Psalm 90
1Een gebed van Mozes, den man Gods. HEERE! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.2Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.3Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!4Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.5Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;6In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.7Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.8Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.9Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.10Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.11Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?12Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.13Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.14Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.15Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.16Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.17En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

Het is goed om van tijd tot tijd eens stil te staan en voor onszelf eens rekenschap af te leggen van ons leven. Terugziend op de weg kan de gelovige het met dankbaarheid uitroepen: "Heere, Gij zijt ons geweest een Toevlucht" (vers 1).

En wat het heden betreft, overdenkt hij de korte tijd van zijn bestaan hier op aarde en vraagt hij God om hem te leren zijn dagen te tellen, opdat hij een wijs hart mag krijgen (vers 12). Volgens Efeze 5 vers 15 en 16 zal deze wijsheid ons ertoe brengen de juiste tijd uit te kopen. Dat betekent dat we onze tijd op de goede manier besteden (zie ook Kolosse 4 vers 5). Ja, laten we de jaren, die zo snel als een gedachte vervliegen, voor de Heere gebruiken (vers 9).

Hier is ook een waarschuwing voor elke onbekeerde lezer op z'n plaats. Als jij je nog niet bekeerd hebt, dan heb je nu vandaag nog de gelegenheid. Deze korte dag kan voor jou de dag van genade worden, misschien wel de laatste waarop je de Heere Jezus als je Heiland kunt aannemen! Grijp deze gelegenheid toch aan. Stel het niet langer uit!

Dit "gebed van Mozes, de man Gods" zal in het laatst der dagen ook uitgesproken worden door het volk Israël, wanneer het met berouw tot God komt. Maar de verlosten van de Heere, die Zijn onmetelijke liefde kennen, mogen nu al vragen: "Verzadig ons in de morgenstond (dus vroeg in de morgen, of van onze jeugd af aan) met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen" (vers 14).

Welgelukzalig hij of zij die dit nu al kan en mag vragen!

Psalm 91
1Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.2Ik zal tot den HEERE zeggen: Mijn Toevlucht en mijn Burg! mijn God, op Welken ik vertrouw!3Want Hij zal u redden van den strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.4Hij zal u dekken met Zijn vlerken, en onder Zijn vleugelen zult gij betrouwen; Zijn waarheid is een rondas en beukelaar.5Gij zult niet vrezen voor den schrik des nachts, voor den pijl, die des daags vliegt;6Voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor het verderf, dat op den middag verwoest.7Aan uw zijden zullen er duizend vallen, en tien duizend aan uw rechterhand; tot u zal het niet genaken.8Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.9Want Gij, HEERE! zijt mijn Toevlucht! De Allerhoogste hebt gij gesteld tot uw Vertrek;10U zal geen kwaad wedervaren, en geen plage zal uw tent naderen.11Want Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren in al uw wegen.12Zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uw voet aan geen steen stoot.13Op den fellen leeuw en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.14Dewijl hij Mij zeer bemint, spreekt God, zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam.15Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.16Ik zal hem met langheid der dagen verzadigen, en Ik zal hem Mijn heil doen zien.

Als het in verband met het verleden (Psalm 90) goed is om dankbaar te zijn, dan is het ook goed om met het oog op de toekomst het vertrouwen op God te stellen. De gevaren van de huidige maatschappij, waar een gelovige vandaag de dag aan bloot staat, zijn enorm groot. De vogelvanger (vers 3), de leeuw, de adder, de draak (of slang) (vers 13), wie zou dat anders moeten zijn dan satan zelf? Spreekt "de zeer verderfelijke pestilentie... die in de donkerheid wandelt" (vers 3 en 6) niet van de zonde die vele malen erger is dan welke zware ziekte ook? "De pijl, die des daags vliegt" is een zinspeling op slechte gedachten, die door reclame in de straat, door lectuur of een twijfelachtig gesprek bij ons kunnen opkomen. "De schrik des nachts" zijn de zorgen die een rustige slaap, die de Heere voor ons bereid heeft (Psalm 4 vers 9), zo vaak verhinderen.

Wat ook de strik of de dreiging mag zijn, we mogen ervan verzekerd zijn een Schuilplaats, een Toevlucht en Burg te hebben. De almachtige God Zelf, de Allerhoogste! (vers 1,2 en 9).

Laten we Hem, Die te midden van dezelfde gevaren dit vertrouwen volkomen verwerkelijkt heeft, toch navolgen. Christus heeft de verleider, die het waagde deze Psalm aan te halen, overwonnen en te schande gemaakt. Vanaf vers 9 wordt het gebed van de volmaakte Mens beantwoord, door de beloften van God. Wij mogen deze beloften ook genieten in de mate waarin wij, evenals de Heere Jezus, ons vertrouwen op God stellen en wij Hem liefhebben (vers 14).

Psalm 92, Psalm 93
1Een psalm, een lied, op den sabbatdag.2Het is goed, dat men den HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste!3Dat men in den morgenstond Uw goedertierenheid verkondige, en Uw getrouwheid in de nachten;4Op het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.5Want Gij hebt mij verblijd, HEERE! met Uw daden, ik zal juichen over de werken Uwer handen.6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.7Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;8Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.9Maar Gij zijt de Allerhoogste in eeuwigheid de HEERE!10Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.11Maar Gij zult mijn hoorn verhogen, gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten.12En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.13De rechtvaardige zal groeien als een palmboom; hij zal wassen als een cederboom op Libanon.14Die in het huis des HEEREN geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Gods.15In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn, [ (Psalms 92:16) Om te verkondigen, dat de HEERE recht is; Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht. ]
1De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.2Van toen af is Uw troon bevestigd, Gij zijt van eeuwigheid af.3De rivieren verheffen, o HEERE! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting.4Doch de HEERE in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van grote wateren, dan de geweldige baren der zee.5Uw getuigenissen zijn zeer getrouw; de heiligheid is Uw huize sierlijk, HEERE! tot lange dagen.

De grote daden van God en Zijn zeer diepe gedachten zijn een onuitputtelijk onderwerp van aanbidding voor de verlosten (vers 6; vergelijk Psalm 40 vers 6). Maar de mens die de Schepper in al Zijn werken niet kent, is in de ogen van God "een onnuttig man... en een dwaas" (vers 7), ook al zou hij de grootste geleerde zijn.

Zowel de goddeloze als de rechtvaardige zal groeien en bloeien (vers 8 en 14). Het kruid (of gras) loopt uit en bloeit in de zomer, daarna wordt het gemaaid (vers 8). Zo vergaat het ook de goddelozen, ze komen om (vers 10; vergelijk 2 Korinthe 4 vers 3). De rechtvaardige lijkt daarentegen op de palmboom of de ceder op de Libanon (vers 13 en 14). Wat gaat er veel tijd voorbij voordat deze prachtige bomen volgroeid zijn! Maar ze hebben hun plaats in de voorhoven van de tempel van God en bloeien daar tot Zijn eer.

Psalm 93 herinnert ons eraan dat de macht van God ouder ("van eeuwigheid af") en geweldiger is dan de macht van de vijand (vers 2 tot en met 4). De branding ("aanstoting"; vers 3) spreekt van de onrust van de wereld (Jesaja 57 vers 20; vergelijk Psalm 89 vers 10). Op Gods Woord kan men echter vertrouwen, Zijn "getuigenissen zijn zeer getrouw" (vers 5).

"De heiligheid is Uw huis sierlijk". Bij ons in huis willen we absoluut geen viezigheid of wanorde hebben. Kunnen we dan ook begrijpen dat er voor de heilige God nog veel meer reden bestaat om de zonde niet in Zijn huis, dat vandaag gevormd wordt door de Gemeente, toe te laten? (lees 2 Korinthe 6 vers 16 en verder).

Psalm 94
1O God der wraken! o HEERE, God der wraken! verschijn blinkende.2Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen.3Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen?4Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?5O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel.6De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.7En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet.8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?9Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?10Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die den mens wetenschap leert?11De HEERE weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.12Welgelukzalig is de man, o HEERE! dien Gij tuchtigt, en dien Gij leert uit Uw wet,13Om hem rust te geven van de kwade dagen; totdat de kuil voor den goddeloze gegraven wordt.14Want de HEERE zal Zijn volk niet begeven, en Hij zal Zijn erve niet verlaten.15Want het oordeel zal wederkeren tot de gerechtigheid; en alle oprechten van hart zullen hetzelve navolgen.16Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid?17Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond.18Als ik zeide: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij.19Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt.20Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?21Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed.22Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht.23En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.

In tegenstelling tot de Israëliet van de eindtijd moet de christen ervoor oppassen niet te gaan verlangen naar wraak (Romeinen 12 vers 17 en verder). Dat wil echter niet zeggen dat hij minder te lijden heeft van het kwaad en de ongerechtigheid die in deze wereld heersen. Trots (vers 2), goddeloosheid (vers 3), brutaliteit en ongerechtigheid (vers 4), onderdrukking en geweld (vers 5 en 6), alles heeft zijn vrije loop.

Op zijn weg door deze wereld kan de gelovige, bij het zien van dit alles, niet ongevoelig blijven. En hoe meer hij zich bewust is van de heiligheid van God, hoe meer afkeer van het kwade hij zal hebben (Psalm 97 vers 10). Daarom heeft Christus, de volmaakte Mens, hier op aarde meer dan wie ook geleden. In Markus 3 vers 5 zien we dat Hij "bedroefd over de verharding van hun hart" was. En Zelf is Hij het Onderwerp van de allergrootste ongerechtigheid geweest (vers 21).

Doordat wij dit kwaad waarin wij leven opmerken, komen er bij ons vaak moeitevolle gedachten opzetten: Ziet God deze dingen dan niet? Waarom grijpt Hij toch niet in? Gewoonlijk krijgen we van de Heere hiervoor geen verklaring, maar geeft Hij ons juist vertroostingen (vers 19). Door ons de ogen te openen voor al dit kwaad is het voor ons gemakkelijker om ons hiervan af te scheiden. De Heere doet dit echter opdat wij Hem meer zullen aanhangen en opdat onze hoop inniger mag worden. Geve de Heere, dat de vertroostingen van Boven onze ziel meer en meer met vreugde en verlangen mogen vervullen!

Psalm 95
1Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.2Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.3Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;4In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;5Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.6Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.7Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,8Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;9Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.10Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.11Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!

Bij hen die ervaren hebben dat de macht van God tot heil werkte, heeft dit tot uitwerking dat ze willen jubelen. Aan de oever van de Rode Zee heeft eens een verlost volk het lied van de bevrijding laten opstijgen tot God. Maar helaas leert de geschiedenis van Israël ook een andere les. Vanaf de eerste stappen in de woestijn zien we dat men getuige van de machtige daden van God kan zijn (vers 9) zonder Zijn wegen te erkennen (vers 10). De geschiedenis toont ook dat niet alleen de goddeloze farao zijn hart verhardde (Exodus 8 vers 15, 32 en verder), maar dat Israël niet aarzelde het eveneens te doen (vers 8).

De namen Massa (verzoeking) en Meriba (twist; zie Exodus 17 vers 7) zijn voor altijd in de geschiedenis gegraveerd (vergelijk Numeri 11 vers 3 en 34; hier vinden we ook dat namen blijvend aangeven wat er is gebeurd). Zulke misstappen hebben de verdrietige etappes van de woestijnreis van dit volk gemarkeerd en gekenmerkt. Laten deze namen voor ons, beste vrienden, toch als een waarschuwing dienen!

Deze Psalm wordt in de Brief aan de Hebreeën geciteerd, maar tot onze vermaning staat er dan eerst: "Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet" (Hebreeën 3 vers 7 en verder). Met het hart moet men naar de Heere luisteren. Laten we vandaag toch op "Zijn stem" letten, opdat Hij ons morgen in Zijn heerlijke rust kan invoeren.

Psalm 96
1Zingt den HEERE een nieuw lied; zingt de HEERE, gij ganse aarde!2Zingt den HEERE, looft Zijn Naam; boodschapt Zijn heil van dag tot dag.3Vertelt onder de heidenen Zijn eer, onder alle volken Zijn wonderen.4Want de HEERE is groot, en zeer te prijzen; Hij is vreselijk boven alle goden.5Want al de goden der volken zijn afgoden; maar de HEERE heeft de hemelen gemaakt.6Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en sieraad in Zijn heiligdom.7Geeft den HEERE, gij geslachten der volken! geeft den HEERE eer en sterkte.8Geeft den HEERE de eer Zijns Naams; brengt offer, en komt in Zijn voorhoven.9Aanbidt den HEERE in de heerlijkheid des heiligdoms; schrikt voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde.10Zegt onder de heidenen: De HEERE regeert; ook zal de wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; Hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.11Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met haar volheid.12Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan al de bomen des wouds juichen.13Voor het aangezicht des HEEREN; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid.

Nadat de gelovige Israëlieten zichzelf in Psalm 95 vermaand hebben: "Laat ons juichen... laat ons aanbidden... laat ons knielen", roepen ze nu de hele aarde en de schepping op hen na te volgen: "Zingt... looft... aanbidt" (vers 1,2 en 9). De dag zal komen waarop de heidense volken hun goden de rug zullen toekeren en de "geslachten der volken" de God van Israël "eer en sterkte" geven (vers 7).

De verlosten van nu hoeven niet te wachten op de heerschappij van de Heere, om Hem pas dan te kunnen aanbidden. Zij mogen en kunnen het nu al uitroepen: "Hem zij de heerlijkheid en de kracht" (Openbaring 1 vers 6). Het is namelijk niet alleen de openbaring van de heerlijkheden van Christus die deze lof in hen bewerkt. De majesteit, pracht, sterkte en heerlijkheid van de Koning van de hele aarde zijn immers nu nog onzichtbaar, verborgen in het hemels heiligdom (vers 6). Maar de grote en voortdurende oorzaak van aanbidding door de gelovige in deze tijd is de liefde van zijn Verlosser: "Hem Die ons liefheeft en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed...".

Deze Psalm werd geschreven en gezongen naar aanleiding van de terugkeer van de ark - een beeld van Christus - in het midden van het volk Israël (1 Kronieken 16 vers 23 tot en met 30). Nu zal de Heere echter niet meer terugkeren om de wereld te redden, maar juist om haar te oordelen (vers 13; vergelijk Johannes 3 vers 17 en 5 vers 22). Hij zal de volken "in alle rechtmatigheid" (vers 10), in "gerechtigheid" en in "Zijn waarheid" oordelen (vers 13; Psalm 45 vers 4 en 5).

Psalm 97
1De HEERE regeert, de aarde verheuge zich; dat veel eilanden zich verblijden.2Rondom Hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Zijns troons.3Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn wederpartijen rondom aan brand.4Zijn bliksemen verlichten de wereld; het aardrijk ziet ze en het beeft.5De bergen smelten als was voor het aanschijn des HEEREN, voor het aanschijn des HEEREN der ganse aarde.6De hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid, en alle volken zien Zijn eer.7Beschaamd moeten wezen allen, die de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt u neder voor Hem, alle gij goden!8Sion heeft gehoord, en het heeft zich verblijd, en de dochteren van Juda hebben zich verheugd vanwege Uw oordelen, o HEERE!9Want Gij, HEERE! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.10Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijner gunstgenoten; Hij redt hen uit der goddelozen hand.11Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vrolijkheid voor de oprechten van hart.12Gij rechtvaardigen! verblijdt u in den HEERE, en spreekt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.

Deze Psalm beschrijft de oprichting van het aardse vrederijk in macht, zoals ook beschreven staat in Jesaja 11 vers 4 en 5 en Openbaring 19 vers 6. Alles wat zich verzet tegen de heerschappij van de Heere, zal verteerd worden (vers 3 tot en met 5), terwijl de harten van alle gelovigen juist vervuld zullen zijn met gejubel (vers 8 en verder). Dan wordt niet alleen meer verteld van de heerlijkheid van de HEERE (zoals in Psalm 96 vers 3), maar ze zal gezien worden (vers 6). En eindelijk zullen de bewoners van de aarde het verschil tussen de heerschappij die door mensen uitgeoefend wordt en de door God opgerichte gerechtigheid erkennen.

Ook de engelen, die in vers 7 "goden" genoemd worden en lange tijd getuigen van de ongerechtigheid op aarde waren, zullen dan eindelijk de triomf van de gerechtigheid kunnen bijwonen. Zij zullen zien dat de Eerstgeborene (Christus) door God in de wereld (de bewoonde aarde) ingebracht zal worden en Hem, samen met de heiligen op aarde, aanbidden (Hebreeën 1 vers 6).

De drie laatste verzen gelden voor alle tijden, want God heeft Zijn ogen altijd gericht op hen die Hem liefhebben, op "de oprechten van hart". In Zijn grote genade noemt Hij hen "gunstgenoten" en "rechtvaardigen". En Hij verwacht van hen, dat zij het kwaad haten en zich in Hem verheugen! (vers 10 en 12; vergelijk Romeinen 12 vers 9 en Filippi 4 vers 4 en verder). Hij zal dan, van Zijn kant, niet nalaten hun zielen te bewaren en licht te geven voor de weg die ze hier beneden hebben te gaan (vers 10 en 11).

Psalm 98, Psalm 99
1Een psalm. Zingt den HEERE een nieuw lied; want Hij heeft wonderen gedaan; Zijn rechterhand, en de arm Zijner heiligheid, heeft Hem heil gegeven.2De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.3Hij is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid, en Zijner waarheid aan het huis Israels; en al de einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods.4Juicht den HEERE, gij ganse aarde! roept uit van vreugde, en zingt vrolijk, en psalmzingt.5Psalmzingt den HEERE met de harp, met de harp en met de stem des gezangs,6Met trompetten en bazuinengeklank; juicht voor het aangezicht des Konings, des HEEREN.7De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.8Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugde bedrijven,9Voor het aangezicht des HEEREN, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.
1De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.2De HEERE is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken.3Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;4En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.5Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten; Hij is heilig!6Mozes en Aaron waren onder Zijn priesters, en Samuel onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot den HEERE, en Hij verhoorde hen.7Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.8O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden.9Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u voor den berg Zijner heiligheid; want de HEERE, onze God, is heilig.

Deze Psalmen beginnen op dezelfde manier als respectievelijk Psalm 96 en 97.

"Zingt de HEERE een nieuw lied" (Psalm 98 vers 1). Dit nieuwe lied heeft Christus, in de nieuwe openbaringen van Zijn heerlijkheid, als Onderwerp. Bij het aanbreken van Zijn heerschappij, wanneer God Zijn heil bekend gemaakt en Zijn gerechtigheid geopenbaard zal hebben (vers 2; Psalm 97), zal dit lied in de hemel weerklinken. En dit lied zal weerklank vinden bij alle schepselen (lees Openbaring 5 vers 9 tot en met 13). De hemel en de aarde zullen in harmonie met elkaar zingen. Een allesomvattende vreugde zal dan eindelijk het antwoord zijn op de goedertierenheid en trouw van God (vers 3).

"De HEERE regeert", herhaalt Psalm 99. Nadat Zijn gericht voltrokken is, neemt Zijn heerlijkheid weer de plaats "tussen de cherubs" in, de plaats die destijds vanwege de ongerechtigheid van het volk verlaten werd (Exodus 25 vers 22; Ezechiël 10). Zijn heiligheid wordt tot driemaal toe uitgeroepen: "Die heilig is... Hij is heilig... de HEERE, onze God, is heilig" (vers 3, 5 en 9; vergelijk Jesaja 6 vers 2 en 3).

Deze driemaal heilige God is echter ook de God Die vergeeft (vers 8). En wij weten dat Hij dit kan doen, zonder Zichzelf te verloochenen, dankzij het werk aan het kruis.

Slechts daar, op grond van deze vergeving, kan de voorbede van Mozes, Aäron en Samuël beantwoord worden, de vergeving die door genade nu al ons deel is (Exodus 32 vers 11 en 32; Numeri 16 vers 47; 1 Samuël 7 vers 5 en 12 vers 23).

Psalm 100, Psalm 101
1Een lofzang. Gij ganse aarde! juicht den HEERE.2Dient den HEERE met blijdschap, komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang.3Weet, dat de HEERE is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide.4Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.5Want de HEERE is goed; Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht.
1Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE!2Ik zal verstandelijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten.3Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.5Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.6Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.7Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.8Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.

Psalm 100 is een Psalm van dankzegging, die de "ganse aarde" oproept om God te loven en Hem met vreugde te dienen.

Voor ons is dit een nog veel groter voorrecht, voor ons die God als een goede Vader en de Heere Jezus als een zorgzame Herder mogen kennen (vergelijk vers 3 aan het eind). Maar is het voor ons ook een vreugde de Heere te dienen? Of gedragen wij ons alsof Hij een strenge Meester zou zijn, Die ons een zwaar juk oplegt? (Mattheüs 25 vers 24 en verder). Beste vrienden, dat we toch nu al die vreugde mogen genieten die altijd het gevolg is van een gehoorzame dienst (Johannes 15 vers 10 en 11), opdat wij later ook dat heerlijke woord mogen horen: "Ga in, in de vreugde van uw Heere" (Mattheüs 25 vers 21 en 23).

Met Psalm 101 begint een nieuwe serie Psalmen. Deze eerste uit die serie is in zekere zin als de tekst van de verklaring die de Koning aflegt, bij het aantreden van Zijn heerschappij. De basisprincipes waarop de heerschappij van het land zal rusten, worden bekend gemaakt: wijsheid, oprechtheid, gerechtigheid en afzondering van het kwaad. Wat een verschil tussen deze eenvoudige en vaste grondslagen en de omvangrijke wetboeken van de menselijke rechtspraak! Alles zal voor dit rijk toebereid zijn; verdorvenheid, kwaadsprekerij, hoogmoed, bedrog en leugen zullen niet meer geduld worden. Wij zijn geroepen samen met de Heere te heersen; daarom past het ons om nu al de grondslagen van dit rijk, in onze wandel hier op aarde, in praktijk te brengen.

Psalm 102:1-15
1Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.2O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.3Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dagen als ik roep, verhoor mij haastelijk.4Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.5Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.6Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.7Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.9Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.11Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.12Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.13Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.14Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.15Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.

Het opschrift boven deze Psalm richt onze blikken op de Ellendigste van alle verdrukten: de Heere Jezus in Zijn lijden, "als Hij overstelpt is, en Zijn klacht uitstort". Dit is echter niet een klacht waarin sprake is van ongeduld noch van morren, maar juist van volkomen onderwerping. Het is een klacht die voor God uitgestort wordt, niet voor mensen! Wie zou overigens de Heere begrepen kunnen hebben? Zelfs van Zijn discipelen was niemand daartoe in staat. De verzen 6 en 7 geven uitdrukking aan Zijn volkomen zedelijke eenzaamheid hier op aarde.

Hoe meer een mens zich van anderen onderscheidt, hoe meer hij zich alleen voelt. En Christus was afgezonderd van de mensen, vanwege Zijn volmaaktheid. Hij heeft daarom deze eenzaamheid niet alleen tijdens de uren aan het kruis, maar gedurende Zijn hele leven hier op aarde ervaren. Tranen zijn Zijn drank geweest, Zijn dagelijks deel (vers 10).

En Hij is niet alleen gesmaad in bepaalde situaties die de evangeliën ons meedelen. Hij is "heel de dag" het Onderwerp van de haat van Zijn vijanden geweest (vers 9). Hij heeft de toom van de mensen ten opzichte van Zichzelf duidelijk ervaren. Maar nog vele malen erger was de toorn van God, die Hij moest ondergaan toen Hij onze Plaatsvervanger werd (vers 11). Echter, datzelfde moment werd toen voor God "de tijd om... genadig te zijn" (vers 14). Deze genade zal er voor het Sion van Israël zijn, maar is nu al het deel van allen die in Hem geloven.

Psalm 102:16-28
16Dan zullen de heidenen den Naam des HEEREN vrezen, en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.17Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,18Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed;19Dat zal geschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;20Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben;21Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;22Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;23Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.24Hij heeft mijn kracht op den weg ter nedergedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.25Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.26Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen;27Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.28Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geeindigd worden. [ (Psalms 102:29) De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden. ]

God heeft vanuit de hemel de gevangenen van satan, die de eeuwige dood gewijd waren, gezien. Hij heeft hun zuchten gehoord (vers 20 en 21), en daarom heeft Hij Zijn Zoon naar deze aarde gezonden.

Als ware Mens heeft Christus gesmeekt tot Hem, Die Hem van de dood kon redden (vers 25; Hebreeën 5 vers 7 en verder). Maar in hetzelfde vers (24) krijgt "het gebed van Hem, Die gans ontbloot is" (vers 18) een opmerkelijk antwoord als troost. Als Mens heeft Christus gesmeekt; als God krijgt Hij antwoord. En wij mogen getuigen zijn van dit wonderbare gesprek dat tot stand komt tussen God de Vader en God de Zoon. Dat is een ondoorgrondelijk geheim!

Wie is deze ellendige, eenzame en met smaad overdekte Mens, Die zo diep Zijn zwakheid heeft gevoeld? Dat is Hij Die eertijds de aarde heeft gegrondvest en de hemelen heeft uitgebreid (Micha 5 vers 1)!

We lezen in vers 25: "Neem Mij niet weg in het midden Mijner dagen". Nee, Zijn jaren zullen nooit eindigen! De schepping zal verouderen en ten onder gaan; de Schepper echter blijft tot in alle eeuwigheid. Hij is tot in alle eeuwigheid Dezelfde. En de Hebreeënbrief, die deze verzen aanhaalt, voegt eraan toe dat de Zoon, door Wie de hele heerlijkheid van God uitgestraald wordt, ook Degene is Die "de reinigmaking onzer zonden door Zichzelf teweeg gebracht heeft" (Hebreeën 1 vers 2, 3 en 10 tot en met 12).

Wat is de waarde van het werk, dat door zo'n kostbare Persoon volbracht werd, toch onmetelijk groot! Voor God, maar ook voor ons!

Hoe groot zijt Gij, hoe groot zijt Gij!

Psalm 103
1Een psalm van David. Loof den HEERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is, Zijn heiligen Naam.2Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;3Die al uw ongerechtigheid vergeeft, die al uw krankheden geneest;4Die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;5Die uw mond verzadigt met het goede, uw jeugd vernieuwt als eens arends.6De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.7Hij heeft Mozes Zijn wegen bekend gemaakt, den kinderen Israels Zijn daden.8Barmhartig en genadig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.9Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwiglijk den toorn behouden.10Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.11Want zo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijn goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vrezen.12Zo ver het oosten is van het westen, zo ver doet Hij onze overtredingen van ons.13Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt Zich de HEERE over degenen, die Hem vrezen.14Want Hij weet, wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde, dat wij stof zijn.15De dagen des mensen zijn als het gras, gelijk een bloem des velds, alzo bloeit hij.16Als de wind daarover gegaan is, zo is zij niet meer, en haar plaats kent haar niet meer.17Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen, die Hem vrezen, en Zijn gerechtigheid aan kindskinderen;18Aan degenen, die Zijn verbond houden, en die aan Zijn bevelen denken, om die te doen.19De HEERE heeft Zijn troon in de hemelen bevestigd, en Zijn Koninkrijk heerst over alles.20Looft den HEERE, Zijn engelen! gij krachtige helden, die Zijn woord doet, gehoorzamende de stem Zijns woords.21Looft den HEERE, al Zijn heirscharen! gij Zijn dienaars, die Zijn welbehagen doet!22Looft den HEERE, al Zijn werken! aan alle plaatsen Zijner heerschappij. Loof den HEERE, mijn ziel!

Laten wij, net als David, onze ziel toch steeds weer oproepen om God te loven en Zijn talloze weldaden te gedenken! Helaas zijn wij eerder geneigd om nauwkeurig een lijst bij te houden van die dingen waaraan wij gebrek hebben dan dat wij een lijst maken van ontvangen zegeningen. Wat zijn we toch ondankbaar en wat mopperen we vaak! Denk bijvoorbeeld alleen maar eens aan het eten. Hebben we nooit aanmerkingen op hetgeen er op ons bord komt? En dat terwijl we even eerder de Heere ervoor gedankt hebben!

Er bestaat echter nog iets veel hogers dan alle gaven die God ons dagelijks geeft. Onze zielen hebben nog veel meer oorzaak God voortdurend voor de vergeving van onze zonden te danken (vers 3). Als Hij ons gegeven zou hebben naar wat wij verdiend hadden, dan zou het eeuwig oordeel ons deel zijn (vers 10). Nu heeft Hij echter al onze zonden oneindig ver van ons verwijderd (vers 12), Hij heeft ze achter Zijn rug geworpen (Jesaja 38 vers 17), wit als sneeuw gemaakt (Jesaja 1 vers 18), als een wolk opgelost (Jesaja 44 vers 22), in de diepte van de zee gegooid (Micha 7 vers 19) en Hij zal ze nooit meer gedenken (Jesaja 43 vers 25; Hebreeën 10 vers 17).

De goedertierenheid van God kent geen grenzen voor hen "die Hem vrezen" (vers 11, 13 en 17; vergelijk Jesaja 55 vers 7 tot en met 9). Hem vrezen betekent dus niet meer te hoeven vrezen voor Zijn toorn. Dat mag de geesteshouding zijn van hen die Zijn geduld, genade, goedertierenheid en barmhartigheid hebben leren kennen (vers 8; Psalm 130 vers 4) en die daarin telkens weer een nieuwe oorzaak vinden om Hem te loven.

Psalm 104:1-18
1Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.2Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.4Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.5Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.6Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.7Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.9Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.10Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.11Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.12Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.13Hij drenkt de bergen uit Zijn opperzalen; de aarde wordt verzadigd van de vrucht Uwer werken.14Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.15En den wijn, die het hart des mensen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood, dat het hart des mensen sterkt.16De bomen des HEEREN worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft;17Alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de dennebomen.18De hoge bergen zijn voor de steenbokken; de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

De Psalmen 104 tot en met 106 zijn een samenvatting van de eerste Boeken van de Bijbel. Psalm 104 prijst de schepping, terwijl 105 en 106 herinneren aan de geschiedenis van de patriarchen en het volk Israël.

De schepping, door de Schepper Zelf beschreven. Wat een Schrijver en wat een onderwerp om zich mee bezig te houden!

Hier lezen we opnieuw over het scheppingswerk tijdens de eerste zes dagen van Genesis 1. Op de eerste dag: het licht (vers 2); op de tweede: het uitspannen van de hemel om scheiding te brengen tussen de wateren (vers 2 en 3); op de derde: het gronden van de aarde en het verzamelen van de wateren en het ontstaan van het plantenrijk (vers 5 tot en met 9; 14 en verder); op de vierde dag: het maken van de grote lichten (vers 19 en 22); op de vijfde: het wemelen van de dieren in de zee en in de lucht (vers 25, 26, 12 en 17); en ten slotte op de zesde dag: de schepping van de levende wezens op aarde (vers 11, 21 en verder), met als kroon de schepping van de mens (vers 15 en 23).

Laten we er echter op letten dat de klemtoon hier niet gelegd wordt op de macht en wijsheid van God, maar op Zijn goedertierenheid. Alles werd tot het welzijn en tot vreugde voor Zijn schepsels gepland en uitgevoerd (vers 11 en verder).

Als we vers 5 vergelijken met Psalm 102 vers 26, mogen we in deze God, Die "zeer groot" is (vers 1; Psalm 145 vers 3), de Oorsprong van alle dingen, de Zoon, erkennen en aanbidden. Hij was één met de Vader in al Zijn raadsbesluiten en in al Zijn liefde!

Psalm 104:19-35
19Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haar ondergang.20Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:21De jonge leeuwen, briesende om een roof, en om hun spijs van God te zoeken.22De zon opgaande, maken zij zich weg, en liggen neder in hun holen.23De mens gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijn arbeid tot den avond toe.24Hoe groot zijn Uw werken, o HEERE! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van Uw goederen.25Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.26Daar wandelen de schepen, en de Leviathan, dien Gij geformeerd hebt, om daarin te spelen.27Zij allen wachten op U, dat Gij hun hun spijze geeft te zijner tijd.28Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.29Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.30Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.31De heerlijkheid des HEEREN zij tot in der eeuwigheid; de HEERE verblijde Zich in Zijn werken.32Als Hij de aarde aanschouwt, zo beeft zij; als Hij de bergen aanroert, zo roken zij.33Ik zal den HEERE zingen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.34Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn; ik zal mij in den HEERE verblijden.35De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddelozen zullen niet meer zijn. Loof den HEERE, mijn ziel! Hallelujah!

Wij zijn altijd geneigd om grote waarde te hechten aan het werk dat de mensen doen (vers 23). Maar wat is dat werk klein in vergelijking tot de grote werken van God, tot die talloze bewijzen van Zijn wijsheid! (vers 24). En elk schepsel is in eerste instantie van Hem en niet van menselijke arbeid afhankelijk (vers 27 en 28; Mattheüs 7 vers 11). Laten we ervoor oppassen dat we alles wat wij verdienen, alles wat ons ten deel valt, toch niet gaan zien als eigen verdienste! Nee, het is alles door Zijn genade! Ja, "het aardrijk is vol van Uw goederen". Het is alles van Hem (!), laten we daar acht op slaan en dat in gedachten houden!

Het is echter zo, dat je de schepping kunt bewonderen en er van genieten zonder Hem Die dat alles gemaakt heeft, werkelijk te kennen. Hoeveel kunstenaars en filosofen zijn er niet die deze waarheid verwarren met de natuur, en dan nog wel een natuur waarin de zonde haar onreine sporen heeft achtergelaten! Als een zondaar naar de natuur kijkt, dan wordt hij daardoor niet onderwezen in hetgeen God is in Zijn heiligheid, rechtvaardigheid, gerechtigheid en genade. Om vertrouwelijke omgang met een architect te hebben, is er meer nodig dan alleen de gebouwen die hij ontworpen heeft, te bekijken, gebouwen die bovendien door de huurders wel helemaal verbouwd of zelfs vernield kunnen zijn. Nee, men moet een geregelde omgang met de persoon zelf hebben, weten wat zijn karakter is, hoe zijn familie, gewoontes en dergelijke zijn.

En laten we ook nooit vergeten dat wij uit onszelf God niet kunnen ontdekken. Hij moet Zichzelf openbaren en dan niet aan onze zintuigen, maar aan onze ziel, want God is een Geest (Johannes 4 vers 24). En Hij openbaart Zich niet alleen in de natuur, maar ook in Zijn Woord (Psalm 19).

Psalm 105:1-22
1Looft den HEERE, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken.2Zingt Hem, psalmzingt Hem, spreekt aandachtelijk van al Zijn wonderen.3Roemt u in den Naam Zijner heiligheid; het hart dergenen, die den HEERE zoeken, verblijde zich.4Vraagt naar den HEERE en Zijn sterkte; zoekt Zijn aangezicht geduriglijk.5Gedenkt Zijner wonderen, die Hij gedaan heeft, Zijner wondertekenen, en der oordelen Zijns monds.6Gij zaad van Abraham, Zijn knecht, gij kinderen van Jakob, Zijn uitverkorene!7Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.8Hij gedenkt Zijns verbonds tot in der eeuwigheid, des woords, dat Hij ingesteld heeft, tot in duizend geslachten;9Des verbonds, dat Hij met Abraham heeft gemaakt, en Zijns eeds aan Izak;10Welken Hij ook gesteld heeft aan Jakob tot een inzetting, aan Israel tot een eeuwig verbond,11Zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel.12Als zij weinig mensen in getal waren, ja, weinig en vreemdelingen daarin;13En wandelden van volk tot volk, van het ene koninkrijk tot het andere volk;14Hij liet geen mens toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende:15Tast Mijn gezalfden niet aan, en doet Mijn profeten geen kwaad.16Hij riep ook een honger in het land; Hij brak allen staf des broods.17Hij zond een man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.18Men drukte zijn voeten in den stok; zijn persoon kwam in de ijzers.19Tot den tijd toe, dat Zijn woord kwam, heeft hem de rede des HEEREN doorlouterd.20De koning zond, en deed hem ontslaan; de heerser der volken liet hem los.21Hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed;22Om zijn vorsten te binden naar zijn lust, en zijn oudsten te onderwijzen.

De verzen 1 tot en met 15 van deze Psalm vormen (samen met Psalm 96) een onderdeel van hetgeen David bij de terugkeer van de ark "voor het eerst... door de dienst van Asaf" had opgedragen (1 Kronieken 16 vers 8 tot en met 22). Met slechts één klein verschil, dat echter wel heel opmerkelijk is! In 1 Kronieken 16 vers 15 staat als vermaning: "Gedenkt tot in eeuwigheid aan Zijn verbond". In vers 1 8 van onze Psalm staat echter: "Hij gedenkt Zijn verbond

tot in eeuwigheid". Ook al heeft Zijn volk gefaald en zijn ze het verbond met hun God vergeten, toch gedenkt Hij altijd Zijn beloften, die Hij Abraham, Izaäk en Jakob heeft gedaan (2 Timotheüs 2 vers 13). Die beloften waren alles wat deze geloofsmannen bezaten. In de ogen van hun tijdgenoten telden deze mannen nauwelijks mee. Ze waren maar "weinig en vreemdelingen" in het land (vers 12), zoals de christenen dat vandaag de dag ook zijn. Maar God waakte over hen, zoals Hij nu ook over ons waakt (vers 14, 15 en bijvoorbeeld Genesis 31 vers 24).

Toen zond Hij "een man" die, in beeld, Zijn raadsbesluiten vervulde: Jozef, een kostbaar voorbeeld van de Heere Jezus. Nadat hij eerst knecht en daarna een gevangene was, werd hij door "de heerser der volken" bevrijd. En deze heerser maakte hem "tot een heer over zijn huis, en tot een heerser over al zijn goed" (vers 17 tot en met 21).

Gestorven, en door de macht van God opgewekt, zal Christus als Heere over de hele aarde aangesteld worden, en in Hem zullen alle beloften van God vervuld worden (Handelingen 2 vers 36).

Psalm 105:23-45
23Daarna kwam Israel in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.24En Hij deed Zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan Zijn tegenpartijders.25Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.26Hij zond Mozes, Zijn knecht, en Aaron, dien Hij verkoren had.27Zij deden onder hen de bevelen Zijner tekenen, en de wonderwerken in het land van Cham.28Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.29Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.30Hun land bracht vorsen voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner koningen.31Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale.32Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.33En Hij sloeg hun wijnstok en hun vijgeboom, en Hij brak het geboomte hunner landpalen.34Hij sprak, en er kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal;35Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landbouwe op.36Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen al hunner krachten.37En Hij voerde hen uit met zilver en goud; en onder hun stammen was niemand, die struikelde.38Egypte was blijde, als zij uittrokken, want hun verschrikking was op hen gevallen.39Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.40Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.41Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.42Want Hij dacht aan Zijn heilig woord, aan Abraham, Zijn knecht.43Alzo voerde Hij Zijn volk uit met vrolijkheid, Zijn uitverkorenen met gejuich.44En Hij gaf hun de landen der heidenen, zodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volken;45Opdat zij Zijn inzettingen onderhielden, en Zijn wetten bewaarden. Hallelujah!

Door het hele Boek Exodus heen zien we een ontvouwing van de macht van God. Als eerste zien we de grote wonderwerken van het oordeel over Egypteland (vers 27 tot en met 36), daarna de wonderen van genade ten gunste van het volk Israël (vers 37 tot en met 41). De vreselijke plagen waarmee Egypte geslagen werd, waren echter niet alleen bedoeld om de farao angst aan te jagen en te tuchtigen. De HEERE wilde Zich door tekenen en wonderen vooral ook aan Zijn eigen volk openbaren (vers 27; Exodus 14 vers 31).

"Hij sprak..." en die dingen gebeurden (vers 31 en 34). Net als bij de schepping was slechts één woord van Hem nodig, om die talloze kleine handlangers van Zijn toorn ten tonele te laten verschijnen: "een vermenging van ongedierte, luizen, sprinkhanen, kevers" (vergelijk Hebreeën 11 vers 3 en verder). En wat een vernedering voor de mensen, om door verachtelijke insecten overwonnen te worden.

Israël verlaat, na het Pascha gevierd te hebben, Egypte en verruilt daarmee alle ellende voor grote rijkdommen (vers 37). Het volk heeft gezucht onder de verdrukking; God laat het met vreugde en gejubel uittrekken (vers 43). Dit volk, dat zo zwaar moest werken, zal de erfenis van de arbeid der volken bezitten (vers 44). En dit hele werk van bevrijding en verlossing is het gevolg van de verplichting die de HEERE met Abraham was aangegaan (vers 42; lees Genesis 15 vers 13 en 14). Niets zal de trouwe God verhinderen "Zijn heilig Woord" te vervullen (vers 42; Lukas 1 vers 72 en 73).

Psalm 106:1-23
1Hallelujah! Looft den HEERE, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.2Wie zal de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof verkondigen?3Welgelukzalig zijn zij, die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.4Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;5Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.6Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan; wij hebben goddelooslijk gehandeld.7Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.8Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, opdat Hij Zijn mogendheid bekend maakte.9En Hij schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde, en Hij deed hen wandelen door de afgronden, als door een woestijn.10En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.11En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.12Toen geloofden zij aan Zijn woorden; zij zongen Zijn lof.13Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.14Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.15Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.16En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des HEEREN.17De aarde deed zich open, en verslond Dathan, en overdekte de vergadering van Abiram.18En een vuur brandde onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand.19Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.20En zij veranderden hun Eer in de gedaante van een os, die gras eet.21Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte;22Wonderdaden in het land van Cham; vreselijke dingen aan de Schelfzee.23Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.

In Psalm 105 was alleen het werk van God zichtbaar; er werd niet gesproken over de zonden van Israël. Psalm 106 spreekt over diezelfde tijd, vanaf de uittocht uit Egypte, maar legt dan de nadruk op de verantwoordelijkheid van het volk (vergelijk bijvoorbeeld die gebeurtenis met de kwakkels in Psalm 105 vers 40 en Psalm 106 vers 14 en 15).

Onze eigen geschiedenis heeft ook twee kanten. Aan de ene kant staat het volkomen werk van de genade, dat ons gered heeft. En daarna heeft deze genade als het ware de verantwoording voor ons op zich genomen om ons, ondanks alle hindernissen en moeilijkheden, veilig naar het einddoel te leiden (Filippi 1 vers 6). Maar aan de andere kant staat onze wandel, die maar al te vaak door omwegen en misstappen vertraagd wordt. Hoe zeer hebben wij Hem nodig, Die veel beter dan Mozes, ononderbroken "in de scheur" staat, om voorbede te doen voor de Zijnen (vers 23; Romeinen 8 vers 34).

"Vergeet geen van Zijn weldaden", was de vermaning in Psalm 103. Dat vergeten betekent niets anders dan het openzetten van de deur naar begeerte en dat leidt weer tot opstandigheid (vers 7, 13, 14 en 21). In een ondankbaar hart heeft satan vrij spel daarin zondige verlangens te zaaien. Hij weet precies hoe hij iemand die de gaven van God niet meer zo waardeert, de dingen van deze wereld aanlokkelijk moet voorstellen. En uiteindelijk brengt hij zo iemand, stapje voor stapje, in openlijke opstand tegen God.

Geve de Heere, dat we toch altijd letten op Zijn wonderen en denken aan Zijn goedertierenheden (vers 7).

Psalm 106:24-48
24Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.25Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.26Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;27En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.28Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der doden gegeten.29En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.30Toen stond Pinehas op, en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.31En het is hem gerekend tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht tot in eeuwigheid.32Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.33Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.34Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HEERE hun gezegd had;35Maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.36En zij dienden hun afgoden, en zij werden hun tot een strik.37Daarenboven hebben zij hun zonen en hun dochteren den duivelen geofferd.38En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.39En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.40Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan Zijn erfdeel.41En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.42En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.43Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.44Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.45En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden.46Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden.47Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.48Geloofd zij de HEERE, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge: Amen, Hallelujah!

In Psalm 105 beschreven de werkwoorden het almachtig ingrijpen van God: "Hij zond" (vers 17, 26 en 28), "Hij sprak" (vers 31 en 34), "maakte" (vers 32), "versloeg" (vers 36), "voerde uit" (vers 37 en 43), enzovoort. Hier in Psalm 106 hebben we gezien dat de gedachten en de handelingen van de mensen (en wat voor handelingen!) op de voorgrond treden. "Zij geloofden niet... zij murmureerden... zij vermengden zich met de heidenen...zij dienden hun afgoden... zij hebben de duivelen geofferd... zij vergoten onschuldig bloed... zij verontreinigden zich..." (vers 24 tot en met 39). Wat is de geschiedenis van dit volk toch hartverscheurend! Steeds dieper verzonken ze in het kwaad en deden alles om de toom van God te ontsteken! (vers 40). Men zou verwachten dat Hij hen daarom definitief zou verwerpen, maar deze verschrikkelijk aanklacht eindigt juist met de overwinning van de genade! Opnieuw is het God Die handelt: "Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde... En Hij dacht hun ten beste... en het berouwde Hem... Daarom gaf Hij hun barmhartigheid" (vers 44 tot en met 46). Op deze ondoorgrondelijke barmhartigheid zal een eeuwige lof het antwoord zijn (vers 48).

Door de zonde die in vers 24 genoemd wordt, werd het hart van God wel in bijzondere mate bedroefd. "Zij versmaadden ook het gewenste land...". Beste gelovige vrienden, wij zijn op weg naar een Vaderland dat oneindig veel heerlijker is dan het aardse Kanaän: de hemelse stad, het Vaderhuis! Is dat Huis voor ons iets waar we naar verlangen, of verachten wij het? Onze hele wandel hier beneden zal daarvan afhankelijk zijn!

Psalm 107:1-22
1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.2Dat zulks de bevrijden des HEEREN zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft.3En die Hij uit de landen verzameld heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.4Die in de woestijn dwaalden, in een weg der wildernis, die geen stad ter woning vonden;5Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.6Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;7En Hij leidde hen op een rechten weg, om te gaan tot een stad ter woning.8Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.9Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;10Die in duisternis en de schaduw des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer;11Omdat zij wederspannig waren geweest tegen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden.12Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.13Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.14Hij voerde hen uit de duisternis en de schaduw des doods, en Hij brak hun banden.15Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen;16Want Hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen.17De zotten worden om den weg hunner overtreding, en om hun ongerechtigheden geplaagd;18Hun ziel gruwelde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen.19Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, verloste Hij hen uit hun angsten.20Hij zond Zijn woord uit, en heelde hen, en rukte hen uit hun kuilen.21Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.22En dat zij lofofferen offeren, en met gejuich Zijn werken vertellen.

In profetisch opzicht ziet het vijfde Boek van de Psalmen de verlosten van Israël (Juda en de tien stammen) als in hun land verzameld (vers 3), bij "de dageraad" (Psalm 108 vers 3). Dat betekent: bij het aanbreken van het duizendjarig rijk. In Psalm 107 denken ze terug aan de verdrukkingen op hun terugweg, aan het schreeuwen tot God in hun grote nood, aan Zijn bevrijding. En ten slotte horen we de lof opklinken, die Hem toekomt.

In het algemeen gezien, beschrijven deze vier beelden - vers 4 tot en met 9; 10 tot en met 16; 17 tot en met 22; 23 tot en met 32 - de verschillende wegen van God tot heil van een ziel (vers 9).

Deze ziel heeft misschien gedurende langere tijd doelloos en rusteloos in de dorre woestenij van deze wereld rondgezworven (vers 4 en 5; vergelijk Genesis 21 vers 14 en verder). In het bewustzijn van het bittere gebrek heeft ze tot God geroepen, Die haar verzadigd, bevredigd en in de Goddelijk rust gebracht heeft (vers 7 en 9)...

De ziel heeft misschien onder de slavernij van satan, de verdrukker, in de duisternis en in de ijzeren ketens van de zonde gezucht (vers 2 en 10). God heeft haar uitgeleid en de banden verbroken (vers 14 en 16)...

Misschien heeft die ziel hopeloosheid gekend, omdat ze geveld was door een ziekte of getroffen door een ongeluk, waardoor ze tot aan de poorten van de dood was genaderd, het einde van de weg van ieder mens (vers 17 en 18)...

... Totdat God Zijn Woord stuurde en haar genas (vers 20).

Kan ieder van ons het beamen dat de Heere zijn of haar ziel gevonden en gered heeft?

Psalm 107:23-43
23Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op grote wateren;24Die zien de werken des HEEREN, en Zijn wonderwerken in de diepte.25Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.26Zij rijzen op naar den hemel; zij dalen neder tot in de afgronden; hun ziel versmelt van angst.27Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hun wijsheid wordt verslonden.28Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, zo voerde Hij hen uit hun angsten.29Hij doet de storm stilstaan, zodat hun golven stilzwijgen.30Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij hen tot de haven hunner begeerte geleid heeft.31Laat hen voor den HEERE Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen.32En Hem verhogen in de gemeente des volks, en in het gestoelte der oudsten Hem roemen.33Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land.34Het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen.35Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten.36En Hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten een stad ter woning;37En bezaaien akkers, en planten wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen.38En Hij zegent hen, zodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert Hij niet.39Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.40Hij stort verachting uit over de prinsen, en doet hen dwalen in het woeste, waar geen weg is.41Maar Hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.42De oprechten zien het, en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid stopt haar mond.43Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandelijk letten op de goedertierenheden des HEEREN.

Veel mensen denken alleen in tijden van beproeving aan God. Is het dan verwonderlijk dat Hij hen beproevingen stuurt? Evenals de matrozen in vers 23 tot en met 30 worden de mensen soms in uitzichtloze situaties geplaatst (Lukas 8 vers 23 en verder). God wil daarmee bewerken dat zij hun totale onmacht en de nietigheid van hun wijsheid gaan inzien (vers 27; Psalm 108 vers 13). Waarom? Om hen zover te brengen dat ze Hem gaan aanroepen. Hij staat, als het ware, te wachten om in te grijpen. Op Zijn stem zullen de golven bedaren (vers 29). Wanneer de mens ermee instemt dat de Heere het roer overneemt, om zich door Hem naar de langverwachte haven te laten leiden (vers 30), dan komt tegelijkertijd de geest van de mens tot rust!

Deze verschillende wegen van God tot heil van een ziel vinden een parallel in het leven van de gelovige. De aardse bronnen waaruit hij dronk, kunnen opdrogen (vers 33; vergelijk 1 Koningen 17 vers 7), maar tegelijkertijd zal de Heere levend water laten vinden, op een plek waar hij het niet zocht (vers 35; Exodus 15 vers 22 tot en met 25). Juist wat zo dor en bitter leek, zal voor de ziel tot een bron van vreugde en kracht worden. "Wie is wijs? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandig letten op de goedertierenheid des HEEREN" (vers 43).

Ja, wees ervan verzekerd dat al onze omstandigheden, zowel de moeilijke als de aangename, door "Zijn goedertierenheid", die "tot in eeuwigheid" is, worden bepaald! (vergelijk vers 1).

Psalm 108
1Een lied, een psalm van David.2O God! mijn hart is bereid; ik zal zingen en psalmzingen, ook mijn eer.3Waak op, gij luit en harp! ik zal in den dageraad opwaken.4Ik zal U loven onder de volken, o HEERE! en ik zal U psalmzingen onder de natien.5Want Uw goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en Uw waarheid tot aan de bovenste wolken.6Verhef U, o God! boven de hemelen, en Uw eer over de ganse aarde.7Opdat Uw beminden bevrijd worden; geef heil door Uw rechterhand, en verhoor ons.8God heeft gesproken in Zijn heiligdom, dies zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem delen, en het dal van Sukkoth zal ik afmeten.9Gilead is mijn, Manasse is mijn, en Efraim is de sterkte mijns hoofds; Juda is mijn wetgever.10Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen.11Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?12Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en Die niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?13Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid; want des mensen heil is ijdelheid. [ (Psalms 108:14) In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden. ]

"Ik zal in de dageraad opwaken" (vers 3). Zijn wij ons, net als David, ervan bewust hoe waardevol de eerste momenten van een dag zijn, wanneer we die in gemeenschap met de Heere doorbrengen (vergelijk Psalm 63 vers 2)? De ervaring leert dat, wanneer wij deze gelegenheid niet aangrijpen, we er in de loop van de dag gewoonlijk geen kans meer voor krijgen.

De verzen 6 en 7 herinneren ons aan twee waarheden die we in onze gebeden nooit uit het oog mogen verliezen. Ten eerste, dat de bevrijding en de zegen van de gelovige niet gescheiden kunnen worden van de heerlijkheid van God. Dat vergeten wij maar al te vaak bij ons bidden, en zijn dan op een zelfzuchtige manier alleen met de dingen bezig die onszelf aangaan. Laat we echter de woorden van Mattheüs 6 vers 33 ter harte nemen: "Zoekt eerst het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u er bij gegeven worden".

Ten tweede moeten wij, omdat we de liefde van de Heere tot de Zijnen kennen, niet nalaten aanspraak te maken op deze liefde, op deze liefde te bouwen en te rekenen. "Opdat Uw beminden bevrijd worden", zegt de Psalmist (vers 7; vergelijk Johannes 11 vers 3).

Vanaf vers 7 worden de verzen 7 tot en met 14 van Psalm 60 herhaald. Ze hebben betrekking op het tijdstip waarop God de grenzen van Israël weer zal herstellen. Hij heeft in Zijn heiligdom gesproken (vers 8), en Zijn eerste woorden zijn: "Daarom zal Ik van vreugde opspringen...". Het is een vreugde voor de Heere om de Zijnen te zegenen en hen aan Zijn erfdeel te laten deelhebben.

Psalm 109:1-20
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.2Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.3En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.4Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.5En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.6Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.7Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.8Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;9Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.10En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.11Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.12Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.13Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.14De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd.15Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.16Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.17Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.18En hij zij bekleed met den vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen.19Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.20Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.

Hoewel de inhoud van deze Psalm over vreselijke dingen spreekt, is het begin toch dat de "God mijns lofs" wordt aangeroepen (vers 1). Geen enkele dreiging, geen enkele vorm van neerslachtigheid verhinderde de Heere Jezus om Zijn ogen op te heffen tot de Vader en Hem te loven. Integendeel, dit hele gebeuren was voor Hem juist een aanleiding om dat te doen! Hoe verdedigde Hij Zich toen Hij omgeven was "met hatelijke woorden"? (vers 3). Hij zegt: "Maar Ik was steeds in het gebed" (vers 4).

Beste gelovige vrienden, dat zou ook onze enige 'tegenspraak' moeten zijn, wanneer wij onrechtvaardig of vijandig behandeld worden. Als wij zwijgen - en dus alleen met God hierover praten - dan zal Hij niet zwijgen en in onze plaats antwoorden (vers 1; Romeinen 12 vers 19).

Christus was echter de Enige "Die zulk een tegenspreken... tegen Zich" heeft verdragen (Hebreeën 12 vers 3). Zijn tegenstanders (die in de Hebreeuwse grondtekst dezelfde naam dragen als hun meester: satan) hebben niet alleen zonder oorzaak tegen Hem gestreden, maar de Heere Jezus moet het ook uitroepen: "Zij hebben Mij kwaad voor goed opgelegd" (vers 5).

Onder hen bevond zich ook Judas. Zijn handelwijze getuigde van grote ondankbaarheid, omdat hij immers ook het onderwerp was geweest van de innige toegenegenheid van de Heere. In Handelingen 1 vers 20 wordt vers 8 van onze Psalm op hem toegepast. (En in de toekomst heeft dit betrekking op de antichrist.)

Wat waren er toch veel oorzaken aanwezig waardoor het hart van de Heiland verslagen had kunnen worden (vers 16).

Psalm 109:21-31; Psalm 110
21Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.22Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond.23Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan.24Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is.25Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.27Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, dat Gij het, HEERE! gedaan hebt.28Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde.29Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.30Ik zal den HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen.31Want Hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.
1Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.2De HEERE zal de scepter Uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heers in het midden Uwer vijanden.3Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag Uwer heirkracht, in heilig sieraad; uit de baarmoeder des dageraads zal U de dauw Uwer jeugd zijn.4De HEERE heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.5De HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage Zijns toorns.6Hij zal recht doen onder de heidenen; Hij zal het vol dode lichamen maken; Hij zal verslaan dengene, die het hoofd is over een groot land.7Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal Hij het hoofd omhoog heffen.

"Maak het met Mij om Uws Naams wil", smeekt de Ellendige en Nooddruftige (dat is Christus; vers 21 en 22; vergelijk Johannes 12 vers 28). "Opdat zij weten, dat dit Uw hand is" (vers 27). God was het aan Zijn eigen heerlijkheid verschuldigd Hem, Die Hem aanriep, te bevrijden. En daarvan spreekt Psalm 110! Wat straalt er in die Psalm toch een grootheid naar voren van de Persoon, Die eens de "Man van smarten" was geweest! God heeft Hem verhoogd. We zingen het in een lied: Hij troont nu Boven, hoog verheven, als God en Mens, met eer omgeven...

De HEERE stond aan de rechterhand van de Nooddruftige, om Hem te redden (Psalm 109 vers 31); dat was het verleden. En nu, op dit moment, zit Hij aan Gods rechterhand (vers 1; Efeze 1 vers 20). Vers 5 belooft voor de toekomst: de HEERE is aan Uw rechterhand; Hij zal koningen verslaan ten dage van Zijn toom". De vijanden uit Psalm 109 zullen tot een voetbank voor Zijn voeten worden. Hun onderwerping zal deel uitmaken van Zijn heerlijkheid.

Deze Psalm wordt acht keer aangehaald in het Nieuwe Testament, en is praktisch de leidraad voor de hele Brief aan de Hebreeën (hoofdstuk 1 vers 13; 7 vers 17; 10 vers 13 en verder).

Ten slotte wordt er aan de beloften die de Messias gegeven zijn, nog één toegevoegd, die betrekking heeft op Zijn weg hier op aarde (vers 7). Christus zou als Mens hier beneden enkele zeldzame ogenblikken van verfrissing ondervinden. Dit was om Zijn ziel te bemoedigen en te versterken (bijvoorbeeld Lukas 7 vers 9 en 44; 9 vers 20; 10 vers 21 en 39; 23 vers 42; enzovoort).

Psalm 111
1Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.2Gimel. De werken des HEEREN zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben.3He. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in der eeuwigheid.4Zain. Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt; Cheth. de HEERE is genadig en barmhartig.5Teth. Hij heeft degenen, die Hem vrezen, spijs gegeven; Jod. Hij gedenkt in der eeuwigheid aan Zijn verbond.6Caph. Hij heeft de kracht Zijner werken Zijn volke bekend gemaakt; Lamed. hun gevende de erve der heidenen.7Mem. De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.8Samech. Zij zijn ondersteund voor altoos, en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.9Pe. Hij heeft Zijn volke verlossing gezonden; Tsade. Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden; Koph. Zijn Naam is heilig en vreselijk.10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.

Groot zijn "de werken" van de Schepper-God (vers 2). Maar wat te zeggen van Zijn eenmalig "doen" (vers 3), van de verlossing? (vers 9). Hoeveel "majesteit en heerlijkheid" mogen we toch daarin zien! We aanbidden Hem, Die dit werk volbracht heeft, en kunnen en mogen instemmen met de woorden van de apostel Paulus: "Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?" (Romeinen 8 vers 32). Zorgt Hij niet dagelijks voor ons levensonderhoud? (vers 5). Ja, uit alles wat God doet, blijkt duidelijk wat Hij is: "Genadig en barmhartig" (vers 4).

Als wij Zijn daden overdenken, versterkt dat bij ons het vertrouwen in Zijn Woord. Nooit is Zijn handelen in tegenstelling met Zijn voorschriften. Zowel het één als het ander is waarheid. "Zijn bevelen zijn getrouw" (vers 7). Daar kun je altijd op vertrouwen en door die op te volgen, zul je "goed verstand" ontvangen (vers 10).

God te vrezen is de eerste stap van de mens op de weg van wijsheid. En zoals de woorden van vers 5 het zeggen, is dat tevens de enige weg om het grote hongerprobleem van deze wereld op te lossen, maar ook de enige weg waaraan de volken niet denken!

De lof van de HEERE "bestaat tot in eeuwigheid" (vers 10). Dat geldt trouwens ook voor Zijn gerechtigheid (vers 3) en Zijn bevelen (vers 8). O, dat we nu toch al Zijn lof mogen aanheffen!

Psalm 112
1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.2Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht der oprechten zal gezegend worden.3He. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.4Zain. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig.5Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.6Caph. Zekerlijk, hij zal in der eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.7Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.8Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij op zijn wederpartijen zie.9Pe. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.10Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens der goddelozen zal vergaan.

Deze Psalm sluit aan bij de voorgaande. (Dit blijkt ook duidelijk uit de alfabetische volgorde van de verzen die er in sommige Bijbelvertalingen bij vermeld staat).

In Psalm 111 bestaat de gerechtigheid van God tot in eeuwigheid (vers 3). In Psalm 112 lezen we dat de gerechtigheid van hen die God vrezen, tot in eeuwigheid bestaat (vers 3 en 9). Vers 1 van de Psalm voor vandaag sluit aan bij het laatste vers van Psalm 111, ja, gaat zelfs nog verder. Het vrezen van God, de weg van de wijsheid, is ook de weg van zegen. Het gaat er niet meer alleen om de bevelen van God uit te voeren, maar ook om er een welgevallen in te hebben. Dat was ook het deel van de Heere Jezus, Die het zeggen kon: "Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen" (Psalm 40 vers 9; zie ook Johannes 4 vers 34).

Er zijn mensen die constant in angst leven dat ze slechte berichten zullen ontvangen. Het vrezen van God neemt de erge gebeurtenissen (vers 7) of angst voor mensen (vers 8) weg. Het hart van hem die op God vertrouwt, wordt niet angstig gemaakt door hetgeen er gebeurt (Spreuken 1 vers 33). Zo'n hart is juist vast (vers 7), omdat de Heere het steunt (vers 8; vergelijk Johannes 14 vers 1 en 27).

Een vast hart kan echter tegelijkertijd ook een fijngevoelig hart, vol van liefde, zijn. De rechtvaardige is genadig (vers 5), strooit uit en geeft aan de armen (vers 9). "Hij is genadig, en barmhartig", zoals God Zelf is (vergelijk vers 4 met Psalm 111 vers 4 en Jakobus 5 vers 11).

Psalm 113, Psalm 114
1Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.2De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.3Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.4De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.5Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.6Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.7Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;8Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.9Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!
1Toen Israel uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;2Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israel Zijn volkomene heerschappij.3De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts.4De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.5Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?6Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?7Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;8Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.

Wat zijn er voor de "knechten des HEEREN" toch talloze redenen om "de Naam des HEEREN" te loven (vers 1). Eens lagen zij in het stof des doods terneer, ja, in de drek van de zonde (vers 7). Maar God heeft Zich tot hen neergebogen, om "op de aarde" te zien (vers 6). Laten we nooit vergeten dat, hoe groot Hij ook is, Hij desondanks kennis neemt van alles wat elk van Zijn schepselen betreft. Hij is met hun lot begaan. Hij heeft hun totaal hopeloze situatie gezien. En zoals de koning in de gelijkenis had Hij er een welgevallen in, om deze arme en ellendige mensen uit te nodigen om aan Zijn maaltijd van genade deel te nemen (Mattheüs 22 vers 10; vergelijk 1 Samuël 2 vers 8 en Lukas 1 vers 52 en 53).

De God van Israël had de verdrukking van Zijn volk gezien, hun geschreeuw gehoord, en wist van hun smarten. En Hij daalde neer om hen te bevrijden (Psalm 113 vers 6; Exodus 3 vers 7 en 8). Met macht leidde Hij Zijn volk uit Egypte. Op Zijn bevel vluchtte het water van de Rode Zee, om het volk van God doorgang te verlenen. De Jordaan keerde achterwaarts, om de doortocht mogelijk te maken. De rotssteen gaf water, waardoor ze hun dorst konden lessen. God weet waar en hoe Hij verkwikking en leven moet geven, om aan de behoeften van de Zijnen tegemoet te komen. Maar Hij zal een nog groter wonder ten gunste van de Zijnen volbrengen, wanneer Hij hun harde hart zal veranderen in een waterfontein, tot zegen voor de hele aarde.

Psalm 115
1Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.2Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?3Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.4Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;5Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;6Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;7Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.8Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.9Israel! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.10Gij huis van Aaron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.11Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.12De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen.13Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.14De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.15Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.16Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.17De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.18Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!

Net als Mozes en Jozua, zo zal ook het overblijfsel van Israël later God vragen om ter wille van Zijn heerlijkheid in te grijpen, opdat Zijn Naam erkend wordt door alle volken (vers 1 en 2; Exodus 32 vers 12; Jozua 7 vers 9). Ja, eens zal God terugkomen op de uitdaging die de Zijnen zo bedroefd heeft: "Waar is nu hun God?" (vers 2; Psalm 42 vers 4; vergelijk Mattheüs 27 vers 43).

"Onze God is toch in de hemel", antwoorden de gelovigen, en hun hart gaat naar Hem uit, is bij Hem! Bij de mensen van de wereld is er gewoonlijk niet zoveel tijd voor nodig om vast te stellen waar hun interesses liggen en waartoe ze geneigd zijn. De meesten van hen schamen zich niet voor hun afgoden, zoals zilver en goud (vers 4), kunst en techniek, ontspanning en amusement, evenals hun zang- en filmidolen of andere beroemde persoonlijkheden.

Laten wij toch ook vertellen Wie onze God is! Laat dat direct aan ons te zien zijn! Laten we er toch voor zorgen dat Zijn Naam nu al bekend wordt in onze omgeving. Hoe meer wij Zijn eer zoeken en niet de onze (vers 1), hoe meer Hij bekend gemaakt zal worden door ons. Dat is ook het gevolg, naar de mate waarin wij ons vertrouwen alleen op Hem stellen (vers 11).

In tegenstelling tot de aardse lof en zegen van het rijk (vers 16 en 17), verheugen wij ons als christenen in het feit dat wij met Christus gestorven zijn en met Hem onze zegeningen in de hemelse gewesten hebben (Efeze 1 vers 3).

Psalm 116
1Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;2Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.3De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.4Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.5De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.6De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.7Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.8Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.9Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.10Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.11Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.12Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?13Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.14Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.15Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.16Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.17Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.18Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.19In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!

Dit lied zal gezongen worden door de Israëliet die in zijn land is teruggekeerd. De verloste van de Heere heeft vandaag de dag nog veel meer reden om te zingen: "Ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost... mijn ziel gered van de dood" (vers 6 en 8). De herinnering aan zo'n groot heil maakt de gelovige er ook van bewust dat zijn Verlosser een recht op hem heeft verworven.

Vers 8 spreekt van een drievoudige bevrijding: God redt onze zielen; Hij ondersteunt het hart dat door de beproevingen bezwaard is; en ten slotte bewaart Hij ons, zo zwak als wij zijn, voor het gevaar dat wij lopen om te struikelen in de valstrikken en verzoekingen. Daarom mag ieder van ons zichzelf wel de vraag stellen, zoals vers 12 het zegt: "Wat zal ik de HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen?" "Ik heb lief...", antwoordt de psalmist.

Dat zijn de eerste woorden van deze Psalm en dat is ook de eerste uitwerking van het evangelie. Het vormt de basis voor alle andere uitwerkingen. Dan kan de mond spreken uit de volheid van het hart en de Naam van de Heere belijden (vers 10; 2 Korinthe 4 vers 13).

Er zijn echter meer gelegenheden om van Hem te spreken dan alleen tegenover onze medemensen! "Ik zal de beker der verlossingen opnemen... Ik zal U offeren een offerande van dankzegging... in de tegenwoordigheid van al Zijn volk" (vers 13,17 en 14). Laten we Hem deze lofoffers toch met heel ons hart brengen, "dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden" (Hebreeën 13 vers 15).

Psalm 117; Psalm 118:1-14
1Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!2Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!
1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.2Dat Israel nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.3Het huis van Aaron zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.4Dat degenen, die den HEERE vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.5Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.6De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?7De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.9Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.10Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.11Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.12Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.13Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.14De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.

Als wij zelf van de Heere mogen genieten (Psalm 116), dan zullen we ook anderen oproepen om Hem samen met ons te aanbidden. Zo zal het ook bij de Israëlieten zijn. Ooit waren ze ontzettend jaloers vanwege al hun voorrechten en hadden ze een grote minachting voor de volken. Maar eens zullen ze zelf de aanleiding zijn tot een wereldwijde lof (vers 1; Romeinen 10 vers 19; 15 vers 11).

De goedertierenheid en de waarheid van God worden weer gezamenlijk genoemd (vers 2; zie Psalm 108 vers 5; 115 vers 1). Zij vormen de openbaring van de natuur en het wezen van God tegenover de mensen: Liefde en Licht. Wat is deze kostbare en korte Psalm (die overigens precies in het midden van de Bijbel staat) toch een onuitputtelijke bron van onderwerpen om over na te denken!

In Psalm 118 is de goedertierenheid van God het onderwerp van lof. Ingesloten en bedreigd door de hele wereld, zal Israël ervaren dat alle hulp van mensen en hooggeplaatsten ijdel is (vers 8 en 9; Psalm 108 vers 13). De Naam van de Heere zal de enige Bescherming zijn.

Als wij aan onszelf denken, dan worden wij het meest bedreigd door de begeerte van ons eigen zwakke hart (Jakobus 1 vers 14). Talloze keren stonden wij op het punt te struikelen, maar God kwam ons te hulp. Hij heeft onze voeten voor vallen bewaard (vers 13; Psalm 116 vers 8). En de mens zal niets tegen ons (vers 6), noch voor ons (vers 8) kunnen doen, want de Heere is onze Sterkte (vers 14).

Psalm 118:15-29
15In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.16De rechterhand des HEEREN is verhoogd; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.17Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.19Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.20Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan.21Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.22De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.23Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.24Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn.25Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed.26Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.27De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.29Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Deze Psalm neemt een belangrijke plaats in, onder de profetieën die betrekking hebben op de Heere Jezus. Vers 22, dat in de evangeliën en in 1 Petrus 2 vers 7 aangehaald wordt, spreekt zowel van Zijn verwerping alsook van de plaats die Hij zal innemen. Laten deze raadsbesluiten van God in Christus toch altijd "wonderlijk in onze ogen" zijn (vers 23)!

De verzen 25 en 26 herinneren aan de intocht van de Heere Jezus in Jeruzalem en aan het roepen van de volksmenigte: "Och,... geef nu heil" (in het Hebreeuws: 'Hosanna') "Gezegend is Hij, Die komt in de Naam des Heeren!" (Mattheüs 21 vers 9). Het joodse volk heeft Hem op die dag al zo aangeroepen en vereerd, zoals de Schriften dat aankondigden. En deze Schriften zouden het volk vandaag de ogen moeten openen. Het ogenblik zal echter aanbreken waarop deze Schriftplaats werkelijk in vervulling zal gaan. De triomferende Messias zal dan door het getrouwe overblijfsel opgenomen en begroet worden.

Bij de Joden behoorde deze Psalm tot de godsdienstige ceremoniën rond het pascha. Dit is ook het loflied geweest dat de Heere Jezus samen met Zijn discipelen na het avondmaal gezongen heeft (Markus 14 vers 26). Wat zal Hij op dat moment gevoeld hebben bij het uitspreken van de verzen 6, 12, 22 en 27: "Bindt het feestoffer... tot aan de hoornen van het altaar"!

Deze Psalm besluit met dezelfde woorden als waarmee hij begonnen is: met het loven van de onwankelbare goedertierenheid van de HEERE (vers 1 en 29).

Psalm 119:1-16
1Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan.2Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;3Ook geen onrecht werken, maar wandelen in Zijn wegen.4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.7Ik zal U loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten Uwer gerechtigheid geleerd zal hebben.8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.9Beth. Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar Uw woord.10Ik zoek U met mijn gehele hart, laat mij van Uw geboden niet afdwalen.11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.12HEERE! Gij zijt gezegend; leer mij Uw inzettingen.13Ik heb met mijn lippen verteld al de rechten Uws monds.14Ik ben vrolijker in den weg Uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.15Ik zal Uw bevelen overdenken, en op Uw paden letten.16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.

"Welgelukzalig zij die het Woord van God horen en bewaren", zei de Heere Jezus tegen de mensen om Hem heen (Lukas 11 vers 28). Over dit geluk en dat grote voorrecht zal deze hele wonderbare Psalm ons onderwijzen.

Gelukkig! Ja, inderdaad zijn het de oprechten ("de reinen van hart", Mattheüs 5 vers 8) die zich in de woorden van de Heere verblijden en hun vreugde vinden in het onderhouden van Zijn inzettingen (vers 16). Maar dubbel gelukkig zijn zij die deze inzettingen ook nog zorgvuldig bewaren (vers 2, 4, 5 en 8) en daarin wandelen (vers 1).

In vers 9 wordt een indringende en ernstige vraag gesteld. Ze heeft echter geen enkele betekenis voor de jonge mensen van deze wereld, die openlijk met de nauwgezetheid van jonge gelovigen spotten. Maar voor deze laatsten is deze vraag uitermate belangrijk! "Waarmee zal de jongeling zijn pad zuiver houden?" Het antwoord volgt direct: "Als hij dat houdt naar Uw Woord"!

Laten we altijd goed letten op dit geheim van een reine wandel, opdat we beschermd worden voor zonde tegen God (vers 11) en ook tegen ons eigen lichaam (1 Korinthe 6 vers 18). Wanneer wij het Woord in ons hart bewaren en belangrijke teksten, zoals hier vers 9, inprenten in ons hart, dan zullen we "in de boze dag", wanneer de verzoeking op ons afkomt, bewapend zijn (Efeze 6 vers 13 en 17). Immers, wanneer wij ijverig en nauwgezet de inzettingen van de Heere in acht nemen, dan zal de trouwe God ons met dezelfde zorgvuldigheid bewaren. O, dat Zijn Woord toch maar rijkelijk in ons mag wonen! (Kolosse 3 vers 16).

Psalm 119:17-40
17Gimel. Doe wel bij Uw knecht, dat ik leve en Uw woord beware.18Ontdek mijn ogen, dat ik aanschouwe de wonderen van Uw wet.19Ik ben een vreemdeling op de aarde, verberg Uw geboden voor mij niet.20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.23Als zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.24Ook zijn Uw getuigenissen mijn vermakingen, en mijn raadslieden.25Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.26Ik heb U mijn wegen verteld, en Gij hebt mij verhoord; leer mij Uw inzettingen.27Geef mij den weg Uwer bevelen te verstaan, opdat ik Uw wonderen betrachte.28Mijn ziel druipt weg van treurigheid; richt mij op naar Uw woord.29Wend van mij den weg der valsheid, en verleen mij genadiglijk Uw wet.30Ik heb verkoren den weg der waarheid, Uw rechten heb ik mij voorgesteld.31Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.32Ik zal den weg Uwer geboden lopen, als Gij mijn hart verwijd zult hebben.33He. HEERE! leer mij den weg Uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.35Doe mij treden op het pad Uwer geboden, want daarin heb ik lust.36Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid.37Wend mijn ogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door Uw wegen.38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.

Laten wij, als we onze Bijbel openen, toch altijd eerst de Heere vragen ons de ogen te openen, opdat we de wonderen in Zijn Woord mogen ontdekken (vers 18), maar laten we ook vragen dat Hij tegelijkertijd onze ogen van al het ijdele zal afwenden (vers 37). Ja, dat ene woordje "ijdelheid", op hoeveel dingen heeft dat toch betrekking! Het is namelijk niet mogelijk om onze vreugde te vinden in het Woord en ons tegelijkertijd ook bezig te houden met de dingen van deze wereld, zoals bijvoorbeeld de liefde tot het geld (vers 36; Lukas 16 vers 13).

Een andere hindernis waardoor de Schriften zo vaak gesloten blijven voor ons, is een slecht geweten. Hoe zouden we ons kunnen verheugen over hetgeen ons aanklaagt? Dan moeten we eerst onze misstap of onze toestand belijden. "Ik heb U mijn wegen verteld", zegt de psalmist, en daarna kan hij er aan toevoegen: "Leer mij..." (vers 26 en 33; Psalm 32 vers 5 en 8); "Geef mij... te verstaan" (vers 27); "Geef mij het verstand" (vers 34). Dat zijn allemaal gebeden die voor de Heere welgevallig zijn. Zijn getuigenissen zijn "mijn raadslieden" (vers 24). Maar ik moet mij door hen wel raad willen laten geven!

Let ook eens op de voortuitgang die we kunnen opmerken in de verzen 30, 32 en 36. De gelovige heeft voor de weg van de waarheid gekozen. Vervolgens neemt hij zich voor, daarop te wandelen en vraagt hij God hem ervoor te bewaren deze weg te verbreden. Hij wil juist graag dat zijn hart wijd open staat, opdat het onderwerp van al zijn genegenheid hem met meer macht zal aantrekken (Filippi 3 vers 14). Ten slotte rekent hij op God, dat Hij hem hierop zal laten wandelen (vers 35).

Psalm 119:41-64
41Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.44Zo zal ik Uw wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.46Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.47En ik zal mij vermaken in Uw geboden, die ik liefheb.48En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.49Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.51De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; nochtans ben ik van Uw wet niet geweken.52Ik heb gedacht, o HEERE! aan Uw oordelen van ouds aan, en heb mij getroost.53Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.54Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest, ter plaatse mijner vreemdelingschappen.55HEERE! des nachts ben ik Uws Naams gedachtig geweest, en heb Uw wet bewaard.56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.57Cheth. De HEERE is mijn deel, ik heb gezegd, dat ik Uw woorden zal bewaren.58Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.59Ik heb mijn wegen bedacht, en heb mijn voeten gekeerd tot Uw getuigenissen.60Ik heb gehaast, en niet vertraagd Uw geboden te onderhouden.61De goddeloze hopen hebben mij beroofd; nochtans heb ik Uw wet niet vergeten.62Te middernacht sta ik op, om U te loven voor de rechten Uwer gerechtigheid.63Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, en van hen, die Uw bevelen onderhouden.64HEERE! de aarde is vol van Uw goedertierenheid; leer mij Uw inzettingen.

Het Woord van God bepaalt het hele leven van de gelovige. Het onderwijst hem hoe hij moet antwoorden op onrecht dat hem wordt aangedaan. Dat hoeft niet per se met woorden te gebeuren, maar kan ook door het geduld en vertrouwen te tonen dat het Woord hem leert (vers 42). Omdat het "het Woord der waarheid" is (vers 43), geeft Het de gelovige een zeker gezag wanneer hij spreekt, een heilige vrijheid in zijn wandel. Waarom zijn wij dan vaak zo terughoudend in ons kleine getuigenis? Is het niet juist daarom, omdat het ons ontbreekt aan deze kracht en de innerlijke overtuiging die het Woord der waarheid ons geeft, wanneer wij Het geloven, liefhebben en erover nadenken?

"Uw inzettingen zijn mij gezangen geweest" (vers 54). Welk een Heere hebben wij! Van welk staatshoofd — en al zou het nog zo'n beste zijn — zou ooit gezegd kunnen worden dat zijn wetten een onderwerp van blijdschap zijn, voor hen die zich daaraan hebben te onderwerpen?

De verzen 57 tot en met 64 laten ons zien dat het hart van de gelovige bezig is zijn wandel in overeenstemming te brengen met de wil van de Heere. "Ik heb mijn wegen overdacht..." (vers 59), zegt deze Godvrezende schrijver. Daarna zegt hij pas: "... en heb mijn voeten gewend". Is het bij ons vaak niet precies andersom?!

Laten we ook letten op de woorden van vers 63! "Ik ben een metgezel van allen... die Uw bevelen onderhouden" (zie vers 79 en 115). Laten we onszelf afvragen met wie wij omgang hebben (Spreuken 13 vers 20).

Psalm 119:65-88
65Teth. Gij hebt bij Uw knecht goed gedaan, HEERE, naar Uw woord.66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.67Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.68Gij zijt goed en goeddoende; leer mij Uw inzettingen.69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.70Hun hart is vet als smeer; maar ik heb vermaak in Uw wet.71Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.72De wet Uws monds is mij beter, dan duizenden van goud of zilver.73Jod. Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig, opdat ik Uw geboden lere.74Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.75Ik weet, HEERE! dat Uw gerichten de gerechtigheid zijn, en dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.77Laat mij Uw barmhartigheden overkomen, opdat ik leve, want Uw wet is al mijn vermaking.78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.80Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.81Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.82Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?83Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch Uw inzettingen heb ik niet vergeten.84Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers?85De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet.86Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.87Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.88Maak mij levend naar Uw goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis Uws monds onderhouden.

Het gebed van vers 17 is verhoord. "Gij hebt Uw knecht goed gedaan" (vers 65). Maar dat gebeurde wel op een manier die de psalmist niet verwacht had: door verdrukking. "Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest", zegt hij in vers 71. Waarom? Want "eer ik verdrukt werd, dwaalde ik" (vers 67). De goede Herder was ertoe gedwongen dit pijnlijke middel toe te passen, om Zijn verdwaald schaap weer op de weg terug te brengen. De ziel heeft hierdoor echter een nog belangrijkere ervaring opgedaan: ze heeft haar God leren kennen en hoeft niet meer alles te begrijpen om te weten dat Zijn liefde niet veranderd is. "Ik weet", zegt zij, "dat Gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt" (vers 75).

Bij de nomaden in de woestijn vereist het vervaardigen van een waterzak een zorgvuldige en geduldige voorbereiding. Het leer wordt eerst blootgesteld aan rook, opdat het de bittere smaak en z'n oorspronkelijke geur verliest. Dat zou later immers een ongunstige invloed op het reine water hebben. Zo is het ook met de christen (vers 83). Hij wordt door het vuur van de beproeving geleid, om hem zijn natuurlijke bitterheid en onbuigzaamheid af te nemen en hem voor de dienst geschikt te maken. "Uw handen hebben mij gemaakt, en bereid; maak mij verstandig..." (vers 73). Het gelukkige gebed van een verloste!

Ja, Heere, vorm ook mijn geest door de middelen die U zult kiezen en die U nodig acht; maak mij onderdanig aan Uw wil en maak mij buigzaam!

Psalm 119:89-112
89Lamed. O HEERE! Uw woord bestaat in der eeuwigheid in de hemelen.90Uw goedertierenheid is van geslacht tot geslacht; Gij hebt de aarde vastgemaakt, en zij blijft staan;91Naar Uw verordeningen blijven zij nog heden staan, want zij allen zijn Uw knechten.92Indien Uw wet niet ware geweest al mijn vermaking, ik ware in mijn druk al lang vergaan.93Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt.94Ik ben Uw, behoud mij, want ik heb Uw bevelen gezocht.95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.96In alle volmaaktheid heb ik een einde gezien; maar Uw gebod is zeer wijd.97Mem. Hoe lief heb ik Uw wet! Zij is mijn betrachting den gansen dag.98Zij maakt mij door Uw geboden wijzer, dan mijn vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.99Ik ben verstandiger dan al mijn leraars, omdat Uw getuigenissen mijn betrachting zijn.100Ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!104Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.105Nun. Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.106Ik heb gezworen, en zal het bevestigen, dat ik onderhouden zal de rechten Uwer gerechtigheid.107Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.108Laat U toch, o HEERE! welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij Uw rechten.109Mijn ziel is geduriglijk in mijn hand; nochtans vergeet ik Uw wet niet.110De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.111Ik heb Uw getuigenissen genomen tot een eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vrolijkheid.112Ik heb mijn hart geneigd, om Uw inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.

Hoe vast de aarde ook gegrondvest mag zijn (vers 90), Gods Woord staat nog vaster. Wat een geluk, in een wereld waar alles zo onzeker is, een wereld waar de koorstachtige bezigheid van de gevallen mens zich ontplooit, naar eigen gedachten, die allemaal zullen vergaan! Wat is het dan goed de eeuwig blijvende gedachten van God te mogen kennen en Zijn onwankelbare beloften te mogen vertrouwen! Hemel en aarde zullen vergaan, maar Zijn Woorden zullen nooit vergaan (Mattheüs 24 vers 35).

De hele schepping heeft overigens één doel en dat is dat alle dingen Hem dienen, "zij allen zijn Uw knechten" (vers 91). Dat is ook ons grote voorrecht, maar... laten we Hem dan wel met inzicht en van ganser harte dienen!

Alleen de Heere Jezus heeft de verzen 97 tot en met 112 werkelijk in praktijk gebracht. Hij was "voorzichtiger dan de ouden" (of zoals een andere vertaling het zegt: "had meer inzicht"), want Hij bewaarde de Goddelijke voorschriften, terwijl de ouden er genoegen mee namen ze te onderwijzen (vers 100). Hij was wijzer dan alle vijanden die Hem strikken probeerden te leggen (vers 110; Mattheüs 22 vers 15 en 34).

Wie zou het wagen om zonder verlichting op pad te gaan in een omgeving vol met hindernissen? In de duisternis van deze wereld, te midden van alle valstrikken waarmee de goddelozen op ons loeren (vers 95 en 110), is het Woord onze lamp, het onmisbare licht op ons pad (vers 105). We kunnen er nooit te veel gebruik van maken om te zien waar we onze voeten moeten neerzetten! (vers 101).

Psalm 119:113-136
113Samech. Ik haat de kwade ranken, maar heb Uw wet lief.114Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.115Wijkt van mij, gij boosdoeners! dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.117Ondersteun mij, zo zal ik behouden zijn; dan zal ik mij steeds in Uw inzettingen vermaken.118Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.119Gij doet alle goddelozen der aarde weg als schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.120Het haar mijns vleses is te berge gerezen van verschrikking voor U, en ik heb gevreesd voor Uw oordelen.121Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.122Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.123Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw heil, en naar de toezegging Uwer rechtvaardigheid.124Doe bij Uw knecht naar Uw goedertierenheid, en leer mij Uw inzettingen.125Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.126Het is tijd voor den HEERE, dat Hij werke, want zij hebben Uw wet verbroken.127Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan het fijnste goud.128Daarom heb ik alle Uw bevelen, van alles, voor recht gehouden; maar alle valse pad heb ik gehaat.129Pe. Uw getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze mijn ziel.130De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.131Ik heb mijn mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar Uw geboden.132Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht aan degenen, die Uw Naam beminnen.133Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.134Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.135Doe Uw aangezicht lichten over Uw knecht, en leer mij Uw inzettingen.136Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.

Het Woord, Dat een licht op mijn pad is, laat mij ook zien hoe dicht de duisternis om mij heen is. En als ik die diepe duisternis opmerk, dan kan ik niet anders dan al het kwaad en de gemeenheid verafschuwen. Zonder deze Goddelijke Maatstaf, zonder Zijn licht over deze zaken, zou ik mij inderdaad kunnen vergissen en het goede kwaad en de leugen waarheid kunnen noemen. De Bijbel, waarin de gedachten van God staan, leert mij echter de wereld en wat daarin is, te zien zoals Hij het ziet.

"Maak mij verstandig", herhaalt de gelovige meerdere keren (vers 34, 125 en 169). Gewoonlijk wordt het verstand als een natuurlijke gave gezien. Je hebt het vanaf je geboorte al meegekregen. Maar dit gebed laat ons zien dat het mogelijk is om verstand te verkrijgen. Het is namelijk het Woord Dat werkelijk inzicht geeft (vers 130).

"Ik ben Uw knecht", zegt de psalmist en hij is vastbesloten de wil van God te doen (vers 125). Deze wil wordt in Zijn Woord door verschillende uitdrukkingen weergegeven: wet, geboden, inzettingen, voorschriften, verordeningen, getuigenissen, recht... allemaal woorden die betrekking hebben op dat ene, op Zijn wil. Toch hebben ze elk afzonderlijk een verschillende betekenis. Elk woord op zich geeft een bepaalde gedachte weer.

Het Woord richt Zich nu niet meer in een wettische vorm tot de gelovige. De gehoorzaamheid van de gelovige is het gevolg van de liefde die hij niet alleen voor de wonderbare getuigenissen van de Heere (vers 113 en 127) heeft, maar ook voor Zijn Naam voelt (vers 132).

Psalm 119:137-160
137Tsade. HEERE! Gij zijt rechtvaardig, en elkeen Uwer oordelen is recht.138Gij hebt de gerechtigheid Uwer getuigenissen, en de waarheid hogelijk geboden.139Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.140Uw woord is zeer gelouterd, en Uw knecht heeft het lief.141Ik ben klein en veracht, doch Uw bevelen vergeet ik niet.142Uw gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid, en Uw wet is de waarheid.143Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch Uw geboden zijn mijn vermakingen.144De gerechtigheid Uwer getuigenissen is in der eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zo zal ik leven.145Koph. Ik heb van ganser harte geroepen: verhoor mij, o HEERE! ik zal Uw inzettingen bewaren.146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.147Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.148Mijn ogen komen de nacht waken voor, om Uw rede te betrachten.149Hoor mijn stem naar Uw goedertierenheid, o HEERE! maak mij levend naar Uw recht.150Die kwade praktijken najagen, genaken mij, zij wijken verre van Uw wet.151Maar Gij, HEERE! zijt nabij, en al Uw geboden zijn waarheid.152Van ouds heb ik geweten van Uw getuigenissen, dat Gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.153Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten.154Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging.155Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet.156HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten.157Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, maar van Uw getuigenissen wijk ik niet.158Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden.159Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.160Het begin Uws woords is waarheid, en in der eeuwigheid is al het recht Uwer gerechtigheid.

In de verzen 137 tot en met 144 wordt de nadruk gelegd op de gerechtigheid van God. Voor hem die de Heere vreest, in Zijn licht wandelt en Zijn goedertierenheid kent (vers 149 en 159), is deze gerechtigheid niet iets wat hem schrik aanjaagt. Te midden van een onrechtvaardige wereld is het voor de gelovige juist iets heerlijks om te roemen in deze gerechtigheid van God, die, evenals Zijn goedertierenheid, tot in eeuwigheid duurt (vers 142 en 144).

"Uw Woord is zeer gelouterd" (vers 140). Hoe meer Het beproefd wordt (zoals goud in een smeltoven), hoe meer Het laat zien dat Het de reinheid Zelf is.

Vers 145 en de daaropvolgende verzen geven uitdrukking aan de bijzondere afhankelijkheid van de gelovige. "Maak mij levend", vraagt hij hier vier keer (vers 149, 154, 156 en 159; zie ook vers 25, 40, 88 en 107). Het is God Die het leven geeft. Hij is het ook Die dit leven bewaart en onderhoudt. Dit gebed heeft echter in eerste instantie betrekking op de ziel van de verloste. "Maak mij levend naar Uw Woord" (vers 107), want "de mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle Woord, dat door de mond Gods uitgaat" (Mattheüs 4 vers 4; Deuteronomium 8 vers 3).

Het is goed om de woorden van vers 160 altijd in gedachten te houden: "Het begin van (in een andere vertaling: "heel") uw Woord is waarheid". De Bijbel is niet samengesteld uit verschillende waarheden die je naar believen kunt uitzoeken en toepassen. Nee, de Bijbel is één geheel, of je dat nu aanneemt of niet. De complete Bijbel is de Waarheid (Johannes 17 vers 17).

Psalm 119:161-176
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.163Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; maar Uw wet heb ik lief.164Ik loof U zeven maal des daags, over de rechten Uwer gerechtigheid.165Die Uw wet beminnen, hebben groten vrede, en zij hebben geen aanstoot.166O HEERE! ik hoop op Uw heil, en doe Uw geboden.167Mijn ziel onderhoudt Uw getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.168Ik onderhoud Uw bevelen en Uw getuigenissen, want al mijn wegen zijn voor U.169Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.171Mijn lippen zullen Uw lof overvloediglijk uitstorten, als Gij mij Uw inzettingen zult geleerd hebben.172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.173Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.174O HEERE! ik verlang naar Uw heil, en Uw wet is al mijn vermaking.175Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen.176Ik heb gedwaald als een verloren schaap; zoek Uw knecht, want Uw geboden heb ik niet vergeten.

De gelovige die zonder aanleiding vervolgd wordt door vorsten, is bang — niet voor z'n achtervolger, maar voor het Woord, hij vreest ongehoorzaam te worden aan het Woord (vers 161). En toch is dit Woord ook zijn vreugde (vers 162)! O, dat het Woord van God ook voor onze harten toch een grote schat mag zijn! Er liggen onuitputtelijke rijkdommen in verborgen, rijkdommen die alleen ontdekt kunnen worden door hem die dit Woord tot Richtsnoer voor zijn leven maakt.

Als men eerst zelf iets ontvangen heeft, is men later ook in staat iets te brengen. Vers 171 herinnert ons eraan dat lof de vrucht is vanuit een hart dat onderwezen werd door de Goddelijke inzettingen. Verzadigd door deze inzettingen, zullen we tegen de Heere kunnen spreken en Hem op gepaste wijze kunnen aanbidden. En dan zullen we ook aan onze omgeving duidelijk een signaal kunnen afgeven, duidelijk kunnen spreken over alles wat we in het Woord gevonden en waarover we nagedacht hebben (vers 172).

De laatste verzen, die een samenvatting zijn van de hele Psalm, bieden gelegenheid om nu het hoofdthema van dit Schriftgedeelte aan te wijzen. Door de verdrukking zullen de Israëlieten ertoe gebracht worden om hun eigen dwaling in te zien (vers 176). In de verdrukking zullen de Israëlieten geleerd hebben om de wet van de Heere lief te hebben (vers 163, 167 en 174), hun wandel daarnaar te richten (vers 165 tot en met 167), het kwade te haten (vers 163) en alleen redding bij God te zoeken (vers 166). Voordat de definitieve bevrijding (vers 174) zal plaatsvinden, zal er al een innerlijk herstel bewerkt zijn. Daardoor zal God in staat zijn om ten gunste van de Zijnen in te grijpen en hen in de zegeningen van het rijk in te voeren.

Psalm 120, Psalm 121
1Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.2O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.3Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?4Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen.5O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone.6Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.7Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.
1Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.2Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.3Hij zal uw voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet sluimeren.4Ziet, de Bewaarder Israels zal niet sluimeren, noch slapen.5De HEERE is uw Bewaarder, de HEERE is uw Schaduw, aan uw rechterhand.6De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.7De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.8De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.

De komende 15 Psalmen (120 tot en met 134) zijn eigenlijk opeenvolgende coupletten van één lied. Het lijkt op een trap waarvan elke trede je een stukje verder omhoog brengt. In dat lied wordt nog een keer de bevrijding en het herstel van het overblijfsel van Israël getoond.

In Psalm 120 bevinden deze gelovigen zich in gevangenschap te midden van de volken en we horen hen zuchten. Ze lijden er enorm onder dat ze moeten wonen bij hen "die de vrede haten". Christenen! Dat wij het ons toch ook meer bewust mogen zijn, hoe de wereld zich tegen God en ten gevolge daarvan ook tegen Zijn kinderen keert. De mensen van deze wereld kennen geen vrede en zijn nog minder in staat vrede te geven. Maar wat zegt de Heere tegen de Zijnen? "Mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld hem geeft, geef Ik hem u" (Johannes 14 vers 27).

In Psalm 121 wendt de gelovige zijn blikken af van de verdrukking en heft ze op tot de bergen (Sion, voorwerp van al zijn hoop: zie Psalm 87 vers 1 en 2). Zijn hulp zal echter van nog hoger komen, van de Schepper Zelf, Die deze bergen gemaakt heeft. God beantwoordt dit vertrouwen met ontroerende persoonlijke beloften (vers 3 tot en met 8). Elke gelovige mag weten dat de Heere dit ook tegen hem of haar persoonlijk zegt. Ook al bevind je je nog in deze wereld, toch zul je als antwoord op het gebed van jouw Verlosser (de Heere Jezus) tot de Vader altijd en overal bewaard worden. (Het woord "Bewaarder" of "bewaren" komt hier zes keer voor). "Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze" (vergelijk vers 7 met Johannes 17 vers 15).

Psalm 122, Psalm 123
1Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.2Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!3Jeruzalem is gebouwd, als een stad, die wel samengevoegd is;4Waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEEREN, tot de getuigenis Israels, om den Naam des HEEREN te danken.5Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen van het huis van David.6Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.7Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.8Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!9Om des huizes des HEEREN, onzes Gods wil, zal ik het goede voor u zoeken.
1Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.2Zie, gelijk de ogen der knechten zijn op de hand hunner heren; gelijk de ogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw; alzo zijn onze ogen op den HEERE, onze God, totdat Hij ons genadig zij.3Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.4Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.

De liefde die de Israëliet voor Jeruzalem heeft, is een beeld van het verlangen en de toegenegenheid van de christen tot de Gemeente, een verlangen dat zo kostbaar is voor het hart van Christus. Gaan wij nu al met vreugde (vers 1) naar de plaats waarvan Hij beloofd heeft daar in het midden te zullen zijn, om daar Zijn Naam te prijzen (vergelijk vers 4)?

"Wel moeten zij varen, die U beminnen" (vers 6). Woorden waar we goed over moeten nadenken en die we in ons moeten opnemen. De liefde tot de Gemeente is een bron van geestelijk welzijn. Hoe openbaart zich deze liefde? Door om vrede te bidden en op alle mogelijke manieren het beste voor haar te zoeken (vers 6 tot en met 9).

Psalm 123 leert ons afhankelijkheid. De gelovige heft de ogen omhoog tot zijn God, in het bewustzijn dat alle hulpbronnen in Hem te vinden zijn (vergelijk 2 Kronieken 20 vers 12). De gelovige heeft nergens recht op, het is enkel en alleen genade! Wat heeft hij van de kant van mensen te verwachten? Zij die hier beneden zo zorgeloos en in weelde hun weg gaan, zullen hem slechts verachting en bespotting brengen (vers 3 en 4; 1 Korinthe 4 vers 13). En de gelovige is alleen in staat al deze dingen te verdragen wanneer hij zijn geloofsoog gericht blijft houden op zijn Verlosser in de hemel (vers 1; Psalm 141 vers 8). En al heel spoedig zal dit zien in geloof veranderd worden in een zien van aangezicht tot aangezicht. Vandaag wordt de gelovige misschien nog overladen met allerlei smaad, maar morgen zal hij verzadigd worden met Zijn beeld (Psalm 17 vers 15).

Psalm 124, Psalm 125
1Een lied Hammaaloth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel,2Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;3Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.4Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.5Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.6De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.7Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.8Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.
1Een lied Hammaaloth. Die op den HEERE vertrouwen, zijn als de berg Sion, die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid.2Rondom Jeruzalem zijn bergen; alzo is de HEERE rondom Zijn volk, van nu aan tot in der eeuwigheid.3Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.4HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.5Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!

In de Psalmen 120 tot en met 123 werd een beschrijving gegeven van het volk in de verdrukking. De beide Psalmen voor vandaag laten vervolgens zijn bevrijding zien. De gelovige herhaalt maar wat graag dat deze bevrijding alleen te danken is aan het ingrijpen van God. Zonder Zijn ingrijpen zou hij zeker verslonden (124 vers 3), overstroomd (vers 4 en 5) en tot roof geworden zijn (vers 6). Maar als God voor en "bij ons" is, wat kunnen zij die "tegen ons" zijn, dan nog beginnen (vers 2; Romeinen 8 vers 31)? De Heere weet de Zijnen aan die vreselijke "strik van de vogelvangers" te ontrukken (vers 7). Profetisch gezien, zijn ze een beeld van de antichrist en de Assyriër, werktuigen van satan die hij gebruikt tegen het overblijfsel van Israël. Voor ons zijn ze een beeld van de vijanden van onze zielen. Wanneer wij ons vertrouwen op Christus stellen, dan zal Hij ons uit hun net, uit "de zonde, die ons lichtelijk omringt", laten ontsnappen (Hebreeën 12 vers 1; Psalm 91 vers 3).

Met dat vertrouwen begint Psalm 125 ook. Het vertrouwen op Hem, Die ons voor struikelen kan bewaren (Judas 24). Als wij op de Heere vertrouwen, dan zullen we niet wankelen (vers 1). Maar om veilig te kunnen wandelen, heb je meer nodig dan alleen vaste schreden. Onze weg moet ook recht zijn. Laten we hen "die zich neigen tot hun kromme wegen", toch niet achterna lopen (vers 5). En vergeet niet dat de oprechtheid in onze harten moet wonen, voordat dit in onze wandel tot uitdrukking kan komen (vers 4).

Psalm 126, Psalm 127
1Een lied Hammaaloth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.2Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.3De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.4O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.5Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.6Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.
1Een lied Hammaaloth, van Salomo. Zo de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs arbeiden deszelfs bouwlieden daaraan; zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter.2Het is tevergeefs, dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzo, dat Hij het Zijn beminden als in den slaap geeft.3Ziet, de kinderen zijn een erfdeel des HEEREN; des buiks vrucht is een beloning.4Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zodanig zijn de zonen der jeugd.5Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.

Zoals iemand die uit een nare droom wakker wordt, zo zullen de getrouwen eerst niet in staat zijn om hun plotselinge bevrijding te begrijpen. Maar al heel gauw zullen er lofliederen klinken. En de volkeren zullen hierop als in een echo reageren: "De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan" (vers 2; Psalm 14 vers 7). Hun tranen zullen als het ware voor het water zorgen op de velden met een rijke oogst (vers 5). Dat was de dienst van de Heere Jezus hier beneden op aarde (vers 6). Wenende is Hij de weg van het kruis gegaan. "Als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen, maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht", zegt de Heere Jezus in Johannes 12 vers 24. Triomferend zal Hij verschijnen, beladen met de vrucht van de moeite van Zijn ziel, met Zijn verlosten, die Hij als kostbare garven aan Zijn hart drukt.

Psalm 127 herinnert ons eraan dat elke onderneming tot mislukken gedoemd is wanneer de toestemming van de Heere niet het uitgangspunt van al ons handelen vormt. Een bepaalde zaak kan heel goed lijken en veel tijd en energie kosten, maar zal onherroepelijk tot niets lijden wanneer Hij er niet aan meegewerkt heeft (vergelijk Johannes 15 vers 5). Het rustig en vol vertrouwen bezig zijn van de christen, gevolgd door een vredige slaap, staat in schril contrast met het koortsachtige en eerzuchtige werk van de mensen van deze wereld (Prediker 2 vers 23).

En jullie jonge mensen, die er misschien aan denken om 'een huis te bouwen', vergeet niet dat een huwelijk een te belangrijke aangelegenheid is om daar alleen mee bezig te zijn. Laat je door de Heere leiden!

Psalm 128, Psalm 129
1Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.2Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan.3Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.5De HEERE zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen al de dagen uws levens;6En gij zult uw kindskinderen zien. Vrede over Israel!
1Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel;2Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht.3Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen.4De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.5Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten.6Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt;7Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm;8En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in den Naam des HEEREN.

"Welgelukzalig is een ieder, die de HEERE vreest... welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u welgaan" (Psalm 128 vers 1 en 2). De mens wil graag de dingen omkeren. Hij meent met verbetering van de materiële omstandigheden het geluk te kunnen bereiken. Zijn ellende heeft echter in eerste instantie betrekking op zijn ziel. De mens is ongelukkig, omdat hij een zondaar is. Het eerste wat hij daarom moet doen, is zich tot God wenden, Hem vrezen en in Zijn wegen wandelen (vers 1). Dan zal de zegen zich over alles wat hem betreft, uitspreiden. "De godzaligheid is tot alle dingen nut" (1 Timotheüs 4 vers 8). Een dienstknecht van de Heere heeft eens geschreven: 'Dat betekent niet, dat wij een succes zullen hebben dat bestaat in de bevrediging van onze eigen verlangens. Maar wij zullen dan genieten van het feit dat we hier beneden in de Goddelijke gunst staan'. Lees hierbij ook Psalm 37 vers 4.

Dan nu naar Psalm 129. Van 'de jeugd af aan' hebben de Israëlieten in Egypte te lijden gehad onder een zware verdrukking. Die verdrukking zal echter nog niets zijn in vergelijking met de verdrukking die ze onder het juk van de antichrist zullen ervaren. En Christus heeft Zich in de gestalte van een Knecht, van tevoren al één gemaakt met het lijden van Zijn volk (vergelijk vers 3 met Mattheüs 27 vers 26).

Maar de HEERE is rechtvaardig (vers 4). De goddelozen zullen uitgetrokken worden (vers 6). Zij zullen niet tot de garven behoren die de grote Maaier met vreugde zal inzamelen (vers 7; Psalm 126 vers 5 en 6). Zij zullen geen deel hebben aan de zegeningen van het rijk (vers 8).

Psalm 130, Psalm 131
1Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!2HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.3Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?4Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.5Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.6Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.7Israel hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.8En Hij zal Israel verlossen van al zijn ongerechtigheden.
1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.2Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.3Israel hope op den HEERE van nu aan tot in der eeuwigheid.

Het is niet de verdrukking van Psalm 129, maar het bewustzijn van de zonde dat de ziel van de rechtvaardige in "diepten" geplaatst heeft (Psalm 130 vers 1). Maar hoe diep gezonken hij zich ook voelt, hij mag altijd tot God roepen. "Bij Hem is veel verlossing" (vers 7).

Het vierde vers verbaast ons misschien een beetje. Volgens onze bescheiden mening zou vergeving immers tot gevolg moeten hebben dat de vrees verdwijnt. Maar het omgekeerde is juist het geval! Iemand schreef: 'Het bewustzijn van de genade geeft ware diepte aan de werking van het geweten. We zullen het vreselijke van onze positie slechts kunnen afmeten aan de moeite van het kruis, aan wat het de Heiland gekost heeft om ons daaruit op te trekken'. (Lees Romeinen 6 vers 10 en 1 Petrus 1 vers 17 tot en met 19).

De beproevingen van een gelovige dragen er onherroepelijk toe bij, dat hij zich verootmoedigt en dat zijn eigen wil gebroken wordt (Psalm 131 vers 1). God staat deze beproevingen toe, en de gelovige zou zich eraan moeten onderwerpen. Als hem dat wat hem dierbaar was, ontnomen werd, dan voelt zijn ziel zich als "gespeend" (vers 2). Hij lijkt op een klein kind dat plotseling geen moedermelk meer krijgt, maar nog wel steeds in de nabijheid van de moeder is. Op dat moment kan het kind nog niet begrijpen dat dit nodig is voor z'n groei. Zo vindt de Heere het soms nodig ons iets af te nemen wat kostbaar voor ons was en waarvan we meenden er niet zonder te kunnen. Hij doet dat, opdat wij ons vertrouwen dan alleen maar meer op Hem zullen stellen (vers 3; lees nog een keer Psalm 130 vers 5 tot en met 7).

Psalm 132
1Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden;2Dat hij den HEERE gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:3Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!4Zo ik mijn ogen slaap geve, mijn oogleden sluimering;5Totdat ik voor den HEERE een plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!6Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.7Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.8Sta op, HEERE! tot Uw rust, Gij en de ark Uwer sterkte!9Dat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat Uw gunstgenoten juichen.10Weer het aangezicht Uws Gezalfden niet af, om Davids, Uws knechts wil.11De HEERE heeft David de waarheid gezworen, waarvan Hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws buiks zal Ik op uw troon zetten.12Indien uw zonen Mijn verbond zullen houden, en Mijn getuigenissen, die Ik hun leren zal; zo zullen ook hun zonen tot in eeuwigheid op uw troon zitten.13Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats, zeggende:14Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd.15Ik zal haar kost rijkelijk zegenen, haar nooddruftigen zal Ik met brood verzadigen.16En haar priesters zal Ik met heil bekleden, en haar gunstgenoten zullen zeer juichen.17Daar zal Ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor Mijn Gezalfde een lamp toegericht.18Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien.

Dit prachtige lied brengt ons terug bij de dag waarop koning David de ark naar Jeruzalem liet brengen (2 Samuël 6 vers 17). Later, bij de inwijding van de tempel, beëindigde Salomo zijn gebed met de woorden uit vers 8 tot en met 10 (2 Kronieken 6 vers 41 en 42). Profetisch gezien, spreekt deze Psalm van de invoering van het duizendjarig rijk. God zal in Zijn rust ingaan (vers 14). De hele aarde zal dan gezegend zijn en zich verheugen (vers 15 en 16). Christus, de ware Zoon van David, zal de allesomvattende kroon ontvangen (vers 17 en 18). De onvoorwaardelijke beloften van God zullen zich in Hem, door Hem en voor Hem vervullen.

Laten we er echter goed om denken dat dit het resultaat zal zijn van "Zijn lijden" (vers 1; vergelijk 1 Kronieken 22 vers 14; David is een beeld van Christus, de verworpen Koning, terwijl Salomo de Messias in Zijn heerlijkheid uitbeeldt). Omdat Christus geleden heeft, zal Hij zo hoog verheven worden. En omdat Hij hier beneden het moeitevolle lijden van Zijn ziel heeft ervaren, zal de aarde van de rust van God genieten.

Vergelijk de volgende verzen eens met elkaar. Vers 2 en 11, 5 en 13, 8 en 14, 9 en 16, 10 en 17 en 18. Dan kom je tot de conclusie dat de gelovige die de eer van God aan het hart gaat, telkens opnieuw verhoringen beleeft, verhoringen die al zijn denken overtreffen. Hij heeft namelijk te doen met Hem, "Die machtig is meer dan overvloedig te doen, boven al wat wij bidden of denken" (Efeze 3 vers 20).

Psalm 133, Psalm 134
1Een lied Hammaaloth, van David. Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.2Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aaron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.3Het is gelijk de dauw van Hermon, en die nederdaalt op de bergen van Sion, want de HEERE gebiedt aldaar den zegen en het leven tot in der eeuwigheid.
1Een lied Hammaaloth. Ziet, looft den HEERE, alle gij knechten des HEEREN! gij, die allen nacht in het huis des HEEREN staat.2Heft uw handen op naar het heiligdom, en looft den HEERE.3De HEERE zegene u uit Sion, Hij, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

Het eerste vers van Psalm 133 zou in onze samenkomsten en huizen een vanzelfsprekende zaak moeten zijn. Is dat ook zo? Als broeders eendrachtig samenwonen, is dat voor henzelf een goede en liefelijke zaak, maar dat is het bovenal voor het hart van de Vader! De leden van de familie van God zijn met elkaar verenigd, omdat zij allemaal met dezelfde Persoon, Christus, verbonden zijn. Zij vormen, om zo te zeggen, de zoom van Zijn kleed, dat wat hier beneden van Hem te zien is (vergelijk Exodus 28 vers 33 en 34). Hij is Boven, de ware Aäron, de Hogepriester, maar Hij heeft Zijn Geest gegeven, Die als "kostbare olie" neerdaalt op de broeders, die daar bijeen vergaderd zijn, waar God de eeuwige zegen wil schenken (vers 3; Handelingen 2 vers 33; Efeze 4 vers 2 tot en met 4).

Met Psalm 134 zijn de verlosten van het aardse volk op de laatste en hoogste van de vijftien treden aangekomen. Eindelijk hebben ze het doel, waar ze zo verlangend naar uitgezien hebben, bereikt; ze zijn de poorten van Jeruzalem binnen gegaan (Psalm 122 vers 1 en 2); ze staan nu in het Huis van de HEERE.

Heel binnenkort zullen de verlosten van de Heere hun hemels doel bereiken: het Vaderhuis. "Want aldaar zal geen nacht zijn", zegt Openbaring 21 vers 25. Daar zal het niet meer nodig zijn dat we nog opgeroepen worden om lof te zingen. Die lof zal als vanzelf uit onze harten opborrelen, wanneer wij de Heere Jezus zullen zien van aangezicht tot aangezicht!

Psalm 135
1Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!2Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!3Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.4Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren, Israel tot Zijn eigendom.5Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.6Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeen en alle afgronden.7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.8Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mens af tot het vee toe.9Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Farao en tegen al zijn knechten.10Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;11Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaan,12En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israel.13O HEERE! Uw Naam is in eeuwigheid; HEERE! Uw gedachtenis is van geslacht tot geslacht.14Want de HEERE zal Zijn volk richten, en het zal Hem berouwen over Zijn knechten.15De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.16Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;17Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.18Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.19Gij huis Israels! looft den HEERE; gij huis Aarons! looft den HEERE.20Gij huis van Levi! looft den HEERE; gij die den HEERE vreest! looft den HEERE.21Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!

In Psalm 134 zagen we de knechten van de HEERE in Zijn Huis staan, om Hem te prijzen. Psalm 135 zegt ons wat het Onderwerp van hun lof zal zijn: de grote Naam van hun God.

In Psalm 133 was het eendrachtig bij elkaar wonen van de broeders goed en liefelijk. In het derde vers van de Psalm voor vandaag is het de Heere Zelf Die goed en liefelijk is. De aanbidder heeft "gesmaakt dat de Heere goedertieren is" (1 Petrus 2 vers 3). Hoe kostbaar broederlijke gemeenschap ook mag zijn, niets kan het ondervinden van de liefde van de Heere vervangen. Gaan we slechts naar de samenkomsten van de Gemeente om andere christenen te ontmoeten? Of is het omdat wij daar mogen genieten van de gezegende aanwezigheid van de Heere?

God heeft Zich Israël — maar ook iedere verloste — "tot Zijn eigendom" verkozen (vers 4; vergelijk Mattheüs 13 vers 44). En Hij heeft, om hen te verwerven, de machtigste daden volbracht (vers 5 tot en met 12). Wat zijn de afgoden van de wereld toch ijdel en belachelijk, vergeleken bij zo'n grote God! En wat zijn de mensen die op hen vertrouwen (vers 18), toch te betreuren!

De God van Israël te mogen prijzen, Die voor ons "de God en Vader van onze Heere Jezus Christus" geworden is, is het grote voorrecht voor allen die Hem vrezen (vers 20; Efeze 1 vers 3).

Psalm 136
1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid;2Looft den God der goden; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.3Looft den Heere der heren; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.4Dien, Die alleen grote wonderen doet; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.5Dien, die de hemelen met verstand gemaakt heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.6Dien, Die de aarde op het water uitgespannen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.7Dien, Die de grote lichten heeft gemaakt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.8De zon tot heerschappij op den dag; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.9De maan en sterren tot heerschappij in den nacht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.10Dien, Die de Egyptenaren geslagen heeft in hun eerstgeborenen; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.11En heeft Israel uit het midden van hen uitgebracht; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.12Met een sterke hand, en met een uitgestrekte arm; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.13Dien, Die de Schelfzee in delen deelde; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.14En voerde Israel door het midden van dezelve; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.15Hij heeft Farao met zijn heir gestort in de Schelfzee; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.16Die Zijn volk door de woestijn geleid heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.17Die grote koningen geslagen heeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.18En heeft heerlijke koningen gedood; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.19Sihon, de Amorietischen koning; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.20En Og, den koning van Basan; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.21En heeft hun land ten erve gegeven; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.22Ten erve aan Zijn knecht Israel; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.23Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.24En Hij heeft ons onzen tegenpartijders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.25Die allen vlees spijs geeft; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.26Looft den God des hemels; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Alle wegen die God met Zijn schepselen gaat, hebben één en dezelfde drijfveer: Zijn goedertierenheid, die duurt tot in eeuwigheid. Als eerste komt dat naar voren in de "grote wonderen" die Hij ten gunste van de mens volbracht. Dat was al het geval voordat de mens bestond, toen God een gunstige omgeving schiep die voor zijn leven en onderhoud nodig was (vers 4 tot en met 9). Een moeder maakt ook al voor de geboorte van haar kind de kinderkamer en alle andere dingen die voor de kleine nodig zijn, zorgvuldig klaar.

Vanaf vers 10 kunnen we de liefde van God naar voren zien komen in het werk van de verlossing. Dat wordt geïllustreerd door de uittocht uit Egypte en de intocht van het volk Israël in het land Kanaän. De dankbare verlosten kunnen het uitzingen: "Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid" (vers 23).

De uitdrukking "Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid" aan het eind van vers 10, 15, 17 tot en met 20, verrast ons misschien een beetje. Maar laten we niet vergeten dat zelfs de bestraffing van de goddelozen een onderdeel is van de liefdevolle raadsbesluiten van God voor de Zijnen en ook van de zegen van de toekomstige wereld. Als we dat in het oog houden, dan kunnen we ook de verzen 8 en 9 van Psalm 137 beter begrijpen.

De mensen spreken vaak heel lichtvaardig van 'de lieve God'. Maar dat ze toch eens wat meer over de draagwijdte van dit bijvoeglijk naamwoord, dat door allerlei opvallende getuigenissen bevestigd wordt, na mochten denken, en dan ook deze liefde beantwoorden!

Psalm 137, Psalm 138
1Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.2Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn.3Als zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons een van de liederen Sions;4Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?5Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve!6Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!7HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!8O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt.9Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.
1Een psalm van David. Ik zal U loven met mijn gehele hart; in de tegenwoordigheid der goden zal ik U psalmzingen.2Ik zal mij nederbuigen naar het paleis Uwer heiligheid, en ik zal Uw Naam loven, om Uw goedertierenheid en om Uw waarheid; want Gij hebt vanwege Uw gansen Naam Uw woord groot gemaakt.3Ten dage, als ik riep, zo hebt Gij mij verhoord; Gij hebt mij versterkt met kracht in mijn ziel.4Alle koningen der aarde zullen U, o HEERE! loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen Uws monds.5En zij zullen zingen van de wegen des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN is groot.6Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, en den verhevene kent Hij van verre.7Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij.8De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in der eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.

Hier begint een nieuwe serie Psalmen, waarvan de meeste door David geschreven zijn. Zij pakken de draad van het definitieve herstel van Israël weer op, vanaf de tijd van de slavernij onder de volken (Psalm 137), vervolgens door de verdrukking heen, tot aan de bevrijding en de algehele lof.

Het begin van Psalm 137 herinnert aan de gevangenschap in Babel. Hoe zouden deze arme weggevoerden op bevel hebben kunnen zingen en zich hebben kunnen verheugen onder het juk van de onderdrukker? Ver van Jeruzalem bestaat er voor hen geen vreugde. Ook al had men hen van alles ontroofd, toch kon men hen deze herinnering niet ontnemen. Zo vergaat het ook ons, gelovige vrienden, als vreemdelingen in een vijandige wereld. Hier vinden we niets voor onze harten, maar we bezitten een vreugde in Christus die niemand ons af kan nemen (Johannes 16 vers 22). Laten we de hemelse stad toch nooit vergeten! (vers 5).

In Psalm 138 zien we dat de gelovige, ondanks zijn vernedering (vers 6), toch van harte zingt en bidt in de richting van Jeruzalem (vers 2; 1 Koningen 8 vers 47 en verder). En naderhand kan hij het zeggen: "zo hebt Gij mij verhoord", hoewel er nog geen verandering is gekomen in zijn omstandigheden. God heeft hem echter "versterkt met kracht in zijn ziel" (vers 3). En het is deze kracht die voor de gelovigen ook zo uitermate belangrijk is (Efeze 3 vers 16).

God zal alles wat hem betreft voleinden (vers 8) en dat niet door de verplettering van de bozen (het eind van Psalm 137), maar door de wederkomst van de Heere Jezus!

Psalm 139
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.2Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.3Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.4Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.5Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.6De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.7Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?8Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.9Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;10Ook daar zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.11Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.12Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.13Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.14Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken! ook weet het mijn ziel zeer wel.15Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.16Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.17Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!18Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.19O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!20Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.21Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?22Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.23Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.24En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.

We lezen in 1 Johannes 1 vers 5 dat God Licht is. En in Hebreeën 4 vers 13 staat: "En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem". Voor een zondaar is het vreselijk om te weten dat deze heilige blik, die zijn gedachten blootlegt en zijn diep verborgen gedachten kent, steeds op hem gericht is. In eerste instantie heeft hij dan ook slechts één gedachte: hoe kan ik aan deze vreselijke lichtstralen ontkomen. Maar zij dringen zelfs door tot in de diepste duisternis, waar hij zich probeerde te verbergen (vers 11). En ze zullen hem volgen tot aan het einde van de aarde, gaan zelfs terug tot in het verre verleden... (Genesis 3 vers 8; Johannes 3 vers 19). Het is ontzettend dwaas om te denken dat je God zou kunnen ontlopen. En het is eveneens dom om te menen dat je je kunt verbergen voor Hem, Die je juist gelukkig wil maken. Als je ziek bent, dan prakkiseer je er toch ook niet over om iets te verbergen voor de dokter. Je weet best, dat het in je eigen belang is, als je tenminste weer gezond wilt worden, dat je hem alles vertelt wat je voelt. Waarom dan anders handelen als God je ziel wil redden en je van de zonde wil bevrijden? Belijd Hem toch al het kwaad, van klein tot groot, dat je inwendig verteert. Laat je geweten grondig onderzoeken door Zijn licht. O, laten de woorden van vers 23 en 24 toch ook jouw gebed zijn: "Doorgrond mij, o God!" en onderzoek mij steeds opnieuw! Breng toch alles in orde in mijn leven. Laat me toch geen "schadelijke weg" inslaan (die U en mijzelf zoveel schade zal berokkenen), maar "leid mij op de eeuwige weg".

Psalm 140
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.2Red mij, HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;3Die veel kwaads in het hart denken, allen dag samenkomen om te oorlogen.4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.5Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.6De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.7Ik heb tot den HEERE gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter ore, o HEERE! de stem mijner smekingen.8HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.9Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela.10Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.11Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.12Een man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is.13Ik weet, dat de HEERE de rechtzaak des ellendigen, en het recht der nooddruftigen zal uitvoeren. [ (Psalms 140:14) Gewisselijk, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven. ]

Deze Psalm laat ons er iets van vermoeden hoeveel de gelovigen van het overblijfsel, in die vreselijke tijd van de verdrukking, te lijden zullen hebben.

Tot nu toe heeft de genade van God ons in onze landen bewaard voor vervolgingen. Maar toch is het goed onszelf af en toe eens de vraag te stellen: 'Als ik morgen als christen zou moeten lijden, zou ik dan deze naam nog willen dragen?'

Laten we bovendien nooit vergeten dat ook wij voortdurend met vijanden te doen hebben, vijanden die wij juist daarom zo afschuwelijk vinden, omdat wij ze zo goed kennen. Van deze kwade, gewelddadige mens (vers 2), die kwaad bedenkt (vers 3), die zijn tong scherpt als een slang (vers 4) en moeite doet om mijn voeten om te stoten (vers 5), laat de Brief aan de Romeinen ons iets vreselijks zien: hij woont in mijn eigen hart! (Romeinen 3 vers 13; 7 vers 17).

Diezelfde Brief bevat echter ook, om het zo maar te zeggen, zijn overlijdensbericht (lees Romeinen 6 vers 6). De dood heeft mij van deze "oude mens" bevrijd; ik hoef niet meer tegen hem te vechten, maar moet hem beschouwen als zijnde met Christus gekruisigd.

En wat de vijand van buitenaf betreft, ook dan is het God Die mij beschermt. De gelovige mag het zeggen: "HEERE, HEERE, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage van de strijd" (vers 7). De helm van het heil (of van de zaligheid) is een onmisbaar onderdeel van de wapenrusting van God (Efeze 6 vers 17).

Psalm 141, Psalm 142
1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.2Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.5De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.6Hun rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.7Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.8Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet.9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.10Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.
1Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was.2Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.3Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid.4Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.5Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel.6Tot U riep ik, o HEERE! ik zeide: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden.7Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. [ (Psalms 142:8) Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben. ]

Wij kunnen de Heere nooit vermoeien door tot Hem gaan! Integendeel zelfs, het gebed van een gelovige is juist een welriekende reuk voor Hem! (vers 2; vergelijk Openbaring 5 vers 8).

Helaas is onze mond echter ook in staat om bittere woorden uit te spreken. Zonder hulp van Boven zou niemand z'n tong in bedwang kunnen houden (Jakobus 3 vers 8 en 9). "HEERE! zet een wacht voor mijn mond", vraagt hier de man Gods. De mond spreekt echter alleen dat uit wat het hart bezighoudt (Psalm 39 vers 2 tot en met 4). Ook het hart heeft een opmerkzame "wacht" nodig, om niet te neigen "tot een kwade zaak" (vers 4).

Laten we ten slotte de terechtwijzing niet gaan beschouwen als een beschadiging van ons eergevoel, maar als een gunst, als "olie voor het hoofd", die de Heere voor de Zijnen bewaard heeft (vers 5; vergelijk 2 Samuël 16 vers 5 en 10; Galaten 6 vers 1).

Nu naar Psalm 142. Toen David door Saul vervolgd werd, verstopte hij zich in de spelonk van Adullam (1 Samuël 22; Psalm 57). Hij zwierf met zijn metgezellen rond "in woestijnen" en verborg zich "in spelonken, en in holen der aarde" (Hebreeën 11 vers 38). Er was voor hen geen enkele toevlucht van de kant van de mensen meer te verwachten (vers 5). Zijn geloof deed hem echter uitroepen: "0 HEERE!... Gij zijt mijn Toevlucht" (vers 6).

"De rechtvaardigen zullen mij omringen" (vers 8). Christus, de ware David, zal hen die Hij met Zijn gerechtigheid bekleed heeft, met Zich meevoeren in Zijn heerlijkheid.

Psalm 143
1Een psalm van David. O HEERE! hoor mijn gebed, neig de oren tot mijn smekingen; verhoor mij naar Uw waarheid, naar Uw gerechtigheid.2En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.5Ik gedenk aan de dagen van ouds; ik overleg al Uw daden; ik spreek bij mijzelven van de werken Uwer handen.6Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Sela.7Verhoor mij haastelijk, HEERE! mijn geest bezwijkt; verberg Uw aangezicht niet van mij, want ik zou gelijk worden dengenen, die in den kuil dalen.8Doe mij Uw goedertierenheid in den morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend den weg, dien ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op.9Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.10Leer mij Uw welbehagen doen, want Gij zijt mijn God! Uw goede Geest geleide mij in een effen land.11O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.12En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel beangstigen; want ik ben Uw knecht.

"Hoor mijn gebed...", roept de gelovige uit in zijn hoogste nood, "verberg Uw aangezicht niet van mij... verhoor mij". Wat een enorm verschil tussen deze onrust en het vaste vertrouwen dat vandaag het deel van de christen kan zijn! Laatstgenoemde is er zeker van dat hij, door de Heere Jezus, altijd vrije toegang heeft tot de Vader (Hebreeën 4 vers 16). En toch moet datzelfde verlangen naar gemeenschap ook hem aansporen. "Mijn ziel is voor U als een dorstig land" (vers 6; vergelijk Psalm 63 vers 2). Ja, elke dag, vanaf de vroege morgen, is het nodig dat ik niet alleen naar het Woord van God luister, maar ook Zijn goedertierenheid opmerk, door mijn hart voor Hem open te stellen (vers 8). Het bewustzijn van de liefde van de Heere zal mijn vertrouwen op Hem versterken. En dan zal ik Hem vragen mij Zijn weg bekend te maken en mij daar vervolgens op te doen wandelen.

Als ik Hem "mijn God" en mijzelf Zijn "knecht" noem (vers 12), dan verplicht ik mij ertoe datgene te doen waarin Hij een welgevallen heeft. En dan moet Zijn "goede Geest" mij geleiden "in een effen land" (vers 10). In werkelijkheid zijn deze dingen met elkaar verbonden. Aan de ene kant is het genieten van de gemeenschap met de Heere noodzakelijk, om Zijn wil te kennen. Aan de andere kant kunnen wij die gemeenschap alleen genieten wanneer wij in gehoorzaamheid Zijn wil doen!

Psalm 144
1Een psalm van David. Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog;2Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt!3O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?4De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.5Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.6Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.7Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;8Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.9O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.10Gij, die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;11Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;12Opdat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochter als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis.13Dat onze winkelen vol zijnde, den enen voorraad na den anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen.14Dat onze ossen wel geladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten.15Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk, wiens God de HEERE is.

"Leer mij Uw welbehagen doen", was het gebed in Psalm 143 vers 10. "...Die mijn handen onderwijst ten strijde", zegt David hier. De christelijke strijd kent ook zijn 'wetten'. En iedereen die hem wil "behagen, die hem tot de krijg aangenomen heeft" (2 Timotheüs 2 vers 4 en 5), moet in zekere zin eerst zijn militaire opleiding afsluiten. Maar om uiteindelijk de overwinnaar te kunnen worden, vertrouwt hij toch niet op zijn verworven ervaringen en evenmin op z'n eigen moed. De Heere Zelf, zegt hij hier, is "mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en aan Wie ik mij betrouw" (vers 2).

De Bevrijder van Boven, Die zal antwoorden op het roepen van het overblijfsel (vers 5 tot en met 11), zal uiteindelijk de poort tot de zegeningen van het duizendjarig rijk openen (vers 12 tot en met 15).

Laten we nooit vergeten dat in tegenstelling tot het aardse volk Israël, de tegenwoordige zegeningen van de christen geestelijk zijn, in de hemelse gewesten, in Christus (Efeze 1 vers 3). Daarom liggen die ook — evenals Christus — buiten het bereik van de beproevingen hier beneden en is het mogelijk om zelfs in de moeilijkste omstandigheden deze zegeningen te genieten.

Omgekeerd mogen wij, wanneer het lijkt dat het met onze gezondheid, onze zaak of gezinsleven heel goed gaat, daaruit niet de conclusie trekken dat het ook onze ziel goed gaat, noch dat wij in de weg van de Heere zijn. Helaas kan het ook heel anders zijn...

Psalm 145
1Een lofzang van David. Aleph. O mijn God, Gij Koning! ik zal U verhogen, en Uw Naam loven in eeuwigheid en altoos.2Beth. Te allen dage zal ik U loven, en Uw Naam prijzen in eeuwigheid en altoos.3Gimel. De HEERE is groot en zeer te prijzen, en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk.4Daleth. Geslacht aan geslacht zal Uw werken roemen; en zij zullen Uw mogendheden verkondigen.5He. Ik zal uitspreken de heerlijkheid der eer Uwer majesteit, en Uw wonderlijke daden.6Vau. En zij zullen vermelden de kracht Uwer vreselijke daden; en Uw grootheid, die zal ik vertellen.7Zain. Zij zullen de gedachtenis der grootheid Uwer goedheid overvloediglijk uitstorten, en zij zullen Uw gerechtigheid met gejuich verkondigen.8Cheth. Genadig en barmhartig is de HEERE, lankmoedig en groot van goedertierenheid.9Teth. De HEERE is aan allen goed, en Zijn barmhartigheden zijn over al Zijn werken.10Jod. Al Uw werken, HEERE, zullen U loven, en Uw gunstgenoten zullen U zegenen.11Caph. Zij zullen de heerlijkheid Uws Koninkrijks vermelden, en Uw mogendheid zullen zij uitspreken.12Lamed. Om de mensenkinderen bekend te maken Zijn mogendheden, en de eer der heerlijkheid Zijns Koninkrijks.13Mem. Uw Koninkrijk is een Koninkrijk van alle eeuwen, en Uw heerschappij is in alle geslacht en geslacht.14Samech. De HEERE ondersteunt allen, die vallen, en Hij richt op alle gebogenen.15Ain. Aller ogen wachten op U; en Gij geeft hun hun spijs te zijner tijd.16Pe. Gij doet Uw hand open, en verzadigt al wat er leeft, naar Uw welbehagen.17Tsade. De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken.18Koph. De HEERE is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid.19Resch. Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vrezen, en Hij hoort hun geroep, en verlost hen.20Schin. De HEERE bewaart al degenen, die Hem liefhebben; maar Hij verdelgt alle goddelozen.21Thau. Mijn mond zal den prijs des HEEREN uitspreken, en alle vlees zal Zijn heiligen Naam loven in der eeuwigheid en altoos.

Christus (van Wie David een voorbeeld is) heft hier de lofzang aan (zie het opschrift boven deze Psalm), de lofzang die zich in deze laatste Psalmen zal uitstrekken over de hele schepping (vergelijk Psalm 22 vers 26 en verder). En wij kunnen samen met Hem zingen: "0 mijn God... ik zal U verhogen... Te allen dage zal ik U loven... in eeuwigheid en altoos". "De HEERE is groot... en Zijn grootheid is ondoorgrondelijk" (vers 3). Zijn daden zijn machtig, wonderbaar en vreselijk (vers 4, 5, 6 en 12). Zijn goedertierenheid is groot en alomvattend (vers 7,8 en 9); de gedachtenis aan Zijn grootheid zal uitgestort worden (vers 7). Er wordt verteld van Zijn kracht en Zijn gerechtigheid zal geprezen worden. Maar één van Zijn heerlijkheden overtreft alle andere: dat is de genade (vers 8). Die genade brengt heil voort, maar in de verzen 14 tot en met 20 worden nog meer uitwerkingen genoemd.

De HEERE, de Jehova van het Oude Testament, ondersteunt (Psalm 37 vers 24)..., richt op (Psalm 146 vers 8)..., geeft voedsel en verzadigt (Psalm 107 vers 9)..., is nabij allen die Hem aanroepen (Psalm 34 vers 18 en 19)..., vervult de wensen van hen die Hem vrezen, hoort hun roepen en redt hen, en bewaart allen die Hem liefhebben. Ja, "uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade" (Johannes 1 vers 16). En al deze werkwoorden: "verhogen... loven... prijzen... roemen... vermelden... vertellen...", zijn niets anders dan het terechte antwoord van de verlosten op de ontplooiing van deze grote genade!

Psalm 146
1Hallelujah! O mijn ziel! prijs den HEERE.2Ik zal den HEERE prijzen in mijn leven; ik zal mijn God psalmzingen, terwijl ik nog ben.3Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.4Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen.5Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op den HEERE, zijn God is;6Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; Die trouwe houdt in der eeuwigheid.7Die den verdrukte recht doet, Die den hongerige brood geeft; de HEERE maakt de gevangenen los.8De HEERE opent de ogen der blinden; de HEERE richt de gebogenen op; de HEERE heeft de rechtvaardigen lief.9De HEERE bewaart de vreemdelingen; Hij houdt den wees en de weduwe staande; maar der goddelozen weg keert Hij om.10De HEERE zal in eeuwigheid regeren; uw God, o Sion! is van geslacht tot geslacht. Hallelujah!

Laten we niet wachten totdat we in de hemel zijn met het loven van onze Heiland-God. "Ik zal de HEERE prijzen in mijn leven", zegt de psalmist hier (vers 2; vergelijk Psalm 34 vers 2). Hij alleen is onze hulde, maar ook ons vertrouwen, waard. De verzen 3 en 4 waarschuwen ons er heel indringend voor om niet op mensen te vertrouwen. Dat gevaar is altijd aanwezig. Je kunt dat op verschillende manieren doen, door bijvoorbeeld te proberen een aanbeveling van iemand te krijgen. Verwacht toch geen enkele hulp van prinsen — ook al kan God zeer zeker bij gelegenheid van hen gebruik maken, ten gunste van ons. Ook al zijn ze nog zo hoog geplaatst, bij hen is geen heil te vinden (vers 3). Ze zijn gelijk aan "een voorbijgaande schaduw" (Psalm 144 vers 4). En als ze ongelovig zijn, dan zullen ze, samen met al hun plannen, op zekere dag te gronde gaan (vers 4).

Wat zouden we zeggen van een kind van welgestelde ouders, wanneer hij bij arme buren zou gaan bedelen? Wij hebben een oneindig machtige God als Vader, de alleenwijze God is het Die ons liefheeft (Romeinen 16 vers 27); wat willen we dan nog van mensen verwachten? Hij bevrijdt de gevangenen van satan (vers 7); Hij opent de ogen van het geloof (Efeze 1 vers 18); Hij richt hen die terneergedrukt worden door een zware last, weer op. Hij heeft de rechtvaardigen lief (vers 8). De vreemdeling en wees mogen Zijn zorg genieten, die tegemoet komt aan hun behoeften (vergelijk Lukas 4 vers 18). Laten we al deze weldaden van God toch eens optellen - we zullen zien dat het om een enorm aantal gaat (!) - dan kunnen we niet anders dan Hem aanbidden!

"Loof de HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden!" (Psalm 103 vers 2).

Psalm 147
1Looft den HEERE, want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl Hij liefelijk is; de lof is betamelijk.2De HEERE bouwt Jeruzalem; Hij vergadert Israels verdrevenen.3Hij geneest de gebrokenen van hart, en Hij verbindt hen in hun smarten.4Hij telt het getal der sterren; Hij noemt ze allen bij namen.5Onze Heere is groot en van veel kracht; Zijns verstands is geen getal.6De HEERE houdt de zachtmoedigen staande; de goddelozen vernedert Hij, tot de aarde toe.7Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.8Die de hemelen met wolken bedekt, Die voor de aarde regen bereidt; Die het gras op de bergen doet uitspruiten;9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.10Hij heeft geen lust aan de sterkte des paards; Hij heeft geen welgevallen aan de benen des mans.11De HEERE heeft een welgevallen aan hen, die Hem vrezen, die op Zijn goedertierenheid hopen.12O Jeruzalem! roem den HEERE; o Sion! loof uw God.13Want Hij maakt de grendelen uwer poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u.14Die uw landpalen in vrede stelt; Hij verzadigt u met het vette der tarwe.15Hij zendt Zijn bevel op aarde; Zijn woord loopt zeer snel.16Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit den rijm als as.17Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?18Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.19Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israel Zijn inzettingen en Zijn rechten.20Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet. Hallelujah!

De Psalmen 146 tot en met 150 beginnen en eindigen allemaal met "Looft de HEERE", anders gezegd: "Hallelujah!" Deze uitroep van vreugde zal de aarde vervullen wanneer Israël bijeen vergaderd en Jeruzalem weer opgebouwd zal zijn (vers 2).

Aan wie heeft de God van Israël een welgevallen? Aan hen die Hem vrezen en die nederig op Zijn goedheid vertrouwen. Hij heeft daarentegen geen welgevallen aan de sterkte waarop de mens zich beroemt (vers 10 en 11; Openbaring 3 vers 8).

Zelfs in onze tijd, waarin alles gekenmerkt wordt door snelheid, zijn noch "de benen van de man" (vers 10), noch de laatste technische uitvindingen nodig om het Woord van de Heere "zeer snel" te laten lopen (vers 15; 2 Thessalonika 3 vers 1). Wanneer elke gelovige persoonlijk, op de plaats waar hij gesteld is, getuigenis zou afleggen, zou het evangelie zich heel snel in eigen kracht verbreiden (Psalm 68 vers 12).

Het ondoorgrondelijke bezig zijn van God omvat verschillende terreinen, zoals het genezen van hen die gebroken van hart zijn (vers 3) en het tellen van de sterren (vers 4). Maar Hij zorgt ook dat de jaargetijden wisselen, ten gunste van Zijn schepselen. Hij zorgt voor de regen (vers 8; Deuteronomium 28 vers 12), geeft sneeuw (vers 16), laat Zijn wind waaien (vers 18). Laten we daar goed om denken, wanneer we eens menen te moeten klagen over het weer!

Ja, "onze Heere is groot en van veel kracht; aan Zijn verstand is geen getal" (vers 5).

Psalm 148
1Hallelujah! Looft den HEERE uit de hemelen; looft Hem in de hoogste plaatsen!2Looft Hem, al Zijn engelen! Looft Hem, al Zijn heirscharen!3Looft Hem, zon en maan! Looft Hem, alle gij lichtende sterren!4Looft Hem, gij hemelen der hemelen! en gij wateren, die boven de hemelen zijt!5Dat zij den Naam des HEEREN loven; want als Hij het beval, zo werden zij geschapen.6En Hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid; Hij heeft hun een orde gegeven, die geen van hen zal overtreden.7Looft den HEERE, van de aarde; gij walvissen en alle afgronden!8Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!9Gij bergen en alle heuvelen; vruchtbomen en alle cederbomen!10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!11Gij koningen der aarde, en alle volken, gij vorsten, en alle rechters der aarde!12Jongelingen en ook maagden; gij ouden met de jongen!13Dat zij den Naam des HEEREN loven; want Zijn Naam alleen is hoog verheven; Zijn majesteit is over de aarde en den hemel.14En Hij heeft den hoorn Zijns volks verhoogd, den roem al Zijner gunstgenoten, der kinderen Israels, des volks, dat nabij Hem is. Hallelujah!

Deze Psalm brengt de allesomvattende lof tot een hoogtepunt. Het zal zowel in de hemelen (vers 1 tot en met 6) als ook op de aarde (vers 7 tot en met 13) weerklinken. Het zal een wonderbaar concert zijn, waaraan ieder schepsel zijn toon mag bijdragen!

Maar hoe bestaat het, dat stoffelijke dingen opgeroepen worden om in te stemmen met deze symfonie (vers 3, 7 en verder)? Romeinen 8 laat ons zien dat de hele schepping na de zondeval aan de vruchteloosheid (ijdelheid) onderworpen is; de mens heeft er slechts gebruik van gemaakt tot eigen roem. Maar het ogenblik komt dat de schepping uiteindelijk "zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis" en alleen God verheerlijkt wordt (Romeinen 8 vers 20 en 21; Jesaja 55 vers 12 en 13). Het 'zuchten' van nu zal dan veranderd zijn in een prachtig opbloeien. Ja, op haar manier zal zij dan spreken van de heerlijkheid van God en haar stem zal gehoord worden (Psalm 19 vers 2 tot en met 4). Tegelijkertijd zal zij haar Schepper en Bevrijder verheffen, Hem Die haar gemaakt heeft en Die door Zijn kruis de grondslag heeft gelegd tot de "wederoprichting aller dingen" (Handelingen 3 vers 21).

Vers 12 doet ons denken aan het mooie antwoord dat Mozes aan farao gaf: "Wij zullen gaan met onze jongen en met onze oude lieden; met onze zonen en en met onze dochters... want wij hebben een feest des HEEREN" (Exodus 10 vers 9). En vers 14 laat ons de plaats zien die God in de toekomst aan Israël zal geven, dit volk "dat nabij Hem is".

Psalm 149, Psalm 150
1Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de gemeente Zijner gunstgenoten.2Dat Israel zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.3Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.4Want de HEERE heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil.5Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun legers.6De verheffingen Gods zullen in hun keel zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand;7Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;8Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;9Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah!
1Hallelujah! Looft God in Zijn heiligdom; looft Hem in het uitspansel Zijner sterkte!2Looft Hem vanwege Zijn mogendheden; looft Hem naar de menigvuldigheid Zijner grootheid!3Looft Hem met geklank der bazuin; looft Hem met de luit en met de harp!4Looft Hem met de trommel en fluit; looft Hem met snarenspel en orgel!5Looft Hem met hel klinkende cimbalen; looft Hem met cimbalen van vreugdegeluid!6Alles, wat adem heeft, love den HEERE! Hallelujah!

We zijn aan het eind van het Boek van de Psalmen aangekomen, het Boek van de ervaring, waarvan de laatste pagina pas aan het eind van ons aardse bestaan omgeslagen zal worden. En we moeten vaststellen dat al het lijden wat er in beschreven staat, slechts dit ene doel had: God te loven, door alles wat adem heeft. O, dat het bij ons toch zo mag zijn, dat elke beproeving "bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus" (1 Petrus 1 vers 7).

Het Boek van de Psalmen begon ermee dat God de mensen gelukkig prees, en het eindigt met de lof aan God door de mensen. We hebben gehoord dat het "Hallelujah" achtereenvolgens ten eerste werd uitgezongen door het bevrijde overblijfsel (Psalm 146), daarna door Jeruzalem (Psalm 147) en ten slotte door de schepping (Psalm 148). Psalm 149 heeft het nieuwe lied van Israël en de laatste oordelen, die aan de oprichting van het rijk voorafgaan, als onderwerp.

Psalm 150 antwoordt ten slotte op alle vragen met betrekking tot de lof: Wie moet er aanbeden worden? Maar ook, waar (vers 1), waarom (vers 2), hoe (vers 3 tot en met 5) en door wie (vers 6) moet Hem de aanbidding gebracht worden?

Alle verschillende uitdrukkingen van deze allesomvattende lof vormen samen een volkomen harmonie. Dit lied is eenmalig: het verheft de machtige daden en oneindige grootheid van Hem, Die dan al Zijn raadsbesluiten tot Zijn eigen verheerlijking en tot een allesomvattende zegen vervuld zal hebben.

Spreuken 16:1-15
1De mens heeft schikkingen des harten; maar het antwoord der tong is van den HEERE.2Alle wegen des mans zijn zuiver in zijn ogen; maar de HEERE weegt de geesten.3Wentel uw werken op den HEERE, en uw gedachten zullen bevestigd worden.4De HEERE heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil; ja, ook den goddeloze tot den dag des kwaads.5Al wie hoog is van hart, is den HEERE een gruwel; hand aan hand, zal hij niet onschuldig zijn.6Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.7Als iemands wegen den HEERE behagen, zo zal Hij ook zijn vijanden met hem bevredigen.8Beter is een weinig met gerechtigheid, dan de veelheid der inkomsten zonder recht.9Het hart des mensen overdenkt zijn weg; maar de HEERE stiert zijn gang.10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.11Een rechte waag en weegschaal zijn des HEEREN; alle weegstenen des zaks zijn Zijn werk.12Het is der koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd.13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.14De grimmigheid des konings is als de boden des doods; maar een wijs man zal die verzoenen.15In het licht van des konings aangezicht is leven; en zijn welgevallen is als een wolk des spaden regens.

Laten we er altijd aan denken dat de meeste gedachten en beginselen in het Boek van de Spreuken een bepaalde onderlinge samenhang hebben. En het is heel belangrijk die te zien en te onderzoeken.

Vers 1 zegt ons: "De mens heeft beraadslagingen des harten". Dus de mens bedenkt van alles in zijn eigen hart. "Het hart des mensen overdenkt zijn weg", gaat vers 9 verder. En deze beraadslagingen, deze wegen, kunnen iedereen die zijn eigen hart niet kent en diens beweegredenen niet beoordeelt, zuiver (vers 2) en recht (vers 25) toe lijken. Een arme wat geld toestoppen, is op zich een goede zaak, maar het kan ook gegeven worden om zelf in aanzien te komen bij anderen (Mattheüs 6 vers 1). Maar God, Die de harten "weegt" (Spreuken 21 vers 2), herkent in onze bedoelingen de schadelijke wegen of de wegen van de dood (vers 25; Psalm 139 vers 24). Laten we dan ook de raad uit vers 3 opvolgen en alles wat ons bezighoudt aan de Heere overgeven, of het daarbij nu om grote of kleine dingen gaat (Job 5 vers 8). Hem laten handelen; Hem onze weg laten bepalen; hetgeen we zeggen, door Hém laten voorschrijven; dát is echte afhankelijkheid. Dát is de houding waarin de Heere een welgevallen heeft en die voor ons veilig is.

De verzen 10 tot en met 15 leren ons wat gepast is voor een koning. Laten we daarbij ook denken aan de waardigheid waartoe de genade van de Heere ons verheven heeft (Openbaring 5 vers 10). 'Adeldom verplicht', zeggen we wel eens (vergelijk Jesaja 32 vers 8). Rechtvaardigheid en oprechtheid moeten de kenmerken zijn van de mede-erfgenamen van het rijk.

Spreuken 16:16-33
16Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen, dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!17De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijn ziel, die zijn weg bewaart.18Hovaardigheid is voor de verbreking, en hoogheid des geestes voor den val.19Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedigen, dan roof te delen met de hovaardigen.20Die op het woord verstandelijk let, zal het goede vinden; en die op den HEERE vertrouwt, is welgelukzalig.21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.22Het verstand dergenen, die het bezitten, is een springader des levens; maar de tucht der dwazen is dwaasheid.23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.31De grijsheid is een sierlijke kroon; zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.32De lankmoedige is beter dan de sterke; en die heerst over zijn geest, dan die een stad inneemt.33Het lot wordt in den schoot geworpen; maar het gehele beleid daarvan is van den HEERE.

Als er bekendgemaakt zou worden dat er op een bepaalde plek hier op aarde goud gevonden is, dan zouden daar in een mum van tijd steden ontstaan. Een advertentie met de mededeling dat men op heel eenvoudige wijze geld kan verdienen, zal talloze reacties opleveren. Het verkrijgen van wijsheid zal daarentegen geen al te grote wedloop ontketenen (vergelijk vers 16). De waarde hiervan wordt alleen door de discipelen (de volgelingen) van de Heere Jezus, die acht slaan op Zijn woorden, ingezien (vers 20; Psalm 119 vers 127). De buit die met hoogmoedigen gedeeld wordt, heeft voor hen geen aantrekkingskracht meer. Nee, zo'n discipel houdt zich liever op bij de nederigen en zachtmoedigen (vers 19). U en jij ook?

Het is het hart van de wijze dat zijn mond inzicht geeft (vers 23). Liefde dicteert hem "liefelijke redenen", die voor zieke zielen als een medicijn werken.

In tegenstelling tot de oprechten (vers 17) en hem die wijs van hart is (vers 21), tonen de verzen 27 tot en met 30 ons de "Belialsman", die "verkeerd" en gewelddadig is. Hij "graaft kwaad", lastert, zaait tweedracht, brengt scheiding en verleidt anderen tot kwaad. Laten we oppassen voor zulke gevaarlijke metgezellen. Laten we in deze wereld toch de weg van de oprechten volgen, die op hun hoede zijn en het kwaad willen mijden (vers 17; 2 Timotheüs 2 vers 22).

Ook is het goed om nog eens na te denken over vers 32. De mooiste overwinning die een mens kan behalen, is dat hij zijn eigen geest beheerst. (Dit staat in schril contrast met hoofdstuk 25 vers 28).

Spreuken 17:1-14
1Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan een huis vol van geslachte beesten met twist.2Een verstandig knecht zal heersen over een zoon, die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis delen.3De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; maar de HEERE proeft de harten.4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.5Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker; die zich verblijdt in het verderf, zal niet onschuldig zijn.6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.8Het geschenk is in de ogen zijner heren een aangenaam gesteente; waarhenen het zich zal wenden, zal het wel gedijen.9Die de overtreding toedekt, zoekt liefde; maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voornaamsten vriend.10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.11Zekerlijk, de wederspannige zoekt het kwaad; maar een wrede bode zal tegen hem gezonden worden.12Dat een beer, die van jongen beroofd is, een man tegemoet kome, maar niet een zot in zijn dwaasheid.13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.14Het begin des krakeels is gelijk een, die het water opening geeft; daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.

Vrede in een huis is vele malen belangrijker dan welke vorm van rijkdom of succes dan ook (vers 1).

Vers 14 laat ons zien hoe een strijd begint. Men laat verkeerde woorden aan de mond ontsnappen. Je handelt dan net als iemand "die het water opening geeft". Probeer dat later maar eens weer terug te nemen!

Maar als de strijd ergens is begonnen en heftig dreigt te worden, dan is het goed de volgende houding aan te nemen: "verlaat de strijd".

Het kan ook zijn dat je onenigheid veroorzaakt zonder daarbij zelf tot één van de strijdende partijen te behoren. Je kunt bijvoorbeeld een bepaalde zaak weer aanhalen in plaats van haar toe te dekken (vers 9). "De liefde dekt alle overtredingen toe" (hoofdstuk 10 vers 12; 1 Petrus 4 vers 8). Bewust over de fouten van iemand anders zwijgen, betekent echt niet altijd dat je er mee instemt of ze probeert te verontschuldigen. Nee, integendeel, je lijdt eronder en je schaamt je ervoor ze weer op te noemen.

Verstandig is hij die z'n voordeel weet te behalen uit elke terechtwijzing, ook uit een bestraffing, opdat hij vooruitgang boekt (vers 10). Het geloof in het hart van de gelovige is veel kostbaarder dan goud. Dat geloof kan niet vergaan. Wel is het nodig dat de beproeving dit geloof van alle slakken (onreinheid) reinigt. God handelt dan als een zilver- of goudsmid, die dit edelmetaal smelt in een smeltkroes of oven, zoals we dat ook lezen in Maleachi 3 vers 3. Door Zijn werk reinigt Hij de Zijnen van alles wat niet verenigbaar is met Zijn heiligheid (Job 23 vers 10).

Spreuken 17:15-28
15Wie den goddeloze rechtvaardigt, en den rechtvaardige verdoemt, zijn den HEERE een gruwel, ja, die beiden.16Waarom toch zou in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te kopen, dewijl hij geen verstand heeft?17Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.18Een verstandeloos mens klapt in de hand, zich borg stellende bij zijn naaste.19Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lief; die zijn deur verhoogt, zoekt verbreking.20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.21Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.22Een blij hart zal een medicijn goed maken; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.23De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.24In het aangezicht des verstandigen is wijsheid; maar de ogen des zots zijn in het einde der aarde.25Een zotte zoon is een verdriet voor zijn vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.26Het is niet goed, den rechtvaardige ook te doen boeten, dat de prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.27Wie wetenschap weet, houdt zijn woorden in; en een man van verstand is kostelijk van geest.28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.

Een dienstknecht van de Heere schrijft: 'Het is werkelijk een grote genade van de kant van God, de Goddelijke wijsheid toe te passen op alle aspecten van het leven van de mensen, te midden van de verwarring die door de zonde is ontstaan'. Het gevolg daarvan is, dat wij verantwoordelijk zijn deze wijsheid in ons dagelijks leven in daden om te zetten! Ze is ons gegeven om 'uitgeleefd' te worden, en "de verstandige" houdt haar steeds voor ogen (vers 24; Prediker 2 vers 14). De dwaas daarentegen laat zijn fantasie de vrije loop en in gedachten en ijdele begeerten zwerft hij tot aan het einde van de aarde. We denken daarbij aan de verloren zoon, die de goederen van zijn vader er in een ver land doordraaide. O, wat bezorgt een dwaas zoon zijn ouders toch veel verdriet! (vers 21 en 25). Laten we Salomo, de schrijver van dit Boek, toch meer navolgen. Hij had namelijk voor zichzelf om "een verstandig hart" gebeden (1 Koningen 3 vers 9).

Wie borg staat voor iemand, is een valse vriend. Hij vertrouwt zijn naaste op ondoordachte wijze en noodzaakt deze naaste vervolgens zijn vertrouwen op hem te stellen (vers 18; Jeremia 17 vers 5). Vers 17 toont ons daarentegen waar men een ware vriend aan kan herkennen. Hij openbaart zich in de moeilijkheden en dan wordt ook duidelijk wat een broeder is. "Een vriend heeft te allen tijd lief". Wie zou meer recht op deze naam hebben dan de Heere Jezus Zelf? "Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zet voor zijn vrienden" (Johannes 15 vers 13). En juist dàt heeft Hij gedaan!

Spreuken 18:1-24
1Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks; hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid.2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.3Als de goddeloze komt, komt ook de verachting en met schande versmaadheid.4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.5Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.8De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.9Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.10De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden.11Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijn inbeelding.12Voor de verbreking zal des mensen hart zich verheffen; en de nederigheid gaat voor de eer.13Die antwoord geeft, eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.14De geest eens mans zal zijn krankheid ondersteunen; maar een verslagen geest, wie zal dien opheffen?15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.17Die de eerste is in zijn twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.18Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tussen machtigen.19Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis.20Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.21Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.22Die een vrouw gevonden heeft, heeft een goede zaak gevonden, en hij heeft welgevallen getrokken van den HEERE.23De arme spreekt smekingen; maar de rijke antwoordt harde dingen.24Een man, die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden; want er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.

Zich afzijdig houden en alleen voor zichzelf leven, is een teken van zelfzuchtigheid en vaak ook van hoogmoed. Romeinen 15 vers 1 tot en met 3 haalt het voorbeeld van de Heere Jezus aan en vermaant ons, niet datgene te zoeken wat onszelf bevalt (vers 1), maar juist dat wat tot nut en opbouwing van onze naaste is. De tong is het middel om te communiceren met de naaste, hetzij ten goede of ten kwade. De mond kan een "springader der wijsheid" zijn (vers 4), maar kan ook strijd oproepen (vers 6), geruchten verspreiden (vers 8), pronken (vers 12; Jakobus 3 vers 5), voorbarige antwoorden geven (vers 13) en een hard oordeel vellen (vers 23). Maar... deze verdrietige vruchten van het vlees worden gegeten door degene die ze zelf voortgebracht heeft (vers 20 en 21; Lukas 6 vers 38). Ze zullen voor hem als slagen zijn (vers 6), tot ondergang, tot een valstrik voor zijn ziel worden (vers 7), ja, tot schande (vers 13), zelfs tot de dood (vers 21). In sommige Bijbelvertalingen staat er in vers 8 dat de woorden van de oorblazer (lasteraar) "zijn als lekkernijen". Daar lijkt het op, maar in werkelijkheid is het vergif en wat ligt er een bittere nasmaak in verborgen!

De verzen 11 en 12 laten ons nog een andere vorm van dwaasheid zien. Dat is de dwaasheid van een hooggeplaatst mens die alle vertrouwen in de onzekerheid van de rijkdom gesteld heeft en meent daardoor veilig te zijn en beschermd te worden (lees ook Markus 10 vers 24). Voor de rechtvaardige is er echter geen enkele andere toevlucht dan de Naam van de Heere, Die sterker is dan de sterkste toren (vers 10; vergelijk Psalm 91 vers 2).

Spreuken 19:1-14
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.4Het goed brengt veel vrienden toe; maar de arme wordt van zijn vriend gescheiden.5Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal niet ontkomen.6Velen smeken het aangezicht des prinsen; en een ieder is een vriend desgenen, die giften geeft.7Al de broeders des armen haten hem; hoeveel te meer gaan zijn vrienden verre van hem! Hij loopt hen na met woorden die niets zijn.8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.9Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal vergaan.10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!11Het verstand des mensen vertrekt zijn toorn; en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.12Des konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws; maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.13Een zotte zoon is zijn vader grote ellende; en de kijvingen ener vrouw als een gestadig druipen.14Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.

"Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed" (vers 2). Want zo'n ziel is blootgesteld aan alle gevaren, waar ze geen acht op slaat. Bovendien loopt iemand die niet tegengehouden wordt door de waarschuwingen van het Woord, het gevaar om overhaast te handelen of te spreken en daardoor een misstap te begaan (dat wil zeggen: te zondigen; vers 2). Als we onze eigen ziel liefhebben — en we bezitten immers niets wat kostbaarder is! — dan hebben erop toe te zien dat ze onderwezen wordt, opdat ze verstand verkrijgt (vers 8).

Meerdere verzen spreken over de arme. De achting die mensen in deze wereld ondervinden, staat vaak in nauw verband met hun vermogen. Maar al te vaak worden arme mensen geminacht, zelfs wanneer men hen ondersteunt (Jakobus 2 vers 6). Maar God denkt eraan dat Zijn Zoon hier beneden "de Arme" was. Hij bekommert Zich om hen die in oprechtheid hun weg gaan (vers 1; hoofdstuk 22 vers 23), en Hij opent Zijn hemel voor hen (Lukas 14 vers 21 en verder en Lukas 16 vers 22). "Het goed (rijkdom) brengt veel vrienden toe" (vers 4; hoofdstuk 14 vers 20). Maar het is dan wel een heel speciaal soort vrienden, je zou ze beter vijanden kunnen noemen. Zulke mensen praten met je mee en in feite werken ze op die manier mee aan de ondergang van hun `slachtoffers'!

De mens die arm en van iedereen verlaten is, kan echter de ware Vriend vinden, Die altijd bij hem blijft. Dat is de Heere Jezus, Die "meer aanhankelijk is dan een broeder" (hoofdstuk 18 vers 24).

Spreuken 19:15-29
15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.16Die het gebod bewaart, bewaart zijn ziel; die zijn wegen veracht, zal sterven.17Die zich des armen ontfermt, leent den HEERE, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden.18Tuchtig uw zoon, als er nog hoop is; maar verhef uw ziel niet, om hem te doden.19Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zo gij hem uitredt, zo zult gij nog moeten voortvaren.20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.21In het hart des mans zijn veel gedachten; maar de raad des HEEREN, die zal bestaan.22De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.24Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijn mond brengen.25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.26Wie de vader verwoest, of de moeder verjaagt, is een zoon, die beschaamd maakt, en schande aandoet.27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.28Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.29Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.

Luiheid heeft, vooral als het om het horen gaat (Hebreeën 5 vers 11), voor de trage ziel verwoestende gevolgen (vers 15). Dat doet iemand "in diepe slaap vallen", en zo iemand zou juist moeten waken en wachten op de komst van de Heere (vergelijk Mattheüs 25 vers 5). Luiheid veroorzaakt ook honger voor de ziel en in geestelijk opzicht word je arm (hoofdstuk 20 vers 13). En, beste vriend, wanneer je ziel honger heeft, maak dan niet de fout dat je haar gaat voeden met hetgeen niet kan verzadigen (Jesaja 55 vers 2). Er bestaat maar één soort gezonde 'voeding' voor de ziel: het Woord van God. Met Christus, het ware Brood uit de hemel, verzadigd te worden, geeft volgens vers 23 de zekerheid dat je niet door het kwaad bezocht zult worden.

Behalve woorden van wijsheid bestaat er ook een soort onderwijzing die je doet afdwalen (vers 27; 1 Timotheüs 6 vers 20 en 21). Hierbij gaat het om de vrucht van al die gedachten die in het hart van de mens opkomen (vers 21). Daarnaar te luisteren betekent dat je van de weg van gehoorzaamheid afwijkt en daarom tuchtiging nodig hebt (vers 18 en 25). Bij tucht denken wij vaak alleen maar aan straf, maar het gaat meer om correctie. Denk maar aan de piloot van een vliegtuig die op aanwijzingen van de verkeersleiding de koers van zijn machine iets wijzigt. De terechtwijzingen van de Heere moeten deze uitwerking op ons hebben. Tucht is een voorrecht voor de zoon (vers 18; hoofdstuk 13 vers 24) en hij die verstandig is, zal er baat bij vinden (vers 25; hoofdstuk 9 vers 8).

Spreuken 20:1-14
1De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig; al wie daarin dwaalt, zal niet wijs zijn.2De schrik des konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijn ziel.3Het is eer voor een man, van twist af te blijven; maar ieder dwaas zal er zich in mengen.4Om den winter zal de luiaard niet ploegen; daarom zal hij bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn.5De raad in het hart eens mans is als diepe wateren; maar een man van verstand zal dien uithalen.6Elk van de menigte der mensen roept zijn weldadigheid uit; maar wie zal een recht trouwen man vinden?7De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem.8Een koning, zittende op den troon des gerichts, verstrooit alle kwaad met zijn ogen.9Wie kan zeggen: Ik heb mijn hart gezuiverd, ik ben rein van mijn zonde?10Tweeerlei weegsteen, tweeerlei efa is den HEERE een gruwel, ja die beide.11Een jongen zal ook door zijn handelingen zich bekend maken, of zijn werk zuiver, en of het recht zal wezen.12Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide.13Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uw ogen, verzadig u met brood.14Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.

Wijn, dat een beeld is van de gemeenschap met de vreugde van de wereld, leidt tot spotternij (vers 1; lees ook Jesaja 28 vers 7 en 14).

Veel mensen die niet aarzelen om hun eigen "weldadigheid" (vers 6), hun eigen onberispelijkheid (vers 9; vergelijk 1 Johannes 1 vers 8 en 10) uit te bazuinen, laten daarmee zien dat ze hun natuurlijk hart slecht kennen. Alleen de nieuwe mens (de rechtvaardige) is welgevallig voor God, door in getrouwheid en oprechtheid te wandelen (vers 7).

Vers 10 kunnen we in verbinding brengen met Deuteronomium 25 vers 13 tot en met 16: "Gij zult geen tweeërlei weegstenen in uw zak hebben... Gij zult een volkomen en zuivere weegsteen hebben". In de praktijk van alle dag betekent dit bijvoorbeeld, dat men de fouten van zichzelf niet met toegevendheid en die van de ander juist streng beoordeelt.

Dat brengt ons bij vers 11. Hoe jong een christen ook mag zijn, er wordt van hem verwacht dat hij zich als dusdanig bekendmaakt. En dat gebeurt meer door zijn wandel dan door zijn woorden. Dat wil zeggen dat hij rein en oprecht moet zijn, dat hij afstand moet nemen van elke vorm van ongeregeldheid, elk slecht gedrag en elke vorm van bedrog. Zo'n wandel valt op, omdat zij zich van het tweeslachtig en onbehoorlijk gedrag van veel 'kameraden' onderscheidt! De Heere helpe ons om een moedig getuigenis voor Hem af te leggen, door een voorbeeld te nemen aan de trouw die alleen Hij volkomen verwerkelijkt heeft (vergelijk het eind van vers 6)!

Spreuken 20:15-30
15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.16Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed; en pand hem voor de onbekenden.17Het brood der leugen is den mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.18Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.19Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.20Wie zijn vader of zijn moeder vloekt, diens lamp zal uitgeblust worden in zwarte duisternis.21Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.22Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden; wacht op den HEERE, en Hij zal u verlossen.23Tweeerlei weegsteen is den HEERE een gruwel, en de bedriegelijke weegschaal is niet goed.24De treden des mans zijn van den HEERE; hoe zou dan een mens zijn weg verstaan?25Het is een strik des mensen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften, onderzoek te doen.26Een wijs koning verstrooit de goddelozen, en hij brengt het rad over hen.27De ziel des mensen is een lamp des HEEREN, doorzoekende al de binnenkameren des buiks.28Weldadigheid en waarheid bewaren den koning; en door weldadigheid ondersteunt hij zijn troon.29Der jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden heerlijkheid is de grijsheid.30Gezwellen der wonde zijn in den boze een zuivering, mitsgaders de slagen van het binnenste des buiks.

Iemand heeft Spreuken eens vergeleken met een leidraad die ons in de doolhof van deze wereld, waar een misstap vaak zulke bittere gevolgen kan hebben, de weg van wijsheid en leven toont. Te midden van de duidelijk waarneembare verwarring en het verval in moreel opzicht kan iedereen in dit Boek praktische lessen vinden, die nodig zijn om de valstrikken te ontlopen (vers 25). Leugen, kwaadsprekerij, ongepaste woorden tegenover de ouders, hebzucht, wraakgevoelens, bedrog, het niet nakomen van beloften..., om voor deze gevaren bewaard te blijven, is het verstandig om het gezelschap van bepaalde personen te ontvluchten (Psalm 1 vers 1). Vers 19 geeft de raad: "Vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt". Als we omgang hebben met zo iemand, dan zullen kwaadsprekerij en valse beschuldigingen het gevolg zijn, en er is geen opbouwing. En onze eigen vertrouwelijke mededelingen zullen overal verspreid worden.

De lippen van wetenschap (wijsheid) zijn precies het tegenovergestelde van hetgeen hierboven genoemd is. Zulke lippen lijken als het ware op een vaas waarin het boeket van geopenbaarde waarheden prachtig tot zijn recht komt; de juiste vaas geeft waarde aan een boeket! (vers 15; Efeze 4 vers 29).

Laten we daarom altijd omgang zoeken met hen die ons de lessen van wijsheid kunnen meedelen (vergelijk hoofdstuk 8 vers 11 en 19). Dat heeft veel meer waarde dan het vergankelijke goud of een "menigte van robijnen". "Het sieraad der jongelingen is hun kracht" (vers 29), een kracht die haar oorsprong vindt in de Heere en in staat stelt de boze te overwinnen (Efeze 6 vers 10; 1 Johannes 2 vers 13 en 14).

Spreuken 21:1-14
1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.2Alle weg des mensen is recht in zijn ogen; maar de HEERE weegt de harten.3Gerechtigheid en recht te doen is bij den HEERE uitgelezener dan offer.4Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, en de ploeging der goddelozen, zijn zonde.5De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.6Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.8De weg des mensen is gans verkeerd en vreemd; maar het werk des zuiveren is recht.9Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.10De ziel des goddelozen begeert het kwaad; zijn naaste krijgt geen genade in zijn ogen.11Als men den spotter straft, wordt de slechte wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.13Die zijn oor stopt voor het geschrei des armen, die zal ook roepen, en niet verhoord worden.14Een gift in het verborgene houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.

Veel mensen denken God niets schuldig te zijn als ze Hem af en toe een paar goede werken als 'offer' brengen. Ze menen dat ze zichzelf door het volbrengen van bepaalde godsdienstige handelingen of het houden van bepaalde geboden, kunnen verlossen van een zondig leven. Wat een noodlottige vergissing! Er is slechts één ding dat de Heere welgevallig is, namelijk "gerechtigheid en recht te doen" (vers 3). Maar dat is iets wat alleen de rechtvaardige kan doen, dus hij die door God gerechtvaardigd is. Tot aan de bekering wordt ieder mens gekenmerkt door zijn boze hart. Z'n geheime verlangens zijn het kwaad toegewijd; alleen hijzelf staat in het middelpunt; hij heeft geen liefde voor de naaste (vers 10), noch oprecht medelijden met hen die door het ongeluk getroffen zijn (vers 13). Al deze gevoelens kunnen soms door een aangeboren vriendelijkheid verdoezeld, of met een zeker natuurlijk meevoelen met iemand vermengd worden (een ongelovige kan een 'goed' hart hebben of zich door oprechtheid profileren; vers 2). In werkelijkheid heeft het echt goed en oprecht zijn, zijn oorsprong alleen in God, en de volmaakte vervulling hiervan wordt alleen in Christus gevonden. Vers 12 brengt ons bij Hem. Hij was "de zeer Rechtvaardige" (Job 34 vers 17) en als zodanig heeft alleen Hij het recht om te richten (Johannes 5 vers 27 tot en met 30). Hij "let verstandig op het huis van de goddeloze", en als Hij daarin werkelijk geen ommekeer bespeurt, zal Hij het in het ongeluk storten (vers 12; Psalm 37 vers 35 en 36).

Spreuken 21:15-31
15Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.16Een mens, die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der doden rusten.17Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.18De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten.19Het is beter te wonen in een woest land, dan bij een zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.20In des wijzen woning is een gewenste schat, en olie; maar een zot mens verslindt zulks.21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.22De wijze beklimt de stad der geweldigen, en werpt de sterkte huns vertrouwens neder.23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.24Die een hovaardig pocher is, zijn naam is spotter; hij gaat met hovaardige verbolgenheid te werk.25De begeerte des luiaards zal hem doden, want zijn handen weigeren te werken.26Den gansen dag begeert hij begeerlijke dingen; maar de rechtvaardige zal geven, en niet inhouden.27Het offer der goddelozen is een gruwel; hoeveel te meer, als zij het met een schandelijk voornemen brengen!28Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal spreken tot overwinning.29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.30Er is geen wijsheid, en er is geen verstand, en er is geen raad tegen den HEERE.31Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des HEEREN.

Gerechtigheid en recht doen, is niet alleen iets wat aangenaam voor de Heere is (vers 3), maar ook een vreugde voor hem die het in praktijk brengt (vers 15). Veel mensen menen dat het christen zijn iets moeilijks en dwangmatigs is. Maar juist het tegendeel is waar! De gelovige die in een goede geestelijke toestand verkeert, ervaart het als iets heerlijks om de Heere gehoorzaam te zijn. En omgekeerd heeft datgene wat de wereld vreugde noemt, helemaal geen aantrekkingskracht meer voor zijn hart (vers 17).

In de woning van een wijze bevindt zich een kostbare schat (het Woord van God) en olie (de kracht van de Heilige Geest) (vers 20; vergelijk 1 Koningen 17 vers 16). De wijze heeft dit 'voedsel' nodig om op de weg van rechtvaardigheid en weldadigheid te kunnen wandelen (vers 21). Door hiervan 'te eten', krijgt hij geestelijke kracht om de macht van de vijand te overwinnen en ten val te brengen (vers 22; Prediker 7 vers 19).

Echter, zowel zijn kracht als zijn wijsheid heeft niets gemeen met de wijsheid van de mensen, die voor God niet kan bestaan (vers 30; 1 Korinthe 1 vers 19). O, dat wij toch bij deze werkelijk wijze mensen mogen behoren! Laat er in onze huizen toch geen gebrek zijn aan het Woord en de vreugde van de Geest. Laten we daaruit onze kracht putten! Dat toch niemand van ons zal lijken op die dwaze meisjes uit de gelijkenis, die geen olie in hun lampen hadden! (Mattheüs 25).

Spreuken 22:1-16
1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.2Rijken en armen ontmoeten elkander; de HEERE heeft hen allen gemaakt.3Een kloekzinnig mens ziet het kwaad, en verbergt zich; maar de slechten gaan henen door, en worden gestraft.4Het loon der nederigheid, met de vreze des HEEREN, is rijkdom, en eer, en leven.5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.7De rijke heerst over de armen; en die ontleent, is des leners knecht.8Die onrecht zaait, zal moeite maaien; en de roede zijner verbolgenheid zal een einde nemen.9Die goed van oog is, die zal gezegend worden; want hij heeft van zijn brood den armen gegeven.10Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.11Die de reinheid des harten liefheeft, wiens lippen aangenaam zijn, diens vriend is de koning.12De ogen des HEEREN bewaren de wetenschap; maar de zaken des trouwelozen zal Hij omkeren.13De luiaard zegt: Er is een leeuw buiten; ik mocht op het midden der straten gedood worden!14De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.15De dwaasheid is in het hart des jongen gebonden; de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.

God heeft zowel de rijke als de arme uit hetzelfde stof gemaakt. Zowel bij hun geboorte als bij hun sterven bestaat er tussen hen geen enkel verschil. En er zijn gelegenheden te over dat deze beiden elkaar ontmoeten (hoofdstuk 29 vers 13; Job 31 vers 15). De welstand en de macht van de rijke (vers 7 en 16) zijn dus vergankelijke dingen, die het niet waard zijn vergeleken te worden met de dingen die eeuwige gevolgen hebben: een goede naam en gunst (vers 1). De enige rijkdom die werkelijk begerenswaardig is, is de eer die en het leven dat God geeft aan hen die nederig zijn en Hem vrezen (vers 4; Mattheüs 5 vers 5).

Het verschil in vermogen zou voor hen die hier op aarde rijkelijk bedeeld zijn, juist een aanleiding moeten zijn om hun ogen, hart en hand open te doen (lees nog een keer vers 9). Als wij ermee beginnen om de behoeften rondom ons te zien, daardoor bewogen worden en ten slotte proberen naar vermogen te helpen, dan handelen we precies zoals onze geliefde Heere gehandeld heeft. "En Jezus, uitgaande, zag... werd innerlijk met ontferming bewogen... brak de broden, en gaf ze..." (Markus 6 vers 34 tot en met 44).

Sommige ongelovige filosofen beweren dat een kind onschuldig geboren wordt en pas later door z'n omgeving bedorven is. Uit vers 15 blijkt echter dat het tegendeel waar is (vergelijk Genesis 8 vers 21; Psalm 51 vers 7). Maar de knaap die volgens de aanwijzingen in Gods Woord grootgebracht wordt (vers 6), zal na z'n bekering, gedurende heel zijn leven de vruchten van deze opvoeding voortbrengen.

Spreuken 22:17-29
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.19Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?21Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.22Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.23Want de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven.24Vergezelschap u niet met een grammoedige, en ga niet om met een zeer grimmig man;25Opdat gij zijn paden niet leert, en een strik over uw ziel haalt.26Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.27Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?28Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.29Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.

In dit nieuwe gedeelte van de Spreuken is de Wijsheid gestopt met het spreken in tegenstellingen, en maakt nu weer gebruik van rechtstreekse vermaningen (zoals ook al eerder in de hoofdstukken 1 tot en met 9). Het is echter verloren moeite tegen iemand te praten die niet wil horen. Voordat het onderwijs begint, wordt de jonge scholier opgeroepen om zijn oor te neigen en z'n hart te richten op het "heerlijke" (vers 20; Filippensen 1 vers 10) en dan moet hij dit alles overdenken en tot onderwerp van zijn gesprek maken. En wat is het doel van deze onderwijzing? In eerste instantie hem die dit onderwijs ontvangt, zover te brengen dat hij zijn vertrouwen stelt op God, Die hij kent. Vervolgens geeft de les hem een veilig richtsnoer, met andere woorden: het geeft hem zekerheden die het vergelijk met alle andere wijsheid kunnen doorstaan. Ten slotte spoort het hem aan om zelf "de redenen der waarheid" door te geven (vers 17 tot en met 21).

De waarschuwingen die dan volgen, zijn negatief. Het is goed om vooral bij vers 28 wat langer stil te staan. "Zet de oude paden niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben" (vergelijk hoofdstuk 23 vers 10). Velen ervaren de geestelijke fundamenten op grond waarvan gelovigen uit voorgaande generaties een gelukkig leven leidden en die de goedkeuring konden wegdragen van God, als veel te eng. Dit vers roept hen als het ware toe: 'Pas op! Gevaar!' Bovendien betekent het steeds verder doordringen op de verschillende terreinen van deze wereld eveneens dat er steeds minder interesse getoond wordt voor het terrein dat voor ons bestemd is en waar de Heere Zich bevindt (vergelijk Psalm 16 vers 6).

Spreuken 23:1-14
1Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is.2En zet een mes aan uw keel, indien gij een gulzig mens zijt;3Laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.4Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.5Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt.6Eet het brood niet desgenen, die boos is van oog, en wees niet belust op zijn smakelijke spijzen;7Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;8Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.10Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;11Want hun Verlosser is sterk; Die zal hun twistzaak tegen u twisten.12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.13Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven.14Gij zult hem met de roede slaan, en zijn ziel van de hel redden.

In de verzen 1 tot en met 6 worden we gewaarschuwd voor begeerte. Het verlangen naar de "smakelijke spijzen" van de groten van deze aarde (vers 3) is even gevaarlijk als het verlangen naar het brood van hem "die boos is van oog" (vers 6; Psalm 141 vers 4). Als je probeert in de gunst te komen bij iemand, dan ben je na verloop van tijd aan die persoon gebonden. Hun brood is echter bedrieglijke spijze. De winst die het in eerste instantie voor je leek op te leveren, wordt later tot een bron van veel moeilijkheden. Als men streeft naar aardse goederen, blijven de zorgen niet uit. De mens noemt het misschien 'handelen uit voorzorg', maar het wordt van lieverlee steeds meer tot een enorme drang naar het vergaren van bezit. Men denkt door het nemen van maatregelen de toekomst van zichzelf en de kinderen veilig te kunnen stellen. Dat is echter een enorme misrekening! Al deze rijkdom is immers vergankelijk, "want het zal zich gewis vleugels maken" (vers 5; vergelijk Jakobus 5 vers 2); daarom prent de Wijsheid haar volgelingen in om niet vernuftig te zijn in eigen ogen (vers 4). Werkelijke wijsheid is niet het verwerven van rijkdom, maar juist de rijkdom van onze Meester ten gunste van anderen gebruiken (Lukas 16 vers 8).

Vers 13 doet ons denken aan de nalatigheid van David in de opvoeding van zijn kinderen (zie 1 Koningen 1 vers 6). Lichamelijke straf heeft niet de dood tot gevolg. Integendeel, als men er nooit gebruik van maakt, dan kunnen de gevolgen juist desastreus zijn (2 Samuël 18 vers 33). Onze ziel redden uit het dodenrijk is inderdaad een kwestie van leven en dood! Laten onze harten toch naar deze lessen luisteren! (vers 12; vergelijk hoofdstuk 22 vers 15).

Spreuken 23:15-35
15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.17Uw hart zij niet nijdig over de zondaren; maar zijt ten allen dage in de vreze des HEEREN.18Want zekerlijk, er is een beloning; en uw verwachting zal niet afgesneden worden.19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.20Zijt niet onder de wijnzuipers, noch onder de vleesvreters;21Want een zuiper en vraat zal arm worden; en de sluimering doet verscheurde klederen dragen.22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.23Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid, en tucht, en verstand.24De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen; en die een wijzen zoon gewint, zal zich over hem verblijden.25Laat uw vader zich verblijden, ook uw moeder; en laat haar zich verheugen, die u gebaard heeft.26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.27Want een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put.28Ook loert zij als een rover; en zij vermenigvuldigt de trouwelozen onder de mensen.29Bij wien is wee? bij wien och arme? bij wien gekijf? bij wien het beklag? bij wien wonden zonder oorzaak? bij wien de roodheid der ogen?30Bij degenen, die bij den wijn vertoeven; bij degenen, die komen om gemengde drank na te zoeken.31Zie den wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat;32In zijn einde zal hij als een slang bijten, en steken als een adder.33Uw ogen zullen naar vreemde vrouwen zien, en uw hart zal verkeerdheden spreken.34En gij zult zijn, gelijk een, die in het hart van de zee slaapt; en gelijk een, die in het opperste van den mast slaapt.35Men heeft mij geslagen, zult gij zeggen, ik ben niet ziek geweest; men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? Ik zal hem nog meer zoeken!

Moet een kind dat al volwassen is, ook nog steeds naar de raad van de ouders luisteren? Vers 22 geeft ons een duidelijk antwoord. Dit behoort tot de eer die hen toekomt en daar doet ouderdom of rijpheid niets aan af. Het is een vreugde voor gelovige ouders om bij hun kinderen vruchten van de opvoeding te zien (vers 15, 16 en 24). En als we vers 24 toepassen op de vreugde die de Vader in Zijn veelgeliefde Zoon, de Rechtvaardige en Wijze — in de ware zin van het woord — gevonden heeft (Mattheus 3 vers 17), dan krijgt dit vers voor ons nog veel meer betekenis.

Het is de Heere Zelf Die meer dan wie ook (en dat geldt ook voor de ouders) aanspraak op ons kan maken. "Mijn zoon! geef Mij uw hart", zegt Hij in vers 26 tegen eenieder van ons. Hij verlangt niet naar een bepaald deel van onze bezittingen of onze tijd, Hij verlangt onze toewijding! Al het andere volgt dan als vanzelf. Met eerbied gesproken zegt de Heere eigenlijk: 'Als je Mij je hele hart geeft, dan geef je Mij in feite dat terug wat van Mij is; dat is Mijn loon, dat Ik Mij op Golgotha zo duur verworven heb'.

Het slot van dit hoofdstuk beschrijft de verdrietige toestand van iemand die door de alcohol zover gekomen is, dat hij niet meer weet wat hij doet. Hij werd door de wijn overweldigd (Jesaja 28 vers 1), is niet meer in staat om de vleselijke verleidingen te weerstaan (vers 33) en richt zichzelf op deze manier te gronde (vers 21).

Beste vriend(in), wat doet u, wat doe jij, met je hart?

Spreuken 24:1-22
1Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.3Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd;4En door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.5Een wijs man is sterk; en een man van wetenschap maakt de kracht vast.6Want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.8Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.9De gedachte der dwaasheid is zonde; en een spotter is den mens een gruwel.10Vertoont gij u slap ten dage uwer benauwdheid, uw kracht is nauw.11Red degenen, die ter dood gegrepen zijn; want zij wankelen ter doding, zo gij u onthoudt.12Wanneer gij zegt: Ziet, wij weten dat niet; zal Hij, Die de harten weegt, dat niet merken? En Die uwe ziel gadeslaat, zal Hij het niet weten? Want Hij zal den mens vergelden naar zijn werk.13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.14Zodanig is de kennis der wijsheid voor uw ziel; als gij ze vindt, zo zal er beloning wezen, en uw verwachting zal niet afgesneden worden.15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.16Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.17Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.19Ontsteek u niet over de boosdoeners; zijt niet nijdig over de goddelozen.20Want de kwade zal geen beloning hebben, de lamp der goddelozen zal uitgeblust worden.21Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;22Want hun verderf zal haastelijk ontstaan; en wie weet hun beider ondergang?

Mensen die kwaad bedrijven, kunnen voor ons christenen een aanleiding tot afgunst (vers 1) of tot toom zijn (vers 19; Psalm 37 vers 1). Zulke gevoelens tonen echter alleen maar onze eigen slechte geestelijke toestand. Laat de aanblik van deze arme zondaars bij ons toch veel meer medelijden opwekken en de ijver om hen, in overeenstemming met het evangelie, te waarschuwen en van de dood te redden! (Ezechiël 3 vers 18; Handelingen 20 vers 26). Laten we ons niet op onze zogenaamde onwetendheid beroepen en dat aanvoeren als verontschuldiging voor ons nietsdoen. "Hij, Die de harten weegt" (vers 12; vergelijk hoofdstuk 21 vers 2), kent onze ware beweegredenen. Ons zwijgen kan een gebrek aan liefde zijn, of angst voor bespotting, of zwakheid in onze eigen overtuiging.

Misschien vragen we ons soms af, waarom goddeloze mensen toch vaak zo'n gemakkelijk leven hebben, terwijl de gelovigen soms zo zwaar beproefd worden? De sleutel van dit geheim wordt ons in één woord meegedeeld: de toekomst. "Want de kwade zal geen beloning hebben" (vers 20), zijn einde is het eeuwig verderf, dat hij onherroepelijk tegemoet gaat (vergelijk Psalm 73 vers 17). Hij struikelt om in het ongeluk te storten (vers 16).

Daarentegen "zal er beloning wezen" voor hem die de wijsheid gevonden heeft. Deze Goddelijke wijsheid is een Persoon: Christus Zelf (hoofdstuk 8 vers 22 en verder). En de hoop van de gelovige zal vervuld worden, want het Onderwerp van zijn verwachting is dezelfde Persoon: de Heere Jezus, Die spoedig komt!

Spreuken 24:23-34
23Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.24Die tot den goddeloze zegt: Gij zijt rechtvaardig; dien zullen de volken vervloeken, de natien zullen hem gram zijn.25Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen.26Men zal de lippen kussen desgenen, die rechte woorden antwoordt.27Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.28Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?29Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.30Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mens;31En ziet, hij was gans opgeschoten van distelen; zijn gedaante was met netelen bedekt, en zijn stenen scheidsmuur was afgebroken.32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;33Een weinig slapens, een weinig sluimerens, en weinig handvouwens, al nederliggende;34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.

Dit korte gedeelte is de afsluiting van het deel van Spreuken dat "de woorden der wijzen" genoemd wordt (hoofdstuk 22 vers 17).

Als mensen proberen om voorkomend te handelen tegenover hun medemensen, dan gaat dat vaak ten koste van de gerechtigheid en de waarheid. De mens Gods moet in dit opzicht onberispelijk zijn (vers 23 tot en met 25).

Vers 27 herinnert de jonge gelovige eraan dat hij allereerst moet zorgen voor werk en een inkomen, om in de behoeften van de zijnen te kunnen voorzien, voordat hij er aan denkt een gezin te stichten, "... en bouw daarna uw huis".

Een beginneling neemt echter risico's wanneer hij alleen gaat bouwen. Vers 3 toont ons in dit geval een Architect Die we volledig kunnen vertrouwen: de Wijsheid, dat is de Heere (vergelijk Psalm 127 vers 1).

In het leven van een trouw christen is er evenwicht. De Heere laten handelen, vormt voor hem geen verhindering om ook zelf ijverig bezig te zijn, want hij heeft de gelegenheid gehad om te zien wat de gevolgen van luiheid zijn op velerlei gebied (vers 30 tot en met 34). Beste vriend, om geestelijk gebrek in je toekomstig huis te vermijden, roept vers 4 je op om de binnenkamers van je hart van tevoren met wijsheid te vullen. En God zal je hart "alle kostbaar en liefelijk goed" geven, wat je in het Woord zult vinden (Mattheüs 13 vers 52).

Spreuken 25:1-15
1Dit zijn ook spreuken van Salomo, die de mannen van Hizkia, den koning van Juda, uitgeschreven hebben.2Het is Gods eer een zaak te verbergen; maar de eer der koningen een zaak te doorgronden.3Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, en aan het hart der koningen is geen doorgronding.4Doe het schuim van het zilver weg, en er zal een vat voor den smelter uitkomen;5Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.9Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.11Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.12Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.13Een trouw gezant is dengenen, die hem zenden, als de koude der sneeuw ten dage des oogstes; want hij verkwikt zijns heren ziel.14Een man, die zichzelven beroemt over een valse gift, is als wolken en wind, waar geen regen bij is.15Een overste wordt door lankmoedigheid overreed; en een zachte tong breekt het gebeente.

Hier begint het derde deel van het Bijbelboek Spreuken. De dienstknechten van Hizkia - de koning die deed wat goed, recht en waarachtig is... door met z'n gehele hart naar de wet en het gebod te handelen (2 Kronieken 31 vers 20 en 21) - noemen eerst de dingen op die betrekking hebben op de koningen: hun eer (vers 2 - een eer die niet gelijk is aan die van 2 Kronieken 32 vers 27), hun hart (vers 3), hun troon (vers 5) en datgene wat gepast is in hun tegenwoordigheid (vers 6). De meeste van deze Spreuken lijken op poëtische vergelijkingen, die ons helpen ze beter te begrijpen en te onthouden.

De verzen 8 tot en met 10 roepen ons op voorzichtig en bedachtzaam met onze naaste om te gaan, opdat we later niet beschaamd zullen worden.

De verzen 11 tot en met 15 houden zich bezig met woorden. Een woord, gesproken op het juiste moment, is een vrucht van Goddelijke gerechtigheid (goud), maar is altijd verbonden met genade (zilver). Zelfs als het om een berisping gaat, zal het toch waardevol zijn voor het oor dat ernaar wil luisteren (vers 12).

Vers 13 herinnert ons eraan hoe wij moeten zijn: getrouwe gezanten. Staan we er altijd genoeg bij stil dat we de boodschap, die God ons toevertrouwd heeft, in getrouwheid vertolken? En dan niet alleen als verfrissing voor hen die het ontvangen, maar zeker ook tot bevrediging van het hart van Hem Die ons stuurt!

Spreuken 25:16-28
16Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.18Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.19Het vertrouwen op een trouweloze, ten dage der benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet.20Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en edik op salpeter.21Indien dengene, die u haat, hongert, geef hem brood te eten; en zo hij dorstig is, geef hem water te drinken;22Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.23De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.24Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.25Een goede tijding uit een ver land is als koud water op een vermoeide ziel.26De rechtvaardige, wankelende voor het aangezicht des goddelozen, is een beroerde fontein, en verdorven springader.27Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.28Een man, die zijn geest niet wederhouden kan, is een opengebrokene stad zonder muur.

Honing is goed, maar als dat het enige is wat we eten, dan zullen we het maar al te gauw niet meer lusten. Zo is het ook met de natuurlijke neigingen: vriendschap, blijde dingen in de familie enzovoort zijn aangenaam en doen ons goed, maar... we moeten ze niet een al te grote plaats in ons leven geven, want dat leidt tot zelfzuchtigheid en afkeer (vers 16 en 27).

Het evangelie is de blijde boodschap in de ware zin van het woord: levend water voor dorstige zielen (vergelijk vers 25). En elke gelovige is als een kanaal waardoor dit frisse water van de genade kan stromen, om de dorst van anderen te lessen (Johannes 7 vers 38). Maar pas op! Een beetje vuil in een bron is voldoende om het water ondrinkbaar te maken! Een gebrek aan standvastigheid ten opzichte van het kwaad, een enkel moment van nalatigheid, en de bron is plotseling troebel en bedorven. Dat gebeurt ook als je met een stok over de bodem van een heldere beek strijkt (vers 26).

Als men zijn geest niet kan beheersen, dan levert men haar, als een stad zonder muren, weerloos over aan de vijandelijke aanvallen (vers 28). Ongeduld, wraakgevoelens, afgunst, hoogmoed, twijfel, begeerte... het hele leger van slechte gedachten zal dan heel gauw ingang vinden. Daarom roept 1 Petrus 1 vers 13 ons op om de lendenen van ons verstand te omgorden en nuchter te zijn, met andere woorden: onze fantasie in toom te houden.

Spreuken 26:1-12
1Gelijk de sneeuw in den zomer, en gelijk de regen in den oogst, alzo past den zot de eer niet.2Gelijk de mus is tot wegzweven, gelijk een zwaluw tot vervliegen, alzo zal een vloek, die zonder oorzaak is, niet komen.3Een zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en een roede voor den rug der zotten.4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.6Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.7Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.8Gelijk hij, die een edel gesteente in een slinger bindt, alzo is hij, die den zot eer geeft.9Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.10De groten doen een iegelijk verdriet aan, en huren de zotten, en huren de overtreders.11Gelijk een hond tot zijn uitspuwsel wederkeert, alzo herneemt de zot zijn dwaasheid.12Hebt gij een man gezien, die wijs in zijn ogen is! Van een zot is meer verwachting dan van hem.

Geen eerbetoon maar slagen, dat is het beste middel om een dwaas op de weg van de wijsheid te brengen (vers 1 tot en met 8). Over het algemeen bewerkt de tuchtiging van de Heere en de berisping van de rechtvaardige meer vooruitgang bij ons dan gelukwensen en eerbetoon. Laten we daar dan ook niet onverstandig mee omgaan als het onszelf betreft; laten we niet op dieren lijken, die slechts met zweep en toom tot gehoorzaamheid gebracht kunnen worden, "opdat het tot u niet nadere" (vers 3; Psalm 32 vers 9). Het is immers veel beter om wijsheid te verkrijgen, door ons door het Woord te laten beleren, dan dat wij het door moeizame ervaringen moeten ondervinden.

Het voorbeeld van de profeet Micha bij Achab laat ons zien dat de verzen 4 en 5 elkaar niet tegenspreken (1 Koningen 22 vers 13 tot en met 28). Door de dwaze Achab naar zijn eigen dwaasheid te antwoorden (vers 15), bereikte Micha diens geweten, zodat hij zich erg onbehaaglijk voelde. En toen Micha hem later in overeenstemming met de gedachten van God antwoordde en niet meer naar zijn dwaasheid, liet de man van God duidelijk zien dat hij zich op geen enkele wijze aan hen verbond (vers 17).

Een kreupele wandel — of het daarbij nu om de wandel van de rechtvaardige (hoofdstuk 25 vers 26) of die van de dwaas gaat, maakt niet uit (hoofdstuk 26 vers 7 en 9) — het ontneemt alle kracht aan het mondelinge getuigenis. Ja, laten we erop bedacht zijn dat onze wandel als het zaai klaar maken van de bodem is, waardoor het evangelie van de vrede opgenomen kan worden (Efeze 6 vers 15).

Spreuken 26:13-28
13De luiaard zegt: Er is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.14Een deur keert om op haar herre, alzo de luiaard op zijn bed.15De luiaard verbergt zijn hand in den boezem, hij is te moede, om die weder tot zijn mond te brengen.16De luiaard is wijzer in zijn ogen, dan zeven, die met rede antwoorden.17De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt.18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;19Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?20Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.21De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.22De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.23Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen.24Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.25Als hij met zijn stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.26Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.27Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.28Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.

Nadat eerst de dwaas beschreven werd (vers 1 tot en met 12), worden hier andere personen getoond die eveneens te verafschuwen zijn. De eerste is de luiaard (vers 13 tot en met 16), die we al vaker tegengekomen zijn. Hij gebruikt mogelijke gevaren of problemen als aanleiding om zich aan zijn taak te onttrekken (vers 13). Ja, het kan zelfs zover komen dat hij het nalaat zich te voeden (vers 15). "Een deur keert om op haar scharnier" (vers 14); hoewel dit een heen en weer gaande beweging is, blijft de deur vast op zijn plaats. Laten we onszelf eens afvragen of het bij ons anders is dan bij de luiaard, of wij in ons christelijke leven vooruitgang geboekt hebben! De luiaard keert zich om op zijn bed. Men kan zich bewegen, heen en weer gaan, zonder werkelijk bezig te zijn.

Ook de strijdlustige wordt ons beschreven (vers 17 tot en met 21). Hij is heel geschikt om het vuur van de strijd aan te wakkeren. Vers 17 is echter op veel dingen van toepassing. Door bijvoorbeeld deel te nemen aan sociale, maatschappelijke en politieke conflicten, stelt een kind van God zich bloot aan 'hondenbeten'.

Daarna komen we de oorblazer tegen, die er eveneens toe bijdraagt dat de strijd oplaait (vers 20 en 22). Dan lezen we nog van de bedrieger, die de haat van zijn hart verbergt achter een sluier van liefelijke woorden (vers 23 tot en met 25; zie 2 Samuël 20 vers 9 en 10; Jeremia 12 vers 6).

De Heere Jezus heeft met de verschillende vormen van kwaad en huichelarij, zoals dat in deze verzen beschreven wordt, te maken gehad (Mattheus 17 vers 17; Psalm 38 vers 13). En wat heeft Hij hieronder veel geleden!

Spreuken 27:1-13
1Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.3Een steen is zwaar, en het zand gewichtig; maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.4Grimmigheid en overloping van toorn is wreedheid; maar wie zal voor nijdigheid bestaan?5Openbare bestraffing is beter dan verborgene liefde.6De wonden des liefhebbers zijn getrouw; maar de kussingen des haters zijn af te bidden.7Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.8Gelijk een vogel is, die uit zijn nest omdoolt, alzo is een man, die omdoolt uit zijn plaats.9Olie en reukwerk verblijdt het hart; alzo is de zoetigheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziel.10Verlaat uw vriend, noch den vriend uws vaders niet; en ga ten huize uws broeders niet op den dag van uw tegenspoed. Beter is een gebuur die nabij is, dan een broeder, die verre is.11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.13Als iemand voor een vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor een onbekende vrouw.

Zich beroemen op de dag van morgen (vers 1), is net doen alsof die dag jezelf toebehoort en je ermee kunt doen wat je zelf wilt: plannen maken, op bepaalde momenten verplichtingen aangaan, voor een ander borg staan (vers 13). Laten we eens lezen wat Jakobus hierover zegt (hoofdstuk 4 vers 13 tot en met 16).

Anderzijds richt vers 1 zich speciaal tot hen die de kwestie van hun heil steeds maar weer naar later verschuiven. 2 Korinthe 6 vers 2 zegt echter heel uitdrukkelijk: "Ziet, nu is het de dag der zaligheid"!

Wat doet het goed als je op een vriend kunt vertrouwen. De liefdevolle raadgevingen die hij geeft, komen uit zijn hart en verheugen ons (vers 9). De ware vriend is echter niet degene die alleen maar liefdevolle woorden tegen ons spreekt. Integendeel, een echte vriend zal er niet voor terugschrikken om ons te berispen, ook al zou onze hoogmoed daardoor beschadigd worden (vers 5 en 6). Zo is de Heere Jezus de trouwe Vriend. Hij heeft ons te lief om niet in te grijpen als er iets mis gaat. Chirurgen zien zich er vaak toe gedwongen om een grote wond te maken, om de inwendige organen te kunnen bereiken en het kwaad weg te kunnen snijden. Zo is het ook in geestelijk opzicht. "Gezwellen der wonde zijn in de boze een zuivering, alsook de slagen van het binnenste van de buik" (hoofdstuk 20 vers 30). Of zoals een andere vertaling het zegt, dat bloedige striemen het kwaad uitzuiveren en dat slagen de schuilhoeken van het hart reinigen. Ja, laten we deze noodzakelijke verwondingen toch zonder mopperen accepteren, door er steeds de liefdevolle en vaste hand van onze beste Vriend in te zien.

Spreuken 27:14-27
14Die zijn vriend zegent met luider stem, zich des morgens vroeg opmakende, het zal hem tot een vloek gerekend worden.15Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk.16Elkeen, die haar verbergt, zou den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.17Ijzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.18Die den vijgeboom bewaart, zal zijn vrucht eten; en die zijn heer waarneemt, zal geeerd worden.19Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzo is des mensen hart tegen den mens.20De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.21De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud; alzo is een man naar zijn lof te proeven.22Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper, in het midden van het gestoten graan, zijn dwaasheid zou van hem niet afwijken.23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.24Want de schat is niet tot in eeuwigheid; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn?25Als het gras zich openbaart, en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden.26De lammeren zullen zijn tot uw kleding, en de bokken de prijs des velds.27Daartoe zult gij genoegzaamheid van geitenmelk hebben tot uw spijze, tot spijze van uw huis, en leeftocht uwer maagden.

Deze verzen behandelen vooral het huiselijke leven en de vriendschapsbanden. Laten we voorzichtig zijn in de keuze van een vriend. Het is het beste er eerst van overtuigd te zijn dat hij hetzelfde geloof deelt, dat je de vrijheid zult hebben om samen neer te knielen, dat hij in staat zal zijn ons aangezicht te scherpen (vers 17). Vriendschap is echter nooit een eenzijdig gebeuren. En als we ons beklagen over gebrek aan liefde bij de ander, dan is dat vaak een bewijs dat we er zelf ook te weinig van openbaren, want liefde antwoordt op liefde (vers 19).

Vers 20 herinnert ons aan een eigenschap van onze ogen. Ze zijn onverzadigbaar (1 Johannes 2 vers 16). En vers 22 laat zien dat dwaasheid onlosmakelijk verbonden is met de menselijke natuur (zie ook hoofdstuk 22 vers 15; Prediker 9 vers 3; Romeinen 3 vers 11). Door niets kan dit definitief uitgebannen worden; "Zijn dwaasheid zou van hem niet wijken" (vers 22). Een te pessimistische voorstelling van zaken? Helaas niet! De mens verkeert voortdurend in een toestand van opstand tegen zijn Schepper; hij wijst de genade, die aangeboden wordt, af; hij wil niet handelen in overeenstemming met de eeuwige interesses van God... en dat alles zouden we geen dwaasheid mogen noemen? Dan komt de vraag op hoe men dan wijs kan worden. Dat kan alleen door in Christus het Goddelijke leven aan te nemen.

De verzen 23 tot en met 27 spreken over de menselijke voorzorg, over aardse goederen en een vergankelijke kroon. Christenen, laten ook wij zorg dragen, maar dan om ons van blijvende goederen (hoofdstuk 8 vers 18; Lukas 12 vers 33) en een onvergankelijke kroon te verzekeren (1 Korinthe 9 vers 25).

Spreuken 28:1-14
1De goddelozen vlieden, waar geen vervolger is; maar elk rechtvaardige is moedig, als een jonge leeuw.2Om de overtreding des lands zijn deszelfs vorsten vele; maar om verstandige en wetende mensen zal insgelijks verlenging wezen.3Een arm man, die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zodat er geen brood zij.4Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen.5De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.7Die de wet bewaart, is een verstandig zoon; maar die der vraten metgezel is, beschaamt zijn vader.8Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt.9Die zijn oor afwendt van de wet te horen, diens gebed zelfs zal een gruwel zijn.10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.12Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde, is er grote heerlijkheid; maar als de goddelozen opkomen, wordt de mens nauw gezocht.13Die zijn overtredingen bedekt, zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen.14Welgelukzalig is de mens, die geduriglijk vreest; maar die zijn hart verhardt, zal in het kwaad vallen.

Bij vers 1 moeten we onwillekeurig denken aan de angst die het schuldige volk Israël als een vorm van straf werd aangekondigd (Leviticus 26 vers 36 tot en met 38). Gewoonlijk hangt het gedrag van een mens af van de toestand van zijn geweten (vers 1). Bij een slecht geweten zal hij altijd onrustig zijn en overal gevaren zien. Heeft hij daarentegen een goed geweten, dan zal hij rustig en vol vertrouwen in Gods tegenwoordigheid kunnen verkeren en zal hij ook het vertrouwen van de mensen genieten (1 Johannes 3 vers 21; Genesis 3 vers 8).

Vers 13 is uitermate belangrijk! Het toont iedere zondaar de weg van berouw en vergeving, maar laat ook duidelijk zien waarom sommige christenen niet verder komen, niet groeien in het geloof. Om de onderbroken gemeenschap met God weer terug te kunnen krijgen, is het absoluut nodig om de begane misstappen te belijden. Maar... daarna moet het verkeerde, met hulp van de Heere, ook nagelaten worden. Anders was die belijdenis niet oprecht en is het eigenlijk alsof je de spot drijft met God.

In feite zijn er veel meer dingen dan we in eerste instantie misschien zouden denken, die van onze morele toestand afhankelijk zijn. Echt inzicht bijvoorbeeld is het deel van eenieder die de Heere zoekt. Zulke mensen begrijpen alles (vers 5). Daarentegen bestaan er ook mensen die steeds dezelfde vragen stellen. In principe komt dat alleen doordat de Persoon van Christus maar zo weinig waarde voor hen heeft.

Vers 9 laat zien dat gehoorzaamheid aan God en de verhoring van gebeden eveneens met elkaar verbonden zijn (vergelijk Johannes 15 vers 7).

Spreuken 28:15-28
15De goddeloze, heersende over een arm volk, is een brullende leeuw, en een beer, die ginds en weder loopt.16Een vorst, die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar die de gierigheid haat, zal de dagen verlengen.17Een mens, gedrukt om het bloed ener ziel, zal naar den kuil toevlieden; men ondersteune hem niet!18Die oprecht wandelt, zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den enen vallen.19Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.20Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.21De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.22Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.23Die een mens bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.24Wie zijn vader of zijn moeder berooft, en zegt: Het is geen overtreding; die is des verdervenden mans gezel.25Die grootmoedig is, verwekt gekijf; maar die op den HEERE vertrouwt, zal vet worden.26Die op zijn hart vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.27Die den armen geeft, zal geen gebrek hebben; maar die zijn ogen verbergt, zal veel vervloekt worden.28Als de goddelozen opkomen, verbergt zich de mens; maar als zij omkomen, vermenigvuldigen de rechtvaardigen.

Als wij menen dat we de brede en gemakkelijke weg van onze eigen wil kunnen combineren met de weg van gehoorzaamheid aan de Heere, dan vergissen we ons heel erg en het eindresultaat zal altijd zijn dat we zullen vallen (vers 18). Het doel dat een mens nastreeft — of het er nu om te doen is om rijk te worden (vers 20) of gewoon om een stuk brood te verdienen (vers 21) — kan voor hem de eerste aanzet (en soms zelfs een excuus!) tot menigerlei overtreding zijn. 'Het doel heiligt de middelen', zegt het spreekwoord! Wat een groot contrast met de volmaakte Mens! In de woestijn wees Hij het voorstel van de verleider om Zich op een andere manier van brood te voorzien dan het uit de hand van Zijn Vader te ontvangen, resoluut van de hand.

De verzen 22 tot en met 27 laten ons zien dat de voorzorg van de mens, op verschillende terreinen, tot misrekeningen leidt. Het lijkt in eerste instantie misschien beter om met de naaste mee te praten in plaats van hem terecht te wijzen, als je tenminste bij hem in de gunst wilt komen, maar later zal juist het tegendeel blijken (vers 23). Voordat je de ander iets geeft, zegt het gezonde mensenverstand dat het beter is er eerst van overtuigd te zijn dat je er zelf geen schade van zult hebben. Sommigen gaan zelfs zover dat ze zeggen: 'Ieder is z'n eigen naaste!' Maar de belofte van vers 27 maakt ons welzijn juist afhankelijk van onze vrijgevigheid. God neemt het op Zich om voor de behoeften van hen te zorgen die Hem zo'n bewijs van hun liefde en tegelijkertijd van hun vertrouwen in Hem geven (Psalm 41 vers 2 tot en met 4).

Spreuken 29:1-14
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.2Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, zucht het volk.3Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.4Een koning houdt het land staande door het recht; maar een, die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.5Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.6In de overtreding eens bozen mans is een strik; maar de rechtvaardige juicht en is blijde.7De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen; maar de goddeloze begrijpt de wetenschap niet.8Spotdrijvende lieden blazen een stad aan brand; maar de wijzen keren den toorn af.9Een wijs man, met een dwaas man in rechten zich begeven hebbende, hetzij dat hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen rust.10Bloedgierige lieden haten den vrome; maar de oprechten zoeken zijn ziel.11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.12Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos.13De arme en de bedrieger ontmoeten elkander; de HEERE verlicht hun beider ogen.14Een koning, die de armen in trouw recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.

In dit Boek worden de wijze en de dwaas, de rechtvaardige en de goddeloze, de arme en de rijke, de koning en de knecht, en nog vele andere personen gezien in hun tegenovergestelde betrekkingen tot elkaar en in hun verantwoordelijkheid tegenover God.

De verzen 1 en 2 sluiten aan bij hoofdstuk 28. "Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden..." Als de trots van een man niet gebroken wordt, dan zal hijzelf plotseling en zonder dat er nog mogelijkheid tot herstel is, met de goddelozen, de Belials mensen, verbroken worden (hoofdstuk 6 vers 15). Dat was het lot van Farao, Saul, Absalom... Het is altijd heel ernstig, zeer zeker voor een gelovige, om de tucht van de Heere te verachten (Hebreeën 12 vers 5).

"Een man, die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader..." (vers 3). Als dat al opgaat in onze gezinnen, hoe veel te meer is deze tekst dan van toepassing op de familie van God. Het is de vreugde van onze hemelse Vader, te zien dat Zijn kinderen de Wijsheid, Die Jezus Christus is, liefhebben (2 Johannes 4; 3 Johannes 4).

Meerdere verzen spreken over gerechtigheid, over recht doen. Dat wordt vooral verwacht van de heerser of koning (vers 4, 12 en 14). Maar alle rechtvaardigen (vers 7; dat wil zeggen: zij die door het werk van Christus gerechtvaardigd zijn) hebben vol medeleven kennis te nemen van de rechten van de arme.

Al deze onderwijzingen hebben vooral betrekking op de onderlinge verhoudingen.

Spreuken 29:15-27
15De roede, en de bestraffing geeft wijsheid; maar een kind, dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt zijn moeder.16Als de goddelozen velen worden, wordt de overtreding veel; maar de rechtvaardigen zullen hun val aanzien.17Tuchtig uw zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.18Als er geen profetie is, wordt het volk ontbloot; maar welgelukzalig is hij, die de wet bewaart.19Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij niet antwoorden.20Hebt gij een man gezien, die haastig in zijn woorden is? Van een zot is meer verwachting dan van hem.21Als men zijn knecht van jongs op weeldig houdt, hij zal in zijn laatste een zoon willen zijn.22Een toornig man verwekt gekijf; en de grammoedige is veelvoudig in overtreding.23De hoogmoed des mensen zal hem vernederen; maar de nederige van geest zal de eer vasthouden.24Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.25De siddering des mensen legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal in een hoog vertrek gesteld worden.26Velen zoeken het aangezicht des heersers; maar een ieders recht is van den HEERE.27Een ongerechtig man is den rechtvaardige een gruwel; maar die recht is van weg, is den goddeloze een gruwel.

"De roede en de bestraffing geven wijsheid". De roede kan zowel betrekking hebben op de eigenlijke zin van het woord, in het gebruik bij kinderen, maar het kan ook een bepaalde vorm van tucht van de Heere voor de Zijnen zijn. En er bestaat geen ergere straf dan aan zichzelf overgelaten te worden (vers 15; Psalm 81 vers 13).

Haastige woorden (vers 20), toorn (vers 22) en hoogmoed (vers 23) zijn de oorzaak van veel overtredingen. Maar in tegenstelling tot de eerste Adam richt vers 23 onze blikken op de Heere Jezus. Zijn weg van vernedering, die met niets anders te vergelijken is, heeft de hoogste eer tot gevolg (Filippensen 2 vers 5 tot en met 11).

Een andere valstrik is vrees voor mensen; deze vrees kan nooit samengaan met de vrees voor God (vers 25). Als men mensen wil behagen (of hen niet wil mishagen), dan is het onmogelijk om tegelijkertijd de Heere te behagen. Hoeveel mensen zijn al niet door slechte kameraden tot het kwaad verleid, omdat ze geen 'nee' tegen hen durfden te zeggen! Als we ons moedig hebben te gedragen en we zijn bang voor de gevolgen, laten we ons vertrouwen dan op God stellen! Hij zal ons in veiligheid brengen, ons in een hoog vertrek stellen.

Ten slotte herinnert vers 27 ons eraan dat er geen enkele gemeenschap bestaat tussen gerechtigheid en ongerechtigheid (2 Korinthe 6 vers 14 en 15). God beware ons in Zijn gemeenschap!

Spreuken 30:1-14
1De woorden van Agur, den zoon van Jake; een last. De man spreekt tot Ithiel, tot Ithiel en Uchal.2Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand; en ik heb geen mensenverstand;3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.4Wie is ten hemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam, en hoe is de Naam Zijns Zoons, zo gij het weet?5Alle rede Gods is doorlouterd; Hij is een Schild dengenen, die op Hem betrouwen.6Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.7Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve:8Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;9Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste.10Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.11Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;12Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;13Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;14Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.

Tot nu toe heeft God door Salomo, die wijzer was dan alle andere mensen, gesproken. Maar het is net alsof God wil aantonen dat Zijn Boek niets te danken heeft aan menselijke wijsheid, omdat Hij nu Agur gebruikt. Deze man betitelt zichzelf zelfs als "onvernuftiger dan iemand".

Nadat deze Agur zich zo voorgesteld (vers 2) en zijn grote onkunde bekend gemaakt heeft, begint hij fundamentele vragen te stellen. Wie is de Schepper? Wie is Zijn Zoon? Hoe verkrijgt men toegang tot de hemel? Om deze vragen te kunnen beantwoorden, moest God Zichzelf openbaren. Hij moest Zelf uit de hemel neerdalen, omdat de mens niet kon opklimmen, en Zijn heerlijke raadsbesluiten in Zijn gelouterd Woord meedelen (vers 5; vergelijk de vragen van vers 4 met Johannes 3 vers 13; Efeze 4 vers 10; Markus 4 vers 41; Lukas 1 vers 31 en 32).

Agur kent de grenzen van zijn verstand, maar weet ook dat zijn eigen hart verdorven is en richt daarom een tweevoudig gebed tot God. Ten eerste vraagt hij, dat de ijdelheid (het streven naar eigen roem, naar aanzien bij de mensen) en leugentaal van hem verwijderd mogen worden. En ten tweede, dat hij afhankelijk zal blijven, want hij onderkent de gevaren van rijkdom en armoede. Dit zijn heel wijze gebeden, die het navolgen zeker waard zijn!

Agur heeft geen verkeerde mening over zichzelf, maar kent ook de principes van de wereld: opstand, eigengerechtigheid, hoogmoed, onderdrukking (vers 11 tot en met 14). Is ons "geslacht", wat dat betreft, beter?

Spreuken 30:15-33
15De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!16Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!17Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:19De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!21Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan:22Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;23Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.24Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.25De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs.26De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen.27De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.28De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.29Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;31Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.32Zo gij dwaselijk gehandeld hebt, met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt, de hand op den mond!33Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.

Tot ons onderwijs heeft Agur aan de ene kant de gevaarlijke of onaangename, en aan de andere kant - in tegenstelling hiermee - juist de wijze en mooie dingen geconstateerd en groepsgewijs samengevoegd. De lust van de ogen en het vlees willen beide bevredigd worden: "Geef, geef!" Beide hebben dezelfde onverzadigbare moeder: "de bloedzuiger", dat wil zeggen: de dorst naar vermaak, die elk mens 'aankleeft' en probeert zijn leven te vernietigen (vers 15 en 16). Bij deze lust voelt de hoogmoed zich ook goed thuis (1 Johannes 2 vers 16). Hoogmoed openbaart zich op verschillende manieren. Maar in vers 17, waar vooral de jongeren onder ons eens heel goed over na moeten denken, wordt de nadruk vooral gelegd op het verachten van het gezag en de geest van onafhankelijkheid. Deze basisprincipes van de wereld staan in vers 18 en 19 tegenover de ondoorgrondelijke wegen van God in het gericht, maar ook in liefde.

De verzen 21 tot en met 23 noemen vier dingen op die te verafschuwen zijn, omdat zij de door God ingestelde orde omverwerpen. Dan leren wij dat de wijsheid hand in hand gaat met het bewustzijn van eigen zwakheid, met voorzorg, met vertrouwen, met gemeenschap, met nederigheid (vers 24 tot en met 28), terwijl schoonheid met de wandel verbonden is (vers 29 tot en met 31).

Wat kunnen we toch veel lessen leren in het gezelschap van een man die zichzelf als onvernuftig betitelt, maar die juist vanwege zijn nederigheid door God tot de wijzen gerekend wordt (1 Korinthe 1 vers 26 tot en met 29; 2 vers 12 en 13; 8 vers 2)!

Spreuken 31:1-9
1De woorden van de koning Lemuel; de last, maarmede zijn moeder hem onderwees.2Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?3Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.4Het komt den koningen niet toe, o Lemuel! het komt den koningen niet toe wijn te drinken, en den prinsen, sterken drank te begeren;5Opdat hij niet drinke, en het gezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.6Geeft sterken drank dengene, die verloren gaat, en wijn dengenen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn;7Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en zijner moeite niet meer gedenke.8Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.9Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.

Wie was deze koning Lemuël? Hij wordt verder nergens genoemd. Alles wat wij van deze jonge vorst weten, zijn de aanbevelingen van zijn moeder, alsook demobetekenis van zijn naam: 'De aan God gewijde'. "Ja, wat, o zoon mijner geloften?", heeft deze vrome vrouw uitgeroepen. Net als Hanna haar kleine Samuël, heeft ook deze vrouw haar kind aan de HEERE toegewijd, Die alle recht op hem heeft. Daarom voelde zij zich ook verantwoordelijk om hem als een Nazireeër te onderwijzen. Ernstige voorbeelden uit de geschiedenis van Israël hadden aangetoond waartoe een koning onder invloed van vrouwen of sterke drank kon komen (1 Koningen 11 en 1 Koningen 16 vers 8 en 9). Lemuël wordt voor deze slechte neigingen gewaarschuwd (Prediker 10 vers 17; Hoséa 4 vers 11).

Maar daarna krijgt hij ook positieve vermaningen te horen. Hij moet tot steun en voorspraak voor alle ongelukkigen zijn! Je zou kunnen denken dat zoiets maar een heel bescheiden rol voor een koning is. Maar deze lessen vormen juist de kern van zuivere godsdienst, zoals we dat vinden in Jakobus 1 vers 27: zichzelf rein houden van de wereld (van haar verdoving, van haar vuiligheid) en zich om verdrukten bekommeren.

De jonge Lemuël heeft zich woord voor woord de lessen "waarmee zijn moeder hem onderwees", herinnerd. Als u of jij, net als hij, het onschatbare voorrecht hebt gehad om door een Godvrezende moeder opgevoed te worden, let er dan ook op dat alle lessen uit de kindertijd niet vergeten worden!

Spreuken 31:10-31
10Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.11Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.12Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.13Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.14He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.15Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.16Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.17Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.18Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.19Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.20Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.21Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.22Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.23Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.24Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.25Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.28Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:29Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.30Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.

Deze bewonderenswaardige beschrijving van de "deugdelijke huisvrouw" laat ons zien hoe de wijsheid (het leven van Christus Zelf) in alle details van het bestaan en het gezinsleven in de praktijk omgezet kan en moet worden. Geve de Heere ook alle jonge christinnen het verlangen om Hem welgevallig te zijn, door op deze flinke, 'deugdelijke' vrouw te lijken!

Welke eigenschappen kenmerken haar? Zij is actief, opgewekt, vol energie, barmhartig, wijs en vriendelijk. Haar arbeidsterrein is haar huis (lees Titus 2 vers 4 en 5). Haar verschijning is krachtig en waardig (vers 17 en 25; vergelijk 1 Petrus 3 vers 3 en verder). Haar bedoeling is om haar man, het onderwerp van haar blijde overgave, te eren (vers 23) en om vrucht voor hem te brengen (vers 16). Haar geheim wordt ons uiteindelijk pas in vers 30 geopenbaard: zij vreest de Heere! Ja, werkelijk, zo'n volmaakte vrouw, wie zal haar vinden? "Een verstandige vrouw is van de HEERE", zegt hoofdstuk 19 vers 14. Daarom jonge mensen, vertrouw niet op je eigen mening, die je misschien wat al te haastig gevormd hebt, en kijk niet alleen naar de buitenkant. 'Schijn bedriegt', en dat hebben al vele anderen voor jou moeten ervaren. De bekoring die uitgaat van een mooi gezichtje, is zeker niet altijd de juiste weerspiegeling van echte christelijke waarden.

En daar we nu aan het eind van dit Boek zijn aangekomen, is het goed om nog eens de vermaning uit hoofdstuk 4 vers 23 te herhalen: "Behoed uw hart boven al wat te bewaren is", want in eerste instantie behoort ons hart de Heere toe!

Prediker 1:1-18
1De woorden van den prediker, den zoon van David, den koning te Jeruzalem.2Ijdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.3Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon?4Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid.5Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.6Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijn omgangen.7Al de beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keren zij weder.8Al deze dingen worden zo moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.9Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.10Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Ziet dat, het is nieuw? Het is alreeds geweest in de eeuwen, die voor ons geweest zijn.11Er is geen gedachtenis van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen, die zijn zullen, van dezelve zal ook geen gedachtenis zijn bij degenen, die namaals wezen zullen.12Ik, prediker, was koning over Israel te Jeruzalem.13En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren al wat er geschiedt onder den hemel. Deze moeilijke bezigheid heeft God den kinderen der mensen gegeven, om zich daarin te bekommeren.14Ik zag al de werken aan, die onder de zon geschieden; en ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes.15Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden.16Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd, boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien.17En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit een kwelling des geestes is.18Want in veel wijsheid is veel verdriet; en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.

De inhoud van het Boek Prediker kunnen we samenvatten met de woorden van de Heere Jezus: "Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorsten" (Johannes 4 vers 13). De bron van Sichar is een beeld van de verdorde en bedrieglijke wereld, waar geen blijvend geluk te vinden is. De meeste mensen lijken echter op die Samaritaanse vrouw. Ze zijn pas bereid om het levende water, de kosteloze gave van de Zoon van God, aan te nemen nadat zij eerst talloze keren ervaren hebben dat 'het water' van deze wereld op geen enkele manier hun dorst kan lessen (vergelijk Jeremia 2 vers 13).

Deze ervaring werd al eerder opgedaan en wordt in dit Boek beschreven, opdat we dat niet meer zelf opnieuw hoeven te ondervinden. Maar ja, we weten zelf wel hoe wij zijn! Die ervaring werd al opgedaan door hem die vanwege zijn grootheid en wijsheid het beste in staat was, om "alles wat er geschiedt onder de hemel" te onderzoeken (vers 13). Deze prediker is niemand minder dan Salomo, de koning te Jeruzalem. Zijn getuigenis blijft voor alle tijden even waardevol, want "er is niets nieuws onder de zon".

Ongetwijfeld zijn er sindsdien veel dingen veranderd, maar het hart van de mens is altijd hetzelfde gebleven en de gevolgen van de zonde zijn nog steeds aanwezig. "Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden" (vers 15).

Prediker 2:1-11
1Ik zeide in mijn hart: Nu, welaan, ik zal u beproeven door vreugde; derhalve zie het goede aan; maar zie, ook dat was ijdelheid.2Tot het lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze?3Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vlees op te houden in den wijn, (nochtans leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat den kinderen der mensen het best ware, dat zij doen zouden onder den hemel, gedurende het getal der dagen huns levens.4Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden.5Ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte bomen in dezelve, van allerlei vrucht.6Ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud, dat met bomen groende.7Ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen des huizes; ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen, die voor mij te Jeruzalem geweest waren.8Ik vergaderde mij ook zilver en goud, en kleinoden der koningen en der landschappen; ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wellustigheden der mensenkinderen, snarenspel, ja, allerlei snarenspel.9En ik werd groot, en nam toe, meer dan iemand, die voor mij te Jeruzalem geweest was; ook bleef mijn wijsheid mij bij.10En al wat mijn ogen begeerden, dat onttrok ik hun niet; ik wederhield mijn hart niet van enige blijdschap, maar mijn hart was verblijd vanwege al mijn arbeid; en dit was mijn deel van al mijn arbeid.11Toen wendde ik mij tot al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en tot den arbeid, dien ik werkende gearbeid had; ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes, en daarin was geen voordeel onder de zon.

De prediker heeft zijn hart eerst gewijd aan het weten. Hoeveel dingen waar we heel enthousiast over kunnen worden, zijn er niet te ontdekken op allerlei gebied: kunst, wetenschap, reizen, archeologie...! Vandaag de dag, met alle moderne middelen die er nu zijn, staan al deze dingen aan onze jeugd ter beschikking. Maar hoe verder de wijze met zijn onderzoekingen komt, hoe moeilijker de problemen worden en hoe meer hij ontmoedigd wordt. De menselijke geest is als het ware gevangen tussen de muren van zijn eigen overdenkingen. Alleen het Woord van God kan de gedachten bevrijden en ware kennis geven. De eindconclusie van de wijze is hier, dat het alles een ondankbaar bezig-zijn is, het vermoeit, geeft narigheid en verdriet (hoofdstuk 1 vers 13 en 18; 12 vers 12).

"Welaan", zegt hij dan, "laten we ons dan alleen maar bezig houden met het vermaak van dit leven" (hoofdstuk 2 vers 1 tot en met 3). Maar ook op dat gebied is zijn ervaring na korte tijd uitgeput. IJdelheid, niets anders dan onzin, met deze woorden vat hij deze dingen samen. Elke menselijke vreugde wordt bedorven door het bewustzijn dat het niet van blijvende aard is (Spreuken 14 vers 13).

Zou de overvloed aan aardse goederen misschien in staat zijn om onze verlangens te bevredigen? Wie zou daar beter een antwoord op kunnen geven dan Salomo? Wie was beter in staat om rijkdom te vergaren en te beheren dan hij? Wie kon beter grote dingen volbrengen — die de mens zich in zijn eerzucht steeds weer voorneemt om uit te voeren — dan hij (2 Kronieken 9 vers 22 en verder)? Luister daarom naar zijn mening over dit alles: "Het was al ijdelheid en kwelling des geestes" (vers 11; of zoals in andere Bijbelvertalingen staat: "najagen van wind").

Prediker 2:12-26
12Daarna wendde ik mij, om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want hoe zou een mens, die den koning nakomen zal, doen hetgeen alrede gedaan is?13Toen zag ik, dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, gelijk het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis.14De ogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat enerlei geval hun allen bejegent.15Dies zeide ik in mijn hart: Gelijk het den dwaze bejegent, zal het ook mijzelven bejegenen; waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook hetzelve ijdelheid was.16Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot?17Daarom haatte ik dit leven, want dit werk dacht mij kwaad, dat onder de zon geschiedt; want het is al ijdelheid en kwelling des geestes.18Ik haatte ook al mijn arbeid, dien ik bearbeid had onder de zon, dat ik dien zou achterlaten aan een mens, die na mij wezen zal.19Want wie weet, of hij wijs zal zijn, of dwaas? Evenwel zal hij heersen over al mijn arbeid, dien ik bearbeid heb en dien ik wijselijk beleid heb onder de zon. Dat is ook ijdelheid.20Daarom keerde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al den arbeid, dien ik bearbeid heb onder de zon.21Want er is een mens, wiens arbeid in wijsheid, en in wetenschap, en in geschikkelijkheid is; nochtans zal hij die overgeven tot zijn deel, aan een mens, die daaraan niet gearbeid heeft. Dit is ook ijdelheid en een groot kwaad.22Wat heeft toch die mens van al zijn arbeid, en van de kwellingen zijns harten, dien hij is bearbeidende onder de zon?23Want al zijn dagen zijn smarten, en zijn bezigheid is verdriet; zelfs des nachts rust zijn hart niet. Datzelve is ook ijdelheid.24Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is.25(Want wie zou er van eten, of wie zou zich daartoe haasten, meer dan ik zelf?)26Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde den mens, die goed is voor Zijn aangezicht; maar den zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen, opdat Hij het geve dien, die goed is voor Gods aangezicht. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes.

"Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, die hij arbeidt onder de zon?". Dat was de eerste vraag die Prediker zich stelde in hoofdstuk 1 vers 3. En het antwoord kwam in hoofdstuk 2 vers 11: "Daarin was geen voordeel". Op dit moment vermoeit hij zich, zijn dagen brengen verdriet en z'n zakelijke bezigheden bezorgen hem narigheid. Zelfs 's nachts kan hij geen rust vinden (vers 22 en 23). En wat de toekomst betreft, merkt hij op dat niets van blijvende aard is.

Hoe gaat een kind van God om met deze vertwijfeling (vers 20)? Het is hem niet verboden het leven lief te hebben en hier beneden goede dagen te zien. Maar dat genieten gebeurt niet bij het doorwandelen van deze wereld, om daarin z'n geluk te vinden. Het is wel zo, dat hijzelf, voor het zien van deze goede dagen, aan de voorwaarden moet voldoen:"... die stille zijn tong van het kwaad... doe het goede... zoeke vrede en jage die na" (1 Petrus 3 vers 10 en 11); als we niet gelukkig zijn, dan geven we maar al te gauw de schuld aan anderen!

Aan de andere kant is het ook nodig te werken, maar dat moet "met stilheid" voor de Heere gedaan worden en niet om ons eigen eergevoel te strelen (2 Thessalonicenzen 3 vers 12; Colossenzen 3 vers 23 tot en met 25).

Beste vrienden, laat ieder van ons zich persoonlijk de vraag stellen: Wat is het doel van mijn werk?' Want er is een groot verschil of wij de dingen zien in het licht van de zon, dus vanuit het aardse standpunt, of vanuit de eeuwigheid! En alleen dit laatste zal openbaren of ons doen werkelijk winst gebracht heeft!

Prediker 3:1-22
1Alles heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijn tijd.2Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven; een tijd om te planten, en een tijd om het geplante uit te roeien;3Een tijd om om te doden, en een tijd om te genezen; een tijd om af te breken, en een tijd om te bouwen;4Een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen; een tijd om te kermen, en een tijd om op te springen;5Een tijd om stenen weg te werpen, en een tijd om stenen te vergaderen; een tijd om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen;6Een tijd om te zoeken, en een tijd om verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om weg te werpen;7Een tijd om te scheuren, en een tijd om toe te naaien; een tijd om te zwijgen, en een tijd om te spreken;8Een tijd om lief te hebben, en een tijd om te haten; een tijd van oorlog, en een tijd van vrede.9Wat voordeel heeft hij, die werkt, van hetgeen hij arbeidt?10Ik heb gezien de bezigheid, die God den kinderen der mensen gegeven heeft, om zichzelven daarmede te bekommeren.11Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mens het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe.12Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven.13Ja ook, dat ieder mens ete en drinke, en het goede geniete van al zijn arbeid, Dit is een gave Gods.14Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, noch is er af te doen; en God doet dat, opdat men vreze voor Zijn aangezicht.15Hetgeen geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is alrede geweest; en God zoekt het weggedrevene.16Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid.17Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk.18Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.19Want wat den kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is geen; want allen zijn zij ijdelheid.20Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.21Wie merkt, dat de adem van de kinderen der mensen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde?22Dies ik gezien heb, dat er niets beters is, dan dat de mens zich verblijde in zijn werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarhenen brengen, dat hij ziet, hetgeen na hem geschieden zal?

God bepaalt de tijden van al Zijn schepselen. Hij heeft de datum van onze geboorte en alle gebeurtenissen in ons leven vastgesteld. Net als de psalmist kan ook de christen vol vertrouwen zeggen: "Mijn tijden zijn in Uw hand" (Psalm 31 vers 16). En "er is niet toe te doen, noch is er af te doen", bij alles wat Hij doet (vers 14). "Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijn tijd" (vers 11); de schepping is volmaakt uit de hand van God voortgekomen. Maar ondanks alle wonderen die nog in de natuur zichtbaar zijn, kunnen wij de schepping vandaag niet meer in haar oorspronkelijke pracht en frisheid bewonderen. De mens heeft haar door zijn wetteloosheid en z'n kwaad verontreinigd en verwoest (vers 16); hij heeft haar "aan de ijdelheid (of: vruchteloosheid) onderworpen" (Romeinen 8 vers 20). Al die dorens en distels herinneren ons aan de zondeval (Genesis 3 vers 18).

Bovendien is het hele bestaan van de mens zelf niets anders dan een verdrietig overblijfsel van verloren gegane zegening, te midden van de restanten van de schipbreuk die door de zonde veroorzaakt is. En ten slotte roept vers 20 bij ons herinnering op aan het doodsoordeel dat uitgesproken is in Genesis 3 vers 19: "Gij zijt stof, en gij zult tot stof weerkeren".

Voor ieder mens komt de "tijd om te sterven" (vers 2), en dat moment kan wel eens veel sneller aanbreken dan wij zelf verwachten! Daarom willen we tegen iedere lezer die nog niet gered is, zeggen, dat er nu nog een tijd is om je te bekeren. En die tijd is nu!

Prediker 4:1-16
1Daarna wende ik mij, en zag aan al de onderdrukkingen, die onder de zon geschieden; en ziet, er waren de tranen der verdrukten, en dergenen, die geen trooster hadden; en aan de zijde hunner verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen vertrooster.2Dies prees ik de doden, die alrede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn.3Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.4Verder zag ik al den arbeid en alle geschikkelijkheid des werks, dat het den mens nijd van zijn naaste aanbrengt. Dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes.5De zot vouwt zijn handen samen, en eet zijn eigen vlees.6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.7Ik wendde mij wederom, en ik zag een ijdelheid onder de zon;8Daar is er een, en geen tweede; hij heeft ook geen kind, noch broeder; nochtans is van al zijn arbeid geen einde; ook wordt zijn oog niet verzadigd van den rijkdom, en zegt niet: Voor wien arbeide ik toch, en doe mijn ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook ijdelheid, en het is een moeilijke bezigheid.9Twee zijn beter dan een; want zij hebben een goede beloning van hun arbeid;10Want indien zij vallen, de een richt zijn metgezel op; maar wee den ene, die gevallen is, want er is geen tweede om hem op te helpen.11Ook, indien twee te zamen liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou een alleen warm worden?12En indien iemand den een mocht overweldigen, zo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken.13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.14Want een komt uit het gevangenhuis, om koning te zijn; daar ook een, die in zijn koninkrijk geboren is, verarmt.15Ik zag al de levenden wandelen onder de zon, met de jongeling, den tweede, die in diens plaats staan zal.16Er is geen einde van al het volk, van allen, die voor hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich ook over hem niet verblijden; gewisselijk, dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes. [ (Ecclesiastes 4:17) Bewaar uw voet, als gij tot het huis Gods ingaat, en zijt liever nabij om te horen, dan om der zotten slachtoffer te geven; want zij weten niet, dat zij kwaad doen. ]

Waarom is deze wereld eigenlijk vervuld met ongerechtigheid, tranen, onderdrukking en strijd? Men doet alle moeite om deze problemen, door middel van sociale en maatschappelijke systemen, op te lossen en herstel te bewerken door het beleggen van internationale conferenties. Maar de enige ware oorzaak wordt nooit genoemd, omdat de mens met al zijn hoogmoed weigert om toe te geven dat dit alles veroorzaakt wordt door zijn eigen zondige toestand.

Het is echt niet zo, dat de Heere onverschillig staat tegenover al dit leed (Klaagliederen 3 vers 34 tot en met 36), maar Hij gebruikt de nood van de mens om Zichzelf als de enige ware Trooster te openbaren (2 Korinthe 1 vers 3; Jesaja 51 vers 12).

Vanaf vers 4 onderzoekt de prediker de verschillende vormen van "het boze werk, dat onder de zon geschiedt". En telkens komt hij tot dezelfde conclusie: "IJdelheid en kwelling des geestes... een moeilijke bezigheid" (vers 4, 6, 8 en 16). Zijn overleggingen zijn van algemene betekenis en deze wijsheid wordt zelfs door mensen van de wereld erkend.

Vers 6 zegt bijvoorbeeld dat de rust van de geest, onder eenvoudige omstandigheden, meer waard is dan "beide vuisten vol met arbeid", met bovendien nog een heleboel zorgen en narigheid (zie ook 1 Timotheüs 6 vers 6).

Ook al heeft een menselijke verbinding vaak veel voordelen bij het werk, in de wandel of in de strijd, toch ligt de ware kracht van een christen enkel en alleen in zijn persoonlijke gemeenschap met de Heere.

Prediker 5:1-20
1Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.2Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, alzo de stem des zots door de veelheid der woorden.3Wanneer gij een gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen; want Hij heeft geen lust aan zotten; wat gij zult beloofd hebben, betaal het.4Het is beter, dat gij niet belooft, dan dat gij belooft en niet betaalt.5Laat uw mond niet toe, dat hij uw vlees zou doen zondigen; en zeg niet voor het aangezicht des engels, dat het een dwaling was; waarom zou God grotelijks toornen, om uwer stemme wille, en verderven het werk uwer handen?6Want gelijk in de veelheid der dromen ijdelheden zijn, alzo in veel woorden; maar vrees gij God!7Indien gij de onderdrukking des armen, en de beroving des gerichts en der gerechtigheid ziet in een landschap, verwonder u niet over zulk een voornemen; want die hoger is dan de hoge, neemt er acht op; en daar zijn hogen boven henlieden.8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.9Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat; en wie den overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet zat. Dit is ook ijdelheid.10Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten; wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan, dan het gezicht hunner ogen?11De slaap des arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen.12Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijn bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.13Of de rijkdom zelf vergaat door een moeilijke bezigheid; en hij gewint een zoon, en er is niet met al in zijn hand.14Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzo zal hij naakt wederkeren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niet medenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen.15Daarom is dit ook een kwaad, dat krankheid aanbrengt; dat hij in alle manier, gelijk hij gekomen is, alzo heengaat; en wat voordeel is het hem, dat hij in den wind gearbeid heeft?16Dat hij ook alle dagen in duisternis gegeten heeft; en dat hij veel verdriets gehad heeft, ook zijn krankheid, en onstuimigen toorn?17Ziet, wat ik gezien heb, een goede zaak, die schoon is: te eten en te drinken, en te genieten het goede van al zijn arbeid, die hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal der dagen zijns levens, hetwelk God hem geeft; want dat is zijn deel.18Ook een iegelijk mens, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijn arbeid, datzelve is een gave van God.19Want hij zal niet veel gedenken aan de dagen zijns levens, dewijl hem God hem verhoort in de blijdschap zijns harten.20

Vers 17 van het vorige hoofdstuk en het eerste vers van hoofdstuk 5 herinneren ons eraan wat gepast is in de tegenwoordigheid van God. Laten we er toch op letten dat onze houding en onze verschijning in de samenkomsten eerbiedig en bescheiden zijn. De gelovigen moeten altijd gekenmerkt worden door de vreze Gods, en we hebben geen enkel recht tot welke nalatigheid ook (ook niet onder het voorwendsel dat we nu immers in de tijd van vrijheid en genade leven!).

Vanaf vers 9 is er weer sprake van rijkdom. "Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat..." De gierigaard lijkt op iemand die zijn dorst probeert te lessen met zeewater. Hoe meer hij drinkt, hoe erger zijn dorst wordt. Dat is het bedrieglijke van de rijkdom (Mattheus 13 vers 22). Men denkt gebruik te maken van het geld, maar in werkelijkheid is men een slaaf van het geld. Er zijn slechts twee mogelijkheden: of hij die rijkdom heeft, bewaart het tot zijn eigen geestelijke schade (vers 12), of het vermogen gaat verloren zonder dat iemand er baat bij heeft (vers 14; Jakobus 5 vers 3). Vroeg of laat zal men van haar moeten scheiden, omdat de dood is gekomen (vers 14). Er wordt wel eens gezegd dat het doodshemd geen zakken heeft. De schatten die in sommige oude graven gevonden zijn, zijn de voormalige bezitters niet nagevolgd in het hiernamaals.

1 Timotheüs 6 vers 17 tot en met 19 regelt het probleem van de rijkdom voor een christen op volkomen wijze.

Prediker 6:1-12
1Er is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder de mensen:2Een man, denwelken God gegeven heeft rijkdom, en goederen, en eer; en hij heeft voor zijn ziel aan geen ding gebrek, van alles wat hij begeert; en God geeft hem de macht niet, om daarvan te eten, maar dat een vreemd man dat opeet. Dit is ook ijdelheid en een kwade smart.3Indien een man honderd kinderen gewon, en vele jaren leefde, zodat de dagen zijner jaren veel waren, doch zijn ziel niet verzadigd werd van het goed, en hij ook geen begrafenis had; ik zeg, dat een misdracht beter is dan hij.4Want met ijdelheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt.5Ook heeft zij de zon niet gezien, noch bekend; zij heeft meer rust dan hij.6Ja, al leefde hij schoon tweemaal duizend jaren, en het goede niet zag; gaan zij niet allen naar een plaats?7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.8Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen?9Beter is het aanzien der ogen, dan het wandelen der begeerlijkheid. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes.10Wat ook iemand zij, alrede is zijn naam genoemd, en het is bekend, dat hij een mens is; en dat hij niet kan rechten met dien, die sterker is dan hij.11Voorwaar, er zijn veel dingen, die de ijdelheid vermeerderen; wat heeft de mens te meer daarvan?12Want wie weet, wat goed is voor den mens in dit leven, gedurende het getal der dagen van het leven zijner ijdelheid, welke hij doorbrengt als een schaduw? Want wie kan den mens aanzeggen, wat na hem wezen zal onder de zon?

"... immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdel; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal". De ervaringen van Prediker zijn een bevestiging van de woorden van de psalmist (Psalm 39 vers 6 en 7).

De mens, zijn omgeving, zijn bezigheid, alles is vergankelijk. Alleen zijn ziel blijft tot in eeuwigheid bestaan, en juist hierom bekommert hij zich over het algemeen maar heel weinig. "Al de arbeid van de mens is voor zijn mond", zegt vers 7. En in vers 3 lezen we dat "... zijn ziel niet verzadigd werd van het goed". De Heere Jezus vertelde eens de geschiedenis van de rijke man die zijn ziel bedroog door haar aardse goederen aan te bieden (Lukas 4 vers 4 en 12 vers 16 tot en met 20). Het wordt je bang om het hart, als je denkt aan die talloze mensen die hun tijd verknoeien met al hun capaciteiten en geweldige krachtsinspanningen om iets tot stand te brengen. Ze jagen een bepaald, onbestendig en vluchtig doel na. Het is één en al jagen naar wind. En terwijl zij zich zo rusteloos en zonder het goede te zien (5 en 6) aftobben, glijdt het leven "als een schaduw" voorbij (vers 12). Maar toch zal men eens hierover rekenschap moeten afleggen aan God !

Christenen, dat ons dit toch de ogen mag openen! We zullen nooit de gelegenheid hebben om ons leven opnieuw te leven. Laten we het daarom nu helemaal voor de Heere besteden, tot eer van Hem!

Prediker 7:1-15
1Beter is een goede naam, dan goede olie, en de dag des doods, dan de dag dat iemand geboren wordt.2Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; want in hetzelve is het einde aller mensen, en de levende legt het in zijn hart.3Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd.4Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.5Het is beter te horen het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen.6Want gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.7Voorwaar, de onderdrukking zou wel een wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart.8Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige.9Zijt niet haastig in uw geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen.10Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.11De wijsheid is goed met een erfdeel; en degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel daarvan.12Want de wijsheid is tot een schaduw, en het geld is tot een schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haar bezitters het leven geeft.13Aanmerk het werk Gods; want wie kan recht maken, dat Hij krom gemaakt heeft?14Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, zie toe; want God maakt ook den een tegenover den ander, ter oorzake dat de mens niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn.15Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid zijn dagen verlengt.

De prediker heeft de wereld onderzocht en wat heeft hij overal gezien? IJdelheid, lijden, verwarring en dwaasheid. Dan komt de vraag voor de wijze naar voren: "Hoe moet hij zich gedragen te midden van deze toestand, hoe moet hij staan tegenover dingen waaraan hij niets kan veranderen?" In de vorm van kernachtige uitspraken, die ons doen denken aan het Boek Spreuken, geeft Prediker ons nu adviezen in wijsheid en voorzichtigheid.

Laten we het huis waarin gerouwd wordt, niet ontlopen (vers 2 tot en met 4). Het zal ons bepalen bij de vergankelijkheid en ons tot ernstig nadenken brengen. Het zien van het verdriet van de ander zal ons hart gevoeliger maken en ons misschien een paar woorden van meeleven ingeven, die er misschien toe kunnen bijdragen dat de gedachten van de bedroefden op de Heere gericht worden.

Daarna volgen andere vermaningen: "Wees niet haastig in uw geest om te toornen". De toorn is meestal een kindje van de haast en wordt vaak begeleid door dwaasheid (vers 9).

"Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze?" (vers 10; Richteren 6 vers 13). We moeten niet menen dat het vandaag moeilijker is de Heere te volgen dan in de tijd van onze ouders en grootouders. Dezelfde hulpbronnen die zij in het Woord van God en in de gemeenschap met Hem gevonden hebben, staan ook ons ter beschikking om ons door deze wereld, die moreel gezien niet veranderd is, te leiden.

Prediker 7:16-29
16Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?17Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?18Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat al.19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.20Voorwaar, er is geen mens rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt.21Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt.22Want uw hart heeft ook veelmalen bekend, dat gij ook anderen gevloekt hebt.23Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was nog verre van mij.24Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden?25Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en een sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden.26En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, en haar handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.27Ziet, dit heb ik gevonden, zegt de prediker, het ene bij het andere, om de sluitrede te vinden;28Dewelke mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: een man uit duizend heb ik gevonden; maar een vrouw onder die allen heb ik niet gevonden.29Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mens recht gemaakt heeft, maar zij hebben veel vonden gezocht.

Wat betekent de vermaning in vers 16? Lopen we het gevaar om in onze wandel te zorgvuldig te zijn? Zeker niet! Ons geweten zal nooit en te nimmer te fijngevoelig zijn. Maar toch bestaat er een gevaar waaraan pasbekeerden vaak ten val komen. Ze zijn in hun houding of woorden soms zo overdreven; ze gaan verder dan de mate van hun geloof. Tegelijkertijd zijn ze geneigd om andere christenen streng te beoordelen, eenvoudig omdat ze zichzelf nog te weinig kennen (Romeinen 12 vers 3).

Vers 21 brengt de andere kant onder onze aandacht. Het kan ook zijn dat men zelf het onderwerp van de kritiek van anderen is. Als we echter weten in overeenstemming met de gedachten van de Heere gehandeld te hebben, dan hoeven we hierop geen acht te slaan. "Want die God vreest, die ontgaat dat al" (vers 18); zo iemand weet de gevaarlijkste omstandigheden (kritiek kan een negatieve invloed op je hebben!) het hoofd te bieden.

Eén van de andere valstrikken wordt ons genoemd in vers 26: "Een vrouw, wier hart netten en garen, en haar handen banden zijn". Hij die welgevallig is voor God (dat wil zeggen: Hem vreest en gehoorzaamt), mag erop rekenen dat hij bewaard zal worden en zal ontkomen, maar "de zondaar zal door haar gevangen worden".

In het Woord van God komen we twee geschiedenissen tegen die, hoewel ze elkaars tegenovergestelde zijn, het bovenstaande heel goed illustreren. Denk maar aan hetgeen Jozef meemaakte in Genesis 39 vers 7 en verder, en aan de verdrietige geschiedenis van Simson, die door Delila gebonden werd (Richteren 16 vers 4 en verder). Jonge gelovigen, denk toch eens goed over deze twee voorbeelden na!

Prediker 8:1-17
1Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging der dingen? De wijsheid der mensen verlicht zijn aangezicht, en de stuursheid zijns aangezichts wordt daardoor veranderd.2Ik zeg: Neem acht op de mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods.3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.4Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?5Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads gewaar worden; en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten.6Want een ieder voornemen heeft tijd en wijze, dewijl het kwaad des mensen veel is over hem.7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?8Er is geen mens, die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en hij heeft geen heerschappij over den dag des doods; ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid haar meesters niet verlossen.9Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon geschiedt: er is een tijd, dat de ene mens over den anderen mens heerst, hem ten kwade.10Alzo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.11Omdat niet haastelijk het oordeel over de boze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen.12Hoewel een zondaar honderd maal kwaad doet, en God hem de dagen verlengt; zo weet ik toch, dat het dien zal welgaan, die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen.13Maar den goddeloze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest.14Er is nog een ijdelheid, die op aarde geschiedt: dat er zijn rechtvaardigen, dien het wedervaart naar het werk der goddelozen, en er zijn goddelozen, dien het wedervaart naar het werk der rechtvaardigen. Ik zeg, dat dit ook ijdelheid is.15Daarom prees ik de blijdschap, dewijl de mens niets beters heeft onder de zon, dan te eten, en te drinken, en blijde te zijn; want dat zal hem aankleven van zijn arbeid, de dagen zijns levens, die hem God geeft onder de zon.16Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne ogen;17Toen zag ik alle werk Gods, dat de mens niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mens arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja, indien ook een wijze zeide, dat hij het zou weten, zo zal hij het toch niet kunnen uitvinden.

"Want ieder voornemen heeft tijd en wijze" (vers 6). Een andere vertaling zegt: "Voor elke zaak bestaat een tijd en een gerechtelijke beslissing". Als iemand examen moet doen, zijn twee dagen belangrijk voor hem: ten eerste de dag van het examen en vervolgens de dag van uitslag. De "tijd" die God aan iemand geeft hier op aarde, komt overeen met de eerste dag. Maar... de dag van uitslag, van oordeel, zal onherroepelijk volgen! In zijn onkunde buit de zondaar het feit uit dat "niet haastig het oordeel over de boze daad geschiedt" (vanwege het grote geduld van God!) en doet veel meer kwaad (vers 11). "Dat ook de mens zijn tijd niet weet" (hoofdstuk 9 vers 12; Jeremia 8 vers 6 en 7), noch "wat er geschieden zal" (vers 7), terwijl de wijze, door God beleerd, alle dingen beoordeelt (vers 1; 1 Korinthe 2 vers 15 en 16). Het vergaat hem als een Paulus; de gedachte aan de rechterstoel van Christus bewerkt vrees in hem. Doordat hij zich bewust is van de ernst van de tegenwoordige tijd en dat het gerechtelijk oordeel zal volgen (vers 5), zet hij alles op alles om de Heere welgevallig te zijn (2 Korinthe 5 vers 9 tot en met 11).

De prediker kent geen openbaring over de toekomst zoals wij die kennen. Desalniettemin weet hij hoe belangrijk het is God te vrezen en zegt "dat het hen zal welgaan, die God vrezen" (vers 12). Misschien zullen ze met vervolging te maken krijgen, maar niemand heeft de macht "om de geest in te houden" of gevangen te nemen (vers 8 en 9). Niets zal in staat zijn hen te scheiden van liefde van Christus (Romeinen 8 vers 35).

Prediker 9:1-18
1Zekerlijk, dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles klaarlijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen, en de wijzen, en hun werken in de hand Gods zijn; ook liefde, ook haat, weet de mens niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is.2Alle ding wedervaart hun, gelijk aan alle anderen; enerlei wedervaart den rechtvaardige en den goddeloze, den goede en den reine, als den onreine; zo dien, die offert, als dien, die niet offert; gelijk den goede, alzo ook den zondaar, dien, die zweert, gelijk dien, die den eed vreest.3Dit is een kwaad onder alles, wat onder de zon geschiedt, dat enerlei ding allen wedervaart, en dat ook het hart der mensenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna moeten zij naar de doden toe.4Want voor dengene, die vergezelschapt is bij alle levenden, is er hoop; want een levende hond is beter dan een dode leeuw.5Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de doden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hun gedachtenis is vergeten.6Ook is alrede hun liefde, ook hun haat, ook hun nijdigheid vergaan; en zij hebben geen deel meer in deze eeuw in alles, wat onder de zon geschiedt.7Ga dan heen, eet uw brood met vreugde, en drink uw wijn van goeder harte; want God heeft alrede een behagen aan uw werken.8Laat uw klederen te allen tijd wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ontbreken.9Geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt, al de dagen uws ijdelen levens, welke God u gegeven heeft onder de zon, al uw ijdele dagen; want dit is uw deel in dit leven, en van uw arbeid, dien gij arbeidt onder de zon.10Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar gij heengaat.11Ik keerde mij, en zag onder de zon, dat de loop niet is der snellen, noch de strijd der helden, noch ook de spijs der wijzen, noch ook de rijkdom der verstandigen, noch ook de gunst der welwetenden, maar dat tijd en toeval aan alle dezen wedervaart;12Dat ook de mens zijn tijd niet weet, gelijk de vissen, die gevangen worden met het boze net; en gelijk de vogelen, die gevangen worden met den strik; gelijk die, alzo worden de kinderen der mensen verstrikt, ter bozer tijd, wanneer derzelve haastelijk over hen valt.13Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij:14Er was een kleine stad, en weinig lieden waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde grote vastigheden tegen haar.15En men vond daar een armen wijzen man in, die de stad verloste door zijn wijsheid; maar geen mens gedacht denzelven armen man.16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.18De wijsheid is beter dan de krijgswapenen, maar een enig zondaar verderft veel goeds.

"Alle ding wedervaart hun, gelijk aan alle anderen", zegt vers 2. God staat toe dat er in het leven van iedereen bepaalde dingen gebeuren — die wij al naar gelang óf geluk óf ongeluk noemen — om te zien of hierdoor het hart van Zijn schepsel zich omkeert tot Hem. De Heere heeft overigens nergens beloofd dat de gelovige, na diens bekering, beproevingen bespaard zullen blijven. Maar de verschillende omstandigheden van het leven, of ze nu invloed hebben op onze gezondheid, ons werk of ons gezin, zijn gelegenheden om te tonen in hoeverre het christelijk geloof onze houding in de beproevingen bepaalt. In het zakken voor een examen bijvoorbeeld, wat de onbekeerde misschien pech of onrechtvaardigheid zal noemen, zal het kind van God de veilige en wijze hand van zijn hemelse Vader erkennen.

"... dat de loop niet is van de snellen, noch de strijd van de helden" (vers 11; vergelijk Romeinen 9 vers 16). Het is de mens die zijn weg met God gaat die hierin altijd overwinnaar is. In 2 Timotheüs 4 vers 7 wordt ons een arme, oude gevangene voor de aandacht gebracht, die zijn loop beëindigd en de goede strijd gestreden heeft.

De gelijkenis van de arme wijze man (vers 13 tot en met 15) richt onze blikken op de Heere Jezus. Hij heeft ons van onze machtige vijand bevrijd (vergelijk Hebreeën 2 vers 14 en 15). Laten we daarom niet ondankbaar en vergeetachtig zijn, zoals de bewoners van die kleine stad, maar laten we juist naar Zijn woorden luisteren (vers 15 en 16; 1 Korinthe 11 vers 24).

Prediker 10:1-20
1Een dode vlieg doet de zalf des apothekers stinken en opwellen; alzo een weinig dwaasheid een man, die kostelijk is van wijsheid en van eer.2Het hart des wijzen is tot zijn rechterhand, maar het hart eens zots is tot zijn linkerhand.3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.5Er is nog een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt.6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.7Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde.8Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.9Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.10Indien hij het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen; maar de wijsheid is een uitnemende zaak, om iets recht te maken.11Indien de slang gebeten heeft, eer der bezwering geschied is, dan is er geen nuttigheid voor den allerwelsprekendsten bezweerder.12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.14De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?15De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.16Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten tot in den morgenstond eten!17Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon der edelen is, en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij.18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.19Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles.20Vloek den koning niet, zelfs in uw gedachten, en vloek den rijke niet in het binnenste uwer slaapkamer; want het gevogelte des hemels zou de stem wegvoeren, en het gevleugelde zou het woord te kennen geven.

Vers 8 is voor ons een groot waarschuwingsbord, waar we goed op moeten letten: "Wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten". God heeft voor een ieder van ons grenzen vastgesteld, een afrastering rondom ons opgericht om ons te beschermen (voor kinderen is dat bijvoorbeeld het gezag van hun ouders of verzorgers). God weet precies wat er aan de andere kant van die omheining ligt. Wij denken vaak dat daar het plezier te vinden is, de blijdschap die Hij ons onthoudt. Integendeel! Wat Hij ons wil besparen, zijn juist de giftige beten die ons van buiten de omheining te wachten staan. De slang ligt op de loer en heeft maar een klein openingetje nodig om bij ons binnen te komen. Een klein beetje zonde, "een weinig dwaasheid" (vers 1) is al voldoende om het getuigenis van een kind van God in gevaar te brengen (vergelijk 1 Korinthe 5 vers 6). Dan wordt de lieflijke reuk van Christus, die ons zou moeten kenmerken, veranderd in de slechte geur van het verderf (Galaten 6 vers 8).

Het ontbreken van verstand is juist bij hen die regeren, te verafschuwen (vers 5 en verder). Dat heeft namelijk grote gevolgen voor iedereen die aan hen onderworpen zijn. Of ze hebben eronder te lijden, of ze volgen het slechte voorbeeld na (zie bijvoorbeeld 2 Koningen 21 vers 9 en 16). Dat is echter nog geen reden om maar slechte dingen over de regering te zeggen of zelfs maar te denken (vers 20). Integendeel, als christenen hebben we juist de opdracht om voor hen te bidden (1 Timotheüs 2 vers 1 en 2).

Bij vers 12 gaan onze gedachten onwillekeurig uit naar Christus, de ware Wijze. "En zij... allen... verwonderden zich over de aangename woorden, die uit Zijn mond voortkwamen" (Lukas 4 vers 22).

Prediker 11:1-10
1Werp uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen.2Geef een deel aan zeven, ja, ook aan acht; want gij weet niet, wat kwaad op de aarde wezen zal.3Als de wolken vol geworden zijn, zo storten zij plasregen uit op de aarde; en als de boom naar het zuiden, of als hij naar het noorden valt, in de plaats, waar de boom valt, daar zal hij wezen.4Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien.5Gelijk gij niet weet, welke de weg des winds zij, of hoedanig de beenderen zijn in den buik van een zwangere vrouw, alzo weet gij het werk Gods niet, Die het alles maakt.6Zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uw hand des avonds niet af; want gij weet niet, wat recht wezen zal, of dit of dat, of dat die beide te zamen goed zijn zullen.7Verder, het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen;8Maar indien de mens veel jaren heeft, en verblijdt zich in die allen, zo laat hem ook gedenken aan de dagen der duisternis, want die zullen veel zijn; en al wat zal gekomen is, is ijdelheid.9Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht.10Zo doe dan de toornigheid wijken van uw hart, en doe het kwade weg van uw vlees, want de jeugd, en de jonkheid is ijdelheid.

Je zou denken dat 'het water' wel de minst geschikte plaats zou zijn om brood uit te werpen (vers 1). Maar dit brood is het brood des levens en het water is een beeld van de wereld die gekenmerkt wordt door opstand en onrust. En dát is de plaats waar de Heere ons geroepen heeft om met vrijmoedigheid het evangelie te verspreiden (vers 2), zonder daarbij acht te slaan op de moeilijkheden (vers 4), zonder vragen te stellen (vers 5; Johannes 3 vers 8) en zonder vermoeid te raken van onze inspanningen (vers 6).

En als we daarna geneigd zijn om onszelf een bepaalde verdienste toe te schrijven, laten we er dan aan denken dat dit alles het werk van God is (vers 5 aan het eind).

Vers 3 herinnert ons aan de genade, de kern van het evangelie (Jesaja 55 vers 10 en 11). Maar laten we erom denken dat de aankondiging van het oordeel daar ook deel van uitmaakt.

"Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd..., en wandel in de wegen van uw hart..." Dat is de filosofie van veel jonge mensen die zorgeloos voortleven. Het eind van deze tekst zou hen echter tot nadenken moeten brengen: "Maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht" (vers 9). Ja, God zal rekenschap van jou vragen over elke vorm van vermaak: 'Voor wie en voor wat heb je geleefd?' Niet alles is beperkt tot deze aarde. God bestaat en deze God is tevens Rechter.

Beste vriend, als je nog niet bekeerd bent, laat deze waarschuwing je dan bij het eerste vers van hoofdstuk 12 brengen!

Prediker 12:1-14
1En gedenk aan de Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve.2Eer dan de zon, en het licht, en de maan, en de sterren verduisterd worden, en de wolken wederkomen na den regen.3In den dag, wanneer de wachters des huizes zullen beven, en de sterke mannen zichzelven zullen krommen, en de maalsters zullen stilstaan, omdat zij minder geworden zijn, en die door de vensteren zien, verduisterd zullen worden;4En de twee deuren naar de straat zullen gesloten worden, als er is een nederig geluid der maling, en hij opstaat op de stem van het vogeltje, en al de zangeressen nedergebogen zullen worden.5Ook wanneer zij voor de hoogte zullen vrezen, en dat er verschrikkingen zullen zijn op den weg, en de amandelboom zal bloeien, en dat de sprinkhaan zichzelven een last zal wezen, en dat de lust zal vergaan; want de mens gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen in de straat omgaan.6Eer dat het zilveren koord ontketend wordt, en de gulden schaal in stukken gestoten wordt, en de kruik aan de springader gebroken wordt, en het rad aan den bornput in stukken gestoten wordt;7En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft.8Ijdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; het is al ijdelheid!9En voorts, dewijl de prediker wijs geweest is, zo leerde hij het volk nog wetenschap, en merkte op, en onderzocht; hij stelde vele spreuken in orde.10De prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is recht, woorden der waarheid.11De woorden der wijzen zijn gelijk prikkelen, en gelijk nagelen, diep ingeslagen van de meesters der verzamelingen, die gegeven zijn van den enigen Herder.12En wat boven dezelve is, mijn zoon! wees gewaarschuwd; van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezens is vermoeiing des vleses.13Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen.14Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad.

"En gedenk aan uw Schepper in de dagen van uw jongelingschap" (vers 1). Dat is de meest gunstige tijd om je tot de Heere te wenden en om al je capaciteiten voortaan in Zijn dienst te stellen, want met het ouder worden nemen de krachten af en het hart is dan ook meer geneigd zich te verharden. Het ouder worden en de dood worden door middel van beelden in de verzen 2 tot en met 7 beschreven. Dan komt de tragische conclusie aan het eind van dit Boek, dat overeenkomt met het begin (vers 8; hoofdstuk 1 vers 2),

Hoe dankbaar kunnen we de Heere zijn dat dit Boek van de prediker maar één kant van de waarheid toont! De openbaring van God als Rechter (vers 14) sluit vandaag nog aan bij de openbaring van de Heiland-God. Daarom mag dit Schriftgedeelte evenmin als welk ander gedeelte ook uit het verband van het Goddelijke Woord genomen worden. De verschillende Boeken die samengevoegd werden tot de Bijbel, werden door "de enige Herder" gegeven en door dezelfde Geest geïnspireerd (vers 11). Het is goed om al deze woorden als "prikkelen, en gelijk nagelen" in ons geweten door te laten dringen, opdat we ontvankelijk worden voor het heil.

In tegenstelling tot de boeken die mensen geschreven hebben, krijgen we nooit een afkeer van het Woord van God als we Dit met een gebed in ons hart lezen (vers 12). Dit Woord zal ons onderwijzen in wat alle mensen betaamt: God te vrezen en Zijn geboden te onderhouden. Al het andere is slechts ijdelheid.

Hooglied 1:1-17
1Het Hooglied, hetwelk van Salomo is.2Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.3Uw olien zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief.4Trek mij, wij zullen U nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief.5Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.6Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.7Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen?8Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.9Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.10Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren.11Wij zullen u gouden spangen maken, met zilveren stipjes.12Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk.13Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht.14Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi.15Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen.16Zie, gij zijt schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede.17De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cypressen.

Voordat we ons met dit Boek bezig gaan houden, is het goed de Heere te vragen ons te bewaren voor elke ontheiligende gedachte.

Prediker heeft ons geleerd dat de leegte in het menselijk hart niet opgevuld kan worden door de wereld. Het Hooglied stelt ons de Goddelijke liefde voor de aandacht waardoor het hart wel bevredigd kan worden.

Het is goed steeds in gedachten te houden dat het in dit Boek in eerste instantie gaat om een beeld van de toekomstige Koning, Christus, met Israël, Zijn aardse bruid. Op het moment dat Zijn rijk wordt opgericht, wordt de genegenheid van dit volk weer aangewakkerd en het zal dan eindelijk de liefde van de ware Salomo beantwoorden. In de korte overdenkingen zullen we echter in het bijzonder de nadruk leggen op hetgeen in praktisch opzicht op de tegenwoordige behoeften van de christen van toepassing is. De liefde is de verbinding die van levensbelang is, die elke verloste verbindt met zijn Verlosser. Van Hem naar ons toe is deze verbinding oneindig en onveranderlijk, van ons naar Hem toe helaas maar al te vaak zo zwak en onbestendig! Laten we Hem toch steeds opnieuw vragen om ons tot Hem te trekken, opdat wij Hem nalopen (vers 4).

De verzen 5 en 6 zijn een belijdenis van het schuldige verleden. De bruid die hier spreekt, weet heel goed dat als zij liefelijk is, dat dit niet uit eigen verdienste is (lees Efeze 1 vers 6). Maar nu zoekt zij de tegenwoordigheid van de Herder (vers 7 en 8), van de Koning (vers 12). Hem heeft zij lief; Hij is voortdurend het Voorwerp van haar hart, zoals een bundeltje mirre haar kleren doordringt met een heerlijke geur die haar overal begeleidt (vers 13; 2 Korinthe 2 vers 14 -16).

Hooglied 2:1-17
1Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen.2Gelijk een lelie onder de doornen, alzo is Mijn vriendin onder de dochteren.3Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.4Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.5Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde.6Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.7Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste!8Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen!9Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp der herten; ziet, Hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensteren, blinkende uit de tralien.10Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom!11Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan;12De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land.13De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk met hun jonge druifjes. Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom!14Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk.15Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden hebben jonge druifjes.16Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn, Die weidt onder de lelien,17Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden; keer om, mijn Liefste! wordt Gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether.

Een appelboom onderscheidt zich van de bomen in het bos door zijn vruchten (vers 3). Te midden van de mensen heeft alleen Christus deze vrucht voor God voortgebracht en van de zoetigheid daarvan mogen Zijn verlosten nu genieten (vers 5; Numeri 18 vers 13). Net als Maria deed aan de voeten van de Heere Jezus, zo moeten ook wij ons nu voeden, door naar Zijn woord te luisteren en daaraan te gehoorzamen.

"De liefde is Zijn banier over mij" (vers 4). Als soldaten van Jezus Christus volgen wij onze Aanvoerder en dat niet uit dwang, maar uit aanhankelijkheid tot Zijn Persoon.

De Bijbel eindigt met Zijn belofte: "Zie, Ik kom haastig" (Openbaring 22 vers 7, 12 en 20). Wat bewerken deze woorden toch een weerklank in de harten van hen die Hem liefhebben! "Dat is de stem van mijn Liefste, ziet Hem, Hij komt...!" (vers 8). O, dat wij ons toch "totdat die dag aankomt", als een duif "zijnde in de kloven der steenrotsen" ophouden, om zo voor vuiligheid en gevaar beschermd te zijn (vers 14 en 17). En laten we ook oppassen voor de kleine vossen, die de bloeiende wijngaard bederven (vers 15). Met het groter worden, worden deze eens zo kleine vossen steeds heerszuchtiger (Romeinen 6 vers 14). Bovendien is met het verdwijnen van de bloei, ook elke belofte op vrucht verdwenen. Laten we vandaag toch geen enkel compromis aangaan, noch een zonde — hoe onbeduidend misschien ook in onze ogen — dulden in ons leven. Later kan dit namelijk zo uitgroeien en ons zo gaan beheersen, dat de Heere de vrucht die Hem toebehoort, ontnomen wordt.

Hooglied 3:1-11
1Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet; ik zeide:2Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.3De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij: ik zeide: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?4Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft.5Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! die bij de reeen of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste!6Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, en met allerlei poeder des kruideniers?7Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israel;8Die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege den schrik des nachts.9De koning Salomo heeft zich een koets gemaakt van het hout van Libanon.10De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar vloer van goud, haar gehemelte van purper; het binnenste was bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem.11Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner bruiloft, en op den dag der vreugde Zijns harten.

Als wij er moeite mee hebben om de aanwezigheid van de Heere te ervaren terwijl wij op bed liggen (vers 1; een beeld van luiheid) of aan de andere kant ons te midden van het lawaai van de stad bevinden (vers 2), hoeven we ons daar niet over te verbazen. Juist in de stilte van onze kamer en op de knieën zullen we daarentegen altijd Hem, Die onze ziel liefheeft, ontmoeten (vergelijk vers 4). Maar laten we oppassen dat er ook dan niets tussen komt wat onze gedachten kan afleiden en onze gemeenschap met Hem kan verstoren (vers 5)!

Uit de woestijn, een beeld van een dorre wereld, kan een welriekende reuk voor God opstijgen (vers 6). Eens heeft de Heere Jezus deze wereld doorwandeld en Zijn hele leven was een welgevallen voor de Vader. Mirre spreekt van Zijn lijden (vanaf de kribbe tot aan het graf; Mattheus 2 vers 11; Johannes 19 vers 39), wierook van Zijn verschillende morele volmaaktheden. "Allerlei poeder van de kruidenverkoper" herinnert ons ten slotte aan de dagelijkse ervaringen waarin Hij God verheerlijkt heeft. Ook wij worden opgeroepen om, net als de Heere Jezus, zo'n welriekende reuk tot God te laten opstijgen.

Zowel voor Israël alsook voor de Gemeente zal de woestijnreis binnenkort ten einde zijn (vers 6; vergelijk Numeri 21 vers 19 en 20). De ware Salomo zal dan alles gereed gemaakt hebben, met het oog op de rust van het duizendjarig vrederijk (vers 7 - 10). Zijn kroon zal Hem sieren, en deze dag zal een dag "van de vreugde Zijns harten" zijn (vers 11; Psalm 132 vers 18).

Hooglied 4:1-16; Hooglied 5:1
1Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van den berg Gileads afscheren.2Uw tanden zijn als een kudde schapen, die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos.3Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.4Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden der helden.5Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de lelien weiden.6Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot den mirreberg, en tot den wierookheuvel.7Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u.8Bij Mij van den Libanon af, o bruid! kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amana, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.9Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen, met een van uw ogen, met een keten van uw hals.10Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer olien dan alle specerijen!11Uw lippen, o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon.12Mijn zuster, o bruid! gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein.13Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus;14Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloe, mitsgaders alle voornaamste specerijen.15O fontein der hoven, put der levende wateren, die uit Libanon vloeien!16Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten!
1Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten!

Waarop zijn de blikken van de bruid gericht, terwijl de Heere met welgevallen op haar neerziet? Maar al te vaak laten wij ons door de beelden en de opwindende gebeurtenissen van de wereld (de Libanon) verblinden! Onwetend als wij zijn, herkennen we soms "de woningen der leeuwen" niet meer, noch "de bergen der luipaarden" (vers 8). Maar de Heere, Die de gevaren van deze betoverende wereld waaraan wij blootgesteld zijn, ziet, probeert ons in liefde daarvan los te maken. "Bij Mij van de Libanon af .. Kom bij Mij" (vers 8). Wat ons verre zou moeten houden van deze wereld is meer de liefde tot Hem dan dat wij bang voor haar gevaren zijn. "Mijn zuster, o bruid!", namen die op een liefelijke manier herinneren aan de banden die ons aan Hem verbinden. De Heere heeft het alleenrecht op de ziel, die Hij liefheeft. Deze ziel is als een verzegelde fontein, waarop Hij alleen recht heeft om uit te drinken, een besloten hof, waar niets vreemds mag binnendringen en waarvan de bloemen, de vruchten en de heerlijke geuren alleen voor Hem bestemd zijn. Opdat deze welriekende reuk werkelijk vrij zal komen, is het soms nodig dat Hij een wind van beproeving of een zuidenwind laat waaien (vers 16). Daardoor worden de genegenheden voor Hem en onze toewijding tot Hem weer aangewakkerd en dan wordt er opnieuw verlangd naar Zijn tegenwoordigheid. En dan zal Hijzelf antwoorden op deze uitnodiging en er een vreugde in vinden om dat wat onze zwakke liefde voor Hem voortbrengt, te plukken, te proeven en met ons te delen (hoofdstuk 5 vers 1).

Hooglied 5:2-16
2Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.3Ik heb mijn rok uitgetogen, hoe zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen?4Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat der deur; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil.5Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten van mirre, en mijn vingers van vloeiende mirre, op de handvaten des slots.6Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet, ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet.7De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn sluier van mij.8Ik bezweer u, gij dochters van Jeruzalem! indien gij mijn Liefste vindt, wat zult gij Hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde.9Wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, o gij schoonste onder de vrouwen! wat is uw Liefste meer dan een ander liefste, dat gij ons zo bezworen hebt!10Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend.11Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf.12Zijn ogen zijn als der duiven bij de waterstromen, met melk gewassen, staande als in kasjes der ringen.13Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, als welriekende torentjes; Zijn lippen zijn als lelien, druppende van vloeiende mirre.14Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; Zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren.15Zijn schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen.16Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem!

Herkennen we ook bij onszelf niet vaak een zelfzuchtigheid en onvergeeflijke onverschilligheid, ondanks dat de Heere ons liefheeft? De Heere Jezus klopt aan de deur van ons hart, maar wij... Onze geestelijk lauwheid, onze liefde tot gemak, het nalaten van zelfoordeel, in dat alles vinden we veel oorzaken om niet naar Zijn stem te luisteren. Dan gaat de Heere verdrietig verder. Als het zover bij ons komt, laten we dan toch een even grote ijver ontplooien als deze jonge bruid, opdat we Zijn gemeenschap weer terugvinden. Deze bruid kan maar niet genoeg vurige uitdrukkingen bedenken en prachtige vergelijkingen maken om haar Geliefde te beschrijven. En wij, beste vrienden, wat zouden wij te zeggen hebben als men ons zou vragen Wie de Heere Jezus is (vergelijk Mattheüs 16 vers 15 en 16)? Wat is Hij ons meer dan een ander (vers 9)? Zouden wij kunnen vertellen van Zijn liefde, Zijn macht, Zijn vernedering en van Zijn gehoorzaamheid tot de dood aan het kruis? Zouden we iets kunnen zeggen over Zijn genade, Zijn wijsheid, de volmaaktheid in Zijn wandel en dienst? "Toen wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte dat wij Hem zouden begeerd hebben", zei Israël door de mond van de profeet (Jesaja 53 vers 2). Maar de schoonheid van de persoonlijke heerlijkheid van de Messias (die verborgen is voor het ongelovige volk) brengt de bruid hier tot de uitroep: "Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk"!

Is deze kostbare Persoon ook werkelijk het Voorwerp van ons verlangen?

Hooglied 6:1-13
1Waar is uw Liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken?2Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de lelien te verzamelen.3Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de lelien weidt.4Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als slagorden met banieren.5Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan; uw haar is als een kudde geiten, die het gras van Gilead afscheren.6Uw tanden zijn als een kudde schapen, die uit de wasstede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is geen jongeloos.7Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten.8Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal.9Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen.10Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?11Ik ben tot den notenhof afgegaan om de groene vruchten der vallei te zien; om te zien, of de wijnstok bloeide, de granaatbomen uitbotten.12Eer ik het wist, zette mij mijn ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk.13Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.

De vurige beschrijving die de Sulammith van haar Geliefde gegeven heeft, brengt anderen ertoe Hem, samen met haar, te zoeken. Dat moet ook het resultaat van ons getuigenis zijn. De mensen in onze omgeving mogen zich wat dat betreft niet vergissen. Alleen dat wat uitdrukkelijk uit de volheid van onze harten voortkomt, zal hen tot de Heere Jezus kunnen leiden. De "dochters van Jeruzalem" hebben alleen van de heerlijkheid van de Bruidegom gehoord, maar die van de bruid was voor hen al zichtbaar. Zij is de "schoonste onder de vrouwen" (vers 1; 13). De zedelijke schoonheid van de Gemeente, waarin die van de Heere Jezus weerspiegeld wordt, zal onbekeerden bereid maken het evangelie aan te nemen.

Maar bovenal zal deze schoonheid door de Heere gewaardeerd worden (vers 4). Ook Zijn ogen rusten op Haar, Die Hij liefgehad heeft tot in de dood. En wat ziet Hij in Haar? De volmaaktheden waarmee Hij Haar bekleed heeft (vergelijk Ezechiël 16 vers 7 - 14). Hij kan Haar zelfs "Mijn volmaakte" noemen (vers 9), omdat Hij Haar onverschilligheid vergeven heeft en één ding vasthoudt: Zij heeft Zich niet voor Hem geschaamd; Zij heeft Zijn Naam openlijk bekend gemaakt. En Hij, van Zijn kant, belijdt dan voor God dat Zij Hem toebehoort (Mattheus 10 vers 32).

En wij denken aan het moment dat spoedig zal aanbreken, als de Goddelijke Bruidegom de Gemeente voor Zich zal stellen, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar heilig en onberispelijk voor de eeuwigheid (Efeze 5 vers 27; 1 vers 4).

Hooglied 7:1-13
1Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, gij prinsendochter! de omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.2Uw navel is als een ronde beker, dien geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met lelien.3Uw twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van een ree.4Uw hals is als een elpenbenen toren, uw ogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die tegen Damaskus ziet.5Uw hoofd op u is als Karmel, en de haarband uws hoofds als purper; de koning is als gebonden op de galerijen.6Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, in wellusten!7Deze uw lengte is te vergelijken bij een palmboom, en uw borsten bij druif trossen.8Ik zeide: Ik zal op den palmboom klimmen, ik zal zijn takken grijpen; zo zullen dan uw borsten zijn als druif trossen aan den wijnstok, en de reuk van uw neus als appelen.9En uw gehemelte als goede wijn, die recht tot mijn Beminde gaat, doende de lippen der slapenden spreken.10Ik ben mijns Liefsten, en Zijn genegenheid is tot mij.11Kom, mijn Liefste! laat ons uitgaan in het veld, laat ons vernachten op de dorpen.12Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven.13De dudaim geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn Liefste! die heb ik voor U weggelegd.

In Psalm 45 vers zegt de aardse bruid: "Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; omdat Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neer". In zekere zin bevat het Hooglied het antwoord op deze oproep: "Ik ben van mijn Liefste", zegt de bruid van de Koning (vers 10). Zij is zich bewust van de banden die haar aan Hem verbinden: Hij is haar Heere (is Hij de enige?). Zij beroemt zich niet op haar positie als koningin, maar op de liefde van de Bruidegom. Het is niet meer haar schoonheid (die in de verzen 1 - 9 beschreven wordt) die de Koning begeert. Ze zegt met grote zekerheid: "Zijn genegenheid is tot mij".

Er is wel eens gezegd dat dit gedeelte de hoogste toon van het Hooglied is, maar tegelijkertijd ook de meest nederige en onderdanige. Er zeker van zijn dat de Heere ons liefheeft, is absoluut geen aanmatiging, want deze liefde is op geen enkele wijze gebaseerd op een bepaalde verdienste van onze kant. Een ziel die dit weet, is in de genade bevestigd. En we hopen dat iedereen die dit leest, deze zekerheid bezit en persoonlijk weet dat hij of zij door de Heere Jezus geliefd is.

Aan de wijnstok Israël, die zo lange tijd onvruchtbaar is gebleven, zullen uiteindelijk knoppen en bloei zichtbaar worden, hetgeen tevens de belofte van een heerlijke oogst inhoudt (vers 12). Van iedere verloste wordt nu echter al verwacht dat hij God, door Jezus Christus, zal aanbidden door de kostelijke vruchten van lof te offeren die voor de Geliefde bewaard zijn (vers 13; Hebreeën 13 vers 15; Deuteronomium 26).

Hooglied 8:1-14
1Och, dat Gij mij als een Broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder! dat ik U op de straat vond, ik zou U kussen, ook zouden zij mij niet verachten.2Ik zou U leiden, ik zou U brengen in mijner moeders huis, Gij zoudt mij leren; ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen.3Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.4Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem! dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve lust!5Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste? Onder den appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht, die u gebaard heeft.6Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN.7Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten.8Wij hebben een kleine zuster, die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal?9Zo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar rondom bezetten met cederen planken.10Ik ben een muur en mijn borsten zijn als torens. Toen was ik in Zijn ogen als een, die vrede vindt.11Salomo had een wijngaard, te Baal-Hamon; hij gaf dezen wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor deszelfs vrucht duizend zilverlingen.12Mijn wijngaard, dien ik heb, is voor mijn aangezicht; de duizend zilverlingen zijn voor u, o Salomo! maar tweehonderd zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht.13O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen.14Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.

De genegenheid van de joodse bruid zal, na al de beproevingen waardoor zij gereinigd zal zijn, niet die gelukkige onbezorgdheid kennen zoals de Gemeente die vandaag al mag ervaren. De Gemeente geniet nu al, met Christus, van die kostelijke gemeenschap. God zij geprezen! Voor ons bestaan er nu geen voorwaarden meer waaraan eerst voldaan zou moeten worden, geen onzekerheid zoals die in feite nog weerklinkt in de woorden "waart... vond... zou..." (vers 1 en 2). Onze namen staan voor altijd gegraveerd in de stenen op de schouders en op de borst van onze Hogepriester (vers 6; Exodus 28 vers 11, 12 en 29). Wij zijn deelgenoten van deze volmaakte liefde, die alle vrees uitdrijft (1 Johannes 4 vers 18). En het is aan het kruis waar we deze liefde in haar hoogste vorm hebben leren kennen. De liefde is groter geweest dan al onze zonden en sterker dan de straf die op de zonde moest volgen: de dood. Zelfs de golven van het oordeel hebben die liefde in het hart van de Verlosser niet kunnen uitblussen (vers 7; Psalm 42 vers 8).

In de "kleine zuster" van Juda mogen we een beeld zien van de tien stammen die pas na de bruid (Juda) hun zedelijke en geestelijke ontwikkeling zullen bereiken (vers 8). Dan pas zal er vrede heersen (vers 10), en de hele wijngaard Israël zal dan vrucht brengen (vers 11 en 12). Dan zal getuigd worden van de ware Salomo en zal Hij geloofd worden (vers 13).

Maar vandaag is het ónze stem, de stem van óns hart, die de Heere zo graag wil horen! De Bruid antwoordt samen met de Heilige Geest: "Amen. Ja, kom, Heere Jezus!" (vers 14; Openbaring 22 vers 17 en 20).

Daniël 1:1-8
1In het derde jaar des koninkrijks van Jojakim, den koning van Juda, kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, te Jeruzalem, en belegerde haar.2En de HEERE gaf Jojakim, den koning van Juda, in zijn hand, en een deel der vaten van het huis Gods; en hij bracht ze in het land van Sinear, in het huis zijns gods; en de vaten bracht hij in het schathuis zijns gods.3En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israels, te weten, uit het koninklijk zaad, en uit de prinsen;4Jongelingen, aan dewelke geen gebrek ware, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in alle wijsheid, en ervaren in wetenschap, en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid ware, om te staan in des konings paleis; en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeen.5En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men hen drie jaren alzo optoog, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des konings.6Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniel, Hananja, Misael en Azarja.7En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniel noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misael Mesach, en Azarja Abed-nego.8Daniel nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.

Daniël onderscheidt zich van de overige profeten. Zijn Boek heeft betrekking op "de tijden van de heidenen" (Lukas 21 vers 24). Dat wil zeggen: op de lange tijdsperiode vanaf de wegvoering naar Babel tot aan het herstel van het toekomstig Israël onder de heerschappij van Christus. Maar deze man van God spreekt, door zijn eigen voorbeeld, ook tot onze harten. Van en door hem kunnen wij ontzettend veel lessen leren!

De allereerste les is dat hij zich vast in zijn hart heeft voorgenomen zich niet te verontreinigen (vers 8). Hij is als een jonge vreemdeling aan het hof van de heidense koning gekomen en had natuurlijk best allerlei uitvluchten kunnen bedenken om zich aan de koninklijke levenswijze aan te passen (tegen de eisen van Gods wet in). Wat is er immers over van de joodse godsdienst, nu een deel van de heilige voorwerpen uit de verwoeste tempel naar Babel is gebracht (vers 2)? En is hijzelf niet een gevangene, aan wie — hoewel hij onderwerp is van een bijzondere welwillendheid — het weigeren van het koninklijke voedsel als een spotternij aangerekend zou kunnen worden? Betekent dat niet, dat hij op een gevaarlijke wijze de aandacht op zichzelf en zijn vrienden zou vestigen?

Maar zo redeneerde Daniël niet! Voor deze man van het geloof nemen noch zijn persoonlijke moeilijkheden, noch de vijandige omgeving, noch het verval in de joodse godsdienst ook maar iets weg van het gezag van het Woord van zijn God. Beste vrienden, heeft dat Woord evenveel waarde voor ons? Dan moeten we, net als deze jongemannen, ervoor zorgen dat alles wat onze lichamen en onze geest zou kunnen verontreinigen, ver van ons verwijderd blijft (2 Korinthe 7 vers 1).

Daniël 1:9-21
9En God gaf Daniel genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.10Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniel: Ik vreze mijn heer, den koning, die ulieder spijs, en ulieder drank verordend heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien, dan der jongelingen, die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.11Toen zeide Daniel tot Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniel, Hananja, Misael en Azarja:12Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken.13En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante der jongelingen, die de stukken van de spijs des konings eten; en doe met uw knechten, naar dat gij zien zult.14Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde ze tien dagen.15Ten einde nu der tien dagen, zag men dat hun gedaanten schoner waren, en zij vetter waren van vlees dan al de jongelingen, die de stukken van de spijze des konings aten.16Toen geschiedde het, dat Melzar de stukken hunner spijs wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide.17Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniel gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.18Ten einde nu der dagen, waarvan de koning gezegd had, dat men hen zou inbrengen, zo bracht ze de overste der kamerlingen in voor het aangezicht van Nebukadnezar,19En de koning sprak met hen; doch er werd uit hen allen niemand gevonden, gelijk Daniel, Hananja, Misael en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht des konings.20En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovernaars en sterrekijkers, die in zijn ganse koninkrijk waren.21En Daniel bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe.

Wanneer wij ernaar verlangen trouw te zijn, mogen we altijd op de hulp van de Heere rekenen. Hij is Heere van onze omstandigheden en wanneer wij moedig stelling genomen hebben voor Hem, dan staat Hij het, ter wille van Zichzelf, niet toe dat wij door de wereld te schande gemaakt worden. Altijd blijft Zijn belofte bestaan: "Want die Mij eren, zal Ik eren" (1 Samuël 2 vers 30).

Hier grijpt God op tweeërlei wijze in, ten gunste van Daniël en zijn vrienden. Ten eerste bewerkt Hij het hart van Aspenaz, zodat deze hen gunstig gezind is (vergelijk dit met de geschiedenis van Jozef in Genesis 39 vers 21). Daarna laat Hij de vier jongemannen er zo goed uitzien dat de verandering in het voedsel volkomen gerechtvaardigd is.

Sommige jonge christenen die studeren, kunnen zich op geestelijk gebied in een soortgelijke situatie als Daniël en zijn drie vrienden bevinden. Door af te zien van bepaalde informatiebronnen op het gebied van wetenschap en cultuur die vandaag de dag als absoluut noodzakelijk worden beschouwd, zouden zij, menselijk gezien, onder moeten doen voor hun medestudenten. Maar wanneer zij, in geloof, afstand nemen van deze dingen, is hun de zegen van boven gewaarborgd!

Dat zien we ook heel duidelijk bij deze vier jongemannen, die glansrijk door het examen komen! Nadien zijn zij trouwe getuigen van God, terwijl we over die andere jongeren die samen met hen weggevoerd werden, helemaal niets meer lezen (Psalm 119 vers 98 en 100).

Daniël 2:1-16
1In het tweede jaar nu des koninkrijks van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar dromen; daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken.2Toen zeide de koning, dat men roepen zou de tovenaars, en de sterrekijkers, en de guichelaars, en de Chaldeen, om den koning zijn dromen te kennen te geven; zij nu kwamen, en stonden voor het aangezicht des konings.3En de koning zeide tot hen: Ik heb een droom gedroomd; en mijn geest is ontsteld om dien droom te weten.4Toen spraken de Chaldeen, tot den koning in het Syrisch: O koning, leef in eeuwigheid! Zeg uw knechten den droom, zo zullen wij de uitlegging te kennen geven.5De koning antwoordde en zeide tot de Chaldeen: De zaak is mij ontgaan; indien gij mij den droom en zijn uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden, en uw huizen zullen tot een drekhoop gemaakt worden.6Maar indien gijlieden den droom en zijn uitlegging te kennen geeft, zo zult gij geschenken en gaven, en grote eer van mij ontvangen; daarom geeft mij den droom en zijn uitlegging te kennen.7Zij antwoordden ten tweeden male, en zeiden: De koning zegge zijn knechten den droom, dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.8De koning antwoordde en zeide: Ik weet vastelijk, dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet, dat de zaak mij ontgaan is.9Indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, ulieder vonnis is enerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere; daarom zegt mij den droom, dan zal ik weten, dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven.10De Chaldeen antwoordden voor den koning, en zeiden: Er is geen mens op den aardbodem, die des konings woord zou kunnen te kennen geven; daarom is er geen koning, grote of heerser, die zulk een zaak begeerd heeft van enigen tovenaar, of sterrekijker, of Chaldeer.11Want de zaak die de koning begeert, is te zwaar; en er is niemand anders, die dezelve voor den koning te kennen kan geven, dan de goden, welker woning bij het vlees niet is.12Daarom werd de koning toornig en zeer verbolgen, en zeide, dat men al de wijzen te Babel zou ombrengen.13Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniel en zijn metgezellen, om gedood te worden.14Toen bracht Daniel een raad en oordeel in, aan Arioch, den overste der trawanten des konings, die uitgetogen was, om de wijzen van Babel te doden.15Hij antwoordde en zeide tot Arioch, den bevelhebber des konings: Waarom zou de wet van 's konings wege zo verhaast worden? Toen gaf Arioch aan Daniel de zaak te kennen.16En Daniel ging in, en verzocht van den koning, dat hij hem een bestemden tijd wilde geven, dat hij den koning de uitlegging te kennen gave.

Wat bestaan er toch veel overeenkomsten tussen de tijd waarin Daniël leefde en die waarin Jozef leefde. God sprak door profetische dromen tot Nebukadnezar, zoals eens ook tot de Farao (Genesis 41). En de uitlegger die Hij voor dit werk heeft toebereid, is in beide gevallen een jonge gevangene uit het volk Israël. Omdat Daniël zich in acht nam voor elke vorm van verontreiniging (vergelijk Genesis 39), was hij uitverkoren om de verborgenheden van God te openbaren.

Beste jonge vrienden, vergeet nooit dat de Heere je in de mate waarin jij je rein bewaart van de wereld, zal onderwijzen en voor Zijn dienst zal kunnen gebruiken!

Het is goed eraan te denken dat Daniël op de achtergrond blijft totdat de totale onmacht van de mens in het verstaan van Gods gedachten duidelijk naar voren is gekomen. De Chaldeeën zeggen het zelf: "Er is geen mens op de aardbodem, die het woord van de koning te kennen zou kunnen geven... dan de goden" (vers 10 en 11; hoofdstuk 5 vers 11). Net als eens de tovenaars (geleerden) van Egypte (Exodus 8 vers 19), kunnen zij niet anders dan hun onwetendheid toegeven. Deze eindconclusie van de Chaldeeën had de hoogmoedige vorst tot verootmoediging en beschaming moeten brengen! Maar in plaats daarvan wordt hij juist kwaad en geeft hij bevel alle wijzen te doden.

Vers 14 legt, in tegenstelling daarmee, juist de nadruk op het verstand en juiste inzicht van Daniël. Hij bedingt tijd, om de hele aangelegenheid aan God voor te leggen.

Daniël 2:17-30
17Toen ging Daniel naar zijn huis, en hij gaf de zaak zijn metgezellen, Hananja, Misael, en Azarja te kennen;18Opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid, dat Daniel en zijn metgezellen met de overige wijzen van Babel niet omkwamen.19Toen werd aan Daniel in een nachtgezicht de verborgenheid geopenbaard; toen loofde Daniel den God des hemels.20Daniel antwoordde en zeide: De Naam Gods zij geloofd van eeuwigheid tot in eeuwigheid, want Zijn is de wijsheid en de kracht.21Want Hij verandert de tijden en stonden; Hij zet de koningen af, en Hij bevestigt de koningen; Hij geeft den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen, die verstand hebben;22Hij openbaart diepe en verborgen dingen; Hij weet, wat in het duister is, want het licht woont bij Hem.23Ik dank en ik loof U, o God mijner vaderen! omdat Gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu bekend gemaakt hebt, wat wij van U verzocht hebben, want Gij hebt ons des konings zaak bekend gemaakt.24Daarom ging Daniel in tot Arioch, dien de koning gesteld had om de wijzen van Babel om te brengen; hij ging henen en zeide aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om, maar breng mij in voor den koning, en ik zal den koning de uitlegging te kennen geven.25Toen bracht Arioch met haast Daniel in voor den koning, en hij sprak alzo tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die den koning de uitlegging zal bekend maken.26De koning antwoordde en zeide tot Daniel, wiens naam Beltsazar was: Zijt gij machtig mij bekend te maken den droom, dien ik gezien heb, en zijn uitlegging?27Daniel antwoordde voor den koning, en zeide: De verborgenheid, die de koning eist, kunnen de wijzen, de sterrekijkers, de tovenaars, en de waarzeggers den koning niet te kennen geven;28Maar er is een God in den hemel, Die verborgenheden openbaart, Die heeft den koning Nebukadnezar bekend gemaakt, wat er geschieden zal in het laatste der dagen; uw droom, en de gezichten uws hoofds op uw leger, zijn deze:29Gij, o koning! op uw leger zijnde, klommen uw gedachten op, wat hierna geschieden zou; en Hij, Die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven, wat er geschieden zal.30Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door wijsheid, die in mij is boven alle levenden; maar daarom, opdat men den koning de uitlegging zou bekend maken, en opdat gij de gedachten uws harten zoudt weten.

Het is goed om op de volgorde van de gang van zaken te letten: "Toen" bad Daniël samen met zijn vrienden (vers 17 en 18)... "Toen werd aan Daniël... de verborgenheid geopenbaard" en "toen loofde Daniël de God des hemels" (vers 19).

Onze eerste opdracht is om "in alles" onze begeerten bij God bekend te maken (Filippi 4 vers 6). Daniël maakt zijn drie vrienden deelgenoot van zijn zorgen, opdat zij samen met hem kunnen bidden. Het is een groot voorrecht om een moeilijkheid te mogen delen met gelovige vrienden en die vervolgens gemeenschappelijk voor de Heere te brengen! En wat heeft dat een geweldige uitwerking, want daardoor zullen we Zijn uitdrukkelijke belofte ervaren (Mattheus 18 vers 19)!

God kan niet doof blijven voor het smeken van deze mannen, die Hem vrezen. Hij maakt de verborgenheid aan Zijn dienstknecht bekend (Psalm 25 vers 14). Iemand anders zou daarop misschien linea recta naar de koning gegaan zijn, maar Daniël had iets veel belangrijkers te doen: zijn God danken en prijzen (vergelijk Genesis 24 vers 26). Pas daarna laat hij zich bij koning Nebukadnezar brengen. En daar komt nog een prachtige karaktertrek van deze man Gods naar voren: zijn nederigheid. Net als Jozef (Genesis 41 vers 16) treedt Daniël helemaal naar de achtergrond, om zodoende alle eer aan God te gunnen (vers 30; hoofdstuk 1 vers 17; Ezechiël 28 vers 3).

Beste gelovige vrienden, hopelijk zijn ook wij in staat om, als de Heere ons voor Zijn dienst kan gebruiken, bescheiden te blijven en elke verdienste, elke vrucht aan Hem toe te schrijven.

Daniël 2:31-49
31Gij, o koning! zaagt, en ziet, er was een groot beeld (dit beeld was treffelijk, en deszelfs glans was uitnemend), staande tegen u over; en zijn gedaante was schrikkelijk.32Het hoofd van dit beeld was van goed goud; zijn borst en zijn armen van zilver; zijn buik en zijn dijen van koper;33Zijn schenkelen van ijzer; zijn voeten eensdeels van ijzer, en eensdeels van leem.34Dit zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijn voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.35Toen werden te zamen vermaald het ijzer, leem, koper, zilver en goud, en zij werden gelijk kaf van de dorsvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en er werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar de steen, die het beeld geslagen heeft, werd tot een groten berg, alzo dat hij de gehele aarde vervulde.36Dit is de droom; zijn uitlegging nu zullen wij voor de koning zeggen.37Gij, o koning! zijt een koning der koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht, en sterkte, en eer gegeven;38En overal, waar mensenkinderen wonen, heeft Hij de beesten des velds en de vogelen des hemels in uw hand gegeven; en Hij heeft u gesteld tot een heerser over al dezelve; gij zijt dat gouden hoofd.39En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe; daarna een ander, het derde koninkrijk van koper, hetwelk heersen zal over de gehele aarde.40En het vierde koninkrijk zal hard zijn, gelijk ijzer; aangezien het ijzer alles vermaalt en verzwakt; gelijk nu het ijzer, dat zulks alles verbreekt, alzo zal het vermalen en verbreken.41En dat gij gezien hebt de voeten en de tenen, ten dele van pottenbakkersleem, en ten dele van ijzer, dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem;42En de tenen der voeten, ten dele ijzer, en ten dele leem; dat koninkrijk zal ten dele hard zijn, en ten dele broos.43En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem, zij zullen zich wel door menselijk zaad vermengen, maar zij zullen de een aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.44Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een Koninkrijk verwekken, dat in der eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat Koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.45Daarom hebt gij gezien, dat uit den berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde; de grote God heeft den koning bekend gemaakt, wat hierna geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijn uitlegging is zeker.46Toen viel de koning Nebukadnezar op zijn aangezicht, en aanbad Daniel; en hij zeide, dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een drankoffer doen zou.47De koning antwoordde Daniel en zeide: Het is de waarheid, dat ulieder God een God der goden is, en een Heere der koningen, en Die de verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren.48Toen maakte de koning Daniel groot, en hij gaf hem vele grote geschenken, en hij stelde hem tot een heerser over het ganse landschap van Babel, en een overste der overheden over al de wijzen van Babel.49Toen verzocht Daniel van den koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abed-nego over de bediening van het landschap van Babel; maar Daniel bleef aan de poort des konings.

In een kort, aangrijpend gedeelte wordt de geschiedenis van de volken aan de koning getoond. Dat gebeurt door middel van het beeld van een man, dat van boven tot onder uit verschillende metalen bestaat. Het hoofd van goud is een beeld van het eerste wereldrijk, het Babylonische, nadat God Zijn troon uit het midden van Israël heeft weggenomen. Prachtig stralend, maar van korte duur, moest dit koningschap vervolgens plaatsmaken voor het Medo-Perzische rijk (de borst en armen van zilver). Dat werd weer gevolgd door het Griekse rijk van Alexander (de buik en dijen van koper). En ten slotte zijn de benen en voeten een beeld van het vierde rijk, dat sterk zal zijn als ijzer, maar ook brutaal en vernielzuchtig. Het is niet moeilijk om daarin een beeld te zien van het Romeinse rijk.

Sinds de invasie van de barbaren, waardoor er een einde kwam aan de eerste verschijningsvorm van dit rijk, is de geschiedenis van dit rijk tijdelijk onderbroken. We kunnen zeggen dat de periode van de Gemeente er als het ware tussen geschoven is. Maar volgens de profetie zal het Romeinse rijk binnenkort opnieuw, voor een korte tijd, gevormd worden. In dat rijk zal een aspect van zwakheid aanwezig zijn, wat voorgesteld wordt door het ijzer vermengd met leem (de tien verschillende koningen van het Romeinse beest; Openbaring 17 vers 12), waardoor het kwetsbaar zal zijn (vers 41 en 42). Dan zal "een steen zonder handen afgehouwen" komen, dat is de invoering van het rijk van Christus en, tot haar eigen welzijn, een einde maken aan de heerschappij van "een mens van de aarde" (Psalm 10 vers 18).

Daniël 3:1-18
1De koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijn breedte zes ellen; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Babel.2En de koning Nebukadnezar zond henen, om te verzamelen, de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, dat zij komen zouden tot de inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht.3Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden, de wethouders, de schatmeesters, de raadsheren, de ambtlieden, en al de heerschappers der landschappen, tot inwijding van het beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld, dat Nebukadnezar had opgericht.4En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan, gij volken, gij natien, en tongen!5Ten tijde als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, zo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar heeft opgericht;6En wie niet nedervalt en aanbidt, die zal te dierzelfder ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.7Daarom te dier tijd, als al die volken hoorden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en allerlei soorten der muziek, alle volken, natien, en tongen nedervallende, aanbaden het gouden beeld, hetwelk de koning Nebukadnezar had opgericht.8Daarom naderden even ter zelfder tijd Chaldeeuwse mannen, die de Joden openlijk beschuldigden;9Zij antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnezar: O koning! leef in der eeuwigheid!10Gij, o koning! hebt een bevel gegeven, dat alle mensen, die horen zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soorten van muziek, nedervallen, en het gouden beeld aanbidden zouden;11En wie niet nederviel, en aanbad, die zou in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.12Er zijn Joodse mannen, die gij over de bediening van het landschap van Babel gesteld hebt, Sadrach, Mesach en Abed-nego; deze mannen hebben, o koning! op u geen acht gesteld; uw goden eren zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan, hetwelk gij opgericht hebt.13Toen zeide Nebukadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abed-nego voorbrengen zou; toen werden die mannen voor den koning gebracht.14Nebukadnezar antwoordde en zeide tot hen: Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abed-nego, dat gijlieden mijn goden niet eert, en het gouden beeld, dat ik opgericht heb, niet aanbidt?15Nu dan, zo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde, als gij horen zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalteren, en des akkoordgezangs, en allerlei soort der muziek, nedervalt, en aanbidt het beeld, dat ik gemaakt heb, zo is het wel; maar zo gijlieden het niet aanbidt; ter zelfder ure zult gijlieden geworpen worden in het midden van den oven des brandenden vuurs; en wie is de God, Die ulieden uit mijn handen verlossen zou?16Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden en zeiden tot den koning Nebukadnezar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden.17Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.18Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden.

Was het misschien door de herinnering aan zijn droom, dat Nebukadnezar op het idee kwam om een geweldig standbeeld in het dal van Dura op te richten? Hoe het ook zij, deze daad van afgoderij heeft een symbolische betekenis. Ze laat zien waardoor het hart van de mens beheerst wordt. Ten eerste is het beeld van goud; dit edelmetaal is een voorwerp van algehele verering. Ten tweede heeft het beeld de vorm van een mens; de mens is inderdaad steeds geneigd zichzelf te aanbidden, zichzelf in de plaats van God te stellen. En ten derde lijkt het beangstigend veel op het beeld van het beest in de grote verdrukking. Want ook dat beeld zal door iedereen, onder bedreiging van de doodstraf, aanbeden moeten worden. En het getrouwe overblijfsel van Israël zal daardoor ontzettend op de proef gesteld worden (Openbaring 13 vers 15 en verder). Sadrach, Mesach en Abed-Nego zijn een beeld van dit overblijfsel. Zal God ingrijpen en hen redden? Een uitdaging voor de koning! "Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden", zeggen deze jongemannen (vers 16). Met andere woorden: 'God zal u antwoorden!'

De christen hoeft zijn geloof niet te rechtvaardigen voor de ongelovigen. Het erkennen van de Heere is voldoende voor hem.

Hoe er ook gedreigd wordt, niets kan deze drie mannen van de weg van gehoorzaamheid aan God afbrengen, net zo min als dat eerder het geval was met de verleiding met "de spijs... noch met de wijn" van de koning (hoofdstuk 1 vers 8). Nadat zij in het kleine getrouw geweest waren, zijn ze het nu ook in het grote (Lukas 16 vers 10).

Daniël 3:19-30
19Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid, en de gedaante zijns aangezichts veranderde tegen Sadrach, Mesach en Abed-nego; hij antwoordde en zeide, dat men den oven zevenmaal meer heet zou maken dan men dien pleegt heet te maken.20En tot de sterkste mannen van kracht, die in zijn heir waren, zeide hij, dat zij Sadrach, Mesach en Abed-nego binden zouden, om te werpen in den oven des brandenden vuurs.21Toen werden die mannen gebonden in hun mantels, hun broeken, en hun hoeden, en hun andere klederen, en zij wierpen hen in het midden van den oven des brandenden vuurs.22Daarom dan, dewijl het woord des konings aandreef, en de oven zeer heet was, zo hebben de vonken des vuurs die mannen, die Sadrach, Mesach en Abed-nego opgeheven hadden, gedood.23Maar als die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abed-nego, in het midden van den oven des brandenden vuurs, gebonden zijnde, gevallen waren,24Toen ontzette zich de koning Nebukadnezar, en hij stond op in der haast, antwoordde en zeide tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie mannen in het midden des vuurs, gebonden zijnde, geworpen? Zij antwoordden en zeiden tot den koning: Het is gewis, o koning!25Hij antwoordde en zeide: Ziet, ik zie vier mannen, los wandelende in het midden des vuurs, en er is geen verderf aan hen; en de gedaante des vierden is gelijk eens zoons der goden.26Toen naderde Nebukadnezar tot de deur van den oven des brandenden vuurs, antwoordde en sprak: Gij Sadrach, Mesach en Abed-nego, gij knechten des allerhoogsten Gods! gaat uit en komt hier! Toen gingen Sadrach, Mesach en Abed-nego uit het midden des vuurs.27Toen vergaderden de stadhouders, de overheden, en de landvoogden, en de raadsheren des konings, deze mannen beziende, omdat het vuur over hun lichamen niet geheerst had, en dat het haar huns hoofds niet verbrand was, en hun mantels niet veranderd waren, ja, dat de reuk des vuurs daardoor niet gegaan was.28Nebukadnezar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, Die Zijn engel gezonden, en Zijn knechten verlost heeft, die op Hem vertrouwd hebben, en des konings woord veranderd, en hun lichamen overgegeven hebben, opdat zij geen god eerden noch aanbaden, dan hun God.29Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, die lastering spreekt tegen den God van Sadrach, Mesach en Abed-nego, in stukken gehouwen worde, en zijn huis tot een drekhoop gesteld worde; want er is geen ander God, Die alzo verlossen kan.30Toen maakte de koning Sadrach, Mesach en Abed-nego voorspoedig in het landschap van Babel.

Dit hoofdstuk laat ons zien wat de gelovige moet doen, wat satan kan doen, maar ook wat God doet. "Vrees niet... Ik zal bij u zijn...; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken". Dat was de belofte die in Jesaja 43 vers 1 en 2 aan het gelovig overblijfsel gegeven werd. En God vervult die! Als de drie mannen in de brandende oven worden geworpen, ondervinden ze niet alleen geen enkele schade, maar hebben ze daar bovendien nog een wonderbare ontmoeting. Het kost ons niet veel moeite om in de geheimzinnige metgezel die plotseling bij hen is, de Zoon van God te herkennen. Ja, de smeltoven van de beproeving is een ontmoetingsplaats van de Heere en de Zijnen!

Terwijl de mannen die opdracht gekregen hadden om de veroordeelden in het vuur te gooien, zelf door het vuur gedood werden, werden de drie vrienden en hun kleding er niet door aangetast. Ze roken zelfs niet naar rook! Eén ding verbrandde echter wel in die oven: de boeien waarmee ze gebonden waren (vers 25).

Is dat voor een christen ook niet vaak het resultaat van de beproeving? Daardoor wordt hij namelijk van de een of andere verbinding met de wereld bevrijd, en dat bewerkt dan dat hij vrij met de Heere Jezus kan wandelen.

De woede van de koning heeft plaatsgemaakt voor ontsteltenis (vers 24). Door de bereidheid hun leven te geven, konden deze jonge getuigen de werkelijkheid van hun geloof en iets van hun God aan de koning laten zien.

Daniël 4:1-18
1De koning Nebukadnezar aan alle volken, natien en tongen, die op den gansen aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd!2Het behaagt mij te verkondigen de tekenen en wonderen, die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft.3Hoe groot zijn Zijn tekenen! en hoe machtig Zijn wonderen! Zijn Rijk is een eeuwig Rijk, en Zijn heerschappij is van geslacht tot geslacht.4Ik, Nebukadnezar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende,5Zag een droom, die mij vervaarde, en de gedachten, die ik op mijn bed had, en de gezichten mijns hoofds beroerden mij.6Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zou inbrengen al de wijzen van Babel, opdat zij mij de uitlegging van dien droom zouden bekend maken.7Toen kwamen in de tovenaars, de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers; en ik zeide den droom voor hen; maar zij maakten mij zijn uitlegging niet bekend;8Totdat ten laatste Daniel voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is, naar den naam mijns gods, in wien ook de geest der heilige goden is; en ik vertelde den droom voor hem, zeggende:9Beltsazar, gij overste der tovenaars! dewijl ik weet, dat de geest der heilige goden in u is, zo zeg de gezichten mijns drooms, dien ik gezien heb, te weten zijn uitlegging.10De gezichten nu mijns hoofds op mijn leger waren deze: Ik zag, en ziet, er was een boom in het midden der aarde, en zijn hoogte was groot.11De boom werd groot en sterk; en zijn hoogte reikte aan den hemel, en hij werd gezien tot aan het einde der ganse aarde;12Zijn loof was schoon, en zijn vruchten vele, en er was spijze aan denzelve voor allen; onder hem vond het gedierte des velds schaduw, en de vogelen des hemels woonden in haar takken, en alle vlees werd daarvan gevoed.13Ik zag verder in de gezichten mijns hoofds, op mijn leger; en ziet, een wachter, namelijk een heilige, kwam af van den hemel,14Roepende met kracht, en aldus zeggende: Houwt dien boom af, en kapt zijn takken af; stroopt zijn loof af, en verstrooit zijn vruchten, dat de dieren van onder hem wegzwerven, en de vogelen van zijn takken;15Doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds; en laat hem in de dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde.16Zijn hart worde veranderd, dat het geens mensen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan.17Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte is in het woord der heiligen; opdat de levenden bekennen, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze aan wien Hij wil, ja, zet daarover den laagste onder de mensen.18Dezen droom heb ik, koning Nebukadnezar gezien; gij nu, Beltsazar! zeg de uitlegging van dien, dewijl als de wijzen mijns koninkrijks mij de uitlegging niet hebben kunnen bekend maken; maar gij kunt wel, dewijl de geest der heilige goden in u is.

Dit hoofdstuk geeft, zonder verdere uitleg, een bekendmaking van Nebukadnezar door. De woordkeuze is heel anders dan wat je normaal gesproken van een staatshoofd zou verwachten! Het gaat hierbij meer om een getuigenis dat voor de hele wereld afgelegd wordt. Laten we niet bang zijn, voor zover we daartoe in de gelegenheid zijn, om luid en duidelijk te vertellen wat de Heere voor ons heeft gedaan!

De koning begint met een beschrijving van zijn eigen toestand. Hij was rustig (vers 4) — maar het was een bedrieglijke rust; hij had voorspoed — maar het leven van de mens bestaat uit meer dan alleen goederen (Lukas 12 vers 15); alles wat de almachtige God in zijn handen gegeven had, diende alleen om zijn eigen hoogmoed te strelen en ter verheerlijking van hemzelf. Om hem uit deze valse zekerheid te halen, krijgt hij een droom, opdat dit tot resultaat zal hebben dat hij onrustig en angstig zal worden (vers 5). Dit is een heilzame angst! Onrust is vaak het eerste teken dat God aan het geweten werkt. Maar ook nu is Nebukadnezar pas bereid de uitleg van Daniël aan te nemen nadat er geen andere menselijke hulpmiddelen meer over zijn. De wijzen, geleerden, tovenaars, Chaldeeën, waarzeggers... allen toonden hun onmacht (2 Timotheüs 3 vers 9). De koning constateert dat in Daniël "de geest van de heilige goden" aanwezig is (vers 8 en 18; vergelijk Genesis 41 vers 38). Alleen de Geest van God kan het Woord van God verklaren (1 Korinthe 2 vers 11).

Daniël 4:19-27
19Toen ontzette zich Daniel, wiens naam Beltsazar is, bij een uur lang, en zijn gedachten beroerden hem. De koning antwoordde en zeide: Beltsazar! laat u de droom en zijn uitlegging niet beroeren. Beltsazar antwoordde en zeide: Mijn heer! de droom wedervare uw hateren, en zijn uitlegging uw wederpartijders!20De boom, dien gij gezien hebt, die groot en sterk geworden was, en wiens hoogte tot aan den hemel reikte, en die over het ganse aardrijk gezien werd;21En wiens loof schoon, en wiens vruchten vele waren, en waar spijze aan was voor allen, onder wien het gedierte des velds woonde, en in wiens takken de vogelen des hemels nestelden;22Dat zijt gij, o koning! die groot en sterk zijt geworden; want uw grootheid is zo gewassen, dat zij reikt aan den hemel, en uw heerschappij aan het einde des aardrijks.23Dat nu de koning, een wachter, namelijk een heilige gezien heeft, van den hemel afkomende, die zeide: Houwt dezen boom af, en verderft hem; doch laat den stam met zijn wortelen in de aarde, en met een ijzeren en koperen band in het tedere gras des velds, en in de dauw des hemels nat gemaakt worden, en dat zijn deel zij met het gedierte des velds, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan;24Dit is de beduiding, o koning! en dit is een besluit des Allerhoogsten, hetwelk over mijn heer, den koning komen zal:25Te weten, men zal u van de mensen verstoten, en met het gedierte des velds zal uw woning zijn, en men zal u het kruid, als den ossen, te smaken geven; en gij zult van den dauw des hemels nat gemaakt worden, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste heerschappij heeft over de koninkrijken der mensen, en geeft ze, wien Hij wil.26Dat er ook gezegd is, dat men den stam met de wortelen van dien boom laten zou; uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij zult bekend hebben, dat de Hemel heerst.27Daarom, o koning! laat mijn raad u behagen, en breek uw zonden af door gerechtigheid, en uw ongerechtigheid door genade te bewijzen aan de ellendigen, of er verlenging van uw vrede mocht wezen.

We kunnen best begrijpen dat Daniël een innerlijke strijd te strijden had, toen hij de betekenis van de droom vernam. Onder zulke omstandigheden de waarheid spreken, bracht het gevaar met zich mee ter dood gebracht te zullen worden. Toch deinst hij niet terug. Het bewustzijn deze opdracht van God gekregen te hebben, geeft hem de moed om de koning het boek van zijn toekomst te openen. Dat wil echter niet zeggen dat hij, ondanks zijn moed, niet met wijsheid en zachtmoedigheid te werk gaat. Hij verstaat het in een geest van genade, met zout gezouten, te spreken (Kolosse 4 vers 6).

Geve de Heere, dat ook wij, door het voorbeeld van deze trouwe dienstknecht, bemoedigd mogen worden! Wij die, door het Woord, weten van de eeuwige bestemming van onbekeerde zondaren, moeten deze vreselijke kant van de waarheid niet verdoezelen en niet bang zijn dat het tegen de zin van de mensen is, daarover te spreken!

De grote boom is een beeld van de koning, maar ook van de wereld in het algemeen (zie Ezechiël 31 vers 3 - 9). Hoogmoedig en bloeiend (vers 4), is hij geplant om aan alle behoeften van de mensheid tegemoet te komen en haar lusten te bevredigen. In zijn beschuttende schaduw en onder de verschillende takken is er plaats en voeding voor iedereen (vers 21). De wereld vergeet echter één ding, namelijk dat "de Allerhoogste" heerst (vers 25). Daarom zal het oordeel haar treffen en God waarschuwt iedereen door Zijn Woord: "breek uw zonden af" (vers 27) en laat u met God verzoenen (2 Korinthe 5 vers 20; vergelijk Jesaja 58 vers 6 en 7).

Daniël 4:28-37
28Dit alles overkwam den koning Nebukadnezar.29Want op het einde van twaalf maanden, toen hij op het koninklijk paleis van Babel wandelde,30Sprak de koning, en zeide: Is dit niet het grote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door de sterkte mijner macht, en ter ere mijner heerlijkheid!31Dit woord nog zijnde in des konings mond, viel er een stem uit den hemel: U, o koning Nebukadnezar! wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan.32En men zal u van de mensen verstoten, en uw woning zal bij de beesten des velds zijn; men zal u gras te smaken geven, als den ossen, en er zullen zeven tijden over u voorbijgaan, totdat gij bekent, dat de Allerhoogste over de koninkrijken der mensen heerschappij heeft, en dat Hij ze geeft, aan wien Hij wil.33Ter zelfder ure werd dat woord volbracht over Nebukadnezar, want hij werd uit de mensen verstoten, en hij at gras als de ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der arenden vederen, en zijn nagelen als der vogelen.34Ten einde dezer dagen nu, hief ik, Nebukadnezar, mijn ogen op ten hemel, want mijn verstand kwam weer in mij; en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwiglevende, omdat Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, en Zijn Koninkrijk is van geslacht tot geslacht;35En al de inwoners der aarde zijn als niets geacht, en Hij doet naar Zijn wil met het heir des hemels en de inwoners der aarde, en er is niemand, die Zijn hand afslaan, of tot Hem zeggen kan: Wat doet Gij?36Ter zelfder tijd kwam mijn verstand weder in mij; ook kwam de heerlijkheid mijns koninkrijks, mijn majesteit en mijn glans weder op mij; en mijn raadsheren en mijn geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd; en mij werd groter heerlijkheid toegevoegd.37Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk den Koning des hemels, omdat al Zijn werken waarheid, en Zijn paden gerichten zijn; en Hij is machtig te vernederen degenen, die in hoogmoed wandelen.

In Zijn lankmoedigheid heeft God de koning twaalf maanden de tijd gegeven om met zijn zonden te breken (vers 27 en 29). Maar ach, de verborgen wortel van de zonde, de hoogmoed, groeit verder uit tot "hovaardij" (hoofdstuk 5 vers 20). En de dag komt waarop Nebukadnezar zelf het signaal geeft tot zijn eigen onheil: door zijn dwaze manier van spreken probeert hij zich gelijk te stellen met God (vers 30). Hij is nog niet uitgesproken of daar klinkt het Goddelijke oordeel vanuit de hemel en... wordt onmiddellijk voltrokken. Wat een trieste vertoning! De hoogste persoonlijkheid destijds op aarde verliest z'n verstand, wordt vernederd en lijkt nu op een onverstandig dier (Psalm 73 vers 21 en 22).

Inderdaad, de onderwerping aan de wil van God is het enige wat een mens verhoogt. Zodra de koning geleerd heeft om zijn ogen naar de hemel op te heffen, wordt hij weer beter. Hij die eens de grootheid van zijn paleis, de sterkte van zijn macht en de eer van zijn eigen heerlijkheid rondbazuinde, verkondigt voortaan aan alle bewoners van de aarde: "Nu prijs ik, Nebukadnezar, en verhoog, en verheerlijk de Koning des hemels" (vers 37). Wat een verandering in het hart van deze man! Gisteren nog een goddeloze, vandaag een aanbidder! Hij erkent dat het terecht was dat hij deze ernstige les moest leren. De Allerhoogste, Die "de laagste onder de mensen" verhoogt (vers 17), "is machtig te vernederen hen die in hoogmoed wandelen" (vers 37; Lukas 18 vers 14).

Dit bericht kan voor Psalm 2 vers 10 de eindconclusie zijn: "Nu dan, gij koningen, handelt verstandig".

Daniël 5:1-12
1De koning Belsazar maakte een groten maaltijd voor zijn duizend geweldigen, en hij dronk wijn voor die duizend.2Als Belsazar den wijn geproefd had, zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voorbrengen zou, die zijn vader Nebukadnezar uit den tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen en zijn bijwijven uit dezelve dronken.3Toen bracht men voor de gouden vaten, die men uit den tempel van het huis Gods, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; en de koning en zijn geweldigen, zijn vrouwen, en zijn bijwijven dronken daaruit.4Zij dronken den wijn, en prezen de gouden, en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de stenen goden.5Ter zelfder ure kwamen er vingeren van eens mensen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het koninklijk paleis, en de koning zag het deel der hand, die daar schreef.6Toen veranderde zich de glans des konings, en zijn gedachten verschrikten hem; en de banden zijner lendenen werden los, en zijn knieen stieten tegen elkander aan.7Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.8Toen kwamen al de wijzen des konings in; maar zij konden dit schrift niet lezen, noch den koning deszelfs uitlegging bekend maken.9Toen verschrikte de koning Belsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijn geweldigen werden verbaasd.10Om deze woorden des konings en zijner geweldigen, ging de koningin in het huis des maaltijds. De koningin sprak en zeide: O koning, leef in eeuwigheid! laat u uw gedachten niet verschrikken, en uw glans niet veranderd worden.11Er is een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige goden is, want in de dagen uws vaders is bij hem gevonden licht, en verstand, en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is; daarom stelde hem de koning Nebukadnezar, uw vader, tot een overste der tovenaars, der sterrekijkers, der Chaldeen, en der waarzeggers, uw vader, o koning!12Omdat een voortreffelijke geest, en wetenschap, en verstand van een, die dromen uitlegt, en der aanwijzing van raadselen, en van een, die knopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniel, dien de koning den naam van Beltsazar gaf; laat nu Daniel geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven.

De tijd van Nebukadnezar werd gekenmerkt door de vervolging van hen die trouw wilden blijven (hoofdstuk 3). De tijd van zijn opvolger Belsazar wordt daarentegen gekenmerkt door godsdienstige onverschilligheid, zorgeloosheid en genotzucht. In de wereldgeschiedenis wisselen zulke perioden elkaar telkens af en onze eeuw van 'informatie en tolerantie' vertoont veel overeenkomst met die van de goddeloze Belsazar. In onze westerse landen worden de gelovigen niet meer vervolgd, maar God wordt er wel op een andere manier beledigd; in de feestgelagen van deze koning zien we daar een beeld van. De slechte koning schrikt er niet voor terug om de heilige vaten uit de tempel te laten halen en daarmee zijn tafel op te sieren. En dit feest van uitspatting duurt voort... totdat er iets vreselijks gebeurt! Aan de wand, "tegenover de kandelaar" (vergelijk Numeri 8 vers 2), verschijnen de vingers van een hand, die een paar woorden schrijven en daarna weer verdwijnen... De koning verbleekt, zijn knieën knikken en alle grote mannen met hem zijn ontsteld. Welke wijze zal dit ongelukzalige opschrift kunnen lezen (1 Korinthe 1 vers 19)? De lichtvaardige en wereldsgezinde vorst kent Daniël niet (vergelijk Exodus 1 vers 8). Maar de koningin-moeder kan een beschrijving van hem geven. Zij nam geen deel aan het drinkgelag, en de profeet evenmin. Afzondering van de wereld en geestelijk inzicht gaan altijd hand in hand!

God waarschuwt de mensen in deze tijd niet meer door geheimzinnige boodschappen, maar door Zijn Woord.

Daniël 5:13-31
13Toen werd Daniel voor den koning ingebracht. De koning antwoordde en zeide tot Daniel: Zijt gij die Daniel, een uit de gevankelijk weggevoerden van Juda, die de koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft?14Ik heb toch van u gehoord, dat de geest der goden in u is, en dat er licht, en verstand, en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt.15Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen en de sterrekijkers, om dit schrift te lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend te maken; maar zij kunnen de uitlegging dezer woorden niet te kennen geven.16Doch van u heb ik gehoord, dat gij uitleggingen kunt geven, en knopen ontbinden; nu, indien gij dit schrift zult kunnen lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend maken, gij zult met purper bekleed worden, met een gouden keten om uw hals, en gij zult de derde heerser in dit koninkrijk zijn.17Toen antwoordde Daniel, en zeide voor den koning: Heb uw gaven voor uzelven, en geef uw vereringen aan een ander; ik zal nochtans het schrift voor den koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken.18Wat u aangaat, o koning! de allerhoogste God heeft uw vader Nebukadnezar het koninkrijk, en grootheid, en eer, en heerlijkheid gegeven;19En vanwege de grootheid, die Hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volken, natien en tongen voor hem; dien hij wilde, doodde hij, en dien hij wilde, behield hij in het leven, en dien hij wilde, verhoogde hij, en dien hij wilde, vernederde hij.20Maar toen zich zijn hart verhief, en zijn geest verstijfd werd ter hovaardij, werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestoten, en men nam de eer van hem weg.21En hij werd van de kinderen der mensen verstoten, en zijn hart werd den beesten gelijk gemaakt, en zijn woning was bij de woudezelen; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen; en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat hij bekende, dat God, de Allerhoogste, Heerser is over de koninkrijken der mensen, en over dezelve stelt, wien Hij wil.22En gij, Belsazar, zijn zoon! hebt uw hart niet vernederd, alhoewel gij dit alles wel geweten hebt.23Maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van Zijn huis voor u gebracht, en gij, en uw geweldigen, uw vrouwen, en uw bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken, en de goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen, die niet zien, noch horen, noch weten, hebt gij geprezen; maar dien God, in Wiens hand uw adem is, en bij Wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt.24Toen is dat deel der hand van Hem gezonden, en dit schrift getekend geworden.25Dit nu is het schrift, dat daar getekend is: MENE, MENE, TEKEL, UPHARSIN.26Dit is de uitlegging dezer woorden: MENE; God heeft uw koninkrijk geteld, en Hij heeft het voleind.27TEKEL; gij zijt in weegschalen gewogen; en gij zijt te licht gevonden.28PERES; uw koninkrijk is verdeeld, en het is den Meden en den Perzen gegeven.29Toen beval Belsazar, en zij bekleedden Daniel met purper, met een gouden keten om zijn hals, en zij riepen overluid van hem, dat hij de derde heerser in dat koninkrijk was.30In dienzelfden nacht, werd Belsazar, der Chaldeen koning, gedood.31

Dit is de derde keer dat Daniël, op een kritiek moment, ten tonele verschijnt om de gedachten van God uit te leggen. Hier zijn we echter bij het laatste uur in de geschiedenis van Babel aangekomen. En de man van God verkondigt, zonder iets te ontzien, haar ondergang. Belsazar heeft zich niet om het getuigenis van zijn vader bekommerd (vers 22). Daniël kan hem alleen nog het onherroepelijke oordeel aankondigen. God heeft aan drie uitdrukkingen genoeg om het lot van Babel en haar vorst te bepalen:

"Mené, mené", dat is geteld en nog eens geteld. We mogen de herhaling bewonderen! Het is net alsof de rechtvaardige God voor Zijn definitieve conclusie nog eens zorgvuldig alles nagaat (vergelijk Genesis 18 vers 21) .

"Tekél" betekent 'gewogen'! Deze slechte koning met zijn groten zijn "in de weegschaal opgewogen" en zijn samen "lichter dan de ijdelheid" bevonden (Psalm 62 vers 10).

En ten slotte "Upharsín" (of "Perés"), wat 'verdeeld' betekent. De Allerhoogste, Die "over de koninkrijken der mensen" heerst, zal het koninkrijk van Belsazar aan een ander geven (hoofdstuk 4 vers 17). De geschiedenis deelt ons mee hoe Cyrus, de Pers, nadat hij de loop van de Eufraat (die dwars door Babel loopt) omgeleid heeft, de uitgedroogde rivierbedding gebruikte om, onder de bescherming van de nacht en het feestgelag in het paleis, met zijn soldaten de stad binnen te dringen.

Laat deze ernstige geschiedenis toch ook een les voor ons zijn! Laten we waken en nuchter zijn, zodat we niet door de komst van de Heere verrast te worden.

Daniël 6:1-16
1Darius, de Meder nu, ontving het koninkrijk, omtrent twee en zestig jaren oud zijnde.2En het dacht Darius goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders, die over het ganse koninkrijk zijn zouden;3En over dezelve drie vorsten, van dewelke Daniel de eerste zou zijn, denwelken die stadhouders zelfs zouden rekenschap geven, opdat de koning geen schade leed.4Toen overtrof deze Daniel die vorsten en die stadhouders, daarom dat een voortreffelijke geest in hem was; en de koning dacht hem te stellen over het gehele koninkrijk.5Toen zochten de vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden, tegen Daniel vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was, en geen vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd.6Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen dezen Daniel geen gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in te wet zijns Gods.7Zo kwamen deze vorsten en de stadhouders met hopen tot den koning, en zeiden aldus tot hem: O koning Darius, leef in eeuwigheid!8Al de vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben zich beraadslaagd een koninklijke ordonnantie te stellen, en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek zal doen van enigen god of mens, behalve van u, o koning! die zal in den kuil der leeuwen geworpen worden.9Nu, o koning! gij zult een gebod bevestigen, en een schrift tekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag wederroepen worden.10Daarom tekende de koning Darius dat schrift en gebod.11Toen nu Daniel verstond, dat dit schrift getekend was, ging hij in zijn huis (hij nu had in zijn opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde drie tijden 's daags op zijn knieen, en hij bad, en deed belijdenis voor zijn God, ganselijk gelijk hij voor dezen gedaan had.12Toen kwamen die mannen met hopen, en zij vonden Daniel biddende en smekende voor zijn God.13Toen kwamen zij nader, en spraken voor den koning van het gebod des konings: Hebt gij niet een gebod getekend, dat alle man, die in dertig dagen van enigen god of mens iets verzoeken zou, behalve van u, o koning! in den kuil der leeuwen zou geworpen worden? De koning antwoordde en zeide: Het is een vaste rede, naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag wederroepen worden.14Toen antwoordden zij, en zeiden voor den koning: Daniel, een van de gevankelijk weggevoerden uit Juda heeft, o koning! op u geen acht gesteld, noch op het gebod dat gij getekend hebt; maar hij bidt op drie tijden 's daags zijn gebed.15Toen de koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij zichzelven, en hij stelde het hart op Daniel om hem te verlossen; ja, tot den ondergang der zon toe bemoeide hij zich, om hem te redden.16Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.

Het rijk van het gouden hoofd was in één nacht ten onder gegaan. Daniël maakte haar begin mee en was zeventig jaar later ook bij haar val aanwezig. En hier komen we de profeet weer tegen, als een grijsaard van negentig jaar, die altijd nog boven de gebeurtenissen en personen staat. Hij is net zo min onder de indruk van alle menselijke glans als van de val. Hoewel hij een vreemdeling is (zowel in geestelijk opzicht als in de eigenlijke zin van het woord), heeft hij met dezelfde vastberadenheid de trotse Nebukadnezar, de wereldsgezinde Belsazar en nu ook de zwakke Darius gediend (vergelijk 1 Petrus 2 vers 18 en verder). Deze trouw brengt hem het vertrouwen van de koning aan, maar ook de afgunst van zijn collega's. Zij maken een samenzwering tegen hem, en de koning, die door hun huichelarij misleid wordt, ondertekent een niet te herroepen besluit (wij kennen nog het spreekwoord: 'Het is een wet van Meden en Perzen', dus: 'het staat vast'). Maar Daniël kan zich daar niet aan onderwerpen, hoewel hij een trouwe dienaar is.

Inderdaad had deze man Gods een heilige gewoonte — en deze onrechtvaardige aanslag was nodig, opdat wij daarvan op de hoogte gebracht zouden worden. Driemaal per dag knielde hij neer in zijn kamer om tot God te bidden (lees 1 Koningen 8 vers 48 en 50 en Psalm 55 vers 18).

Beste vrienden, wij kunnen knielen zo vaak wij willen zonder dat wij ergens bang voor hoeven te zijn. Laten we dan ook van dit grote voorrecht gebruik maken, om daardoor en daarin, net als Daniël, de verborgen bron van kracht en wijsheid te ontdekken.

Daniël 6:16-28
16Toen kwamen die mannen met hopen tot den koning, en zij zeiden tot den koning: Weet, o koning! dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordonnantie, die de koning verordend heeft, mag veranderd worden.17Toen beval de koning, en zij brachten Daniel voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de koning antwoordde en zeide tot Daniel: Uw God, Dien gij geduriglijk eert, Die verlosse u!18En er werd een steen gebracht, en op den mond des kuils gelegd: en de koning verzegelde denzelven met zijn ring, en met den ring zijner geweldigen, opdat de wil aangaande Daniel niet zou veranderd worden.19Toen ging de koning naar zijn paleis, en overnachtte nuchteren, en liet geen vreugdespel voor zich brengen; en zijn slaap week verre van hem.20Toen stond de koning in den vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging met haast henen tot den kuil der leeuwen.21Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniel met een droeve stem; de koning antwoordde en zeide tot Daniel: O Daniel, gij knecht des levenden Gods! heeft ook uw God, Dien gij geduriglijk eert, u van de leeuwen kunnen verlossen?22Toen sprak Daniel tot den koning: O koning, leef in eeuwigheid!23Mijn God heeft Zijn engel gezonden, en Hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor Hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o koning! tegen u geen misdaad gedaan.24Toen werd de koning bij zichzelven zeer vrolijk, en zeide, dat men Daniel uit den kuil trekken zou. Toen Daniel uit den kuil opgetrokken was, zo werd er geen schade aan hem gevonden, dewijl hij in zijn God geloofd had.25Toen beval de koning, en zij brachten die mannen voor, die Daniel overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, hun kinderen, en hun vrouwen; en zij kwamen niet op den grond des kuils, of de leeuwen heersten over hen, zij vermorzelden ook al hun beenderen.26Toen schreef de koning Darius aan alle volken, natien en tongen, die op de ganse aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd!27Van mij is een bevel gegeven, dat men in de ganse heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God van Daniel; want Hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en Zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en Zijn heerschappij is tot het einde toe.28Hij verlost en redt, en Hij doet tekenen en wonderen in den hemel en op de aarde; Die heeft Daniel uit het geweld der leeuwen verlost. [ (Daniel 6:29) Deze Daniel nu had voorspoed in het koninkrijk van Darius, en in het koninkrijk van Kores, den Perziaan. ]

In de leeuwenkuil herhaalt zich het wonder van de vuuroven uit hoofdstuk drie. De man Gods wordt bewaard voor de tanden van de roofdieren, zoals z'n drie vrienden bewaard bleven voor de gloed van het vuur. En Hebreeën 11 vers 33 en 34 laat ons hun gemeenschappelijk geheim zien: "Die door het geloof... de muilen van de leeuwen toegestopt" en "de kracht van het vuur hebben uitgeblust".

Je kunt je afvragen waarom God deze dienstknecht bevrijd heeft, terwijl zoveel andere martelaren hun leven moesten laten op de brandstapels en in de arena's (vergelijk Hebreeën 11 vers 37). Het was vooral om Zijn macht te tonen en dat Hij Zijn getuige beschermde. God vond het nodig dit aan Darius kenbaar te maken. Deze episode uit het leven van de profeet komt woord voor woord overeen met de ervaring die ons in Psalm 57 wordt meegedeeld (vers 4, 5 en het zo ernstige vers 6).

Daniël doet ons vaak aan de Heere Jezus denken. Christus was trouw van het begin tot het eind van Zijn leven hier op aarde. Hij was hier een vreemdeling, afgezonderd van de wereld, maar altijd bereid haar goed te doen en haar de gedachten van God te openbaren. Net als Daniël heeft Hij nooit aanleiding gegeven tot enige aanklacht en is Hij onschuldig veroordeeld, juist vanwege Zijn trouw (vergelijk vers 4). Maar Hij is glorierijk opgestaan uit de dood (vanuit het bereik van de brullende leeuw; Psalm 22 vers 14 en 22), die in de toekomst het eeuwige deel van de bozen zal zijn. Ja, alle eer aan onze Verlosser!

Daniël 7:1-14
1In het eerste jaar van Belsazar, den koning van Babel, zag Daniel een droom, en gezichten zijns hoofds, op zijn leger; toen schreef hij dien droom, en hij zeide de hoofdsom der zaken.2Daniel antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezicht bij nacht, en ziet, de vier winden des hemels braken voort op de grote zee.3En er klommen vier grote dieren op uit de zee, het ene van het andere verscheiden.4Het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe, totdat zijn vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld, als een mens, en aan hetzelve werd eens mensen hart gegeven.5Daarna, ziet, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ene zijde, en het had drie ribben in zijn muil tussen zijn tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vlees.6Daarna zag ik, en ziet, er was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijn rug; ook had hetzelve dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven.7Daarna zag ik in de nachtgezichten, en ziet, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk, en zeer sterk; en het had grote ijzeren tanden, het at, en verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten; en het was verscheiden van al de dieren, die voor hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen.8Ik nam acht op de hoornen, en ziet, een andere kleine hoorn kwam op tussen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en ziet, in dienzelven hoorn waren ogen als mensenogen, en een mond, grote dingen sprekende.9Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol; Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur.10Een vurige rivier vloeide, en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het gericht zette zich, en de boeken werden geopend.11Toen zag ik toe vanwege de stem der grote woorden, welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood, en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om van het vuur verbrand te worden.12Aangaande ook de overige dieren, men nam hun heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe.13Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.14En Hem werd gegeven heerschappij, en eer, en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natien en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden.

Het is goed om acht te slaan op de indeling van het Boek Daniël. De eerste zes hoofdstukken vertellen ons over het leven van deze man Gods. In de laatste zes hoofdstukken zullen we nu lezen over zijn profetieën.

Nu is het de beurt aan Daniël een droom te hebben. Het algemene onderwerp van deze droom is gelijk aan die van Nebukadnezar in hoofdstuk 2. Maar deze keer worden de vier opeenvolgende wereldrijken, in de tijd van de volken, voorgesteld door dieren. Babel wordt uitgebeeld door de leeuw met arendsvleugels (vergelijk Jeremia 4 vers 7; 49 vers 19, 22 en 30). Perzië wordt weergegeven door de wilde, bloeddorstige beer. In de snelle en verscheurende luipaard mogen we een beeld zien van het Griekse rijk. En wat het vierde dier aangaat, dat "schrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk" was, kunnen we in de hele dierenwereld geen enkel dier noemen dat er zo afschrikwekkend uitziet (hoofdstuk 2 vers 40). Hierbij gaat het om het Romeinse rijk, vooral in de verschijningsvorm die het in de toekomst weer zal hebben, dat wil zeggen: met tien hoornen (of tien koningen) en een kleine vooruitstekende hoorn. Deze laatste is een beeld van de leider van dit rijk, een handlanger van satan, een man met een niet te evenaren intelligentie en een onovertroffen scherpzinnigheid, die zichzelf in dienst van mateloze eerzucht zal stellen en vreselijke Godslasteringen zal uitspreken.

"Dit zag ik, totdat..." (vergelijk hoofdstuk 2 vers 34). "De Oude van dagen", God Zelf, zal deze belichaming van de geest van de boze plotseling vernietigen, voordat Hij de "heerschappij, en eer, en het Koninkrijk" (vers 14) aan de Zoon des mensen zal geven.

Daniël 7:15-28
15Mij, Daniel werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam, en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij.16Ik naderde tot een dergenen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zeide ze mij, en gaf mij de uitlegging dezer zaken te kennen.17Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.18Maar de heiligen der hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen, en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.19Toen wenste ik naar de waarheid van het vierde dier, hetwelk verscheiden was van al de andere, zeer gruwelijk, welks tanden van ijzer waren, en zijn klauwen van koper; het at, het verbrijzelde, en vertrad het overige met zijn voeten.20En aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren, en den anderen, die opkwam, en voor denwelken drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn, die ogen had, en een mond, die grote dingen sprak, en wiens aanzien groter was, dan van zijn metgezellen.21Ik had gezien, dat diezelve hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmocht,22Totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen der hoge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam, dat de heiligen het Rijk bezaten.23Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verscheiden zal zijn van al die rijken, en het zal de ganse aarde opeten, en het zal dezelve vertreden, en het zal ze verbrijzelen.24Belangende nu de tien hoornen: uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en een ander zal na hen opstaan; en dat zal verscheiden zijn van de vorigen, en het zal drie koningen vernederen.25En het zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en het zal de heiligen der hoge plaatsen verstoren, en het zal menen de tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot een tijd, en tijden, en een gedeelte eens tijds.26Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijn heerschappij wegnemen, hem verdelgende en verdoende, tot het einde toe.27Maar het rijk, en de heerschappij, en de grootheid der koninkrijken onder den gansen hemel, zal gegeven worden den volke der heiligen der hoge plaatsen, welks Rijk een eeuwig Rijk zijn zal; en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen.28Tot hiertoe is het einde dezer rede. Wat mij Daniel aangaat, mijn gedachten verschrikken mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij; doch ik bewaarde dat woord in mijn hart.

Mochten we deze profetische onderwerpen erg moeilijk vinden, dan moeten we maar net doen als Daniël, die "de waarheid" wilde weten (vers 19) en daar ook om vroeg. Onze hele interesse zou uit moeten gaan naar deze gebeurtenissen, die nu op het punt staan te gebeuren, maar dan om een andere reden! Ten eerste zien wij hoe het in de wereld waarin wij nu leven, zal toegaan na de opname van de Gemeente. En wij zien nu al heel duidelijk hoe zich bepaalde stromingen aftekenen die op dit vreselijke eindgebeuren zullen uitlopen. Denk maar aan de onderdrukking en het geweld (vers 19), en dat iedere verbinding met God wordt afgewezen (de dieren; lees 2 Petrus 2 vers 12), maar ook de mateloze verheffing van de mens (de hoorn, die zich verheft, door grote dingen te spreken).

Verder moeten we ook niet vergeten dat er getuigen zullen zijn, hier "de heiligen der hoge plaatsen" genoemd (vers 18), die deze vreselijk tijd zullen moeten doormaken. Zij zullen ontzettend te lijden hebben, ja, om zo te zeggen, vernietigd worden (vers 25). Maar dan zal hun het rijk en het gericht gegeven worden (vers 18 en 22; Openbaring 20 vers 4). En dat wat in vers 14 aan de Zoon des mensen toegezegd werd, zal eveneens aan het volk van de heiligen der hoge plaatsen gegeven worden (vers 27). De tegenwoordige heerschappijen (vers 27) zullen voordien met voeten getreden zijn (vers 23). Maar dan zullen ze zelf onder de heerschappij komen, wanneer de Heere, Die meer dan wie ook trouw was tot in de dood, de Zijnen in genade met Zich zal verenigen, om samen met Hem te heersen.

Daniël 8:1-14
1In het derde jaar des koninkrijks van den koning Belsazar, verscheen mij een gezicht, mij Daniel, na hetgeen mij in het eerste verschenen was.2En ik zag een gezicht, (het geschiedde nu, toen ik het zag, dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is) ik zag dan in een gezicht, dat ik aan den vloed Ulai was.3En ik hief mijn ogen op, en ik zag, en ziet, een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de een was hoger dan de andere, en de hoogste kwam in het laatste op.4Ik zag, dat de ram met de hoornen tegen het westen stiet, en tegen het noorden, en tegen het zuiden, en geen dieren konden voor zijn aangezicht bestaan, en er was niemand, die uit zijn hand verloste; maar hij deed naar zijn welgevallen, en hij maakte zich groot.5Toen ik dit overlegde, ziet, er kwam een geitenbok van het westen over den gansen aardbodem, en roerde de aarde niet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tussen zijn ogen.6En hij kwam tot den ram, die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed; en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht.7En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in den ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand verloste.8En de geitenbok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die grote hoorn, en er kwamen op aan deszelfs plaats vier aanzienlijke, naar de vier winden des hemels.9En uit een van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het zuiden, en tegen het oosten, en tegen het sierlijke land.10En hij werd groot tot aan het heir des hemels; en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder, en hij vertrad ze.11Ja, hij maakte zich groot tot aan den Vorst diens heirs, en van Denzelven werd weggenomen het gedurig offer, en de woning Zijns heiligdoms werd nedergeworpen.12En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.13Daarna hoorde ik een heilige spreken; en de heilige zeide tot den onbenoemde, die daar sprak: Tot hoelang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den verwoestenden afval zijn, dat zo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden?14En hij zeide tot mij: Tot twee duizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.

Het nieuwe gezicht dat Daniël, voor het einde van het eerste rijk, te zien krijgt (vers 1), heeft al betrekking op het tweede rijk (Perzië) en haar definitieve ontwikkeling. De Medo-Perzische heerschappij (de ram) moest door de "geitenbok" (het Griekse rijk) verslagen en vervangen worden. Dit rijk zal op haar beurt bij de dood van Alexander uiteenvallen en dan opgedeeld worden onder vier generaals (vers 8). Het is heel opmerkelijk hoe de geschiedenis dit gezicht stap voor stap bevestigd heeft.

Vervolgens gaat de profetie zonder overgang over de tegenwoordige tijd heen en verplaatst ons dan naar "de tijd van het einde" (vers 17). Terwijl het westen door het beest (hoofdstuk 7) geregeerd zal worden, zal zich in het oosten een andere, buitengewoon sterke, persoonlijkheid verheffen, op een plaats die voordien door een van de andere hoornen werd ingenomen. Dat is de Assyriër, die in de andere Profeten aangehaald wordt. Zijn hele eerzucht zal uitgaan naar groei en meer verheffing van zichzelf. Hij zal zich uitbreiden in de richting van "het sierlijke land" (vers 9; dat is Israël) en in zijn goddeloze vermetelheid de godsdienst uit Jeruzalem verwijderen (vers 11). Niets zal zijn hoogmoed en waanzin kunnen weerstaan.

Zo gaat het... de hemelse gaven en het offer van Christus worden met voeten getreden en "de waarheid ter aarde" geworpen. Dat is de houding en het gedrag van iedereen die het geloof verloochent (vers 9 - 12).

Daniël 8:15-27
15En het geschiedde, toen ik dat gezicht zag, ik Daniel, zo zocht ik het verstand deszelven, en ziet, er stond voor mij als de gedaante eens mans.16En ik hoorde tussen Ulai eens mensen stem, die riep en zeide: Gabriel! geef dezen het gezicht te verstaan.17En hij kwam nevens waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en viel op mijn aangezicht. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij mensenkind! want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde.18Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde; toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.19En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven, wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want ter bestemder tijd zal het einde zijn.20De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen.21Die harige bok nu, is de koning van Griekenland; en de grote hoorn, welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.22Dat er nu vier aan zijn plaats stonden, toen hij verbroken was; vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijn kracht.23Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste gebracht zullen hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht, en raadselen verstaande;24En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken, mitsgaders het heilige volk verderven:25En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand; en hij zal zich in zijn hart verheffen; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden.26Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe.27Toen werd ik, Daniel, zwak, en was enige dagen krank; daarna stond ik op, en deed des konings werk; en ik was ontzet over dit gezicht; maar niemand merkte het.

De engel Gabriël krijgt opdracht om het gezicht waardoor Daniël zo verschrikt werd, aan hem uit te leggen. In de laatste tijd van het toekomstig rijk — het noordelijk deel van het uiteengevallen Griekse rijk — wanneer de boosheid van de mens haar hoogtepunt bereikt zal hebben (vers 23), zal zich een Assyrische koning verheffen, die zich zal onderscheiden van de kleine hoorn uit hoofdstuk 7. Deze mens zal zijn buitengewone verstand gebruiken om kwaad te doen (vers 24 en 25). Uiteindelijk zal hij het zelfs wagen om Christus aan te vallen. Maar dan zal hij door het rechtstreekse ingrijpen van God (zonder mensenhand) verpletterd worden.

Dit hoofdstuk heeft ons dus laten zien hoe de hoornen van de ram (de Meden en de Perzen) verpletterd en door de hoorn van de geitenbok (Griekenland) vervangen werden en uiteindelijk door de brutale koning zelf. God staat het toe, dat deze man zich verheft, dat hij zijn rivaal uit de weg ruimt, de aarde met zijn geweldige daden vervult — maar het einde is dat hij zelf verpletterd zal worden (Spreuken 6 vers 15). De geschiedenis geeft ons meer dan eens voorbeelden van deze gang van zaken. Zo verging het ook Alexander de Grote, de onstuimige veroveraar, die op drieëndertigjarige leeftijd stierf, nadat hij een enorm rijk onderworpen had. Hij is een treffend voorbeeld van de woorden van de Heere Jezus: "Want wat baat het een mens, als hij de gehele wereld wint, en lijdt schade aan zijn ziel?" (Mattheus 16 vers 26).

Daniël 9:1-14
1In het eerste jaar van Darius, den zoon van Ahasveros, uit het zaad der Meden, die koning gemaakt was over het koninkrijk der Chaldeen;2In het eerste jaar zijner regering, merkte ik, Daniel, in de boeken, dat het getal der jaren, van dewelke het woord des HEEREN tot den profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen van Jeruzalem, zeventig jaren was.3En ik stelde mijn aangezicht tot God, den Heere, om Hem te zoeken met het gebed, en smekingen, met vasten, en zak, en as.4Ik bad dan tot den HEERE, mijn God, en deed belijdenis, en zeide: Och Heere! Gij grote en verschrikkelijke God, Die het verbond en de weldadigheid houdt dien, die Hem liefhebben en Zijn geboden houden.5Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten.6En wij hebben niet gehoord naar Uw dienstknechten, de profeten, die in Uw Naam spraken tot onze koningen, onze vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands.7Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te deze dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israel, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, zij tegen U overtreden hebben.8O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.9Bij den Heere, onzen God, zijn de barmhartigheden en vergevingen, alhoewel wij tegen Hem gerebelleerd hebben.10En wij hebben der stem des HEEREN, onzes Gods, niet gehoorzaamd, dat wij in Zijn wetten wandelen zouden, die Hij gegeven heeft voor onze aangezichten, door de hand van Zijn knechten, de profeten.11Maar geheel Israel heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uwer stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben.12En Hij heeft Zijn woorden bevestigd, die Hij gesproken heeft tegen ons, en tegen onze richters, die ons richtten, brengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder den gansen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.13Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des HEEREN, onzes Gods, niet, afkerende van onze ongerechtigheden, en verstandelijk acht gevende op Uw waarheid.14Daarom heeft de HEERE over het kwade gewaakt, en Hij heeft het over ons gebracht; want de HEERE, onze God, is rechtvaardig in al Zijn werken, die Hij gedaan heeft, dewijl wij Zijner stem niet gehoorzaamden.

Dit prachtige hoofdstuk laat ons zien hoe Daniël gebruik maakt van de beide hemelse hulpmiddelen die ook ons altijd ter beschikking staan: het Woord en het gebed.

Deze keer wordt hij niet in een gezicht onderwezen, maar hij onderzoekt de schriften zelf. Zij vertellen hem ten eerste dat de bevrijding van Israël aanstaande is (vers 2; lees Jeremia 29 vers 10 en verder), maar ook waarom zijn volk geslagen en verstrooid werd, namelijk door de hand van de HEERE en onder welke voorwaarden het herstel kan plaatsvinden (vers 11; lees Leviticus 26 vers 40 en verder). Ten derde ontdekt hij welke houding passend is, opdat God hoort en vergeeft (lees 1 Koningen 8 vers 47 en verder). Met het oog op Jeruzalem herhaalt Daniël in zijn gebed woord voor woord de uitdrukkingen die Salomo voorgeschreven heeft: "wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddeloos gehandeld" (vers 5 en 15; hoofdstuk 6 vers 11).

Daniël wordt ons niet alleen als een onberispelijk man voor de aandacht gesteld, maar hij heeft, gedurende zijn hele leven in de verbanning, ook de gevolgen van andermans zonden gedragen. Desondanks belijdt hij de ongerechtigheid, alsof hij het zelf begaan zou hebben; hij ondervindt de smart en de vernedering daarvan voor God; hij neemt de ongerechtigheden van zijn volk op zich. Dat is het wat Christus op een volkomen wijze gedaan heeft. Zelf vrij van elke zonde, heeft Hij onze zonden op Zich genomen en heeft die beleden, alsof ze door Hemzelf begaan waren. Hij heeft helemaal alleen, in onze plaats, de straf gedragen die wij verdiend hadden (Psalm 40 vers 13).

Daniël 9:15-27
15En nu, o Heere, onze God! Die Uw volk uit Egypteland gevoerd hebt, met een sterke hand, en hebt U een Naam gemaakt, gelijk hij is te dezen dage; wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.16O Heere! naar al Uw gerechtigheden, laat toch Uw toorn en Uw grimmigheid afgekeerd worden van Uw stad Jeruzalem, Uw heiligen berg; want om onzer zonden wil en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en Uw volk tot versmaadheid bij allen, die rondom ons zijn.17En nu, o onze God! hoor naar het gebed Uws knechts, en naar zijn smekingen; en doe Uw aangezicht lichten over Uw heiligdom, dat verwoest is; om des HEEREN wil.18Neig Uw oor, mijn God! en hoor, doe Uw ogen op, en zie onze verwoestingen, en de stad, die naar Uw Naam genoemd is; want wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn.19O Heere, hoor! o Heere, vergeef! o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet! Om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd.20Als ik nog sprak, en bad, en beleed mijn zonde, en de zonde mijns volks van Israel, en mijn smeking nederwierp voor het aangezicht des HEEREN, mijns Gods, om des heiligen bergs wil mijns Gods;21Als ik nog sprak in het gebed, zo kwam de man Gabriel, die ik in het begin in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende, omtrent den tijd des avondoffers.22En hij onderrichtte mij en sprak met mij, en zeide: Daniel! nu ben ik uitgegaan, om u den zin te doen verstaan.23In het begin uwer smekingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen, om u dat te kennen te geven; want gij zijt een zeer gewenst man; versta dan dit woord, en merk op dit gezicht.24Zeventig weken zijn bestemd over uw volk, en over uw heilige stad, om de overtreding te sluiten, en om de zonden te verzegelen, en om de ongerechtigheid te verzoenen, en om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het gezicht, en den profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.25Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.26En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn; en een volk des vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met een overstromende vloed, en tot het einde toe zal er krijg zijn, en vastelijk besloten verwoestingen.27En hij zal velen het verbond versterken een week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden, en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleinding toe, die vastelijk besloten zijnde, zal uitgestort worden over den verwoeste.

Daniël handelt hier niet in zijn hoedanigheid als profeet (vergelijk vers 6). Hij maakt zich hier veel meer tot voorspraak voor het volk Israël en hij vindt de geschikte beweegredenen om het hart van God te raken. Hij vraagt Hem in te grijpen en wel "om des Heeren wil" (vers 17), om Zijn "barmhartigheden, die groot zijn" (vers 18), ja, "om Uws Zelfs wil, o mijn God! Want Uw stad, en Uw volk is naar Uw Naam genoemd" (vers 19; vergelijk Psalm 25 vers 11 en Leviticus 22 vers 32).

Zo'n gebed is uitermate welgevallig voor God! En Hij haast Zich dan ook, hierop te antwoorden. Opnieuw is Gabriël Zijn bode, dezelfde engel die later uitverkoren was om de geboorte van de Heiland en Zijn wegbereider aan te kondigen (Lukas 1 vers 19 en 26).

Hier heeft deze engel echter geen opdracht om een blijde boodschap te brengen, integendeel zelfs! Hij geeft Daniël uitleg over:

De verwerping van de Messias, na 69 (7 + 62) jaarweken — deze 483 jaren (69 x 7) te rekenen vanaf de herbouw van Jeruzalem in de tijd van Nehemia.

De verwoesting van de stad en de tempel door de Romeinen, onder leiding van Titus (vers 26).

Het tragische misverstand van de Joden, die, door satan verblind, in een toekomstige tijd in plaats van de Christus "een verwoester", de Antichrist (vers 27), zullen aannemen.

In Mattheüs 24 vanaf vers 15 lezen we dat de Heere Jezus deze profetieën van Daniël op ernstige wijze bevestigt.

Daniël 10:1-14
1In het derde jaar van Kores, den koning van Perzie, werd aan Daniel, wiens naam genoemd werd Beltsazar, een zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, doch in een gezetten groten tijd; en hij verstond die zaak, en hij had verstand van het gezicht.2In die dagen was ik, Daniel, treurende drie weken der dagen.3Begeerlijke spijze at ik niet, en vlees of wijn kwam in mijn mond niet; ook zalfde ik mij gans niet, totdat die drie weken der dagen vervuld waren.4En op den vier en twintigsten dag der eerste maand, zo was ik aan den oever der grote rivier, welke is Hiddekel.5En ik hief mijn ogen op, en zag, en ziet, er was een Man met linnen bekleed, en Zijn lenden waren omgord met fijn goud van Ufaz.6En Zijn lichaam was gelijk een turkoois, en Zijn aangezicht gelijk de gedaante des bliksems, en Zijn ogen gelijk vurige fakkelen, en Zijn armen en Zijn voeten gelijk de verf van gepolijst koper; en de stem Zijner woorden was gelijk de stem ener menigte.7En ik, Daniel, alleen zag dat gezicht, maar de mannen, die bij mij waren, zagen dat gezicht niet; doch een grote verschrikking viel op hen, en zij vloden, om zich te versteken.8Ik dan werd alleen overgelaten, en zag dit grote gezicht, en er bleef in mij geen kracht overig; en mijn sierlijkheid werd aan mij veranderd in een verderving, zodat ik geen kracht behield.9En ik hoorde de stem Zijner woorden; en toen ik de stem Zijner woorden hoorde, zo viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.10En ziet, een hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog op mijn knieen, en de palmen mijner handen.11En Hij zeide tot mij: Daniel, gij zeer gewenste man! merk op de woorden, die Ik tot u spreken zal, en sta op uw standplaats, want Ik ben alnu tot u gezonden; en toen Hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende.12Toen zeide Hij tot mij: Vrees niet, Daniel! want van den eersten dag aan, dat gij uw hart begaaft, om te verstaan en om uzelven te verootmoedigen, voor het aangezicht uws Gods, zijn uw woorden gehoord, en om uwer woorden wil ben Ik gekomen.13Doch de vorst des koninkrijks van Perzie stond tegenover Mij een en twintig dagen; en ziet, Michael, een van de eerste vorsten, kwam om Mij te helpen, en Ik werd aldaar gelaten bij de koningen van Perzie.14Nu ben Ik gekomen, om u te doen verstaan, hetgeen uw volk bejegenen zal in het vervolg der dagen, want het gezicht is nog voor vele dagen.

Soms antwoordt God onmiddellijk op de gebeden van de Zijnen. In hoofdstuk 9 vers 21 komt Zijn woord tot Daniël terwijl deze nog bidt. In tegenstelling daarmee, zoals in dit hoofdstuk, wacht Hij soms ook wel eens met ingrijpen, om de oprechtheid van ons verlangen en de volharding van ons geloof op de proef te stellen. Maar zelfs wanneer wij langere tijd moeten bidden voordat onze gebeden verhoord worden, mogen we nooit denken dat de Heere ons niet zou horen. Hij zegt tegen Daniël dat Hij zijn gebed vanaf de eerste dag gehoord heeft. Dit twaalfde vers laat ons de toestand van het hart zien, die zo welgevallig voor God is en, als het ware, de sleutel vormt tot de betrekkingen met de hemel. Laten we altijd aan het geheim van Daniël denken: hij heeft zijn hart erop gezet "om te verstaan" en zich "te verootmoedigen".

Wanneer we de Man Die in vers 5 en 6 genoemd wordt, vergelijken met de Persoon Die de apostel Johannes op het eiland Patmos ziet (Openbaring 1 vers 13 - 16), dan begrijpen we dat Hij Die hier verschijnt met de kenmerken van onbeperkte gerechtigheid, niemand anders kan zijn dan de verworpen Messias (hoofdstuk 9 vers 26), Die verheerlijkt zal worden. In de tegenwoordigheid van deze Man wordt zelfs iemand die Godvrezender is dan anderen door dodelijke angst overvallen. (Om een kanaal van Goddelijke openbaringen te kunnen zijn, moet eerst de dood in ons gewerkt hebben — 2 Korinthe 4 vers 12.)

Het is echter hetzelfde woord van genade waardoor Daniël hier en Johannes later gerustgesteld worden: "Vrees niet... Vrees niet, gij zeer gewenste man!" (vers 12 en 19).

Daniël 10:15-21; Daniël 11:1-9
15En toen Hij deze woorden met mij sprak, sloeg ik mijn aangezicht ter aarde, en ik werd stom.16En ziet, Een, den mensenkinderen gelijk, raakte mijn lippen aan, toen deed ik mijn mond open, en ik sprak, en zeide tot Dien, Die tegenover mij stond: Mijn Heere! om des gezichts wil keren zich mijn weeen over mij, zodat ik geen kracht behoude.17En hoe kan de knecht van dezen mijn Heere spreken met dien mijn Heere? Want wat mij aangaat, van nu af bestaat geen kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven.18Toen raakte mij wederom aan Een, als in de gedaante van een mens; en Hij versterkte mij.19En Hij zeide: Vrees niet, gij zeer gewenste man! vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak, werd ik versterkt, en zeide: Mijn Heere spreke, want Gij hebt mij versterkt.20Toen zeide Hij: Weet gij, waarom dat Ik tot u gekomen ben? Doch nu zal Ik wederkeren om te strijden tegen den vorst der Perzen; en als Ik zal uitgegaan zijn, ziet, zo zal de vorst van Griekenland komen.21Doch Ik zal u te kennen geven, hetgeen getekend is in het geschrift der waarheid; en er is niet een, die zich met Mij versterkt tegen dezen, dan uw vorst Michael.
1Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius den Meder, om hem te versterken en te stijven.2En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven; ziet, er zullen nog drie koningen in Perzie staan, en de vierde zal verrijkt worden met grote rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.3Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.4En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken, en in de vier winden des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij, waarmede hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen dan deze.5En de koning van het Zuiden, die een van zijn vorsten is, zal sterk worden; doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn.6Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkander bevrienden, en de dochter des konings van het Zuiden zal komen tot den koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de macht des arms niet behouden, daarom zal hij, noch zijn arm, niet bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden.7Doch uit de spruit van haar wortelen zal er een opstaan in zijn staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen des konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen, en hij zal ze bemachtigen.8Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun gewenste vaten van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven den koning van het Noorden.9Alzo zal de koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal wederom in zijn land trekken.

Voordat de zichtbare kant van de profetie gezien kan worden, brengt hoofdstuk 10 eerst de verborgen kant onder de aandacht: het hemelse tegenbeeld van de gebeurtenissen hier beneden. Hoewel de groten van deze wereld menen vrij te zijn, zijn ze in feite slechts willoze marionetten; zij worden van boven, door de satanische "overheden en machten" en door hun begeerten bestuurd (Efeze 2 vers 2 en 6 vers 12). Maar God beschikt eveneens over Zijn legers van engelen, met hun aanvoerders (Hebreeën 1 vers 14). En het is een wonderbaar feit dat wij door onze gebeden hun onzichtbare krachten in werking kunnen stellen, dezelfde strijd kunnen voeren en met Elia en Daniël mogen ervaren dat "een krachtig gebed van de rechtvaardige" ontzettend veel kan bewerken (Jakobus 5 vers 16).

In het elfde hoofdstuk geeft God Zijn profeet een vooruitblik op de gebeurtenissen die zouden gaan plaatsvinden. Drie Perzische koningen zouden elkaar opvolgen: Cambyses II, Smerdis, de magiër en Darius Hystaspes (die wij in Ezra 4 vers 6 , 7 en 24 mogen herkennen). Na hen zal de rijke en machtige Xerxes (dat is koning Ahasveros uit het Boek Esther) een vreselijke aanval doen op Griekenland. Dan volgt de bliksemsnelle opmars van Alexander de Grote (vers 3 en 4), de nog snellere verdeling van zijn rijk, naar alle "vier winden des hemels" (een treffende illustratie van het Boek Prediker), gevolgd door een langdurige strijd tussen zijn beide voornaamste erfgenamen.

Daniël 11:10-28
10Doch zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en een van hen zal snellijk komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal wederom komen, en zich in den strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.11En de koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken, en strijden tegen hem, tegen den koning van het Noorden, die ook een grote menigte oprichten zal, doch die menigte zal in zijn hand gegeven worden.12Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen, en hij zal er enige tien duizenden nedervellen; evenwel zal hij niet gesterkt worden.13Want de koning van het Noorden zal wederkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden der jaren, zal hij snellijk komen met een grote heirkracht, en met groot goed.14Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den koning van het Zuiden; en de scheurmakers uws volks zullen verheven worden, om het gezicht te bevestigen, doch zij zullen vallen.15En de koning van het Noorden zal komen, en een wal opwerpen, en vaste steden innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan.16Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijn hand wezen.17En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht zijns gansen rijks te komen, en hij zal billijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen; want hij zal hem een dochter der vrouwen geven, om haar te verderven, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn.18Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijn smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen wederkeren.19En hij zal zijn aangezicht keren naar de sterkten zijns lands, en hij zal aanstoten, en vallen, en niet gevonden worden.20En in zijn staat zal er een opstaan, doende een geldeiser doortrekken, in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in enige dagen gebroken worden, nochtans niet door toornigheden, noch door oorlog.21Daarna zal er een verachte in zijn staat staan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilheid komen, en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.22En de armen der overstroming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen verbroken worden, en ook de vorst des verbonds.23En na de vereniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal optrekken, en hij zal met weinig volks gesterkt worden.24Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen, en hij zal doen, dat zijn vaders, of de vaders zijner vaderen, niet gedaan hebben; roof, en buit, en goederen, zal hij onder hen uitstrooien, en hij zal tegen de vastigheden zijn gedachten denken, doch tot een zekeren tijd toe.25En hij zal zijn kracht en zijn hart verwekken tegen den koning van het Zuiden, met een grote heirkracht; en de koning van het Zuiden zal zich in den strijd mengen met een grote en zeer machtige heirkracht; doch hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken.26En die de stukken zijner spijze zullen eten, zullen hem breken, en de heirkracht deszelven zal overstromen, en vele verslagenen zullen vallen.27En het hart van beide deze koningen zal wezen om kwaad te doen, en aan een tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd.28En hij zal in zijn land wederkeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond; en hij zal het doen, en wederkeren in zijn land.

Dit hoofdstuk spreekt tot in detail over de rivaliteit tussen twee van de vier dynastieën die het Griekse rijk van Alexander onder zich zouden verdelen. In de koning van het Noorden herkennen we de dynastie van de Seleuciden, die in de noordelijke omgeving van Palestina, in Syrië en Klein-Azië, regeerden. De koningen van het Zuiden waren de Ptolomeüssen, die Egypte beheersten. Tussen deze twee machtige concurrenten zouden de oorlogen en verbonden, bewerkt door menselijke vleierijen, elkaar afwisselen. Er zouden afpersingen, dreigementen en huwelijksverbindingen tussen deze beide heersende families bestaan, die weer gevolgd zouden worden door moord. De betrekkingen tussen de volken zijn sindsdien nauwelijks veranderd. De geschiedenisboeken staan in feite bol van alles wat er in het hart van de mens gevonden wordt: hebzucht (vers 8), geweld en misdaad (vers 14), zedeloosheid (vers 17), bedrog (vers 23), verderf (vers 24), verraad (vers 25) en leugen (vers 27).

Nu, tweeduizend jaren later, lijken deze uiteenzettingen om het land Israël (vers 16), waarbij deze hoogmoedige heersers gedurende een klein aantal jaren tegenover elkaar stonden, misschien nutteloos. Maar de internationale politiek ten tijde van de koningen van de Ptolomeüssen en Seleuciden, is hier met opzet zo precies omschreven. Bepaalde ongelovigen zouden namelijk eens van alles willen ondernemen om te bewijzen dat dit hoofdstuk pas na de gebeurtenissen die hierin vermeld staan, geschreven zou zijn. Nu moet men echter versteld staan over de betrouwbaarheid en correctheid van Gods Woord.

Daniël 11:29-45
29Ter bestemder tijd zal hij wederkeren, en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste, noch gelijk de laatste reize.30Want er zullen schepen van Chittim tegen hem komen, daarom zal hij met smart bevangen worden, en hij zal wederkeren, en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkerende zal hij acht geven op de verlaters des heiligen verbonds.31En er zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen, en de sterkte, en zij zullen het gedurige offer wegnemen, en een verwoestenden gruwel stellen.32En die goddelooslijk handelen tegen het verbond, zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk, die hun God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.33En de leraars des volks zullen er velen onderwijzen, en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door beroving, vele dagen.34Als zij nu zullen vallen, zullen zij met een kleine hulp geholpen worden; doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.35En van de leraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen, en wit te maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een bestemden tijd.36En die koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zichzelven verheffen, en groot maken boven allen God, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken; en hij zal voorspoedig zijn, totdat de gramschap voleind zij, want het is vastelijk besloten, het zal geschieden.37En op de goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen; hij zal ook op geen God acht geven, maar hij zal zich boven alles groot maken.38En hij zal den god Mauzzim in zijn standplaats eren; namelijk den god, welken zijn vaders niet gekend hebben, zal hij eren met goud, en met zilver, en met kostelijk gesteente, en met gewenste dingen.39En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; dengenen, die hij kennen zal, zal hij de eer vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heersen over velen, en hij zal het land uitdelen om prijs.40En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken.41En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ter nedergeworpen worden; doch deze zullen zijn hand ontkomen, Edom en Moab, en de eerstelingen der kinderen Ammons.42En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen.43En hij zal heersen over de verborgen schatten des gouds en des zilvers, en over al de gewenste dingen van Egypte; en die van Libye, en de Moren zullen in zijn gangen wezen.44Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken; daarom zal hij uittrekken met grote grimmigheid om velen te verdelgen en te verbannen.45En hij zal de tenten van zijn paleis planten tussen de zeeen aan den berg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen, en zal geen helper hebben.

"Geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging" (2 Petrus 1 vers 20). Zoals de woorden van de Heere zelf bewijzen, is er vanaf vers 36 sprake van gebeurtenissen die nog moeten plaatsvinden en waarvoor hetgeen er in het verleden plaatsvond, in zekere zin een aanduiding, een inleiding vormde.

Zo is Antiochus Epiphanes, de koning van Syrië, die overduidelijk in vers 31 beschreven wordt, en die een varken offerde in de tempel en er daarna een standbeeld van Jupiter liet oprichten om zich op de Joden te wreken, slechts een voorbeeld van de toekomstige koning van het Noorden of Assyrië. De verzen 40 - 45 hebben betrekking op deze profetische persoonlijkheid, terwijl de verzen 36 - 39 spreken over de Antichrist, de "koning", die zich in diezelfde tijd in Jeruzalem zal laten aanbidden. Hij zal een supermens zijn, die onder invloed van satan alle verdorven en hoogmoedige neigingen van het hart van de mens in zich zal verenigen en voleindigen. Hij zal handelen naar eigen goeddunken (in volkomen tegenstelling tot Christus; Hebreeën 10 vers 7), de ergste lasteringen tegen God uitspreken, Zijn Christus verachten, zich boven alles verheffen, door te steunen op geld, geweld en leugen.

Dit alles is de geest van de Antichrist, die wij, zonder al te veel moeite, nu al in de wereld om ons heen kunnen herkennen.

Daniël 12:1-13
1En te dier tijd zal Michael opstaan, die grote vorst, die voor de kinderen uws volks staat, als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dienzelven tijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek.2En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.3De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk.4En gij, Daniel! sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek, tot den tijd van het einde; velen zullen het naspeuren, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.5En ik, Daniel, zag, en ziet, er stonden twee anderen, de een aan deze zijde van den oever der rivier, en de ander aan gene zijde van den oever der rivier.6En hij zeide tot den Man, bekleed met linnen, Die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen?7En ik hoorde dien Man, bekleed met linnen, Die boven op het water van de rivier was, en Hij hief Zijn rechterhand en Zijn linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij Dien, Die eeuwiglijk leeft, dat na een bestemden tijd, bestemde tijden, en een helft, en als Hij zal voleind hebben te verstrooien de hand des heiligen volks, al deze dingen voleind zullen worden.8Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere! wat zal het einde zijn van deze dingen?9En Hij zeide: Ga henen, Daniel! want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde.10Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt, en gelouterd worden; doch de goddelozen zullen goddelooslijk handelen, en geen van de goddelozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.11En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen, en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn, zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.12Welgelukzalig is hij, die verwacht en raakt tot duizend driehonderd vijf en dertig dagen.13Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.

De vervulling van de eerste, profetisch aangekondigde gebeurtenissen is het zekere bewijs dat datgene wat voor de eindtijd is voorzegd, eveneens zal plaatsvinden. De tegenwoordige tijd van genade geldt als een lange tussenperiode, die nu al meer dan tweeduizend jaar duurt, waardoor de loop van de profetie als het ware onderbroken is. In deze tijdsperiode heeft iedereen nog de gelegenheid zich te bekeren en zich daardoor voor het aanstaande oordeel in veiligheid te brengen.

Uit het volk van Daniël zal "al wie gevonden wordt geschreven te zijn in het boek" gered worden (vers 1). De zogenaamde "verstandigen" (vers 10) zullen opstaan tot het "eeuwige leven", de anderen "tot eeuwige afgrijzing", tot de eeuwige verdoemenis. Dan zullen de tijden van het gericht in vervulling gaan; het lot van ieder mens zal dan definitief vastgelegd worden en niets hier op aarde zal dan de ontplooiing van Gods raadsbesluiten meer in de weg kunnen staan.

Laten we het niet vergeten: de profetie heeft altijd Israël tot onderwerp. Zelfs de geschiedenis van de (konink-)rijken van de volken zal uit het gezichtspunt van hun betrekkingen tot het uitverkoren volk bezien worden. Maar in de gedachten van God staat de verheerlijking van Christus altijd op de eerste en centrale plaats. Daarom zijn die gedachten voor de goddelozen verborgen en verzegeld, terwijl de verstandigen opgeroepen worden ze te verstaan.

En ook wij zullen ze slechts in die mate kunnen verstaan waarin de verheerlijking van de Heere Jezus ons ter harte gaat.

Hosea 1:1-11
1Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hosea, den zoon van Beeri, in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz, Hizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israel.2Het begin van het woord des HEEREN door Hosea. De HEERE dan zeide tot Hosea: Ga henen, neem u een vrouw der hoererijen, en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter den HEERE.3Zo ging hij henen, en nam Gomer, een dochter van Diblaim; en zij ontving; en baarde hem een zoon.4En de HEERE zeide tot hem: Noem zijn naam Jizreel, want nog een weinig tijds, zo zal Ik de bloedschulden van Jizreel bezoeken over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis van Israel doen ophouden.5En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Israels boog verbreken zal, in het dal van Jizreel.6En zij ontving wederom, en baarde een dochter; en Hij zeide tot hem: Noem haar naam Lo-Ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israels, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren.7Maar over het huis van Juda zal Ik Mij ontfermen, en zal ze verlossen door den HEERE, hun God, en Ik zal ze niet verlossen door boog, noch door zwaard, noch door krijg, door paarden noch door ruiteren.8Als zij nu Lo-Ruchama gespeend had, ontving zij, en baarde een zoon.9En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.10Nochtans zal het getal der kinderen Israels zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden; en het zal geschieden, dat ter plaatse, waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet; tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods.11En de kinderen van Juda, en de kinderen Israels zullen samenvergaderd worden, en zich een enig hoofd stellen, en uit het land optrekken; want de dag van Jizreel zal groot zijn. [ (Hosea 1:12) Zegt tot uw broederen: Ammi, en tot uw zusteren: Ruchama. ]

De profetieën van Hosea, een tijdgenoot van Jesaja, brengen ons terug in de tijd van het tweede Boek Koningen, in de tijd van de wegvoeringen. Ze richten zich hoofdzakelijk tot de tien stammen (vaak Efraïm genoemd, naar de naam van hun aanvoerder), die zich sneller aan afgoderij overgegeven hebben dan Juda.

Verontreinigd door zijn afgoden, trouweloos aan het verbond met zijn God, wordt Israël hier uitgebeeld door "een vrouw der hoererijen", die de profeet tot vrouw moet nemen. Zelfs de namen van haar kinderen betekenen veroordeling (vergelijk Jesaja 8 vers 1 - 4; laten we er goed om denken, dat de uitdrukkingen 'hoererij bedrijven' of 'echtbreuk plegen' in dit hoofdstuk altijd betekenen: God verlaten en de afgoden aanhangen). Israël heeft de betrekkingen waardoor het met de HEERE verbonden was, zelf kapot gemaakt.

Vers 10, dat Paulus aanhaalt in de Brief aan de Romeinen, leert ons echter dat de overtreding van Israël een onverwachte en wonderbare uitwerking ten gevolge heeft: de gelovigen, "niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen", zullen voortaan "kinderen van de levende God genaamd worden" (Romeinen 9 vers 24 en 26). Deze levende God wordt tot Vader. Het oordeel "Lo-Ammi", dat uitgesproken werd over het schuldige Israël, zal gevolgd worden door de roeping van een hemels volk, één familie, dat zich samen met zijn God en Vader mag verheugen in de onlosmakelijke verbinding, een positie die zelfs door onze zonden niet beïnvloed kan worden (1 Petrus 2 vers 10).

Hosea 2:1-17
1Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen.2Opdat Ik ze niet naakt uitstrope, en zette ze als ten dage, toen zij geboren werd; ja, make ze als een woestijn, en zette ze als een dor land, en dode ze door dorst;3En Mij harer kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der hoererijen zijn.4Want hunlieder moeder hoereert, die henlieden ontvangen heeft, handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijn boelen nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijn wol en mijn vlas, mijn olie en mijn drank geven.5Daarom, ziet, Ik zal uw weg met doornen betuinen, en Ik zal een heiningmuur maken, dat zij haar paden niet zal vinden.6En zij zal haar boelen nalopen, maar dezelve niet aantreffen; en zij zal hen zoeken, maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan, en keren weder tot mijn vorigen Man, want toen was mij beter dan nu.7Zij bekent toch niet, dat Ik haar het koren, en den most, en de olie gegeven heb, en haar het zilver en goud vermenigvuldigd heb, dat zij tot den Baal gebruikt hebben.8Daarom zal Ik wederkomen, en Mijn koren wegnemen op zijn tijd, en Mijn most op zijn gezetten tijd; en Ik zal wegrukken Mijn wol en Mijn vlas, dienende om haar naaktheid te bedekken.9En nu zal Ik haar dwaasheid ontdekken voor de ogen harer boelen; en niemand zal haar uit Mijn hand verlossen.10En Ik zal doen ophouden al haar vrolijkheid, haar feesten, haar nieuwe maanden, en haar sabbatten, ja, al haar gezette hoogtijden.11En Ik zal verwoesten haar wijnstok en haar vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon, dat mij mijn boelen gegeven hebben; maar Ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte des velds zal ze vreten.12En Ik zal over haar bezoeken de dagen des Baals, waarin zij dien gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel, en haar halssieraad, en is haar boelen nagegaan, maar heeft Mij vergeten, spreekt de HEERE.13Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.14En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal Achor, tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd, en als ten dage, toen zij optoog uit Egypteland.15En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat gij Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baal!16En Ik zal de namen der Baals van haar mond wegdoen; zij zullen niet meer bij hun namen gedacht worden.17En Ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels, en het kruipend gedierte des aardbodems; en Ik zal den boog, en het zwaard, en den krijg van de aarde verbreken, en zal hen in zekerheid doen nederliggen.

De rechtszaak van Israël is niet te verdedigen (vers 2; vergelijk Jesaja 1 vers 18). Na een verpletterende aanklacht verkondigt God de strafmaatregelen voor de ontrouw van dit volk: "Ik zal uw weg met doornen omheinen..." (vers 5), "Daarom zal Ik... Mijn koren wegnemen" (vers 8). "Daarom...", en dan zou men wellicht een nog zwaardere straf verwachten. Maar wat wordt er in vers 13 gezegd? "Daarom, ziet, Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken". Wat een onvergelijkbare genade van God! De zonde van de Zijnen zal voor Hem juist aanleiding zijn, Zijn oneindige erbarmen te ontplooien. In plaats van de ondankbare en schuldige 'echtgenote' weg te jagen, neemt Hij haar bij de hand, om onder vier ogen en op een aangrijpende wijze met haar te spreken.

Maar waarom wordt dan het ongelukzalige "dal Achor" genoemd? Herinnert dat niet aan de zonde van Achan, met z'n tragische gevolgen (Jozua 7 vers 26)? God heeft echter juist dit dal uitgekozen om voortaan "tot een deur der hoop" te worden (vergelijk Jesaja 65 vers 10).

Moreel gezien, geldt voor ons precies hetzelfde. Dat dal van innerlijke onrust, de plaats waar wij, vanwege onze zonden, met God te doen hebben, wordt "tot een deur der hoop". Zo laat God ons zien dat het noodzakelijk is voor het genot van de gemeenschap met Hem, dat wij Hem eerst onze zonden beleden hebben.

Hosea 2:18-23; Hosea 3:1-5
18En Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid; ja, Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden.19En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den HEERE kennen.20En het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, spreekt de HEERE; Ik zal den hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren.21En de aarde zal het koren verhoren, mitsgaders den most en de olie; en die zullen Jizreel verhoren.22En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!23
1En de HEERE zeide tot mij: Ga wederom henen, bemin een vrouw, die, bemind zijnde van haar vriend, nochtans overspel doet; gelijk de HEERE de kinderen Israels bemint, maar zij zien om, naar andere goden, en beminnen de flessen der druiven.2En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen, en een homer gerst, en een halven homer gerst.3En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u.4Want de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.5Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeren, en zoeken den HEERE, hun God, en David, hun koning; en zij zullen vrezende komen tot den HEERE en tot Zijn goedheid, in het laatste der dagen.

In de afgekapte stijl van schrijven die de profeet Hosea eigen is, laat hij op de beschrijving van de tragische toestand van Israël, zonder overgang, de belofte van herstel volgen (vers 17 - 22). De genade van God zal nieuwe banden aanknopen met het volk. Het volk zal dan geen slaaf meer zijn, zoals de gekochte vrouw (hoofdstuk 3 vers 2), en niet meer zeggen: "Mijn Baäl!" (mijn meester), maar "mijn Man" (hoofdstuk 2 vers 15).

"Ik zal u Mij ondertrouwen" (of verloven), zegt de Heere tot driemaal toe, om als het ware Zijn verplichtingen te bekrachtigen (vers 18 en 19). Zoals de verlovingsring aan de vinger van een jonge bruid, zo zou deze belofte tot het hart van het arme volk hebben moeten spreken. Het had het volk moeten aansporen om de toegenegenheid voor de HEERE in stand te houden (vergelijk Jeremia 2 vers 2).

Dat geldt ook voor de Gemeente, die er alleen voor Christus zou moeten zijn. In 1 Korinthe 11 vers 2 zegt Paulus: "... ik heb u toebereid, om u als een reine maagd aan een man voor te stellen" (of zoals een andere vertaling het zegt: "ik heb u aan één man verloofd"). En in Efeze 5 vers 25 - 27 laat hij zien wat Christus voor de Gemeente gedaan heeft, nu nog doet en nog zal doen.

De korte profetieën uit het derde hoofdstuk beschrijven op treffende wijze de tegenwoordige toestand van de Israëlieten: ze hebben geen koning, noch godsdienst. Ze dienen geen afgoden, noch de HEERE (vers 4). Het huis Israëls is leeg, schoongeveegd, versierd, bereid tot vervulling van Mattheus 12 vers 44 en 45. Daarna volgt echter de ommekeer en zal het volk weer de Goddelijke zegeningen, door de goedheid van de Heere, ervaren (vers 5).

Hosea 4:1-19
1Hoort des HEEREN woord, gij kinderen Israels! want de HEERE heeft een twist met de inwoners des lands, omdat er geen trouw, en geen weldadigheid, en geen kennis van God in het land is;2Maar vloeken en liegen, en doodslaan, en stelen, en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden.3Daarom zal het land treuren, en een iegelijk, die daarin woont, kwelen, met het gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels; ja, ook de vissen der zee zullen weggeraapt worden.4Doch niemand twiste noch bestraffe iemand; want uw volk is als die met den priester twisten.5Daarom zult gij vallen bij dag, ja, zelfs de profeet zal met u vallen bij nacht; en Ik zal uw moeder uitroeien.6Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpen, dat gij Mij het priesterambt niet zult bedienen; dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal Ik ook uw kinderen vergeten.7Gelijk zij meerder geworden zijn, alzo hebben zij tegen Mij gezondigd; Ik zal hunlieder eer in schande veranderen.8Zij eten de zonde Mijns volks, en verlangen, een ieder met zijn ziel, naar hun ongerechtigheid.9Daarom, gelijk het volk, alzo zal de priester zijn; en Ik zal zijn wegen over hem bezoeken, en zijn handelingen hem vergelden.10En zij zullen eten, maar niet zat worden, zullen hoereren, maar niet uitbreken in menigte; want zij hebben nagelaten den HEERE in acht te nemen.11Hoererij, en wijn, en most neemt het hart weg.12Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest der hoererijen verleidt hen, dat zij van onder hun God weghoereren.13Op de hoogten der bergen offeren zij, en op de heuvelen roken zij, onder een eik, en populier, en iepeboom, omdat derzelver schaduw goed is; daarom hoereren uw dochteren, en uw bruiden bedrijven overspel.14Ik zal over uw dochteren geen bezoeking doen, omdat zij hoereren, en over uw bruiden, omdat zij overspel doen; want zij zelven scheiden zich af met de hoeren, en offeren met de snoodste hoeren; het volk dan, dat geen verstand heeft zal omgekeerd worden.15Zo gij, o Israel! wilt hoereren, dat immers Juda niet schuldig worde; komt gij toch niet te Gilgal, en gaat niet op naar Beth-Aven, en zweert niet: Zo waarachtig als de HEERE leeft.16Want Israel is onbandig, als een onbandige koe; nu zal hen de HEERE weiden, als een lam in de ruimte.17Efraim is vergezeld met de afgoden; laat hem varen.18Hunlieder zuiperij is afvallig; zij doen niet dan hoereren; hun schilden (het is een schande!) beminnen het woord: Geeft.19Een wind heeft hen gebonden in zijn vleugelen, en zij zullen beschaamd worden vanwege hun offeranden.

De verzen 1 en 2 herinneren ons aan Romeinen 3 vers 9 -19, waar niet alleen van de Joden, maar van alle mensen sprake is. Israël heeft echter een extra verantwoordelijkheid, omdat hem "de Woorden Gods zijn toevertrouwd", maar deze kennis heeft het bewust verworpen en de wet vergeten (vers 6, Romeinen 3 vers 2). Hij heeft zijn God verlaten (vers 12), om de afgoden aan te hangen.

Spreekt deze uitdrukking ook niet tot ons, christenen? Er zijn talloze mogelijkheden en gelegenheden om ons aan het gezag dat de Heere over ons leven moet hebben, te onttrekken!

Welke straf zal het ellendige volk deze keer treffen? De vreselijkste die er bestaat: de verlatenheid. Hun toestand is ongeneeslijk, hopeloos. God kan niet anders meer, en zegt: "omdat gij... zal Ik ook uw kinderen vergeten" (vers 6). "Ik zal over uw dochters geen bezoeking doen" (vers 14) en even verderop: "Efraïm is vergezeld met de afgoden; laat hem varen" (vers 17).

Dit vreselijke beeld van de verdorvenheid van de tien stammen moet echter tot een waarschuwing dienen voor Juda. Gilgal en Beth-Aven (wat 'afgodenhuis' betekent en een ironische aanduiding is voor Bethel, dat is 'huis van God'), plaatsen van belofte en zegen in de geschiedenis van Israël, zijn tot middelpunten van ongerechtigheid geworden, tot centra van een goddeloze godsdienst. De HEERE beveelt uitdrukkelijk aan Juda daar niet heen te gaan (vers 15).

Hosea 5:1-15
1Hoort dit, gij priesters! en merkt op, gij huis Israels! en neemt ter oren, gij huis des konings! want ulieden gaat dit oordeel aan, omdat gij een strik zijt geworden te Mizpa, en een uitgespannen net op Thabor.2En die afwijken, verdiepen zich om te slachten; maar Ik zal hun allen een tuchtmeester zijn.3Ik ken Efraim, en Israel is voor Mij niet verborgen; dat gij, o Efraim! nu hoereert, en Israel verontreinigd is.4Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren; want de geest der hoererijen is in het midden van hen, en den HEERE kennen zij niet.5Dies zal Israel hovaardij in zijn aangezicht getuigen; en Israel en Efraim zullen vallen door hun ongerechtigheid; ook zal Juda met hen vallen.6Met hun schapen, en met hun runderen zullen zij dan gaan, om den HEERE te zoeken, maar niet vinden; Hij heeft Zich van hen onttrokken.7Zij hebben trouwelooslijk gehandeld tegen den HEERE; want zij hebben vreemde kinderen gewonnen; nu zal hen de nieuwe maand verteren met hun delen.8Blaast de bazuin te Gibea, de trompet te Rama; roept luide te Beth-Aven; achter u, Benjamin!9Efraim zal tot verwoesting worden, ten dage der straf; onder de stammen Israels heb Ik bekend gemaakt, dat gewis is.10De vorsten van Juda zijn geworden, gelijk die de landpalen verrukken; Ik zal Mijn verbolgenheid, als water, over hen uitgieten.11Efraim is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij heeft zo gewild; hij heeft gewandeld naar het gebod.12Daarom zal Ik Efraim zijn als een mot, en den huize van Juda als een verrotting.13Als Efraim zijn krankheid zag, en Juda zijn gezwel, zo toog Efraim tot Assur, en hij zond tot den koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen, en zal het gezwel van ulieden niet helen.14Want Ik zal Efraim zijn als een felle leeuw, en den huize van Juda als een jonge leeuw; Ik, Ik zal verscheuren en henengaan; Ik zal wegvoeren, en er zal geen redder zijn.15Ik zal henengaan en keren weder tot Mijn plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken.

De profeet richt zich speciaal tot de leiders van Israël: de priesters en het koningshuis. Zij die het goede voorbeeld hadden moeten geven, zijn tot "een strik" voor het volk geworden (vers 1). En het resultaat is vreselijk: "En die afwijken, verdiepen zich..." (vers 2).

In hoofdstuk 4 vers 15 had de HEERE Juda indringend geboden om niet als Efraïm te handelen. Tevergeefs! Nadat in vers 5 de val van Efraïm aangekondigd is, wordt er onmiddellijk aan toegevoegd: "ook zal Juda met hen vallen". Wat werden er toch ontzettend veel ongerijmdheden en hoogmoed bij deze ongelukkige Israëlieten gevonden (vers 5). "Zij stellen hun handelingen niet aan, om zich tot hun God te bekeren" (vers 4). Desondanks naderen ze tot de HEERE met hun offers, alsof er niets gebeurd is. Maar ze zullen Hem niet vinden (vers 6), want als je doet alsof je godsdienstig bent zonder eerst je zondeprobleem met Hem opgelost te hebben, dan beledig je God.

Efraïm ontdekt zijn ziekte (vers 13). Maar in plaats van zijn schuld te belijden (vers 15) en zich tot de grote Geneesheer te wenden om hulp, gaat hij naar de Assyriërs toe.

Zo vergaat het veel mensen. Als hun geweten hen onrustig maakt, zoeken ze hulp en verstrooiing in een wereld die niet kan genezen, in plaats van zich voor God te verootmoedigen.

Hosea 6:1-11
1Komt en laat ons wederkeren tot den HEERE, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden.2Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.3Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den HEERE te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands.4Wat zal Ik u doen, o Efraim! wat zal Ik u doen, o Juda! dewijl uw weldadigheid is als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat.5Daarom heb Ik hen behouwen door de profeten; Ik heb ze gedood door de redenen Mijns monds; en uw oordelen zullen voortkomen aan het licht.6Want Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer; en tot de kennis Gods, meer dan tot brandofferen.7Maar zij hebben het verbond overtreden als Adam; daar hebben zij trouwelooslijk tegen Mij gehandeld.8Gilead is een stad van werkers der ongerechtigheid; zij is betreden van bloed.9Gelijk de benden der straatschenders op iemand wachten, alzo is het gezelschap der priesteren; zij moorden op den weg naar Sichem, waarlijk, zij doen schandelijke daden.10Ik zie een afschuwelijke zaak in het huis Israels; aldaar is Efraims hoererij, Israel is verontreinigd.11Ook heeft hij u, o Juda! een oogst gezet, als Ik de gevangenen Mijns volks wederbracht.

Hosea heeft zojuist verteld waar God, als het ware, op staat te wachten, voordat Hij Israël kan genezen: "totdat zij zichzelf schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken" (hoofdstuk 5 vers 15). Is het niet aangrijpend dat direct daarna de profeet het volk, in zekere zin, bij de hand neemt en zegt: "Komt en laat ons weerkeren tot de HEERE"? Hij Die ons geslagen heeft, zal ons verbinden. Een herder vertelde eens hoe hij een schaap dat steeds dwars lag, zelfs een poot moest breken, opdat het bij hem zou blijven en zich niet aan zijn zorg zou onttrekken.

Vers 4 keert terug tot het beeld van de zedelijke toestand van het volk — en helaas is dat ook het beeld van vele christenen. Velen hebben een veelbelovende bekering gehad, en toch zou ook hen nu het verwijt gemaakt kunnen worden: "uw weldadigheid is... als een vroegkomende dauw, die heengaat' (vers 4; Openbaring 2 vers 4). O, geve de Heere dat ondanks de soms zinloze contacten waaraan wij in deze wereld blootstaan en we ons niet altijd kunnen onttrekken, toch de frisheid van onze toegenegenheid tot Hem mag blijven bestaan!

Efraïm en Juda offerden hun dieren tevergeefs (hoofdstuk 5 vers 6). De HEERE antwoordt hen: "Ik heb lust tot weldadigheid, en niet tot offer" (vers 6; dit vers wordt, tot tweemaal toe, met de uitdrukking "barmhartigheid" aangehaald door de Heere tegenover de Farizeeën: Mattheüs 9 vers 13 en 12 vers 7). De liefde tot Christus en de liefde tot de naaste, die daaruit voortkomt, is de enige drijfveer die erkenning vindt bij God, voor elke dienst (1 Korinthe 13 vers 1 - 3).

Hosea 7:1-16
1Terwijl Ik Israel genees, zo wordt Efraims ongerechtigheid ontdekt, mitsgaders de boosheden van Samaria; want zij werken valsheid; en de dief gaat er in, de bende der straatschenders stroopt daar buiten.2En zij zeggen niet in hun hart, dat Ik al hunner boosheid gedachtig ben; nu omsingelen hen hun handelingen, zij zijn voor Mijn aangezicht.3Zij verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugenen.4Zij bedrijven al te zamen overspel, zij zijn gelijk een bakoven, die heet gemaakt is van den bakker; die ophoudt van wakker te zijn, nadat hij het deeg heeft gekneed, totdat het doorgezuurd zij.5Het is de dag onzes konings; de vorsten maken hem krank door verhitting van den wijn; hij strekt zijn hand voort met de spotters.6Want zij voeren hun hart aan, als een bakoven, tot hun lagen; hunlieder bakker slaapt den gansen nacht; 's morgens brandt hij als een vlammend vuur.7Zij zijn allen te zamen verhit als een bakoven, en zij verteren hun rechters; al hun koningen vallen; er is niemand onder hen, die tot Mij roept.8Efraim, die verwart zich met de volken; Efraim is een koek, die niet is omgekeerd;9Vreemden verteren zijn kracht, en hij merkt het niet; ook is de grauwigheid op hem verspreid, en hij merkt het niet.10Dies zal de hovaardij van Israel in zijn aangezicht getuigen; dewijl zij zich niet bekeren tot den HEERE, hun God, noch Hem zoeken in alle deze.11Want Efraim is als een botte duif, zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan henen tot Assur.12Wanneer zij zullen henengaan, zal Ik Mijn net over hen uitspreiden, Ik zal ze als vogelen des hemels doen nederdalen. Ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hun vergadering.13Wee hen, want zij zijn van Mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen Mij overtreden! Ik zou hen wel verlossen, maar zij spreken leugenen tegen Mij.14Zij roepen ook niet tot Mij met hun hart, wanneer zij huilen op hun legers; om koren en most verzamelen zij zich, maar zij wederstreven tegen Mij.15Ik heb hen wel getuchtigd, en hunlieder armen gesterkt; maar zij denken kwaad tegen Mij.16Zij keren zich, maar niet tot den Allerhoogste, zij zijn als een bedrieglijke boog; hun vorsten vallen door het zwaard; vanwege de gramschap hunner tong; dat is hunlieder bespotting in Egypteland.

De HEERE wil Israël maar wat graag genezen (vers 1) en verlossen (vers 13).

Zo denkt de Heere ook over jou, als je nog onbekeerd bent. Maar verlang jij zelf ook naar 'genezing', heb je belang bij dat wat de Heere jou wil geven (Johannes 5 vers 6)? De Heere Jezus heeft eens over de stad Jeruzalem gezegd: "Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen... en gij hebt niet gewild!" (Lukas 13 vers 34).

De ellendige toestand van Israël werd al eerder beschreven in het beeld van een overspelige vrouw (hoofdstuk 2) en een "onhandige koe" (hoofdstuk 4 vers 16). In dit hoofdstuk wordt het volk achtereenvolgens vergeleken met een gistend deeg (vers 4), een koek die niet omgekeerd is (vers 8), een onnozele duif (vers 11) en een bedrieglijke boog (vers 16). Met een spottende ondertoon wordt de hoogmoed en het gebrek aan verstand bij dit volk door de HEERE omschreven. Terwijl Efraïm zich met vreemden heeft ingelaten, werd zijn kracht verteerd. De "grauwigheid", of grijsheid, is een teken van het verdwijnen van z'n kracht... "en hij merkt het niet" (vers 9).

Wat ons betreft is het goed er altijd aan te denken dat elke verbinding met de wereld, in welke vorm dan ook, tot gevolg heeft dat de christen zijn gemeenschap met de Heere verliest. Het ontneemt hem, zonder dat hij het weet, alle geestelijke kracht! Het voorbeeld van Simson laat dit op een heel duidelijke wijze zien en is een ernstige waarschuwing voor ons (Richteren 16 vers 19 en 20).

Hosea 8:1-14
1De bazuin aan uw mond; hij komt als een arend tegen het huis des HEEREN; omdat zij Mijn verbond hebben overtreden, en zijn tegen Mijn wet afvallig geworden.2Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God! wij, Israel, kennen U.3Israel heeft het goede verstoten; de vijand zal hem vervolgen.4Zij hebben koningen gemaakt, maar niet uit Mij; zij hebben vorsten gesteld, maar Ik heb het niet gekend; van hun zilver en hun goud hebben zij voor zichzelven afgoden gemaakt, opdat zij uitgeroeid worden.5Uw kalf, o Samaria! heeft u verstoten; Mijn toorn is tegen hen ontstoken; hoe lang zullen zij de reinigheid niet verdragen?6Want dat is ook uit Israel; een werkmeester heeft het gemaakt, en het is geen God, maar het zal tot stukken worden, het kalf van Samaria.7Want zij hebben wind gezaaid, en zullen een wervelwind maaien; het zal geen staande koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken; of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden.8Israel is verslonden; nu zijn zij onder de heidenen geworden, gelijk een vat, waar men geen lust toe heeft.9Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel, die alleen voor zichzelven is; die van Efraim hebben boelen om hoerenloon gehuurd.10Dewijl zij dan onder de heidenen boelen om hoerenloon gehuurd hebben, zo zal Ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege den last van den koning der vorsten.11Omdat Efraim de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zo zijn hem de altaren geworden tot zondigen.12Ik schrijf hem de voortreffelijkheden Mijner wet voor; maar die zijn geacht als wat vreemds.13Aangaande de offeranden Mijner gaven, zij offeren vlees, en eten het, maar de HEERE heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal Hij hunner ongerechtigheid gedenken, en hun zonden bezoeken; zij zullen weder in Egypte keren.14Want Israel heeft zijn Maker vergeten, en tempelen gebouwd, en Juda heeft vaste steden vermenigvuldigd; maar Ik zal een vuur zenden in zijn steden, dat zal haar paleizen verteren.

De oordelen die het schuldige volk zullen treffen, worden met bazuingeklank aangekondigd (vergelijk Mattheus 24 vers 31; Openbaring 8 vers 6 en verder). Maar het volk zal zich er met mooi klinkende woorden tegen verzetten: "Mijn God! wij, Israël, kennen U" (vers 2). Daar zal slechts het onverbiddelijke antwoord op volgen: "Ik zeg u, Ik ken u niet" (Lukas 13 vers 27). In Mattheus 7 vers 21 roepen de naamchristenen: "Heere, Heere!" zonder zich ooit om de wil van God bekommerd te hebben. Zo wordt ook in het Schriftgedeelte van vandaag, in de verzen 2 - 4, de tegenspraak tussen de uitdrukking "Mijn God" en een geest van totale onafhankelijkheid, duidelijk naar voren gebracht. Terwijl het eens God was Die bepaalde wie koning moest zijn en Die alle aanwijzingen gaf voor de godsdienst, voor het dienen van Hem, had Israël zelf een vorst aangesteld en de basis gelegd voor de afgodendienst (vers 4, 5 en 11; 1 Koningen 12 vers 20 en 28 - 33). Vandaag de dag gelooft iedereen in de christenheid zelf de manier waarop men samenkomt, zelf de regels voor de godsdienst te kunnen bepalen. En in de verschillende christelijke groeperingen is alles aanwezig om aan deze menselijke inzichten tegemoet te komen, terwijl Gods Woord toch duidelijke aanwijzingen geeft (1 Korinthe 14).

De kinderen Israëls zullen zijn als "een vat, waar men geen lust toe heeft" (vers 8; Jesaja 30 vers 14). "De HEERE heeft aan hen geen welgevallen" (vers 13). O, dat van eenieder van ons gezegd kan worden dat hij "een vat ter ere" is, "geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid". En laten we de verplichtingen die gelden voor "een ieder, die de Naam van Christus noemt", nooit vergeten en altijd nakomen (2 Timotheüs 2 vers 19 -22)!

Hosea 9:1-17
1Verblijd u niet, o Israel! tot opspringens toe, gelijk de volken; want gij hoereert van uw God af; gij hebt hoerenloon lief, op alle dorsvloeren des korens.2De dors vloer en de wijnkuip zal henlieden niet voeden; en de most zal hun liegen.3Zij zullen in des HEEREN land niet blijven; maar Efraim zal weder tot Egypte keren, en zij zullen in Assyrie het onreine eten.4Zij zullen den HEERE geen drankofferen doen van wijn, ook zouden zij Hem niet zoet zijn, hun offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen, die dat zouden eten, zouden onrein worden; want hun brood zal voor hun ziel zijn, het zal in des HEEREN huis niet komen.5Wat zult gijlieden dan doen op een gezetten hoogtijdsdag, en op een feestdag des HEEREN?6Want ziet, zij gaan daarhenen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen, Mof zal ze begraven; begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hun tenten zijn.7De dagen der bezoeking zijn gekomen, de dagen der vergelding zijn gekomen; die van Israel zullen het gewaar worden; de profeet is een dwaas, de man des geestes is onzinnig; om de grootheid uwer ongerechtigheid is de haat ook groot.8De wachter van Efraim is met mijn God, maar de profeet is een vogelvangersstrik, op al zijn wegen, een haat in het huis zijns Gods.9Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea; Hij zal hunner ongerechtigheid gedenken, Hij zal hun zonden bezoeken.10Ik vond Israel als druiven in de woestijn, Ik zag uw vaderen als de eerste vrucht aan den vijgeboom in haar beginsel; maar zij gingen in tot Baal-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gans verfoeilijk naar hun boelerij.11Aangaande Efraim, hunlieder heerlijkheid zal wegvlieden als een vogel; van de geboorte, en van moeders buik, en van de ontvangenis af.12Ofschoon zij hun kinderen mochten groot maken, Ik zal er hen toch van beroven, dat zij onder de mensen niet zullen zijn; want ook, wee hun, als Ik van hen zal geweken zijn!13Efraim is, gelijk als Ik Tyrus aanzag, die geplant is in een liefelijke woonplaats; maar Efraim zal zijn kinderen moeten uitbrengen tot den doodslager.14Geef hun, HEERE! Wat zult Gij geven? Geef hun een misdragende baarmoeder, en uitdrogende borsten.15Al hun boosheid is te Gilgal, want daar heb Ik ze gehaat, om de boosheid van hun handelingen; Ik zal ze uit Mijn huis uitdrijven, Ik zal ze voortaan niet meer liefhebben; al hun vorsten zijn afvalligen.16Efraim is geslagen, hunlieder wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hun buik doden.17Mijn God zal ze verwerpen, omdat zij naar Hem niet horen; en zij zullen omzwervende zijn onder de heidenen.

In 2 Koningen 15 vers 8 tot en met hoofdstuk 17 vers 18 vinden we de historische gebeurtenissen die overeenkomen met deze profetieën. De laatste heersers van Israël hielden het, politiek gezien, voor juist om afwisselend te steunen op Egypte en Assyrië (vers 3; vergelijk hoofdstuk 7 vers 11 en 2 koningen 17 vers 4). En juist dat werd hun noodlottig. Ook zij die vluchtten uit Jeruzalem en Juda, zochten hun toevlucht in Egypte (in Mof), in plaats van in het land van de HEERE te blijven, zoals Jeremia hen gesmeekt had (vers 6; Jeremia 42 vers 10 en 19).

Maar lijken wij ook niet vaak op hen? Hoe vaak zoeken wij, als we in moeilijkheden gekomen zijn, hulp bij mensen in plaats van bij de Heere (Psalm 60 vers 13)?

Efraïm werd beroofd van zijn zonen en bleef kinderloos en zonder vrucht voor God, net zoals het geval was bij de vijgenboom die door de Heere Jezus vervloekt werd (vers 16; Markus 11 vers 12 - 14).

Deze profetie is door de huidige verstrooiing van de tien stammen in vervulling gegaan, en zal voortduren tot haar herstel in het duizendjarig vrederijk. En het lot van de eigenlijke Joden (Juda en Benjamin) is, sinds ze de Messias verworpen hebben, dat zij "omzwervende zijn onder de heidenen" (vers 17; Deuteronomium 28 vers 64 en 65). Zij hebben de tijd dat er in genade naar hen omgezien werd, "de dagen der bezoeking", niet erkend (Lukas 19 vers 44) en daarom moesten "de dagen der vergelding" komen en moest het oordeel hen treffen (vers 7).

Hosea 10:1-15
1Israel is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weder vrucht voor zich; maar naar de veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd; naar de goedheid zijns lands, hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt.2Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; Hij zal hun altaren doorhouwen, Hij zal hun opgerichte beelden verstoren.3Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben den HEERE niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?4Zij hebben woorden gesproken, valselijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren der velden.5De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-Aven; want zijn volk zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijn Chemarim (die zich over hetzelve verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij van hetzelve is weggevaren.6Ja, datzelve zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor den koning Jareb; Efraim zal schaamte behalen, en Israel zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag.7De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water.8En de hoogten van Aven, Israels zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!9Sinds de dagen van Gibea, hebt gij gezondigd, o Israel; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gibea, tegen de kinderen der verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.10Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen henlieden verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren.11Dewijl Efraim een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraim berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen.12Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid; braakt u een braakland; dewijl het tijd is den HEERE te zoeken, totdat Hij kome, en over u de gerechtigheid regene.13Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid uwer helden.14Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-Arbel verstoorde ten dage des krijgs; de moeder werd er verpletterd met de zonen.15Alzo heeft Beth-El ulieden gedaan, vanwege de boosheid uwer boosheid; Israels koning is in den dageraad ten enenmale uitgeroeid.

"Want hun brood zal voor hun ziel zijn", dus voor henzelf zijn, werd in hoofdstuk 9 vers 4 gezegd. En in het eerste vers van het hoofdstuk voor vandaag zien wij wat Israël met zijn vrucht gedaan heeft. Beste vrienden, welk gebruik maken wij van hetgeen de Heere ons heeft toevertrouwd? Wat doen wij met onze kracht, ons verstand, ons geheugen, onze vrije tijd, de materiële dingen, enzovoort? Stellen wij dat alles in Zijn dienst of gebruiken we het voor de bevrediging van onze eigen verlangens?

De verzen 5 - 8 vertellen, een beetje spottend, over het verdwijnen van het gouden kalf van Beth-Aven (Bethel), over de opwinding onder de afgodenpriesters en het volk, over de verwoesting van Samaria en het einde van de laatste koning, die ook Hosea heette.

Daarin zien we echter ook een toespeling op de grote nood in Israël, wanneer dit volk door de grote verdrukking, in de eindtijd, zal hebben te gaan. Toen de Heere Jezus naar het kruis ging, sprak Hij de laatste woorden van vers 8 tot de dochters van Jeruzalem (Lukas 23 vers 30). Die tijd zal komen. Was het nu echter niet de tijd om te handelen zoals vers 12 het zegt: "zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid, braakt (ontgint) u een braakliggend land"?

Ja, is het nu niet de tijd om een nieuw leven te beginnen, dat ontstaat bij de wedergeboorte? Dit vers is een ernstige oproep aan allen die de kwestie van hun heil naar later datum willen verschuiven: Het is mi de tijd om de Heere te zoeken! Misschien laat Hij Zich morgen niet meer vinden (lees Jesaja 55 vers 6 en 7).

Hosea 11:1-12
1Als Israel een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte uitgeroepen.2Maar gelijk zij henlieden riepen, alzo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden den Baals, en rookten den gesnedenen beelden.3Ik nochtans leerde Efraim gaan; Hij nam ze op Zijn armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas.4Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde, en was hun, als degenen, die het juk van op hun kinnebakken oplichten, en Ik reikte hem voeder toe.5Hij zal in Egypteland niet wederkeren; maar Assur, die zal zijn koning zijn; omdat zij zich weigerden te bekeren.6En het zwaard zal in zijn steden blijven, en zijn grendelen verteren, en opeten, vanwege hun beraadslagingen.7Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij; zij roepen het wel tot den Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem.8Hoe zou Ik u overgeven, o Efraim? u overleveren, o Israel? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zeboim? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken.9Ik zal de hittigheid Mijns toorns niet uitvoeren; Ik zal niet wederkeren om Efraim te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen.10Zij zullen den HEERE achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen.11Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt de HEERE.12

Naar aanleiding van de reis die de Heere Jezus als klein Kind uit Egypte maakte, wordt vers 1 in Mattheüs 2 vers 15 aangehaald. Omdat Israël volkomen gefaald heeft, stelt God Zijn Zoon in haar plaats (vergelijk Jesaja 49 vers 3). Hij begon overnieuw met de geschiedenis van het volk, en deze keer tot volmaakte verheerlijking van God.

Nadat God op zo'n bijzondere wijze had gewezen op Hem, Die Zijn gedachten van genade en heil ten uitvoer zou brengen, kan Hij nu ook vertellen wat er in Zijn hart omgaat. Het gericht dat Hij gedwongen was uit te voeren, was voor Hemzelf nog veel pijnlijker dan voor het volk. Zijn gevoelens als Vader werden ten diepste geraakt door het weerbarstige kind. Hij denkt eraan hoe Hij Efraïm leerde lopen, op de arm nam en te eten gaf (vers 3). Hij had hen van de slavernij bevrijd en aan Zichzelf verbonden, maar wel met koorden der liefde! Wat is het dan ontzettend verdrietig om te zien dat Efraïm zich niet bewust was van z'n eigen zedelijke verval (hoofdstuk 7 vers 9), noch van de zorgvolle liefde van God. "Maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas" (vers 3).

Beste lezer, misschien heb jij je ook, nog maar pas of al een tijdje geleden, van de Heere verwijderd. Denk er dan aan, dat Hij Zich sindsdien bezighoudt met jouw herstel! Zijn erbarmen komt tegemoet aan al je ellende. Maakt dat dan geen enkele indruk op jou? Laat je toch trekken door Zijn liefde, laat je door Hem terugbrengen!

Hosea 12:1-14
1Die van Efraim hebben Mij omsingeld met leugen, en het huis Israels met bedrog; maar Juda heerste nog met God, en was met de heiligen getrouw.2Efraim weidt zich met wind, en jaagt den oostenwind na; den gansen dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.3Ook heeft de HEERE een twist met Juda, en Hij zal bezoeking doen over Jakob naar zijn wegen, naar zijn handelingen zal Hij hem vergelden.4In moeders buik hield hij zijn broeder bij de verzenen; en in zijn kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God.5Ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen den Engel, en overmocht Hem; hij weende en smeekte Hem. Te Beth-El vond hij Hem, en aldaar sprak Hij met ons;6Namelijk, de HEERE, de God der heirscharen; HEERE is Zijn gedenknaam.7Gij dan, bekeer u tot uw God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht geduriglijk op uw God.8In des koopmans hand is een bedriegelijke weegschaal, hij bemint te verdrukken;9Nog zegt Efraim: Evenwel ben ik rijk geworden, ik heb mij groot goed verkregen; in al mijn arbeid zullen zij mij geen ongerechtigheid vinden, die zonde zij.10Maar Ik ben de HEERE, uw God, van Egypteland af; Ik zal u nog in tenten doen wonen, als in de dagen der samenkomst;11En Ik zal spreken tot de profeten, en Ik zal het gezicht vermenigvuldigen; en door den dienst der profeten zal Ik gelijkenissen voorstellen.12Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja, hun altaren zijn als steen hopen op de voren der velden.13Jakob vlood toch naar het veld van Syrie, en Israel diende om een vrouw, en hoedde om een vrouw.14Maar de HEERE voerde Israel op uit Egypte door een profeet, en door een profeet werd hij gehoed. [ (Hosea 12:15) Efraim daarentegen heeft Hen zeer bitterlijk vertoornd; daarom zal Hij zijn bloed op hem laten, en zijn Heere zal hem zijn smaad vergelden. ]

Efraïm bevindt zich in dezelfde omstandigheden als later de gemeente van Laodicéa. Het spreekt dezelfde gedachte uit, het is uitermate tevreden met zichzelf: "Evenwel ben ik rijk geworden" (vers 9; Openbaring 3 vers 17). Maar God kijkt niet naar uiterlijke resultaten. In geestelijk opzicht is dit volk er heel ellendig aan toe, het is arm, blind en naakt, net zoals veel christenen vandaag voor God ook zijn. Door zijn leugenachtigheid en bedrog, zijn wereldgelijkvormigheid en vertrouwen op de mens, heeft Efraïm er alles aan gedaan om de toorn van God te prikkelen en de HEERE zal dit vergelden (vers 15; Deuteronomium 28 vers 37).

Om echter aan te tonen dat de weg tot terugkeer nog altijd openstaat, maakt God gebruik van de geschiedenis van Jakob, de man die op een uitgekookte manier zijn broer van zijn positie verdrong. Maar op zekere dag had deze patriarch, in Pniël, een ontmoeting met God. Daar heeft hij met Hem gestreden en overwonnen. Dat gebeurde echter niet door zijn mannelijke kracht, maar door huilen en smeken. Later, nadat hij zijn huis gereinigd had, leerde hij God in Bethel kennen als "de Almachtige" (Genesis 32 vers 24 en verder, en hoofdstuk 35). Tot de Heere roepen, zich verootmoedigen, de vreemde goden wegdoen, dat deed Jakob wel, maar Efraïm niet.

Dat is het wat wij, bij het op onszelf toepassen van vers 7, nooit mogen verzuimen: "Gij dan, bekeer u tot uw God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht gedurig op uw God" (vergelijk Jesaja 31 vers 6).

Hosea 13:1-16
1Als Efraim sprak, zo beefde men, hij heeft zich verheven in Israel; maar hij is schuldig geworden aan den Baal en is gestorven.2En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die altemaal smedenwerk zijn; waarvan zij nochtans zeggen: De mensen, die offeren, zullen de kalveren kussen.3Daarom zullen zij zijn als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die henengaat; als kaf van den dorsvloer, en als rook uit den schoorsteen wordt weggestormd.4Ik ben toch de HEERE, uw God, van Egypteland af; daarom zoudt gij geen God kennen dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik.5Ik heb u gekend in de woestijn, in een zeer heet land.6Daarna zijn zij, naardat hunlieder weide was, zat geworden; als zij zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij vergeten.7Dies werd Ik hun als een felle leeuw; als een luipaard loerde Ik op den weg.8Ik ontmoette hen als een beer, die van jongen beroofd is, en scheurde het slot huns harten; en Ik verslond ze aldaar als een oude leeuw; het wild gedierte des velds verscheurde hen.9Het heeft u bedorven, o Israel! want in Mij is uw hulp.10Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar gij van zeidet: Geef mij een koning en vorsten?11Ik gaf u een koning in Mijn toorn en nam hem weg in Mijn verbolgenheid.12Efraims ongerechtigheid is samengebonden, zijn zonde is opgelegd.13Smarten ener barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind; want anders zou hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan.14Doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van den dood: o dood! waar zijn uw pestilentien? hel! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn,15Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broederen; doch er zal een oostenwind komen, een wind des HEEREN, opkomende uit de woestijn; en zijn springader zal uitdrogen, diezelve zal den schat van alle gewenste huisraad roven.16

Wat is het toch aangrijpend om deze berisping, die verbonden is met lieflijkheid, uit de mond van God te horen, deze oproep om terug te keren tot de gelukkige tijden van vroeger. Maar helaas was het tevergeefs; God moest het oordeel uitoefenen en de toevlucht nemen tot Zijn onbeperkte genade, opdat Israël tot berouw zou komen en tot Hem teruggevoerd zou worden. "Want er is geen Heiland (Redder) dan Ik", zegt de HEERE (vers 4). Daarvan moest Efraïm zich eerst nog overtuigen, nadat het tevergeefs redding gezocht had bij de koning en de richters (vers 10). "De zaligheid is in geen ander", bevestigt Handelingen 4 vers 12; dit vers spreekt over de Naam van de Heere Jezus.

God kende Zijn volk in de woestijn. Toen wandelde Israël door "onbezaaid land" achter Hem aan (vers 5; Jeremia 2 vers 2). Iemand heeft eens gezegd dat het volk toen alleen maar God en het zand om zich heen had en het werkelijk stap voor stap op de HEERE moest rekenen. Later heeft de welstand, nadat men "zat geworden" was, ertoe bijgedragen dat men zich van God verwijderde en zich schuldig maakte (vers 6; Deuteronomium 32 vers 15 en 18).

Helaas is dit ook vaak het geval in het leven van een christen. Zodra hij meent voor de dagelijkse behoeften niet meer op de Heere te hoeven rekenen, bestaat het gevaar dat hij trots wordt en God, van Wie hij afhankelijk is, vergeet.

In 1 Korinthe 15 vers 55 weerklinkt als het ware de echo van de overwinningsuitroep uit vers 14. Naast de belofte, met betrekking tot de definitieve bevrijding van Israël, richt de Geest onze blikken op de opstanding en op Hem, Die de dood heeft overwonnen.

Hosea 14:1-9
1Samaria zal woest worden, want zij is wederspannig geweest tegen haar God; zij zullen door het zwaard vallen, hun kinderkens zullen verpletterd, en hun zwangere vrouwen zullen opengesneden worden.2Bekeer u, o Israel! tot den HEERE, uw God, toe; want gij zijt gevallen om uw ongerechtigheid.3Neem deze woorden met u, en bekeer u tot den HEERE; zeg tot Hem: Neem weg alle ongerechtigheid, en geef het goede, zo zullen wij betalen de varren onzer lippen.4Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden.5Ik zal hunlieder afkering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben; want Mijn toorn is van hem gekeerd.6Ik zal Israel zijn als de dauw; hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijn wortelen uitslaan als de Libanon.7Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als des olijfbooms, en hij zal een reuk hebben als de Libanon.8Zij zullen wederkeren, zittende onder zijn schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren, en bloeien als de wijnstok; zijn gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.9Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. [ (Hosea 14:10) Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. ]

Als afsluiting van de lange woordenwisseling tussen de HEERE en Zijn volk ontspint er zich een wonderbaar gesprek. De Geest dicteert Israël de woorden van berouw: vers 3 en 4. God, Die acht slaat op het eerste teken van ommekeer (vergelijk Lukas 15 vers 20), belooft daarop direct: "Ik zal hun afkering genezen" (vers 5). De Heere verlaten, is inderdaad de ergste van alle 'ziekten'; daarbij gaat het namelijk om de ziel. "Ik zal hen vrijwillig liefhebben", voegt de HEERE eraan toe. Zijn toegenegenheid zal daarna ongehinderd tot uitdrukking komen in de rijkste zegeningen (vers 6 - 8).

En hoe zal Efraïm daarop antwoorden? Door elke verbinding met de afgoden weg te doen (vers 9). Voortaan zal de liefde van God voldoende voor hen zijn!

Kunnen wij dat ook van de Heere Jezus voor ons zeggen? In een lied zingen we het: 'Ik ben Uw, en Gij zijt mijn, liefde heeft ons saam verbonden...' (vergelijk 1 Johannes 4 vers 19). En wanneer wij in Zijn liefde blijven, zal het een vreugde voor Hem zijn om door ons vruchten voort te brengen (het slot van vers 9; Johannes 15 vers 8 - 10).

Zo eindigt de profetie van Hosea. Zijn naam houdt een belofte in, want die betekent 'redding' of 'bevrijding'. Als wij onszelf meerdere keren herkend hebben in het karakter van Efraïm, laten we dan ook de ernstige waarschuwingen die hij ontving, ter harte nemen. "Wie is wijs?" Is hij het niet, die ten allen tijde de gedachten van God verstaat en in Zijn wegen wandelt (vers 10)?

Joël 1:1-20
1Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Joel, den zoon van Pethuel:2Hoort dit, gij oudsten! en neemt ter oren, alle inwoners des lands! Is dit geschied in uw dagen, of ook in de dagen uwer vaderen?3Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht.4Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.5Waakt op, gij dronkenen! en weent, en huilt, alle gij wijnzuipers! om den nieuwen wijn, dewijl hij van uw mond is afgesneden.6Want een volk is opgekomen over mijn land, machtig en zonder getal; zijn tanden zijn leeuwentanden, en het heeft baktanden eens ouden leeuws.7Het heeft mijn wijnstok gesteld tot een verwoesting, en mijn vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganselijk ontbloot en nedergeworpen, zijn ranken zijn wit geworden.8Kermt, als een jonkvrouw, die met een zak omgord is vanwege den man van haar jeugd.9Spijsoffer en drankoffer is van het huis des HEEREN afgesneden; de priesters, des HEEREN dienaars, treuren.10Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw.11De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen, om de tarwe en om de gerst, want de oogst des velds is vergaan.12De wijnstok is verdord, de vijgeboom is flauw; de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle bomen des velds zijn verdord; ja de vrolijkheid is verdord van de mensenkinderen.13Omgordt u, en rouwklaagt, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods.14Heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit, verzamelt de oudsten, en alle inwoners dezes lands, ten huize des HEEREN, uws Gods, en roept tot den HEERE.15Ach, die dag! want de dag des HEEREN is nabij, en zal als een verwoesting komen van den Almachtige.16Is niet de spijze voor onze ogen afgesneden? Blijdschap en verheuging van het huis onzes Gods?17De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord.18O, hoe zucht het vee, de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide, ook zijn de schaapskudden verwoest.19Tot U, o HEERE! roep ik; want een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd, en een vlam heeft alle bomen des velds aangestoken.20Ook schreeuwt elk beest des velds tot U; want de waterstromen zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.

Boven deze profetie van Joël zou je als opschrift kunnen zetten: De dag des HEEREN (of 'van de Heere'). Daarbij gaat het natuurlijk niet om een dag van vierentwintig uur, maar om een toekomstige tijdsperiode, een tijd waarin de wil van God, zowel op aarde als in de hemel, vervuld zal worden (Mattheüs 6 vers 10).

Sinds de zondeval heeft de mens, gedreven door zijn eigen lusten, alleen dat gedaan waar hij zelf zin in heeft. Daarom kun je zeggen dat de tijd waarin we nu nog leven, 'de dag van de mens' genoemd kan worden. Daarom moet de Heere, wanneer Hij zal ingrijpen om Zijn wil door te voeren, allereerst door oordelen een einde maken aan de menselijke hoogmoed. In geestelijk opzicht begint de dag des Heeren in ons leven op het moment waarop wij Zijn gezag volledig erkennen.

Hosea was een profeet voor Israël, terwijl Joël zich richt tot Juda. Als aanleiding daartoe maakt hij gebruik van een aantal natuurrampen, namelijk de verschillende manieren waarop het land verwoest werd door allerlei ongedierte. Er is, in het oosten, nauwelijks iets te bedenken wat indrukwekkender is dan een sprinkhanenplaag. Denk je maar eens in hoe het is wanneer er een enorm groot leger van miljarden insecten op een vruchtbare omgeving aanvalt en dat gebied in de kortst mogelijke tijd verandert in een woestenij.

Via deze catastrofe, die in de dagen van Joël plaatsvond, spreekt hij over een gesel, die in de toekomst zal komen: de invasie van de Assyriërs.

Joël 2:1-17
1Blaast de bazuin te Sion, en roept luide op den berg Mijner heiligheid; laat alle inwoners des lands beroerd zijn, want de dag des HEEREN komt, want hij is nabij.2Een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisterheid, als de dageraad uitgespreid over de bergen; een groot en machtig volk, desgelijks van ouds niet geweest is, en na hetzelve niet meer zal zijn tot in jaren van vele geslachten.3Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.4De gedaante deszelven is als de gedaante van paarden, en als ruiters zo zullen zij lopen.5Zij zullen daarhenen springen als een gedruis van wagenen, op de hoogten der bergen; als het gedruis ener vuurvlam, die stoppelen verteert; als een machtig volk, dat in slagorde gesteld is.6Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn; alle aangezichten zullen betrekken als een pot.7Als helden zullen zij lopen, als krijgslieden zullen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trekken, een iegelijk in zijn wegen, en zullen hun paden niet verdraaien.8Ook zullen zij de een den ander niet dringen; zij zullen daarhenen trekken elk in zijn baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.9Zij zullen in de stad omlopen, zij zullen lopen op de muren, zij zullen klimmen in de huizen; zij zullen door de vensteren inkomen als een dief.10De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel beeft; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haar glans in.11En de HEERE verheft Zijn stem voor Zijn heir henen; want Zijn leger is zeer groot, want Hij is machtig, doende Zijn woord; want de dag des HEEREN is groot en zeer vreselijk, en wie zal hem verdragen?12Nu dan ook, spreekt de HEERE, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage.13En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE, uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade.14Wie weet, Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor den HEERE, uw God.15Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit.16Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens, en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer.17Laat de priesters, des HEEREN dienaars, wenen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o HEERE! en geef Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hunlieder God?

De HEERE noemt deze wilde aanvallers "Mijn groot leger" (vers 11 en 25), hoewel ze aangevoerd worden door de hoogmoedige Assyriër. Die is namelijk alleen maar een voltrekker van Zijn Woord, "de roede van Mijn toom", zegt Jesaja 10 vers 5.

Wanneer wij getuchtigd worden, moeten we nooit de liefdevolle en trouwe hand achter dit alles uit het oog verliezen. Denk er altijd maar aan dat deze mislukking, dat ongeluk, deze zorgen van de Heere Zelf komen, omdat Hij het nodig achtte voor jou. En laten we toch nooit doen als dat boze kind, dat meent zich aan de straf te kunnen onttrekken door de roede waarmee het naar alle waarschijnlijkheid geslagen zal worden, kapot te maken.

We kunnen ons haast geen voorstelling maken van die grote stormachtige aanval, "zoals van ouds niet geweest is", hoe het zal zijn als die onweerstaanbare vloed over de muren tot in de huizen zal komen. Deze invasie wordt in een ander Schriftgedeelte "de overvloeiende gesel" genoemd (Jesaja 28 vers 15). Maar wordt dit vreselijke beeld van tevoren al niet aan Israël getoond, om haar geweten wakker te schudden? Nu is het nog de tijd voor Israël —ja voor iedereen — om met het hele hart, "met geween, en met rouwklacht", om te keren tot God, "want Hij is genadig en barmhartig..." (vers 12 en 13; lees Jakobus 5 vers 11).

"Blaast de bazuin", herhaalt de profeet (vers 1 en 15; zie Numeri 10 vers 9), hetgeen een beeld is van aanhoudend gebed van het geloof! Dan zal de Heere, in het uur van het gevaar, aan de Zijnen denken.

Joël 2:18-32
18Zo zal de HEERE ijveren over Zijn land, en Hij zal Zijn volk verschonen.19En de HEERE zal antwoorden en tot Zijn volk zeggen: Ziet, Ik zend ulieden het koren, en den most, en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en Ik zal u niet meer overgeven tot een smaadheid onder de heidenen.20En Ik zal dien van het noorden verre van ulieden doen vertrekken, en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar de Oostzee, en zijn einde naar de achterste zee; en zijn stank zal opgaan, en zijn vuiligheid zal opgaan; want hij heeft grote dingen gedaan.21Vrees niet, o land! verheug u, en wees blijde; want de HEERE heeft grote dingen gedaan.22Vreest niet, gij beesten des velds! want de weiden der woestijn zullen weder jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijn vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun vermogen geven.23En gij, kinderen van Sion! verheugt u en zijt blijde in den HEERE, uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste maand.24En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen.25Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden heb.26En gij zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den Naam des HEEREN, uw Gods, Die wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid.27En gij zult weten, dat Ik in het midden van Israel ben, en dat Ik de HEERE, uw God, ben, en niemand meer; en Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid.28En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien;29Ja, ook over de dienstknechten, en over de dienstmaagden, zal Ik in die dagen Mijn Geest uitgieten.30En Ik zal wondertekenen geven in den hemel en op de aarde: bloed, en vuur, en rookpilaren.31De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die grote en vreselijke dag des HEEREN komt.32En het zal geschieden, al wie den Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sions en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de HEERE gezegd heeft; en dat, bij de overgeblevenen, die de HEERE zal roepen.

"Bekeert u tot de HEERE, uw God", zo luidt de oproep in vers 13. "Wie weet, Hij mocht Zich wenden... en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten" (vers 14). Wie weet? Wat ons betreft, dan weten wij juist heel goed, dat God nooit ongevoelig blijft onder de tranen en het smeken van de Zijnen. Bewogen door erbarmen, vermeerdert Hij onmiddellijk Zijn beloften: definitieve vernietiging van de vijanden van het volk; overvloed aan materiële goederen, zelfs meer dan men verloren heeft (vers 25). En het allerkostbaarste van deze zegeningen die Hij achter Zich overlaat, is Zijn Geest, Die Hij rijkelijk over de Israëlieten zal uitgieten, tot een getuigenis tegenover de hele wereld (vers 28). Deze tijd moet nog komen, want Israël is nu helaas nog niet bereid om deze Gave te ontvangen. Op die bewuste pinksterdag baseerde Petrus zich echter al op deze Schriftplaats, om aan de Joden uit te leggen wat er toen was gebeurd (Handelingen 2 vers 17).

"Al wie de Naam des HEEREN zal aanroepen, zal behouden worden", zegt vers 32, dat in Handelingen 2 vers 21 en Romeinen 10 vers 13 aangehaald wordt. 'Aanroepen' wil zeggen: zich in gebed richten tot Hem, zich beroepen op deze Naam, de Naam van de Heere Jezus, de Enige waardoor wij gered kunnen worden. Te midden van de grootste verdrukking zal God iedereen redden — en Hij redt ook nu nog — die zich tot Hem wendt. "Bekeert u... en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen" (Handelingen 2 vers 38). Deze belofte geldt ook nog voor vandaag, ook voor jou!

Joël 3:1-21
1Want ziet, in die dagen en te dier tijd, als Ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden;2Dan zal Ik alle heidenen vergaderen, en zal hen afvoeren in het dal van Josafat; en Ik zal met hen aldaar richten, vanwege Mijn volk en Mijn erfdeel Israel, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en Mijn land gedeeld;3En hebben het lot over Mijn volk geworpen en een knechtje gegeven om een hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.4En ook, wat hebt gij met Mij te doen, gij Tyrus en Sidon, en alle grenzen van Palestina! Zoudt gij Mij een vergelding wedergeven? Maar zo gij Mij wilt vergelden, lichtelijk, haastelijk, zal Ik uw vergelding op uw hoofd wederbrengen.5Omdat gij Mijn zilver en Mijn goud hebt weggenomen, en hebt Mijn beste kleinodien in uw tempels gebracht.6En gij hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen der Grieken, opdat gij hen verre van hun landpale, mocht brengen.7Ziet, Ik zal ze opwekken uit de plaats, waarhenen gij ze hebt verkocht; en Ik zal uw vergelding wederbrengen op uw hoofd.8En Ik zal uw zonen en uw dochteren verkopen in de hand der kinderen van Juda, die ze verkopen zullen aan die van Scheba, aan een vergelegen volk; want de HEERE heeft het gesproken.9Roept dit uit onder de heidenen, heiligt een krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden.10Slaat uw spaden tot zwaarden, en uw sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben een held.11Rot te hoop, en komt aan, alle gij volken van rondom, en vergadert u! (O HEERE, doe Uw helden derwaarts nederdalen!)12De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal van Josafat; maar aldaar zal Ik zitten, om te richten alle heidenen van rondom.13Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot.14Menigten, menigten in het dal des dorswagens; want de dag des HEEREN is nabij, in het dal des dorswagens.15De zon en maan zijn zwart geworden, en de sterren hebben haar glans ingetrokken.16En de HEERE zal uit Sion brullen, en uit Jeruzalem Zijn stem geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar de HEERE zal de Toevlucht Zijns volks, en de Sterkte der kinderen Israels zijn.17En gijlieden zult weten, dat Ik de HEERE, uw God ben, wonende op Sion, den berg Mijner heiligheid; en Jeruzalem zal een heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.18En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stromen van Juda vol van water gaan; en er zal een fontein uit het huis des HEEREN uitgaan, en zal het dal van Sittim bewateren.19Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot een woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in welker land zij onschuldig bloed vergoten hebben.20Maar Juda zal blijven in eeuwigheid, en Jeruzalem van geslacht tot geslacht.21En Ik zal hunlieder bloed reinigen, dat Ik niet gereinigd had; en de HEERE zal wonen op Sion.

Het herstel van Juda en Jeruzalem gaat gepaard met het oordeel over de volken. Deze volken zullen dan tot een tragische ontdekking komen: doordat zij Israël verstrooid en het land onder zich verdeeld hebben (vers 2), hebben zij in feite God Zelf aangevallen. "Wat hebt gij met Mij te doen?", is de vreselijke vraag die vanuit de hemel gesteld wordt (vers 4). Saulus van Tarsus moest het ook ervaren, dat hij, door het vervolgen van de christenen, de Heere Jezus Zelf vervolgde (Handelingen 9 vers 4 en 5).

Door een totale ommekeer van de omstandigheden zullen deze volken het lot leren kennen dat zij het volk van God hebben aangedaan. Hun daad zal uiteindelijk op hun eigen hoofd terechtkomen. Dat is een onveranderlijk beginsel in de regering van God (zie Genesis 9 vers 6; Richteren 1 vers 7, enzovoort). Totaal verblind, zullen deze volken hun wapens smeden en tegelijkertijd hun eigen ondergang bewerkstelligen. Dan zal de hoogste Rechter hen naar de plaats des onheils roepen (vers 9 - 12). "Menigten, menigten in het dal van de dorswagen", of zoals andere vertalingen het zeggen: in het dal van de beslissing (vers 14).

Deze onheilspellende 'wijnoogst' zal, als de laatste daad, de inleiding vormen tot de dag des Heeren (Openbaring 14 vers 18 - 20). Voortaan zal de genade in overvloed kunnen vloeien voor het gereinigde volk (vers 21). En omdat het gereinigd zal zijn, zal God, ten teken van de grootste gunst, dan Zelf in haar midden wonen.

Amos 1:1-15
1De woorden van Amos, die onder de veeherderen was van Thekoa, dewelke hij gezien heeft over Israel, in de dagen van Uzzia, koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, koning van Israel; twee jaren voor de aardbeving.2En hij zeide: De HEERE zal brullen uit Sion, en Zijn stem verheffen uit Jeruzalem; en de woningen der herderen zullen treuren, en de hoogte van Karmel zal verdorren.3Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Damaskus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Gilead met ijzeren dorswagens hebben gedorst.4Daarom zal Ik een vuur in het huis van Hazael zenden, dat zal de paleizen van Benhadad verteren.5En Ik zal den grendel van Damaskus verbreken, en zal uitroeien den inwoner van Bikeat-Aven, en dien, die den scepter houdt, uit Beth-Eden; en het volk van Syrie zal gevankelijk weggevoerd worden naar Kir, zegt de HEERE.6Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Gaza, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met een volkomen wegvoering, om aan Edom over te leveren.7Daarom zal Ik een vuur zenden in den muur van Gaza, dat zal haar paleizen verteren.8En Ik zal den inwoner uitroeien uit Asdod, en dien, die den scepter houdt, uit Askelon; en Ik zal Mijn hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel der Filistijnen zal vergaan, zegt de Heere HEERE.9Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Tyrus, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij Mijn volk met een volkomen wegvoering hebben overgeleverd aan Edom, en niet gedacht aan het verbond der broederen.10Daarom zal Ik een vuur zenden in den muur van Tyrus, dat zal haar paleizen verteren.11Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Edom, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij zijn broederen met het zwaard heeft vervolgd, en zijn barmhartigheden verdorven; en dat zijn toorn eeuwiglijk verscheurt, en hij zijn verbolgenheid altoos behoudt.12Daarom zal Ik een vuur zenden in Theman, dat zal de paleizen van Bozra verteren.13Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen der kinderen Ammons, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden, om hun landpale te verwijden.14Daarom zal Ik een vuur aansteken in den muur van Rabba, dat zal haar paleizen verteren; met een gejuich ten dage des strijds, met een onweder ten dage des wervelwinds.15En hunlieder koning zal gaan in gevangenis, hij en zijn vorsten te zamen, zegt de HEERE.

Om de inspiratie van de Bijbel te kunnen loochenen, wijzen ongelovigen vaak op het aantal en de grote verscheidenheid van de schrijvers. Maar juist dát is een bevestiging dat dit Boek het Woord van God is! De volkomen overeenstemming van de getuigenissen van veertig schrijvers, die zich over een tijdsperiode van meer dan vijftienhonderd jaar uitstrekt, is een onweerlegbaar wonder. Om de uitvoer van een groot kunstwerk voor te bereiden, zal een architect gebruik maken van ingenieurs, tekenaars, technici, enzovoort, die ieder op zijn vakgebied bepaalde vaardigheden bezit. Desondanks beschouwt men het bouwwerk als iets wat door die ene man, de architect, ontworpen is. Het is naar zijn plan uitgevoerd en zal op zijn naam komen te staan.

De dienstknechten die God gebruikte om Zijn Woord te schrijven, zijn heel verschillend. Daniël was een vorst, Jeremia en Ezechiël waren priesters, Amos was een eenvoudige herder (vers 1). Maar de Goddelijke roeping heeft hen geschaard in de rij van "heilige mensen Gods", die "door de Heilige Geest gedreven" spraken (hoofdstuk 7 vers 14 en 15; 2 Petrus 1 vers 21). Zijn Boek kan daarom alleen maar de volkomen harmonie tussen alle delen van de Heilige Schrift bevestigen.

Amos begint daar waar de profetie van Joël in vervulling ging (vergelijk vers 2 met Joël 3 vers 16). Joël sprak over het geheel van volken. Amos noemt achtereenvolgens Syrië, Filistea, Tyrus, Edom, Ammon (en in hoofdstuk 2 Moab), om duidelijk te maken dat elk volk op zich de maat van hun zonden vol gemaakt heeft.

Amos 2:1-16
1Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Moab, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat hij de beenderen des konings van Edom tot kalk verbrand heeft.2Daarom zal Ik een vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Kerioth verteren; en Moab zal sterven met groot gedruis, met gejuich, met geluid der bazuin.3En Ik zal den rechter uit het midden van haar uitroeien; en al haar vorsten zal Ik met hem doden, zegt de HEERE.4Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Juda, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij de wet des HEEREN verworpen, en Zijn inzettingen niet bewaard hebben; en hun leugenen hen verleid hebben, die hun vaders hebben nagewandeld.5Daarom zal Ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jeruzalems paleizen verteren.6Alzo zegt de HEERE: Om drie overtredingen van Israel, en om vier zal Ik dat niet afwenden; omdat zij den rechtvaardige voor geld verkopen, en den nooddruftige om een paar schoenen.7Die er naar hijgen, dat het stof der aarde op het hoofd der armen zij, en den weg der zachtmoedigen verkeren; en de man en zijn vader gaan tot een jonge dochter om Mijn heiligen Naam te ontheiligen.8En zij leggen zich neder bij elk altaar op de verpande klederen, en drinken den wijn der geboeten in het huis van hun goden.9Ik daarentegen heb den Amoriet voor hunlieder aangezicht verdelgd, wiens hoogte was als de hoogte der cederen, en hij was sterk als de eiken; maar Ik heb zijn vrucht van boven, en zijn wortelen van onderen verdelgd.10Ook heb Ik ulieden uit Egypteland opgevoerd; en Ik heb u veertig jaren in de woestijn geleid, opdat gij het land van den Amoriet erfelijk bezat.11En Ik heb sommigen uit uw zonen tot profeten verwekt, en uit uw jongelingen tot Nazireen; is dit niet alzo, gij kinderen Israels? spreekt de HEERE.12Maar gijlieden hebt aan de Nazireen wijn te drinken gegeven, en gij hebt den profeten geboden zeggende: Gij zult niet profeteren.13Ziet, Ik zal uw plaatsen drukken, gelijk als een wagen drukt, die vol garven is.14Zodat de snelle niet zal ontvlieden, en de sterke zijn kracht niet verkloeken, en een held zal zijn ziel niet bevrijden.15En die den boog handelt, zal niet bestaan, en die licht is op zijn voeten, zal zich niet bevrijden; ook zal, die te paard rijdt, zijn ziel niet bevrijden.16En de kloekhartigste onder de helden zal te dien dage naakt heenvlieden, spreekt de HEERE.

Met Moab is de lijst met overtreders nog niet afgesloten. Juda en Israël worden ook genoemd onder de schuldige volken! En de zonde van Israël is zelfs groter dan die van alle buurlanden. Die hadden hun boosheid namelijk alleen uitgeoefend tegenover hun vijanden, terwijl in Israël de zwakken onderdrukt werden door de sterken, de profeten de mond gesnoerd en de Nazireeërs verontreinigd werden (vers 12). "Omdat zij de rechtvaardige voor geld verkopen, en de behoeftige om een paar schoenen" (vers 6 en hoofdstuk 8 vers 6); ze hebben de arme vertreden, de rechtvaardige verdrukt en het recht van de noodlijdende verbogen (hoofdstuk 5 vers 11 en 12).

Onwillekeurig gaan onze gedachten dan naar de Heere Jezus, Die vaak aangeduid wordt met de woorden "de Rechtvaardige" (bijvoorbeeld Handelingen 22 vers 14) en "ellendig en nooddruftig" (Psalm 40 vers 18 en 41 vers 2). Onophoudelijk werd Hij verdrukt en onderdrukt, voordat Hij verraden, verkocht, en ten slotte ter dood veroordeeld werd (Jakobus 2 vers 6 en 5 vers 6).

De HEERE roept bij Zijn volk de wonderdaden in herinnering die Hij eens ten gunste van hen volbracht heeft. En hierdoor kwamen hun overtredingen nog des te duidelijker naar voren. Hij heeft hun gruwelijke vijanden verdelgd (vers 9); Hij heeft hen uit Egypte bevrijd en door de woestijn geleid (vers 10).

Deze machtsdaden en grote liefde herinneren ons aan het grote heilswerk dat Hij volbracht heeft ten gunste van alle mensen! De mens, van zijn kant, staat echter vaak ontzettend ondankbaar tegenover dit grote werk. Welk antwoord heb jij op de liefde van de Heiland gegeven?

Amos 3:1-15
1Hoort dit woord, dat de HEERE tegen ulieden spreekt, gij kinderen van Israel! namelijk tegen het ganse geslacht, dat Ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende:2Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over ulieden bezoeken.3Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?4Zal een leeuw brullen in het woud, als hij geen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijn stem verheffen, tenzij dat hij wat gevangen hebbe?5Zal een vogel in den strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men den strik van den aardbodem opnemen, als men ganselijk niet heeft gevangen?6Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet?7Gewisselijk, de Heere HEERE zal geen ding doen, tenzij Hij Zijn verborgenheid aan Zijn knechten, de profeten, geopenbaard hebbe.8De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen? De Heere HEERE heeft gesproken, wie zou niet profeteren?9Doet het horen in de paleizen te Asdod, en in de paleizen in Egypteland, en zegt: Verzamelt u op de bergen van Samaria, en ziet de grote beroerten in het midden van haar, en de verdrukten binnen in haar.10Want zij weten niet te doen, dat recht is, spreekt de HEERE; die in hun paleizen schatten vergaderen door geweld en verstoring.11Daarom, zo zegt de Heere HEERE: De vijand! en dat rondom het land! die zal uw sterkte van u nederstorten, en uw paleizen zullen uitgeplunderd worden.12Alzo zegt de HEERE: Gelijk als een herder twee schenkelen, of een stukje van een oor uit des leeuwen muil redt, alzo zullen de kinderen Israels gered worden, die daar zitten te Samaria, in den hoek van het bed, en op de sponde van de koets.13Hoort en betuigt in het huis Jakobs, spreekt de Heere HEERE, de God der heirscharen;14Dat Ik, ten dage als Ik Israels overtredingen over hem bezoeken zal, ook bezoeking zal doen over de altaren van Beth-El; en de hoornen des altaars zullen worden afgehouwen, en ter aarde vallen.15En Ik zal het winterhuis met het zomerhuis slaan; en de elpenbenen huizen zullen vergaan, en de grote huizen een einde nemen, spreekt de HEERE.

Israël was een geslacht (familie) dat God uitverkoren had uit alle andere geslachten op aarde. "Daarom...", zegt de HEERE verder, om aan te tonen dat deze uitverkiezing de grootste verplichtingen met zich meebracht.

We willen er nog een keer op wijzen: des te inniger de verhouding, des te groter de verantwoording (lees Mattheus 11 vers 20 - 24). Eén en dezelfde fout wordt heel verschillend aangerekend, al naar gelang het door een vreemde, een knecht of door een zoon gedaan werd.

God maakt Zich op, om Zijn volk door het oordeel te treffen. Maar niets gebeurt zonder voorafgaande waarschuwing. Het brullen van de leeuw is voor een kudde een doeltreffend signaal, een waarschuwing. Amos, de herder uit Tekoa, kent dit maar al te goed en hij probeert dan ook het geweten van het volk dat in slaap gesukkeld is, wakker te schudden. "Doet het horen..." en "hoort...", roept hij.

Maar God zal nog een ander middel gebruiken, om Israël uit haar gevoelloosheid en verharding te doen ontwaken. De hele profetie van Amos staat vol toespelingen op een aardbeving die twee jaar later zou plaatsvinden (hoofdstuk 1 vers 1; 2 vers 13 - 16; 3 vers 14 en 15; 6 vers 11; 9 vers 1 en 11, enzovoort).

Laten wij die door genade tot de hemelse familie van God mogen behoren, toch altijd letten op de waarschuwingen die onze hemelse Vader ons geeft.

Amos 4:1-13
1Hoort dit woord, gij koeien van Basan! gij, die op den berg van Samaria zijt, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; gij, die tot hunlieder heren zegt: Brengt aan, opdat wij drinken.2De Heere HEERE heeft gezworen bij Zijn heiligheid, dat er, ziet, dagen over ulieden zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uw nakomelingen met visangelen.3En gij zult door de bressen uitgaan, een ieder voor zich henen; en gij zult, hetgeen in het paleis gebracht is, wegwerpen, spreekt de HEERE.4Komt te Beth-El, en overtreedt te Gilgal; maakt des overtredens veel, en brengt uw offers des morgens, uw tienden om de drie dagen!5En rookt van het gedesemde een lofoffer, en roept vrijwillige offers uit, doet het horen; want alzo hebt gij het gaarne, gij kinderen Israels! spreekt de Heere HEERE.6Daarom heb Ik ulieden ook reinheid der tanden gegeven in al uw steden, en gebrek van brood in al uw plaatsen; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.7Daartoe heb Ik ook den regen van ulieden geweerd, als er nog drie maanden waren tot den oogst, en heb doen regenen over de ene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ene stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde.8En twee, drie steden togen om tot een stad, opdat zij water mochten drinken, maar werden niet verzadigd; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.9Ik heb ulieden geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid uwer hoven, en uwer wijngaarden, en uwer vijgebomen, en uwer olijfbomen at de rups op; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.10Ik heb de pestilentie onder ulieden gezonden, naar de wijze van Egypte; Ik heb uw jongelingen door het zwaard gedood, en uw paarden gevankelijk laten wegvoeren; en Ik heb den stank uwer heirlegeren zelfs in uw neus doen opgaan; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.11Ik heb sommigen onder ulieden omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, u, die waart als een vuurbrand, dat uit den brand gered is; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.12Daarom zal Ik u alzo doen, o Israel! omdat Ik u dan dit doen zal, zo schik u, o Israel! om uw God te ontmoeten.13Want zie, Die de bergen formeert, en den wind schept, en den mens bekend maakt, wat zijn gedachte zij, Die den dageraad duisternis maakt, en op de hoogten der aarde treedt, HEERE, God der heirscharen, is Zijn Naam.

Toen de HEERE eertijds de plagen over Egypte liet komen, beschermde Hij Israël daartegen (Exodus 8 vers 22; 9 vers 6, 7 en 26; 10 vers 23; 12 vers 12 en 13). Wat een ommekeer, ook in moreel opzicht (vers 11): nu ziet Hij Zich ertoe gedwongen om Zijn volk "naar de wijze van Egypte" te slaan (vers 10). Hongersnood, droogte, schadelijke ziekten voor de planten, epidemieën, aardbevingen. Er volgen achtereenvolgens vijf rampen, alle met het doel te spreken tot het geweten van dit opstandige volk. Wat is het dan intriest te moeten horen dat er ook vijf keer hetzelfde refrein klinkt: "Nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij" (vers 6, 8, 9, 10 en 11).

Laten we echter niet met stenen gaan gooien naar dit volk! Moet de Heere met ons vaak ook niet hetzelfde geduld hebben? Als Hij middelen moet gebruiken die pijnlijk zijn voor ons, dan is dat altijd om ons te sparen, als "een vuurbrand uit het vuur gerukt" (vergelijk Zacharia 3 vers 2). Zijn wij omgekeerd tot Hem? Laten we eraan denken dat men vroeger of later God moet ontmoeten! Wanneer de zondaar niet nu, in de tijd van genade, met een berouwvol hart tot de Heere Jezus gaat, zal Hij hem eens met het oordeel moeten treffen (Lukas 12 vers 58 en 59). "Zo schik (bereid) u... om uw God te ontmoeten!" (vers 12).

Bestaat er vandaag de dag dan geen manier voor de mens om aan deze vreselijke ontmoeting te ontkomen? Gelukkig wel! Dan moet je nu je zonden belijden en de vergeving aannemen, die de Heere Jezus je heel graag wil geven. Beste vriend, heb je dat al gedaan?

Amos 5:1-13
1Hoort dit woord, dat Ik over ulieden ophef, een klaaglied, o huis Israels!2De jonkvrouw Israels is gevallen, zij zal niet weder opstaan; zij is verlaten op haar land, er is niemand, die haar opricht.3Want zo zegt de Heere HEERE: De stad, die uitgaat met duizend, zal honderd overhouden, en die uitgaat met honderd, zal tien overhouden, in het huis Israels.4Want zo zegt de HEERE tot het huis Israels: Zoekt Mij, en leeft.5Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-Seba; want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot niet.6Zoekt den HEERE, en leeft; opdat Hij niet doorbreke in het huis van Jozef als een vuur, dat vertere, zodat er niemand zij, die het blusse in Beth-El;7Die het recht in alsem verkeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen.8Die het Zevengesternte en den Orion maakt, en de doodsschaduw in den morgenstond verandert, en den dag als den nacht verduistert; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem, HEERE is Zijn Naam.9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.10Zij haten in de poort dengene, die bestraft, en hebben een gruwel van dien, die oprechtelijk spreekt.11Daarom, omdat gij den arme vertreedt en een last koren van hem neemt, zo hebt gij wel huizen gebouwd van gehouwen steen, maar gij zult daarin niet wonen; gij hebt gewenste wijngaarden geplant, maar gij zult derzelver wijn niet drinken.12Want Ik weet, dat uw overtredingen menigvuldig, en uw zonden machtig vele zijn; zij benauwen den rechtvaardige, nemen zoengeld, en verstoten de nooddruftigen in de poort.13Daarom zal de verstandige te dier tijd zwijgen, want het zal een boze tijd zijn.

"Komt te Beth-El, en overtreedt te Gilgal; maakt het overtreden veel...", zo klonk de ironische oproep in hoofdstuk 4 vers 4. Maar nu smeekt God hen: "Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal..."; "Zoekt Mij, en leeft"; "Zoekt de HEERE, en leeft" (vers 4 - 6).

Om te leven heeft de mens geen godsdienst, maar een Verlosser nodig! En de Heere Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven; niemand komt tot de Vader dan door Hem (Johannes 14 vers 6). Erkennen wij de grootheid van Hem Die de werelden gemaakt heeft en hen draagt (Hebreeën 1 vers 2 en 3)? Wanneer wij in een heldere nacht "het zevengesternte en de Orion" aan het firmament kunnen ontdekken, dan is er bij ons misschien verbazing en bewondering. Dan proberen we ons wellicht een voorstelling te maken van de onmetelijke afstanden in het heelal, hoewel dat vergeefse moeite zal zijn, want we kunnen ons absoluut geen voorstelling van deze grootheid maken. De Zoon van God heeft echter een nog veel groter en wonderbaarder werk volbracht! De dreigende schaduw van de eeuwige dood, die ons al omringde, heeft Hij veranderd in de morgenstond. De dood is verslonden in overwinning — door Zijn opstanding (vers 8; 1 Korinthe 15 vers 54).

Zeker, de duisternis regeert nog altijd in deze wereld. Onderdrukking en onrecht zijn aan de orde van de dag, dat weten we allemaal. Maar de christen is niet terneergedrukt; zelfs in "een boze tijd" (vers 13) weet hij waar hij zijn Verlosser kan vinden. En iedere keer als wij onze Bijbel openen, zou onze leus moeten zijn: 'Zoek Hem!' (Psalm 27 vers 8).

Amos 5:14-27
14Zoekt het goede, en niet het boze, opdat gij leeft; en alzo zal de HEERE, de God der heirscharen, met ulieden zijn, gelijk als gij zegt.15Haat het boze, en hebt lief het goede, en bestelt het recht in de poort, misschien zal de HEERE, de God der heirscharen, aan Jozefs overblijfsel genadig zijn.16Daarom, zo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de Heere: Op alle straten zal rouwklage zijn, en in alle wijken zullen zij zeggen: Och! och! en zullen den akkerman roepen tot treuren, en rouwklage zal zijn bij degenen, die verstand van kermen hebben.17Ja, in alle wijngaarden zal rouwklage zijn; want Ik zal door het midden van u doorgaan; zegt de HEERE.18Wee dien, die des HEEREN dag begeren! Waartoe toch zal ulieden de dag des HEEREN zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht.19Als wanneer iemand vlood voor het aangezicht eens leeuws, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan den wand, en hem beet een slang.20Zal dan niet des HEEREN dag duisternis zijn, en geen licht? En donkerheid, zodat er geen glans aan zij?21Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbods dagen niet rieken.22Want ofschoon gij Mij brandofferen offert, mitsgaders uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien.23Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uw luiten spel niet horen.24Maar laat het oordeel zich daarhenen wenden als de wateren, en de gerechtigheid als een sterke beek.25Hebt gij Mij veertig jaren in de woestijn slachtofferen en spijsoffer toegebracht, o huis Israels?26Ja, gij droegt de tent van uw Melech, en den Kijun, uw beelden, de ster uws gods, dien gij uzelf hadt gemaakt.27Daarom zal Ik ulieden gevankelijk wegvoeren, ver boven Damaskus henen, zegt de HEERE, Wiens Naam is God der heirscharen.

Het goede is in overeenstemming met God (Psalm 4 vers 6). "Zoekt het goede... opdat gij leeft" (vers 14) komt op hetzelfde neer als "zoekt de HEERE, en leeft" (vers 6). Maar om naar het goede te trachten, moet men het liefhebben, net zoals men het kwade zal mijden in de mate waarin men het verafschuwt (vers 15; Romeinen 12 vers 9). Misschien is er nu iemand die zegt: 'Het is echter niet altijd gemakkelijk het goede van het kwade te onderscheiden'. Dat klopt, en de menselijke moraal zal ons daarbij nauwelijks verder kunnen helpen, omdat zij slechts mens met mens kan vergelijken. De enige en zekere leidraad hierin is het Woord van onze God.

Net zoals talloze christenen vandaag telkens in hun gebeden herhalen: 'Uw Koninkrijk kome' en daarmee de dag van het oordeel naderbij roepen, hebben sommigen ook toen verlangd naar de dag des HEEREN, zonder daarbij echter te bedenken dat het de dag van hun eigen ongeluk kon zijn. En zij vermeerderden hun godsdienstige vormen: feesten, offeranden, enzovoort, en meenden daarmee hun eigenlijke toestand voor God te kunnen verbergen! "Doe het getier van uw liederen van Mij weg", is daarop het strenge antwoord van de Heere (vers 23; zie bijvoorbeeld ook Jesaja 1 vers 13 - 15). Ach, hoeveel liederen en gebeden zijn voor God slechts als nutteloos lawaai! Laten we toch nooit vergeten dat Hij verlangt naar oprechtheid van het hart (Psalm 51 vers 6)!

Stefanus heeft later, voor de oudsten van de Joden, de verzen 25 - 27 aangehaald, opdat zij zich ervan bewust zouden worden hoe oud en ernstig hun zonde was (Handelingen 7 vers 42 en 43).

Amos 6:1-14
1Wee den gerusten te Sion, en den zekeren op den berg van Samaria! die de voornaamste zijn van de eerstelingen der volken, en tot dewelke die van het huis Israels komen.2Gaat over naar Kalne, en ziet toe; en gaat van daar naar Hamath, de grote stad, en trekt af naar Gath der Filistijnen; of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hun landpale groter dan uw landpale?3Gij, die den bozen dag verre stelt, en den stoel des gewelds nabij brengt.4Die daar liggen op elpenbenen bedsteden, en weelderig zijn op hun koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van den meststal.5Die op het geklank der luit kwinkeleren, en bedenken zichzelven instrumenten der muziek, gelijk David;6Die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef.7Daarom zullen zij nu gevankelijk henengaan onder de voorsten, die in gevangenis gaan; en het banket dergenen, die weelderig zijn, zal wegwijken.8De Heere HEERE heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt de HEERE, de God der heerscharen): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren.9En het zal geschieden, zo er tien mannen in enig huis zullen overgelaten zijn, dat zij sterven zullen.10En de naaste vriend zal een iegelijk van die opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot dien, die binnen de zijden van het huis is: Zijn er nog meer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg! want zij waren niet om des HEEREN Naam te vermelden.11Want ziet, de HEERE geeft bevel, en Hij zal het grote huis slaan met inwatering, en het kleine huis met spleten.12Zullen ook paarden rennen op een steenrots? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de vrucht der gerechtigheid in alsem.13Gij, die blijde zijt over een nietig ding; gij, die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen?14Want ziet, Ik zal over ulieden, o huis Israels! een volk verwekken, spreekt de HEERE, de God der heirscharen; die zullen ulieden drukken, van daar men komt te Hamath, tot aan de beek der wildernis.

God had al eerder bij Zijn volk dat afgeweken was, de vinger gelegd op de hardnekkigheid, de hoogmoed, het egoïsme en de zucht naar gemak (hoofdstuk 2 vers 6; 4 vers 1, 5 vers 11; vergelijk 1 Korinthe 10 vers 24; 1 Johannes 3 vers 17). Ze gebruikten hun verstand en capaciteiten voor hun eigen genoegen (vers 5).

Dat spreekt ook tot ons geweten! Is het niet oneerlijk om dat wat de Heere ons voor Zijn dienst heeft toevertrouwd, voor onszelf te gebruiken? Daarbij vergeten we zelfs, dat een leven voor eigen plezier, het leven voor de bevrediging van de eigen verlangens, ons in geestelijk opzicht in de slavernij van de vijand brengt (vergelijk vers 7).

Ten slotte zien we hier iets wat hand in hand gaat met de materiële welstand en de zucht naar vermaak: dat men zich niet bekommert "over de verbreking van Jozef" (vers 6). De tijdgenoten van Amos leden niet meer onder de scheiding, dat er twee koninkrijken in Israël waren.

Vandaag de dag hebben deze dingen, namelijk het streven naar vermaak en het opkomen voor de eigen belangen, dezelfde uitwerking: een onvergeeflijke onverschilligheid met betrekking tot het verval in de Gemeente en de scheuringen onder christenen.

Vers 8 zegt nog eens duidelijk dat God een grote afkeer heeft van de hoogmoed, de wortel van iedere zonde. O, dat de Heere ons toch mag leren dat we deze hoogmoed, of het nu duidelijk aan het daglicht treedt of niet, in ons veroordelen! Laten we eraan denken dat Hij de hoogmoedigen weerstaat, maar de nederigen genade geeft (Jakobus 4 vers 6).

Amos 7:1-17
1De Heere HEERE deed mij aldus zien; en ziet, Hij formeerde sprinkhanen, in het begin des opkomens van het nagras; en ziet, het was het nagras, na des konings afmaaiingen.2En het geschiedde, als zij het kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeide: Heere HEERE! vergeef toch; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!3Toen berouwde zulks den HEERE; het zal niet geschieden, zeide de HEERE.4Wijders deed mij de Heere HEERE aldus zien; en ziet, de Heere HEERE riep uit, dat Hij wilde twisten met vuur; en het verteerde een groten afgrond, ook verteerde het een stuk lands.5Toen zeide ik: Heere HEERE! houd toch op; wie zou er van Jakob blijven staan; want hij is klein!6Toen berouwde zulks den HEERE. Ook dit zal niet geschieden, zeide de Heere HEERE.7Nog deed Hij mij aldus zien; en ziet, de Heere stond op een muur, die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in Zijn hand.8En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Amos? En ik zeide: Een paslood. Toen zeide de HEERE: Zie, Ik zal het paslood stellen in het midden van Mijn volk Israel; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.9Maar Izaks hoogten zullen verwoest, en Israels eigendommen verstoord worden; en Ik zal tegen Jerobeams huis opstaan met het zwaard.10Toen zond Amazia, de priester te Beth-El, tot Jerobeam, den koning van Israel, zeggende: Amos heeft een verbintenis tegen u gemaakt, in het midden van het huis Israels; het land zal al zijn woorden niet kunnen verdragen.11Want alzo zegt Amos: Jerobeam zal door het zwaard sterven, en Israel zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.12Daarna zeide Amazia tot Amos: Gij ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet aldaar brood, en profeteer aldaar.13Maar te Beth-El zult gij voortaan niet meer profeteren; want dat is des konings heiligdom, en dat is het huis des koninkrijks.14Toen antwoordde Amos, en zeide tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af.15Maar de HEERE nam mij van achter de kudde; en de HEERE zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot Mijn volk Israel.16Nu dan, hoor des HEEREN woord: Gij zegt: Gij zult niet profeteren tegen Israel, noch druppen tegen het huis van Izak.17Daarom zegt de HEERE alzo: Uw vrouw zal in de stad hoereren, en uw zonen en uw dochteren zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en gij zult in een onrein land sterven, en Israel zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.

In hoofdstuk 3 vers 7 heeft de HEERE beloofd niets te zullen doen zonder vooraf Zijn knechten, de profeten, in kennis te stellen van Zijn plannen. Daarom onderwijst Hij hier Amos ook over Zijn bedoelingen. En op dit bewijs van vertrouwen antwoordt de profeet op dezelfde wijze als eens Abraham deed (Genesis 18 vers 17 en 23), en wel met aanhoudende voorbede. Hij spreekt met de vrijmoedigheid van iemand die een vertrouwde omgang met zijn God heeft: 'Is deze straf niet te streng? Vergeet toch niet, dat Jakob klein is'. (God Zelf noemt hem in Jesaja 41 vers 14 een worm, dus precies het tegengestelde van het gepronk van dit arme volk, dat beweerde: "Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen?" — hoofdstuk 6 vers 13.)

Maar juist nadat Amos op zo'n aangrijpende wijze voor zijn volk is opgekomen en heeft gesmeekt, wordt hijzelf door één van de godsdienstige leiders van een samenzwering beticht! Wat lijkt hij hiermee op de Heere Jezus, Die door de Hogepriester en de Schriftgeleerden ook aangeklaagd werd, met de woorden: "Wij hebben bevonden, dat Deze het volk afkeert..." (Lukas 23 vers 2).

In plaats van zich daarover te ergeren of aanspraak te maken op de eer die een profeet gebracht zou moeten worden, geeft Amos eenvoudig toe dat hij van geringe afkomst is. Zijn volmacht om te spreken is niet gebaseerd op zijn geboorte, noch op zijn opvoeding, maar uitsluitend op de Goddelijke roeping (vergelijk Galaten 1 vers 1). Daarna vertelt hij de goddeloze en hebzuchtige priester wat hem van de kant van de HEERE te wachten staat.

Amos 8:1-14
1De Heere HEERE deed mij aldus zien; en ziet, een korf met zomervruchten.2En Hij zeide: Wat ziet gij Amos? En ik zeide: Een korf met zomervruchten. Toen zeide de HEERE tot mij: Het einde is gekomen over Mijn volk Israel; Ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.3Maar de gezangen des tempels zullen te dien dage huilen, spreekt de Heere HEERE; vele dode lichamen zullen er zijn, in alle plaatsen zal men ze stilzwijgend wegwerpen.4Hoort dit, gij, die den nooddruftige opslokt! en dat om te vernielen de ellendigen des lands;5Zeggende: Wanneer zal de nieuwe maan overgaan, dat wij leeftocht mogen verkopen? en de sabbat, dat wij koren mogen openen? verkleinende de efa, en den sikkel vergrotende, en verkeerdelijk handelende met bedrieglijke weegschalen;6Dat wij de armen voor geld mogen kopen, en den nooddruftige om een paar schoenen; dan zullen wij het kaf van het koren verkopen.7De HEERE heeft gezworen bij Jakobs heerlijkheid: Zo Ik al hun werken in eeuwigheid zal vergeten!8Zou het land hierover niet beroerd worden, en al wie daarin woont treuren? Ja, het zal geheel oprijzen als een rivier, en het zal heen en weder gedreven en verdronken worden, als door de rivier van Egypte.9En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere HEERE, dat Ik de zon op den middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dage verduisteren.10En Ik zal uw feesten in rouw, en al uw liederen in weeklage veranderen, en op alle lenden een zak, en op alle hoofd kaalheid brengen; en Ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enigen zoon, en deszelfs einde als een bitteren dag.11Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN.12En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord des HEEREN te zoeken, maar zullen het niet vinden.13Te dien dage zullen de schone jonkvrouwen en de jongelingen van dorst versmachten;14Die daar zweren bij de schuld van Samaria, en zeggen: Zo waarachtig als uw God van Dan leeft, en de weg van Ber-seba leeft! en zij zullen vallen, en niet weder opstaan.

Het gezicht van de korf met vruchten moet aan Amos duidelijk maken dat Israël rijp is voor het oordeel. In tegenstelling tot de nacht van het Pascha zal de verderver het volk nu niet meer voorbijgaan (vers 2), "en ik zal het land stellen in rouw, als er is over een enige zoon" (vers 10). Het nutteloze lawaai van de liederen (hoofdstuk 5 vers 23) zal veranderen in gehuil en de gezangen zullen worden tot klaagliederen (vers 3 en 10). Het slot van vers 3 spreekt over stilzwijgen, om aan te geven dat er een einde gemaakt zal worden aan al dat nutteloze lawaai. Voortaan zal elke mond voor de Heere gesloten blijven. En het slot van dit hoofdstuk spreekt zelfs over het zwijgen van God Zelf, het ergste oordeel dat er bestaat! Er bestaan maar weinig Schriftplaatsen die zo schokkend zijn als vers 11 en 12. Pas wanneer zij het niet meer horen, zullen de mensen de grote waarde van het Goddelijke Woord, dat zij zo lange tijd veracht hebben, gaan inzien. Dan zullen ze in onbeschrijfelijke vertwijfeling "zwerven van zee tot zee... zij zullen omlopen... maar zullen het niet vinden" (vergelijk 1 Samuël 28 vers 6 en 15).

Beste vrienden, vandaag ligt het Woord van God nog binnen ons handbereik. "Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart", zegt de apostel in Romeinen 10 vers 8. Nooit tevoren is de Bijbel op zo'n grote schaal verspreid als nu het geval is. Wat er echter helaas zo vaak ontbreekt, is de honger en de dorst bij de mens om zich de beloften en de onderwijzingen in het Woord toe te eigenen. Geve God, dat dit verlangen wel in het hart van een ieder van ons aanwezig is!

Amos 9:1-15
1Ik zag den Heere staan op het altaar, en Hij zeide: Sla dien knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard doden; en vliedende zal onder hen niet ontvlieden, noch de ontkomende onder hen behouden worden.2Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen.3En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in den grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten.4En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hunner vijanden, zo zal Ik vandaar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede.5Want de Heere HEERE der heirscharen is het, Die het land aanroert, dat het versmelte, en allen, die daarin wonen, treuren; en dat het geheel oprijze als een rivier, en verdronken worde als door de rivier van Egypte.6Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; HEERE is Zijn Naam.7Zijt gijlieden Mij niet als de kinderen der Moren, o kinderen Israels? spreekt de HEERE. Heb Ik Israel niet opgevoerd uit Egypteland, en de Filistijnen uit Kafthor, en de Syriers uit Kir?8Ziet, de ogen des Heeren HEEREN zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat Ik het van den aardbodem verdelge; behalve dat Ik het huis Jakobs niet ganselijk zal verdelgen, spreekt de HEERE.9Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis Israels onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet een steentje zal er ter aarde vallen.10Alle zondaars Mijns volks zullen door het zwaard sterven; die daar zeggen: Het kwaad zal tot ons niet genaken, noch ons voorkomen.11Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, en Ik zal haar reten vertuinen, en wat aan haar is afgebroken, weder oprichten, en zal ze bouwen, als in de dagen van ouds;12Opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt de HEERE, Die dit doet.13Ziet, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat de ploeger den maaier, en de druiventreder den zaadzaaier genaken zal; en de bergen zullen van zoeten wijn druipen, en al de heuvelen zullen smelten.14En Ik zal de gevangenis van Mijn volk Israel wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten, en derzelver wijn drinken; en zij zullen hoven maken, en derzelver vrucht eten.15En Ik zal ze in hun land planten; en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land, dat Ik hunlieden gegeven heb, zegt de HEERE, uw God.

"Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien" (Galaten 6 vers 7). De voorgaande hoofdstukken hebben ons laten zien wat Israël gezaaid heeft. Daarom hoeft het erge wat ze hier oogsten, ons ook niet te verrassen. Het laatste gezicht van Amos is veruit het ergste wat hij te zien kreeg. Hij ziet de Heere Zelf bij het altaar staan en hoort Hem het bevel tot de definitieve vernietiging geven. Niemand zal ontkomen. De vertwijfelde vlucht van de schuldigen doet ons denken aan Psalm 139 (vergelijk vers 2 met Psalm 139 vers 8). Deze Psalm vertelt echter vooral over een gelovige die aan het licht probeert te ontkomen. Hier gaat het daarentegen om zondaren die opgejaagd worden door de vreselijke angst voor het oordeel.

Toch is dat oordeel niet het einde van dit Boek. Vanaf vers 8 verschijnt de genade. Alle kaf is uit de zeef waar het volk overheen is gegaan, verwijderd, maar toch is er geen enkel korreltje verloren gegaan (vers 9). Op het moment dat God heeft bepaald, zal Hij laten zien dat Hij Zijn uitverkorenen heeft bewaard. De verzen 11 - 15 geven een beschrijving van het definitieve herstel en de zegen. Dan zullen alle dingen aan Christus onderworpen zijn.

Als verlosten van de Heere zullen wij Hem niet als Voorvechter voor de gerechtigheid — Die bij het altaar staat, en zoals Amos Hem zag — ontmoeten. Nee, wij zullen Hem zien zitten aan de rechterhand van God, met eer en heerlijkheid gekroond (Hebreeën 2 vers 8 en 9). Ja, door het geloof mogen we Hem daar nu ook al zien!

Obadja 1-11
1Het gezicht van Obadja. Alzo zegt de Heere HEERE van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van den HEERE, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde.2Ziet, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht.3De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?4Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE.5Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe zijt gij uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg ware? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten?6Hoe zijn Ezau's goederen nagespeurd, zijn verborgen schatten opgezocht!7Al uw bondgenoten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overmocht; die uw brood eten zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem.8Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de HEERE, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan?9Ook zullen uw helden, o Theman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezau's gebergte door den moord worde uitgeroeid.10Om het geweld, begaan aan uw broeder Jakob, zal schaamte u bedekken; en gij zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.11Ten dage als gij tegenover stondt, ten dage als de uitlanders zijn heir gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, waart gij ook als een van hen.

De korte profetie van Obadja is helemaal gewijd aan Edom. Dit volk was de meest verbitterde vijand van Israël, hoewel het de naaste bloedverwant was. Het stamde immers af van Ezau, de tweelingbroer van Jakob. En deze familiebanden hadden tot het geweten van Edom moeten spreken. De HEERE roept dit bij hem in gedachtenis, door te wijzen op "het geweld, begaan aan uw broeder Jakob" (vers 10).

In "de kloven van de steenrotsen", van het gebergte Seïr, leefde Edom van de roof. Omdat hij meende daar voor elke vorm van vergelding in veiligheid te zijn, was hij enorm arrogant geworden. Maar de HEERE sprak: "Ik zal u van daar neerstoten" (vers 4). Vroeg of laat stuit de menselijke hoogmoed af op de tussenkomst van de Almachtige, wat een opzienbarende val tot gevolg zal hebben (2 Korinthe 10 vers 4 en 5). Wat zal dat een pijnlijk ontwaken zijn uit de aloude droom die de mens van alle tijden al gekoesterd heeft, de droom de hemel te kunnen bereiken (Babel: Genesis 11 vers 4) en aan God gelijk te zullen zijn (Filippensen 2 vers 6). Ook in de tegenwoordige tijd spaart de mens kosten noch moeite om het heelal te onderzoeken en zijn "nest tussen de sterren" te kunnen maken (vers 4). Maar de Heere antwoordt: "Ik zal u van daar neerstoten".

Beste vrienden, laten we ons toch niet door menselijke grootheid, noch door wetenschappelijke successen en techniek laten verblinden. Vergeet niet dat deze wereld onder het oordeel ligt en dat God rekenschap van haar zal vragen over de plaats die ze de Heere Jezus gegeven heeft aan het kruis.

Obadja 12-21
12Toen zoudt gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uw mond groot gemaakt hebben, ten dage der benauwdheid;13Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;14Noch gestaan hebben op de wegscheiding, om zijn ontkomenen uit te roeien; noch zijn overgeblevenen overgeleverd hebben, ten dage der benauwdheid.15Want de dag des HEEREN is nabij, over al de heidenen; gelijk als gij gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd wederkeren.16Want gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg Mijner heiligheid, zo zullen al de heidenen geduriglijk drinken; ja, zij zullen drinken en inzwelgen, en zullen zijn alsof zij er niet geweest waren.17Maar op den berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis Jakobs zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten.18En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis een vlam, en Ezau's huis tot een stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden, en zullen ze verteren, zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben; want de HEERE heeft het gesproken.19En die van het zuiden zullen Ezau's gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja, zij zullen het veld van Efraim en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin Gilead.20En de gevankelijk weggevoerden van dit heir der kinderen Israels, hetgeen der Kanaanieten was, tot Zarfath toe; en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem, hetgeen in Sefarad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten.21En er zullen heilanden op den berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des HEEREN zijn.

"Toen zoudt gij niet...", zo klinkt de stem van de Goddelijke Rechter, en de aanklachten worden steeds erger. Eerst gaat het alleen maar om schuldige blikken, om leedvermaak over het lijden en het ongeluk van de ander. Dezelfde schaamteloze, cynische blikken waren ook op de Heere Jezus aan het kruis gericht." Zij schouwen het aan, zij zien op Mij" (Psalm 22 vers 18). Maar de slechtheid van Edom (en bij de vijanden van de Heere Jezus) kwam ook tot uitdrukking in woorden en daden.

"Zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd..." (Psalm 22 vers 8; vergelijk dit met het eind van vers 12). Bestaat er iets gemeners dan iemand wie iets ergs overkomt, op die manier te beledigen? Gedreven door roofzuchtige begeerte heeft Edom het ongeluk van Israël aangegrepen, en zich vergrepen aan diens rijkdom en de ontkomenen op onbarmhartige wijze uitgeroeid. Al deze misdaden blijven niet ongestraft. De dag des Heeren zal een definitieve en volledige vergelding van "de berg Sion" op "Ezau's gebergte" brengen. Terwijl een overblijfsel uit de overige volken gelukkig onder de heerschappij van de Messias zal leven, zal Edom van de landkaart van het duizendjarig rijk worden weggevaagd. Wat een ernstige zaak, dat het geslacht van Ezau, die eens de zegen veracht heeft, compleet verdwijnt!

Jona 1:1-17
1En het woord des HEEREN geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai, zeggende:2Maak u op, ga naar de grote stad Nineve, en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht.3Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des HEEREN; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelve, om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aan gezicht des HEEREN.4Maar de HEERE wierp een groten wind op de zee; en er werd een grote storm in de zee, zodat het schip dacht te breken.5Toen vreesden de zeelieden, en riepen een iegelijk tot zijn god, en wierpen de vaten, die in het schip waren, in de zee, om het van dezelve te verlichten; maar Jona was nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag neder, en was met een diepen slaap bevangen.6En de opperschipper naderde tot hem, en zeide tot hem: Wat is u, gij hardslapende? Sta op, roep tot uw God, misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan.7Voorts zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Komt, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Alzo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona.8Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Wat is uw werk en van waar komt gij? Welk is uw land en van welk volk zijt gij?9En hij zeide tot hen: Ik ben een Hebreer; en ik vreze den HEERE, den God des hemels, Die de zee en het droge gemaakt heeft.10Toen vreesden die mannen met grote vreze, en zeiden tot hem: Wat hebt gij dit gedaan? Want de mannen wisten, dat hij van des HEEREN aangezicht vlood; want hij had het hun te kennen gegeven.11Voorts zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.12En hij zeide tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet, dat deze grote storm ulieden om mijnentwil over komt.13Maar de mannen roeiden, om het schip weder te brengen aan het droge, doch zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.14Toen riepen zij tot den HEERE, en zeiden: Och HEERE! laat ons toch niet vergaan om dezes mans ziel, en leg geen onschuldig bloed op ons; want Gij, HEERE! hebt gedaan, gelijk als het U heeft behaagd.15En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar verbolgenheid.16Dies vreesden de mannen den HEERE met grote vreeze; en zij slachtten den HEERE slachtoffer, en beloofden geloften.17De HEERE nu beschikte een groten vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van den vis, drie dagen en drie nachten.

In tegenstelling tot de andere profeten onderwijst Jona ons meer door zijn aangrijpende geschiedenis dan door zijn woorden. Hij had destijds het herstel van de grenzen van Israël aangekondigd, hetgeen een goed bericht voor het volk was (2 Koningen 14 vers 25). Hier krijgt hij echter een minder aangename opdracht, want hij moest het oordeel over Ninevé aankondigen. Ninevé was een grote, heidense stad, die ontzettend schuldig stond voor God. Jona trekt zich echter terug en vlucht weg "van het aangezicht des HEEREN" (vers 3). Hij ging de weg van de eigen wil! Een dienstknecht van God kan echter niet zelf de boodschap, noch zijn arbeidsterrein, uitkiezen! Tegelijkertijd was zijn handelen natuurlijk ontzettend dwaas. Hoe zou hij ooit kunnen ontkomen aan Hem Die alles ziet en over de elementen beschikt, om iemand die ongehoorzaam is, te weerhouden (Lukas 8 vers 25)?

Let eens op, hoe het met Jona, stap voor stap, bergafwaarts gaat (vers 3 en 5; hoofdstuk 2 vers 6). Eerst bevindt hij zich op een aangename weg (dat is de betekenis van Jafo), die echter tot het verderf (Tarsis) leidt. En nu, nu hij in het ruim van het schip een plaatsje heeft gevonden, slaapt hij, terwijl de storm woedt. De kapitein moet hem wakker schudden uit zijn diepe slaap. Bestaat er voor een kind van God iets wat meer vernederend is dan door de wereld tot de orde geroepen te worden?

Profetisch laat deze geschiedenis ons het volk Israël zien, dat ontrouw was aan de ontvangen opdracht, en dat als onderwerp van het oordeel van God in de zee van de volken geworpen werd, hetgeen tot heil van de volken (matrozen) was (Romeinen 11 vers 11 - 15).

Jona 2:1-10
1En Jona bad tot den HEERE, zijn God, uit het ingewand van den vis.2En hij zeide: Ik riep uit mijn benauwdheid tot den HEERE, en Hij antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik, en Gij hoordet mijn stem.3Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.4En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.5De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.6Ik was nedergedaald tot de gronden der bergen; de grendelen der aarde waren om mij henen in eeuwigheid; maar Gij hebt mijn leven uit het verderf opgevoerd, o HEERE, mijn God!7Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.8Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid.9Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.10De HEERE nu sprak tot den vis; en hij spuwde Jona uit op het droge.

Alles wat de HEERE beschikt, zegt en beveelt, zal dienen tot de uitvoering van Zijn plannen (hoofdstuk 1 vers 4; 2 vers 2 en 10; 4 vers 6, 7 en 8). Dat geldt voor Jona, voor Ninevé, maar ook voor de Heere Jezus Zelf. In het smartelijke en vurige gebed dat hier vanuit de plaats van de dood omhoog stijgt, herkennen we de stem van Hem, Die Zich eens in de grootste nood bevond (vergelijk vers 2 met Psalm 130 vers 1 en 2; vers 3 met Psalm 42 vers 8; vers 5 en 6 met Psalm 69 vers 2, 3, enzovoort). Maar terwijl Jona ten gevolge van eigen ongehoorzaamheid diep in de problemen kwam, is Christus vanwege onze ongehoorzaamheid en tot ons heil door de donkere golven van de dood heen gegaan. Zijn lijden en sterven is ons tot redding geworden.

Die drie dagen, daar in de buik van de grote vis, zijn de beste geweest in de geschiedenis van Jona. Ze leren ook ons dat we onder alle omstandigheden de Heere Jezus mogen en kunnen aanroepen. Hij geeft ons van tevoren de volle zekerheid dat ons gebed gehoord wordt. "...en Hij antwoordde mij", zegt de profeet al wanneer hij nog in de buik van de vis zit (vers 2).

Vers 8 maakt ons duidelijk waarom wij vaak zo weinig genieten van de genade van de Heere. Dat komt doordat we onze blikken richten op "ijdelheden" (of zoals het in andere vertalingen staat: op nietige afgoden), dingen waarvan satan gebruik maakt, om de aandacht van de mensen in deze wereld af te leiden en hen te verleiden.

Helaas versterkt het feit, het onderwerp geweest te zijn van de genade van God, de trotse zelfzucht bij Jona; iets wat ook onze natuur vaak zo eigen is.

Jona 3:1-10
1En het woord des HEEREN geschiedde ten anderen male tot Jona, zeggende:2Maak u op, ga naar de grote stad Nineve; en predik tegen haar de prediking, die Ik tot u spreek.3Toen maakte zich Jona op, en ging naar Nineve, naar het woord des HEEREN. Nineve nu was een grote stad Gods, van drie dagreizen.4En Jona begon in de stad te gaan, een dagreis; en hij predikte, en zeide: Nog veertig dagen, dan zal Nineve worden omgekeerd.5En de lieden van Nineve geloofden aan God; en zij riepen een vasten uit, en bekleedden zich met zakken, van hun grootste af tot hun kleinste toe.6Want dit woord geraakte tot den koning van Nineve, en hij stond op van zijn troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich; en hij bedekte zich met een zak, en zat neder in de as.7En hij liet uitroepen, en men sprak te Nineve, uit bevel des konings en zijner groten, zeggende: Laat mens noch beest, rund noch schaap, iets smaken, laat ze niet weiden, noch water drinken.8Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg, en van het geweld, dat in hun handen is.9Wie weet, God mocht Zich wenden, en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen!10En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.

Eigenlijk is die oproep van Jona in de stad Ninevé de enige profetie die we in zijn Boek tegenkomen. En zelfs die gaat niet in vervulling, want als reactie op zijn prediking vrezen de bewoners van deze slechte stad, met de koning voorop, God en ze geloven Zijn woorden en hebben berouw. Ook deze gezindheid wordt in de hemel opgemerkt (vers 10; hoofdstuk 1 vers 2), en God reageert in genade (zie Jeremia 18 vers 7 en 8).

De Heere Jezus haalde de mannen van Ninevé aan als voorbeeld voor de Joden in Zijn tijd, terwijl zij toen oneindig veel "meer dan Jona" in hun midden hadden (Mattheus 12 vers 40 en 41). Zij hadden inderdaad een veel grotere verantwoordelijkheid dan die heidense Ninevieten. De Zoon van God was hier gekomen, niet om de wereld te oordelen, maar om haar te redden (Johannes 12 vers 47). Zichzelf als zondaar erkennen, de Heere Jezus als Verlosser aannemen, dat is de enige mogelijkheid om aan het eeuwig verderf, de eeuwige verdoemenis, te ontkomen. De aankondiging van het oordeel is ook een deel van het evangelie. "En gelijk het de mensen gezet is eenmaal te sterven, en daarna het oordeel", waarschuwt de Heilige Schrift (Hebreeën 9 vers 27). Dit "eenmaal" kan voor jou, onbekeerde lezer, ieder moment aanbreken. Je weet immers niet, of je nog over een bepaalde termijn, ook al waren het nog maar veertig dagen, te beschikken hebt (Lukas 12 vers 20). "Daarom, weest ook gij bereid", zegt de Heere Jezus in Mattheüs 24 vers 44. Ja, nu is het de dag van het heil!

Jona 4:1-11
1Dit verdroot Jona met groot verdriet, en zijn toorn ontstak.2En hij bad tot den HEERE, en zeide: Och HEERE! was dit mijn woord niet, als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist, dat Gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad.3Nu dan, HEERE! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven.4En de HEERE zeide: Is uw toorn billijk ontstoken?5Jona nu ging ter stad uit, en zette zich tegen het oosten der stad; en hij maakte zich aldaar een verdek, en zat daaronder in de schaduw, totdat hij zag, wat van de stad zou worden.6En God, de HEERE, beschikte een wonderboom, en deed hem opschieten boven Jona, opdat er schaduw mocht zijn over zijn hoofd, om hem te redden van zijn verdriet. En Jona verblijdde zich over den wonderboom met grote blijdschap.7Maar God beschikte een worm des anderen daags in het opgaan van den dageraad; die stak den wonderboom, dat hij verdorde.8En het geschiedde, als de zon oprees, dat God een stillen oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona, dat hij amechtig werd; en hij wenste zijner ziel te mogen sterven, en zeide: Het is mij beter te sterven dan te leven.9Toen zeide God tot Jona: Is uw toorn billijk ontstoken over den wonderboom? En hij zeide: Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood toe.10En de HEERE zeide: Gij verschoont den wonderboom, aan welken gij niet hebt gearbeid, noch dien groot gemaakt; die in een nacht werd, en in een nacht verging;11En Ik zou die grote stad Nineve niet verschonen? waarin veel meer dan honderd en twintig duizend mensen zijn, die geen onderscheid weten tussen hun rechterhand, en hun linkerhand; daartoe veel vee?

De vergeving die Ninevé toegezegd wordt, lijkt haaks te staan op de prediking van Jona en die zelfs te ontkrachten. Helaas is het lot van deze stad voor Jona van minder belang dan zijn eigen naam, z'n eigen eer. Hij vergeet dat hij even tevoren zelf het onderwerp van genade geweest is; hij verheugt zich niet over die genade, maar was wel blij met zijn eigen genoegen (het slot van vers 6).

Jona doet ons aan Elia denken, die ontmoedigd onder de jeneverboom ging zitten (vergelijk vers 3 en 8 met 1 Koningen 19 vers 4). En net als hij, zijn ook wij in staat om ons over allerlei kleine dingen op te winden. Bij de kleinste "wonderboom" — wat toch maar een onzekere bescherming biedt — die ons door God afgenomen wordt, raakt ons bloed soms al aan de kook! Maken wij ons ook altijd zo druk om het eeuwige leven van zoveel mensen om ons heen? Gaat ons dat ook zo aan het hart?

Had zich juist toen geen nieuwe gelegenheid voor de dienst van de profeet voorgedaan, in plaats van daar maar mopperend op zijn uitkijkpost te blijven zitten (vers 5)? Had hij niet naar Ninevé, dat gespaard was gebleven, terug moeten gaan, maar dan met een heel andere boodschap, om daar de Naam van deze God te verkondigen, Die hijzelf ook als de God van genade had leren kennen, "barmhartig... lankmoedig en groot van goedertierenheid", en Die dat zojuist op duidelijke wijze getoond had? Een buitengewone gelegenheid — een verloren gegane gelegenheid!

Laten we de gelegenheid die de Heere vandaag nog aan een ieder van ons geeft, toch niet uit zelfzucht of hardnekkigheid voorbij laten gaan (2 Koningen 7 vers 9)!

Micha 1:1-16
1Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Micha, den Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.2Hoort, gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid! de Heere HEERE nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit den tempel Zijner heiligheid.3Want ziet, de HEERE gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde.4En de bergen zullen onder Hem versmelten, en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren, die uitgestort worden in de laagte.5Dit alles, om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis Israels; wie is het begin van de overtreding van Jakob? Is het niet Samaria? En wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem?6Daarom zal Ik Samaria stellen tot een steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards; en Ik zal haar stenen in de vallei storten, en haar fundamenten ontdekken.7En al haar gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en al haar hoerenbeloningen zullen met vuur verbrand worden, en al haar afgoden zal Ik stellen tot een woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeren.8Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen; ik zal beroofd en naakt gaan; ik zal misbaar maken als de draken, en treuren als de jonge struisen.9Want haar plagen zijn dodelijk; want zij zijn gekomen tot aan Juda; hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem.10Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet; wentelt u in het stof in het huis van Afra.11Ga door, gij inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; rouwklage is te Beth-haezel; hij zal zijn stand van ulieden nemen.12Want de inwoneres van Maroth is krank om des goeds wil; want een kwaad is van den HEERE afgedaald, tot aan de poort van Jeruzalem.13Span de snelle dieren aan den wagen, gij inwoners van Lachis! (deze is der dochter Sions het beginsel der zonde) want in u zijn Israels overtredingen gevonden.14Daarom geef geschenken aan Morescheth-Gaths; de huizen van Achzib zullen den koningen van Israel tot een leugen zijn.15Ik zal u nog een erfgenaam toebrengen, gij inwoneres van Maresa! Hij zal komen tot aan Adullam, tot aan de heerlijkheid Israels.16Maak u kaal en scheer u, om uw troetelkinderen; verwijd uw kaalheid, als de arend, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd.

Micha is een tijdgenoot van Jesaja, Hosea en Amos. Net als zij profeteerde ook hij in de tijd van de regering van Jotham, Achaz en Jehizkia. De verdrietige geschiedenis van Achaz, waarover we in 2 Koningen 16 lezen, en de geschiedenis van de slechte koningen van Israël, rechtvaardigen meer dan voldoende de vreselijke woorden van de HEERE die Hij hier uitspreekt en waarbij Hij de hele wereld tot getuige neemt. Hier doet Hij Zijn heiligheid gelden, om door middel van Zijn oordelen te laten verkondigen, dat Hij niets van doen wil en kan hebben met de ongerechtigheden van Samaria en Jeruzalem.

Vanaf vers 8 zien we hoezeer het lijden van zijn volk Micha aan het hart gaat. "Verkondigt het niet te Gath", smeekt hij (vers 10; 2 Samuël 1 vers 18 en 20). Dit citaat uit 'het klaaglied van de boog' herinnert ons eraan, dat de vijanden van de Heere — hier de Filistijnen — altijd bereid zijn zich te verheugen over de misstappen van Gods volk, omdat zij daarin gemakkelijk een uitvlucht voor hun eigen zonden kunnen vinden.

Denk er daarom aan, gelovige vrienden, dat wanneer jullie iets onplezierigs over een andere gelovige horen, jullie dat niet lichtvaardig doorvertellen. Dat zal tot oneer van de Gemeente en daarmee bovenal tot oneer voor de Naam van de Heere zijn.

Tot aan vers 16 wonen wij, als het ware, de zegetocht van de Assyriërs bij, als voltrekkers van het oordeel van de HEERE. Zaänan betekent 'uittocht', Maroth betekent 'bitterheid', Maresa 'bezit'; zo heeft de naam van elke stad die ingenomen werd, bij deze gelegenheid een tragische betekenis.

Micha 2:1-13
1Wee dien, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van den morgenstond doen zij het, dewijl het in de macht van hunlieder hand is.2En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; alzo doen zij geweld aan den man en zijn huis, ja, aan een iegelijk en zijn erfenis.3Daarom, alzo zegt de HEERE: Ziet, Ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit gijlieden uw halzen niet zult uittrekken, en zult zo rechtop niet gaan; want het zal een boze tijd zijn.4Te dien dage zal men een spreekwoord over ulieden opnemen; en men zal een klagelijke klacht klagen, en zeggen: Wij zijn ten enenmale verwoest; Hij verwisselt mijns volks deel; hoe ontwendt Hij mij; Hij deelt uit, afwendende onze akkers.5Daarom zult gij niemand hebben, die het snoer werpe in het lot, in de gemeente des HEEREN.6Profeteert gijlieden niet, zeggen zij, laat die profeteren; zij profeteren niet als die; men wijkt niet af van smaadheden.7O gij, die Jakobs huis geheten zijt! Is dan de Geest des HEEREN verkort? Zijn dat Zijn werken? Doen Mijn woorden geen goed bij dien, die recht wandelt?8Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.9De vrouwen Mijns volks verdrijft gij, elkeen uit het huis van haar vermakingen; van haar kinderkens neemt gij Mijn sieraad in eeuwigheid.10Maakt u dan op, en gaat henen; want dit land zal de rust niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met een geweldige verderving.11Zo er iemand is, die met wind omgaat, en valselijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteren voor wijn en voor sterken drank! dat is een profeet dezes volks.12Voorzeker zal Ik u, o Jakob! gans verzamelen; voorzeker zal Ik Israels overblijfsel vergaderen; Ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra; als een kudde in het midden van haar kooi zullen zij van mensen deunen.13De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken, en door de poort gaan, en door dezelve uittrekken; en hun koning zal voor hun aangezicht henengaan; en de HEERE in hun spits.

Hoofdstuk 21 van het eerste Boek Koningen vertelt ons hoe de goddeloze Achab het erfdeel van Naboth begeerde en dat op gewelddadige wijze, door machtsmisbruik, in bezit nam (zie Micha 6 vers 16). Tegen hen die onheil (ongerechtigheid; vers 1) bedenken, bedenkt de Heere ongeluk ("een kwaad", dat wil zeggen oordeel; vers 3). Maar laten we daarentegen een dikke streep zetten onder de vraag in vers 7: "Doen Mijn woorden geen goed bij hem, die recht wandelt?" Kunnen wij uit eigen ervaring antwoorden: 'Ja Heere, Uw woorden zijn goed, ze zijn een vreugde voor mijn hart' (Jeremia 15 vers 16; Johannes 6 vers 68)?

"Dit land zal de rust niet zijn", zegt de profeet verder (vers 10). De wereld is inderdaad zo onrustig dat ieder oprecht mens wel moet toegeven: 'hier op aarde kun je nergens echte rust vinden'. God noemt ons ook de oorzaak hiervan: "omdat het verontreinigd is". Evenmin als de Heere Jezus in deze door de zonde verdorven wereld een plaats kon vinden waar Hij zijn hoofd kon neerleggen, kunnen de verlosten zich, te midden van hetgeen tot oneer van God is, op hun gemak voelen.

Wat jou betreft, onbekeerde vriend, als jij het zelf ook al ervaren hebt dat de wereld je geen vrede kan geven, laat je dan toch zeggen waar je die plaats wel kunt vinden, waar je vermoeide ziel tot rust kan komen. Waar dat is? Bij de Heere Jezus! "Komt tot Mij" — zo nodigt Hij je uit —"en Ik zal u rust geven" (Mattheüs 11 vers 28).

Micha 3:1-12
1Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! Betaamt het ulieden niet het recht te weten?2Zij haten het goede, en hebben het kwade lief; zij roven hun huid van hen af, en hun vlees van hun beenderen.3Ja, zij zijn het, die het vlees mijns volks eten, en hun huid afstropen, en hun beenderen verbreken; en vaneen leggen, gelijk als in een pot, en als vlees in het midden eens ketels.4Alsdan zullen zij roepen tot den HEERE, doch Hij zal hen niet verhoren; maar zal Zijn aangezicht te dier tijd voor hen verbergen, gelijk als zij hun handelingen kwaad gemaakt hebben.5Alzo zegt de HEERE, tegen de profeten, die Mijn volk verleiden; die met hun tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niets geeft in hun mond, tegen dien zo heiligen zij een krijg.6Daarom zal het nacht voor ulieden worden vanwege het gezicht, en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze profeten ondergaan; en de dag zal over hen zwart worden.7En de zieners zullen beschaamd, en de waarzeggers schaamrood worden; en zij zullen al te zamen de bovenste lip bewimpelen; want er zal geen antwoord Gods zijn.8Maar waarlijk, ik ben vol krachts van den Geest des HEEREN; en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijn overtreding, en Israel zijn zonde.9Hoort nu dit, gij hoofden van het huis Jakobs, en gij oversten van het huis Israels! die van het gericht een gruwel hebt, en al wat recht is verkeert;10Bouwende Sion met bloed, en Jeruzalem met onrecht.11Haar hoofden rechten om geschenken, en haar priesters leren om loon, en haar profeten waarzeggen om geld; nog steunen zij op den HEERE, zeggende: Is de HEERE niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen.12Daarom, om uwentwil, zal Sion als een akker geploegd worden, en Jeruzalem zal tot steenhopen worden, en de berg dezes huizes tot hoogten eens wouds.

In hoofdstuk 2 werden al eerder de valse profeten genoemd. Waar kon men hen aan herkennen? Zij probeerden de ware dienstknechten van God, zoals Micha en Jesaja, tot zwijgen te brengen. Zij pasten hun uitspraken aan, aan het verlangen van het volk, om zodoende bij hen in de gunst te komen (vergelijk Romeinen 16 vers 18). Zij vleiden de lusten, de verlangens van hun toehoorders (hoofdstuk 2 vers 11) en lieten de zielen met een valse zekerheid inslapen. Om hun maat vol te maken, probeerden ze zich niet alleen geliefd te maken bij het volk, maar wilden ze zich ook nog ten koste van anderen verrijken (vers 11). Hun begeerte was onverzadigbaar en ze verkochten hun leugens voor een hoge prijs (vers 5; Jesaja 56 vers 11; Jeremia 6 vers 13). En het was voor hen helemaal niet zo moeilijk dit slechte spel te spelen, omdat de wereld in het algemeen, om haar eigen kwaad te verbergen, niet anders wil en doet dan "leraars vergaderen, naar hun eigen begeerlijkheden" (2 Timotheüs 4 vers 3). Dat zien we ook in de treurige geschiedenis van Achab, die gisteren al aangehaald werd: vierhonderd profeten bedrogen hem, vertelden hem wat hij wilde horen... terwijl hij iemand anders, Micha, die hem de waarheid zei, in de gevangenis liet gooien (1 Koningen 22; 2 Kronieken 18).

De dienstknecht van God is "vol kracht van de Geest van de Heere" (een toestand die ons allen zou moeten kenmerken: vers 8; Efeze 5 vers 18). Hij waarschuwt de verantwoordelijke personen van het volk: de hoofden en oversten. In Jeremia 26 vers 17 - 19, waar Micha 3 vers 12 aangehaald wordt, zien we welke heilzame uitwerking deze profetie had.

Micha 4:1-13
1Maar in het laatste der dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen, en de volken zullen tot hem toevloeien.2En vele heidenen zullen henengaan, en zeggen: Komt en laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, en ten huize van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en wij in Zijn paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.3En Hij zal onder grote volken richten, en machtige heidenen straffen, tot verre toe; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen; het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leren.4Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok, en onder zijn vijgeboom, en er zal niemand zijn, die ze verschrikke; want de mond des HEEREN der heirscharen heeft het gesproken.5Want alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns gods; maar wij zullen wandelen in den Naam des HEEREN, onzes Gods, eeuwiglijk en altoos.6Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik haar, die hinkende was, verzamelen, en haar, die verdreven was, vergaderen, en die Ik geplaagd had.7En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre henen verstoten was, tot een machtig volk; en de HEERE zal Koning over hen zijn op den berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid.8En gij Schaapstoren, gij Ofel der dochter Sions! tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk der dochteren van Jeruzalem.9Nu, waarom zoudt gij zo groot geschrei maken? Is er geen Koning onder u? Is uw Raadgever vergaan, dat u smart, als van een barende vrouw, heeft aangegrepen?10Lijd smart en arbeid om voort te brengen, o dochter Sions! als een barende vrouw; want nu zult gij wel uit de stad henen uitgaan, en op het veld wonen, en tot in Babel komen, maar aldaar zult gij gered worden; aldaar zal u de HEERE verlossen uit de hand uwer vijanden.11Nu zijn wel vele heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen: Laat ze ontheiligd worden, en laat ons oog schouwen aan Sion.12Maar zij weten de gedachten des HEEREN niet, en verstaan Zijn raadslag niet; dat Hij hen vergaderd heeft als garven tot den dorsvloer.13Maak u op en dors, o dochter Sions! Want Ik zal uw hoorn ijzer maken, en uw klauwen koper maken, en gij zult vele volken verpletteren; en Ik zal hunlieder gewin den HEERE verbannen, en hun vermogen den Heere der ganse aarde. [ (Micah 4:14) Nu, rot u met benden, gij dochter der bende, hij zal een belegering tegen ons stellen; zij zullen den rechter Israels met de roede op het kinnebakken slaan. ]

Wanneer aangetoond is dat de mens vanuit zichzelf tot niets meer in staat is, is het moment voor God aangebroken om Zich te openbaren. Nadat vastgesteld is dat "dit land de rust niet zal zijn" (hoofdstuk 2 vers 10), kan God tot ons spreken over Zijn rust. Er worden tegenwoordig talloze pogingen ondernomen om vrede te bewerkstelligen. Het resultaat is, in het beste geval, een goedbedoelde, maar toch dwaze verbeelding zelf nog iets te kunnen presteren — in het ergste geval een verwerpelijk vertrouwen op mensen —en altijd een gevolg van onbekendheid met het Woord van God. Daarom zijn al deze pogingen, alle moeiten, uiteindelijk ook gedoemd te mislukken. De wereld zal pas de vrede kunnen genieten wanneer God die geeft. En wanneer zal Hij dat doen? Niet voordat Zijn rechten erkend worden! Maar dan... o, wat zal dat een verandering zijn! Alle afgoden zullen opgeruimd zijn. De bewondering voor de werken van de mens zal dan plaatsgemaakt hebben voor de eer die God toekomt. Alle volken zullen samen Hem eren en bij Hem wijsheid en kennis zoeken.

Christenen, wij hebben nu al het grote voorrecht dat te mogen doen! "Laat ons opgaan" naar de plaats waar de Heere beloofd heeft aanwezig te zullen zijn. Hij zal ons onderwijzen aangaande "Zijn wegen", wordt er dan aan toegevoegd. Wat is het voor ons een groot verlies wanneer wij de samenkomsten waar het Woord van God uitgelegd en overdacht wordt, niet bezoeken. Laten we echter niet vergeten wat het gevolg van het luisteren naar het Woord van God zou moeten zijn: "opdat... wij in Zijn paden wandelen" (vers 2; Jakobus 1 vers 22).

Micha 5:1-15
1En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israel, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.2Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot den tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israels.3En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde.4En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen.5Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen. Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden.6En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt.7Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde.8Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden.9En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen.10En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken.11En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen guichelaars hebben.12En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen.13Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden verdelgen.14En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.15

In het vierde hoofdstuk heeft God gesproken over het herstel van Israël en de oorlogshandelingen die daarmee verbonden zijn. Hier noemt Hij Degene Die zowel de Heerser, alsook het Werktuig tot de bevrijding zal zijn. In Christus zal God al Zijn raadsbesluiten vervullen. Hij, "Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid" (vers 1), zou in Bethlehem, dat kleine plaatsje in Judea, geboren worden (zie Mattheus 2 vers 3 - 6). En Hij, de Rechter van Israël, zou door Zijn eigen verblind en misdadig volk geslagen worden (hoofdstuk 4 vers 14; Jesaja 50 vers 6). We kunnen ons dan ook best voorstellen met welke gevoelens God Zijn toekomstige heerlijkheid kan aankondigen en uitleggen: "nu zal Hij groot zijn... en Deze zal Vrede zijn" (vers 3 en 4). Wat zijn deze woorden, ook voor het hart van elke verloste, toch ontzettend kostbaar!

Dit hoofdstuk spreekt zowel over de Heere Jezus als over Israël. De bevrijding en de zegening van het gelovig overblijfsel van dit volk zijn verbonden met de majesteit van de Naam van de HEERE. Verder wordt hier ook gesproken over de Assur, de vijand van het einde. Die zal tot zijn eigen verderf de Herder Jakobs ontmoeten, Wiens opgave het zal zijn, niet alleen de kudde te weiden (vers 3), maar haar ook te verdedigen. Uiteindelijk zal het kwaad in al zijn vormen uit het land uitgeroeid worden (vers 9 - 14). De reiniging die koning Josia doorvoerde, is hier een beeld van (2 Kronieken 34 vers 3 - 7).

Micha 6:1-16
1Hoort nu, wat de HEERE zegt: Maak u op, twist met de bergen, en laat de heuvelen uw stem horen.2Hoort, gij bergen! den twist des HEEREN, mitsgaders gij sterke fondamenten der aarde! want de HEERE heeft een twist met Zijn volk, en Hij zal Zich met Israel in recht begeven.3O Mijn volk! wat heb Ik u gedaan, en waarmede heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij.4Immers heb Ik u uit Egypteland opgevoerd, en u uit het diensthuis verlost; en Ik heb voor uw aangezicht henen gezonden Mozes, Aaron en Mirjam.5Mijn volk! gedenk toch wat Balak, de koning van Moab, beraadslaagde, en wat hem Bileam, de zoon van Beor, antwoordde; en wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des HEEREN kent.6Waarmede zal ik den HEERE tegenkomen, en mij bukken voor den hogen God? Zal ik Hem tegenkomen met brandofferen, met eenjarige kalveren?7Zou de HEERE een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tien duizenden van oliebeken? Zal ik mijn eerstgeborene geven voor mijn overtreding, de vrucht mijns buiks voor de zonde mijner ziel?8Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?9De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!10Zijn er niet nog, in eens ieders goddelozen huis, schatten der goddeloosheid en een schaarse efa, dat te verfoeien is?11Zou ik rein zijn, met een goddeloze weegschaal en met een zak van bedriegelijke weegstenen?12Dewijl haar rijke lieden vol zijn van geweld, en haar inwoners leugen spreken, en haar tong bedriegelijk is in haar mond;13Zo zal Ik u ook krenken, u slaande, en verwoestende om uw zonden.14Gij zult eten, maar niet verzadigd worden, en uw nederdrukking zal in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen, maar niet wegbrengen, en wat gij zult wegbrengen, zal Ik aan het zwaard overgeven.15Gij zult zaaien, maar niet maaien; gij zult olijven treden, maar u met olie niet zalven, en most, maar geen wijn drinken.16Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het ganse werk van het huis van Achab; en gij wandelt in derzelver raadslagen; opdat Ik u stelle tot verwoesting, en haar inwoners tot aanfluiting; alzo zult gij de smaadheid Mijns volks dragen.

Opnieuw klinkt weer die oproep: "Hoort nu" (vers 1). We kunnen zeggen dat daarmee het derde deel van dit Bijbelboek geopend wordt (de andere beide keren vinden we in hoofdstuk 1 vers 2 en 3 vers 1). Laten ook wij altijd goed luisteren naar dat wat de almachtige God, aan Wie iedereen gehoorzaamheid verschuldigd is, zegt en verwacht. Stelt Hij Zich tevreden met godsdienstige vormen? Absoluut niet! "Wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God?" (vers 8). Deze opdracht is niet veranderd sinds de dagen van Mozes (Deuteronomium 10 vers 12). Het is eenvoudig en heeft niets opzienbarends! En toch is het niets minder dan te wandelen op een God waardige wijze. Hij is Licht: laten we daarom recht doen. Hij is Liefde: laten we daarom weldadigheid liefhebben.

"Waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij", vraagt de HEERE in vers 3 (vergelijk Jesaja 43 vers 22). Deze aangrijpende vraag gaat je toch aan het hart!? Sinds Egypte zijn alle wegen van God met de Zijnen slechts in genade geweest. Heeft Hij het van Zijn kant, hen en ons, aan iets laten ontbreken? Nee, we moeten toegeven: de reden van onze zwakheid ligt altijd bij onszelf en hoeven we nooit in Hem te zoeken.

"Hoort de roede", vermaant de HEERE ten slotte in vers 9. Ja, de roede spreekt — ook tot ons geweten! Laten we toch naar haar stem luisteren! De Heere heeft alleen het beste met ons voor (Openbaring 3 vers 19).

Micha 7:1-20
1Ai mij! want ik ben, als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld; als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn; er is geen druif om te eten; mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.2De goedertierene is vergaan uit het land, en er is niemand oprecht onder de mensen; zij loeren altemaal op bloed, zij jagen, een iegelijk zijn broeder, met een jachtgaren.3Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht ineen.4De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg; de dag uwer wachters, uw bezoeking, is gekomen; nu zal hunlieder verwarring wezen.5Gelooft een vriend niet, vertrouwt niet op een voornaamsten vriend; bewaar de deuren uws monds voor haar, die in uw schoot ligt.6Want de zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen haar moeder, de schoondochter tegen haar schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijn huisgenoten.7Maar ik zal uitzien naar den HEERE, ik zal wachten op de God mijns heils; mijn God zal mij horen.8Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de HEERE mij een licht zijn.9Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.10En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de HEERE, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.11Ten dage als Hij uw muren zal herbouwen, te dien dage zal het besluit verre heengaan.12Te dien dage zal het ook komen tot u toe, van Assur af, zelfs tot de vaste steden toe; en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte.13Maar dit land zal worden tot een verwoesting, zijner inwoners halve, vanwege de vrucht hunner handelingen.14Gij dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde Uwer erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds.15Ik zal haar wonderen doen zien, als in de dagen, toen gij uit Egypteland uittoogt.16De heidenen zullen het zien, en beschaamd zijn, vanwege al hun macht; zij zullen de hand op den mond leggen; hun oren zullen doof worden.17Zij zullen het stof lekken, als de slang; als kruipende dieren der aarde, zullen zij zich beroeren uit hun sloten; zij zullen met vervaardheid komen tot den HEERE, onzen God, en zullen voor U vrezen.18Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft, en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid; want Hij heeft lust aan goedertierenheid.19Hij zal Zich onzer weder ontfermen; Hij zal onze ongerechtigheden dempen; ja, Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen.20Gij zult Jakob de trouw, Abraham de goedertierenheid geven, die Gij onzen vaderen van oude dagen af gezworen hebt.

"Ai mij!" of "Wee mij!", roept de profeet uit, omdat hij zich bewust wordt van zijn eigen ellende, evenals dat van het volk. Algemeen gezien, vinden we hier de bittere ervaring die de mens bij zichzelf ondervindt. Hij ontdekt dat hij zichzelf niet kan helpen, en dat er geen vrucht in hem te vinden is (vers 1), maar ook dat hij niet op de machthebbers en andere groten van deze aarde kan steunen ("de beste van hen is als een doorn": vers 4; Psalm 118 vers 9). En het laatste wat hij ontdekt, is dat ook zijn naaste hem zal teleurstellen, als hij op hem gaat bouwen. Een pijnlijke, maar noodzakelijke ervaring!

Heb jij die al opgedaan? Ben jij ervan overtuigd dat alleen Christus al je vertrouwen waard is? "Er is niemand oprecht onder de mensen" (vers 2). Dat wat je noch in jezelf, noch in anderen zult en kunt vinden, vind je in Hem (vers 7).

De Heere Jezus haalt vers 6 aan, om de gevolgen van Zijn komst te beschrijven (Mattheüs 10 vers 34 - 36). Hij stelt iedereen op de proef en zegt dat wie niet voor Hem is, tegen Hem is (Lukas 11 vers 23). Aan welke kant sta jij?

Dit Boek eindigt met de zekerheid en de beloften van genade. "Gij zult al hun zonden in de diepten der zee werpen" (vers 19). Wat een geluk, te weten dat al onze zonden voor altijd weggedaan, begraven zijn!

Als we dát bedenken, dan kunnen we niet anders en moeten we het uitroepen: Heere, "Wie is een God gelijk Gij!" (vers 18).

Waar is een God aan U gelijk, vol liefde, vol genade, Die ons, gezonken in het slijk, met gunsten overlaadde? De zondemacht week voor Uw kracht. U gaf Uw Eengeboor'ne tot redding van verloor'nen.

Nahum 1:1-15
1De last van Nineve. Het boek des gezichts van Nahum, den Elkosiet.2Een ijverig God en een wreker is de HEERE, een wreker is de HEERE, en zeer grimmig; een wreker is de HEERE aan Zijn wederpartijders, en Hij behoudt den toorn Zijn vijanden.3De HEERE is lankmoedig, doch van grote kracht, en Hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des HEEREN weg is in wervelwind, en in storm, en de wolken zijn het stof Zijner voeten.4Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon.5De bergen beven voor Hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor Zijn aangezicht, en de wereld, en allen, die daarin wonen.6Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.7De HEERE is goed, Hij is ter sterkte in den dag der benauwdheid, en Hij kent hen, die op Hem betrouwen.8En met een doorgaanden vloed zal Hij haar plaats te niet maken; en duisternis zal Zijn vijanden vervolgen.9Wat denkt gijlieden tegen den HEERE? Hij zal zelf een voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal op rijzen.10Dewijl zij in elkander gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn, gelijk zij plegen dronken te zijn, zo worden zij volkomen verteerd, als een dorre stoppel.11Van u is een uitgegaan, die kwaad denkt tegen den HEERE, een Belialsraadsman.12Alzo zegt de HEERE: Zijn zij voorspoedig, en alzo velen, alzo zullen zij ook geschoren worden, en hij zal doorgaan; Ik heb u wel gedrukt, maar Ik zal u niet meer drukken.13Maar nu zal Ik zijn juk van u breken, en zal uw banden verscheuren.14Doch tegen u heeft de HEERE bevolen, dat er van uw naam niemand meer gezaaid zal worden; uit het huis uws gods zal Ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; Ik zal u daar een graf maken, als gij zult veracht zijn geworden.15Ziet op de bergen de voeten desgenen, die het goede boodschapt, die vrede doet horen; vier uw vierdagen, o Juda! betaal uw geloften; want de Belials- man zal voortaan niet meer door u doorgaan, hij is gans uitgeroeid.

Waarschijnlijk komt Nahum, net als Jona, uit Galilea, want daar liggen namelijk de plaatsen Elkos en Gath-Hefer (2 Koningen 14 vers 25). Dat laat zien hoe slecht de Joden hun eigen Schriften kenden, toen zij zeiden dat er geen profeet uit Galilea was opgestaan (Johannes 7 vers 52).

Nahum heeft nog iets anders gemeenschappelijk met Jona: hun profetieën hebben betrekking op Ninevé, "de grote stad" (Jona 1 vers 2), die eens gespaard bleef vanwege het berouw, maar nu teruggekeerd was naar al haar vroegere slechtheid. Het werk van God in de harten van de ouders had geen weerklank gevonden in de harten van de kinderen. En nu, na meer dan een eeuw van geduld (in plaats van de veertig dagen, die Jona noemde) bevestigt deze God, Die langzaam is tot toorn (vers 3; Jona 4 vers 2), Zijn onherroepbaar oordeel. Wat zien we hier een grote tegenstelling tussen de manier waarop de HEERE Zich aan de vijanden kenbaar maakt (vers 2 en verder) en de manier waarop Hij, dezelfde God, Zich openbaart aan hen die op Hem vertrouwen (vers 7). Van de laatstgenoemden kent Hij ieder persoonlijk.

In Romeinen 10 vers 15 wordt vers 15 aangehaald (zie ook Jesaja 52 vers 7) en heeft daar betrekking op de blijde boodschap, in de ware zin van het woord, het evangelie van genade. Hoe is het met ons, die vandaag de dag zo gemakkelijk overal naartoe kunnen reizen; ligt het ons ook op het hart om de Waarheid te verspreiden, om heil en vrede te verkondigen? Denk eens aan de Heere Jezus, Die een lange, moeizame voetreis ondernam, om daar bij de bron van Sichar die Samaritaanse vrouw te kunnen ontmoeten (Johannes 4).

Nahum 2:1-13
1De verstrooier trekt tegen uw aangezicht op, bewaar de vesting; bezichtig den weg; sterk de lenden, versterk de kracht zeer.2Want de HEERE heeft de hovaardij Jakobs afgewend, gelijk de hovaardij Israels; want de ledigmakers hebben ze ledig gemaakt, en zij hebben hun wijnranken verdorven.3De schilden zijner helden zijn rood gemaakt, de kloeke mannen zijn scharlakenvervig; de wagens zijn in het vuur der fakkelen, ten dage als hij zich bereidt; en de spiesen worden geschud.4De wagens razen door de wijken, zij lopen ginds en weder op de straten; hun gedaanten zijn als der fakkelen, zij lopen door elkander henen als de bliksemen.5Hij zal aan zijn voortreffelijken gedenken, doch zij zullen struikelen in hun tochten; zij zullen haasten naar hun muur, als het beschutsel vaardig zal wezen.6De poorten der rivieren zullen geopend worden, en het paleis zal versmelten.7En Huzab zal gevankelijk weggevoerd worden, men zal haar heten voortgaan; en haar maagden zullen haar geleiden, als met een stem der duiven, trommelende op haar harten.8Nineve is wel als een watervijver, van de dagen af dat zij geweest is, doch zij zullen vluchten. Staat, staat! zal men roepen, maar niemand zal omzien.9Rooft zilver, rooft goud, want er is geen einde des voorraads, der heerlijkheid van allerlei gewenste vaten.10Zij is geledigd, ja, uitgeledigd, uitgeput, en haar hart versmelt, en de knieen schudden, en in al de lenden is smart, en hun aller aangezichten betrekken, als een pot.11Waar is nu de woning der leeuwen, en die weide der jonge leeuwen? Alwaar de leeuw, de oude leeuw, en het leeuwenwelp wandelde, en er was niemand, die hen verschrikte.12De leeuw, die genoeg roofde voor zijn welpen, en worgde voor zijn oude leeuwinnen, die zijn holen vervulde met roof, en zijn woningen met het geroofde.13Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal haar wagenen in rook verbranden, en het zwaard zal uw jonge leeuwen verteren, en Ik zal uw roof uitroeien van de aarde, en de stem uwer gezanten zal niet meer gehoord worden.

Waarschijnlijk is Ninevé, de hoofdstad van het Assyrische rijk, kort na de zondvloed gesticht door de opstandige Nimrod (zijn naam betekent ook 'opstandeling'; Genesis 10 vers 8 - 12). Gedreven door dezelfde geest als die "geweldig jager voor het aangezicht des Heeren", heeft deze stad er plezier in om de volken te vervolgen, zoals een roofdier z'n buit najaagt (vers 11 - 13). Het Boek van God, waarin haar hoogmoedig begin genoteerd staat ("van de dagen af"; vers 8), laat ons nu haar plotselinge einde meemaken. Uit spot wordt Ninevé opgeroepen zich tegen de "eerstrooier" te verdedigen (vers 1). Maar "zo de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter" (Psalm 127 vers 1).

De geschiedenis vertelt dat de rivier Tigris, waarvan het water tot dan toe om de stad heen stroomde en haar beschermde, tijdens de belegering plotseling enorm aanzwol (vers 6 en 8) en een deel van de beschermwal meesleurde. Door de bres die ontstond, drongen de soldaten de stad binnen, om in de straten en huizen hun onbarmhartige moord- en plunderwerk uit te voeren (vers 3, 4 en 8 - 10).

"De stem van uw gezanten zal niet meer gehoord worden", zo besluit vers 13. Daarbij gaan onze gedachten naar Rabsaké, de schaamteloze woordvoerder van de koning van Assyrië, die bij Hizkia kwam (2 Koningen 18 vers 19 en verder). Zijn dreigementen gingen echter nooit in vervulling. Zo zal ook de wereld, met al haar glans, aanmatiging, verachting en lastering, eens voor altijd vergaan.

Nahum 3:1-19
1Wee der bloedstad, die gans vol leugen, en verscheuring is! de roof houdt niet op.2Er is het geklap der zweep, en het geluid van het bulderen der raderen; en de paarden stampen, en de wagens springen op.3De ruiter steekt omhoog, zo het vlammende zwaard, als de bliksemende spies, en er zal veelheid der verslagenen zijn, en een zware menigte der dode lichamen; ja, er zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hun lichamen struikelen;4Om der grote hoererijen wil der zeer bevallige hoer, der meesteres der toverijen, die met haar hoererijen volken verkocht heeft, en geslachten met haar toverijen.5Ziet, Ik wil aan u, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal uw zomen ontdekken boven uw aangezicht, en Ik zal den heidenen uw naaktheid, en den koninkrijken uw schande wijzen.6En Ik zal verfoeilijke dingen op u werpen, en u tot schande maken, en Ik zal u als een spiegel stellen.7En het zal geschieden, dat allen, die u zien, van u wegvlieden zullen en zeggen: Nineve is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken?8Zijt gij beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is, haar muur is van zee.9Morenland en Egypte waren haar macht, en er was geen einde; Put en Lybea waren tot uw hulp.10Nog is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis; ook zijn haar kinderen op het hoofd van alle straten verpletterd geworden; en over haar geeerden hebben zij het lot geworpen, en al haar groten zijn in boeien gebonden geworden.11Ook zult gij dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij een sterkte zoeken vanwege den vijand.12Al uw vastigheden zijn vijgebomen met de eerste vruchten; indien zij geschud worden, zo vallen zij dien op den mond, die ze eten wil.13Ziet, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden; de poorten uws lands zullen uw vijanden wijd geopend worden; het vuur zal uw grendelen verteren.14Schep u water ter belegering; versterk uw vastigheden; ga in de klei, en treed in het leem; verbeter den ticheloven.15Het vuur zal u aldaar verteren; het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten, als de kevers, vermeerder u als sprinkhanen.16Gij hebt meer handelaars, dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers zullen invallen, en er van vliegen.17Uw gekroonden zijn als de sprinkhanen, en uw krijgsoversten als de grote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude der dagen; wanneer de zon opgaat, zo vliegen zij weg, alzo dat hun plaats onbekend is, waar zij geweest zijn.18Uw herders zullen sluimeren, o koning van Assur! uw voortreffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen.19Er is geen samentrekking voor uw breuk, uw plage is smartelijk; allen, die het gerucht van u horen, zullen de handen over u klappen; want over wien is uw boosheid niet geduriglijk gegaan?

Terwijl de geschiedenisboeken van de mensen met voorliefde spreken over de grootheid van Assyrië en daarentegen vrijwel zwijgen over diens val, wijdt het Woord van God een heel Bijbelboek aan deze noodlottige dag. We willen er nog eens op wijzen dat de Bijbel geen geschiedenisboek is. De gebeurtenissen die erin beschreven staan, worden ons alleen maar meegedeeld vanwege hun betrekking tot Israël en vanuit moreel oogpunt. Historici gaan ervanuit dat het verzwakte Ninevé gevallen is door een aanval van een aantal bondgenoten. God weet dat het ongeluk Ninevé getroffen heeft omdat het een bloedstad vol leugen, geweld en roof was (vers 1). Het moest oogsten wat het gezaaid had. Een halve eeuw eerder had het immers No (of: No-Ammon) hetzelfde lot laten ondergaan (vers 8 - 10). "Wie zal er medelijden mee hebben?" (vers 7).

Zo is het ook met het egoïsme in de wereld. Zij die daar niet zelf het slachtoffer van worden, maken zich in ieder geval niet druk over het ongeluk dat een ander treft. "Vanwaar zal ik u troosters zoeken?", voegt Nahum eraan toe. En juist zijn naam betekent 'trooster'! De getrouwe echter, díe wordt door deze profetie getroost, omdat hij ervaart dat God, ondanks dat het misschien anders lijkt, toch Zijn hand houdt over alle gebeurtenissen in de wereld. Hij zal alle dingen tot Zijn eer en ten goede laten meewerken, voor hen die Hem liefhebben (Romeinen 8 vers 28).

Habakuk 1:1-17
1De last, welken Habakuk, de profeet, gezien heeft.2HEERE! hoe lang schreeuw ik, en Gij hoort niet, hoe lang roep ik geweld, tot U, en Gij verlost niet!3Waarom laat Gij mij ongerechtigheid zien, en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegen mij over, en er is twist, en men neemt gekijf op.4Daarom wordt de wet onderlaten, en het recht komt nimmermeer voort; want de goddeloze omringt den rechtvaardige; daarom komt het recht verdraaid voor.5Ziet onder de heidenen, en aanschouwt, en verwondert u, verwondert u, want Ik werk een werk in ulieder dagen, hetwelk gij niet geloven zult, als het verteld zal worden.6Want ziet, Ik verwek de Chaldeen, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten der aarde, om erfelijk te bezitten woningen, die de zijne niet zijn.7Schrikkelijk en vreselijk is hetzelve; zijn recht en zijn hoogheid gaat van hemzelven uit.8Want zijn paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avondwolven, en zijn ruiters verspreiden zich; ja, zijn ruiters zullen van verre komen, zij zullen vliegen als een arend, zich spoedende om te eten.9Het zal geheellijk tot geweld komen, wat zij inslorpen zullen met hun aangezichten, zullen zij brengen naar het oosten; en het zal de gevangenen verzamelen als zand.10En hij zal de koningen beschimpen, en de prinsen zullen hem een belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.11Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.12Zijt Gij niet van ouds af de HEERE, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven; o HEERE! tot een oordeel hebt Gij hem gesteld, en o Rots! om te straffen, hebt Gij hem gegrondvest.13Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?14En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?15Hij trekt ze allen met den angel op, hij vergadert ze in zijn garen, en hij verzamelt ze in zijn net; daarom verblijdt en verheugt hij zich.16Daarom offert hij aan zijn garen, en rookt aan zijn net; want door dezelve is zijn deel vet geworden, en zijn spijze smoutig.17Zal hij dan daarom altoos zijn garen ledig maken, en zal hij niet verschonen, met altoos de volken te doden?

Dit Bijbelboek, dat ons herinnert aan het Boek Jeremia, laat ons als het ware een gesprek tussen de profeet en zijn God beluisteren.

Met het oog op het steeds toenemend kwaad, stort Habakuk de nood van zijn hart uit voor de HEERE. Jeruzalem stond op het punt te bezwijken onder de aanvallen van het leger van de Chaldeeën. De profeet ziet in een vreselijk gezicht de wrede en bloeddorstige soldaten, werktuigen in de hand van de HEERE om de opstandige volken te straffen. Wat zullen alle ongelovigen en zorgeloze zondaren dan ontdaan zijn (vers 5, dat in Handelingen 13 vers 41 aangehaald wordt)!

Maar ook de man Gods zelf raakt erdoor in verwarring! Hoe kan God zo'n ontplooiing van ongerechtigheid op zijn beloop laten (Psalm 83; Openbaring 10 vers 7 noemt deze vraag "de verborgenheid van God")? Hoe kan God dit alles aanzien? "Mijn God, mijn Heilige", roept de profeet uit als hij zich bewust is van zijn betrekking tot Hem, Wiens ogen te rein zijn om het kwaad te zien (vers 12 en 13).

Ja, het is een voortdurende belediging voor Hem, te zien hoe de verdorvenheid en het geweld op deze aarde hand over hand toenemen! De blik van God kon, vanwege Zijn absolute reinheid, slechts op één enkel Mens met welgevallen neerzien. Maar om dezelfde reden moest God Zijn ogen ook van Hem afwenden, toen Hij voor ons tot zonde gemaakt werd.

Habakuk 2:1-20
1Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.2Toen antwoordde mij de HEERE, en zeide: Schrijf het gezicht, en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze die voorbijloopt.3Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.4Ziet, zijn ziel verheft zich, zij is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.5En ook dewijl hij trouwelooslijk handelt bij den wijn, een trots man is, en in zijn woning niet blijft; die zijn ziel wijd opendoet als het graf, en gelijk de dood is, die niet zat wordt, en tot zich verzamelt al de heidenen, en vergadert tot zich alle volken.6Zouden dan niet al dezelve van hem een spreekwoord opnemen, en een uitlegging der raadselen van hem? En men zal zeggen: Wee dien, die vermeerdert hetgeen het zijne niet is (hoe lange!), en dien, die op zich laadt dik slijk.7Zullen niet onvoorziens opstaan, die u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen bewegen, en zult gij hun niet tot plundering worden?8Omdat gij vele heidenen beroofd hebt, zo zullen alle overgebleven volken u beroven; om het bloed der mensen, en het geweld aan het land, de stad, en alle inwoners derzelve.9Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads.10Gij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis; uitroeiende vele volken, zo hebt gij gezondigd tegen uw ziel.11Want de steen uit den muur roept, en de balk uit het hout antwoordt dien.12Wee dien, die de stad met bloed bouwt, en die de stad met onrecht bevestigt!13Ziet, is het niet van den HEERE der heirscharen, dat de volken arbeiden ten vure, en de lieden zich vermoeien tevergeefs?14Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.15Wee dien, die zijn naaste te drinken geeft, gij, die uw wijnfles daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat gij hun naaktheden aanschouwt.16Gij zult ook verzadigd worden met schande, voor eer; drinkt gij ook, en ontbloot de voorhuid; de beker der rechterhand des HEEREN zal zich tot u wenden, en er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn.17Want het geweld, dat tegen Libanon begaan is, zal u bedekken, en de verwoesting der beesten zal ze verschrikken, om des bloeds wil der mensen, en des gewelds in het land, de stad en aan alle inwoners derzelve.18Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of het gegoten beeld, hetwelk een leugenleraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, als hij stomme afgoden gemaakt heeft?19Wee dien, die tot het hout zegt: Word wakker! en: Ontwaak! tot den zwijgenden steen. Zou het leren? Ziet, het is met goud en zilver overtrokken, en er is gans geen geest in het midden van hetzelve.20Maar de HEERE is in Zijn heiligen tempel. Zwijg voor Zijn aangezicht, gij ganse aarde!

Wanneer wij, op wat voor manier dan ook, beproefd worden, dan is het goed precies zo te handelen als Habakuk. Hij zegt: "Ik stond op mijn wacht"; met andere woorden: hij beklom de (wacht-)toren (vergelijk Spreuken 18 vers 10). Dat was (en is!) de plaats waar bescherming te vinden is, de plaats waar we afgezonderd zijn van al het tumult om ons heen en waar we alles van bovenaf, vanuit Gods standpunt, kunnen bezien (Jesaja 55 vers 8 en 9). Daar ontvangt de dienstknecht van God ook antwoord op zijn angstige vraag: "de rechtvaardige", wordt tegen hem gezegd, "zal door zijn geloof leven" (vers 4). Daar lag de oplossing voor de moeilijke situatie waarin hij zich bevond. Rondom hem is er niets veranderd: de vijanden zijn nog altijd aanwezig en alle vormen van ongerechtigheid ontwikkelen zich nog steeds verder. Maar het geloof van de rechtvaardige kan en mag steunen op de zekerheid van het Woord van zijn God. Dan komt er een einde aan al het bange vragen. Hij gelooft, hij weet, dat deze aarde, die vandaag vervuld is met de ijdelheid van de mensen, binnenkort vervuld zal zijn met "de heerlijkheid des HEEREN" (vers 14; Jesaja 11 vers 9). Dan ontvangt hij duidelijkheid over het lot van goddelozen, hoewel hun oordeel nog op zich laat wachten (vers 6 - 20).

Laten we vooral ook letten op de grote tegenstelling tussen de daden van de ongelovigen en de gerechtigheid en het leven van het geloof. Dit geloof is nodig voor de redding, maar eveneens voor de wandel door deze wereld. Vers 4 wordt in het Nieuwe Testament drie maal aangehaald (Romeinen 1 vers 17; Galaten 3 vers 11; Hebreeën 10 vers 38). Daar zien we dat er grote nadruk op gelegd wordt, dat het geloof het enige middel is om gerechtigheid en het eeuwige leven te verwerven.

Habakuk 3:1-19
1Een gebed van Habakuk, den profeet, op Sjigjonoth.2HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens.3God kwam van Theman, en de Heilige van den berg Paran. Sela. Zijn heerlijkheid bedekte de hemelen, en het aardrijk was vol van Zijn lof.4En er was een glans als des lichts, Hij had hoornen aan Zijn hand, en aldaar was Zijn sterkte verborgen.5Voor Zijn aangezicht ging de pestilentie, en de vurige kool ging voor Zijn voeten henen.6Hij stond, en mat het land, Hij zag toe, en maakte de heidenen los, en de gedurige bergen zijn verstrooid geworden; de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen; de gangen der eeuw zijn Zijne.7Ik zag de tenten van Kusan onder de ijdelheid; de gordijnen des lands van Midian schudden.8Was de HEERE ontstoken tegen de rivieren? Was Uw toorn tegen de rivieren, was Uw verbolgenheid tegen de zee, toen Gij op Uw paarden reedt? Uw wagens waren heil.9De naakte grond werd ontbloot door Uw boog, om de eden, aan de stammen gedaan door het woord. Sela. Gij hebt de rivieren der aarde gekloofd.10De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte.11De zon en de maan stonden stil in haar woning; met het licht gingen Uw pijlen daarhenen, met glans Uw bliksemende spies.12Met gramschap tradt Gij door het land, met toorn dorstet Gij de heidenen.13Gij toogt uit tot verlossing Uws volks, tot verlossing met Uw Gezalfde; Gij doorwonddet het hoofd van het huis des goddelozen, ontblotende den grond tot den hals toe. Sela.14Gij doorboordet met zijn staven het hoofd zijner dorplieden; zij hebben gestormd, om mij te verstrooien; die zich verheugden, alsof zij de ellendigen in het verborgen zouden opeten.15Gij betradt met Uw paarden de zee; de geweldige wateren werden een hoop.16Als ik het hoorde, zo werd mijn buik beroerd; voor de stem hebben mijn lippen gebeefd; verrotting kwam in mijn gebeente, en ik werd beroerd in mijn plaats. Zekerlijk, ik zal rusten ten dage der benauwdheid, als hij optrekken zal tegen het volk, dat hij het met benden aanvalle.17Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal;18Zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.19De Heere HEERE is mijn Sterkte; en Hij zal mijn voeten maken als der hinden, en Hij zal mij doen treden op mijn hoogten. Voor den opperzangmeester op mijn Neginoth.

De Heere heeft de stem van de aarde het zwijgen opgelegd (hoofdstuk 2 vers 20), maar de gelovige mag altijd zijn gebed voor Hem uitspreken. Hij zegt wat hij gezien (vers 3 en verder) en wat hij gehoord heeft (vers 2 en 16). Het gezicht van de Chaldese vijanden is verdwenen. In plaats daarvan ziet de profeet nu de majesteit van de wrekende God. Begeleid door vreselijke tekenen gaat deze God door met het oordelen van de volken en het redden van Zijn volk (vers 12 en 13).

Welke gevoelens komen op bij de profeet, bij het zien van deze indrukwekkende gebeurtenis?

Ten eerste de angst, die hij niet verbergt. Maar hij weet ook dat hij een beroep mag doen op de barmhartigheid van God, zelfs gedurende Zijn rechtvaardige toom (vers 2; Psalm 78 vers 38). God hoort altijd het hulpgeroep van een ziel!

Vervolgens zien we bij de profeet gevoelens van vreugde (vers 18)! Hoewel de materiële zegeningen ontbreken (vers 17), kan de man Gods zich toch verheugen. Hij vindt zijn vreugde namelijk niet in de omstandigheden, maar in de God van zijn heil (vergelijk Filippi 4 vers 4). "De Heere HEERE is mijn Sterkte... Hij zal mij doen treden op mijn hoogten" (vers 19; Psalm 18 vers 33 en 34).

Geve de Heere ook ons de geestelijke kracht om de hoogten te beklimmen, vanwaar het geloof kan heersen over de omstandigheden en over de wereld. Het oordeel over deze aarde is aanstaande, en omdat onze tijd lijkt op die van Habakuk, laten ook wij daarom lijken op deze man van God.

Zefanja 1:1-18
1Het woord des HEEREN, hetwelk geschied is tot Zefanja, den zoon van Cuschi, den zoon van Gedalja, den zoon van Amarja, den zoon van Hizkia; in de dagen van Josia, den zoon van Amon, den koning van Juda.2Ik zal ganselijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de HEERE.3Ik zal wegrapen mensen en beesten; Ik zal wegrapen de vogelen des hemels, en de vissen der zee, en de ergernissen met de goddelozen; ja, Ik zal de mensen uit dit land uitroeien, spreekt de HEERE.4En Ik zal Mijn hand uitstrekken tegen Juda, en tegen alle inwoners van Jeruzalem; en Ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baal, en den naam der Chemarim met de priesters;5En die zich nederbuigen op de daken voor het heir des hemels, en die zich nederbuigende zweren bij den HEERE, en zweren bij Malcham;6En die terugkeren van achter den HEERE; en die den HEERE niet zoeken, en vragen naar Hem niet.7Zwijgt voor het aangezicht des Heeren HEEREN; want de dag des HEEREN is nabij; want de HEERE heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genoden geheiligd.8En het zal geschieden in den dag van het slachtoffer des HEEREN, dat Ik bezoeking zal doen over de vorsten, en over de kinderen des konings, en over allen, die zich kleden met vreemde kleding.9Ook zal Ik ten zelven dage bezoeking doen over al wie over den dorpel springt; die het huis hunner heren vullen met geweld en bedrog.10En er zal te dien dage, spreekt de HEERE, een stem des gekrijts zijn van de Vispoort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en een grote breuk van de heuvelen af.11Huilt, gij inwoners der laagte! Want al het volk van koophandel is uitgehouwen, al de gelddragers zijn uitgeroeid.12En het zal geschieden te dien tijde, Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken; en Ik zal bezoeking doen over de mannen, die stijf geworden zijn op hun droesem, die in hun hart zeggen: De HEERE doet geen goed, en Hij doet geen kwaad.13Daarom zal hun vermogen ten roof worden, en hun huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen, maar zij zullen ze niet bewonen; en zij planten wijngaarden, maar zij zullen derzelver wijn niet drinken.14De grote dag des HEEREN is nabij; hij is nabij, en zeer haastende; de stem van den dag des HEEREN; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen.15Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn; een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting, een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolk en der dikke donkerheid;16Een dag der bazuin en des geklanks tegen de vaste steden en tegen de hoge hoeken.17En Ik zal de mensen bang maken, dat zij zullen gaan als de blinden; want zij hebben tegen den HEERE gezondigd; en hun bloed zal vergoten worden als stof, en hun vlees zal worden als drek.18Noch hun zilver, noch hun goud zal hen kunnen redden ten dage der verbolgenheid des HEEREN; maar door het vuur Zijns ijvers zal dit ganse land verteerd worden; want Hij zal een voleinding maken, gewisselijk, een haastige, met al de inwoners dezes lands.

Zefanja heeft geprofeteerd tijdens de regering van de trouwe Josia. Waarom is het taalgebruik in zijn Boek dan toch zo scherp? Omdat het volk slechts onder dwang het goede voorbeeld van de koning gevolgd was (2 Kronieken 34 vers 33).

Het oordeel geldt voor alle groeperingen: 1) voor de afgodendienaren; 2) voor hen die tegelijkertijd de HEERE en hun koning (Malcham of Moloch) proberen te dienen; 3) voor hen die zich bewust van de HEERE afwenden; 4) voor allen die onverschillig zijn, dat wil zeggen, die Hem niet zoeken, noch naar Hem vragen (vers 4 - 6).

Onder de mensen van vandaag kom je nog steeds dezelfde groepen tegen en allemaal snellen zij hetzelfde oordeel tegemoet, want, ook al zijn deze profetieën in het verleden gedeeltelijk al in vervulling gegaan, toch moeten we niet vergeten dat de vreselijke "grote dag des Heeren" nog moet komen. Al meer dan 2500 jaar wordt er over deze dag gesproken, ten eerste door de profeten, daarna door de Heere Jezus in de evangeliën en ten slotte halen de apostelen die dag ook aan in hun Brieven. Als die dag in de tijd van Zefanja al aanstaande was, hoeveel te meer dan nu (vers 14). "Opdat gij gedachtig zijt aan de woorden, die door de heilige profeten tevoren gesproken zijn, en aan ons gebod, die apostelen van de Heere en Zaligmaker zijn", zegt Petrus tegen ons. Laten we ervoor oppassen dat we "de belofte van Zijn toekomst" nooit vergeten en uit het oog verliezen (2 Petrus 3 vers 2 - 4).

Zefanja 2:1-15
1Doorzoek u zelf nauw, ja, doorzoek nauw, gij volk, dat met geen lust bevangen wordt!2Eer het besluit bare (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de hittigheid van des HEEREN toorn over ulieden nog niet komt; terwijl de dag van den toorn des HEEREN over ulieden nog niet komt.3Zoekt den HEERE, alle gij zachtmoedigen des lands, die Zijn recht werken! Zoekt gerechtigheid, zoekt zachtmoedigheid, misschien zult gij verborgen worden in den dag van den toorn des HEEREN.4Want Gaza zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal men in den middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden.5Wee den inwonenden van de landstreek der zee, den volken der Cheretim! Het woord des HEEREN zal tegen ulieden zijn, gij Kanaan, der Filistijnen land! en Ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.6En de landstreek der zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten der herders, en betuiningen der kudden.7En de landstreek zal wezen voor het overblijfsel van het huis van Juda, dat zij daarin weiden; des avonds zullen zij in de huizen van Askelon legeren, als de HEERE, hunlieder God, hen zal bezocht, en hun gevangenis zal gewend hebben.8Ik heb de beschimping van Moab gehoord, en de scheldwoorden der kinderen Ammons, waarmede zij Mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen deszelfs landpale.9Daarom, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israels: Moab zal zekerlijk zijn als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, een netelheide, en een zoutgroeve, en een verwoesting tot in eeuwigheid! De overigen Mijns volks zullen ze beroven, en het overige Mijns volks zal ze erfelijk bezitten.10Dat zullen zij hebben in plaats van hun hoogmoed; want zij hebben beschimpt, en hebben zich groot gemaakt tegen het volk van den HEERE der heirscharen.11Vreselijk zal de HEERE tegen hen wezen, want Hij zal al de goden der aarde doen uitteren; en een iegelijk uit zijn plaats zal Hem aanbidden, al de eilanden der heidenen.12Ook gij, Moren! zult de verslagenen van Mijn zwaard zijn.13Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal Assur verdoen; en Hij zal Nineve stellen tot een verwoesting, droog als een woestijn.14En in het midden van haar zullen den kudden legeren, al het gedierte der volken; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op haar granaatappelen vernachten; een stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in den dorpel zijn, als Hij haar cederwerk zal ontbloot hebben.15Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

Deze profetieën, die spreken over het toekomstig oordeel dat de goddelozen zal treffen, lijken voor kinderen van God niet zo belangrijk te zijn. Zij verwachten immers niet de definitieve verwoesting, waarvan hier sprake is, maar zien uit naar de wederkomst van de Heere Jezus, Die komt om Zijn Gemeente op te nemen (1 Thessalonicenzen 5 vers 4 en 9). Maar de aankondiging van de rechtvaardige vergelding van het kwaad zou ons juist de ogen moeten openen voor het karakter van de wereld waarin wij leven, zodat wij ons daar nog duidelijker van kunnen afzonderen (2 Petrus 3 vers 10 - 12).

Omdat God al het kwaad van de mensen van nu niet bestraft en Hij nog niet handelt naar dat de mens verdiend heeft, zouden we maar al te gauw kunnen vergeten hoezeer Hij het kwaad verafschuwt. Daarom dragen zulke Schriftplaatsen ertoe bij, dat wij Gods gedachten hierover niet vergeten. In al z'n aanmatiging en dwaze zelfzucht zegt Ninevé: "Ik ben het, en buiten mij is geen meer" (vers 15). Dat is ook de leus van Babel (Jesaja 47 vers 8). Maar laten we er goed op letten dat er diep in onze eigen harten niet eenzelfde gedachte zal opkomen.

In tegenstelling daarmee stelt vers 3 ons de zachtmoedigen voor de aandacht, die door de Heere Jezus "zalig" genoemd worden en die op Hem lijken (Mattheus 5 vers 5 en 11 vers 29). Profetisch gezien, gaat het hier om het gelovige joodse overblijfsel (het slot van vers 9; hoofdstuk 3 vers 13), dat opgeroepen wordt om de HEERE te zoeken, om dan veilig te zijn in de dag van de toorn. De naam Zefanja betekent overigens: 'die de Heere verbergt of bewaart'.

Zefanja 3:1-20
1Wee der ijselijke, en der bevlekte, der verdrukkende stad!2Zij hoort naar de stem niet; zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op den HEERE; tot haar God nadert zij niet.3Haar vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar; haar rechters zijn avondwolven, die de beenderen niet breken tot aan den morgen.4Haar profeten zijn lichtvaardig, gans trouweloze mannen; haar priesters verontreinigen het heilige, zij doen der wet geweld aan.5De rechtvaardige HEERE is in het midden van haar, Hij doet geen onrecht; allen morgen geeft Hij Zijn recht in het licht, er ontbreekt niet; doch de verkeerde weet van geen schaamte.6Ik heb de heidenen uitgeroeid, hun hoeken zijn verwoest, Ik heb hun straten eenzaam gemaakt, dat niemand daardoor gaat; hun steden zijn verstoord, zodat er niemand is, dat er geen inwoner is.7Ik zeide: Immers zult gij Mij vrezen, gij zult de tucht aannemen, opdat haar woning niet uitgeroeid zou worden; al wat Ik haar bezocht hebbe, waarlijk, zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben al hun handelingen verdorven.8Daarom verwacht Mij, spreekt de HEERE, ten dage als Ik Mij opmake tot den roof; want Mijn oordeel is, de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te vergaderen, om over hen Mijn gramschap, de ganse hittigheid Mijns toorns uit te storten, want dit ganse land zal door het vuur van Mijn ijver verteerd worden.9Gewisselijk, dan zal Ik tot de volken een reine spraak wenden; opdat zij allen den Naam des HEEREN aanroepen, opdat zij Hem dienen met een eenparigen schouder.10Van de zijden der rivieren der Moren zullen Mijn ernstige aanbidders, met de dochter Mijner verstrooiden, Mijn offeranden brengen.11Te dien dage zult gij niet beschaamd wezen vanwege al uw handelingen, waarmede gij tegen Mij overtreden hebt; want alsdan zal Ik uit het midden van u wegnemen, die van vreugde opspringen over uw hovaardij, en gij zult u voortaan niet meer verheffen om Mijns heiligen bergs wil.12Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.13De overgeblevenen van Israel zullen geen onrecht doen, noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden; maar zij zullen weiden en nederliggen, en niemand zal hen verschrikken.14Zing vrolijk, gij dochter Sions, juich, Israel; wees blijde, en spring op van vreugde van ganser harte, gij dochter Jeruzalems!15De HEERE heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning Israels, de HEERE, is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien.16Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, o Sion! laat uw handen niet slap worden.17De HEERE uw God, is in het midden van u, een Held, Die verlossen zal; Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich.18De bedroefden, om der bijeenkomst wil, zal Ik verzamelen, zij zijn uit u; de schimping is een last op haar.19Ziet, Ik zal te dien tijde al uw verdrukkers verdoen; en Ik zal de hinkenden behoeden, en de uitgestotenen verzamelen; en Ik zal ze stellen tot een lof, en tot een naam, in het ganse land, waar zij beschaamd zijn geweest.20Te dier tijd zal Ik ulieden herwaarts brengen, ten tijde namelijk, als Ik u verzamelen zal; zekerlijk Ik zal ulieden zetten tot een naam en tot een lof, onder alle volken der aarde, als Ik uw gevangenissen voor uw ogen wenden zal, zegt de HEERE.

Nadat de HEERE de volken bestraft heeft, zal Hij Zijn hand tegen Jeruzalem, die opstandige, verdorven en onderdrukkende stad, opheffen! Maar de vier verwijten die volgen in vers 2, kunnen ook op kinderen van God van toepassing zijn, wanneer zij geen acht slaan op het Woord — "zij hoort naar de stem niet; zij neemt de tucht niet aan" — of nalatig zijn in het gebed — "zij vertrouwt niet op de HEERE; tot haar God nadert zij niet".

Dan zullen de woorden van de Heere Jezus in vervulling gaan: "...de een zal aangenomen, en de ander zal verlaten worden" (Mattheus 24 vers 40). De opstandigen, de trotsen zullen weggenomen worden (vers 11), en de HEERE zal hier beneden een ellendig en arm volk overlaten, dat alleen op Hem vertrouwt (vers 12). Wat een vreugde voor dit overblijfsel (vers 14), en een nog grotere vreugde voor de Heere, Wiens genegenheden bevredigd zullen zijn!

Vers 17 heeft betrekking op de regering van Christus. Maar vinden deze woorden nu al geen weerklank in de harten van elke verloste? Ja, laten we veel aan Zijn vreugde denken. Hij, Die op deze aarde heeft gehuild, kent nu al een volmaakte en wonderbare vreugde: Hij verheugt Zich "over u", gelovige vriend (Psalm 126 vers 6). Na de moeite van Zijn ziel zal Hij — en de Zijnen met Hem — in alle eeuwigheid genieten van de volmaakte rust van de liefde (vers 17; Jeremia 32 vers 41).

Haggaï 1:1-15
1Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.2Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.3Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.4Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.5Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.6Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.7Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.8Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.9Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.10Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.11Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.12Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.13Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.14Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.15Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

Het Boek Ezra vertelt ons hoe Zerubbabel en zijn metgezellen, na de terugkeer uit Babel, beginnen met de herbouw van de tempel. Maar ook, hoe zij zich daarvan lieten weerhouden door de bedreigingen en toespelingen van hun vijanden.

Sinds de stopzetting van het werk waren er vijftien jaren voorbijgegaan. En die bedreigingen waren niets anders dan een armzalige uitvlucht, die door de profeet helemaal niet meer genoemd wordt. Hij verwijt het volk iets heel anders. Tegenover de verwoesting van het huis van de HEERE stelt hij de ijver die door iedereen aan de dag gelegd wordt om zijn eigen huis te verfraaien (Filippi 2 vers 21). Een verdrietige zelfzucht, maar ook een grote misrekening! Al hun werken en hun moeiten hadden namelijk slechts gebrek gebracht (vergelijk Psalm 127 vers 1 en 2).

Gelovige vrienden, vandaag is het nog de tijd om te bouwen aan het huis van God, de Gemeente van de levende God (1 Timotheüs 3 vers 15). En hoe kan men daaraan meewerken? Door zich bezig te houden met de zielen, de "levende stenen", opgebouwd op het Fundament, Jezus Christus; door zich te bekommeren om de Gemeente, zoals de apostel dat iedere dag deed; door niet na te laten de samenkomsten te bezoeken... (1 Korinthe 3 vers 10 - 17; 2 Korinthe 11 vers 28; Hebreeën 10 vers 25). Helaas gaat een gebrek aan ijver en liefde voor de Gemeente vaak hand in hand met de zorg voor eigen gemak. O, laten wij onze harten toch op onze wegen richten (vers 5 en 7)!

Haggaï 2:1-14
1Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.2Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.3Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.4Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.5Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.6Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.7Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.8Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.9Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.10Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.11Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.12Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.13Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.14Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

De eerste boodschap van Haggaï was een berisping. Met de tweede, bijna een maand later, nadat de leiders en het volk geluisterd hadden, mag hij hen bemoedigen. "Wees sterk... en werkt", drukt de HEERE hen op het hart (vers 5), want het gaat om Zijn eigen eer. Hun werk wordt gedaan met het oog op een Persoon: "de Wens aller heidenen", Christus, Die in heerlijkheid zal verschijnen (vers 8).

Maar waar is daartoe de kracht te vinden? Het antwoord is: "Ik ben met u". De almachtige God, de HEERE der heerscharen, staat hen bij. En dat wat Hij geeft, is voldoende: "Het Woord... en Mijn Geest, staande in het midden van u; vreest niet!" (vers 5 en 6). Dat zijn gezegende Hulpbronnen! En die staan ook ons, die — net als Haggaï — in een tijd van verval leven, elk moment ter beschikking.

In zijn derde boodschap herinnert de profeet aan de praktische heiligheid, zonder welke geen enkel werk erkenning kan vinden bij God. En de tweeledige vraag die de priesters gesteld wordt, bevestigt het algemene principe dat een verontreinigde wereld nooit door het contact met ons gereinigd zal worden. Integendeel zelfs! Wij zullen zelf op den duur juist onherroepelijk door die slechte omgeving aangetast worden (1 Korinthe 15 vers 33).

De Heere Jezus heeft beloofd: "Ik ben met u al de dagen" (Mattheus 28 vers 20). Maar laten wij van onze kant ook altijd bij Hem blijven.

Haggaï 2:15-23
15Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.16Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.17Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.18Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.19Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.20Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.21Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.22Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.23Dit is die stad, die opspringt van vreugde, die zeker woont, die in haar hart zegt: Ik ben het, en buiten mij is geen meer; hoe is zij geworden tot woestheid, een rustplaats van het gedierte! Een ieder, die daardoor trekt, zal ze aanfluiten, hij zal zijn hand bewegen.

Het volk heeft de nare ervaring opgedaan, dat de tijd die men van God afneemt, geen enkel gewin oplevert. Nu zal men ook het tegenovergestelde ontdekken. De HEERE belooft dat Hij zal zegenen (vers 20).

Of het nu gaat om een christelijke zakenman die zondags z'n zaak gesloten houdt en daardoor minder omzet heeft, of om de industrieel die tot op de cent nauwkeurig z'n belastingaangifte doet, elk kind van God zal ontdekken dat de woorden van de Heere Jezus waar zijn: "Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen (die nodig zijn voor het dagelijkse leven) zullen u toegeworpen worden" (Mattheüs 6 vers 33).

De laatste boodschap van Haggaï bevat ontroerende woorden van genade, die aan Zerubbabel persoonlijk gericht zijn. Deze naam betekent: 'in Babel geboren' (en zijn Chaldeeuwse naam, Sesbazar (Ezra 1 vers 8), betekent waarschijnlijk 'blij in verdrukking'). De HEERE roept hem bij zijn naam, alsof Hij tegen hem wil zeggen: Jij arme man, die aan de verbanning ontkomen bent, Ik heb buitengewoon kostbare beloften voor jou. De hele aarde zal beven, maar wees niet bang, Ik heb voor jou een onwankelbaar rijk bewaard (vers 7, 22 en 23; aangehaald in Hebreeën 12 vers 26).

In deze erfgenaam van David mogen we een beeld zien van Christus, Die door God uitverkoren is als Bevrijder en ook eens over Israël zal regeren.

Zacharia 1:1-17
1In de achtste maand, in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharia, den zoon van Berechja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:2De HEERE is zeer vertoornd geweest tegen uw vaderen.3Daarom zeg tot hen: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Keert weder tot Mij, spreekt de HEERE der heirscharen, zo zal Ik weder tot ulieden keren, zegt de HEERE der heirscharen.4Weest niet als uw vaderen, tot dewelke de vorige profeten riepen, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Bekeert u toch van uw boze wegen, en uw boze handelingen; maar zij hoorden niet, en zij luisterden niet naar Mij, spreekt de HEERE.5Uw vaderen, waar zijn die? En de profeten, zullen zij in eeuwigheid leven?6Nochtans Mijn woorden en Mijn inzettingen, die Ik Mijn knechten, den profeten, geboden had, hebben zij uw vaders niet getroffen? zodat zij wederkerende zeiden: Gelijk als de HEERE der heirscharen gedacht heeft ons te doen, naar onze wegen en naar onze handelingen, alzo heeft Hij met ons gedaan.7Op den vier en twintigsten dag, in de elfde maand (die de maand Schebat is), in het tweede jaar van Darius, geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharia, den zoon van Berechja, den zoon van Iddo, den profeet, zeggende:8Ik zag des nachts, en ziet, een Man rijdende op een rood paard, en Hij stond tussen de mirten, die in de diepte waren; en achter Hem waren rode, bruine en witte paarden.9En Ik zeide: Mijn Heere! wat zijn deze? Toen zeide tot mij de Engel, Die met mij sprak: Ik zal u tonen, wat deze zijn.10Toen antwoordde de Man, Die tussen de mirten stond, en zeide: Deze zijn het, die de HEERE uitgezonden heeft, om het land te doorwandelen.11En zij antwoordden den Engel des HEEREN, Die tussen de mirten stond, en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld, en ziet, het ganse land zit en het is stil.12Toen antwoordde den Engel des HEEREN, en zeide: HEERE der heirscharen! hoe lang zult Gij U niet ontfermen over Jeruzalem, en over de steden van Juda, op welke Gij gram geweest zijt, deze zeventig jaren?13En de HEERE antwoordde den Engel, Die met mij sprak, goede woorden, troostelijke woorden.14En de Engel, Die met mij sprak, zeide tot mij: Roep uit, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik ijver over Jeruzalem en over Sion met een groten ijver.15En Ik ben met een zeer groten toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want Ik was een weinig toornig, maar zij hebben ten kwade geholpen.16Daarom zegt de HEERE alzo: Ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen; Mijn huis zal daarin gebouwd worden, spreekt de HEERE der heirscharen, en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden.17Roep nog, zeggende: Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Mijn steden zullen nog uitgespreid worden vanwege het goede; want de HEERE zal Sion nog troosten, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.

Zacharia is, samen met Haggaï, de woordvoerder van de HEERE bij de zonen van Juda, die uit de gevangenschap teruggekeerd zijn (Ezra 5 vers 1). Wat zijn de eerste woorden die de HEERE door deze dienstknecht tot Zijn volk laat zeggen? "Keert weer tot Mij!" Men moet eerst berouw hebben en de zonden belijden (Mattheüs 3 vers 2 en 4 vers 17; Handelingen 2 vers 38). Daarna komt pas de belofte: "...zo zal Ik tot u weerkeren" (vers 3).

De vaderen zijn gestorven, en met hen de profeten, zoals Jeremia, die hen zo trouw gewaarschuwd hebben. Maar de Goddelijke woorden zijn niet voorbijgegaan; zij zijn onvoorwaardelijk in vervulling gegaan (Mattheus 24 vers 35). Op de boze wegen en de slechte handelingen van Juda volgde de straf, namelijk de gevangenschap in Babel (vers 12).

O, dat deze ontzettend harde les toch tot een waarschuwing zal zijn voor alle volgende geslachten!

Vanaf vers 7 tot en met hoofdstuk 6 vertelt de profeet over een aantal zeldzame gezichten. Het algemene onderwerp van deze visioenen is de regering van God door de volken (de ruiters en de paarden); en in de achtergrond, het herstel van Israël (de mirten, een toespeling op het loofhuttenfeest en een beeld van het herstel, dat volgt op berouw), want God heeft voor de Zijnen, die door beproeving en zwakheid gaan, altijd "goede woorden, troostende woorden" (vers 13). En die woorden zijn even zeker en onveranderlijk als de aankondiging van Zijn oordelen.

Zacharia 1:18-21; Zacharia 2:1-13
18En ik hief mijn ogen op, en zag; en ziet, er waren vier hoornen.19En ik zeide tot den Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze? En Hij zeide tot mij: Dat zijn de hoornen, welke Juda, Israel en Jeruzalem verstrooid hebben.20En de HEERE toonde mij vier smeden.21Toen zeide ik: Wat komen die maken? En Hij sprak, zeggende: Dat zijn de hoornen, die Juda verstrooid hebben, zodat niemand zijn hoofd ophief; maar deze zijn gekomen om die te verschrikken, om de hoornen der heidenen neder te werpen, welke den hoorn verheven hebben tegen het land van Juda, om dat te verstrooien.
1Wederom hief ik mijn ogen op, en ik zag; en ziet, er was een man, en in zijn hand was een meetsnoer.2En ik zeide: Waar gaat gij henen? En hij zeide tot mij: Om Jeruzalem te meten; om te zien, hoe groot haar breedte, en hoe groot haar lengte wezen zal.3En ziet, de Engel, Die met mij sprak, ging uit; en een andere Engel ging uit, hem tegemoet.4En hij zeide tot hem: Loop, spreek dezen jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden, vanwege de veelheid der mensen en der beesten, die in het midden derzelve wezen zal.5En Ik zal haar wezen, spreekt de HEERE, een vurige muur rondom; en Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.6Hui, hui, vliedt toch uit het Noorderland, spreekt de HEERE; want Ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels, spreekt de HEERE.7Hui, Sion! ontkomt gij, die woont bij de dochter van Babel!8Want zo zegt de HEERE der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft Hij mij gezonden tot die heidenen, die ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt Zijn oogappel aan.9Want ziet, Ik zal Mijn hand over henlieden bewegen, en zij zullen hunnen knechten een roof wezen. Alzo zult gijlieden weten, dat de HEERE der heirscharen mij gezonden heeft.10Juich en verblijd u, gij dochter Sions; want zie, Ik kom, en Ik zal in het midden van u wonen, spreekt de HEERE.11En vele heidenen zullen te dien dage den HEERE toegevoegd worden, en zij zullen Mij tot een volk wezen; en Ik zal in het midden van u wonen; en gij zult weten, dat de HEERE der heirscharen mij tot u gezonden heeft.12Dan zal de HEERE Juda erven voor Zijn deel, in het heilige land, en Hij zal Jeruzalem nog verkiezen.13Zwijg, alle vlees, voor het aangezicht des HEEREN! want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.

De jonge Zacharia had veel moeite met deze gezichten, die ongetwijfeld ook voor ons moeilijk te begrijpen zijn. Maar wat doet hij elke keer weer, wanneer hij voor nieuwe raadsels kwam te staan? Dan aarzelde hij niet om zijn hemelse begeleider om uitleg te vragen. Laten we zijn voorbeeld toch navolgen! Onze belangstelling in het Woord zal de Heere altijd welgevallig zijn. Laten we Hem toch vragen ons verstand te openen, om Zijn wonderen te begrijpen (Psalm 119 vers 18; Lukas 24 vers 45; 2 Timotheüs 2 vers 7).

De hoornen die in het tweede gezicht genoemd worden, komen overeen met de paarden uit het eerste visioen. Het gaat daarbij dus om de grote koninkrijken van de volken, die hier in het karakter van hun macht gezien worden (vergelijk Daniël 8). Werklieden (zoals Kores), die door God gebruikt worden, zullen een einde maken aan hun macht.

Het derde gezicht heeft het herstel van Jeruzalem tot onderwerp. Tegenwoordig verwoest, met afgebroken muren en verbrande poorten (Nehemia 2 vers 13), zal de stad dan weer bewoond worden. De Heere zal dan als een vurige muur rondom haar zijn (vers 5) en de arme verstrooiden zullen dan weer veilig in de stad samenzijn. De liefde van God tot hen is zo groot, dat hij die probeert hen aan te tasten, in werkelijkheid "Zijn oogappel" aanraakt (vers 8; zie Deuteronomium 32 vers 10).

En bovendien geldt voor hen de belofte dat de HEERE in heerlijkheid in hun midden zal zijn (vers 5, 10 en 11).

Dezelfde voorrechten zijn vandaag ook het deel van de kinderen van God!

Zacharia 3:1-10
1Daarna toonde Hij mij Josua, den hogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des HEEREN; en de satan stond aan zijn rechterhand, om hem te wederstaan.2Doch de HEERE zeide tot den satan: De HEERE schelde u, gij satan! ja, de HEERE schelde u, Die Jeruzalem verkiest; is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt?3Josua nu was bekleed met vuile klederen, als hij voor het aangezicht des Engels stond.4Toen antwoordde Hij, en sprak tot degenen, die voor Zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile klederen van hem weg. Daarna sprak Hij tot hem: Zie, Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen.5Dies zeg Ik: Laat ze een reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetten dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem klederen aan; en de Engel des HEEREN stond daarbij.6Toen betuigde de Engel des HEEREN Josua, zeggende:7Zo zegt de HEERE der heirscharen: Indien gij in Mijn wegen zult wandelen, en indien gij Mijn wacht zult waarnemen, zo zult gij ook Mijn huis richten, en ook Mijn voorhoven bewaren; en Ik zal u wandelingen geven onder dezen, die hier staan.8Hoor nu toe, Josua, gij hogepriester! gij en uw vrienden, die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteken; want ziet, Ik zal Mijn Knecht, de SPRUITE, doen komen.9Want ziet, aangaande dien steen, welken Ik gelegd heb voor het aangezicht van Josua, op dien enen steen zullen zeven ogen wezen; ziet, Ik zal zijn graveersel graveren, spreekt de HEERE der heirscharen, en Ik zal de ongerechtigheid dezes lands op een dag wegnemen.10Te dien dage, spreekt de HEERE der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijn naaste nodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom.

Er wordt weer een nieuw gezicht aan Zacharia getoond. De hogepriester, Jozua — een beeld van het volk — staat voor de Engel des HEEREN. Maar satan is daar ook bij aanwezig, in zijn gebruikelijke rol van aanklager (Openbaring 12 vers 10). De vuile kleren van Josua bieden hem namelijk een goede gelegenheid voor zijn aanvallen. De HEERE had immers zulke duidelijke aanwijzingen voor de reiniging van de priesters gegeven (bijvoorbeeld Leviticus 8 vers 6 en 7; Numeri 19 vers 7 en verder), dat men zich zeer zeker aan straf blootstelde, wanneer men bevlekt voor Hem zou verschijnen. Maar we hebben het al gelezen: hij die de vijand meent te kunnen aanvallen, is als Gods oogappel (hoofdstuk 2 vers 8), als "een vuurbrand uit het vuur gerukt" (vers 2).

De arme aangeklaagde kan echter niets tot zijn verdediging inbrengen. De Rechter heeft Zelf voor alles zorg gedragen. Maar... zonder daarbij ook maar iets van het vuil te dulden! "Zie", zegt Hij, "Ik heb uw ongerechtigheid van u weggenomen, en Ik zal u wisselklederen aandoen" (vers 4). Dat zijn geen gewone schone kleren, maar feestkleren (vergelijk Mattheus 22 vers 12)! Gereinigd en gerechtvaardigd heeft Josua voortaan ook een dubbele verantwoording: hij moet in de wegen van de Heere wandelen en trouw de wacht waarnemen (vers 7).

Beste vriend, om je te kunnen verheugen in de genade van de Heere, moet je eerst dezelfde plaats innemen als Josua.

De verzen 8 - 10 wijzen vervolgens op de Messias (de Spruit), Die in gerechtigheid over een gereinigd volk zal heersen.

Zacharia 4:1-14
1En de Engel, Die met mij sprak, kwam weder; en Hij wekte mij op, gelijk een man, die van zijn slaap opgewekt wordt.2En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie, en ziet, een geheel gouden kandelaar, en een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijn zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven en zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren;3En twee olijfbomen daarnevens, een ter rechterzijde van het oliekruikje, en een tot deszelfs linkerzijde.4En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, Die met mij sprak, zeggende: Mijn Heere! wat zijn deze dingen?5Toen antwoordde de Engel, Die met mij sprak, en zeide tot mij: Weet gij niet, wat deze dingen zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!6Toen antwoordde Hij, en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des HEEREN tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden, zegt de HEERE der heirscharen.7Wie zijt gij, o grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel zult gij worden tot een vlak veld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven!8Het woord des HEEREN geschiedde verder tot mij, zeggende:9De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden; opdat gij weet, dat de HEERE der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft.10Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbabel; dat zijn de ogen des HEEREN, die het ganse land doortrekken.11Verder antwoordde ik, en zeide tot Hem: Wat zijn die twee olijfbomen, ter rechterzijde des kandelaars, en aan zijn linkerzijde?12En andermaal antwoordende, zo zeide ik tot Hem: Wat zijn die twee takjes der olijfbomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die goud van zich gieten?13En Hij sprak tot mij, zeggende: Weet gij niet, wat deze zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere!14Toen zeide Hij: Deze zijn de twee olietakken, welke voor den Heere der ganse aarde staan.

Door zijn vragen neemt ook Zacharia een plaats in, in de rij van profeten die volgens 1 Petrus 1 vers 10 en 11 ijverig onderzochten en nadachten over hun eigen geschriften. Daarin zochten zij Hem, Die ons nu in Zijn lijden en heerlijkheden geopenbaard is (bijvoorbeeld hoofdstuk 13 vers 5 - 7 en 6 vers 13). In het hoofdstuk van vandaag vinden we verschillende voorbeelden van Christus! Hij is de ware Kandelaar van goud, het Licht der wereld (Johannes 8 vers 12). Hij is ook de Goddelijke Zerubbabel, Die borg staat voor de zegeningen van Zijn volk. In hoofdstuk 3 vers 9 was Hij de Steen, het Fundament, en hier zien we Hem als de Hoofdsteen (Gevelsteen) van het bouwwerk (vers 7). Met andere woorden, Hij is het Die het werk aan het huis van God in genade begint en voleindigt (vers 9; Ezra 3 vers 10; 5 vers 15 en 16).

In de zeven lampen van de heilige kandelaar mogen we een beeld zien van de gelovigen (Openbaring 1 vers 20). Ook zij worden "het licht der wereld" genoemd (lees Mattheus 5 vers 14 - 16). En dit licht wordt door de Heilige Geest (de olie), de enige Goddelijke Bron voor al het werken van de verlosten, in stand gehouden. "Niet door kracht noch door geweld, maar door Mijn Geest", zegt de Heere (vers 6; Psalm 44 vers 4 - 9). Wanneer wij ons bewust zijn van onze eigen onmacht, dan wil God graag voor ons handelen en elke "berg" op onze weg opruimen (vers 7; Mattheüs 17 vers 20). Laten we daarom de tegenwoordige dag "van de kleine dingen" ook niet verachten (vers 10); het kan een dag van groot geloof en grote overgave en toewijding zijn.

•

Zacharia 5:1-11
1En ik hief mijn ogen weder op, en ik zag; en ziet, een vliegende rol.2En Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie een vliegende rol, welker lengte is van twintig ellen, en haar breedte van tien ellen.3Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.4Ik breng dezen vloek voort, spreekt de HEERE der heirscharen, dat hij kome in het huis van den dief, en in het huis desgenen, die bij Mijn Naam valselijk zweer; en hij zal het verteren, met zijn houten en zijn stenen.5En de Engel, Die met mij sprak, ging uit, en zeide tot mij: Hef nu uw ogen op, en zie, wat dit zij, dat er voortkomt.6En ik zeide: Wat is dat? En Hij zeide: Dit is een efa, die voortkomt. Verder zeide Hij: Dit is het oog over henlieden in het ganse land.7En ziet, een plaat van lood werd opgeheven, en er was een vrouw, zittende in het midden der efa.8En Hij zeide: Deze is de goddeloosheid; en Hij wierp ze in het midden van de efa; en Hij wierp het loden gewicht op den mond derzelve.9En ik hief mijn ogen op, en ik zag; en ziet, twee vrouwen kwamen voort, en wind was in haar vleugelen, en zij hadden vleugelen, als de vleugelen eens ooievaars; en zij voerden de efa tussen de aarde en tussen den hemel.10Toen zeide ik tot den Engel, Die met mij sprak: Waarhenen brengen zij deze efa?11En Hij zeide tot mij: Om haar een huis te bouwen in het land Sinear; dat zij daar gevestigd en gesteld worde op haar grondvesting.

In dit korte hoofdstuk lezen we over twee gezichten. Het eerste laat ons, in de vorm van een vliegende boekrol, het Woord van God zien, dat werkzaam is om het kwaad openbaar te maken. Hebreeën 4 vers 12 en 13 zegt dat dit Woord levend, werkzaam en doordringend is (hier verschaft het zich met geweld ingang in de huizen; vers 4). Voor het licht van het Woord zijn alle dingen "naakt en geopend" en het beoordeelt de gedachten en de overleggingen van het hart. Wij moeten onszelf door dit Woord laten onderzoeken.

In de verzen 5 - 11 zien we een nog zeldzamer voorwerp vliegen: een efa. Dat is een inhoudsmaat (en maar al te vaak een bedrieglijke maat; Micha 6 vers 10; Deuteronomium 25 vers 14), met daarin goddeloosheid, die haar maat vol heeft gemaakt. Dat komt overeen met "de verborgenheid der ongerechtigheid", die vandaag al werkzaam is, maar nog niet geopenbaard is (het loden gewicht ligt nog op de efa, vers 8; 2 Thessalonicenzen 2 vers 7). Wanneer het haar oorspronkelijke plaats weer zal innemen (in Sinear, dat is Babel; een beeld van de wereld), dan zal de goddeloosheid in de persoon van de Antichrist officieel als een god vereerd worden.

Wat een tegenstelling tussen dit huis uit vers 11, dat een tempel vol zonden is, en het huis dat God laat bouwen, om Zelf in het midden van de Zijnen te wonen (hoofdstuk 4 vers 9)!

Zacharia 6:1-15
1En ik hief mijn ogen weder op, en ik zag; en ziet, vier wangens gingen er uit van tussen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper.2Aan den eersten wagen waren rode paarden; en aan den tweeden wagen waren zwarte paarden.3En aan den derden wagen witte paarden; en aan den vierden wagen hagelvlekkige paarden, die sterk waren.4En ik antwoordde, en zeide tot den Engel, Die met mij sprak: Wat zijn deze, mijn Heere?5En de Engel antwoordde, en zeide tot mij: Deze zijn de vier winden des hemels, uitgaande van daar zij stonden voor den Heere der ganse aarde.6Aan welken wagen de zwarte paarden zijn, die paarden gaan uit naar het Noorderland; en de witte gaan uit, dezelve achterna; en de hagelvlekkige gaan uit naar het Zuiderland.7En die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan, om het land te doorwandelen; want Hij had gezegd: Gaat heen, doorwandelt het land. En zij doorwandelden het land.8En Hij riep mij, en sprak tot mij, zeggende: Zie, deze, die uitgegaan zijn naar het Noorderland, hebben Mijn Geest doen rusten in het Noorderland.9En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:10Neem van de gevankelijk weggevoerden van Cheldai, van Tobia, en van Jedaja, en kom gij te dien dage, en ga in ten huize van Josia, den zoon van Zefanja, dewelke uit Babel gekomen zijn;11Te weten, neem zilver en goud, en maak kronen; en zet ze op het hoofd van Josua, den zoon van Jozadak, den hogepriester.12En spreek tot hem, zeggende: Alzo spreekt de HEERE der heirscharen, zeggende: Ziet, een Man, Wiens naam is SPRUITE, Die zal uit Zijn plaats spruiten, en Hij zal des HEEREN tempel bouwen.13Ja, Hij zal den tempel des HEEREN bouwen, en Hij zal het sieraad dragen, en Hij zal zitten, en heersen op Zijn troon; en Hij zal priester zijn op Zijn troon; en de raad des vredes zal tussen die Beiden wezen.14En die kronen zullen wezen voor Chelem, en voor Tobia, en voor Jedaja, en voor Chen, den zoon van Zefanja, tot een gedachtenis in den tempel des HEEREN.15En die verre zijn, zullen komen, en zullen bouwen in den tempel des HEEREN, en gijlieden zult weten, dat de HEERE der heirscharen mij tot u gezonden heeft. Dit zal geschieden, indien gij vlijtiglijk zult horen naar de stem des HEEREN, uws Gods.

Bij het achtste en laatste gezicht moeten we onwillekeurig denken aan het eerste (hoofdstuk 1). Toch is er een verschil, want de paarden zijn hier voor de wagens gespannen (de vier koninkrijken) en verschijnen tussen de bergen van koper (een beeld van de duurzaamheid van de regering van God). In het beeld van de sterke paarden kunnen we Rome ontdekken, dat probeert z'n heerschappij over de hele aarde uit te strekken. (En God heeft daar gebruik van gemaakt, opdat het evangelie over de gehele bewoonde aarde gepredikt zou worden.)

De verzen 9 - 15 geven ons een beeld van drie personen, die op reis zijn en uit Babel komen om hun broeders met gaven en bemoedigingen te helpen. De betekenis van de namen van deze mannen zijn veelzeggend. De eerste Cheldaï betekent: 'volhoudend' (naderhand wordt hij Chelem genoemd, dat is 'sterke'). De tweede is Tobia: 'de HEERE is goed'. En ten slotte lezen we van Jedaja: 'de HEERE weet het'. Zij worden ontvangen door Josia (dat is: 'de Heere steunt').

Toch vormt Josua hier het middelpunt, met andere woorden: de Heere Jezus, de Heiland-God, van Wie Josua hier een beeld is, want hij verenigt het priesterschap en koningschap in zijn persoon.

Op de dag van Zijn heerlijkheid zal de Heere de Zijnen datgene geven wat zij, alleen op grond van genade, voor Hem bereid hebben (Lukas 19 vers 24 - 26). Deze kronen die Hem allemaal teruggegeven worden (vers 11), zal Hij de nederige getrouwen geven die Hem in de tijd dat Hij veracht werd, geëerd hebben (vers 14). Zult u, zul jij, daar ook bij zijn, om ze aan Zijn voeten neer te werpen (Openbaring 4 vers 10)?

Zacharia 7:1-14
1Het gebeurde nu in het vierde jaar van den koning Darius, dat het woord des HEEREN geschiedde tot Zacharia, op den vierden der negende maand, namelijk in Chisleu.2Toen men naar het huis van God gezonden had Sarezer, en Regem-Melech, en zijn mannen, om het aangezicht des HEEREN te smeken;3Zeggende tot de priesters, die in het huis des HEEREN der heirscharen waren, en tot de profeten, zeggende: Moet ik wenen in de vijfde maand, mij afzonderende, gelijk als ik gedaan heb nu zo vele jaren?4Toen geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:5Spreek tot het ganse volk dezes lands, en tot de priesters, zeggende: Toen gij vasttet en rouwklaagdet, in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, hebt gijlieden Mij, Mij enigszins gevast?6Of als gij at, en als gij dronkt, waart gij het niet, die daar at, en gij, die daar dronkt?7Zijn het niet de woorden, welke de HEERE uitriep door den dienst der vorige profeten, toen Jeruzalem bewoond en gerust was, en haar steden rondom haar; en het zuiden en de laagte bewoond was?8Verder geschiedde het woord des HEEREN tot Zacharia, zeggende:9Alzo sprak de HEERE der heirscharen, zeggende: Richt een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden, de een aan den ander;10En verdrukt de weduwe noch den wees, den vreemdeling noch den ellendige; en denkt niet in uw hart de een des anderen kwaad.11Maar zij weigerden op te merken, en togen hun schouder terug, en zij verzwaarden hun oren, opdat zij niet hoorden.12En zij maakten hun hart als een diamant, opdat zij niet hoorden de wet en de woorden, die de HEERE der heirscharen zond in Zijn Geest, door den dienst der vorige profeten, waaruit ontstaan is een grote toorn van den HEERE der heirscharen.13Daarom is het geschied, gelijk als Hij geroepen had, doch zij niet gehoord hebben, alzo riepen zij ook, maar Ik hoorde niet, zegt de HEERE der heirscharen;14Maar Ik heb hen weggestormd onder alle heidenen, welke zij niet kenden; en het land werd achter hen verwoest, zodat er niemand doorging, noch wederkeerde; want zij stelden het gewenste land tot een verwoesting.

De hoofdstukken 1 - 6 vormen als het ware een boek dat vertelt over de visioenen. Bij hoofdstuk 7 begint dan vervolgens een boek met bepaalde uitspraken.

De bewoners van Bethel sturen afgevaardigden uit, om te informeren of men moet vasten en weeklagen. Dat biedt de profeet de gelegenheid voor zijn eerste uitlegging. Voordat hij antwoord geeft, richt hij zich tot hun geweten (vergelijk Lukas 13 vers 23 en 24; 20 vers 2, 3 en 22 - 25). Is het eigenlijk niet zo, dat ze door hun vasten medelijden wilden opwekken, in plaats dat het een teken van echt berouw was? Het werd voor de huichelachtige Joden zelfs tot een middel om aanzien te verwerven, hetgeen door de Heere Jezus ten scherpste veroordeeld werd (Mattheus 6 vers 16).

De ernstige vraag in vers 5 lijkt op de vinger van God, die ook naar onze harten wijst. Wat zijn de ware beweegredenen van ons doen en laten? Ging het ons daarbij altijd om de Heere, of waren er diep in ons hart toch bepaald bijbedoelingen? We kunnen Hem niet misleiden met bepaalde vormen van vroomheid! Aan de andere kant ontgaat Hem echter ook niets van datgene wat werkelijk in liefde voor Hem gedaan wordt! De Heere Jezus wist precies wat de drijfveer van het handelen van Maria was en zei: "Zij heeft een goed werk aan Mij gedaan" (Markus 8 vers 35 en 14 vers 6).

God, Die Licht en Liefde is, herinnert ons steeds aan Zijn eisen, die voor altijd geldig blijven: waarheid en barmhartigheid (vers 9 en verder). Wat Hij helaas gevonden heeft, zijn weerbarstige schouders, dove oren en harten, zo hard als diamant. En dat verklaart en rechtvaardigt daarom ook Zijn strenge oordeel.

Zacharia 8:1-23
1Daarna geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:2Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ik heb geijverd over Sion met een groten ijver; ja, met grote grimmigheid heb Ik over haar geijverd.3Alzo zegt de HEERE: Ik ben wedergekeerd tot Sion, en Ik zal in het midden van Jeruzalem wonen; en Jeruzalem zal geheten worden een stad der waarheid, en de berg des HEEREN der heirscharen, een berg der heiligheid.4Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Er zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem; een ieder zal zijn stok in zijn hand hebben vanwege de veelheid der dagen.5En de straten dier stad zullen vervuld worden met knechtjes en meisjes, spelende op haar straten.6Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Omdat het wonderlijk is in de ogen van het overblijfsel dezes volks in deze dagen, zou het daarom ook in Mijn ogen wonderlijk zijn? spreekt de HEERE der heirscharen.7Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Ziet, Ik zal Mijn volk verlossen uit het land des opgangs, en uit het land des nedergangs der zon.8En Ik zal hen herwaarts brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn, in waarheid en in gerechtigheid.9Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Laat uw handen sterk zijn, gijlieden, die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit den mond der profeten, die geweest zijn ten dage, als de grond van het huis des HEEREN der heirscharen gelegd is, dat de tempel gebouwd zou worden.10Want voor die dagen kwam des mensen loon te niet, en het loon van het vee was geen; en de uitgaande en de inkomende hadden geen vrede vanwege den vijand, want Ik zond alle mensen, een iegelijk tegen zijn naaste.11Maar nu zal Ik aan het overblijfsel dezes volks niet wezen, gelijk in de vorige dagen, spreekt de HEERE der heirscharen.12Want het zaad zal voorspoedig zijn, de wijnstok zal zijn vrucht geven, en de aarde zal haar inkomen geven, en de hemelen zullen hun dauw geven; en Ik zal het overblijfsel dezes volks dit alles doen erven.13En het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda! en gij, o huis Israels, geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzo zal Ik ulieden behoeden, en gij zult een zegening wezen; vreest niet, laat uw handen sterk zijn.14Want alzo zegt de HEERE der heirscharen: Gelijk als Ik gedacht heb ulieden kwaad te doen, toen Mij uw vaderen grotelijks vertoornden, zegt de HEERE der heirscharen, en het heeft Mij niet berouwd;15Alzo denk Ik wederom in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem, en aan het huis van Juda; vreest niet!16Dit zijn de dingen, die gij doen zult: spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uw poorten.17En denkt niet de een des anderen kwaad in ulieder hart; en hebt een valsen eed niet lief; want al deze zijn dingen, die Ik haat, spreekt de HEERE.18Wederom geschiedde het woord des HEEREN der heirscharen tot mij, zeggende:19Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het vasten der vierde, en het vasten der vijfde, en het vasten der zevende, en het vasten der tiende maand, zal den huize van Juda tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen; hebt dan de waarheid en den vrede lief.20Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Nog zal het geschieden, dat de volken, en de inwoners van vele steden komen zullen;21En de inwoners der ene stad zullen gaan tot de inwoners der andere, zeggende: Laat ons vlijtig henengaan, om te smeken het aangezicht des HEEREN, en om den HEERE der heirscharen te zoeken; ik zal ook henengaan.22Alzo zullen vele volken, en machtige heidenen komen, om den HEERE der heirscharen te Jeruzalem te zoeken, en om het aangezicht des HEEREN te smeken.23Alzo zegt de HEERE der heirscharen: Het zal in die dagen geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodsen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord, dat God met ulieden is.

"Alzo zegt de HEERE...", brengt de profeet onvermoeibaar tot uitdrukking (vers 2, 3, 4, 6, 7, 9, 14, 19, 20 en 23).

Wanneer wijzelf de Bijbel lezen, of aan anderen voorhouden, laten we dan nooit uit het oog verliezen dat het God Zelf is Die spreekt!

De arme kinderen van Juda horen beloften die tegemoetkomen aan hun huidige situatie, want God zal hen niet vergeten (Zacharia betekent: 'De HEERE gedenkt'). Het onbewoonde en verwoeste Jeruzalem zal opnieuw bewoond worden. Er zal opnieuw geleefd worden in de stad (Nehemia 11 vers 1 en 2). En de Eerste Die daarheen terugkeert, zal de HEERE Zelf zijn (vers 3; zie hoofdstuk 1 vers 16). En met Hem zal de zegening terugkeren en de angst verdwijnen.

Geldt dat, in geestelijk opzicht, in de Gemeente niet precies zo? De tegenwoordigheid van de Heere, in het midden van de Zijnen, verzekert hen van alles wat zij nodig hebben.

Laten we de vermaning uit vers 16, die in Efeze 4 vers 25 aangehaald wordt, ook op onszelf toepassen: "Spreekt de waarheid, een ieder met zijn naaste". En aan het eind van vers 19 staat: "Hebt dan de waarheid... lief".

Nu kan de Heere de afgevaardigden van Bethel antwoord geven op hun vraag wat het vasten betreft (hoofdstuk 7 vers 2 en 3). De vastendagen zullen "tot vreugde, en tot blijdschap, en tot vrolijke hoogtijden wezen" (vers 19; de vervulling van Psalm 122). Zouden zij die zich in de tegenwoordigheid van de bruidegom mogen bevinden, kunnen treuren (vergelijk Mattheüs 9 vers 14 en 15)?

Zacharia 9:1-17
1De last van het woord des HEEREN over het land Chadrach en Damaskus, deszelfs rust; want de HEERE heeft een oog over den mens, gelijk over al de stammen Israels.2En ook zal Hij Hamath met dezelve bepalen; Tyrus en Sidon, hoewel zij zeer wijs is;3En Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk der straten;4Ziet, de HEERE zal haar uit het bezit stoten, en Hij zal haar vesting in de zee verslaan; en zij zal met vuur verteerd worden.5Askelon zal het zien, en zal vrezen; desgelijks Gaza, en zal grote smart hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning van Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden.6En de bastaard zal te Asdod wonen, en Ik zal den hoogmoed der Filistijnen uitroeien.7En Ik zal zijn bloed uit zijn mond wegdoen, en zijn verfoeiselen van tussen zijn tanden; alzo zal hij ook onzen God overblijven; ja, hij zal zijn als een vorst in Juda, en Ekron als de Jebusiet.8En Ik zal Mij rondom Mijn huis legeren, vanwege het heirleger, vanwege den doorgaande, en vanwege den wederkerende, opdat de drijver niet meer door hen doorga; want nu heb Ik het met Mijn ogen aangezien.9Verheug u zeer, gij dochter Sions! juich, gij dochter Jeruzalems! Ziet, uw Koning zal u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland; arm, en rijdende op een ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.10En Ik zal de wagens uit Efraim uitroeien, en de paarden uit Jeruzalem; ook zal de strijdboog uitgeroeid worden, en Hij zal den heidenen vrede spreken; en Zijn heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.11U ook aangaande, o Sion! door het bloed uws verbonds, heb Ik uw gebondenen uit den kuil, daar geen water in is, uitgelaten.12Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen, die daar hoopt! ook heden verkondig Ik, dat Ik u dubbel zal wedergeven;13Als Ik Mij Juda zal gespannen, en Ik Efraim den boog zal gevuld hebben; en Ik uw kinderen, o Sion! zal verwekt hebben tegen uw kinderen, o Griekenland! en u gesteld zal hebben als het zwaard van een held.14En de HEERE zal over henlieden verschijnen, en Zijn pijlen zullen uitvaren als een bliksem; en de Heere HEERE zal met de bazuin blazen, en Hij zal voorttreden met stormen uit het zuiden.15De HEERE der heirscharen zal hen beschutten, en zij zullen eten, nadat zij de slingerstenen zullen ten ondergebracht hebben; zij zullen ook drinken, en een gedruis maken als de wijn; en zij zullen vervuld worden, gelijk het bekken, gelijk de hoeken des altaars.16En de HEERE, hun God, zal ze te dien dage behouden, als zijnde de kudde Zijns volks; want gekroonde stenen zullen in Zijn land, als een banier, opgericht worden.17Want hoe groot zal zijn goed wezen en hoe groot zal zijn schoonheid wezen! Het koren zal de jongelingen, en de most zal de jonkvrouwen sprekende maken.

Deze uitspraak betreft de buurlanden van Israël. Hun gedrag werd, zonder dat zij het zelf wisten, in de gaten gehouden, "want de HEERE heeft een oog over de mens" (vers 1 en 8). Ja, hoeveel mensen zijn er niet die deze heilige blik vergeten en doen alsof Hij niets zou zien.

God maakt Zich op om de menselijke wijsheid en de kracht van Tyrus, de valse toevlucht van Ekron, evenals de hoogmoed en gruwelen van de Filistijnen, uit te roeien. Daarmee wordt de weg geopend voor de Messias, om vrede te verkondigen en tot aan de einden der aarde te regeren.

Hij is inderdaad gekomen, deze Koning, "rijdende op een ezel" (vers 9; Johannes 12 vers 15), maar Zijn volk heeft Hem niet aangenomen. En al bijna tweeduizend jaar lang is de profetie als het ware tussen vers 9 en 10 blijven steken. Maar heel spoedig zal deze profetie verder z'n beloop hebben. Na de vreselijke oordelen zal de Koning weer in Zijn volkomen majesteit verschijnen. Zijn liefelijkheid (voortreffelijkheid) en schoonheid zullen bewonderd worden. "Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort op Uw lippen", wordt in het lied dat aan de Koning gewijd is, gezegd (Psalm 45 vers 3).

Wat is het ontzettend aangrijpend, dat Zijn verlosten dan als kostbare edelstenen in Zijn kroon zullen zijn (vers 16). Zo zullen zij aan de wonderbare schoonheid van de Koning mogen bijdragen (Jesaja 62 vers 3). Tegelijkertijd zal alleen al het feit van hun vereniging met Hem getuigen van onuitsprekelijke goedertierenheid (Psalm 31 vers 20 en 22).

Zacharia 10:1-12
1Begeert van den HEERE regen, ten tijde des spaden regens; de HEERE maakt de weerlichten; en Hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld.2Want de terafim spreken ijdelheid, en de waarzeggers zien valsheid, en zij spreken ijdele dromen, zij troosten met ijdelheid; daarom zijn zij henengetogen als schapen, zij zijn onderdrukt geworden; want er was geen herder.3Tegen de herders was Mijn toorn ontstoken, en over de bokken heb Ik bezoeking gedaan; maar de HEERE der heirscharen zal Zijn kudde bezoeken, het huis van Juda, en Hij zal hen stellen, gelijk het paard Zijner majesteit in den strijd.4Van hetzelve zal de hoeksteen, van hetzelve zal de nagel, van hetzelve zal de strijdboog, te zamen zullen van hetzelve alle drijvers voortkomen.5En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de HEERE zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.6En Ik zal het huis van Juda versterken, en het huis van Jozef zal Ik behouden, en Ik zal hen weder inzetten; want Ik heb Mij hunner ontfermd, en zij zullen wezen, alsof Ik hen niet verstoten had; want Ik ben de HEERE, hun God, en Ik zal ze verhoren.7En zij zullen zijn als een held van Efraim, en hun hart zal zich verblijden, als van den wijn; en hun kinderen zullen het zien, en zich verblijden, hun hart zal zich verheugen in den HEERE.8Ik zal hen toesissen, en zal ze vergaderen, want Ik zal ze verlossen; en zij zullen vermenigvuldigd worden, gelijk zij te voren vermenigvuldigd waren.9En Ik zal hen onder de volken zaaien, en zij zullen Mijner gedenken in verre plaatsen; en zij zullen leven met hun kinderen, en wederkeren.10Want Ik zal ze wederbrengen uit Egypteland, en Ik zal ze vergaderen uit Assyrie; en Ik zal ze in het land van Gilead en Libanon brengen, maar het zal hun niet genoeg wezen.11En Hij zal door de zee gaan, die benauwende, en Hij zal de golven in de zee slaan, en al de diepten der rivieren zullen verdrogen; dan zal de hoogmoed van Assur nedergeworpen worden, en de schepter van Egypte zal wegwijken.12En Ik zal hen sterken in den HEERE, en in Zijn Naam zullen zij wandelen, spreekt de HEERE.

Het verdrukte Joodse volk, dat teleurgesteld is in de afgoden en bedrogen is uitgekomen met hun slechte leiders, zal lange tijd zijn als een kudde zonder herder (vers 2; vergelijk Mattheus 9 vers 36). Maar God zal omzien naar "het huis van Juda", waaruit Christus, "de Hoeksteen", voortgekomen is (vers 4). Evenmin zal Hij het huis van Jozef — zij die uit Efraïm zijn, dat wil zeggen: de verstrooide tien stammen — vergeten. En Hij zal hen redden, hen laten wonen en hen antwoorden (vers 6). Wat zal er dan een vreugde in de harten zijn (vers 7), nadat men zo vaak getroost was "met ijdelheid" (vers 2).

Beste gelovige vriend, ten opzichte van jou heeft de Heere een nog veel groter erbarmen getoond! Is dat voor jou dan niet voortdurend een onderwerp van grote vreugde?

Zoals de verloren zoon in het verre land tot zichzelf kwam, toen hij terugdacht aan het huis van zijn vader, zo zullen de Israëlieten die ontkomen zijn, "in verre plaatsen" aan hun God denken en "zullen leven... en weerkeren" (vers 9; Lukas 15 vers 17). "Ik zal hen oproepen, en zal ze vergaderen", belooft de HEERE (vers 8 en 10; Johannes 11 vers 52).

De liefde van de Heere Jezus zal pas door de aanwezigheid van de Zijnen volkomen bevredigd zijn. Voordat Hij Zijn aardse volk voltallig in het land terugbrengt, zal Hij Zijn Gemeente in het Huis van de Vader invoeren, waar Hij hen een plaats bereid heeft (vergelijk Johannes 14 vers 2).

Zacharia 11:1-17
1Doe uw deuren open, o Libanon! opdat het vuur uw cederen vertere.2Huilt, gij dennen! dewijl de cederen gevallen zijn, dewijl die heerlijke bomen verwoest zijn; huilt, gij eiken van Basan! dewijl het sterke woud nedergevallen is.3Er is een stem des gehuils der herderen, dewijl hun heerlijkheid verwoest is; een stem des gebruls der jonge leeuwen, dewijl de hoogmoed van de Jordaan verwoest is.4Alzo zegt de HEERE, mijn God: Weidt deze slachtschapen.5Welker bezitters hen doden, en houden het voor geen schuld; en een ieder dergenen, die ze verkopen, zegt: Geloofd zij de HEERE, dat ik rijk geworden ben; en niemand van degenen, die ze weiden, verschoont ze.6Zekerlijk, Ik zal niet meer de inwoners dezes lands verschonen, spreekt de HEERE; maar ziet, Ik zal de mensen overleveren, elkeen in de hand zijns naasten, en in de hand zijns konings, en zij zullen dit land te morzel slaan, en Ik zal ze uit hun hand niet verlossen.7Dies heb ik deze slachtschapen geweid, dewijl zij ellendige schapen zijn; en ik heb mij genomen twee stokken, den een heb ik genoemd LIEFELIJKHEID, en den anderen heb ik genoemd SAMENBINDERS; en ik heb die schapen geweid.8En ik heb drie herders in een maand afgesneden; want mijn ziel was over hen verdrietig geworden, en ook had hun ziel een walg van mij.9En ik zeide: Ik zal ulieden niet meer weiden; wat sterft, dat sterve, en wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en dat de overgeblevenen de een des anderen vlees verslinden.10En ik nam mijn stok LIEFELIJKHEID, en ik verbrak denzelven, te niet doende mijn verbond, hetwelk ik met al deze volken gemaakt had.11Dus werd het te dien dage vernietigd, en alzo hebben de ellendigen onder de schapen, die op mij wachtten, bekend, dat het des HEEREN woord was.12Want ik had tot henlieden gezegd: Indien het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen.13Doch de HEERE zeide tot mij: Werp ze henen voor den pottenbakker: een heerlijken prijs, dien ik waard geacht ben geweest van hen! En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis des HEEREN, voor den pottenbakker.14Toen verbrak ik mijn tweeden stok, SAMENBINDERS, te niet doende de broederschap tussen Juda en tussen Israel.15Verder zeide de HEERE tot mij: Neem u nog eens dwazen herders gereedschap.16Want ziet, Ik zal een herder verwekken in dit land; dat gereed is om afgesneden te worden, zal hij niet bezoeken; het jonge zal hij niet zoeken, en het verbrokene zal hij niet helen, en het stilstaande zal hij niet dragen; maar het vlees van het vette zal hij eten, en derzelver klauwen zal hij verscheuren.17Wee den nietigen herder, den verlater der kudde! Het zwaard zal over zijn arm zijn, en over zijn rechteroog; zijn arm zal ten enenmale verdorren, en zijn rechteroog zal ten enenmale donker worden.

Het vuur in de verzen 1 - 3 spreekt van de toom tegen het land en het volk, vanwege de misdaad waaraan men zich schuldig zou maken op Golgotha.

In vers 4 wordt de profeet opgeroepen om achtereenvolgens de goede Herder (Christus, Die de schapen weidt) en de dwaze herder (dat is de Antichrist; vers 15 - 17), uit te beelden. Tot aan vers 14 worden we verplaatst naar de tijd van de evangeliën. De kopers, verkopers en slechte herders uit vers 5 komen overeen met de Romeinen en de politieke en religieuze leiders van de Joden. De Heere Jezus betitelt hen als dieven en rovers, als huurlingen en roofzuchtige wolven (Johannes 10 vers 8 en 12; Ezechiël 34). Hij, de goede Herder, kwam om hun positie in te nemen en het volk te weiden; Hij bracht het volk welbehagen en nationale eenheid (de twee herdersstokken, die "liefelijkheid" en "samenbinders" genoemd worden; vers 7). Uitgezonderd enkele "ellendigen onder de schapen" (vers 11; Lukas 14 vers 21) heeft het volk Zijn liefdevolle bedoelingen niet begrepen.

De verzen 12 en 13, die precies in vervulling zijn gegaan, vertellen ons welke spotprijs men voor de HEERE overhad (Mattheus 26 vers 15). Dan komt de vraag: Welke waarde heeft de Heere Jezus voor ons?

Vervolgens wijzen de verzen 15 - 17, zonder verdere inleiding of overgang, op de toekomstige heerschappij van "de nietige herder" (Johannes 5 vers 43), want deze satanische persoonlijkheid zal verwekt worden tot een oordeel over de "slachtschapen", dat wil zeggen: over het volk dat zich schuldig gemaakt heeft door hun ware Herder te verwerpen.

Zacharia 12:1-14
1De last van het woord des HEEREN over Israel. De HEERE spreekt, Die den hemel uitbreidt, en de aarde grondvest, en des mensen geest in zijn binnenste formeert.2Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot een drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom; ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem.3En het zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem stellen zal tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede beladen, zullen gewisselijk doorsneden worden; en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen.4Te dien dage, spreekt de HEERE, zal Ik alle paarden met schuwigheid slaan, en hun ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal Ik Mijn ogen openen, en alle paarden der volken zal Ik met blindheid slaan.5Dan zullen de leidslieden van Juda in hun hart zeggen: De inwoners van Jeruzalem zullen mij een sterkte zijn in den HEERE der heirscharen, hun God.6Te dien dage zal Ik de leidslieden van Juda stellen als een vurige haard onder het hout, en als een vurige fakkel onder de schoven; en zij zullen ter rechterzijde en ter linkerzijde alle volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in haar plaats te Jeruzalem.7En de HEERE zal de tenten van Juda ten voorste behouden, opdat de heerlijkheid van het huis Davids, en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem, zich niet verheffe tegen Juda.8Te dien dage zal de HEERE de inwoners van Jeruzalem beschutten; en die, die onder hen struikelen zou, zal te dien dage zijn als David; en het huis Davids zal zijn als goden; als de Engel des HEEREN voor hun aangezicht.9En het zal te dien dage geschieden, dat Ik zal zoeken te verdelgen alle heidenen, die tegen Jeruzalem aankomen.10Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen, als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.11Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk die rouwklage van Hadadrimmon, in het dal van Megiddon.12En het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder; het geslacht van het huis Davids bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder; en het geslacht van het huis van Nathan bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;13Het geslacht van het huis van Levi bijzonder, en hun vrouwen bijzonder; het geslacht van Simei bijzonder, en hun vrouwen bijzonder;14Al de overige geslachten, elk geslacht bijzonder, en hunlieder vrouwen bijzonder.

Wie is er hier aan het woord? Hij "Die de hemel uitbreidt, en de aarde grondvest" en in de mens het verstand gevormd heeft, waar hij zo trots op is (en wat hij maar al te vaak zo slecht gebruikt; vergelijk Jesaja 42 vers 5). Zou zo'n machtige God de aardse gebeurtenissen niet vast in Zijn handen hebben? Zou Hij door de aanvallen die bedacht worden door een geest die Hij Zelf geschapen heeft, verrast worden? Onmogelijk! En wanneer alle volken van deze aarde, volledig verblind door hun haat, samen optrekken tegen Jeruzalem om deze stad te belegeren, dan zal die stad voor henzelf tot een beker gif, tot een "lastige steen" worden. Want "te dien dage" zal de HEERE de leiders van Juda en de bewoners van Jeruzalem glorierijk versterken. Hij zal door hen, maar ook in hen, werken. God zal over Zijn nederig en berouwvol volk "de Geest van de genade en van de gebeden" uitstorten (vers 10). In Hem Die zij doorstoken hebben, zullen de Joden dan eindelijk hun trouwe Herder, de Erfgenaam van de troon van David, de eniggeboren Zoon van God, erkennen.

Gelovige vriend, wanneer het waar is, dat de Heere er een behagen in heeft ook door ons te werken (en dat ís waar!), laten we het werk dat Hij zo graag in ons wil volbrengen, nooit uit het oog verliezen! Waaruit dat werk bestaat? Hij wil ons steeds opnieuw het kruis en de wonderbare gevolgen daarvan onder de aandacht brengen.

En de verzen 11 - 14 brengen tevens duidelijk naar voren dat iedereen, persoonlijk, de schuld van zijn zonde met God in het reine moet brengen.

Zacharia 13:1-9; Zacharia 14:1-5
1Te dien dage zal er een Fontein geopend zijn voor het huis Davids, en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de onreinigheid.2En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE der heirscharen, dat Ik uitroeien zal uit het land de namen der afgoden, dat zij niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de profeten, en den onreinen geest zal Ik uit het land wegdoen.3En het zal geschieden, wanneer iemand meer profeteert, dat zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, tot hem zullen zeggen: Gij zult niet leven, dewijl gij valsheid gesproken hebt in den Naam des HEEREN; en zijn vader en zijn moeder, die hem gegenereerd hebben, zullen hem doorsteken, wanneer hij profeteert.4En het zal geschieden te dien dage, dat die profeten beschaamd zullen worden, een iegelijk van wege zijn gezicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geen haren mantel aandoen, om te liegen;5Maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet, ik ben een man, die het land bouwt; want een mens heeft mij daartoe geworven van mijn jeugd aan.6En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmede ik geslagen ben, in het huis mijner liefhebbers.7Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen den Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen; sla dien Herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.8En het zal geschieden in het ganse land, spreekt de HEERE, de twee delen daarin zullen uitgeroeid worden, en den geest geven; maar het derde deel zal daarin overblijven.9En Ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en Ik zal het louteren, gelijk men zilver loutert, en Ik zal het beproeven, gelijk men goud beproeft; het zal Mijn Naam aanroepen, en Ik zal het verhoren; Ik zal zeggen: Het is Mijn volk; en het zal zeggen: De HEERE is mijn God.
1Ziet, de dag komt den HEERE, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem!2Want Ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen; en de stad zal ingenomen, en de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden; en de helft der stad zal uitgaan in de gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.3En de HEERE zal uittrekken, en Hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als Hij gestreden heeft, ten dage des strijds.4En Zijn voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg, die voor Jeruzalem ligt, tegen het oosten; en de Olijfberg zal in tweeen gespleten worden naar het oosten, en naar het westen, zodat er een zeer grote vallei zal zijn; en de ene helft des bergs zal wijken naar het noorden, en de helft deszelven naar het zuiden.5Dan zult gijlieden vlieden door de vallei Mijner bergen (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, den koning van Juda; den zal de HEERE, mijn God, komen, en al de heiligen met U, o HEERE!

Zojuist werden de blikken van Israël (en ook die van ons) gericht op het kruis (hoofdstuk 12 vers 10). Het bloed van Christus verzoent onze zonden, maar Zijn doorstoken zijde is ook een levende bron. Dat is ook een beeld van de praktische reiniging die het Woord in ons geweten bewerkt (Psalm 51 vers 3 en 8). Op die dag zullen de afgoden uitgeroeid zijn (Ezechiël 36 vers 25); de stemmen die leugen spreken, zullen zwijgen. Dan zal de Geliefde Zijn wonderbare geschiedenis vertellen: Als Mens naar deze aarde gekomen, heeft Hij de gestalte van een slaaf aangenomen, om Zijn schepselen te dienen (vergelijk hoofdstuk 11 vers 12 en Exodus 21 vers 2 - 6). Hij is in het bijzijn van Zijn eigen vrienden verwond (vergelijk Johannes 20 vers 27). Hij werd door de HEERE geslagen.

"Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd", zegt Filippi 2 vers 9. Ja, al heel spoedig zal dezelfde Heere Zich in de glorie van Zijn macht voorstellen aan de wereld. Waar deze gebeurtenis zal plaatsvinden? Op dezelfde plaats waar Hij eens deze aarde heeft verlaten, namelijk op de Olijfberg, die dan onder Zijn voeten uiteen zal splijten (hoofdstuk 14 vers 4; Handelingen 1 vers 11 en 12).

Maar Hij zal niet alleen terugkomen. "...en al de heiligen met U", wordt in vers 5 gezegd. Als een koninklijke stoet zal Christus dan de Zijnen met Zich meevoeren, die Hij al eerder tot Zich genomen zal hebben in de hemel. Het Nieuwe Testament bevestigt deze spoedige en triomferende "toekomst van onze Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen" (1 Thessalonika 3 vers 13).

Zacharia 14:6-21
6En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijke licht, en de dikke duisternis.7Maar het zal een enige dag zijn, die den HEERE bekend zal zijn; het zal noch dag, noch nacht zijn; en het zal geschieden, ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen.8Ook zal het te dien dage geschieden, dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oostzee, en de helft van die naar de achterste zee aan; zij zullen des zomers en des winters zijn.9En de HEERE zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de HEERE een zijn, en Zijn Naam een.10Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Geba tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats; van de poort van Benjamin af, tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de Hoekpoort toe; en van den toren van Hananeel, tot aan des konings wijnbakken toe.11En zij zullen daarin wonen, en er zal geen verbanning meer zijn; want Jeruzalem zal zeker wonen.12En dit zal de plage zijn, waarmede de HEERE al de volken plagen zal, die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: Hij zal een iegelijks vlees, daar hij op zijn voeten staat, doen uitteren; en een iegelijks ogen zullen uitteren in hun holen; een eens iegelijks tong zal in hun mond uitteren.13Ook zal het te dien dage geschieden, dat er een groot gedruis van den HEERE onder hen zal wezen, zodat zij een ieder zijns naasten hand zullen aangrijpen, een eens ieders hand zal tegen de hand zijns naasten opgaan.14En ook zal Juda te Jeruzalem strijden; en het vermogen aller heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver, en klederen in grote menigte.15Alzo zal ook de plage der paarden, der muildieren, der kemelen, en der ezelen, en aller beesten zijn, die in diezelve heirlegers geweest zullen zijn, gelijk gener plage geweest is.16En het zal geschieden, dat al de overgeblevenen van alle heidenen, die tegen Jeruzalem zullen gekomen zijn, die zullen van jaar tot jaar optrekken om aan te bidden den Koning, den HEERE der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutten.17En het zal geschieden, zo wie van de geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem, om den Koning, den HEERE der heirscharen, te aanbidden, zo zal er over henlieden geen regen wezen.18En indien het geslacht der Egyptenaren, over dewelke de. regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zo zal die plage over hen zijn, met dewelke de HEERE die heidenen plagen zal, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten.19Dit zal de zonde der Egyptenaren zijn, mitsgaders de zonde aller heidenen, die niet optrekken zullen, om te vieren het feest der loofhutten.20Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: De HEILIGHEID DES HEEREN. En de potten in het huis des HEEREN zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;21Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen den HEERE der heirscharen heilig zijn, zodat allen, die offeren willen, zullen komen, en van dezelve nemen, en in dezelve koken; en er zal geen Kanaaniet meer zijn, in het huis des HEEREN der heirscharen, te dien dage.

Hier vinden we het slot van het schouwspel. Bij de opening van de laatste episode zal de situatie, door de plotselinge verschijning van de Heere der heerlijkheid, totaal veranderd zijn. Zelfs het decor zal anders zijn. Een ongehoorde omwenteling zal het land compleet veranderen. De volken die daardoor verrast worden, terwijl zij oorlog voeren tegen Jeruzalem en de Goddelijke Koning, zullen bemerken dat ze plotseling door een vreselijke plaag getroffen worden (vers 12). Voortaan zullen de volken, in plaats van naar Jeruzalem op te trekken om de stad te belegeren, jaarlijks bedevaarten naar Jeruzalem moeten maken om daar de Koning, de HEERE, te aanbidden (vers 16). En aan hen die niet gehoorzamen, zal de regen onthouden worden. Zelfs de bellen van de paarden — de paarden die in de profetie van Zacharia zo'n grote plaats innemen — zullen dan de volgende inscriptie dragen: "De heiligheid des HEEREN", want alle kracht van de mensen — uitgebeeld door de paarden — zal voortaan voor God geheiligd zijn.

Geve de Heere, dat dit teken van afzondering en toewijding aan Hem ook nu al in onze harten gegraveerd staat! O, dat er toch niets binnendringt in onze harten wat niet met deze leus in overeenstemming is: "De heiligheid des HEEREN". Dan zal het bij ons nu al zo zijn als in die dag, waarop Hij openlijk "in Zijn heiligen" verheerlijkt en bewonderd zal worden (2 Thessalonika 1 vers 10).

Maleachi 1:1-14
1De last van het woord des HEEREN tot Israel, door den dienst van Maleachi.2Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE; maar gij zegt: Waarin hebt Gij ons liefgehad? Was niet Ezau Jakobs broeder? spreekt de HEERE; nochtans heb Ik Jakob liefgehad.3En Ezau heb Ik gehaat; en Ik heb zijn bergen gesteld tot een verwoesting, en zijn erve voor de draken der woestijn.4Ofschoon Edom zeide: Wij zijn verarmd, doch wij zullen de woeste plaatsen weder bouwen; alzo zegt de HEERE der heirscharen: Zullen zij bouwen, zo zal Ik afbreken; en men zal hen noemen: Landpale der goddeloosheid, en een volk, op hetwelk de HEERE vergramd is tot in eeuwigheid.5En uw ogen zullen het zien, en gijlieden zult zeggen: De HEERE zij groot gemaakt, van de landpale Israels af!6Een zoon zal den vader eren, en een knecht zijn heer; ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze? zegt de HEERE der heirscharen tot u, o priesters, verachters Mijns Naams! Maar gij zegt: Waarmede verachten wij Uw Naam?7Gij brengt op Mijn altaar verontreinigd brood, en zegt: Waarmede verontreinigen wij U? Daarmede, dat gij zegt: Des HEEREN tafel is verachtelijk.8Want als gij wat blinds aanbrengt om te offeren, het is bij u niet kwaad; en als gij wat kreupels of wat kranks aanbrengt, het is niet kwaad! Brengt dat toch uw vorst; zal hij een welgevallen aan u hebben? of zal hij uw aangezicht opnemen? zegt de HEERE der heirscharen.9Nu dan, smeekt toch het aangezicht van God, dat Hij ons genadig zij; zulks is van uw hand geschied, zal Hij uw aangezicht opnemen? zegt de HEERE der heirscharen?10Wie is er ook onder u, die de deuren om niet toesluit? En gij steekt het vuur niet aan op Mijn altaar om niet. Ik heb geen lust aan u, zegt de HEERE der heirscharen, en het spijsoffer is Mij van uw hand niet aangenaam.11Maar van den opgang der zon tot haar ondergang, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenen; en aan alle plaats zal Mijn Naam reukwerk toegebracht worden, en een rein spijsoffer; want Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt de HEERE der heirscharen.12Maar gij ontheiligt dien, als gij zegt: Des HEEREN tafel is ontreinigd, en haar inkomen, haar spijs is verachtelijk.13Nog zegt gij: Ziet, wat een vermoeidheid! maar gij zoudt het kunnen wegblazen, zegt de HEERE der heirscharen; gij brengt ook hetgeen geroofd is, en dat kreupel en krank is; gij brengt ook spijsoffer; zou Mij zulks aangenaam zijn van uw hand? zegt de HEERE.14Ja, vervloekt zij de bedrieger, die een mannetje in zijn kudde heeft, en den Heere belooft, en offert, dat verdorven is! want Ik ben een groot Koning, zegt de HEERE der heirscharen, en Mijn Naam is vreselijk onder de heidenen.

Dit is een heel ernstig Bijbelboek. Het bevat de laatste Goddelijke oproep aan het geweten en het hart van het Joodse volk. Te midden van dit volk zou vierhonderd jaar later Christus verschijnen. Wat laat het gesprek tussen de HEERE en Zijn volk zien? Van de kant van God wordt vanaf de eerste woorden de eeuwige, persoonlijke liefde, de Bron van elke zegening, zichtbaar: "Ik heb u liefgehad..." En wat zien we aan de kant van Israël? Ondankbaarheid en gewetenloosheid, kortom: de schaamteloosheid waarmee dit volk meent bewijzen te kunnen verlangen van de Goddelijke goedertierenheid. Welke vader, welke werkgever zou het kunnen verdragen dat hij met zo'n minachting behandeld wordt (vers 6)? Dit volk heeft echter niet alleen de eer die de HEERE toekwam, maar ook Zijn absoluut geldende voorschriften (vers 8; Leviticus 22 vers 17 - 25) en Zijn meest liefdevolle gevoelens met voeten getreden.

We hoeven echter niet al te lang zoeken naar lessen voor onszelf? Laten we oppassen dat wij niet gaan twijfelen aan de liefde van de Heere, of zelfs gaan mopperen en ons tegen Zijn wil gaan verzetten. Laten we niet onverschillig of met afkeer (vers 13) aan de vele bewijzen van Gods genade voorbijgaan. Die beginnen bij het kruis, waar Hij Zijn Zoon voor ons heeft overgegeven! Hoeveel waarde hebben de rechten en heeft de liefde van God voor ons?

'U bent aan 't kruis voor mij gestorven, daar hebt U voor mijn schuld geboet; U hebt een recht op mij verworven naar ziel en lichaam door Uw bloed. Geen vijand kan mij U ontroven; ik zal Uw liefde eeuwig loven.'

Maleachi 2:1-17
1En nu, gij priesters! tot u wordt dit gebod gezonden;2Indien gij het niet zult horen, en indien gij het niet zult ter harte nemen, om Mijn Naam eer te geven, zegt de HEERE der heirscharen, zo zal Ik den vloek onder u zenden, en Ik zal uw zegeningen vervloeken; ja, Ik heb ook alrede elkeen derzelve vervloekt, omdat gij het niet ter harte neemt.3Ziet, Ik zal u het zaad verderven; en Ik zal drek op uw aangezichten strooien, den drek uwer feesten, zodat men u met denzelven wegnemen zal.4Dan zult gij weten, dat Ik dit gebod tot u gezonden heb; opdat Mijn verbond met Levi zij, zegt de HEERE der heirscharen.5Mijn verbond met hem was het leven, en de vrede; en Ik gaf hem die tot een vreze; en hij vreesde Mij, en hij werd om Mijns Naams wil verschrikt.6De wet der waarheid was in zijn mond, en er werd geen onrecht in zijn lippen gevonden; hij wandelde met Mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er velen van ongerechtigheid.7Want de lippen der priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijn mond de wet zoeken; want hij is een engel des HEEREN der heirscharen.8Maar gij zijt van den weg afgeweken, gij hebt er velen doen struikelen in de wet, gij hebt het verbond met Levi verdorven, zegt de HEERE der heirscharen.9Daarom heb Ik ook u verachtelijk en onwaard gemaakt voor het ganse volk, dewijl gij Mijn wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet.10Hebben wij niet allen een Vader? Heeft niet een God ons geschapen? Waarom handelen wij dan trouwelooslijk de een tegen den ander, ontheiligende het verbond onzer vaderen?11Juda handelt trouwelooslijk, en er wordt een gruwel gedaan in Israel, en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt de heiligheid des HEEREN, welke Hij liefheeft; want hij heeft de dochters eens vreemden gods getrouwd.12De HEERE zal den man, die zulks doet, uitroeien uit de hutten van Jakob, dien, die waakt, en dien, die antwoordt, en die den HEERE der heirscharen spijsoffer brengt.13Dit tweede doet gijlieden ook, dat gij het altaar des HEEREN bedekt met tranen, met wening en met zuchting; zodat Hij niet meer het spijsoffer aanschouwen, noch met welgevallen van uw hand ontvangen wil.14Gij nu zegt: Waarom? Daarom dat de HEERE een Getuige geweest is, tussen u en tussen de huisvrouw uwer jeugd, met dewelke gij trouwelooslijk handelt; daar zij toch uw gezellin, en de huisvrouw uws verbonds is.15Heeft Hij niet maar een gemaakt, hoewel Hij des geestes overig had? En waarom maar dien enen? Hij zocht een zaad Gods. Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouwelooslijk handele tegen de huisvrouw zijner jeugd.16Want de HEERE, de God Israels, zegt, dat Hij het verlaten haat, alhoewel hij den wrevel bedekt met Zijn kleed, zegt de HEERE der heirscharen; daarom wacht u met uw geest, dat gij niet trouwelooslijk handelt.17Gij vermoeit den HEERE met uw woorden; nog zegt gij: Waarmede vermoeien wij Hem? Daarmede, dat gij zegt: Al wie kwaad doet, is goed in de ogen des HEEREN, en Hij heeft lust aan zodanigen; of, waar is de God des oordeels?

De Heere heeft speciaal tegen de priesters iets te zeggen. Zij hadden het zich ter harte moeten nemen dat zij Zijn Naam moesten eren (vers 2). Ook het ware christelijke dienen van vandaag heeft slechts datzelfde doel. Helaas is het echter maar al te vaak meer de dienstknecht dan zijn Heere Die gediend wordt.

Van wie anders dan Christus zou gezegd kunnen worden: "Er werd geen onrecht in Zijn lippen gevonden" (vers 6)? Zelfs de dienaars van de farizeeën moesten het toegeven: "Nooit heeft een mens gesproken, als deze Mens" (Johannes 7 vers 46). Deze volmaaktheid brengt het verdrietige karakter van de godsdienstige leiders (priesters, schriftgeleerden en Farizeeën) in de tijd dat de Heere Jezus hier op aarde wandelde, des te duidelijker naar voren. De Heere Jezus heeft het "verbond" gehouden (vers 5); zij hebben het verbroken. Hij wandelde in vrede en oprechtheid met God; zij zijn van de weg afgeweken. Hij "bekeerde er velen van ongerechtigheid"; zij hebben "velen doen struikelen" (vers 7 en 8; Jesaja 9 vers 16). "De wet der waarheid was in Zijn mond" (vers 6); zij vermoeiden de HEERE met hun woorden (vers 17; Mattheus 6 vers 7).

"Daarom, wacht u met uw geest, en dat niemand trouweloos handelt!", waarschuwen de verzen 15 en 16. Onze geest is net zo gevoelig als een cassettebandje of een cd-schijfje. Alles, zelfs het kleinste detail, wordt opgenomen en opgeslagen. Laten we daarom heel erg waakzaam zijn en ons alleen bezig houden met "al wat waarachtig is, al wat eerbaar is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt" (Filippensen 4 vers 8)!

Maleachi 3:1-12
1Ziet, Ik zende Mijn engel, die voor Mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot Zijn tempel komen die Heere, Dien gijlieden zoekt, te weten de Engel des verbonds, aan Denwelken gij lust hebt; ziet, Hij komt, zegt de HEERE der heirscharen.2Maar wie zal den dag Zijner toekomst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van een goudsmid, en als zeep der vollers.3En Hij zal zitten, louterende, en het zilver reinigende, en Hij zal de kinderen van Levi reinigen, en Hij zal ze doorlouteren als goud, en als zilver; dan zullen zij den HEERE spijsoffer toebrengen in gerechtigheid.4Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem den HEERE zoet wezen, als in de oude dagen, en als in de vorige jaren.5En Ik zal tot ulieden ten oordeel naderen; en Ik zal een snel Getuige zijn tegen de tovenaars, en tegen de overspelers, en tegen degenen, die valselijk zweren, en tegen degenen, die het loon des dagloners met geweld inhouden, die de weduwe, en den wees, en den vreemdeling het recht verkeren, en Mij niet vrezen, zegt de HEERE der heirscharen.6Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.7Van uwer vaderen dag af, zijt gij afgeweken van Mijn inzettingen, en hebt ze niet bewaard; keert weder tot Mij, en Ik zal tot u wederkeren, zegt de HEERE der heirscharen; maar gij zegt: Waarin zullen wij wederkeren?8Zal een mens God beroven? Maar gij berooft Mij, en zegt: Waarin beroven wij U? In de tienden en het hefoffer.9Met een vloek zijt gij vervloekt, omdat gij Mij berooft, zelfs het ganse volk.10Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.11En Ik zal om uwentwil den opeter schelden, dat hij u de vrucht des lands niet verderve; en de wijnstok op het veld zal u geen misdracht voortbrengen, zegt de HEERE der heirscharen.12En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen; want gijlieden zult een lustig land zijn, zegt de HEERE der heirscharen.

Maleachi betekent 'boodschapper van de HEERE'. De Heere Jezus gebruikt het eerste vers van het hoofdstuk van vandaag voor Johannes de Doper. Daarmee heeft Hij aan deze man, die de opdracht had het hart van het volk voor te bereiden voor Hemzelf, een eretitel gegeven (Mattheüs 11 vers 10).

De verwerping van de Messias en Zijn wegbereider heeft de loop van de profetie onderbroken. Hier wordt stilzwijgend aan de tegenwoordige tijd van de Gemeente voorbijgegaan en zien we dat de HEERE, door een werk van loutering en reiniging, de draad als het ware weer oppakt met de zonen van Levi (vers 2 en 3; Psalm 66 vers 10; Job 28 vers 1).

Sommigen van ons hebben misschien wel eens toegekeken bij het werk van een zilversmid, hoe hij bezig was het zilver te reinigen. Gedurende het smeltproces zit hij naast de smeltoven. Het hele procedure is pas afgelopen wanneer hij duidelijk zijn eigen spiegelbeeld in het glanzende metaal kan zien. Dat is een prachtige illustratie van hetgeen de Heere in ons volbrengt! Hij weet onze omstandigheden zo te leiden, soms door het vuur van de beproeving aan te wakkeren, om ons van elke onreine verbinding te bevrijden. En Hij zal met groot geduld doorgaan met dit werk, totdat Zijn stralend beeld in ons weerspiegeld wordt (vergelijk Zacharia 13 vers 9; 2 Korinthe 3 vers 18).

Wat zal er door de Heere heen gaan, wat zal Hij ondervinden, wanneer wij Hem de gaven die Hem toebehoren en waar Hij recht op heeft, ontroven? Als wij Hem niet meer dienen en vertrouwen? "Beproeft Mij", zegt Hij tegen Zijn volk. Ja, de Heere verheugt Zich, wanneer ons geloof het Hem mogelijk maakt ons te zegenen!

Maleachi 3:13-18; Maleachi 4:1-6
13Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de HEERE; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?14Gij zegt: Het is tevergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is het, dat wij Zijn wacht waarnemen, en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht des HEEREN der heirscharen?15En nu, wij achten de hoogmoedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen, worden gebouwd; ook verzoeken zij den HEERE, en ontkomen.16Alsdan spreken, die den HEERE vrezen, een ieder tot zijn naaste: De HEERE merkt er toch op en hoort, en er is een gedenkboek voor Zijn aangezicht geschreven, voor degenen, die den HEERE vrezen, en voor degenen, die aan Zijn Naam gedenken.17En zij zullen, zegt de HEERE der heirscharen, te dien dage, dien Ik maken zal, Mij een eigendom zijn; en Ik zal hen verschonen, gelijk als een man zijn zoon verschoont, die hem dient.18Dan zult gijlieden wederom zien, het onderscheid tussen den rechtvaardige en den goddeloze, tussen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient.
1Want ziet, die dag komt, brandende als een oven, dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in brand zetten, zegt de HEERE der heirscharen, Die hun noch wortel, noch tak laten zal.2Ulieden daarentegen, die Mijn Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijn vleugelen; en gij zult uitgaan, en toenemen, als mestkalveren.3En gij zult de goddelozen vertreden; want zij zullen as worden onder de zolen uwer voeten, te dien dage, dien Ik maken zal, zegt de HEERE der heirscharen.4Gedenk der wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hen bevolen heb op Horeb aan gans Israel, der inzettingen en rechten.5Ziet, Ik zende ulieden den profeet Elia, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zal.6En hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart der kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den ban sla.

God stelt ons hier die enkelingen voor de aandacht die trouw, nederig en nog verborgen waren. Hun zou de eer te beurt vallen Zijn Zoon, bij Zijn komst hier op aarde, te mogen ontvangen. Zij zijn Zijn eigendom; hun namen staan opgeschreven in "een gedenkboek". In de evangeliën worden enkelen van hen met name genoemd: Maria, Zacharia, Elizabeth, Simeon, Anna...

En hoe is het vandaag? Behoort u, behoor jij, ook bij hen die de Heere vrezen en die met elkaar over Hem praten en Zijn wederkomst verwachten?

Later, tijdens de grote verdrukking, zal er een overblijfsel bestaan dat de Naam van de HEERE zal vrezen (hoofdstuk 4 vers 2; Openbaring 12 vers 17). Voor hen "zal de Zon der gerechtigheid opgaan". Aan alle werken van de duisternis zal dan een einde komen, de hoogmoedigen en de goddelozen zullen verteerd worden (hoofdstuk 3 vers 15 en 4 vers 1 en 2).

Het Oude Testament — met andere woorden: de teleurstellende geschiedenis van de eerste Adam — eindigt met het woord "ban" (vloek). De ongeneeslijke ellende van de mens, die tot het eeuwig verderf leidt, is duidelijk bewezen. Zijn wij, in ons eigen geweten, daar ook van overtuigd? Zo ja, dan mogen ook wij vanaf de eerste bladzijde van het Nieuwe Testament de Naam van de tweede Mens, de Heere Jezus, leren kennen. In Hem heeft God Zijn volkomen welgevallen gevonden, en wij hebben in Hem het heil en eeuwig geluk gevonden.

Galaten 1:1-10
1Paulus, een apostel,, geroepen niet van mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God den Vader, Die Hem uit de doden opgewekt heeft),2En al de broeders, die met mij zijn, aan de Gemeenten van Galatie:3Genade zij u en vrede van God den Vader, en onzen Heere Jezus Christus;4Die Zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld, naar den wil van onzen God en Vader;5Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.6Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van dengene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie;7Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren.8Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.9Gelijk wij te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.10Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus.

De Brief die de apostel Paulus aan de "gemeenten van Galatië" richt, is scherp van toon. Hij heeft zich nu namelijk niet bezig te houden met een morele zonde, zoals bij de Korinthiërs, maar met een ontzettende dwaalleer.

Misleid door valse leraars, stonden de Galaten op het punt om de genade, het enige heilsmiddel, te verlaten en terug te keren tot een godsdienst van werken. Paulus wijst nadrukkelijk op de absoluutheid van de Goddelijke waarheid. Deze waarheid is uniek, compleet en volmaakt, want de Waarheid is Christus Zelf (Johannes 14 vers 6).

Soms hoor je bepaalde vrijdenkers beweren — in feite alleen om hun eigen ongeloof te rechtvaardigen — dat elk volk zijn eigen openbaringen heeft ontvangen. Daarmee bedoelen ze dan een godsdienst die aangepast is aan het karakter en de mate van civilisatie van dat betreffende volk. Niets is echter minder waar! Er bestaat slechts één evangelie, dat verkondigt dat onze Heere Jezus Christus "Zichzelf gegeven heeft voor onze zonden". En wat is daar het gevolg van? De apostel zegt het: "Opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige boze wereld" (vers 4).

Vers 10 herinnert ons aan een andere principiële waarheid. Het verlangen in de gelovige om mensen te behagen, berooft hem van de eigenschap dat hij een dienstknecht van Christus is! Hoe is dat bij ons, bij mij? Verlang ik er allereerst, ja enkel en alleen, naar Hem te behagen (1 Thessalonika 2 vers 4)?

Galaten 1:11-24
11Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens.12Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus.13Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte;14En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen.15Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade,16Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed;17En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij apostelen waren; maar ik ging henen naar Arabie, en keerde wederom naar Damaskus.18Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen.19En zag geen ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des Heeren.20Hetgeen nu ik u schrijf, ziet, ik getuig voor God, dat ik niet lieg!21Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrie en van Cilicie.22En ik was van aangezicht onbekend aan de Gemeenten in Judea, die in Christus zijn.23Maar zij hadden alleenlijk gehoord, dat men zeide: Degene, die ons eertijds vervolgde, verkondigt nu het geloof, hetwelk hij eertijds verwoestte.24En zij verheerlijkten God in mij.

Wat een geluk voor ons, dat wij het Woord van God volkomen kunnen vertrouwen. Als het evangelie dat Paulus verkondigde, "naar de mens" (vers 11) geweest zou zijn, dan hadden de Galaten reden gehad om aanvullingen of veranderingen aan te brengen. Maar dat was niet zo! En om de Goddelijke oorsprong van zijn dienst te bevestigen, vertelt Paulus op welke buitengewone wijze hem deze dienst werd toevertrouwd. God had hem daartoe afgezonderd (vers 15). God had Zijn Zoon in hem geopenbaard. En het was God Die hem in Zijn school in de woestijn van Arabië heeft opgeleid, zonder de hulp van een menselijke leraar. Bovendien had Christus hem direct vanuit de hemel aangesproken, om hem te roepen (Handelingen 9).

Als we weten wie Paulus was en wat hij van plan was, toen hij zich op de weg naar Damaskus bevond, dan weten wij ook dat hij dat werk met de beste bedoelingen wilde volbrengen. Toch kan iemand met de beste bedoelingen een vijand van de Heere zijn, wat hijzelf op dat moment echter niet weet (Johannes 16 vers 2). Maar wat heeft er een verandering plaatsgevonden bij Paulus! Wat had hij nu de Gemeente van God lief, terwijl hij haar voordien zo erg vervolgd had!

Laten we toch navolgers zijn van deze toewijding aan de Heere en de Zijnen en ook met zo'n ijver het geloof verkondigen (vers 23)! Daarbij moeten we echter goed in de gaten houden dat God eerst Zijn Zoon in onszelf geopenbaard moet hebben (vers 16) voordat wij anderen over Hem kunnen vertellen. God wil in onze harten graag een onvergelijkbare kennis van Christus bewerken, opdat ons getuigenis uitgaat van deze kennis (2 Korinthe 4 vers 6).

Galaten 2:1-10
1Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus medegenomen hebbende.2En ik ging op door een openbaring, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen; en in het bijzonder aan degenen, die in achting waren, opdat ik niet enigszins tevergeefs zou lopen of gelopen hebben.3Maar ook Titus, die met mij was, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.4En dat om der ingekropen valse broederen wil, die van bezijden ingekomen waren, om te verspieden onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen.5Denwelken wij ook niet een uur hebben geweken met onderwerping, opdat de waarheid van het Evangelie bij u zou verblijven.6En van degenen, die geacht waren, wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt den persoon des mensen niet aan; want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht.7Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis;8(Want Die in Petrus krachtelijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, Die wrocht ook krachtelijk in mij onder de heidenen);9En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechter hand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan;10Alleenlijk, dat wij den armen zouden gedenken; hetwelk zelf ik ook benaarstigd heb te doen.

Het bericht dat Paulus hier geeft over de omstandigheden die betrekking hebben op zijn apostelambt, is een mooie en belangrijke aanvulling op hetgeen wij al weten uit het Boek Handelingen. Terwijl de Heere aan Petrus de opdracht had toevertrouwd om het evangelie aan de Joden te verkondigen, werd Paulus uitverkoren om datzelfde evangelie aan de volken te prediken (vers 8). Zijn ontmoeting met de andere apostelen kon deze roeping, die hij rechtstreeks van de Heere ontvangen had, niet ontkrachten. Wel nam hij de vermaning om aan de armen te denken ter harte. En hij heeft dit zo trouw gedaan, dat het zelfs, zij het indirect, de aanleiding geweest is tot zijn gevangenschap in Jeruzalem (Handelingen 24 vers 17).

Maar nu naar onszelf. Wat kunnen wij van de onderlinge betrekkingen tussen de apostelen leren? Dat wij de dienst van anderen niet moeten minachten. En ook, dat we ervoor moeten oppassen niet hoger te denken van onze eigen dienst, maar dat we die juist in getrouwheid moeten volbrengen, zonder aanzien des persoons (vers 6).

Het Boek Handelingen vertelt duidelijk dat de eerste christenen, van Joodse afkomst, ontzettend veel moeite hadden met het loslaten van allerlei verordeningen, zoals de besnijdenis en het houden van de wet. Er was destijds een bespreking geweest in Jeruzalem om een oplossing te zoeken voor dit probleem (Handelingen 15). Satan ziet echter niet gauw af van een wapen dat hij eerder met succes heeft toegepast. Nu waren de Galaten, hoewel zij geen Joden waren, in dezelfde val getrapt. En Paulus deed er alles aan door hun te wijzen op het grote gevaar waarin zij zich bevonden .

Galaten 2:11-21
11En toen Petrus te Antiochie gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was.12Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren.13En ook de andere Joden veinsden met hem; alzo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hun veinzing.14Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Joodse wijze te leven?15Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen;16Doch wetende, dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd, opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus, en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden.17Maar indien wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde? Dat zij verre.18Want indien ik, hetgeen ik afgebroken heb, datzelve wederom opbouw, zo stel ik mijzelven tot een overtreder.19Want ik ben door de wet der wet gestorven, opdat ik Gode leven zou.20Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.21Ik doe de genade Gods niet te niet; want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zo is dan Christus tevergeefs gestorven.

Waarom was een terugkeer tot de wet dan zo erg? Waarom ging dit Paulus zo aan het hart, dat hij zover ging dat hij Petrus in het openbaar voor zijn dubbelhartige houding bestrafte (vers 11 - 14)? Omdat de oproep aan de gelovigen om naar de Joodse gebruiken te leven en allerlei werken te doen, uiteindelijk niets anders was dan te menen dat het werk van Christus niet toereikend zou zijn.

Datzelfde wordt ook vandaag de dag nog door veel christenen gedacht. In principe erkennen ze wel de waarde van het verzoeningswerk van Christus, maar tegelijkertijd baseren ze hun behoudenis ook op hun eigen werken en het nakomen van hun godsdienstige plichten. Ze 'doen wat ze kunnen', en rekenen voor het overige op God. Hier is slechts één antwoord op te geven: "dat de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van (in) Jezus Christus" (vers 16). Zo'n eenvoudig middel? Ja, maar wel door een verheven Persoon gegeven! Hij is de Zoon van God, "Die mij liefgehad heeft, en Zichzelf voor mij overgegeven heeft" (vers 20). Wat is dan nog mijn deel in dit werk? Dat wat een dode kan doen, dus niets. Met Christus gekruisigd, ben ik van de wet bevrijd, "en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij".

Beste vriend, vind je dit geen heerlijke uitspraken? Gelden die ook voor jou persoonlijk? Weet je dat de Heere Jezus ook jou heeft liefgehad en heb je Hem leren kennen als je Heere en Heiland? Leeft Christus in jou?

Galaten 3:1-14
1O gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?2Dit alleen wil ik van u leren: hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?3Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?4Hebt gij zoveel tevergeefs geleden? Indien maar ook tevergeefs!5Die u dan den Geest verleent, en krachten onder u werkt, doet Hij dat uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?6Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend;7Zo verstaat gij dan, dat degenen, die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.8En de Schrift, te voren ziende, dat God de heidenen uit het geloof zou rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen al de volken gezegend worden.9Zo dan, die uit het geloof zijn, worden gezegend met den gelovigen Abraham.10Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.11En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.12Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven.13Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die aan het hout hangt.14Opdat de zegening van Abraham tot de heidenen komen zou in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Geestes verkrijgen zouden door het geloof.

Deze Brief kan in verschillende onderwerpen onderverdeeld worden:

Hoofdstuk 1 en 2 hebben betrekking op het persoonlijke getuigenis van de apostel.

Hoofdstuk 3 en 4 gaan over de leer van het heil door geloof.

Hoofdstuk 5 en 6 behandelen het praktische leven van de verloste onder de genade.

Het hart van Paulus is geschokt en zijn ijver voor de waarheid komt voort uit zijn liefde voor de arme Galaten. Door welke geest van dwaling konden ze toch zo verblind worden, dat zij de genade van God vergaten? Ach, veel christenen lijken op hen. De gekruisigde Christus was hun voorgesteld (vers 1). Ze hadden in Hem geloofd en hadden door de Heilige Geest zekerheid van het heil ontvangen. Maar ze hebben zich voor de verdere leiding in hun christelijke leven niet aan Hem toevertrouwd. Nadat zij in de Geest begonnen waren, gingen ze verder in het vlees (vers 3). Of menen wij dat God, nadat Hij ons gerechtvaardigd heeft, op ons zou kunnen rekenen om Zijn werk te voleindigen? Nee, en daarom hebben wij hetzelfde geloof waardoor wij behouden zijn geworden, ook nodig voor ons leven (vers 11). De rechtvaardige wet van God eiste onze dood als vergelding voor elke ongehoorzaamheid. Hij vervloekte ons, omdat wij niet in staat waren de wet te houden. En Christus moest in onze plaats deze vloek op Zich nemen. Om ons vrij te kunnen kopen, heeft Hij die ontzettend hoge prijs moeten betalen. Hij heeft de vloek van de wet gedragen, toen Hij op het kruis de plaats innam die ik verdiend had. Tot in alle eeuwigheid mogen, ja moeten we Hem daarvoor prijzen!

Galaten 3:15-29
15Broeders, ik spreek naar den mens: zelfs eens mensen verbond, dat bevestigd is, doet niemand te niet, of niemand doet daartoe.16Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden, als van velen; maar als van een: En uw zade; hetwelk is Christus.17En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is, niet krachteloos gemaakt, om de beloftenis te niet te doen.18Want indien de erfenis uit de wet is, zo is zij niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven.19Waartoe is dan de wet? Zij is om der overtredingen wil daarbij gesteld, totdat het zaad zou gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is door de engelen besteld in de hand des Middelaars.20En de Middelaar is niet Middelaar van een, maar God is een.21Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre; want indien er een wet gegeven ware, die machtig was levend te maken, zo zou waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.22Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus Christus aan de gelovigen zou gegeven worden.23Doch eer het geloof kwam, waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof, dat geopenbaard zou worden.24Zo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden.25Maar als het geloof gekomen is, zo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.26Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus.27Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.28Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt een in Christus Jezus.29En indien gij van Christus zijt, zo zijt gij dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.

De apostel legt uit waarom de wet niets heeft veranderd aan de Goddelijke beloften. Deze beloften werden vóór de wet gegeven, en God spreekt Zichzelf niet tegen. De beloften werden aan het zaad van Abraham gegeven, dat wil zeggen: aan Christus (vers 16). Wat God aan Zijn Geliefde —en aan hen die Hem toebehoren — beloofd heeft, kan door niets ongeldig verklaard worden en is nergens mee in strijd. Waartoe dient de wet dan nog (vers 19)? We kunnen haar vergelijken met een spiegel. Als je je in het licht van de wet bekijkt, dan merk je hoe vuil je bent. Maar evenmin als een spiegel vlekken weg kan wassen, is ook de wet daar niet toe in staat. Dat is namelijk niet de functie van een spiegel (de wet). De wet overtuigt mij van zonde en leidt mij daardoor tot Christus (vers 24). Daarna is zijn rol beëindigd. Het is net als met een leraar die zijn leerling voorbereidt op een hogere klas. De school van de wet is trouwens een moeizame school! Daar leer ik dat ik een zondaar ben, maar ik kan daar niet gerechtvaardigd worden. Daar leer ik dat ik dood ben, maar ik kan daar geen kracht vinden waardoor ik levend kan worden. Daar leer ik inzien dat ikzelf zonder kracht ben, maar ik kan het daar ook niet krijgen. Wat nu? Alles wat mij ontbreekt, kan ik echter vinden in de Heere Jezus!

De doop is het openlijke teken dat wij, door Zijn dood, bij Christus horen. En jullie die al gedoopt zijn, leven jullie nu ook werkelijk als "kinderen van God door het geloof in Christus Jezus"? Hebben jullie in praktisch opzicht "Christus aangedaan" (vers 26 en 27)? Het is heel ernstig als onze uiterlijke belijdenis niet overeenkomt met de innerlijke!

Galaten 4:1-18
1Doch ik zeg, zo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zo verschilt hij niets van een dienstknecht, hoewel hij een heer is van alles;2Maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteld.3Alzo wij ook, toen wij kinderen waren, zo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld.4Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet;5Opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.6En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader!7Zo dan, gij zijt niet meer een dienstknecht, maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God door Christus.8Maar toen, als gij God niet kendet, diendet gij degenen, die van nature geen goden zijn;9En nu, als gij God kent, ja, veelmeer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?10Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.11Ik vrees voor u, dat ik niet enigszins tevergeefs aan u gearbeid heb.12Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u; gij hebt mij geen ongelijk gedaan.13En gij weet, dat ik u door zwakheid des vleses het Evangelie de eerste maal verkondigd heb;14En mijn verzoeking, die in mijn vlees geschiedde, hebt gij niet veracht noch verfoeid; maar gij naamt mij aan als een engel Gods, ja, als Christus Jezus.15Welke was dan uw gelukachting? Want ik geef u getuigenis, dat gij, zo het mogelijk ware, uw ogen zoudt uitgegraven, en mij gegeven hebben.16Ben ik dan uw vijand geworden, u de waarheid zeggende?17Zij ijveren niet recht over u; maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren.18Doch in het goede te allen tijd te ijveren is goed, en niet alleenlijk, als ik bij u tegenwoordig ben;

God heeft iets heel anders dan de wet gegeven: onvoorwaardelijke beloften. En deze beloften vonden hun oorsprong in Zijn liefde en Zijn vreugde in het zegenen van zowel de volken als de Joden. Zo'n gave verachten, zou dan ook betekenen dat je Zijn liefde veracht.

Misschien maakt het volgende voorbeeld dat wat duidelijker. Als je een cadeau krijgt en je wilt daarvoor iets betalen, dan beledig je de gever. Wat moet het het hart van God dan ontzettend bedroeven, dat zoveel christenen de vrijheid van de Geest vergeten en vervangen door armzalige en waardeloze gewoontes. Wat bewijst dit? Dat deze kinderen van God hun hemelse Vader heel slecht kennen. We kunnen ons indenken dat iemand die onbekeerd is, tevreden is met "zwakke en arme beginselen", omdat hij niets beters heeft. Maar de gelovige, die "God kent, ja veel meer door God gekend" is (vers 9; 1 Korinthe 8 vers 3), laat zich toch niet weer een juk opleggen? Hij wil toch niets meer te maken hebben met dat wat hem in feite onwaardig is? Ja, laten we toch het volste vertrouwen in Zijn liefde hebben!

In vers 12 onderbreekt de apostel zijn uitleggingen, om tot het hart van zijn geliefde Galaten te spreken. Hij herinnert hen aan hun welwillendheid en hun toewijding ten opzichte van hemzelf. Toegenegenheid voor iemand die verkilt als de persoon in kwestie niet aanwezig is, is echter slechts een zwakke genegenheid. Bepaalde overtuigingen die je je laat ontnemen zodra de dienstknecht van God is weggegaan, zijn slechts zwakke overtuigingen.

Hoe staat het met onze christelijke liefde en met ons geloof?

Galaten 4:19-31
19Mijn kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus een gestalte in u krijge.20Doch ik wilde, dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijn stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u.21Zegt mij, gij, die onder de wet wilt zijn, hoort gij de wet niet?22Want er is geschreven, dat Abraham twee zonen had, een uit de dienstmaagd, en een uit de vrije.23Maar gene, die uit de dienstmaagd was, is naar het vlees geboren geweest; doch deze, die uit de vrije was, door de beloftenis;24Hetwelk dingen zijn, die andere beduiding hebben; want deze zijn de twee verbonden; het ene van den berg Sinai, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Agar;25Want dit, namelijk Agar, is Sinai, een berg in Arabie, en komt overeen met Jeruzalem, dat nu is, en dienstbaar is met haar kinderen.26Maar Jeruzalem, dat boven is, dat is vrij, hetwelk is ons aller moeder.27Want er is geschreven: Wees vrolijk, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij, die geen barensnood hebt, want de kinderen der eenzame zijn veel meer, dan dergene, die den man heeft.28Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was.29Doch gelijkerwijs toen, die naar het vlees geboren was, vervolgde dengene, die naar den Geest geboren was, alzo ook nu.30Maar wat zegt de Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haar zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.31Zo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd, maar der vrije.

De apostel is beangst en ontdaan. Zou zijn werk dat hij met zoveel volharding verricht heeft, dan toch tevergeefs geweest zijn (vers 11)? Hij ziet zich ertoe gedwongen om nog een keer met de Galaten de elementaire grondbeginselen van het evangelie door te nemen. Laten wij daaruit ook profijt trekken, en deze beginselen, als het ware samen met hen, overdenken. Het speet Paulus dat hij zijn geestelijke kinderen geen mondeling onderwijs kon geven (vers 20), maar nu begrijpen we misschien ook waarom dat zo was: God wilde deze Brief (en daarmee datzelfde onderwijs) ook aan ons geven!

Misschien zijn er wel mensen die zeggen: 'Och, voor ons is het gevaar toch niet zo groot, dat wij ons weer onder de wet zouden stellen.' Nou, dan kennen we onszelf nog maar heel slecht! Iedere keer dat wij op een ons welgevallig wijze wandelen en menen dat God die wandel wel moet waarderen, dan is dat in feite niets anders dan eenzelfde wetticisme. Ieder keer dat wij ergens toe besluiten zonder rekening te houden met de Heere en iedere keer dat wij ons in ons eigen voordeel met anderen vergelijken, dan tonen wij een geest van eigengerechtigheid. En deze geest is een uitgesproken vijand van de genade (vergelijk vers 29). Om deze vijandschap te illustreren, herinnert Paulus aan de beide zonen van Abraham. Alleen Izaäk, de zoon van de belofte, is de rechtmatige erfgenaam. Ismaël, het kind van de dienstmaagd Hagar, is naar het vlees geboren en heeft geen enkel recht op de vaderlijke rijkdommen en zegeningen. En wij, horen wij allemaal bij het "Jeruzalem, dat boven is"? Zijn wij samen met Abraham, Izaäk en Jakob "mede-erfgenamen van dezelfde belofte" (vers 26; Hebreeën 11 vers 9, 10 en 16)?

Galaten 5:1-15
1Staat dan in de vrijheid, met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.2Ziet, ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet nut zal zijn.3En ik betuig wederom een iegelijk mens, die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen.4Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden; gij zijt van de genade vervallen.5Want wij verwachten door den Geest, uit het geloof, de hoop der rechtvaardigheid.6Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht noch voorhuid, maar het geloof, door de liefde werkende.7Gij liept wel; wie heeft u verhinderd der waarheid niet gehoorzaam te zijn?8Dit gevoelen is niet uit Hem, Die u roept.9Een weinig zuurdesem verzuurt het gehele deeg.10Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niet anders zult gevoelen; maar die u ontroert, zal het oordeel dragen, wie hij ook zij.11Maar ik, broeders! Indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zo is dan de ergernis des kruises vernietigd.12Och, of zij ook afgesneden werden, die u onrustig maken!13Want gij zijt tot vrijheid geroepen, broeders, alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees; maar dient elkander door de liefde.14Want de gehele wet wordt in een woord vervuld, namelijk in dit: Gij zult uw naaste liefhebben, gelijk uzelven.15Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe, dat gij van elkander niet verteerd wordt.

Vrijheid is voor de mens altijd al het kostbaarste geweest wat er bestaat. Maar waar kan hij die vrijheid werkelijk genieten? Hij is immers altijd een arme slaaf van zijn eigen begeerte; hij wordt geboren en sterft als het ware met kettingen vastgebonden aan zijn eigen hart.

Alleen Jezus Christus kan hem werkelijk vrijmaken (vers 1; Johannes 8 vers 36)!

Dan komt de vraag naar voren: hoe gebruikt de verloste van de Heere deze vrijheid? Zal hij zich bewust weer onder het strenge juk van de wet plaatsen (vers 1)? Dat zou even vreemd zijn als dat een vrijgelaten gevangene graag terug zal willen naar de gevangenis!

En kan hij dan de vrijheid maar gebruiken "tot een oorzaak voor het vlees" (vers 13)? Dat zou betekenen dat hij de weg van de gelovigen in Thessalonika in omgekeerde richting zou gaan: van het dienen van God terugkeren onder de tirannie van de afgoden van deze wereld (hoofdstuk 4 vers 8 en 9; Lukas 11 vers 26; 1 Thessalonicenzen 1 vers 9).

Nee, de christen zal de vrijheid die zijn Verlosser zo duur betaald heeft op het kruis, gebruiken om zijn naaste te dienen. Op die manier vervult hij uiteindelijk de wet, want die kan in dat ene woordje 'liefde' samengevat worden (vers 14). "Want die de ander liefheeft, die heeft de wet vervuld" (Romeinen 13 vers 8 en 9). En dan vervult hij ook het gebod van de Heere Jezus, Wiens laatste en grootste wens het was, dat wij elkaar zouden liefhebben, evenals Hij ons heeft liefgehad (Johannes 13 vers 34; hoofdstuk 15 vers 12 en 17).

Galaten 5:16-26
16En ik zeg: Wandelt door den Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet.17Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet.18Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet.19De werken des vleses nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid,20Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen,21Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beerven.22Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.23Tegen de zodanigen is de wet niet.24Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.25Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest wandelen.26Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.

De Heere geeft aan, hoe je kunt herkennen of een bepaald werk uit het vlees of uit de Geest is (lees Mattheüs 7 vers 16 - 20; Johannes 3 vers 6). "Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen". De werken die hier in vers 19 - 21 worden opgenoemd, kunnen daarom alleen van de slechte boom, het vlees, komen. Het vlees, met al zijn vreselijke uitwerkingen, is nog steeds in iedere gelovige aanwezig. Wanneer wij echter "van Christus" zijn (vers 24), woont er ook een werkzame Kracht in ons in de Persoon van de Heilige Geest. Hij leidt ons in ons leven (vers 25) en wandel (vers 16 en 25). Hij staat tegenover het vlees (vers 17). Hij leidt ons (vers 18). Hij brengt Zijn eigen vrucht tot rijpheid, een kostbare vrucht die niet met een andere verward kan worden. In vers 22 worden negen voortreffelijke 'zaadjes' van deze vrucht opgenoemd: liefde, vreugde, vrede...

Maar helaas kan een boom onvruchtbaar blijven, wanneer hij al zijn kracht stopt in de nutteloze wilde scheuten die nog uit zijn stam kunnen voortkomen. Wat doet de tuinman dan? Hij snoeit die wilde scheuten weg, opdat het sap alleen weer zal circuleren in de geënte, vruchtdragende takken. Dat is de betekenis van vers 24. "...die van Christus zijn" hebben bij hun bekering het vlees gekruisigd. Zij hebben zich door het geloof onder het doodvonnis over hun oude natuur geplaatst (de wilde boom werd eerst gesnoeid, om daarna geënt te worden). In 't vervolg moeten zij "die van Christus zijn" dan ook hun eigen uitingen, hun oude lusten en begeerten veroordelen. Ze moeten hun oude natuur, het oude en eigen ik voor dood houden. "Indien wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen" (vers 25).

Galaten 6:1-18
1Broeders, indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.2Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.3Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.4Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een anderen.5Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.6En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen dengene, die hem onderwijst.7Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.8Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.9Doch laat ons, goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.10Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs.11Ziet, hoe groten brief ik u geschreven heb met mijn hand.12Al degenen, die een schoon gelaat willen tonen naar het vlees, die noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden.13Want ook zijzelven, die besneden worden, houden de wet niet; maar zij willen, dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden.14Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.15Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.16En zovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezelve zal zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israel Gods.17Voorts, niemand doe mij moeite aan; want ik draag de littekenen van den Heere Jezus in mijn lichaam.18De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uw geest, broeders! Amen.

Hoofdstuk 6 leert ons wat de juiste houding is ten opzichte van een broeder die een misstap heeft begaan — zonder daarbij onze eigen verantwoordelijkheid uit het oog te verliezen (vers 1). Het laat ons zien hoe wij ons moeten opstellen tegenover hen die door bepaalde lasten terneergedrukt worden (vers 2), en ook hoe wij het goede kunnen en hebben te doen, in het bijzonder ten opzichte van de huisgenoten van het geloof (vers 10).

Het is nu voor ons een tijd om te zaaien, met het vooruitzicht op de oogst "te zijner tijd" (vers 9). Eén ding is daarbij echter nu al duidelijk: de oogst zal overeenkomen met het soort zaad dat gezaaid is. Alleen een dwaas zal misschien verwachten dat hij tarwe zal kunnen oogsten van het land waarop hij distels heeft gezaaid. Het vlees brengt slechts verderf voort, terwijl de vrucht van de Geest leidt tot het eeuwige leven (vers 8; hoofdstuk 5 vers 22; vergelijk Hosea 8 vers 7 en 10 vers 13). Het gaat er dus om, nu te kiezen, want later zal elk berouw tevergeefs zijn.

Er is al gezegd dat de christen voor de wet gestorven is (hoofdstuk 2 vers 19) en dat hij het vlees gekruisigd heeft (hoofdstuk 5 vers 24). Hier wordt bovendien nog gezegd dat hij "der wereld" gekruisigd is, hetgeen ook omgekeerd het geval is (vers 14). De wereld heeft voortaan geen enkel recht meer op mij, en ik heb geen enkel recht meer op de wereld. Tussen de wereld en mij staat nu een onoverkomelijke afrastering. Dat is "het kruis van onze Heere Jezus Christus", mijn bevrijding en mijn heerlijkheid. Aan de ene kant ben ik "een nieuw schepsel" (vers 15), en aan de andere kant is er niets wat God nog in mij zou kunnen waarderen. Laten we toch in alles in overeenstemming zijn met Hem, zowel wat betreft de principes als onze praktijk.

Efeziërs 1:1-14
1Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, aan de heiligen, die te Efeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus:2Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.3Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.4Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;5Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.6Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde;7In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade,8Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid;9Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven.10Om in de bedeling van de volheid der tijden, wederom alles tot een te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is;11In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil;12Opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij, die eerst in Christus gehoopt hebben.13In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte;14Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid.

In de Brief aan de Efeziërs wordt de christen gezien in zijn hemelse positie. De hemel is voor het kind van God niet alleen een toekomstige verblijfplaats, maar daar heeft hij nu in Christus al zijn woning. Een vader die ver van huis moet werken en de hele week niet thuis komt, zal er geen moment aan denken om de fabriek of het kantoor als zijn 'thuis' te beschouwen. Het feit dat hij een hele week van huis is, vormt voor hem geen verhindering zijn huis en gezin als zijn ware 'thuis' te zien, de plaats waarnaar zijn genegenheden uitgaan, waar zijn interesses liggen, ja, waar alles is wat hij bezit.

Dat is "de hemel" (letterlijk: 'de hemelse', dat wil zeggen: de hemelse gebieden, de hemelse gewesten) ook voor de verloste: de vertrouwde plaats, waar al zijn rijkdom en tegelijkertijd zijn hart is (Lukas 12 vers 34), omdat daar zijn Verlosser is. Christus is in de hemel en wij zijn daar in Christus. Door dit dubbele feit zijn we verzekerd van de vrije toegang tot de grote en kostbare zegeningen, die van Hem zijn. Alles wat betrekking heeft op de Geliefde, betreft op dezelfde wijze ook allen die in Hem "begenadigd", of aangenaam gemaakt zijn (vers 6). Vandaar ook dat de apostel het hele voornemen van God in Christus (de Bron van alle zegeningen) onthult in deze ene lange zin (vers 3 - 14). Er mag in deze ene zin ook geen enkele onderbreking voorkomen, omdat alles naar de gedachten van één Persoon, van God Zelf is, en met Hem verbonden is. Zo is het ook met datgene wat Hij voor ons doet; ook dat is onlosmakelijk verbonden met hetgeen Hij voor Christus doet. En dat alles moet uiteindelijk "zijn tot prijs van Zijn heerlijkheid" (vers 12) en bijdragen "tot prijs der heerlijkheid van Zijn genade" (vers 6).

Efeziërs 1:15-23
15Daarom ook ik, gehoord hebbende het geloof in den Heere Jezus, dat onder u is, en de liefde tot al de heiligen,16Houde niet op voor u te danken, gedenkende uwer in mijn gebeden;17Opdat de God van onzen Heere Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve den Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis;18Namelijk verlichte ogen uws verstands, opdat gij moogt weten, welke zij de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom zij der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen;19En welke de uitnemende grootheid Zijner kracht zij aan ons, die geloven, naar de werking der sterkte Zijner macht,20Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft Hem gezet tot Zijn rechter hand in den hemel;21Verre boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij, en allen naam, die genaamd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende;22En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen;23Welke Zijn lichaam is, en de vervulling Desgenen, Die alles in allen vervult.

In zijn gebed, dat gericht is aan "de God van onze Heere Jezus Christus" (vers 17), bidt de apostel voor de heiligen, opdat zij toch vooral mogen weten wat hun positie is (vers 18) en ook door welke kracht zij daar gebracht zijn (vers 19 en 20). De volheid van onze zegeningen komt voort uit het feit dat wij met Christus gezegend zijn.

Eens in het verderf verbonden met de eerste Adam, zijn wij nu in heerlijkheid met de tweede Mens verbonden. Als Mens bezit de Heere Jezus niets wat Hij in Zijn volkomen liefde ook niet voor ons toegankelijk gemaakt heeft: de heerlijkheid (Johannes 17 vers 22), de vreugde (Johannes 15 vers 11), de vrede (Johannes 14 vers 27), de liefde van de Vader (Johannes 17 vers 26). Hij zal deze kostbare erfenis niet zonder Zijn mede-erfgenamen in bezit nemen.

Paulus vraagt niet of de heiligen aan deze dingen deel mogen krijgen — want zij behoren hun al toe! — maar dat zij zich daarover zullen verblijden. En laten we niet vergeten dat het de ogen van ons hart zijn die open moeten gaan voor deze heerlijke realiteiten. De liefde is de ware sleutel tot het verstaan (Lukas 24 vers 31 en 32). De Geest wekt onze genegenheid op, opdat wij Christus aanschouwen, de opgestane Mens, Die met macht en majesteit bekleed is (volgens Psalm 8). Zijn Lichaam, de Gemeente, is — en dat is onbegrijpelijk groot voor ons, en je durft het niet te zeggen als de Schrift het Zelf niet zou aangeven — de vervolmaking, de completering van Hem als Mens, de volheid van het verheerlijkte "Hoofd" in de hemel. Dat is de volheid "van Hem, Die alles in alles vervult" (vers 23).

Efeziërs 2:1-10
1En u heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden;2In welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest, die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid;3Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen;4Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft,5Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden)6En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus;7Opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.8Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave;9Niet uit de werken, opdat niemand roeme.10Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.

De verzen 1 - 3 geven in een paar woorden een beschrijving van onze tragische vroegere toestand. Als kinderen van de toom wandelden wij overeenkomstig de wereld en tegelijkertijd naar de gedachten van "de overste van de macht der lucht" en naar onze eigen verfoeilijke begeerten. Maar toen is God als het ware daartussen getreden (vers 4). "Zijn grote liefde" heeft zich erbarmd over zo'n grote ellende. Hij heeft deze doden "levend gemaakt". Hij heeft hen opgewekt. Ja, nog meer, Hij heeft hen in Zijn eigen hemel plaats laten nemen, de plaats waar Hij Christus aan Zijn rechterhand gezet heeft (vers 6; hoofdstuk 1 vers 20).

Óf men is dood in zijn zonden, óf men zit in de hemelse gewesten! Een tussenpositie bestaat er niet! Wat is uw en jouw positie?

De verzen 8 - 10 bevestigen de nutteloosheid van onze werken om het heil te kunnen verwerven. Maar het wijst tevens op de grote waarde van het werk van God: "wij zijn Zijn maaksel". Zijn we dan, doordat we geplaatst zijn in de hemelse gewesten, van elke activiteit hier op aarde ontbonden? Juist integendeel! Gered door de genade, zijn we tot nieuwe mensen gemaakt (zie hoofdstuk 4 vers 24), net zoals een bepaald stuk gereedschap voor een bepaald doel gemaakt wordt. Ons doel is: goede werken doen, die God in Zijn goedertierenheid (vers 7) tevoren toebereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen (vers 10; Psalm 100 vers 3; Psalm 119 vers 73). Niet alsof Hij onze werken nodig zou hebben, maar Hij wil graag onze overgave en toewijding aan Hem zien. Laten we daarom nooit vergeten om elke morgen aan Hem te vragen: Heere, laat mij vandaag toch zien wat Uzelf voor mij toebereid hebt, en laat mij dat ook met Uw hulp mogen uitvoeren (Hebreeën 13 vers 21).

Efeziërs 2:11-22
11Daarom gedenkt, dat gij, die eertijds heidenen waart in het vlees, en die voorhuid genaamd werdt van degenen, die genaamd zijn besnijdenis in het vlees, die met handen geschiedt;12Dat gij in dien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, en vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld.13Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus.14Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende,15Heeft Hij de vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende;16En opdat Hij die beiden met God in een lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende.17En komende, heeft Hij door het Evangelie vrede verkondigd u, die verre waart, en dien, die nabij waren.18Want door Hem hebben wij beiden den toegang door een Geest tot den Vader.19Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen, en huisgenoten Gods;20Gebouwd op het fondament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen;21Op Welken het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijnde, opwast tot een heiligen tempel in den Heere;22Op Welken ook gij mede gebouwd wordt tot een woonstede Gods in den Geest.

In vergelijking met het Joodse volk liet het lot van de volken veel te wensen over. Zij hadden geen enkel recht op de beloften die de eeuwige God aan Abraham en zijn nageslacht gedaan had (Romeinen 9 vers 4). En ook wij behoorden tot deze 'vreemdelingen'. Het is heel goed om die tijd in gedachten te houden (vers 11), waarin wij "zonder Christus" waren en daarom "geen hoop" hadden en "zonder God in de wereld" waren (vers 12). Als wij dat steeds voor ogen houden, dan wordt alles wat wij nu in Hem mogen bezitten, nog veel kostbaarder voor ons. Onze verbinding met God omvat meer dan enkel en alleen een verbond, namelijk ook onverdiende vrede (Romeinen 5 vers 1)! Daar zijn wij van verzekerd door de aanwezigheid van de Heere Jezus in de hemel, "want Hij is onze vrede" (vers 14). Hij heeft die vrede Zelf bewerkt (vers 15) en de volledige prijs daarvoor betaald. En tenslotte is Hij het ook Die deze vrede verkondigt (vers 17). Hij wilde het destijds aan niemand anders overlaten, om op de avond van Zijn opstandingsdag dit kostbare aan Zijn geliefde discipelen mee te delen. Hij zei tegen hen: "Vrede zij u!" (Johannes 20 vers 21; Jesaja 52 vers 7). En Hij voegde eraan toe: "Zoals Mij de Vader gezonden heeft, zend Ik ook u". Wij die de blijde boodschap van het evangelie gehoord en geloofd hebben, hebben nu de verantwoording dit ook aan anderen door te geven.

Aan het eind van dit hoofdstuk wordt ons de Gemeente voorgesteld als een Gebouw dat in aanbouw is. God Zelf is de Bouwer (zie Handelingen 2 vers 47), en het Gebouw is gefundeerd op de "apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen", zodat er hier op aarde voor God een woonplaats in de Geest is (vers 19 - 22).

Efeziërs 3:1-12
1Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van Christus Jezus, voor u, die heidenen zijt.2Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u;3Dat Hij mij door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik met weinige woorden te voren geschreven heb;4Waaraan gij, dit lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van Christus),5Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en profeten, door den Geest;6Namelijk dat de heidenen zijn medeerfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenoten Zijner belofte in Christus, door het Evangelie;7Waarvan ik een dienaar geworden ben, naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is, naar de werking Zijner kracht.8Mij, den allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen den onnaspeurlijken rijkdom van Christus,9En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;10Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods;11Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus, onzen Heere;12In Denwelken wij hebben de vrijmoedigheid, en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan Hem.

Dit hoofdstuk staat in sommige Bijbelvertalingen tussen haakjes. Daarmee wordt aangegeven dat het een soort tussenzin vormt. Waarom heeft de Heilige Geest deze 'onderbreking' toegelaten? Opdat het kostbare van dit hoofdstuk des te duidelijker naar zal komen: Christus en de Gemeente, de "verborgenheid", die nu geopenbaard is (vers 3 en 9).

Als de Goddelijke wijsheid al in de schepping bewonderd kan worden (Psalm 104 vers 24; Spreuken 3 vers 19), hoeveel te meer komt die wijsheid dan naar voren in de onwankelbare raadsbesluiten van God, met het oog op de heerlijkheid en de eeuwige vreugde van Zijn geliefde Zoon. Deze "veelvuldige wijsheid van God" werd op een onovertroffen en volkomen nieuwe wijze "door de Gemeente" geopenbaard (vers 10). Het wordt door de engelen bewonderd en aan "de heidenen", die tot nu toe zonder hoop waren, wordt dit "Evangelie", deze blijde boodschap, verkondigd (vers 8).

En aan Paulus werd de openbaring van deze verborgenheid, door een speciale roeping, het eerst bekendgemaakt. De grootte van deze verborgenheid maakte hem in eigen ogen klein. Het was zijn taak de rijkdommen van de genade (hoofdstuk 1 vers 7; 2 vers 7) en de Goddelijke heerlijkheid (hoofdstuk 1 vers 18; 3 vers 16) aan allen bekend te maken. De belofte van Psalm 84 vers 12: "de HEERE zal genade en eer geven", werd op het kruis vervuld. Deze wonderbare en vrije gaven zijn sindsdien ook ons deel. Wie heeft er als kind niet van gedroomd, grote schatten te ontdekken? Er bestaat voor ons echter geen grotere schat dan deze "onnaspeurlijke rijkdom" en laten we die door het geloof gerust in bezit nemen!

Efeziërs 3:13-21
13Daarom bid ik, dat gij niet vertraagt in mijn verdrukkingen voor u, hetwelke is uw heerlijkheid.14Om deze oorzaak buig ik mijn knieen tot den Vader van onzen Heere Jezus Christus,15Uit Welken al het geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt,16Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens;17Opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt;18Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij,19En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods.20Hem nu, Die machtig is meer dan overvloediglijk te doen, boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht, die in ons werkt,21Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid in de Gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen.

Het gebed van Paulus is hier gericht aan "de Vader van onze Heere Jezus Christus" (vers 14; vergelijk hoofdstuk 1 vers 16 en 17). Moge Hij, "Die machtig is meer dan overvloedig te doen, boven al wat wij bidden of denken" (vers 20), dit gebed voor ieder van ons verhoren. Geve Hij ons, dat wij toch iets van Zijn ondoorgrondelijke en eeuwige heerlijkheid mogen begrijpen (vers 18).

Hoe wonderbaar en oneindig de hoop op deze heerlijkheid ook mag zijn, toch is het niet datgene waardoor wij aangetrokken worden en geboeid raken. Daarom voegt de apostel er onmiddellijk aan toe: "En te kennen de liefde van Christus" (vers 19).

Stel dat je onverwachts in het paleis van een koning zou komen. Je zou dan ongetwijfeld overrompeld worden door de prachtige omgeving en je er misschien helemaal niet thuis voelen. Zou je daar echter je beste vriend tegenkomen, en zou hij zelfs de hoofdpersoon in die hele omgeving daar zijn, dan zou je je onmiddellijk op je gemak voelen. Dan zou je heel blij en gelukkig zijn, omdat je dat alles samen met hem mag beleven. Zo is het ook met de heerlijkheid: het is de heerlijkheid van onze Heere Jezus, Die wij liefhebben.

Laten we, samen met de apostel, toch bidden dat we "in de inwendige mens" versterkt mogen worden door de Geest (vers 16). Wanneer Christus in ons woont (vers 17), dan zullen we met niets anders en met niets minder vervuld zijn dan met "de volheid van God" (vers 19; Kolosse 2 vers 9 en 10). Bovendien zullen we dan ook vervuld zijn met kracht, liefde, geloof en kennis. Beste vrienden, de Vader heeft voor ons ruimte gemaakt, ja, ons een plaats gegeven in Zijn Huis (hoofdstuk 1 en 2), maar hebben wij in ons hart ook alle ruimte gemaakt voor de Heere Jezus?

Efeziërs 4:1-12
1Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt;2Met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende elkander in liefde;3U benaarstigende te behouden de enigheid des Geestes door den band des vredes.4Een lichaam is het, en een Geest, gelijkerwijs gij ook geroepen zijt tot een hoop uwer roeping;5Een Heere, een geloof, een doop,6Een God en Vader van allen, Die daar is boven allen, en door allen, en in u allen.7Maar aan elkeen van ons is de genade gegeven, naar de maat der gave van Christus.8Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven.9Nu dit: Hij is opgevaren; wat is het, dan dat Hij ook eerst is nedergedaald in de nederste delen der aarde?10Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou.11En Dezelfde heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars;12Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus;

"Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al de raad Gods. Zo hebt dan acht op uzelf...", zegt Paulus tegen de oudsten van Efeze (Handelingen 20 vers 27 en 28). En deze woorden komen overeen met de beide gedeelten van de Brief aan de Efeziërs. In de hoofdstukken 1 - 3 stelt de apostel het wonderbare raadsbesluit van God voor de aandacht. En in de hoofdstukken 4 - 6 spreekt hij over de wandel, die overeen moet komen met zo'n hoge roeping (1 Thessalonicenzen 2 vers 12). Vandaar ook dat hij nu begint met de woorden: "Zo bid (vermaan) ik u...".

Deze wandel moet in eerste instantie, in tegenstelling tot een hoogmoedige houding, juist gekenmerkt worden door: "ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, elkander verdragende in liefde... door de band van de vrede" (vers 2 en 3). Overeenkomstig "één hoop van uw roeping" verenigt "één Geest" de leden tot "één Lichaam" (vers

de mensen hebben echter veel kerken gesticht, die ieder voor zich hun aantal lidmaten bijhouden). Onder het gezag van "één Heere" wordt "één geloof", het christelijk geloof, onderwezen, en wordt door "één doop" aangetoond dat de zonden afgewassen zijn en de oude mens begraven is (vers

de mensen spreken echter over de doop van hun godsdienst!) En ten slotte heeft "één God en Vader" (vers 6), Die in ons allen en Die boven allen is, een Goddelijk recht op ons verworven.

De Heere Jezus is als de verheerlijkte Mens opgevaren "ver boven al de hemelen" (vers 10), nadat Hij eerst is afgedaald tot in de dood. En nu deelt Hij in Zijn genade Zijn veelvuldige gaven uit aan de Zijnen. Onderwerpen wij ons aan Hem?

Efeziërs 4:13-24
13Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus;14Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen;15Maar de waarheid betrachtende in liefde, alleszins zouden opwassen in Hem, Die het Hoofd is, namelijk Christus;16Uit Welken het gehele lichaam bekwamelijk samengevoegd en samen vastgemaakt zijnde, door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van een iegelijk deel in zijn maat, den wasdom des lichaams bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde.17Ik zeg dan dit, en betuig het in den Heere, dat gij niet meer wandelt, gelijk als de andere heidenen wandelen in de ijdelheid huns gemoeds.18Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hen is, door de verharding huns harten;19Welke, ongevoelig geworden zijnde, zichzelven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven.20Doch gij hebt Christus alzo niet geleerd;21Indien gij naar Hem gehoord hebt, en door Hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is;22Te weten dat gij zoudt afleggen, aangaande de vorige wandeling, den ouden mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding;23En dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest uws gemoeds,24En den nieuwen mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.

De meeste jonge mensen willen het liefst zo gauw mogelijk genieten van alle voorrechten van de volwassenen. Veel van hen staan er daarentegen heel onverschillig tegenover — en dat soms hun hele leven lang — dat zij in een geestelijke toestand van onmondigheid (dus als van kinderen) blijven.

De verzen 13 - 16 geven een beschrijving van de harmonieuze groei van het Lichaam van Christus, waartoe wij als gelovigen behoren. Deze groei is het resultaat van de ontwikkeling van elke gelovige afzonderlijk. In de Heere Jezus bereikt de "volkomen (volwassen) man" de mate van zijn volledige groei. Christus is in Zichzelf "de volheid" (vers 13; 1 Johannes 2 vers 13).

Een klein kind blijft daarentegen voortdurend ontvankelijk voor allerlei dwalingen, omdat het nog niet in de waarheid bevestigd is. Dat is een heel gevaarlijke toestand! We weten immers in welk een zedelijke en geestelijke duisternis de wereld, door haar onwetendheid met betrekking tot God, gevallen is (vers 17 - 19). Laten wij die in de waarheid die in Christus Jezus is, onderwezen zijn, toch duidelijk laten zien hoe wij "Christus ... geleerd" hebben (vers 20). Onze leer — beter gezegd: onze levenswijze — is een Persoon. Men kan Christus leren kennen, of zoals iemand het eens heeft gezegd: 'Overdenk Hem veel en leef Hem!'

Zoals we een bepaald kledingstuk kunnen verwisselen voor een ander, zo hebben wij ook "de oude mens" afgelegd en de nieuwe aangedaan (vers 22 - 24). Hoe iemand zich kleedt, blijft voor z'n omgeving niet onopgemerkt. Wat ziet men bij ons? De vuile kleren van de oude mens, of toch een zekere zedelijke overeenkomst met de Heere Jezus (Handelingen 4 vers 13)?

Efeziërs 4:25-32; Efeziërs 5:1-2
25Daarom legt af de leugen, en spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; want wij zijn elkanders leden.26Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;27En geeft den duivel geen plaats.28Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen dengene, die nood heeft.29Geen vuile rede ga uit uw mond, maar zo er enige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien, die dezelve horen.30En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.31Alle bitterheid, en toornigheid, en gramschap, en geroep, en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid;32Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft.
1Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;2En wandelt in de liefde, gelijkerwijs ook Christus ons liefgehad heeft, en Zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot een welriekenden reuk.

Het is ontzettend verdrietig dat God mensen die in Christus en samen met Hem in de hemelse gewesten geplaatst zijn, zulke elementaire vermaningen moet geven als: "legt af de leugen...; wie gestolen heeft, stele niet meer... wordt niet dronken" (vers 25, 28 en hoofdstuk 5 vers 18). Maar Hij weet waartoe onze arme, vleselijke harten nog steeds in staat zijn. En de duivel weet dat ook en hij zal geen enkele kans voorbij laten gaan om ons te verleiden, wanneer wij hem daartoe de gelegenheid geven (vers 27). Laten we eraan denken dat er voor iedere vermaning een verheven en aangrijpende beweegreden bestaat: het is alles vanwege de heiligheid van de drie Goddelijke Personen!

Ten eerste woont de Heilige Geest in ons; laten we er daarom voor oppassen dat we Hem bedroeven (vers 30).

Ten tweede zijn wij geliefde kinderen van de Vader, Die graag wil dat wij Zijn navolgers zijn (hoofdstuk 5 vers 1). "... elkander vergevend, zoals ook God in Christus u vergeven heeft", zegt Hij (hoofdstuk 4 vers 32). Dat gaat verder dan het gebed dat eens aan de Joodse discipelen geleerd werd: "En vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan een ieder" (Lukas 11 vers 4).

Ten derde is de Heere Jezus Zelf ons Voorbeeld (hoofdstuk 5 vers 2; Johannes 13 vers 14). Hij heeft ons geleerd wat liefde is, doordat Hij ons Zelf heeft liefgehad tot in de dood (1 Johannes 3 vers 16). Laten we echter nooit vergeten dat Hij Zich bovenal aan God geofferd heeft, als "een slachtoffer Gode tot een welriekende reuk" (hoofdstuk 5 vers 2)! `Liefelijke offergeuren stegen van het kruis omhoog, waar het Lam in peilloos lijden in het stof des doods Zich boog. Willig gaf de Zoon Zich over, welbehaaglijk in Gods oog.'

Efeziërs 5:3-21
3Maar hoererij en alle onreinigheid, of gierigheid, laat ook onder u niet genoemd worden, gelijkerwijs het den heiligen betaamt,4Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging.5Want dit weet gij, dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard, die een afgodendienaar is, erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God.6Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.7Zo zijt dan hun medegenoten niet.8Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere; wandelt als kinderen des lichts.9(Want de vrucht des Geestes is in alle goedigheid, en rechtvaardigheid, en waarheid),10Beproevende wat den Heere welbehagelijk zij.11En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.12Want hetgeen heimelijk van hen geschiedt, is schandelijk ook te zeggen.13Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar; want al wat openbaar maakt, is licht.14Daarom zegt Hij: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten.15Ziet dan, hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen.16Den tijd uitkopende, dewijl de dagen boos zijn.17Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat, welke de wil des Heeren zij.18En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;19Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart;20Dankende te allen tijd over alle dingen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus;21Elkander onderdanig zijnde in de vreze Gods.

Laten we ons hoeden voor dwaas gepraat en allerlei ongepaste grappen. En daarbij gaat het niet alleen om het zelf uitspreken (vers 3 - 5), maar ook het luisteren naar deze dingen (vers 6). Eens waren wij duisternis, maar nu zijn wij licht in de Heere; daartussenin ligt onze bekering; twee omstandigheden die ieder op zich gekenmerkt worden door een eigen wandel. Over onze vroegere wandel lezen we in hoofdstuk 2 vers 2 en hoofdstuk 4 vers 17 - 19. Maar we lezen in deze Brief ook over hetgeen ons nu moet kenmerken. Laten wij die geschapen zijn tot goede werken, ook daarin wandelen (hoofdstuk 2 vers 10). Laten wij, omdat we geroepen zijn tot de heerlijkheid van Christus, ook wandelen op een wijze die deze roeping waardig is (hoofdstuk 4 vers 1). Laten we als kinderen van de God van liefde ook zelf in de liefde wandelen (hoofdstuk 5 vers 1). Laten we, omdat we "kinderen van het licht" zijn geworden, ook dienovereenkomstig wandelen (vers 8; vergelijk Mattheüs 5 vers 14). Laten we in de boze en gevaarlijke dagen, waarin wij nu leven, goed uitkijken waar we onze voeten neerzetten en "voorzichtig" (zorgvuldig) wandelen (vers 15). Onze manier van wandelen is dus van uitermate groot belang! Zijn al deze aanwijzingen bedoeld als moeilijk en dwangmatig? Absoluut niet! De verzen 19 en 20 laten ook zien op welke wijze de christen zijn blijdschap en dankbaarheid kan en mag uiten.

Laten we veel over vers 16 nadenken. Ieder van ons zal wel eens spijt gevoeld hebben dat hij een gelegenheid tot het dienen of getuigen onbenut heeft gelaten! Laten we daarom de toekomstige gelegenheden uitbuiten! O, dat we de eenmalige en wonderbare kans om de rest van de korte tijd dat we nog hier op aarde zijn, voor de Heere Jezus te leven, toch niet verzuimen. Hij alleen is dat waard!

Efeziërs 5:22-33
22Gij vrouwen, weest aan uw eigen mannen onderdanig, gelijk aan den Heere;23Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams.24Daarom, gelijk de Gemeente aan Christus onderdanig is, alzo ook de vrouwen aan haar eigen mannen in alles.25Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de Gemeente liefgehad heeft, en Zichzelven voor haar heeft overgegeven;26Opdat Hij haar heiligen zou, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord;27Opdat Hij haar Zichzelven heerlijk zou voorstellen, een Gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, of iets dergelijks, maar dat zij zou heilig zijn en onberispelijk.28Alzo zijn de mannen schuldig hun eigen vrouwen lief te hebben, gelijk hun eigen lichamen. Die zijn eigen vrouw liefheeft, die heeft zichzelven lief.29Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt het, en onderhoudt het, gelijkerwijs ook de Heere de Gemeente.30Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vlees en van Zijn benen.31Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen; en zij twee zullen tot een vlees wezen.32Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente.33Zo dan ook gijlieden, elk in het bijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw, alzo lief als zichzelven; en de vrouw zie, dat zij den man vreze.

Vanaf hoofdstuk 5 vers 22 tot en met hoofdstuk 6 vers 9 toont de apostel de betrekkingen in het gezin, volgens de principes van het christendom. De onderwerping van de vrouw aan haar man (vers 22) wordt vandaag de dag in onze landen als ouderwets beschouwd. Wanneer de sfeer in een gezin echter bepaald wordt door het vrezen van de Heere, dan zal de man niets onbehoorlijks van z'n vrouw verlangen en zal de vrouw, op haar beurt, erkennen dat alles wat van haar verlangd wordt, naar de wil van de Heere is. Dan is het inderdaad zo, dat de houding van de man bepaald wordt door liefde. En opnieuw wordt ons dan het volmaakte Voorbeeld getoond: Christus in Zijn Goddelijke toewijding aan en Zijn genegenheid voor Zijn Gemeente (vers 25).

In de hoofdstukken 1 (vers 23) en 4 hebben we de Gemeente gezien als Zijn Lichaam, waarvan Hij het Hoofd is. In hoofdstuk 2 werd de Gemeente voorgesteld als een Gebouw, waarvan Hij de Hoeksteen is. En hier in dit hoofdstuk wordt zij ten slotte voorgesteld als Zijn Bruid. De kostbare bewijzen van Zijn grote liefde voor haar golden in het verleden, maar ondervindt zij ook in het heden en in de toekomst. Gisteren heeft Christus Zich voor Zijn Gemeente overgegeven (vers 2). Vandaag omringt Hij haar met Zijn zorg, en reinigt en voedt Hij haar, heeft Hij haar lief en bereidt haar met grote zorg voor op de heerlijke ontmoeting met Hem (vers 26 en 29; zie hoofdstuk 4 vers 11 en verder). Morgen zal Hij haar voor Zich stellen, tot Zijn vreugde, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar verheerlijkt, heilig en onberispelijk, omdat zij dan met Zijn eigen volmaaktheden bekleed zal zijn (vers 27).

Efeziërs 6:1-12
1Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in den Heere; want dat is recht.2Eert uw vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte),3Opdat het u welga, en dat gij lang leeft op de aarde.4En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.5Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus;6Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte;7Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen;8Wetende, dat zo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij datzelve van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht, hetzij vrije.9En gij heren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging; als die weet, dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, en dat geen aanneming des persoons bij Hem is.10Voorts, mijn broeders, wordt krachtig in den Heere, en in de sterkte Zijner macht.11Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.12Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.

We moeten niet menen dat deze Brief, waarin zulke verheven en soms abstracte waarheden voorgesteld worden, alleen voor vergevorderde christenen, voor volwassen mannen (zoals hoofdstuk 4 vers 13 dat zegt) bedoeld is. De apostel richt zich hier ook rechtstreeks tot de kinderen. En wat hij tegen hen te zeggen heeft, is helemaal niet moeilijk om te begrijpen: Gehoorzaam jullie ouders (vers 1) en zie hun vermaningen alsof die van de Heere Zelf komen. Deze tucht, hoe hard jullie het misschien ook mogen vinden, komt voort uit de aanwijzingen die jullie vaders met betrekking tot jullie ontvangen hebben (vers 4).

Wat de knechten en de "heren naar het vlees" betreft, is datgene wat hun hier opgedragen wordt, ook vandaag nog van toepassing op iedereen die een chef heeft (vers 5 - 8) of die werknemers heeft (vers 9). Elke dag zullen we op ons werk de gelegenheid hebben om deze verzen in praktijk te brengen, dat wil zeggen: de wil van de Heere te doen, want Hij ziet ons altijd en overal (vers 6).

We hebben hier echter wel kracht voor nodig. En die kracht kunnen we alleen in de Heere vinden (vers 10). Hij alleen zal en kan ons in staat stellen om de gevreesde, onzichtbare vijanden, "de geestelijke boosheden in de lucht" (vers 12), die ons bedreigen, te weerstaan, want Christus heeft Zichzelf geplaatst in de hemelse gewesten "ver boven alle overheid, en macht, en kracht, en heerschappij", nadat Hij hen heeft overwonnen op het kruis (hoofdstuk 1 vers 20 -22; Kolosse 2 vers 15).

Efeziërs 6:13-24
13Daarom neemt aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den bozen dag, en alles verricht hebbende, staande blijven.14Staat dan, uw lenden omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid;15En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes;16Bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij al de vurige pijlen des bozen zult kunnen uitblussen.17En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord.18Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen;19En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken;20Waarover ik een gezant ben in een keten, opdat ik in hetzelve vrijmoediglijk moge spreken, gelijk mij betaamt te spreken.21En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat; en wat ik doe, dat alles zal u Tychikus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heere, bekend maken;22Denwelken ik tot datzelfde einde tot u gezonden heb, opdat gij onze zaken zoudt weten, en hij uw harten zou vertroosten.23Vrede zij den broederen, en liefde met geloof, van God den Vader, en den Heere Jezus Christus.24De genade zij met al degenen, die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid. Amen.

Om de vreselijke "geestelijke boosheden" (vers 12) te kunnen weerstaan, zijn menselijke wapens volkomen ontoereikend. Dat zou namelijk net zoiets zijn als met blote handen tegen een pantser slaan (zie ook Job 40 vers 20 en verder). Gelukkig stelt God ons Zijn wapenrusting ter beschikking (vergelijk Romeinen 13 vers 12). Waaruit bestaat die uitrusting?

De waarheid als een gordel. Een teken van de kracht die wij ontvangen in onze onderwerping aan Zijn Woord. Door dit Woord heeft de Heere Jezus satan in de woestijn ook overwonnen. De gerechtigheid vormt het borstharnas. Dat is het beeld van een onberispelijke wandel, waarin men geen mankement kan ontdekken. Het evangelie van de vrede moet ons schoeisel zijn. Daarbij gaat het om een wandel in liefde, waardoor de mensen bereid gemaakt worden om de waarheid aan te nemen. Het geloof is als een schild. Dat spreekt van een volledig vertrouwen in datgene wat God is. De helm van het heil spreekt ook van vertrouwen, maar dan in datgene wat God gedaan heeft. Als wij met deze dingen bekleed en daardoor beschermd zijn, dan zullen we met het hanteren van "het zwaard van de Geest" en ons gebed de aanvallen kunnen overwinnen. Je bent echter te laat wanneer je je wapenrustig pas aandoet als er al gestreden moet worden. Je moet je uitrusting "te allen tijd" (vers 18) dragen, want dan kun je er zeker van zijn dat je beschermd wordt "in de boze dag" (vers 13).

Laten we in onze gebeden ook denken aan het werk van de Heere. De apostel vroeg zelf ook om voor hem te bidden (vers 18 en 19). En hij was er zeker van dat er onder de Efeziërs een grote belangstelling bestond voor het evangelie en de Gemeente. Geve de Heere, dat dit ook in ons hart leeft!

Filippenzen 1:1-18
1Paulus en Timotheus, dienstknechten van Jezus Christus, al den heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen:2Genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.3Ik dank mijn God, zo dikwijls als ik uwer gedenk.4(Te allen tijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende)5Over uw gemeenschap aan het Evangelie, van den eersten dag af tot nu toe;6Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus;7Gelijk het bij mij recht is, dat ik van u allen dit gevoel, omdat ik in mijn hart houde, dat gij, beide in mijn banden, en in mijn verantwoording en bevestiging van het Evangelie, gij allen, zeg ik, mijner genade mede deelachtig zijt.8Want God is mijn Getuige, hoezeer ik begerig ben naar u allen, met innerlijke bewegingen van Jezus Christus.9En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen;10Opdat gij beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat gij oprecht zijt, en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus;11Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God.12En ik wil, dat gij weet, broeders, dat hetgeen aan mij is geschied, meer tot bevordering van het Evangelie gekomen is;13Alzo dat mijn banden in Christus openbaar geworden zijn in het ganse rechthuis, en aan alle anderen;14En dat het meerder deel der broederen in den Heere, door mijn banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken.15Sommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid.16Genen verkondigen wel Christus uit twisting, niet zuiver, menende aan mijn banden verdrukking toe te brengen;17Doch dezen uit liefde, dewijl zij weten, dat ik tot verantwoording van het Evangelie gezet ben.18Wat dan? Nochtans wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een deksel, hetzij in der waarheid, verkondigd; en daarin verblijd ik mij, ja, ik zal mij ook verblijden.

Dit Bijbelboek wordt wel eens 'het boek van de christelijke ervaring' genoemd, een ervaring die je met een paar woorden zou kunnen samenvatten: 'Christus is mij voldoende'. Hij is namelijk mijn Leven (hoofdstuk 1), mijn Voorbeeld (hoofdstuk 2), mijn Doel (hoofdstuk 3), mijn Kracht en mijn Vreugde (hoofdstuk 4). Zo was het bij Paulus, maar is dat ook zo bij mij?

Paulus spreekt hier niet als een apostel of als leraar, maar noemt zich hier slechts een "dienstknecht in Jezus Christus". Zou hij aanspraak hebben kunnen maken op een hogere titel dan die welke zijn Meester Zelf heeft aangenomen (hoofdstuk 2 vers 7)? Paulus schrijft vanuit de gevangenis in Rome aan zijn geliefde Filippensen (onder wie een Lydia en de gevangenisbewaarder; Handelingen 16). Zijn grote verlangen (vers 8) naar deze gelovigen brengt hij tot uitdrukking in zijn gebeden. Het is goed om de volgorde in zijn gebed in de gaten te houden: liefde, ware erkentenis, geestelijk inzicht, een oprechte en niet-aanstootgevende wandel, en een vrucht die blijvend is (vers 9 - 11).

Wat zijn omstandigheden in de gevangenis aangaan, stelt Paulus hen gerust. De slag die de vijand wilde toebrengen aan het evangelie, heeft juist bijgedragen aan de verspreiding van het evangelie. Openlijke tegenstand, om de getuigen van de Heere te ontmoedigen, heeft gewoonlijk de tegenovergestelde uitwerking: de gelovigen worden actiever en moediger.

Wat doet de apostel, als hij hoort dat het evangelie soms met twijfelachtige bedoelingen verkondigd wordt? Hij wordt niet ongeduldig en heeft geen kritiek! Toch wil hij zich hier niet aan verbinden, hoewel hij blij is dat het werk van God voortgang vindt.

Filippenzen 1:19-30
19Want ik weet, dat dit mij ter zaligheid gedijen zal, door uw gebed en toebrenging des Geestes van Jezus Christus.20Volgens mijn ernstige verwachting en hoop, dat ik in geen zaak zal beschaamd worden; maar dat in alle vrijmoedigheid, gelijk te allen tijd, alzo ook nu, Christus zal groot gemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door den dood.21Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.22Maar of te leven in het vlees, hetzelve mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet.23Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.24Maar in het vlees te blijven, is nodiger om uwentwil.25En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven, en met u allen zal verblijven tot uw bevordering en blijdschap des geloofs;26Opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijn tegenwoordigheid wederom bij u.27Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken moge horen, dat gij staat in een geest, met een gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies;28En dat gij in geen ding verschrikt wordt van degenen, die tegenstaan; hetwelk hun wel een bewijs is des verderfs, maar u der zaligheid, en dat van God.29Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;30Denzelfden strijd hebbende, hoedanigen gij in mij gezien hebt, en nu in mij hoort.

Het hart van de mens is zo geschapen dat het geen leegte verdraagt. Het voelt altijd een honger, die de wereld probeert te stillen door een veelvoud van begerenswaardige dingen aan te bieden, waardoor haar klanten tevredengesteld kunnen worden. Wij weten echter uit eigen ervaring dat zulke 'etalages' — hoe lekker en mooi alles ook uitgestald wordt — na een paar uur hun bekoring en aantrekkingskracht verloren hebben. Dit is misschien een wat alledaagse vergelijking, maar het helpt ons het volgende te leren: Er bestaat niets wat nog aantrekkingskracht kan hebben voor het hart dat met de Heere Jezus vervuld is. Dat was ook het geval bij de apostel Paulus: Christus was het enige Voorwerp in zijn hart, zijn enige Doel in het leven.

Wie van ons zou vers 21 zonder meer op zichzelf durven toepassen? Toch bestaat de vooruitgang in het christelijke leven hieruit, dat je dit steeds meer gaat verwerkelijken in je leven.

Christus was voldoende voor Paulus, om te leven en te sterven. En als hij voor deze keus gesteld zou worden, zou hij niet weten wat hij moest kiezen. In het sterven gewon hij Christus, maar in het leven diende hij Hem. Uit liefde tot de heiligen was hij ertoe geneigd om te blijven.

De verantwoording van het evangelie brengt, net als elke strijd, lijden met zich mee (1 Thessalonika 2 vers 2). Maar ook het lijden is, net als het heil, een voorrecht, een geschenk van de genade van de Heere dat Hij de heiligen verleent (vers 29). Zouden we daarom de vervolgde christenen eigenlijk niet moeten benijden in plaats van medelijden met hen te hebben? Laten we in ieder geval voor deze broeders en zusters bidden. Op die manier zullen we samen met hen deelnemen in de strijd voor de waarheid.

Filippenzen 2:1-11
1Indien er dan enige vertroosting is in Christus, indien er enige troost is der liefde, indien er enige gemeenschap is des Geestes, indien er enige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn;2Zo vervult mijn blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde.3Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven.4Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is.5Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was;6Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn;7Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden;8En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.9Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is;10Opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.11En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

Om de weg tot alle harten te vinden, om een broeder te gewinnen, om een meningsverschil op te lossen, bestaat er slechts één geheim: zelfverloochening! Dat kunnen we leren door ons bezig te houden met ons onvergelijkbare Voorbeeld en Hem te aanbidden. De Heere Jezus zegt Zelf: "een ieder, die zichzelf verhoogt, zal vernederd worden" (door God), "en die zichzelf vernedert, zal (door Hem) verhoogd worden" (lees Lukas 14 vers 11 en 18 vers 14).

We vinden hier een korte samenvatting van twee geschiedenissen die precies het tegenovergestelde van elkaar zijn. Ten eerste de geschiedenis van de eerste Adam, die ongehoorzaam was, hetgeen de dood tot gevolg had. Dit 'voorbeeld' is nadien nagevolgd door een eerzuchtig en opstandig mensengeslacht. Ten tweede lezen we over de geschiedenis van de laatste Adam, Christus Jezus. Van Hem, Die uit liefde Zijn hemelse heerlijkheid heeft afgelegd, Zichzelf vernederde — totdat Hij niet dieper kon afdalen — tot de dood aan het kruis. De gestalte van een mens, de positie van een slaaf en de smadelijke dood van een misdadiger, dat zijn de verschillende etappes van de wonderbare weg die Hij hier op aarde heeft afgelegd. Ja, God was het aan Zijn gerechtigheid verschuldigd Hem te verheffen en Hem een Naam te geven "welke boven alle naam is" (vers 9). En onder de Naam Jezus, Die zowel heerlijk als vol liefde is en Die Hij heeft aangenomen om te gehoorzamen, te lijden en te sterven — onder deze Naam zal Hij als Heere erkend worden en de allesomvattende hulde ontvangen (vers 10 en 11).

Beste vriend, welke waarde heeft deze Naam voor jouw hart?

Filippenzen 2:12-30
12Alzo dan, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven;13Want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen.14Doet alle dingen zonder murmureren en tegenspreken;15Opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods zijnde, onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld;16Voorhoudende het woord des levens, mij tot een roem tegen den dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb gelopen, noch tevergeefs gearbeid.17Ja, indien ik ook tot een drankoffer geofferd worde over de offerande en bediening uws geloofs, zo verblijde ik mij, en verblijde mij met u allen.18En om datzelfde verblijdt gij u ook, en verblijdt ook ulieden met mij.19En ik hoop in den Heere Jezus Timotheus haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed moge zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben.20Want ik heb niemand, die even alzo gemoed is, dewelke oprechtelijk uw zaken zal bezorgen.21Want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is.22En gij weet zijn beproeving, dat hij, als een kind zijn vader, met mij gediend heeft in het Evangelie.23Ik hoop dan wel dezen van stonde aan te zenden, zo haast als ik in mijn zaken zal voorzien hebben;24Doch ik vertrouw in den Heere, dat ik ook zelf haast tot u komen zal.25Maar ik heb nodig geacht tot u te zenden Epafroditus, mijn broeder, en medearbeider en medestrijder, en uw afgezondene, en bedienaar mijner nooddruft;26Dewijl hij zeer begerig was naar u allen, en zeer beangst was, omdat gij gehoord hadt, dat hij krank was.27En hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft Zich zijner ontfermd; en niet alleen zijner, maar ook mijner, opdat ik niet droefheid op droefheid zou hebben.28Zo heb ik dan hem te spoediger gezonden, opdat gij, hem ziende, wederom u zoudt verblijden, en ik te min zou droevig zijn.29Ontvangt hem dan in den Heere, met alle blijdschap, en houdt dezulken in waarde.30Want om het werk van Christus was hij tot nabij den dood gekomen, zijn leven niet achtende, opdat hij het gebrek uwer bediening aan mij vervullen zou.

Als het grote Voorbeeld van gehoorzaamheid (vers 8) heeft de Heere het recht om ook van ons in alle dingen gehoorzaamheid te verwachten "zonder murmureren en tegenspreken" (vers 14).

De Filippensen waren niet door de afwezigheid van de apostel van deze verplichting ontbonden (vers 12). Integendeel! Omdat Paulus niet meer bij hen was om zich om hen te bekommeren, moesten zij er zelf op toezien dat zij hun christelijke loopbaan niet misliepen. De onderwerping aan de Heere houdt voor een jonge christen immers ook niet op als hij het ouderlijk huis verlaat. Nee, dan is hij zelf verantwoordelijk voor zijn wandel, voor hetgeen hij doet of nalaat!

Het woord dat in vers 12 met "werkt" of "bewerkt" vertaald is, betekent eigenlijk 'verzorgen' of 'onderhouden'. Daarbij mogen we denken aan het wieden van onkruid. In beeld gesproken betekent dat: het met alle ijver wegdoen van onreine gedachten, het nalaten van een onbehoorlijk gedrag, niet liegen, enzovoort. Hoewel niemand anders dat voor ons kan doen, kunnen we dit werk toch niet in eigen kracht volbrengen (vers 13). Zelfs het willen, het verlangen dit te doen, wordt door de Heere in ons gewerkt. Maar wat heeft dat een prachtig getuigenis tot gevolg (vers 14 - 16)!

In dit hoofdstuk worden een aantal voorbeelden genoemd, waarover we eens goed moeten nadenken. Om maar met het hoogste Voorbeeld van overgave en toewijding te beginnen: Christus. Vervolgens wordt Paulus genoemd, in verbinding met de Filippensen (vers 16 - 17). Daarna lezen we over Timotheüs (vers 20) en ten slotte nog over Epafroditus (vers 25, 26 en 30). Wat is vers 21 daarentegen ontzettend triest! Op wie willen wij graag lijken?

Filippenzen 3:1-11
1Voorts, mijn broeders, verblijdt u in den Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig, en het is u zeker.2Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding.3Want wij zijn de besnijding, wij, die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vlees betrouwen.4Hoewel ik heb, dat ik ook in het vlees betrouwen mocht; indien iemand anders meent te betrouwen in het vlees, ik nog meer;5Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israel, van den stam van Benjamin, een Hebreer uit de Hebreen, naar de wet een Farizeer;6Naar den ijver een vervolger der Gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk.7Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht.8Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.9En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof;10Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende;11Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.

Behalve mannen van God, zoals Timotheüs en Epafroditus, die men had te ontvangen en in ere moest houden (hoofdstuk 2 vers 29; 1 Korinthe 16 vers 15 - 18), bestonden er ook slechte arbeiders, voor wie men juist moest oppassen. Zij predikten namelijk een godsdienst van werken, die op het vlees vertrouwt en zich voedt met het aanzien van mensen. Als iemand al menselijke kwaliteiten zou kunnen aantonen, dan was dat zeker Paulus. Hij behoorde namelijk tot de elite van de Joden en was wat de wet betrof, streng gelovig en ijverig, als geen ander! Al deze 'goede eigenschappen' telt hij als het ware op en daarna zet hij een streep onder dit rijtje en noemt het eindresultaat: "schade" (vers 8). Zoals bij het opkomen van de zon alle sterren verbleken, zo was het de unieke Naam van de verheerlijkte Christus waarbij alle arme, aardse ijdelheid in het hart van Paulus verbleekte. Hij achtte al die dingen niet alleen als waardeloos, maar zelfs als verderfelijk. En het is helemaal geen groot offer — ook voor ons niet — om dan af te zien van al "die drek" (vers 8).

O, dat de Heere ons toch kan leren dat we alles afleggen wat tot onze eigen eer en aanzien zou kunnen dienen en waardoor wij onszelf misschien nog zo hoogachten. Ach, in feite zijn het allemaal dingen waarmee we onszelf proberen op te lappen. Laten we toch, net als Bar-Timeüs, onze eigen, oude mantel weggooien (Markus 10 vers 50)! Pas dan zullen we in staat zijn Hem te kennen (vers 10) en kunnen we Hem navolgen op Zijn weg, een weg Die voor Hem zelfverloochening, lijden en sterven, maar ook opstanding betekende (Mattheüs 16 vers 21 en 24), een weg die ook ons lijden en haat zal opleveren, maar waarop wij tevens Zijn nabijheid en gemeenschap zullen mogen ervaren!

Filippenzen 3:12-21
12Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben; maar ik jaag er naar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.13Broeders, ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb.14Maar een ding doe ik, vergetende, hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus.15Zovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren.16Doch, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen.17Weest mede mijn navolgers, broeders, en merkt op degenen, die alzo wandelen, gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt.18Want velen wandelen anders; van dewelken ik u dikmaals gezegd heb, en nu ook wenende zeg, dat zij vijanden des kruises van Christus zijn;19Welker einde is het verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hun schande, dewelken aardse dingen bedenken.20Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus;21Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.

Mensen die hier op aarde iets groots tot stand willen brengen, hebben gewoonlijk slechts oog voor dat ene doel. Heel hun doen en laten, al hun gedachten, zijn gericht op dat ene. Of het nu gaat om het veroveren van de Noordpool of de Zuidpool, of om het verkrijgen van een Nobelprijs, of het overwinnen van een vijand — altijd zijn er personen te vinden die inderdaad alles voor dat ene doel opofferen.

Zo was het ook bij Paulus, sinds hij door Christus was gegrepen (vergelijk Jeremia 20 vers 7). Hij wist dat de christelijke wedloop verplichtingen met zich meebracht en hij concentreerde zich als een echte wedloper, met al zijn kracht, op de finish. Nooit keek hij achterom, maar hij dacht voortdurend aan de beloning (lees 2 Timotheüs 4 vers 7). En nu stelt hij zichzelf voor ons tot een voorbeeld, een voorloper, en roept ons op hem op dezelfde 'renbaan' te volgen (vers 17). En laten wij dan net doen als hij, en alles vergeten wat achter ons ligt. Dat betreft zowel de successen waar we nog trots op zouden kunnen zijn, als het verlies dat we misschien geleden hebben en waardoor we ontmoedigd zouden kunnen raken. Laten we ons toch met alle kracht uitstrekken naar het doel dat voor ons ligt. Deze wedloop is absoluut geen gewoon wandeltochtje en we moeten ons er met alle energie volkomen voor inzetten!

Zouden zij van wie het burgerschap in de hemel ligt, zich nog willen (moeten) bezighouden met aardse dingen? Dat zou immers heel inconsequent zijn (vers 20)! Waarover spreken twee landslieden die elkaar in het buitenland ontmoeten? Over hun vaderland! Datzelfde zullen ook wij ondervinden (vergelijk vers 15), wanneer wij ons als christenen ontmoeten en spreken over de vreugde van het hemelse Vaderland.

Filippenzen 4:1-9
1Zo dan, mijn geliefde en zeer gewenste broeders, mijn blijdschap en kroon, staat alzo in den Heere, geliefden!2Ik vermaan Euodia, en ik vermaan Syntyche, dat zij eensgezind zijn in den Heere.3En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel, wees dezen vrouwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben in het Evangelie, ook met Clemens, en de andere mijn medearbeiders, welker namen zijn in het boek des levens.4Verblijdt u in den Heere te allen tijd; wederom zeg ik: Verblijdt u.5Uw bescheidenheid zij allen mensen bekend. De Heere is nabij.6Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God;7En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus.8Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zo er enige deugd is, en zo er enige lof is, bedenkt datzelve;9Hetgeen gij ook geleerd, en ontvangen, en gehoord, en in mij gezien hebt, doet dat; en de God des vredes zal met u zijn.

"Verblijdt u in de Heere", zegt de apostel heel nadrukkelijk. En dat, terwijl het hem niet ontbreekt aan oorzaken om te huilen (zie hoofdstuk 3 vers 18)!

Een ongelukkig meningsverschil veroorzaakte niet alleen onvrede tussen twee zusters (Euodia en Syntyche), maar verontrustte ook de gemeente. Paulus vermaant ieder persoonlijk. Zij moesten — en wij met hen — de les uit hoofdstuk 2 vers 2 leren (vergelijk Spreuken 13 vers 10)! Is mijn "bescheidenheid" (inschikkelijkheid) bekend bij mijn broeders en zusters en de mensen die mij kennen (vers 5)? Wat zou er veel strijd voorkomen kunnen worden wanneer wij ons meer bewust zouden zijn van het feit dat de komst van de Heere heel dichtbij is. En wat zouden we ons dan veel zorgen kunnen besparen!

Door het gebed kunnen we alles waardoor we zo onrustig en beangst worden, uit onze harten wegdoen. Opdat onze gebeden onmiddellijk verhoord worden? Dat hoeft niet per se, maar God zal dan wel Zijn volmaakte vrede in onze harten kunnen uitgieten (vers 7).

Een vraag: hoe kunnen we slechte gedachten vermijden? Door ons bezig te houden met de goede dingen! Laten we daarom vers 8 als een soort zeef op onszelf toepassen. Waar houdt mijn geest zich op dit moment mee bezig? "...al wat waarachtig is... eerbaar... rechtvaardig... rein... liefelijk is"? Houd ik me bezig met datgene wat opbouwend is? Reine gedachten zullen omgezet worden in reine daden (Vers 9)! En wat zal het gevolg daarvan zijn? We zullen niet alleen de vrede van God genieten, maar de God van de vrede zal dan ook met ons zijn en bij ons blijven (Johannes 14 vers 23)!

Filippenzen 4:10-23
10En ik ben grotelijks verblijd geweest in den Heere, dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad.11Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben.12En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden.13Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.14Nochtans hebt gij wel gedaan, dat gij met mijn verdrukking gemeenschap gehad hebt.15En ook gij, Filippensen, weet, dat in het begin des Evangelies, toen ik van Macedonie vertrokken ben, geen Gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen.16Want ook in Thessalonica hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden, tot nooddruft.17Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht, die overvloedig is tot uw rekening.18Maar ik heb alles ontvangen, en ik heb overvloed; ik ben vervuld geworden, als ik van Epafroditus ontvangen heb, dat van u gezonden was, als een welriekende reuk, een aangename offerande, Gode welbehagelijk.19Doch mijn God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft, in heerlijkheid, door Christus Jezus.20Onzen God nu en Vader zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.21Groet alle heiligen in Christus Jezus; U groeten de broeders, die met mij zijn.22Al de heiligen groeten u, en meest die van het huis des keizers zijn.23De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.

Ongetwijfeld herinnert Paulus zich zijn eerste bezoek aan Filippi, toen hij daar in de gevangenis zat en samen met Silas liederen zong (Handelingen 16 vers 24 en 25). Nu is hij opnieuw een gevangene, maar zijn vreugde kan door niets en niemand verhinderd worden, omdat Christus hem door niets en niemand ontnomen kan worden. En zo is het ook met zijn kracht. "Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft", zegt hij, ondanks dat hij gebonden is met kettingen (vers 13; vergelijk 2 Korinthe 6 vers 10). Wanneer wij voldoende hebben aan de Heere, dan leren wij, net als Paulus, in alle omstandigheden tevreden te zijn: zowel in perioden van succes als in de moeilijkheden, als we gezond maar ook als we ziek zijn, en ook als we goede of slechte tijden meemaken.

Hoewel de Filippensen erg arm waren, hadden ze de apostel toch opnieuw, via Epafroditus, een gift gestuurd (vers 18; lees 2 Korinthe 8 vers 1 - 5). Vanuit zijn eigen ervaring kan Paulus hen ervan verzekeren: "God zal naar Zijn rijkdom vervullen al uw nooddruft". In nood zal Hij voorzien, en niet in eigen verlangens. Je zou haast kunnen zeggen dat Paulus de verantwoording voor God op zich neemt. Het is net alsof hij een blanco cheque ondertekent, omdat hij weet dat hij bij God onbeperkt krediet geniet voor zichzelf en zijn vrienden. En daarbij gaat het om niets minder dan Gods rijkdom "in heerlijkheid" (vers 19; Efeze 3 vers 16)!

Geve God, dat ook wij zelf de gelukzalige ervaring van de apostel mogen ervaren: de algenoegzaamheid van de Heere Jezus Christus, totdat heel spoedig het Psalmwoord in vervulling zal gaan: "Ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld..." (Psalm 17 vers 15).

Colossenzen 1:1-11
1Paulus, een apostel van Jezus Christus, door de wil van God, en Timotheus, de broeder,2Den heiligen en gelovige broederen in Christus, die te Kolosse zijn: genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.3Wij danken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, altijd voor u biddende;4Alzo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde, die gij hebt tot alle heiligen.5Om de hoop, die u weggelegd is in de hemelen, van welke gij te voren gehoord hebt, door het Woord der waarheid, namelijk des Evangelies;6Hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de gehele wereld, en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van dien dag af dat gij gehoord hebt, en de genade Gods in waarheid bekend hebt.7Gelijk gij ook geleerd hebt van Epafras, onzen geliefden mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u;8Die ons ook verklaard heeft uw liefde in den Geest.9Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand;10Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God;11Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap;

Deze Brief is gericht aan een gemeente die Paulus nooit heeft bezocht (hoofdstuk 2 vers 1). Waarschijnlijk is het evangelie door Epafras — een dienstknecht van God, van wie een opmerkelijk getuigenis gegeven wordt in hoofdstuk 1 vers 7 en 8 en hoofdstuk 4 vers 12 en 13 — naar Kolosse gebracht.

Het is de gewoonte van de apostel om eerst al het goeds wat aanwezig is bij de gelovigen aan wie hij schrijft, naar voren te brengen. Laat dit voorbeeld toch ook invloed op ons mogen hebben!

Geloof, liefde en hoop was de drievoudige en volkomen vrucht die het evangelie in Kolosse heeft voortgebracht (vers 4 - 5). Door "de kennis van God" (vers 10) wordt de gelovige gevoed, zijn hoop versterkt en de liefde aangewakkerd. Vandaar dat de apostel in zijn gebed vraagt of de Colossenzen hiermee vervuld mogen zijn.

Uit de wandel van de Colossenzen — maar ook de onze —zouden twee dingen zichtbaar moeten worden. Ten opzichte van de medemensen: dat wij waardig zullen wandelen Hem Die wij toebehoren. Maar bovenal ten opzichte van de Heere: dat uit onze wandel zal blijken dat wij Hem liefhebben en Hem in alles welgevallig willen zijn.

In vers 11 zien we ten slotte waar wij in eerste instantie de kracht van de Heere voor nodig hebben. Niet om een opzienbarende strijd te kunnen leveren of om hier het evangelie te verkondigen, maar gewoon opdat er bij ons "lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap" aanwezig zal zijn. Elke dag hebben we voldoende gelegenheid om deze overwinning te behalen.

Colossenzen 1:12-23
12Dankende den Vader, Die ons bekwaam gemaakt heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht;13Die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde;14In Denwelke wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden;15Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, de Eerstgeborene aller kreaturen.16Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen;17En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem;18En Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.19Want het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou;20En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.21En Hij heeft u, die eertijds vervreemd waart, en vijanden door het verstand in de boze werken, nu ook verzoend,22In het lichaam Zijns vleses, door den dood, opdat Hij u zou heilig en onberispelijk en onbeschuldiglijk voor Zich stellen;23Indien gij maar blijft in het geloof, gefondeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope des Evangelies, dat gij gehoord hebt, hetwelk gepredikt is onder al de kreature, die onder den hemel is; van hetwelk ik Paulus een dienaar geworden ben;

Bij het ware christendom gaat het niet om een religie, en het is ook geen geheel van waarheden die je kunt belijden en nakomen. Nee, het is de kennis van een Persoon, die je zelf hebt beleefd en ervaren. Het ware christendom is Christus, gekend en geleefd. Wij zijn met een onvergelijkbare Persoon in verbinding gebracht: met de Zoon van de liefde van de Vader. God heeft ons een erfdeel van de heiligen in het licht gegeven (vers 12), een plaats in het koninkrijk van Zijn Zoon (vers 13), verlossing en vergeving van onze zonden (vers 14), en de vrede die Christus door Zijn eigen bloed op het kruis heeft bewerkt (vers 20).

De grootheid van dit werk wordt enkel en alleen bepaald door de grootheid van Hem Die het volbracht heeft! En de apostel noemt alle heerlijkheden van de Geliefde hier als het ware in één adem op: wat Hij is, wat Hij is geworden en wat Hij uit ons gemaakt heeft. En Paulus bevestigt hier ook Zijn tweevoudige voorrangspositie, zowel in de schepping als in de Gemeente, en hij noemt Zijn beide titels: Eerstgeborene van alle schepselen, van de hele schepping (vers 15; we zouden kunnen zeggen: de Hoofd-erfgenaam) en: "Eerstgeborene uit de doden" (vers 18).

Door Hem is het leven in de schepping uit het niets voortgekomen. Maar dat leven is ook in de verlossing, uit het graf voortgekomen. Hij is de Schepper van alle dingen, in de hemel en op aarde (vers 16). Hij is de Verzoener van alle dingen, op aarde en in de hemel (vers 20). En ten slotte is Hij de Heerser, Die in alle dingen de eerste plaats moet innemen: in de hemel, op de aarde en in onze harten (vers 18; Mattheüs 6 vers 10).

Colossenzen 1:24-29; Colossenzen 2:1-5
24Die mij nu verblijd in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, hetwelk is de Gemeente;25Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods;26Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen;27Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid;28Denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mens, en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid, opdat wij zouden een iegelijk mens volmaakt stellen in Christus Jezus;29Waartoe ik ook arbeide, strijdende naar Zijn werking, die in mij werkt met kracht.
1Want ik wil, dat gij weet, hoe groten strijd ik voor u heb, en voor degenen, die te Laodicea zijn, en zo velen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben gezien;2Opdat hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, en van Christus;3In Denwelken al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.4En dit zeg ik, opdat niet iemand u misleide met beweegredenen, die een schijn hebben.5Want hoewel ik met het vlees van u ben, nochtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uw ordening, en de vastigheid van uw geloof in Christus.

Paulus was zowel een dienstknecht in het evangelie (vers 23) alsook van de Gemeente (vers 25). Hij werkte en streed voor beiden, hetgeen hem een hoge prijs kostte: heel veel lijden (vers 28 en 29). Hij verkondigde de Goddelijke verborgenheden, die voor wijzen en verstandigen verborgen waren, maar aan de jongste gelovigen geopenbaard zijn (vers 26; hoofdstuk 2 vers 2; vergelijk Efeze 3).

Bij deze gelegenheid is het goed om te wijzen op de talrijke overeenkomsten tussen de Brief aan Kolosse en die aan Efeze. In laatstgenoemde Brief wordt de christen gezien als zittend in de hemelse gewesten in Christus Jezus (Efeze 2 vers 6), terwijl hij in de Kolossebrief gezien wordt op de aarde en Christus in hem, als "de Hoop der heerlijkheid" (hoofdstuk 1 vers 27). Een wonderbare gedachte! Hij in Wie "al de volheid" woont (hoofdstuk 1 vers 19), blijft nu Zelf in de harten van de Zijnen.

We kunnen begrijpen dat de apostel, voordat hij de "beweegredenen", de misleidende woorden en fantasieën van de menselijke geest opnoemt (vers 4), ons eerst precies het tegenovergestelde, namelijk de voortreffelijke christelijke werkelijkheid, onder de aandacht brengt. In Christus bezitten wij inderdaad "alle rijkdom der volle verzekerdheid van het verstand" en "al de schatten van de wijsheid en de kennis" (vers 2 en 3). Wat zouden wij buiten Hem nog verlangen en zoeken?

V Zelf moet in het harte wonen, voor U mijn hart slechts opengaan; geen aardse macht, geen wereldtronen, niets kan in Uwe schaduw staan. 'k Wil in Uw liefde mij verlusten, en aan het hart mijns Heilands rusten.'

Colossenzen 2:6-19
6Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem;7Geworteld en opgebouwd in Hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve, met dankzegging.8Ziet toe, dat niemand u als een roof vervoere door de filosofie, en ijdele verleiding, naar de overlevering der mensen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus;9Want in Hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;10En gij zijt in Hem volmaakt, Die het Hoofd is van alle overheid en macht;11In Welken gij ook besneden zijt met een besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in de uittrekking van het lichaam der zonden des vleses, door de besnijdenis van Christus;12Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.13En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende;14Uitgewist hebbende het handschrift, dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, hetwelk, zeg ik, enigerwijze ons tegen was, en heeft datzelve uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende;15En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.16Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feest dags, of der nieuwe maan, of der sabbatten;17Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.18Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses;19En het Hoofd niet behoudende, uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom.

Het middel om in de Heere Jezus geworteld en opgebouwd te worden, is het bezig zijn met Zijn heerlijkheden (vers 7). De wortels zorgen ervoor dat een boom gevoed wordt en geven hem standvastigheid. Wanneer een christen niet in het geloof geworteld is (hoofdstuk 1 vers 23), dan loopt hij gevaar door "alle wind van de leer" heen en weer geschud en zelfs ontworteld te worden (Efeze 4 vers 14; Mattheus 13 vers 21).

En zulke gevaarlijke winden waaiden er op dat moment in Kolosse: filosofie (vers 8), overleveringen van mensen, engelen-verering (vers 18), godsdienstige geboden en leringen van mensen (vers 22). Dit alles noemt de Schrift: "ijdele verleiding" (vers 8).

Vandaag de dag komen we dezelfde dingen tegen. Steeds opnieuw bedenkt de mens een nieuwe leer of nieuwe geloofsbeginselen. Laten we heel goed oppassen dat we ons oor niet te luister leggen bij welke leer dan ook die afwijkt van het Woord van God! De grote vijand van onze zielen wil ons heel graag door zijn handlangers verleiden (vers 4) en wil ons maar wat graag tot zijn buit maken (vers 8) en ons de beloning ontroven (vers 18). We mogen gelukkig weten dat de grote strijd echter al door Iemand anders werd gestreden en beslist. Het kruis, waar satan in eerste instantie meende te hebben overwonnen, heeft juist zijn definitieve nederlaag aangetoond (vers 15); zijn hele wapenrusting en zijn bezitting is hem ontnomen (Lukas 11 vers 21 en 22).

Laten we het niet toelaten dat men ons, of beter gezegd de Heere, van iets berooft wat Hem toebehoort!

Colossenzen 2:20-23; Colossenzen 3:1-7
20Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast?21Namelijk raak niet, en smaak niet, en roer niet aan.22Welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar de geboden en leringen der mensen;23Dewelke wel hebben een schijn rede van wijsheid in eigenwilligen gods dienst en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in enige waarde, maar tot verzadiging van het vlees.
1Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods.2Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.3Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.4Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.5Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.6Om welke de toorn Gods komt over de kinderen der ongehoorzaamheid;7In dewelke ook gij eertijds hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet.

Wat wij doen of laten, wordt bepaald door datgene wat wij zijn. Onze positie werd in de verzen 12 en 13 op twee manieren omschreven. Ten eerste zijn wij met Christus gestorven voor de elementen van deze wereld. De principes van de wereld — met haar zedelijke en godsdienstige eisen en haar vaak valse maatstaven met betrekking tot goed en kwaad —gelden voor ons niet meer als een leefregel! Ten tweede zijn wij "met Christus opgewekt" (hoofdstuk 3 vers 1). Als mensen die hun plaats in de hemel hebben, hebben wij daarom de dingen te bedenken "die boven zijn" en moeten we in onze dagelijkse omstandigheden de hemelse principes toepassen.

Ja, jullie zijn gestorven, zegt vers 3, en het nieuwe onvergankelijke leven dat jullie nu bezitten, is "met Christus verborgen in God". "Daarom kent de wereld ons niet" — dat wil zeggen dat zij ons niet kan begrijpen — "omdat zij Hem niet kent" (1 Johannes 3 vers 1). Maar wanneer Christus geopenbaard zal zijn, dan zal iedereen weten wat ons geheim was.

Hoewel ons leven in de hemel is, verblijven onze gevaarlijke zedelijke "leden" nog hier op aarde. Met andere woorden: onze begeerten gaan nog uit naar de aardse dingen. Wij moeten al deze uitwerkingen van de oude mens echter veroordelen en voor dood houden. Het zijn immers dingen "om welke de toom van God komt over de kinderen van de ongehoorzaamheid" (vers 6). Deze toorn is voor ons op onze volmaakte Plaatsvervanger neergekomen. "Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden" (Jesaja 53 vers 5).

Colossenzen 3:8-17
8Maar nu legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uw mond.9Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mens met zijn werken,10En aangedaan hebt den nieuwen mens, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld Desgenen, Die hem geschapen heeft;11Waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije; maar Christus is alles en in allen.12Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid;13Verdragende elkander, en vergevende de een den anderen, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.14En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.15En de vrede Gods heerse in uw harten, tot welken gij ook geroepen zijt in een lichaam; en weest dankbaar.16Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.17En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in de Naam van de Heere Jezus, dankende God en de Vader door Hem.

De kleding van de oude mens bestaat uit niets anders dan lompen, die in vers 8 en 9 aangeduid worden met: toom, boosheid, laster... Laten we ons ervoor schamen, ons nog zo te vertonen! Laten we toch veel meer de stralende kleding van de nieuwe mens aandoen, waarvan Christus het volmaakte Beeld is (vers 10). De 'versiering' van de nieuwe mens bestaat uit: een hartelijk erbarmen, goedertierenheid, nederigheid, mildheid, lankmoedigheid... En laten wij over dit alles ook nog de liefde 'aantrekken', wat in feite de natuur van de nieuwe mens is. Als wij ons op deze wijze openbaren, dan zal aan ons gezien worden dat wij volgelingen van de Heere Jezus zijn (Johannes 13 vers 35).

Onze innerlijke toestand is echter niet minder belangrijk! Christus, Die alles is (vers 11), Zijn vrede (vers 15) en Zijn Woord (vers 16) moeten in ons wonen. De Bijbel in huis of zelfs op het nachtkastje hebben liggen, heeft weinig zin. Ook al is het eten nog zo goed en krachtig, als het op het bordje blijft liggen, dan heb je er niets aan. Het Woord moet rijkelijk in ons wonen (Romeinen 10 vers 8).

Een ander middel waardoor wij onderwezen en vermaand kunnen worden, en waar wij misschien maar weinig bij stilstaan, zijn de liederen die wij in onze harten voor God mogen zingen (Psalm 119 vers 54). Laten we ze Hem, maar ook onszelf, niet onthouden.

Ten slotte zal een tweevoudige vraag als een toetssteen kunnen dienen voor al onze woorden en handelingen: 'Kan ik dit in de Naam van de Heere Jezus zeggen of doen? Kan ik God de Vader ervoor danken?'

Colossenzen 3:18-25; Colossenzen 4:1-6
18Gij vrouwen, zijt uw eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere.19Gij mannen, hebt uw vrouwen lief, en wordt niet verbitterd tegen haar.20Gij kinderen, zijt uw ouderen gehoorzaam in alles, want dat is de Heere welbehagelijk.21Gij vaders, tergt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.22Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uw heren naar het vlees, niet met ogendiensten als mensenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vrezende God.23En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den mensen;24Wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient de Heere Christus.25Maar die onrecht doet, die zal het onrecht dragen, dat hij gedaan heeft; en er is geen aanneming des persoons.
1Gij heren, doet uw dienstknechten recht en gelijk, wetende, dat ook gij een Heere hebt in de hemelen.2Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging;3Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben;4Opdat ik dezelve moge openbaren, gelijk ik moet spreken.5Wandelt met wijsheid bij degenen, die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkopende.6Uw woord zij te allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd, opdat gij moogt weten, hoe gij een iegelijk moet antwoorden.

In hoofdstuk 3 vers 10 en 11 wordt elk onderscheid tussen mensen, als schepselen van God, weggenomen. Eén principieel verschil blijft echter bestaan en dat is het verschil tussen de oude en de nieuwe mens (vergelijk Galaten 3 vers 27 en 28). Hier wordt de christen, in wie deze beide naturen tegelijkertijd aanwezig zijn, in zijn betrekkingen tot anderen en ook tot de Heere gezien. Als onderscheid tot de rest van deze Brief, waarin wij met Christus (ons Leven) te doen hebben, wordt Hij hier Heere genoemd, waarmee Zijn rechten en Zijn gezag nog eens duidelijk onderstreept worden.

Kinderen, vrouwen, mannen, personeelsleden, directies, iedereen heeft op de plaats waar hij gesteld is en op zijn wijze "de Heere Christus" te dienen (vers 24). En hoe moet de houding zijn ten opzichte van "hen, die buiten zijn"? (hoofdstuk 4 vers 5). Allereerst is dan een wandel in wijsheid, waarin de waarheid gepraktiseerd wordt, van belang. En het spreken moet in genade, maar toch beslist zijn, aangepast aan elke gelegenheid en de toestand van de enkeling (vers 6). Ten slotte nog iets over het gebed (vers 3). Paulus vraagt voor hem te bidden, maar niet uit eigenbelang. Het gaat hem er niet om dat zijn gevangenisdeur opengaat, maar om een open deur voor het evangelie!

Deze verzen komen overeen met hoofdstuk 5 vers 22 tot en met hoofdstuk 6 vers 9 van de Brief aan de Efeziërs. In beide Schriftgedeelten is het mooi om te zien op welke manier het Goddelijke onderwijs ingaat op de details van het leven, maar ook dat er een welriekende geur uitgaat van ons doen en laten, wanneer wij met betrekking tot onze verplichtingen en verhoudingen handelen in overeenstemming met Gods wil.

Colossenzen 4:7-18
7Al mijn zaken zal u bekend maken Tychikus, de geliefde broeder, en getrouwe dienaar, en mededienstknecht in de Heere;8Denwelken ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uw zaken wete, en uw harten vertrooste;9Met Onesimus, den getrouwen en geliefden broeder, dewelke uit de uwen is; zij zullen u alles bekend maken, wat hier is.10U groet Aristarchus, mijn medegevangene; en Markus, de neef van Barnabas, aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt; zo hij tot u komt, ontvangt hem;11En Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn; deze alleen zijn mijn medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij een vertroosting geweest zijn.12U groet Epafras, die uit de uwen is, een dienstknecht van Christus, te allen tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil van God.13Want ik geef hem getuigenis, dat hij groten ijver heeft over u en degenen, die in Laodicea zijn, en degenen, die in Hierapolis zijn.14U groet Lukas, de medicijnmeester, de geliefde, en Demas.15Groet de broeders, die in Laodicea zijn, en Nymfas, en de Gemeente, die in zijn huis is.16En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt, dat hij ook in de gemeente der Laodicensen gelezen worde, en dat ook gij dien leest, die uit Laodicea geschreven is.17En zegt aan Archippus: Zie op de bediening, die gij aangenomen hebt in de Heere, dat gij die vervult.18De groetenis met mijn hand, van Paulus. Gedenkt mijn banden. De genade zij met u. Amen.

Toen Paulus gevangen zat in Rome heeft hij zijn Brieven aan de Colossenzen en de Efeziërs door de trouwe Tychikus laten bezorgen (vers 7; Efeze 6 vers 21 en 22). Maar ook andere broeders en mannen van God namen deel aan zijn werk en de oefeningen van zijn hart. Hij noemt bijvoorbeeld Epafras, die voordien over de Heere verteld had aan de Colossenzen (hoofdstuk 1 vers 7) en nu over hen tot de Heere spreekt (hoofdstuk 4 vers 12). We lezen ook over Onesimus, Aristarchus, Markus, Lukas. Van iedereen weet Paulus iets te vertellen. Maar van Demas, die we ook in het rijtje tegenkomen, lezen we slechts de naam, hoewel hij eerder nauw met het werk verbonden was.

We kunnen ons de verlegenheid van Archippus indenken, toen deze Brief in de gemeente werd voorgelezen en hij zijn naam hoorde noemen. Welke bijzondere dienst had hij dan van de Heere ontvangen? Daarvan lezen we niets, maar het was voldoende dat Hij het wist! En als de Geest van God de dienst van Archippus niet nader omschrijft, dan is dat misschien wel opdat wij onze eigen naam in zijn plaats mogen invullen.

De tragische toestand in de gemeente van Laodicéa, zoals die in Openbaring 3 vers 17 beschreven wordt, laat ons zien dat zij geen enkel nut uit deze Brief heeft getrokken, die ook daar werd voorgelezen (vers 16). Zij is arm gebleven, omdat zij andere schatten verzameld heeft dan die worden genoemd in hoofdstuk 1 vers 27 en hoofdstuk 2 vers 3. Zij is naakt gebleven, omdat zij zich niet overeenkomstig hoofdstuk 3 vers 10, 12 en 14 heeft bekleed. Geve de Heere, dat wij deze waarschuwingen in Zijn Woord ter harte nemen! O, dat Zijn Woord toch rijkelijk in ons mag wonen (hoofdstuk 3 vers 16)!

1 Thessalonicenzen 1:1-10
1Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de Gemeente der Thessalonicensen, welke is in God den Vader, en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.2Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig zijnde in onze gebeden;3Zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde, en de verdraagzaamheid der hoop op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader;4Wetende, geliefde broeders, uw verkiezing van God;5Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid; gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil.6En gij zijt onze navolgers geworden, en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes;7Alzo dat gij voorbeelden geworden zijt al den gelovigen in Macedonie en Achaje.8Want van u is het Woord des Heeren luidbaar geworden niet alleen in Macedonie en Achaje; maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan, zodat wij niet van node hebben, iets daarvan te spreken.9Want zijzelven verkondigen van ons, hoedanigen ingang wij tot u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden en waarachtigen God te dienen;10En Zijn Zoon uit de hemelen te verwachten, Denwelken Hij uit de doden verwekt heeft, namelijk Jezus, Die ons verlost van den toekomenden toorn.

In Handelingen 17 lezen we over het korte bezoek van Paulus en Silas (of Silvanus; vers 1) aan Thessalonika (de huidige Griekse stad Saloniki). Zij hebben daar het evangelie verkondigd en er zelf ook naar geleefd (vers 5). En de Thessalonikers op hun beurt hebben dat zelf ook nageleefd, nadat zij het aangenomen hadden (vers 6). Hun werken waren een bewijs van hun geloof (vergelijk Jakobus 2 vers 18). Door hun "arbeid" werd hun liefde bevestigd. En uit hun volharding bleek dat alleen deze hoop hen versterkte (vers 3). Dit alles was zo duidelijk zichtbaar voor anderen, dat men wist dat er in Thessalonika christenen woonden (vers 7). Weet iedereen in de omgeving waar ik woon of waar ik werk, dat ik een christen ben? Een bekering is het openlijke teken van de wedergeboorte, een zichtbare verandering van richting. De onbekeerde loopt in dezelfde richting als iedereen, maar na de bekering loop je precies de andere kant op en wandel je in overeenstemming met het Goddelijke leven dat je ziel heeft ontvangen. Na deze verandering van richting heb je natuurlijk ook niet meer dezelfde dingen voor de aandacht als voorheen (Galaten 4 vers 8 en 9). De Thessalonicenzen hadden vanaf dat moment de levenloze en bedrieglijke afgoden de rug toegekeerd, om zich voortaan alleen nog met "de levende en waarachtige God" bezig te houden en Hem te dienen (vers 9).

De heidense afgoden van hout of steen hebben in de 'gekerstende' wereld plaatsgemaakt voor een meer verfijnde uitvoering van deze afgoden. Maar nog steeds is het waar, dat men geen twee heren kan dienen (Lukas 16 vers 13)! Wie dienen wij? God of onze eigen begeerten? En wat verwachten wij? De Zoon van God of "de toekomende toom" (vers 10)?

1 Thessalonicenzen 2:1-12
1Want gij weet zelven, broeders, onzen ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest;2Maar, hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet, te Filippi, zo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het Evangelie van God tot u te spreken in veel strijds.3Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding, noch uit onreinigheid, noch met bedrog;4Maar, gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zou toebetrouwd worden, alzo spreken wij, niet als mensen behagende, maar Gode, Die onze harten beproeft.5Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk gij weet, noch met enig bedeksel van gierigheid; God is Getuige!6Noch zoekende eer uit mensen, noch van u, noch van anderen; hoewel wij u tot last konden zijn als Christus' apostelen;7Maar wij zijn vriendelijk geweest in het midden van u, gelijk als een voedster haar kinderen koestert;8Alzo wij, tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededelen niet alleen het Evangelie van God, maar ook onze eigen zielen, daarom dat gij ons lief geworden waart.9Want gij gedenkt, broeders, onzen arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie van God onder u gepredikt.10Gij zijt getuigen, en God, hoe heilig, en rechtvaardig, en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn.11Gelijk gij weet, hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en vertroostten,12En betuigden, dat gij zoudt wandelen, waardiglijk Gode, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.

Paulus en Silas lieten zich absoluut niet ontmoedigen door de beledigingen en mishandelingen die ze te verduren hadden in Filippi (Handelingen 16), maar verkondigden juist des te vrijmoediger het evangelie (vers 2). De woedende reactie van de vijand liet dan ook zien dat hun werk niet tevergeefs was geweest (vers 1).

Toch hadden deze beide mannen hierbij geen gebruik gemaakt van allerlei menselijke wervingsmethodes, zoals bijvoorbeeld verleiding, list, vleierij, pogingen om in de smaak te vallen (2 Korinthe 2 vers 17). Maar al te vaak wordt het evangelie in onze tijd op een verleidelijke manier en gevoelsmatig voorgesteld. En we mogen gerust stellen dat het helaas soms niet veel meer is dan een 'bijproduct' van één of ander sociaal werk.

Paulus liet zich in zijn dienst niet beïnvloeden door één van de drie drijfveren in de menselijke activiteit: het zoeken van eigen eer, de bevrediging van het vlees of het materiële gewin. Integendeel, het lijden van de apostel getuigde van een volkomen onbaatzuchtige houding (Handelingen 20 vers 35). Paulus was van twee gevoelens doordrongen: de voortdurende zorg God te willen behagen (vers 4) en de liefde tot hen die zijn 'eigen kinderen' waren geworden. Hij had hen als een moeder gevoed en verzorgd (vers 7). En als een vader vertroostte en vermaande hij hen en leerde hij hun hoe ze te wandelen hadden (vers 11 en 12). Bovenal wilde hij echter graag dat zij zich goed bewust waren van hun eigen verhouding tot God. Wat was hun — en is ook ons — een ontzettend hoge positie geschonken! God heeft hen en ons tot niets minder geroepen dan Zijn eigen koninkrijk en tot Zijn eigen heerlijkheid (vers 12)!

1 Thessalonicenzen 2:13-20
13Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat, als gij het Woord der prediking van God van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt, niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft.14Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der Gemeenten Gods, die in Judea zijn, in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;15Welke ook gedood hebben den Heere Jezus, en hun eigen profeten; en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en alle mensen tegen zijn;16En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij te allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.17Maar wij, broeders, van u beroofd geweest zijnde voor een kleine wijle tijds, naar het aangezicht, niet naar het hart, hebben ons te overvloediger benaarstigd, om uw aangezicht te zien, met grote begeerte.18Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus) eenmaal en andermaal, maar de satanas heeft ons belet.19Want welke is onze hoop, of blijdschap, of kroon des roems? Zijt gij die ook niet voor onzen Heere Jezus Christus in Zijn toekomst?20Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap.

De christenen in Thessalonika hadden de woorden van de apostel aangenomen als datgene wat ze ook werkelijk waren: het Woord van God (vers 13; Mattheüs 10 vers 40). De absolute inspiratie van alle delen van de Heilige Schrift wordt niet door alle theologen in de christenheid erkend. De Brieven van Paulus worden vaak afgedaan als zijnde het onderwijs van een mens, hoewel men soms nog wel wil toegeven dat hij een opmerkelijk iemand, een man van God was, maar dat hij toch ook zijn fouten had. Gewoonlijk gebruikt men dit dan als een uitvlucht om zich zodoende niet aan het Woord te hoeven onderwerpen en om alles wat te eng lijkt, af te wijzen. God zij echter geprezen! Elk woord in de Bijbel bezit hetzelfde Goddelijke gezag!

Door de jaloersheid van de Joden werd het werk van de apostel onder de Thessalonikers onderbroken (vers 15 en 16; Handelingen 17 vers 5). In die zin heeft hij zijn onderwijs aan hen niet tot een goed einde kunnen brengen. Een leraar is echter niet tevreden wanneer geen enkele leerling van hem het diploma behaalt, waarvoor hij hen immers heeft opgeleid. Doordat Paulus tot hun harten sprak, herinnerde hij hen eraan (vers 19) dat hij zich persoonlijk verantwoordelijk achtte voor hun trouw. Al naar gelang hun trouw zou hij óf een kroon ontvangen uit de handen van de Heere óf vanwege hen "beschaamd gemaakt worden in Zijn komst" (vers 19; 1 Johannes 2 vers 28).

Beste vrienden, laat de volgende gedachte toch, net als bij de apostel, ook altijd bij ons aanwezig zijn: heel binnenkort zullen wij voor ons doen en laten rekenschap hebben af te leggen voor onze Heere (Mattheüs 25 vers 19; Romeinen 14 vers 12).

1 Thessalonicenzen 3:1-10
1Daarom, deze begeerte niet langer kunnende verdragen, hebben wij gaarne willen te Athene alleen gelaten worden;2En hebben gezonden Timotheus, onzen broeder, en Gods dienaar, en onzen medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken, en u te vermanen van uw geloof;3Opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen; want gij weet zelven, dat wij hiertoe gesteld zijn.4Want ook, toen wij bij u waren, voorzeiden wij u, dat wij zouden verdrukt worden, gelijk ook geschied is, en gij weet het.5Daarom ook deze begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik hem gezonden, om uw geloof te verstaan; of niet misschien de verzoeker u zou verzocht hebben, en onze arbeid ijdel zou wezen.6Maar als Timotheus nu van ulieden tot ons gekomen was, en ons de goede boodschap gebracht had van uw geloof en liefde, en dat gij altijd goede gedachtenis van ons hebt, zeer begerig zijnde om ons te zien, gelijk wij ook om ulieden;7Zo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof;8Want nu leven wij, indien gij vast staat in den Heere.9Want wat dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven voor u, vanwege al de blijdschap, waarmede wij ons om uwentwil verblijden voor onzen God?10Nacht en dag zeer overvloediglijk biddende, om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken, hetgeen aan uw geloof ontbreekt.

Tot tweemaal toe had satan het weten te verhinderen dat Paulus naar Thessalonika terugkeerde (hoofdstuk 2 vers 18). In feite was het echter God Die dat heeft toegestaan, opdat daardoor zowel de toegenegenheid van de apostel als ook de trouw van de Thessalonikers openbaar zou worden.

Daarna maakte "de verzoeker" (vers 5) gebruik van een ander wapen en bracht hij een grote vervolging onder hen teweeg. Paulus had hun echter tevoren gezegd, dat deze beproevingen niet te vermijden zouden zijn, maar dat gelovigen juist daaraan blootgesteld zullen worden (vers 3; Johannes 15 vers 20 en hoofdstuk 16 vers 33). Bleef hij er daarom onverschillig onder? Juist niet! Wat hem echter zo verontrustte, was niet het lijden van de Thessalonikers, maar hij maakte zich zorgen over de standvastigheid van hun geloof (vers 2, 5, 6, 7 en 10). Dat is ook een les voor ons. Hoe vaak houden we ons alleen maar bezig met uiterlijke omstandigheden: materiële problemen, ziekte, enzovoort, en verliezen daarbij de innerlijke toestand van een christen uit het oog!

Omdat de apostel het niet langer uit kon houden (vers 1 en 5), stuurde hij Timotheüs naar hen toe om hen te versterken en te vermanen (vers 2). En te midden van zijn eigen verdrukking werd Paulus getroost door de berichten die hij ontving en waarover hij zich verblijdde. De beproevingen hadden namelijk het geloof van deze pas-bekeerden versterkt, in plaats dat zij wankelden. In een ontzettend ruw klimaat kom je immers ook vaak plantensoorten tegen die de hoogste weerstand hebben.

Eens te meer had satan zich vergist in zijn manier van werken (Spreuken 11 vers 18).

1 Thessalonicenzen 3:11-13; 1 Thessalonicenzen 4:1-8
11Doch onze God en Vader Zelf, en onze Heere Jezus Christus richte onzen weg tot u.12En de Heere vermeerdere u, en make u overvloedig in de liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u;13Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onzen God en Vader, in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen.
1Voorts dan, broeders, wij bidden en vermanen u in den Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt, hoe gij moet wandelen en Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt.2Want gij weet, wat bevelen wij u gegeven hebben door den Heere Jezus.3Want dit is de wil van God, uw heiligmaking: dat gij u onthoudt van de hoererij;4Dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eer;5Niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen, die God niet kennen.6Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in zijn handeling; want de Heere is een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben.7Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking.8Zo dan die dit verwerpt, die verwerpt geen mens, maar God, Die ook Zijn Heiligen Geest in ons heeft gegeven.

Onze beproevingen zouden ons er niet toe moeten brengen dat wij de Heere verwachten, maar de liefde! Zijn komst "met al Zijn heiligen" (vers 13) is de grote gedachte waardoor ons hele gedrag bepaald en wij geleid zou moeten worden. Voor God zijn wij heiligen, door het volmaakte werk van Christus (Hebreeën 10 vers 10). Tegelijkertijd worden wij echter vermaand om onze harten te versterken, "om onberispelijk te zijn in heiligmaking" (vers 13). Dat is de uitdrukkelijke wil van God voor ieder van de Zijnen (hoofdstuk 4 vers 3). De jonge gelovige moet er vooral op toezien dat hij rein blijft (vers 4). Als hij zijn lichaam ziet als een object van vermaak, dan zondigt hij in eerste instantie tegen zichzelf. Daarbij ruïneert hij ook vaak zijn eigen gezondheid, maar altijd zijn geweten! Het geweten verliest door dit soort dingen de fijngevoeligheid ten opzichte van het kwaad en reageert dan niet meer goed. Het lijkt dan op een wijzertje van een meetinstrument dat overbelast wordt.

Je kunt echter ook anderen een groot onrecht aandoen (vers 6; Hebreeën 13 vers 4). Vaak moet een lichtvaardig handelen of een kort vermaak betaald worden met een gebroken leven, een bevlekte geest en een bevlekt lichaam en soms zelfs met een kapot huwelijk! Onreinheid in welke vorm dan ook, is echter ook een zonde tegen God (Psalm 51 vers 6)! Ons lichaam behoort onszelf niet meer toe; het is een tempel van de Heilige Geest geworden, Die God ons gegeven heeft (vers 8; 1 Korinthe 6 vers 18 tot en met 20). De Heilige Geest verlangt een reine woning! Wanneer wij onze lichamen rein bewaren, dan betekent dat, dat wij Hem eren Die daarin woont.

1 Thessalonicenzen 4:9-18
9Van de broederlijke liefde nu hebt gij niet van node, dat ik u schrijve; want gijzelven zijt van God geleerd om elkander lief te hebben.10Want gij doet ook hetzelfde aan al de broederen, die in geheel Macedonie zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat gij meer overvloedig wordt;11En dat gij u benaarstigt stil te zijn, en uw eigen dingen te doen, en te werken met uw eigen handen, gelijk wij u bevolen hebben;12Opdat gij eerlijk wandelt bij degenen, die buiten zijn, en geen ding van node hebt.13Doch, broeders, ik wil niet, dat gij onwetende zijt van degenen, die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt, gelijk als de anderen, die geen hoop hebben.14Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem.15Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn.16Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan;17Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen.18Zo dan, vertroost elkander met deze woorden.

Het is helemaal niet nodig om buitengewone werken te doen, om "de levende en waarachtige God te dienen" (hoofdstuk 1 vers 9). Van de christen wordt vooral verwacht dat hij een rustig leven leidt en trouw zijn dagelijkse taken nakomt (vers 11). Binnenkort zal zijn werk beëindigd zijn! Als reactie op de welbekende stem van de Heere zal iedereen dan zijn gereedschap neerleggen en Hem tegemoet gaan in de lucht, om voor eeuwig bij Hem te zijn. De opname van de Gemeente, van alle gelovigen, is de eerste handeling van de komst van de Heere Jezus (de tweede zal zijn dat Hij samen met de Zijnen in heerlijkheid zal verschijnen; hoofdstuk 3 vers 13). Hij komt Persoonlijk om de Zijnen op te halen, en laat deze zorg en die blijdschap niet over aan iemand anders. En deze vreugde zou ook het deel moeten zijn van elke gelovige en mag een troost zijn op het moment dat één van de Zijnen ontslaapt. Omdat de dood overwonnen is (maar nog niet volkomen tenietgedaan, nog niet weggedaan uit de schepping), zijn de doden in Christus gewoon "ontslapen" (vers 13, 14 en 15; vergelijk Johannes 11 vers 11 - 13). Op de gebiedende stem van de Levensvorst zullen zij weer ontwaken, net zoals Lazarus deed, maar dan voor altijd. Dan zullen wij in volmaakte volgorde, en op dezelfde manier als Hij deze aarde heeft verlaten, samen opgenomen worden en Hem tegemoet gaan in de lucht (Filippi 3 vers 20).

Zal onze generatie deze geweldige gebeurtenis, waar zovelen voor ons vol verwachting naar hebben uitgezien, meemaken? Alles wijst erop! Het kan vandaag nog gebeuren! Ben je bereid?

1 Thessalonicenzen 5:1-11
1Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders! hebt gij niet van node, dat men u schrijve.2Want gij weet zelven zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen, gelijk een dief in de nacht.3Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede, en zonder gevaar; dan zal een haastig verderf hun overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw; en zij zullen het geenszins ontvlieden;4Maar gij, broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zou bevangen.5Gij zijt allen kinderen des lichts, en kinderen des daags; wij zijn niet des nachts, noch der duisternis.6Zo laat ons dan niet slapen, gelijk als de anderen, maar laat ons waken, en nuchteren zijn.7Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken;8Maar wij, die des daags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des geloofs en der liefde, en tot een helm, de hoop der zaligheid.9Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid, door onzen Heere Jezus Christus;10Die voor ons gestorven is, opdat wij, hetzij dat wij waken, hetzij dat wij slapen, te zamen met Hem leven zouden.11Daarom vermaant elkander, en sticht de een den anderen, gelijk gij ook doet.

Als de komst van de Heere Jezus voor de Zijnen betekent dat zij in de eeuwige vreugde zullen ingaan, dan is dat tegelijkertijd voor de ongelovigen het signaal van een plotseling verderf (Lukas 17 vers 26 - 30). Het is een gelukzalige verwachting voor de één, maar een grote en vreselijke verrassing voor de ander!

Maar helaas is dat onderscheid in de praktijk niet altijd even goed zichtbaar! Sommige "kinderen van het licht" (vers 5) hebben hun lampen namelijk onder een korenmaat of onder het bed gezet (Markus 4 vers 21). Zij slapen, en die geestelijke slaap staat gelijk aan een toestand van de dood. Hoe is dat zover gekomen? Over het algemeen komt dat door een gebrek aan nuchterheid. Dronken worden (vers 7) betekent in dit verband dat je je te buiten gaat aan de goederen van deze aarde, dat je daarvan veel meer gebruikt dan je nodig hebt (Lukas 12 vers 45 en 46). En als je, wat betreft de hemelse belangen, in slaap bent gevallen, maar tegelijkertijd klaarwakker bent voor de aardse dingen, hoe kun je dan nog verlangen naar de komst van de Heere Jezus? Voor ons "die van de dag zijn" geldt: "laat ons dan niet inslapen" (vers 6), "zoals de anderen, die geen hoop hebben" (hoofdstuk 4 vers 13), opdat wij niet door de onverwachte komst van onze Meester verrast zullen worden.

Laten we de ernstige woorden van de Heere in Mattheüs 24 vers 44 en verder en ook Markus 13 vers 33 en verder nog eens lezen. En laten we onszelf telkens de vraag stellen: Wil ik graag dat de Heere mij bij Zijn komst aantreft op die plaats waar ik naartoe wilde gaan? Dat Hij ziet dat ik bezig ben met de dingen die ik van plan was om te doen? Dat Hij hoort wat ik juist had willen zeggen?'

1 Thessalonicenzen 5:12-28
12En wij bidden u, broeders, erkent degenen, die onder u arbeiden, en uw voorstanders zijn in den Heere, en u vermanen;13En acht hen zeer veel in liefde, om huns werks wil. Zijt vreedzaam onder elkander.14En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen.15Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.16Verblijdt u te allen tijd.17Bidt zonder ophouden.18Dankt God in alles; want dit is de wil van God in Christus Jezus over u.19Blust den Geest niet uit.20Veracht de profetieen niet.21Beproeft alle dingen; behoudt het goede.22Onthoudt u van allen schijn des kwaads.23En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.24Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal.25Broeders, bidt voor ons.26Groet al de broeders met een heiligen kus.27Ik bezweer ulieden bij den Heere, dat deze zendbrief al den heiligen broederen gelezen worde.28De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met ulieden. Amen.

Het slot van deze Brief leert ons hoe wij ons onderling als broeders te gedragen hebben, maar ook hoe onze houding ten opzichte van alle mensen, van God, en ten slotte in de gemeente moet zijn. Ja, in feite zijn deze korte vermaningen van toepassing op ons hele leven. We moeten ons "te allen tijd" verheugen, "zonder ophouden" bidden en "in alles" God danken (vers 16 - 18). Het geloof helpt ons om de Heere zelfs te danken voor dat wat zo moeilijk lijkt. Onophoudelijk bidden wil zeggen dat je in Zijn gemeenschap blijft en dat bewaart je vervolgens voor alle vormen van kwaad (vers 22).

Hij Die ons geheel verlost heeft, zowel onze geest, ziel als lichaam, eist ook heiligheid van ons in heel ons wezen (hoofdstuk 4 vers 3). De verontreinigingen van de geest en het hart zijn, hoewel onzichtbaar, evenzeer te vrezen als die van het lichaam. Laten we de Heere, Die trouw is, bidden of Hij ons onberispelijk wil bewaren tot aan het grote moment van onze vereniging met Hem. En door welke gedachte zouden wij beter in staat zijn ons te heiligen dan door voortdurend te denken aan de komst van de Heere Jezus (lees 1 Johannes 3 vers 3)? Deze kostbare belofte wordt aan het eind van elk hoofdstuk in deze Brief herhaald. O, dat wij dat nooit uit het oog zullen verliezen! En tot dan zij "de genade van onze Heere Jezus Christus" met een ieder van ons (vers 28)!

`Nee, niet lang meer, o hoe heerlijk U te kennen, zoals U ons kent! Buiten U is niets begeerlijk voor het hart, reeds aan deze aard' ontwend. Roem, aanbidding, dank en lofgezangen worden eeuwig U gebracht, o Heer'. En der heil'gen blijde harpgezangen klinken altijd tot Uw lof een eer.'

2 Thessalonicenzen 1:1-12
1Paulus, en Silvanus, en Timotheus, aan de Gemeente der Thessalonicensen, welke is in God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus:2Genade zij u, en vrede, van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.3Wij moeten God te allen tijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde eens iegelijken van u allen jegens elkander overvloedig wordt;4Alzo dat wij zelven van u roemen in de Gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid en geloof in al uw vervolgingen en verdrukkingen, die gij verdraagt;5Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het Koninkrijk Gods, voor hetwelk gij ook lijdt;6Alzo het recht is bij God verdrukking te vergelden dengenen, die u verdrukken;7En u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons, in de openbaring van den Heere Jezus van den hemel met de engelen Zijner kracht;8Met vlammend vuur wraak doende over degenen, die God niet kennen, en over degenen, die het Evangelie van onzen Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn.9Dewelken zullen tot straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte,10Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag.11Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het welbehagen Zijner goedigheid, en het werk des geloofs met kracht.12Opdat de Naam van onzen Heere Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in Hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus.

De vervolgingen waarvan de Thessalonikers het slachtoffer waren geworden, bewerkten dat hun geloof groeide, hun liefde overstromend was en dat hun volharding openbaar werd. Wat ontbrak er dan nog bij hen en waarom vond de apostel het nodig hun deze tweede Brief te sturen? Deze keer wordt de hoop en de blijdschap in de Heilige Geest niet genoemd (vergelijk 1 Thessalonika 1 vers 3). Paulus stelde hun hier de waarheden voor ogen waardoor deze gevoelens in hun harten weer levend gemaakt konden worden. Hun lijden en de overwinning van hun vervolgers zouden slechts een bepaalde tijd duren. "...want de HEERE, de God der vergelding, zal hun voorzeker betalen" (Jeremia 51 vers 56).

Deze vergelding, zowel voor de trouwen als voor hen die kwaad bedrijven, zal plaatsvinden op de dag van de Heere, hetgeen in verbinding staat met Zijn openbaring in heerlijkheid (vers 6 en 7). Zowel de heidenen, "die God niet kennen" en daar ook geen moeite voor doen, als de naamchristenen, "die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn", zullen dezelfde straf ontvangen: het eeuwig verderf (vers 8). De heiligen, "allen, die geloven", zullen daarentegen gezien worden in de tegenwoordigheid van de Heere, als deelgenoten van Zijn bewonderenswaardige heerlijkheid (vers 10; Mattheüs 13 vers 43).

Het is echter het welgevallen van God en het gebed van de apostel, dat de Naam van onze Heere Jezus Christus nu al verheerlijkt wordt en wel in iedereen die Hem toebehoort (vers 12).

2 Thessalonicenzen 2:1-17
1En wij bidden u, broeders, door de toekomst van onzen Heere Jezus Christus, en onze toevergadering tot Hem,2Dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief, als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaande ware.3Dat u niemand verleide op enigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mens der zonde, de zoon des verderfs;4Die zich tegenstelt, en verheft boven al wat God genaamd, of als God geeerd wordt, alzo dat hij in den tempel Gods als een God zal zitten, zichzelven vertonende, dat hij God is.5Gedenkt gij niet, dat ik, nog bij u zijnde, u deze dingen gezegd heb?6En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd.7Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, Die hem nu wederhoudt, Die zal hem wederhouden, totdat hij uit het midden zal weggedaan worden.8En alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den Geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst;9Hem, zeg ik, wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht, en tekenen, en wonderen der leugen;10En in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen, die verloren gaan; daarvoor dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden.11En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven;12Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.13Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat u God van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes, en geloof der waarheid;14Waartoe Hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging der heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus.15Zo dan, broeders, staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief.16En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade,17Vertrooste uw harten, en versterke u in alle goed woord en werk.

De Thessalonikers zijn verontrust over een heel belangrijke vraag: was de dag van de Heere al gekomen? Door hun verdrukking meenden zij dat dit zo moest zijn, en de valse leraars bevestigden dit. De apostel antwoordt hun echter dat dit absoluut niet het geval is. Aan deze dag moeten namelijk drie dingen voorafgaan:

De opname van de Gemeente door de Heere.

De afval van de valse kerk (die zeggen Christen te zijn zonder dat ze in Hem geloven) en vele Joden.

De verschijning van de antichrist, die "de mens van de zonde, de zoon van het verderf" en "de ongerechtige" (vers 3 en 8) genoemd wordt. Deze namen onderstrepen de grote tegenstelling met de karakterkenmerken van de Heere Jezus: gerechtigheid, heil, volkomen gehoorzaamheid aan God.

In die vreselijke tijd zal God de mensen als straf een dwaling zenden, om hun geest te verduisteren, opdat zij de leugen zullen geloven, omdat zij niet in de waarheid geloofd hebben (vers 11 en 12). "Want de verborgenheid van de ongerechtigheid wordt reeds gewerkt" (vers 7; vergelijk 1 Johannes 2 vers 18). De Heilige Geest vormt nu echter nog een rem op de ontplooiing van het kwaad in deze wereld. Wanneer Hij echter, samen met de Gemeente, deze aarde verlaten zal hebben, zal er geen enkele verhindering voor de ongerechtigheid en wetteloosheid meer aanwezig zijn. Maar wat een verschil tussen deze satanische macht (vers 1- 12) en het werk van onze God en Vader (vers 13 - 17)! Hij heeft ons liefgehad en ons uitverkoren om ons te behouden en geroepen tot de heerlijkheid van onze Heere Jezus Christus! Laten we nooit vergeten Hem daar nu al voor te danken (vers 13; hoofdstuk 1 vers 3)!

2 Thessalonicenzen 3:1-18
1Voorts, broeders, bidt voor ons, opdat het Woord des Heeren zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u;2En opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en boze mensen; want het geloof is niet aller.3Maar de Heere is getrouw, Die u zal versterken en bewaren van den boze.4En wij vertrouwen van u in den Heere, dat gij, hetgeen wij u bevelen, ook doet, en doen zult.5Doch de Heere richte uw harten tot de liefde van God, en tot de lijdzaamheid van Christus.6En wij bevelen u, broeders, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus, dat gij u onttrekt van een iegelijk broeder, die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting, die hij van ons ontvangen heeft.7Want gijzelven weet, hoe men ons behoort na te volgen; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u;8En wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maar in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat wij niet iemand van u zouden lastig zijn;9Niet, dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld, om ons na te volgen.10Want ook toen wij bij u waren, hebben wij u dit bevolen, dat, zo iemand niet wil werken, hij ook niet ete.11Want wij horen, dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende, maar ijdele dingen doende.12Doch de zodanigen bevelen en vermanen wij door onzen Heere Jezus Christus, dat zij met stilheid werkende, hun eigen brood eten.13En gij, broeders, vertraagt niet in goed te doen.14Maar indien iemand ons woord, door deze brief geschreven, niet gehoorzaam is, tekent dien; en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;15En houdt hem niet als een vijand, maar vermaant hem als een broeder.16De Heere nu des vredes Zelf geve u vrede te allen tijd, in allerlei wijze. De Heere zij met u allen.17De groetenis met mijn hand, van Paulus; hetwelk is een teken in iederen zendbrief; alzo schrijf ik.18De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.

Paulus vroeg aan de heiligen of ze voor hem wilden bidden (vers 1; 1 Thessalonika 5 vers 25). Hij, op zijn beurt, bad ook voortdurend voor hen (hoofdstuk 1 vers 11). Hij vertrouwde volkomen op de trouwe Heere, Die hen kon versterken en voor de boze bewaren. Maar hij rekende ook op hun eigen gehoorzaamheid, waarbij het eenvoudig vervullen van de dagelijkse plichten was ingesloten. Sommige Thessalonikers werkten namelijk niet meer. Zij dachten: 'Als de Heere toch terugkomt, waarom zouden we dan nog onze velden bewerken en allerlei zakelijke dingen van het tegenwoordige leven nakomen?' Het verdrietige resultaat van deze instelling was, dat zij zich met verkeerde dingen gingen bezighouden (vers 11; zie 1 Timotheüs 5 vers 13). Paulus komt krachtig tegen deze mening in het geweer. In zijn onderwijs was niets te vinden wat als uitvlucht voor zo'n wanorde gebruikt zou kunnen worden (vers 6, 7 en 11; vergelijk 1 Thessalonika 4 vers 11). Integendeel, hijzelf gaf hun het voorbeeld hoe men met eigen handen te werken had, opdat men niemand tot last zou kunnen zijn. En het allerhoogste voorbeeld was "de lijdzaamheid (volharding) van Christus" Zelf (vers 5); Hij wacht nog steeds op het moment dat Hij Zijn Gemeente voor Zich zal stellen.

Met deze beide Brieven aan de Thessalonikers zijn we aan het eind gekomen van een serie Brieven die Paulus aan zeven verschillende gemeenten geschreven heeft. Daarin worden de verschillende aspecten van het christelijke leven en de christelijke leer behandeld, vanaf het verkrijgen van het heil (de Romeinenbrief) tot aan de toekomstige heerlijkheid. Ook voor ons zijn deze onderwijzingen van het allergrootste belang en ook ontzettend waardevol! Geve de Heere, dat wij hieraan vasthouden, opdat wij vaststaan (hoofdstuk 2 vers 15).

1 Timotheüs 1:1-11
1Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus, Die onze Hope is,2Aan Timotheus, mijn oprechten zoon in het geloof; genade, barmhartigheid, vrede zij u van God, onzen Vader, en Christus Jezus, onzen Heere.3Gelijk ik u vermaand heb, dat gij te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonie reisde, zo vermaan ik het u nog, opdat gij sommigen beveelt geen andere leer te leren;4Noch zich te begeven tot fabelen en oneindelijke geslachtsrekeningen, welke meer twist vragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is.5Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart, en uit een goed geweten, en uit een ongeveinsd geloof.6Van dewelke sommigen afgeweken zijnde, zich gewend hebben tot ijdelspreking;7Willende leraars der wet zijn, niet verstaande, noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen.8Doch wij weten, dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt;9En hij dit weet, dat den rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar den onrechtvaardigen en den halsstarrigen, den goddelozen en den zondaren, den onheiligen en den ongoddelijken, den vadermoorders en den moedermoorders, den doodslagers,10Den hoereerders, dien, die bij mannen liggen, den mensendieven, den leugenaars, den meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is;11Naar het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij toebetrouwd is.

We worden in Handelingen 16 al met Timotheüs bekend gemaakt. De verbondenheid van de apostel met zijn "oprechte zoon in het geloof" (vers 2) was kostbaar. Toch schrijft Paulus hem hier in zijn hoedanigheid als apostel, om daarmee het gezag te onderstrepen dat hij aan Timotheüs overdraagt.

Aan deze jonge gelovige man was een zware opgave toevertrouwd. Hij moest anderen erop wijzen hoe zij zich in "de Gemeente van de levende God" te gedragen hadden (hoofdstuk 3 vers 15). Het einddoel van deze opdracht aan hem was de liefde.

Net zo min als de oordelen voor eerlijke mensen bedoeld zijn, is de wet niet bedoeld voor hen die gerechtvaardigd zijn (vers 9). Wat hen nu paste, was de liefde, waarvan God de Bron is. Deze liefde is door de Heilige Geest in onze harten uitgestort (Romeinen 5 vers 5). Opdat het echter niet tot stilstaand water wordt, maar door ons heen kan vloeien en voor anderen tot zegen kan worden, mag geen enkel kanaal verstopt zitten.

De liefde komt voort uit een rein hart — vrij van alle afgoderij; maar ook uit een goed geweten — dat geen aanstoot geeft (Handelingen 24 vers 16); en uit een oprecht geloof — dat elke vorm van huichelarij uitsluit (2 Timotheüs 1 vers 5). Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, zal ons christendom niet veel meer zijn dan ijdel gepraat (vers 6).

De tegenstelling tussen de wet, die de zondaar vervloekt, en de genade, waardoor hij in het genot van de heerlijkheid en gelukzaligheid van God verplaatst wordt, komt heel duidelijk naar voren!

1 Timotheüs 1:12-20
12En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onzen Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende;13Die te voren een gods lasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het ontwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid.14Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus.15Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.16Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven.17Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.18Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheus, dat gij naar de profetieen, die van u voorgegaan zijn, in dezelve den goeden strijd strijdt;19Houdende het geloof, en een goed geweten, hetwelk sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben;20Onder welken is Hymeneus en Alexander, die ik den satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren.

Als er iemand in staat zou zijn om de slavernij van de wet te vergelijken met het evangelie van de genade, dan was dat wel de Farizeeër Saulus van Tarsus, die de apostel Paulus is geworden. Zijn grote trouw aan de voorschriften van de wet kon niet verhinderen dat hij zichzelf "de voornaamste" van de zondaren noemde (vers 15). Had hij immers niet de Heere Jezus Zelf vervolgd, door de Zijnen op zo'n gruwelijke wijze te vervolgen? Zonder een spoortje van valse verootmoediging verklaart hij zichzelf dan ook als de ergste van de zondaren, zoals die in de verzen 9 en 10 opgenoemd worden. Maar juist daarvoor was Christus Jezus naar deze aarde gekomen, om zondaren te behouden en niet om rechtvaardigen te redden (Mattheüs 9 vers 13). En als "de voornaamste" van de zondaren toen gered kon worden, kan niemand immers meer zeggen dat hij een te grote zondaar is om in het genot van de genade te kunnen komen! Tot tweemaal toe roept de apostel het uit: "Mij is barmhartigheid bewezen" (vers 13 en 16). Hij meet deze barmhartigheid af aan de diepte van de ellende waarin hij zich bevond. En als gevolg van het ervaren van die grote barmhartigheid, stijgt er uit zijn hart spontaan aanbidding op voor God (vers 17).

Als wij, helaas maar al te vaak, zo weinig van deze genade genieten, dan komt dat misschien doordat wij nog niet voldoende doordrongen zijn van onze eigen zondige toestand. "...die weinig vergeven wordt"— mocht je dit tenminste denken — "die heeft weinig lief" (Lukas 7 vers 47).

En wat jou betreft, die misschien nog steeds onverschillig staat tegenover deze genade, willen we zeggen: 'De Heere heeft tot nu toe nog steeds geduld met je gehad. Laat Hem niet langer wachten, want morgen kan het te laat zijn!'

1 Timotheüs 2:1-15
1Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen;2Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.3Want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker;4Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen.5Want er is een God, er is ook een Middelaar Gods en der mensen, de Mens Christus Jezus;6Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd;7Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), een leraar der heidenen, in geloof en waarheid.8Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting.9Desgelijks ook, dat de vrouwen, in een eerbaar gewaad, met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of paarlen, of kostelijke kleding;10Maar (hetwelk de vrouwen betaamt, die de godvruchtigheid belijden) door goede werken.11Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid.12Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar wil, dat zij in stilheid zij.13Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.14En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.15Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zo zij blijft in het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid.

"Voor alle dingen" waarover Paulus aan Timotheüs wil schrijven (hoofdstuk 3 vers 14; 4 vers 6 en 11), wijst hij hem op de verschillende vormen van het gebed. Daarmee moet namelijk elke christelijke dienst — ook die van ons — beginnen.

De wil van God, het werk van Christus en onze gebeden omvatten "alle mensen" (vers 1). Het is onze opdracht zonder uitzondering voor allen te bidden, omdat God wil "dat alle mensen zalig worden" (vers 4) en omdat Christus Zichzelf "gegeven heeft tot een Losprijs voor allen" (vers 6). En het is een groot voorrecht voor ons te mogen bidden voor degenen die het zelf niet doen.

Een rustig en stil leven te kunnen leiden, is afhankelijk van hen "die in hoogheid zijn" (vers 2). Laten we aan God vragen of Hij ons dit, door deze mensen, mogelijk wil maken. En dat niet opdat wij ons dan kunnen uitleven in onze eigen begeerten, maar opdat wij dan vrijer zijn om ons om de redding van zondaren te bekommeren (Ezra 6 vers 10).

Van de broeders - oud, maar ook jong - wordt verwacht dat zij "in alle plaatsen" openlijk in de samenkomsten van de Gemeente bidden op een heilige wijze (vers 8).

De zusters hebben daarentegen op die plaats juist te zwijgen (vers 11; 1 Korinthe 14 vers 34). Door hun houding en hun bescheiden uiterlijk kunnen zij een sterker getuigenis afleggen dan door woorden. De gevolgen van de zondeval blijven voor de vrouw nog altijd bestaan (Genesis 3 vers 16), maar "het geloof, en liefde, en heiligmaking, met matigheid" (vers 13) zijn hier op aarde al bewijzen van de verlossing en de zegen.

1 Timotheüs 3:1-16
1Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.2Een opziener dan moet onberispelijk zijn, ener vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leren;3Niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker; maar bescheiden, geen vechter, niet geldgierig.4Die zijn eigen huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, met alle stemmigheid;5(Want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de Gemeente Gods zorg dragen?)6Geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde, en in het oordeel des duivels valle.7En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid, en in den strik des duivels.8De diakenen insgelijks moeten eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijns begeven, geen vuil-gewinzoekers;9Houdende de verborgenheid des geloofs in een rein geweten.10En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat zij daarna dienen, zo zij onbestraffelijk zijn.11De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geen lasteraarsters, wakker, getrouw in alles.12Dat de diakenen ener vrouwe mannen zijn, die hun kinderen en hun eigen huizen wel regeren.13Want die wel gediend hebben, verkrijgen zichzelven een goeden opgang, en vele vrijmoedigheid in het geloof, hetwelk is in Christus Jezus.14Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer haast tot u te komen;15Maar zo ik vertoef, opdat gij moogt weten, hoe men in het huis Gods moet verkeren, hetwelk is de Gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid.16En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.

Het begeren van een dienst als opziener moet als een teken van ijver voor de Gemeente gezien worden. Om de dienst van een opziener (of oudste) en van een dienaar (diaken) uit te kunnen oefenen, hoef je geen studie te volgen of een examen af te leggen. Het is een kwestie van zedelijke voorwaarden, en wel op tweeërlei wijze. Ten eerste moet zo iemand beschikken over een goed getuigenis binnen de Gemeente en daarbuiten. En ten tweede moet hij ervaring hebben opgedaan in het christelijke leven.

In elk huis bestaan er regels hoe je je hebt te gedragen en waaraan je je hebt te houden. Dat is een gemeenschappelijk ingestelde orde, waaraan iedereen zich heeft te onderwerpen. Zo is het ook in het Huis van God, de Gemeente (1 Korinthe 14 vers 40). We zijn in daar geen enkel opzicht vrij om te doen en te laten wat wij zelf willen. De Gemeente is "de Pilaar" waarop de Naam van Christus, de Waarheid, geschreven staat, om Hem aan de hele wereld bekend te maken (vers 15).

"De verborgenheid van de Godzaligheid is groot" (vers 16), omdat de Persoon op Wie onze betrekkingen tot God gebaseerd zijn, zo groot is. De komst van de Heere Jezus als Mens naar deze aarde, de volkomen gerechtigheid in heel Zijn wandel, in de kracht van de Heilige Geest en gezien door de engelen, Zijn Naam, gepredikt en geloofd in de wereld, en ten slotte Zijn opneming in heerlijkheid, vormen samen de elementen die onlosmakelijk met deze onaantastbare verborgenheid verbonden zijn, en die aan de Gemeente zijn toevertrouwd. De Gemeente is verantwoordelijk, ten opzichte van de Heere, om de hele waarheid te 'ondersteunen' en te bewaren (zie vers 15 aan het eind).

1 Timotheüs 4:1-16
1Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten, en leringen der duivelen,2Door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als met een brandijzer toegeschroeid;3Verbiedende te huwelijken, gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend.4Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde;5Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed.6Als gij deze dingen den broederen voorstelt, zo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden des geloofs en der goede leer, welke gij achtervolgd hebt.7Maar verwerp de ongoddelijke en oudwijfse fabelen; en oefen uzelven tot godzaligheid.8Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut; maar de godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens.9Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig.10Want hiertoe arbeiden wij ook, en worden versmaad, omdat wij gehoopt hebben op den levenden God, Die een Behouder is aller mensen, maar allermeest der gelovigen.11Beveel deze dingen, en leer ze.12Niemand verachte uw jonkheid, maar zijt een voorbeeld der gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in den geest, in geloof, in reinheid.13Houd aan in het lezen, in het vermanen, in het leren, totdat ik kome.14Verzuim de gave niet, die in u is, die u gegeven is door de profetie, met oplegging der handen des ouderlingschaps.15Bedenk deze dingen, wees hierin bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles.16Heb acht op uzelven en op de leer; volhard daarin; want dat doende, zult gij en uzelven behouden, en die u horen.

De grote verborgenheid van de Godzaligheid werd (en wordt) door velen veracht. 'Godzaligheid' betekent: Godvrezend leven. Sommigen hebben daar iets van afgedaan wat hun niet paste. Anderen hebben er wettische tradities of zelfs bijgeloof aan toegevoegd.

"Een goed dienaar" voedt zich met de "goede leer" (vers 6; zie hoofdstuk 1 vers 10; 6 vers 3). Daarna ben je ook in staat anderen te onderwijzen (vers 11 - 13).

De Godzaligheid is een deugd, waarin je je moet oefenen (vers 8; het Griekse woord dat hiervoor gebruikt wordt is 'gymnazô', waarvan 'gymnastiek' is afgeleid). Dit betekent in feite dus niets anders dan jezelf trainen. Lichamelijke oefening is voor de gezondheid en het goed functioneren van ons lichaam noodzakelijk. In vergelijking met de vooruitgang die onze ziel kan boeken wanneer wij onszelf dagelijks oefenen in de Godzaligheid, stelt lichamelijke oefening echter niet veel voor. Let op: je moet je altijd persoonlijk oefenen! Als de jonge Timotheüs hieraan zou voldoen, kon hij een voorbeeld zijn voor anderen (Titus 2 vers 7). Je kunt niet leven van de Godzaligheid van iemand anders. Een voorbeeld "in woord", hetgeen bevestigd wordt door de "wandel" en gestimuleerd wordt door "de liefde", die op haar beurt weer verlicht wordt door het "geloof", dat ten slotte "in reinheid" bewaard moet worden (vers 12).

En hoe kun je je oefenen in Godzaligheid? Door je met de Goddelijke dingen bezig te houden en je daar volkomen aan over te geven. Als we ons met allerlei andere dingen bezighouden, dan is zwakheid in ons getuigenis daar het gevolg van. Laten we toch voorvechters zijn van iets heel anders, van een Persoon: Christus (2 Korinthe 8 vers 5). Dan zal er in geestelijk opzicht vooruitgang zijn bij ons en dat zal weer zichtbaar worden voor anderen (vers 15).

1 Timotheüs 5:1-16
1Bestraf een ouden man niet hardelijk, maar vermaan hem als een vader; de jonge als broeders;2De oude vrouwen als moeders; de jonge als zusters, in alle reinheid.3Eer de weduwen, die waarlijk weduwen zijn.4Maar zo enige weduwe kinderen heeft, of kindskinderen, dat die leren eerst aan hun eigen huis godzaligheid oefenen, en den voorouderen wedervergelding te doen; want dat is goed en aangenaam voor God.5Die nu waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag.6Maar die haar wellust volgt, die is levende gestorven.7En beveel dit, opdat zij onberispelijk zijn.8Doch zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend, en is erger dan een ongelovige.9Dat een weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke eens mans vrouw geweest zij;10Getuigenis hebbende van goede werken: zo zij kinderen opgevoed heeft, zo zij gaarne heeft geherbergd, zo zij der heiligen voeten heeft gewassen, zo zij den verdrukten genoegzame hulp gedaan heeft, zo zij alle goed werk nagetracht heeft.11Maar neem de jonge weduwen niet aan; want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, zo willen zij huwelijken;12Hebbende haar oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben te niet gedaan.13En meteen ook leren zij ledig omgaan bij de huizen; en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig, en ijdele dingen doende, sprekende, hetgeen niet betaamt.14Ik wil dan, dat de jonge weduwen huwelijken, kinderen telen, het huis regeren, geen oorzaak van lastering aan de wederpartij geven.15Want enigen hebben zich alrede afgewend achter den satan.16Zo enig gelovig man, of gelovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulp doe, en dat de Gemeente niet bezwaard worde, opdat zij degenen, die waarlijk weduwen zijn, genoegzame hulp doen moge.

In onze betrekkingen tot andere christenen mogen de 'gewone' familiebanden tot een voorbeeld dienen: "als een vader... als broeders... als moeders... als zusters" (vers 1 en 2). Laten we nooit vergeten dat de gelovigen samen één familie vormen. Elke gelovige afzonderlijk behoort dus tot één en dezelfde familie: de familie van God.

Van ieder persoonlijk wordt verwacht dat hij aan anderen, en in de eerste plaats in zijn "eigen huis" (vers 4), laat zien dat hij de Heere wil dienen en Zijn Woord wil gehoorzamen. De Farizeeën predikten het tegenovergestelde. Hoewel zij met hun eigen toewijding pronkten, verklaarden zij het gebod van God als ongeldig, omdat zij de kinderen ervan weerhielden om aan hun verplichtingen ten opzichte van de ouders te voldoen (Markus 7 vers 12 en 13).

Vers 10 geeft ons een korte samenvatting van een leven dat volkomen ten dienste staat van de Heere. Laat dit het verlangen van een ieder van ons zijn!

Deze veertien verzen (3 - 16) die gewijd zijn aan de weduwen, herinneren ons eraan dat God heel speciaal over hen waakt (Psalm 68 vers 6). In het Lukasevangelie worden vier weduwen genoemd: de profetes Anna (haar smeken, "nacht en dag", vormt een mooie illustratie van vers 5; Lukas 2 vers 36 - 38), de weduwe van Naïn, die haar zoon terugkreeg uit de hand van de Heere Jezus (Lukas 7 vers 12 en verder), dan zij die in de gelijkenis van hoofdstuk 18 haar gelijk probeerde te halen bij de rechter, en ten slotte de arme weduwe die voor de ogen van de Heere — en tot Zijn vreugde — haar hele levensonderhoud in de schatkist van de tempel wierp (Lukas 21). Wellicht is er in de Bijbel geen enkel goed werk te vinden dat door deze daad overtroffen wordt!

1 Timotheüs 5:17-25; 1 Timotheüs 6:1-10
17Dat de ouderlingen, die wel regeren, dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het Woord en de leer.18Want de Schrift zegt: Een dorsenden os zult gij niet muilbanden; en: De arbeider is zijn loon waardig.19Neem tegen een ouderling geen beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen.20Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben.21Ik betuig voor God, en den Heere Jezus Christus, en de uitverkoren engelen, dat gij deze dingen onderhoudt, zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid.22Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden; bewaar uzelven rein.23Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om uw maag en uw menigvuldige zwakheden.24Van sommige mensen zijn de zonden te voren openbaar, en gaan voor tot hun veroordeling; en in sommigen ook volgen zij na.25Desgelijks ook de goede werken zijn te voren openbaar, en daar het anders mede gelegen is, kunnen niet verborgen worden.
1De dienstknechten, zovelen als er onder het juk zijn, zullen hun heren alle eer waardig achten, opdat de Naam van God, en de leer niet gelasterd worde.2En die gelovige heren hebben, zullen hen niet verachten, omdat zij broeders zijn; maar zullen hen te meer dienen, omdat zij gelovig en geliefd zijn, als die deze weldaad mede deelachtig zijn. Leer en vermaan deze dingen.3Indien iemand een andere leer leert, en niet overeenkomt met de gezonde woorden van onzen Heere Jezus Christus, en met de leer, die naar de godzaligheid is,4Die is opgeblazen, en weet niets, maar hij raast omtrent twist vragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade nadenkingen.5Verkeerde krakelingen van mensen, die een verdorven verstand hebben, en van de waarheid beroofd zijn, menende, dat de godzaligheid een gewin zij. Wijk af van dezulken.6Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging.7Want wij hebben niets in de wereld gebracht, het is openbaar, dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen.8Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn.9Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.10Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken.

Paulus gaat verder met zijn uitleg aan Timotheüs, "hoe men in het Huis van God moet verkeren" (hoofdstuk 3 vers 15). Deze vraag is van uitermate groot belang: voor God Zelf — het betreft immers Zijn Huis — voor Christus Jezus; en ten slotte voor de uitverkoren engelen, die ertoe geroepen zijn om de wijsheid van God in de Gemeente te aanschouwen (vers 21; Efeze 3 vers 10)!

Deze "veelvuldige wijsheid van God" moet echter ook in de diverse details van het leven als Gemeente zichtbaar zijn, allereerst in de verplichtingen van de kudde ten opzichte van de oudsten, maar ook in het gedrag van de dienstknecht van God, wanneer er moeilijke problemen op te lossen zijn, en tevens in de aanwijzingen die aan de "dienstknechten" (werknemers) gegeven worden (hoofdstuk 6 vers 1 en 2).

Wat ontstaat er een grote wanorde, wanneer men zich niet meer aan "de gezonde woorden" onderwerpt. En daarbij gaat het niet om woorden van Paulus of van Timotheüs, maar "van onze Heere Jezus Christus" Zelf (vers 3; 1 Thessalonika 4 vers 2 en 8)!

"De Godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging", dat betekent dat Godsvrucht met tevredenheid iets groots is. En dit ligt voor elke gelovige binnen handbereik (vers 6; zie ook hoofdstuk 4 vers 8)! Onze civilisatie is helemaal gebaseerd op het vinden en bevredigen van steeds weer nieuwe behoeften. Desondanks blijft het begerige hart van de mens onverzadigbaar (vergelijk vers 9 en 10 met Psalm 49 vers 17- 21). Laten we de Heere danken dat Hij ons van het nodige voorziet (vers 8). We zullen tevreden zijn met hetgeen Hij ons geeft, wanneer Hij Zelf, de Gever (het ene grote Onderwerp van de Godzaligheid) ons hart volkomen bevredigt!

1 Timotheüs 6:11-21
11Maar gij, o mens Gods, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid.12Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.13Ik beveel u voor God, Die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus, Die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft,14Dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning van onzen Heere Jezus Christus;15Welke te Zijner tijd vertonen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der koningen, en Heere der heren;16Die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont; Denwelken geen mens gezien heeft, noch zien kan; Welken zij eer en eeuwige kracht. Amen.17Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hun hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God, Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten;18Dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededelende zijn, en gemeenzaam;19Leggende zichzelven weg tot een schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkrijgen mogen.20O Timotheus, bewaar het pand u toebetrouwd, een afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel-roepen, en van de tegenstellingen der valselijk genaamde wetenschap;21Dewelke sommigen voorgevende, zijn van het geloof afgeweken. De genade zij met u. Amen.

"Maar gij...!" (vers 11). De 'mens Gods' — dus elk kind van God — moet hier op aarde voortdurend tegen de stroom in zwemmen.

Hij ontvlucht datgene wat de wereld liefheeft en zoekt: het geld en de dingen die je je voor geld kunt aanschaffen (vers 10).

Hij streeft naar datgene wat de Heere welgevallig is: gerechtigheid, Godzaligheid, geloof, liefde, volharding, zachtmoedigheid (vers 11).

Hij verwacht Zijn verschijning, dat is de tijd waarin alles openbaar zal worden (vers 14).

De apostel maakt onderscheid tussen "de rijken" (vers 17) en hen "die rijk willen worden" (vers 9), want dat maakt een groot verschil. En hij werpt het licht van de eeuwigheid op de goederen van "deze tegenwoordige wereld". Het Onderwerp van ons vertrouwen is niet de gave op zich, maar juist Degene Die het geeft (vers 17). Het ware gewin is de Godzaligheid; ware rijkdom wordt gevormd door de goede werken (vers 18); de ware schat is een goede grondslag voor de toekomst (vers 19). O, dat wij toch het onderscheid mogen onderkennen en "het eeuwige leven verkrijgen mogen".

Ontvlucht..., streeft..., strijdt..., grijpt... hebben we in dit Schriftgedeelte gelezen (vers 11 en 12). In vers 20 vinden we nog een laatste, maar toch heel ernstige, oproep: "Timotheüs, bewaar het pand u toevertrouwd" (zie ook vers 14 en 2 Timotheüs 1 vers 14). Dat is de laatste vermaning, waarbij wij iedere lezer willen oproepen om z'n eigen naam in te vullen op de plaats waar die van Timotheüs staat.

2 Timotheüs 1:1-18
1Paulus, een apostel van Jezus Christus, door den wil van God, naar de belofte des levens, dat in Christus Jezus is,2Aan Timotheus, mijn geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader, en Christus Jezus, onzen Heere.3Ik dank God, Wien ik diene van mijn voorouderen aan in een rein geweten, gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijn gebeden nacht en dag;4Zeer begerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uw tranen, opdat ik met blijdschap moge vervuld worden;5Als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof, dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Lois, en in uw moeder Eunice; en ik ben verzekerd, dat het ook in u woont.6Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is, door de oplegging mijner handen.7Want God heeft ons niet gegeven een geest der vreesachtigheid, maar der kracht, en der liefde, en der gematigdheid.8Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns, die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie, naar de kracht Gods;9Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen;10Doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, Die den dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie;11Waartoe ik gesteld ben een prediker, en een apostel, en een leraar der heidenen;12Om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar word niet beschaamd; want ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is, mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag.13Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde, die in Christus Jezus is.14Bewaar het goede pand, dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest, Die in ons woont.15Gij weet dit, dat allen, die in Azie zijn, zich van mij afgewend hebben; onder dewelke is Fygellus en Hermogenes.16De Heere geve den huize van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikmaals verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd.17Maar als hij te Rome gekomen was, heeft hij mij zeer naarstiglijk gezocht, en heeft mij gevonden.18De Heere geve hem, dat hij barmhartigheid vinde bij den Heere, in dien dag; en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft, weet gij zeer wel.

Deze tweede Brief geeft, in tegenstelling tot de eerste, een tijd van verval, van een grote ruïne, aan. De apostel moet als gevangene, en aangekomen aan het eind van zijn loopbaan, nog het snelle verval binnen de getuigenissen meemaken, de gemeenten waarin hij zoveel gewerkt heeft. Met het voortschrijden van het kwaad, dat al zichtbaar werd in de tijd van de apostel, heeft God ervoor gezorgd dat ook wij deze Brief zouden krijgen. Hierin lezen we welke weg wij te gaan hebben, maar worden ook de hulpbronnen voor het geloof in de "zware tijden", waarin wij nu leven, aangegeven (hoofdstuk 3 vers 1).

Paulus schrijft aan zijn "geliefde zoon", dat hij moedig en niet bang moet zijn (vers 7). Alles wat wij als gelovigen aan geestelijke zegeningen bezitten, ligt buiten het bereik van de vijand. Bovendien wordt dat alles bewaard door de kracht van God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest. Hij blijft de Geest van kracht, liefde en onderwijs en woont in ons (vers 12 - 14; Johannes 14 vers 17). Onze "Zaligmaker Jezus Christus" is niet veranderd. Zijn overwinning over de dood werd voor de eeuwigheid behaald (vers 10). Alle uiterlijke steunpunten zijn verdwenen en het geloof brengt ons ertoe voortaan alleen op de Heere te steunen (Vers 12; Psalm 62 vers 2).

Niet wanneer alles goed gaat, maar juist wanneer alles slecht gaat, wordt de trouw op de proef gesteld (Filippi 2 vers 22). In een tijd van tegenslagen heeft iedereen zich van de apostel afgewend (vers 15), terwijl één broeder, Onesiforus, zichzelf opofferde en hem ijverig in de gevangenis opzocht. Deze Onesiforus was één van de barmhartigen, die barmhartigheid ten deel zal vallen (vers 18; Mattheüs 5 vers 7 en hoofdstuk 25 vers 36).

2 Timotheüs 2:1-13
1Gij dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade, die in Christus Jezus is;2En hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leren.3Gij dan, lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.4Niemand, die in de krijg dient, wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftochts, opdat hij dien moge behagen, die hem tot den krijg aangenomen heeft.5En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond, zo hij niet wettelijk heeft gestreden.6De landman, als hij arbeidt, moet alzo eerst de vruchten genieten.7Merk, hetgeen ik zeg; doch de Heere geve u verstand in alle dingen.8Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is uit den zade Davids, naar mijn Evangelie;9Om hetwelk ik verdrukkingen lijde tot de banden toe, als een kwaaddoener; maar het Woord Gods is niet gebonden.10Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen, die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid.11Dit is een getrouw woord; want indien wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven;12Indien wij verdragen, wij zullen ook met Hem heersen; indien wij Hem verloochenen, Hij zal ons ook verloochenen;13Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw; Hij kan Zichzelven niet verloochenen.

De apostel wenst voor zijn geliefde discipel dat hij gesterkt mag worden "in de genade" (vers 1). Deze verborgenheid had hij zelf uit de mond van de Heere mogen horen: "Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht" (2 Korinthe 12 vers 9).

Drie voorbeelden illustreren de onthouding, de gehoorzaamheid en de volharding van een christen: de soldaat, de atleet en de akkerbouwer. Een goed soldaat sleept niet allerlei ballast met zich mee. Hij houdt zich aan de tucht, zoals zijn meerdere dat ook graag bij hem ziet. En hij weet dat het soldaat-zijn onvermijdelijk lijden, gevaar en strijd met zich mee zal brengen. Dat alles gaat vooraf aan de eventuele eer of de medaille.

Het Woord is getrouw, dat wordt door de hele Schrift bevestigd. En het is dan ook absoluut zeker dat ons gedrag van nu in de eeuwigheid vergolden zal worden. Vandaag nog het lijden en gestorven zijn met Christus — maar morgen het leven, de heerschappij en de eeuwige heerlijkheid met Hem.

Beste gelovige vrienden, de Heere Jezus heeft ons ertoe geroepen om onder Zijn banier (vlag) op te trekken en te strijden. Maar ach, in een gewoon leger komen soms ook deserteurs voor, die hun banier en aanvoerder verloochenen (vers 12; Judas vers 4). En er zijn ook duizend en één mogelijkheden, ook heel onopvallende, waarmee ook wij onze Meester kunnen verloochenen. Laat het verlangen naar de goedkeuring van de Heere — vandaag nog verborgen, morgen openlijk — ons toch tot goede strijders mogen maken. Laten we toch strijders mogen zijn die in staat zijn om de goede strijd te strijden (hoofdstuk 4 vers 7 en 8; 1 Timotheüs 6 vers 12).

2 Timotheüs 2:14-26
14Breng deze dingen in gedachtenis, en betuig voor den Heere, dat zij geen woordenstrijd voeren, hetwelk tot geen ding nut is, dan tot verkering der toehoorders.15Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te stellen, een arbeider, die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht snijdt.16Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdelroepen; want zij zullen in meerdere goddeloosheid toenemen.17En hun woord zal voorteten, gelijk de kanker; onder welke is Hymeneus en Filetus;18Die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende, dat de opstanding alrede geschied is, en verkeren sommiger geloof.19Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een iegelijk, die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid.20Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten; en sommige ter ere, maar sommige ter onere.21Indien dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter ere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Heeren, tot alle goed werk toebereid.22Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid; en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vrede, met degenen, die den Heere aanroepen uit een rein hart.23En verwerp de vragen, die dwaas en zonder lering zijn, wetende, dat zij twistingen voortbrengen.24En een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leren, en die de kwaden kan verdragen;25Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te eniger tijd bekering gave tot erkentenis der waarheid;26En zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijn wil.

Als alles goed gaat en het werk lukt, heeft de arbeider geen enkele reden om zich voor zijn medemensen te schamen (zie hoofdstuk 1 vers 8, 12 en 16). Als het getuigenis daarentegen in verval raakt, hebben we moeite om aan deze gevoelens van schaamte te ontkomen. Maar wat maakt het uit, wanneer de wereld ons veracht als wij de instemming van God hebben (vers 15)? En dit hoofdstuk laat ons een houding zien waardoor wij in alle omstandigheden zeker mogen zijn van de goedkeuring van de Heere.

Daar waar ongeloof en verdorvenheid heersen, moet de trouwe christen zich afzonderen. Met betrekking tot de enkeling reinigt hij zich; de begeerten ontvlucht hij; naar het goede streeft hij; de gemeenschap met andere gelovigen zoekt hij en hij sluit zich bij hen aan, om samen God te aanbidden.

De verzen 19 - 22 hebben er in de praktijk toe bijgedragen dat kinderen van God zich uit verschillende godsdienstige systemen in de christenheid hebben teruggetrokken, om zich daarna tot eer van de Heere en alleen rondom Hem te vergaderen.

In de eerste Brief (hoofdstuk 6 vers 11) hebben we ook al gelezen over ontvluchten en streven. O, dat de Heere vers 22 van het Schriftgedeelte van vandaag toch mag inprenten in het hart van alle jonge gelovigen! Laten we echter niet vergeten dat wij met onze medemensen evenveel geduld en zachtmoedigheid, alsook standvastigheid met betrekking tot de waarheid en grondbeginselen moeten hebben (vers 24 en 25; Efeze 4 vers 2)!

2 Timotheüs 3:1-17
1En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.2Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig.3Zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden,4Verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods;5Hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen.6Want van dezen zijn het, die in de huizen insluipen, en nemen de vrouwkens gevangen, die met zonden geladen zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden;7Vrouwkens, die altijd leren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen.8Gelijkerwijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, alzo staan ook deze de waarheid tegen; mensen, verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof.9Maar zij zullen niet meerder toenemen; want hun uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van genen geworden is.10Maar gij hebt achtervolgd mijn leer, wijze van doen, voornemen, geloof, lankmoedigheid, liefde, lijdzaamheid.11Mijn vervolgingen, mijn lijden, zulks als mij overkomen is in Antiochie, in Ikonium en in Lystre; hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit alle verlost.12En ook allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.13Doch de boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid.14Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt, en waarvan u verzekering gedaan is, wetende, van wien gij het geleerd hebt;15En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.16Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;17Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.

Het duistere beeld dat in de verzen 2 - 5 gegeven wordt, lijkt op Romeinen 1 vers 28 - 32. Echter met dit verschil, dat hier niet gesproken wordt over heidenen, maar over mensen die zich christenen noemen! En wat alles nog veel erger maakt: de vreselijke kenmerken van gecamoufleerde bedriegers worden met huichelarij, met "een gedaante van Godzaligheid", bedekt (vers 5). "Maar gij...", onderbreekt de apostel telkens opnieuw (vers 10, 14 en hoofdstuk 4 vers 5). Aan de ene kant staan deze immorele mensen, "die altijd leren, en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen" (vers 7). Aan de andere kant staat deze jonge dienstknecht van God, die onder invloed van een godsdienstige moeder en grootmoeder van kindsaf met "de heilige Schriften" gevoed werd (vers 15; hoofdstuk 1 vers 5). Gelukkig zij die van jongs af aan ijverige lezers van het Woord van God geweest zijn! Voor hen en ons allemaal geldt de vermaning: "Blijft in hetgeen gij geleerd hebt" (vers 14).

Vers 16 bevestigt de volkomen inspiratie van de hele Heilige Schrift en tegelijkertijd Haar gezag, om te leren, te weerleggen, terecht te wijzen en te onderwijzen in de gerechtigheid.

Het Woord van God voedt en vormt de mens van God. Timotheüs was zo iemand, ondanks zijn jonge leeftijd (vers 17; 1 Timotheüs 6 vers 11). Deze titel "mens Gods" betekent: een mens, een man zoals God hem bedoeld heeft; dat is veel waardevoller dan de titel van soldaat, arbeider of knecht (hoofdstuk 2 vers 3, 15 en 24). God laat ons hier zien hoe je een "mens Gods" kunt worden. Geve Hij ook ons het verlangen dat te zijn!

2 Timotheüs 4:1-22
1Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, Die de levenden en doden oordelen zal in Zijn verschijning en in Zijn Koninkrijk:2Predik het woord; houd aan tijdelijk, ontijdelijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.3Want er zal een tijd zijn, wanneer zij de gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leraars opgaderen, naar hun eigen begeerlijkheden;4En zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keren tot fabelen.5Maar gij, wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een evangelist, maak, dat men van uw dienst ten volle verzekerd zij.6Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.7Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geeindigd, ik heb het geloof behouden;8Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben.9Benaarstig u haastelijk tot mij te komen.10Want Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalonica gereisd; Krescens naar Galatie, Titus naar Dalmatie.11Lukas is alleen met mij. Neem Markus mede, en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst.12Maar Tychikus heb ik naar Efeze gezonden.13Breng den reismantel mede, dien ik te Troas bij Karpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten.14Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads betoond; de Heere vergelde hem naar zijn werken.15Van welken wacht gij u ook, want hij heeft onze woorden zeer tegengestaan.16In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend.17Maar de Heere heeft mij bijgestaan, en heeft mij bekrachtigd; opdat men door mij ten volle zou verzekerd zijn van de prediking, en alle heidenen dezelve zouden horen. En ik ben uit de muil des leeuws verlost.18En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.19Groet Priska en Aquila, en het huis van Onesiforus.20Erastus is te Korinthe gebleven; en Trofimus heb ik te Milete krank gelaten.21Benaarstig u, om voor den winter te komen. U groet Eubulus, en Pudens, en Linus, en Klaudia, en al de broeders.22De Heere Jezus Christus zij met uw geest. De genade zij met ulieden. Amen.

Ook al wenden velen hun oren af van de waarheid (vers 4), toch moet een arbeider van de Heere er niet minder om gaan prediken en waarschuwen. Hij moet juist aanhouden, of het nu gelegen of ongelegen komt, en hij moet altijd blijven weerleggen, bestraffen, vermanen, kortom: zijn dienst volkomen vervullen (vers 2 en 5).

Paulus heeft daar een voorbeeld van gegeven. Zijn loop was voleindigd. Sporters weten dat een wedstrijd nooit voor de eindstreep beslist wordt. Tussentijds opgeven of zich in de laatste meters nog laten inhalen, betekent dat je de loop —en dus ook de prijs — helemaal verloren hebt. En de laatste stappen zijn vaak de moeilijkste! De apostel geeft ons een ontroerend overzicht van de laatste omstandigheden van zijn strijd en loop. Hij zat in de gevangenis en ondervond "koude en naaktheid" (1 Korinthe 4 vers 11; 2 Korinthe 11 vers 27) en hier vraagt hij om zijn mantel (vers 13). Maar hij spreekt ook over het kwaad en de tegenstand van de mensen (vers 14 en 15), over zijn verantwoording tegenover de keizer (Nero), en dat in afwezigheid van zijn vrienden (vers 16). Allen zijn verstrooid. Demas had hem zelfs verlaten (vers 10). Je kunt je niet tegelijkertijd in het gezelschap van hen die "de tegenwoordige wereld" hebben liefgekregen en hen die de "verschijning" van de Heere liefhebben, bevinden (vers 8).

Deze Brief eindigt met de grootste troost in tijden van verval: de genade! Dat is de groet van de apostel, zowel aan het begin als aan het eind van deze Brief (hoofdstuk 1 vers 2; hoofdstuk 4 vers 22).

Deze genade zij met ons allen!

Titus 1:1-16
1Paulus, een dienstknecht Gods, en een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid, die naar de godzaligheid is;2In de hoop des eeuwigen levens, welke God, Die niet liegen kan, beloofd heeft, voor de tijden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te Zijner tijd;3Namelijk Zijn Woord, door de prediking, die mij toebetrouwd is, naar het bevel van God, onze Zaligmaker; aan Titus, mijn oprechte zoon, naar het gemeen geloof:4Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader, en den Heere Jezus Christus, onzen Zaligmaker.5Om die oorzaak heb ik u te Kreta gelaten, opdat gij, hetgeen nog ontbrak, voorts zoudt te recht brengen, en dat gij van stad tot stad zoudt ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb:6Indien iemand onberispelijk is, ener vrouwe man, gelovige kinderen hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, of ongehoorzaam zijn.7Want een opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig, niet genegen tot toornigheid, niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil-gewinzoeker;8Maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, kuis;9Die vasthoudt aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij, beide om te vermanen door de gezonde leer, en om de tegensprekers te wederleggen.10Want er zijn ook vele ongeregelden, ijdelheidsprekers en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de besnijdenis zijn;11Welken men moet den mond stoppen, die gehele huizen verkeren, lerende wat niet behoort, om vuil gewins wil.12Een uit hen, zijnde hun eigen profeet, heeft gezegd: De Kretensen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luie buiken.13Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf hen scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn in het geloof.14En zich niet begeven tot Joodse fabelen, en geboden der mensen, die hen van de waarheid afkeren.15Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongelovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en geweten zijn bevlekt.16Zij belijden, dat zij God kennen, maar zij verloochenen Hem met de werken, alzo zij gruwelijk zijn en ongehoorzaam, en tot alle goed werk ongeschikt.

In de Brief aan Titus komen we dezelfde onderwerpen tegen als waarmee wij ons ook in de eerste Brief aan Timotheüs hebben mogen bezighouden: de goede orde in de Gemeente, de gezonde leer, in tegenstelling tot de valse leraars, en hun uitwerkingen in het gedrag van de gelovigen.

Paulus heeft Titus de opdracht gegeven om in elke gemeente oudsten (meervoud!) uit te kiezen en aan te stellen (Handelingen 14 vers 23). Dat is iets heel anders dan het principe dat vandaag de dag wijd verspreid is: dat één persoon deze functie uitoefent en daarvoor regelmatig zijn salaris ontvangt. Waardigheid, nuchterheid, gastvrijheid en zelfbeheersing zijn een paar van de karakterkenmerken die absoluut noodzakelijk zijn voor een opziener.

Het beeld van de inwoners van Kreta, zoals hun eigen profeet dat beschrijft en door Paulus bevestigd wordt, is niet zo fraai. De kenmerken van de natuurlijke mens, die bij de één misschien wat meer en bij de ander wat minder zichtbaar zijn, worden door zijn bekering niet uitgewist. De één heeft nadien misschien nog de neiging om te liegen, de ander tot hoogmoed of luiheid. Elk kind van God moet daarom leren zijn eigen natuurlijke aanleg te onderkennen, en er dan met de hulp van de Heere voor waken dat deze niet meer de kop opsteekt. Zo is het ook met ongehoorzaamheid! De ongehoorzaamheid van kinderen ten opzichte van de ouders (vers 6) kan op latere leeftijd ontaarden in ongehoorzaamheid ten opzichte van het Goddelijk onderwijs (vers 10). En God kan "de werken" die niet in onderwerping aan het gezag van Zijn Woord gedaan worden, nooit erkennen (vers 16).

Titus 2:1-15
1Doch gij, spreek hetgeen der gezonde leer betaamt.2Dat de oude mannen nuchter zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid.3De oude vrouwen insgelijks, dat zij in haar dracht zijn, gelijk den heiligen betaamt, dat zij geen lasteraarsters zijn, zich niet tot veel wijns begevende, maar leraressen zijn van het goede;4Opdat zij de jonge vrouwen leren voorzichtig te zijn, haar mannen lief te hebben, haar kinderen lief te hebben;5Matig te zijn, kuis te zijn, het huis te bewaren, goed te zijn, haar eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord Gods niet gelasterd worde.6Vermaan den jonge mannen insgelijks, dat zij matig zijn.7Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken, betoon in de leer onvervalstheid, deftigheid, oprechtheid;8Het woord gezond en onverwerpelijk, opdat degene, die daartegen is, beschaamd worde, en niets kwaads hebbe van ulieden te zeggen.9Vermaan den dienstknechten, dat zij hun eigen heren onderdanig zijn, dat zij in alles welbehagelijk zijn, niet tegensprekende;10Niet onttrekkende, maar alle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer van God, onzen Zaligmaker, in alles mogen versieren.11Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen.12En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;13Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus;14Die Zichzelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.15Spreek dit, en vermaan, en bestraf met allen ernst. Dat niemand u verachte.

Behalve zij die oudsten in de gemeente zijn (hoofdstuk 1 vers 5 - 9), moet ook elke christen, jong of oud, broeder of zuster, een goed getuigenis hebben (vers 2 - 10). Wat voor de knechten een plicht is, is ook van toepassing op alle verlosten van de Heere. In het dagelijks leven zijn er maar weinig mensen die niemand boven zich hebben, maar in geestelijk opzicht moet elke gelovige zich in ieder geval een "dienstknecht van God" noemen, net zoals Paulus deed (hoofdstuk 1 vers 1). Het onderwijs van onze Meester wordt veel waardevoller wanneer wij het door ons gedrag mogen "versieren" (vers 10; 1 Koningen 10 vers 4 en 5).

De verzen 11 en 12 laten ons de genade van God zien, die zich op tweevoudige wijze openbaart. Ten eerste openbaart zij het heil aan alle mensen, die zij zonder deze genade nooit zouden kunnen bereiken. En ten tweede onderwijst zij elk kind van God, om in het persoonlijk leven bezonnen (matig) en in de omgang met anderen rechtvaardig en in zijn verbinding met de Heere godzalig te zijn. Het hele christelijke leven wordt in deze drie eigenschappen omvat. En de hoop houdt dit leven staande (vers 13; hoofdstuk 1 vers 2; 3 vers 7). Het wordt een "zalige" of gelukzalige hoop genoemd, omdat de ziel hier op aarde hierdoor al met geluk vervuld wordt.

"God, onze Zaligmaker... de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus" (vers 10 en 13; zie ook hoofdstuk 1 vers 3 en 4; 3 vers 4 en 6), dat zijn titels die in verbinding staan met de Naam Jezus (God is Redder) en die ons eraan herinneren dat wij alles aan Hem te danken hebben. Laten we echter nooit vergeten dat Hij ons niet voor onszelf, maar juist voor "Zichzelf" gered heeft (vers 14)!

Titus 3:1-15
1Vermaan hen, dat zij aan de overheden en machten onderdanig zijn, dat zij hun gehoorzaam zijn, dat zij tot alle goed werk bereid zijn;2Dat zij niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle mensen.3Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende.4Maar wanneer de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is,5Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes;6Denwelken Hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten door Jezus Christus, onzen Zaligmaker;7Opdat wij, gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens.8Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik, dat gij ernstelijk bevestigt, opdat degenen, die aan God geloven, zorg dragen, om goede werken voor te staan; deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn den mensen.9Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtsrekeningen, en twistingen, en strijdingen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.10Verwerp een kettersen mens na de eerste en tweede vermaning;11Wetende, dat de zodanige verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zichzelf veroordeeld.12Als ik Artemas tot u zal zenden, of Tychikus, zo benaarstig u tot mij te komen te Nikopolis; want aldaar heb ik voorgenomen te overwinteren.13Geleid Zenas, den wetgeleerde, en Apollos zorgvuldiglijk, opdat hun niets ontbreke.14En dat ook de onzen leren, goede werken voor te staan tot nodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.15Die met mij zijn, groeten u allen. Groet ze, die ons liefhebben in het geloof. De genade zij met u allen. Amen.

Onze houding en ons gedrag ten opzichte van de overheid en alle andere mensen moet noodzakelijkerwijs in tegenstelling staan tot datgene wat "ook wij" voor onze bekering waren. En als wij onze eigen vroegere, verdrietige toestand altijd in gedachten houden, dan zullen en kunnen we "alle zachtmoedigheid" betonen aan "alle mensen" (vers 2; Filippi 4 vers 5). Dan voelen we ons niet boven hen verheven en zal ons voorbeeld hen misschien mogen aansporen om ook van dezelfde genade gebruik te maken, opdat zij ook zelf "het bad der wedergeboorte en vernieuwing van de Heilige Geest" zullen mogen ervaren.

In deze Brief is er zes maal sprake van "goede werken" (hoofdstuk 1 vers 16; 2 vers 7 en 14; 3 vers 1, 8 en 14). Onder het voorwendsel dat deze werken niet van betekenis zijn voor ons heil, lopen we het gevaar hun betekenis te onderschatten. En dan zullen andere christenen, die op andere punten in de leer misschien minder onderwijs hebben genoten dan wij, ons wat dit betreft wellicht beschaamd doen staan. We moeten daarentegen juist "zorgdragen, om goede werken voor te staan". En dat met een tweeledig doel: ten eerste met het oog op het feit dat ze nuttig kunnen zijn voor anderen (vers 8) en ten tweede opdat we zelf niet onvruchtbaar zullen zijn (vers 14). De Heere wil deze vrucht graag in het leven van de Zijnen doen ontstaan. En Hij is het ook Die deze vrucht op zijn juiste waarde weet te schatten. Een werk dat werkelijk alleen voor Hem gedaan wordt, is goed. Maria had in de ogen van de mensen van deze wereld een goed werk gedaan wanneer zij de kostbare zalf had verkocht ten bate van de armen. Doordat zij het echter uitgoot aan de voeten van de Heere bleek dat zij begrepen had wat het wilde zeggen een goed werk aan Hém te doen (Johannes 12 vers 3).

Filémon 1-12
1Paulus, een gevangene van Christus Jezus, en Timotheus, de broeder, aan Filemon, den geliefde, en onzen medearbeider,2En aan Appia, de geliefde, en aan Archippus, onzen medestrijder, en aan de Gemeente, die te uwen huize is:3Genade zij ulieden en vrede van God, onzen Vader, en den Heere Jezus Christus.4Ik dank mijn God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden;5Alzo ik hoor uw liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus, en jegens al de heiligen;6Opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, hetwelk in ulieden is door Christus Jezus.7Want wij hebben grote vreugde en vertroosting over uw liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder!8Daarom, hoewel ik grote vrijmoedigheid heb in Christus, om u te bevelen, hetgeen betamelijk is;9Zo bid ik nochtans liever door de liefde, daar ik zodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus.10Ik bid u dan voor mijn zoon, denwelken ik in mijn banden heb geteeld, namelijk Onesimus;11Die eertijds u onnut was, maar nu u en mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb;12Doch gij, neem hem, dat is mijn ingewanden, weder aan;

In schoolboeken kom je vaak aan het eind van een bepaalde les een hoofdstuk tegen om hetgeen je geleerd hebt, te oefenen. De Brief aan Filemon lijkt eigenlijk ook op zo'n oefening. We komen hierin geen bijzondere openbaringen tegen, maar het laat wel zien hoe Paulus en zijn metgezellen de vermaningen die in zijn Brieven staan, zelf in praktijk brengen. "Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid", schrijft hij aan de Kolossers (hoofdstuk 3 vers 12 en verder; vergelijk Filemon vers 5 met Efeze 1 vers 15).

Filemon woonde in Kolosse en was een vroom man en een vriend van de apostel. Hij was ook rijk, want uit deze Brief blijkt duidelijk dat hij slaven in dienst had. Eén van deze slaven, Onesimus, was weggelopen en had Paulus ontmoet, toen deze in Rome gevangen zat. Ten gevolge daarvan was Onesimus tot bekering gekomen.

De apostel stuurt hem met deze ontroerende boodschap terug naar zijn meester. Daarmee handelde Paulus tegen de wet (lees Deuteronomium 23 vers 15 en 16). De genadige houding van de apostel zelf verwacht echter dat diezelfde genade ook werkzaam is in het hart van Filemon. Paulus weet van zijn liefde voor alle heiligen (vers 5) en het bewijs dat Filemon daarvan gegeven heeft, is hem ook bekend (vers 7).

En de Heere Jezus zegt vandaag ook nog tegen ons: "...leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben..." (Mattheüs 11 vers 29).

Filémon 13-25
13Denwelken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zou in de banden des Evangelies.14Maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uw goeddadigheid niet zou zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid.15Want veellicht is hij daarom voor een kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zoudt weder hebben.16Nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vlees en in den Heere.17Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zo neem hem aan, gelijk als mij.18En indien hij u iets verongelijkt heeft, of schuldig is, reken dat mij toe.19Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal het betalen; opdat ik u niet zegge, dat gij ook uzelven mij daartoe schuldig zijt.20Ja, broeder, laat mij uwer hierin genieten in den Heere; verkwik mijn ingewanden in den Heere.21Ik heb aan u geschreven, vertrouwende op uw gehoorzaamheid; en ik weet, dat gij doen zult ook boven hetgeen ik zeg.22En bereid mij ook tegelijk een herberg; want ik hoop, dat ik door uw gebeden ulieden zal geschonken worden.23U groeten Epafras, mijn medegevangene in Christus Jezus,24Markus, Aristarchus, Demas, Lukas, mijn medearbeiders.25De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met uw geest. Amen.

De naam Onesimus betekent 'nuttig'. Als slaaf was hij vroeger van weinig nut geweest, maar nu verdiende hij deze naam ten volle (vers 11). Meer dan dat zelfs, want hij was namelijk een trouwe en geliefde broeder geworden (vers 16; Kolosse 4 vers 9). Er is geen enkele naam die zo kostbaar is als 'broeder'. En deze naam is zowel voor een christelijke meester (vers 7 en 20) als voor een christelijke slaaf passend.

Paulus noemt zichzelf in deze Brief echter heel anders, namelijk "een oud man" en "een gevangene van Jezus Christus" (vers 9). Als hij alleen aan zichzelf gedacht zou hebben, dan had hij geen afstand gedaan van de dienst van Onesimus. Enerzijds wilde hij deze slaaf echter de gelegenheid geven om een getuigenis af te leggen in het huis waar hij zich voordien zo slecht had gedragen. Anderzijds moest Filemon zelf de vruchten van deze bekering constateren en "de liefde aan hem" bevestigen (2 Korinthe 2 vers 8).

In zekere zin is de geschiedenis van Onesimus ook die van ons. Als opstandige slaven werden wij immers op onze weg van eigen wil gevonden en naar onze Meester teruggebracht. Niet om daarna weer in slavernij terecht te komen, maar we zijn mensen geworden die Hij Zijn geliefde broeders noemt (vergelijk vers 16 met Johannes 15 vers 15). Paulus is hier een beeld van de Heere Jezus, Die onze schuld heeft betaald en nu Zelf ook voor ons opkomt (vers 17 - 19).

Deze Brief leert ons om in ons dagelijks leven het praktische christendom te verwerkelijken in zelfverloochening, meegevoelen, ootmoedigheid, genade... — kortom: door al deze bewijzen van liefde in onze omgeving te openbaren.

Hebreeën 1:1-14
1God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon;2Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft;3Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter hand der Majesteit in de hoogste hemelen;4Zoveel treffelijker geworden dan de engelen, als Hij uitnemender Naam boven hen geerfd heeft.5Want tot wien van de engelen heeft Hij ooit gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd? En wederom: Ik zal Hem tot een Vader zijn, en Hij zal Mij tot een Zoon zijn?6En als Hij wederom de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: En dat alle engelen Gods Hem aanbidden.7En tot de engelen zegt Hij wel: Die Zijn engelen maakt geesten, en Zijn dienaars een vlam des vuurs.8Maar tot den Zoon zegt Hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter Uws koninkrijks is een rechte schepter.9Gij hebt rechtvaardigheid liefgehad, en ongerechtigheid gehaat; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met olie der vreugde boven Uw medegenoten.10En: Gij, Heere! hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken Uwer handen;11Dezelve zullen vergaan, maar Gij blijft altijd, en zij zullen alle als een kleed verouden;12En als een dekkleed zult Gij ze ineenrollen, en zij zullen veranderd worden; maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet ophouden.13En tot welken der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechter hand, totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten?14Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen?

De schrijver van de Brief aan de Hebreeën vermeldt zijn naam niet. Het doel van de schrijver — beter gezegd: van de Heilige Geest (vergelijk 2 Petrus 1 vers 21) — is kennelijk om alle aandacht te richten op de Heere Jezus, de grote "Apostel... van onze belijdenis" (hoofdstuk 3 vers 1).

Nadat God door veel verschillende 'werktuigen' gesproken had, sprak Hij ten slotte direct tot het volk Israël en andere mensen door Zijn eigen Zoon (Markus 12 vers 6 en verder). Zijn Zoon, de Heere Jezus, is "het Woord", de volmaakte en definitieve openbaring van God Zelf. En om ons daarvan een hoger besef te geven, onderwijst God ons Wie deze Zoon is: de Erfgenaam van alle dingen, de Schepper van hemel en aarde, de Afstraling van Zijn heerlijkheid en de Afdruk van Zijn wezen en Hij is Degene Die alle dingen draagt (Johannes 1 vers 1 en 18). En Hij Die hemel en aarde gemaakt heeft, heeft ook de reiniging van de zonden bewerkt. Terwijl er voor de schepping maar één woord nodig was, moest Hij voor het verlossingswerk de allerhoogste prijs betalen: Zijn eigen leven!

Uit de opsomming van citaten uit de zogenaamde Messiaanse Psalmen (2, 45, 102 en 110) blijkt de verhevenheid van de Zoon van God en dat Hij in alles de voorrang heeft. Engelen zijn schepselen en de Heere Jezus is de Schepper. Het zijn dienende geesten, en Hij is hun Gebieder. Engelen zijn op een onzichtbare wijze ten dienste van ons bezig, maar alleen de Heere Jezus kon en heeft de reiniging van de zonden voor u, jou en mij volbracht. En door hetgeen Hij voor ons gedaan heeft, wordt Hij door Wie Hij is, voor ons nog vele malen groter.

Hebreeën 2:1-9
1Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is, opdat wij niet te eniger tijd doorvloeien.2Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft;3Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? dewelke, begonnen zijnde verkondigd te worden door de Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen, die Hem gehoord hebben;4God bovendien medegetuigende door tekenen, en wonderen, en menigerlei krachten en bedelingen des Heiligen Geestes, naar Zijn wil.5Want Hij heeft aan de engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.6Maar iemand heeft ergens betuigd, zeggende: Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, of des mensen zoon, dat Gij hem bezoekt!7Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen; met heerlijkheid en eer hebt Gij hem gekroond, en Gij hebt hem gesteld over de werken Uwer handen;8Alle dingen hebt Gij onder zijn voeten onderworpen. Want daarin, dat Hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft Hij niets uitgelaten, dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn;9Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou.

"God... heeft... tot ons gesproken door [beter: in] de Zoon" (hoofdstuk 1 vers 1). En hoofdstuk 2 sluit daarop aan met de woorden: "Daarom moeten wij ons te meer houden aan hetgeen van ons gehoord is" (vers 1). Op de berg der verheerlijking werden drie discipelen al door de plechtige stem uit de wolken vermaand om meer naar de geliefde Zoon dan naar Mozes of Elia te luisteren. "En hun ogen opheffende, zagen zij niemand, dan Jezus alleen" (Mattheüs 17 vers 5 en 8). Ook "wij zien Jezus" (Hebreeën 2 vers 9) door het geloof.

In het eerste hoofdstuk werd Hij ons voorgesteld met Zijn Goddelijke titels als Schepper en Eerstgeborene. Hier zien wij Hem als de verheerlijkte Mens en de Overwinnaar over de dood.

In hoofdstuk 1 geven alle engelen van God de eer aan Hem. In hoofdstuk 2 moest Hij "een weinig minder dan de engelen" worden, vanwege die dood waarvan Hij Zelf de grote bitterheid moest leren kennen (vers 9). Psalm 8, die hier aangehaald wordt, toont ons echter het geheel van de voornemens van God met betrekking tot de Mens Christus Jezus. De kroon van de heerlijkheid en de eer is op Zijn hoofd; de heerschappij over de aarde en het heelal komt alleen Hem rechtmatig toe; en spoedig zullen alle machten zich voor Hem neerbuigen. De plaats die "de overste Leidsman" van onze behoudenis nu al inneemt, laat echter de voortreffelijkheid van dit heil zien. Hoe zouden wij kunnen ontkomen, wanneer wij zo'n "grote zaligheid" (redding) veronachtzamen (vers 3; Hebreeën 10 vers 29)? En er is helemaal niet zoveel nodig om dat te doen hoor! Je hoeft alleen maar onverschillig te zijn en de beslissing hierover steeds naar later te verschuiven! O, doe dat niet! Haast je, en grijp dat grote heil nu, op dit moment, toch met beide handen aan!

Hebreeën 2:10-18
10Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen.11Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen.12Zeggende: Ik zal Uw naam Mijn broederen verkondigen; in het midden der Gemeente zal Ik U lofzingen.13En wederom: Ik zal Mijn betrouwen op Hem stellen. En wederom: Zie daar, Ik en de kinderen, die Mij God gegeven heeft.14Overmits dan de kinderen des vleses en bloeds deelachtig zijn, zo is Hij ook desgelijks derzelve deelachtig geworden, opdat Hij door den dood te niet doen zou dengene, die het geweld des doods had, dat is, den duivel;15En verlossen zou al degenen, die met vreze des doods, door al hun leven, der dienstbaarheid onderworpen waren.16Want waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.17Waarom Hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, in de dingen, die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.18Want in hetgeen Hij Zelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hij dengenen, die verzocht worden, te hulp komen.

Het betaamde God om de overste Leidsman van onze zaligheid door lijden te heiligen, te volmaken (vers 10). "Doch het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt", lezen we in Jesaja 53 vers 10. En met welk doel? Om "vele kinderen tot de heerlijkheid" te leiden. "...als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien", voegt de profeet Jesaja eraan toe. Deze kinderen, die God aan Christus gegeven heeft om deelgenoten in de heerlijkheid te zijn, zijn Zijn geliefde verlosten. Hij schaamt Zich niet "hen broeders te noemen" (vers 11). Maar om in hun plaats te kunnen gaan staan en Zich daarmee bezig te kunnen houden, moest Hij aan hen gelijk worden, dus Zelf echt Mens worden (vers 14).

Dit hoofdstuk noemt meerdere grote beweegredenen van het grote feit dat voordien verborgen was: de Heere Jezus is neergedaald in Zijn schepping, om God te verheerlijken en Hem gelegenheid te geven Zijn raadsbesluiten, met betrekking tot de mensen, uit te voeren. De Heere Jezus heeft een menselijk lichaam aangenomen om te kunnen sterven, om zodoende de vorst van de dood in zijn eigen vesting te kunnen overwinnen. En ten slotte heeft de Heere Jezus de gestalte van een mens aangenomen, om volmaakt op het lijden van de mensen in te kunnen gaan en die met een menselijk hart te kunnen begrijpen. Vanwege Zijn eigen ervaringen in het lijden is Hij nu in staat om als een barmhartig Hogepriester met onze verzoekingen mee te voelen. Wat een grote troost voor allen die bedroefd zijn!

Hebreeën 3:1-15
1Hierom, heilige broeders, die der hemelse roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Christus Jezus;2Die getrouw is Dengene, Die Hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was.3Want Deze is zoveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degene, die het huis gebouwd heeft, meerder eer heeft, dan het huis.4Want een ieder huis wordt van iemand gebouwd; maar Die dit alles gebouwd heeft, is God.5En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis, als een dienaar, tot getuiging der dingen, die daarna gesproken zouden worden;6Maar Christus, als de Zoon over Zijn eigen huis; Wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en de roem der hoop tot het einde toe vast behouden.7Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij Zijn stem hoort,8Zo verhardt uw harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn;9Alwaar Mij uw vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang.10Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend.11Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn; Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!12Ziet toe, broeders, dat niet te eniger tijd in iemand van u zij een boos, ongelovig hart, om af te wijken van den levenden God;13Maar vermaant elkander te allen dage, zolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.14Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zo wij anders het beginsel van dezen vasten grond tot het einde toe vast behouden;15Terwijl er gezegd wordt: Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet, gelijk in de verbittering geschied is.

De Brief aan de Hebreeën wordt wel eens 'de Brief van de geopende hemel' genoemd. En Wie mogen we daar aanschouwen? De Heere Jezus, Die zowel Apostel — dat wil zeggen: Degene Die het Woord van God aan de mensen brengt — als Hogepriester is, de Voorspraak voor de mensen bij God. De Joden vereerden de heerlijkheden van Mozes (hoofdstuk 3), Jozua (hoofdstuk 4) en Aäron (hoofdstuk 5). Omdat hij schrijft aan de Hebreeuwse christenen, laat de schrijver van deze Brief aan de hand van hun geschiedenis zien hoe de Heere Jezus al deze heerlijkheden in Zich verenigt en overtreft.

We kunnen de Heere echter niet leren kennen zonder tegelijkertijd de verdorvenheid van ons eigen natuurlijke hart te ontdekken. God noemt dat "een boos, ongelovig hart" (vers 12) en herinnert ons eraan dat daar de oorsprong van al onze ellende ligt. "Altijd dwalen zij met het hart", zegt vers 10 (vergelijk Mattheüs 15 vers 19). Daarom wordt iedereen die de stem van de Heere hoort (en wie durft te zeggen dat hij die stem nog nooit gehoord heeft?), in deze Brief tot driemaal toe heel nadrukkelijk opgeroepen om zijn hart niet te verharden (vers 7 en 15; hoofdstuk 4 vers 7). Gewoonlijk beperken wij deze vermaning tot het evangelie van het kruis. Maar hebben wij, nu wij christenen zijn, niet iedere dag de gelegenheid om de stem van de Heere te horen in Zijn Woord? O, dat wij toch ook voor elke vorm van verharding bewaard mogen blijven, ongeacht wat Hij vandaag ook van ons mag verlangen!

Hebreeën 3:16-19; Hebreeën 4:1-7
16Want sommigen, als zij die gehoord hadden, hebben Hem verbitterd, doch niet allen, die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn.17Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in de woestijn?18En welken heeft Hij gezworen, dat zij in Zijn rust niet zouden ingaan, anders dan dengenen, die ongehoorzaam geweest waren?19En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof.
1Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn.2Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar het woord der prediking deed hun geen nut, dewijl het met het geloof niet gemengd was in degenen, die het gehoord hebben.3Want wij, die geloofd hebben, gaan in de rust, gelijk Hij gezegd heeft: Zo heb Ik dan gezworen in Mijn toorn: Indien zij zullen ingaan in Mijn rust! hoewel Zijn werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren.4Want Hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: En God heeft op den zevenden dag van al Zijn werken gerust.5En in deze plaats wederom: Indien zij in Mijn rust zullen ingaan!6Dewijl dan blijft, dat sommigen in dezelve rust ingaan, en degenen, dien het Evangelie eerst verkondigd was, niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid,7Zo bepaalt Hij wederom een zekeren dag, namelijk heden, door David zeggende, zo langen tijd daarna (gelijkerwijs gezegd is): Heden, indien gij Zijn stem hoort, zo verhardt uw harten niet.

De rust van God op de zevende dag na het scheppingswerk werd al heel gauw verstoord door de zonde van de mens. En sindsdien is het werken van de Vader en de Zoon in de verlossing "tot nu toe" nog niet beëindigd (Johannes 5 vers 17).

Hier leren we echter:

Dat deze rust God altijd voor ogen heeft gestaan.

Dat het een toekomstige rust betreft, die niet verward mag worden met de intocht van het volk Israël in het land Kanaän, onder leiding van Jozua. In het duizendjarig rijk zal het volk Israël zich verheugen in deze rust. En de Gemeente geniet die rust in de hemelse heerlijkheid.

Dat toch niet allen daarin zullen ingaan, ook al wil God Zijn rust delen met Zijn schepselen. Net als destijds in de woestijn wordt de toegang tot deze belofte afgesloten door ongeloof (hoofdstuk 3 vers 19) en ongehoorzaamheid (hoofdstuk 4 vers 6). Johannes 3 vers 36 laat ons overigens zien dat iemand die niet gehoorzaam is, zich één maakt met degene die niet gelooft. "Het werk Gods" doen, betekent namelijk geloven in Hem Die Hij gezonden heeft (Johannes 6 vers 29). Maar ach, ook nu is het bij veel mensen niet anders dan eens bij het volk Israël: "...het woord van de prediking deed hun geen nut, omdat het met het geloof niet gemengd was" (hoofdstuk 4 vers 2; Romeinen 10 vers 17).

Ook voor vandaag geldt nog dat we deel kunnen krijgen aan het werk van Zijn genade door gehoorzaamheid aan de Heere Jezus, en dat we vervolgens door Zijn genade toebereid zullen worden om morgen, samen met Hem, in de rust van Zijn liefde te delen (Zefanja 3 vers 17: "Hij zal zwijgen (of: rusten) in Zijn liefde").

Hebreeën 4:8-16
8Want indien Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had Hij daarna niet gesproken van een anderen dag.9Er blijft dan een rust over voor het volk Gods.10Want die ingegaan is in zijn rust, heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de Zijne.11Laat ons dan ons benaarstigen, om in die rust in te gaan; opdat niet iemand in hetzelfde voorbeeld der ongelovigheid valle.12Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten.13En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben.14Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.15Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.16Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

Totdat wij in de Goddelijke rust zullen ingaan, hebben de kinderen van God hier beneden nog een tijd van moeite door te maken, in verbinding met de wandel, de dienst en de strijd. Gelukkig staan ons een aantal hulpbronnen ter beschikking, waarvan er drie in dit hoofdstuk genoemd worden!

De eerste Hulpbron is het Woord van God (vers 12). Ook vandaag mogen we hiernaar luisteren en Gods stem daaruit horen. Dit Woord waakt over onze innerlijke toestand. Het is "levend" — het brengt ons het leven; het is werkzaam —het werkt in ons (Efeze 6 vers 17 laat het ons daarentegen zien als een aanvalswapen); het is doordringend — laten we ons toch door het Woord laten doorgronden!

Behalve de zonde, die door het Woord wordt openbaar gemaakt en veroordeeld, hebben wij ook nog zwakheden en tekortkomingen in ons. Daarom heeft God ons ook nog van andere hulpbronnen voorzien. De tweede hulpbron die ons in dit gedeelte gegeven wordt, is het feit dat God ons een grote Hogepriester heeft gegeven, Die vol begrip en medelijden is. Als Mens hier op aarde heeft Christus elke vorm van menselijk lijden Zelf gekend (vers 15), om op de juiste tijd (vers 16) op allerlei manieren Zijn liefde te kunnen tonen aan Zijn zwakke verlosten.

En als derde heeft Hij ons de toegang "tot de troon van de genade" geopend. We worden opgeroepen om in het gebed tot deze troon te naderen en we kunnen dat "met vrijmoedigheid" en in het volste vertrouwen doen, omdat wij daar onze geliefde Heiland zullen ontmoeten. Zoeken we alleen daar, ja, werkelijk alleen dáár onze hulp (Psalm 60 vers 13)?

Hebreeën 5:1-14
1Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden;2Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is;3En om derzelver zwakheid wil moet hij gelijk voor het volk, alzo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden.4En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron.5Alzo heeft ook Christus Zichzelven niet verheerlijkt, om Hogepriester te worden, maar Die tot Hem gesproken heeft: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.6Gelijk Hij ook in een andere plaats zegt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.7Die in de dagen Zijns vleses, gebeden en smekingen tot Dengene, Die Hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vreze.8Hoewel Hij de Zoon was, nochtans gehoorzaamheid geleerd heeft, uit hetgeen Hij heeft geleden.9En geheiligd zijnde, is Hij allen, die Hem gehoorzaam zijn, een oorzaak der eeuwige zaligheid geworden;10En is van God genaamd een Hogepriester, naar de ordening van Melchizedek.11Van Denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren, te zeggen, dewijl gij traag om te horen geworden zijt.12Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van node, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden, als die melk van node hebben, en niet vaste spijze.13Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind.14Maar der volmaakten is de vaste spijze, die door de gewoonheid de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.

Wat een tegenstelling tussen de heilige Zoon van God en de hogepriester, die uit de mensen genomen werd en die, vanwege zijn eigen zwakheid, gedwongen was om toegeeflijk te zijn!

Een andere tegenstelling blijkt uit vers 8. Voor ons is het nodig om gehoorzaamheid te leren, omdat wij van nature ongehoorzaam zijn. De Zoon van God moest echter om een heel andere reden gehoorzaamheid leren. Als de verheven Schepper is Hij aan niemand onderworpen. Gehoorzamen was voor Hem dan ook iets heel nieuws. Maar hierdoor is Hij een Voorbeeld voor en een Leider van "allen, die Hem gehoorzaam zijn" geworden (vers 9).

Wie is in een groep de leider en degene die het meeste gezag heeft? Dat is hij die zelf als eerste de opdrachten uitvoert, onder de moeilijkste omstandigheden, en die pas daarna zijn ondergeschikten bepaalde taken geeft. Dát heeft de Heere Jezus Zelf gedaan! O, dat wij toch ook gehoorzaamheid mogen leren in de school van Hem.

Helaas zijn wij soms zulke slechte leerlingen. Is de berisping uit vers 11 immers ook niet vaak op ons van toepassing? Zijn wij niet vaak traag in het horen? Hier wordt het Woord van God niet voorgesteld als een zwaard dat de gedachten en de gezindheid van het hart openbaar maakt (dat lazen we in hoofdstuk 4), maar als "vaste spijs". Door dit voedsel wordt een kind van God versterkt en wordt hij in staat gesteld om zelfstandig het goede van het kwade te onderscheiden. Dat is de grote vooruitgang die een christen kan boeken, dat hij meer en meer leert zien wat de Heere wel en juist niet welgevallig is.

Hebreeën 6:1-20
1Daarom, nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet wederom leggende het fondament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God,2Van de leer der dopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der doden, en van het eeuwig oordeel.3En dit zullen wij ook doen, indien het God toelaat.4Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn,5En gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw,6En afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande maken.7Want de aarde, die den regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God;8Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.9Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken.10Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en den arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient.11Maar wij begeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe;12Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beerven.13Want als God aan Abraham de belofte deed, dewijl Hij bij niemand, die meerder was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelven,14Zeggende: Waarlijk, zegenende zal Ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal Ik u vermenigvuldigen.15En alzo, lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de belofte verkregen.16Want de mensen zweren wel bij den meerdere dan zij zijn, en de eed tot bevestiging is denzelven een einde van alle tegenspreken;17Waarin God, willende den erfgenamen der beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen;18Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden;19Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel;20Daar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizedek, een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid.

O, dat er bij ons toch ook een geestelijke vooruitgang te bespeuren is, dat we in dat opzicht volwassener worden. Laten we toch geen genoegen nemen, zoals deze christenen die uit het Jodendom kwamen, met slechts enkele principiële waarheden. De Heere Jezus wil voor ons veel meer zijn dan alleen een Redder van dode werken. Hij wil ook graag onze Heere, ons grote Voorbeeld zijn!

Hetgeen geschreven staat in de verzen 4 - 6, wordt maar al te vaak door de duivel aangegrepen om kinderen van God onrustig te maken. In werkelijkheid gaat het hier echter niet om gelovigen, maar om hen die slechts de naam 'christen' dragen. In de toestand die hier beschreven wordt, zullen we tevergeefs zoeken naar het Goddelijk leven, waaraan de ziel van een ware gelovige deel gekregen heeft. Helaas is het echter wel mogelijk om te midden van de voorrechten van het christendom te leven zonder zelf werkelijk bekeerd te zijn! Dat was toen het geval bij sommige Joden en misschien geldt het vandaag ook voor enkele kinderen van gelovige ouders. De ware gelovigen kunnen hun behoudenis nooit verliezen. Toch bestaat voor hen altijd het gevaar zich te laten gaan. Vandaar ook dat zij behalve in de werken van liefde (die God nooit zal vergeten), ook niet nalatig mogen worden in het geloof en in de hoop (vers 10, 11 en 12). Ware gelovigen voeden zich met de Goddelijke beloften. De christen kent zijn 'thuishaven', ook al is die nu nog onzichtbaar, en hij heeft daar zijn anker uitgeworpen. Hoe stormachtig het op de zee van deze wereld ook mag zijn, het geloof is het touw waarmee de verloste veilig en zeker verbonden is met de hemelse Plaats, waar het Onderwerp van al zijn hoop Zich bevindt!

Hebreeën 7:1-17
1Want deze Melchizedek was koning van Salem, een priester des Allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging, als hij wederkeerde van het slaan der koningen, en hem zegende;2Aan welken ook Abraham van alles de tienden deelde; die vooreerst overgezet wordt, koning der gerechtigheid, en daarna ook was een koning van Salem, hetwelk is een koning des vredes;3Zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtsrekening, noch beginsel der dagen, noch einde des levens hebbende; maar den Zoon van God gelijk geworden zijnde, blijft hij een priester in eeuwigheid.4Aanmerkt nu, hoe groot deze geweest zij, aan denwelken ook Abraham, de patriarch, tienden gegeven heeft uit den buit.5En die uit de kinderen van Levi het priesterdom ontvangen, hebben wel bevel om tienden te nemen van het volk, naar de wet, dat is, van hun broederen, hoewel die uit de lenden van Abraham voortgekomen zijn.6Maar hij, die zijn geslachtsrekening uit hen niet heeft, die heeft van Abraham tienden genomen, en hem, die de beloftenissen had, heeft hij gezegend.7Nu, zonder enig tegenspreken, hetgeen minder is, wordt gezegend van hetgeen meerder is.8En hier nemen wel tienden de mensen, die sterven, maar aldaar neemt ze die, van welken getuigd wordt, dat hij leeft.9En, om zo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven;10Want hij was nog in de lenden des vaders, als hem Melchizedek tegemoet ging.11Indien dan nu de volkomenheid door het Levietische priesterschap ware (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander priester naar de ordening van Melchizedek zou opstaan, en die niet zou gezegd worden te zijn naar de ordening van Aaron?12Want het priesterschap veranderd zijnde, zo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet.13Want Hij, op Wien deze dingen gezegd worden, behoort tot een anderen stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft.14Want het is openbaar, dat onze Heere uit Juda gesproten is; op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het priesterschap.15En dit is nog veel meer openbaar, zo er naar de gelijkenis van Melchizedek een ander priester opstaat:16Die dit niet naar de wet des vleselijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onvergankelijken levens.17Want Hij getuigt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.

De schrijver van deze Brief heeft veel te zeggen over Melchizédek (hoofdstuk 5 vers 10 en 11). Deze geheimzinnige persoon duikt op in de geschiedenis van Abraham (Genesis 14). Hij handelt als een middelaar, doordat hij, in opdracht van God, Abraham zegent en in aansluiting daarop God, de Allerhoogste, uit naam van de patriarch prijst. Alles wat zijn eigen persoon en afkomst betreft, blijft daarentegen een geheim. En wij weten waarom. Waar de Geest van God hier belang in stelt, is niet de mens op zich, maar zijn ambt. Als koning en priester is Melchizédek een beeld van de Heere Jezus, wanneer Hij in gerechtigheid zal regeren en Priester zal zijn op Zijn troon.

Het priesterschap naar de orde, de inzetting van Melchizédek staat in alle opzichten boven dat van Aäron. Ten eerste is de ambtsdrager voortreffelijker dan Abraham, want deze patriarch gaf de tienden aan Melchizédek en werd door hem gezegend. Ten tweede is dit priesterschap ouder dan de geschiedenis van het volk Israël en wordt niet alleen ten gunste van dit volk, maar voor alle gelovigen uitgeoefend. En als derde eigenschap kan ten slotte nog genoemd worden, dat dit priesterschap niet overdraagbaar is, omdat Hij Die dit ambt bekleedt, voor altijd leeft (vers 25; Romeinen 8 vers 34).

Veel mensen in de christenheid geloven dat het nodig is om de toevlucht te nemen tot middelaars, tot priesters of 'heiligen'. Deze Brief geeft echter duidelijk aan, dat God ons één enkele Hogepriester gegeven heeft, Die volkomen en toereikend is voor de eeuwigheid (vers 21; hoofdstuk 10 vers 21 en 22).

Hebreeën 7:18-28
18Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om deszelfs zwakheids en onprofijtelijkheids wil;19Want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van een betere hoop, door welke wij tot God genaken.20En voor zoveel het niet zonder eedzwering is geschied, (want genen zijn wel zonder eedzwering priesters geworden;21Maar Deze met eedzwering, door Dien, Die tot Hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek).22Van een zoveel beter verbond is Jezus Borg geworden.23En genen zijn wel vele priesters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven;24Maar Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap.25Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.26Want zodanig een Hogepriester betaamde ons, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden;27Dien het niet allen dag nodig was, gelijk den hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna, voor de zonden des volks; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.28Want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet is gevolgd, stelt den Zoon, Die in der eeuwigheid geheiligd is.

De Heere Jezus kon pas onze Hogepriester zijn nadat Hij "hoger dan de hemelen" is geworden (vers 26). Om ons bij God te kunnen vertegenwoordigen, moest Hij eerst Zichzelf voor ons offeren. Bovenal hadden wij een Verlosser nodig! Nu is de Redder van onze zielen echter ook Degene Die ons "volkomen kan zalig maken" (vers 25). Dat wil zeggen dat Hij de verantwoording voor ons op Zich neemt, totdat wij ingaan in Zijn heerlijkheid. En omdat Hij voor altijd leeft, hebben wij de zekerheid dat Hij ons geen enkel moment in de steek zal laten. Ja, zo'n Hogepriester hebben wij nodig! Zijn zedelijke volmaaktheid, die op velerlei wijze tot uitdrukking komt, en Zijn positie voor God in heerlijkheid brengen ons ertoe uit te roepen: "0 God... zie, en aanschouw het aangezicht van Uw Gezalfde" (Psalm 84 vers 10).

Maar spoedig zullen we Zijn voorspraak niet meer nodig hebben. Dat zal beëindigd worden wanneer alle verlosten hun leven hier op aarde voleindigd zullen hebben. Waarom wordt er dan toch herhaaldelijk gezegd: "Gij zijt Priester in eeuwigheid" (hoofdstuk 5 vers 6; 6 vers 20; 7 vers 17 en 21)? Omdat de Priester ook Degene is Die de lof aanheft, een eeuwige dienst die onze Heiland niet alleen zal vervullen. Ook in de eeuwigheid zal Hij samen met hen die Hij volkomen behouden zal hebben en die voor altijd Zijn deelgenoten zullen zijn in de heerlijkheid, deze dienst uitvoeren (hoofdstuk 2 vers 12).

Hebreeën 8:1-13
1De hoofdsom nu der dingen, waarvan wij spreken, is, dat wij hebben zodanigen Hogepriester, Die gezeten is aan de rechter hand van den troon der Majesteit in de hemelen:2Een Bedienaar des heiligdoms, en des waren tabernakels, welken de Heere heeft opgericht, en geen mens.3Want een iegelijk hogepriester wordt gesteld, om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was, dat ook Deze wat had, dat Hij zou offeren.4Want indien Hij op aarde ware, zo zou Hij zelfs geen Priester zijn, dewijl er priesters zijn, die naar de wet gaven offeren;5Welke het voorbeeld en de schaduw der hemelse dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, als hij den tabernakel volmaken zou: Want zie, zegt Hij, dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op den berg getoond is.6En nu heeft Hij zoveel uitnemender bediening gekregen, als Hij ook eens beteren verbonds Middelaar is, hetwelk in betere beloftenissen bevestigd is.7Want indien dat eerste verbond onberispelijk geweest ware, zo zou voor het tweede geen plaats gezocht zijn geweest.8Want hen berispende, zegt Hij tot hen: Ziet, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis Israels, en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten;9Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage, als Ik hen bij de hand nam, om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dit Mijn verbond niet gebleven, en Ik heb op hen niet geacht, zegt de Heere.10Want dit is het verbond, dat Ik met het huis Israels maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.11En zij zullen niet leren, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, zeggende: Ken de Heere; want zij zullen Mij allen kennen van den kleine onder hen tot den grote onder hen.12Want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn, en hun zonden en hun overtredingen zal Ik geenszins meer gedenken.13Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; dat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning.

Het verbond van Sinaï werd destijds verbroken door de schuld van het volk Israël. Er zal echter "een nieuw verbond" met dit volk gesloten worden, zoals in Jeremia 31 vers 31 (en verder) al is aangekondigd. Omdat de mens heeft laten zien dat hij niet in staat is ook maar aan één verplichting ten opzichte van God te voldoen, worden hem in dit nieuwe verbond geen dingen meer opgelegd die hij moet volbrengen (Romeinen 11 vers 27). De enige grondslag voor dit nieuwe verbond wordt gevormd door het bloed van Christus (vergelijk Mattheüs 26 vers 28). Van dit verbond kunnen vier kenmerken genoemd worden:

De wetten van de Heere zullen dan in de harten geschreven staan. In feite betekent dat, dat er een beroep wordt gedaan op de liefde.

Israël zal haar positie als het volk van God weer terugkrijgen (vers 10; Zacharia 8 vers 8).

De Heere zal dan door allen erkend worden (vers 11; Jesaja 54 vers 13).

God zal hun zonden en overtredingen nooit meer gedenken (vers 12).

Wat de christenen van nu aangaat, kunnen we zeggen dat zij niet onder een verbond staan. Tussen een vader en zijn kinderen is immers geen verdrag nodig! De gelovigen mogen nu al genieten van al deze zegeningen, die aan Israël beloofd zijn. Ja, zij bezitten zelfs nog meer: het Goddelijke Woord is in hen geplant (vergelijk 2 Korinthe 3 vers 3). Zij zijn nu kinderen van God. Zij kennen de Heere door de Heilige Geest, Die in hen woont. Zij hebben de zekerheid dat hun zonden voor altijd uitgewist zijn. Kent ieder persoonlijk die dit leest, deze grote voorrechten?

Hebreeën 9:1-15
1Zo had dan wel ook het eerste verbond rechten van de gods dienst, en het wereldlijk heiligdom.2Want de tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welken was de kandelaar, en de tafel, en de toonbroden, welke genaamd wordt het heilige;3Maar achter het tweede voorhangsel was de tabernakel, genaamd het heilige der heiligen;4Hebbende een gouden wierookvat, en de ark des verbonds, alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik, daar het Manna in was, en de staf van Aaron, die gebloeid had, en de tafelen des verbonds.5En boven over deze ark waren de cherubijnen der heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden; van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.6Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in den eersten tabernakel, te allen tijde, om de gods diensten te volbrengen;7Maar in den tweeden tabernakel ging alleen de hogepriester, eenmaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden.8Waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was, zolang de eerste tabernakel nog stand had;9Welke was een afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd, in welken gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengene, die de dienst pleegde, niet konden heiligen naar het geweten;10Bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheidene wassingen en rechtvaardigmakingen des vleses, tot op den tijd der verbetering opgelegd.11Maar Christus, de Hogepriester der toekomende goederen, gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakten tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,12Noch door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.13Want indien het bloed der stieren en bokken, en de as der jonge koe, besprengende de onreinen, hen heiligt tot de reinigheid des vleses;14Hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door den eeuwigen Geest Zichzelven Gode onstraffelijk opgeofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken, om den levende God te dienen?15En daarom is Hij de Middelaar des nieuwen testaments, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde, tot verzoening der overtredingen, die onder het eerste testament waren, degenen, die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden.

In de hoofdstukken 35 - 40 van het Boek Exodus wordt verteld hoe de tabernakel gebouwd werd. In Leviticus lezen we de aanwijzingen met betrekking tot de offers (hoofdstuk 1 -7) en de priesters (hoofdstuk 8 - 10). Al deze instellingen voor een aardse godsdienst hebben echter duidelijk hun krachteloosheid aangetoond. De tabernakel werd door een ondoordringbare voorhang in tweeën verdeeld. De priester, die ook een zondaar was, moest voor zichzelf offeren (vers 7; hoofdstuk 5 vers 3), maar uiteindelijk konden deze offeranden, de bokken en de kalveren, het geweten (van de offeraar) toch niet heiligen (vers 9).

Nu spreekt God echter over een hemels heiligdom, "de meerdere en volmaaktere", dat niet van deze schepping is (vers 11; hoofdstuk 8 vers 2). Waartoe zou dit heiligdom echter kunnen dienen wanneer er geen priester zou zijn die in staat is om deze dienst uit te voeren? En waartoe zou er een volmaakte priester moeten zijn (hoofdstuk 5 - 8) wanneer het offer zelf niet volmaakt zou zijn (hoofdstuk 9 en 10)?

Voor ons is het een grote zekerheid te mogen weten dat de Heere Jezus zowel het één als het ander verenigt in Zijn Persoon! Als Offer geeft Hij ons vrede voor het geweten. Als Priester zorgt Hij voor vrede in ons hart en ook dat wij in gemeenschap met God blijven.

Onder het oude verbond was alles onzeker en aan bepaalde voorwaarden gebonden. Nu is alles eeuwig: zowel de verlossing (vers 12; hoofdstuk 5 vers 9) als de erfenis (vers 15). Niets zal ons dit voorrecht kunnen ontroven of deze zekerheid in twijfel kunnen trekken!

Hebreeën 9:16-28
16Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood des testamentmakers tussen kome;17Want een testament is vast in de doden, dewijl het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft.18Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd.19Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde beide het boek zelf, en al het volk,20Zeggende: Dit is het bloed des testaments, hetwelk God aan ulieden heeft geboden.21En hij besprengde desgelijks ook den tabernakel, en al de vaten van den dienst met het bloed.22En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving.23Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen der dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelve door betere offeranden dan deze.24Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zelven, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons;25Noch ook, opdat Hij Zichzelven dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester alle jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed;26(Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door Zijnzelfs offerande.27En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;28Alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen, die Hem verwachten tot zaligheid.

"...zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving" (vers 22; lees ook Leviticus 17 vers 11). Dat werd al door ieder offer onder het oude verbond duidelijk gemaakt. Door het geloof had Abel dat destijds ook al begrepen (hoofdstuk 11 vers 4). Hier wordt dat echter nog eens nadrukkelijk bevestigd! "Want de beloning van de zonde is de dood" (Romeinen 6 vers 23), en het bloed dat op deze aarde vergoten is, is het bewijs dat dit loon betaald is (Deuteronomium 12 vers 23 en 24). Het bloed van Christus is "voor velen vergoten... tot vergeving der zonden" (Mattheüs 26 vers 28). En wie zijn deze "velen"? Allen die geloven! Het kostbare bloed van de Heere Jezus, waar God voortdurend op ziet, beschermt hen voor Zijn toorn. Want het is de mensen gezet "eenmaal te sterven" (vers 27). Dat betekent echter niet dat met de dood alles is afgelopen! Het is niet zo, dat men dan ophoudt te bestaan. Het is niet 'over en uit', zoals je de radio uitdraait! De dood is niets vergeleken bij datgene wat daarna komt! Wat dat is? We hoeven maar één kort zinnetje te noemen om dat duidelijk te maken: "...en daarna het oordeel" (2 Timotheüs 4 vers 1; Openbaring 20 vers 12).

De mens zonder God heeft deze twee vreselijke werkelijkheden voor zich: de dood en het gericht.

De verloste bezit echter twee gelukzalige zekerheden: de vergeving van alle zonden en de wederkomst van de Heere Jezus, waardoor hij definitief behouden zal worden (vers 28).

O, dat toch ieder die dit leest, mag behoren tot hen "die Hem verwachten"!

Hebreeën 10:1-18
1Want de wet, hebbende een schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren geduriglijk opofferen, nimmermeer heiligen degenen, die daar toegaan.2Anderszins zouden zij opgehouden hebben, geofferd te worden, omdat degenen, die den dienst pleegden, geen geweten meer zouden hebben der zonden, eenmaal gereinigd geweest zijnde;3Maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden.4Want het is onmogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.5Daarom, komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid;6Brandofferen en offer voor de zonde hebben U niet behaagd.7Toen sprak Ik: Zie, Ik kom (in het begin des boeks is van Mij geschreven), om Uw wil te doen, o God!8Als Hij te voren gezegd had: Slachtoffer, en offerande, en brandoffers, en offer voor de zonde hebt Gij niet gewild, noch hebben U behaagd (dewelke naar de wet geofferd worden);9Toen sprak Hij: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God! Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.10In welken wil wij geheiligd zijn, door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied.11En een iegelijk priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikmaals offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen;12Maar Deze, een slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter hand Gods;13Voorts verwachtende, totdat Zijn vijanden gesteld worden tot een voetbank Zijner voeten.14Want met een offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden.15En de Heilige Geest getuigt het ons ook;16Want nadat Hij te voren gezegd had: Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten geven in hun harten, en Ik zal die inschrijven in hun verstanden;17En hun zonden en hun ongerechtigheden zal Ik geenszins meer gedenken.18Waar nu vergeving derzelve is, daar is geen offerande meer voor de zonde.

Uit de noodzakelijkheid dat de offers van het oude verbond voortdurend herhaald moesten worden, blijkt dat zij niet werkzaam waren. In feite waren zij niets anders dan een herinnering aan de zonden (vers 3). De gerechtigheid van God werd niet bevredigd door deze offers en Hij kon er geen welgevallen in hebben. Toen heeft Iemand Zich echter bereid verklaard om Zich bezig te houden met ons probleem. Alleen de Heere Jezus was het Onderwerp van het volkomen welgevallen van de Vader en alleen Hij kon het Offer zijn dat aangenomen zou worden. Hij alleen kon het heilige Offer zijn, dat eens en voor altijd geofferd werd.

Terwijl de priesters hier op aarde moesten staan (vers 11), omdat zij hun dienst nooit beëindigd hebben, is Christus gaan zitten (vers 12), hetgeen een bewijs is dat Zijn werk volbracht is. En Hij Die tot "in eeuwigheid gezeten" is, heeft ons tot "in eeuwigheid volmaakt" (vers 14). Ja, helemaal volmaakt, zo ziet God ons, omdat onze zonden afgewassen werden. En dat is niet iets wat alleen betrekking heeft op de toekomst, maar het geldt ook nu. Het betreft een volbrachte, een definitief afgedane zaak.

Laten we echter niet vergeten dat het voor ons volbrachte werk ook gepaard gaat met een werk in ons. De Heere wil Zijn liefde en Zijn wetten in het hart van eenieder van ons geven (vergelijk vers 16; hoofdstuk 8 vers 10). Toen Hij naar deze aarde kwam, heeft Hij het gezegd: "Ik heb lust, o Mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden van Mijn ingewand" (vers 7 en 9; Psalm 40 vers 7 - 9). Zou Hij er dan niet naar verlangen dat de Zijnen in dit opzicht steeds meer op Hem gaan lijken?

Hebreeën 10:19-31
19Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,20Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;21En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods;22Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.23Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw);24En laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;25En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen; en dat zoveel te meer, als gij ziet, dat de dag nadert.26Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden;27Maar een schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden.28Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen;29Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan?30Want wij kennen Hem, Die gezegd heeft: Mijn is de wraak, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen.31Vreselijk is het te vallen in de handen des levenden Gods.

Het werk van de genade is afgesloten. Hij Die het volbracht heeft, is "hoger dan de hemelen geworden" (hoofdstuk 7 vers 26). En wij worden nu uitgenodigd om, door Zijn voetstappen te volgen, de nieuwe en levende weg in te slaan, die sindsdien open staat voor aanbidders. Het bloed van de Heere Jezus, de gescheurde voorhang en de voorspraak van de grote Hogepriester voor ons, dat alles geeft de volle zekerheid aan ons geloof. Laten we naderen, broeders, met "vrijmoedigheid" (vers 19). Laten we ons toch door niets laten weerhouden om in te gaan in het heiligdom, noch van het regelmatig bezoeken van de samenkomsten met de kinderen van God (vers 25). We zijn niet bekeerd geworden om alleen, als egoïsten, verder te leven! Laten we elkaar bemoedigen tot liefde en toewijding.

Het slot van dit gedeelte is heel ernstig. Moedwillig zondigen betekende voor de Joden die zich tot het christendom bekeerd hadden, niets anders dan terugkeren tot de wet en daarmee de Zoon van God met voeten treden, Zijn kostbaar bloed minachten en de genade bespotten. Dit kan echter ook van toepassing zijn op kinderen van gelovige ouders, wanneer zij het onderwijs dat zij op jonge leeftijd gekregen hebben, verwerpen en opzettelijk de weg van de wereld kiezen.

Jonge vrienden, jullie mogen nu al deel hebben aan grote voorrechten, maar als jullie zelf geen definitieve beslissing voor de Heere nemen, dan moeten jullie erom denken dat de weg naar de hemel voor jullie niet altijd open blijft staan! Kom nu tot Hem (Johannes 6 vers 37)!

Hebreeën 10:32-39; Hebreeën 11:1-7
32Doch gedenkt de vorige dagen, in dewelke, nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel strijd des lijdens hebt verdragen.33Ten dele, als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt; en ten dele, als gij gemeenschap gehad hebt met degenen, die alzo behandeld werden.34Want gij hebt ook over mijn banden medelijden gehad, en de roving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende, dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen.35Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft.36Want gij hebt lijdzaamheid van node, opdat gij, den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen;37Want: Nog een zeer weinig tijds en Hij, Die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.38Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zo iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.39Maar wij zijn niet van degenen, die zich onttrekken ten verderve, maar van degenen, die geloven tot behouding der ziel.
1Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.2Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen.3Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden.4Door het geloof heeft Abel een meerdere offerande Gode geofferd dan Kain, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft, dat hij rechtvaardig was, alzo God over zijn gave getuigenis gaf; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.5Door het geloof is Enoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zou zien; en hij werd niet gevonden, daarom dat hem God weggenomen had; want voor zijn wegneming heeft hij getuigenis gehad, dat hij Gode behaagde.6Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.7Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is.

De gelovige Hebreeën hadden zich, zonder een klacht te uiten, hun aardse goederen laten ontroven. Zij accepteerden het zelfs met blijdschap (vers 34; vergelijk Mattheüs 5 vers 12). Wat was hun geheim? Het geloof, dat zich betere dingen toe-eigent die buiten het bereik van de vervolgers liggen. We hebben het geloof echter niet alleen nodig in moeilijke tijden of bij de bekering. Het vormt tevens de levende en levensbelangrijke grondslag voor iedere rechtvaardige. Het geloof maakt de toekomstige dingen toegankelijk voor nu en maakt het onzichtbare zichtbaar. Wie geen geloof bezit, kan het niet volhouden. Zo iemand zal zich op de duur terugtrekken en God heeft geen welgevallen aan hem (vers 38; hoofdstuk 4 vers 2; 1 Korinthe 10 vers 5). "Zonder geloof", wordt in hoofdstuk 11 vers 6 herhaald, "is het onmogelijk Gode te behagen".

Nu stelt God ons echter een aantal personen voor de aandacht in wie Hij wel een welgevallen heeft (Psalm 16 vers 3). In hoofdstuk 11 worden, aan de hand van getuigen uit het Oude Testament, de verschillende kanten van het geloofsleven getoond. In Abel zien we dit geloof in de manier waarop hij zich de verlossing toeëigent, door het brengen van een offer dat God welgevallig is. In Henoch wandelt het geloof zijn hemelse doel tegemoet. In Noach veroordeelt het geloof de wereld en predikt het de Goddelijke gerechtigheid. Zo wordt het hele christelijke leven door het geloof gekenmerkt. Ook al zijn wij in onze dagen bij de laatste stappen van deze wandel in het geloof aangekomen, toch betekent dat niet, dat wij nu geen vertrouwen meer hoeven te hebben. Nog eventjes "en Hij Die te komen staat, zal komen en niet vertoeven" (vers 37). Dit moet voor ons voldoende zijn. Hij is de Komende en wij zijn degenen die Hem vol vertrouwen verwachten.

Hebreeën 11:8-16
8Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel ontvangen zou; en hij is uitgegaan, niet wetende, waar hij komen zou.9Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jakob, die medeerfgenamen waren derzelfde belofte.10Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is.11Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen, om zaad te geven, en boven den tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard; overmits zij Hem getrouw heeft geacht, Die het beloofd had.12Daarom zijn ook van een, en dat een verstorvene, zovelen in menigte geboren, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is, hetwelk ontallijk is.13Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.14Want die zulke dingen zeggen, betonen klaarlijk, dat zij een vaderland zoeken.15En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben, om weder te keren;16Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.

Om ons te leren wat het geloof inhoudt, wordt er in de Bijbel meerdere keren gewezen op Abraham en de zijnen en hoe zij door God uitverkoren zijn. "Door het geloof is Abraham, geroepen zijnde, gehoorzaam geweest" (vers 8). Iemand gehoorzamen zonder op dat moment diens bedoelingen te kennen, laat zien dat je hem volkomen vertrouwt. Wanneer het God is Die de opdrachten geeft, dan weet het geloof wanneer het heeft te gaan (vers 8), of juist moet blijven (vers 9). Bij deze patriarch was het helaas zo, dat hij in Haran bleef toen hij naar Kanaän had moeten gaan (Handelingen 7 vers 4). En het gebeurde ook dat hij naar Egypte ging toen hij in het land had moeten blijven (Genesis 12 vers 10). God maakt hier echter geen melding van deze misstappen en dekt ze als het ware toe, net zoals Hij ook zwijgt over het lachen van Sara (Genesis 18 vers 12). En evenmin spreekt Hij over het verdrietige einde van de geschiedenis van Izaäk, alsook het verdrietige begin van die van Jakob. Van het leven van de Zijnen houdt Hij alleen dát in gedachten waardoor Hij verheerlijkt wordt. En alleen het geloof kan Hem verheerlijken.

Principieel is het niet mogelijk om meer dan één vaderland te hebben. De belofte van de hemelse stad maakte daarom Abraham en de Zijnen tot "vreemdelingen op de aarde" en zij schrokken er niet voor terug om hiervoor uit te komen (vers 13; Genesis 23 vers 4). Ze hebben het namelijk ook duidelijk aangegeven, door in tenten te gaan wonen (2 Korinthe 4 vers 18; 5 vers 1). Ze schaamden zich niet voor hun God en daarom schaamde Hij Zich niet voor hen (vers 16). En Hij maakt voor Zichzelf aanspraak op de Naam: de God van Abraham, Izaäk en Jakob.

Beste lezer, heb jij het recht om te zeggen: 'Hij is mijn God?'

Hebreeën 11:17-31
17Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Izak geofferd, en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd,18(Tot denwelke gezegd was: In Izak zal u het zaad genoemd worden) overleggende, dat God machtig was, hem ook uit de doden te verwekken;19Waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft.20Door het geloof heeft Izak zijn zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen.21Door het geloof heeft Jakob, stervende, een iegelijk der zonen van Jozef gezegend, en heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf.22Door het geloof heeft Jozef, stervende, gemeld van den uitgang der kinderen Israels, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente.23Door het geloof werd Mozes, toen hij geboren was, drie maanden lang van zijn ouders verborgen, overmits zij zagen, dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des konings niet.24Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao's dochter genoemd te worden;25Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben;26Achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.27Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vrezende den toorn des konings; want hij hield zich vast, als ziende den Onzienlijke.28Door het geloof heeft hij het pascha uitgericht, en de besprenging des bloeds, opdat de verderver der eerstgeborenen hen niet raken zou.29Door het geloof zijn zij de Rode zee doorgegaan, als door het droge; hetwelk de Egyptenaars, ook verzoekende, zijn verdronken.30Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als zij tot zeven dagen toe omringd waren geweest.31Door het geloof is Rachab, de hoer, niet omgekomen met de ongehoorzamen, als zij de verspieders met vrede had ontvangen.

Het offeren van Izaäk (of: Izaäk) was het bewijs dat Abraham geloofde in de opstanding (vergelijk Romeinen 4 vers 17) en het liet ook zien dat hij God meer liefhad dan zijn enige zoon.

De lange geschiedenis van Jakob wordt uitgebeeld door zijn
staf; een stuk gereedschap voor de herder, de pelgrim, de
hinkende en ten slotte de steun voor de aanbidder (vers 21).

Bij Izaäk zou je wellicht op de gedachte kunnen komen dat zijn onderscheidingsvermogen rijkelijk laat kwam. Van Jozef hadden we misschien verwacht dat hij zich wel met andere dingen had mogen bezighouden dan een eenvoudig bevel te geven met betrekking tot zijn gebeente. Maar toch getuigt iedere patriarch op zich, op zijn wijze, van de zekere verwachting van de toekomstige dingen.

Mozes weigert..., kiest..., acht..., "want hij zag op de vergelding van het loon" (vers 26; hoofdstuk 10 vers 35). Hij verlaat..., is niet bang..., hield stand..., omdat hij Degene ziet Die onzichtbaar is (vers 27). Het geloof is het enige 'meetinstrument' waarmee je de werkelijke waarde en de relatieve duur van alle dingen kunt meten. Tegelijkertijd is het ook de innerlijke kracht waardoor men in staat is om te overwinnen. Het overwinnen van hindernissen — de woede van de koning, de Rode Zee, de muren van Jericho — en de begeerten — de afgoderij van de zonde en de schatten van Egypte. Ja, het geloof is energiek en stoutmoedig.

En als het voorbeeld van Mozes in onze ogen misschien te hoog gegrepen lijkt te zijn, dan mogen we ons laten bemoedigen door het voorbeeld Rachab. Hoe onze omstandigheden ook mogen zijn, God verwacht een zichtbare vrucht van ons geloof!

Hebreeën 11:32-40; Hebreeën 12:1-3
32En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zou ik verhalen van Gideon, en Barak, en Samson, en Jeftha, en David, en Samuel, en de profeten;33Welken door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt;34De kracht des vuurs hebben uitgeblust, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht;35De vrouwen hebben hare doden uit de opstanding weder gekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aangeboden verlossing niet aannemende, opdat zij een betere opstanding verkrijgen zouden.36En anderen hebben bespottingen en geselen geproefd, en ook banden en gevangenis;37Zijn gestenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht; hebben gewandeld in schaapsvellen en in geitenvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld zijnde;38(Welker de wereld niet waardig was) hebben in woestijnen gedoold, en op bergen, en in spelonken, en in holen der aarde.39En deze allen, hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen;40Alzo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.
1Daarom dan ook, alzo wij zo groot een wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid lopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;2Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God.3Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen.

Vanaf vers 32 bevinden we ons in het land Kanaän. En daar zien we de rechters, de koningen, de profeten en de "grote wolk van de getuigen, rondom ons" (hoofdstuk 12 vers 1), die ons voorgegaan zijn en die op ons wachten, om in het bezit van de beloften te kunnen komen (vers 39 en 40).

Ook in de donkerste tijden is de fakkel van het geloof, die van hand tot hand ging, nooit uitgeblust. Alleen God kent de lange lijst van deze vergeten martelaren, en houdt die nog steeds bij. Voor ieder bestaat er een aparte bladzijde, die door Hem aan het boek van de trouw wordt toegevoegd. Vandaag is het onze beurt om deel te nemen aan deze estafetteloop.

Wat heb je nodig om deze loop goed te beëindigen? Je mag niet met een last beladen zijn, noch ergens door gehinderd worden. Laten we er daarom mee beginnen ons van alle last en elke nodeloze bepakking te ontdoen. En laten we ook de zonde afleggen, het net waarin we zo gemakkelijk verstrikt kunnen raken en waardoor we ten val kunnen komen! Maar dat is nog niet alles! Het is ook nodig dat we door een bepaald onderwerp, een soort magneet, aangetrokken worden. Laten we daarom ook onze blikken richten op de Heere Jezus, de Leider en het Voorbeeld van het geloofsleven. Hij is "de overste Leidsman en Voleinder" van dit geloof (vers 2). Ook Hij had voortdurend een onderwerp voor de aandacht dat machtiger was dan het kruis en al Zijn lijden. Dat was de "verzadiging van vreugde" waarmee het leven van de Man van het geloof gekroond zou worden, en dat waren ook de "liefelijkheden" in Zijn rechterhand (Psalm 16 vers 11).

Hebreeën 12:4-17
4Gij hebt nog tot den bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde;5En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt;6Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt.7Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?)8Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen.9Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven?10Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden.11En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn.12Daarom richt weder op de trage handen, en de slappe knieen;13En maakt rechte paden voor uw voeten, opdat hetgeen kreupel is, niet verdraaid worde, maar dat het veelmeer genezen worde.14Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal;15Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen ontreinigd worden.16Dat niet iemand zij een hoereerder, of een onheilige, gelijk Ezau, die om een spijze het recht van zijn eerstgeboorte weggaf.17Want gij weet, dat hij ook daarna, de zegening willende beerven, verworpen werd; want hij vond geen plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.

In een gezin is een kind onder het gezag en de tucht van de vader gesteld. Hierdoor zullen er bij een kind soms tranen voorkomen. Als het echter volwassen geworden is, dan zal het de dingen begrijpen en de ouders hiervoor danken. Als wij zonen en dochters van God zijn, dan zullen we onherroepelijk Zijn tucht ervaren (vers 8), want de heilige God wil Zijn kinderen vormen naar Zijn eigen beeld (vers 10). Deze tuchtiging kan bij ons echter twee verschillende en tegenovergestelde uitwerkingen hebben! Ten eerste kunnen we haar verachten, door er niet naar te willen luisteren en er geen rekening mee te houden. Maar ten tweede kunnen we er ook door "geoefend" worden (vers 11). Dat betekent dat we ons dan door de Heere laten beproeven, om te ontdekken waarom Hij ons die bepaalde beproeving heeft doen ondergaan (Job 5 vers 17). Het gevaar bestaat echter dat wij hierdoor de moed verliezen (vers 5; Efeze 3 vers 13). Mocht dit zo zijn, dan is het goed om altijd de naam die aan de getuchtigde gelovige gegeven wordt, voor ogen te houden: "... wie de Heere liefheeft" (vers 6).

Laten we de vrede najagen met allen, maar niet ten koste van de heiligheid (vers 14). En laten we daarbij nooit vergeten dat wij zelf ook het onderwerp van de genade zijn en laten we daarom alle wortels van bitterheid (vers 15; letterlijk: giftige kiemen) uit ons hart weren, want als zulke gedachten in ons hart niet onmiddellijk veroordeeld worden, dan zullen ze zich vroeger of later openbaren (Deuteronomium 29 vers 18).

Ezau, die we in het voorgaande hoofdstuk niet tegenkomen in het rijtje van zijn familieleden, wordt hier, tot zijn eeuwige beschaming, wel aangehaald. O, dat toch niemand van ons op hem zal lijken!

Hebreeën 12:18-29
18Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder,19En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden.20(Want zij konden niet dragen, hetgeen er geboden werd: Indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal gestenigd of met een pijl doorschoten worden.21En Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zeide: Ik ben gans bevreesd en bevende).22Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen;23Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen;24En tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.25Ziet toe, dat gij Dien, Die spreekt, niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullen wij niet ontvlieden, zo wij ons van Dien afkeren, Die van de hemelen is;26Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook den hemel.27En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn.28Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vast houden, door dewelke wij welbehagelijk Gode mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.29Want onze God is een verterend vuur.

Hier wordt nog een tegenstelling aangetoond tussen datgene wat de wet te bieden heeft en dat wat de christen nu in Christus mag bezitten. In het komende Koninkrijk van de Messias zal God het vreselijke Sinaï in genade vervangen door Sion (Psalm 2 vers 6). Het kind van God komt nu echter al tot een hogere orde van zegeningen. De gelovige wordt opgeroepen om de helling van deze berg van genade te beklimmen, en door het geloof in "de stad van de levende God", het hemelse Jeruzalem in te gaan en diens bewoners te begroeten (vers 22). Het kind van God zal daar talloze engelen ontmoeten en de "eerstgeborenen", dat is de Gemeente. En op de top van deze berg staat God Zelf, "de Rechter over allen" (vers 23), Die de gelovigen echter als verlosten zal ontvangen.

Wanneer de gelovige vervolgens weer afdaalt naar de voet van de berg, tot de bodem van de Goddelijke grondslag van al deze heerlijkheden, dan ontmoet hij "de geesten van de volmaakte rechtvaardigen" uit hoofdstuk 11 en de Heere Jezus, "de Middelaar van het nieuwe testament" (verbond), dat Hij bezegeld heeft met Zijn eigen bloed (vers 23 en 24).

Ook al zijn alle wankelbare dingen voorbestemd om spoedig te vergaan, ik zal een onwankelbaar koninkrijk ontvangen en mijn naam staat in de hemel ingeschreven (Lukas 10 vers 20). Wat een zekerheid! En dezelfde genade waardoor mij daar de toegang verleend wordt, stelt mij nu al in staat om deze heilige God te dienen — niet op een wijze die mij past, maar op de manier die aangenaam is voor Hem! De eerbied (het ontzag) voor Hem en de vrees Hem te mishagen, zullen mij bewaren op de weg van Zijn wil (vers 28 en 29)!

Hebreeën 13:1-16
1Dat de broederlijke liefde blijve.2Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend engelen geherbergd.3Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede gevangen waart; en dergenen, die kwalijk gehandeld worden, alsof gij ook zelven in het lichaam kwalijk gehandeld waart.4Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordelen.5Uw wandel zij zonder geldgierigheid; en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven, en Ik zal u niet verlaten.6Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen.7Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling.8Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.9Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben.10Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten, die den tabernakel dienen.11Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den hogepriester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats.12Daarom heeft ook Jezus, opdat Hij door Zijn eigen bloed het volk zou heiligen, buiten de poort geleden.13Zo laat ons dan tot Hem uitgaan buiten de legerplaats, Zijn smaadheid dragende.14Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.15Laat ons dan door Hem altijd Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden.16En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zodanige offeranden heeft God een welbehagen.

Broederliefde kan op verschillende manieren tot uitdrukking komen: in gastvrijheid (hetgeen een gewin is voor degene die haar betoont; vers 2), door medelijden te hebben (zich één maken met hen die lijden; vers 3 en hoofdstuk 10 vers 34), in goed doen (waarin God Zelf een welgevallen heeft; vers 16).

De liefde tot het geld kent helaas ook verschillende gezichten. Je kunt het geld dat je al bezit, liefhebben, maar ook dat wat je nog graag zou willen hebben. Laten we toch tevreden zijn met datgene wat we hebben! Voor de behoeften of de gevaren van morgen mogen we met vrijmoedigheid op de trouw van de Heere steunen (vers 6; Mattheüs 6 vers 31 - 34). Hij, Die onze Helper is, kan niet veranderen. In hoofdstuk 1 vers 12 hebben we het al gelezen: "Gij zijt Dezelfde". En dat wordt hier in vers 8 nog eens aangevuld met de bevestiging waarvan de draagkracht en reikwijdte ontzettend groot is: "Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in eeuwigheid"! Wanneer wij voldoende hebben aan Hem, dan zullen de "verscheidene en vreemde leringen" geen enkele invloed op ons hebben (vers 9). Dan zullen we bereid zijn om de godsdienstige legerplaats van het formalisme te verlaten (vergelijk Exodus 33 vers 7), om alleen uit te gaan tot de Heere Jezus, naar de plaats waarvan Hij beloofd heeft daar aanwezig te zullen zijn. Hijzelf heeft het allergrootste — en hoogste — Offer gebracht. En het is nu een voorrecht voor ons om God de vrucht van onze lippen te mogen offeren, te danken en te aanbidden. En dat niet alleen op zondag, maar voortdurend. Het is iets kostbaars Hem "een offerande van de lof, dat is de vrucht van de lippen", die eerst in onze harten gerijpt is, te mogen brengen (vers 15; Mattheüs 12 vers 34)!

Hebreeën 13:17-25
17Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.18Bidt voor ons; want wij vertrouwen, dat wij een goed geweten hebben, als die in alles willen eerlijk wandelen.19En ik bid u te meer, dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden.20De God nu des vredes, Die den grote Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen testaments, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heere Jezus Christus,21Die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijn wil moogt doen; werkende in u, hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door Jezus Christus; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.22Doch ik bid u, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning; want ik heb u in het kort geschreven.23Weet, dat de broeder Timotheus losgelaten is, met welken (zo hij haast komt) ik u zal zien.24Groet al uw voorgangeren, en al de heiligen. U groeten die van Italie zijn.25De genade zij met u allen. Amen.

Wij hebben trouwe voorgangers gehad. Laten we hen in gedachten in ere houden en hun geloof navolgen — en hun geschriften lezen (vers 7). Maar God geeft ons ook vandaag nog voorgangers (vers 17 en 24). Wat is onze opdracht ten opzichte van hen? Hen te gehoorzamen, voor hen te bidden (vers 18) en ervoor te zorgen dat ze hun dienst met blijdschap kunnen doen — zij waken over onze zielen! Ook hebben we "het woord van deze vermaning" te verdragen (vers 22), wanneer het tot ons gericht is. Desondanks mogen we, vanwege de dienstknechten van de Heere, nooit "de grote Herder van de schapen" Zelf uit het oog verliezen. Alleen Hij heeft Zijn leven voor Zijn schapen gegeven en nu leidt Hij hen, samen met Zichzelf, buiten de legerplaats van de menselijke godsdienst. Voortaan vormen alle christenen één kudde met één Herder, Die voorop gaat (Johannes 10 vers 4 en 16).

In het verloop van deze Brief werden de elementen van het Jodendom stuk voor stuk weggenomen en vervangen door de heerlijke christelijke waarheden, die allemaal samengevat zijn in Jezus Christus. Dat is het uiteindelijke werk, dat God in ons voleindigt (vers 21): Hij bevrijdt ons van elke keten, maakt ons los van elke vorm, om ons vervolgens met Zijn opgestane en verheerlijkte Zoon te verbinden. Hopelijk heeft deze Brief ons geleerd dat wij door het geloof onze ogen nu al op Hem kunnen richten (hoofdstuk 12 vers 2), terwijl wij wachten op Zijn spoedige wederkomst!

`Wij wachten U; U hebt, o Heer, ons hart reeds ingenomen. Uw Woord verklaart ons telkens weer, dat U weldra zult komen. Dan zullen wij aan Uwe zij, in 't eeuwig hemelleven, U lof en ere geven!'

Jakobus 1:1-12
1Jakobus, een dienstknecht van God en van den Heere Jezus Christus; aan de twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid.2Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt;3Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.4Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.5En indien iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt; en zij zal hem gegeven worden.6Maar dat hij ze begere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt, is een baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op en nedergeworpen wordt.7Want die mens mene niet, dat hij iets ontvangen zal van den Heere.8Een dubbelhartig man is ongestadig in al zijn wegen.9Maar de broeder, die nederig is, roeme in zijn hoogheid.10En de rijke in zijn vernedering; want hij zal als een bloem van het gras voorbijgaan.11Want de zon is opgegaan met de hitte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijn bloem is afgevallen, en de schone gedaante haars aanschijns is vergaan; alzo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.12Zalig is de man, die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen, die Hem liefhebben.

Jakobus richt zich tot zijn broeders, christenen die uit het Jodendom gekomen waren, die zich er echter nog niet volkomen van losgemaakt hadden. Hij roept hen op om "de beproeving" van hun geloof met "vreugde" te ondergaan. Twee woorden die, op het eerste gezicht, niet met elkaar in overeenstemming kunnen zijn. Bij de Hebreeuwse christenen hadden sommigen dit echter wel in praktijk gebracht (Hebreeën 10 vers 34). Deze ervaring sluit aan op hetgeen Paulus heeft gezegd: "...wij roemen ook in de verdrukkingen, wetend dat de verdrukking lijdzaamheid (volharding) werkt" (Romeinen 5 vers 3; vergelijk Colossenzen 1 vers 11).

Een andere tegenstrijdigheid — tenminste zo lijkt het —komt tot uitdrukking in het feit dat volharding gepaard gaat met wachten op iets wat men nog niet bezit, terwijl Jakobus er juist aan toevoegt: "in geen ding nalatig", dat wil zeggen nergens gebrek aan hebben (vers 4). Waar wij werkelijk gebrek aan kunnen hebben, zijn niet de aardse goederen, maar is de wijsheid. Laten we daarom het voorbeeld van de jonge Salomo volgen en de Heere hierom vragen (vers 5; 2 Kronieken 1 vers 10).

Zelfs een arme christen heeft aan geen ding gebrek, omdat hij de Heere Jezus bezit. En de rijke kan zich verheugen in zijn vernedering, wanneer hij in gemeenschap is met Hem, Die Zichzelf vernederd heeft tot de dood aan het kruis. Zouden we jaloers zijn op hen die "als een bloem van het gras voorbijgaan" (vers 10)? Laten we toch de kroon van het leven voor ogen houden. Die wordt als loon gegeven aan hen die de beproeving met volharding verdragen hebben; de kroon die "de Heere beloofd heeft aan hen, die Hem liefhebben" (vers 12).

Jakobus 1:13-27
13Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand.14Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.15Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart den dood.16Dwaalt niet, mijn geliefde broeders!17Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij Welken geen verandering is, of schaduw van omkering.18Naar Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen Zijner schepselen.19Zo dan, mijn geliefde broeders, een iegelijk mens zij ras om te horen, traag om te spreken, traag tot toorn;20Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.21Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken.22En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.23Want zo iemand een hoorder is des Woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in een spiegel;24Want hij heeft zichzelven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten, hoedanig hij was.25Maar die inziet in de volmaakte wet, die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze, geen vergetelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze, zeg ik, zal gelukzalig zijn in dit zijn doen.26Indien iemand onder u dunkt, dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel.27De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelven onbesmet bewaren van de wereld.

In de verzen 2 en 12 betekent het woord "verzoeking" een beproeving die van buitenaf komt. God stuurt ons die voor onze eigen bestwil en uiteindelijk tot onze vreugde.

In vers 13 heeft de term "verzocht worden" echter een andere betekenis. Hier wil het zeggen dat het voortkomt uit het kwaad dat in de mens zit. Ieder mens wordt innerlijk door begeerten gedreven. Hoe zouden we ooit durven zeggen dat God hier de oorzaak van zou zijn? Van "de Vader der lichten" komt immers geen enkele duisternis (vers 17; vergelijk 1 Johannes 1 vers 5). God, Die ons Zijn eigen Zoon gezonden heeft, geeft ons met Hem "alle volmaakte gift" (vers 17; Romeinen 8 vers 32). De bron van het kwaad zit binnenin ons: slechte gedachten, en 'lelijke woorden' en 'vreselijke daden' kunnen de 'kinderen' hiervan genoemd worden. Wij lopen altijd het gevaar te lijken op iemand die in de spiegel gezien heeft dat hij vies is, maar zich dan niet gaat wassen. Het Woord van God is zo'n spiegel. Het laat de mens zien wie hij in werkelijkheid is. En het Woord leert de mens ook om goed te doen (hoofdstuk 4 vers 17), maar de mens moet het zelf ten uitvoer brengen.

Waaruit bestaat de enige "godsdienst" die door God de Vader aangenomen zal worden? Niet uit het volbrengen van allerlei inhoudsloze ceremoniën, wat de mensen godsdienst noemen. Nee, het komt voort uit de positie waarin de Heere de Zijnen gebracht heeft: als "in de wereld" — tot opoffering in liefde; en tevens als "niet van de wereld" —opdat wij ons daarvan rein bewaren (vers 27; Johannes 17 vers 11, 14 en 16).

Jakobus 2:1-13
1Mijn broeders, hebt niet het geloof van onzen Heere Jezus Christus, den Heere der heerlijkheid, met aanneming des persoons.2Want zo in uw vergadering kwam een man met een gouden ring aan den vinger, in een sierlijke kleding, en er kwam ook een arm man in met een slechte kleding;3En gij zoudt aanzien dengene, die de sierlijke kleding draagt, en tot hem zeggen: Zit gij hier op een eerlijke plaats; en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij daar; of: Zit hier onder mijn voetbank;4Hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen?5Hoort, mijn geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen des Koninkrijks, hetwelk Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben?6Maar gij hebt den armen oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken zij u niet tot de rechterstoelen?7Lasteren zij niet den goeden naam, die over u aangeroepen is?8Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven, zo doet gij wel;9Maar indien gij den persoon aanneemt, zo doet gij zonde, en wordt van de wet bestraft als overtreders.10Want wie de gehele wet zal houden, en in een zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.11Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden.12Spreekt alzo, en doet alzo, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden.13Want een onbarmhartig oordeel zal gaan over dengene, die geen barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.

Wij worden door de valse maatstaven die de wereld aanlegt met betrekking tot rijkdom, maatschappelijke positie, enzovoort, meer beïnvloed dan wij denken. Zelfs een Samuël moest het leren: "...want de mens ziet aan, wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan" (1 Samuël 16 vers 7). En weet u, weet jij, waartoe 'dit aanzien van de persoon' in de wereld geleid heeft? Tot de verachting en de verwerping van de Zoon van God, omdat Hij als een Arme in deze wereld gekomen is (2 Korinthe 8 vers 9). Tot op de dag van vandaag is die prachtige naam 'christen', zoals gelovigen genoemd mogen worden, het onderwerp van spot en lastering. Maar zij die deze naam dragen, deze "armen" die door de wereld veracht worden, zijn door de Heere uitverkoren tot "erfgenamen van het Koninkrijk" (vers 5; Mattheüs 5 vers 3). Daarom geldt voor hen "de koninklijke wet", dat wil zeggen: die van de Koning (vers 8).

Falen in het betonen van liefde betekent echter dat men de hele wet overtreden heeft. Een scheur in één van de schakels is immers al voldoende om de hele ketting kapot te trekken. Vandaar dat wij allemaal schuldig en door de zonde overvallen waren. Voor God was de barmhartigheid echter tot grotere roem dan het oordeel (vers 13). En door deze barmhartigheid zijn wij voortaan onder een andere "wet" geplaatst: die van de vrijheid, de vrijheid van de nieuwe natuur, die haar vreugde vindt in de gehoorzaamheid aan God (1 Petrus 2 vers 16).

Jakobus 2:14-26
14Wat nuttigheid is het, mijn broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zaligmaken?15Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijks voedsel;16En iemand van u tot hen zou zeggen: Gaat henen in vrede, wordt warm, en wordt verzadigd; en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruftigheden des lichaams, wat nuttigheid is dat?17Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood.18Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.19Gij gelooft, dat God een enig God is; gij doet wel; de duivelen geloven het ook, en zij sidderen.20Maar wilt gij weten, o ijdel mens, dat het geloof zonder de werken dood is?21Abraham, onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Izak, zijn zoon, geofferd heeft op het altaar?22Ziet gij wel, dat het geloof mede gewrocht heeft met zijn werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?23En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend van God genaamd geweest.24Ziet gij dan nu, dat een mens uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?25En desgelijks ook Rachab, de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door een anderen weg uitgelaten?26Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzo is ook het geloof zonder de werken dood.

Sommigen menen dat er een tegenstelling bestaat tussen het onderwijs van Jakobus en dat van Paulus (bijvoorbeeld in Romeinen 4). In werkelijkheid stellen deze beide mannen, ieder voor zich, een bepaalde kant van de waarheid voor de aandacht. Paulus laat zien dat het geloof voldoende is om gerechtvaardigd te kunnen worden voor God. Jakobus zegt dat er werken nodig zijn om gerechtvaardigd te zijn in de ogen van de mensen (vers 24; 1 Johannes 3 vers 10). Je kunt de kwaliteit van een boom niet beoordelen aan de hand van de wortel, maar je doet dat aan de hand van de vruchten (Mattheüs 7 vers 16 - 20). Het innerlijke geloof van de mens kan zich niet anders dan in werken openbaren. Elektriciteit kun je niet zien, maar doordat de lamp gaat branden of de motor gaat lopen, weet je dat er spanning op de leiding staat. Het geloof is een actief beginsel (vers 22), een innerlijke energie, die het hart in beweging zet.

Paulus en Jakobus illustreren beiden hun onderwijs met hetzelfde voorbeeld: dat van Abraham, waaraan hier nog het voorbeeld van Rachab toegevoegd wordt. Volgens de mening van de mensen zou eerstgenoemde een crimineel zijn (vanwege het offeren van z'n eigen zoon) en de tweede zou in hun ogen iemand met een hele slechte naam zijn, een verraadster van haar volk. De manier van handelen van deze beide personen, die volkomen onbegrijpelijk was voor de mensen, is juist een gevolg van hun geloof! Daardoor werden zij ertoe gebracht om God zulke grote offers te brengen!

Misschien heb je ook wel eens gezegd dat je geloof hebt, maar laat je dat ook zien?

Jakobus 3:1-18
1Zijt niet vele meesters, mijn broeders, wetende, dat wij te meerder oordeel zullen ontvangen.2Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het gehele lichaam in den toom te houden.3Ziet, wij leggen den paarden tomen in de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun gehele lichaam om;4Ziet ook de schepen, hoewel zij zo groot zijn, en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil.5Alzo is ook de tong een klein lid, en roemt nochtans grote dingen. Ziet, een klein vuur, hoe groten hoop houts het aansteekt.6De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.7Want alle natuur, beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menselijke natuur.8Maar de tong kan geen mens temmen; zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn.9Door haar loven wij God en den Vader, en door haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis van God gemaakt zijn.10Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijn broeders, alzo niet geschieden.11Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?12Kan ook, mijn broeders, een vijgeboom olijven voortbrengen, of een wijnstok vijgen? Alzo kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen.13Wie is wijs en verstandig onder u? die bewijze uit zijn goeden wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid.14Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid.15Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels.16Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel.17Maar de wijsheid, die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd.18En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken.

Net zoals het voor het geloof noodzakelijk is dat zij, als zij aanwezig is, door werken openbaar wordt, zo zal ook de onreinheid in het hart vroeger of later door woorden tot uitdrukking komen. Elke stoommachine heeft een ventiel, waardoor de overdruk zal ontsnappen. Als wij deze 'druk' binnen in ons laten oplopen zonder dat te veroordelen, dan zal het zeer zeker op een gegeven moment door woorden naar buiten komen. Ooit zal het zover komen dat we ons niet langer kunnen inhouden. De Heere laat ons de onreinheid van onze eigen lippen ontdekken (Jesaja 6 vers 5) en maakt ook duidelijk waar dit vandaan komt: de volheid van het hart (Mattheüs 12 vers 34; 15 vers 19; Spreuken 10 vers 20). Hij roept ons echter ook op om door zelfoordeel "het kostbare van het verwerpelijke (snode)" te scheiden en om te zijn als Zijn mond (Jeremia 15 vers 19).

Er bestaat wijsheid en wijsheid. De wijsheid van Boven komt echter, zoals elke "volmaakte gift", van "de Vader der lichten" (hoofdstuk 1 vers 17). En deze wijsheid kunnen we herkennen aan haar beweegredenen: zij is altijd rein, zonder eigen wil en werkzaam in het goede (vers 17).

Elke keer dat wij op het punt staan om een verkeerd gebruik van onze tong te maken, zouden we de volgende verzen opnieuw moeten lezen: over twist en leugen (hoofdstuk 3 vers 14), over kwaadspreken (hoofdstuk 4 vers 11), over opscheppen (hoofdstuk 4 vers 16), over het zuchten tegen elkaar (hoofdstuk 5 vers 9), over vloeken en lichtzinnige taal (hoofdstuk 5 vers 12; Efeze 4 vers 29; 5 vers 4). En wat hebben we hier vaak dagelijks mee te maken!

Jakobus 4:1-12
1Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren?2Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet verkrijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt.3Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uw wellusten doorbrengen zoudt.4Overspelers en overspeleressen, weet gij niet, dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand van God gesteld.5Of meent gij, dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid?6Ja, Hij geeft meerdere genade. Daarom zegt de Schrift: God wederstaat de hovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade.7Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.8Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen!9Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid.10Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.11Broeders, spreekt niet kwalijk van elkander. Die van zijn broeder kwalijk spreekt en zijn broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de wet, en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.12Er is een enig Wetgever, Die behouden kan en verderven. Doch wie zijt gij, die een anderen oordeelt?

Wanneer er onenigheid voorkomt tussen kinderen van God, dan laat dit ongetwijfeld zien dat de eigen wil bij alle betrokkenen niet gebroken is. En de Heere leert ons dat dit bovendien een verhindering is voor de verhoring van onze gebeden (Markus 11 vers 25). Er kunnen twee redenen zijn waarom wij niets ontvangen. De eerste is dat wij niet bidden, "want eenieder die bidt, die ontvangt" (Mattheüs 7 vers 8). De tweede is dat wij niet goed bidden. En daarbij gaat het niet om een onjuiste vorm van onze gebeden (altijd geldt immers: "wij weten niet, wat wij bidden zullen, zoals het behoort"; Romeinen 8 vers 26), maar om het doel van ons bidden. Bidden wij altijd met het oog op de eer van de Heere, of om onze eigen begeerten te bevredigen (vers 2)? Deze twee dingen zijn onverenigbaar! Wanneer wij de wereld liefhebben, verraden we daarmee de zaak van God; want de wereld heeft Hem de oorlog verklaard, door Zijn Zoon te kruisigen; neutraliteit is in dit verband niet mogelijk (vers 4; Mattheüs 12 vers 30)!

Lust en begeerte zijn de magneten waarmee de wereld ons steeds probeert te trekken. Maar aan hen die voor Hem gekozen hebben en van Hem zijn, geeft God oneindig veel meer dan de wereld ooit kan bieden: "meerdere genade" (vers 6; Mattheüs 13 vers 12). Wie van de Heere zachtmoedigheid en nederigheid geleerd heeft, zal deze genade genieten (Mattheüs 11 vers 29). Maar om de kracht van deze genade te kunnen ervaren, moet je eerst je eigen ellende hebben gevoeld (vers 8 en 9; vergelijk Joël 2 vers 12 en 13).

Jakobus 4:13-17; Jakobus 5:1-6
13Welaan nu gij, die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk een stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven, en winst doen.14Gij, die niet weet, wat morgen geschieden zal, want hoedanig is uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt, en daarna verdwijnt.15In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij dit of dat doen.16Maar nu roemt gij in uw hoogmoed; alle zodanige roem is boos.17Wie dan weet goed te doen, en niet doet, dien is het zonde.
1Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen.2Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn van de motten gegeten geworden;3Uw goud en zilver is verroest; en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal uw vlees als een vuur verteren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen.4Ziet, het loon der werklieden, die uw landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de oren van den Heere Sebaoth.5Gij hebt lekkerlijk geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uw harten gevoed als in een dag der slachting.6Gij hebt veroordeeld, gij hebt gedood den rechtvaardige; en hij wederstaat u niet.

Het zijn vaak dezelfde mensen (Lukas 12 vers 18 en 19) die plannen smeden (vers 13 - 15; Jesaja 56 vers 12) en die aardse goederen verzamelen (hoofdstuk 5 vers 1 - 6). Aan hen die deze dingen doen, is een leven in geloof volkomen vreemd. Zij menen over de toekomst te kunnen beschikken, hetgeen betekent dat ze hun eigen wil in de plaats van die van God zetten. Dat is zelfs ongeloof! Men geeft daarmee namelijk aan, dat men niet gelooft in de wederkomst van de Heere Jezus.

Het is heel verdrietig om "in de laatste dagen" rijkdom proberen te vergaren. Vooral in deze tijd bestaat er zoveel onzekerheid hier op aarde, waardoor ook deze schatten bedreigd worden. Denk maar aan faillissementen, diefstal, geldontwaarding, enzovoort. Dit alles laat duidelijk zien hoe vergankelijk alle rijkdom is. Vers 3 zegt het ook: "uw goud en zilver verroest" (Psalm 52 vers 9). Vandaar dat de Heere Jezus het advies geeft (of is het beter om Zijn woorden als een opdracht te beschouwen?): "Maakt uzelf buidels die niet verouderen, een schat die niet afneemt, in de hemelen, waar de dief niet bijkomt, noch de mot verderft" (Lukas 12 vers 33).

Het genieten van aardse goederen draagt ertoe bij, dat het hart verhardt. Allereerst ten opzichte van God, omdat men daardoor het gevoel van afhankelijkheid en de werkelijke behoeften van de ziel verliest (Openbaring 3 vers 17). Maar ook ten opzichte van de naaste, omdat men dan meer moeite zal hebben om zich te verplaatsen in de situatie van hen die het ontbreekt aan het allernoodzakelijkste (Spreuken 18 vers 23).

Jakobus 5:7-20
7Zo zijt dan lankmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Ziet, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en spaden regen zal hebben ontvangen.8Weest gij ook lankmoedig, versterkt uw harten; want de toekomst des Heeren genaakt.9Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt; ziet, de Rechter staat voor de deur.10Mijn broeders, neemt tot een voorbeeld des lijdens, en der lankmoedigheid de profeten, die in den Naam des Heeren gesproken hebben.11Ziet, wij houden hen gelukzalig, die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer.12Doch voor alle dingen, mijn broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch enigen anderen eed; maar uw ja, zij ja, en het neen, neen; opdat gij in geen oordeel valt.13Is iemand onder u in lijden? Dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds? Dat hij psalmzinge.14Is iemand krank onder u? Dat hij tot zich roepe de ouderlingen der Gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den Naam des Heeren.15En het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zo hij zonden gedaan zal hebben, het zal hem vergeven worden.16Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.17Elias was een mens van gelijke bewegingen als wij; en hij bad een gebed, dat het niet zou regenen; en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden.18En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht haar vrucht voort.19Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert,20Die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, een ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken.

De herfst is een tijd waarin er veel op het land wordt gewerkt. Er zijn acht tot tien maanden voorbijgegaan totdat, onder invloed van koude en warmte, van regen en zonneschijn, de nieuwe oogst rijp is. Wat moet een boer toch veel geduld hebben!

Laten wij ook zoveel geduld hebben, "want de toekomst (of : de komst) van de Heere nadert" (vers 8). En laten wij intussen gebruik maken van de krachtbronnen die ons gegeven zijn — in tijden van vreugde: lofliederen; in moeilijke tijden (zoals er altijd zijn): het krachtige gebed van het geloof. Hebben wij het ook al eens ervaren dat zo'n gebed veel vermag (vers 16; Johannes 9 vers 31)?

De verzen 14 - 16, die in de christenheid vaak gebruikt worden om allerlei toepassingen goed te praten, hebben pas echt waarde wanneer de genoemde voorwaarden ermee verbonden worden. Een van God afhankelijke christen zal oppassen en vragen of de wil van God mag gebeuren; daarom zal hij zich niet gauw vrij voelen om voor genezing te bidden. Hij zal veel eerder, samen met hen die hem omringen, bidden om de wil van God te mogen aannemen, te accepteren.

Het slot van deze Brief laat zien hoe belangrijk het is dat broeders elkaar in liefde helpen: in het wederzijds belijden van misstappen (en niet als gelovige tegenover zijn priester), in het gebed van de één voor de ander, in de bemoeiingen met hen die gestruikeld zijn.

In deze Brief wordt maar weinig plaats ingeruimd voor de leer. Er valt daarentegen wel veel te lezen over hoe het christendom in praktijk gebracht kan worden. Geve God, dat we geen vergeetachtige hoorders zijn, maar juist daders van het werk (hoofdstuk 1 vers 25).

1 Petrus 1:1-12
1Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, verstrooid in Pontus, Galatie, Kappadocie, Azie en Bithynie,2Den uitverkorenen naar de voorkennis van God den Vader, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus; genade en vrede zij u vermenigvuldigd.3Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.4Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u,5Die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof tot de zaligheid, die bereid is, om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.6In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;7Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;8Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde;9Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen.10Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied;11Onderzoekende, op welke of hoedanigen tijd de Geest van Christus, Die in hen was, beduidde en te voren getuigde, het lijden, dat op Christus komen zou, en de heerlijkheid daarna volgende.12Denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven, maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn bij degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heilige Geest, Die van den hemel gezonden is; in welke dingen de engelen begerig zijn in te zien.

De Heere Jezus had tegen Zijn discipel Petrus gezegd, voordat hij Hem verloochend had: "...en gij, als gij eens zult bekeerd (of: teruggekeerd) zijn, versterk uw broeders" (Lukas 22 vers 32). Dat is de dienst die de apostel in deze Brief vervult. Hij herinnert ons aan onze onvergelijkbare voorrechten: de redding van onze ziel (vers 9) en een hemelse erfenis, die tegen elke aanval beschermd is (vers 4). God Zelf bewaart die namelijk voor de erfgenamen en Hij bewaart hen voor deze erfenis! Toch mogen zij er ook nu al van genieten. Het is een voorsmaak: "een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde" (vers 8).

Deze blijdschap vindt haar oorsprong in de levende hoop, die de gelovigen in een levende Persoon hebben: in de opgestane Heere Jezus (vers 3); in het geloof (vers 5 en 7); in de liefde tot Hem Die de verlosten nog niet gezien hebben, maar Die hun harten heel goed kennen (vers 8). En hoe meer wij de Heere liefhebben, hoe meer wij zullen ondervinden dat wij Hem niet genoeg liefhebben.

Juist omdat God zoveel waarde hecht aan het geloof, wil Hij dat in de smeltoven van de beproeving reinigen. Gelukkig hebben wij de verzekering gekregen dat Hij dat alleen doet "zo het nodig is" (vers 6)!

Beste vrienden, dit zijn voor ons de gelukzalige werkelijkheden, die de profeten "ondervraagd en onderzocht" hebben (vers 10 en 11), en waarin "engelen begerig zijn in te zien" (vers 12). Zouden wij dan de enigen zijn die hier geen interesse voor zouden hebben?

1 Petrus 1:13-25
13Daarom opschortende de lenden uws verstands, en nuchteren zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus.14Als gehoorzame kinderen, wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden, die te voren in uw onwetendheid waren;15Maar gelijk Hij, Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gijzelven heilig in al uw wandel;16Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.17En indien gij tot een Vader aanroept Dengene, Die zonder aanneming des persoons oordeelt naar eens iegelijks werk, zo wandelt in vreze den tijd uwer inwoning;18Wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uw ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is;19Maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam;20Dewelke wel voorgekend is geweest voor de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwil,21Die door Hem gelooft in God, Welke Hem opgewekt heeft uit de doden, en Hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op God zijn zou.22Hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart;23Gij, die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.24Want alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid des mensen is als een bloem van het gras. Het gras is verdord, en zijn bloem is afgevallen;25Maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid; en dit is het Woord, dat onder u verkondigd is.

De waarheid, zoals de apostel die zojuist heeft voorgesteld, heeft bepaalde rechten en uitwerkingen op ons. Zij is de gordel waardoor onze gevoelens en gedachten niet door iets anders afgetrokken worden en onze fantasie in toom gehouden wordt (vers 13; Efeze 6 vers 14). Het is de waardheid die wij te gehoorzamen hebben (vers 22). Wij die eens samen met de "kinderen van de ongehoorzaamheid" gewandeld hebben (Kolosse 3 vers 6 en 7), zijn nu "gehoorzame kinderen" geworden (vers 14). Dat houdt niet alleen in dat je gehoorzaam bent ten opzichte van Jezus Christus, maar dat je gehoorzaam bent als Hij (vers 2: "tot gehoorzaamheid... van Jezus Christus). Dat betekent dus, dat je in de gehoorzaamheid lijkt op Hem, Die tot gehoorzaamheid gedreven werd uit liefde tot de Vader (Johannes 8 vers 29; 14 vers 31).

Overigens staat hier alles in tegenstelling tot het Oude Testament. Het is niet het goud of het zilver of wat dan ook wat ons kan verlossen (Exodus 30 vers 11 - 16; Numeri 31 vers 50), maar het kostbare bloed van Christus (vers 19). Het is niet de natuurlijke geboorte, zoals bij de Israëlieten waardoor wij de rechten en voorrechten van het volk van God deelachtig worden — laat niemand menen dat hij een kind van God is omdat hij gelovige ouders heeft! Wij zijn wedergeboren door het onvergankelijke, levende en eeuwig blijvende Woord van God (vers 23). De heiligheid waardoor onze hele wandel gekenmerkt zou moeten worden, komt voort uit deze nieuwe natuur; wij mogen de heilige God nu als Vader aanroepen (vers 15 - 17). Ook dat is een gevolg van de grote waarde die de Vader aan het offer van het volmaakte Lam hecht.

1 Petrus 2:1-12
1Zo legt dan af alle kwaadheid, en alle bedrog, en geveinsdheid, en nijdigheid, en alle achterklappingen;2En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen;3Indien gij anders gesmaakt hebt, dat de Heere goedertieren is.4Tot Welken komende, als tot een levenden Steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar;5Zo wordt gij ook zelven, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.6Daarom is ook vervat in de Schrift: Ziet, Ik leg in Sion een uitersten Hoeksteen, Die uitverkoren en dierbaar is; en: Die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.7U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis;8Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.9Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht;10Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden.11Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleselijke begeerlijkheden, welke krijg voeren tegen de ziel;12En houdt uw wandel eerlijk onder de heidenen; opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken, die zij in u zien, God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.

Een kind dat geboren wordt, moet zo gauw mogelijk gevoed worden. Vandaar dat het Woord van God, nadat het ons het leven heeft gegeven (hoofdstuk 1 vers 23), ons ook van het noodzakelijke voorziet om dit leven in stand te houden. Het Woord is de 'complete maaltijd' voor de ziel, "de redelijke onvervalste melk" (vers 2), waarvan de hoofdinhoud Christus is. Wanneer wij "gesmaakt" hebben "dat de Heere goedertieren is", dan kunnen we niet meer zonder dit voedsel (vers 3; Psalm 34 vers 9).

Behalve van het levende zaad en de levende hoop (hoofdstuk 1 vers 3 en 23), lezen we hier ook over "levende stenen" (vers 5). Die worden samen opgebouwd op Hem, Die de Hoeksteen is — en Die zowel voor God als voor ons die geloven, kostbaar is (vers 7) — om zo "een geestelijk huis" te vormen (vers 5; Efeze 2 vers 20 - 22). Tegen Simon, Bar-Jona (Petrus), had de Heere Jezus gezegd dat ook hij één van deze stenen was (vergelijk Mattheüs 16 vers 18).

Zulke voorrechten brengen dienovereenkomstig natuurlijk ook een verantwoording met zich mee. Als wij een heilig priesterdom zijn, dan is dat om geestelijke en voor God aangename offers te brengen. Als wij voor Hem een volk ten eigendom zijn, dan is dat om Zijn deugden te verkondigen (vers 9; Jesaja 43 vers 21).

Als wij "uit de duisternis geroepen" zijn "tot Zijn wonderbaar licht", hoe zouden we dan in onze geest nog ruimte kunnen laten voor de vleselijke begeerten? Er is maar één blik voor nodig om deze begeerten in ons op te wekken, die strijd "voeren tegen de ziel" (vers 11).

1 Petrus 2:13-25
13Zijt dan alle menselijke ordening onderdanig, om des Heeren wil; hetzij den koning, als de opperste macht hebbende;14Hetzij den stadhouderen, als die van hem gezonden worden, tot straf wel der kwaaddoeners, maar tot prijs dergenen, die goed doen.15Want alzo is het de wil van God, dat gij, weldoende, den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensen;16Als vrijen, en niet de vrijheid hebbende als een deksel der boosheid, maar als dienstknechten van God.17Eert een iegelijk; hebt de broederschap lief; vreest God; eert den koning.18Gij huisknechten, zijt met alle vreze onderdanig den heren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar ook den harden.19Want dat is genade, indien iemand om het geweten voor God zwarigheid verdraagt, lijdende ten onrechte.20Want wat lof is het, indien gij verdraagt, als gij zondigt, en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt, als gij weldoet, en daarover lijdt, dat is genade bij God.21Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen;22Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden;23Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt;24Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.25Want gij waart als dwalende schapen; maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.

De christen wordt opgeroepen om de boven hem gestelde regering te respecteren. Niet uit 'angst voor de politie', maar met de hoogste beweegreden van het hart: "om 's Heeren wil", dus uit liefde tot Hem (vers 13; Johannes 15 vers 10)! Wij zijn slechts "dienstknechten van God" (vers 16), en Hij schrijft ons voor hoe onze houding ten opzichte van anderen moet zijn. Niet alle "heren" (werkgevers) zijn goed en bescheiden, er bestaan ook "harde" (vers 18). Ons getuigenis zal voor laatstgenoemden veel meer kracht hebben en beter zichtbaar worden dan voor de eersten. Onrechtvaardigheid, beledigingen en elke vorm van lijden vormen voor een kind van God juist gelegenheden om Hem te verheerlijken. En op deze weg is ons Iemand voorgegaan: de "Man van smarten" (Jesaja 53 vers 3). Natuurlijk heeft nooit iemand kunnen deelnemen aan het verzoeningswerk van Christus, laat staan dat iemand Hem hierin zou kunnen navolgen, dat zal nooit gebeuren! Hij "Zelf" en Hij alleen heeft "onze zonden in Zijn lichaam gedragen op het hout" (vers 24). Maar in Zijn wandel in gerechtigheid (en ten gevolge daarvan ook het lijden) is Hij daarentegen ons volmaakte Voorbeeld (vers 21; 1 Johannes 2 vers 6). De tegenspraak, de verachting en de bespotting van de mensen dienden er slechts toe Zijn geduld, Zijn zachtmoedigheid, Zijn nederigheid, Zijn wijsheid en Zijn volkomen vertrouwen op God te openbaren. Dat zijn de gezegende "voetstappen" die wij zouden moeten navolgen. Als we dat doen, dan zullen ook wij daarmee de laatste opdracht van de Heere Jezus aan Petrus vervullen: "Volg gij Mij" (Johannes 21 vers 22).

1 Petrus 3:1-12
1Desgelijks gij vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enigen den Woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder Woord mogen gewonnen worden;2Als zij zullen ingezien hebben uw kuisen wandel in vreze.3Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van klederen aan te trekken;4Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God.5Want alzo versierden zichzelven eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haar eigen mannen onderdanig;6Gelijk Sara aan Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, en niet vreest voor enige verschrikking.7Gij mannen, insgelijks, woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat, als het zwakste, eer gevende, als die ook medeerfgenamen der genade des levens met haar zijt; opdat uw gebeden niet verhinderd worden.8En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;9Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende, dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beerven.10Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken;11Die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.12Want de ogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijn oren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen, die kwaad doen.

"Evenzo gij vrouwen..." (vers 1), "gij mannen..." (vers 7), "evenzo gij jongen..." (hoofdstuk 5 vers 5). Telkens betreft het dezelfde beweegreden als in hoofdstuk 2 vers 13: "om 's Heeren wil", die aan ieder voorschrijft hoe men zich in het gezin en in de Gemeente te gedragen heeft.

Uit de manier waarop een vrouw zich 'versiert', blijkt waar haar verlangens naar uitgaan. Houdt zij zich bezig met de verborgen schoonheid van het hart, dat alleen zichtbaar is voor de Heere? Streeft zij naar datgene wat grote waarde heeft voor God, dus naar "een zachtmoedige en stille geest" (vers 4)? Dit "versiersel" is een deel van datgene wat onvergankelijk is, evenals het Woord van God (hoofdstuk 1 vers 23) en de hemelse erfenis (hoofdstuk 1 vers 4).

Onze titels als "medeërfgenamen van de genade des levens" (vers 7) en van de "zegening" (vers 9) en het Voorbeeld dat Hij, Die goedertieren is, ons gegeven heeft (vers 13; hoofdstuk 2 vers 21 en 22), vormen samen de beweegreden om scheldwoorden niet met scheldwoorden te vergelden (vers 9).

Het lange citaat uit Psalm 34 herinnert ons eraan wat de regering van God is. Wanneer er kwaad in onze mond (vers 10) of op onze weg (vers 11) te vinden is, dan zou dat hier op aarde al pijnlijke gevolgen kunnen hebben (vers 12), die de Heere in ons leven zou toelaten. In tegenstelling daarmee is een wandel in goeddoen en in vrede het beste middel om zelf gezegend te worden. En wie zou dat niet graag willen? Als we in alle oprechtheid zo wandelen en oprecht om deze zegen bidden, dan zullen we bovendien de gemeenschap met de Heere mogen genieten (vers 12; Spreuken 15 vers 8 en 29)!

1 Petrus 3:13-22
13En wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede?14Maar indien gij ook lijdt om der gerechtigheid wil, zo zijt gij zalig; en vreest niet uit vreze van hen, en wordt niet ontroerd;15Maar heiligt God, den Heere, in uw harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk, die u rekenschap afeist van de hoop, die in u is, met zachtmoedigheid en vreze.16En hebt een goed geweten, opdat in hetgeen zij kwalijk van u spreken, als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden, die uw goeden wandel in Christus lasteren.17Want het is beter, dat gij, weldoende, (indien het de wil van God wil) lijdt, dan kwaad doende.18Want Christus heeft ook eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen; Die wel is gedood in het vlees, maar levend gemaakt door den Geest;19In Denwelken Hij ook, henengegaan zijnde, den geesten, die in de gevangenis zijn, gepredikt heeft,20Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.21Waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt, niet die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die een vraag is van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus;22Welke is aan de rechter hand Gods, opgevaren ten hemel, de engelen, en machten, en krachten Hem onderdanig gemaakt zijnde.

Vers 18 zegt ons dat Christus aan het kruis heeft geleden, Hij, de Rechtvaardige, voor ons, de onrechtvaardigen. En nu is het ons toegestaan om ook iets voor Hem te lijden (Filippi 1 vers 29).

Door goed te doen, lijden wij met Hem, zoals Hij geleden heeft (vers 14). En per slot van rekening voelt de Heere in al ons zedelijk lijden dan weer met ons mee.

Als wij omwille van de gerechtigheid lijden, dan zijn wij gelukzalig, zegt vers 14 (lees ook Mattheüs 5 vers 10). O, dat God ons toch mag bewaren voor vrees voor mensen en geve Hij ons dat we Hem vrezen, met alle zachtmoedigheid en altijd bereid om rekenschap af te leggen van de hoop die in ons is. Is die hoop trouwens in eenieder die dit leest, aanwezig?

Als onze wandel voor het oog van de mensen niet in orde is, en wij hun desondanks over de Heere vertellen, dan komt de verachting die wij verdiend hebben (!), op Hem neer.

Dat het bij ons toch zo mag zijn, dat de Geest van Christus ons kan gebruiken om onze medemensen te waarschuwen, net zoals Hij destijds Noach gebruikte om te getuigen tegenover de ongelovigen van zijn tijd, door het bouwen van de ark (vers 19 en 20). De zondvloed is een beeld van het oordeel dat binnenkort over de wereld zal losbreken en spreekt tot ons over de dood, het loon van de zonde (Romeinen 6 vers 23). In beeld gesproken zijn de gelovigen in de doop door de dood gegaan en hebben zij in de ark, een beeld van Christus, toevlucht gevonden. Hij heeft in hun plaats de dood willen ondergaan, waaruit zij met Hem opstaan tot het nieuwe leven (vers 21 en 22).

1 Petrus 4:1-11
1Dewijl dan Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde;2Om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar den wil van God, den tijd, die overig is in het vlees, te leven.3Want het is ons genoeg, dat wij den voorgaande tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen;4Waarin zij zich vreemd houden, als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren;5Dewelke zullen rekenschap geven Dengene, Die bereid staat om te oordelen de levenden en de doden.6Want daartoe is ook den doden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mens in het vlees, maar leven zouden naar God in den geest.7En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchteren, en waakt in de gebeden.8Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander; want de liefde zal menigte van zonden bedekken.9Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murmureren.10Een iegelijk, gelijk hij gave ontvangen heeft, alzo bediene hij dezelve aan de anderen, als goede uitdelers der menigerlei genade Gods.11Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient, die diene als uit kracht, die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, Welken toekomt de heerlijkheid en de kracht, in alle eeuwigheid. Amen.

Wat heeft de Heere Jezus ter wille van de zonde, waarmee Hij Zich moest bezighouden, toch ontzettend veel geleden! Nadat Hij haar eenmaal door Zijn dood teniet heeft gedaan, hoeft Hij Zich daar nooit meer mee bezig te houden. Evenzo zou de christen nu niets meer met de begeerten van de mensen te maken moeten hebben.

Beste vrienden, is het dan nog niet genoeg geweest dat wij voor onze bekering zoveel tijd verloren hebben laten gaan in een zinloze wandel, de dood tegemoet? Laten we de rest van ons leven toch leven "naar de wil van God" (vers 2)! Ongetwijfeld zal ons nieuwe gedrag lijnrecht tegenover die van de wereld rondom ons staan. De mensen zullen zich erover verbazen dat wij afstand nemen van hun verderfelijke vermaak. Ze zullen ons onder druk zetten, ons bespotten, en misschien zelfs beledigen. Waarom? Omdat de wereld zich door onze afzondering veroordeeld voelt. Deze Wereld staat echter nog de veroordeling door de grote Rechter te wachten (vers 5). En juist door dat oordeel, dat binnenkort komt, wordt ons gedrag bepaald: bezonnenheid, waakzaamheid, gebed, vurige liefde (hoofdstuk 1 vers 22). Deze liefde zal zich op verschillende manieren uiten, bijvoorbeeld doordat wij het herstel van onze broeders zoeken (vers 8), door graag gastvrij te willen zijn, door anderen te dienen met de verschillende genadegaven van God. Door dit in ons te bewerken, is de Heere Jezus in de hemel bezig om de Vader hier op aarde te verheerlijken — door het leven van Zijn verlosten — en dát is juist Zijn bedoeling (vers 11; Johannes 17 vers 4 en 11; 15 vers 8)!

1 Petrus 4:12-19
12Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame;13Maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus, alzo verblijdt u; opdat gij ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen.14Indien gij gesmaad wordt om den Naam van Christus, zo zijt gij zalig; want de Geest der heerlijkheid, en de Geest van God rust op u. Wat hen aangaat, Hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, Hij wordt verheerlijkt.15Doch dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een, die zich met eens anders doen bemoeit;16Maar indien iemand lijdt als een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen dele.17Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?18En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddeloze en zondaar verschijnen?19Zo dan ook die lijden naar den wil van God, dat zij hun zielen Hem, als den getrouwen Schepper, bevelen met weldoen.

We zullen in de hemel onophoudelijk over het lijden van de Heere Jezus mogen nadenken en dat zal daar het onuitputtelijke thema van onze lofliederen zijn. Maar de gelegenheid om aan Zijn lijden deelachtig te zijn, zal dan voorbij zijn. Met Christus te lijden is een diepere en inniger ervaring dan voor Hem te lijden. Delen in Zijn lijden, het kennen van de ondankbaarheid, de verachting, de tegenspraak, de smaad (vers 14) en de openlijke oppositie zoals Hij die ondervond — betekent Hemzelf kennen, in alles wat Hij daarbij heeft ervaren. De apostel Paulus had slechts één verlangen: "Opdat ik Hem kennel... en de gemeenschap van Zijn lijden" (Filippi 3 vers 10). Verlangen wij daar ook naar?

Er bestaat echter ook een vorm van lijden dat Christus niet kon ervaren en dat betreft het lijden dat wij ondervinden ten gevolge van kwaad doen. Wij zullen de consequenties van ons inconsequente handelen niet kunnen ontlopen. Een oneerlijke christen zal voor de menselijke rechtbank datgene oogsten wat hij gezaaid heeft. En hij die zich met andermans zaken bemoeide, zal misschien door die persoon op de vingers getikt worden. Het trieste daarbij is echter niet de ellende die wij hierdoor misschien zullen ervaren, maar de oneer die wij de Naam van de Heere hiermee hebben aangedaan! Als wij daarentegen als christenen lijden, dus zoals Christus Zelf, dan zal God verheerlijkt worden in deze prachtige naam (vers 16; Handelingen 4 vers 17 en 21; 5 vers 41).

1 Petrus 5:1-14
1De ouderlingen, die onder u zijn, vermaan ik, die een medeouderling, en getuige des lijdens van Christus ben, en deelachtig der heerlijkheid, die geopenbaard zal worden:2Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover, niet uit bedwang, maar gewilliglijk; noch om vuil gewin, maar met een volvaardig gemoed;3Noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heeren maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde.4En als de overste Herder verschenen zal zijn, zo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.5Desgelijks gij jongen, zijt den ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.6Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.7Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.8Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een briesende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden;9Denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende, dat hetzelfde lijden aan uw broederschap, die in de wereld is, volbracht wordt.10De God nu aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Dezelve volmake, bevestige, versterke, en fondere ulieden.11Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.12Door Silvanus, die u een getrouw broeder is, zo ik acht, heb ik met weinige woorden geschreven, vermanende en betuigende, dat deze is de waarachtige genade Gods, in welke gij staat.13U groet de medeuitverkorene Gemeente, die in Babylon is, en Markus, mijn zoon.14Groet elkander met een kus der liefde. Vrede zij u allen, die in Christus Jezus zijt. Amen.

"Weid Mijn lammeren... Hoed Mijn schapen", heeft de Heere Jezus eens tegen Petrus gezegd in Johannes 21 vers 15 - 17. En omdat Petrus zich hierbij absoluut niet boven andere christenen wil verheffen (een positie die hem later in de christenheid wel werd toebedacht), noemt de apostel zichzelf hier eenvoudig "mede-ouderling" met de andere oudsten (vers 1). En hij vermaant hen om niet over de kudde van de goede Herder te heersen, maar voorbeelden te zijn (vers 3). De schapen van de kudde zijn niet hun eigendom en ze moeten erom denken dat zij voor hun doen en laten verantwoording verschuldigd zijn aan "de overste Herder" (vers 4).

Het past de jongeren om aan de oudsten onderdanig te zijn en allen moeten, op hun beurt, ootmoedig zijn, dat betekent de anderen willen dienen (vers 5; vergelijk hoofdstuk 3 vers 8). De nederigen zullen genade ontvangen van "de God... van alle genade" (vers 10).

De apostel voegt hieraan toe: "Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u" (vers 7). Dit vertrouwen op God, waarbij men zich helemaal aan Hem overgeeft, ontslaat ons beslist niet van waakzaamheid! We worden voortdurend bedreigd door de vijand, door satan, die de kleinste nalatigheid bij ons zal ontdekken en misbruiken. En hem te weerstaan, brengt onherroepelijk lijden met zich mee (vers 8 en 9). De Schrift geeft nog eens duidelijk aan dat de mate van het lijden van een christen, net als eens voor zijn Goddelijk Voorbeeld, voor een korte tijd zijn deel zal zijn —en dat daarna de heerlijkheden zullen volgen (vers 10; hoofdstuk 1 vers 11).

2 Petrus 1:1-11
1Simeon Petrus, een dienstknecht en apostel van Jezus Christus, aan degenen, die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid van onzen God en Zaligmaker, Jezus Christus;2Genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis van God, en van Jezus, onzen Heere;3Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;4Door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf, dat in de wereld is door de begeerlijkheid.5En gij, tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,6En bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid godzaligheid,7En bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen.8Want zo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis van onzen Heere Jezus Christus.9Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.10Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen.11Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onzen Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.

Petrus begint deze tweede Brief met de christenen eraan te herinneren wat zij ontvangen hebben: "een even dierbaar geloof" (vers 1), "alles" met betrekking tot het leven en de Godzaligheid (vers 3) en ten slotte "de grootste en dierbare beloften" (vers 4). Ons geloof, dat zich datgene toeëigent wat God schenkt, mag daarbij niet werkeloos blijven. Ons geloof moet gepaard gaan met energie, die "deugd" genoemd wordt, om tot "kennis" (een woord dat karakteriserend is voor deze Brief) te komen (vers 5). Om volledig van onze krachten gebruik te kunnen maken, is "matigheid" (zelfbeheersing) absoluut noodzakelijk (vers 6). Maar we hebben ook "lijdzaamheid" (volharding) nodig, waardoor we kunnen standhouden bij alle inspanning en moeite. Dit alles vormt een 'gezond klimaat', waarin onze verschillende contacten zich goed kunnen ontwikkelen. Daarbij gaat het om onze verbinding met de Heere: in "godzaligheid"; met onze broeders: in "broederlijke liefde"; en ten slotte tot allen: in "liefde" (vers 7).

We hebben nu dus zeven dingen ontdekt (de cursief gedrukte woorden in bovenstaand gedeelte), die allemaal met het geloof in verband staan. Eigenlijk zijn het de schakels die samen de ketting van het geloof vormen. Als er in het leven van de christen iets ontbreekt aan een schakel, dan zal dat tragische gevolgen hebben! Er zal bijvoorbeeld traagheid, onvruchtbaarheid en geestelijke kortzichtigheid ontstaan. Zo'n gelovige kan niet meer 'ver zien'; zijn geloof kan de horizon van de hemelse stad, het doel van de christelijke pelgrim, niet meer ontdekken (vergelijk Hebreeën 11 vers 13 en verder). Voor Christus, de Koning der heerlijkheid, zijn de eeuwige poorten al open gegaan (Psalm 24 vers 7 en 9). Geve Hij ons, door het navolgen van Hem, toch een rijkelijk ingang in Zijn eeuwig Koninkrijk (vers 11).

2 Petrus 1:12-21
12Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel gij het weet, en in de tegenwoordige waarheid versterkt zijt.13En ik acht het recht te zijn, zolang ik in deze tabernakel ben, dat ik u opwekke door vermaning;14Alzo ik weet, dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, gelijkerwijs ook onze Heere Jezus Christus mij heeft geopenbaard.15Doch ik zal ook naarstigheid doen bij alle gelegenheid, dat gij na mijn uitgang van deze dingen gedachtenis moogt hebben.16Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onze Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit.17Want Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb.18En deze stem hebben wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op de heilige berg waren.19En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uw harten.20Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging;21Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods van den Heilige Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken.

De waarheden die in de eerste Brief voorgesteld worden, herinneren aan de openbaringen in Mattheüs 16: het lijden van Christus, het bouwen van de Gemeente en het geestelijke huis, dat op de Rots gebouwd is. Deze tweede Brief is eigenlijk gebaseerd op het zeventiende hoofdstuk van datzelfde evangelie.

Op de berg van de verheerlijking zagen Petrus, Jakobus en Johannes de Heere Jezus in "de hoogwaardige heerlijkheid" (vers 17). Ze kregen echter de opdracht om er voor Zijn opstanding met niemand over te praten. Maar nu is dat tijdstip aangebroken! En Petrus, die destijds door de slaap overmand werd (Lukas 9 vers 32), mag nu de heiligen opwekken, door hen aan deze gebeurtenis te herinneren (vers 13; hoofdstuk 3 vers 1). Petrus, die destijds zonder erbij na te denken drie tenten wilde opzetten, staat nu zelf op het punt om zijn aardse tent ("tabernakel") af te leggen, om voortaan voor altijd te genieten van de tegenwoordigheid van Christus (vers 14). De Heere had hem laten zien wanneer en op welke wijze hij God zou verheerlijken door zijn dood (vers 14; Johannes 21 vers 18 en 19). En heel binnenkort zullen ook wij "aanschouwers... van Zijn majesteit" mogen zijn (vers 16)!

De profetische lamp richt door de hele Schrift heen haar stralen op de komende heerlijkheid. Het kind van God bezit nu echter al een veel groter licht. Het Onderwerp van zijn hoop leeft binnen in hem: Christus is de Morgenster, Die nu al in zijn hart is opgegaan (vers 19; Colossenzen 1 vers 27)!

2 Petrus 2:1-11
1En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende;2En velen zullen hun verderfenissen navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden.3En zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken; over welke het oordeel van over lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet.4Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;5En de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach, den prediker der gerechtigheid, zijn achttal bewaard heeft, als Hij den zondvloed over de wereld der goddelozen heeft gebracht;6En de steden van Sodoma en Gomorra tot as verbrandende met omkering veroordeeld heeft, en tot een voorbeeld gezet dengenen, die goddelooslijk zouden leven;7En den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den ontuchtigen wandel der gruwelijken mensen, daaruit verlost heeft;8(Want deze rechtvaardige man, wonende onder hen, heeft dag op dag zijn rechtvaardige ziel gekweld, door het zien en horen van hun ongerechtige werken);9Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels, om gestraft te worden;10Maar allermeest degenen, die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren;11Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen hen voor den Heere voortbrengen.

Tegenwoordig maken allerlei verderfelijke sekten een tijd van grote bloei door. Dat ze zouden ontstaan werd voordien al aangekondigd, opdat wij ons daarover nu niet hoeven te verbazen, noch daardoor laten ontmoedigen (vers 1). Zij handelen in de zielen van mensen (vers 3; Openbaring 18 vers 13 aan het eind).

In hoofdstuk 1 werd het vooruitzicht op de komende heerlijkheid door een drievoudig getuigenis bevestigd. Ten eerste door de verheerlijking op de berg, die beenwees naar de toekomst. Ten tweede door het profetische Woord. En ten derde door de Morgenster, Die in onze harten is opgegaan.

Het oordeel dat deze aarde zal treffen, wordt eveneens door drie voorbeelden bevestigd: als eerste door het lot van de gevallen engelen (Judas vers 6), maar ook door de zondvloed (Lukas 17 vers 27), en als laatste door de straf over Sodom en Gomorra (Judas vers 7).

Maar te midden van een goddeloze generatie ziet en redt de Heere hen die Hem vrezen (vers 9). Ondanks zijn wereldgelijkvormigheid was Lot een rechtvaardig man (vers 7). En de woorden die in vers 8 tussen haakjes staan, laten duidelijk zien dat God acht slaat op elke zucht die geuit wordt. Lot zou zich al deze moeiten hebben kunnen besparen als hij, net als Abraham, meer waardering had gehad voor het land van de belofte. Een valse en tweeslachtige positie ten opzichte van de mensen vormt altijd een bron van moeilijkheden voor een kind van God! Lot is het beeld van een gelovige die als "door vuur" behouden wordt (1 Korinthe 3 vers 15). Zo iemand zal zeker geen rijkelijke ingang in het Koninkrijk hebben (hoofdstuk 1 vers 11). Beware de Heere ons ervoor, dat we lijken op Lot!

2 Petrus 2:12-22
12Maar dezen, als onredelijke dieren, die de natuur volgen, en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren, hetgeen zij niet verstaan, zullen in hun verdorvenheid verdorven worden;13En zullen verkrijgen het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijkse weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hun bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn;14Hebbende de ogen vol overspel, en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen der vervloeking;15Die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen den weg van Balaam, den zoon van Bosor, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft;16Maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad; want het jukdragende stomme dier, sprekende met mensenstem, heeft des profeten dwaasheid verhinderd.17Dezen zijn waterloze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.18Want zij, zeer opgeblazene ijdelheid sprekende, verlokken, door de begeerlijkheden des vleses en door ontuchtigheden, degenen, die waarlijk ontvloden waren van degenen, die in dwaling wandelen;19Belovende hun vrijheid, daar zijzelven dienstknechten zijn der verdorvenheid; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt.20Want indien zij, nadat zij door de kennis van den Heere en Zaligmaker Jezus Christus, de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, zo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.21Want het ware hun beter, dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij, dien gekend hebbende, weder afkeren van het heilige gebod, dat hun overgegeven was.22Maar hun is overkomen, hetgeen met een waar spreekwoord gezegd wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel; en de gewassen zeug tot de wenteling in het slijk.

Om de waarheid, zoals die in hoofdstuk 1 voorgesteld is, te laten wankelen, gebruikt satan gewoonlijk twee middelen: of hij probeert met alle ijver deze waarheid te vervalsen —dat vinden we in hoofdstuk 2; of hij zal het loochenen — zoals we in hoofdstuk 3 zullen zien. De werktuigen die hij gebruikt om de zielen te misleiden, worden hier in het ware licht voorgesteld. Wat een vreselijk beeld wordt ons hier getoond van de godsdienstige leiders, bij wie het morele kwaad hand in hand gaat met leerstellig kwaad (vers 12 -17; Mattheüs 7 vers 15). Deze mensen, die anderen vrijheid beloven, zijn zelf slaven van hun eigen begeerten en laagste lusten (vers 19). "Want" — en dat is ook een ernstig woord voor elke gelovige! — "door wie iemand overwonnen is, die is hij ook tot een dienstknecht gemaakt". Is ieder van ons door de Heere bevrijd (Johannes 8 vers 34 - 36; Jesaja 49 vers 24 en 25)? Of is er nog iemand gebonden met die kettingen waarvan hij het bestaan niet wil toegeven? Deze wereld kan iemand, in de ware zin van het woord, gevangen houden! Net als een moeras, waaruit men zichzelf niet meer omhoog kan trekken, houdt zij de voeten van iemand die onvoorzichtig is en zichzelf in gevaar heeft begeven, gevangen. En tegelijkertijd wordt de ziel verontreinigd (vers 20 noemt dit "de besmettingen van de wereld").

Het slot van dit hoofdstuk laat zien dat je jezelf bedriegt wanneer je meent dat je iemand door een sociaal of intellectueel christendom van de weg van de zonde af zou kunnen brengen. Een uiterlijke ommekeer is namelijk nog geen bekering!

2 Petrus 3:1-10
1Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke beide ik door vermaning uw oprecht gemoed opwekke;2Opdat gij gedachtig zijt aan de woorden, die van de heilige profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Heeren en Zaligmakers apostelen zijn;3Dit eerst wetende, dat in het laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden zullen wandelen,4En zeggen: Waar is de belofte Zijner toekomst? Want van dien dag, dat de vaders ontslapen zijn, blijven alle dingen alzo gelijk van het begin der schepping.5Want willens is dit hun onbekend, dat door het woord Gods de hemelen van over lang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande;6Door welke de wereld, die toen was, met het water van den zondvloed bedekt zijnde, vergaan is.7Maar de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddeloze mensen.8Doch deze ene zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat een dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als een dag.9De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen.10Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.

Petrus schrikt er niet voor terug om dingen te herhalen. Hij wordt niet moe de kinderen van God steeds opnieuw dezelfde waarheden in herinnering te brengen (vers 1; hoofdstuk 1 vers 12 en 13; zie ook Filippensen 3 vers 1 en Judas vers 17).

Evenmin moet het ons vermoeien deze dingen steeds opnieuw te lezen en te overdenken!

Voor de derde keer haalt de apostel het voorbeeld van de zondvloed aan. In tegenstelling tot hen die ondanks alle waarschuwingen hun eigen wil volgen (Efeze 4 vers 18), zouden de geliefden van de Heere alle aandacht moeten hebben voor Zijn bedoelingen. Het 'einde van de wereld', waarover veel mensen met angst en anderen juist erg lichtzinnig spreken, zal pas komen op het moment dat Hij bepaald heeft. Dan zullen de "hemelen, die nu zijn, en de aarde" verwoest worden (vers 7). Het is nu alleen het grote geduld van God, Die het heil van de zondaar op het oog heeft, waardoor het oordeel tot nu toe nog niet voltrokken is (vers 9). Hij wil niet dat sommigen verloren gaan (Ezechiël 33 vers 11). Dit grote geduld betreft zelfs de spotters, die om dit geduld lachen en het verachten. De tijd van de mensheid gaat echter onherroepelijk verder: er wordt afgeteld door God en op een gegeven moment is het zover en is de laatste seconde aangebroken! Dan zullen de beloften die wij zo vaak gehoord hebben, werkelijkheid worden. De gebeurtenissen zullen ermee eindigen, en dan zal blijken dat de hoop van de kinderen van God terecht was, tot ontzetting van de spotters en goddelozen! Dan zal het te laat zijn om nog "tot bekering" te komen (vers 9)!

Beste vriend, heb jij je al bekeerd? Het kan nu nog!

2 Petrus 3:11-18
11Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid!12Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.13Maar wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.14Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u, dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van Hem bevonden moogt worden in vrede;15En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft;16Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.17Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u, dat gij niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid;18Maar wast op in de genade en kennis van onzen Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in de dag der eeuwigheid. Amen.

Deze laatste vermaningen zijn niet, zoals de voorgaande,
gebaseerd op "de grootste en dierbare beloften" (hoofdstuk

1 vers 4), maar op de onbestendigheid van alles hier op aarde. Het is wel eens goed om de stand van zaken op te maken, met betrekking tot de aardse goederen, waar wij ons zo gauw aan vastklampen, en er dan boven te schrijven: "daar dan deze dingen alle vergaan" (vers 11). Dan zullen we er namelijk voor bewaard blijven dat ons hart hieraan vasthoudt. Dat zou ons, die deze dingen bij voorbaat al mogen weten, meer aanzetten tot een heilige wandel en tot godzaligheid ("wandel" is een woord dat ook kenmerkend is voor Petrus; 1 Petrus 1 vers 15, 17 en 18; 2 vers 12; 3 vers 1,

2 en 16.)

Er bestaat niets wat ons meer aanspoort tot afzondering van de wereld en het kwaad dan de gedachte aan de wederkomst van de Heere, die nu zo dichtbij gekomen is! En niets zal ons meer tot evangeliseren aan kunnen zetten dan te weten dat Zijn komst tevens het einde betekent van Zijn geduld tot redding (vers 15). Laten we ons toch beijveren, dat Hij ons bij Zijn komst zo zal aantreffen zoals Hij graag bij ons ziet (vers 14; Filippi 1 vers 10), doordat wij vooruitgang geboekt hebben "in de genade en in de kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus" (vers 18).

De apostel heeft zijn dienst vervuld en is nu bereid zijn tent ("tabernakel") af te leggen (hoofdstuk 1 vers 14). Wij zullen hem zien op die dag in de eeuwigheid, waar wij in geloof en vol verwachting naar uitzien en waarop wij ons mogen verheugen. Dat ogenblik is voor ons nog toekomst, maar Petrus mag nu al zijn, en onze, Heere en Heiland de heerlijkheid geven, Hem nu al op volmaakte wijze eren, danken en aanbidden, want Hij is het waard!

1 Johannes 1:1-10
1Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens;2(Want het Leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen, en verkondigen ulieden dat eeuwige Leven, Hetwelk bij den Vader was, en ons is geopenbaard.)3Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader, en met Zijn Zoon Jezus Christus.4En deze dingen schrijven wij u, opdat uw blijdschap vervuld zij.5En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.6Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij, en doen de waarheid niet.7Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.8Indien wij zeggen, dat wij geen zonde hebben, zo verleiden wij ons zelven, en de waarheid is in ons niet.9Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.10Indien wij zeggen, dat wij niet gezondigd hebben, zo maken wij Hem tot een leugenaar, en Zijn woord is niet in ons.

De Heere Jezus had tegen de discipelen gezegd: "En gij zult ook getuigen, want gij zijt van het begin met Mij geweest" (Johannes 15 vers 27). En dat is het wat de apostel Johannes hier doet.

Zijn onderwerp is het eeuwige leven, het eerst in de Zoon "gehoord", "gezien" en "getast" (vers 1), en nu meegedeeld aan hen die door het geloof het recht ontvangen hebben om "kinderen Gods" te worden (Johannes 1 vers 12).

We moeten onderscheid maken tussen de eigenlijke betrekking en het genieten van deze betrekking, hetgeen we gemeenschap noemen. De betrekking is het deel van alle kinderen van de Vader. Het genieten hiervan is slechts het deel van hen die in het licht wandelen (vers 7). In hoofdstuk 1 vers 6 - hoofdstuk 2 vers 2 wordt uitgelegd hoe deze gemeenschap in stand gehouden of hersteld kan worden wanneer zij onderbroken is.

Van Gods kant wordt een oneindig groot middel tot uitdelging van onze ongerechtigheden ter beschikking gesteld: het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon. Er bestaat geen enkele zonde die te groot zou zijn om door dit kostbare bloed uitgewist te kunnen worden! Het reinigt ons van alle zonde (vers 7), van alle ongerechtigheid (vers 9).

Van onze kant wordt slechts één ding verlangd, opdat wij volledige vergeving zullen ontvangen (vers 9; Psalm 32 vers 5): al onze zonden volkomen belijden!

Mijn grote schuld voor God werd door een Ander betaald, en God zou niet rechtvaardig handelen ten opzichte van mijn Plaatsvervanger wanneer Hij van mij opnieuw een betaling zou vragen!

1 Johannes 2:1-11
1Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige;2En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld.3En hieraan kennen wij, dat wij Hem gekend hebben, zo wij Zijn geboden bewaren.4Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet;5Maar zo wie Zijn Woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn.6Die zegt, dat hij in Hem blijft, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.7Broeders! Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt; dit oud gebod is het woord, dat gij van den beginne gehoord hebt.8Wederom schrijf ik u een nieuw gebod: hetgeen waarachtig is in Hem, zij ook in u waarachtig; want de duisternis gaat voorbij, en het waarachtige licht schijnt nu.9Die zegt, dat hij in het licht is, en zijn broeder haat, die is in de duisternis tot nog toe.10Die zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, en geen ergernis is in hem.11Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis, en wandelt in de duisternis, en weet niet, waar hij henengaat; want de duisternis heeft zijn ogen verblind.

Met betrekking tot de zonde komen we in deze verzen meerdere waarheden tegen, die van grote betekenis zijn:

We zullen de zonde (dat is het vlees of de oude natuur) ons hele leven in ons hebben (hoofdstuk 1 vers 8).

Tot aan onze bekering bracht zij slechts vruchten voort die te verwachten waren: wij hebben gezondigd (hoofdstuk 1 vers 10).

Het bloed van Christus reinigt ons van alles wat wij gedaan hebben; niet alleen letterlijk, maar ook in onze gedachten (hoofdstuk 1 vers 7).

Door de kracht van het nieuwe leven dat ons werd gegeven, zijn we in staat om niet meer te zondigen (hoofdstuk 2 vers 1).

Gebeurt het toch dat wij zondigen — en helaas weten we dat uit eigen ervaring maar al te goed — dan is de Heere Jezus onze Zaakwaarnemer, niet als de Verlosser Die Zijn bloed moet vergieten, maar als onze trouwe Voorspraak bij de Vader, om de gemeenschap te herstellen.

Gehoorzaamheid (vers 3 - 6) en liefde tot de broeders (vers 7 - 11) zijn een bewijs van het nieuwe leven in ons. Liefde komt overigens voort uit gehoorzaamheid (Johannes 13 vers 34). Als wij de Heere liefhebben, zullen we de geboden echter nooit als moeilijk ervaren (hoofdstuk 5 vers 3). Vers 6 noemt echter nog een hogere maatstaf. Wandelen zoals Hij gewandeld heeft, is meer dan geboden gehoorzamen. In het evangelie van Johannes lezen wij wat "waarachtig is in Hem" en in zijn Brief wat waar is in ons (vers 8). Het is hetzelfde leven dat zich op dezelfde wijze moet openbaren (hoofdstuk 4 vers 17).

1 Johannes 2:12-19
12Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil.13Ik schrijf u, vaders! want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend.14Ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den boze overwonnen.15Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.16Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.17En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid.18Kinderkens, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat de antichrist komt, zo zijn ook nu vele antichristen geworden; waaruit wij kennen, dat het de laatste ure is.19Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied, opdat zij zouden openbaar worden, dat zij niet allen uit ons zijn.

Paulus beziet de christenen zoals zij samen de ene Gemeente van God vormen.

Petrus spreekt over hen als het hemelse volk en Zijn kudde.
Voor Johannes zijn zij de leden van Zijn familie, verenigd door hetzelfde leven, dat van de Vader ontvangen is.

Normaal gesproken bestaat er tussen de leden in een familie, een gezin, verschil in leeftijd en ontwikkeling. Maar de betrekkingen tot het gezin en het erfdeel van degene die het laatst geboren is, zijn dezelfde als bij een gezinslid van bijvoorbeeld twintig jaar. Zo is het ook in de familie van God. En alleen door de wedergeboorte (Johannes 3 vers 3), waarop gewoonlijk een geestelijke groei volgt, word je een lid van Zijn familie.

Het kleine kind, dat er eerst alleen nog maar weet van had Wie de Vader was (vergelijk Galaten 4 vers 6; Romeinen 8 vers 15 - 17), komt later in het stadium van de jeugd, een periode van veel strijd. Deze strijd gaat om het hart. Behoort het hart God de Vader of de wereld toe? De lust van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven zijn drie sleutels die door de boze gebruikt worden om de wereld ingang te doen vinden in de harten.

De jongeling wordt uiteindelijk een vader — dat zou tenminste zo moeten zijn — die persoonlijke ervaringen met Christus gehad heeft.

Aan de kleine kinderen schrijft de apostel het meest. Door hun onervarenheid staan zij namelijk het meest bloot aan "alle wind van leer" (Efeze 4 vers 14). Laten we toch niet ons hele leven zulke kleine kinderen blijven!

1 Johannes 2:20-29
20Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen.21Ik heb u niet geschreven, omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is.22Wie is de leugenaar, dan die loochent, dat Jezus is de Christus? Deze is de antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.23Een iegelijk, die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet.24Hetgeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, zo zult gij ook in den Zoon en in den Vader blijven.25En dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven.26Dit heb ik u geschreven van degenen, die u verleiden.27En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig, en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zo zult gij in Hem blijven.28En nu, kinderkens, blijft in Hem; opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst.29Indien gij weet, dat Hij rechtvaardig is, zo weet gij, dat een iegelijk, die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is.

"En dit is de belofte, die Hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven" (vers 25). Johannes baseert zich hier op de woorden van de goede Herder: "Mijn schapen horen Mijn stem ... En Ik geef hun het eeuwige leven" (Johannes 10 vers 27 en 28). Het is goed om nu eerst de vraag te stellen: 'Hebt u, heb jij dat leven ontvangen en ben je daarom nu een kind van God?'

Een andere belofte van de Heere Jezus betrof de gave van de Heilige Geest (Johannes 16 vers 13). Deze "zalving" van de Heilige (vers 27) rust vandaag de dag niet alleen op de "vaders", maar ook op de "kinderkens", om hen in de hele waarheid te leiden. De Heere Jezus heeft gezegd: "Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij" (Johannes 14 vers 6). En de apostel bevestigt hier, dat wie de Zoon loochent, ook de Vader niet heeft (vers 23; lees Johannes 8 vers 19). Buiten de Zoon om kan niemand de Vader kennen (Mattheüs 11 vers 27). Daarom doet de vijand ook zo ontzettend veel moeite om twijfel te zaaien, met betrekking tot de Persoon van de heilige Zoon van God, en tot Zijn eeuwig bestaan en Zijn Goddelijkheid. O, dat we de stem van deze "leugenaar" toch onmiddellijk zullen herkennen (vers 22). Wat van het begin af was, blijft gelden tot in "de laatste ure" (vers 18 en 24). En in verband met alle 'nieuwigheden' is het voor ons het allerbeste en het veiligst om ons te houden aan het onderwijs dat wij "van het begin gehoord" hebben (vers 24; Galaten 1 vers 8 en 9).

1 Johannes 3:1-12
1Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent.2Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.3En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.4Een iegelijk, die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid; want de zonde is de ongerechtigheid.5En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij onze zonden zou wegnemen; en geen zonde is in Hem.6Een iegelijk, die in Hem blijft, die zondigt niet; een iegelijk, die zondigt, die heeft Hem niet gezien, en heeft Hem niet gekend.7Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is.8Die de zonde doet, is uit den duivel; want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou.9Een iegelijk, die uit God geboren is, die doet de zonde niet, want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren.10Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijn broeder niet liefheeft,11Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben.12Niet gelijk Kain, die uit den boze was, en zijn broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijn werken boos waren, en van zijn broeder rechtvaardig.

In een normaal gezin vormt de liefde de band tussen de leden afzonderlijk. De kinderen krijgen en leren dat van hun ouders, om dat vervolgens zelf te beantwoorden en te verwerkelijken. Dit is slechts een zwak beeld van de liefde die de Vader ons gegeven heeft door ons Zijn kinderen te noemen! Er wordt van ons niet verwacht dat we die liefde begrijpen, maar dat we haar aanschouwen (vers 1)! En als we die liefde eenmaal ervaren hebben, dat we daar vervolgens van ook genieten!

Uit de woorden in vers 9 zouden sommige gelovigen kunnen afleiden dat zij geen leven uit God bezitten, omdat het hun toch overkomt dat zij zondigen (zie hoofdstuk 5 vers 18). De apostel ziet de christen hier echter als de nieuwe mens die uit God geboren is, en díe kan niet zondigen! Hij spreekt hier dus niet over het vlees in ons, dat nog steeds boze werken voort kan brengen.

De tweedeling tussen kinderen van God en kinderen van de duivel wordt in de verzen 7 - 12 heel duidelijk aangetoond (vergelijk Johannes 8 vers 44). Vandaag de dag wordt dit onderscheid in veel godsdienstige kringen geminacht. Men maakt wel onderscheid in de mate waarin en wijze waarop het christendom in praktijk wordt gebracht. Maar dat sommige mensen durven te zeggen behouden te zijn terwijl anderen verloren zouden zijn, vindt men maar hoogmoedig en enghartig. Het onbegrip van de wereld rondom ons, dat zelfs kan uitgroeien tot haat, biedt ons echter de gelegenheid om een klein beetje op de Heere Jezus te lijken, in hetgeen Hij Zelf hier op aarde ondervonden heeft (vers 1; Johannes 16 vers 1 - 3). En spoedig zullen we ook wat betreft de heerlijkheid op Hem lijken, en "wij zullen Hem zien, zoals Hij is" (vers 2).

1 Johannes 3:13-24
13Verwondert u niet, mijn broeders, zo u de wereld haat.14Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in den dood.15Een iegelijk, die zijn broeder haat, is een doodslager; en gij weet, dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in zich blijvende.16Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat Hij Zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen.17Zo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijn broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem?18Mijn kinderkens, laat ons niet liefhebben met den woorde, noch met de tong, maar met de daad en waarheid.19En hieraan kennen wij, dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor Hem.20Want indien ons hart ons veroordeelt, God is meerder dan ons hart, en Hij kent alle dingen.21Geliefden! Indien ons hart ons niet veroordeelt, zo hebben wij vrijmoedigheid tot God;22En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden bewaren, en doen, hetgeen behagelijk is voor Hem.23En dit is Zijn gebod, dat wij geloven in den Naam van Zijn Zoon Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk Hij ons een gebod gegeven heeft.24En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelven. En hieraan kennen wij, dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, Dien Hij ons gegeven heeft.

De haat van de wereld ten opzichte van de kinderen van de Vader hoeft ons niet te verrassen (vers 13; vergelijk Johannes 15 vers 18 en verder). Maar als de mensen van de wereld tegen ons glimlachen, dan moet ons dat juist verdacht voorkomen.

Wat de liefde aangaat, daarvan kan de wereld slechts een bedrieglijke nabootsing tot uitdrukking brengen. En de motieven daarvoor zijn nooit rein en onbaatzuchtig. Werkelijke liefde is slechts de liefde van God, die haar oorsprong vindt in Hemzelf en juist niet in het onderwerp dat geliefd wordt. Met zo'n liefde moesten wij ook geliefd worden, omdat er in ons niets aanwezig was waarom wij geliefd zouden kunnen worden. Het kruis is de plaats waar wij deze onmetelijke liefde van God leren kennen (vers 16).

De verzen 19 - 22 onderstrepen de noodzakelijkheid van een goed geweten, van een hart dat ons niet veroordeelt. Wanneer wij slechts datgene zouden doen wat de Heere welgevallig is, dan zou Hij onze gebeden, zonder één enkele uitzondering, kunnen verhoren. Ouders die ingenomen zijn met het gedrag van hun kind, zullen zo'n kind graag tegemoet komen in zijn verlangens (vers 22; vergelijk Johannes 8 vers 29 en 11 vers 42).

In Hem blijven, betekent gehoorzaamheid. En dat Hij in ons blijft, betekent gemeenschap, hetgeen een gevolg is van het eerste (vers 24; hoofdstuk 2 vers 4 - 6; 4 vers 16; Johannes 14 vers 20; 15 vers 5 en 7). Als je een ton in de zee gooit, dan wordt hij nat en zal hij direct vol water lopen. Hopelijk staan onze harten ook volkomen open voor de liefde van Christus! Hij wil zo graag onze harten 'tot de rand toe' vullen!

1 Johannes 4:1-10
1Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.2Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God;3En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alrede in de wereld.4Kinderkens, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want Hij is meerder, Die in u is, dan die in de wereld is.5Zij zijn uit de wereld, daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen.6Wij zijn uit God. Die God kent, hoort ons; die uit God niet is, hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid, en den geest der dwaling.7Geliefden! Laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren, en kent God;8Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde.9Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.10Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.

Het is altijd al zo geweest dat er veel vervalsingen gemaakt zijn van schilderijen, munten en noem maar op. Het echte wordt altijd vervalst. Daarom moet iedere burger van een land bijvoorbeeld weten waar hij het geld van zijn land aan kan herkennen, want anders wordt hij maar al te gauw bedrogen met vervalsingen. Zo moeten ook gelovigen weten te onderscheiden waar de verschillende leringen die aangeboden worden, vandaan komen. Ieder van ons moet beproefd worden (vers 1; 1 Thessalonika 5 vers 21), en het Woord is voor ons het veiligste middel om 'valse munten' te herkennen. Alleen het onderwijs dat leert "dat Jezus Christus in het vlees gekomen is", mag het stempel 'goedgekeurd' dragen (vers 3).

Het karakter van deze Brief leert ons dat God licht (hoofdstuk 1 vers 5) en liefde is (vers 8 en 16). De enige Bron van alle liefde is in Hem. Als iemand liefheeft, dan is dat een bewijs dat hij uit God geboren is (vers 7). Omgekeerd betekent het ook, dat als iemand niet liefheeft, hij God niet kent. Men moet zelf de natuur die liefheeft bezitten, om te weten wat liefde is (1 Thessalonicenzen 4 vers 9). Deze liefde die God betoond heeft (vers 10 en 19), kwam volkomen tegemoet aan de toestand en behoefte van Zijn schepsel.

De mens was dood, maar God heeft Zijn eniggeboren Zoon gegeven, opdat wij door Hem zouden mogen leven (vers 9).

De mens was schuldig, maar God heeft Zijn Zoon gezonden tot verzoening voor onze zonden (vers 10; hoofdstuk 2 vers 2).

De mens was verloren, maar de Vader heeft de Zoon gezonden als Heiland van de wereld (vers 14; Johannes 3 vers 17).

1 Johannes 4:11-21
11Geliefden, indien God ons alzo lief heeft gehad, zo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben.12Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, zo blijft God in ons, en Zijn liefde is in ons volmaakt.13Hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.14En wij hebben het aanschouwd, en getuigen, dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld.15Zo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij in God.16En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem.17Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld.18Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde.19Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.20Indien iemand zegt: Ik heb God lief; en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft?21En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.

Door twee feiten, met een onuitsprekelijk grote draagwijdte, werd de Goddelijke liefde aan de mensen bekend gemaakt: Christus heeft Zijn leven voor ons afgelegd (hoofdstuk 3 vers 16) en God heeft Zijn Zoon gezonden (hoofdstuk 4 vers 10). En hier wordt een kenmerk genoemd waarin mensen deze liefde ook kunnen herkennen, dat betreft namelijk het feit dat de verlosten van de Heere elkaar wederzijds liefhebben. Op deze manier wordt God nu zichtbaar gemaakt voor mensen (vers 12) — zo zou het tenminste moeten zijn — sinds de Heere Jezus niet meer hier op aarde aanwezig is (Johannes 1 vers 18). Het is onmogelijk om God lief te hebben terwijl je Zijn kinderen niet liefhebt. Wanneer wij iemand liefhebben en hij ons dierbaar is, dan hebben wij alles wat op die persoon betrekking heeft, ook lief. God stelt Zich niet tevreden met een liefde waar alleen maar over gesproken wordt, maar wil het graag merken (hoofdstuk 3 vers 18). In deze Brief komen we telkens dezelfde soort uitdrukking tegen: "indien wij zeggen..." (hoofdstuk 1 vers 6, 8 en 10); "die daar zegt..." (hoofdstuk 2 vers 4, 6 en 9); "indien iemand zegt..." (hoofdstuk 4 vers 20). Vers 19 zegt: "Wij hebben (Hem) lief". Als dat bij ons dan zo is, laten we het dan ook tonen!

We hebben nu het volgende in deze verzen ontdekt:

De liefde voor ons (vers 9); dat betreft het heil, dat al volbracht is.

De liefde in ons (vers 12, 15 en 16), die door de Heilige Geest in onze harten is uitgegoten.

De liefde met ons (vers 17), waardoor wij zelf vrijmoedigheid hebben om spoedig voor God te verschijnen. Zo is de Goddelijke liefde op volmaakte wijze aan ons bewezen!

1 Johannes 5:1-21
1Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk, die liefheeft Dengene, Die geboren heeft, die heeft ook lief dengene, die uit Hem geboren is.2Hieraan kennen wij, dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben, en Zijn geboden bewaren.3Want dit is de liefde Gods, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.4Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, namelijk ons geloof.5Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?6Deze is het, Die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus, de Christus; niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het, Die getuigt, dat de Geest de waarheid is.7Want Drie zijn er, Die getuigen in den hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze Drie zijn Een.8En drie zijn er, die getuigen op de aarde, de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot een.9Indien wij de getuigenis der mensen aannemen, de getuigenis van God is meerder; want dit is de getuigenis van God, welke Hij van Zijn Zoon getuigd heeft.10Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis, die God getuigd heeft van Zijn Zoon.11En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven gegeven heeft; en ditzelve leven is in Zijn Zoon.12Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.13Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den Naam des Zoons van God; opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den Naam des Zoons van God.14En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort.15En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zo weten wij, dat wij de beden verkrijgen, die wij van Hem gebeden hebben.16Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot den dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, dengenen, zeg ik, die zondigen niet tot den dood. Er is een zonde tot den dood; voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden.17Alle ongerechtigheid is zonde; en er is zonde niet tot den dood.18Wij weten, dat een iegelijk, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelven, en de boze vat hem niet.19Wij weten, dat wij uit God zijn, en dat de gehele wereld ligt in het boze.20Doch wij weten, dat de Zoon van God gekomen is, en heeft ons het verstand gegeven, dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God, en het eeuwige Leven.21Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. Amen.

Deze Brief van Johannes bevestigt, net als zijn evangelie, dat wij het eeuwige leven alleen door het geloof in Jezus Christus, de Zoon van God, kunnen bezitten (vergelijk vers 13 met Johannes 20 vers 31). Na zoveel getuigenissen nog niet geloven betekent dat je God tot een leugenaar maakt (vers 10). Het kind van God baseert zich echter op zekerheden! "Wij weten...", herhaalt de apostel telkens weer (vers 2, 13, 15, 18, 19 en 20). Ons geloof neemt niet alleen het heil in bezit, maar triomfeert ook over de wereld, omdat het als het ware over de wereld heen ziet en zich vastklampt aan hetgeen onvergankelijk is (vers 4).

Wat een geluk te weten dat God ons hoort en ons datgene geeft wat wij overeenkomstig Zijn wil van Hem gebeden hebben (vers 14)! De christen zou er toch nooit naar verlangen om iets te ontvangen wat tegen de wil van God zou zijn! Misschien vraagt nu iemand: 'op welke manier kun je Zijn wil dan herkennen?' Het antwoord is: door "het verstand", dat de Zoon van God ons gegeven heeft (vers 20; Lukas 24 vers 45). "En wij zijn in de Waarachtige", in tegenstelling tot de hele wereld, die "in het boze ligt" (vers 19).

Satan bezit in zijn wapenarsenaal geen enkel voorwerp waarmee hij de nieuwe mens die in ons is, zou kunnen aantasten. Hij probeert daarom onze arme, natuurlijke harten met allerlei afgoden te verleiden.

Kinderen van God, laten we onze toewijding en onze genegenheden toch onverdeeld voor de Heere bewaren (vers 21; 1 Korinthe 10 vers 14)!

2 Johannes 1-14
1De ouderling aan de uitverkoren vrouwe en aan haar kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen, die de waarheid gekend hebben;2Om der waarheid wil, die in ons blijft, en met ons zal zijn in der eeuwigheid:3Genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden van God den Vader, en van den Heere Jezus Christus, den Zoon des Vaders, in waarheid en liefde.4Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uw kinderen gevonden heb, die in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van den Vader.5En nu bid ik u, uitverkoren vrouwe, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar hetgeen wij gehad hebben van den beginne, namelijk dat wij elkander liefhebben.6En dit is de liefde, dat wij wandelen naar Zijn geboden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen.7Want er zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Deze is de verleider en de antichrist.8Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen, hetgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen.9Een iegelijk, die overtreedt, en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beiden den Vader en den Zoon.10Indien iemand tot ulieden komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet.11Want die tot hem zegt: Zijt gegroet, die heeft gemeenschap aan zijn boze werken.12Ik heb veel aan ulieden te schrijven, doch ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen, en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen moge zijn.13U groeten de kinderen van uw zuster, de uitverkorene. Amen.

Nadat de apostel in zijn eerste Brief de karakterkenmerken van de waarheid heeft laten zien, wijst hij in de twee volgende Brieven op deze waarheid in de wandel. Hij haalt daarvoor niet het voorbeeld van een vader in het geloof aan (1 Johannes 2 vers 13), maar dat van een gelovige vrouw en haar kinderen. Van hen kan hij, tot zijn grote vreugde, zeggen dat zij "in de waarheid wandelen" (vers 4).

Jonge christenen, denk eraan dat het voor hen die jullie liefhebben, de allergrootste vreugde is om te zien dat jullie het onderwijs uit het Woord niet alleen kennen, maar er ook in wandelen (3 Johannes vers 4). Het gedrag van de kinderen is het beste bewijs dat een christelijk huis door de waarheid 'geregeerd' wordt. In een tijd van algeheel verval is het ouderlijk huis de laatste plaats waar een kind, beschermd voor het vuil van deze wereld, nog tot volle ontplooiing kan komen.

Het komt echter voor, dat de waarheid voor de vijanden van buitenaf verdedigd moet worden (vers 10; Handelingen 20 vers 30). Door de ware liefde is het onze plicht om zulke mensen niet te ontvangen. Zouden wij het kunnen verdragen, bezoek te krijgen van iemand die alleen maar leugens komt vertellen over iemand die wij van harte liefhebben? Een christen, een verloste en een kind van God, heeft het volle recht om niet met zulke mensen in discussie te gaan en hun de deur voor de neus dicht te doen.

Onze grootste schat is de waarheid. En laten we ons dat niet laten ontroven (Spreuken 23 vers 23)!

3 Johannes 1-14
1De ouderling aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid liefheb.2Geliefde, voor alle dingen wens ik, dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uw ziel welvaart.3Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen, en getuigden van uw waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt.4Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.5Geliefde, gij doet trouwelijk, in al hetgeen gij doet aan de broederen en aan de vreemdelingen,6Die getuigd hebben van uw liefde, in de tegenwoordigheid der Gemeente; welken indien gij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zo zult gij weldoen.7Want zij zijn voor Zijn Naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen.8Wij dan zijn schuldig de zodanigen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid.9Ik heb aan de Gemeente geschreven; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan.10Daarom, indien ik kom, zo zal ik in gedachtenis brengen zijn werken, die hij doet, met boze woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen, die het willen doen, en werpt ze uit de Gemeente.11Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.12Aan Demetrius wordt getuigenis gegeven van allen, en van de waarheid zelve; en wij getuigen ook, en gij weet, dat onze getuigenis waarachtig is.13Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen;14Maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond spreken. [ (III John 1:15) Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden met name. ]

In de tweede Brief werd verboden om hen die niet "de leer van Christus" brachten, te ontvangen (2 Johannes vers 9). In deze derde Brief worden de gelovigen opgeroepen om hen die deze leer wel verkondigen, juist op te nemen en verder te helpen (vers 6; vergelijk Johannes 13 vers 20). Goeddoen aan de dienstknechten van de Heere betekent dat je zelf deelneemt aan de verspreiding van het evangelie, aan het werk van de Heere (vers 8).

Er worden ons in deze korte Brief meerdere personen voor de aandacht gesteld. Als eerste wordt Gajus genoemd, aan wie deze Brief gericht is. Hij is een "geliefde", en met zijn ziel is het goed gesteld (vers 2), die in de waarheid wandelde en in getrouwheid handelde en wiens liefde openlijk erkend werd (vers 6). Demetrius, die even verderop genoemd wordt, had eveneens een goed getuigenis (vers 12; 1 Timotheüs 3 vers 7). In dezelfde gemeente kwam echter ook een Diotrefes, die graag de eerste wilde zijn (vers 9; 1 Petrus 5 vers 3). "Met boze woorden" sprak hij tegen de apostelen; hij nam de broeders niet aan en wierp anderen zelfs uit de gemeente (vers 10).

Johannes noemt ook nog broeders die als evangelisten voor de Naam waren uitgegaan (vers 7; zie Handelingen 5 vers 41). De uitnemende Naam van de Heere Jezus was voor hen voldoende als boodschap en als zendingsopdracht (Handelingen 8 vers 35). En ten slotte geeft de apostel nog de raad: "volg het kwade niet na, maar het goede" (vers 11; 1 Thessalonika 5 vers 15). In deze Brief, maar ook rondom ons, vinden we voorbeelden van het kwade, maar ook van het goede. Welk voorbeeld volgen wij na? Laten we bovenal de Heere Jezus navolgen, in Wie niets dan goeds gevonden werd (Markus 7 vers 37).

Judas 1-13
1Judas, een dienstknecht van Jezus Christus, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard:2Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.3Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven en u te vermanen, dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.4Want er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen.5Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere, het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen, die niet geloofden, verdorven heeft.6En de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.7Gelijk Sodoma en Gomorra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs.8Desgelijks evenwel ook dezen, in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vlees, en verwerpen de heerschappij, en lasteren de heerlijkheden.9Maar Michael, de archangel, toen hij met den duivel twistte, en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen, maar zeide: De Heere bestraffe u!10Maar dezen, hetgeen zij niet weten, dat lasteren zij; en hetgeen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in hetzelve verderven zij zich.11Wee hun, want zij zijn de weg van Kain ingegaan, en door de verleiding van het loon van Balaam zijn zij henengestort, en zijn door de tegenspreking van Korach vergaan.12Dezen zijn vlekken in uw liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelven zonder vreze; zij zijn waterloze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als bomen in het afgaan van de herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld;13Wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.

Het geluid van een trompet kan prachtig zijn voor hen die het horen, maar dit instrument kan ook gebruikt worden om strijders aan te sporen. Judas zou zijn broeders graag iets hebben meegedeeld over opbouwende onderwerpen. Met het oog op het voortschrijdende kwaad dat al binnengeslopen was, was zijn dienst echter meer een alarmkreet, om zijn lezers op het hart te drukken om tegen elke prijs voor de waarheid te strijden. Het is jammer dat zoveel kinderen van God steeds opnieuw het ABC van de christelijke waarheid onder de aandacht moet worden gebracht, terwijl de Heilige Geest hun aandacht liever op hogere zegeningen wil richten (vers 5; Hebreeën 5 vers 12). Is er bij ons, sinds onze bekering, in dit opzicht vooruitgang geweest? Of is er ook bij ons, bij mij, alleen maar achteruitgang te bespeuren? Laten we er altijd aan denken dat er in ons geestelijk leven, in onze geestelijke ontwikkeling geen stilstand kan zijn. Je gaat óf vooruit óf achteruit!

Net zoals Petrus in zijn tweede Brief deed, maakt ook Judas gebruik van ernstige voorbeelden uit het Oude Testament, om de afval in de laatste dagen te illustreren. Deze afval wordt door twee dingen gekenmerkt: het verlaten van de genade (hetgeen uitmondt in allerlei uitspattingen) en het verachten van elke vorm van gezag (2 Petrus 2 vers 10 en 11). Deze tendens om elke vorm van gezag te verwerpen zien we al in de gezinnen, in de scholen, maar ook in het maatschappelijke leven en in het beroepsleven.

Hoe zou een kind dat de ouders niet wil gehoorzamen en zich niet aan hen wil onderwerpen, later ooit het gezag van de Heere kunnen erkennen?

Judas 14-25
14En van dezen heeft ook Enoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Ziet, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen;15Om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege al de harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.16Dezen zijn murmureerders, klagers over hun staat, wandelende naar hun begeerlijkheden; en hun mond spreekt zeer opgeblazen dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wil.17Maar geliefden, gedenkt gij der woorden, die voorzegd zijn van de apostelen van onzen Heere Jezus Christus;18Dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hun goddeloze begeerlijkheden wandelen zullen.19Dezen zijn het, die zichzelven afscheiden, natuurlijke mensen, den Geest niet hebbende.20Maar geliefden, bouwt gij uzelven op uw allerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest;21Bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid van onzen Heere Jezus Christus ten eeuwigen leven.22En ontfermt u wel eniger, onderscheid makende;23Maar behoudt anderen door vreze, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok, die van het vlees bevlekt is.24Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde,25Den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.

Je moet bij het op één na laatste Bijbelboek zijn aangekomen om te leren wat God bij de zondvloed geopenbaard heeft. De profetie van Henoch beschrijft de Heere, hoe Hij samen met Zijn heiligen terugkomt om het oordeel over de goddelozen te voltrekken (vers 14 en 15). Alle zondaren zullen dan rekenschap moeten afleggen van al hun werken en al hun uitdagende woorden. En al hun mopperen zal daarbij niet vergeten worden, want "dezen zijn murmureerders, klagers over hun staat" (vers 16; 1 Korinthe 10 vers 10). Dat is het bewijs dat goddeloosheid en de bevrediging van de eigen lusten niet gelukkig maakt! Laten we ervoor waken dat ook wij niet ondankbaar worden of ontevreden zijn met het lot dat de Heere voor ons bepaald heeft.

"Maar geliefden..." (vers 17). Te midden van de ergste ontwikkelingen van het kwaad blijft er altijd een gedragslijn voor de getrouwen bestaan: wederzijdse opbouwing, gebed, het verwachten van de Heere en als broeders met elkaar omgaan en voor elkaar zorgen. De Heilige Geest, God de Vader en onze Heere Jezus Christus worden Ieder afzonderlijk genoemd, om als het ware van Gods kant de verzekering te geven dat het ons aan niets zal ontbreken (vers 20 en 21).

Als wij struikelen (vers 24), dan is dat onze eigen schuld. Hoewel wij "door Jezus Christus bewaard" worden (vers 1; Johannes 6 vers 39), moeten we ook onszelf "in de liefde van God" bewaren (vers 21). Ja, laten we ons nu al verheugen in onze Heiland-God en Hem de eer en aanbidding brengen (vers 25)!

Openbaring 1:1-11
1De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten; en die Hij door Zijn engel gezonden, en Zijn dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft;2Dewelke het woord Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft.3Zalig is hij, die leest, en zijn zij, die horen de woorden dezer profetie, en die bewaren, hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij.4Johannes aan de zeven Gemeenten, die in Azie zijn: genade zij u en vrede van Hem, Die is, en Die was, en Die komen zal; en van de zeven geesten, die voor Zijn troon zijn;5En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden, en de Overste der koningen der aarde. Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed.6En Die ons gemaakt heeft tot koningen en priesters Gode en Zijn Vader; Hem, zeg ik, zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.7Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen.8Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is, en Die was, en Die komen zal, de Almachtige.9Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het Woord Gods, en om de getuigenis van Jezus Christus.10En ik was in den geest op den dag des Heeren; en ik hoorde achter mij een grote stem, als van een bazuin,11Zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek, en zend het aan de zeven Gemeenten, die in Azie zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar Thyatire, en naar Sardis, en naar Filadelfia, en naar Laodicea.

Het Boek Openbaring is een moeilijk Bijbelboek — desondanks bestaan er voor ons verschillende redenen om het te lezen en niet dicht te laten! Ten eerste gaat het om "de openbaring van Jezus Christus", onze geliefde Heere. Ten tweede werd deze openbaring door "Zijn dienstknechten" aan ons gegeven. En de evangelist Johannes, die op het eiland Patmos woonde, waarheen hij verbannen was, is gelukkig dat hij zich tot Zijn dienstknechten mag rekenen. Ten derde spreekt dit Boek niet over een onbestemde tijd die nog ver in de toekomst ligt, maar over dingen die spoedig moeten gebeuren. En als laatste reden mogen we er altijd van uitgaan dat een serieuze studie van welk deel van de Bijbel ook voor ons een zegen met zich meebrengt (vers 3), want het is Gods Woord! En er wordt van ons niet verlangd dat we alles in Zijn Woord begrijpen, maar wel dat we Het bewaren (Lukas 11 vers 28).

Zodra het om de heerlijkheden van de Heere Jezus gaat, is spontane aanbidding het gevolg: "Hem, Die ons heeft liefgehad, en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed ..." (vers 5). In sommige andere Bijbelvertalingen staat: "Hem, Die ons liefheeft...". Zijn liefde betreft niet alleen de verleden tijd, maar geldt ook nu. Zijn liefde is er altijd en is onveranderlijk! Maar dat Hij ons gewassen heeft, is voltooide tijd. Dat is een volbracht, een voleindigd en een volkomen werk. De volgorde van de dingen die hier genoemd worden, is ook belangrijk! Omdat Hij ons liefheeft, heeft Hij ons van onze zonden gewassen. We moeten ook eerst gewassen zijn, om nu al "tot koningen en priesters" voor Zijn God en Vader gemaakt te kunnen worden (hoofdstuk 5 vers 10; 20 vers 6). Vandaar dat Hij het ook nu al waardig is om alle heerlijkheid en macht te ontvangen!

Openbaring 1:12-20
12En ik keerde mij om, om te zien de stem, die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende, zag ik zeven gouden kandelaren;13En in het midden van de zeven kandelaren Een, den Zoon des mensen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met een gouden gordel;14En Zijn hoofd en haar was wit, gelijk als witte wol, gelijk sneeuw; en Zijn ogen gelijk een vlam vuurs;15En Zijn voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in een oven; en Zijn stem als een stem van vele wateren.16En Hij had zeven sterren in Zijn rechterhand; en uit Zijn mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en Zijn aangezicht was, gelijk de zon schijnt in haar kracht.17En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste;18En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods.19Schrijf, hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen:20De verborgenheid der zeven sterren, die gij gezien hebt in Mijn rechter hand, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de engelen der zeven Gemeenten; en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven Gemeenten.

Is de Zoon des mensen, Die hier verschijnt met de kenmerken van heilige en onbuigzame gerechtigheid, Dezelfde als de nederige Jezus uit de evangeliën, onze liefdevolle en zachtmoedige Heiland? Eens boog Johannes zich vol vertrouwen over naar Zijn borst (Johannes 13 vers 25), maar hier valt hij "als dood aan Zijn voeten" neer (vers 17). Wat een tegenstelling! Toch mogen we deze kant van de heerlijkheid van Christus nooit uit het oog verliezen! De Vader "heeft al het oordeel de Zoon gegeven" (Johannes 5 vers 22). En later zal Hij dat oordeel voltrekken aan hen die niet geloofd hebben (hoofdstuk 19 en 20).

Maar nu al, terwijl de Gemeente nog op aarde is, heeft Hij kennis van de toestand van elke gemeente afzonderlijk (de zeven gouden kandelaars hebben gedurende Zijn afwezigheid te stralen). Ja, de Heere kan alles vergeven. Hij is gestorven en opgestaan, om ons de vergeving en het leven te geven (vers 18). Maar Hij kan niets door de vingers zien! Zijn ogen zijn "als een vuurvlam" (hoofdstuk 2 vers 18; 19 vers 12). Er ontgaat Hem niets.

Vers 19 laat ons het algemene ontwerp in dit Boek zien:

Het gaat om de dingen die Johannes gezien heeft: de plechtige verschijning van de Heere in heerlijkheid (hoofdstuk 1 vers 12 en verder).

Het heeft ook betrekking op de dingen die zijn: de tegenwoordige geschiedenis van de verantwoordelijke christenheid (hoofdstuk 2 en 3).

En het spreekt over de dingen die nog gebeuren zullen: de profetische gebeurtenissen, die spoedig in vervulling zullen gaan (hoofdstuk 4 - 22).

Openbaring 2:1-11
1Schrijf aan den engel der Gemeente van Efeze: Dit zegt Hij, Die de zeven sterren in Zijn rechter hand houdt, Die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt:2Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen; en dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden;3En gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid, en zijt niet moede geworden.4Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten.5Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastelijk bij komen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert.6Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nikolaieten haat, welke Ik ook haat.7Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van den boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is.8En schrijf aan den engel der Gemeente van die van Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood geweest is, en weder levend is geworden:9Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans.10Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.11Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, zal van den tweeden dood niet beschadigd worden.

De brieven aan de zeven gemeenten in Azië beschrijven, ook in zeven elkaar opvolgende beelden, de geschiedenis van de verantwoordelijke christenheid. De Heere stelt Zich aan elke gemeente afzonderlijk voor en neemt plaatselijk de stand van zaken op, van de situatie die Hij daar aantreft. Hij geeft ook vermaningen en belooft degene die overwint, te zullen belonen.

In Efeze leek alles heel goed te gaan (vers 2 en 3), maar de Heere ziet het hart aan (1 Samuël 16 vers 7)! En helaas vindt Hij daar niet meer het antwoord op Zijn liefde; in de harten neemt Hij niet meer de eerste plaats in! Wanneer een rivier van zijn oorsprong wordt afgesneden, dan zullen de bewoners die aan de monding van die rivier wonen, daar echter eerst nog niets merken. Zolang het water stroomt, blijven de oevers groen. Men zal zelfs nog een tijd lang dezelfde groei als voorheen kunnen waarnemen.

Beste vrienden, laten we onszelf eens beproeven, onszelf eens onder de loep nemen! Hoe staat het met ons? En daarbij gaat het niet om onze ijver, maar om onze toewijding aan en onze genegenheid voor Christus! Om te voorkomen dat dat bij ons zal verminderen, gebruikt de Heere soms een eigenaardig middel: de beproeving. Dan geeft Hij soms satan de vrijheid om, voor een bepaalde tijd, zijn gang te gaan.

Na Efeze ede liefelijke') komt Smyrna, wat 'de bittere' betekent. Dat spreekt over de tijd van de martelaren tijdens de regering van de wrede romeinse keizers (van de tweede tot aan het begin van de derde eeuw). De christenen van Smyrna, die in de arena voor de wilde dieren gegooid werden, kregen toen de gelegenheid om, door hun trouw tot in de dood, hun liefde voor hun Heere te tonen.

Openbaring 2:12-29
12En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Pergamus is: Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft:13Ik weet uw werken, en waar gij woont; namelijk daar de troon des satans is, en gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas, Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, daar de satan woont.14Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Balaam houden, die Balak leerde den kinderen Israels een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren.15Alzo hebt ook gij, die de lering der Nikolaieten houden; hetwelk Ik haat.16Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastelijk bij komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds.17Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt. Die overwint, Ik zal hem geven te eten van het manna, dat verborgen is, en Ik zal hem geven een witten keursteen, en op den keursteen een nieuwen naam geschreven, welken niemand kent, dan die hem ontvangt.18En schrijf aan den engel der Gemeente te Thyatire: Dit zegt de Zoon van God, Die Zijn ogen heeft als een vlam vuurs, en Zijn voeten zijn blinkend koper gelijk:19Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw lijdzaamheid, en uw werken, en dat de laatste meer zijn dan de eerste.20Maar Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Jezabel, die zichzelve zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienstknechten verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten.21En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd.22Zie, Ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in grote verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken.23En haar kinderen zal Ik door den dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal ulieden geven een iegelijk naar uw werken.24Doch Ik zeg ulieden, en tot de anderen, die te Thyatire zijn, zovelen, als er deze leer niet hebben, en die de diepten des satans niet gekend hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u geen anderen last opleggen;25Maar hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen.26En die overwint, en die Mijn werken tot het einde toe bewaart, Ik zal hem macht geven over de heidenen;27En hij zal ze hoeden met een ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden; gelijk ook Ik van Mijn Vader ontvangen heb.28En Ik zal hem de morgenster geven.29Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

Gedurende de tijdsperiode van Smyrna zijn er tien grote, opeenvolgende vervolgingen geweest. Maar deze hebben het christelijk geloof niet kunnen overwinnen. In tegendeel, zoals eens gezegd is: 'Het bloed van de martelaren is het zaad van de kerk'.

Daarom stuurt satan nu aan op een andere tactiek, wat we zien gebeuren in Pergamus (vers 13). Wat geweld niet kon bewerken, zal de gunst van de overheid teweegbrengen. In het jaar 313 werd het christendom, tijdens de regering van keizer Constantijn, als staatsgodsdienst erkend. Deze gebeurtenis, die door velen als een groot succes voor de waarheid werd beschouwd, heeft slecht lauwheid, verwereldlijking en de invoer van vreemde leringen tot gevolg gehad (vers 14 en 15).

In Thyatire echter, een gemeente die tot aan het einde zal blijven bestaan, gaat het kwaad nog een stap verder. Dit spreekt over de duistere tijden van de Middeleeuwen, die hier vergeleken worden met de regering van Achab, die door zijn vrouw Izebel aangezet werd om kwaad te bedrijven (1 Koningen 21 vers 25). De christenheid wilde niet langer als vreemdeling hier op aarde verblijven, maar wilde regeren. We weten van de politieke rol die het pausdom altijd heeft gespeeld. Maar de heerschappij, waarnaar de gemeente te Thyatire met zoveel aanmatiging getracht heeft, wordt juist beloofd aan hen die door haar verdrukt, gefolterd en op de brandstapel verbrand werden. Zij zullen uiteindelijk de overwinnaars zijn! Zij zullen regeren met Hem, Die komt als de Morgenster!

Openbaring 3:1-13
1En schrijf aan den engel der Gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.2Zijt wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.3Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.4Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn.5Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.6Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.7En schrijf aan den engel der Gemeente, die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, Die den sleutel Davids heeft; Die opent, en niemand sluit, en Hij sluit, en niemand opent:8Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.9Zie, Ik geef u enigen uit de synagoge des satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb.10Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.11Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.12Die overwint, Ik zal hem maken tot een pilaar in den tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven den Naam Mijns Gods, en de naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel van Mijn God afdaalt, en ook Mijn nieuwen Naam.13Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

Er zijn eeuwen voorbijgegaan. Uit het midden van Thyatire laat God dan de Reformatie voortkomen. Een grote, door Zijn Geest bewerkte beweging.

Maar dan zien we dat het verval opnieuw zijn intrede doet. De gemeente van Sardis wordt overrompeld door de geestelijke dood. "Gedenk dan ... en bekeer u", wordt haar op het hart gedrukt (vers 3; vergelijk hoofdstuk 2 vers 5 en 16; 3 vers 19). Wie is hier uiteindelijk de overwinnaar? Degene die zijn klederen niet bezoedeld heeft (vers 4). Kennen wij deze overwinning om rein te blijven, ook persoonlijk? De overwinnaar van Sardis zal met witte klederen bekleed worden (vers 5). En in tegenstelling tot wat zijn gemeente als geheel beweerde (de naam te hebben dat zij leefde; vers 1), zal de naam van de overwinnaar in Sardis nooit "uit het boek van het leven" gewist worden.

Filadelfia (dat is 'broederliefde') is het kind van de opwekking van de vorige eeuw. Zij wordt gekenmerkt door "kleine kracht"! Maar de Heere houdt de deur voor het evangelie open. Een ander kenmerk is haar getrouwheid ten opzichte van Zijn Woord! En de Heere zal trouw blijven aan Zijn belofte: "Ik kom haastig"! (vers 11). Dan lezen we nog over haar aanhankelijkheid aan Zijn Naam! Vandaar dat Zijn nieuwe Naam haar deel zal zijn (vers 12). Smaad van de kant van de wereld? Hij zal daarop openlijk met Zijn instemming antwoorden: "Ik zal maken, dat zij zullen komen... en bekennen, dat Ik u liefheb" (vers 9).

Wij zijn de verantwoordelijke erfgenamen van het getuigenis te Filadelfia. Geve de Heere, dat wij haar karakter openbaren, opdat wij onze kroon niet verliezen! Zijn vreugde die beloning te kunnen geven, zal veel groter zijn dan de blijdschap van de overwinnaar die haar mag ontvangen!

Openbaring 3:14-22
14En schrijf aan den engel van de Gemeente der Laodicensen: Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods:15Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet!16Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.17Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.18Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.19Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u.20Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.21Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon.22Die oren heeft, die hore, wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

Hier wordt de laatste toestand waardoor de christenheid gekarakteriseerd wordt, genoemd. En deze kenmerken kunnen we vandaag maar al te goed opmerken: er is tevredenheid met zichzelf, een onverschillige lauwheid, en een godsdienstige aanmatiging alles te bezitten en alles te kennen (Deuteronomium 8 vers 17; Hosea 12 vers 9). Christenen die nalatig zijn in het gebed, zeggen in feite niets anders dan 'ik heb niks nodig'. Er ontbreken in Laodicéa drie wezenlijke dingen: 1) het goud: de ware gerechtigheid naar Gods gedachten; 2) de witte klederen: het praktisch getuigenis dat daaruit voortkomt; 3) de ogenzalf: het onderscheidingsvermogen dat de Heilige Geest geeft (vers 18). Het is echter nog niet te laat voor degene die oren heeft, om te horen!

De Heere geeft achtereenvolgens: 1) een raad: dat iedereen er haast mee moet maken om alles wat hem ontbreekt, van Hem te vragen (vergelijk Mattheüs 25 vers 3); 2) een bemoediging: degene die door Christus bestraft en getuchtigd wordt, heeft Hij lief; 3) een vermaning: ijverig te zijn en zich te bekeren (vers 19); 4) een belofte: de geweldige belofte van de Heere Zelf (vers 20). Zij die de Heere Jezus nu in hun harten opgenomen hebben, zal Hij te zijner tijd Zelf bij Zich in de hemel brengen, om te zitten op Zijn troon (vers 21). Beste vrienden, dat zal het einde van de geschiedenis van de Gemeente hier op aarde zijn. Hoe groot het verval hier nu echter ook mag zijn, de tegenwoordigheid van de Heere in het midden van de Zijnen kan nog steeds verwerkelijkt worden! Dat maakt het hart brandend met een onuitsprekelijke vreugde, zoals dat eens het geval was bij die twee discipelen, op die avond dat de Heere Jezus bij hen binnenkwam om bij hen te blijven (Lukas 24 vers 29).

Openbaring 4:1-11
1Na dezen zag ik, en ziet, een deur was geopend in den hemel; en de eerste stem, die ik gehoord had, als van een bazuin, met mij sprekende, zeide: Kom hier op, en Ik zal u tonen, hetgeen na dezen geschieden moet.2En terstond werd ik in den geest; en ziet, er was een troon gezet in den hemel, en er zat Een op den troon.3En Die daarop zat, was in het aanzien den steen Jaspis en Sardius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in het aanzien der steen Smaragd gelijk.4En rondom den troon waren vier en twintig tronen; en op de tronen zag ik de vier en twintig ouderlingen zittende, bekleed met witte klederen, en zij hadden gouden kronen op hun hoofden.5En van den troon gingen uit bliksemen, en donderslagen, en stemmen; en zeven vurige lampen waren brandende voor den troon, welke zijn de zeven geesten Gods.6En voor den troon was een glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons, en rondom den troon, vier dieren, zijnde vol ogen van voren en van achteren.7En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegenden arend gelijk.8En de vier dieren hadden elkeen voor zichzelven zes vleugelen rondom, en waren van binnen vol ogen; en hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, Die was, en Die is, en Die komen zal.9En wanneer de dieren heerlijkheid, en eer, en dankzegging gaven Hem, Die op den troon zat, Die in alle eeuwigheid leeft;10Zo vielen de vier en twintig ouderlingen voor Hem, Die op den troon zat, en aanbaden Hem, Die leeft in alle eeuwigheid, en wierpen hun kronen voor den troon, zeggende:11Gij Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, en de eer, en de kracht; want Gij hebt alle dingen geschapen, en door Uw wil zijn zij, en zijn zij geschapen.

Overeenkomstig de aanduiding in hoofdstuk 1 vers 19 begint hier het derde deel van dit Bijbelboek.

Vanzelfsprekend moeten alle details van deze verschijning gezien worden in zijn symbolische betekenis. Het is zeker dat wij in de hemel geen 'materiële' troon zullen zien; dit is eenvoudig een zinnebeeld van de koninklijke regering.

Maar de uitlegging van al deze symbolen wordt zeer zeker niet aan onze eigen fantasie overgelaten! De betekenis wordt ons door de Bijbel Zelf, op andere Schriftplaatsen, meegedeeld. De beste methode van Bijbelstudie is nog altijd 'Schrift met Schrift vergelijken'! Maar het zou, in de opzet van deze dagboeken, te ver gaan om dieper op deze betekenissen in te gaan. Aan de hand van goede Bijbelstudieboeken kan men dat altijd persoonlijk doen.

Om "hetgeen na deze geschieden moet" (dat is nadat de Gemeente door de Heere Jezus opgenomen zal zijn) te beschouwen, wordt de apostel opgeroepen om 'in de hemel op te klimmen' ("kom hier op...."; vers 1). De christen moet de gebeurtenissen hier op aarde altijd vanuit het hemels standpunt beschouwen; dan zal hij ze in hun juiste perspectief zien, en dat is: met Christus als het Middelpunt.

Overeenkomstig de belofte aan Filadelfia zullen de verlosten van de Heere voor het uur van de verzoeking bewaard blijven (hoofdstuk 3 vers 10). Op het moment dat dit uur voor deze wereld zal aanbreken (hoofdstuk 6), zijn de verlosten al samen in de heerlijkheid opgenomen. Zij worden uitgebeeld in de vierentwintig oudsten, die voor de Heere neervallen en hun kronen voor de troon neerwerpen (vers 10). Dan roemen zij in God als Schepper, maar in hoofdstuk 5 zullen zij God ook als Verlosser aanbidden.

Openbaring 5:1-14
1En ik zag in de rechter hand Desgenen, Die op den troon zat, een boek, geschreven van binnen en van buiten, verzegeld met zeven zegelen.2En ik zag een sterken engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegelen open te breken?3En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen, noch hetzelve in zien.4En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was, om dat boek te openen, en te lezen, noch hetzelve in te zien.5En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw, Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.6En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen, en zeven ogen; dewelke zijn de zeven geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.7En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechter hand Desgenen, Die op den troon zat.8En als Het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citeren en gouden fiolen, zijnde vol reukwerks, welke zijn de gebeden der heiligen.9En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig dat boek te nemen, en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie;10En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren; en wij zullen als koningen heersen op de aarde.11En ik zag, en ik hoorde een stem veler engelen rondom den troon, en de dieren, en de ouderlingen; en hun getal was tien duizendmaal tien duizenden, en duizendmaal duizenden;12Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.13En alle schepsel, dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles, wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem, Die op den troon zit, en het Lam, zij de dankzegging, en de eer, en de heerlijkheid, en de kracht in alle eeuwigheid.14En de vier dieren zeiden: Amen. En de vier en twintig ouderlingen vielen neder, en aanbaden Dengene, Die leeft in alle eeuwigheid.

Eén vraag houdt dan alles en iedereen bezig: "Wie is waardig het boek te openen, en zijn zegels open te breken?" (vers 2). Met andere woorden: Wie is waardig het oordeel uit te oefenen? Dat kan er maar Eén zijn: Hij Die zonder zonde is (vergelijk Johannes 8 vers 7), Die door Zijn volmaaktheid de satan en de wereld heeft overwonnen. Dat is Christus, "de Leeuw, Die uit de stam van Juda is", en Die in Genesis 49 vers 9 al werd aangeduid. Maar onmiddellijk daarop wordt Hij als een Lam, "staande als geslacht", gezien (vers 6).

Om over de vijand te kunnen triomferen, om de hemel met een schare van gelukkige en dankbare mensen te kunnen vullen, was het kruiswerk van de Heere Jezus nodig. De harten van de heiligen worden dan op ontroerende wijze aan Zijn offer herinnerd. De voortdurende herinnering aan de vernedering van onze geliefde Heere vormt in vergelijking met de hemel, waar alles getuigt van macht en majesteit, de meest aangrijpende tegenstelling. Zijn nederigheid, Zijn zachtmoedigheid, Zijn afhankelijkheid, Zijn geduld —al deze eigenschappen, die de Heere Jezus hier op aarde volkomen geopenbaard heeft, zullen voor altijd zichtbaar zijn en zullen ons tot in alle eeuwigheid de grootheid van Zijn liefde laten zien.

Dan zal vanuit alle 'sectoren' van de schepping het echo weerklinken op het nieuwe lied van de verheerlijkte heiligen. "Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging!" (vers 12 en 13).

Openbaring 6:1-17
1En ik zag, toen het Lam een van de zegelen geopend had, en ik hoorde een uit de vier dieren zeggen, als een stem van een donderslag: Kom en zie!2En ik zag, en ziet, een wit paard, en Die daarop zat, had een boog; en Hem is een kroon gegeven, en Hij ging uit overwinnende, en opdat Hij overwonne!3En toen Het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!4En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien, die daarop zat, werd macht gegeven den vrede te nemen van de aarde; en dat zij elkander zouden doden; en hem werd een groot zwaard gegeven.5En toen Het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en ziet, een zwart paard, en die daarop zat, had een weegschaal in zijn hand.6En ik hoorde een stem in het midden van de vier dieren, die zeide: Een maatje tarwe voor een penning, en drie maatjes gerst voor een penning; en beschadig de olie en den wijn niet.7En toen Het het vierde zegel geopend had, hoorde ik een stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie!8En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde.9En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden.10En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen?11En aan een iegelijk werden lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn, die gedood zouden worden, gelijk als zij.12En ik zag, toen Het het zesde zegel geopend had, en ziet, er werd een grote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed.13En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn onrijpe vijgen afwerpt, als hij van een groten wind geschud wordt.14En de hemel is weggeweken, als een boek, dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hun plaatsen.15En de koningen der aarde, en de groten, en de rijken, en de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten, en alle vrijen, verborgen zichzelven in de spelonken, en in de steenrotsen der bergen;16En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams.17Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?

Soms verbazen we ons misschien over de strengheid waarmee God de oordelen zal voltrekken. Dat komt doordat wij zo moeilijk — door het geloof — kunnen opklimmen in de hemel, om alles vanuit dat standpunt te bezien. Als wij zouden horen hoe de volmaakte heiligheid van God geroemd wordt (hoofdstuk 4 vers 8), als wij in het geslachte Lam de Goddelijke liefde, maar tegelijkertijd ook de verachting van deze liefde door de opstandige mensen zouden aanschouwen, dan zouden wij begrijpen hoe terecht, verdiend en noodzakelijk deze oordelen zijn. En wij zouden dan ook van het feit doordrongen zijn, dat hierbij niets aan het toeval wordt overgelaten. Over alles wat hier op aarde zal gebeuren, houdt God de controle. Zijn wegen in deze oordelen zijn niet alleen van tevoren in dit symbolische Boek beschreven (hoofdstuk 5 vers 1), maar elk oordeel op zich zal precies op het door Hem vastgestelde tijdstip plaatsvinden, als het Lam het betreffende zegel zal verbreken.

Het openen van de eerste vier zegels brengt evenveel ruiters voort. Zij zijn een beeld van de gebeurtenissen die dan achtereenvolgens op deze aarde zullen plaatsvinden: de verovering van staatsgebieden, de burgeroorlog, de hongersnood, de dodelijke rampen (vergelijk vers 8 en Ezechiël 14 vers 21). Bij het openen van het vijfde zegel verschijnt de schare van martelaren, die de almachtige God zal vragen om hun gerechtigheid te verschaffen (vers 10). Het zesde zegel is, zogezegd, het antwoord op hun smeking. Dat heeft een vreselijke revolutie tot gevolg; alle regeringen die dan bestaan, zullen ten val komen. Het volgende klinkt misschien bevreemdend: "de toorn van het Lam" (vers 16; Psalm 2 vers 12), maar we zagen gisteren dat deze 'combinatie van woorden' volkomen terecht is.

Openbaring 7:1-17
1En na dezen zag ik vier engelen staan op de vier hoeken der aarde, houdende de vier winden der aarde, opdat geen wind zou waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen enigen boom.2En ik zag een anderen engel opkomen van den opgang der zon, hebbende het zegel des levenden Gods; en hij riep met een grote stem tot de vier engelen, welke macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen,3Zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de bomen, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hun voorhoofden.4En ik hoorde het getal dergenen, die verzegeld waren: honderd vier en veertig duizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israels.5Uit het geslacht van Juda waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Ruben waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Gad waren twaalf duizend verzegeld;6Uit het geslacht van Aser waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Nafthali waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Manasse waren twaalf duizend verzegeld;7Uit het geslacht van Simeon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Levi waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Issaschar waren twaalf duizend verzegeld;8Uit het geslacht van Zebulon waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Jozef waren twaalf duizend verzegeld; uit het geslacht van Benjamin waren twaalf duizend verzegeld.9Na dezen zag ik, en ziet, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie, en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon, en voor het Lam, bekleed zijnde met lange witte klederen, en palm takken waren in hun handen.10En zij riepen met grote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God, Die op den troon zit, en het Lam.11En al de engelen stonden rondom den troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God,12Zeggende: Amen. De lof, en de heerlijkheid, en de wijsheid, en de dankzegging, en de eer, en de kracht, en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen.13En een uit de ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Dezen, die bekleed zijn met de lange witte klederen, wie zijn zij, en van waar zijn zij gekomen?14En ik sprak tot hem: Heere, gij weet het. En hij zeide tot mij: Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.15Daarom zijn zij voor den troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Die op den troon zit, zal hen overschaduwen.16Zij zullen niet meer hongeren, en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen, noch enige hitte.17Want het Lam, Dat in het midden des troons is, zal hen weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

Dit hoofdstuk wordt als het ware tussen het zesde en zevende zegel geschoven. Voordat God verder gaat met het ten uitvoer brengen van Zijn oordelen, zet Hij allen die Hem toebehoren, apart en verzegelt hen (vers 3). De eerste groep van hen (vers 4 - 8) wordt gevormd door de Joden uit de verschillende stammen. Zij zijn het getrouwe overblijfsel, van wie ons in de Psalmen de gevoelens getoond worden. De tweede groep van personen betreft een menigte uit de volken die het evangelie van het Koninkrijk geloofd hebben (vers 9 en verder). Als God deze getrouwen nu al voor onze aandacht brengt, dan is het alsof Hij daarmee wil zeggen: 'Die straffen zijn niet voor hen bedoeld; zij zullen dan onder Mijn bescherming door de beproeving gaan'. Op dezelfde wijze werden de Israëlieten destijds, in die pascha-nacht, van het oordeel dat door de engel voltrokken werd, buitengesloten en beschermd door het bloed van het lam (Exodus 12 vers 13). En de gelovigen "die uit de grote verdrukking" komen, zullen hun klederen in het bloed gewassen en wit gemaakt hebben (vers 14). Door geen enkel ander middel dan het bloed van Christus zijn zij, evenals wij, verzekerd van het heil. Dan zal hetzelfde Lam Dat hen gereinigd heeft, hen weiden, beschermen en hen "aan de springaders van de wateren" van het leven leiden (Jesaja 49 vers 10). God Zelf zal alle tranen van hun ogen afwissen.

Wat een geweldige beloften! En met het oog op een tijd van verdrukking, zoals er nooit eerder geweest zal zijn (!), worden hun deze beloften al bij voorbaat tot troost gegeven!

Openbaring 8:1-13
1En toen Het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur.2En ik zag de zeven engelen, die voor God stonden; en hun werden zeven bazuinen gegeven.3En er kwam een andere engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerks gegeven, opdat hij het met de gebeden aller heiligen zou leggen op het gouden altaar, dat voor den troon is.4En de rook des reukwerks, met de gebeden der heiligen, ging op van de hand des engels voor God.5En de engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen, en aardbeving.6En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen.7En de eerste engel heeft gebazuind, en er is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aarde geworpen; en het derde deel der bomen is verbrand, en al het groene gras is verbrand.8En de tweede engel heeft gebazuind, en er werd iets als een grote berg, van vuur brandende, in de zee geworpen; en het derde deel der zee is bloed geworden.9En het derde deel der schepselen in de zee, die leven hadden, is gestorven; en het derde deel der schepen is vergaan.10En de derde engel heeft gebazuind, en er is een grote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde deel der rivieren, en op de fonteinen der wateren.11En de naam der ster wordt genoemd Alsem; en het derde deel der wateren werd tot alsem; en vele mensen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden.12En de vierde engel heeft gebazuind, en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en het derde deel der sterren; opdat het derde deel derzelve zou verduisterd worden, en dat het derde deel van den dag niet zou lichten; en van den nacht desgelijks.13En ik zag, en ik hoorde een engel vliegen in het midden des hemels, zeggende met grote stem: Wee, wee, wee, dengenen, die op de aarde wonen, van de overige stemmen der bazuin der drie engelen, die nog bazuinen zullen.

Bij het openen van het zevende zegel ontstaat een korte rustpauze. Terwijl de engelen zich voorbereiden om de oordelen uit te voeren, vervult een andere Engel (de Persoon van Christus) de functie van Voorspraak (vers 3). Waarin Hijzelf geleden heeft, kan de Heere Jezus nu medelijden betonen met de gelovigen in de beproeving (Hebreeën 2 vers 18; 4 vers 15). In deze tijden van het einde zal Hij voor de getrouwen in de grote verdrukking opkomen (dus voor hen die in hoofdstuk 7 genoemd werden).

Daar zijzelf hier op aarde moeite en lijden ondervonden hebben, zullen de christenen die dan al in de heerlijkheid zijn, des te meer belang stellen in de omstandigheden van de gelovigen die door deze vreselijke tijdsperiode te gaan hebben. Daarom zullen zij samen met Christus de taak van priesters vervullen, doordat zij God gouden schalen vol reukwerk zullen aanbieden, wat de gebeden van de heiligen zijn (vers 4; hoofdstuk 5 vers 8; Psalm 141 vers 2).

Pas nadat deze voorbede heeft plaatsgevonden, zal elk van de zeven engelen op zijn gevreesde trompet blazen.

De eerste geeft het signaal voor een plotseling oordeel, waardoor de machten van het westen (de bomen) en de algemene welvaart getroffen zullen worden.

De tweede komt overeen met een vijandelijke inval in het koninkrijk van een grote anarchistische wereldmacht.

De derde en vierde bewerken de val en afval van de verantwoordelijke regeringen, zodat de mensen moreel gezien in de diepst mogelijke duisternis gestort worden.

Openbaring 9:1-21
1En de vijfde engel heeft gebazuind, en ik zag een ster, gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds.2En zij heeft den put des afgronds geopend; en er is rook opgegaan uit den put, als rook eens groten ovens; en de zon en de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts.3En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben.4En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch enige groente, noch enigen boom, dan de mensen alleen, die het zegel Gods aan hun voorhoofden niet hebben.5En hun werd macht gegeven, niet dat zij hen zouden doden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hun pijniging was als de pijniging van een schorpioen, wanneer hij een mens gestoken heeft.6En in die dagen zullen de mensen den dood zoeken, en zullen dien niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vlieden.7En de gedaanten der sprinkhanen waren den paarden gelijk, die tot den oorlog bereid zijn; en op hun hoofden waren als kronen, het goud gelijk, en hun aangezichten als aangezichten van mensen.8En zij hadden haar als haar der vrouwen, en hun tanden waren als tanden van leeuwen.9En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het gedruis hunner vleugelen was als een gedruis der wagens, wanneer vele paarden naar den strijd lopen.10En zij hadden staarten den schorpioenen gelijk, en er waren angels in hun staarten; en hun macht was de mensen te beschadigen vijf maanden.11En zij hadden over zich tot een koning den engel des afgronds; zijn naam was in het Hebreeuws Abaddon, en in de Griekse taal had hij den naam Apollyon.12Het ene wee is weggegaan, ziet, er komen nog twee weeen na dezen.13En de zesde engel heeft gebazuind, en ik hoorde een stem uit de vier hoornen des gouden altaars, dat voor God was,14Zeggende tot den zesden engel, die de bazuin had: Ontbind de vier engelen, die gebonden zijn bij de grote rivier, den Eufraat.15En de vier engelen zijn ontbonden geworden, welke bereid waren tegen de ure, en dag, en maand, en jaar, opdat zij het derde deel der mensen zouden doden.16En het getal van de heirlegers der ruiterij was tweemaal tien duizenden der tien duizenden; en ik hoorde hun getal.17En ik zag alzo de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten, hebbende vurige, en hemelsblauwe, en sulfervervige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hun monden ging vuur, en rook, en sulfer.18Door deze drie werd het derde deel der mensen gedood, namelijk door het vuur, en door den rook, en door het sulfer, dat uit hun monden uitging.19Want hun macht is in hun mond, en in hun staarten; want hun staarten zijn aan de slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen met dezelve.20En de overige mensen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen; en de gouden, en zilveren, en koperen, en stenen, en houten afgoden, die noch zien kunnen, noch horen, noch wandelen;21En hebben zich ook niet bekeerd van hun doodslagen, noch van hun venijngevingen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen.

Bepaalde Schriftuitleggers' hebben hun eigen fantasie losgelaten op deze hoofdstukken. Ze hebben alle mogelijke verklaringen gegeven en hebben geprobeerd deze profetieën te projecteren op gebeurtenissen uit het verleden. Het is daarom goed eraan te herinneren dat dit derde deel van het visioen van Johannes nog steeds toekomst is. Het betreft een periode van enkele jaren, die ligt tussen de komst van de Heere voor Zijn Gemeente en het begin van het duizendjarig vrederijk.

De vijfde bazuin — of het eerste "wee" — laat een vreselijke sprinkhanenplaag uit de afgrond opkomen, een beeld van de directe werktuigen van satan, die de goddeloze Joden zullen straffen met een kwaal die erger is dan de dood.

Bij de zesde bazuin verschijnen prachtige paarden op het toneel die vuur, rook en zwavel uitspuwen, en daarmee dood en verderf zaaien op hun weg. Hun ruiters dragen pantsers (vers 9 en 17), wat een beeld is van het verharde geweten (1 Timotheüs 4 vers 2). De angels en de staarten, die lijken op schorpioenen (vers 10) of slangen (vers 19), vormen een beeld van de leugenachtige en verderfelijke leringen. Dat zijn arglistige wapens, waarvan satan dan meer dan ooit gebruik zal maken (vergelijk Jesaja 9 vers 15).

Het gebruik van een bazuin, om deze oordelen aan te kondigen, geeft deze instrumenten het karakter van een waarschuwing voor de mensen. De harten zijn echter zo hard, dat zelfs de rampen die nooit eerder zijn voorgekomen, hen niet meer tot bekering kunnen brengen (vers 20 en 21).

Openbaring 10:1-11; Openbaring 11:1-3
1En ik zag een anderen sterken engel, afkomende van den hemel, die bekleed was met een wolk; en een regenboog was boven zijn hoofd; en zijn aangezicht was als de zon, en zijn voeten waren als pilaren van vuur.2En hij had in zijn hand een boeksken, dat geopend was; en hij zette zijn rechtervoet op de zee, en den linker op de aarde.3En hij riep met een grote stem, gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hun stemmen.4En toen de zeven donderslagen hun stemmen gesproken hadden, zo zou ik ze geschreven hebben; en ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Verzegel, hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet.5En de engel, dien ik zag staan op de zee, en op de aarde, hief zijn hand op naar den hemel;6En hij zwoer bij Dien, Die leeft in alle eeuwigheid, Die den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat er geen tijd meer zal zijn;7Maar in de dagen der stem des zevenden engels, wanneer hij bazuinen zal, zo zal de verborgenheid Gods vervuld worden, gelijk Hij Zijn dienstknechten, den profeten, verkondigd heeft.8En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij, en zeide: Ga henen, neem het boeksken, dat geopend en in de hand des engels is, die op de zee en op de aarde staat.9En ik ging henen tot den engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zeide tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honig.10En ik nam dat boeksken uit de hand des engels, en ik at dat op; en het was in mijn mond zoet als honig, en als ik het gegeten had, werd mijn buik bitter.11En hij zeide tot mij: Gij moet wederom profeteren voor vele volken, en natien, en talen, en koningen.
1En mij werd een rietstok gegeven, een meetroede gelijk; en de engel stond en zeide: Sta op, en meet den tempel Gods en het altaar, en degenen, die daarin aanbidden.2En laat het voorhof uit, dat van buiten den tempel is, en meet dat niet, want het is den heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden twee en veertig maanden.3En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.

Het gedeelte vanaf hoofdstuk 10 vers 1 - 11 vers 13 wordt tussen de zesde en zevende bazuin ingelast, net zoals hoofdstuk 7 tussen het zesde en zevende zegel werd geschoven. Christus verschijnt hier opnieuw in de hoedanigheid van "een andere sterke Engel", wat ook hier gepaard gaat met tekenen van genade.

De wolk waarin Hij Zich hult, en de "pilaren van vuur" waar Hij op staat, herinneren aan de zorg van God voor het volk Israël in de woestijn (Exodus 13 vers 21 en 22). De regenboog (vergelijk hoofdstuk 4 vers 3) spreekt van het verbond van God met deze aarde (Genesis 9 vers 13). Daarmee wordt indirect aan Zijn beloften herinnerd.

Christus bezit echter ook de kenmerken van gezag: Zijn aangezicht lijkt op de zon, en Hij eist Zijn rechten als Eigenaar van deze aarde terug. In Zijn hand heeft Hij een geopend boekje, hetgeen het beeld is van een korte profetie die al in het Oude Testament geopenbaard werd. Het gaat om de tweede "helft van de week" van de grote verdrukking (Daniël 9 vers 27); de tijd waarin de tempel, "het altaar, en hen die daarin aanbidden" niet door God erkend zullen worden (hoofdstuk 11 vers 1).

Het is heel opmerkelijk dat deze drieënhalf jaren in maanden (42) worden weergegeven wanneer er sprake is van verdrukking (vers 2), maar ook in dagen (1260) wanneer het gaat om het meten van het getuigenis van het getrouwe overblijfsel (vers 3). God heeft deze dagen stuk voor stuk geteld en weet precies hoeveel moed dit overblijfsel zal hebben en hoeveel lijden het mee zal maken (Psalm 56 vers 9).

Openbaring 11:4-19
4Dezen zijn de twee olijfbomen, en de twee kandelaren, die voor den God der aarde staan.5En zo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun mond uitgaan, en zal hun vijanden verslinden; en zo iemand hen wil beschadigen, die moet alzo gedood worden.6Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat geen regen regene in de dagen hunner profetering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeren, en de aarde te slaan met allerlei plage, zo menigmaal als zij zullen willen;7En als zij hun getuigenis zullen geeindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.8En hun dode lichamen zullen liggen op de straat der grote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodoma en Egypte, alwaar ook onze Heere gekruist is.9En de mensen uit de volken, en geslachten, en talen, en natien, zullen hun dode lichamen zien drie dagen en een halven, en zullen niet toelaten, dat hun dode lichamen in graven gelegd worden.10En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden; omdat deze twee profeten degenen, die op de aarde wonen, gepijnigd hadden.11En na die drie dagen en een halven, is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden.12En zij hoorden een grote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk; en hun vijanden aanschouwden hen.13En in diezelfde ure geschiedde een grote aardbeving, en het tiende deel der stad is gevallen, en er zijn in de aardbeving gedood zeven duizend namen van mensen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden, en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven.14Het tweede wee is weggegaan; ziet, het derde wee komt haast.15En de zevende engel heeft gebazuind, en er geschiedden grote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van Zijn Christus, en Hij zal als Koning heersen in alle eeuwigheid.16En de vier en twintig ouderlingen, die voor God zitten op hun tronen, vielen neder op hun aangezichten, en aanbaden God,17Zeggende: Wij danken U, Heere God almachtig, Die is, en Die was, en Die komen zal, dat Gij Uw grote kracht hebt aangenomen, en als Koning hebt geheerst;18En de volken waren toornig geworden, en Uw toorn is gekomen, en de tijd der doden, om geoordeeld te worden, en om het loon te geven Uw dienstknechten, den profeten, en den heiligen, en dengenen, die Uw Naam vrezen, den kleinen en den groten; en om te verderven degenen, die de aarde verdierven.19En de tempel Gods in de hemel is geopend geworden, en de ark Zijns verbonds is gezien in Zijn tempel; en er werden bliksemen, en stemmen, en donderslagen, en aardbeving, en grote hagel.

De "twee getuigen" (vers 3) zijn een beeld van het voltallige getuigenis van het vrome overblijfsel in de laatste verdrukking. Zij worden voorgesteld in het karakter van Elia en Mozes. Deze twee mannen namen, in de donkere tijden in de geschiedenis van Israël, de verantwoording voor het getuigenis, naar Gods gedachten, op zich. Als antwoord op het gebed van Elia bleef de hemel drieënhalf jaar toegesloten, dat wil zeggen dat het niet regende (vers 6; Jakobus 5 vers 17; vergelijk vers 5 met 2 Koningen 1 vers 10 en 12). En Mozes ontving op zijn beurt de macht om water in bloed te veranderen (leven in dood; Exodus 7 vers 19) en de aarde met allerlei plagen te slaan (vers 6).

Deze trouwe getuigen zullen in Jeruzalem gedood worden door het Romeinse "beest" (vers 7). Maar zij zullen getroost worden door de gedachte dat op diezelfde plaats hun "Heere gekruisigd is" (vers 8; Lukas 13 vers 33 en 34). En tot grote ontzetting van hun vervolgers zal hun martelaarsdood gevolgd worden door de opzienbarende opstanding, die zichtbaar zal zijn voor velen (vers 11).

Uiteindelijk zal dan de bazuin klinken voor het laatste "wee". Dit zal gepaard gaan met de komst van twee dingen: de heerschappij van de Heere (vers 15), maar ook Zijn toorn (vers 18; Psalm 110 vers 5). In hoofdstuk 6 vers 17 meenden de mensen die door angst overvallen waren, dat de toorn van het Lam al gekomen was. Maar die toom zal pas losbreken op het moment waarop Christus de heerschappij over de wereld op Zich zal nemen. Dan zal de hemel uitbreken in triomfgeschal; de heiligen vallen neer op hun aangezicht en aanbidden. Hij Die eens gekruisigd werd (vers 8), zal voortaan voor altijd heersen (Lukas 1 vers 33).

Openbaring 12:1-17
1En er werd een groot teken gezien in den hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren;2En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren.3En er werd een ander teken gezien in den hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden.4En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben.5En zij baarde een mannelijken zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon.6En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar van God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.7En er werd krijg in den hemel; Michael en zijn engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde ook en zijn engelen.8En zij hebben niet vermocht, en hun plaats is niet meer gevonden in den hemel.9En de grote draak is geworpen, namelijk de oude slang, welke genaamd wordt duivel en satanas, die de gehele wereld verleidt, hij is, zeg ik, geworpen op de aarde; en zijn engelen zijn met hem geworpen.10En ik hoorde een grote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht is nedergeworpen.11En zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams, en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.12Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen, en gij, die daarin woont! Wee dengenen, die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is tot u afgekomen, en heeft groten toorn, wetende, dat hij een kleinen tijd heeft.13En toen de draak zag, dat hij op de aarde geworpen was, zo heeft hij de vrouw vervolgd, die het manneken gebaard had.14En der vrouwe zijn gegeven twee vleugelen eens groten arends, opdat zij zou vliegen in de woestijn, in haar plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijd, en tijden, en een halven tijd, buiten het gezicht der slang.15En de slang wierp uit haar mond achter de vrouw water als een rivier, opdat hij haar door de rivier zou doen wegvoeren.16En de aarde kwam de vrouw te hulp, en de aarde opende haar mond, en verzwolg de rivier, welke de draak uit zijn mond had geworpen.17En de draak vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben. [ (Revelation of John 12:18) En ik stond op het zand der zee. ]

Wat hier gebeurt, wordt eigenlijk door vers 19 van hoofdstuk 11 ingeleid. "De ark van Zijn verbond" verschijnt als teken van genade in de tijd van de oordelen over Israël. Dit volk (dat bij deze gelegenheid uitgebeeld wordt door de zwangere vrouw "bekleed met de zon"; vers 1) waaruit de Messias geboren moest worden, wekt juist door dat feit de grote haat van satan op (die uitgebeeld wordt in "een grote rode draak"; vers 3).

In de Bijbel zien we dat deze vijandschap tussen het zaad van de vrouw en "de oude slang" (vers 9), die in de tijd van de zondeval werd aangekondigd, door alle tijden heen is blijven bestaan (zie Genesis 3 vers 15; Exodus 1 vers 22; 2 Koningen 11 vers 1; Mattheüs 2 vers 16 en verder).

Tevergeefs heeft de duivel al zijn krachten gebundeld om te verhinderen dat, door de geboorte en verhoging van de Heere Jezus, de raadsbesluiten van God in vervulling zouden gaan. Christus en Zijn hemelse heiligen — het kind dat God tot Zich nam (vers 5) — zijn nu buiten bereik van satan. Bovendien zal hij binnenkort uit de hemel op de aarde geworpen worden (lees Lukas 10 vers 18; Romeinen 16 vers 20), waar zijn vermetele woede zich dan tegen het overblijfsel van Israël zal ontketenen.

Dit overblijfsel zal uitblinken in het bewaren van Gods geboden (vers 17).

Wat was voor Christus en wat is vandaag voor ons het geheim van de kracht en overwinning op de boze? Het Woord van God, Dat in ons woont (Psalm 17 vers 4; Mattheüs 4 vers 4; 1 Johannes 2 vers 14)!

Openbaring 13:1-18
1En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbende zeven hoofden en tien hoornen; en op zijn hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijn hoofden was een naam van gods lastering.2En het beest dat ik zag, was een pardel gelijk, en zijn voeten als eens beers voeten, en zijn mond als de mond eens leeuws; en de draak gaf hem zijn kracht, en zijn troon, en grote macht.3En ik zag een van zijn hoofden als tot den dood gewond, en zijn dodelijke wonde werd genezen; en de gehele aarde verwonderde zich achter het beest.4En zij aanbaden den draak, die het beest macht gegeven had; en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? wie kan krijg voeren tegen hetzelve?5En hetzelve werd een mond gegeven, om grote dingen en gods lasteringen te spreken; en hetzelve werd macht gegeven, om zulks te doen, twee en veertig maanden.6En het opende zijn mond tot lastering tegen God, om Zijn Naam te lasteren, en Zijn tabernakel, en die in den hemel wonen.7En hetzelve werd macht gegeven, om den heiligen krijg aan te doen, en om die te overwinnen; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht, en taal, en volk.8En allen, die op de aarde wonen, zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens, des Lams, Dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.9Indien iemand oren heeft, die hore.10Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.11En ik zag een ander beest uit de aarde opkomen, en het had twee hoornen, des Lams hoornen gelijk, en het sprak als de draak.12En het oefent al de macht van het eerste beest, in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt, dat de aarde, en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, wiens dodelijke wonde genezen was.13En het doet grote tekenen, zodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde, voor de mensen.14En verleidt degenen, die op de aarde wonen, door de tekenen, die aan hetzelve toe doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest; zeggende tot degenen, die op de aarde wonen, dat zij het beest, dat de wond des zwaards had, en weder leefde, een beeld zouden maken.15En hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het beest een geest te geven, opdat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet zouden aanbidden, gedood zouden worden.16En het maakt, dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten, een merkteken geve aan hun rechterhand of aan hun voorhoofden;17En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of den naam van het beest, of het getal zijns naams.18Hier is de wijsheid: die het verstand heeft, rekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderd zes en zestig.

Als hij op de aarde geworpen is, zal de duivel de "kleine tijd" (vers 12) die hem ter beschikking staat, ten volle uitbuiten. Hij maakt daarbij gebruik van twee 'beesten'; een uitdrukking waarmee aangegeven wordt dat zij geen enkele verbinding tot God hebben. Het eerste beest (vers 1) spreekt van het herstelde Romeinse rijk. Dat zal dan de karakterkenmerken van de drie voorgaande rijken in zich verenigen: de snelheid van een luipaard (Griekenland), de volharding van een beer (Perzië) en de gulzigheid van een leeuw (Babylon; zie Daniël 7 vers 4 - 6). De Heere Jezus had destijds in de woestijn het aanbod van de wereldrijken afgewezen, maar dan zal satan deze rijken aan de Romeinse keizer geven, en daarom zal hij door de hele wereld aanbeden worden (vers 4; Lukas 4 vers 5 - 8).

Het tweede beest is een nabootsing van het Lam, maar dit beest zal zich door zijn eigen spraakgebruik verraden. Het gaat namelijk om de antichrist, die de godsdienstige macht zal uitoefenen, wonderen zal doen en het eerste beest zal ondersteunen. De mensenmassa die door hem verleid zal worden, zal als vee met het teken van het romeinse beest gebrandmerkt worden. Deze mensen worden als volgt genoemd: "die op de aarde wonen" (vers 8 en 14; hoofdstuk 3 vers 10; 6 vers 10; 8 vers 13; 11 vers 10), omdat daar al hun interesses liggen en daar hun gedachten en hun streven naar uitgaan. En wat is deze menigte vandaag de dag al ontzettend groot!

Vers 6 maakt, in tegenstelling tot de eerstgenoemde mensenmassa, melding van degenen "die in de hemel wonen" (Filippi 3 vers 19 en 20). Laten wij als christenen toch onmiskenbaar aan onze omgeving laten zien waar onze woonplaats, waar ons vaderland is (Hebreeën 11 vers 14)!

Openbaring 14:1-13
1En ik zag, en ziet, het Lam stond op den berg Sion, en met Hem honderd vier en veertig duizend, hebbende den Naam Zijns Vaders geschreven aan hun voorhoofden.2En ik hoorde een stem uit den hemel, als een stem veler wateren, en als een stem van een groten donderslag. En ik hoorde een stem van citerspelers, spelende op hun citers;3En zij zongen als een nieuw gezang voor den troon, en voor de vier dieren, en de ouderlingen; en niemand kon dat gezang leren, dan de honderd vier en veertig duizend, die van de aarde gekocht waren.4Dezen zijn het, die met vrouwen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden; dezen zijn het, die het Lam volgen, waar Het ook heengaat; dezen zijn gekocht uit de mensen, tot eerstelingen Gode en het Lam.5En in hun mond is geen bedrog gevonden; want zij zijn onberispelijk voor den troon van God.6En ik zag een anderen engel, vliegende in het midden des hemels, en hij had het eeuwige Evangelie, om te verkondigen dengenen, die op de aarde wonen, en aan alle natie, en geslacht, en taal, en volk;7Zeggende met een grote stem: Vreest God, en geeft Hem heerlijkheid, want de ure Zijns oordeels is gekomen; en aanbidt Hem, Die den hemel, en de aarde, en de zee, en de fonteinen der wateren gemaakt heeft.8En er is een andere engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, die grote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt.9En een derde engel is hen gevolgd, zeggende met een grote stem: Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merkteken aan zijn voorhoofd, of aan zijn hand,10Die zal ook drinken uit den wijn des toorn Gods, die ongemengd ingeschonken is, in den drinkbeker Zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige engelen en voor het Lam.11En de rook van hun pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geen rust dag en nacht, die het beest aanbidden en zijn beeld, en zo iemand het merkteken zijns naams ontvangt.12Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn zij, die de geboden Gods bewaren en het geloof van Jezus.13En ik hoorde een stem uit den hemel, die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen.

Nadat in een soort tussengedeelte ons de 'drie-eenheid' van het kwaad werd voorgesteld — de draak (hoofdstuk 12), het eerste en tweede beest (hoofdstuk 13) — worden de zeven visioenen van hoofdstuk 14 verbonden met de zevende bazuin, welks aankondiging tot hiertoe nog niet vervuld is (hoofdstuk 11 vers 15). Maar voordat God ingrijpt met betrekking tot het kwaad, erkent Hij eerst een nieuw overblijfsel uit Zijn volk en zondert dat af. Deze getuigen hebben het algemene verderf weerstaan. In tegenstelling tot de massa die het merkteken van het beest op het voorhoofd draagt (hoofdstuk 13 vers 16), hebben zij juist de Naam van het Lam op hun voorhoofd staan (vers 1). Schamen wij ons niet, om de Naam van onze Verlosser te dragen? Kan iedereen in onze omgeving zien Wie wij toebehoren?

Deze gelovigen zijn zij "die het Lam volgen, waar Het ook heengaat" (vers 4; vergelijk Johannes 1 vers 36 en 37). Wanneer zij Hem in smaad en lijden gevolgd hebben, zullen zij ook in Zijn Koninkrijk bij Hem zijn. Enkelen zullen vanwege hun trouw aan de Heere gedood worden (vergelijk hoofdstuk 12 vers 11), maar vers 13 dient hen tot troost. Zij worden "zalig" genoemd en zullen hun deel aan de heerschappij zeker niet verliezen. En "hun werken volgen met hen" (laten we erom denken, dat die werken hen niet voorgaan; de toegang tot de hemel is niet door werken te verkrijgen!).

Beste vrienden, onze christelijke voorrechten zijn nog veel groter! Zouden wij dan minder trouw bevonden worden dan deze getuigen van de laatste dagen?

Openbaring 14:14-20; Openbaring 15:1-8
14En ik zag, en ziet, een witte wolk, en op de wolk was Een gezeten, des mensen Zoon gelijk, hebbende op Zijn hoofd een gouden kroon; en in Zijn hand een scherpe sikkel.15En een andere engel kwam uit den tempel, roepende met een grote stem tot Dengene, Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai; want de ure om te maaien is nu gekomen, dewijl de oogst der aarde rijp is geworden.16En Die op de wolk zat, zond Zijn sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid.17En een andere engel kwam uit den tempel, die in den hemel is, hebbende ook zelf een scherpe sikkel.18En een andere engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur; en hij riep met een groot geroep, tot dengene, die de scherpe sikkel had, zeggende: Zend uw scherpe sikkel, en snijd af de druiftakken van den wijngaard der aarde, want zijn druiven zijn rijp.19En de engel zond zijn sikkel op de aarde en sneed de druiven af van den wijngaard der aarde, en wierp ze in den groten wijnpersbak des toorns Gods.20En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en er is bloed uit den wijnpersbak gekomen, tot aan de tomen der paarden, duizend zeshonderd stadien ver.
1En ik zag een ander groot en wonderlijk teken in den hemel; namelijk zeven engelen, hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn Gods geeindigd.2En ik zag als een glazen zee, met vuur gemengd; en die de overwinning hadden van het beest, en van zijn beeld, en van zijn merkteken, en van het getal zijns naams, welke stonden aan de glazen zee, hebbende de citers Gods;3En zij zongen het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods, en het gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn Uw werken, Heere, Gij almachtige God, rechtvaardig en waarachtig zijn Uw wegen, Gij Koning der heiligen!4Wie zou U niet vrezen, Heere, en Uw Naam niet verheerlijken? Want Gij zijt alleen heilig; want alle volken zullen komen, en voor U aanbidden; want Uw oordelen zijn openbaar geworden.5En na dezen zag ik, en ziet, de tempel des tabernakels der getuigenis in den hemel werd geopend.6En de zeven engelen, die de zeven plagen hadden, kwamen uit den tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels.7En een van de vier dieren gaf den zeven engelen zeven gouden fiolen, vol van den toorn Gods, Die in alle eeuwigheid leeft.8En de tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid Gods, en uit Zijn kracht; en niemand kon in den tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven engelen geeindigd waren.

De Heere Jezus heeft eens tegen Zijn aanklagers gezegd: "Van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, zittende ter rechterhand van de kracht Gods, en komende op de wolken van de hemel" (hoofdstuk 1 vers 7; Mattheüs 24 vers 30; 26 vers 64).

Hier zien we de Zoon des mensen zitten op een witte wolk. Eens werd Hij met doornen gekroond, maar nu draagt Hij een gouden kroon en in plaats van een zwakke rietstok heeft Hij nu "een scherpe sikkel" in de hand. Hij Die eens door de mensen veroordeeld werd, is nu Zelf de Rechter van de mensen geworden. En in deze hoedanigheid geeft Hij opdracht tot de grote "oogst van de aarde", die gevolgd wordt door de vreselijke "wijnpersbak". Deze beide dingen waren lang voor die tijd al aangekondigd (bijvoorbeeld in Joël 3 vers 13; Mattheüs 13 vers 30 en 39).

Met hoofdstuk 15 begint de laatste serie oordelen (de schalen). Maar ook deze keer worden de heiligen die hier doorheen hebben te gaan, eerst gezien in veiligheid (vers 2 - 4). Daarna zien we de zeven engelen die met de uitvoering van de plagen belast zijn, uit de tempel komen. Aan hen worden de "zeven gouden schalen, vol van de toom van God" gegeven (vers 7; vergelijk Jeremia 25 vers 15).

Beste gelovige vrienden, deze wereld, die heel binnenkort geslagen zal worden, is dezelfde als die door God geliefd werd, zodat Hij Zijn eniggeboren Zoon voor haar heeft overgegeven (Johannes 3 vers 16)! En de engelen die eens de taak zullen hebben om te verwoesten, hebben tot nu toe die vreselijke opdracht nog niet ontvangen. Maar intussen hebben wij een heel andere taak: wij mogen, ja moeten, deze wereld nog vertellen over de Goddelijke genade (2 Korinthe 5 vers 20).

Openbaring 16:1-21
1En ik hoorde een grote stem uit den tempel, zeggende tot de zeven engelen: Gaat henen, en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde.2En de eerste ging henen, en goot zijn fiool uit op de aarde; en er werd een kwaad en boos gezweer aan de mensen, die het merkteken van het beest hadden, en die zijn beeld aanbaden.3En de tweede engel goot zijn fiool uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode; en alle levende ziel is gestorven in de zee.4En de derde engel goot zijn fiool uit in de rivieren en in de fonteinen der wateren; en de wateren werden bloed.5En ik hoorde den engel der wateren zeggen: Gij zijt rechtvaardig, Heere! Die is, en Die was, en Die zijn zal, dat Gij dit geoordeeld hebt;6Dewijl zij het bloed der heiligen, en der profeten vergoten hebben, zo hebt Gij hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waardig.7En ik hoorde een anderen van het altaar zeggen: Ja, Heere, Gij almachtige God! Uwe oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig.8En de vierde engel goot zijn fiool uit op de zon; en haar is macht gegeven de mensen te verhitten door vuur.9En de mensen werden verhit met grote hitte, en lasterden den Naam Gods, Die macht heeft over deze plagen; en zij bekeerden zich niet, om Hem heerlijkheid te geven.10En de vijfde engel goot zijn fiool uit op den troon van het beest; en zijn rijk is verduisterd geworden; en zij kauwden hun tongen van pijn;11En zij lasterden den God des hemels vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezweren; en zij bekeerden zich niet van hun werken.12En de zesde engel goot zijn fiool uit op de grote rivier, den Eufraat; en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zou worden de weg der koningen, die van den opgang der zon komen zullen.13En ik zag uit den mond des draaks, en uit den mond van het beest, en uit den mond des valsen profeets, drie onreine geesten gaan, den vorsen gelijk;14Want het zijn geesten der duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen der aarde en der gehele wereld, om die te vergaderen tot den krijg van dien groten dag des almachtigen Gods.15Zie, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele, en men zijn schaamte niet zie.16En zij hebben hen vergaderd in de plaats, welke in het Hebreeuws genaamd wordt Armageddon.17En de zevende engel goot zijn fiool uit in de lucht; en er kwam een grote stem uit den tempel des hemels, van den troon, zeggende: Het is geschied!18En er geschiedden stemmen, en donderslagen, en bliksemen; en er geschiedde een grote aardbeving, hoedanige niet is geschied van dat de mensen op de aarde geweest zijn, namelijk een zodanige aardbeving en zo groot.19En de grote stad is in drie delen gescheurd, en de steden der heidenen zijn gevallen; en het grote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven den drinkbeker van den wijn des toorns Zijner gramschap.20En alle eiland is gevloden, en de bergen zijn niet gevonden.21En een grote hagel, elk als een talent pond zwaar, viel neder uit den hemel op de mensen; en de mensen lasterden God vanwege de plage des hagels; want deszelfs plage was zeer groot.

De zeven schalen die op de aarde uitgegoten worden, herinneren ons aan de plagen in Egypte: zweren, water dat in bloed verandert, duisternis, sprinkhanen, onweer, hagel en vuur (zie Exodus 9 vers 23). In plaats van bekering brengen deze rampen slechts lasteringen voort (vers 9, 11 en 21). Maar dat God ook in de oordelen rechtvaardig handelt, wordt door een drievoudig getuigenis bevestigd: door de overwinnaars (hoofdstuk 15 vers 3 en 4), door de engel van de wateren (vers 5) en door het altaar zelf (vers 7).

Door de eerste vier plagen worden dezelfde dingen getroffen als bij de eerste vier bazuinen (hoofdstuk 8 vers 7 - 12). De vijfde plaag bereikt de troon van het beest. De zesde bereidt de oorlog "van die grote dag van de almachtige God" voor (vers 14). Bij de laatste schaal klinkt uiteindelijk een luide stem van de troon: "Het is geschied!" (vers 17).

Maar wat vormt deze uitspraak een groot verschil met de uitroep: "Het is volbracht!" (Johannes 19 vers 30), waarmee toen het einde van de toorn van God ten opzichte van de zonde werd aangegeven, nadat de Zoon van God aan het kruis de beker die wij verdiend hadden, gedronken had.

Deze vreselijke gebeurtenissen zijn al veel dichterbij dan wij denken. Laten we de wereld rondom ons toch altijd zien als een veroordeeld terrein en ons bewust zijn dat zij niet aan die vreselijke toorn kan ontkomen. Laten we nooit onverschillig staan tegenover het kwaad dat in deze wereld aanwezig is, en het Goddelijke oordeel dat haar te wachten staat.

Openbaring 17:1-18
1En een uit de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, kwam en sprak met mij, en zeide tot mij: Kom herwaarts, ik zal u tonen het oordeel der grote hoer, die daar zit op vele wateren;2Met welke de koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij.3En hij bracht mij weg in een woestijn, in den geest, en ik zag een vrouw, zittende op een scharlaken rood beest, dat vol was van namen der gods lastering, en had zeven hoofden en tien hoornen.4En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud, en kostelijk gesteente, en paarlen, en had in hare hand een gouden drinkbeker, vol van gruwelen, en van onreinigheid harer hoererij.5En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk Verborgenheid; het grote Babylon, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde.6En ik zag, dat de vrouw dronken was van het bloed der heiligen, en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij, als ik haar zag, met grote verwondering.7En de engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid der vrouw en van het beest, dat haar draagt, hetwelk de zeven hoofden heeft en de tien hoornen.8Het beest, dat gij gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit den afgrond, en ten verderve gaan; en die op de aarde wonen, zullen verwonderd zijn (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld), ziende het beest, dat was en niet is, hoewel het is.9Hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, op welke de vrouw zit.10En het zijn ook zeven koningen; de vijf zijn gevallen, en de een is, en de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijds blijven.11En het beest, dat was en niet is, die is ook de achtste koning, en is uit de zeven en gaat ten verderve.12En de tien hoornen, die gij gezien hebt, zijn tien koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als koningen macht ontvangen op een ure met het beest.13Dezen hebben enerlei mening, en zullen hun kracht en macht het beest overgeven.14Dezen zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal hen overwinnen (want Het is een Heere der heren, en een Koning der koningen), en die met Hem zijn, de geroepenen, en uitverkorenen en gelovigen.15En hij zeide tot mij: De wateren, die gij gezien hebt, waar de hoer zit, zijn volken, en scharen, en natien, en tongen.16En de tien hoornen, die gij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen haar woest maken, en naakt; en zij zullen haar vlees eten, en zullen haar met vuur verbranden.17Want God heeft hun in hun harten gegeven, dat zij Zijn mening doen, en dat zij enerlei mening doen, en dat zij hun koninkrijk het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn.18En de vrouw, die gij gezien hebt, is de grote stad, die het koninkrijk heeft over de koningen der aarde.

De laatste schaal heeft betrekking op het oordeel over Babylon (hoofdstuk 16 vers 19). De details daarover kunnen we lezen in de hoofdstukken 17 en 18. Hierbij gaat het om de afvallige kerk, de grote belijdende christenheid, van waaruit, bij de komst van de Heere Jezus, alle ware kinderen van God genomen werden. In haar ontrouw ten opzichte van Christus heeft deze christenheid zichzelf verdorven en door haar onreine verbindingen heeft zij zichzelf met de wereld en haar afgoden verbonden. Het is zoals iemand eens gezegd heeft: 'Het beste dat te verderven is, is het ergste verderf'.

Deze "hoer" zit op het beest en ontvangt haar kracht van de politieke macht (vers 3). Terwijl de Heere Jezus juist gezegd heeft: "Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld" (Johannes 18 vers 36), heeft "de vrouw" haar rechten doen gelden op de heerschappij over deze aarde. Maar bovenal heeft zij de ware heiligen vervolgd en gedood (vers 6).

Bij deze aanblik wordt de apostel aangegrepen door grote verbazing. Is dat nu werkelijk datgene wat er van de verantwoordelijke christenheid over zal blijven? Helaas heeft de geschiedenis deze ontwikkeling in de loop van de eeuwen maar al te zeer bevestigd. Maar haar definitieve openbaring, die hier beschreven wordt, is nog steeds toekomst.

In de verzen 16 en 17 wordt meegedeeld wat het einde van "de moeder van de hoererijen en gruwelen" (vers 5) zal zijn. Zij zal zelf het lot ondergaan dat zij aan veel "getuigen van Jezus" (vers 6) heeft voltrokken. In deze uitdrukking "getuigen van Jezus" mogen we iets van het liefdevolle hart van God ontdekken (zie ook hoofdstuk 2 vers 13).

Openbaring 18:1-13
1En na dezen zag ik een anderen engel afkomen uit den hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid.2En hij riep krachtelijk met een grote stem, zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden een woonstede der duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte;3Dewijl uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken gedronken hebben, en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk zijn geworden uit de kracht harer weelde.4En ik hoorde een andere stem uit den hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt.5Want haar zonden zijn de ene op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is harer ongerechtigheden gedachtig geworden.6Vergeldt haar, gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in den drinkbeker, waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.7Zoveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, zo grote pijniging en rouw doet haar aan; want zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.8Daarom zullen haar plagen op een dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt.9En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij den rook haar brands zullen zien;10Van verre staande uit vreze van haar pijniging, zeggende: Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in een ure gekomen.11En de kooplieden der aarde zullen wenen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt;12Waren van goud, en van zilver, en van kostelijk gesteente, en van paarlen, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostelijkste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen;13En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen der mensen.

Al deze verschijningen lijken een beetje op een boek met platen waarin we dezelfde gebeurtenissen steeds vanuit een ander perspectief te zien krijgen en waarin ze van verschillende kanten worden belicht. Hier wordt de val van Babylon gezien als rechtstreeks door "de Heere God" Zelf uitgevoerd (vers 8 en 20). Voordien klonk echter in vers 4 nog het bevel: "Gaat uit van haar, Mijn volk" (vergelijk de profetieën in het Boek Jeremia met betrekking tot het historische Babylon; hoofdstuk 51 vers 7, 8, 37, 45, en verder).

Deze oproep geldt vandaag al voor ons: "Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere" (2 Korinthe 6 vers 17). Elke verloste wordt nu opgeroepen om zich van de godsdienstige wereld en haar gemengde principes (of grondbeginselen) — zoals die hier in haar definitieve toestand getoond worden — af te scheiden (vergelijk Numeri 16 vers 26). Sommigen zullen ons dan betichten van gebrek aan liefde, of zeggen dat we enghartig zijn. Soms komt men ertoe om te zeggen dat we dan handelen in een geest van hoogmoedigheid. Ook al doet het pijn en is het verdrietig dit te moeten ondervinden, laten we ons niet van de hoofdzaak laten weerhouden: de Heere gehoorzamen!

De verzen 12 en 13 geven een opsomming van "al wat in de wereld is" en tot bevrediging van allerlei lusten van de mensen dient (1 Johannes 2 vers 16 en 17). In de eerste plaats wordt het goud genoemd, dat voor velen de allerhoogste waarde heeft. En het eindigt ten slotte met datgene wat in het oog van deze valse kerk slechts geringe waarde heeft — maar voor God juist zo ontzettend kostbaar is (!) —namelijk: "de zielen van de mensen".

Openbaring 18:14-24
14En de vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van u weggegaan; en al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan; en gij zult hetzelve niet meer vinden.15De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vreze van haar pijniging, wenende en rouw makende;16En zeggende: Wee, wee, de grote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostelijk gesteente, en met paarlen; want in een ure is zo grote rijkdom verwoest.17En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die ter zee handelen, stonden van verre;18En riepen, ziende den rook van haar brand, en zeggende: Wat stad was deze grote stad gelijk?19En zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, wenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de grote stad, in dewelke allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in een ure verwoest geworden.20Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld.21En een sterke engel hief een steen op als een groten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.22En de stem der citerspelers, en der zangers, en der fluiters, en der bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden.23En het licht der kaars zal in u niet meer schijnen; en de stem eens bruidegoms en ener bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uw kooplieden waren de groten der aarde, want door uw toverij zijn alle volken verleid geweest.24En in dezelve is gevonden het bloed der profeten en der heiligen, en al dergenen, die gedood zijn op de aarde.

Het weeklagen van de kooplui (vers 11, 15 en verder) herinnert ons aan het gejammer van Demetrius en de andere kunstenaars uit Efeze, die bang waren hun "gewin" en de "welvaart" die de afgodendienst hun opleverde, te verliezen (Handelingen 19). Bestaat er overigens wel een verschil tussen de grote Artemis of "Diana van de Efeziërs" en "de grote stad Babylon" — tussen de heidense afgodendienst en de verdorvenheid van het christendom?

Het kan niet anders of een godsdienst die de mensen elke "vrucht" voor de begeerte van hun zielen geeft (vers 14), die het gevoel streelt en het geweten doet inslapen (waarbij muziek een hele grote rol speelt - vers 22; Daniël 3 vers 7), die de handel begunstigt en tot voorwendsel voor alle mogelijke vormen van vermaak dient, moet wel succesvol zijn! Je hoeft alleen maar om je heen te kijken en te zien op welke wijze veel mensen, rond deze tijd van het jaar, de geboorte van de Heere Jezus vieren.

"In haar is gevonden het bloed van de profeten en van de heiligen ..." (vers 24). Al aan het begin van de Bijbel kun je lezen dat er in de stad van Kaïn veel aangename dingen gevonden werden — terwijl het bloed van Abel schreeuwde tot God (vergelijk Genesis 4 vers 10, 17 en verder). Vandaag de dag verheugt de godsdienstige wereld zich, terwijl de ware gelovigen veel lijden en verdriet kennen (Johannes 16 vers 20). Morgen zal hier op aarde het "wee" opklinken, maar dan zal de vreugde van de hemel daarop antwoorden (vers 20).

Geve God, dat wij nu al, in het geloof, al deze dingen mogen zien zoals Hij ze ziet!

Openbaring 19:1-16
1En na dezen hoorde ik als een grote stem ener grote schare in den hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij den Heere, onzen God.2Want Zijn oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig; dewijl Hij de grote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met haar hoererij, en Hij het bloed Zijner dienaren van haar hand gewroken heeft.3En zij zeiden ten tweeden maal: Halleluja! En haar rook gaat op in alle eeuwigheid.4En de vier en twintig ouderlingen, en de vier dieren vielen neder, en aanbaden God, Die op den troon zat, zeggende: Amen, Halleluja!5En een stem kwam uit den troon, zeggende: Looft onzen God, gij al Zijn dienstknechten, en gij, die Hem vreest, beiden klein en groot!6En ik hoorde als een stem ener grote schare, en als een stem veler wateren, en als een stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerst.7Laat ons blijde zijn, en vreugde bedrijven, en Hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en Zijn vrouw heeft zichzelve bereid.8En haar is gegeven, dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen.9En hij zeide tot mij: Schrijf, zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams. En hij zeide tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden Gods.10En ik viel neder voor zijn voeten, om hem te aanbidden, en hij zeide tot mij: Zie, dat gij dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, die de getuigenis van Jezus hebben; aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest der profetie.11En ik zag den hemel geopend; en ziet, een wit paard, en Die op hetzelve zat, was genaamd Getrouw en Waarachtig, en Hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.12En Zijn ogen waren als een vlam vuurs, en op Zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en Hij had een naam geschreven, die niemand wist, dan Hijzelf.13En Hij was bekleed met een kleed, dat met bloed geverfd was; en Zijn naam wordt genoemd het Woord Gods.14En de heirlegers in den hemel volgden Hem op witte paarden, gekleed met wit en rein fijn lijnwaad.15En uit Zijn mond ging een scherp zwaard, opdat Hij daarmede de heidenen slaan zou. En Hij zal hen hoeden met een ijzeren roede; en Hij treedt den wijnpersbak van den wijn des toorns en der gramschap des almachtigen Gods.16En Hij heeft op Zijn kleed en op Zijn dij dezen Naam geschreven: Koning der koningen, en Heere der heren.

Het huichelachtige Babylon, haar bewering dat zij dé kerk is, werd openlijk te schande gemaakt. Nu stelt de Heere Zijn ware Bruid voor aan de gasten op de hemelse bruiloft. In de hemel weerklinkt de lof: "Halleluja, de zaligheid, en de heerlijkheid, en de eer, en de kracht zij de Heere, onze God!" (vers 1). "De bruiloft van het Lam is gekomen!" (vers

De vreugde van de Bruid zal dan op de blijdschap van de Bruidegom antwoorden! En omdat Zij het onderwerp van de genade is, bestaat Haar kleding uit "fijn lijnwaad [d.i. linnen] ... de rechtvaardige daden van de heiligen" (vers

Daarmee worden de rechtvaardige daden bedoeld, de daden waartoe God de heiligen in staat gesteld heeft om die tot Zijn eer te volbrengen. Ook de genodigden zullen zich dan verheugen, want "Die de Bruid heeft, is de Bruidegom, maar de vriend van de Bruidegom, die staat en Hem hoort, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de Bruidegom" (Johannes 3 vers 29).

Terwijl wij nu nog op deze dag wachten, mogen we nooit vergeten dat wij "aan één Man" toebehoren, ja, met Hem verloofd zijn, om als "een reine maagd" aan Christus voorgesteld te worden (2 Korinthe 11 vers 2)! Laten we alle frisheid van onze genegenheden voor Hem daarom rein bewaren!

Maar als Hij voor de Gemeente de Geliefde is, dan zal Hij voor de wereld de grote Rechter zijn. Onder de Naam "het Woord van God" (vers 13), die eens aan Hem werd gegeven om genade en waarheid te openbaren, zal Hij "vreselijke dingen" ten uitvoer brengen (Psalm 45 vers 5; zie ook Jesaja 59 vers 18; 63 vers 1- 6).

Vriend, wanneer en hoe wil jij de Heere Jezus ontmoeten? Nú — als je Redder, of heel binnenkort — als je Rechter?

Openbaring 19:17-21; Openbaring 20:1-6
17En ik zag een engel, staande in de zon; en hij riep met een grote stem, zeggende tot al de vogelen, die in het midden des hemels vlogen: Komt herwaarts, en vergadert u tot het avondmaal des groten Gods;18Opdat gij eet het vlees der koningen, en het vlees der oversten over duizend, en het vlees der sterken, en het vlees der paarden en dergenen, die daarop zitten; en het vlees van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen en groten.19En ik zag het beest, en de koningen der aarde, en hun heirlegers vergaderd, om krijg te voeren tegen Hem, Die op het paard zat, en tegen Zijn heirlegers.20En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valse profeet, die de tekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had, die het merkteken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs, die met sulfer brandt.21En de overigen werden gedood met het zwaard Desgenen, Die op het paard zat, hetwelk uit Zijn mond ging; en al de vogelen werden verzadigd van hun vlees.
1En ik zag een engel afkomen uit den hemel, hebbende den sleutel des afgronds, en een grote keten in zijn hand;2En hij greep den draak, den oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren;3En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin, en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volken niet meer verleiden zou, totdat de duizend jaren zouden geeindigd zijn. En daarna moet hij een kleinen tijd ontbonden worden.4En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zag de zielen dergenen, die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het Woord Gods, en die het beest, en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merkteken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hun hand; en zij leefden en heersten als koningen met Christus, de duizend jaren.5Maar de overigen der doden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geeindigd waren. Deze is de eerste opstanding.6Zalig en heilig is hij, die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen heersen duizend jaren.

In tegenstelling tot "de bruiloft van het Lam" lezen we hier over een gebeurtenis die op ironische wijze de maaltijd van de grote God wordt genoemd (vers 17; Psalm 2 vers 4 en 5; Zefanja 1 vers 7). De laatste confrontatie tussen de legers van de Zoon van God en die van het beest zal eindigen met de totale vernietiging van de vijanden van God. Zonder dat er dan een rechtszaak aan te pas komt, zullen het beest en de valse profeet in de poel van vuur gegooid worden (vers 20; vergelijk Numeri 16 vers 33; Psalm 55 vers 16). Daarna houdt God Zich bezig met hun opdrachtgever en aanvoerder, de satan. In hoofdstuk 12 hebben we gezien dat hij uit de hemel op deze aarde geworpen werd. Hier wordt deze grote moordenaar, met een symbolische sleutel en een symbolische ketting, onschadelijk gemaakt. Na die duizend jaren zal hij uiteindelijk zelf bij zijn medeplichtigen in de poel van vuur terecht komen (vers 10; Mattheüs 25 vers 41). Vandaar ook dat we kunnen begrijpen dat er in de hele Bijbel geen enkel gedeelte voorkomt dat zo door de duivel gevreesd wordt als het Boek Openbaring. En om te verhinderen dat het gelezen zal worden, probeert hij zelfs de gelovigen ervan te overtuigen dat het een onduidelijk en moeilijk te begrijpen Boek is.

Nadat de satan gebonden is, is er geen enkele tegenstand meer tegen de heerlijke heerschappij van de Heere. We hebben al kunnen constateren dat deze heerschappij — tegen de mening van velen in — niet tot stand komt door een voortdurende verbetering van deze wereld, maar door oordelen. Geliefde kinderen van God, Christus wil Zijn Koninkrijk met ons delen (Daniël 7 vers 18). Laten we ons daarom vandaag niet verbroederen met een wereld die wij morgen zullen oordelen (1 Korinthe 6 vers 2)!

Openbaring 20:7-15
7En wanneer de duizend jaren zullen geeindigd zijn, zal de satanas uit zijn gevangenis ontbonden worden.8En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.9En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft hen verslonden.10En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in den poel des vuurs en sulfers, alwaar het beest en de valse profeet zijn; en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.11En ik zag een groten witten troon, en Dengene, Die daarop zat, van Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvloden, en geen plaats is voor die gevonden.12En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.13En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.14En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood.15En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.

Het hart van de mens zal in de duizend jaren van zegen niet veranderen. Het zal satan daarom ook gelukken om de volken tot een laatste en ontzettend grote opstand op te stoken. God zal daarop echter met een kort en bliksemsnel oordeel antwoorden.

Nu is het plechtige moment aangebroken: Hebreeën 9 vers

27 gaat eindelijk in vervulling — maar ook Johannes 5 vers 24! Alle doden die niet verlost zijn, verschijnen hier nu voor de grote Rechter (vergelijk vers 5). In hun leven hier op aarde bestonden er onderling grote verschillen. Je had 'groten', die door hun 'soortgenoten' geëerd werden (Lukas 16 vers 19), maar ook 'kleinen', en zelfs sommigen die door de maatschappij waren uitgestoten (Lukas 23 vers 39). Maar op dat ogenblik zijn ze allemaal samen! Nu bestaat er geen onderscheid meer — "want zij hebben allen gezondigd" (Romeinen 3 vers 23). Als bewijs daarvoor worden er boeken open gedaan, waarin — tot grote schrik — alle afzonderlijke werken van ieder persoonlijk genoteerd staan (Psalm

28 vers 4). Wie zou het kunnen verdragen dat er ook maar één bladzijde over zijn werken uit dit boek zou worden voorgelezen! "Het boek van het leven" wordt ook geopend (vers 15). Maar dat dient er alleen toe, om aan te tonen dat hun namen daar niet in geschreven staan. En de definitieve uitspraak van de allerhoogste Rechter zal dan zijn: "werpt hen uit in de buitenste duisternis" (Mattheüs 22 vers 12 en 13). Dan zullen zij delen in het lot van satan en voor eeuwig op de plaats van pijn zijn, voor altijd zonder hoop!

Beste lezer, waarnaar zult u, zul jij, beoordeeld worden? Naar de eigen werken — of naar het werk van de Heere Jezus?

Openbaring 21:1-8
1En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.2En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.3En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn.4En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.5En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.6En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.7Die overwint, zal alles beerven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.8Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.

De bladzijde wordt omgeslagen. De geschiedenis van de eerste schepping is ten einde. De eeuwige heerlijkheid begint, waarin God met gezegende schepselen omringd zal zijn, die in staat gesteld worden om Hem te erkennen en te begrijpen. Voor eeuwig zullen zij deze gelukzaligheid mogen genieten — dan zal er geen tijdsrekening meer zijn. "God Zelf zal bij hen en hun God zijn" (vers 3). De zee (het symbool voor de verwarring en de versplintering van de volken) zal niet meer bestaan (vers 1). Alle verlosten zijn in de veilige haven aangekomen. En in deze volkomen nieuwe omgeving zal ook de dood afgeschaft zijn (vers 4; 1 Korinthe 15 vers 26 en 54). Er zal geen nacht en geen vervloeking meer bestaan (vers 25; hoofdstuk 22 vers 3 en 5), geen verdriet, geen geschreeuw en geen pijn meer gevonden worden, want God zal voor altijd bij de mensen wonen (vers 3).

En zij die buiten zijn? Hun deel is "de tweede dood" (vers 8): de duisternis, de tranen van een geweten dat hen onophoudelijk zal plagen, en het voor eeuwig gescheiden zijn van de tegenwoordigheid van de heilige God. Daar zullen de "ongelovigen" zich bevinden, dus zij die bewust het heil versmaad hebben. Maar daar zijn ook de "vreesachtigen", die nooit openlijk voor Christus hebben willen beslissen. En daar zijn ook de "leugenaars" en de huichelaars, die altijd deden voorkomen alsof zij christenen waren.

Beste vriend, voor de laatste keer willen wij je vragen: 'Waar zul jij zijn in de eeuwigheid?'

Waar zult gij zijn in d' eeuwigheid? Ernstige vraag in deze tijd! Hebt gij uw antwoord reeds bereid? Waar zult gij zijn in d' eeuwigheid?... O, kies voor Jezus heden nog. Vlied toch de zond' en haar bedrog. Jezus vraagt Zelf met tederheid: Waar zult gij zijn in d' eeuwigheid?'

Openbaring 21:9-27
9En tot mij kwam een van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams.10En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God.11En zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als den steen Jaspis, blinkende gelijk kristal.12En zij had een groten en hogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welken zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israels.13Van het oosten waren drie poorten, van het noorden drie poorten, van het zuiden drie poorten, van het westen drie poorten.14En de muur der stad had twaalf fondamenten, en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams.15En hij die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en haar poorten, en haar muur.16En de stad lag vierkant, en haar lengte was zo groot als haar breedte. En hij mat de stad met den rietstok op twaalf duizend stadien; de lengte, en de breedte, en de hoogte derzelve waren even gelijk.17En hij mat haar muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat eens mensen, welke des engels was.18En het gebouw van haar muur Jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk.19En de fondamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd.20Het vijfde Sardonix, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, het elfde Hyacinth, het twaalfde Amethyst.21En de twaalf poorten waren twaalf paarlen, een iedere poort was elk uit een paarl; en de straat der stad was zuiver goud; gelijk doorluchtig glas.22En ik zag geen tempel in dezelve; want de Heere, de almachtige God, is haar Tempel, en het Lam.23En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.24En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve.25En haar poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn.26En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daarin brengen.27En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.

Nadat in de verzen 1- 8 de sluier met betrekking tot de eeuwige toestand opgelicht is, komt de Heilige Geest terug op de tijd van het Koninkrijk van Christus. Hij stelt ons een stad voor de aandacht. Nu niet meer Rome of Babylon, maar "het heilige Jeruzalem", dat is "de Bruid, de Vrouw van het Lam" (vers 9 en 10). Deze hele beschrijving moeten we natuurlijk symbolisch zien. We kunnen datgene wat bij de nieuwe schepping hoort, niet met onze tegenwoordige zintuigen waarnemen, noch met onze geest bevatten (1 Korinthe 13 vers 12). Hoe zou je immers iemand die blind geboren is, iets kunnen uitleggen over de prachtige kleuren? Vandaar dat God de mooiste en kostbaarste dingen van deze aarde gebruikt — goud en edelstenen — om ons iets te laten begrijpen van datgene wat ons in de hemel te wachten staat. De lichtglans en de muren van jaspis (vers 11 en 18) spreken over de openbaring van de heerlijkheden van Christus in en door de Gemeente (hoofdstuk 4 vers 3). Zij wordt door het stralende licht van de Lamp (Kaars) verlicht: door de heerlijkheid van God, samengevat in het Lam (vers 23). De heilige stad zal dit Goddelijke licht op haar beurt, in het duizendjarig rijk, weer ten gunste van de aarde verspreiden (vers 24). Datzelfde vinden we ook terug in Johannes 17 vers 22 en 23: "En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt... Ik in hen, en Gij in Mij ..., opdat de wereld bekent ...".

En hoe zou er ooit iets "dat verontreinigt" op die plaats kunnen komen, waar de Heere woont (vers 27; lees 2 Korinthe 7 vers 1)?

Openbaring 22:1-9
1En hij toonde mij een zuivere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods, en des Lams.2In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde der rivier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.3En geen vervloeking zal er meer tegen iemand zijn; en de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen;4En zullen Zijn aangezicht zien, en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn.5En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God verlicht hen; en zij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid.6En hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God der heilige profeten, heeft Zijn engel gezonden, om Zijn dienstknechten te tonen, hetgeen haast moet geschieden.7Zie, Ik kom haastiglijk zalig is hij, die de woorden der profetie dezes boeks bewaart.8En ik, Johannes, ben degene, die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neder om aan te bidden voor de voeten des engels, die mij deze dingen toonde.9En hij zeide tot mij: Zie, dat gij het niet doet; want ik ben uw mededienstknecht, en uwer broederen, der profeten, en dergenen, die de woorden dezes boeks bewaren; aanbid God.

De verzen 1 - 5 completeren de verschijning van de heilige stad tijdens het duizendjarig vrederijk. Als we een beetje thuis zijn in de Bijbel, dan valt het ons op dat de eerste en laatste bladzijde uit de Schrift veel op elkaar lijken. Het Woord van God begint en eindigt met een paradijs, een rivier en een "boom van het leven". Toch is het einde veel mooier dan het begin, het Omega grootser dan het Alfa. Het toekomstig paradijs is niet het oude dat teruggevonden is, maar het is "het paradijs van God" (Openbaring 2 vers 7), waar Hij Die voor ons gestorven is, Zelf voor eeuwig aanwezig is! De toegang hiertoe wordt enkel en alleen verleend aan zondaren die door genade gered zijn, dus mensen zoals bijvoorbeeld die bekeerde misdadiger (Lukas 23 vers 43). En waarmee zullen de bewoners zich daar gaan bezighouden? Zij zullen hun Heere dienen (vers 3; hoofdstuk 7 vers 15) en zij zullen samen met Hem heersen (vers 5; Daniël 7 vers 27). Wat voor hen echter nog veel waardevoller zal zijn dan alle koninkrijken, is het heerlijke feit dat zij "Zijn aangezicht" zullen zien (vers 4; Psalm 17 vers 15)!

Normaal gesproken weet een knecht niet "wat zijn heer doet" (Johannes 15 vers 15). Maar de Heere Jezus houdt voor Zijn knechten, die Zijn vrienden zijn geworden, niets geheim van "hetgeen met haast moet geschieden" (vers 6). Is het daarom niet bevreemdend, dat wij vaak zo weinig reageren op al dit wonderbare, dat ook betrekking heeft op onszelf (1 Korinthe 2 vers 9)? En is het bovenal niet ontzettend verdrietig, dat wij zo weinig interesse tonen voor datgene wat de Vader tot verheerlijking en vreugde van Zijn Zoon bereid heeft (Johannes 14 vers 28)?

Openbaring 22:10-21
10En hij zeide tot mij: Verzegel de woorden der profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij.11Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die rechtvaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.12En zie, Ik kom haastiglijk en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.13Ik ben de Alfa, en de Omega, het Begin en het Einde; de Eerste en de Laatste.14Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.15Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk, die de leugen liefheeft, en doet.16Ik, Jezus, heb Mijn engel gezonden om ulieden deze dingen te getuigen in de Gemeenten. Ik ben de Wortel en het geslacht Davids, de blinkende Morgenster.17En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.18Want ik betuig aan een iegelijk, die de woorden der profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet, God zal hem toedoen de plagen, die in dit boek geschreven zijn.19En indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.20Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus!21De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met u allen. Amen.

Voor Daniël en het joodse volk waren de profetieën tot aan hun toekomstige vervulling "verzegeld" (Daniël 12 vers 9 ). Voor de christenen zijn ze daarentegen niet meer verborgen (vers 10). Het hele Woord van God is hun gegeven om alles beter te begrijpen en te geloven. De Heere heeft ons Zijn Woord gegeven, opdat wij Het met elkaar overdenken. Geve Hij ons het verlangen en de kracht om de Schrift ook persoonlijk te onderzoeken (Johannes 5 vers 39). Daarbij mogen we gerust gebruik maken van boeken en uitvoerige overdenkingen over de verschillende delen van de Bijbel, die ons ter beschikking staan. De Heere wil zo graag dat wij bij Zijn wederkomst behoren tot hen die Zijn Woord bewaren en Zijn Naam niet verloochenen (hoofdstuk 3 vers 8). Die heerlijke en onvergelijkbare Naam 'Jezus' roept Hij ons zelfs hier nog een keer in herinnering: "Ik, Jezus ... ben... de blinkende Morgenster", Die komt (vers 16). Wij wachten niet op een bepaalde gebeurtenis, maar op een geliefde Persoon!

"Kom!" Op dit door de Geest opgewekte verlangen antwoordt Hij met Zijn belofte: "Ik kom haastig!" (vers 7, 12 en 20). En dan horen wij opnieuw het echo van de toegenegenheid van de Bruid klinken: "Amen. Ja, kom, Heere Jezus!"

Wij hebben ons bekeerd om Hem te aanbidden, Hem te dienen (bijvoorbeeld om hen die dorst hebben en willen komen, uit te nodigen; vers 17) en om Hem te verwachten (1 Thessalonika 1 vers 9 en 10). De Heere weet echter dat wij zowel voor het één als voor het ander Zijn genade nodig hebben (vers 21). Die genade is het volkomen en altijd toereikende middel, om ons te bewaren "totdat Hij komt" (1 Korinthe 11 vers 26; Hooglied 4 vers 6).

'Nee, niet lang meer, leer ons waken, 't morgenrood vertoont zich reeds van ver!'


This document may be found online at the following URL: http://www.stempublishing.com/authors/koechlin/dbd/nl/localStorageYear5.html.

You are welcome to freely access and use this material for personal study or sending to other Bible students, compiling extracts for notes etc, but please do not republish without permission.

With the prayerful desire that the Lord Jesus Christ will use this God-given ministry in this form for His glory and the blessing of many in these last days before His coming. © Les Hodgett contact at stempublishing dot com.