einde komen, de hoogmoedigen en de goddelozen zullen verteerd worden (hoofdstuk 3 vers 15 en 4 vers 1 en 2).
Het Oude Testament â met andere woorden: de teleurstellende geschiedenis van de eerste Adam â eindigt met het woord "ban" (vloek). De ongeneeslijke ellende van de mens, die tot het eeuwig verderf leidt, is duidelijk bewezen. Zijn wij, in ons eigen geweten, daar ook van overtuigd? Zo ja, dan mogen ook wij vanaf de eerste bladzijde van het Nieuwe Testament de Naam van de tweede Mens, de Heere Jezus, leren kennen. In Hem heeft God Zijn volkomen welgevallen gevonden, en wij hebben in Hem het heil en eeuwig geluk gevonden.
De Brief die de apostel Paulus aan de "gemeenten van Galatië" richt, is scherp van toon. Hij heeft zich nu namelijk niet bezig te houden met een morele zonde, zoals bij de Korinthiërs, maar met een ontzettende dwaalleer.
Misleid door valse leraars, stonden de Galaten op het punt om de genade, het enige heilsmiddel, te verlaten en terug te keren tot een godsdienst van werken. Paulus wijst nadrukkelijk op de absoluutheid van de Goddelijke waarheid. Deze waarheid is uniek, compleet en volmaakt, want de Waarheid is Christus Zelf (Johannes 14 vers 6).
Soms hoor je bepaalde vrijdenkers beweren â in feite alleen om hun eigen ongeloof te rechtvaardigen â dat elk volk zijn eigen openbaringen heeft ontvangen. Daarmee bedoelen ze dan een godsdienst die aangepast is aan het karakter en de mate van civilisatie van dat betreffende volk. Niets is echter minder waar! Er bestaat slechts één evangelie, dat verkondigt dat onze Heere Jezus Christus "Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden". En wat is daar het gevolg van? De apostel zegt het: "Opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld" (vers 4).
Vers 10 herinnert ons aan een andere principiële waarheid. Het verlangen in de gelovige om mensen te behagen, berooft hem van de eigenschap dat hij een dienstknecht van Christus is! Hoe is dat bij ons, bij mij? Verlang ik er allereerst, ja enkel en alleen, naar Hem te behagen (1 Thessalonika 2 vers 4)?
Wat een geluk voor ons, dat wij het Woord van God volkomen kunnen vertrouwen. Als het evangelie dat Paulus verkondigde, "naar de mens" (vers 11) geweest zou zijn, dan hadden de Galaten reden gehad om aanvullingen of veranderingen aan te brengen. Maar dat was niet zo! En om de Goddelijke oorsprong van zijn dienst te bevestigen, vertelt Paulus op welke buitengewone wijze hem deze dienst werd toevertrouwd. God had hem daartoe afgezonderd (vers 15). God had Zijn Zoon in hem geopenbaard. En het was God Die hem in Zijn school in de woestijn van Arabië heeft opgeleid, zonder de hulp van een menselijke leraar. Bovendien had Christus hem direct vanuit de hemel aangesproken, om hem te roepen (Handelingen 9).
Als we weten wie Paulus was en wat hij van plan was, toen hij zich op de weg naar Damaskus bevond, dan weten wij ook dat hij dat werk met de beste bedoelingen wilde volbrengen. Toch kan iemand met de beste bedoelingen een vijand van de Heere zijn, wat hijzelf op dat moment echter niet weet (Johannes 16 vers 2). Maar wat heeft er een verandering plaatsgevonden bij Paulus! Wat had hij nu de Gemeente van God lief, terwijl hij haar voordien zo erg vervolgd had!
Laten we toch navolgers zijn van deze toewijding aan de Heere en de Zijnen en ook met zo'n ijver het geloof verkondigen (vers 23)! Daarbij moeten we echter goed in de gaten houden dat God eerst Zijn Zoon in onszelf geopenbaard moet hebben (vers 16) voordat wij anderen over Hem kunnen vertellen. God wil in onze harten graag een onvergelijkbare kennis van Christus bewerken, opdat ons getuigenis uitgaat van deze kennis (2 Korinthe 4 vers 6).
Het bericht dat Paulus hier geeft over de omstandigheden die betrekking hebben op zijn apostelambt, is een mooie en belangrijke aanvulling op hetgeen wij al weten uit het Boek Handelingen. Terwijl de Heere aan Petrus de opdracht had toevertrouwd om het evangelie aan de Joden te verkondigen, werd Paulus uitverkoren om datzelfde evangelie aan de volken te prediken (vers 8). Zijn ontmoeting met de andere apostelen kon deze roeping, die hij rechtstreeks van de Heere ontvangen had, niet ontkrachten. Wel nam hij de vermaning om aan de armen te denken ter harte. En hij heeft dit zo trouw gedaan, dat het zelfs, zij het indirect, de aanleiding geweest is tot zijn gevangenschap in Jeruzalem (Handelingen 24 vers 17).
Maar nu naar onszelf. Wat kunnen wij van de onderlinge betrekkingen tussen de apostelen leren? Dat wij de dienst van anderen niet moeten minachten. En ook, dat we ervoor moeten oppassen niet hoger te denken van onze eigen dienst, maar dat we die juist in getrouwheid moeten volbrengen, zonder aanzien des persoons (vers 6).
Het Boek Handelingen vertelt duidelijk dat de eerste christenen, van Joodse afkomst, ontzettend veel moeite hadden met het loslaten van allerlei verordeningen, zoals de besnijdenis en het houden van de wet. Er was destijds een bespreking geweest in Jeruzalem om een oplossing te zoeken voor dit probleem (Handelingen 15). Satan ziet echter niet gauw af van een wapen dat hij eerder met succes heeft toegepast. Nu waren de Galaten, hoewel zij geen Joden waren, in dezelfde val getrapt. En Paulus deed er alles aan door hun te wijzen op het grote gevaar waarin zij zich bevonden .
Waarom was een terugkeer tot de wet dan zo erg? Waarom ging dit Paulus zo aan het hart, dat hij zover ging dat hij Petrus in het openbaar voor zijn dubbelhartige houding bestrafte (vers 11 - 14)? Omdat de oproep aan de gelovigen om naar de Joodse gebruiken te leven en allerlei werken te doen, uiteindelijk niets anders was dan te menen dat het werk van Christus niet toereikend zou zijn.
Datzelfde wordt ook vandaag de dag nog door veel christenen gedacht. In principe erkennen ze wel de waarde van het verzoeningswerk van Christus, maar tegelijkertijd baseren ze hun behoudenis ook op hun eigen werken en het nakomen van hun godsdienstige plichten. Ze 'doen wat ze kunnen', en rekenen voor het overige op God. Hier is slechts één antwoord op te geven: "dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van (in) Jezus Christus" (vers 16). Zo'n eenvoudig middel? Ja, maar wel door een verheven Persoon gegeven! Hij is de Zoon van God, "Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft" (vers 20). Wat is dan nog mijn deel in dit werk? Dat wat een dode kan doen, dus niets. Met Christus gekruisigd, ben ik van de wet bevrijd, "en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij".
Beste vriend, vind je dit geen heerlijke uitspraken? Gelden die ook voor jou persoonlijk? Weet je dat de Heere Jezus ook jou heeft liefgehad en heb je Hem leren kennen als je Heere en Heiland? Leeft Christus in jou?
Deze Brief kan in verschillende onderwerpen onderverdeeld worden:
Hoofdstuk 1 en 2 hebben betrekking op het persoonlijke getuigenis van de apostel.
Hoofdstuk 3 en 4 gaan over de leer van het heil door geloof.
Hoofdstuk 5 en 6 behandelen het praktische leven van de verloste onder de genade.
Het hart van Paulus is geschokt en zijn ijver voor de waarheid komt voort uit zijn liefde voor de arme Galaten. Door welke geest van dwaling konden ze toch zo verblind worden, dat zij de genade van God vergaten? Ach, veel christenen lijken op hen. De gekruisigde Christus was hun voorgesteld (vers 1). Ze hadden in Hem geloofd en hadden door de Heilige Geest zekerheid van het heil ontvangen. Maar ze hebben zich voor de verdere leiding in hun christelijke leven niet aan Hem toevertrouwd. Nadat zij in de Geest begonnen waren, gingen ze verder in het vlees (vers 3). Of menen wij dat God, nadat Hij ons gerechtvaardigd heeft, op ons zou kunnen rekenen om Zijn werk te voleindigen? Nee, en daarom hebben wij hetzelfde geloof waardoor wij behouden zijn geworden, ook nodig voor ons leven (vers 11). De rechtvaardige wet van God eiste onze dood als vergelding voor elke ongehoorzaamheid. Hij vervloekte ons, omdat wij niet in staat waren de wet te houden. En Christus moest in onze plaats deze vloek op Zich nemen. Om ons vrij te kunnen kopen, heeft Hij die ontzettend hoge prijs moeten betalen. Hij heeft de vloek van de wet gedragen, toen Hij op het kruis de plaats innam die ik verdiend had. Tot in alle eeuwigheid mogen, ja moeten we Hem daarvoor prijzen!
De apostel legt uit waarom de wet niets heeft veranderd aan de Goddelijke beloften. Deze beloften werden vóór de wet gegeven, en God spreekt Zichzelf niet tegen. De beloften werden aan het zaad van Abraham gegeven, dat wil zeggen: aan Christus (vers 16). Wat God aan Zijn Geliefde âen aan hen die Hem toebehoren â beloofd heeft, kan door niets ongeldig verklaard worden en is nergens mee in strijd. Waartoe dient de wet dan nog (vers 19)? We kunnen haar vergelijken met een spiegel. Als je je in het licht van de wet bekijkt, dan merk je hoe vuil je bent. Maar evenmin als een spiegel vlekken weg kan wassen, is ook de wet daar niet toe in staat. Dat is namelijk niet de functie van een spiegel (de wet). De wet overtuigt mij van zonde en leidt mij daardoor tot Christus (vers 24). Daarna is zijn rol beëindigd. Het is net als met een leraar die zijn leerling voorbereidt op een hogere klas. De school van de wet is trouwens een moeizame school! Daar leer ik dat ik een zondaar ben, maar ik kan daar niet gerechtvaardigd worden. Daar leer ik dat ik dood ben, maar ik kan daar geen kracht vinden waardoor ik levend kan worden. Daar leer ik inzien dat ikzelf zonder kracht ben, maar ik kan het daar ook niet krijgen. Wat nu? Alles wat mij ontbreekt, kan ik echter vinden in de Heere Jezus!
De doop is het openlijke teken dat wij, door Zijn dood, bij Christus horen. En jullie die al gedoopt zijn, leven jullie nu ook werkelijk als "kinderen van God door het geloof in Christus Jezus"? Hebben jullie in praktisch opzicht "Christus aangedaan" (vers 26 en 27)? Het is heel ernstig als onze uiterlijke belijdenis niet overeenkomt met de innerlijke!
God heeft iets heel anders dan de wet gegeven: onvoorwaardelijke beloften. En deze beloften vonden hun oorsprong in Zijn liefde en Zijn vreugde in het zegenen van zowel de volken als de Joden. Zo'n gave verachten, zou dan ook betekenen dat je Zijn liefde veracht.
Misschien maakt het volgende voorbeeld dat wat duidelijker. Als je een cadeau krijgt en je wilt daarvoor iets betalen, dan beledig je de gever. Wat moet het het hart van God dan ontzettend bedroeven, dat zoveel christenen de vrijheid van de Geest vergeten en vervangen door armzalige en waardeloze gewoontes. Wat bewijst dit? Dat deze kinderen van God hun hemelse Vader heel slecht kennen. We kunnen ons indenken dat iemand die onbekeerd is, tevreden is met "zwakke en arme beginselen", omdat hij niets beters heeft. Maar de gelovige, die "God kent, ja veel meer door God gekend" is (vers 9; 1 Korinthe 8 vers 3), laat zich toch niet weer een juk opleggen? Hij wil toch niets meer te maken hebben met dat wat hem in feite onwaardig is? Ja, laten we toch het volste vertrouwen in Zijn liefde hebben!
In vers 12 onderbreekt de apostel zijn uitleggingen, om tot het hart van zijn geliefde Galaten te spreken. Hij herinnert hen aan hun welwillendheid en hun toewijding ten opzichte van hemzelf. Toegenegenheid voor iemand die verkilt als de persoon in kwestie niet aanwezig is, is echter slechts een zwakke genegenheid. Bepaalde overtuigingen die je je laat ontnemen zodra de dienstknecht van God is weggegaan, zijn slechts zwakke overtuigingen.
Hoe staat het met onze christelijke liefde en met ons geloof?
De apostel is beangst en ontdaan. Zou zijn werk dat hij met zoveel volharding verricht heeft, dan toch tevergeefs geweest zijn (vers 11)? Hij ziet zich ertoe gedwongen om nog een keer met de Galaten de elementaire grondbeginselen van het evangelie door te nemen. Laten wij daaruit ook profijt trekken, en deze beginselen, als het ware samen met hen, overdenken. Het speet Paulus dat hij zijn geestelijke kinderen geen mondeling onderwijs kon geven (vers 20), maar nu begrijpen we misschien ook waarom dat zo was: God wilde deze Brief (en daarmee datzelfde onderwijs) ook aan ons geven!
Misschien zijn er wel mensen die zeggen: 'Och, voor ons is het gevaar toch niet zo groot, dat wij ons weer onder de wet zouden stellen.' Nou, dan kennen we onszelf nog maar heel slecht! Iedere keer dat wij op een ons welgevallig wijze wandelen en menen dat God die wandel wel moet waarderen, dan is dat in feite niets anders dan eenzelfde wetticisme. Ieder keer dat wij ergens toe besluiten zonder rekening te houden met de Heere en iedere keer dat wij ons in ons eigen voordeel met anderen vergelijken, dan tonen wij een geest van eigengerechtigheid. En deze geest is een uitgesproken vijand van de genade (vergelijk vers 29). Om deze vijandschap te illustreren, herinnert Paulus aan de beide zonen van Abraham. Alleen Izaäk, de zoon van de belofte, is de rechtmatige erfgenaam. Ismaël, het kind van de dienstmaagd Hagar, is naar het vlees geboren en heeft geen enkel recht op de vaderlijke rijkdommen en zegeningen. En wij, horen wij allemaal bij het "Jeruzalem, dat boven is"? Zijn wij samen met Abraham, Izaäk en Jakob "mede-erfgenamen van dezelfde belofte" (vers 26; Hebreeën 11 vers 9, 10 en 16)?
Vrijheid is voor de mens altijd al het kostbaarste geweest wat er bestaat. Maar waar kan hij die vrijheid werkelijk genieten? Hij is immers altijd een arme slaaf van zijn eigen begeerte; hij wordt geboren en sterft als het ware met kettingen vastgebonden aan zijn eigen hart.
Alleen Jezus Christus kan hem werkelijk vrijmaken (vers 1; Johannes 8 vers 36)!
Dan komt de vraag naar voren: hoe gebruikt de verloste van de Heere deze vrijheid? Zal hij zich bewust weer onder het strenge juk van de wet plaatsen (vers 1)? Dat zou even vreemd zijn als dat een vrijgelaten gevangene graag terug zal willen naar de gevangenis!
En kan hij dan de vrijheid maar gebruiken "tot een oorzaak voor het vlees" (vers 13)? Dat zou betekenen dat hij de weg van de gelovigen in Thessalonika in omgekeerde richting zou gaan: van het dienen van God terugkeren onder de tirannie van de afgoden van deze wereld (hoofdstuk 4 vers 8 en 9; Lukas 11 vers 26; 1 Thessalonicenzen 1 vers 9).
Nee, de christen zal de vrijheid die zijn Verlosser zo duur betaald heeft op het kruis, gebruiken om zijn naaste te dienen. Op die manier vervult hij uiteindelijk de wet, want die kan in dat ene woordje 'liefde' samengevat worden (vers 14). "Want die de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld" (Romeinen 13 vers 8 en 9). En dan vervult hij ook het gebod van de Heere Jezus, Wiens laatste en grootste wens het was, dat wij elkaar zouden liefhebben, evenals Hij ons heeft liefgehad (Johannes 13 vers 34; hoofdstuk 15 vers 12 en 17).
De Heere geeft aan, hoe je kunt herkennen of een bepaald werk uit het vlees of uit de Geest is (lees Mattheüs 7 vers 16 - 20; Johannes 3 vers 6). "Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen". De werken die hier in vers 19 - 21 worden opgenoemd, kunnen daarom alleen van de slechte boom, het vlees, komen. Het vlees, met al zijn vreselijke uitwerkingen, is nog steeds in iedere gelovige aanwezig. Wanneer wij echter "van Christus" zijn (vers 24), woont er ook een werkzame Kracht in ons in de Persoon van de Heilige Geest. Hij leidt ons in ons leven (vers 25) en wandel (vers 16 en 25). Hij staat tegenover het vlees (vers 17). Hij leidt ons (vers 18). Hij brengt Zijn eigen vrucht tot rijpheid, een kostbare vrucht die niet met een andere verward kan worden. In vers 22 worden negen voortreffelijke 'zaadjes' van deze vrucht opgenoemd: liefde, vreugde, vrede...
Maar helaas kan een boom onvruchtbaar blijven, wanneer hij al zijn kracht stopt in de nutteloze wilde scheuten die nog uit zijn stam kunnen voortkomen. Wat doet de tuinman dan? Hij snoeit die wilde scheuten weg, opdat het sap alleen weer zal circuleren in de geënte, vruchtdragende takken. Dat is de betekenis van vers 24. "...die van Christus zijn" hebben bij hun bekering het vlees gekruisigd. Zij hebben zich door het geloof onder het doodvonnis over hun oude natuur geplaatst (de wilde boom werd eerst gesnoeid, om daarna geënt te worden). In 't vervolg moeten zij "die van Christus zijn" dan ook hun eigen uitingen, hun oude lusten en begeerten veroordelen. Ze moeten hun oude natuur, het oude en eigen ik voor dood houden. "Indien wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen" (vers 25).
Hoofdstuk 6 leert ons wat de juiste houding is ten opzichte van een broeder die een misstap heeft begaan â zonder daarbij onze eigen verantwoordelijkheid uit het oog te verliezen (vers 1). Het laat ons zien hoe wij ons moeten opstellen tegenover hen die door bepaalde lasten terneergedrukt worden (vers 2), en ook hoe wij het goede kunnen en hebben te doen, in het bijzonder ten opzichte van de huisgenoten van het geloof (vers 10).
Het is nu voor ons een tijd om te zaaien, met het vooruitzicht op de oogst "te zijner tijd" (vers 9). Eén ding is daarbij echter nu al duidelijk: de oogst zal overeenkomen met het soort zaad dat gezaaid is. Alleen een dwaas zal misschien verwachten dat hij tarwe zal kunnen oogsten van het land waarop hij distels heeft gezaaid. Het vlees brengt slechts verderf voort, terwijl de vrucht van de Geest leidt tot het eeuwige leven (vers 8; hoofdstuk 5 vers 22; vergelijk Hosea 8 vers 7 en 10 vers 13). Het gaat er dus om, nu te kiezen, want later zal elk berouw tevergeefs zijn.
Er is al gezegd dat de christen voor de wet gestorven is (hoofdstuk 2 vers 19) en dat hij het vlees gekruisigd heeft (hoofdstuk 5 vers 24). Hier wordt bovendien nog gezegd dat hij "der wereld" gekruisigd is, hetgeen ook omgekeerd het geval is (vers 14). De wereld heeft voortaan geen enkel recht meer op mij, en ik heb geen enkel recht meer op de wereld. Tussen de wereld en mij staat nu een onoverkomelijke afrastering. Dat is "het kruis van onze Heere Jezus Christus", mijn bevrijding en mijn heerlijkheid. Aan de ene kant ben ik "een nieuw schepsel" (vers 15), en aan de andere kant is er niets wat God nog in mij zou kunnen waarderen. Laten we toch in alles in overeenstemming zijn met Hem, zowel wat betreft de principes als onze praktijk.
In de Brief aan de Efeziërs wordt de christen gezien in zijn hemelse positie. De hemel is voor het kind van God niet alleen een toekomstige verblijfplaats, maar daar heeft hij nu in Christus al zijn woning. Een vader die ver van huis moet werken en de hele week niet thuis komt, zal er geen moment aan denken om de fabriek of het kantoor als zijn 'thuis' te beschouwen. Het feit dat hij een hele week van huis is, vormt voor hem geen verhindering zijn huis en gezin als zijn ware 'thuis' te zien, de plaats waarnaar zijn genegenheden uitgaan, waar zijn interesses liggen, ja, waar alles is wat hij bezit.
Dat is "de hemel" (letterlijk: 'de hemelse', dat wil zeggen: de hemelse gebieden, de hemelse gewesten) ook voor de verloste: de vertrouwde plaats, waar al zijn rijkdom en tegelijkertijd zijn hart is (Lukas 12 vers 34), omdat daar zijn Verlosser is. Christus is in de hemel en wij zijn daar in Christus. Door dit dubbele feit zijn we verzekerd van de vrije toegang tot de grote en kostbare zegeningen, die van Hem zijn. Alles wat betrekking heeft op de Geliefde, betreft op dezelfde wijze ook allen die in Hem "begenadigd", of aangenaam gemaakt zijn (vers 6). Vandaar ook dat de apostel het hele voornemen van God in Christus (de Bron van alle zegeningen) onthult in deze ene lange zin (vers 3 - 14). Er mag in deze ene zin ook geen enkele onderbreking voorkomen, omdat alles naar de gedachten van één Persoon, van God Zelf is, en met Hem verbonden is. Zo is het ook met datgene wat Hij voor ons doet; ook dat is onlosmakelijk verbonden met hetgeen Hij voor Christus doet. En dat alles moet uiteindelijk "zijn tot prijs van Zijn heerlijkheid" (vers 12) en bijdragen "tot prijs der heerlijkheid van Zijn genade" (vers 6).
In zijn gebed, dat gericht is aan "de God van onze Heere Jezus Christus" (vers 17), bidt de apostel voor de heiligen, opdat zij toch vooral mogen weten wat hun positie is (vers 18) en ook door welke kracht zij daar gebracht zijn (vers 19 en 20). De volheid van onze zegeningen komt voort uit het feit dat wij met Christus gezegend zijn.
Eens in het verderf verbonden met de eerste Adam, zijn wij nu in heerlijkheid met de tweede Mens verbonden. Als Mens bezit de Heere Jezus niets wat Hij in Zijn volkomen liefde ook niet voor ons toegankelijk gemaakt heeft: de heerlijkheid (Johannes 17 vers 22), de vreugde (Johannes 15 vers 11), de vrede (Johannes 14 vers 27), de liefde van de Vader (Johannes 17 vers 26). Hij zal deze kostbare erfenis niet zonder Zijn mede-erfgenamen in bezit nemen.
Paulus vraagt niet of de heiligen aan deze dingen deel mogen krijgen â want zij behoren hun al toe! â maar dat zij zich daarover zullen verblijden. En laten we niet vergeten dat het de ogen van ons hart zijn die open moeten gaan voor deze heerlijke realiteiten. De liefde is de ware sleutel tot het verstaan (Lukas 24 vers 31 en 32). De Geest wekt onze genegenheid op, opdat wij Christus aanschouwen, de opgestane Mens, Die met macht en majesteit bekleed is (volgens Psalm 8). Zijn Lichaam, de Gemeente, is â en dat is onbegrijpelijk groot voor ons, en je durft het niet te zeggen als de Schrift het Zelf niet zou aangeven â de vervolmaking, de completering van Hem als Mens, de volheid van het verheerlijkte "Hoofd" in de hemel. Dat is de volheid "van Hem, Die alles in alles vervult" (vers 23).
De verzen 1 - 3 geven in een paar woorden een beschrijving van onze tragische vroegere toestand. Als kinderen van de toom wandelden wij overeenkomstig de wereld en tegelijkertijd naar de gedachten van "de overste van de macht der lucht" en naar onze eigen verfoeilijke begeerten. Maar toen is God als het ware daartussen getreden (vers 4). "Zijn grote liefde" heeft zich erbarmd over zo'n grote ellende. Hij heeft deze doden "levend gemaakt". Hij heeft hen opgewekt. Ja, nog meer, Hij heeft hen in Zijn eigen hemel plaats laten nemen, de plaats waar Hij Christus aan Zijn rechterhand gezet heeft (vers 6; hoofdstuk 1 vers 20).
Ãf men is dood in zijn zonden, óf men zit in de hemelse gewesten! Een tussenpositie bestaat er niet! Wat is uw en jouw positie?
De verzen 8 - 10 bevestigen de nutteloosheid van onze werken om het heil te kunnen verwerven. Maar het wijst tevens op de grote waarde van het werk van God: "wij zijn Zijn maaksel". Zijn we dan, doordat we geplaatst zijn in de hemelse gewesten, van elke activiteit hier op aarde ontbonden? Juist integendeel! Gered door de genade, zijn we tot nieuwe mensen gemaakt (zie hoofdstuk 4 vers 24), net zoals een bepaald stuk gereedschap voor een bepaald doel gemaakt wordt. Ons doel is: goede werken doen, die God in Zijn goedertierenheid (vers 7) tevoren toebereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen (vers 10; Psalm 100 vers 3; Psalm 119 vers 73). Niet alsof Hij onze werken nodig zou hebben, maar Hij wil graag onze overgave en toewijding aan Hem zien. Laten we daarom nooit vergeten om elke morgen aan Hem te vragen: Heere, laat mij vandaag toch zien wat Uzelf voor mij toebereid hebt, en laat mij dat ook met Uw hulp mogen uitvoeren (Hebreeën 13 vers 21).
In vergelijking met het Joodse volk liet het lot van de volken veel te wensen over. Zij hadden geen enkel recht op de beloften die de eeuwige God aan Abraham en zijn nageslacht gedaan had (Romeinen 9 vers 4). En ook wij behoorden tot deze 'vreemdelingen'. Het is heel goed om die tijd in gedachten te houden (vers 11), waarin wij "zonder Christus" waren en daarom "geen hoop" hadden en "zonder God in de wereld" waren (vers 12). Als wij dat steeds voor ogen houden, dan wordt alles wat wij nu in Hem mogen bezitten, nog veel kostbaarder voor ons. Onze verbinding met God omvat meer dan enkel en alleen een verbond, namelijk ook onverdiende vrede (Romeinen 5 vers 1)! Daar zijn wij van verzekerd door de aanwezigheid van de Heere Jezus in de hemel, "want Hij is onze vrede" (vers 14). Hij heeft die vrede Zelf bewerkt (vers 15) en de volledige prijs daarvoor betaald. En tenslotte is Hij het ook Die deze vrede verkondigt (vers 17). Hij wilde het destijds aan niemand anders overlaten, om op de avond van Zijn opstandingsdag dit kostbare aan Zijn geliefde discipelen mee te delen. Hij zei tegen hen: "Vrede zij u!" (Johannes 20 vers 21; Jesaja 52 vers 7). En Hij voegde eraan toe: "Zoals Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook u". Wij die de blijde boodschap van het evangelie gehoord en geloofd hebben, hebben nu de verantwoording dit ook aan anderen door te geven.
Aan het eind van dit hoofdstuk wordt ons de Gemeente voorgesteld als een Gebouw dat in aanbouw is. God Zelf is de Bouwer (zie Handelingen 2 vers 47), en het Gebouw is gefundeerd op de "apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen", zodat er hier op aarde voor God een woonplaats in de Geest is (vers 19 - 22).
Dit hoofdstuk staat in sommige Bijbelvertalingen tussen haakjes. Daarmee wordt aangegeven dat het een soort tussenzin vormt. Waarom heeft de Heilige Geest deze 'onderbreking' toegelaten? Opdat het kostbare van dit hoofdstuk des te duidelijker naar zal komen: Christus en de Gemeente, de "verborgenheid", die nu geopenbaard is (vers 3 en 9).
Als de Goddelijke wijsheid al in de schepping bewonderd kan worden (Psalm 104 vers 24; Spreuken 3 vers 19), hoeveel te meer komt die wijsheid dan naar voren in de onwankelbare raadsbesluiten van God, met het oog op de heerlijkheid en de eeuwige vreugde van Zijn geliefde Zoon. Deze "veelvuldige wijsheid van God" werd op een onovertroffen en volkomen nieuwe wijze "door de Gemeente" geopenbaard (vers 10). Het wordt door de engelen bewonderd en aan "de heidenen", die tot nu toe zonder hoop waren, wordt dit "Evangelie", deze blijde boodschap, verkondigd (vers 8).
En aan Paulus werd de openbaring van deze verborgenheid, door een speciale roeping, het eerst bekendgemaakt. De grootte van deze verborgenheid maakte hem in eigen ogen klein. Het was zijn taak de rijkdommen van de genade (hoofdstuk 1 vers 7; 2 vers 7) en de Goddelijke heerlijkheid (hoofdstuk 1 vers 18; 3 vers 16) aan allen bekend te maken. De belofte van Psalm 84 vers 12: "de HEERE zal genade en eer geven", werd op het kruis vervuld. Deze wonderbare en vrije gaven zijn sindsdien ook ons deel. Wie heeft er als kind niet van gedroomd, grote schatten te ontdekken? Er bestaat voor ons echter geen grotere schat dan deze "onnaspeurlijke rijkdom" en laten we die door het geloof gerust in bezit nemen!
Het gebed van Paulus is hier gericht aan "de Vader van onze Heere Jezus Christus" (vers 14; vergelijk hoofdstuk 1 vers 16 en 17). Moge Hij, "Die machtig is meer dan overvloedig te doen, boven al wat wij bidden of denken" (vers 20), dit gebed voor ieder van ons verhoren. Geve Hij ons, dat wij toch iets van Zijn ondoorgrondelijke en eeuwige heerlijkheid mogen begrijpen (vers 18).
Hoe wonderbaar en oneindig de hoop op deze heerlijkheid ook mag zijn, toch is het niet datgene waardoor wij aangetrokken worden en geboeid raken. Daarom voegt de apostel er onmiddellijk aan toe: "En te kennen de liefde van Christus" (vers 19).
Stel dat je onverwachts in het paleis van een koning zou komen. Je zou dan ongetwijfeld overrompeld worden door de prachtige omgeving en je er misschien helemaal niet thuis voelen. Zou je daar echter je beste vriend tegenkomen, en zou hij zelfs de hoofdpersoon in die hele omgeving daar zijn, dan zou je je onmiddellijk op je gemak voelen. Dan zou je heel blij en gelukkig zijn, omdat je dat alles samen met hem mag beleven. Zo is het ook met de heerlijkheid: het is de heerlijkheid van onze Heere Jezus, Die wij liefhebben.
Laten we, samen met de apostel, toch bidden dat we "in de inwendige mens" versterkt mogen worden door de Geest (vers 16). Wanneer Christus in ons woont (vers 17), dan zullen we met niets anders en met niets minder vervuld zijn dan met "de volheid van God" (vers 19; Kolosse 2 vers 9 en 10). Bovendien zullen we dan ook vervuld zijn met kracht, liefde, geloof en kennis. Beste vrienden, de Vader heeft voor ons ruimte gemaakt, ja, ons een plaats gegeven in Zijn Huis (hoofdstuk 1 en 2), maar hebben wij in ons hart ook alle ruimte gemaakt voor de Heere Jezus?
"Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al de raad Gods. Zo hebt dan acht op uzelf...", zegt Paulus tegen de oudsten van Efeze (Handelingen 20 vers 27 en 28). En deze woorden komen overeen met de beide gedeelten van de Brief aan de Efeziërs. In de hoofdstukken 1 - 3 stelt de apostel het wonderbare raadsbesluit van God voor de aandacht. En in de hoofdstukken 4 - 6 spreekt hij over de wandel, die overeen moet komen met zo'n hoge roeping (1 Thessalonicenzen 2 vers 12). Vandaar ook dat hij nu begint met de woorden: "Zo bid (vermaan) ik u...".
Deze wandel moet in eerste instantie, in tegenstelling tot een hoogmoedige houding, juist gekenmerkt worden door: "ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, elkander verdragende in liefde... door de band van de vrede" (vers 2 en 3). Overeenkomstig "één hoop van uw roeping" verenigt "één Geest" de leden tot "één Lichaam" (vers
de mensen hebben echter veel kerken gesticht, die ieder voor zich hun aantal lidmaten bijhouden). Onder het gezag van "één Heere" wordt "één geloof", het christelijk geloof, onderwezen, en wordt door "één doop" aangetoond dat de zonden afgewassen zijn en de oude mens begraven is (vers
de mensen spreken echter over de doop van hun godsdienst!) En ten slotte heeft "één God en Vader" (vers 6), Die in ons allen en Die boven allen is, een Goddelijk recht op ons verworven.
De Heere Jezus is als de verheerlijkte Mens opgevaren "ver boven al de hemelen" (vers 10), nadat Hij eerst is afgedaald tot in de dood. En nu deelt Hij in Zijn genade Zijn veelvuldige gaven uit aan de Zijnen. Onderwerpen wij ons aan Hem?
De meeste jonge mensen willen het liefst zo gauw mogelijk genieten van alle voorrechten van de volwassenen. Veel van hen staan er daarentegen heel onverschillig tegenover â en dat soms hun hele leven lang â dat zij in een geestelijke toestand van onmondigheid (dus als van kinderen) blijven.
De verzen 13 - 16 geven een beschrijving van de harmonieuze groei van het Lichaam van Christus, waartoe wij als gelovigen behoren. Deze groei is het resultaat van de ontwikkeling van elke gelovige afzonderlijk. In de Heere Jezus bereikt de "volkomen (volwassen) man" de mate van zijn volledige groei. Christus is in Zichzelf "de volheid" (vers 13; 1 Johannes 2 vers 13).
Een klein kind blijft daarentegen voortdurend ontvankelijk voor allerlei dwalingen, omdat het nog niet in de waarheid bevestigd is. Dat is een heel gevaarlijke toestand! We weten immers in welk een zedelijke en geestelijke duisternis de wereld, door haar onwetendheid met betrekking tot God, gevallen is (vers 17 - 19). Laten wij die in de waarheid die in Christus Jezus is, onderwezen zijn, toch duidelijk laten zien hoe wij "Christus ... geleerd" hebben (vers 20). Onze leer â beter gezegd: onze levenswijze â is een Persoon. Men kan Christus leren kennen, of zoals iemand het eens heeft gezegd: 'Overdenk Hem veel en leef Hem!'
Zoals we een bepaald kledingstuk kunnen verwisselen voor een ander, zo hebben wij ook "de oude mens" afgelegd en de nieuwe aangedaan (vers 22 - 24). Hoe iemand zich kleedt, blijft voor z'n omgeving niet onopgemerkt. Wat ziet men bij ons? De vuile kleren van de oude mens, of toch een zekere zedelijke overeenkomst met de Heere Jezus (Handelingen 4 vers 13)?
Het is ontzettend verdrietig dat God mensen die in Christus en samen met Hem in de hemelse gewesten geplaatst zijn, zulke elementaire vermaningen moet geven als: "legt af de leugen...; wie gestolen heeft, stele niet meer... wordt niet dronken" (vers 25, 28 en hoofdstuk 5 vers 18). Maar Hij weet waartoe onze arme, vleselijke harten nog steeds in staat zijn. En de duivel weet dat ook en hij zal geen enkele kans voorbij laten gaan om ons te verleiden, wanneer wij hem daartoe de gelegenheid geven (vers 27). Laten we eraan denken dat er voor iedere vermaning een verheven en aangrijpende beweegreden bestaat: het is alles vanwege de heiligheid van de drie Goddelijke Personen!
Ten eerste woont de Heilige Geest in ons; laten we er daarom voor oppassen dat we Hem bedroeven (vers 30).
Ten tweede zijn wij geliefde kinderen van de Vader, Die graag wil dat wij Zijn navolgers zijn (hoofdstuk 5 vers 1). "... elkander vergevend, zoals ook God in Christus u vergeven heeft", zegt Hij (hoofdstuk 4 vers 32). Dat gaat verder dan het gebed dat eens aan de Joodse discipelen geleerd werd: "En vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan een ieder" (Lukas 11 vers 4).
Ten derde is de Heere Jezus Zelf ons Voorbeeld (hoofdstuk 5 vers 2; Johannes 13 vers 14). Hij heeft ons geleerd wat liefde is, doordat Hij ons Zelf heeft liefgehad tot in de dood (1 Johannes 3 vers 16). Laten we echter nooit vergeten dat Hij Zich bovenal aan God geofferd heeft, als "een slachtoffer Gode tot een welriekende reuk" (hoofdstuk 5 vers 2)! `Liefelijke offergeuren stegen van het kruis omhoog, waar het Lam in peilloos lijden in het stof des doods Zich boog. Willig gaf de Zoon Zich over, welbehaaglijk in Gods oog.'
Laten we ons hoeden voor dwaas gepraat en allerlei ongepaste grappen. En daarbij gaat het niet alleen om het zelf uitspreken (vers 3 - 5), maar ook het luisteren naar deze dingen (vers 6). Eens waren wij duisternis, maar nu zijn wij licht in de Heere; daartussenin ligt onze bekering; twee omstandigheden die ieder op zich gekenmerkt worden door een eigen wandel. Over onze vroegere wandel lezen we in hoofdstuk 2 vers 2 en hoofdstuk 4 vers 17 - 19. Maar we lezen in deze Brief ook over hetgeen ons nu moet kenmerken. Laten wij die geschapen zijn tot goede werken, ook daarin wandelen (hoofdstuk 2 vers 10). Laten wij, omdat we geroepen zijn tot de heerlijkheid van Christus, ook wandelen op een wijze die deze roeping waardig is (hoofdstuk 4 vers 1). Laten we als kinderen van de God van liefde ook zelf in de liefde wandelen (hoofdstuk 5 vers 1). Laten we, omdat we "kinderen van het licht" zijn geworden, ook dienovereenkomstig wandelen (vers 8; vergelijk Mattheüs 5 vers 14). Laten we in de boze en gevaarlijke dagen, waarin wij nu leven, goed uitkijken waar we onze voeten neerzetten en "voorzichtig" (zorgvuldig) wandelen (vers 15). Onze manier van wandelen is dus van uitermate groot belang! Zijn al deze aanwijzingen bedoeld als moeilijk en dwangmatig? Absoluut niet! De verzen 19 en 20 laten ook zien op welke wijze de christen zijn blijdschap en dankbaarheid kan en mag uiten.
Laten we veel over vers 16 nadenken. Ieder van ons zal wel eens spijt gevoeld hebben dat hij een gelegenheid tot het dienen of getuigen onbenut heeft gelaten! Laten we daarom de toekomstige gelegenheden uitbuiten! O, dat we de eenmalige en wonderbare kans om de rest van de korte tijd dat we nog hier op aarde zijn, voor de Heere Jezus te leven, toch niet verzuimen. Hij alleen is dat waard!
Vanaf hoofdstuk 5 vers 22 tot en met hoofdstuk 6 vers 9 toont de apostel de betrekkingen in het gezin, volgens de principes van het christendom. De onderwerping van de vrouw aan haar man (vers 22) wordt vandaag de dag in onze landen als ouderwets beschouwd. Wanneer de sfeer in een gezin echter bepaald wordt door het vrezen van de Heere, dan zal de man niets onbehoorlijks van z'n vrouw verlangen en zal de vrouw, op haar beurt, erkennen dat alles wat van haar verlangd wordt, naar de wil van de Heere is. Dan is het inderdaad zo, dat de houding van de man bepaald wordt door liefde. En opnieuw wordt ons dan het volmaakte Voorbeeld getoond: Christus in Zijn Goddelijke toewijding aan en Zijn genegenheid voor Zijn Gemeente (vers 25).
In de hoofdstukken 1 (vers 23) en 4 hebben we de Gemeente gezien als Zijn Lichaam, waarvan Hij het Hoofd is. In hoofdstuk 2 werd de Gemeente voorgesteld als een Gebouw, waarvan Hij de Hoeksteen is. En hier in dit hoofdstuk wordt zij ten slotte voorgesteld als Zijn Bruid. De kostbare bewijzen van Zijn grote liefde voor haar golden in het verleden, maar ondervindt zij ook in het heden en in de toekomst. Gisteren heeft Christus Zich voor Zijn Gemeente overgegeven (vers 2). Vandaag omringt Hij haar met Zijn zorg, en reinigt en voedt Hij haar, heeft Hij haar lief en bereidt haar met grote zorg voor op de heerlijke ontmoeting met Hem (vers 26 en 29; zie hoofdstuk 4 vers 11 en verder). Morgen zal Hij haar voor Zich stellen, tot Zijn vreugde, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar verheerlijkt, heilig en onberispelijk, omdat zij dan met Zijn eigen volmaaktheden bekleed zal zijn (vers 27).
We moeten niet menen dat deze Brief, waarin zulke verheven en soms abstracte waarheden voorgesteld worden, alleen voor vergevorderde christenen, voor volwassen mannen (zoals hoofdstuk 4 vers 13 dat zegt) bedoeld is. De apostel richt zich hier ook rechtstreeks tot de kinderen. En wat hij tegen hen te zeggen heeft, is helemaal niet moeilijk om te begrijpen: Gehoorzaam jullie ouders (vers 1) en zie hun vermaningen alsof die van de Heere Zelf komen. Deze tucht, hoe hard jullie het misschien ook mogen vinden, komt voort uit de aanwijzingen die jullie vaders met betrekking tot jullie ontvangen hebben (vers 4).
Wat de knechten en de "heren naar het vlees" betreft, is datgene wat hun hier opgedragen wordt, ook vandaag nog van toepassing op iedereen die een chef heeft (vers 5 - 8) of die werknemers heeft (vers 9). Elke dag zullen we op ons werk de gelegenheid hebben om deze verzen in praktijk te brengen, dat wil zeggen: de wil van de Heere te doen, want Hij ziet ons altijd en overal (vers 6).
We hebben hier echter wel kracht voor nodig. En die kracht kunnen we alleen in de Heere vinden (vers 10). Hij alleen zal en kan ons in staat stellen om de gevreesde, onzichtbare vijanden, "de geestelijke boosheden in de lucht" (vers 12), die ons bedreigen, te weerstaan, want Christus heeft Zichzelf geplaatst in de hemelse gewesten "ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij", nadat Hij hen heeft overwonnen op het kruis (hoofdstuk 1 vers 20 -22; Kolosse 2 vers 15).
Om de vreselijke "geestelijke boosheden" (vers 12) te kunnen weerstaan, zijn menselijke wapens volkomen ontoereikend. Dat zou namelijk net zoiets zijn als met blote handen tegen een pantser slaan (zie ook Job 40 vers 20 en verder). Gelukkig stelt God ons Zijn wapenrusting ter beschikking (vergelijk Romeinen 13 vers 12). Waaruit bestaat die uitrusting?
De waarheid als een gordel. Een teken van de kracht die wij ontvangen in onze onderwerping aan Zijn Woord. Door dit Woord heeft de Heere Jezus satan in de woestijn ook overwonnen. De gerechtigheid vormt het borstharnas. Dat is het beeld van een onberispelijke wandel, waarin men geen mankement kan ontdekken. Het evangelie van de vrede moet ons schoeisel zijn. Daarbij gaat het om een wandel in liefde, waardoor de mensen bereid gemaakt worden om de waarheid aan te nemen. Het geloof is als een schild. Dat spreekt van een volledig vertrouwen in datgene wat God is. De helm van het heil spreekt ook van vertrouwen, maar dan in datgene wat God gedaan heeft. Als wij met deze dingen bekleed en daardoor beschermd zijn, dan zullen we met het hanteren van "het zwaard van de Geest" en ons gebed de aanvallen kunnen overwinnen. Je bent echter te laat wanneer je je wapenrustig pas aandoet als er al gestreden moet worden. Je moet je uitrusting "te allen tijd" (vers 18) dragen, want dan kun je er zeker van zijn dat je beschermd wordt "in de boze dag" (vers 13).
Laten we in onze gebeden ook denken aan het werk van de Heere. De apostel vroeg zelf ook om voor hem te bidden (vers 18 en 19). En hij was er zeker van dat er onder de Efeziërs een grote belangstelling bestond voor het evangelie en de Gemeente. Geve de Heere, dat dit ook in ons hart leeft!
Dit Bijbelboek wordt wel eens 'het boek van de christelijke ervaring' genoemd, een ervaring die je met een paar woorden zou kunnen samenvatten: 'Christus is mij voldoende'. Hij is namelijk mijn Leven (hoofdstuk 1), mijn Voorbeeld (hoofdstuk 2), mijn Doel (hoofdstuk 3), mijn Kracht en mijn Vreugde (hoofdstuk 4). Zo was het bij Paulus, maar is dat ook zo bij mij?
Paulus spreekt hier niet als een apostel of als leraar, maar noemt zich hier slechts een "dienstknecht in Jezus Christus". Zou hij aanspraak hebben kunnen maken op een hogere titel dan die welke zijn Meester Zelf heeft aangenomen (hoofdstuk 2 vers 7)? Paulus schrijft vanuit de gevangenis in Rome aan zijn geliefde Filippensen (onder wie een Lydia en de gevangenisbewaarder; Handelingen 16). Zijn grote verlangen (vers 8) naar deze gelovigen brengt hij tot uitdrukking in zijn gebeden. Het is goed om de volgorde in zijn gebed in de gaten te houden: liefde, ware erkentenis, geestelijk inzicht, een oprechte en niet-aanstootgevende wandel, en een vrucht die blijvend is (vers 9 - 11).
Wat zijn omstandigheden in de gevangenis aangaan, stelt Paulus hen gerust. De slag die de vijand wilde toebrengen aan het evangelie, heeft juist bijgedragen aan de verspreiding van het evangelie. Openlijke tegenstand, om de getuigen van de Heere te ontmoedigen, heeft gewoonlijk de tegenovergestelde uitwerking: de gelovigen worden actiever en moediger.
Wat doet de apostel, als hij hoort dat het evangelie soms met twijfelachtige bedoelingen verkondigd wordt? Hij wordt niet ongeduldig en heeft geen kritiek! Toch wil hij zich hier niet aan verbinden, hoewel hij blij is dat het werk van God voortgang vindt.
Het hart van de mens is zo geschapen dat het geen leegte verdraagt. Het voelt altijd een honger, die de wereld probeert te stillen door een veelvoud van begerenswaardige dingen aan te bieden, waardoor haar klanten tevredengesteld kunnen worden. Wij weten echter uit eigen ervaring dat zulke 'etalages' â hoe lekker en mooi alles ook uitgestald wordt â na een paar uur hun bekoring en aantrekkingskracht verloren hebben. Dit is misschien een wat alledaagse vergelijking, maar het helpt ons het volgende te leren: Er bestaat niets wat nog aantrekkingskracht kan hebben voor het hart dat met de Heere Jezus vervuld is. Dat was ook het geval bij de apostel Paulus: Christus was het enige Voorwerp in zijn hart, zijn enige Doel in het leven.
Wie van ons zou vers 21 zonder meer op zichzelf durven toepassen? Toch bestaat de vooruitgang in het christelijke leven hieruit, dat je dit steeds meer gaat verwerkelijken in je leven.
Christus was voldoende voor Paulus, om te leven en te sterven. En als hij voor deze keus gesteld zou worden, zou hij niet weten wat hij moest kiezen. In het sterven gewon hij Christus, maar in het leven diende hij Hem. Uit liefde tot de heiligen was hij ertoe geneigd om te blijven.
De verantwoording van het evangelie brengt, net als elke strijd, lijden met zich mee (1 Thessalonika 2 vers 2). Maar ook het lijden is, net als het heil, een voorrecht, een geschenk van de genade van de Heere dat Hij de heiligen verleent (vers 29). Zouden we daarom de vervolgde christenen eigenlijk niet moeten benijden in plaats van medelijden met hen te hebben? Laten we in ieder geval voor deze broeders en zusters bidden. Op die manier zullen we samen met hen deelnemen in de strijd voor de waarheid.
Om de weg tot alle harten te vinden, om een broeder te gewinnen, om een meningsverschil op te lossen, bestaat er slechts één geheim: zelfverloochening! Dat kunnen we leren door ons bezig te houden met ons onvergelijkbare Voorbeeld en Hem te aanbidden. De Heere Jezus zegt Zelf: "een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden" (door God), "en die zichzelf vernedert, zal (door Hem) verhoogd worden" (lees Lukas 14 vers 11 en 18 vers 14).
We vinden hier een korte samenvatting van twee geschiedenissen die precies het tegenovergestelde van elkaar zijn. Ten eerste de geschiedenis van de eerste Adam, die ongehoorzaam was, hetgeen de dood tot gevolg had. Dit 'voorbeeld' is nadien nagevolgd door een eerzuchtig en opstandig mensengeslacht. Ten tweede lezen we over de geschiedenis van de laatste Adam, Christus Jezus. Van Hem, Die uit liefde Zijn hemelse heerlijkheid heeft afgelegd, Zichzelf vernederde â totdat Hij niet dieper kon afdalen â tot de dood aan het kruis. De gestalte van een mens, de positie van een slaaf en de smadelijke dood van een misdadiger, dat zijn de verschillende etappes van de wonderbare weg die Hij hier op aarde heeft afgelegd. Ja, God was het aan Zijn gerechtigheid verschuldigd Hem te verheffen en Hem een Naam te geven "welke boven alle naam is" (vers 9). En onder de Naam Jezus, Die zowel heerlijk als vol liefde is en Die Hij heeft aangenomen om te gehoorzamen, te lijden en te sterven â onder deze Naam zal Hij als Heere erkend worden en de allesomvattende hulde ontvangen (vers 10 en 11).
Beste vriend, welke waarde heeft deze Naam voor jouw hart?
Als het grote Voorbeeld van gehoorzaamheid (vers 8) heeft de Heere het recht om ook van ons in alle dingen gehoorzaamheid te verwachten "zonder murmureren en tegenspreken" (vers 14).
De Filippensen waren niet door de afwezigheid van de apostel van deze verplichting ontbonden (vers 12). Integendeel! Omdat Paulus niet meer bij hen was om zich om hen te bekommeren, moesten zij er zelf op toezien dat zij hun christelijke loopbaan niet misliepen. De onderwerping aan de Heere houdt voor een jonge christen immers ook niet op als hij het ouderlijk huis verlaat. Nee, dan is hij zelf verantwoordelijk voor zijn wandel, voor hetgeen hij doet of nalaat!
Het woord dat in vers 12 met "werkt" of "bewerkt" vertaald is, betekent eigenlijk 'verzorgen' of 'onderhouden'. Daarbij mogen we denken aan het wieden van onkruid. In beeld gesproken betekent dat: het met alle ijver wegdoen van onreine gedachten, het nalaten van een onbehoorlijk gedrag, niet liegen, enzovoort. Hoewel niemand anders dat voor ons kan doen, kunnen we dit werk toch niet in eigen kracht volbrengen (vers 13). Zelfs het willen, het verlangen dit te doen, wordt door de Heere in ons gewerkt. Maar wat heeft dat een prachtig getuigenis tot gevolg (vers 14 - 16)!
In dit hoofdstuk worden een aantal voorbeelden genoemd, waarover we eens goed moeten nadenken. Om maar met het hoogste Voorbeeld van overgave en toewijding te beginnen: Christus. Vervolgens wordt Paulus genoemd, in verbinding met de Filippensen (vers 16 - 17). Daarna lezen we over Timotheüs (vers 20) en ten slotte nog over Epafroditus (vers 25, 26 en 30). Wat is vers 21 daarentegen ontzettend triest! Op wie willen wij graag lijken?
Behalve mannen van God, zoals Timotheüs en Epafroditus, die men had te ontvangen en in ere moest houden (hoofdstuk 2 vers 29; 1 Korinthe 16 vers 15 - 18), bestonden er ook slechte arbeiders, voor wie men juist moest oppassen. Zij predikten namelijk een godsdienst van werken, die op het vlees vertrouwt en zich voedt met het aanzien van mensen. Als iemand al menselijke kwaliteiten zou kunnen aantonen, dan was dat zeker Paulus. Hij behoorde namelijk tot de elite van de Joden en was wat de wet betrof, streng gelovig en ijverig, als geen ander! Al deze 'goede eigenschappen' telt hij als het ware op en daarna zet hij een streep onder dit rijtje en noemt het eindresultaat: "schade" (vers 8). Zoals bij het opkomen van de zon alle sterren verbleken, zo was het de unieke Naam van de verheerlijkte Christus waarbij alle arme, aardse ijdelheid in het hart van Paulus verbleekte. Hij achtte al die dingen niet alleen als waardeloos, maar zelfs als verderfelijk. En het is helemaal geen groot offer â ook voor ons niet â om dan af te zien van al "die drek" (vers 8).
O, dat de Heere ons toch kan leren dat we alles afleggen wat tot onze eigen eer en aanzien zou kunnen dienen en waardoor wij onszelf misschien nog zo hoogachten. Ach, in feite zijn het allemaal dingen waarmee we onszelf proberen op te lappen. Laten we toch, net als Bar-Timeüs, onze eigen, oude mantel weggooien (Markus 10 vers 50)! Pas dan zullen we in staat zijn Hem te kennen (vers 10) en kunnen we Hem navolgen op Zijn weg, een weg Die voor Hem zelfverloochening, lijden en sterven, maar ook opstanding betekende (Mattheüs 16 vers 21 en 24), een weg die ook ons lijden en haat zal opleveren, maar waarop wij tevens Zijn nabijheid en gemeenschap zullen mogen ervaren!
Mensen die hier op aarde iets groots tot stand willen brengen, hebben gewoonlijk slechts oog voor dat ene doel. Heel hun doen en laten, al hun gedachten, zijn gericht op dat ene. Of het nu gaat om het veroveren van de Noordpool of de Zuidpool, of om het verkrijgen van een Nobelprijs, of het overwinnen van een vijand â altijd zijn er personen te vinden die inderdaad alles voor dat ene doel opofferen.
Zo was het ook bij Paulus, sinds hij door Christus was gegrepen (vergelijk Jeremia 20 vers 7). Hij wist dat de christelijke wedloop verplichtingen met zich meebracht en hij concentreerde zich als een echte wedloper, met al zijn kracht, op de finish. Nooit keek hij achterom, maar hij dacht voortdurend aan de beloning (lees 2 Timotheüs 4 vers 7). En nu stelt hij zichzelf voor ons tot een voorbeeld, een voorloper, en roept ons op hem op dezelfde 'renbaan' te volgen (vers 17). En laten wij dan net doen als hij, en alles vergeten wat achter ons ligt. Dat betreft zowel de successen waar we nog trots op zouden kunnen zijn, als het verlies dat we misschien geleden hebben en waardoor we ontmoedigd zouden kunnen raken. Laten we ons toch met alle kracht uitstrekken naar het doel dat voor ons ligt. Deze wedloop is absoluut geen gewoon wandeltochtje en we moeten ons er met alle energie volkomen voor inzetten!
Zouden zij van wie het burgerschap in de hemel ligt, zich nog willen (moeten) bezighouden met aardse dingen? Dat zou immers heel inconsequent zijn (vers 20)! Waarover spreken twee landslieden die elkaar in het buitenland ontmoeten? Over hun vaderland! Datzelfde zullen ook wij ondervinden (vergelijk vers 15), wanneer wij ons als christenen ontmoeten en spreken over de vreugde van het hemelse Vaderland.
"Verblijdt u in de Heere", zegt de apostel heel nadrukkelijk. En dat, terwijl het hem niet ontbreekt aan oorzaken om te huilen (zie hoofdstuk 3 vers 18)!
Een ongelukkig meningsverschil veroorzaakte niet alleen onvrede tussen twee zusters (Euodia en Syntyche), maar verontrustte ook de gemeente. Paulus vermaant ieder persoonlijk. Zij moesten â en wij met hen â de les uit hoofdstuk 2 vers 2 leren (vergelijk Spreuken 13 vers 10)! Is mijn "bescheidenheid" (inschikkelijkheid) bekend bij mijn broeders en zusters en de mensen die mij kennen (vers 5)? Wat zou er veel strijd voorkomen kunnen worden wanneer wij ons meer bewust zouden zijn van het feit dat de komst van de Heere heel dichtbij is. En wat zouden we ons dan veel zorgen kunnen besparen!
Door het gebed kunnen we alles waardoor we zo onrustig en beangst worden, uit onze harten wegdoen. Opdat onze gebeden onmiddellijk verhoord worden? Dat hoeft niet per se, maar God zal dan wel Zijn volmaakte vrede in onze harten kunnen uitgieten (vers 7).
Een vraag: hoe kunnen we slechte gedachten vermijden? Door ons bezig te houden met de goede dingen! Laten we daarom vers 8 als een soort zeef op onszelf toepassen. Waar houdt mijn geest zich op dit moment mee bezig? "...al wat waarachtig is... eerbaar... rechtvaardig... rein... liefelijk is"? Houd ik me bezig met datgene wat opbouwend is? Reine gedachten zullen omgezet worden in reine daden (Vers 9)! En wat zal het gevolg daarvan zijn? We zullen niet alleen de vrede van God genieten, maar de God van de vrede zal dan ook met ons zijn en bij ons blijven (Johannes 14 vers 23)!
Ongetwijfeld herinnert Paulus zich zijn eerste bezoek aan Filippi, toen hij daar in de gevangenis zat en samen met Silas liederen zong (Handelingen 16 vers 24 en 25). Nu is hij opnieuw een gevangene, maar zijn vreugde kan door niets en niemand verhinderd worden, omdat Christus hem door niets en niemand ontnomen kan worden. En zo is het ook met zijn kracht. "Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft", zegt hij, ondanks dat hij gebonden is met kettingen (vers 13; vergelijk 2 Korinthe 6 vers 10). Wanneer wij voldoende hebben aan de Heere, dan leren wij, net als Paulus, in alle omstandigheden tevreden te zijn: zowel in perioden van succes als in de moeilijkheden, als we gezond maar ook als we ziek zijn, en ook als we goede of slechte tijden meemaken.
Hoewel de Filippensen erg arm waren, hadden ze de apostel toch opnieuw, via Epafroditus, een gift gestuurd (vers 18; lees 2 Korinthe 8 vers 1 - 5). Vanuit zijn eigen ervaring kan Paulus hen ervan verzekeren: "God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft". In nood zal Hij voorzien, en niet in eigen verlangens. Je zou haast kunnen zeggen dat Paulus de verantwoording voor God op zich neemt. Het is net alsof hij een blanco cheque ondertekent, omdat hij weet dat hij bij God onbeperkt krediet geniet voor zichzelf en zijn vrienden. En daarbij gaat het om niets minder dan Gods rijkdom "in heerlijkheid" (vers 19; Efeze 3 vers 16)!
Geve God, dat ook wij zelf de gelukzalige ervaring van de apostel mogen ervaren: de algenoegzaamheid van de Heere Jezus Christus, totdat heel spoedig het Psalmwoord in vervulling zal gaan: "Ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld..." (Psalm 17 vers 15).
Deze Brief is gericht aan een gemeente die Paulus nooit heeft bezocht (hoofdstuk 2 vers 1). Waarschijnlijk is het evangelie door Epafras â een dienstknecht van God, van wie een opmerkelijk getuigenis gegeven wordt in hoofdstuk 1 vers 7 en 8 en hoofdstuk 4 vers 12 en 13 â naar Kolosse gebracht.
Het is de gewoonte van de apostel om eerst al het goeds wat aanwezig is bij de gelovigen aan wie hij schrijft, naar voren te brengen. Laat dit voorbeeld toch ook invloed op ons mogen hebben!
Geloof, liefde en hoop was de drievoudige en volkomen vrucht die het evangelie in Kolosse heeft voortgebracht (vers 4 - 5). Door "de kennis van God" (vers 10) wordt de gelovige gevoed, zijn hoop versterkt en de liefde aangewakkerd. Vandaar dat de apostel in zijn gebed vraagt of de Colossenzen hiermee vervuld mogen zijn.
Uit de wandel van de Colossenzen â maar ook de onze âzouden twee dingen zichtbaar moeten worden. Ten opzichte van de medemensen: dat wij waardig zullen wandelen Hem Die wij toebehoren. Maar bovenal ten opzichte van de Heere: dat uit onze wandel zal blijken dat wij Hem liefhebben en Hem in alles welgevallig willen zijn.
In vers 11 zien we ten slotte waar wij in eerste instantie de kracht van de Heere voor nodig hebben. Niet om een opzienbarende strijd te kunnen leveren of om hier het evangelie te verkondigen, maar gewoon opdat er bij ons "lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap" aanwezig zal zijn. Elke dag hebben we voldoende gelegenheid om deze overwinning te behalen.
Bij het ware christendom gaat het niet om een religie, en het is ook geen geheel van waarheden die je kunt belijden en nakomen. Nee, het is de kennis van een Persoon, die je zelf hebt beleefd en ervaren. Het ware christendom is Christus, gekend en geleefd. Wij zijn met een onvergelijkbare Persoon in verbinding gebracht: met de Zoon van de liefde van de Vader. God heeft ons een erfdeel van de heiligen in het licht gegeven (vers 12), een plaats in het koninkrijk van Zijn Zoon (vers 13), verlossing en vergeving van onze zonden (vers 14), en de vrede die Christus door Zijn eigen bloed op het kruis heeft bewerkt (vers 20).
De grootheid van dit werk wordt enkel en alleen bepaald door de grootheid van Hem Die het volbracht heeft! En de apostel noemt alle heerlijkheden van de Geliefde hier als het ware in één adem op: wat Hij is, wat Hij is geworden en wat Hij uit ons gemaakt heeft. En Paulus bevestigt hier ook Zijn tweevoudige voorrangspositie, zowel in de schepping als in de Gemeente, en hij noemt Zijn beide titels: Eerstgeborene van alle schepselen, van de hele schepping (vers 15; we zouden kunnen zeggen: de Hoofd-erfgenaam) en: "Eerstgeborene uit de doden" (vers 18).
Door Hem is het leven in de schepping uit het niets voortgekomen. Maar dat leven is ook in de verlossing, uit het graf voortgekomen. Hij is de Schepper van alle dingen, in de hemel en op aarde (vers 16). Hij is de Verzoener van alle dingen, op aarde en in de hemel (vers 20). En ten slotte is Hij de Heerser, Die in alle dingen de eerste plaats moet innemen: in de hemel, op de aarde en in onze harten (vers 18; Mattheüs 6 vers 10).
Paulus was zowel een dienstknecht in het evangelie (vers 23) alsook van de Gemeente (vers 25). Hij werkte en streed voor beiden, hetgeen hem een hoge prijs kostte: heel veel lijden (vers 28 en 29). Hij verkondigde de Goddelijke verborgenheden, die voor wijzen en verstandigen verborgen waren, maar aan de jongste gelovigen geopenbaard zijn (vers 26; hoofdstuk 2 vers 2; vergelijk Efeze 3).
Bij deze gelegenheid is het goed om te wijzen op de talrijke overeenkomsten tussen de Brief aan Kolosse en die aan Efeze. In laatstgenoemde Brief wordt de christen gezien als zittend in de hemelse gewesten in Christus Jezus (Efeze 2 vers 6), terwijl hij in de Kolossebrief gezien wordt op de aarde en Christus in hem, als "de Hoop der heerlijkheid" (hoofdstuk 1 vers 27). Een wonderbare gedachte! Hij in Wie "al de volheid" woont (hoofdstuk 1 vers 19), blijft nu Zelf in de harten van de Zijnen.
We kunnen begrijpen dat de apostel, voordat hij de "beweegredenen", de misleidende woorden en fantasieën van de menselijke geest opnoemt (vers 4), ons eerst precies het tegenovergestelde, namelijk de voortreffelijke christelijke werkelijkheid, onder de aandacht brengt. In Christus bezitten wij inderdaad "alle rijkdom der volle verzekerdheid van het verstand" en "al de schatten van de wijsheid en de kennis" (vers 2 en 3). Wat zouden wij buiten Hem nog verlangen en zoeken?
V Zelf moet in het harte wonen, voor U mijn hart slechts opengaan; geen aardse macht, geen wereldtronen, niets kan in Uwe schaduw staan. 'k Wil in Uw liefde mij verlusten, en aan het hart mijns Heilands rusten.'
Het middel om in de Heere Jezus geworteld en opgebouwd te worden, is het bezig zijn met Zijn heerlijkheden (vers 7). De wortels zorgen ervoor dat een boom gevoed wordt en geven hem standvastigheid. Wanneer een christen niet in het geloof geworteld is (hoofdstuk 1 vers 23), dan loopt hij gevaar door "alle wind van de leer" heen en weer geschud en zelfs ontworteld te worden (Efeze 4 vers 14; Mattheus 13 vers 21).
En zulke gevaarlijke winden waaiden er op dat moment in Kolosse: filosofie (vers 8), overleveringen van mensen, engelen-verering (vers 18), godsdienstige geboden en leringen van mensen (vers 22). Dit alles noemt de Schrift: "ijdele verleiding" (vers 8).
Vandaag de dag komen we dezelfde dingen tegen. Steeds opnieuw bedenkt de mens een nieuwe leer of nieuwe geloofsbeginselen. Laten we heel goed oppassen dat we ons oor niet te luister leggen bij welke leer dan ook die afwijkt van het Woord van God! De grote vijand van onze zielen wil ons heel graag door zijn handlangers verleiden (vers 4) en wil ons maar wat graag tot zijn buit maken (vers 8) en ons de beloning ontroven (vers 18). We mogen gelukkig weten dat de grote strijd echter al door Iemand anders werd gestreden en beslist. Het kruis, waar satan in eerste instantie meende te hebben overwonnen, heeft juist zijn definitieve nederlaag aangetoond (vers 15); zijn hele wapenrusting en zijn bezitting is hem ontnomen (Lukas 11 vers 21 en 22).
Laten we het niet toelaten dat men ons, of beter gezegd de Heere, van iets berooft wat Hem toebehoort!
Wat wij doen of laten, wordt bepaald door datgene wat wij zijn. Onze positie werd in de verzen 12 en 13 op twee manieren omschreven. Ten eerste zijn wij met Christus gestorven voor de elementen van deze wereld. De principes van de wereld â met haar zedelijke en godsdienstige eisen en haar vaak valse maatstaven met betrekking tot goed en kwaad âgelden voor ons niet meer als een leefregel! Ten tweede zijn wij "met Christus opgewekt" (hoofdstuk 3 vers 1). Als mensen die hun plaats in de hemel hebben, hebben wij daarom de dingen te bedenken "die boven zijn" en moeten we in onze dagelijkse omstandigheden de hemelse principes toepassen.
Ja, jullie zijn gestorven, zegt vers 3, en het nieuwe onvergankelijke leven dat jullie nu bezitten, is "met Christus verborgen in God". "Daarom kent de wereld ons niet" â dat wil zeggen dat zij ons niet kan begrijpen â "omdat zij Hem niet kent" (1 Johannes 3 vers 1). Maar wanneer Christus geopenbaard zal zijn, dan zal iedereen weten wat ons geheim was.
Hoewel ons leven in de hemel is, verblijven onze gevaarlijke zedelijke "leden" nog hier op aarde. Met andere woorden: onze begeerten gaan nog uit naar de aardse dingen. Wij moeten al deze uitwerkingen van de oude mens echter veroordelen en voor dood houden. Het zijn immers dingen "om welke de toom van God komt over de kinderen van de ongehoorzaamheid" (vers 6). Deze toorn is voor ons op onze volmaakte Plaatsvervanger neergekomen. "Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden" (Jesaja 53 vers 5).
De kleding van de oude mens bestaat uit niets anders dan lompen, die in vers 8 en 9 aangeduid worden met: toom, boosheid, laster... Laten we ons ervoor schamen, ons nog zo te vertonen! Laten we toch veel meer de stralende kleding van de nieuwe mens aandoen, waarvan Christus het volmaakte Beeld is (vers 10). De 'versiering' van de nieuwe mens bestaat uit: een hartelijk erbarmen, goedertierenheid, nederigheid, mildheid, lankmoedigheid... En laten wij over dit alles ook nog de liefde 'aantrekken', wat in feite de natuur van de nieuwe mens is. Als wij ons op deze wijze openbaren, dan zal aan ons gezien worden dat wij volgelingen van de Heere Jezus zijn (Johannes 13 vers 35).
Onze innerlijke toestand is echter niet minder belangrijk! Christus, Die alles is (vers 11), Zijn vrede (vers 15) en Zijn Woord (vers 16) moeten in ons wonen. De Bijbel in huis of zelfs op het nachtkastje hebben liggen, heeft weinig zin. Ook al is het eten nog zo goed en krachtig, als het op het bordje blijft liggen, dan heb je er niets aan. Het Woord moet rijkelijk in ons wonen (Romeinen 10 vers 8).
Een ander middel waardoor wij onderwezen en vermaand kunnen worden, en waar wij misschien maar weinig bij stilstaan, zijn de liederen die wij in onze harten voor God mogen zingen (Psalm 119 vers 54). Laten we ze Hem, maar ook onszelf, niet onthouden.
Ten slotte zal een tweevoudige vraag als een toetssteen kunnen dienen voor al onze woorden en handelingen: 'Kan ik dit in de Naam van de Heere Jezus zeggen of doen? Kan ik God de Vader ervoor danken?'
In hoofdstuk 3 vers 10 en 11 wordt elk onderscheid tussen mensen, als schepselen van God, weggenomen. Eén principieel verschil blijft echter bestaan en dat is het verschil tussen de oude en de nieuwe mens (vergelijk Galaten 3 vers 27 en 28). Hier wordt de christen, in wie deze beide naturen tegelijkertijd aanwezig zijn, in zijn betrekkingen tot anderen en ook tot de Heere gezien. Als onderscheid tot de rest van deze Brief, waarin wij met Christus (ons Leven) te doen hebben, wordt Hij hier Heere genoemd, waarmee Zijn rechten en Zijn gezag nog eens duidelijk onderstreept worden.
Kinderen, vrouwen, mannen, personeelsleden, directies, iedereen heeft op de plaats waar hij gesteld is en op zijn wijze "de Heere Christus" te dienen (vers 24). En hoe moet de houding zijn ten opzichte van "hen, die buiten zijn"? (hoofdstuk 4 vers 5). Allereerst is dan een wandel in wijsheid, waarin de waarheid gepraktiseerd wordt, van belang. En het spreken moet in genade, maar toch beslist zijn, aangepast aan elke gelegenheid en de toestand van de enkeling (vers 6). Ten slotte nog iets over het gebed (vers 3). Paulus vraagt voor hem te bidden, maar niet uit eigenbelang. Het gaat hem er niet om dat zijn gevangenisdeur opengaat, maar om een open deur voor het evangelie!
Deze verzen komen overeen met hoofdstuk 5 vers 22 tot en met hoofdstuk 6 vers 9 van de Brief aan de Efeziërs. In beide Schriftgedeelten is het mooi om te zien op welke manier het Goddelijke onderwijs ingaat op de details van het leven, maar ook dat er een welriekende geur uitgaat van ons doen en laten, wanneer wij met betrekking tot onze verplichtingen en verhoudingen handelen in overeenstemming met Gods wil.
Toen Paulus gevangen zat in Rome heeft hij zijn Brieven aan de Colossenzen en de Efeziërs door de trouwe Tychikus laten bezorgen (vers 7; Efeze 6 vers 21 en 22). Maar ook andere broeders en mannen van God namen deel aan zijn werk en de oefeningen van zijn hart. Hij noemt bijvoorbeeld Epafras, die voordien over de Heere verteld had aan de Colossenzen (hoofdstuk 1 vers 7) en nu over hen tot de Heere spreekt (hoofdstuk 4 vers 12). We lezen ook over Onesimus, Aristarchus, Markus, Lukas. Van iedereen weet Paulus iets te vertellen. Maar van Demas, die we ook in het rijtje tegenkomen, lezen we slechts de naam, hoewel hij eerder nauw met het werk verbonden was.
We kunnen ons de verlegenheid van Archippus indenken, toen deze Brief in de gemeente werd voorgelezen en hij zijn naam hoorde noemen. Welke bijzondere dienst had hij dan van de Heere ontvangen? Daarvan lezen we niets, maar het was voldoende dat Hij het wist! En als de Geest van God de dienst van Archippus niet nader omschrijft, dan is dat misschien wel opdat wij onze eigen naam in zijn plaats mogen invullen.
De tragische toestand in de gemeente van Laodicéa, zoals die in Openbaring 3 vers 17 beschreven wordt, laat ons zien dat zij geen enkel nut uit deze Brief heeft getrokken, die ook daar werd voorgelezen (vers 16). Zij is arm gebleven, omdat zij andere schatten verzameld heeft dan die worden genoemd in hoofdstuk 1 vers 27 en hoofdstuk 2 vers 3. Zij is naakt gebleven, omdat zij zich niet overeenkomstig hoofdstuk 3 vers 10, 12 en 14 heeft bekleed. Geve de Heere, dat wij deze waarschuwingen in Zijn Woord ter harte nemen! O, dat Zijn Woord toch rijkelijk in ons mag wonen (hoofdstuk 3 vers 16)!
In Handelingen 17 lezen we over het korte bezoek van Paulus en Silas (of Silvanus; vers 1) aan Thessalonika (de huidige Griekse stad Saloniki). Zij hebben daar het evangelie verkondigd en er zelf ook naar geleefd (vers 5). En de Thessalonikers op hun beurt hebben dat zelf ook nageleefd, nadat zij het aangenomen hadden (vers 6). Hun werken waren een bewijs van hun geloof (vergelijk Jakobus 2 vers 18). Door hun "arbeid" werd hun liefde bevestigd. En uit hun volharding bleek dat alleen deze hoop hen versterkte (vers 3). Dit alles was zo duidelijk zichtbaar voor anderen, dat men wist dat er in Thessalonika christenen woonden (vers 7). Weet iedereen in de omgeving waar ik woon of waar ik werk, dat ik een christen ben? Een bekering is het openlijke teken van de wedergeboorte, een zichtbare verandering van richting. De onbekeerde loopt in dezelfde richting als iedereen, maar na de bekering loop je precies de andere kant op en wandel je in overeenstemming met het Goddelijke leven dat je ziel heeft ontvangen. Na deze verandering van richting heb je natuurlijk ook niet meer dezelfde dingen voor de aandacht als voorheen (Galaten 4 vers 8 en 9). De Thessalonicenzen hadden vanaf dat moment de levenloze en bedrieglijke afgoden de rug toegekeerd, om zich voortaan alleen nog met "de levende en waarachtige God" bezig te houden en Hem te dienen (vers 9).
De heidense afgoden van hout of steen hebben in de 'gekerstende' wereld plaatsgemaakt voor een meer verfijnde uitvoering van deze afgoden. Maar nog steeds is het waar, dat men geen twee heren kan dienen (Lukas 16 vers 13)! Wie dienen wij? God of onze eigen begeerten? En wat verwachten wij? De Zoon van God of "de toekomende toom" (vers 10)?
Paulus en Silas lieten zich absoluut niet ontmoedigen door de beledigingen en mishandelingen die ze te verduren hadden in Filippi (Handelingen 16), maar verkondigden juist des te vrijmoediger het evangelie (vers 2). De woedende reactie van de vijand liet dan ook zien dat hun werk niet tevergeefs was geweest (vers 1).
Toch hadden deze beide mannen hierbij geen gebruik gemaakt van allerlei menselijke wervingsmethodes, zoals bijvoorbeeld verleiding, list, vleierij, pogingen om in de smaak te vallen (2 Korinthe 2 vers 17). Maar al te vaak wordt het evangelie in onze tijd op een verleidelijke manier en gevoelsmatig voorgesteld. En we mogen gerust stellen dat het helaas soms niet veel meer is dan een 'bijproduct' van één of ander sociaal werk.
Paulus liet zich in zijn dienst niet beïnvloeden door één van de drie drijfveren in de menselijke activiteit: het zoeken van eigen eer, de bevrediging van het vlees of het materiële gewin. Integendeel, het lijden van de apostel getuigde van een volkomen onbaatzuchtige houding (Handelingen 20 vers 35). Paulus was van twee gevoelens doordrongen: de voortdurende zorg God te willen behagen (vers 4) en de liefde tot hen die zijn 'eigen kinderen' waren geworden. Hij had hen als een moeder gevoed en verzorgd (vers 7). En als een vader vertroostte en vermaande hij hen en leerde hij hun hoe ze te wandelen hadden (vers 11 en 12). Bovenal wilde hij echter graag dat zij zich goed bewust waren van hun eigen verhouding tot God. Wat was hun â en is ook ons â een ontzettend hoge positie geschonken! God heeft hen en ons tot niets minder geroepen dan Zijn eigen koninkrijk en tot Zijn eigen heerlijkheid (vers 12)!
De christenen in Thessalonika hadden de woorden van de apostel aangenomen als datgene wat ze ook werkelijk waren: het Woord van God (vers 13; Mattheüs 10 vers 40). De absolute inspiratie van alle delen van de Heilige Schrift wordt niet door alle theologen in de christenheid erkend. De Brieven van Paulus worden vaak afgedaan als zijnde het onderwijs van een mens, hoewel men soms nog wel wil toegeven dat hij een opmerkelijk iemand, een man van God was, maar dat hij toch ook zijn fouten had. Gewoonlijk gebruikt men dit dan als een uitvlucht om zich zodoende niet aan het Woord te hoeven onderwerpen en om alles wat te eng lijkt, af te wijzen. God zij echter geprezen! Elk woord in de Bijbel bezit hetzelfde Goddelijke gezag!
Door de jaloersheid van de Joden werd het werk van de apostel onder de Thessalonikers onderbroken (vers 15 en 16; Handelingen 17 vers 5). In die zin heeft hij zijn onderwijs aan hen niet tot een goed einde kunnen brengen. Een leraar is echter niet tevreden wanneer geen enkele leerling van hem het diploma behaalt, waarvoor hij hen immers heeft opgeleid. Doordat Paulus tot hun harten sprak, herinnerde hij hen eraan (vers 19) dat hij zich persoonlijk verantwoordelijk achtte voor hun trouw. Al naar gelang hun trouw zou hij óf een kroon ontvangen uit de handen van de Heere óf vanwege hen "beschaamd gemaakt worden in Zijn komst" (vers 19; 1 Johannes 2 vers 28).
Beste vrienden, laat de volgende gedachte toch, net als bij de apostel, ook altijd bij ons aanwezig zijn: heel binnenkort zullen wij voor ons doen en laten rekenschap hebben af te leggen voor onze Heere (Mattheüs 25 vers 19; Romeinen 14 vers 12).
Tot tweemaal toe had satan het weten te verhinderen dat Paulus naar Thessalonika terugkeerde (hoofdstuk 2 vers 18). In feite was het echter God Die dat heeft toegestaan, opdat daardoor zowel de toegenegenheid van de apostel als ook de trouw van de Thessalonikers openbaar zou worden.
Daarna maakte "de verzoeker" (vers 5) gebruik van een ander wapen en bracht hij een grote vervolging onder hen teweeg. Paulus had hun echter tevoren gezegd, dat deze beproevingen niet te vermijden zouden zijn, maar dat gelovigen juist daaraan blootgesteld zullen worden (vers 3; Johannes 15 vers 20 en hoofdstuk 16 vers 33). Bleef hij er daarom onverschillig onder? Juist niet! Wat hem echter zo verontrustte, was niet het lijden van de Thessalonikers, maar hij maakte zich zorgen over de standvastigheid van hun geloof (vers 2, 5, 6, 7 en 10). Dat is ook een les voor ons. Hoe vaak houden we ons alleen maar bezig met uiterlijke omstandigheden: materiële problemen, ziekte, enzovoort, en verliezen daarbij de innerlijke toestand van een christen uit het oog!
Omdat de apostel het niet langer uit kon houden (vers 1 en 5), stuurde hij Timotheüs naar hen toe om hen te versterken en te vermanen (vers 2). En te midden van zijn eigen verdrukking werd Paulus getroost door de berichten die hij ontving en waarover hij zich verblijdde. De beproevingen hadden namelijk het geloof van deze pas-bekeerden versterkt, in plaats dat zij wankelden. In een ontzettend ruw klimaat kom je immers ook vaak plantensoorten tegen die de hoogste weerstand hebben.
Eens te meer had satan zich vergist in zijn manier van werken (Spreuken 11 vers 18).
Onze beproevingen zouden ons er niet toe moeten brengen dat wij de Heere verwachten, maar de liefde! Zijn komst "met al Zijn heiligen" (vers 13) is de grote gedachte waardoor ons hele gedrag bepaald en wij geleid zou moeten worden. Voor God zijn wij heiligen, door het volmaakte werk van Christus (Hebreeën 10 vers 10). Tegelijkertijd worden wij echter vermaand om onze harten te versterken, "om onberispelijk te zijn in heiligmaking" (vers 13). Dat is de uitdrukkelijke wil van God voor ieder van de Zijnen (hoofdstuk 4 vers 3). De jonge gelovige moet er vooral op toezien dat hij rein blijft (vers 4). Als hij zijn lichaam ziet als een object van vermaak, dan zondigt hij in eerste instantie tegen zichzelf. Daarbij ruïneert hij ook vaak zijn eigen gezondheid, maar altijd zijn geweten! Het geweten verliest door dit soort dingen de fijngevoeligheid ten opzichte van het kwaad en reageert dan niet meer goed. Het lijkt dan op een wijzertje van een meetinstrument dat overbelast wordt.
Je kunt echter ook anderen een groot onrecht aandoen (vers 6; Hebreeën 13 vers 4). Vaak moet een lichtvaardig handelen of een kort vermaak betaald worden met een gebroken leven, een bevlekte geest en een bevlekt lichaam en soms zelfs met een kapot huwelijk! Onreinheid in welke vorm dan ook, is echter ook een zonde tegen God (Psalm 51 vers 6)! Ons lichaam behoort onszelf niet meer toe; het is een tempel van de Heilige Geest geworden, Die God ons gegeven heeft (vers 8; 1 Korinthe 6 vers 18 tot en met 20). De Heilige Geest verlangt een reine woning! Wanneer wij onze lichamen rein bewaren, dan betekent dat, dat wij Hem eren Die daarin woont.
Het is helemaal niet nodig om buitengewone werken te doen, om "de levende en waarachtige God te dienen" (hoofdstuk 1 vers 9). Van de christen wordt vooral verwacht dat hij een rustig leven leidt en trouw zijn dagelijkse taken nakomt (vers 11). Binnenkort zal zijn werk beëindigd zijn! Als reactie op de welbekende stem van de Heere zal iedereen dan zijn gereedschap neerleggen en Hem tegemoet gaan in de lucht, om voor eeuwig bij Hem te zijn. De opname van de Gemeente, van alle gelovigen, is de eerste handeling van de komst van de Heere Jezus (de tweede zal zijn dat Hij samen met de Zijnen in heerlijkheid zal verschijnen; hoofdstuk 3 vers 13). Hij komt Persoonlijk om de Zijnen op te halen, en laat deze zorg en die blijdschap niet over aan iemand anders. En deze vreugde zou ook het deel moeten zijn van elke gelovige en mag een troost zijn op het moment dat één van de Zijnen ontslaapt. Omdat de dood overwonnen is (maar nog niet volkomen tenietgedaan, nog niet weggedaan uit de schepping), zijn de doden in Christus gewoon "ontslapen" (vers 13, 14 en 15; vergelijk Johannes 11 vers 11 - 13). Op de gebiedende stem van de Levensvorst zullen zij weer ontwaken, net zoals Lazarus deed, maar dan voor altijd. Dan zullen wij in volmaakte volgorde, en op dezelfde manier als Hij deze aarde heeft verlaten, samen opgenomen worden en Hem tegemoet gaan in de lucht (Filippi 3 vers 20).
Zal onze generatie deze geweldige gebeurtenis, waar zovelen voor ons vol verwachting naar hebben uitgezien, meemaken? Alles wijst erop! Het kan vandaag nog gebeuren! Ben je bereid?
Als de komst van de Heere Jezus voor de Zijnen betekent dat zij in de eeuwige vreugde zullen ingaan, dan is dat tegelijkertijd voor de ongelovigen het signaal van een plotseling verderf (Lukas 17 vers 26 - 30). Het is een gelukzalige verwachting voor de één, maar een grote en vreselijke verrassing voor de ander!
Maar helaas is dat onderscheid in de praktijk niet altijd even goed zichtbaar! Sommige "kinderen van het licht" (vers 5) hebben hun lampen namelijk onder een korenmaat of onder het bed gezet (Markus 4 vers 21). Zij slapen, en die geestelijke slaap staat gelijk aan een toestand van de dood. Hoe is dat zover gekomen? Over het algemeen komt dat door een gebrek aan nuchterheid. Dronken worden (vers 7) betekent in dit verband dat je je te buiten gaat aan de goederen van deze aarde, dat je daarvan veel meer gebruikt dan je nodig hebt (Lukas 12 vers 45 en 46). En als je, wat betreft de hemelse belangen, in slaap bent gevallen, maar tegelijkertijd klaarwakker bent voor de aardse dingen, hoe kun je dan nog verlangen naar de komst van de Heere Jezus? Voor ons "die van de dag zijn" geldt: "laat ons dan niet inslapen" (vers 6), "zoals de anderen, die geen hoop hebben" (hoofdstuk 4 vers 13), opdat wij niet door de onverwachte komst van onze Meester verrast zullen worden.
Laten we de ernstige woorden van de Heere in Mattheüs 24 vers 44 en verder en ook Markus 13 vers 33 en verder nog eens lezen. En laten we onszelf telkens de vraag stellen: Wil ik graag dat de Heere mij bij Zijn komst aantreft op die plaats waar ik naartoe wilde gaan? Dat Hij ziet dat ik bezig ben met de dingen die ik van plan was om te doen? Dat Hij hoort wat ik juist had willen zeggen?'
Het slot van deze Brief leert ons hoe wij ons onderling als broeders te gedragen hebben, maar ook hoe onze houding ten opzichte van alle mensen, van God, en ten slotte in de gemeente moet zijn. Ja, in feite zijn deze korte vermaningen van toepassing op ons hele leven. We moeten ons "te allen tijd" verheugen, "zonder ophouden" bidden en "in alles" God danken (vers 16 - 18). Het geloof helpt ons om de Heere zelfs te danken voor dat wat zo moeilijk lijkt. Onophoudelijk bidden wil zeggen dat je in Zijn gemeenschap blijft en dat bewaart je vervolgens voor alle vormen van kwaad (vers 22).
Hij Die ons geheel verlost heeft, zowel onze geest, ziel als lichaam, eist ook heiligheid van ons in heel ons wezen (hoofdstuk 4 vers 3). De verontreinigingen van de geest en het hart zijn, hoewel onzichtbaar, evenzeer te vrezen als die van het lichaam. Laten we de Heere, Die trouw is, bidden of Hij ons onberispelijk wil bewaren tot aan het grote moment van onze vereniging met Hem. En door welke gedachte zouden wij beter in staat zijn ons te heiligen dan door voortdurend te denken aan de komst van de Heere Jezus (lees 1 Johannes 3 vers 3)? Deze kostbare belofte wordt aan het eind van elk hoofdstuk in deze Brief herhaald. O, dat wij dat nooit uit het oog zullen verliezen! En tot dan zij "de genade van onze Heere Jezus Christus" met een ieder van ons (vers 28)!
`Nee, niet lang meer, o hoe heerlijk U te kennen, zoals U ons kent! Buiten U is niets begeerlijk voor het hart, reeds aan deze aard' ontwend. Roem, aanbidding, dank en lofgezangen worden eeuwig U gebracht, o Heer'. En der heil'gen blijde harpgezangen klinken altijd tot Uw lof een eer.'
De vervolgingen waarvan de Thessalonikers het slachtoffer waren geworden, bewerkten dat hun geloof groeide, hun liefde overstromend was en dat hun volharding openbaar werd. Wat ontbrak er dan nog bij hen en waarom vond de apostel het nodig hun deze tweede Brief te sturen? Deze keer wordt de hoop en de blijdschap in de Heilige Geest niet genoemd (vergelijk 1 Thessalonika 1 vers 3). Paulus stelde hun hier de waarheden voor ogen waardoor deze gevoelens in hun harten weer levend gemaakt konden worden. Hun lijden en de overwinning van hun vervolgers zouden slechts een bepaalde tijd duren. "...want de HEERE, de God der vergelding, zal hun voorzeker betalen" (Jeremia 51 vers 56).
Deze vergelding, zowel voor de trouwen als voor hen die kwaad bedrijven, zal plaatsvinden op de dag van de Heere, hetgeen in verbinding staat met Zijn openbaring in heerlijkheid (vers 6 en 7). Zowel de heidenen, "die God niet kennen" en daar ook geen moeite voor doen, als de naamchristenen, "die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn", zullen dezelfde straf ontvangen: het eeuwig verderf (vers 8). De heiligen, "allen, die geloven", zullen daarentegen gezien worden in de tegenwoordigheid van de Heere, als deelgenoten van Zijn bewonderenswaardige heerlijkheid (vers 10; Mattheüs 13 vers 43).
Het is echter het welgevallen van God en het gebed van de apostel, dat de Naam van onze Heere Jezus Christus nu al verheerlijkt wordt en wel in iedereen die Hem toebehoort (vers 12).
De Thessalonikers zijn verontrust over een heel belangrijke vraag: was de dag van de Heere al gekomen? Door hun verdrukking meenden zij dat dit zo moest zijn, en de valse leraars bevestigden dit. De apostel antwoordt hun echter dat dit absoluut niet het geval is. Aan deze dag moeten namelijk drie dingen voorafgaan:
De opname van de Gemeente door de Heere.
De afval van de valse kerk (die zeggen Christen te zijn zonder dat ze in Hem geloven) en vele Joden.
De verschijning van de antichrist, die "de mens van de zonde, de zoon van het verderf" en "de ongerechtige" (vers 3 en 8) genoemd wordt. Deze namen onderstrepen de grote tegenstelling met de karakterkenmerken van de Heere Jezus: gerechtigheid, heil, volkomen gehoorzaamheid aan God.
In die vreselijke tijd zal God de mensen als straf een dwaling zenden, om hun geest te verduisteren, opdat zij de leugen zullen geloven, omdat zij niet in de waarheid geloofd hebben (vers 11 en 12). "Want de verborgenheid van de ongerechtigheid wordt reeds gewerkt" (vers 7; vergelijk 1 Johannes 2 vers 18). De Heilige Geest vormt nu echter nog een rem op de ontplooiing van het kwaad in deze wereld. Wanneer Hij echter, samen met de Gemeente, deze aarde verlaten zal hebben, zal er geen enkele verhindering voor de ongerechtigheid en wetteloosheid meer aanwezig zijn. Maar wat een verschil tussen deze satanische macht (vers 1- 12) en het werk van onze God en Vader (vers 13 - 17)! Hij heeft ons liefgehad en ons uitverkoren om ons te behouden en geroepen tot de heerlijkheid van onze Heere Jezus Christus! Laten we nooit vergeten Hem daar nu al voor te danken (vers 13; hoofdstuk 1 vers 3)!
Paulus vroeg aan de heiligen of ze voor hem wilden bidden (vers 1; 1 Thessalonika 5 vers 25). Hij, op zijn beurt, bad ook voortdurend voor hen (hoofdstuk 1 vers 11). Hij vertrouwde volkomen op de trouwe Heere, Die hen kon versterken en voor de boze bewaren. Maar hij rekende ook op hun eigen gehoorzaamheid, waarbij het eenvoudig vervullen van de dagelijkse plichten was ingesloten. Sommige Thessalonikers werkten namelijk niet meer. Zij dachten: 'Als de Heere toch terugkomt, waarom zouden we dan nog onze velden bewerken en allerlei zakelijke dingen van het tegenwoordige leven nakomen?' Het verdrietige resultaat van deze instelling was, dat zij zich met verkeerde dingen gingen bezighouden (vers 11; zie 1 Timotheüs 5 vers 13). Paulus komt krachtig tegen deze mening in het geweer. In zijn onderwijs was niets te vinden wat als uitvlucht voor zo'n wanorde gebruikt zou kunnen worden (vers 6, 7 en 11; vergelijk 1 Thessalonika 4 vers 11). Integendeel, hijzelf gaf hun het voorbeeld hoe men met eigen handen te werken had, opdat men niemand tot last zou kunnen zijn. En het allerhoogste voorbeeld was "de lijdzaamheid (volharding) van Christus" Zelf (vers 5); Hij wacht nog steeds op het moment dat Hij Zijn Gemeente voor Zich zal stellen.
Met deze beide Brieven aan de Thessalonikers zijn we aan het eind gekomen van een serie Brieven die Paulus aan zeven verschillende gemeenten geschreven heeft. Daarin worden de verschillende aspecten van het christelijke leven en de christelijke leer behandeld, vanaf het verkrijgen van het heil (de Romeinenbrief) tot aan de toekomstige heerlijkheid. Ook voor ons zijn deze onderwijzingen van het allergrootste belang en ook ontzettend waardevol! Geve de Heere, dat wij hieraan vasthouden, opdat wij vaststaan (hoofdstuk 2 vers 15).
We worden in Handelingen 16 al met Timotheüs bekend gemaakt. De verbondenheid van de apostel met zijn "oprechte zoon in het geloof" (vers 2) was kostbaar. Toch schrijft Paulus hem hier in zijn hoedanigheid als apostel, om daarmee het gezag te onderstrepen dat hij aan Timotheüs overdraagt.
Aan deze jonge gelovige man was een zware opgave toevertrouwd. Hij moest anderen erop wijzen hoe zij zich in "de Gemeente van de levende God" te gedragen hadden (hoofdstuk 3 vers 15). Het einddoel van deze opdracht aan hem was de liefde.
Net zo min als de oordelen voor eerlijke mensen bedoeld zijn, is de wet niet bedoeld voor hen die gerechtvaardigd zijn (vers 9). Wat hen nu paste, was de liefde, waarvan God de Bron is. Deze liefde is door de Heilige Geest in onze harten uitgestort (Romeinen 5 vers 5). Opdat het echter niet tot stilstaand water wordt, maar door ons heen kan vloeien en voor anderen tot zegen kan worden, mag geen enkel kanaal verstopt zitten.
De liefde komt voort uit een rein hart â vrij van alle afgoderij; maar ook uit een goed geweten â dat geen aanstoot geeft (Handelingen 24 vers 16); en uit een oprecht geloof â dat elke vorm van huichelarij uitsluit (2 Timotheüs 1 vers 5). Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, zal ons christendom niet veel meer zijn dan ijdel gepraat (vers 6).
De tegenstelling tussen de wet, die de zondaar vervloekt, en de genade, waardoor hij in het genot van de heerlijkheid en gelukzaligheid van God verplaatst wordt, komt heel duidelijk naar voren!
Als er iemand in staat zou zijn om de slavernij van de wet te vergelijken met het evangelie van de genade, dan was dat wel de Farizeeër Saulus van Tarsus, die de apostel Paulus is geworden. Zijn grote trouw aan de voorschriften van de wet kon niet verhinderen dat hij zichzelf "de voornaamste" van de zondaren noemde (vers 15). Had hij immers niet de Heere Jezus Zelf vervolgd, door de Zijnen op zo'n gruwelijke wijze te vervolgen? Zonder een spoortje van valse verootmoediging verklaart hij zichzelf dan ook als de ergste van de zondaren, zoals die in de verzen 9 en 10 opgenoemd worden. Maar juist daarvoor was Christus Jezus naar deze aarde gekomen, om zondaren te behouden en niet om rechtvaardigen te redden (Mattheüs 9 vers 13). En als "de voornaamste" van de zondaren toen gered kon worden, kan niemand immers meer zeggen dat hij een te grote zondaar is om in het genot van de genade te kunnen komen! Tot tweemaal toe roept de apostel het uit: "Mij is barmhartigheid bewezen" (vers 13 en 16). Hij meet deze barmhartigheid af aan de diepte van de ellende waarin hij zich bevond. En als gevolg van het ervaren van die grote barmhartigheid, stijgt er uit zijn hart spontaan aanbidding op voor God (vers 17).
Als wij, helaas maar al te vaak, zo weinig van deze genade genieten, dan komt dat misschien doordat wij nog niet voldoende doordrongen zijn van onze eigen zondige toestand. "...die weinig vergeven wordt"â mocht je dit tenminste denken â "die heeft weinig lief" (Lukas 7 vers 47).
En wat jou betreft, die misschien nog steeds onverschillig staat tegenover deze genade, willen we zeggen: 'De Heere heeft tot nu toe nog steeds geduld met je gehad. Laat Hem niet langer wachten, want morgen kan het te laat zijn!'
"Voor alle dingen" waarover Paulus aan Timotheüs wil schrijven (hoofdstuk 3 vers 14; 4 vers 6 en 11), wijst hij hem op de verschillende vormen van het gebed. Daarmee moet namelijk elke christelijke dienst â ook die van ons â beginnen.
De wil van God, het werk van Christus en onze gebeden omvatten "alle mensen" (vers 1). Het is onze opdracht zonder uitzondering voor allen te bidden, omdat God wil "dat alle mensen zalig worden" (vers 4) en omdat Christus Zichzelf "gegeven heeft tot een Losprijs voor allen" (vers 6). En het is een groot voorrecht voor ons te mogen bidden voor degenen die het zelf niet doen.
Een rustig en stil leven te kunnen leiden, is afhankelijk van hen "die in hoogheid zijn" (vers 2). Laten we aan God vragen of Hij ons dit, door deze mensen, mogelijk wil maken. En dat niet opdat wij ons dan kunnen uitleven in onze eigen begeerten, maar opdat wij dan vrijer zijn om ons om de redding van zondaren te bekommeren (Ezra 6 vers 10).
Van de broeders - oud, maar ook jong - wordt verwacht dat zij "in alle plaatsen" openlijk in de samenkomsten van de Gemeente bidden op een heilige wijze (vers 8).
De zusters hebben daarentegen op die plaats juist te zwijgen (vers 11; 1 Korinthe 14 vers 34). Door hun houding en hun bescheiden uiterlijk kunnen zij een sterker getuigenis afleggen dan door woorden. De gevolgen van de zondeval blijven voor de vrouw nog altijd bestaan (Genesis 3 vers 16), maar "het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid" (vers 13) zijn hier op aarde al bewijzen van de verlossing en de zegen.
Het begeren van een dienst als opziener moet als een teken van ijver voor de Gemeente gezien worden. Om de dienst van een opziener (of oudste) en van een dienaar (diaken) uit te kunnen oefenen, hoef je geen studie te volgen of een examen af te leggen. Het is een kwestie van zedelijke voorwaarden, en wel op tweeërlei wijze. Ten eerste moet zo iemand beschikken over een goed getuigenis binnen de Gemeente en daarbuiten. En ten tweede moet hij ervaring hebben opgedaan in het christelijke leven.
In elk huis bestaan er regels hoe je je hebt te gedragen en waaraan je je hebt te houden. Dat is een gemeenschappelijk ingestelde orde, waaraan iedereen zich heeft te onderwerpen. Zo is het ook in het Huis van God, de Gemeente (1 Korinthe 14 vers 40). We zijn in daar geen enkel opzicht vrij om te doen en te laten wat wij zelf willen. De Gemeente is "de Pilaar" waarop de Naam van Christus, de Waarheid, geschreven staat, om Hem aan de hele wereld bekend te maken (vers 15).
"De verborgenheid van de Godzaligheid is groot" (vers 16), omdat de Persoon op Wie onze betrekkingen tot God gebaseerd zijn, zo groot is. De komst van de Heere Jezus als Mens naar deze aarde, de volkomen gerechtigheid in heel Zijn wandel, in de kracht van de Heilige Geest en gezien door de engelen, Zijn Naam, gepredikt en geloofd in de wereld, en ten slotte Zijn opneming in heerlijkheid, vormen samen de elementen die onlosmakelijk met deze onaantastbare verborgenheid verbonden zijn, en die aan de Gemeente zijn toevertrouwd. De Gemeente is verantwoordelijk, ten opzichte van de Heere, om de hele waarheid te 'ondersteunen' en te bewaren (zie vers 15 aan het eind).
De grote verborgenheid van de Godzaligheid werd (en wordt) door velen veracht. 'Godzaligheid' betekent: Godvrezend leven. Sommigen hebben daar iets van afgedaan wat hun niet paste. Anderen hebben er wettische tradities of zelfs bijgeloof aan toegevoegd.
"Een goed dienaar" voedt zich met de "goede leer" (vers 6; zie hoofdstuk 1 vers 10; 6 vers 3). Daarna ben je ook in staat anderen te onderwijzen (vers 11 - 13).
De Godzaligheid is een deugd, waarin je je moet oefenen (vers 8; het Griekse woord dat hiervoor gebruikt wordt is 'gymnazô', waarvan 'gymnastiek' is afgeleid). Dit betekent in feite dus niets anders dan jezelf trainen. Lichamelijke oefening is voor de gezondheid en het goed functioneren van ons lichaam noodzakelijk. In vergelijking met de vooruitgang die onze ziel kan boeken wanneer wij onszelf dagelijks oefenen in de Godzaligheid, stelt lichamelijke oefening echter niet veel voor. Let op: je moet je altijd persoonlijk oefenen! Als de jonge Timotheüs hieraan zou voldoen, kon hij een voorbeeld zijn voor anderen (Titus 2 vers 7). Je kunt niet leven van de Godzaligheid van iemand anders. Een voorbeeld "in woord", hetgeen bevestigd wordt door de "wandel" en gestimuleerd wordt door "de liefde", die op haar beurt weer verlicht wordt door het "geloof", dat ten slotte "in reinheid" bewaard moet worden (vers 12).
En hoe kun je je oefenen in Godzaligheid? Door je met de Goddelijke dingen bezig te houden en je daar volkomen aan over te geven. Als we ons met allerlei andere dingen bezighouden, dan is zwakheid in ons getuigenis daar het gevolg van. Laten we toch voorvechters zijn van iets heel anders, van een Persoon: Christus (2 Korinthe 8 vers 5). Dan zal er in geestelijk opzicht vooruitgang zijn bij ons en dat zal weer zichtbaar worden voor anderen (vers 15).
In onze betrekkingen tot andere christenen mogen de 'gewone' familiebanden tot een voorbeeld dienen: "als een vader... als broeders... als moeders... als zusters" (vers 1 en 2). Laten we nooit vergeten dat de gelovigen samen één familie vormen. Elke gelovige afzonderlijk behoort dus tot één en dezelfde familie: de familie van God.
Van ieder persoonlijk wordt verwacht dat hij aan anderen, en in de eerste plaats in zijn "eigen huis" (vers 4), laat zien dat hij de Heere wil dienen en Zijn Woord wil gehoorzamen. De Farizeeën predikten het tegenovergestelde. Hoewel zij met hun eigen toewijding pronkten, verklaarden zij het gebod van God als ongeldig, omdat zij de kinderen ervan weerhielden om aan hun verplichtingen ten opzichte van de ouders te voldoen (Markus 7 vers 12 en 13).
Vers 10 geeft ons een korte samenvatting van een leven dat volkomen ten dienste staat van de Heere. Laat dit het verlangen van een ieder van ons zijn!
Deze veertien verzen (3 - 16) die gewijd zijn aan de weduwen, herinneren ons eraan dat God heel speciaal over hen waakt (Psalm 68 vers 6). In het Lukasevangelie worden vier weduwen genoemd: de profetes Anna (haar smeken, "nacht en dag", vormt een mooie illustratie van vers 5; Lukas 2 vers 36 - 38), de weduwe van Naïn, die haar zoon terugkreeg uit de hand van de Heere Jezus (Lukas 7 vers 12 en verder), dan zij die in de gelijkenis van hoofdstuk 18 haar gelijk probeerde te halen bij de rechter, en ten slotte de arme weduwe die voor de ogen van de Heere â en tot Zijn vreugde â haar hele levensonderhoud in de schatkist van de tempel wierp (Lukas 21). Wellicht is er in de Bijbel geen enkel goed werk te vinden dat door deze daad overtroffen wordt!
Paulus gaat verder met zijn uitleg aan Timotheüs, "hoe men in het Huis van God moet verkeren" (hoofdstuk 3 vers 15). Deze vraag is van uitermate groot belang: voor God Zelf â het betreft immers Zijn Huis â voor Christus Jezus; en ten slotte voor de uitverkoren engelen, die ertoe geroepen zijn om de wijsheid van God in de Gemeente te aanschouwen (vers 21; Efeze 3 vers 10)!
Deze "veelvuldige wijsheid van God" moet echter ook in de diverse details van het leven als Gemeente zichtbaar zijn, allereerst in de verplichtingen van de kudde ten opzichte van de oudsten, maar ook in het gedrag van de dienstknecht van God, wanneer er moeilijke problemen op te lossen zijn, en tevens in de aanwijzingen die aan de "dienstknechten" (werknemers) gegeven worden (hoofdstuk 6 vers 1 en 2).
Wat ontstaat er een grote wanorde, wanneer men zich niet meer aan "de gezonde woorden" onderwerpt. En daarbij gaat het niet om woorden van Paulus of van Timotheüs, maar "van onze Heere Jezus Christus" Zelf (vers 3; 1 Thessalonika 4 vers 2 en 8)!
"De Godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging", dat betekent dat Godsvrucht met tevredenheid iets groots is. En dit ligt voor elke gelovige binnen handbereik (vers 6; zie ook hoofdstuk 4 vers 8)! Onze civilisatie is helemaal gebaseerd op het vinden en bevredigen van steeds weer nieuwe behoeften. Desondanks blijft het begerige hart van de mens onverzadigbaar (vergelijk vers 9 en 10 met Psalm 49 vers 17- 21). Laten we de Heere danken dat Hij ons van het nodige voorziet (vers 8). We zullen tevreden zijn met hetgeen Hij ons geeft, wanneer Hij Zelf, de Gever (het ene grote Onderwerp van de Godzaligheid) ons hart volkomen bevredigt!
"Maar gij...!" (vers 11). De 'mens Gods' â dus elk kind van God â moet hier op aarde voortdurend tegen de stroom in zwemmen.
Hij ontvlucht datgene wat de wereld liefheeft en zoekt: het geld en de dingen die je je voor geld kunt aanschaffen (vers 10).
Hij streeft naar datgene wat de Heere welgevallig is: gerechtigheid, Godzaligheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid (vers 11).
Hij verwacht Zijn verschijning, dat is de tijd waarin alles openbaar zal worden (vers 14).
De apostel maakt onderscheid tussen "de rijken" (vers 17) en hen "die rijk willen worden" (vers 9), want dat maakt een groot verschil. En hij werpt het licht van de eeuwigheid op de goederen van "deze tegenwoordige wereld". Het Onderwerp van ons vertrouwen is niet de gave op zich, maar juist Degene Die het geeft (vers 17). Het ware gewin is de Godzaligheid; ware rijkdom wordt gevormd door de goede werken (vers 18); de ware schat is een goede grondslag voor de toekomst (vers 19). O, dat wij toch het onderscheid mogen onderkennen en "het eeuwige leven verkrijgen mogen".
Ontvlucht..., streeft..., strijdt..., grijpt... hebben we in dit Schriftgedeelte gelezen (vers 11 en 12). In vers 20 vinden we nog een laatste, maar toch heel ernstige, oproep: "Timotheüs, bewaar het pand u toevertrouwd" (zie ook vers 14 en 2 Timotheüs 1 vers 14). Dat is de laatste vermaning, waarbij wij iedere lezer willen oproepen om z'n eigen naam in te vullen op de plaats waar die van Timotheüs staat.
Deze tweede Brief geeft, in tegenstelling tot de eerste, een tijd van verval, van een grote ruïne, aan. De apostel moet als gevangene, en aangekomen aan het eind van zijn loopbaan, nog het snelle verval binnen de getuigenissen meemaken, de gemeenten waarin hij zoveel gewerkt heeft. Met het voortschrijden van het kwaad, dat al zichtbaar werd in de tijd van de apostel, heeft God ervoor gezorgd dat ook wij deze Brief zouden krijgen. Hierin lezen we welke weg wij te gaan hebben, maar worden ook de hulpbronnen voor het geloof in de "zware tijden", waarin wij nu leven, aangegeven (hoofdstuk 3 vers 1).
Paulus schrijft aan zijn "geliefde zoon", dat hij moedig en niet bang moet zijn (vers 7). Alles wat wij als gelovigen aan geestelijke zegeningen bezitten, ligt buiten het bereik van de vijand. Bovendien wordt dat alles bewaard door de kracht van God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Hij blijft de Geest van kracht, liefde en onderwijs en woont in ons (vers 12 - 14; Johannes 14 vers 17). Onze "Zaligmaker Jezus Christus" is niet veranderd. Zijn overwinning over de dood werd voor de eeuwigheid behaald (vers 10). Alle uiterlijke steunpunten zijn verdwenen en het geloof brengt ons ertoe voortaan alleen op de Heere te steunen (Vers 12; Psalm 62 vers 2).
Niet wanneer alles goed gaat, maar juist wanneer alles slecht gaat, wordt de trouw op de proef gesteld (Filippi 2 vers 22). In een tijd van tegenslagen heeft iedereen zich van de apostel afgewend (vers 15), terwijl één broeder, Onesiforus, zichzelf opofferde en hem ijverig in de gevangenis opzocht. Deze Onesiforus was één van de barmhartigen, die barmhartigheid ten deel zal vallen (vers 18; Mattheüs 5 vers 7 en hoofdstuk 25 vers 36).
De apostel wenst voor zijn geliefde discipel dat hij gesterkt mag worden "in de genade" (vers 1). Deze verborgenheid had hij zelf uit de mond van de Heere mogen horen: "Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2 Korinthe 12 vers 9).
Drie voorbeelden illustreren de onthouding, de gehoorzaamheid en de volharding van een christen: de soldaat, de atleet en de akkerbouwer. Een goed soldaat sleept niet allerlei ballast met zich mee. Hij houdt zich aan de tucht, zoals zijn meerdere dat ook graag bij hem ziet. En hij weet dat het soldaat-zijn onvermijdelijk lijden, gevaar en strijd met zich mee zal brengen. Dat alles gaat vooraf aan de eventuele eer of de medaille.
Het Woord is getrouw, dat wordt door de hele Schrift bevestigd. En het is dan ook absoluut zeker dat ons gedrag van nu in de eeuwigheid vergolden zal worden. Vandaag nog het lijden en gestorven zijn met Christus â maar morgen het leven, de heerschappij en de eeuwige heerlijkheid met Hem.
Beste gelovige vrienden, de Heere Jezus heeft ons ertoe geroepen om onder Zijn banier (vlag) op te trekken en te strijden. Maar ach, in een gewoon leger komen soms ook deserteurs voor, die hun banier en aanvoerder verloochenen (vers 12; Judas vers 4). En er zijn ook duizend en één mogelijkheden, ook heel onopvallende, waarmee ook wij onze Meester kunnen verloochenen. Laat het verlangen naar de goedkeuring van de Heere â vandaag nog verborgen, morgen openlijk â ons toch tot goede strijders mogen maken. Laten we toch strijders mogen zijn die in staat zijn om de goede strijd te strijden (hoofdstuk 4 vers 7 en 8; 1 Timotheüs 6 vers 12).
Als alles goed gaat en het werk lukt, heeft de arbeider geen enkele reden om zich voor zijn medemensen te schamen (zie hoofdstuk 1 vers 8, 12 en 16). Als het getuigenis daarentegen in verval raakt, hebben we moeite om aan deze gevoelens van schaamte te ontkomen. Maar wat maakt het uit, wanneer de wereld ons veracht als wij de instemming van God hebben (vers 15)? En dit hoofdstuk laat ons een houding zien waardoor wij in alle omstandigheden zeker mogen zijn van de goedkeuring van de Heere.
Daar waar ongeloof en verdorvenheid heersen, moet de trouwe christen zich afzonderen. Met betrekking tot de enkeling reinigt hij zich; de begeerten ontvlucht hij; naar het goede streeft hij; de gemeenschap met andere gelovigen zoekt hij en hij sluit zich bij hen aan, om samen God te aanbidden.
De verzen 19 - 22 hebben er in de praktijk toe bijgedragen dat kinderen van God zich uit verschillende godsdienstige systemen in de christenheid hebben teruggetrokken, om zich daarna tot eer van de Heere en alleen rondom Hem te vergaderen.
In de eerste Brief (hoofdstuk 6 vers 11) hebben we ook al gelezen over ontvluchten en streven. O, dat de Heere vers 22 van het Schriftgedeelte van vandaag toch mag inprenten in het hart van alle jonge gelovigen! Laten we echter niet vergeten dat wij met onze medemensen evenveel geduld en zachtmoedigheid, alsook standvastigheid met betrekking tot de waarheid en grondbeginselen moeten hebben (vers 24 en 25; Efeze 4 vers 2)!
Het duistere beeld dat in de verzen 2 - 5 gegeven wordt, lijkt op Romeinen 1 vers 28 - 32. Echter met dit verschil, dat hier niet gesproken wordt over heidenen, maar over mensen die zich christenen noemen! En wat alles nog veel erger maakt: de vreselijke kenmerken van gecamoufleerde bedriegers worden met huichelarij, met "een gedaante van Godzaligheid", bedekt (vers 5). "Maar gij...", onderbreekt de apostel telkens opnieuw (vers 10, 14 en hoofdstuk 4 vers 5). Aan de ene kant staan deze immorele mensen, "die altijd leren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen" (vers 7). Aan de andere kant staat deze jonge dienstknecht van God, die onder invloed van een godsdienstige moeder en grootmoeder van kindsaf met "de heilige Schriften" gevoed werd (vers 15; hoofdstuk 1 vers 5). Gelukkig zij die van jongs af aan ijverige lezers van het Woord van God geweest zijn! Voor hen en ons allemaal geldt de vermaning: "Blijft in hetgeen gij geleerd hebt" (vers 14).
Vers 16 bevestigt de volkomen inspiratie van de hele Heilige Schrift en tegelijkertijd Haar gezag, om te leren, te weerleggen, terecht te wijzen en te onderwijzen in de gerechtigheid.
Het Woord van God voedt en vormt de mens van God. Timotheüs was zo iemand, ondanks zijn jonge leeftijd (vers 17; 1 Timotheüs 6 vers 11). Deze titel "mens Gods" betekent: een mens, een man zoals God hem bedoeld heeft; dat is veel waardevoller dan de titel van soldaat, arbeider of knecht (hoofdstuk 2 vers 3, 15 en 24). God laat ons hier zien hoe je een "mens Gods" kunt worden. Geve Hij ook ons het verlangen dat te zijn!
Ook al wenden velen hun oren af van de waarheid (vers 4), toch moet een arbeider van de Heere er niet minder om gaan prediken en waarschuwen. Hij moet juist aanhouden, of het nu gelegen of ongelegen komt, en hij moet altijd blijven weerleggen, bestraffen, vermanen, kortom: zijn dienst volkomen vervullen (vers 2 en 5).
Paulus heeft daar een voorbeeld van gegeven. Zijn loop was voleindigd. Sporters weten dat een wedstrijd nooit voor de eindstreep beslist wordt. Tussentijds opgeven of zich in de laatste meters nog laten inhalen, betekent dat je de loop âen dus ook de prijs â helemaal verloren hebt. En de laatste stappen zijn vaak de moeilijkste! De apostel geeft ons een ontroerend overzicht van de laatste omstandigheden van zijn strijd en loop. Hij zat in de gevangenis en ondervond "koude en naaktheid" (1 Korinthe 4 vers 11; 2 Korinthe 11 vers 27) en hier vraagt hij om zijn mantel (vers 13). Maar hij spreekt ook over het kwaad en de tegenstand van de mensen (vers 14 en 15), over zijn verantwoording tegenover de keizer (Nero), en dat in afwezigheid van zijn vrienden (vers 16). Allen zijn verstrooid. Demas had hem zelfs verlaten (vers 10). Je kunt je niet tegelijkertijd in het gezelschap van hen die "de tegenwoordige wereld" hebben liefgekregen en hen die de "verschijning" van de Heere liefhebben, bevinden (vers 8).
Deze Brief eindigt met de grootste troost in tijden van verval: de genade! Dat is de groet van de apostel, zowel aan het begin als aan het eind van deze Brief (hoofdstuk 1 vers 2; hoofdstuk 4 vers 22).
Deze genade zij met ons allen!
In de Brief aan Titus komen we dezelfde onderwerpen tegen als waarmee wij ons ook in de eerste Brief aan Timotheüs hebben mogen bezighouden: de goede orde in de Gemeente, de gezonde leer, in tegenstelling tot de valse leraars, en hun uitwerkingen in het gedrag van de gelovigen.
Paulus heeft Titus de opdracht gegeven om in elke gemeente oudsten (meervoud!) uit te kiezen en aan te stellen (Handelingen 14 vers 23). Dat is iets heel anders dan het principe dat vandaag de dag wijd verspreid is: dat één persoon deze functie uitoefent en daarvoor regelmatig zijn salaris ontvangt. Waardigheid, nuchterheid, gastvrijheid en zelfbeheersing zijn een paar van de karakterkenmerken die absoluut noodzakelijk zijn voor een opziener.
Het beeld van de inwoners van Kreta, zoals hun eigen profeet dat beschrijft en door Paulus bevestigd wordt, is niet zo fraai. De kenmerken van de natuurlijke mens, die bij de één misschien wat meer en bij de ander wat minder zichtbaar zijn, worden door zijn bekering niet uitgewist. De één heeft nadien misschien nog de neiging om te liegen, de ander tot hoogmoed of luiheid. Elk kind van God moet daarom leren zijn eigen natuurlijke aanleg te onderkennen, en er dan met de hulp van de Heere voor waken dat deze niet meer de kop opsteekt. Zo is het ook met ongehoorzaamheid! De ongehoorzaamheid van kinderen ten opzichte van de ouders (vers 6) kan op latere leeftijd ontaarden in ongehoorzaamheid ten opzichte van het Goddelijk onderwijs (vers 10). En God kan "de werken" die niet in onderwerping aan het gezag van Zijn Woord gedaan worden, nooit erkennen (vers 16).
Behalve zij die oudsten in de gemeente zijn (hoofdstuk 1 vers 5 - 9), moet ook elke christen, jong of oud, broeder of zuster, een goed getuigenis hebben (vers 2 - 10). Wat voor de knechten een plicht is, is ook van toepassing op alle verlosten van de Heere. In het dagelijks leven zijn er maar weinig mensen die niemand boven zich hebben, maar in geestelijk opzicht moet elke gelovige zich in ieder geval een "dienstknecht van God" noemen, net zoals Paulus deed (hoofdstuk 1 vers 1). Het onderwijs van onze Meester wordt veel waardevoller wanneer wij het door ons gedrag mogen "versieren" (vers 10; 1 Koningen 10 vers 4 en 5).
De verzen 11 en 12 laten ons de genade van God zien, die zich op tweevoudige wijze openbaart. Ten eerste openbaart zij het heil aan alle mensen, die zij zonder deze genade nooit zouden kunnen bereiken. En ten tweede onderwijst zij elk kind van God, om in het persoonlijk leven bezonnen (matig) en in de omgang met anderen rechtvaardig en in zijn verbinding met de Heere godzalig te zijn. Het hele christelijke leven wordt in deze drie eigenschappen omvat. En de hoop houdt dit leven staande (vers 13; hoofdstuk 1 vers 2; 3 vers 7). Het wordt een "zalige" of gelukzalige hoop genoemd, omdat de ziel hier op aarde hierdoor al met geluk vervuld wordt.
"God, onze Zaligmaker... de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus" (vers 10 en 13; zie ook hoofdstuk 1 vers 3 en 4; 3 vers 4 en 6), dat zijn titels die in verbinding staan met de Naam Jezus (God is Redder) en die ons eraan herinneren dat wij alles aan Hem te danken hebben. Laten we echter nooit vergeten dat Hij ons niet voor onszelf, maar juist voor "Zichzelf" gered heeft (vers 14)!
Onze houding en ons gedrag ten opzichte van de overheid en alle andere mensen moet noodzakelijkerwijs in tegenstelling staan tot datgene wat "ook wij" voor onze bekering waren. En als wij onze eigen vroegere, verdrietige toestand altijd in gedachten houden, dan zullen en kunnen we "alle zachtmoedigheid" betonen aan "alle mensen" (vers 2; Filippi 4 vers 5). Dan voelen we ons niet boven hen verheven en zal ons voorbeeld hen misschien mogen aansporen om ook van dezelfde genade gebruik te maken, opdat zij ook zelf "het bad der wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest" zullen mogen ervaren.
In deze Brief is er zes maal sprake van "goede werken" (hoofdstuk 1 vers 16; 2 vers 7 en 14; 3 vers 1, 8 en 14). Onder het voorwendsel dat deze werken niet van betekenis zijn voor ons heil, lopen we het gevaar hun betekenis te onderschatten. En dan zullen andere christenen, die op andere punten in de leer misschien minder onderwijs hebben genoten dan wij, ons wat dit betreft wellicht beschaamd doen staan. We moeten daarentegen juist "zorgdragen, om goede werken voor te staan". En dat met een tweeledig doel: ten eerste met het oog op het feit dat ze nuttig kunnen zijn voor anderen (vers 8) en ten tweede opdat we zelf niet onvruchtbaar zullen zijn (vers 14). De Heere wil deze vrucht graag in het leven van de Zijnen doen ontstaan. En Hij is het ook Die deze vrucht op zijn juiste waarde weet te schatten. Een werk dat werkelijk alleen voor Hem gedaan wordt, is goed. Maria had in de ogen van de mensen van deze wereld een goed werk gedaan wanneer zij de kostbare zalf had verkocht ten bate van de armen. Doordat zij het echter uitgoot aan de voeten van de Heere bleek dat zij begrepen had wat het wilde zeggen een goed werk aan Hém te doen (Johannes 12 vers 3).
In schoolboeken kom je vaak aan het eind van een bepaalde les een hoofdstuk tegen om hetgeen je geleerd hebt, te oefenen. De Brief aan Filemon lijkt eigenlijk ook op zo'n oefening. We komen hierin geen bijzondere openbaringen tegen, maar het laat wel zien hoe Paulus en zijn metgezellen de vermaningen die in zijn Brieven staan, zelf in praktijk brengen. "Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid", schrijft hij aan de Kolossers (hoofdstuk 3 vers 12 en verder; vergelijk Filemon vers 5 met Efeze 1 vers 15).
Filemon woonde in Kolosse en was een vroom man en een vriend van de apostel. Hij was ook rijk, want uit deze Brief blijkt duidelijk dat hij slaven in dienst had. Eén van deze slaven, Onesimus, was weggelopen en had Paulus ontmoet, toen deze in Rome gevangen zat. Ten gevolge daarvan was Onesimus tot bekering gekomen.
De apostel stuurt hem met deze ontroerende boodschap terug naar zijn meester. Daarmee handelde Paulus tegen de wet (lees Deuteronomium 23 vers 15 en 16). De genadige houding van de apostel zelf verwacht echter dat diezelfde genade ook werkzaam is in het hart van Filemon. Paulus weet van zijn liefde voor alle heiligen (vers 5) en het bewijs dat Filemon daarvan gegeven heeft, is hem ook bekend (vers 7).
En de Heere Jezus zegt vandaag ook nog tegen ons: "...leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben..." (Mattheüs 11 vers 29).
De naam Onesimus betekent 'nuttig'. Als slaaf was hij vroeger van weinig nut geweest, maar nu verdiende hij deze naam ten volle (vers 11). Meer dan dat zelfs, want hij was namelijk een trouwe en geliefde broeder geworden (vers 16; Kolosse 4 vers 9). Er is geen enkele naam die zo kostbaar is als 'broeder'. En deze naam is zowel voor een christelijke meester (vers 7 en 20) als voor een christelijke slaaf passend.
Paulus noemt zichzelf in deze Brief echter heel anders, namelijk "een oud man" en "een gevangene van Jezus Christus" (vers 9). Als hij alleen aan zichzelf gedacht zou hebben, dan had hij geen afstand gedaan van de dienst van Onesimus. Enerzijds wilde hij deze slaaf echter de gelegenheid geven om een getuigenis af te leggen in het huis waar hij zich voordien zo slecht had gedragen. Anderzijds moest Filemon zelf de vruchten van deze bekering constateren en "de liefde aan hem" bevestigen (2 Korinthe 2 vers 8).
In zekere zin is de geschiedenis van Onesimus ook die van ons. Als opstandige slaven werden wij immers op onze weg van eigen wil gevonden en naar onze Meester teruggebracht. Niet om daarna weer in slavernij terecht te komen, maar we zijn mensen geworden die Hij Zijn geliefde broeders noemt (vergelijk vers 16 met Johannes 15 vers 15). Paulus is hier een beeld van de Heere Jezus, Die onze schuld heeft betaald en nu Zelf ook voor ons opkomt (vers 17 - 19).
Deze Brief leert ons om in ons dagelijks leven het praktische christendom te verwerkelijken in zelfverloochening, meegevoelen, ootmoedigheid, genade... â kortom: door al deze bewijzen van liefde in onze omgeving te openbaren.
De schrijver van de Brief aan de Hebreeën vermeldt zijn naam niet. Het doel van de schrijver â beter gezegd: van de Heilige Geest (vergelijk 2 Petrus 1 vers 21) â is kennelijk om alle aandacht te richten op de Heere Jezus, de grote "Apostel... van onze belijdenis" (hoofdstuk 3 vers 1).
Nadat God door veel verschillende 'werktuigen' gesproken had, sprak Hij ten slotte direct tot het volk Israël en andere mensen door Zijn eigen Zoon (Markus 12 vers 6 en verder). Zijn Zoon, de Heere Jezus, is "het Woord", de volmaakte en definitieve openbaring van God Zelf. En om ons daarvan een hoger besef te geven, onderwijst God ons Wie deze Zoon is: de Erfgenaam van alle dingen, de Schepper van hemel en aarde, de Afstraling van Zijn heerlijkheid en de Afdruk van Zijn wezen en Hij is Degene Die alle dingen draagt (Johannes 1 vers 1 en 18). En Hij Die hemel en aarde gemaakt heeft, heeft ook de reiniging van de zonden bewerkt. Terwijl er voor de schepping maar één woord nodig was, moest Hij voor het verlossingswerk de allerhoogste prijs betalen: Zijn eigen leven!
Uit de opsomming van citaten uit de zogenaamde Messiaanse Psalmen (2, 45, 102 en 110) blijkt de verhevenheid van de Zoon van God en dat Hij in alles de voorrang heeft. Engelen zijn schepselen en de Heere Jezus is de Schepper. Het zijn dienende geesten, en Hij is hun Gebieder. Engelen zijn op een onzichtbare wijze ten dienste van ons bezig, maar alleen de Heere Jezus kon en heeft de reiniging van de zonden voor u, jou en mij volbracht. En door hetgeen Hij voor ons gedaan heeft, wordt Hij door Wie Hij is, voor ons nog vele malen groter.
"God... heeft... tot ons gesproken door [beter: in] de Zoon" (hoofdstuk 1 vers 1). En hoofdstuk 2 sluit daarop aan met de woorden: "Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is" (vers 1). Op de berg der verheerlijking werden drie discipelen al door de plechtige stem uit de wolken vermaand om meer naar de geliefde Zoon dan naar Mozes of Elia te luisteren. "En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen" (Mattheüs 17 vers 5 en 8). Ook "wij zien Jezus" (Hebreeën 2 vers 9) door het geloof.
In het eerste hoofdstuk werd Hij ons voorgesteld met Zijn Goddelijke titels als Schepper en Eerstgeborene. Hier zien wij Hem als de verheerlijkte Mens en de Overwinnaar over de dood.
In hoofdstuk 1 geven alle engelen van God de eer aan Hem. In hoofdstuk 2 moest Hij "een weinig minder dan de engelen" worden, vanwege die dood waarvan Hij Zelf de grote bitterheid moest leren kennen (vers 9). Psalm 8, die hier aangehaald wordt, toont ons echter het geheel van de voornemens van God met betrekking tot de Mens Christus Jezus. De kroon van de heerlijkheid en de eer is op Zijn hoofd; de heerschappij over de aarde en het heelal komt alleen Hem rechtmatig toe; en spoedig zullen alle machten zich voor Hem neerbuigen. De plaats die "de overste Leidsman" van onze behoudenis nu al inneemt, laat echter de voortreffelijkheid van dit heil zien. Hoe zouden wij kunnen ontkomen, wanneer wij zo'n "grote zaligheid" (redding) veronachtzamen (vers 3; Hebreeën 10 vers 29)? En er is helemaal niet zoveel nodig om dat te doen hoor! Je hoeft alleen maar onverschillig te zijn en de beslissing hierover steeds naar later te verschuiven! O, doe dat niet! Haast je, en grijp dat grote heil nu, op dit moment, toch met beide handen aan!
Het betaamde God om de overste Leidsman van onze zaligheid door lijden te heiligen, te volmaken (vers 10). "Doch het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt", lezen we in Jesaja 53 vers 10. En met welk doel? Om "vele kinderen tot de heerlijkheid" te leiden. "...als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien", voegt de profeet Jesaja eraan toe. Deze kinderen, die God aan Christus gegeven heeft om deelgenoten in de heerlijkheid te zijn, zijn Zijn geliefde verlosten. Hij schaamt Zich niet "hen broeders te noemen" (vers 11). Maar om in hun plaats te kunnen gaan staan en Zich daarmee bezig te kunnen houden, moest Hij aan hen gelijk worden, dus Zelf echt Mens worden (vers 14).
Dit hoofdstuk noemt meerdere grote beweegredenen van het grote feit dat voordien verborgen was: de Heere Jezus is neergedaald in Zijn schepping, om God te verheerlijken en Hem gelegenheid te geven Zijn raadsbesluiten, met betrekking tot de mensen, uit te voeren. De Heere Jezus heeft een menselijk lichaam aangenomen om te kunnen sterven, om zodoende de vorst van de dood in zijn eigen vesting te kunnen overwinnen. En ten slotte heeft de Heere Jezus de gestalte van een mens aangenomen, om volmaakt op het lijden van de mensen in te kunnen gaan en die met een menselijk hart te kunnen begrijpen. Vanwege Zijn eigen ervaringen in het lijden is Hij nu in staat om als een barmhartig Hogepriester met onze verzoekingen mee te voelen. Wat een grote troost voor allen die bedroefd zijn!
De Brief aan de Hebreeën wordt wel eens 'de Brief van de geopende hemel' genoemd. En Wie mogen we daar aanschouwen? De Heere Jezus, Die zowel Apostel â dat wil zeggen: Degene Die het Woord van God aan de mensen brengt â als Hogepriester is, de Voorspraak voor de mensen bij God. De Joden vereerden de heerlijkheden van Mozes (hoofdstuk 3), Jozua (hoofdstuk 4) en Aäron (hoofdstuk 5). Omdat hij schrijft aan de Hebreeuwse christenen, laat de schrijver van deze Brief aan de hand van hun geschiedenis zien hoe de Heere Jezus al deze heerlijkheden in Zich verenigt en overtreft.
We kunnen de Heere echter niet leren kennen zonder tegelijkertijd de verdorvenheid van ons eigen natuurlijke hart te ontdekken. God noemt dat "een boos, ongelovig hart" (vers 12) en herinnert ons eraan dat daar de oorsprong van al onze ellende ligt. "Altijd dwalen zij met het hart", zegt vers 10 (vergelijk Mattheüs 15 vers 19). Daarom wordt iedereen die de stem van de Heere hoort (en wie durft te zeggen dat hij die stem nog nooit gehoord heeft?), in deze Brief tot driemaal toe heel nadrukkelijk opgeroepen om zijn hart niet te verharden (vers 7 en 15; hoofdstuk 4 vers 7). Gewoonlijk beperken wij deze vermaning tot het evangelie van het kruis. Maar hebben wij, nu wij christenen zijn, niet iedere dag de gelegenheid om de stem van de Heere te horen in Zijn Woord? O, dat wij toch ook voor elke vorm van verharding bewaard mogen blijven, ongeacht wat Hij vandaag ook van ons mag verlangen!
De rust van God op de zevende dag na het scheppingswerk werd al heel gauw verstoord door de zonde van de mens. En sindsdien is het werken van de Vader en de Zoon in de verlossing "tot nu toe" nog niet beëindigd (Johannes 5 vers 17).
Hier leren we echter:
Dat deze rust God altijd voor ogen heeft gestaan.
Dat het een toekomstige rust betreft, die niet verward mag worden met de intocht van het volk Israël in het land Kanaän, onder leiding van Jozua. In het duizendjarig rijk zal het volk Israël zich verheugen in deze rust. En de Gemeente geniet die rust in de hemelse heerlijkheid.
Dat toch niet allen daarin zullen ingaan, ook al wil God Zijn rust delen met Zijn schepselen. Net als destijds in de woestijn wordt de toegang tot deze belofte afgesloten door ongeloof (hoofdstuk 3 vers 19) en ongehoorzaamheid (hoofdstuk 4 vers 6). Johannes 3 vers 36 laat ons overigens zien dat iemand die niet gehoorzaam is, zich één maakt met degene die niet gelooft. "Het werk Gods" doen, betekent namelijk geloven in Hem Die Hij gezonden heeft (Johannes 6 vers 29). Maar ach, ook nu is het bij veel mensen niet anders dan eens bij het volk Israël: "...het woord van de prediking deed hun geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd was" (hoofdstuk 4 vers 2; Romeinen 10 vers 17).
Ook voor vandaag geldt nog dat we deel kunnen krijgen aan het werk van Zijn genade door gehoorzaamheid aan de Heere Jezus, en dat we vervolgens door Zijn genade toebereid zullen worden om morgen, samen met Hem, in de rust van Zijn liefde te delen (Zefanja 3 vers 17: "Hij zal zwijgen (of: rusten) in Zijn liefde").
Totdat wij in de Goddelijke rust zullen ingaan, hebben de kinderen van God hier beneden nog een tijd van moeite door te maken, in verbinding met de wandel, de dienst en de strijd. Gelukkig staan ons een aantal hulpbronnen ter beschikking, waarvan er drie in dit hoofdstuk genoemd worden!
De eerste Hulpbron is het Woord van God (vers 12). Ook vandaag mogen we hiernaar luisteren en Gods stem daaruit horen. Dit Woord waakt over onze innerlijke toestand. Het is "levend" â het brengt ons het leven; het is werkzaam âhet werkt in ons (Efeze 6 vers 17 laat het ons daarentegen zien als een aanvalswapen); het is doordringend â laten we ons toch door het Woord laten doorgronden!
Behalve de zonde, die door het Woord wordt openbaar gemaakt en veroordeeld, hebben wij ook nog zwakheden en tekortkomingen in ons. Daarom heeft God ons ook nog van andere hulpbronnen voorzien. De tweede hulpbron die ons in dit gedeelte gegeven wordt, is het feit dat God ons een grote Hogepriester heeft gegeven, Die vol begrip en medelijden is. Als Mens hier op aarde heeft Christus elke vorm van menselijk lijden Zelf gekend (vers 15), om op de juiste tijd (vers 16) op allerlei manieren Zijn liefde te kunnen tonen aan Zijn zwakke verlosten.
En als derde heeft Hij ons de toegang "tot de troon van de genade" geopend. We worden opgeroepen om in het gebed tot deze troon te naderen en we kunnen dat "met vrijmoedigheid" en in het volste vertrouwen doen, omdat wij daar onze geliefde Heiland zullen ontmoeten. Zoeken we alleen daar, ja, werkelijk alleen dáár onze hulp (Psalm 60 vers 13)?
Wat een tegenstelling tussen de heilige Zoon van God en de hogepriester, die uit de mensen genomen werd en die, vanwege zijn eigen zwakheid, gedwongen was om toegeeflijk te zijn!
Een andere tegenstelling blijkt uit vers 8. Voor ons is het nodig om gehoorzaamheid te leren, omdat wij van nature ongehoorzaam zijn. De Zoon van God moest echter om een heel andere reden gehoorzaamheid leren. Als de verheven Schepper is Hij aan niemand onderworpen. Gehoorzamen was voor Hem dan ook iets heel nieuws. Maar hierdoor is Hij een Voorbeeld voor en een Leider van "allen, die Hem gehoorzaam zijn" geworden (vers 9).
Wie is in een groep de leider en degene die het meeste gezag heeft? Dat is hij die zelf als eerste de opdrachten uitvoert, onder de moeilijkste omstandigheden, en die pas daarna zijn ondergeschikten bepaalde taken geeft. Dát heeft de Heere Jezus Zelf gedaan! O, dat wij toch ook gehoorzaamheid mogen leren in de school van Hem.
Helaas zijn wij soms zulke slechte leerlingen. Is de berisping uit vers 11 immers ook niet vaak op ons van toepassing? Zijn wij niet vaak traag in het horen? Hier wordt het Woord van God niet voorgesteld als een zwaard dat de gedachten en de gezindheid van het hart openbaar maakt (dat lazen we in hoofdstuk 4), maar als "vaste spijs". Door dit voedsel wordt een kind van God versterkt en wordt hij in staat gesteld om zelfstandig het goede van het kwade te onderscheiden. Dat is de grote vooruitgang die een christen kan boeken, dat hij meer en meer leert zien wat de Heere wel en juist niet welgevallig is.
O, dat er bij ons toch ook een geestelijke vooruitgang te bespeuren is, dat we in dat opzicht volwassener worden. Laten we toch geen genoegen nemen, zoals deze christenen die uit het Jodendom kwamen, met slechts enkele principiële waarheden. De Heere Jezus wil voor ons veel meer zijn dan alleen een Redder van dode werken. Hij wil ook graag onze Heere, ons grote Voorbeeld zijn!
Hetgeen geschreven staat in de verzen 4 - 6, wordt maar al te vaak door de duivel aangegrepen om kinderen van God onrustig te maken. In werkelijkheid gaat het hier echter niet om gelovigen, maar om hen die slechts de naam 'christen' dragen. In de toestand die hier beschreven wordt, zullen we tevergeefs zoeken naar het Goddelijk leven, waaraan de ziel van een ware gelovige deel gekregen heeft. Helaas is het echter wel mogelijk om te midden van de voorrechten van het christendom te leven zonder zelf werkelijk bekeerd te zijn! Dat was toen het geval bij sommige Joden en misschien geldt het vandaag ook voor enkele kinderen van gelovige ouders. De ware gelovigen kunnen hun behoudenis nooit verliezen. Toch bestaat voor hen altijd het gevaar zich te laten gaan. Vandaar ook dat zij behalve in de werken van liefde (die God nooit zal vergeten), ook niet nalatig mogen worden in het geloof en in de hoop (vers 10, 11 en 12). Ware gelovigen voeden zich met de Goddelijke beloften. De christen kent zijn 'thuishaven', ook al is die nu nog onzichtbaar, en hij heeft daar zijn anker uitgeworpen. Hoe stormachtig het op de zee van deze wereld ook mag zijn, het geloof is het touw waarmee de verloste veilig en zeker verbonden is met de hemelse Plaats, waar het Onderwerp van al zijn hoop Zich bevindt!
De schrijver van deze Brief heeft veel te zeggen over Melchizédek (hoofdstuk 5 vers 10 en 11). Deze geheimzinnige persoon duikt op in de geschiedenis van Abraham (Genesis 14). Hij handelt als een middelaar, doordat hij, in opdracht van God, Abraham zegent en in aansluiting daarop God, de Allerhoogste, uit naam van de patriarch prijst. Alles wat zijn eigen persoon en afkomst betreft, blijft daarentegen een geheim. En wij weten waarom. Waar de Geest van God hier belang in stelt, is niet de mens op zich, maar zijn ambt. Als koning en priester is Melchizédek een beeld van de Heere Jezus, wanneer Hij in gerechtigheid zal regeren en Priester zal zijn op Zijn troon.
Het priesterschap naar de orde, de inzetting van Melchizédek staat in alle opzichten boven dat van Aäron. Ten eerste is de ambtsdrager voortreffelijker dan Abraham, want deze patriarch gaf de tienden aan Melchizédek en werd door hem gezegend. Ten tweede is dit priesterschap ouder dan de geschiedenis van het volk Israël en wordt niet alleen ten gunste van dit volk, maar voor alle gelovigen uitgeoefend. En als derde eigenschap kan ten slotte nog genoemd worden, dat dit priesterschap niet overdraagbaar is, omdat Hij Die dit ambt bekleedt, voor altijd leeft (vers 25; Romeinen 8 vers 34).
Veel mensen in de christenheid geloven dat het nodig is om de toevlucht te nemen tot middelaars, tot priesters of 'heiligen'. Deze Brief geeft echter duidelijk aan, dat God ons één enkele Hogepriester gegeven heeft, Die volkomen en toereikend is voor de eeuwigheid (vers 21; hoofdstuk 10 vers 21 en 22).
De Heere Jezus kon pas onze Hogepriester zijn nadat Hij "hoger dan de hemelen" is geworden (vers 26). Om ons bij God te kunnen vertegenwoordigen, moest Hij eerst Zichzelf voor ons offeren. Bovenal hadden wij een Verlosser nodig! Nu is de Redder van onze zielen echter ook Degene Die ons "volkomen kan zalig maken" (vers 25). Dat wil zeggen dat Hij de verantwoording voor ons op Zich neemt, totdat wij ingaan in Zijn heerlijkheid. En omdat Hij voor altijd leeft, hebben wij de zekerheid dat Hij ons geen enkel moment in de steek zal laten. Ja, zo'n Hogepriester hebben wij nodig! Zijn zedelijke volmaaktheid, die op velerlei wijze tot uitdrukking komt, en Zijn positie voor God in heerlijkheid brengen ons ertoe uit te roepen: "0 God... zie, en aanschouw het aangezicht van Uw Gezalfde" (Psalm 84 vers 10).
Maar spoedig zullen we Zijn voorspraak niet meer nodig hebben. Dat zal beëindigd worden wanneer alle verlosten hun leven hier op aarde voleindigd zullen hebben. Waarom wordt er dan toch herhaaldelijk gezegd: "Gij zijt Priester in eeuwigheid" (hoofdstuk 5 vers 6; 6 vers 20; 7 vers 17 en 21)? Omdat de Priester ook Degene is Die de lof aanheft, een eeuwige dienst die onze Heiland niet alleen zal vervullen. Ook in de eeuwigheid zal Hij samen met hen die Hij volkomen behouden zal hebben en die voor altijd Zijn deelgenoten zullen zijn in de heerlijkheid, deze dienst uitvoeren (hoofdstuk 2 vers 12).
Het verbond van Sinaï werd destijds verbroken door de schuld van het volk Israël. Er zal echter "een nieuw verbond" met dit volk gesloten worden, zoals in Jeremia 31 vers 31 (en verder) al is aangekondigd. Omdat de mens heeft laten zien dat hij niet in staat is ook maar aan één verplichting ten opzichte van God te voldoen, worden hem in dit nieuwe verbond geen dingen meer opgelegd die hij moet volbrengen (Romeinen 11 vers 27). De enige grondslag voor dit nieuwe verbond wordt gevormd door het bloed van Christus (vergelijk Mattheüs 26 vers 28). Van dit verbond kunnen vier kenmerken genoemd worden:
De wetten van de Heere zullen dan in de harten geschreven staan. In feite betekent dat, dat er een beroep wordt gedaan op de liefde.
Israël zal haar positie als het volk van God weer terugkrijgen (vers 10; Zacharia 8 vers 8).
De Heere zal dan door allen erkend worden (vers 11; Jesaja 54 vers 13).
God zal hun zonden en overtredingen nooit meer gedenken (vers 12).
Wat de christenen van nu aangaat, kunnen we zeggen dat zij niet onder een verbond staan. Tussen een vader en zijn kinderen is immers geen verdrag nodig! De gelovigen mogen nu al genieten van al deze zegeningen, die aan Israël beloofd zijn. Ja, zij bezitten zelfs nog meer: het Goddelijke Woord is in hen geplant (vergelijk 2 Korinthe 3 vers 3). Zij zijn nu kinderen van God. Zij kennen de Heere door de Heilige Geest, Die in hen woont. Zij hebben de zekerheid dat hun zonden voor altijd uitgewist zijn. Kent ieder persoonlijk die dit leest, deze grote voorrechten?
In de hoofdstukken 35 - 40 van het Boek Exodus wordt verteld hoe de tabernakel gebouwd werd. In Leviticus lezen we de aanwijzingen met betrekking tot de offers (hoofdstuk 1 -7) en de priesters (hoofdstuk 8 - 10). Al deze instellingen voor een aardse godsdienst hebben echter duidelijk hun krachteloosheid aangetoond. De tabernakel werd door een ondoordringbare voorhang in tweeën verdeeld. De priester, die ook een zondaar was, moest voor zichzelf offeren (vers 7; hoofdstuk 5 vers 3), maar uiteindelijk konden deze offeranden, de bokken en de kalveren, het geweten (van de offeraar) toch niet heiligen (vers 9).
Nu spreekt God echter over een hemels heiligdom, "de meerdere en volmaaktere", dat niet van deze schepping is (vers 11; hoofdstuk 8 vers 2). Waartoe zou dit heiligdom echter kunnen dienen wanneer er geen priester zou zijn die in staat is om deze dienst uit te voeren? En waartoe zou er een volmaakte priester moeten zijn (hoofdstuk 5 - 8) wanneer het offer zelf niet volmaakt zou zijn (hoofdstuk 9 en 10)?
Voor ons is het een grote zekerheid te mogen weten dat de Heere Jezus zowel het één als het ander verenigt in Zijn Persoon! Als Offer geeft Hij ons vrede voor het geweten. Als Priester zorgt Hij voor vrede in ons hart en ook dat wij in gemeenschap met God blijven.
Onder het oude verbond was alles onzeker en aan bepaalde voorwaarden gebonden. Nu is alles eeuwig: zowel de verlossing (vers 12; hoofdstuk 5 vers 9) als de erfenis (vers 15). Niets zal ons dit voorrecht kunnen ontroven of deze zekerheid in twijfel kunnen trekken!
"...zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving" (vers 22; lees ook Leviticus 17 vers 11). Dat werd al door ieder offer onder het oude verbond duidelijk gemaakt. Door het geloof had Abel dat destijds ook al begrepen (hoofdstuk 11 vers 4). Hier wordt dat echter nog eens nadrukkelijk bevestigd! "Want de beloning van de zonde is de dood" (Romeinen 6 vers 23), en het bloed dat op deze aarde vergoten is, is het bewijs dat dit loon betaald is (Deuteronomium 12 vers 23 en 24). Het bloed van Christus is "voor velen vergoten... tot vergeving der zonden" (Mattheüs 26 vers 28). En wie zijn deze "velen"? Allen die geloven! Het kostbare bloed van de Heere Jezus, waar God voortdurend op ziet, beschermt hen voor Zijn toorn. Want het is de mensen gezet "eenmaal te sterven" (vers 27). Dat betekent echter niet dat met de dood alles is afgelopen! Het is niet zo, dat men dan ophoudt te bestaan. Het is niet 'over en uit', zoals je de radio uitdraait! De dood is niets vergeleken bij datgene wat daarna komt! Wat dat is? We hoeven maar één kort zinnetje te noemen om dat duidelijk te maken: "...en daarna het oordeel" (2 Timotheüs 4 vers 1; Openbaring 20 vers 12).
De mens zonder God heeft deze twee vreselijke werkelijkheden voor zich: de dood en het gericht.
De verloste bezit echter twee gelukzalige zekerheden: de vergeving van alle zonden en de wederkomst van de Heere Jezus, waardoor hij definitief behouden zal worden (vers 28).
O, dat toch ieder die dit leest, mag behoren tot hen "die Hem verwachten"!
Uit de noodzakelijkheid dat de offers van het oude verbond voortdurend herhaald moesten worden, blijkt dat zij niet werkzaam waren. In feite waren zij niets anders dan een herinnering aan de zonden (vers 3). De gerechtigheid van God werd niet bevredigd door deze offers en Hij kon er geen welgevallen in hebben. Toen heeft Iemand Zich echter bereid verklaard om Zich bezig te houden met ons probleem. Alleen de Heere Jezus was het Onderwerp van het volkomen welgevallen van de Vader en alleen Hij kon het Offer zijn dat aangenomen zou worden. Hij alleen kon het heilige Offer zijn, dat eens en voor altijd geofferd werd.
Terwijl de priesters hier op aarde moesten staan (vers 11), omdat zij hun dienst nooit beëindigd hebben, is Christus gaan zitten (vers 12), hetgeen een bewijs is dat Zijn werk volbracht is. En Hij Die tot "in eeuwigheid gezeten" is, heeft ons tot "in eeuwigheid volmaakt" (vers 14). Ja, helemaal volmaakt, zo ziet God ons, omdat onze zonden afgewassen werden. En dat is niet iets wat alleen betrekking heeft op de toekomst, maar het geldt ook nu. Het betreft een volbrachte, een definitief afgedane zaak.
Laten we echter niet vergeten dat het voor ons volbrachte werk ook gepaard gaat met een werk in ons. De Heere wil Zijn liefde en Zijn wetten in het hart van eenieder van ons geven (vergelijk vers 16; hoofdstuk 8 vers 10). Toen Hij naar deze aarde kwam, heeft Hij het gezegd: "Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden van Mijn ingewand" (vers 7 en 9; Psalm 40 vers 7 - 9). Zou Hij er dan niet naar verlangen dat de Zijnen in dit opzicht steeds meer op Hem gaan lijken?
Het werk van de genade is afgesloten. Hij Die het volbracht heeft, is "hoger dan de hemelen geworden" (hoofdstuk 7 vers 26). En wij worden nu uitgenodigd om, door Zijn voetstappen te volgen, de nieuwe en levende weg in te slaan, die sindsdien open staat voor aanbidders. Het bloed van de Heere Jezus, de gescheurde voorhang en de voorspraak van de grote Hogepriester voor ons, dat alles geeft de volle zekerheid aan ons geloof. Laten we naderen, broeders, met "vrijmoedigheid" (vers 19). Laten we ons toch door niets laten weerhouden om in te gaan in het heiligdom, noch van het regelmatig bezoeken van de samenkomsten met de kinderen van God (vers 25). We zijn niet bekeerd geworden om alleen, als egoïsten, verder te leven! Laten we elkaar bemoedigen tot liefde en toewijding.
Het slot van dit gedeelte is heel ernstig. Moedwillig zondigen betekende voor de Joden die zich tot het christendom bekeerd hadden, niets anders dan terugkeren tot de wet en daarmee de Zoon van God met voeten treden, Zijn kostbaar bloed minachten en de genade bespotten. Dit kan echter ook van toepassing zijn op kinderen van gelovige ouders, wanneer zij het onderwijs dat zij op jonge leeftijd gekregen hebben, verwerpen en opzettelijk de weg van de wereld kiezen.
Jonge vrienden, jullie mogen nu al deel hebben aan grote voorrechten, maar als jullie zelf geen definitieve beslissing voor de Heere nemen, dan moeten jullie erom denken dat de weg naar de hemel voor jullie niet altijd open blijft staan! Kom nu tot Hem (Johannes 6 vers 37)!
De gelovige Hebreeën hadden zich, zonder een klacht te uiten, hun aardse goederen laten ontroven. Zij accepteerden het zelfs met blijdschap (vers 34; vergelijk Mattheüs 5 vers 12). Wat was hun geheim? Het geloof, dat zich betere dingen toe-eigent die buiten het bereik van de vervolgers liggen. We hebben het geloof echter niet alleen nodig in moeilijke tijden of bij de bekering. Het vormt tevens de levende en levensbelangrijke grondslag voor iedere rechtvaardige. Het geloof maakt de toekomstige dingen toegankelijk voor nu en maakt het onzichtbare zichtbaar. Wie geen geloof bezit, kan het niet volhouden. Zo iemand zal zich op de duur terugtrekken en God heeft geen welgevallen aan hem (vers 38; hoofdstuk 4 vers 2; 1 Korinthe 10 vers 5). "Zonder geloof", wordt in hoofdstuk 11 vers 6 herhaald, "is het onmogelijk Gode te behagen".
Nu stelt God ons echter een aantal personen voor de aandacht in wie Hij wel een welgevallen heeft (Psalm 16 vers 3). In hoofdstuk 11 worden, aan de hand van getuigen uit het Oude Testament, de verschillende kanten van het geloofsleven getoond. In Abel zien we dit geloof in de manier waarop hij zich de verlossing toeëigent, door het brengen van een offer dat God welgevallig is. In Henoch wandelt het geloof zijn hemelse doel tegemoet. In Noach veroordeelt het geloof de wereld en predikt het de Goddelijke gerechtigheid. Zo wordt het hele christelijke leven door het geloof gekenmerkt. Ook al zijn wij in onze dagen bij de laatste stappen van deze wandel in het geloof aangekomen, toch betekent dat niet, dat wij nu geen vertrouwen meer hoeven te hebben. Nog eventjes "en Hij Die te komen staat, zal komen en niet vertoeven" (vers 37). Dit moet voor ons voldoende zijn. Hij is de Komende en wij zijn degenen die Hem vol vertrouwen verwachten.
Om ons te leren wat het geloof inhoudt, wordt er in de Bijbel meerdere keren gewezen op Abraham en de zijnen en hoe zij door God uitverkoren zijn. "Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest" (vers 8). Iemand gehoorzamen zonder op dat moment diens bedoelingen te kennen, laat zien dat je hem volkomen vertrouwt. Wanneer het God is Die de opdrachten geeft, dan weet het geloof wanneer het heeft te gaan (vers 8), of juist moet blijven (vers 9). Bij deze patriarch was het helaas zo, dat hij in Haran bleef toen hij naar Kanaän had moeten gaan (Handelingen 7 vers 4). En het gebeurde ook dat hij naar Egypte ging toen hij in het land had moeten blijven (Genesis 12 vers 10). God maakt hier echter geen melding van deze misstappen en dekt ze als het ware toe, net zoals Hij ook zwijgt over het lachen van Sara (Genesis 18 vers 12). En evenmin spreekt Hij over het verdrietige einde van de geschiedenis van Izaäk, alsook het verdrietige begin van die van Jakob. Van het leven van de Zijnen houdt Hij alleen dát in gedachten waardoor Hij verheerlijkt wordt. En alleen het geloof kan Hem verheerlijken.
Principieel is het niet mogelijk om meer dan één vaderland te hebben. De belofte van de hemelse stad maakte daarom Abraham en de Zijnen tot "vreemdelingen op de aarde" en zij schrokken er niet voor terug om hiervoor uit te komen (vers 13; Genesis 23 vers 4). Ze hebben het namelijk ook duidelijk aangegeven, door in tenten te gaan wonen (2 Korinthe 4 vers 18; 5 vers 1). Ze schaamden zich niet voor hun God en daarom schaamde Hij Zich niet voor hen (vers 16). En Hij maakt voor Zichzelf aanspraak op de Naam: de God van Abraham, Izaäk en Jakob.
Beste lezer, heb jij het recht om te zeggen: 'Hij is mijn God?'
Het offeren van Izaäk (of: Izaäk) was het bewijs dat Abraham geloofde in de opstanding (vergelijk Romeinen 4 vers 17) en het liet ook zien dat hij God meer liefhad dan zijn enige zoon.
De lange geschiedenis van Jakob wordt uitgebeeld door zijn
staf; een stuk gereedschap voor de herder, de pelgrim, de
hinkende en ten slotte de steun voor de aanbidder (vers 21).
Bij Izaäk zou je wellicht op de gedachte kunnen komen dat zijn onderscheidingsvermogen rijkelijk laat kwam. Van Jozef hadden we misschien verwacht dat hij zich wel met andere dingen had mogen bezighouden dan een eenvoudig bevel te geven met betrekking tot zijn gebeente. Maar toch getuigt iedere patriarch op zich, op zijn wijze, van de zekere verwachting van de toekomstige dingen.
Mozes weigert..., kiest..., acht..., "want hij zag op de vergelding van het loon" (vers 26; hoofdstuk 10 vers 35). Hij verlaat..., is niet bang..., hield stand..., omdat hij Degene ziet Die onzichtbaar is (vers 27). Het geloof is het enige 'meetinstrument' waarmee je de werkelijke waarde en de relatieve duur van alle dingen kunt meten. Tegelijkertijd is het ook de innerlijke kracht waardoor men in staat is om te overwinnen. Het overwinnen van hindernissen â de woede van de koning, de Rode Zee, de muren van Jericho â en de begeerten â de afgoderij van de zonde en de schatten van Egypte. Ja, het geloof is energiek en stoutmoedig.
En als het voorbeeld van Mozes in onze ogen misschien te hoog gegrepen lijkt te zijn, dan mogen we ons laten bemoedigen door het voorbeeld Rachab. Hoe onze omstandigheden ook mogen zijn, God verwacht een zichtbare vrucht van ons geloof!
Vanaf vers 32 bevinden we ons in het land Kanaän. En daar zien we de rechters, de koningen, de profeten en de "grote wolk van de getuigen, rondom ons" (hoofdstuk 12 vers 1), die ons voorgegaan zijn en die op ons wachten, om in het bezit van de beloften te kunnen komen (vers 39 en 40).
Ook in de donkerste tijden is de fakkel van het geloof, die van hand tot hand ging, nooit uitgeblust. Alleen God kent de lange lijst van deze vergeten martelaren, en houdt die nog steeds bij. Voor ieder bestaat er een aparte bladzijde, die door Hem aan het boek van de trouw wordt toegevoegd. Vandaag is het onze beurt om deel te nemen aan deze estafetteloop.
Wat heb je nodig om deze loop goed te beëindigen? Je mag niet met een last beladen zijn, noch ergens door gehinderd worden. Laten we er daarom mee beginnen ons van alle last en elke nodeloze bepakking te ontdoen. En laten we ook de zonde afleggen, het net waarin we zo gemakkelijk verstrikt kunnen raken en waardoor we ten val kunnen komen! Maar dat is nog niet alles! Het is ook nodig dat we door een bepaald onderwerp, een soort magneet, aangetrokken worden. Laten we daarom ook onze blikken richten op de Heere Jezus, de Leider en het Voorbeeld van het geloofsleven. Hij is "de overste Leidsman en Voleinder" van dit geloof (vers 2). Ook Hij had voortdurend een onderwerp voor de aandacht dat machtiger was dan het kruis en al Zijn lijden. Dat was de "verzadiging van vreugde" waarmee het leven van de Man van het geloof gekroond zou worden, en dat waren ook de "liefelijkheden" in Zijn rechterhand (Psalm 16 vers 11).
In een gezin is een kind onder het gezag en de tucht van de vader gesteld. Hierdoor zullen er bij een kind soms tranen voorkomen. Als het echter volwassen geworden is, dan zal het de dingen begrijpen en de ouders hiervoor danken. Als wij zonen en dochters van God zijn, dan zullen we onherroepelijk Zijn tucht ervaren (vers 8), want de heilige God wil Zijn kinderen vormen naar Zijn eigen beeld (vers 10). Deze tuchtiging kan bij ons echter twee verschillende en tegenovergestelde uitwerkingen hebben! Ten eerste kunnen we haar verachten, door er niet naar te willen luisteren en er geen rekening mee te houden. Maar ten tweede kunnen we er ook door "geoefend" worden (vers 11). Dat betekent dat we ons dan door de Heere laten beproeven, om te ontdekken waarom Hij ons die bepaalde beproeving heeft doen ondergaan (Job 5 vers 17). Het gevaar bestaat echter dat wij hierdoor de moed verliezen (vers 5; Efeze 3 vers 13). Mocht dit zo zijn, dan is het goed om altijd de naam die aan de getuchtigde gelovige gegeven wordt, voor ogen te houden: "... wie de Heere liefheeft" (vers 6).
Laten we de vrede najagen met allen, maar niet ten koste van de heiligheid (vers 14). En laten we daarbij nooit vergeten dat wij zelf ook het onderwerp van de genade zijn en laten we daarom alle wortels van bitterheid (vers 15; letterlijk: giftige kiemen) uit ons hart weren, want als zulke gedachten in ons hart niet onmiddellijk veroordeeld worden, dan zullen ze zich vroeger of later openbaren (Deuteronomium 29 vers 18).
Ezau, die we in het voorgaande hoofdstuk niet tegenkomen in het rijtje van zijn familieleden, wordt hier, tot zijn eeuwige beschaming, wel aangehaald. O, dat toch niemand van ons op hem zal lijken!
Hier wordt nog een tegenstelling aangetoond tussen datgene wat de wet te bieden heeft en dat wat de christen nu in Christus mag bezitten. In het komende Koninkrijk van de Messias zal God het vreselijke Sinaï in genade vervangen door Sion (Psalm 2 vers 6). Het kind van God komt nu echter al tot een hogere orde van zegeningen. De gelovige wordt opgeroepen om de helling van deze berg van genade te beklimmen, en door het geloof in "de stad van de levende God", het hemelse Jeruzalem in te gaan en diens bewoners te begroeten (vers 22). Het kind van God zal daar talloze engelen ontmoeten en de "eerstgeborenen", dat is de Gemeente. En op de top van deze berg staat God Zelf, "de Rechter over allen" (vers 23), Die de gelovigen echter als verlosten zal ontvangen.
Wanneer de gelovige vervolgens weer afdaalt naar de voet van de berg, tot de bodem van de Goddelijke grondslag van al deze heerlijkheden, dan ontmoet hij "de geesten van de volmaakte rechtvaardigen" uit hoofdstuk 11 en de Heere Jezus, "de Middelaar van het nieuwe testament" (verbond), dat Hij bezegeld heeft met Zijn eigen bloed (vers 23 en 24).
Ook al zijn alle wankelbare dingen voorbestemd om spoedig te vergaan, ik zal een onwankelbaar koninkrijk ontvangen en mijn naam staat in de hemel ingeschreven (Lukas 10 vers 20). Wat een zekerheid! En dezelfde genade waardoor mij daar de toegang verleend wordt, stelt mij nu al in staat om deze heilige God te dienen â niet op een wijze die mij past, maar op de manier die aangenaam is voor Hem! De eerbied (het ontzag) voor Hem en de vrees Hem te mishagen, zullen mij bewaren op de weg van Zijn wil (vers 28 en 29)!
Broederliefde kan op verschillende manieren tot uitdrukking komen: in gastvrijheid (hetgeen een gewin is voor degene die haar betoont; vers 2), door medelijden te hebben (zich één maken met hen die lijden; vers 3 en hoofdstuk 10 vers 34), in goed doen (waarin God Zelf een welgevallen heeft; vers 16).
De liefde tot het geld kent helaas ook verschillende gezichten. Je kunt het geld dat je al bezit, liefhebben, maar ook dat wat je nog graag zou willen hebben. Laten we toch tevreden zijn met datgene wat we hebben! Voor de behoeften of de gevaren van morgen mogen we met vrijmoedigheid op de trouw van de Heere steunen (vers 6; Mattheüs 6 vers 31 - 34). Hij, Die onze Helper is, kan niet veranderen. In hoofdstuk 1 vers 12 hebben we het al gelezen: "Gij zijt Dezelfde". En dat wordt hier in vers 8 nog eens aangevuld met de bevestiging waarvan de draagkracht en reikwijdte ontzettend groot is: "Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in eeuwigheid"! Wanneer wij voldoende hebben aan Hem, dan zullen de "verscheidene en vreemde leringen" geen enkele invloed op ons hebben (vers 9). Dan zullen we bereid zijn om de godsdienstige legerplaats van het formalisme te verlaten (vergelijk Exodus 33 vers 7), om alleen uit te gaan tot de Heere Jezus, naar de plaats waarvan Hij beloofd heeft daar aanwezig te zullen zijn. Hijzelf heeft het allergrootste â en hoogste â Offer gebracht. En het is nu een voorrecht voor ons om God de vrucht van onze lippen te mogen offeren, te danken en te aanbidden. En dat niet alleen op zondag, maar voortdurend. Het is iets kostbaars Hem "een offerande van de lof, dat is de vrucht van de lippen", die eerst in onze harten gerijpt is, te mogen brengen (vers 15; Mattheüs 12 vers 34)!
Wij hebben trouwe voorgangers gehad. Laten we hen in gedachten in ere houden en hun geloof navolgen â en hun geschriften lezen (vers 7). Maar God geeft ons ook vandaag nog voorgangers (vers 17 en 24). Wat is onze opdracht ten opzichte van hen? Hen te gehoorzamen, voor hen te bidden (vers 18) en ervoor te zorgen dat ze hun dienst met blijdschap kunnen doen â zij waken over onze zielen! Ook hebben we "het woord van deze vermaning" te verdragen (vers 22), wanneer het tot ons gericht is. Desondanks mogen we, vanwege de dienstknechten van de Heere, nooit "de grote Herder van de schapen" Zelf uit het oog verliezen. Alleen Hij heeft Zijn leven voor Zijn schapen gegeven en nu leidt Hij hen, samen met Zichzelf, buiten de legerplaats van de menselijke godsdienst. Voortaan vormen alle christenen één kudde met één Herder, Die voorop gaat (Johannes 10 vers 4 en 16).
In het verloop van deze Brief werden de elementen van het Jodendom stuk voor stuk weggenomen en vervangen door de heerlijke christelijke waarheden, die allemaal samengevat zijn in Jezus Christus. Dat is het uiteindelijke werk, dat God in ons voleindigt (vers 21): Hij bevrijdt ons van elke keten, maakt ons los van elke vorm, om ons vervolgens met Zijn opgestane en verheerlijkte Zoon te verbinden. Hopelijk heeft deze Brief ons geleerd dat wij door het geloof onze ogen nu al op Hem kunnen richten (hoofdstuk 12 vers 2), terwijl wij wachten op Zijn spoedige wederkomst!
`Wij wachten U; U hebt, o Heer, ons hart reeds ingenomen. Uw Woord verklaart ons telkens weer, dat U weldra zult komen. Dan zullen wij aan Uwe zij, in 't eeuwig hemelleven, U lof en ere geven!'
Jakobus richt zich tot zijn broeders, christenen die uit het Jodendom gekomen waren, die zich er echter nog niet volkomen van losgemaakt hadden. Hij roept hen op om "de beproeving" van hun geloof met "vreugde" te ondergaan. Twee woorden die, op het eerste gezicht, niet met elkaar in overeenstemming kunnen zijn. Bij de Hebreeuwse christenen hadden sommigen dit echter wel in praktijk gebracht (Hebreeën 10 vers 34). Deze ervaring sluit aan op hetgeen Paulus heeft gezegd: "...wij roemen ook in de verdrukkingen, wetend dat de verdrukking lijdzaamheid (volharding) werkt" (Romeinen 5 vers 3; vergelijk Colossenzen 1 vers 11).
Een andere tegenstrijdigheid â tenminste zo lijkt het âkomt tot uitdrukking in het feit dat volharding gepaard gaat met wachten op iets wat men nog niet bezit, terwijl Jakobus er juist aan toevoegt: "in geen ding nalatig", dat wil zeggen nergens gebrek aan hebben (vers 4). Waar wij werkelijk gebrek aan kunnen hebben, zijn niet de aardse goederen, maar is de wijsheid. Laten we daarom het voorbeeld van de jonge Salomo volgen en de Heere hierom vragen (vers 5; 2 Kronieken 1 vers 10).
Zelfs een arme christen heeft aan geen ding gebrek, omdat hij de Heere Jezus bezit. En de rijke kan zich verheugen in zijn vernedering, wanneer hij in gemeenschap is met Hem, Die Zichzelf vernederd heeft tot de dood aan het kruis. Zouden we jaloers zijn op hen die "als een bloem van het gras voorbijgaan" (vers 10)? Laten we toch de kroon van het leven voor ogen houden. Die wordt als loon gegeven aan hen die de beproeving met volharding verdragen hebben; de kroon die "de Heere beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben" (vers 12).
In de verzen 2 en 12 betekent het woord "verzoeking" een beproeving die van buitenaf komt. God stuurt ons die voor onze eigen bestwil en uiteindelijk tot onze vreugde.
In vers 13 heeft de term "verzocht worden" echter een andere betekenis. Hier wil het zeggen dat het voortkomt uit het kwaad dat in de mens zit. Ieder mens wordt innerlijk door begeerten gedreven. Hoe zouden we ooit durven zeggen dat God hier de oorzaak van zou zijn? Van "de Vader der lichten" komt immers geen enkele duisternis (vers 17; vergelijk 1 Johannes 1 vers 5). God, Die ons Zijn eigen Zoon gezonden heeft, geeft ons met Hem "alle volmaakte gift" (vers 17; Romeinen 8 vers 32). De bron van het kwaad zit binnenin ons: slechte gedachten, en 'lelijke woorden' en 'vreselijke daden' kunnen de 'kinderen' hiervan genoemd worden. Wij lopen altijd het gevaar te lijken op iemand die in de spiegel gezien heeft dat hij vies is, maar zich dan niet gaat wassen. Het Woord van God is zo'n spiegel. Het laat de mens zien wie hij in werkelijkheid is. En het Woord leert de mens ook om goed te doen (hoofdstuk 4 vers 17), maar de mens moet het zelf ten uitvoer brengen.
Waaruit bestaat de enige "godsdienst" die door God de Vader aangenomen zal worden? Niet uit het volbrengen van allerlei inhoudsloze ceremoniën, wat de mensen godsdienst noemen. Nee, het komt voort uit de positie waarin de Heere de Zijnen gebracht heeft: als "in de wereld" â tot opoffering in liefde; en tevens als "niet van de wereld" âopdat wij ons daarvan rein bewaren (vers 27; Johannes 17 vers 11, 14 en 16).
Wij worden door de valse maatstaven die de wereld aanlegt met betrekking tot rijkdom, maatschappelijke positie, enzovoort, meer beïnvloed dan wij denken. Zelfs een Samuël moest het leren: "...want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan" (1 Samuël 16 vers 7). En weet u, weet jij, waartoe 'dit aanzien van de persoon' in de wereld geleid heeft? Tot de verachting en de verwerping van de Zoon van God, omdat Hij als een Arme in deze wereld gekomen is (2 Korinthe 8 vers 9). Tot op de dag van vandaag is die prachtige naam 'christen', zoals gelovigen genoemd mogen worden, het onderwerp van spot en lastering. Maar zij die deze naam dragen, deze "armen" die door de wereld veracht worden, zijn door de Heere uitverkoren tot "erfgenamen van het Koninkrijk" (vers 5; Mattheüs 5 vers 3). Daarom geldt voor hen "de koninklijke wet", dat wil zeggen: die van de Koning (vers 8).
Falen in het betonen van liefde betekent echter dat men de hele wet overtreden heeft. Een scheur in één van de schakels is immers al voldoende om de hele ketting kapot te trekken. Vandaar dat wij allemaal schuldig en door de zonde overvallen waren. Voor God was de barmhartigheid echter tot grotere roem dan het oordeel (vers 13). En door deze barmhartigheid zijn wij voortaan onder een andere "wet" geplaatst: die van de vrijheid, de vrijheid van de nieuwe natuur, die haar vreugde vindt in de gehoorzaamheid aan God (1 Petrus 2 vers 16).
Sommigen menen dat er een tegenstelling bestaat tussen het onderwijs van Jakobus en dat van Paulus (bijvoorbeeld in Romeinen 4). In werkelijkheid stellen deze beide mannen, ieder voor zich, een bepaalde kant van de waarheid voor de aandacht. Paulus laat zien dat het geloof voldoende is om gerechtvaardigd te kunnen worden voor God. Jakobus zegt dat er werken nodig zijn om gerechtvaardigd te zijn in de ogen van de mensen (vers 24; 1 Johannes 3 vers 10). Je kunt de kwaliteit van een boom niet beoordelen aan de hand van de wortel, maar je doet dat aan de hand van de vruchten (Mattheüs 7 vers 16 - 20). Het innerlijke geloof van de mens kan zich niet anders dan in werken openbaren. Elektriciteit kun je niet zien, maar doordat de lamp gaat branden of de motor gaat lopen, weet je dat er spanning op de leiding staat. Het geloof is een actief beginsel (vers 22), een innerlijke energie, die het hart in beweging zet.
Paulus en Jakobus illustreren beiden hun onderwijs met hetzelfde voorbeeld: dat van Abraham, waaraan hier nog het voorbeeld van Rachab toegevoegd wordt. Volgens de mening van de mensen zou eerstgenoemde een crimineel zijn (vanwege het offeren van z'n eigen zoon) en de tweede zou in hun ogen iemand met een hele slechte naam zijn, een verraadster van haar volk. De manier van handelen van deze beide personen, die volkomen onbegrijpelijk was voor de mensen, is juist een gevolg van hun geloof! Daardoor werden zij ertoe gebracht om God zulke grote offers te brengen!
Misschien heb je ook wel eens gezegd dat je geloof hebt, maar laat je dat ook zien?
Net zoals het voor het geloof noodzakelijk is dat zij, als zij aanwezig is, door werken openbaar wordt, zo zal ook de onreinheid in het hart vroeger of later door woorden tot uitdrukking komen. Elke stoommachine heeft een ventiel, waardoor de overdruk zal ontsnappen. Als wij deze 'druk' binnen in ons laten oplopen zonder dat te veroordelen, dan zal het zeer zeker op een gegeven moment door woorden naar buiten komen. Ooit zal het zover komen dat we ons niet langer kunnen inhouden. De Heere laat ons de onreinheid van onze eigen lippen ontdekken (Jesaja 6 vers 5) en maakt ook duidelijk waar dit vandaan komt: de volheid van het hart (Mattheüs 12 vers 34; 15 vers 19; Spreuken 10 vers 20). Hij roept ons echter ook op om door zelfoordeel "het kostbare van het verwerpelijke (snode)" te scheiden en om te zijn als Zijn mond (Jeremia 15 vers 19).
Er bestaat wijsheid en wijsheid. De wijsheid van Boven komt echter, zoals elke "volmaakte gift", van "de Vader der lichten" (hoofdstuk 1 vers 17). En deze wijsheid kunnen we herkennen aan haar beweegredenen: zij is altijd rein, zonder eigen wil en werkzaam in het goede (vers 17).
Elke keer dat wij op het punt staan om een verkeerd gebruik van onze tong te maken, zouden we de volgende verzen opnieuw moeten lezen: over twist en leugen (hoofdstuk 3 vers 14), over kwaadspreken (hoofdstuk 4 vers 11), over opscheppen (hoofdstuk 4 vers 16), over het zuchten tegen elkaar (hoofdstuk 5 vers 9), over vloeken en lichtzinnige taal (hoofdstuk 5 vers 12; Efeze 4 vers 29; 5 vers 4). En wat hebben we hier vaak dagelijks mee te maken!
Wanneer er onenigheid voorkomt tussen kinderen van God, dan laat dit ongetwijfeld zien dat de eigen wil bij alle betrokkenen niet gebroken is. En de Heere leert ons dat dit bovendien een verhindering is voor de verhoring van onze gebeden (Markus 11 vers 25). Er kunnen twee redenen zijn waarom wij niets ontvangen. De eerste is dat wij niet bidden, "want eenieder die bidt, die ontvangt" (Mattheüs 7 vers 8). De tweede is dat wij niet goed bidden. En daarbij gaat het niet om een onjuiste vorm van onze gebeden (altijd geldt immers: "wij weten niet, wat wij bidden zullen, zoals het behoort"; Romeinen 8 vers 26), maar om het doel van ons bidden. Bidden wij altijd met het oog op de eer van de Heere, of om onze eigen begeerten te bevredigen (vers 2)? Deze twee dingen zijn onverenigbaar! Wanneer wij de wereld liefhebben, verraden we daarmee de zaak van God; want de wereld heeft Hem de oorlog verklaard, door Zijn Zoon te kruisigen; neutraliteit is in dit verband niet mogelijk (vers 4; Mattheüs 12 vers 30)!
Lust en begeerte zijn de magneten waarmee de wereld ons steeds probeert te trekken. Maar aan hen die voor Hem gekozen hebben en van Hem zijn, geeft God oneindig veel meer dan de wereld ooit kan bieden: "meerdere genade" (vers 6; Mattheüs 13 vers 12). Wie van de Heere zachtmoedigheid en nederigheid geleerd heeft, zal deze genade genieten (Mattheüs 11 vers 29). Maar om de kracht van deze genade te kunnen ervaren, moet je eerst je eigen ellende hebben gevoeld (vers 8 en 9; vergelijk Joël 2 vers 12 en 13).
Het zijn vaak dezelfde mensen (Lukas 12 vers 18 en 19) die plannen smeden (vers 13 - 15; Jesaja 56 vers 12) en die aardse goederen verzamelen (hoofdstuk 5 vers 1 - 6). Aan hen die deze dingen doen, is een leven in geloof volkomen vreemd. Zij menen over de toekomst te kunnen beschikken, hetgeen betekent dat ze hun eigen wil in de plaats van die van God zetten. Dat is zelfs ongeloof! Men geeft daarmee namelijk aan, dat men niet gelooft in de wederkomst van de Heere Jezus.
Het is heel verdrietig om "in de laatste dagen" rijkdom proberen te vergaren. Vooral in deze tijd bestaat er zoveel onzekerheid hier op aarde, waardoor ook deze schatten bedreigd worden. Denk maar aan faillissementen, diefstal, geldontwaarding, enzovoort. Dit alles laat duidelijk zien hoe vergankelijk alle rijkdom is. Vers 3 zegt het ook: "uw goud en zilver verroest" (Psalm 52 vers 9). Vandaar dat de Heere Jezus het advies geeft (of is het beter om Zijn woorden als een opdracht te beschouwen?): "Maakt uzelf buidels die niet verouderen, een schat die niet afneemt, in de hemelen, waar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft" (Lukas 12 vers 33).
Het genieten van aardse goederen draagt ertoe bij, dat het hart verhardt. Allereerst ten opzichte van God, omdat men daardoor het gevoel van afhankelijkheid en de werkelijke behoeften van de ziel verliest (Openbaring 3 vers 17). Maar ook ten opzichte van de naaste, omdat men dan meer moeite zal hebben om zich te verplaatsen in de situatie van hen die het ontbreekt aan het allernoodzakelijkste (Spreuken 18 vers 23).
De herfst is een tijd waarin er veel op het land wordt gewerkt. Er zijn acht tot tien maanden voorbijgegaan totdat, onder invloed van koude en warmte, van regen en zonneschijn, de nieuwe oogst rijp is. Wat moet een boer toch veel geduld hebben!
Laten wij ook zoveel geduld hebben, "want de toekomst (of : de komst) van de Heere nadert" (vers 8). En laten wij intussen gebruik maken van de krachtbronnen die ons gegeven zijn â in tijden van vreugde: lofliederen; in moeilijke tijden (zoals er altijd zijn): het krachtige gebed van het geloof. Hebben wij het ook al eens ervaren dat zo'n gebed veel vermag (vers 16; Johannes 9 vers 31)?
De verzen 14 - 16, die in de christenheid vaak gebruikt worden om allerlei toepassingen goed te praten, hebben pas echt waarde wanneer de genoemde voorwaarden ermee verbonden worden. Een van God afhankelijke christen zal oppassen en vragen of de wil van God mag gebeuren; daarom zal hij zich niet gauw vrij voelen om voor genezing te bidden. Hij zal veel eerder, samen met hen die hem omringen, bidden om de wil van God te mogen aannemen, te accepteren.
Het slot van deze Brief laat zien hoe belangrijk het is dat broeders elkaar in liefde helpen: in het wederzijds belijden van misstappen (en niet als gelovige tegenover zijn priester), in het gebed van de één voor de ander, in de bemoeiingen met hen die gestruikeld zijn.
In deze Brief wordt maar weinig plaats ingeruimd voor de leer. Er valt daarentegen wel veel te lezen over hoe het christendom in praktijk gebracht kan worden. Geve God, dat we geen vergeetachtige hoorders zijn, maar juist daders van het werk (hoofdstuk 1 vers 25).
De Heere Jezus had tegen Zijn discipel Petrus gezegd, voordat hij Hem verloochend had: "...en gij, als gij eens zult bekeerd (of: teruggekeerd) zijn, versterk uw broeders" (Lukas 22 vers 32). Dat is de dienst die de apostel in deze Brief vervult. Hij herinnert ons aan onze onvergelijkbare voorrechten: de redding van onze ziel (vers 9) en een hemelse erfenis, die tegen elke aanval beschermd is (vers 4). God Zelf bewaart die namelijk voor de erfgenamen en Hij bewaart hen voor deze erfenis! Toch mogen zij er ook nu al van genieten. Het is een voorsmaak: "een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (vers 8).
Deze blijdschap vindt haar oorsprong in de levende hoop, die de gelovigen in een levende Persoon hebben: in de opgestane Heere Jezus (vers 3); in het geloof (vers 5 en 7); in de liefde tot Hem Die de verlosten nog niet gezien hebben, maar Die hun harten heel goed kennen (vers 8). En hoe meer wij de Heere liefhebben, hoe meer wij zullen ondervinden dat wij Hem niet genoeg liefhebben.
Juist omdat God zoveel waarde hecht aan het geloof, wil Hij dat in de smeltoven van de beproeving reinigen. Gelukkig hebben wij de verzekering gekregen dat Hij dat alleen doet "zo het nodig is" (vers 6)!
Beste vrienden, dit zijn voor ons de gelukzalige werkelijkheden, die de profeten "ondervraagd en onderzocht" hebben (vers 10 en 11), en waarin "engelen begerig zijn in te zien" (vers 12). Zouden wij dan de enigen zijn die hier geen interesse voor zouden hebben?
De waarheid, zoals de apostel die zojuist heeft voorgesteld, heeft bepaalde rechten en uitwerkingen op ons. Zij is de gordel waardoor onze gevoelens en gedachten niet door iets anders afgetrokken worden en onze fantasie in toom gehouden wordt (vers 13; Efeze 6 vers 14). Het is de waardheid die wij te gehoorzamen hebben (vers 22). Wij die eens samen met de "kinderen van de ongehoorzaamheid" gewandeld hebben (Kolosse 3 vers 6 en 7), zijn nu "gehoorzame kinderen" geworden (vers 14). Dat houdt niet alleen in dat je gehoorzaam bent ten opzichte van Jezus Christus, maar dat je gehoorzaam bent als Hij (vers 2: "tot gehoorzaamheid... van Jezus Christus). Dat betekent dus, dat je in de gehoorzaamheid lijkt op Hem, Die tot gehoorzaamheid gedreven werd uit liefde tot de Vader (Johannes 8 vers 29; 14 vers 31).
Overigens staat hier alles in tegenstelling tot het Oude Testament. Het is niet het goud of het zilver of wat dan ook wat ons kan verlossen (Exodus 30 vers 11 - 16; Numeri 31 vers 50), maar het kostbare bloed van Christus (vers 19). Het is niet de natuurlijke geboorte, zoals bij de Israëlieten waardoor wij de rechten en voorrechten van het volk van God deelachtig worden â laat niemand menen dat hij een kind van God is omdat hij gelovige ouders heeft! Wij zijn wedergeboren door het onvergankelijke, levende en eeuwig blijvende Woord van God (vers 23). De heiligheid waardoor onze hele wandel gekenmerkt zou moeten worden, komt voort uit deze nieuwe natuur; wij mogen de heilige God nu als Vader aanroepen (vers 15 - 17). Ook dat is een gevolg van de grote waarde die de Vader aan het offer van het volmaakte Lam hecht.
Een kind dat geboren wordt, moet zo gauw mogelijk gevoed worden. Vandaar dat het Woord van God, nadat het ons het leven heeft gegeven (hoofdstuk 1 vers 23), ons ook van het noodzakelijke voorziet om dit leven in stand te houden. Het Woord is de 'complete maaltijd' voor de ziel, "de redelijke onvervalste melk" (vers 2), waarvan de hoofdinhoud Christus is. Wanneer wij "gesmaakt" hebben "dat de Heere goedertieren is", dan kunnen we niet meer zonder dit voedsel (vers 3; Psalm 34 vers 9).
Behalve van het levende zaad en de levende hoop (hoofdstuk 1 vers 3 en 23), lezen we hier ook over "levende stenen" (vers 5). Die worden samen opgebouwd op Hem, Die de Hoeksteen is â en Die zowel voor God als voor ons die geloven, kostbaar is (vers 7) â om zo "een geestelijk huis" te vormen (vers 5; Efeze 2 vers 20 - 22). Tegen Simon, Bar-Jona (Petrus), had de Heere Jezus gezegd dat ook hij één van deze stenen was (vergelijk Mattheüs 16 vers 18).
Zulke voorrechten brengen dienovereenkomstig natuurlijk ook een verantwoording met zich mee. Als wij een heilig priesterdom zijn, dan is dat om geestelijke en voor God aangename offers te brengen. Als wij voor Hem een volk ten eigendom zijn, dan is dat om Zijn deugden te verkondigen (vers 9; Jesaja 43 vers 21).
Als wij "uit de duisternis geroepen" zijn "tot Zijn wonderbaar licht", hoe zouden we dan in onze geest nog ruimte kunnen laten voor de vleselijke begeerten? Er is maar één blik voor nodig om deze begeerten in ons op te wekken, die strijd "voeren tegen de ziel" (vers 11).
De christen wordt opgeroepen om de boven hem gestelde regering te respecteren. Niet uit 'angst voor de politie', maar met de hoogste beweegreden van het hart: "om 's Heeren wil", dus uit liefde tot Hem (vers 13; Johannes 15 vers 10)! Wij zijn slechts "dienstknechten van God" (vers 16), en Hij schrijft ons voor hoe onze houding ten opzichte van anderen moet zijn. Niet alle "heren" (werkgevers) zijn goed en bescheiden, er bestaan ook "harde" (vers 18). Ons getuigenis zal voor laatstgenoemden veel meer kracht hebben en beter zichtbaar worden dan voor de eersten. Onrechtvaardigheid, beledigingen en elke vorm van lijden vormen voor een kind van God juist gelegenheden om Hem te verheerlijken. En op deze weg is ons Iemand voorgegaan: de "Man van smarten" (Jesaja 53 vers 3). Natuurlijk heeft nooit iemand kunnen deelnemen aan het verzoeningswerk van Christus, laat staan dat iemand Hem hierin zou kunnen navolgen, dat zal nooit gebeuren! Hij "Zelf" en Hij alleen heeft "onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout" (vers 24). Maar in Zijn wandel in gerechtigheid (en ten gevolge daarvan ook het lijden) is Hij daarentegen ons volmaakte Voorbeeld (vers 21; 1 Johannes 2 vers 6). De tegenspraak, de verachting en de bespotting van de mensen dienden er slechts toe Zijn geduld, Zijn zachtmoedigheid, Zijn nederigheid, Zijn wijsheid en Zijn volkomen vertrouwen op God te openbaren. Dat zijn de gezegende "voetstappen" die wij zouden moeten navolgen. Als we dat doen, dan zullen ook wij daarmee de laatste opdracht van de Heere Jezus aan Petrus vervullen: "Volg gij Mij" (Johannes 21 vers 22).
"Evenzo gij vrouwen..." (vers 1), "gij mannen..." (vers 7), "evenzo gij jongen..." (hoofdstuk 5 vers 5). Telkens betreft het dezelfde beweegreden als in hoofdstuk 2 vers 13: "om 's Heeren wil", die aan ieder voorschrijft hoe men zich in het gezin en in de Gemeente te gedragen heeft.
Uit de manier waarop een vrouw zich 'versiert', blijkt waar haar verlangens naar uitgaan. Houdt zij zich bezig met de verborgen schoonheid van het hart, dat alleen zichtbaar is voor de Heere? Streeft zij naar datgene wat grote waarde heeft voor God, dus naar "een zachtmoedige en stille geest" (vers 4)? Dit "versiersel" is een deel van datgene wat onvergankelijk is, evenals het Woord van God (hoofdstuk 1 vers 23) en de hemelse erfenis (hoofdstuk 1 vers 4).
Onze titels als "medeërfgenamen van de genade des levens" (vers 7) en van de "zegening" (vers 9) en het Voorbeeld dat Hij, Die goedertieren is, ons gegeven heeft (vers 13; hoofdstuk 2 vers 21 en 22), vormen samen de beweegreden om scheldwoorden niet met scheldwoorden te vergelden (vers 9).
Het lange citaat uit Psalm 34 herinnert ons eraan wat de regering van God is. Wanneer er kwaad in onze mond (vers 10) of op onze weg (vers 11) te vinden is, dan zou dat hier op aarde al pijnlijke gevolgen kunnen hebben (vers 12), die de Heere in ons leven zou toelaten. In tegenstelling daarmee is een wandel in goeddoen en in vrede het beste middel om zelf gezegend te worden. En wie zou dat niet graag willen? Als we in alle oprechtheid zo wandelen en oprecht om deze zegen bidden, dan zullen we bovendien de gemeenschap met de Heere mogen genieten (vers 12; Spreuken 15 vers 8 en 29)!
Vers 18 zegt ons dat Christus aan het kruis heeft geleden, Hij, de Rechtvaardige, voor ons, de onrechtvaardigen. En nu is het ons toegestaan om ook iets voor Hem te lijden (Filippi 1 vers 29).
Door goed te doen, lijden wij met Hem, zoals Hij geleden heeft (vers 14). En per slot van rekening voelt de Heere in al ons zedelijk lijden dan weer met ons mee.
Als wij omwille van de gerechtigheid lijden, dan zijn wij gelukzalig, zegt vers 14 (lees ook Mattheüs 5 vers 10). O, dat God ons toch mag bewaren voor vrees voor mensen en geve Hij ons dat we Hem vrezen, met alle zachtmoedigheid en altijd bereid om rekenschap af te leggen van de hoop die in ons is. Is die hoop trouwens in eenieder die dit leest, aanwezig?
Als onze wandel voor het oog van de mensen niet in orde is, en wij hun desondanks over de Heere vertellen, dan komt de verachting die wij verdiend hebben (!), op Hem neer.
Dat het bij ons toch zo mag zijn, dat de Geest van Christus ons kan gebruiken om onze medemensen te waarschuwen, net zoals Hij destijds Noach gebruikte om te getuigen tegenover de ongelovigen van zijn tijd, door het bouwen van de ark (vers 19 en 20). De zondvloed is een beeld van het oordeel dat binnenkort over de wereld zal losbreken en spreekt tot ons over de dood, het loon van de zonde (Romeinen 6 vers 23). In beeld gesproken zijn de gelovigen in de doop door de dood gegaan en hebben zij in de ark, een beeld van Christus, toevlucht gevonden. Hij heeft in hun plaats de dood willen ondergaan, waaruit zij met Hem opstaan tot het nieuwe leven (vers 21 en 22).
Wat heeft de Heere Jezus ter wille van de zonde, waarmee Hij Zich moest bezighouden, toch ontzettend veel geleden! Nadat Hij haar eenmaal door Zijn dood teniet heeft gedaan, hoeft Hij Zich daar nooit meer mee bezig te houden. Evenzo zou de christen nu niets meer met de begeerten van de mensen te maken moeten hebben.
Beste vrienden, is het dan nog niet genoeg geweest dat wij voor onze bekering zoveel tijd verloren hebben laten gaan in een zinloze wandel, de dood tegemoet? Laten we de rest van ons leven toch leven "naar de wil van God" (vers 2)! Ongetwijfeld zal ons nieuwe gedrag lijnrecht tegenover die van de wereld rondom ons staan. De mensen zullen zich erover verbazen dat wij afstand nemen van hun verderfelijke vermaak. Ze zullen ons onder druk zetten, ons bespotten, en misschien zelfs beledigen. Waarom? Omdat de wereld zich door onze afzondering veroordeeld voelt. Deze Wereld staat echter nog de veroordeling door de grote Rechter te wachten (vers 5). En juist door dat oordeel, dat binnenkort komt, wordt ons gedrag bepaald: bezonnenheid, waakzaamheid, gebed, vurige liefde (hoofdstuk 1 vers 22). Deze liefde zal zich op verschillende manieren uiten, bijvoorbeeld doordat wij het herstel van onze broeders zoeken (vers 8), door graag gastvrij te willen zijn, door anderen te dienen met de verschillende genadegaven van God. Door dit in ons te bewerken, is de Heere Jezus in de hemel bezig om de Vader hier op aarde te verheerlijken â door het leven van Zijn verlosten â en dát is juist Zijn bedoeling (vers 11; Johannes 17 vers 4 en 11; 15 vers 8)!
We zullen in de hemel onophoudelijk over het lijden van de Heere Jezus mogen nadenken en dat zal daar het onuitputtelijke thema van onze lofliederen zijn. Maar de gelegenheid om aan Zijn lijden deelachtig te zijn, zal dan voorbij zijn. Met Christus te lijden is een diepere en inniger ervaring dan voor Hem te lijden. Delen in Zijn lijden, het kennen van de ondankbaarheid, de verachting, de tegenspraak, de smaad (vers 14) en de openlijke oppositie zoals Hij die ondervond â betekent Hemzelf kennen, in alles wat Hij daarbij heeft ervaren. De apostel Paulus had slechts één verlangen: "Opdat ik Hem kennel... en de gemeenschap van Zijn lijden" (Filippi 3 vers 10). Verlangen wij daar ook naar?
Er bestaat echter ook een vorm van lijden dat Christus niet kon ervaren en dat betreft het lijden dat wij ondervinden ten gevolge van kwaad doen. Wij zullen de consequenties van ons inconsequente handelen niet kunnen ontlopen. Een oneerlijke christen zal voor de menselijke rechtbank datgene oogsten wat hij gezaaid heeft. En hij die zich met andermans zaken bemoeide, zal misschien door die persoon op de vingers getikt worden. Het trieste daarbij is echter niet de ellende die wij hierdoor misschien zullen ervaren, maar de oneer die wij de Naam van de Heere hiermee hebben aangedaan! Als wij daarentegen als christenen lijden, dus zoals Christus Zelf, dan zal God verheerlijkt worden in deze prachtige naam (vers 16; Handelingen 4 vers 17 en 21; 5 vers 41).
"Weid Mijn lammeren... Hoed Mijn schapen", heeft de Heere Jezus eens tegen Petrus gezegd in Johannes 21 vers 15 - 17. En omdat Petrus zich hierbij absoluut niet boven andere christenen wil verheffen (een positie die hem later in de christenheid wel werd toebedacht), noemt de apostel zichzelf hier eenvoudig "mede-ouderling" met de andere oudsten (vers 1). En hij vermaant hen om niet over de kudde van de goede Herder te heersen, maar voorbeelden te zijn (vers 3). De schapen van de kudde zijn niet hun eigendom en ze moeten erom denken dat zij voor hun doen en laten verantwoording verschuldigd zijn aan "de overste Herder" (vers 4).
Het past de jongeren om aan de oudsten onderdanig te zijn en allen moeten, op hun beurt, ootmoedig zijn, dat betekent de anderen willen dienen (vers 5; vergelijk hoofdstuk 3 vers 8). De nederigen zullen genade ontvangen van "de God... van alle genade" (vers 10).
De apostel voegt hieraan toe: "Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u" (vers 7). Dit vertrouwen op God, waarbij men zich helemaal aan Hem overgeeft, ontslaat ons beslist niet van waakzaamheid! We worden voortdurend bedreigd door de vijand, door satan, die de kleinste nalatigheid bij ons zal ontdekken en misbruiken. En hem te weerstaan, brengt onherroepelijk lijden met zich mee (vers 8 en 9). De Schrift geeft nog eens duidelijk aan dat de mate van het lijden van een christen, net als eens voor zijn Goddelijk Voorbeeld, voor een korte tijd zijn deel zal zijn âen dat daarna de heerlijkheden zullen volgen (vers 10; hoofdstuk 1 vers 11).
Petrus begint deze tweede Brief met de christenen eraan te herinneren wat zij ontvangen hebben: "een even dierbaar geloof" (vers 1), "alles" met betrekking tot het leven en de Godzaligheid (vers 3) en ten slotte "de grootste en dierbare beloften" (vers 4). Ons geloof, dat zich datgene toeëigent wat God schenkt, mag daarbij niet werkeloos blijven. Ons geloof moet gepaard gaan met energie, die "deugd" genoemd wordt, om tot "kennis" (een woord dat karakteriserend is voor deze Brief) te komen (vers 5). Om volledig van onze krachten gebruik te kunnen maken, is "matigheid" (zelfbeheersing) absoluut noodzakelijk (vers 6). Maar we hebben ook "lijdzaamheid" (volharding) nodig, waardoor we kunnen standhouden bij alle inspanning en moeite. Dit alles vormt een 'gezond klimaat', waarin onze verschillende contacten zich goed kunnen ontwikkelen. Daarbij gaat het om onze verbinding met de Heere: in "godzaligheid"; met onze broeders: in "broederlijke liefde"; en ten slotte tot allen: in "liefde" (vers 7).
We hebben nu dus zeven dingen ontdekt (de cursief gedrukte woorden in bovenstaand gedeelte), die allemaal met het geloof in verband staan. Eigenlijk zijn het de schakels die samen de ketting van het geloof vormen. Als er in het leven van de christen iets ontbreekt aan een schakel, dan zal dat tragische gevolgen hebben! Er zal bijvoorbeeld traagheid, onvruchtbaarheid en geestelijke kortzichtigheid ontstaan. Zo'n gelovige kan niet meer 'ver zien'; zijn geloof kan de horizon van de hemelse stad, het doel van de christelijke pelgrim, niet meer ontdekken (vergelijk Hebreeën 11 vers 13 en verder). Voor Christus, de Koning der heerlijkheid, zijn de eeuwige poorten al open gegaan (Psalm 24 vers 7 en 9). Geve Hij ons, door het navolgen van Hem, toch een rijkelijk ingang in Zijn eeuwig Koninkrijk (vers 11).
De waarheden die in de eerste Brief voorgesteld worden, herinneren aan de openbaringen in Mattheüs 16: het lijden van Christus, het bouwen van de Gemeente en het geestelijke huis, dat op de Rots gebouwd is. Deze tweede Brief is eigenlijk gebaseerd op het zeventiende hoofdstuk van datzelfde evangelie.
Op de berg van de verheerlijking zagen Petrus, Jakobus en Johannes de Heere Jezus in "de hoogwaardige heerlijkheid" (vers 17). Ze kregen echter de opdracht om er voor Zijn opstanding met niemand over te praten. Maar nu is dat tijdstip aangebroken! En Petrus, die destijds door de slaap overmand werd (Lukas 9 vers 32), mag nu de heiligen opwekken, door hen aan deze gebeurtenis te herinneren (vers 13; hoofdstuk 3 vers 1). Petrus, die destijds zonder erbij na te denken drie tenten wilde opzetten, staat nu zelf op het punt om zijn aardse tent ("tabernakel") af te leggen, om voortaan voor altijd te genieten van de tegenwoordigheid van Christus (vers 14). De Heere had hem laten zien wanneer en op welke wijze hij God zou verheerlijken door zijn dood (vers 14; Johannes 21 vers 18 en 19). En heel binnenkort zullen ook wij "aanschouwers... van Zijn majesteit" mogen zijn (vers 16)!
De profetische lamp richt door de hele Schrift heen haar stralen op de komende heerlijkheid. Het kind van God bezit nu echter al een veel groter licht. Het Onderwerp van zijn hoop leeft binnen in hem: Christus is de Morgenster, Die nu al in zijn hart is opgegaan (vers 19; Colossenzen 1 vers 27)!
Tegenwoordig maken allerlei verderfelijke sekten een tijd van grote bloei door. Dat ze zouden ontstaan werd voordien al aangekondigd, opdat wij ons daarover nu niet hoeven te verbazen, noch daardoor laten ontmoedigen (vers 1). Zij handelen in de zielen van mensen (vers 3; Openbaring 18 vers 13 aan het eind).
In hoofdstuk 1 werd het vooruitzicht op de komende heerlijkheid door een drievoudig getuigenis bevestigd. Ten eerste door de verheerlijking op de berg, die beenwees naar de toekomst. Ten tweede door het profetische Woord. En ten derde door de Morgenster, Die in onze harten is opgegaan.
Het oordeel dat deze aarde zal treffen, wordt eveneens door drie voorbeelden bevestigd: als eerste door het lot van de gevallen engelen (Judas vers 6), maar ook door de zondvloed (Lukas 17 vers 27), en als laatste door de straf over Sodom en Gomorra (Judas vers 7).
Maar te midden van een goddeloze generatie ziet en redt de Heere hen die Hem vrezen (vers 9). Ondanks zijn wereldgelijkvormigheid was Lot een rechtvaardig man (vers 7). En de woorden die in vers 8 tussen haakjes staan, laten duidelijk zien dat God acht slaat op elke zucht die geuit wordt. Lot zou zich al deze moeiten hebben kunnen besparen als hij, net als Abraham, meer waardering had gehad voor het land van de belofte. Een valse en tweeslachtige positie ten opzichte van de mensen vormt altijd een bron van moeilijkheden voor een kind van God! Lot is het beeld van een gelovige die als "door vuur" behouden wordt (1 Korinthe 3 vers 15). Zo iemand zal zeker geen rijkelijke ingang in het Koninkrijk hebben (hoofdstuk 1 vers 11). Beware de Heere ons ervoor, dat we lijken op Lot!
Om de waarheid, zoals die in hoofdstuk 1 voorgesteld is, te laten wankelen, gebruikt satan gewoonlijk twee middelen: of hij probeert met alle ijver deze waarheid te vervalsen âdat vinden we in hoofdstuk 2; of hij zal het loochenen â zoals we in hoofdstuk 3 zullen zien. De werktuigen die hij gebruikt om de zielen te misleiden, worden hier in het ware licht voorgesteld. Wat een vreselijk beeld wordt ons hier getoond van de godsdienstige leiders, bij wie het morele kwaad hand in hand gaat met leerstellig kwaad (vers 12 -17; Mattheüs 7 vers 15). Deze mensen, die anderen vrijheid beloven, zijn zelf slaven van hun eigen begeerten en laagste lusten (vers 19). "Want" â en dat is ook een ernstig woord voor elke gelovige! â "door wie iemand overwonnen is, die is hij ook tot een dienstknecht gemaakt". Is ieder van ons door de Heere bevrijd (Johannes 8 vers 34 - 36; Jesaja 49 vers 24 en 25)? Of is er nog iemand gebonden met die kettingen waarvan hij het bestaan niet wil toegeven? Deze wereld kan iemand, in de ware zin van het woord, gevangen houden! Net als een moeras, waaruit men zichzelf niet meer omhoog kan trekken, houdt zij de voeten van iemand die onvoorzichtig is en zichzelf in gevaar heeft begeven, gevangen. En tegelijkertijd wordt de ziel verontreinigd (vers 20 noemt dit "de besmettingen van de wereld").
Het slot van dit hoofdstuk laat zien dat je jezelf bedriegt wanneer je meent dat je iemand door een sociaal of intellectueel christendom van de weg van de zonde af zou kunnen brengen. Een uiterlijke ommekeer is namelijk nog geen bekering!
Petrus schrikt er niet voor terug om dingen te herhalen. Hij wordt niet moe de kinderen van God steeds opnieuw dezelfde waarheden in herinnering te brengen (vers 1; hoofdstuk 1 vers 12 en 13; zie ook Filippensen 3 vers 1 en Judas vers 17).
Evenmin moet het ons vermoeien deze dingen steeds opnieuw te lezen en te overdenken!
Voor de derde keer haalt de apostel het voorbeeld van de zondvloed aan. In tegenstelling tot hen die ondanks alle waarschuwingen hun eigen wil volgen (Efeze 4 vers 18), zouden de geliefden van de Heere alle aandacht moeten hebben voor Zijn bedoelingen. Het 'einde van de wereld', waarover veel mensen met angst en anderen juist erg lichtzinnig spreken, zal pas komen op het moment dat Hij bepaald heeft. Dan zullen de "hemelen, die nu zijn, en de aarde" verwoest worden (vers 7). Het is nu alleen het grote geduld van God, Die het heil van de zondaar op het oog heeft, waardoor het oordeel tot nu toe nog niet voltrokken is (vers 9). Hij wil niet dat sommigen verloren gaan (Ezechiël 33 vers 11). Dit grote geduld betreft zelfs de spotters, die om dit geduld lachen en het verachten. De tijd van de mensheid gaat echter onherroepelijk verder: er wordt afgeteld door God en op een gegeven moment is het zover en is de laatste seconde aangebroken! Dan zullen de beloften die wij zo vaak gehoord hebben, werkelijkheid worden. De gebeurtenissen zullen ermee eindigen, en dan zal blijken dat de hoop van de kinderen van God terecht was, tot ontzetting van de spotters en goddelozen! Dan zal het te laat zijn om nog "tot bekering" te komen (vers 9)!
Beste vriend, heb jij je al bekeerd? Het kan nu nog!
Deze laatste vermaningen zijn niet, zoals de voorgaande,
gebaseerd op "de grootste en dierbare beloften" (hoofdstuk
1 vers 4), maar op de onbestendigheid van alles hier op aarde. Het is wel eens goed om de stand van zaken op te maken, met betrekking tot de aardse goederen, waar wij ons zo gauw aan vastklampen, en er dan boven te schrijven: "daar dan deze dingen alle vergaan" (vers 11). Dan zullen we er namelijk voor bewaard blijven dat ons hart hieraan vasthoudt. Dat zou ons, die deze dingen bij voorbaat al mogen weten, meer aanzetten tot een heilige wandel en tot godzaligheid ("wandel" is een woord dat ook kenmerkend is voor Petrus; 1 Petrus 1 vers 15, 17 en 18; 2 vers 12; 3 vers 1,
2 en 16.)
Er bestaat niets wat ons meer aanspoort tot afzondering van de wereld en het kwaad dan de gedachte aan de wederkomst van de Heere, die nu zo dichtbij gekomen is! En niets zal ons meer tot evangeliseren aan kunnen zetten dan te weten dat Zijn komst tevens het einde betekent van Zijn geduld tot redding (vers 15). Laten we ons toch beijveren, dat Hij ons bij Zijn komst zo zal aantreffen zoals Hij graag bij ons ziet (vers 14; Filippi 1 vers 10), doordat wij vooruitgang geboekt hebben "in de genade en in de kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus" (vers 18).
De apostel heeft zijn dienst vervuld en is nu bereid zijn tent ("tabernakel") af te leggen (hoofdstuk 1 vers 14). Wij zullen hem zien op die dag in de eeuwigheid, waar wij in geloof en vol verwachting naar uitzien en waarop wij ons mogen verheugen. Dat ogenblik is voor ons nog toekomst, maar Petrus mag nu al zijn, en onze, Heere en Heiland de heerlijkheid geven, Hem nu al op volmaakte wijze eren, danken en aanbidden, want Hij is het waard!
De Heere Jezus had tegen de discipelen gezegd: "En gij zult ook getuigen, want gij zijt van het begin met Mij geweest" (Johannes 15 vers 27). En dat is het wat de apostel Johannes hier doet.
Zijn onderwerp is het eeuwige leven, het eerst in de Zoon "gehoord", "gezien" en "getast" (vers 1), en nu meegedeeld aan hen die door het geloof het recht ontvangen hebben om "kinderen Gods" te worden (Johannes 1 vers 12).
We moeten onderscheid maken tussen de eigenlijke betrekking en het genieten van deze betrekking, hetgeen we gemeenschap noemen. De betrekking is het deel van alle kinderen van de Vader. Het genieten hiervan is slechts het deel van hen die in het licht wandelen (vers 7). In hoofdstuk 1 vers 6 - hoofdstuk 2 vers 2 wordt uitgelegd hoe deze gemeenschap in stand gehouden of hersteld kan worden wanneer zij onderbroken is.
Van Gods kant wordt een oneindig groot middel tot uitdelging van onze ongerechtigheden ter beschikking gesteld: het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon. Er bestaat geen enkele zonde die te groot zou zijn om door dit kostbare bloed uitgewist te kunnen worden! Het reinigt ons van alle zonde (vers 7), van alle ongerechtigheid (vers 9).
Van onze kant wordt slechts één ding verlangd, opdat wij volledige vergeving zullen ontvangen (vers 9; Psalm 32 vers 5): al onze zonden volkomen belijden!
Mijn grote schuld voor God werd door een Ander betaald, en God zou niet rechtvaardig handelen ten opzichte van mijn Plaatsvervanger wanneer Hij van mij opnieuw een betaling zou vragen!
Met betrekking tot de zonde komen we in deze verzen meerdere waarheden tegen, die van grote betekenis zijn:
We zullen de zonde (dat is het vlees of de oude natuur) ons hele leven in ons hebben (hoofdstuk 1 vers 8).
Tot aan onze bekering bracht zij slechts vruchten voort die te verwachten waren: wij hebben gezondigd (hoofdstuk 1 vers 10).
Het bloed van Christus reinigt ons van alles wat wij gedaan hebben; niet alleen letterlijk, maar ook in onze gedachten (hoofdstuk 1 vers 7).
Door de kracht van het nieuwe leven dat ons werd gegeven, zijn we in staat om niet meer te zondigen (hoofdstuk 2 vers 1).
Gebeurt het toch dat wij zondigen â en helaas weten we dat uit eigen ervaring maar al te goed â dan is de Heere Jezus onze Zaakwaarnemer, niet als de Verlosser Die Zijn bloed moet vergieten, maar als onze trouwe Voorspraak bij de Vader, om de gemeenschap te herstellen.
Gehoorzaamheid (vers 3 - 6) en liefde tot de broeders (vers 7 - 11) zijn een bewijs van het nieuwe leven in ons. Liefde komt overigens voort uit gehoorzaamheid (Johannes 13 vers 34). Als wij de Heere liefhebben, zullen we de geboden echter nooit als moeilijk ervaren (hoofdstuk 5 vers 3). Vers 6 noemt echter nog een hogere maatstaf. Wandelen zoals Hij gewandeld heeft, is meer dan geboden gehoorzamen. In het evangelie van Johannes lezen wij wat "waarachtig is in Hem" en in zijn Brief wat waar is in ons (vers 8). Het is hetzelfde leven dat zich op dezelfde wijze moet openbaren (hoofdstuk 4 vers 17).
Paulus beziet de christenen zoals zij samen de ene Gemeente van God vormen.
Petrus spreekt over hen als het hemelse volk en Zijn kudde.
Voor Johannes zijn zij de leden van Zijn familie, verenigd door hetzelfde leven, dat van de Vader ontvangen is.
Normaal gesproken bestaat er tussen de leden in een familie, een gezin, verschil in leeftijd en ontwikkeling. Maar de betrekkingen tot het gezin en het erfdeel van degene die het laatst geboren is, zijn dezelfde als bij een gezinslid van bijvoorbeeld twintig jaar. Zo is het ook in de familie van God. En alleen door de wedergeboorte (Johannes 3 vers 3), waarop gewoonlijk een geestelijke groei volgt, word je een lid van Zijn familie.
Het kleine kind, dat er eerst alleen nog maar weet van had Wie de Vader was (vergelijk Galaten 4 vers 6; Romeinen 8 vers 15 - 17), komt later in het stadium van de jeugd, een periode van veel strijd. Deze strijd gaat om het hart. Behoort het hart God de Vader of de wereld toe? De lust van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven zijn drie sleutels die door de boze gebruikt worden om de wereld ingang te doen vinden in de harten.
De jongeling wordt uiteindelijk een vader â dat zou tenminste zo moeten zijn â die persoonlijke ervaringen met Christus gehad heeft.
Aan de kleine kinderen schrijft de apostel het meest. Door hun onervarenheid staan zij namelijk het meest bloot aan "alle wind van leer" (Efeze 4 vers 14). Laten we toch niet ons hele leven zulke kleine kinderen blijven!
"En dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven" (vers 25). Johannes baseert zich hier op de woorden van de goede Herder: "Mijn schapen horen Mijn stem ... En Ik geef hun het eeuwige leven" (Johannes 10 vers 27 en 28). Het is goed om nu eerst de vraag te stellen: 'Hebt u, heb jij dat leven ontvangen en ben je daarom nu een kind van God?'
Een andere belofte van de Heere Jezus betrof de gave van de Heilige Geest (Johannes 16 vers 13). Deze "zalving" van de Heilige (vers 27) rust vandaag de dag niet alleen op de "vaders", maar ook op de "kinderkens", om hen in de hele waarheid te leiden. De Heere Jezus heeft gezegd: "Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij" (Johannes 14 vers 6). En de apostel bevestigt hier, dat wie de Zoon loochent, ook de Vader niet heeft (vers 23; lees Johannes 8 vers 19). Buiten de Zoon om kan niemand de Vader kennen (Mattheüs 11 vers 27). Daarom doet de vijand ook zo ontzettend veel moeite om twijfel te zaaien, met betrekking tot de Persoon van de heilige Zoon van God, en tot Zijn eeuwig bestaan en Zijn Goddelijkheid. O, dat we de stem van deze "leugenaar" toch onmiddellijk zullen herkennen (vers 22). Wat van het begin af was, blijft gelden tot in "de laatste ure" (vers 18 en 24). En in verband met alle 'nieuwigheden' is het voor ons het allerbeste en het veiligst om ons te houden aan het onderwijs dat wij "van het begin gehoord" hebben (vers 24; Galaten 1 vers 8 en 9).
In een normaal gezin vormt de liefde de band tussen de leden afzonderlijk. De kinderen krijgen en leren dat van hun ouders, om dat vervolgens zelf te beantwoorden en te verwerkelijken. Dit is slechts een zwak beeld van de liefde die de Vader ons gegeven heeft door ons Zijn kinderen te noemen! Er wordt van ons niet verwacht dat we die liefde begrijpen, maar dat we haar aanschouwen (vers 1)! En als we die liefde eenmaal ervaren hebben, dat we daar vervolgens van ook genieten!
Uit de woorden in vers 9 zouden sommige gelovigen kunnen afleiden dat zij geen leven uit God bezitten, omdat het hun toch overkomt dat zij zondigen (zie hoofdstuk 5 vers 18). De apostel ziet de christen hier echter als de nieuwe mens die uit God geboren is, en dÃe kan niet zondigen! Hij spreekt hier dus niet over het vlees in ons, dat nog steeds boze werken voort kan brengen.
De tweedeling tussen kinderen van God en kinderen van de duivel wordt in de verzen 7 - 12 heel duidelijk aangetoond (vergelijk Johannes 8 vers 44). Vandaag de dag wordt dit onderscheid in veel godsdienstige kringen geminacht. Men maakt wel onderscheid in de mate waarin en wijze waarop het christendom in praktijk wordt gebracht. Maar dat sommige mensen durven te zeggen behouden te zijn terwijl anderen verloren zouden zijn, vindt men maar hoogmoedig en enghartig. Het onbegrip van de wereld rondom ons, dat zelfs kan uitgroeien tot haat, biedt ons echter de gelegenheid om een klein beetje op de Heere Jezus te lijken, in hetgeen Hij Zelf hier op aarde ondervonden heeft (vers 1; Johannes 16 vers 1 - 3). En spoedig zullen we ook wat betreft de heerlijkheid op Hem lijken, en "wij zullen Hem zien, zoals Hij is" (vers 2).
De haat van de wereld ten opzichte van de kinderen van de Vader hoeft ons niet te verrassen (vers 13; vergelijk Johannes 15 vers 18 en verder). Maar als de mensen van de wereld tegen ons glimlachen, dan moet ons dat juist verdacht voorkomen.
Wat de liefde aangaat, daarvan kan de wereld slechts een bedrieglijke nabootsing tot uitdrukking brengen. En de motieven daarvoor zijn nooit rein en onbaatzuchtig. Werkelijke liefde is slechts de liefde van God, die haar oorsprong vindt in Hemzelf en juist niet in het onderwerp dat geliefd wordt. Met zo'n liefde moesten wij ook geliefd worden, omdat er in ons niets aanwezig was waarom wij geliefd zouden kunnen worden. Het kruis is de plaats waar wij deze onmetelijke liefde van God leren kennen (vers 16).
De verzen 19 - 22 onderstrepen de noodzakelijkheid van een goed geweten, van een hart dat ons niet veroordeelt. Wanneer wij slechts datgene zouden doen wat de Heere welgevallig is, dan zou Hij onze gebeden, zonder één enkele uitzondering, kunnen verhoren. Ouders die ingenomen zijn met het gedrag van hun kind, zullen zo'n kind graag tegemoet komen in zijn verlangens (vers 22; vergelijk Johannes 8 vers 29 en 11 vers 42).
In Hem blijven, betekent gehoorzaamheid. En dat Hij in ons blijft, betekent gemeenschap, hetgeen een gevolg is van het eerste (vers 24; hoofdstuk 2 vers 4 - 6; 4 vers 16; Johannes 14 vers 20; 15 vers 5 en 7). Als je een ton in de zee gooit, dan wordt hij nat en zal hij direct vol water lopen. Hopelijk staan onze harten ook volkomen open voor de liefde van Christus! Hij wil zo graag onze harten 'tot de rand toe' vullen!
Het is altijd al zo geweest dat er veel vervalsingen gemaakt zijn van schilderijen, munten en noem maar op. Het echte wordt altijd vervalst. Daarom moet iedere burger van een land bijvoorbeeld weten waar hij het geld van zijn land aan kan herkennen, want anders wordt hij maar al te gauw bedrogen met vervalsingen. Zo moeten ook gelovigen weten te onderscheiden waar de verschillende leringen die aangeboden worden, vandaan komen. Ieder van ons moet beproefd worden (vers 1; 1 Thessalonika 5 vers 21), en het Woord is voor ons het veiligste middel om 'valse munten' te herkennen. Alleen het onderwijs dat leert "dat Jezus Christus in het vlees gekomen is", mag het stempel 'goedgekeurd' dragen (vers 3).
Het karakter van deze Brief leert ons dat God licht (hoofdstuk 1 vers 5) en liefde is (vers 8 en 16). De enige Bron van alle liefde is in Hem. Als iemand liefheeft, dan is dat een bewijs dat hij uit God geboren is (vers 7). Omgekeerd betekent het ook, dat als iemand niet liefheeft, hij God niet kent. Men moet zelf de natuur die liefheeft bezitten, om te weten wat liefde is (1 Thessalonicenzen 4 vers 9). Deze liefde die God betoond heeft (vers 10 en 19), kwam volkomen tegemoet aan de toestand en behoefte van Zijn schepsel.
De mens was dood, maar God heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven, opdat wij door Hem zouden mogen leven (vers 9).
De mens was schuldig, maar God heeft Zijn Zoon gezonden tot verzoening voor onze zonden (vers 10; hoofdstuk 2 vers 2).
De mens was verloren, maar de Vader heeft de Zoon gezonden als Heiland van de wereld (vers 14; Johannes 3 vers 17).
Door twee feiten, met een onuitsprekelijk grote draagwijdte, werd de Goddelijke liefde aan de mensen bekend gemaakt: Christus heeft Zijn leven voor ons afgelegd (hoofdstuk 3 vers 16) en God heeft Zijn Zoon gezonden (hoofdstuk 4 vers 10). En hier wordt een kenmerk genoemd waarin mensen deze liefde ook kunnen herkennen, dat betreft namelijk het feit dat de verlosten van de Heere elkaar wederzijds liefhebben. Op deze manier wordt God nu zichtbaar gemaakt voor mensen (vers 12) â zo zou het tenminste moeten zijn â sinds de Heere Jezus niet meer hier op aarde aanwezig is (Johannes 1 vers 18). Het is onmogelijk om God lief te hebben terwijl je Zijn kinderen niet liefhebt. Wanneer wij iemand liefhebben en hij ons dierbaar is, dan hebben wij alles wat op die persoon betrekking heeft, ook lief. God stelt Zich niet tevreden met een liefde waar alleen maar over gesproken wordt, maar wil het graag merken (hoofdstuk 3 vers 18). In deze Brief komen we telkens dezelfde soort uitdrukking tegen: "indien wij zeggen..." (hoofdstuk 1 vers 6, 8 en 10); "die daar zegt..." (hoofdstuk 2 vers 4, 6 en 9); "indien iemand zegt..." (hoofdstuk 4 vers 20). Vers 19 zegt: "Wij hebben (Hem) lief". Als dat bij ons dan zo is, laten we het dan ook tonen!
We hebben nu het volgende in deze verzen ontdekt:
De liefde voor ons (vers 9); dat betreft het heil, dat al volbracht is.
De liefde in ons (vers 12, 15 en 16), die door de Heilige Geest in onze harten is uitgegoten.
De liefde met ons (vers 17), waardoor wij zelf vrijmoedigheid hebben om spoedig voor God te verschijnen. Zo is de Goddelijke liefde op volmaakte wijze aan ons bewezen!
Deze Brief van Johannes bevestigt, net als zijn evangelie, dat wij het eeuwige leven alleen door het geloof in Jezus Christus, de Zoon van God, kunnen bezitten (vergelijk vers 13 met Johannes 20 vers 31). Na zoveel getuigenissen nog niet geloven betekent dat je God tot een leugenaar maakt (vers 10). Het kind van God baseert zich echter op zekerheden! "Wij weten...", herhaalt de apostel telkens weer (vers 2, 13, 15, 18, 19 en 20). Ons geloof neemt niet alleen het heil in bezit, maar triomfeert ook over de wereld, omdat het als het ware over de wereld heen ziet en zich vastklampt aan hetgeen onvergankelijk is (vers 4).
Wat een geluk te weten dat God ons hoort en ons datgene geeft wat wij overeenkomstig Zijn wil van Hem gebeden hebben (vers 14)! De christen zou er toch nooit naar verlangen om iets te ontvangen wat tegen de wil van God zou zijn! Misschien vraagt nu iemand: 'op welke manier kun je Zijn wil dan herkennen?' Het antwoord is: door "het verstand", dat de Zoon van God ons gegeven heeft (vers 20; Lukas 24 vers 45). "En wij zijn in de Waarachtige", in tegenstelling tot de hele wereld, die "in het boze ligt" (vers 19).
Satan bezit in zijn wapenarsenaal geen enkel voorwerp waarmee hij de nieuwe mens die in ons is, zou kunnen aantasten. Hij probeert daarom onze arme, natuurlijke harten met allerlei afgoden te verleiden.
Kinderen van God, laten we onze toewijding en onze genegenheden toch onverdeeld voor de Heere bewaren (vers 21; 1 Korinthe 10 vers 14)!
Nadat de apostel in zijn eerste Brief de karakterkenmerken van de waarheid heeft laten zien, wijst hij in de twee volgende Brieven op deze waarheid in de wandel. Hij haalt daarvoor niet het voorbeeld van een vader in het geloof aan (1 Johannes 2 vers 13), maar dat van een gelovige vrouw en haar kinderen. Van hen kan hij, tot zijn grote vreugde, zeggen dat zij "in de waarheid wandelen" (vers 4).
Jonge christenen, denk eraan dat het voor hen die jullie liefhebben, de allergrootste vreugde is om te zien dat jullie het onderwijs uit het Woord niet alleen kennen, maar er ook in wandelen (3 Johannes vers 4). Het gedrag van de kinderen is het beste bewijs dat een christelijk huis door de waarheid 'geregeerd' wordt. In een tijd van algeheel verval is het ouderlijk huis de laatste plaats waar een kind, beschermd voor het vuil van deze wereld, nog tot volle ontplooiing kan komen.
Het komt echter voor, dat de waarheid voor de vijanden van buitenaf verdedigd moet worden (vers 10; Handelingen 20 vers 30). Door de ware liefde is het onze plicht om zulke mensen niet te ontvangen. Zouden wij het kunnen verdragen, bezoek te krijgen van iemand die alleen maar leugens komt vertellen over iemand die wij van harte liefhebben? Een christen, een verloste en een kind van God, heeft het volle recht om niet met zulke mensen in discussie te gaan en hun de deur voor de neus dicht te doen.
Onze grootste schat is de waarheid. En laten we ons dat niet laten ontroven (Spreuken 23 vers 23)!
In de tweede Brief werd verboden om hen die niet "de leer van Christus" brachten, te ontvangen (2 Johannes vers 9). In deze derde Brief worden de gelovigen opgeroepen om hen die deze leer wel verkondigen, juist op te nemen en verder te helpen (vers 6; vergelijk Johannes 13 vers 20). Goeddoen aan de dienstknechten van de Heere betekent dat je zelf deelneemt aan de verspreiding van het evangelie, aan het werk van de Heere (vers 8).
Er worden ons in deze korte Brief meerdere personen voor de aandacht gesteld. Als eerste wordt Gajus genoemd, aan wie deze Brief gericht is. Hij is een "geliefde", en met zijn ziel is het goed gesteld (vers 2), die in de waarheid wandelde en in getrouwheid handelde en wiens liefde openlijk erkend werd (vers 6). Demetrius, die even verderop genoemd wordt, had eveneens een goed getuigenis (vers 12; 1 Timotheüs 3 vers 7). In dezelfde gemeente kwam echter ook een Diotrefes, die graag de eerste wilde zijn (vers 9; 1 Petrus 5 vers 3). "Met boze woorden" sprak hij tegen de apostelen; hij nam de broeders niet aan en wierp anderen zelfs uit de gemeente (vers 10).
Johannes noemt ook nog broeders die als evangelisten voor de Naam waren uitgegaan (vers 7; zie Handelingen 5 vers 41). De uitnemende Naam van de Heere Jezus was voor hen voldoende als boodschap en als zendingsopdracht (Handelingen 8 vers 35). En ten slotte geeft de apostel nog de raad: "volg het kwade niet na, maar het goede" (vers 11; 1 Thessalonika 5 vers 15). In deze Brief, maar ook rondom ons, vinden we voorbeelden van het kwade, maar ook van het goede. Welk voorbeeld volgen wij na? Laten we bovenal de Heere Jezus navolgen, in Wie niets dan goeds gevonden werd (Markus 7 vers 37).
Het geluid van een trompet kan prachtig zijn voor hen die het horen, maar dit instrument kan ook gebruikt worden om strijders aan te sporen. Judas zou zijn broeders graag iets hebben meegedeeld over opbouwende onderwerpen. Met het oog op het voortschrijdende kwaad dat al binnengeslopen was, was zijn dienst echter meer een alarmkreet, om zijn lezers op het hart te drukken om tegen elke prijs voor de waarheid te strijden. Het is jammer dat zoveel kinderen van God steeds opnieuw het ABC van de christelijke waarheid onder de aandacht moet worden gebracht, terwijl de Heilige Geest hun aandacht liever op hogere zegeningen wil richten (vers 5; Hebreeën 5 vers 12). Is er bij ons, sinds onze bekering, in dit opzicht vooruitgang geweest? Of is er ook bij ons, bij mij, alleen maar achteruitgang te bespeuren? Laten we er altijd aan denken dat er in ons geestelijk leven, in onze geestelijke ontwikkeling geen stilstand kan zijn. Je gaat óf vooruit óf achteruit!
Net zoals Petrus in zijn tweede Brief deed, maakt ook Judas gebruik van ernstige voorbeelden uit het Oude Testament, om de afval in de laatste dagen te illustreren. Deze afval wordt door twee dingen gekenmerkt: het verlaten van de genade (hetgeen uitmondt in allerlei uitspattingen) en het verachten van elke vorm van gezag (2 Petrus 2 vers 10 en 11). Deze tendens om elke vorm van gezag te verwerpen zien we al in de gezinnen, in de scholen, maar ook in het maatschappelijke leven en in het beroepsleven.
Hoe zou een kind dat de ouders niet wil gehoorzamen en zich niet aan hen wil onderwerpen, later ooit het gezag van de Heere kunnen erkennen?
Je moet bij het op één na laatste Bijbelboek zijn aangekomen om te leren wat God bij de zondvloed geopenbaard heeft. De profetie van Henoch beschrijft de Heere, hoe Hij samen met Zijn heiligen terugkomt om het oordeel over de goddelozen te voltrekken (vers 14 en 15). Alle zondaren zullen dan rekenschap moeten afleggen van al hun werken en al hun uitdagende woorden. En al hun mopperen zal daarbij niet vergeten worden, want "dezen zijn murmureerders, klagers over hun staat" (vers 16; 1 Korinthe 10 vers 10). Dat is het bewijs dat goddeloosheid en de bevrediging van de eigen lusten niet gelukkig maakt! Laten we ervoor waken dat ook wij niet ondankbaar worden of ontevreden zijn met het lot dat de Heere voor ons bepaald heeft.
"Maar geliefden..." (vers 17). Te midden van de ergste ontwikkelingen van het kwaad blijft er altijd een gedragslijn voor de getrouwen bestaan: wederzijdse opbouwing, gebed, het verwachten van de Heere en als broeders met elkaar omgaan en voor elkaar zorgen. De Heilige Geest, God de Vader en onze Heere Jezus Christus worden Ieder afzonderlijk genoemd, om als het ware van Gods kant de verzekering te geven dat het ons aan niets zal ontbreken (vers 20 en 21).
Als wij struikelen (vers 24), dan is dat onze eigen schuld. Hoewel wij "door Jezus Christus bewaard" worden (vers 1; Johannes 6 vers 39), moeten we ook onszelf "in de liefde van God" bewaren (vers 21). Ja, laten we ons nu al verheugen in onze Heiland-God en Hem de eer en aanbidding brengen (vers 25)!
Het Boek Openbaring is een moeilijk Bijbelboek â desondanks bestaan er voor ons verschillende redenen om het te lezen en niet dicht te laten! Ten eerste gaat het om "de openbaring van Jezus Christus", onze geliefde Heere. Ten tweede werd deze openbaring door "Zijn dienstknechten" aan ons gegeven. En de evangelist Johannes, die op het eiland Patmos woonde, waarheen hij verbannen was, is gelukkig dat hij zich tot Zijn dienstknechten mag rekenen. Ten derde spreekt dit Boek niet over een onbestemde tijd die nog ver in de toekomst ligt, maar over dingen die spoedig moeten gebeuren. En als laatste reden mogen we er altijd van uitgaan dat een serieuze studie van welk deel van de Bijbel ook voor ons een zegen met zich meebrengt (vers 3), want het is Gods Woord! En er wordt van ons niet verlangd dat we alles in Zijn Woord begrijpen, maar wel dat we Het bewaren (Lukas 11 vers 28).
Zodra het om de heerlijkheden van de Heere Jezus gaat, is spontane aanbidding het gevolg: "Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed ..." (vers 5). In sommige andere Bijbelvertalingen staat: "Hem, Die ons liefheeft...". Zijn liefde betreft niet alleen de verleden tijd, maar geldt ook nu. Zijn liefde is er altijd en is onveranderlijk! Maar dat Hij ons gewassen heeft, is voltooide tijd. Dat is een volbracht, een voleindigd en een volkomen werk. De volgorde van de dingen die hier genoemd worden, is ook belangrijk! Omdat Hij ons liefheeft, heeft Hij ons van onze zonden gewassen. We moeten ook eerst gewassen zijn, om nu al "tot koningen en priesters" voor Zijn God en Vader gemaakt te kunnen worden (hoofdstuk 5 vers 10; 20 vers 6). Vandaar dat Hij het ook nu al waardig is om alle heerlijkheid en macht te ontvangen!
Is de Zoon des mensen, Die hier verschijnt met de kenmerken van heilige en onbuigzame gerechtigheid, Dezelfde als de nederige Jezus uit de evangeliën, onze liefdevolle en zachtmoedige Heiland? Eens boog Johannes zich vol vertrouwen over naar Zijn borst (Johannes 13 vers 25), maar hier valt hij "als dood aan Zijn voeten" neer (vers 17). Wat een tegenstelling! Toch mogen we deze kant van de heerlijkheid van Christus nooit uit het oog verliezen! De Vader "heeft al het oordeel de Zoon gegeven" (Johannes 5 vers 22). En later zal Hij dat oordeel voltrekken aan hen die niet geloofd hebben (hoofdstuk 19 en 20).
Maar nu al, terwijl de Gemeente nog op aarde is, heeft Hij kennis van de toestand van elke gemeente afzonderlijk (de zeven gouden kandelaars hebben gedurende Zijn afwezigheid te stralen). Ja, de Heere kan alles vergeven. Hij is gestorven en opgestaan, om ons de vergeving en het leven te geven (vers 18). Maar Hij kan niets door de vingers zien! Zijn ogen zijn "als een vuurvlam" (hoofdstuk 2 vers 18; 19 vers 12). Er ontgaat Hem niets.
Vers 19 laat ons het algemene ontwerp in dit Boek zien:
Het gaat om de dingen die Johannes gezien heeft: de plechtige verschijning van de Heere in heerlijkheid (hoofdstuk 1 vers 12 en verder).
Het heeft ook betrekking op de dingen die zijn: de tegenwoordige geschiedenis van de verantwoordelijke christenheid (hoofdstuk 2 en 3).
En het spreekt over de dingen die nog gebeuren zullen: de profetische gebeurtenissen, die spoedig in vervulling zullen gaan (hoofdstuk 4 - 22).
De brieven aan de zeven gemeenten in Azië beschrijven, ook in zeven elkaar opvolgende beelden, de geschiedenis van de verantwoordelijke christenheid. De Heere stelt Zich aan elke gemeente afzonderlijk voor en neemt plaatselijk de stand van zaken op, van de situatie die Hij daar aantreft. Hij geeft ook vermaningen en belooft degene die overwint, te zullen belonen.
In Efeze leek alles heel goed te gaan (vers 2 en 3), maar de Heere ziet het hart aan (1 Samuël 16 vers 7)! En helaas vindt Hij daar niet meer het antwoord op Zijn liefde; in de harten neemt Hij niet meer de eerste plaats in! Wanneer een rivier van zijn oorsprong wordt afgesneden, dan zullen de bewoners die aan de monding van die rivier wonen, daar echter eerst nog niets merken. Zolang het water stroomt, blijven de oevers groen. Men zal zelfs nog een tijd lang dezelfde groei als voorheen kunnen waarnemen.
Beste vrienden, laten we onszelf eens beproeven, onszelf eens onder de loep nemen! Hoe staat het met ons? En daarbij gaat het niet om onze ijver, maar om onze toewijding aan en onze genegenheid voor Christus! Om te voorkomen dat dat bij ons zal verminderen, gebruikt de Heere soms een eigenaardig middel: de beproeving. Dan geeft Hij soms satan de vrijheid om, voor een bepaalde tijd, zijn gang te gaan.
Na Efeze ede liefelijke') komt Smyrna, wat 'de bittere' betekent. Dat spreekt over de tijd van de martelaren tijdens de regering van de wrede romeinse keizers (van de tweede tot aan het begin van de derde eeuw). De christenen van Smyrna, die in de arena voor de wilde dieren gegooid werden, kregen toen de gelegenheid om, door hun trouw tot in de dood, hun liefde voor hun Heere te tonen.
Gedurende de tijdsperiode van Smyrna zijn er tien grote, opeenvolgende vervolgingen geweest. Maar deze hebben het christelijk geloof niet kunnen overwinnen. In tegendeel, zoals eens gezegd is: 'Het bloed van de martelaren is het zaad van de kerk'.
Daarom stuurt satan nu aan op een andere tactiek, wat we zien gebeuren in Pergamus (vers 13). Wat geweld niet kon bewerken, zal de gunst van de overheid teweegbrengen. In het jaar 313 werd het christendom, tijdens de regering van keizer Constantijn, als staatsgodsdienst erkend. Deze gebeurtenis, die door velen als een groot succes voor de waarheid werd beschouwd, heeft slecht lauwheid, verwereldlijking en de invoer van vreemde leringen tot gevolg gehad (vers 14 en 15).
In Thyatire echter, een gemeente die tot aan het einde zal blijven bestaan, gaat het kwaad nog een stap verder. Dit spreekt over de duistere tijden van de Middeleeuwen, die hier vergeleken worden met de regering van Achab, die door zijn vrouw Izebel aangezet werd om kwaad te bedrijven (1 Koningen 21 vers 25). De christenheid wilde niet langer als vreemdeling hier op aarde verblijven, maar wilde regeren. We weten van de politieke rol die het pausdom altijd heeft gespeeld. Maar de heerschappij, waarnaar de gemeente te Thyatire met zoveel aanmatiging getracht heeft, wordt juist beloofd aan hen die door haar verdrukt, gefolterd en op de brandstapel verbrand werden. Zij zullen uiteindelijk de overwinnaars zijn! Zij zullen regeren met Hem, Die komt als de Morgenster!
Er zijn eeuwen voorbijgegaan. Uit het midden van Thyatire laat God dan de Reformatie voortkomen. Een grote, door Zijn Geest bewerkte beweging.
Maar dan zien we dat het verval opnieuw zijn intrede doet. De gemeente van Sardis wordt overrompeld door de geestelijke dood. "Gedenk dan ... en bekeer u", wordt haar op het hart gedrukt (vers 3; vergelijk hoofdstuk 2 vers 5 en 16; 3 vers 19). Wie is hier uiteindelijk de overwinnaar? Degene die zijn klederen niet bezoedeld heeft (vers 4). Kennen wij deze overwinning om rein te blijven, ook persoonlijk? De overwinnaar van Sardis zal met witte klederen bekleed worden (vers 5). En in tegenstelling tot wat zijn gemeente als geheel beweerde (de naam te hebben dat zij leefde; vers 1), zal de naam van de overwinnaar in Sardis nooit "uit het boek van het leven" gewist worden.
Filadelfia (dat is 'broederliefde') is het kind van de opwekking van de vorige eeuw. Zij wordt gekenmerkt door "kleine kracht"! Maar de Heere houdt de deur voor het evangelie open. Een ander kenmerk is haar getrouwheid ten opzichte van Zijn Woord! En de Heere zal trouw blijven aan Zijn belofte: "Ik kom haastig"! (vers 11). Dan lezen we nog over haar aanhankelijkheid aan Zijn Naam! Vandaar dat Zijn nieuwe Naam haar deel zal zijn (vers 12). Smaad van de kant van de wereld? Hij zal daarop openlijk met Zijn instemming antwoorden: "Ik zal maken, dat zij zullen komen... en bekennen, dat Ik u liefheb" (vers 9).
Wij zijn de verantwoordelijke erfgenamen van het getuigenis te Filadelfia. Geve de Heere, dat wij haar karakter openbaren, opdat wij onze kroon niet verliezen! Zijn vreugde die beloning te kunnen geven, zal veel groter zijn dan de blijdschap van de overwinnaar die haar mag ontvangen!
Hier wordt de laatste toestand waardoor de christenheid gekarakteriseerd wordt, genoemd. En deze kenmerken kunnen we vandaag maar al te goed opmerken: er is tevredenheid met zichzelf, een onverschillige lauwheid, en een godsdienstige aanmatiging alles te bezitten en alles te kennen (Deuteronomium 8 vers 17; Hosea 12 vers 9). Christenen die nalatig zijn in het gebed, zeggen in feite niets anders dan 'ik heb niks nodig'. Er ontbreken in Laodicéa drie wezenlijke dingen: 1) het goud: de ware gerechtigheid naar Gods gedachten; 2) de witte klederen: het praktisch getuigenis dat daaruit voortkomt; 3) de ogenzalf: het onderscheidingsvermogen dat de Heilige Geest geeft (vers 18). Het is echter nog niet te laat voor degene die oren heeft, om te horen!
De Heere geeft achtereenvolgens: 1) een raad: dat iedereen er haast mee moet maken om alles wat hem ontbreekt, van Hem te vragen (vergelijk Mattheüs 25 vers 3); 2) een bemoediging: degene die door Christus bestraft en getuchtigd wordt, heeft Hij lief; 3) een vermaning: ijverig te zijn en zich te bekeren (vers 19); 4) een belofte: de geweldige belofte van de Heere Zelf (vers 20). Zij die de Heere Jezus nu in hun harten opgenomen hebben, zal Hij te zijner tijd Zelf bij Zich in de hemel brengen, om te zitten op Zijn troon (vers 21). Beste vrienden, dat zal het einde van de geschiedenis van de Gemeente hier op aarde zijn. Hoe groot het verval hier nu echter ook mag zijn, de tegenwoordigheid van de Heere in het midden van de Zijnen kan nog steeds verwerkelijkt worden! Dat maakt het hart brandend met een onuitsprekelijke vreugde, zoals dat eens het geval was bij die twee discipelen, op die avond dat de Heere Jezus bij hen binnenkwam om bij hen te blijven (Lukas 24 vers 29).
Overeenkomstig de aanduiding in hoofdstuk 1 vers 19 begint hier het derde deel van dit Bijbelboek.
Vanzelfsprekend moeten alle details van deze verschijning gezien worden in zijn symbolische betekenis. Het is zeker dat wij in de hemel geen 'materiële' troon zullen zien; dit is eenvoudig een zinnebeeld van de koninklijke regering.
Maar de uitlegging van al deze symbolen wordt zeer zeker niet aan onze eigen fantasie overgelaten! De betekenis wordt ons door de Bijbel Zelf, op andere Schriftplaatsen, meegedeeld. De beste methode van Bijbelstudie is nog altijd 'Schrift met Schrift vergelijken'! Maar het zou, in de opzet van deze dagboeken, te ver gaan om dieper op deze betekenissen in te gaan. Aan de hand van goede Bijbelstudieboeken kan men dat altijd persoonlijk doen.
Om "hetgeen na deze geschieden moet" (dat is nadat de Gemeente door de Heere Jezus opgenomen zal zijn) te beschouwen, wordt de apostel opgeroepen om 'in de hemel op te klimmen' ("kom hier op...."; vers 1). De christen moet de gebeurtenissen hier op aarde altijd vanuit het hemels standpunt beschouwen; dan zal hij ze in hun juiste perspectief zien, en dat is: met Christus als het Middelpunt.
Overeenkomstig de belofte aan Filadelfia zullen de verlosten van de Heere voor het uur van de verzoeking bewaard blijven (hoofdstuk 3 vers 10). Op het moment dat dit uur voor deze wereld zal aanbreken (hoofdstuk 6), zijn de verlosten al samen in de heerlijkheid opgenomen. Zij worden uitgebeeld in de vierentwintig oudsten, die voor de Heere neervallen en hun kronen voor de troon neerwerpen (vers 10). Dan roemen zij in God als Schepper, maar in hoofdstuk 5 zullen zij God ook als Verlosser aanbidden.
Eén vraag houdt dan alles en iedereen bezig: "Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegels open te breken?" (vers 2). Met andere woorden: Wie is waardig het oordeel uit te oefenen? Dat kan er maar Eén zijn: Hij Die zonder zonde is (vergelijk Johannes 8 vers 7), Die door Zijn volmaaktheid de satan en de wereld heeft overwonnen. Dat is Christus, "de Leeuw, Die uit de stam van Juda is", en Die in Genesis 49 vers 9 al werd aangeduid. Maar onmiddellijk daarop wordt Hij als een Lam, "staande als geslacht", gezien (vers 6).
Om over de vijand te kunnen triomferen, om de hemel met een schare van gelukkige en dankbare mensen te kunnen vullen, was het kruiswerk van de Heere Jezus nodig. De harten van de heiligen worden dan op ontroerende wijze aan Zijn offer herinnerd. De voortdurende herinnering aan de vernedering van onze geliefde Heere vormt in vergelijking met de hemel, waar alles getuigt van macht en majesteit, de meest aangrijpende tegenstelling. Zijn nederigheid, Zijn zachtmoedigheid, Zijn afhankelijkheid, Zijn geduld âal deze eigenschappen, die de Heere Jezus hier op aarde volkomen geopenbaard heeft, zullen voor altijd zichtbaar zijn en zullen ons tot in alle eeuwigheid de grootheid van Zijn liefde laten zien.
Dan zal vanuit alle 'sectoren' van de schepping het echo weerklinken op het nieuwe lied van de verheerlijkte heiligen. "Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging!" (vers 12 en 13).
Soms verbazen we ons misschien over de strengheid waarmee God de oordelen zal voltrekken. Dat komt doordat wij zo moeilijk â door het geloof â kunnen opklimmen in de hemel, om alles vanuit dat standpunt te bezien. Als wij zouden horen hoe de volmaakte heiligheid van God geroemd wordt (hoofdstuk 4 vers 8), als wij in het geslachte Lam de Goddelijke liefde, maar tegelijkertijd ook de verachting van deze liefde door de opstandige mensen zouden aanschouwen, dan zouden wij begrijpen hoe terecht, verdiend en noodzakelijk deze oordelen zijn. En wij zouden dan ook van het feit doordrongen zijn, dat hierbij niets aan het toeval wordt overgelaten. Over alles wat hier op aarde zal gebeuren, houdt God de controle. Zijn wegen in deze oordelen zijn niet alleen van tevoren in dit symbolische Boek beschreven (hoofdstuk 5 vers 1), maar elk oordeel op zich zal precies op het door Hem vastgestelde tijdstip plaatsvinden, als het Lam het betreffende zegel zal verbreken.
Het openen van de eerste vier zegels brengt evenveel ruiters voort. Zij zijn een beeld van de gebeurtenissen die dan achtereenvolgens op deze aarde zullen plaatsvinden: de verovering van staatsgebieden, de burgeroorlog, de hongersnood, de dodelijke rampen (vergelijk vers 8 en Ezechiël 14 vers 21). Bij het openen van het vijfde zegel verschijnt de schare van martelaren, die de almachtige God zal vragen om hun gerechtigheid te verschaffen (vers 10). Het zesde zegel is, zogezegd, het antwoord op hun smeking. Dat heeft een vreselijke revolutie tot gevolg; alle regeringen die dan bestaan, zullen ten val komen. Het volgende klinkt misschien bevreemdend: "de toorn van het Lam" (vers 16; Psalm 2 vers 12), maar we zagen gisteren dat deze 'combinatie van woorden' volkomen terecht is.
Dit hoofdstuk wordt als het ware tussen het zesde en zevende zegel geschoven. Voordat God verder gaat met het ten uitvoer brengen van Zijn oordelen, zet Hij allen die Hem toebehoren, apart en verzegelt hen (vers 3). De eerste groep van hen (vers 4 - 8) wordt gevormd door de Joden uit de verschillende stammen. Zij zijn het getrouwe overblijfsel, van wie ons in de Psalmen de gevoelens getoond worden. De tweede groep van personen betreft een menigte uit de volken die het evangelie van het Koninkrijk geloofd hebben (vers 9 en verder). Als God deze getrouwen nu al voor onze aandacht brengt, dan is het alsof Hij daarmee wil zeggen: 'Die straffen zijn niet voor hen bedoeld; zij zullen dan onder Mijn bescherming door de beproeving gaan'. Op dezelfde wijze werden de Israëlieten destijds, in die pascha-nacht, van het oordeel dat door de engel voltrokken werd, buitengesloten en beschermd door het bloed van het lam (Exodus 12 vers 13). En de gelovigen "die uit de grote verdrukking" komen, zullen hun klederen in het bloed gewassen en wit gemaakt hebben (vers 14). Door geen enkel ander middel dan het bloed van Christus zijn zij, evenals wij, verzekerd van het heil. Dan zal hetzelfde Lam Dat hen gereinigd heeft, hen weiden, beschermen en hen "aan de springaders van de wateren" van het leven leiden (Jesaja 49 vers 10). God Zelf zal alle tranen van hun ogen afwissen.
Wat een geweldige beloften! En met het oog op een tijd van verdrukking, zoals er nooit eerder geweest zal zijn (!), worden hun deze beloften al bij voorbaat tot troost gegeven!
Bij het openen van het zevende zegel ontstaat een korte rustpauze. Terwijl de engelen zich voorbereiden om de oordelen uit te voeren, vervult een andere Engel (de Persoon van Christus) de functie van Voorspraak (vers 3). Waarin Hijzelf geleden heeft, kan de Heere Jezus nu medelijden betonen met de gelovigen in de beproeving (Hebreeën 2 vers 18; 4 vers 15). In deze tijden van het einde zal Hij voor de getrouwen in de grote verdrukking opkomen (dus voor hen die in hoofdstuk 7 genoemd werden).
Daar zijzelf hier op aarde moeite en lijden ondervonden hebben, zullen de christenen die dan al in de heerlijkheid zijn, des te meer belang stellen in de omstandigheden van de gelovigen die door deze vreselijke tijdsperiode te gaan hebben. Daarom zullen zij samen met Christus de taak van priesters vervullen, doordat zij God gouden schalen vol reukwerk zullen aanbieden, wat de gebeden van de heiligen zijn (vers 4; hoofdstuk 5 vers 8; Psalm 141 vers 2).
Pas nadat deze voorbede heeft plaatsgevonden, zal elk van de zeven engelen op zijn gevreesde trompet blazen.
De eerste geeft het signaal voor een plotseling oordeel, waardoor de machten van het westen (de bomen) en de algemene welvaart getroffen zullen worden.
De tweede komt overeen met een vijandelijke inval in het koninkrijk van een grote anarchistische wereldmacht.
De derde en vierde bewerken de val en afval van de verantwoordelijke regeringen, zodat de mensen moreel gezien in de diepst mogelijke duisternis gestort worden.
Bepaalde Schriftuitleggers' hebben hun eigen fantasie losgelaten op deze hoofdstukken. Ze hebben alle mogelijke verklaringen gegeven en hebben geprobeerd deze profetieën te projecteren op gebeurtenissen uit het verleden. Het is daarom goed eraan te herinneren dat dit derde deel van het visioen van Johannes nog steeds toekomst is. Het betreft een periode van enkele jaren, die ligt tussen de komst van de Heere voor Zijn Gemeente en het begin van het duizendjarig vrederijk.
De vijfde bazuin â of het eerste "wee" â laat een vreselijke sprinkhanenplaag uit de afgrond opkomen, een beeld van de directe werktuigen van satan, die de goddeloze Joden zullen straffen met een kwaal die erger is dan de dood.
Bij de zesde bazuin verschijnen prachtige paarden op het toneel die vuur, rook en zwavel uitspuwen, en daarmee dood en verderf zaaien op hun weg. Hun ruiters dragen pantsers (vers 9 en 17), wat een beeld is van het verharde geweten (1 Timotheüs 4 vers 2). De angels en de staarten, die lijken op schorpioenen (vers 10) of slangen (vers 19), vormen een beeld van de leugenachtige en verderfelijke leringen. Dat zijn arglistige wapens, waarvan satan dan meer dan ooit gebruik zal maken (vergelijk Jesaja 9 vers 15).
Het gebruik van een bazuin, om deze oordelen aan te kondigen, geeft deze instrumenten het karakter van een waarschuwing voor de mensen. De harten zijn echter zo hard, dat zelfs de rampen die nooit eerder zijn voorgekomen, hen niet meer tot bekering kunnen brengen (vers 20 en 21).
Het gedeelte vanaf hoofdstuk 10 vers 1 - 11 vers 13 wordt tussen de zesde en zevende bazuin ingelast, net zoals hoofdstuk 7 tussen het zesde en zevende zegel werd geschoven. Christus verschijnt hier opnieuw in de hoedanigheid van "een andere sterke Engel", wat ook hier gepaard gaat met tekenen van genade.
De wolk waarin Hij Zich hult, en de "pilaren van vuur" waar Hij op staat, herinneren aan de zorg van God voor het volk Israël in de woestijn (Exodus 13 vers 21 en 22). De regenboog (vergelijk hoofdstuk 4 vers 3) spreekt van het verbond van God met deze aarde (Genesis 9 vers 13). Daarmee wordt indirect aan Zijn beloften herinnerd.
Christus bezit echter ook de kenmerken van gezag: Zijn aangezicht lijkt op de zon, en Hij eist Zijn rechten als Eigenaar van deze aarde terug. In Zijn hand heeft Hij een geopend boekje, hetgeen het beeld is van een korte profetie die al in het Oude Testament geopenbaard werd. Het gaat om de tweede "helft van de week" van de grote verdrukking (Daniël 9 vers 27); de tijd waarin de tempel, "het altaar, en hen die daarin aanbidden" niet door God erkend zullen worden (hoofdstuk 11 vers 1).
Het is heel opmerkelijk dat deze drieënhalf jaren in maanden (42) worden weergegeven wanneer er sprake is van verdrukking (vers 2), maar ook in dagen (1260) wanneer het gaat om het meten van het getuigenis van het getrouwe overblijfsel (vers 3). God heeft deze dagen stuk voor stuk geteld en weet precies hoeveel moed dit overblijfsel zal hebben en hoeveel lijden het mee zal maken (Psalm 56 vers 9).
De "twee getuigen" (vers 3) zijn een beeld van het voltallige getuigenis van het vrome overblijfsel in de laatste verdrukking. Zij worden voorgesteld in het karakter van Elia en Mozes. Deze twee mannen namen, in de donkere tijden in de geschiedenis van Israël, de verantwoording voor het getuigenis, naar Gods gedachten, op zich. Als antwoord op het gebed van Elia bleef de hemel drieënhalf jaar toegesloten, dat wil zeggen dat het niet regende (vers 6; Jakobus 5 vers 17; vergelijk vers 5 met 2 Koningen 1 vers 10 en 12). En Mozes ontving op zijn beurt de macht om water in bloed te veranderen (leven in dood; Exodus 7 vers 19) en de aarde met allerlei plagen te slaan (vers 6).
Deze trouwe getuigen zullen in Jeruzalem gedood worden door het Romeinse "beest" (vers 7). Maar zij zullen getroost worden door de gedachte dat op diezelfde plaats hun "Heere gekruisigd is" (vers 8; Lukas 13 vers 33 en 34). En tot grote ontzetting van hun vervolgers zal hun martelaarsdood gevolgd worden door de opzienbarende opstanding, die zichtbaar zal zijn voor velen (vers 11).
Uiteindelijk zal dan de bazuin klinken voor het laatste "wee". Dit zal gepaard gaan met de komst van twee dingen: de heerschappij van de Heere (vers 15), maar ook Zijn toorn (vers 18; Psalm 110 vers 5). In hoofdstuk 6 vers 17 meenden de mensen die door angst overvallen waren, dat de toorn van het Lam al gekomen was. Maar die toom zal pas losbreken op het moment waarop Christus de heerschappij over de wereld op Zich zal nemen. Dan zal de hemel uitbreken in triomfgeschal; de heiligen vallen neer op hun aangezicht en aanbidden. Hij Die eens gekruisigd werd (vers 8), zal voortaan voor altijd heersen (Lukas 1 vers 33).
Wat hier gebeurt, wordt eigenlijk door vers 19 van hoofdstuk 11 ingeleid. "De ark van Zijn verbond" verschijnt als teken van genade in de tijd van de oordelen over Israël. Dit volk (dat bij deze gelegenheid uitgebeeld wordt door de zwangere vrouw "bekleed met de zon"; vers 1) waaruit de Messias geboren moest worden, wekt juist door dat feit de grote haat van satan op (die uitgebeeld wordt in "een grote rode draak"; vers 3).
In de Bijbel zien we dat deze vijandschap tussen het zaad van de vrouw en "de oude slang" (vers 9), die in de tijd van de zondeval werd aangekondigd, door alle tijden heen is blijven bestaan (zie Genesis 3 vers 15; Exodus 1 vers 22; 2 Koningen 11 vers 1; Mattheüs 2 vers 16 en verder).
Tevergeefs heeft de duivel al zijn krachten gebundeld om te verhinderen dat, door de geboorte en verhoging van de Heere Jezus, de raadsbesluiten van God in vervulling zouden gaan. Christus en Zijn hemelse heiligen â het kind dat God tot Zich nam (vers 5) â zijn nu buiten bereik van satan. Bovendien zal hij binnenkort uit de hemel op de aarde geworpen worden (lees Lukas 10 vers 18; Romeinen 16 vers 20), waar zijn vermetele woede zich dan tegen het overblijfsel van Israël zal ontketenen.
Dit overblijfsel zal uitblinken in het bewaren van Gods geboden (vers 17).
Wat was voor Christus en wat is vandaag voor ons het geheim van de kracht en overwinning op de boze? Het Woord van God, Dat in ons woont (Psalm 17 vers 4; Mattheüs 4 vers 4; 1 Johannes 2 vers 14)!
Als hij op de aarde geworpen is, zal de duivel de "kleine tijd" (vers 12) die hem ter beschikking staat, ten volle uitbuiten. Hij maakt daarbij gebruik van twee 'beesten'; een uitdrukking waarmee aangegeven wordt dat zij geen enkele verbinding tot God hebben. Het eerste beest (vers 1) spreekt van het herstelde Romeinse rijk. Dat zal dan de karakterkenmerken van de drie voorgaande rijken in zich verenigen: de snelheid van een luipaard (Griekenland), de volharding van een beer (Perzië) en de gulzigheid van een leeuw (Babylon; zie Daniël 7 vers 4 - 6). De Heere Jezus had destijds in de woestijn het aanbod van de wereldrijken afgewezen, maar dan zal satan deze rijken aan de Romeinse keizer geven, en daarom zal hij door de hele wereld aanbeden worden (vers 4; Lukas 4 vers 5 - 8).
Het tweede beest is een nabootsing van het Lam, maar dit beest zal zich door zijn eigen spraakgebruik verraden. Het gaat namelijk om de antichrist, die de godsdienstige macht zal uitoefenen, wonderen zal doen en het eerste beest zal ondersteunen. De mensenmassa die door hem verleid zal worden, zal als vee met het teken van het romeinse beest gebrandmerkt worden. Deze mensen worden als volgt genoemd: "die op de aarde wonen" (vers 8 en 14; hoofdstuk 3 vers 10; 6 vers 10; 8 vers 13; 11 vers 10), omdat daar al hun interesses liggen en daar hun gedachten en hun streven naar uitgaan. En wat is deze menigte vandaag de dag al ontzettend groot!
Vers 6 maakt, in tegenstelling tot de eerstgenoemde mensenmassa, melding van degenen "die in de hemel wonen" (Filippi 3 vers 19 en 20). Laten wij als christenen toch onmiskenbaar aan onze omgeving laten zien waar onze woonplaats, waar ons vaderland is (Hebreeën 11 vers 14)!
Nadat in een soort tussengedeelte ons de 'drie-eenheid' van het kwaad werd voorgesteld â de draak (hoofdstuk 12), het eerste en tweede beest (hoofdstuk 13) â worden de zeven visioenen van hoofdstuk 14 verbonden met de zevende bazuin, welks aankondiging tot hiertoe nog niet vervuld is (hoofdstuk 11 vers 15). Maar voordat God ingrijpt met betrekking tot het kwaad, erkent Hij eerst een nieuw overblijfsel uit Zijn volk en zondert dat af. Deze getuigen hebben het algemene verderf weerstaan. In tegenstelling tot de massa die het merkteken van het beest op het voorhoofd draagt (hoofdstuk 13 vers 16), hebben zij juist de Naam van het Lam op hun voorhoofd staan (vers 1). Schamen wij ons niet, om de Naam van onze Verlosser te dragen? Kan iedereen in onze omgeving zien Wie wij toebehoren?
Deze gelovigen zijn zij "die het Lam volgen, waar Het ook heengaat" (vers 4; vergelijk Johannes 1 vers 36 en 37). Wanneer zij Hem in smaad en lijden gevolgd hebben, zullen zij ook in Zijn Koninkrijk bij Hem zijn. Enkelen zullen vanwege hun trouw aan de Heere gedood worden (vergelijk hoofdstuk 12 vers 11), maar vers 13 dient hen tot troost. Zij worden "zalig" genoemd en zullen hun deel aan de heerschappij zeker niet verliezen. En "hun werken volgen met hen" (laten we erom denken, dat die werken hen niet voorgaan; de toegang tot de hemel is niet door werken te verkrijgen!).
Beste vrienden, onze christelijke voorrechten zijn nog veel groter! Zouden wij dan minder trouw bevonden worden dan deze getuigen van de laatste dagen?
De Heere Jezus heeft eens tegen Zijn aanklagers gezegd: "Van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, zittende ter rechterhand van de kracht Gods, en komende op de wolken van de hemel" (hoofdstuk 1 vers 7; Mattheüs 24 vers 30; 26 vers 64).
Hier zien we de Zoon des mensen zitten op een witte wolk. Eens werd Hij met doornen gekroond, maar nu draagt Hij een gouden kroon en in plaats van een zwakke rietstok heeft Hij nu "een scherpe sikkel" in de hand. Hij Die eens door de mensen veroordeeld werd, is nu Zelf de Rechter van de mensen geworden. En in deze hoedanigheid geeft Hij opdracht tot de grote "oogst van de aarde", die gevolgd wordt door de vreselijke "wijnpersbak". Deze beide dingen waren lang voor die tijd al aangekondigd (bijvoorbeeld in Joël 3 vers 13; Mattheüs 13 vers 30 en 39).
Met hoofdstuk 15 begint de laatste serie oordelen (de schalen). Maar ook deze keer worden de heiligen die hier doorheen hebben te gaan, eerst gezien in veiligheid (vers 2 - 4). Daarna zien we de zeven engelen die met de uitvoering van de plagen belast zijn, uit de tempel komen. Aan hen worden de "zeven gouden schalen, vol van de toom van God" gegeven (vers 7; vergelijk Jeremia 25 vers 15).
Beste gelovige vrienden, deze wereld, die heel binnenkort geslagen zal worden, is dezelfde als die door God geliefd werd, zodat Hij Zijn eniggeboren Zoon voor haar heeft overgegeven (Johannes 3 vers 16)! En de engelen die eens de taak zullen hebben om te verwoesten, hebben tot nu toe die vreselijke opdracht nog niet ontvangen. Maar intussen hebben wij een heel andere taak: wij mogen, ja moeten, deze wereld nog vertellen over de Goddelijke genade (2 Korinthe 5 vers 20).
De zeven schalen die op de aarde uitgegoten worden, herinneren ons aan de plagen in Egypte: zweren, water dat in bloed verandert, duisternis, sprinkhanen, onweer, hagel en vuur (zie Exodus 9 vers 23). In plaats van bekering brengen deze rampen slechts lasteringen voort (vers 9, 11 en 21). Maar dat God ook in de oordelen rechtvaardig handelt, wordt door een drievoudig getuigenis bevestigd: door de overwinnaars (hoofdstuk 15 vers 3 en 4), door de engel van de wateren (vers 5) en door het altaar zelf (vers 7).
Door de eerste vier plagen worden dezelfde dingen getroffen als bij de eerste vier bazuinen (hoofdstuk 8 vers 7 - 12). De vijfde plaag bereikt de troon van het beest. De zesde bereidt de oorlog "van die grote dag van de almachtige God" voor (vers 14). Bij de laatste schaal klinkt uiteindelijk een luide stem van de troon: "Het is geschied!" (vers 17).
Maar wat vormt deze uitspraak een groot verschil met de uitroep: "Het is volbracht!" (Johannes 19 vers 30), waarmee toen het einde van de toorn van God ten opzichte van de zonde werd aangegeven, nadat de Zoon van God aan het kruis de beker die wij verdiend hadden, gedronken had.
Deze vreselijke gebeurtenissen zijn al veel dichterbij dan wij denken. Laten we de wereld rondom ons toch altijd zien als een veroordeeld terrein en ons bewust zijn dat zij niet aan die vreselijke toorn kan ontkomen. Laten we nooit onverschillig staan tegenover het kwaad dat in deze wereld aanwezig is, en het Goddelijke oordeel dat haar te wachten staat.
De laatste schaal heeft betrekking op het oordeel over Babylon (hoofdstuk 16 vers 19). De details daarover kunnen we lezen in de hoofdstukken 17 en 18. Hierbij gaat het om de afvallige kerk, de grote belijdende christenheid, van waaruit, bij de komst van de Heere Jezus, alle ware kinderen van God genomen werden. In haar ontrouw ten opzichte van Christus heeft deze christenheid zichzelf verdorven en door haar onreine verbindingen heeft zij zichzelf met de wereld en haar afgoden verbonden. Het is zoals iemand eens gezegd heeft: 'Het beste dat te verderven is, is het ergste verderf'.
Deze "hoer" zit op het beest en ontvangt haar kracht van de politieke macht (vers 3). Terwijl de Heere Jezus juist gezegd heeft: "Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld" (Johannes 18 vers 36), heeft "de vrouw" haar rechten doen gelden op de heerschappij over deze aarde. Maar bovenal heeft zij de ware heiligen vervolgd en gedood (vers 6).
Bij deze aanblik wordt de apostel aangegrepen door grote verbazing. Is dat nu werkelijk datgene wat er van de verantwoordelijke christenheid over zal blijven? Helaas heeft de geschiedenis deze ontwikkeling in de loop van de eeuwen maar al te zeer bevestigd. Maar haar definitieve openbaring, die hier beschreven wordt, is nog steeds toekomst.
In de verzen 16 en 17 wordt meegedeeld wat het einde van "de moeder van de hoererijen en gruwelen" (vers 5) zal zijn. Zij zal zelf het lot ondergaan dat zij aan veel "getuigen van Jezus" (vers 6) heeft voltrokken. In deze uitdrukking "getuigen van Jezus" mogen we iets van het liefdevolle hart van God ontdekken (zie ook hoofdstuk 2 vers 13).
Al deze verschijningen lijken een beetje op een boek met platen waarin we dezelfde gebeurtenissen steeds vanuit een ander perspectief te zien krijgen en waarin ze van verschillende kanten worden belicht. Hier wordt de val van Babylon gezien als rechtstreeks door "de Heere God" Zelf uitgevoerd (vers 8 en 20). Voordien klonk echter in vers 4 nog het bevel: "Gaat uit van haar, Mijn volk" (vergelijk de profetieën in het Boek Jeremia met betrekking tot het historische Babylon; hoofdstuk 51 vers 7, 8, 37, 45, en verder).
Deze oproep geldt vandaag al voor ons: "Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere" (2 Korinthe 6 vers 17). Elke verloste wordt nu opgeroepen om zich van de godsdienstige wereld en haar gemengde principes (of grondbeginselen) â zoals die hier in haar definitieve toestand getoond worden â af te scheiden (vergelijk Numeri 16 vers 26). Sommigen zullen ons dan betichten van gebrek aan liefde, of zeggen dat we enghartig zijn. Soms komt men ertoe om te zeggen dat we dan handelen in een geest van hoogmoedigheid. Ook al doet het pijn en is het verdrietig dit te moeten ondervinden, laten we ons niet van de hoofdzaak laten weerhouden: de Heere gehoorzamen!
De verzen 12 en 13 geven een opsomming van "al wat in de wereld is" en tot bevrediging van allerlei lusten van de mensen dient (1 Johannes 2 vers 16 en 17). In de eerste plaats wordt het goud genoemd, dat voor velen de allerhoogste waarde heeft. En het eindigt ten slotte met datgene wat in het oog van deze valse kerk slechts geringe waarde heeft â maar voor God juist zo ontzettend kostbaar is (!) ânamelijk: "de zielen van de mensen".
Het weeklagen van de kooplui (vers 11, 15 en verder) herinnert ons aan het gejammer van Demetrius en de andere kunstenaars uit Efeze, die bang waren hun "gewin" en de "welvaart" die de afgodendienst hun opleverde, te verliezen (Handelingen 19). Bestaat er overigens wel een verschil tussen de grote Artemis of "Diana van de Efeziërs" en "de grote stad Babylon" â tussen de heidense afgodendienst en de verdorvenheid van het christendom?
Het kan niet anders of een godsdienst die de mensen elke "vrucht" voor de begeerte van hun zielen geeft (vers 14), die het gevoel streelt en het geweten doet inslapen (waarbij muziek een hele grote rol speelt - vers 22; Daniël 3 vers 7), die de handel begunstigt en tot voorwendsel voor alle mogelijke vormen van vermaak dient, moet wel succesvol zijn! Je hoeft alleen maar om je heen te kijken en te zien op welke wijze veel mensen, rond deze tijd van het jaar, de geboorte van de Heere Jezus vieren.
"In haar is gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen ..." (vers 24). Al aan het begin van de Bijbel kun je lezen dat er in de stad van Kaïn veel aangename dingen gevonden werden â terwijl het bloed van Abel schreeuwde tot God (vergelijk Genesis 4 vers 10, 17 en verder). Vandaag de dag verheugt de godsdienstige wereld zich, terwijl de ware gelovigen veel lijden en verdriet kennen (Johannes 16 vers 20). Morgen zal hier op aarde het "wee" opklinken, maar dan zal de vreugde van de hemel daarop antwoorden (vers 20).
Geve God, dat wij nu al, in het geloof, al deze dingen mogen zien zoals Hij ze ziet!
Het huichelachtige Babylon, haar bewering dat zij dé kerk is, werd openlijk te schande gemaakt. Nu stelt de Heere Zijn ware Bruid voor aan de gasten op de hemelse bruiloft. In de hemel weerklinkt de lof: "Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij de Heere, onze God!" (vers 1). "De bruiloft van het Lam is gekomen!" (vers
De vreugde van de Bruid zal dan op de blijdschap van de Bruidegom antwoorden! En omdat Zij het onderwerp van de genade is, bestaat Haar kleding uit "fijn lijnwaad [d.i. linnen] ... de rechtvaardige daden van de heiligen" (vers
Daarmee worden de rechtvaardige daden bedoeld, de daden waartoe God de heiligen in staat gesteld heeft om die tot Zijn eer te volbrengen. Ook de genodigden zullen zich dan verheugen, want "Die de Bruid heeft, is de Bruidegom, maar de vriend van de Bruidegom, die staat en Hem hoort, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de Bruidegom" (Johannes 3 vers 29).
Terwijl wij nu nog op deze dag wachten, mogen we nooit vergeten dat wij "aan één Man" toebehoren, ja, met Hem verloofd zijn, om als "een reine maagd" aan Christus voorgesteld te worden (2 Korinthe 11 vers 2)! Laten we alle frisheid van onze genegenheden voor Hem daarom rein bewaren!
Maar als Hij voor de Gemeente de Geliefde is, dan zal Hij voor de wereld de grote Rechter zijn. Onder de Naam "het Woord van God" (vers 13), die eens aan Hem werd gegeven om genade en waarheid te openbaren, zal Hij "vreselijke dingen" ten uitvoer brengen (Psalm 45 vers 5; zie ook Jesaja 59 vers 18; 63 vers 1- 6).
Vriend, wanneer en hoe wil jij de Heere Jezus ontmoeten? Nú â als je Redder, of heel binnenkort â als je Rechter?
In tegenstelling tot "de bruiloft van het Lam" lezen we hier over een gebeurtenis die op ironische wijze de maaltijd van de grote God wordt genoemd (vers 17; Psalm 2 vers 4 en 5; Zefanja 1 vers 7). De laatste confrontatie tussen de legers van de Zoon van God en die van het beest zal eindigen met de totale vernietiging van de vijanden van God. Zonder dat er dan een rechtszaak aan te pas komt, zullen het beest en de valse profeet in de poel van vuur gegooid worden (vers 20; vergelijk Numeri 16 vers 33; Psalm 55 vers 16). Daarna houdt God Zich bezig met hun opdrachtgever en aanvoerder, de satan. In hoofdstuk 12 hebben we gezien dat hij uit de hemel op deze aarde geworpen werd. Hier wordt deze grote moordenaar, met een symbolische sleutel en een symbolische ketting, onschadelijk gemaakt. Na die duizend jaren zal hij uiteindelijk zelf bij zijn medeplichtigen in de poel van vuur terecht komen (vers 10; Mattheüs 25 vers 41). Vandaar ook dat we kunnen begrijpen dat er in de hele Bijbel geen enkel gedeelte voorkomt dat zo door de duivel gevreesd wordt als het Boek Openbaring. En om te verhinderen dat het gelezen zal worden, probeert hij zelfs de gelovigen ervan te overtuigen dat het een onduidelijk en moeilijk te begrijpen Boek is.
Nadat de satan gebonden is, is er geen enkele tegenstand meer tegen de heerlijke heerschappij van de Heere. We hebben al kunnen constateren dat deze heerschappij â tegen de mening van velen in â niet tot stand komt door een voortdurende verbetering van deze wereld, maar door oordelen. Geliefde kinderen van God, Christus wil Zijn Koninkrijk met ons delen (Daniël 7 vers 18). Laten we ons daarom vandaag niet verbroederen met een wereld die wij morgen zullen oordelen (1 Korinthe 6 vers 2)!
Het hart van de mens zal in de duizend jaren van zegen niet veranderen. Het zal satan daarom ook gelukken om de volken tot een laatste en ontzettend grote opstand op te stoken. God zal daarop echter met een kort en bliksemsnel oordeel antwoorden.
Nu is het plechtige moment aangebroken: Hebreeën 9 vers
27 gaat eindelijk in vervulling â maar ook Johannes 5 vers 24! Alle doden die niet verlost zijn, verschijnen hier nu voor de grote Rechter (vergelijk vers 5). In hun leven hier op aarde bestonden er onderling grote verschillen. Je had 'groten', die door hun 'soortgenoten' geëerd werden (Lukas 16 vers 19), maar ook 'kleinen', en zelfs sommigen die door de maatschappij waren uitgestoten (Lukas 23 vers 39). Maar op dat ogenblik zijn ze allemaal samen! Nu bestaat er geen onderscheid meer â "want zij hebben allen gezondigd" (Romeinen 3 vers 23). Als bewijs daarvoor worden er boeken open gedaan, waarin â tot grote schrik â alle afzonderlijke werken van ieder persoonlijk genoteerd staan (Psalm
28 vers 4). Wie zou het kunnen verdragen dat er ook maar één bladzijde over zijn werken uit dit boek zou worden voorgelezen! "Het boek van het leven" wordt ook geopend (vers 15). Maar dat dient er alleen toe, om aan te tonen dat hun namen daar niet in geschreven staan. En de definitieve uitspraak van de allerhoogste Rechter zal dan zijn: "werpt hen uit in de buitenste duisternis" (Mattheüs 22 vers 12 en 13). Dan zullen zij delen in het lot van satan en voor eeuwig op de plaats van pijn zijn, voor altijd zonder hoop!
Beste lezer, waarnaar zult u, zul jij, beoordeeld worden? Naar de eigen werken â of naar het werk van de Heere Jezus?
De bladzijde wordt omgeslagen. De geschiedenis van de eerste schepping is ten einde. De eeuwige heerlijkheid begint, waarin God met gezegende schepselen omringd zal zijn, die in staat gesteld worden om Hem te erkennen en te begrijpen. Voor eeuwig zullen zij deze gelukzaligheid mogen genieten â dan zal er geen tijdsrekening meer zijn. "God Zelf zal bij hen en hun God zijn" (vers 3). De zee (het symbool voor de verwarring en de versplintering van de volken) zal niet meer bestaan (vers 1). Alle verlosten zijn in de veilige haven aangekomen. En in deze volkomen nieuwe omgeving zal ook de dood afgeschaft zijn (vers 4; 1 Korinthe 15 vers 26 en 54). Er zal geen nacht en geen vervloeking meer bestaan (vers 25; hoofdstuk 22 vers 3 en 5), geen verdriet, geen geschreeuw en geen pijn meer gevonden worden, want God zal voor altijd bij de mensen wonen (vers 3).
En zij die buiten zijn? Hun deel is "de tweede dood" (vers 8): de duisternis, de tranen van een geweten dat hen onophoudelijk zal plagen, en het voor eeuwig gescheiden zijn van de tegenwoordigheid van de heilige God. Daar zullen de "ongelovigen" zich bevinden, dus zij die bewust het heil versmaad hebben. Maar daar zijn ook de "vreesachtigen", die nooit openlijk voor Christus hebben willen beslissen. En daar zijn ook de "leugenaars" en de huichelaars, die altijd deden voorkomen alsof zij christenen waren.
Beste vriend, voor de laatste keer willen wij je vragen: 'Waar zul jij zijn in de eeuwigheid?'
Waar zult gij zijn in d' eeuwigheid? Ernstige vraag in deze tijd! Hebt gij uw antwoord reeds bereid? Waar zult gij zijn in d' eeuwigheid?... O, kies voor Jezus heden nog. Vlied toch de zond' en haar bedrog. Jezus vraagt Zelf met tederheid: Waar zult gij zijn in d' eeuwigheid?'
Nadat in de verzen 1- 8 de sluier met betrekking tot de eeuwige toestand opgelicht is, komt de Heilige Geest terug op de tijd van het Koninkrijk van Christus. Hij stelt ons een stad voor de aandacht. Nu niet meer Rome of Babylon, maar "het heilige Jeruzalem", dat is "de Bruid, de Vrouw van het Lam" (vers 9 en 10). Deze hele beschrijving moeten we natuurlijk symbolisch zien. We kunnen datgene wat bij de nieuwe schepping hoort, niet met onze tegenwoordige zintuigen waarnemen, noch met onze geest bevatten (1 Korinthe 13 vers 12). Hoe zou je immers iemand die blind geboren is, iets kunnen uitleggen over de prachtige kleuren? Vandaar dat God de mooiste en kostbaarste dingen van deze aarde gebruikt â goud en edelstenen â om ons iets te laten begrijpen van datgene wat ons in de hemel te wachten staat. De lichtglans en de muren van jaspis (vers 11 en 18) spreken over de openbaring van de heerlijkheden van Christus in en door de Gemeente (hoofdstuk 4 vers 3). Zij wordt door het stralende licht van de Lamp (Kaars) verlicht: door de heerlijkheid van God, samengevat in het Lam (vers 23). De heilige stad zal dit Goddelijke licht op haar beurt, in het duizendjarig rijk, weer ten gunste van de aarde verspreiden (vers 24). Datzelfde vinden we ook terug in Johannes 17 vers 22 en 23: "En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt... Ik in hen, en Gij in Mij ..., opdat de wereld bekent ...".
En hoe zou er ooit iets "dat verontreinigt" op die plaats kunnen komen, waar de Heere woont (vers 27; lees 2 Korinthe 7 vers 1)?
De verzen 1 - 5 completeren de verschijning van de heilige stad tijdens het duizendjarig vrederijk. Als we een beetje thuis zijn in de Bijbel, dan valt het ons op dat de eerste en laatste bladzijde uit de Schrift veel op elkaar lijken. Het Woord van God begint en eindigt met een paradijs, een rivier en een "boom van het leven". Toch is het einde veel mooier dan het begin, het Omega grootser dan het Alfa. Het toekomstig paradijs is niet het oude dat teruggevonden is, maar het is "het paradijs van God" (Openbaring 2 vers 7), waar Hij Die voor ons gestorven is, Zelf voor eeuwig aanwezig is! De toegang hiertoe wordt enkel en alleen verleend aan zondaren die door genade gered zijn, dus mensen zoals bijvoorbeeld die bekeerde misdadiger (Lukas 23 vers 43). En waarmee zullen de bewoners zich daar gaan bezighouden? Zij zullen hun Heere dienen (vers 3; hoofdstuk 7 vers 15) en zij zullen samen met Hem heersen (vers 5; Daniël 7 vers 27). Wat voor hen echter nog veel waardevoller zal zijn dan alle koninkrijken, is het heerlijke feit dat zij "Zijn aangezicht" zullen zien (vers 4; Psalm 17 vers 15)!
Normaal gesproken weet een knecht niet "wat zijn heer doet" (Johannes 15 vers 15). Maar de Heere Jezus houdt voor Zijn knechten, die Zijn vrienden zijn geworden, niets geheim van "hetgeen met haast moet geschieden" (vers 6). Is het daarom niet bevreemdend, dat wij vaak zo weinig reageren op al dit wonderbare, dat ook betrekking heeft op onszelf (1 Korinthe 2 vers 9)? En is het bovenal niet ontzettend verdrietig, dat wij zo weinig interesse tonen voor datgene wat de Vader tot verheerlijking en vreugde van Zijn Zoon bereid heeft (Johannes 14 vers 28)?
Voor Daniël en het joodse volk waren de profetieën tot aan hun toekomstige vervulling "verzegeld" (Daniël 12 vers 9 ). Voor de christenen zijn ze daarentegen niet meer verborgen (vers 10). Het hele Woord van God is hun gegeven om alles beter te begrijpen en te geloven. De Heere heeft ons Zijn Woord gegeven, opdat wij Het met elkaar overdenken. Geve Hij ons het verlangen en de kracht om de Schrift ook persoonlijk te onderzoeken (Johannes 5 vers 39). Daarbij mogen we gerust gebruik maken van boeken en uitvoerige overdenkingen over de verschillende delen van de Bijbel, die ons ter beschikking staan. De Heere wil zo graag dat wij bij Zijn wederkomst behoren tot hen die Zijn Woord bewaren en Zijn Naam niet verloochenen (hoofdstuk 3 vers 8). Die heerlijke en onvergelijkbare Naam 'Jezus' roept Hij ons zelfs hier nog een keer in herinnering: "Ik, Jezus ... ben... de blinkende Morgenster", Die komt (vers 16). Wij wachten niet op een bepaalde gebeurtenis, maar op een geliefde Persoon!
"Kom!" Op dit door de Geest opgewekte verlangen antwoordt Hij met Zijn belofte: "Ik kom haastig!" (vers 7, 12 en 20). En dan horen wij opnieuw het echo van de toegenegenheid van de Bruid klinken: "Amen. Ja, kom, Heere Jezus!"
Wij hebben ons bekeerd om Hem te aanbidden, Hem te dienen (bijvoorbeeld om hen die dorst hebben en willen komen, uit te nodigen; vers 17) en om Hem te verwachten (1 Thessalonika 1 vers 9 en 10). De Heere weet echter dat wij zowel voor het één als voor het ander Zijn genade nodig hebben (vers 21). Die genade is het volkomen en altijd toereikende middel, om ons te bewaren "totdat Hij komt" (1 Korinthe 11 vers 26; Hooglied 4 vers 6).
'Nee, niet lang meer, leer ons waken, 't morgenrood vertoont zich reeds van ver!'
This document may be found online at the following URL: http://www.stempublishing.com/authors/koechlin/dbd/nl/localStorageYear5.html.
You are welcome to freely access and use this material for personal study or sending to other Bible students, compiling extracts for notes etc, but please do not republish without permission.
With the prayerful desire that the Lord Jesus Christ will use this God-given ministry in this form for His glory and the blessing of many in these last days before His coming. © Les Hodgett
.
Het is goed om van tijd tot tijd eens stil te staan en voor onszelf eens rekenschap af te leggen van ons leven. Terugziend op de weg kan de gelovige het met dankbaarheid uitroepen: "Heere, Gij zijt ons geweest een Toevlucht" (vers 1).
En wat het heden betreft, overdenkt hij de korte tijd van zijn bestaan hier op aarde en vraagt hij God om hem te leren zijn dagen te tellen, opdat hij een wijs hart mag krijgen (vers 12). Volgens Efeze 5 vers 15 en 16 zal deze wijsheid ons ertoe brengen de juiste tijd uit te kopen. Dat betekent dat we onze tijd op de goede manier besteden (zie ook Kolosse 4 vers 5). Ja, laten we de jaren, die zo snel als een gedachte vervliegen, voor de Heere gebruiken (vers 9).
Hier is ook een waarschuwing voor elke onbekeerde lezer op z'n plaats. Als jij je nog niet bekeerd hebt, dan heb je nu vandaag nog de gelegenheid. Deze korte dag kan voor jou de dag van genade worden, misschien wel de laatste waarop je de Heere Jezus als je Heiland kunt aannemen! Grijp deze gelegenheid toch aan. Stel het niet langer uit!
Dit "gebed van Mozes, de man Gods" zal in het laatst der dagen ook uitgesproken worden door het volk Israël, wanneer het met berouw tot God komt. Maar de verlosten van de Heere, die Zijn onmetelijke liefde kennen, mogen nu al vragen: "Verzadig ons in de morgenstond (dus vroeg in de morgen, of van onze jeugd af aan) met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen" (vers 14).
Welgelukzalig hij of zij die dit nu al kan en mag vragen!